Skip to main content

M&L_6_5.pdf

Page 1

-„

MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 6/5

•

SEPTEMBER-OKTOBER 1987

TWEEMAANDELIJKS


ALGEMENE ONDERNEMINGEN E.G. Verstraete & Van Hecke n.v. Dichtersstraat 115 2610 Antwerpen-Wilrijk Tel. (03) 827 80 64 Telex 72622 Telefax (03) 829 08 06 Erkenningen 8D - 8D24 - 5D5 - 5E - 5G

Antwerpen - Sint-Carolus Borromeuskerk Voorgevel- en binnenrestauratie bouwheer: Stad Antwerpen architecten: J.L. Stynen en H. Van den Berghe


1

1

1

1 1

I

1

i

1

1

1

1

1

1

1

1

i 1 1 - r \ i - k i r~» A A ^*c*f~

1

1

1

1 1

1 1 1 1 11 1 1 1 1 u \ i ' .l 1i. 1l . HEDENDAAGSE 7 A ^ L J T C DMETHODEN C O T A I If5 A T I CBIJ DE 1i. 1 I I I ! /^ \ 1 l l ZAUH1 b KbblAUHAIIh l 1 11 11 11 1/ / / A M vfiFROIIWFN 3 C D V / U V V d > l FN L-IM MONUMENTEN IVIWIMUIVI^IM 1 C-IN | J {j 1 ' 1 L ^ r ^ H -^\| 1 | l| l \VMI>i L._ 1

' 1 U [0 ^ L L

1

• iir""T• • r\r\f~Ki

r^ii

r\^

i

1 ' 1 ' 1 ' 1 1 1 M11 n i • cDnstructieve scheurinjectie i i i i i i r 1 I.r r1 1i 1i i| i T cco n s o l i d a t i e v a n h o u t en s t e e n —TI 1 I I !• p s s t a u r a t i e v a n s t e e n en 1 1 1 /AAA l ' ' i l , seldhouwwerk n il 1 i 1 i 1 i 1 *-> • Rs h a n d e l i n g t e g e n muurvocht fr' i i i i . p D n s t r u c t i e v e r e s t a u r a t i e v a n i i - i | 1 1 1 1 h o u t e n d r a a g b a l k e n en b a l k —U k Dppen a r a t i e v e en p r e v e n t i e v e 1 ' ' A /fAlS 1 1 1 1 1 1 1 1 Ch a h a n d e l i n g van h o u t IT 1 • a ntizwambehandeling 1 1 1 I I II 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 11 1 1 i i ' • onderzoek 1 i... i ! • a d v i e s 1 < . i i • f a b r i k a t i e van p r o d u k t e n < 1 1 ' I rr^l 1 • u i t v o e r i n g v a n werken I II ^i,, , i mm 1 II M IMimiMIIM I I i, r i j ^.-.4.4» « J . i-.T-'.-T-T - r r m r 1 1 1 1 1

nI

Il

n

' ' 1' 1 1 r-J steer *~. muur^i f d i c h t i n g met EPISIL C 55. ' • ' i ' i ! • ! • ' i 1 .

l

A

nrlMw ff'f •ui

1

1

1

1

1

1 1 li.

1 1

1

1

1

1

i

1

i

1

i

1

r i

i

i i

./lallekotstraat 63, 2500 Lier - Tel. 03/489.04.4J Ï5

^ i

1

i

1

i

1

1

i

1

D E N E E F ENGINEERING

i

i

i

i

i

i ' i j

r i i i i

nv resiplast sa 1

1

1

1

i

1

1

1

1

1

(' i 1

>

1 i 1 ii1

RESTAUREREN VAN HISTORISCHE

GEBOUWEN EN MONUMENTEN MET KUNSTSTOFFEN

-

ONZE SPECIALISATIE

Injekteren van baksteen metselwerk Konstruktieve en dichtende scheurinjektie Droogleggen van muren Polymeerchemische restauratie van steen Ontzwambehandeling Gelijmde wapeningen en chemische ankers Kuratieve of preventieve behandeling van hout en konstruktieve restauratie van houten draagbalken Funderingsverbetering - DNE injektiepaal met kleine diameter

iff d e neef

ENGINEERING s$

Industriepark 8. B • 3100 Heist o/d Berg Tel. (015) 24 62 31 - TX 62926 - FAX (015) 24 80 72 Gelieve te noteren dat ons telefoonnummer, vermeld in het januari-februarinummer verkeerdelijk werd afgedrukt.


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft LI zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaiiren. Kenofors-Hèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken.

Uitvoering met anorganische produkten. Levering en verwerking van: MINEROS en KEIM produkten BETONSANERING SPUITBETON GEVELKOSMETIKA WATERDICHTING STEENRESTAURATIE BETONREPARATIES

Renofors-Iièta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

« 5 1 2700Si -Nikl

Ook sterk in; gevelreinigmg - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - beton restauratie houtbehandeling - brandremmmg.

ISO-lsoleertechniek

BAGRAT BELGIUM p.v.b.a. Dr. Van de Perrestraat 289 2440 GEEL Tel. 014/58 04 90

In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg

Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van Den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : 015/24 19 68 veoAu*


j

»

•

- inbraak- en kogelwerende installaties - brandwerende beglaasde deuren - toonkasten voor musea

Kwaliteitsprodukten van Ateliers

"i

MEYVAERT DOK NOORD 3 • 9000 GENT TEL. (091) 25 54 27 • TELEX 11397 • FAXNR. 256875

EEUWENOUDE KAPGEBINTEN voor living, tentoonstellingsruimtes, opmetingen en plannen zijn beschikbaar

ARTHUR VANDENDORPE Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 38 32 96 - 33 03 88

Het etiket voor kwalitertsparket Voskenslaan 223, 9000 Gent Tel. (091) 21 81 22

Moerestraat 65, 8280 Koekelare Tel. (051) 58 01 60


ABDIJ VAN'T PARK TE HEVERLEE KERKGEBOUW

Restauratie toevertrouwd aan

J

NATUURSTEEN ^ ^ L A M I N C K

i 1

^B1 ' 1

*' mÊÊ

| VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 325 03 83 TF,T,F,X 32158 NAVLAM FAX. (03) 325 68 66

1

GASSTRAAT 11 A 9100 LOKEREN TEL. (091) 48 12 17 FAX. (091) 48 96 61

IMPERPJLEX ^ H d e r siliconen De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mechelsestraat 125, 3000 Leuven - Tel. 016/23.98.25

mm ' ^ l


DE

W A N D E L ING

BOUWBEDRIJF

BORGMANS N.V.

R

E

S

T

A

Lei 6 Leuven

m U R A N T 016/23 62 21

iv SPECIALHErr

RESTAURATIE E. M E N G E & ZONEN N.V.

[^37

AANNEMERS VAN - OPENBARE EN PRIVATE BOUWWERKEN - RESTAURATIE VAN MONUMENTEN - SCHOORSTEENBOUW - OVENBOUW

Aannemersstraat 188 / 9110 Gent/SintAmandsberg ® (091) 28 15 05/28 49 35 / Telex 11698 M e n g é B

Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktiet mee aan het verval ervan.

MAAR HET KAN Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

Restauratie van het poortgebouw in " Abdij van Park " te Heverlee

• H

Solar

Kleine Breedstraat 51. 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.

DEPIGEONAL

Zwartgoorweg 3 Vosselaar (014) 6 1 5 1 06 61 11 06


ALGEMENE BOUWONDERNEMING RESTAURATIEWERKEN GEVELWERKEN NATUURSTEENHERSTELLINGEN BETONREPARATIES EN ANDERE SPECIALE TECHNIEKEN Erkenningen Klasse 5 Klasse 4 Klasse 1

D24 D21

ADMINISTRATIEVE ZETEL: LIEVEN BAUWENSTRAAT 20 8200 BRUGGE 2 TEL. 050/31.55.81 TELEX 82476 b-c-b

BOUWONDERNEMING

GOETINCK. RIETEN DAKEN

WILLY IBENS P.V.B.A.

Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslel 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45

N.V. LAMINOIRS dakbedekking st.-pleterskaai 31 8000 brugge S (050) 32 29 44 tx81 316lamino b

bladlood loden buizen soldeer- en diverse loodspecialiteiten ZINK met koper en titaan gelegeerd SPAANSE natuurleien met homologatie BLADKOPER n ^ GOLFPLATEN KUNSTLEIEN

LAMIIMCDIRS dakbedekking


o5^ /\\DPZ/\

en het

De Algemene Spaar-en Lijfrentekas heeft het zogenaamde huis Delbeke aan de Keizerstraat nummer 9 in Antwerpen aangekocht, behoorlijk gerestaureerd en opnieuw zijn oorspronkelijke naam gegeven : Onze-Lieve- Vrouwehuis. De ASLK wil het Onze-Lieve-Vrouwehuis opnemen in haar actieve sfeer en het niet alleen de historische eer toekennen die het toekomt, maar het ook functioneel houden door het opnieuw te integreren in het moderne zakenleven en in de huidige culturele contexten. De doeltreffende verfraaiing van het interieur en de deskundige en liefdevolle restauratie van de bijhorende kunstwerken dienen in het licht van deze filosofie te worden beschouwd.

ASLKi we doen met u mee


ETN, F BRUXELMAN & ZOON NV S

BRUXELMAN HOUDT DE GESCHIEDENIS VAST AL EEN EEUW LANG In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910. Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D. Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a lafirme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modernes sont tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus-1934

KerkEine-1918


M&L ISSN 0770-4948 6e jaargang Nr. 5 september-oktober 1987

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen

Inhoud

Generiek

11

De Sint-Carolus Borromeuskerk te Antwerpen gerestaureerd F. Brenders en M. Manderyck

12

Het Limburgse burgerhuis tot omstreeks 1750 Een typologisch overzicht F. Schlusmans

30

GEBODEN TOEGANG

De Abdij van Park in Heverlee S. Van Aerschot

4')

Summary

62

M&L Binnenkrant

Antwerpen, Sint-Carolus Borromeus, Houtappelkapel. Detail van de gewelfdecoratie (foto D. Stemgée)

Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. (02) 513 99 20. Eindredactie : M.M. Celis. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers.

Abonnementsvoorwaarden 1988 België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 4700278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1988". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Advertentiewerving : De Ganzerik, J. Casier, Philipstockstraat 39,8000 Brugge - Tel. (050) 33 82 20. Druk : die Keure, Oude Gentweg 108, 8000 Brugge - Tel. (050) 33 12 35

MINISTERIE

VAN

DE

VLAAMSE

Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. Box (Kabinet Gemeenschapsminister Dewael), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, G. Ostyn, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

GEMEENSCHAP


GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •

reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden beschermen met acrylsiloxaanverven

DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met een hoogwaardig acrylaatsysteem

Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. De uitvoering van al deze werken kan toevertrouwd worden aan Bodima n.v., tel. (03) 485 77 77. Vraag gratis deskundig advies en prijzen.

erheidsweg24

Zandhoven

Tel. (03) 485 55

de rust en het evenwicht van mineralen Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:

n HERNIEUW JflL UW ABONNEMENT EN QNTVAl HET MQLENVQUWBLAI> INSCHRIJVEN VOOR 15 JANUARI

H H H H

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard bli|ft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden. Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object. Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

^

Soïar

KeineBreedstraai5t,2700Si -Niklaas

voor meer informatie belt u'. o^/yyó.pi. 61


GENERIEK mmÊmwmmÊmmmÊBÊmÊmimmmmmmaMÊm

Klassieke orden, Italiaanse marmersoorten, Pieter P. Rubens... geèïkte waarden ongetwijfeld maar bovenal een bodemloos krediet zouden de Zalige Ignatius van Loyola-kerk opbouwen tot een waarachtig slagschip van de Contrareformatie; een onbetwistbaar orgelpunt van de barok in Vlaanderen. Ab een feniks herrezen uit de vlammen, zou de vergrijzing nochtans onstuitbaar dagen. Misgreep na misgreep resulteerden in een nog slechts hybride schaduw. Francis Brenders noch Madeleine Manderyck waren getuige toen in 1969 — na ruim tien jaar voorbereiding — gestart werd met een eerste fase in de nieuwste, algehele restauratiecampagne; maar hoe het 18de-eeuwse interieur na de briljante voorgevel een derde jeugd herwon, aanschouwden ze met eigen ogen.

Eigen haard Ietwat zelfgenoegzaam sluimerend aan de zelfkant van de grote architecturale stromingen groeiden op Limburgs grondgebied door de tijden heen streekeigen woonhuistypes. Vakkundigheid, economische factoren maar eerder nog de morfologische aspecten bevorderden hun behoud. Middeleeuwse houtbouw of kalk- en mergelstenen renaissancegevels zijn dan ook nu nog meteen aanwijsbaar, en slechts node glijdt mèt Frieda Schlusmans de blik ter vervollediging over de grens.

Geboden toegang V Treinreizigers kennen gewis dat inzoomen op uit de verte oplichtende beeldflarden. Het lijkt wel een misplaatst anachronisme, maar is de meermaals seculaire Parkabdij niet met standvastigheid haar innemende uitstraling ook in gewijzigde omstandigheden blijven verzekeren? Met een niet eens verholen sympathie wandelt Suzanne van Aerschot de variërende terrassen in van deze Heverlese groenoase.


De Sint-Carolus Borromeuskerk te Antwerpen gerestaureerd F. Brenders en M. Manderyck, B.M.L.

In de lente van 1987 kwam in Antwerpen de restauratie gereed van de Sint-Carolus Borromeuskerk, de voormalige jezuïetenkerk. Van 1969 tot 1972 werd in een eerste fase de restauratie van daken, zijgevels, binnenkoer en twee lantaarntorentjes uitgevoerd. Vanaf 1981 volgde de tweede fase: de gevelrestauratie en de binnenrestauratie. De Sint-Caroluskerk mag beschouwd worden als een van onze belangrijkste monumenten van barokarchitectuur. Het interieur had evenwel in de loop der eeuwen als het ware een gedaanteverwisseling ondergaan. Bij de restauratie werd dan ook geopteerd voor een meer historische benadering, met de bedoeling het oorspronkelijke barokke concept uit het begin van de 17de eeuw beter tot zijn recht te laten komen. Ontstaan van het Antwerpse Professenhuis Op 21 september 1621 vond in Antwerpen de plechtige inwijding plaats van de nieuwe jezuïetenkerk. Ze werd onder het patroonschap geplaatst van Maria en van de Zalige Ignatius van Loyola (1491-1556), stichter van de jezuïetenorde. Het was in alle opzichteen een schitterend bouwwerk met de meest uitgezochte, kostbare marmer- en steensoorten, overvloedig verguldsel en prachtige plafondschilderingen van P.P. Rubens. Het dwong algemene bewondering af. Kost noch moeite waren gespaard om er in de zin van de Contrareformatie een bijzonder uitstralingspunt van het vernieuwd katholicisme van te maken. Na vele jaren van politieke en religieuze onstabiliteit in de 16de eeuw was er immers met de komst van de Aartshertogen Albert en Isabella in 1598 opnieuw een zekere rust teruggekeerd, bevestigd in het twaalfjarig bestand (1609-1621). De bouw van de Antwerpse jezuïetenkerk paste in de betrachting van onze Spaanse voogden om, samen met de vestiging van hun militaire en politieke gezag, de Nederlanden ook te herwinnen voor het roomse katholicisme. De jezuïetenorde, Spaans geïnspireerd, liet zich hierbij niet onbetuigd en kon rekenen op hun bijzondere steun. Reeds in 1574 kochten de jezuïeten met de hulp van Spaanse kooplieden het huis Van Aken aan de Korte Nieuwstraat en openden er een college. Mede omdat de Antwerpse vestiging zo snel uitbreiding nam, ver-

'O

Aguilon (en Huyssens). Jezuïetenkerk en professenhuis. Origineel grondplan, archief Carolus Borromeus

huisde het college in 1607 naar het Hof van Liere aan de Prinsstraat (1). Vooral vanaf de splitsing in 1612 van de Belgische jezuïetenprovincie in de Nederlandstalige Provincia Flandro-Belgica en de Franstalige Provincia Gallo-Belgica werden plannen gemaakt voor het oprichten van een professenhuis in Antwerpen. Hier zouden de paters volledig onafhankelijk van het college in de geest van evangelische armoede Hiernaast: gevel, huidige toestand (foto M. Lorrez)

M&L 12


^ J

^

^

^

^

^

^

^

^

_


leven en door studie en prediking hun geestelijke taak vervullen. In het Antwerpse Professenhuis, officieel opgericht in 1616, resideerde ook de Provinciale overste. Zodoende werd Antwerpen het administratieve centrum van de Vlaamse provincie. Het verkreeg grote faam onder meer door de talrijke geestelijke en wetenschappelijke publikaties, maar vooral door de bouw van een allesovertreffend kerkgebouw, een „templum, quo nullum nee Belgio, nee Gallia cernist (sic) augustius" (een Tempel waar nergens, noch in België noch in Gallië, een grotere schittert) (2).

De ontwerpers voor de nieuwe kerk Vanaf 1613 werden verschillende ontwerpen voor de bouw van de nieuwe kerk naar Rome gestuurd voor de noodzakelijke goedkeuring door de Generaal van de jezuïetenorde (3). Initieel werd er aan een rondbouw met koepel gedacht, zoals W. Cobergher er enkele jaren eerder één voor Scherpenheuvel had ontworpen. Doch de verschillende centraalbouwplannen lokten in Rome zoveel discussie uit dat de goedkeuring twee jaar op zich liet wachten. Uiteindelijk werd het een eenvoudiger project met basilicale aanleg. De plattegrond waarnaar de kerk gebouwd werd, bleef blijkbaar niet bewaard. Wel bestaan er — onder meer in het kerkarchief van Sint-Carolus — verschillende originele tekeningen voor talrijke onderdelen van het gebouw (4). Over het auteurschap van de ontwerpen en de uitvoering is het laatste woord zeker niet geschreven. Wij sluiten ons in dat verband gaarne aan bij de bevindingen van F. Baudouin terzake (5). Hij verwijst naar de Historia Domus Professae Antverpiensis in 1625 naar Rome opgezonden, waarin gesteld wordt dat het ontwerp getekend werd door pater F. Aguillon en dat het achteraf, mits toevoeging van een grote toren en van enkele andere delen, werd uitgevoerd door Pieter Huyssens, coadjutor van de orde die de opbouw

Aguilon (en Huyssens?). Voorontwerp van Jezuïetenkerk en professenhuis. De kerk is hier nog voorgesteld als een centraalbouw. Archief Carolus Borromeus

Toren. Aan het ontwerp zou P.P. Rubens zijn medewerking verleend hebben (foto A.C.L.)

leidde van de fundamenten tot haar bekroning. Huyssens werd inderdaad in 1613 in de registers van het Antwerpse Professenhuis vermeld als 'architectus'. Hoewel er vooralsnog geen echte bewijzen naar voren gebracht kunnen worden, concludeert F. Baudouin WÊÊÊÊÊm» M & L 14


Huyssens. Ontwerp van de gevel. Archief Carohis Borromeus

Grondplan van de huidige toestand naar J.L. Stynen

dat de vormgeving van de toren bijna niet denkbaar is zonder de creatieve inbreng van Rubens. Zekerheid bestaat er wel omtrent het aandeel van Rubens in verschillende decoratieve onderdelen van het gebouw.

De bouwmaterialen Werd het opzet van de plattegrond in Rome weliswaar sterk vereenvoudigd, toch zou Antwerpen geenszins besparen op materialen (6). In afwachting van de bouwtoelating begon alvast het zoeken naar de meest kostbare materialen. In Laken werd geschikte witte natuursteen gevonden, en een overeenkomst van exploitatie werd gesloten. Later, in 1619, moest nog een ander terrein aangekocht worden in Vlierzele bij Aalst om te kunnen voldoen aan de enorme hoeveelheden. Verder werd er marmer en blauwe steen aangekocht in Wallonië, onder meer rouge-royal uit Dinant. Doch voor de mooiste marmer, waaronder de witte marmer, moest Italië worden aangesproken. Twee Antwerpenaren, Alexander en Cornells Lancelodts, werden door P. Aguillon naar Italië gestuurd voor de aankoop en het vervoer. Verschillende marmersoorten waaronder witte Carara en La Spezzia werden in Genua verscheept en via de Oosterschelde, waar aan de Hollan-

ders zware tol betaald moest worden, naar Antwerpen overgebracht. Waarschijnlijk bevonden zich bij de vracht ook Africaanse of Oosterse marmers, afkomstig uit de antieke monumenten in Italië. Vanaf april 1614 werd het terrein geschikt gemaakt; belangrijke overwelvingswerken moesten uitgevoerd worden omdat de kerk gebouwd werd op de samenvloeiing van de Jezuïetenrui en de Minderbroedersrui. Vandaag nog loopt de 3,70 m brede rui onder het koor door.

Het bekostigen van de bouwwerken Het Professenhuis, dat financiële zelfstandigheid bezat, moest zelf instaan voor de bekostiging van de bouwwerken. Het werd een roekeloze onderneming. Gedreven door een bijna mateloze bouwkoorts stapelden de schulden zich op, ondanks 'subsidies', onder meer van de Aartshertogen (12.000 gulden), van Philips IV (10.000 gulden) en van de stad Antwerpen (20.000 gulden). Collectes werden georganiseerd in de Antwerpse parochies, terwijl er in 1614-1617 en 1618 openbare inschrijvingen plaatsvonden, die in totaal ± 95.000 gulden opbrachten. Dit alles terwijl de richtlijn uit Rome luidde: goedkeuring mits er geen schulden gemaakt werden. Geen 15 M & L

-


von Ehrenberg

M&L 16

W.S.. Interieur van de Sint-Carolus Borromeuskerk. 1669 (copyright Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel)


wonder dat de Antwerpse jezuïeten, het faillisement nabij, herhaaldelijk op de vingers getikt werden vanuit Rome.

Het gebouw Onmiddellijk bij het bekomen van de vereiste toelatingen werd de eerste steen gelegd op 15 april 1615. De werf stond permanent onder toezicht van een pater of broeder, de praefectus aedificii. Heel wat jezuïeten waren er ook zelf werkzaam. De werken vorderden goed en reeds na zes jaar kon de kerk ingewijd worden. De monumentale gevel en toren in witte natuursteen en blauwe hardsteen mogen terecht beschouwd worden als hoogtepunten van de barokarchitectuur in Vlaanderen. Opgevat in de zin van Vignola's ontwerpen voor de Gesükerk te Rome beantwoordde de voorgevel, opgebouwd als een scherm, geheel aan de nieuwe stijl geïnspireerd op de klassieke Romeinse architectuur. De drie horizontale geledingen, overeenkomend met de hoogte van respectievelijk de kerkruimte, de galerijen en het dak, werden uitgewerkt volgens het klassieke ordensysteem met onderaan de Dorische orde, en vervolgens de Ionische en bovenaan de Corinthische orde. Geheel in de lijn van de Italiaanse voorbeelden is ook het verhoogde middenrisaliet met driehoekig fronton verbonden met de lagere zijvleugels door sierlijke voluten. De toren, achter het koor geplaatst, was van een ongeziene plastische vormgeving, waarbij overwegend italianiserende architectuurelementen als de 'serliana' (7) evenwichtig werden verwerkt. Zoals hierboven reeds gesteld is de realisatie van de toren vrijwel niet denkbaar zonder de creatieve inbreng van P.P. Rubens. Doch ook voor onderdelen van de gevel en het interieur werden verschillende tekeningen van Rubens geïdentificeerd, onder meer voor de bazuinblazende engelen aan de toegangspoort, voor het gevelschild en voor de weelderige decoratie van het gewelf van de Mariakapel.

Het interieur Waren gevel en toren voor die tijd geheel nieuw van uitzicht, het interieur was van een uitzonderlijke rijkdom. In de geest van de besluiten van het Concilie van Trente, in onze streken verspreid via de geschriften van Carolus Borromeus en Molanus, ontstond een heel nieuw type van kerkinterieur. In tegenstelling met het gediversifieerde laat-middeleeuwse kerkinterieur kwam er een grote, geordende eenheidsruimte geaxeerd op het portiekvormige hoofdaltaar afgesloten met een brede communiebank. Een monumentale preekstoel werd in het kerkschip centraal opgesteld, de zijmuren waren uitgerust met opvallende biechtstoelen. Deze georganiseerde, imponerende ruimte stond in functie van het opzet van de jezuïeten en van de katholieke kerk in het algemeen: vooreerst de verdediging en verspreiding van het katholicisme door 17 M&L


prediking en onderricht en vervolgens de versterking van het geloof door de vernieuwde praktijk van de sacramenten, in de eerste plaats de biecht en de eucharistie. Ook de plattegrond was groots en klaar opgevat: een driebeukige basiliek met halfronde apsis; boven de zijbeuken zijn de breed opgevatte galerijen gemakkelijk toegankelijk via twee trappenhuizen, bekroond door twee lantaarn torentjes in de voorgevel. Een maximum aan kerkgangers kon zodoende op een beperkte ruimte plaats vinden. Eveneens in de zin van de Contrareformatie wilden de bouwers van hun tempel een afstraling maken van het hemelse Jeruzalem. Pracht en rijkdom zouden er de bezoekers overtuigen van het ware roomse geloof. De oorspronkelijke interieurdecoratie ging echter grotendeels verloren bij de brand in 1718. Een interieurzicht van 1667 laat ons toch de oorspronkelijke rijke stoffering zien (8). De hoge middenbeuk was van de zijbeuken en de galerijen gescheiden door een dubbele bogenrij op zuilen, respectievelijk van de Dorische en Ionische orde, alles in witte marmer ! Een houten tongewelf uitgewerkt als een Romeins cassettenplafond dekte de middenbeuk af, terwijl aan de vlakke zolderingen van zijbeuken en galerijen 39 doeken van P.P. Rubens waren aangebracht. De jezuïeten bestelden ze bij contract in maart 1620, en Rubens verbond er zich toe de 39 stukken te leveren vóór het eind van het jaar. De schetsen zou hij zelf maken, maar de uitvoering mocht gebeuren door zijn atelier, op voorwaarde dat hij ze zelf zou bijwerken (9). Ze gingen allemaal in de brand verloren. De 'wittigheyd van heel de Kerck' (10) stond in contrast met het overweldigend versierde koor, van beneden tot boven uitgewerkt in diverse, meer donkere marmersoorten en afgedekt met een gebeeld-

Houtappelkapel, altaar (foto F. Brenders)

Algemeen binnenzicht, huidige toestand (foto M. Lorrez)

houwde, halve koepel van witte natuursteen, geschilderd en verguld. Het marmeren portiekaltaar, waarvoor eveneens schetsen van Rubens bewaard zijn, was uitgerust met niet minder dan vier grote schilderijen, die via een ingenieus mechanisme achter het altaar, regelmatig verwisseld werden naargelang van

Houtappelkapel, gewelfversiering naar ontwerp van P.P. Rubens (foto F. Brenders)

Houtappelkapel, wapenschild van de familie Houtappel (foto F. Brenders)


voorzien maar werd vrij vlug na 1621 aangezet tegen de zuidmuur van de kerk. Ze werd bekostigd door de familie Houtappel. Alle muren zijn hier eveneens uitgewerkt in marmer. Sommige platen bezaten zo een mooie tekening en werden zo kunstig verzaagd dat ze, gevat in monumentale marmerlijsten, als abstracte schilderijen de muren sieren. Het tongewelf, doorbroken door zes steekkappen, toont een prachtige gebeeldhouwde barokdecoratie, waarvan ontwerpschetsen van Rubens bekend zijn. Het geheel is uitgevoerd in witte natuursteen, geschilderd en deels verguld. De sacristie werd volgens de annalen in 1651 begonnen. Met het monumentale stucplafond door H. Hansche en de eikehouten kasten en lambrizeringen vormt ze een uniek ensemble van Vlaamse barok.

De brand van 1718 en de wederopbouw

Houtappelkapel, interieur (foto M. Lorrez)

de liturgische feesten. Twee waren van Rubens: de wonderen van Sint-Ignatius en de wonderen van SintFranciscus Xaverius. Van de vroegere luister van de marmeren tempel van de jezuïeten (11) getuigt thans nog de Onze-LieveVrouwekapel. Ze was in het oorspronkelijk plan niet

Sacristie (foto F. Brenders)

Op 18 juli 1718 sloeg de bliksem in het dak. Het houten gebinte en het cassettenplafond stortten brandend in de middenbeuk. De marmeren kolommen barstten en stortten gedeeltelijk in, de plafondschilderijen van Rubens gingen in de vlammen op. Het schip van de kerk moest volledig opnieuw gebouwd worden. Plannen werden gemaakt om de opstand te wijzigen en de galerijen niet wederop te bouwen. Het kerkarchief bewaart verschillende ontwerpen in die zin, niet meer met een dubbele bogenrij, maar met kolommen van kolossale orde over de volledige hoogte van de zijbeuken (12). Toch werd beslist volgens het oorspronkelijke plan te herbouwen, maar met eenvoudigere materialen: witte natuursteen en blauwe hardsteen. Het geheel werd gepleisterd en geschilderd. Het casettenplafond werd vervangen door een stucplafond met sobere vroeg-

Voorontwerp voor de wederopbouw van de galerijen na de brand van 1718. Archief Carolus Borromeus

Detail van de na de brand geplaatste ingangspoort (foto F. Brenders)

19 M&L


18de-eeuwse decoratie, mogelijk met een weinig verguldsel (13). De werken stonden onder leiding van J.P. Baurscheit de oude (1669-1728), die eveneens voor het ontwerp van het prachtige laat-barokke meubilair instond: het toegangsportaal, de preekstoel, de orgelkast en gedeeltelijk de lambrizering met biechtstoelen, waar Michiel Van der Voort de oude (1667-1737) ook een aandeel in heeft gehad. In november 1720 kon de kerk opnieuw in gebruik genomen worden.

Van de opheffing van de jezuïetenorde tot parochiekerk in de 19de eeuw Na de opheffing van de jezuïetenorde in 1773 verlieten de paters hun klooster. De goederen werden verkocht in 1775-1776. Maria-Theresia verwierf er verschillende kunstwerken voor de Oostenrijkse collecties. De drie Rubensschilderijen zijn thans nog, samen met de ontwerpschetsen uit het kerkarchief, aanwezig in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. Reeds in 1779 heropende bisschop Wellens de kerk voor onderricht. Voortaan zou ze ook Sint-Caroluskerk worden genoemd. In de Franse tijd kreeg ze verschillende bestemmingen, maar in 1797 werd ze temple de la loi, waar burgerlijke plechtigheden plaatsvonden. In 1803 werd de nieuwe Sint-Carolusparochie opgericht; sindsdien is ze parochiekerk. Onder het Hollandse bewind deed Koning Willem een poging om de kerk te bestemmen voor de protestantse eredienst, maar toen kon de kerkfabriek de kerk kopen en begon ze aan de herstelling. Vooral in de periode 1831-1845 werden heel wat werken uitgevoerd onder leiding van architect L. Serrure. Hieraan herinnert wellicht het schilderij van R. Weisser uit 1841 met de voorstelling van kardinaal Sterckx, die een bezoek brengt aan de kerk.

Lambrizering en biechtstoel volgens ontwerp van Michiel Van der Voort (foto A.C.L.)

Interieurzicht uit 1841, volgens een schilderij bewaard in de pastorie, toont de toestand vóór het ontpleisteren en ontververn van de kolommen en de bogen.

De 19de en 20ste eeuw. Een verhaal van restauraties De eigenlijke restauratiewerken begonnen in het midden van de 19de eeuw. In 1849 werd een eerste ontwerp voor werken aan de gevel voorgelegd aan de toenmalige Koninklijke Commissie voor Monumenten. De werken werden zonder uitstel aangevat. Spoedig zou blijken dat de voorziene kostprijs van 30.100,fr. schromelijk was onderschat. Bij het einde van deze restauratie, in 1864, was de totaalkost immers opgelopen tot 117.866,-fr. Hiermee waren enkel werken aan de voorgevel gebeurd. Aan de rest van het gebouw werd niets uitgevoerd. Het lastenboek voor deze restauratie werd gemaakt door architect Berckmans. Oorspronkelijk bestond het gebouw uit Balegemse kalkzandsteen, Bentheimer steen voor grotere delen en beeldhouwwerk en blauwe hardsteen voor lijstwerken en uitkragende delen. Berckmans schreef voor de restauratie negen verschillende soorten voor: blauwe hardsteen van Ecaussinnes, steen van Rochefort, Crassanel, Bentheim, blauwe of gele gré van Ecaussinnes, Ourdain, Vilvoorde, Gobertange en Kampenhout. Te oordelen naar deze opsomming van zoveel steensoorten van verschillende kwaliteit en uitzicht moet het schadebeeld tamelijk groot geweest zijn. Het is evenwel niet zeker of al die materialen ook werkelijk gebruikt werden dan wel of ze door Berckmans als mogelijke vervangstenen werden aangegeven. Uit de beschrijving van de werken kan men afleiden dat de restauratie met tamelijk veel zorg uitgevoerd diende te worden. Zo werd het de aannemer verboden stenen te 'mastikeren', wat inhoudt de beschadigde delen te vervangen door in het steenblok inge-


voegde kleinere stenen. Verder vermeldt het lastenboek ook nog lood en zink voor goten en aflopen. Dakwerken werden niet opgenomen. Jammer genoeg bevat dit bestek geen meetstaat zodat het niet mogelijk is de juiste omvang van de werken te bepalen; ook het totale eindbedrag leert ons weinig gezien de sterk uiteenlopende eenheidsprijzen van de verwerkte materialen. In 1894 werd een dossier ingeleid voor herstellingen aan het dak voor een totaal kostprijs van 3.000,-fr. Deze werken werden in 1895 uitgevoerd. Gelet op het relatief kleine bedrag kan het hier slechts een grove herstelling betreffen. In de maand juli 1902 trof een steen uit de toren een voorbijganger die als gevolg hiervan twee dagen later overleed. De burgemeester gaf hierop het bevel alle losse stenen te verwijderen en de nodige veiligheidsmaatregelen te treffen. De gerestaureerde voorgevel hield stand tot 1909. In dat jaar werden, omwille van de openbare veiligheid, op een eerder ondoordachte manier een aantal beelden, sculpturen en lijsten afgehakt, pilasters en ornamenten afgeschuurd en verschillende uitstekende delen beschadigd. Na een tussenkomst van de provinciegouverneur en de Koninklijke Commissie voor Monumenten werden de werken stilgelegd en werd aan architect Bilmeyer opdracht gegeven een restauratiedossier op te maken voor de gevel en de toren. Dit ontwerp van 1912 voorzag opnieuw de vervanging van een aantal delen van de voorgevel. Als te verwerken materialen werden blauwe hardsteen van Ecaussinnes en kalkzandsteen van Euville voorgesteld. De kostenraming bedroeg voor de gevel 80.570,-fr., voor de toren 152.055,-fr. Op deze werken werd tijdens de uitvoering zeer veel kritiek geleverd, getuige de talrijke plaatsbezoeken van de Koninklijke Commissie. De eerste klacht luidde dat veel meer stenen vervangen werden dan nodig en dan aangeduid op het plan: elke steen met enig gebrek — hoe klein ook — werd vernieuwd. Dit gebeurde bovendien lukraak zonder rekening te houden met de oorspronkelijke voegverdeling; vaak werd enkel het beschadigde deel verwijderd terwijl het gezonde deel bewaard bleef. Verder werd het materiaal zelf aangeklaagd: de Euvillesteen werd niet geschikt bevonden voor dit werk te meer toen bleek dat de stenen na zagen en schuren, zonder verdere bewerking geplaatst werden naast oudere delen waarop de oorspronkelijke frijnslag nog wel zichtbaar was. De architect replikeerde hierop met het voorstel ook de te behouden stenen glad te schuren. De complexi-

Algemeen binnenzicht, huidige toestand (foto M. Lorrez)

teit van het beeldhouwwerk waarvan bij deze bewerking onvermijdelijk veel details verloren zouden gaan, deed hem hiervan echter afzien. Uiteindelijk stelde hij voor de nieuwe stenen een kunstmatige patina te geven in afwachting dat een natuurlijke patina zou ontstaan. Deze werken, uitgevoerd door aannemer Vandekerckhove, werden beëindigd in 1916. In 1917 werd een aanvullend dossier ingediend voor de restauratie van de koepels en de sacristie. Ook dit ontwerp werd door architect Bilmeyer opgemaakt. Aannemer Vandekerckhove kreeg de opdracht zonder aanbesteding toevertrouwd als uitbreiding van de reeds eerder beëindigde en opgeleverde werken aan gevel en toren. Deze bijkomende werken waren in 1920 voltooid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de kerk opnieuw schade op. Bij de beschieting van Antwerpen in 1944 werd een groot aantal glasramen vernield. De herstelling volgde pas in 1947.

Voorontwerp met mogelijke varianten voor de borstwering van de gaanderijen. Archief Carolus Borromeus 1

•

bè^rrr-•! C3 s^

Il &

* 21 M&L


Detail gevelparement vóór restauratie (copyright J. Van der Haegen)

Hetzelfde vlak na restauratie (foto F. Brenders)

De restauratiewerken 1969-1972 en 1981-1987

hoektorens aan de voorgevel en de zijgevels. Behalve aan de hoektorens van de voorgevel waaraan architect Bilmeyer reeds had gewerkt, waren deze delen nooit eerder gerestaureerd. Van de gevel van de sacristie was vooral het lijstwerk sterk beschadigd, de monelen waren af geschilferd, voegwerk uitgekankerd en raamomlijstingen verzand. Bepaalde details die nog zichtbaar zijn op foto's genomen vóór de aanvang van de werken, lijken erop te wijzen dat deze gevel op een bepaald ogenblik in zijn geschiedenis licht bepleisterd en geschilderd was. Of dit van bij de oorsprong zo was dan wel of het een latere aanpassing betreft, is echter niet duidelijk. Het oorspronkelijk ontwerp, waar deze gevel als volledig effen is opgetekend, met een sterk accent op de rijk uitgewerkte raamomlijstingen en de fijne barokke detaillering, nergens doorbroken door enige aanduiding van steensnede, maakt het verleidelijk om op deze veronderstelling door te denken. Bijzondere aandacht verdienen de lantaarnkoepels boven het koor en de zijkoren. Bij de demontering bleken ze opgebouwd uit concaaf gevormde blokken die zoals stukken van een puzzle in elkaar pasten en op hun plaats werden gehouden door lood dat in de voegen was gegoten. Deze opbouwtechniek werd bij de restauratie minutieus hernomen. Het schadebeeld aan de zijgevels was klassiek. Vooral de hoeken van de steunberen en de uitgewerkte raamomlijstingen waren sterk verkankerd, de ertussen liggende vlakke delen bevonden zich in betere staat. Bij de restauratie werden dan ook de steunberen en raamomlijstingen volledig vernieuwd terwijl van de vlakke delen partijen konden worden behouden of hergebruikt.

Een nieuwe restauratie kondigde zich aan in 1957. Toen opnieuw stenen begonnen te vallen werd onmiddellijk een beveiligingsstelling rond het gebouw opgetrokken. In 1960 kreeg architect J.L. Stynen de opdracht het ontwerp te maken voor de volledige restauratie van de kerk. Alhoewel reeds vrij nauwkeurige tekeningen van de voorgevel en de toren bestonden was het toch nodig de schade en de verschillende steensoorten nauwkeurig in kaart te brengen om een juist beeld te krijgen van de uit te voeren werken. Bovendien moesten de zijgevels, de daken, de bijgebouwen en het interieur integraal worden opgemeten, een werk dat vaak in moeilijke omstandigheden verliep en veel tijd in beslag nam. In een eerste verslag werd voorgesteld de werken in drie fasen uit te voeren. De herstelling van daken en zijgevels, van de straatgevel aan de sacristie en de verschillende annexen werd hierbij als hoogdringend beschouwd: het steenwerk van deze delen was nog nooit eerder gerestaureerd en bevond zich in een verregaande staat van verval waardoor regelmatig brokstukken los kwamen; de daken waren door een jarenlang gebrek aan enig onderhoud — de laatste grondige onderhoudsbeurt dateerde uit 1894 — te erg vervallen om nog hersteld te kunnen worden; elke verdere vertraging zou het behoud van het monument onmiddellijk in het gedrang brengen. Van grote delen van het dak waren de schallen geheel of gedeeltelijk verdwenen; de onderliggende bebording bleek hierdoor ten zeerste vergaan, de daktimmer was op verschillende plaatsen aangetast en de stabiliteit van het gewelf over het middenschip was op sommige plaatsen problematisch geworden. Hier moest dus dringend worden ingegrepen alhoewel dit strikt genomen niet tot de eerste fase behoorde. Als gevolg van deze dakschade was het nodig alle leien en grote delen van de bebording te vervangen, terwijl ook de dakstructuur grondig moest worden hersteld. Naast de noodzakelijke herstelling van het dak waren, zoals reeds gemeld, ook werken aan gevelpartijen noodzakelijk. Het ging hier om de gevels aan de sacristie, de puntgevels en de lantaarnkoepel boven het koor, de zijkoren en de Sint-Ignatiuskapel, de I M&L 22

Al deze werken werden uitgevoerd tussen 1969 en 1972 door de Algemene Ondernemingen E. Verstraete en Vanhecke N.V. uit Wilrijk. De kostprijs bedroeg 46.287.782,-fr., waarvan 60 % door de Staat, 20 % door de Provincie en 20 % door de Stad bekostigd werd. Bij de start van de restauratiecampagne was het de bedoeling de verschillende fasen bij elkaar te laten aansluiten. Het ontwerp voor de tweede fase, de voorgevel, werd dienovereenkomstig in 1968 aangezet. Het stadsbestuur van Antwerpen verzocht de ontwerpers hier onmiddellijk de derde


Toestand van de bedaking vóór restauratie (copyright J. Van der Haegen)

fase, de toren, aan te koppelen. In 1971 werd deze idee echter verlaten en op verzoek van de architecten werd de restauratie van het interieur aan de tweede fase gekoppeld. Deze ommezwaai vergde nieuwe onderzoekingen en voorbereidingen waardoor het dossier onvermijdelijk vertragingen opliep. Uiteindelijk zou deze tweede fase pas in 1979 worden goedgekeurd; zowat een jaar later kon ze worden aanbesteed. De werken begonnen op 1 september 1981 en zouden duren tot het voorjaar 1987. Zoals voor de eerste fase, werden ze uitgevoerd door de Algemene Ondernemingen Verstraete en Vanhecke N.V. Ze vergden een investering van 125.340.241,-fr., waarvan de kosten verdeeld werden door de Staat 60 %, de Provincie 20 % en de Stad 20 %. De schade aan de voorgevel was buitengewoon groot. Reeds zeer veel oorspronkelijk materiaal was in de verschillende restauratiecampagnes vervangen. Waar architect Berckmans rond 1860 de steensnede vrij nauwkeurig had gevolgd, was dit niet meer het geval bij de restauratie

van Bilmeyer. De laagdikte werd niet gerespecteerd en talrijke kleinere stenen werden ingevoegd ter vervanging van aangetaste delen van grote stenen. Bovendien was deze restauratie integraal in Euvillesteen uitgevoerd, een steensoort die zich niet liet harmoniseren met het overige materiaal en die reeds zeer vlug was beginnen af te takkelen. Deze ingreep moest thans ongedaan gemaakt worden, teneinde het algemene architecturale uitzicht te verbeteren. Het veelvuldige en rijke beeldhouwwerk stelde hierbij bijzondere problemen. Het fronton met voorstelling van de Heilige Maagd met het kind Jezus geflankeerd door engelen, moest volledig vernieuwd worden. Het bestond uit verschillende soorten steen als gevolg van de vroegere restauraties: stukken Euvillesteen waren ingevoegd tussen andere; de roestvorming op de ijzeren verankeringen van deze ingevoegde stukken had nog eens voor bijkomende problemen gezorgd; het baldakijn boven de figuur van de Heilige Maagd,

Gevel van de sacristie vóór de restauratie (copyright J. Van der Haegen)

Oorspronkelijk ontwerp van de gevel van de sacristie. Archief Carolus Borromeus

23 M&L


Lantaarnkoepel boven het hoofdaltaar vóór, tijdens en na de restauratiewerken (foto F. Brenders) Beeldhouwwerk in fronton vóór restauratie

M&L 24

Na restauratie (foto's Verstraete & Van Hecke)

Christusmonogram in de voorgevel. Huidige toestand (foto F. Brenders)


Beeldhouwwerk in voorgevel vóór restauratie

Na restauratie (foto's Verstraete & Van Hecke)

in het oorspronkelijke ontwerp voorzien in steen, was later vervangen door een stuk metaal. Om de uitwerking van dit beeldhouwwerk mogelijk te maken werd eerst een plaasteren model gemaakt dat moest dienen om de laaghoogte van de verschillende partijen te bepalen, een werk dat gezien het zeer diepe reliëf met verschillende vrijstaande of bijna vrijstaande delen van uitzonderlijk belang was om het geheel te laten slagen. Het aldus ingedeelde plaasteren model werd tenslotte door het beeldhouwersatelier in steen uitgewerkt. Hierbij moest aan de verschillende vooruitstekende delen voldoende staartlengte gegeven worden om bij de opbouw het geheel in evenwicht te houden en een voldoende inwerking in het achterliggende metselwerk te verzekeren. Gelijkaardige problemen deden zich voor bij het Christusmonogram boven de ingang, ontworpen door Rubens. Dit beeldhouwwerk was oorspronkelijk in Bentheimersteen uitgevoerd doch ook hier hadden verschillende invoegingen in Euvillesteen de eenheid van het geheel ten zeerste aangetast. De restauratie heeft deze eenheid hersteld mede door opnieuw de oorspronkelijke steensoort te gebruiken en door té zeer beschadigde en vroeger fragmentair herstelde delen weg te werken. De partijen in blauwe hardsteen vroegen een andere benadering. De meeste onderdelen waren nooit eerder behandeld en vertoonden slechts plaatselijk aantastingen. Om deze reden werden alleen de té zeer

aangetaste delen of fragmenten die voor een goed begrip van de algemene architecturale lijn noodzakelijk zijn, vervangen.

De restauratie van het interieur Bij de start van de tweede fase van de restauratie in september 1981 bood het interieur een vervuilde, sombere indruk. Het was aan een algehele opfrissing toe. Het pleisterwerk, het stucwerk en ook de natuursteen had op sommige plaatsen erg te lijden van vochtpenetratie. De marmers en verguldsels waren dof geworden. Het meubilair was aangetast door houtworm en ter hoogte van de vloer zorgde houtrot voor verzakkingen. Een opfrissende schildersborstel was al lange tijd achterwege gebleven. Het interieur zoals het zich vóór de huidige restauratie voordeed, was eigenlijk het resultaat van een grondige opknapbeurt in 1889-1890, waarbij de middenbeuk met de dubbele bogenrij, tot stand gekomen na de brand van 1718, totaal van uitzicht veranderde. In 1889 besloten pastoor J. De Coster en de kerkmeesters immers 'eenige kolommen in de Kerk en op de Gallerie te ontdoen van hunnen kalk en de schilderlagen om te onderzoeken of dezelven in goeden staat waren'. Na onderzoek bleek dat alles in 'besten staat' was, waarop alle kolommen, basementen, kapitelen en bogen werden ontpleisterd (14). 25 M&L I


Houtappelkapel. Vernieuwing van plafond volgens ontwerp van P. P. Rubens, vóór restauratie (foto Verstraete & Van Hecke)

Dit paste geheel in de toen gangbare restauratiepraktijk, waarbij natuursteen vrijwel steeds ontdaan werd van zijn oorspronkelijke afwerking in de gedachte dat dergelijk 'echt' materiaal zeker bedoeld was om gezien te worden. Pastoor en kerkmeesters dachten dan ook niets anders te doen dan de kerk te herstellen 'in haren premetieven staat' (15). Het resultaat toonde een heterogene ruwbouw met grof gemetselde witstenen kolommen, blauwe hardstenen kapitelen met de aanzetstukken van de scheibogen eveneens in hardsteen, terwijl de bogen zelf overwegend in witte natuursteen gemetseld waren met hier en daar ijzerzandsteen. De opbouw van de galerij met kolommen van monoliete blauwe hardsteen, was verder wat materiaalgebruik betreft gelijkaardig aan de benedenbogen. De diversiteit van bouwmaterialen en het ruwe uitzicht lieten het oorspronkelijk architectuurconcept nog weinig tot uiting komen. Het resultaat moet toen reeds — wellicht onbewust — ergens onbevredigend geweest zijn aangezien het wegnemen van de afwerking tegelijk aanleiding gaf tot het aanbrengen van verguldsels. Pastoor De Coster besliste toen de 'boven deelen der kapiteelen van de arduine kolommen op de Gallerie (te) doen vergulden, alsook de ornamenM&L 26

ten in de blafonds', met de bedoeling 'de ornamenten nog meerderen luister' en 'een schoonen rijkdom' te geven (16). Ook in de Mariakapel werden kalk- en schilderlagen verwijderd. Er werd vastgesteld dat de ornamenten eertijds verguld waren, wat hernomen werd (17). Aldus onderging het interieur in 1889-1890 een zo grondige gedaanteverwisseling dat zowel het oorspronkelijk als het 18de-eeuwse concept nog nauwelijks te herkennen waren. Bij de huidige restauratie werd gekozen voor het opnieuw afwerken van de in zicht gebrachte materialen: de kolommen kregen een gladde bepleistering, terwijl het steenwerk van de bogen opgeplamuurd werd en geschilderd. Het interieur van de Sint-Caroluskerk mag beschouwd worden als een van de waardevolste monumenten van barokarchitectuur. De 'restauratie'ingreep van 1889-1890 kan anderzijds weinig intrinsieke waarde toegemeten worden. Zodoende werd thans geopteerd het barokke concept en het 18deeeuwse uitzicht te valoriseren. Dit betekent echter niet dat de toestand van net na 1718 gereconstrueerd wordt. Hiervoor was er enerzijds geen directe noodzaak en anderzijds waren te weinig historische gegevens voorhanden.


Zo was onder meer de kleurgeving van de kolommen in de 18de eeuw niet te achterhalen. In de 19de eeuw was het interieur wel vrij uniform wit geschilderd, blijkens een schilderij gedateerd 1841 en bewaard op de pastorie. Thans werden de kolommen in een heel lichtgrijs getinte zijdeglans acrylverf geschilderd als reminiscentie aan de oorspronkelijke witmarmeren kolommen. De muren, het gewelf en de plafonds daarentegen werden met matte lijmverf geschilderd, waardoor het interieur opnieuw een lumineus en authentiek uitzicht bekwam. De natuurstenen en stucornamenten werden waar nodig verstevigd en hersteld. De marmers verkregen door reinigen en boenen opnieuw hun oorspronkelijke glans. De aanwezige verguldsels werden hernomen met bladgoud. Het oorspronkelijke verguldsel werd bij deze restauratie niet bewaard. Aan de bevloering, die waarschijnlijk grotendeels nog uit de 17de eeuw dateert, werden enkel plaatselijke herstellingen uitgevoerd. Het meubilair daarentegen noodzaakte meer herstellingen. In de sacristie werden polymeerchemische technieken toegepast voor de restauratie van de balklaag omwille van het noodzakelijk behoud van het waardevol stucplafond. Muren en plafond werden ook hier met een witte lijmverf geschilderd. Tijdens de uitvoering van de werken werd beslist de storende verlichting met buislampen te verwijderen en te vervangen door kleine hanglampjes in twee rijen voor de middenbeuk en eenvoudige plafondarmatu-

ren voor de zijbeuken. De oude hanglampen werden hergebruikt in de zijkapellen. Een onopvallende en stemmige verlichting werd aldus bekomen. De conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen voerde er in 1985 enkele dringende behandelingen uit. In de linkerzijkapel werden de twee paneelschilderingen met voorstellingen uit het leven van Franciscus Xaverius van Cornells Schut gefixeerd. De afschilferingen en opstulpingen van de verflaag konden met een mengsel van bijenwas en damarhars en met behulp van een warme spatel terug gladgestreken worden. Ook de schilderijen van de zogenaamde Apostolado en de geschilderde kruisweg van de tribunes waren aan beperkte herstellingen en een lichte reiniging toe. Enkel de restauratie van het waardevolle orgel moet de geslaagde interieurrestauratie nog vervolledigen. Thans rest nog de derde fase: de toren. De schade is hier op het eerste gezicht minder groot. Toch is het ten zeerste wenselijk de werken verder te zetten volgens dezelfde principes en met hetzelfde hoogstaande vakmanschap waardoor de oorspronkelijke barokke triomfalistische gronden van de Contrareformatie ons in de Sint-Carolus Borromeuskerk opnieuw als boodschap kan aanspreken. Nu ook de restauratie van de toren in het vooruitzicht wordt gesteld, wordt de hoop reëel dat dit meesterwerk van de barok met de mooiste toren der Nederlanden opnieuw één geheel zal worden.

Schade aan de onderbouw van de lambrizering

Schade aan het gewelf als gevolg van lekkende daken

27 M&L


Zicht op de gaanderij tijdens de werken. De kolommen krijgen opnieuw een wit uitzicht om het interieur tot een homogeen geheel te maken (foto Verstraete & Van Hecke)

Voetnoten (1) Hier zijn thans nog de Universitaire faculteiten Sint-Ignatius gevestigd. (2) G. Gevartius, Pompa Introïtus Ferdinandi Austriaci, 1635, p. 170. (3) o.m. 4 plannen worden bewaard in de Bibliothèque Nationale te Parijs, afgebeeld in Plantenga, fig. 98 e.v. Zie ook : J. Vallery-Radot, Le recueil des plans d'édlfices de la Compagnie de Jésus conserve a la Bibliothèque Nationale de Paris, Rome, 1960. (4) Zie, C. Van Herck en A. Jansen, Archief In beeld. Inventaris van de tekeningen bewaard In het archief van Slnt-Carolus te Antwerpen, in Tijdschrift voor Geschiedenis en Folklore, Antwerpen, 1947. (5) F. Baudouin, De Sint-Carolus Borromeuskerk te Antwerpen, in Academinae Analecta, mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 1983, nr. 3, handelt eigenlijk over de toren, doch geeft tevens een algemene schets van het probleem in historische context. zie ook F. Baudouin, Rubens en zijn eeuw, Antwerpen, 1977. (6) De inkomsten en uitgaven in verband met de bouw zijn na te gaan in het 'Oncostboek Bouw der kercke van de Professor S.J. Antv. 1614-1628' bewaard in het Rubenshuis. (7) Ritmische travee, bestaande uit een rondboog aan weerszijden geflankeerd door een horizontale latei, rustend op zuilen op pilasters. Voortkomend uit de antieke bouwkunst werd ze herhaaldelijk toegepast door S. Serlio (1475-1554). (8) Benevens verschillende bewaarde interieurzichten uit de 17de M&L 28

eeuw geven ook talrijke beschrijvingen en archivalische documenten, onder andere het 'oncostboeck' van de bouw der kerk, een beeld van het 17de-eeuwse interieur. (9) J.R. Martin, The ceiling Paintings for the Jesuit church in Antwerp, in Corpus Rubenlanum, dl. 1, Brussel, 1968 en F. Baudouin, Rubens en zijn eeuw, Antwerpen, 1977, p. 109 e.v. (10) Kort verhael van het konstlg verclersel der Kerke van het Professen-huys der Societeyt Jesu op de Solemniteyt der Canonizatie van den HeyllgenA. Gonzaga en S. Kosta, 1121, p. 8. (11) Een benaming die volgens de beschrijvingen uit de 17de eeuw vrij algemeen was. (12) Zie ook J. Braun, Die Belgischen Jesuitenkirchen, Freiburg, J. Breisqau, 1907, p. 156. (13) Over de exacte detaillering van het 18de-eeuwse interieur blijven we, ondanks heel wat opzoekingswerk, schaars ingelicht. De rekeningen van de wederopbouw bleven blijkbaar niet bewaard en de enkele interieurzichten uit de 18de eeuw geven weinig details prijs. (14) Vermeld in 'Aantekeningen raekende de Kerk van de H. Carolus Borromeus binnen Antwerpen, voorheen toebehoord hebbende aan de Eerweerde Paters Jesuiten' bewaard in het archief van de St.-Caroluskerk. (15) De werken werden blijkbaar zonder goedkeuring van enige overheidsinstantie uitgevoerd. Ze werden uitgevoerd onder leiding van E.H. pastoor door de Heer Brazinne, architect en aannemer uit Brussel. Men heeft eraan gewerkt van 1 oktober 1889 tot 1 april 1890. (16) Ibid. (17) Ibid.


Bibliografie Wij zijn de heren J.L. Stynen, en F. Baudouin, alsmede E.H. F. Huybrechts bijzonder dankbaar voor hun bereidwillige hulp en nuttige raadgevingen. Voor de geschiedenis van de kerk baseerden wij ons voornamelijk op volgende publikaties. — J. Braun, Die Belgischen Jesuitenkirchen. Ein Beitrag zur Geschichte des Kampfes zwischen Gotik und Renaissance, Freiburg, J. Breisqau, 1907. — F. Peeters, Une visite a l'église Saint-Charles d'Anvers, Antwerpen, 1924. — J.H. Plantenga, L'architecture religieuse dans l'ancien Duchéau Brabant, depuis Ie régime des Archiducs jusqu'au Gouvernement des Autrichiens, 1598-1713, 's Gravenhage, 1926. — A. Poncelet, Histoire de la Compagnie de Jésus dans les anciens Pays-Bas, Brussel, 1927. — S. Leurs, Geschiedenis van de Vlaamse Kunst. — F. Prims, De kunst en kunstenaarskerk Sint Carolus Borromeus te Antwerpen, Antwerpen, 1947. — F. Baudouin, Rubens en zijn eeuw, Antwerpen, 1977. — F. Huybrechts, Over de geschiedenis van de St.-Carolusparochie te Antwerpen 1773-1803-1980, Antwerpen, 1980. — ID., De toren van de St.-Carolus Borromeuskerk te Antwerpen, in Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, jg. 44, 1983, nr. 3. Archiefdossier Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, archief A.R.O.L., Brussel. Archief St.-Carolus Borromeuskerk, Antwerpen.

Altaar in de noordzijbeuk. Paneelschilderingen, ingewerkt in de gebogen apzismuur met voorstellingen uit het leven van Franciscus Xaverius.


Het Limburgse burgerhuis tot omstreeks 1750. Een typologisch overzicht.

"De Pateye", Maastrichtstraat 65, Hasselt

De geschiedenis van de Limburgse bouwstijlen laat zich moeilijk verklaren zonder begrip van de historische achtergrond en de speciale band tussen het Luikse en het Limburgse territorium. De sterke culturele eenheid van het gebied heeft haar wortels in de kerkelijke geschiedenis. De oude bisschopszetel van de Civitas Tungrorum (Tongeren) werd in de troebele periode volgend op de ineenstorting van het Romeinse Rijk, overgebracht naar het veiligere castellum van Maastricht, vanwaar bisschop Hubertus in 722 naar Luik trok, de definitieve zetel van het bisdom. De basis van de wereldse macht van Luik werd gelegd in 980, toen Otto II bisschop Notger tot zijn vazal maakte en Luik een prinsdom van het Heilige Roomse Rijk werd. Een van de eerste domeinen die Notger werd toegekend was Tongeren, dat vanaf 1006 volledig deel uitmaakte van het prinsbisdom. Ook Maastricht bleef nauw bij Luik betrokken. De bisschoppen hadden immers in deze stad ook na hun vertrek bezittingen en rechten behouden. Zij deelden deze met de Duitse keizer, die zijn bezit in 1192 in leen gaf aan de hertog van Brabant.

wmm

M&L so


Ondertussen was een vierde belangrijk centrum ontstaan. Rond 660 stichtte de Heilige Trudo een klooster, later benedictijnerabdij. De nederzetting die hiernaast ontstond was de kern van het toekomstige Sint-Truiden. Trudo schonk zijn goederen aan de kerk van Metz, een gedeelte van het gebied bleef echter eigendom van de abdij. Het gedeelte van Metz werd in 1227 door de prinsbisschop van Luik verworven. Evenals Maastricht kende deze stad het principe van de tweeheerlijkheid. In de volgende eeuwen groeide het prinsbisdom uit tot het trotse vorstendom, dat door zijn opstandigheid de woede van de Bourgondische hertog opwekte, en in de nasleep van de daaropvolgende verwoestingen zijn macht en politiek belang verloren zag gaan. Het graafschap Loon was een bescheidener lot toebedeeld. Ontstaan omstreeks 1000 met drie Frankische gouwen als basis van het grondgebied, de Maasgouw op de linkeroever van de Maas, het noordelijke gedeelte van Haspengouw, en West-Toxandrië, was Loon een leen van de Duitse keizers. Het graafschap omvatte het grootste deel van de huidige provincie Limburg, behalve de eerder genoemde steden. De belangrijke kernen waren hier de domaniale centra Borgloon — de oorspronkelijke residentie van de graven —, Hasselt, Herk-de-Stad, Bilzen, Stokkem, Bree, Maaseik, Brustem, Kolmont en Montenaken. De graven van Loon slaagden er niet in een duurzame machtspositie te verwerven tussen hun machtige buren, de prinsbisschop van Luik en de hertog van Brabant. Onder hun toenemende druk zag de Loonse graaf zich tenslotte aan het eind van de 12de eeuw genoodzaakt de steun van Luik in te roepen. Hierdoor kon weliswaar een annexatie bij Brabant vermeden worden, doch Loon kwam nu in de invloedssfeer van Luik, en een confrontatie werd onvermijdelijk. Na een aantal conflicten, de Loonse Successieoorlogen (1336-1366), werd het graafschap ten slotte bij Luik ingelijfd. De prinsbisschop droeg nu ook de titel 'graaf van Loon'. Dit bleef niet zonder gevolgen voor de Loonse steden. Reeds vóór de annexatie had de graaf van Loon een aantal van zijn domaniale centra het stedelijk statuut gegeven, de zogenaamde 'Luikse vrijheden', geïnspireerd op de privileges van de stad Luik. Na de annexatie werden een aantal van de Loonse steden verheven tot 'bonne ville' van het prinsbisdom, wat inhield dat ze een vertegenwoordiging mochten sturen naar de Luikse Staten, en het recht verwierven een stadswal te bouwen. Het waren deze steden — Beringen, Bilzen, Bree, Hamont, Hasselt, Herk-de-Stad, Borgloon, Maaseik, Peer en Stokkem — die zich tenslotte tot stedelijke centra zouden ontwikkelen, naast de reeds eerder genoemde steden Tongeren en Sint-Truiden. Ondanks zijn verschillend statuut wordt ook Maastricht traditioneel tot de 'bonnes villes' gerekend. De hooggespannen verwachtingen die de steden in verband met de annexatie koesterden, werden niet bewaarheid: de inbreng van de Loonse gemeenten in de Luikse politiek was zeer gering, terwijl Luik voornamelijk zijn eigen belangen bleef nastreven. Aan de gestage groei van de stedelijke macht kwam

een abrupt einde toen Luik in zijn conflict met de Bourgondische hertogen, na de vernietigende nederlagen van 1467 (Brustem) en 1468 (verwoesting van Luik) als internationale macht van de kaart geveegd werd. Toch waren de 15de en 16de eeuw nog een vrij voorspoedige periode, waaraan de godsdienstoorlogen en internationale conflicten van de 17de eeuw, ondanks de Luikse neutraliteit, een einde maakten. De stedelijke macht ging volledig teloor in de periode van de Beierse prinsbisschoppen (1581-1723), die een sterk centraliserende politiek voerden. Na de economische crisis bij het wegkwijnen van de lakennijverheid kende Luik een heropbloei door de vestiging van een aantal nieuwe industrieën, met de wapenindustrie als de belangrijkste. De Limburgse steden deelden niet in deze bloei, maar stagneerden of gingen achteruit. In het begin van de 18de eeuw verloren ze met uitzondering van Tongeren, Hasselt en Sint-Truiden, al hun belang. Dit kwijnende bestaan zou pas in de 19de eeuw opnieuw leven ingeblazen worden. De sterke culturele band van Limburg met Luik laat zich uit de historische gegevens voldoende verklaren, en manifesteert zich dan ook uitgesproken in de materiële resten van het cultuurpatrimonium. De richtinggevende, culturele rol van Luik kan moeilijk overschat worden. Ook de burgerlijke privé-bouwkunst richt zich voor haar vormgeving zeer sterk naar het Luikse voorbeeld. We mogen zonder overdrijving stellen dat de verschillende stijlstromingen via hun Luikse interpretaties in de Limburgse burgerhuizen nagevolgd werden. Deze invloed beperkte zich trouwens niet alleen tot Belgisch en Nederlands Limburg, maar liet zich ook in het Duitse gebied gevoelen, waar hij onder meer in het Akense geconstateerd kan worden (1). In die zin bakende het Luikse grondgebied zich op architecturaal vlak af ten opzichte van de omliggende streken. Pas in de 19de eeuw loste de hechte band met Luik op in navolging van de internationale stijlstromingen van dat ogenblik.

De vakwerkbouw Het primitieve stedelijke woonhuis, vanaf het ontstaan van de steden tot circa 1400, was een houtbouw; wijzigingen in uitzicht en vorm hadden hoofdzakelijk te maken met het aanpassen van de constructiewijze aan de nieuwe eisen op het gebied van wooncomfort, samenhangend met de steeds groeiende welstand van de stedelingen. De primitieve, onverdeelde ruimte, waar dak en wanden de meest elementaire vormen van comfort waren, werd geleidelijk aan opgesplitst, zowel op horizontaal niveau als naar boven en beneden toe. De afscherming van een stookplaats, die uitgroeide tot 'keuken', was één van de eerste indelingen. In de binnenindeling van het 'Spaans Huis' in Tongeren (2) bleef een onverdeeld voorhuis over de hele oppervlakte van het oorspronkelijk gebouw behouden, met een mergelstenen gotische schouw tegen de linkerwand. Ook bij het recente archeologi31 M&L I


'Het Sweert', Grote Markt, Hasselt (foto D. Stemgée) M & L 32


Inhoud nr. 32 / Bijlage bij M&L 6/5 -- Sept.-Oktober 1987 B.M.L.-Activiteiten 2 Restauratie 6 9 Buitenkrant Tentoonstellingen 13


B.M.L.-Activiteiten Afstandsalarmbewaking in beschermde monumenten wordt operationeel Na maanden van voorbereiding en overleg werd uiteindelijk op 15 juli jl. bij de Gentse politie een computersysteem geïnstalleerd dat een radicale verbetering betekent in het vlak van de beveiliging van kerken. Bij het ontwerpen van dit systeem werd in de eerste plaats een verhoogde beveiliging nagestreefd. Het moest onnodige interventies bij alarmmelding voorkomen, de informatieoverdracht sterk doordrijven en de bediening van de plaatselijke systemen sterk vereenvoudigen door er plaatselijk gestuurde automatismen in te werken. Alle tot dan toe bestaande systemen schoten te kort in een of andere gestelde voorwaarde. Ze beschikten niet over de mogelijkheid interventies tot het strikte minimum te beperken: de informatieoverdracht werd onvoldoende verfijnd geanalyseerd. Dank zij de actuele technologie werd een totaal andere oplossing mogelijk voor de overseinings- en exploitatieproblematiek van afstandsbewaking. Een inteUigente overseiner in het bewaakte gebied zelf, met afstandssturing en automatisatiefaciliteiten, minimaliseert menselijke tussenkomsten. Storingen en niet direct voor verwerking vatbare meldingen van het beveiligingssysteem, worden in het bewaakte gebied zelf opgelost. Enkel de meldingen die kunnen wijzen op inbraak of een andere directe bedreiging worden onmiddellijk aan de centrale verwerkingseenheid gemeld, waar een permanent aanwezige ploeg van de Gentse politie dan de noodzaak tot verder ingrijpen uitmaakt, aan de hand van vooraf geprogrammeerde handelingen. De afdeling Beveiliging zal zich in de eerstvolgende maanden volkomen toeleggen op de verwezenlijking van de verbinding van de centrale verwerkingseenheid met de diverse reeds beveiligde gebieden. R. Buelens.

verwarmingspanelen, beperkt tot de middenbeuk en de zone onder het altaar, bestaan uit ingechapte stalen buizen (dikte 30 a 40 mm) op een kurk-isolatielaag met vochtscherm. De installatie is verdeeld in vier kringen, afzonderlijk verwarmbaar. De gasgestookte ketel werd opgesteld in een lokaaltje naast de westingang. De verwarmingstechniek werd geïnstalleerd onder toezicht van het Technisch Studiebureel Van Der Wee door de firma GTI Belgium n.v. uit Schoten voor de prijs van 1.090.000,-fr. De bouwkundige werken werden uitgevoerd door de Algemene Bouwwerken Nys-Driesen uit Dessel voor de prijs van 2.410.000,-fr. Het bestek voorzag het gebruik van 'noir de Mazy' voor de nieuwe tegels. De kostprijs van deze steensoort was ondertussen echter dermate gestegen dat beslist werd de middenbeukvloer volledig in 'petit-granit' uit te voeren (evenwel zonder grote aders of crinoïden). Met de recuperatietegels werden de zijbeukvloeren hersteld. Ter gelegenheid van de aanleg van de vloerverwarming werd ook een nieuw altaar geplaatst van gepolijste en gebouchardeerde grijze marmer op een dubbele trede van verzoete 'noir de Mazy' en gepolijst wit marmer. Het ontwerp was van architect J.L. Stynen, onder wiens leiding en toezicht ook de volledige werken werden uitgevoerd. Met uitzondering van het nieuwe altaar werden de werken gesubsidieerd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (60%), de Provincie (20%) en de Gemeente (10%). De werken namen een aanvang in februari 1987 en werden voorlopig opgeleverd op 8.7.1987. M. Manderyck.

'Orgels van Vlaanderen': een nieuw initiatief van het Bestuur

Vloerverwarming in de Sint-Jacobuskerk in Kapellen

Toen in 1972 een permanente overheidsdienst met gespecialiseerd personeel werd opgericht, was het in Vlaanderen bedroevend slecht gesteld met de orgelrestauratie. 15 jaar verbeten inzet leverde resultaat op: Vlaanderen telt nu 27 geslaagde orgelrestauraties. Een eerste stap in die richting was het inventariseren van het bestaande orgelpatrimonium.

In de Sint-Jacobuskerk in Kapellen, wettelijk beschermd als monument op 14.7.1982, werd vloerverwarming aangelegd. De installatie is van het type stralingswarmte met verwarming van de vloer op lage temperatuur, met als medium water van maximum 350C. De

'Het Historisch Orgel in Vlaanderen' Omdat een centraal Bestuur op de eerste plaats moet beschikken over een degelijke documentatie, werd onmiddellijk gestart met de inventarisatie van talrijke bekende — en vooral onbekende — orgels in de parochie-

M&L-Binnenkrant

kerken. Dat deze inventarisatiecampagne uitgerekend in Oost-Vlaanderen startte, is geen toeval; de orgelspecialisten hadden terecht het vermoeden dat in deze provincie de grootste concentratie van historische orgels te vinden was. Het feit dat de stad Gent de uitwijkbasis is geweest van de beroemde Van Peteghem-orgelmakersfamilie in de 18de en de 19de eeuw, is hier beslist niet vreemd aan. Het resultaat van deze inventarisatie, gepubliceerd in het eerste boekdeel van de reeks 'Het Historisch Orgel in Vlaanderen' was dan ook overweldigend: de 430 parochiekerken, hulpkerken en begijnhoven van OostVlaanderen werden bezocht en 275 orgels werden voldoende interessant bevonden om met een technische beschrijving te worden opgenomen. Deze inventarisatie wordt sindsdien in de overige provincies voortgezet, getuige de intussen reeds 5 verschenen boekdelen. Ook buiten onze landsgrenzen wordt ijverig geïnventariseerd: de provincie Zeeland publiceerde reeds in de jaren zeventig orgelinventarissen en de Noordfranse regionale 'Agence technique de l'Orgue' brengt binnen korte tijd een lijvig boekdeel uit met 526 orgelbesprekingen. Orgeibeschenning Met de orgelinventarissen beschikten we over een stevig basisdocument om aan echte orgelzorg te doen. Een tweede stap was het inleiden van beschermingsprocedures voor waardevolle orgels in niet-beschermde kerken; dit resulteerde in 1980 in een globaal Koninklijk Besluit, waarbij niet minder dan 83 orgels in één klap werden beschermd. Indien men hierbij de historische orgels telt in de reeds beschermde kerken, dan komt men tot de slotsom dat in Oost-Vlaanderen niet minder dan 45 % van de parochiekerken een waardevol orgel bezit. OrgeZresfauraü'e Wat de restauratie van de beschermde orgels betreft, dient gezegd dat de beschikbare middelen niet altijd toelieten een optimaal resultaat te boeken. Toch kon een beleid op gang gebracht worden: Oost-Vlaanderen slaat hierbij geen slecht figuur met in het totaal 15 gerestaureerde orgels, tegen 2 in Antwerpen, 5 in Brabant, 4 in West-Vlaanderen en nog geen in Limburg. 'Orgels van Vlaanderen' of gerestaureerde orgels op compact-disc Het spreekt vanzelf dat met het klassiek geworden rijtje 'inventarisatie/


Aandachtige toehoorders tijdens de toespraak van E. Coedleven. Vooraan de heer Huys, die de orgels in Gent bespeelde.

De heer Gailly tijdens zijn uiteenzetting

afgestemd op de aard van het instrument en wordt gekozen om alle mogelijkheden en de klankrijkdom van de bespeelde orgels te demonstreren. Voor de vertolkingen wordt een beroep gedaan op de beste organisten, die vertrouwd zijn met het bespeelde instrument en met de uit te voeren literatuur. Zowel de opname als de montage gebeuren volledig digitaal. Tot nog toe zijn drie compact-discs beschikbaar. Op de eerste wordt het orgel van de Onze-Lieve-VrouwkatheVooraan de heer De Rammelaere, gastvrije directevx Kredietbank Oost-Vlaanderen, draal de bespeeld door Stanislas Deriemaeker. Op de tweede worden twee heer Monsaert, burgemeester van Cent, de heer Bracke, schepen van Cultuur en de heer orgels van Gent, dat van de OnzeCoedleven, initiatiefnemer. Lieve-Vrouw en Sint-Pieterskerk en dat van de Karmelietenkerk, bespeeld door Johan Huys. De derde brengt de bescherming/restauratie' de kous niet mes en ... compact-discs. af is. Een belangrijk aspect mag hier Het Bestuur heeft aldus het initiatief orgels van Sint-Lievens-Houtem en niet uit het oog verloren worden, genomen een eerste reeks van vijf Semmerzake, bespeeld door Joris Vernamelijk de revalorisatie van het beschermde orgels op compact-disc din. monument. Het 'Charter van Venetië' te zetten. stelt immers dat de instandhouding Persvoorsfeiüng van een monument ten zeerste wordt Met de nieuwe reeks 'Orgels van Deze 3 nieuwe compact-discs werden bevorderd door er een bestemming Vlaanderen' wordt het rijke en ver- op donderdag 3 september in het aan te geven, nuttig voor de gemeen- scheiden klankbeeld van de Vlaamse Toreken in Gent aan de pers voorgeschap. historische orgels vastgelegd en steld. De beste bestemming die men aan gepubliceerd. De opnamen worden De gerenommeerde uitgever René beschermde orgels kan geven, is ze gemaakt na restauratie, op het ogen- Gailly, International Productions werd bespeelbaar te houden of te maken blik dat het betrokken instrument in bereid gevonden deze reeks, uiterkan aard voor aanvulling vatbaar, op de en ze in te schakelen in het kerkelijk de beste omstandigheden gebeuren. Bovendien kan men ze aan- bespeeld worden. markt te brengen. Ze zijn dus vanaf wenden voor concerten, plaatopna- De uitgevoerde literatuur is volledig heden in elke platenzaak voorradig.


CD88 800. Antwerpen, Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Organist: Stanislas Deriemaeker.

Voor de Antwerpse hoofdkerk bouwde Pierre Schyven in 1890 een romantisch orgel. Het is een vernuftig geconstrueerd instrument, een knap staaltje van technisch kunnen uit het einde van de 19de eeuw. Samen met het orgel van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Laken behoort het orgel van Antwerpen tot het beste wat Pierre Schyven gemaakt heeft. In 1973 werd het instrument ingevolge de globale restauratiewerken aan de kathedraal, gedeeltelijk gedemonteerd; de kast, windladen en het groot pijpwerk werden ingekist of overdekt. Eind 1985 werd het letterlijk van onder het stof vandaan gehaald en kon het, na restauratiewerken uitgevoerd door de firma B. Pels-D'Hondt uit Herselt onder leiding van T. Timmermans o.praem (t), na 12 jaar stilzwijgen terug in gebruik genomen worden. De grootste kwaliteiten van het instrument liggen enerzijds in de voortreffelijke sleepladen en de prachtig aangelegde tractuur, en anderzijds in het boeiende kleurenpalet van de dispositie die tot klinken gebracht wordt door subliem en virtuoos gemaakt pijpwerk. Op dit Pierre Schyven-orgel speelt Stanilas Deriemaeker werk van Jaak Nicolaas Lemmens (1823-1881) en César Franck (1822-1890). Van eerstgenoemde, ooit orgelleraar aan het Brusselse Conservatorium, speelt Deriemaeker een triptiek, afkomstig uit 'Ecole d'Orgue' van 1862. Met Pière Héroïgne, geschreven voor de inwijding van het nieuwe orgel in het Trocaderopaleis op de wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs, komt César Franck aan de beurt. De opname wordt besloten met 3 koralen, die César Franck vóór zijn overlijden tot stand bracht.

Technische gegevens: Produktie: E. Goedleven. Opnameleiding: J. Mestdagh. Klankopname: G. Steurbaut.

M&L-Binnenkrant

CD88 801. Orgels van Semmerzake en Sint-Lievens-Houtem. Organist: Joris Verdin

Een precieze bouwdatum van het orgel in de Sint-Pieters-bandenkerk in Semmerzake is niet bekend. Oude kerkrekeningen wijzen echter uit dat het gemaakt zou zijn in 1790. Voortgaand op constructiekenmerken van pijpwerk en binnenwerk, kan dit instrument met hoge graad van zekerheid toegeschreven worden aan de Van Peteghem-familie uit Gent. In 1980-1982 werd onder begeleiding van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen een algehele restauratie doorgevoerd op basis van een ontwerp en onder de directe leiding van Gabriël Loncke uit Overmere. De restauratiewerken werden toevertrouwd aan de firma Verscheuren orgelbouw b. v. uit Heythuysen Nederland, die ze tot een schitterend resultaat bracht. Doordat de intonatie van het oude pijpwerk nergens ernstig was aangetast en bijna de helft van het pijpwerk nieuw moest worden bijgemaakt, kon ten volle op de originele frisheid van de Van Peteghemklank worden ingespeeld. Op dit orgel speelt Verdin werk van Josse Boutmy (1687-1779), Natalis Chrétien-Vander Borght (1729-1783), Matthias Vanden Gheyn (1721-1785), Dieudonné Raick (1702-1764), Willem Gommar Kennis (1719-1789) en enkele anoniemen. Zoals te Semmerzake komt het orgel in de parochiekerk van Sint-LievensHoutem uit het atelier van de beroemde Gentse orgelmakers Van Peteghem. Tijdens de eerste inventarisatieronde door de pas opgerichte Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg werd het orgel van Sint-LievensHoutem als het ware herontdekt, en vermits het kerkgebouw reeds beschermd was als monument, kon het orgel spoedig voor restauratie in aanmerking komen. De restauratieopdracht werd, na aanbesteding, toegewezen aan orgelmaker Gh. Potvlieghe-De Maeyer uit Ninove, die in januari 1983 het werk kon opleveren. De leiding van de werken berustte bij

orgeldeskundige Gabriël Loncke uit Overmere. Ook voor dit Van Peteghemorgel putte Verdin uit het repertorium van onze eigen 19de-eeuwse orgelcomponisten: Charles Joseph Van Helmont (1715-1790), Boutmy, Raick en Vanden Gheyn. Verder koos hij een aantal anonieme handschriften. Deze compact-disc toont aan hoe hoog het niveau van Van Peteghems orgelbouwkunst wel moet zijn geweest en hoe die orgelkunst in nieuwbouw en reconstructie kan inspireren tot dezelfde verheven klankkwaliteit. Technische gegevens: Produktie: E. Goedleven. Opnameleiding: P. Pieters. Klankopname: G. Steurbaut. CD08 802. Orgels van de Karmelietenkerk en van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Pieter in Cent. Organist: Johan Huys.

Evenals in de Antwerpse kathedraal is het orgel van de Karmelietenkerk in Gent het werk van Pierre Schyven (1894). Op 8 november sloot P. Schyven met de Ongeschoeide Karmelieten in Gent een contract af voor de levering van een nieuw orgel in hun kloosterkerk in de Burgstraat. Het orgelbuffet werd — samen met de houten sierpijpen in het front — geleverd door een schrijnwerker, wiens naam echter niet in het archief teruggevonden kon worden. Het blijft verwonderlijk om — in een tijd waar de neogotiek alles overheerste — een orgelmeubel in klassieke stijl aan te treffen; mogelijk heeft het bijzonder fraaie en homogene barokinterieur van de kerk hier een rol in gespeeld. Het Schyven-orgel in de Gentse Karmelietenkerk is het ondanks zijn bescheiden omvang meer dan waard om op de grammofoonplaat te verschijnen, vermits het het eerste volromantische orgel is dat in Vlaanderen, met overheidsgeld en met vol respect voor de principes van een goede Monumentenzorg, gerestaureerd werd. De restauratiewerken werden in 19801982 met zorg uitgevoerd door orgel-


maker Jean-Pierre Draps uit Kortenberg; de leiding van de werken berustte bij orgeldeskundige Gabriël Loncke. Op dit Schyven-orgel vertolkt Huys werk van Carl Czemy (1791-1851), Oscar Depuydt (1858-1925), Phüip Loots (1866-1916) en Frank Liszt (18111836). Het laatste grote en tevens merkwaardigste orgel dat de Gentse Van Peteghem-ateliers, na de troebelen van de Franse Revolutie verliet, was het tweeklaviersorgel van de Onze-LieveVrouw-Sint-Pieterskerk in Gent. Met dit orgel gebouwd in 1847-1848 heeft Pierre Van Peteghem, telg uit het beroemde orgelmakersgeslacht, een laatste opgemerkte affirmatie van de laat-rococo of classicistische orgelkunst tot stand gebracht, op een ogenblik dat de smaakverandering reeds duidelijk in de richting van de romantiek was gaan evolueren. In 1981-1983 werd het orgel gerestaureerd door B. Pels-D'Hondt uit Herselt onder leiding van de orgeldeskundige Gabriël Loncke; de werken werden gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De restauratieoptie was een onomwonden terugkeer naar het oorspronkelijke klankbeeld van P. Van Peteghem. De boeiende literatuur, die Huys voor dit Van Peteghem-orgel uitkoos, is van Johann Georg Albrechts Seger (17321809), Felip Rodriguez (1759-1814) en Frangois Joseph Fétis (1784-1871). Technische gegevens: Produktie: E. Goedleven. Opnameleiding: J. Huys. Klankopname: G. Steurbaut.

Bezoek van de Heer M. Pa'zdzior, hoofddeskundige van het Bestuur voor Musea en Monumentenzorg Vein het Poolse Ministerie van Kunst en Cultuur In het kader van het Belgisch-Poolse cultureel akkoord (samenwerkingsprogramma van de Vlaamse Gemeenschap) bracht de heer M. Pa'zdzior, hoofddeskundige, een bezoek aan Vlaanderen van 9 tot 16 september 1987. De heer Pa'zdzior wenst voornamelijk de Vlaamse gotische en renaissance-architectuur van naderbij te leren kennen, en meer bepaald de problematiek van de steenbehandeling en -restauratie. Inspecteurs van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen begeleidden de Poolse bezoeker bij zijn bezoek aan de meest interessante realisaties en werven in Brussel, Leuven, Gent, Antwerpen en Brugge. M. Fierlafijn

Vile Colloque National sur Ie patrimoine industriel, Lille, 7, 8, 9 mei 1987. Wie geregeld industrieel-archeologische congressen bezoekt, valt het op hoe elke keer de verschillende 'rode draden' weer worden opgenomen, wat uiteraard de overzichtelijkheid en de coherentie in de naar voren gebrachte materie ten goede komt. De internationale congressen, georganiseerd door The International Committee for the Conservation of the Industrial Heritage (TICCIH), gaan periodiek dieper in op de grote theoretische thema's zoals museale aspecten, renovatie, animatie, ruimtelijke ordening, historisch onderzoek... . De nationale congressen - de Franse Comité d'Information et de Liaison pour 1'Archéologie, l'Etude et la Mise en Valeur du Patrimoine Industriel (CILAC) is daar blijkbaar een trouw voorstander van — dragen meer het karakter van een status quaestionis met probleemstelling en eventueel de formulering van een respons. Waar het congres in Rijsel in 1979 nog duidelijk in de vragensfeer zat (wat moeten wij met onze afgeschreven industriële sites aanvangen?) kon thans, na 8 nationale bijeenkomsten, verslag uitgebracht worden van goed georganiseerde overheids- en particuliere initiatieven die reeds een geregeld bestaan leiden. Deze initiatieven bestrijken verschillende gebieden: 1. de inventarissen van het industrieel erfgoed; 2. behoud, ordening en studie van bedrijfsarchieven; 3. geschiedschrijving; 4. de revalorisatie van industrieelarcheologische sites. De inventarissen van het industrieel erfgoed Op 11 september 1986 stelt de Minister van Cultuur zijn 'Plan Patrimoine' voor. Een van de krachtlijnen daarin, 'het verbeteren van de kennis van het patrimonium', bewerksteUigt de versnelling van de inventarisatie van het industrieel erfgoed. Zo worden nu, naast de reeds gekende diepgaande thematische inventarissen, tevens regionale snelinventarissen opgemaakt, teneinde een vlug verdwijnend patrimonium te kunnen vastleggen. Met het oog op de organisatie van deze nieuwe opzet werd een beroep gedaan op buitenlandse ervaringen. Het Bestuur voor Monumenten en Landschappen werd geraadpleegd omtrent de ervaringen met de reeks: "Bouwen door de Eeuwen Heen' (zie hierover een verslag in M&L 5/6, novdec. 1986 - Binnenkrant. Met de nieuwe inventarissen wil de Franse overheid zowat iedereen bereiken: zowel specialisten, studenten, scholen als overheidsinstanties.

Bij het veldwerk stuit men uiteraard op de problemen die ook Vlaanderen kent, met name dat de straatwanden heel wat kleine ateliers en fabriekjes aan het oog onttrekken. Bij de voorbereiding van het veldwerk moet bijgevolg een beroep worden gedaan op kadaster- en andere archieven. Een voorwaarde hierbij is dan wel natuurlijk dat de archivalia behouden en geordend zijn. Behoud, ordening en studie van bedrijfsarchieven. Ten tijde van het Rijselse congres in 1979 was op het vlak van het behoud van bedrijfsarchieven vrijwel nog niets gerealiseerd. Sindsdien werd op nationaal vlak een algemene beleidslijn uitgevaardigd die de integrale opname van bedrijfsarchivalia beoogde. De Regio 'Nord-Pas-de-Calais' gaf hier als eerste een adequate respons op. In een eerste fase werd de bestaande documentatie gehergroepeerd en geverifieerd. Daarna werd een enquête-formuher bij de bedrijven verspreid en werd de ingezamelde informatie verwerkt. Vervolgens werden steekkaarten opgemaakt, en werd een 'Guide de Recherche du Monde du Travail de la Region Nord-Pas-de-Calais' gepubüceerd. Intussen wordt ook actief opgetreden bij de redding van archieven. In 1986 werden er 36 in het Rijksarchief opgenomen, 9 andere archieven werden op microfilm vastgelegd. In 1983 werd door de Minister van Cultuur beslist dat over het gehele land 5 centra voor het onderzoek van bedrijfsarchieven (Centres d'archives du monde du travail) zouden worden opgericht. Het eerste van deze centra wordt gepland in de voormalige weverij Motte-Bossut te Roubaix (opening eind 1989). Het is geconcipieerd als opvang voor openbare en privéarchieven. Tevens zal het als dienstverleningscentrum de archiefvriendelijke bedrijven met advies en scholing bijstaan. Naar het publiek toe voorziet men animatie in conferentie- en tentoonstellingsruimten. De behandeling van bedrijfsarchivalia is in Frankrijk duidelijk in een stroomversnelling geraakt, waarbij ons land — en wij gooien hier niet de steen naar de archiefmensen — als een stille poel afsteekt. Dezelfde vergelijking gaat eveneens op voor wat de bedrijven aan beide zijden van de landsgrens aangaat. In een vorige Binnenkrant (M&L 5/2 maart-april 1986) pleitten wij reeds voor initiatieven vanuit het bedrijfsleven zelf. Als lichtend voorbeeld haalden wij toen de Frans-Belgische groep 'Lafarge-Coppeé' aan. Deze transnationale onderneming vindt het inderdaad niet beneden haar waardigheid om door middel van een permanent archivalisch onderzoek lessen uit het verleden te trekken.


Geschiedschrijving Waar de archieven goed toegankelijk zijn, beschikken historici over een schier onuitputtelijke bron van informatie. Het is dus niet verwonderlijk dat op dit congres ook het aspect geschiedschrijving met een boeiend voorbeeld kon worden toegelicht. Twee historici brachten er verslag uit van verscheidene opdrachten die hun door overheden en particulieren werden verschaft. De opdrachtgevers waren duidelijk geconfronteerd met actuele problemen zoals: de herbestemming van gedesaffecteerde bedrijfsgebouwen, de planologische worstelingen met een stedelijk weefsel in volle ommekeer, of de identiteitscrisis van bedrijven die zich nu ook op een internationaal niveau moeten verdedigen. Blijkbaar voelden zij aan dat historici de rol van him erfgoed, de situering en de evaluatie ervan in een breder kader konden plaatsen. Zo werden onder ander volgende studies verwezenlijkt: — de wisselwerking tussen de industriële ontwikkelingen en de architecturale produktie in de regio 'Nord-Pasde-Calais'; — de evolutie van Tourcoing-centrum als oudste industriële kem van de stad; — de geschiedenis van bedrijven als 'Motte-Bossut' en 'La Redoute' te Roubaix. De auteurs benadrukten dat in het kader van historisch onderzoek 'klassieke' archieven en de materiële getuigen (gebouwen, machines) als aanvullende bronnen moeten worden beschouwd. De revalorisatie van industrieelarcheologische sites Over dit onderwerp kwam de meest opmerkelijke bijdrage van Pierre Francois, conservator van het mijnmuseum te Lewarde (Nord-Pas-deCalais). Hij belichtte de originaliteit van mijnmusea: zij steunen op twee

museale tradities: enerzijds de twee eeuwen oude traditie van de technologische musea zoals belichaamd in de Conservatoire National des Arts et Métiers te Parijs, en anderzijds de etnologisch-folkloristische musea die getuigenissen van coherente gemeenschappen (in dit geval de mijnwerkersgemeenschappen) bewaren. Ook kunnen zij het publiek spectaculaire en grote machines tonen, wat voor de museumleiding heel wat specifieke problemen stelt. P. Frangois stelt dan ook vast dat in Frankrijk weinig mijnmusea deze problemen aankunnen en dus weinig zware machines bewaren. Ook de archieven worden meestal niet in de museumwerking betrokken. Evenmin worden er maquetten tentoongesteld. Dit alles doet afbreuk aan de coherentie van de beelden die deze musea aanbieden. Lewarde vormt hierop wel een gelukkige uitzondering. Terloops weze vermeld dat België 6 mijnmusea bezit, alle in Wallonië. Mijnmusea zijn — en dit geldt voor de meeste industriële relicten — niet zozeer op een dood verleden gericht maar hebben veel met het heden en zelfs met de toekomst te maken. Zo spelen musea in situ een belangrijke rol in het zich identificeren van de rechtstreeks betrokken bevolkingsgroepen met hun tradities of... met de breuken die zich bij sluitingen in hun gemeenschappen voordoen. Dit wordt op extreme wijze geïllustreerd met een Chinees voorbeeld. In het geval van nieuwe ontginningen worden daar van meetaf aan musea uitgebouwd, dit om de 'roeping' van mijnwerker aan te moedigen. Het eerste Franse mijnmuseum in die zin dateert ten andere reeds uit 1889 (Compagnie d'Anzin, St. Vaast-La-Haut bij Valenciennes). Tot slot formuleren ook Italiaanse, Poolse en Belgische afgevaardigden him respectieve overzichten.

Besluit: De studie, het behoud en de herwaardering van het industrieel erfgoed, hebben in Frankrijk gedurende de periode 1979-1987 een grote vlucht genomen. Uiteraard zijn de problemen verre van opgelost. Een aantal goed lopende initiatieven zouden wel eens buiten adem kunnen geraken. Vandaar de vraag of het industrieel erfgoed niet wat meer in het commercieel circuit moet worden geïntegreerd. In dit verband wordt gewezen op de onduidelijke relatie tussen de culturele en economische sectoren, die elkaar te weinig kennen. Evenmin duidelijk zijn de wettelijk opgelegde verplichtingen inzake het behoud en het openstellen van archieven. In de regio 'Nord-Pas-de-Calais' draait alles opperbest, maar wat gebeurt er in andere regio's? Vanuit de Belgische hoek moeten zowel de Waalse als de Vlaamse waarnemer vaststellen dat de Franse zelfkritiek in ons Koninkrijk helaas driewerf opgaat. Waar zowel de steun van de overheid aan particuliere initiatieven als de instellingen zelf — en vooral het zwak uitgebouwde archiefwezen — het in België laten afweten, wordt alle hoop op de sector Monumentenzorg gericht. Maar ook hier zijn te weinig middelen voorhanden, hoewel een studie door de Koning Boudewijnstichting bewijst dat alle subsidies die de overheid aan monumentenzorg besteedt, grotendeels in de Staatskas terugvloeien. Het Franse voorbeeld zou een stimulans moeten zijn om in Limburg een mijnmuseum in situ op te richten. Gezien het karakter van de Limburgse mijnuitbatingen, zou dat niet het zoveelste Europese mijnmuseum worden, wel zou het in zijn monumentaliteit, zijn technologische en zijn menselijke aspecten het historisch beeld van het Europese mijnwezen aanvullen en, waarom niet, bekronen. J. De Schepper

RESTAURATIE 't SUveren Claverblat' Op 10 juli 1987 werd het heropgebouwde pand op de hoek van de Grote Pieter Polstraat en de Haverstraat te Antwerpen opgeleverd. Het pand, „'t Silveren Claverblat" genoemd, werd vermoedelijk kort na

M&L-Binnenkrant

de opening van de Haverstraat — toen 'Claverstrate' - in 1546-1547 opgericht op de noordhoek van de reeds bestaande Grote Pieter Polstraat, met een 'Gulden', een 'Wil', een 'Geel', een 'Gespikkeld', een 'Groen' en een 'Rood Claverblat'. De bescherming bij Koninklijk Besluit van 2.9.1976 betrachtte dit pand te

behoeden voor verval en verwaarlozing vanwege de toenmalige eigenaar. De bouwfysisch slechte staat van het gebouw werd evenwel sleed acuter en de openbare veiligheid kwam in hel gedrang zodat in 1980 de bovenbouw ambtshalve diende te worden afgebroken. De kelderingen, de gelijkvloerse delen en de kamer


Gevel in de Haverstraat vóór de gedeeltelijke afbraak (foto B.M.L., 1975)

boven de kelderkeuken bleven behouden. De schrapping van de lijst van de beschermde monumenten werd nooit ingewilligd, omdat ook na de gedeeltelijke sloop de historisch en archeologisch belangrijkste delen nog bestonden: de kelder onder de gelijkvloerse voorplaats, met toegang van op de straat; de kelder onder de Haverstraat; de kelder onder de kelderkeuken met waterput, de kelderkeuken, de gelijkvloerse arduinen gevelpui en de opkamer. Het huis getuigt van de activiteit van grondspeculanten en bouwondernemers op de stedelijke immobiliënmarkt in het 16de-eeuwse Antwerpen: een huis, in serie gebouwd op een commercieel interessante plaats, met een voor de handel geschikte gelijkvloerse verdieping en apart toegankelijke en verhuurbare kelderingen en verdiepingen. Als hoekhuis is het evenwel een vrij zeldzaam vertegenwoordigd type in Antwerpen. In opdracht van de nieuwe eigenaar en als voorstudie voor de restauratie van de resterende delen en de oprichting van een nieuwe bovenbouw voerde de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek een bouwhistorisch en archeologisch onderzoek uit, waaruit deze bouwhistorische gegevens werden geput.

Gevel in de Grote Pieter Potstraat na restauratie (foto B.M.L., 1987)

Na de sloop van de bovenbouw was een voorlopige dakdichting aangebracht die ondertussen volledig lek raakte zodat ook de nog bewaarde balkenlagen dreigden in te storten. Uitzonderlijk werd derhalve het volledige dossier voor de restauratie en de heropbouw ontvankelijk verklaard voor de spoedprocedure. Het volledige project werd aanbesteed voor een bedrag van 8.989.155,-fr. waarvan 1.038.790,-fr. in aanmerking kwam voor subsidie (80 % Vlaamse Gemeenschap, 15 % Provincie, 15 % Stad Antwerpen, 10% eigenaar), volgens de omzendbrief van 27.3.1985 betreffende de spoedprocedure voor subsidiëring van werken aan beschermde monumenten. De restauratie- en nieuwbouwplannen werden opgemaakt door architect W. Vander Laenen. De werken werden uitgevoerd door aannemer F. Goedleven uit Brasschaat. De restauratie behelsde het behoud en herstel van de nog aanwezige gevelpartijen, de arduinen pui in de Pieter Potstraat en het witstenen parementwerk aan de kelderkeuken. De gevel van de opkamer diende herbouwd te worden, evenals het deel van de zijgevel van de gelijkvloerse voorkamer die bestond uit beton en

machinesteen. In dit deel werd tijdens de werken een restant van een arduinen kolom aangetroffen zodat we kunnen veronderstellen dat de gevelpui hoekom een volledig opengewerkte skeletbouw was. Dit verldaart de symmetrische vorm van de massieve arduinen hoekkolom. De keldertoegang vanop de straat werd opnieuw functioneel gemaakt. De kelders werden ontruimd en drooggelegd. Voor de nieuwe bovenbouw diende een nieuw trappenhuis ingebracht; bovendien was een toegang naar de kelders binnenshuis noodzakelijk, waartoe een doorbreking door het keldergewelf werd gemaakt. Bij de restauratie werd gebruik gemaakt van de materialen van de sloop van de bovenbouw die in de magazijnen van de stad Antwerpen bewaard waren. Uiteindelijk heeft het vernieuwde pand nu weer dezelfde bestemming als waarvoor het gebouwd is. De bovenbouw is een woning, de gelijkvloerse kamer en de opkamer zijn ontvangstruimten voor het restaurant, de kelders worden gebruikt als bewaar- en bergplaats, de kelderkeuken is de keuken van de eigenaar, de kok van het restaurant. A. Malliet.


'De Vier Werelddelen' In Antwerpen werden net vóór de bouwvakantie de werken beëindigd aan het hoekhuis Schilderstraat nr. 2, achter het Museum voor Schone Kunsten. Dit huis werd samen met de twee aansluitende huizen in de Schilderstraat en een huis in de Plaatsnijdersstraat gerealiseerd naar ontwerp van F. Smet-Verhas voor rekening van scheepsbouwer P. Roeis. De bouwaanvraag, daterend uit 1901, is bewaard in de stadsarchieven. Het huis nr. 4 in de Schilderstraat werd in de jaren zestig vervangen door een banale nieuwbouw. Van de overblijvende huizen werd het hoekhuis beschermd bij Koninklijk Besluit van 31.3.1976; de twee andere werden bij Ministerieel Besluit van 11 september 1986 op de ontwerplijst geplaatst. Het bestek van de restauratiewerken aan het huis nr. 2 werd opgemaakt door architect G. Driesen en aanbesteed aan de firma Verstraete-Van Hecke voor de prijs van 3.062.745,-fr. Hiervan kwamen 2.543.290,-fr. voor subsidie in aanmerking waarvan 60 % door de Vlaamse Gemeenschap, 15 % door de Provincie en 15 % door de stad Antwerpen werd betaald. Deze restauratie hield een grote onderhoudsbeurt in voor dit op het eerste gezicht nog vrij goed bewaarde geheel. Voor een dergelijk huis, dat niet alleen een eclecticisme van vormen en stijlen maar evenzeer van materiaalgebruik vertoont, is zo'n opknapbeurt bijzonder arbeidsintensief. Het herstel van het bootje met zijn draagstructuur uit ijzeren en houten balken, zijn houten schrijnwerk en loden afdekkingen, zijn versieringen in smeedijzer, gesneden plaatijzer en gietijzer, zijn glas in lood maar ook glas in ijzeren roeden, was geen sinecure. Aan de lantaarn - gedeeltelijk gietijzer en uitgesneden geelkoperen plaat werden de ontbrekende stukken terug aangebracht. Het reinigen van de gevels bestaande uit gele machinesteen, blauw- en bruinverglaasde bakstenen, witte natuurstenen en blauwe hardsteen en tussenin houten kroonlijsten diende op de meeste zachte wijze — met name met stoom — te gebeuren om het glazuur niet te beschadigen en om een minimum aan vocht in de muren te laten dringen. De dakbedekking werd vernieuwd evenals de terrassen en de goten. De topstukken van de schouwen — de rookkanalen vormen de risalieten in de zijgevel en eindigen in kantelen — dienden hermetseld. De paneelversie-

Boven; het gebouw na restauratie Onder: detail van het terras in de Plaatsnijderstraat na restauratie (foto's B.M.L.)

M&L-Binnenkrant


ringen boven de ramen van de 3de en 4de verdieping werden naar model van wat nog restte volledig nieuw gemaakt. Het waren panelen glas die aan de achterzijde beschilderd zijn. De ontbrekende motieven heeft kunstenaar 'Ludovicus' ingevuld, waarbij hij zich liet inspireren door het thema van het huis en het beroep van de eigenaar — schrijver en boekhandelaar — en een uit papier gevouwen bootje schilderde. In het werk van architect F. Smet-Verhas speelt de polychromie van de gevel steeds een belangrijke rol, wat ons liet vermoeden dat een kleuronderzoek op het

monotoon wit geschilderde gevelschrijnwerk voor verrassingen kon zorgen. En inderdaad werd op alle ramen en deuren, op de bovenbouw van het bootje en de kroonlijsten, een fris groen aangetroffen. De romp van het bootje bleek in een imitatie-witsteenkleur geschilderd en de versieringen waren opgehoogd met rolgoud. Het medaillon met monogram van de bouwheer is vermiljoenrood geweest en eveneens versierd met verguldsel. Het kleuronderzoek op het bootje werd uitgevoerd door de conserveringsploeg van het Bestuur. Het huis en de boot werden in het

'nieuw" gezet in de oorspronkelijke kleuren. Alleen de afgeknakte boegspriet werd niet gerestaureerd, maar waarschijnlijk is deze ook nooit anders geweest en weerspiegelt dit de romantische ziel van de bouwers of gewoon de beperkingen van de gemeentelijke bouwverordeningen. Een anekdote wil ook dat de bouwheer - scheepsbouwer — geen gemetselde, stenen boot — zoals het ontwerp van de architect voorzag — maar alleen een 'echte' houten boot aan zijn gevel wilde laten prijken. A. Malliet.

BUITENKRANT Holle wegen in Limburg Op 18 november 1987 vindt in het kasteel van Hoepertingen een studiedag plaats over holle wegen. Tijdens die dag worden de resultaten voorgesteld van een studie die het Provinciaal Natuurcentrum in Rekem heeft gemaakt. Holle wegen zijn streepvormige groengebieden gelegen in een landschap waar de landbouw meestal heer en meester is. Ze vormen, vooral in het Zuidlimburgse cultuurland als het ware een ruggegraat voor de natuur, belangrijk als laatste toevluchtsoord voor plant en dier. Om de aandacht te vestigen op waarden en problemen van deze kleine landschapselementen koos het Provinciaal Natuurcentrum (PNC) te Rekem holle wegen uit als werkterrein. In samenwerking met LISEC (Limburgs studiecentrum voor toegepaste ecologie) en LIM (Limburgse intercommunale voor milieubeheer) ondernam het PNC een inventarisatie van al de holle wegen in Limburg. Hieruit blijkt dat Limburg zo'n 370 km holle wegen telt, met een diepte die varieert van 0,5 tot 10 meter. Daarnaast werden enkele facetten van de holle wegen op kleinere schaal bestudeerd. Holle wegen ontstaan door inwerking op de bodem van enerzijds de mens en zijn vervoermiddelen en anderzijds water en wind. De landbouwers trekken paden en wegen tussen him velden. Door veelvuldig gebruik van deze wegen verpulvert de grond van het wegdek. Op hellingen gebruikt het regenwater de weg als stroombedding en voert losse grond mee

naar beneden terwijl de wind het fijne stof wegblaast. Zo komt het wegdek uiteindelijk lager te liggen dan de omgeving en ontstaan er bermen met steile wanden.

ten vol afwisseling, oasen in het monotone landbouwlandschap. Vele holle wegen zijn bovendien zeer oud en vertellen ons iets over vroegere wegenpatronen en gebruiken.

Het zijn juist deze bermen die zo belangrijk zijn voor vele diersoorten en wilde planten. Men vindt er een grote verscheidenheid van vegetaties: van grazig-kruidige bermen tot prachtige kalk-flora en van struwelen tot bosvegetaties. Allerlei dieren vinden hier bescherming, nestgelegenheid en voedsel. Binnen de holle weg zelf verschilt het klimaat naargelang van de oriëntatie van de weg, de diepte en de begroeiing. Het zijn levensruim-

Niettemin verloren heel wat holle wegen him vroegere functie en werden verlaten. Deze vooral zijn de dupe van sluikstorting. Door veelvuldig gebruik van meststoffen op het omringende akkerland en het achterwege blijven van beheer, verruigt de vegetatie op de hellingen zeer snel. Een eenvormige begroeiing van netels of bramen blijft over. Willekeurig kappen van de bomen, soms tot volledige kaalslag toe, vermindert de toch al


schaarse oppervlakte bosvegetatie terwijl afschuiven van de grond op de bennen bevorderd wordt. Door bodemerosie van de wanden spoelt heel wat vruchtbare bodem van de naburige akkers de holle weg in. Zo werden vele genivelleerd en van de kaart geveegd. Het programma van de studiedag start met een inleiding over holle wegen als landschappelijk gegeven, waarna de fysisch-geografische aspecten besproken worden (PNC). Vervolgens komen de biologische waarden en gegevens aan bod. Dit gedeelte omvat zowel een algemeen overzicht van de grote verscheidenheid van biotopen en het leven hierin (LISEC), als een voorstelling van praktische onderzoeksresultaten en voorbeelden over fauna en flora (PNC). In de namiddag wordt het beleid rond holle wegen onder de loep genomen (PNC). Aansluitend hierop volgen 2 voordrachten betreffende het beheer: algemene beheersprincipes (LISEC) en praktische oplossingen voor een degelijk beheer in de holle wegen (LIM). In een studierapport worden alle thema's die tijdens de studiedag aan bod komen uitvoerig behandeld, aangevuld met kaarten, grafieken, foto's en voorbeelden.

gen, ter bevordering van him economische en sociale vooruitgang; Gelet op het Verdrag voor het behoud van het bouwkundig erfgoed van Europa, ter ondertekening opengesteld op 3 oktober 1985; Gelet op zijn Aanbeveling nr. R(81)I3 betreffende de acties die dienen ondernomen ten gunste van een aantal met verdwijnen bedreigde beroepen in het kunstambacht;

Overwegende dat in het Europa van vandaag: — het toenemend belang van een beleid dat gericht is op de instandhouding en herwaardering van het bouwkundig erfgoed, het kunstambacht weer in de actualiteit van het economisch en sociaal leven plaatst; — het behoud van de ambachten en de technische deskundigheid evenzeer deel uitmaakt van het Europees erfgoed als de gebouwen die tot dat patrimonium behoren; — de ontwikkeling van gespecialiseerde ambachten, waarbij talrijke arbeidsplaatsen worden gecreëerd, bijdraagt tot een heropleving en een dynamisme dat de gehele economie ten goede komt; — de kunstambachten die bij de conservatie van gebouwen hun toepassing vinden, de jongeren nieuwe kansen op De studiedag vindt plaats in het Kas- tewerkstelling en zelfontplooiing bieden; teel van Hoepertingen, Kasteelstraat — de heropleving van de ambachten 10 te 3858 Hoepertingen-Borgloon. en het behoud van de kwaliteit bij de Aanvang: 9.00 uur. restauratie en het onderhoud van het Slot: 17.00 u. bouwkundig erfgoed een verbetering Tijdens de middagpauze kan een van de technische deskundigheid van de ambachtslui en van htm onderlinge broodmaaltijd verkregen worden. De deelname in de kosten bedraagt samenwerking voor en tijdens de res200,-fr. (broodmaaltijd niet inbegre- tauratiewerken vereisen; pen), te storten op postrekening 000- Roept de regeringen van de lidstaten 0400447-31 van het Provinciaal Natuur- op om in de sectoren vorming, consercentrum, Populierenlaan 30 te 3620 vatie van het patrimonium en beroepsRekem, tel. 011/71.44.44. organisatie een beleid te voeren dat steunt op de volgende principes:

Raad van Europa. Aanbeveling nr R(86)15 van het Ministercomité aan de lidstaten, ter bevordering van de kunstambachten toegepast bij de instandhouding van het bouwkundig erfgoed

A. De opvolging verzekeren via een verbetering van de opleiding en de sociale promotie van de ambachtslui

Op grond van artikel I5b van het Statuut van de Raad van Europa;

Een gespecialiseerde opleiding in conservatietechnieken is hoofdzakelijk bestemd voor drie categorieën ambachtslieden: jongeren die een kunstambacht willen uitoefenen, ambachtslui die zich willen omschakelen of specialiseren en ten slotte ambachtslui die zich nog verder willen bekwamen in hun vak en hun ervaringen willen toetsen. Deze verscheidenheid in de vraag dient opgevangen door een verscheidenheid in het opleidingsaanbod. De opleiding moet mogelijkheden bieden voor de opbouw van een carrière en voor sociale promotie, fundamentele voorwaarden voor de herwaardering van het kunstambacht.

Overwegende dat de Raad van Europa tot doel heeft een nauwere samenwerking tussen zijn leden tot stand te bren-

a. Een opleiding waarbij de theorie aan de praktijk wordt getoetst — Praktijkwerk op gebouwen in res-

(goedgekeurd door het Ministercomité op 16 oktober 1986 tijdens de 400ste vergadering van de Afgevaardigden van de Ministers). Het Ministercomité,

M&L-Binnenkrant

tauratie, op schoolwerven of gelijkaardige ateliers van het beroepsonderwijs vormt de kem van een opleiding in de ambachten die beoefend worden bij de conservatie en restauratie van het patrimonium. Die moet dan worden aangevuld met algemeen onderwijs en een theoretische vorming. — Opleidingscentra buiten de bedrijven zouden ambachtslui vervolmakingscursussen moeten aanbieden voor gespecialiseerde ambachten. Kleine bedrijven, die meestal zeer gespecialiseerd zijn, zijn namelijk niet altijd in staat de volledige waaier van technische vaardigheden voor een bepaald ambacht aan te leren. — De lesgevers en praktijkleraars moeten kunnen bogen op een zowel praktische als theoretische vakkennis, die ze hebben opgebouwd na een jarenlange ervaring in conservatiewerken. Ze moeten vertrouwd zijn met de basisprincipes van de conservatie en met de moderne restauratietechnieken.

•

— Er dient permanent overleg te worden gepleegd tussen de beroepsverenigingen en de overheid, om de opleidingssystemen te kunnen aanpassen aan de specifieke toestand van het bouwkundig erfgoed, aan de economische vereisten en aan de belangen van het individu. b. .Reicening houden met de specialisatie van de ambachtslui bij hun arbeidsvoorwaarden en de opbouw van hun carrière — De basisopleiding en de permanente vorming van de ambachtslui moeten recht geven op een aangepast diploma in functie van de graad van vakmanschap die wordt bereikt. — Bij de taakverdeling en de bezoldiging moet rekening worden gehouden met een eventuele bijscholing, om de ambachtslui reële vooruitzichten op een carrière te bieden. — Ook moet worden voorzien in de mogelijkheid om vakantie te nemen en vormingsbeurzen te krijgen, naar het voorbeeld van wat in andere sectoren gebeurt als gevolg van afspraken tussen de bedrijfstakken en de overheid. — Toekomstige werfleiders en bedrijfsverantwoordelijken moeten een bijzondere opleiding krijgen. — Bijscholingscursussen moeten gericht zijn zowel op een vervolmaking in de traditionele technieken als op een inbreng van nieuwe technologieën en een culturele verrijking. B. Het dynamisme van de kunstambachten stimuleren en de uitvoering van opdrachten vergemakkelijken Om het dynamisme van de kunstambachten te stimuleren moet enerzijds

'


de ambachtelijke activiteit op peil gehouden worden in de markteconomie van de lidstaten en anderzijds de uitvoering van opdrachten vergemakkelijkt. a. De ambachtelijke activiteit op peil houden — Doordat de overheid vaak als bouwheer optreedt, hebben overheidsopdrachten een rechtstreekse invloed op het in stand houden en de expansie van bedrijven die een rol spelen bij de conservatie van het bouwkundig erfgoed. Daarom moet de ontwikkeling van de kunstambachten opgenomen worden in de economische planning op nationaal, regionaal of lokaal vlak. — Ook het aanmoedigen van particuliere opdrachten heeft een dynamische invloed op de groei van de bedrijven. Het verlenen van goedkope leningen en subsidies aan privé-eigenaars voor de conservatie van het bouwkundig erfgoed stimuleert de markt en betekent tegelijkertijd een indirecte bron van inkomsten voor de overheid. — Gemengde financieringssystemen, waarbij overheid en privé-financiers op nationaal, regionaal of lokaal vlak samenwerken, bieden een oplossing om tegemoet te komen aan de grote vraag. Een kostenspreiding tussen een aantal overheids- en privé-financiers maakt het met name mogeüjk restauratiewerken uit te voeren die de eigenaar of gebruiker van een gebouw niet alleen kan bekostigen. — Hoewel zeer gespecialiseerd werk toevertrouwd moet worden aan uiterst vakkundige bedrijven, dienen monopolieposities vermeden. De aanwezigheid van gespecialiseerde kleine en middelgrote bedrijven blijkt immers gunstiger te zijn voor de conservatie van het bouwkundig erfgoed. — In bepaalde omstandigheden kan overheidssteun noodzakelijk blijken om zeer gespecialiseerde bedrijven in stand te houden die onmisbaar zijn voor de conservatie van het patrimonium, maar in de problemen geraken door de huidige beperktheid van hun marktsegment. b. Zorg dragen voor de communicatie tijdens de duur van de opdracht en op de werf — Elk restauratieprogramma vereist een grondige studie en een voorafgaande diagnose van het gebouw. Deze studie moet het resultaat zijn van een hechte samenwerking tussen conservator, archeoloog en architect en dient uitgevoerd voordat gestart wordt met het onderhouds- en restauratieprogramma. Een nauwe samenwerking tussen opdrachtgever en bouwheer moet gepaard gaan met een nauwkeurige programmering, een kostenraming en een beoordeling van

zichtbare referenties, zo mogeüjk op basis van modellen en monsters. — Om fouten of vertragingen tijdens de werkzaamheden te vermijden, is een regelmatige uitwisseling van informatie tussen de verschillende betrokken personen noodzakelijk. — Naast deze verticale coördinatie moet ook een horizontale informatiestroom op gang worden gebracht tussen de verschillende ambachten op de werf. Een interdisciplinaire aanpak die steunt op een goede communicatie is niet alleen bevorderlijk voor een vlotte organisatie van het werk, maar leidt tevens tot aanzienlijke besparingen. C. Kunstambacht en innovatie: de materiaalkeuze Voor de conservatie van het patrimonium worden meestal traditionele materialen aangewend. Maar er is niet altijd voldoende recuperatiemateriaal voorhanden voor de ganse restauratie. Zelfs de invoer van materialen kan niet altijd vermijden dat een tekort ontstaat. In die omstandigheden moet worden uitgekeken naar vervangingsmateriaal. De keuze wordt echter bemoeilijkt door het overvloedige aanbod en het gebrek aan ervaring met dit materiaal op lange termijn. Hier is dus voorzichtigheid geboden en moeten normen worden vastgesteld om te voorkomen dat een verkeerde materiaalkeuze schade zou toebrengen aan het patrimonium. a. Het voortbestaan of de heropening van bedrijven die traditionele materialen produceren, zoveel mogelijk stimuleren Door te zorgen voor een continuïteit in de opdrachten en via een efficiënt informatiebeleid, met de bevoegde nationale, regionale of plaatselijke overheid bijdragen tot het instandhouden van bedrijven die traditionele materialen produceren. b. Vervangingsmateriaal met de nodige zorg kiezen De ambachtslui moeten beter geïnformeerd worden over de aard, de eigenschappen en de verouderingsvoorwaarden van de nieuwe materialen die momenteel op de markt gebracht worden. D. Meer Europese uitwisselingsprogramma's van ervaringen en personen Zowel op bilateraal als op multilateraal vlak zijn uitwisselingsprogramma's, onder de auspiciën van de Raad van Europa en desgevallend ook van andere gespecialiseerde instellingen, zeer belangrijk. a. Uitwisseling tussen gespecialiseerde opleidingscentra voor conser-

vatietechnieken bevorderen — In verscheidene Europese landen bestaan gespecialiseerde opleidingscentra. Tussen deze centra, en met het Europees Vormingscentrum voor Ambachten in Venetië-San Servolo, zou een geregelde uitwisseling van informatie, ervaring en zelfs personen tot stand moeten komen. — Regelmatige bijeenkomsten van de pedagogisch verantwoordelijken van deze centra, onder de auspiciën van de Raad van Europa, kunnen bijdragen tot een betere coördinatie van hun activiteiten. — Europese uitwisselingsprogramma's voor ambachtslui die zich verder wensen te specialiseren en bijscholen, kunnen bijdragen tot een opleving van de ambachten en een verbeterde vakkenis en zelfontplooiing van de ambachtslui. — Uitwisseling van jongeren die opgeleid worden in de kunstambachten is eveneens belangrijk op Europees vlak. Zo zouden onder meer gemeenschappelijke vormingsstages georganiseerd kunnen worden. b. Uitwisseling van informatie bevorderen Tussen de centra voor informatie over materialen en technieken in verschillende Europese landen zouden contacten gelegd moeten worden, vooral in streken aan beide kanten van een grens waar een eenheid van architectuur en materialen aanwezig is.

Orgelrestauratie van de Begijnhofkerk in Leuven beëindigd Op zondag 13 september 1987 werd het gerestaureerde 17de-eeuwse goti-


sche orgel van de Sint-Jan-de-Doperkerk door Jos Van Immerseel ingespeeld. Hiermee werd ook het orgelpunt gezet achter de volledige restauratie van deze kerk (cf. M&L jg. 4, nr. 4, p. 6-34). Ter gelegenheid van dit evenement gaf de Universitaire Parochie van de K.U. Leuven, in samenwerking met het O.C.M.W., een brochure uit waarin de aandacht gaat naar de geschiedenis en de beschrijving van dit merkwaardige instrument. Achteraan vindt men een biografische noot terug over orgelbouwer G. Potvlieghe-De Moyer en over Jos Van Immerseel. In de voetnoten wordt een uitgebreide bibliografie verwerkt. Bovendien werd gestart met een orgelconcertreeks. Hieronder het winterprogramma.

van de tuin bevat een aantal groenten, keukenkruiden en graan- en voedergewassen. De serre is de nieuwste aanwinst van de tuin. Het eerste deel wordt gebruikt als werkserre, waar de jonge plantjes voor de tuin worden gekweekt. Leerlingen kunnen er zelf een aantal activiteiten uitvoeren: zaaien, verspenen, verpotten, stekken Het tweede deel is ingericht als kijkserre. Hier worden plantensoorten gekweekt die in deze kas goed gedijen (cactussen, orchideeën...). In de tuin werd een bijenstal geplaatst.

Dinsdag 17 november 20 u 30: Joris Verdin (Leuven).

De Hortus Michel Thiery wordt met ingang van 29 juni 1987 voor de scholen van alle onderwijsnetten en het publiek opengesteld. Serre en tuin zijn dagelijks toegankelijk van 9.00 u tot 12.00 u en van 14.00 u tot 16.00 u. Gesloten op zaterdag, zon- en feestdagen.

Dinsdag 1 december 20 u 30: Jan Jongepier (Leeuwarden-Nederland). Dinsdag 8 december Jozef Sluys (Brussel) treedt op met het Gregoriaans Koor van Leuven, gedirigeerd door Frans Mariman. Op het programma staan gregoriaanse gezangen voor het feest van de heilige Johannes de Doper. Woensdag 23 december 20 u 30: Kerstcantate (Bach, Buxtehude) in samenwerking met het Kamerkoor Tourdion, met als dirigent Guido Dedene (cantor-organist van de Universitaire Parochie). Programma: J.S. Bach T/Vie schön leuchtet den Morgenstern' BWV 1 J.S. Bach "Wachet auf, ruft uns die Stimme' BWV 140 D. Buxtehude, Cantate 'Das neugeborene Kinderlein'. Inlichtingen: Universitaire Parochie, Jan Stasstraat 2, 3000 Leuven, 016/ 22.78.08 Informatie en Onthaal, Oude Markt 13, 3000 Leuven, 016/28.40.09.

Hortus Michel Thiery Op 26 juni vond de officiële opening plaats van de Hortus Michel Thiery en van de serre in het gebouw Berouw 55 te Gent (I). In de Hortus zijn de planten gegroepeerd in een aantal perken, ingedeeld volgens twee criteria: — biotopen, waar de planten getoond worden in hun natuurlijk milieu, bijvoorbeeld de heide, het kalkgrasland, en het bos — perken waarin één specifiek thema behandeld wordt, bijvoorbeeld de geneeskrachtige kruiden, de moestuin, bol- en knolgewassen. In de serre werd het thema 'Planten waarvan wij leven' uitgewerkt. Dit deel

M&L-Binnenkrant

Het /fortusmuseum M. Thiery zal vanaf volgend jaar ingericht worden, ingedeeld in twee vleugels: — plantenaardrijkskundige afdeling — retro-afdeling.

(1) Over het voormalig schoolmuseum en de plantentuin 'Michel Thiery' verscheen reeds een artikel in M&L jg. 4 nr. 3, p. 32-43.

Oostenrijkse architecturale sporen in Brussel: 18de eeuw en Art Nouveau Oostenrijk is welllicht het enige land op het progamma van Europalia dat het Brusselse stedebouwkundige patroon en decor zo diepgaand heeft beïnvloed. Om deze reden co-produceerden de Franstalige Commissie voor Cultuur en het Atelier de recherche et d'action urbaines (A.R.A.U.) een geleid bezoek rond dit bijzonder aantrekkelijk thema. — In de 18de eeuw, onder het Oostenrijkse bewind, werden belangrijke stedebouwkundige ingrepen in Brussel uitgevoerd: het 'Martelaarsplein', het 'Koningsplein' en het 'Park van Brussel' werden aangelegd. — De Wiener Secession, 4 jaar na de Brusselse Art Nouveau ontstaan, zal door figuren als Paul Hankar en Otto Wagner getroffen worden, maar zal op haar beurt de Brusselse context beïnvloeden. Denken we maar aan figuren zoals Léon Sneyers of Paul Hamesse. Maar wellicht het belangrijkste Oostenrijkse fenomeen in Brussel is het befaamde 'Paleis Stoclet' van Jozef Hoffmann (1905-1910). Men zou deze architectuur kunnen vergelijken met een suikertje, dat langzaam smelt in een Brusselse thee; het bouwwerk was immers het onderwerp van een architectendebat, dat tot in de jaren '30 zou doorlopen en waar onder meer

Eigen huis van architect J.-B. Dewin in de Molièrelaan 172

Jean-Baptiste Dewin, Antoine Pompe of nog Michel Polak, in betrokken waren. De A.R.A.U. en de Franstalige Commissie voor Cultuur hebben 'Europalia Oostenrijk' aangegrepen om aan het groot publiek een reeks busrondleidingen aan te bieden, die de meest representatieve plaatsen en gebouwen onder Oostenrijkse invloed aandoen.

Binnenzicht van de TJltieme Hallucinatie', Koningstraat 316 (architect P. Hamesse)


Naar aanleiding van Europalia Oostenrijk publiceerde de ArchiVes d'Architecture Moderne een tweedelige bijdrage, enerzijds rond het 'Paleis Stoclet' onder de titel La Fortune du Paiais Stoclet en anderzijds rond architect Rob Krier onder de titel Project et realisations a Vienne et Salsbourg (1982-1987). Zoals steeds het geval is met de publikaties van A.A.M. is deze bijdrage een voorbeeld van een verzorgde en uiterst boeiende architectenbundel. Een aanrader dus... . De busrondleidingen starten op 3 oktober en eindigen op 13 december, elke zaterdag (Frans) en elke zondag (Engels). Vertrek: 13 u 30, Post van de Beurs, Henri Maasstraat 2 Deelname: 400,-fr. Reservatie verplicht Inlichtingen: secretariaat van de A.R.A.U., Henri Mausstraat 37, 1000 Brussel. 02/513.47.61. Er bestaat ook mogelijkheid tot speciale rondleidingen voor groepen. M. Ramakers

Het Paleis Stoclet, Tervurenlaan 279, door architect J. Hoffmann. Eetzaal met friezen van G. Klimt

TENTOONSTELLINGEN De Romeinen langs de Vlaamse kust Tijdens de zomer van 1987 vond in Koksijde (Duinenabdij) en in Oudenburg (Abtsgebouw) een internationale tentoonstelling plaats rond het thema 'De Romeinen langs de Vlaamse kust'. Deze tentoonstelling is een organisatie van de Duinenabdij, het Seminarie voor Archeologie van de Gentse Rijksuniversiteit en de Nationale Dienst voor Opgravingen, de Vereniging voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in West-Vlaanderen en het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (B.T.K.). Het kustgebied vergt, meer dan andere streken in ons land, bijzondere onderzoeksmethodes. Van in de prehistorie tot ver in de middeleeuwen hebben de wijzigingen van de kustlijn, de opeenvolgende transgressies en regressies, een diepgaande rol gespeeld in de evolutie van de bewoningsgeschiedenis. De noodzaak bestaat de kuststreek archeologisch te onderzoeken, vooraleer de vindplaatsen definitief verloren gaan. In een zeer intensief bewoond gebied als Vlaanderen vormen steeds meer werkzaamheden —

stadsuitbreiding, ruilverkaveling, wegenaanleg, gebruik van moderne landbouwtechnieken en -machines, afgravingen, enz. — een bedreiging voor het bodemarchief. Teneinde een duidelijk beeld te krijgen van het verleden, moet een beroep worden gedaan op verschillende disciplines, als geologisch onderzoek, palynologisch onderzoek, onderzoek van gesteenten en van beenderen, de radiokoolstofdateringsmethode De Romeinse geschiedenis in onze gewesten vangt aan in de jaren 57 tot 51 vóór Christus, wanneer het gebied vanaf de Pyreneeën tot aan de Rijn — Gallië genoemd — wordt veroverd door de Romeinse veldheer Julius Caesar. Bij de komst van Caesar maakte het kustgebied deel uit van het woongebied van de Menapiërs, een volksstam van de 'Oude Belgen' (=Belgae). In de eeuwen vóór onze jaartelling stond echter een groot deel van de kustvlakte onder water. Bij de organisatie van de nieuw veroverde gebieden door keizer Augustus rond het begin van onze jaartelling zal het grondgebied van de Menapiërs worden opgenomen in de administratieve indeling van de provincie Gallia Belgica, onder de benaming civitas Menapiorum met als hoofdplaats castellum

Menapiorum (=Cassel). Rond het midden van de 1ste eeuw na Christus, onder keizer Claudius, zijn onze gewesten definitief geromaniseerd; de bewoners beleven de Pax Romana (=Romeinse vrede). Vanaf het midden van de 3de eeuw worden onze gebieden geteisterd door de invallen van Germaanse volksstammen. De GalloRomeinse bewoning in het kustgebied heeft deze moeilijke tijden niet overleefd. Een aantal muntschatten, aangetroffen langs de Romeinse wegen op het pleistocene randgebied, getuigen ervan dat de bevolking in en rond de kuststreek op de vlucht is geslagen. Een natuurramp verhinderde bovendien hun terugkeer: de overstromingen van de Duinkerke 2-transgressie. Rond 270 na Christus was de GalloRomeinse bewoning dan ook definitief uit de kustvlakte verdwenen. In de laat-Romeinse periode tenslotte krijgt de bewoning een meer militair karakter, te situeren aan de rand van de kustvlakte (cf. Oudenburg). In Koksijde werd vooreerst aandacht besteed aan de bijdragen van geologen en andere specialisten uit de natuurwetenschappen. Hierbij wordt vooral gebruik gemaakt van kaarten, plans en fotografisch materiaal. Ver-


volgens wordt de aandacht gevestigd op het dagelijkse leven in de Romeinse nederzettingen uit het Hoge Keizerrijk (70 - 270 na Christus). Centraal staat de relatie tussen bodem en bewoning, met als eindresultaat de verspreidingskaart van de Romeinse bewoning in het oorspronkelijke landschapsbeeld. Verder komen onder meer aspecten van landbouw, veeteelt, handel en nijverheid aan bod in relatie met de ligging en de aard van de bewoningskemen. Naast die nederzettingen waren er echter ook begraafplaatsen. Daarover is men minder goed ingelicht. De meeste grafvondsten werden namelijk aangetroffen tijdens de 18de en de 19de eeuw, vooral bij het turfsteken. Alleen de mooie potten werden bewaard en de voorwerpen werden volledig uit him oorspronkelijke grafcontext gerukt. Desondanks vormen die voorwerpen een echte bezienswaardigheid, niet alleen als prachtige staaltjes van de toenmalige kunstnijverheid, maar ook als pertinente getuigen van de handelrelaties met andere gebieden. De studie van de Romeinse militaire aanwezigheid in de laat-Romeinse tijd (270 - 410 na Christus), werd toegelicht in het Abtsgebouw te Oudenburg. Immers, langsheen de kustvlakte bouwden de Romeinen enkele legerbases die als verdediging dienden tegen de invallen van Saksische zeerovers. Ook in het huidige Engeland vinden we sporen van deze verdedigingsgordel, de zogenaamde Lifus Saxonicum. Oudenburg — op amper enkele kilometers van de drulcke kust en van het toeristische Brugge — behoorde tot die reeks van castella. Jarenlange opgravingen hebben inderdaad de overblijfselen van een versterking met het daarbijhorende grafveld aan het licht gebracht. Beide zijn te dateren in de laat-Romeinse periode, een periode die voor de westelijke provincies van het Romeinse wereldrijk de laatste stuiptrekkingen betekende. Bij de opgravingen werd het bestaan van drie legerkampen vastgesteld, die elkaar chronologisch opvolgen. De structuur van het castellum tekent zich immers nog duidelijk af in de plattegrond van de huidige stad. Het in Oudenburg opgegraven grafveld verschaft heel wat informatie over diegenen die zich ophielden in het militaire kamp. In de graven trof men talrijke fibulae of mantelspelden, glazen flessen en kommen, allerlei aardewerk, munten, sieraden en andere gebruikvoorwerpen aan. Naast het tentoonstellen van de talrijke archeologische vondsten, wordt het geheel verlicht met maquettes, plannen, foto's, dia's en kaarten. Deze dubbele tentoonstelling wou het publiek een zo volledig mogelijk beeld geven van de Romeinse aanwezigheid in de Vlaamse kustvlakte.

M&L-Binnenkrant

althans voor zover de huidige stand van het archeologisch onderzoek dit toelaat. De dubbeltentoonstelling wordt voorgesteld in één catalogus, die bestaat uit twee delen: een tekstgedeelte waarin een synthese wordt gebracht van het archeologisch en geologisch onderzoek van de kustvlakte, gevolgd door de eigenlijke catalogus van de archeologische vondsten. Zowel de tentoonstelling als de catalogus werden in de eerste plaats voor een breed publiek uitgewerkt.

Fondation pour l'architecture De Prix Europeen pour la Reconstruction de la Ville werd in 1982 gesticht door de Belgische architect Philippe Rotthier met als doel de heropbloei en de studie van de klassieke architectuur en de traditionele bouwwijzen te bevorderen. De prijs wordt om de vijf jaar georganiseerd door de Brusselse Fondation pour I'Architecture (zie ook M&L jg. 5, nr. 6, binnenkrant p. XIV). De tweede vergadering van de Prix Europeen pour la Reconstruction de la Ville werd op 21 juli 1987 afgesloten in Brussel. Deze laatste heeft beslist de volgende vier Architectuurprijzen ex-aequo toe te kennen ter bekroning van het oeuvre van vier onderstaande architecten (of groepen architecten): — de Duitse architect Ernst Schumacher, voor de reconstructie van het Zaterdagplein in Frankfurt; — de Architecte des Bêtiments de France Jean-Pierre Errath, voor zijn

verfraaiingswerken van de oude wijken van de stad Bordeaux; — de Spaanse architecten Manuel Iniguez en Alberto üstarroz, voor him recente projecten, in het bijzonder de twee overheidsgebouwen die ze voltooiden in Lesaka en Navarra; — de Italiaanse architect Pompeo Trisciuoglio, voor de volledige reconstructie van het gehucht Grangesises (in de nabijheid van Turijn), dat al een tiental jaren verlaten was. Genoemde werken zijn een bewijs voor de vitaliteit en het potentieel van de klassieke tradities en het landseigene van de architectuur, en zijn ieder op hun manier een voorbeeldig alternatief voor de groeiende aanslag op de integriteit van de steden en het architecturaal patrimonium. Naar aanleiding van de prijzen werd een tentoonstelling georganiseerd door de Fondafioji pour I'Architecture, met de medewerking van het Staatssecretariaat van het Brusselse Gewest, die de nadruk legt op de vier bekroonde projecten. Er is ook een belangrijke plaats ingeruimd voor het werk van de Egyptische architect Abdel Wahed El-Wakil „die voor de Arabische wereld vorm geeft aan een architecturaal meesterschap dat de Prix Europeen pour la Reconstruction de la Ville wenst te bevorderen in de Europese steden". Ten slotte presenteerde de jury een tiental projecten die tot de meest interessante behoren, en de tentoonstelling wordt afgesloten met een overzicht van de projecten van de laureaten van de eerste uitreiking van de Prijs in 1982.

M Imguez en A. Ustanoz, bouw van een medisch centrum te Lesaka (Navarra)


Bij de tentoonstelling wordt door de Archives d'Architecture Moderne te Brussel een geïllustreerde catalogus (speciaal nummer van het tijdschrift A.A.M.) uitgegeven. Hij is opgezet zoals de tentoonstelling (project van de laureaten, geselecteerde projecten, werk van El-Wakil), en geeft commentaar en bemerkingen van de jury bij alle inzendingen en de bekroonde werken. Fondation pour 1'Architecture Kluisstraat 55, 1050 Brussel van 27 oktober tot 24 december 1987 toegankelijk van 12.30 tot 19 u. van dinsdag tot en met vrijdag, zaterdag en zondag van 11 tot 19 u., maandag gesloten. Engels/Franse catalogus — Kleur- en zwart/wit illustraties — Verkoopprijs: 500,-fr.

Hieronder I -P Errath de restauratie van Hierboven: M. Iniguez en A. Ustarroz, het gemeentehuis van Lesaka; detail uit de raadzaal de 'Place du Parlement' in Bordeaux, 1980


'Dommershausen', B.M.L.)

Maastrichterstraat 26-28,

Tongeren

(foto

sche onderzoek van 'Het Sweert' te Hasselt (3) werd in de tweede bouwfase een gelijkaardig voorhuis onderscheiden (4). De verschillende woonbehoeften werden geleidelijk aan duidelijker onderkend, en in antwoord daarop verschenen specifieke ruimten: stookplaats, opbergruimte, slaapplaats. Dit had telkens een afsplitsing van de oorspronkelijke ruimte tot gevolg (5). Pas in de 17de eeuw zou er sprake zijn van een systematisch ordenen van de verschillende functies. Over vakwerkgebouwen in Belgisch Limburg is zeer weinig gepubliceerd. Het systematische en wetenschappelijke onderzoek van individuele gebouwen is pas zeer recent op gang gekomen naar aanleiding van restauraties van stedelijke vakwerkgebouwen, waarbij vooral de studie voor de rehabilitatie van het huis 'Het Sweert' te Hasselt zeer verdienstelijk is (6). De construedewijze, het stadium van het versteningsproces en de constructiewijze van de versteende delen zijn de elementen die het opstellen van een typologie voor stedelijke vakwerkgebouwen mogelijk maken. Een vakwerkbouw is in essentie een houtskelet, bestaande uit een aantal achter elkaar geplaatste gebinten: een samenstel van verticale stijlen en horizontale balken, verstijfd door middel van schuingeplaatste schoren. De gebinten worden met elkaar verbonden door balken, die er overheen worden gelegd, de gebintplaten. Het houtskelet vormt de dragende constructie voor het dak, gevormd rondom een reeks kapgebinten. Het werd aanvankelijk in of op de grond geplaatst, later op een stenen fundering als bescherming tegen stijgend vocht. De meeste bewaarde vakwerkhuizen hebben overwelfde kelders,

'Het Spaans Huis', Muntstraat 13, Tongeren (foto D. Stemgée)

meestal van mergelsteen, waarvan de ingang oorspronkelijk niet binnenshuis maar op de straat uitgaf (7). Bij meerdere verdiepingen werd het raamschema boven elkaar herhaald, in de middeleeuwen en tot in de 17de eeuw vrijwel steeds met gebruik van overkragingen, waarbij de moerbalken uitsteken ten opzichte van het wandvlak, en de bovenliggende verdieping uitspringt ten opzichte van de benedenliggende. De meeste voorbeelden in de provincie vertonen deze overkragingen: het huis 'Dommershausen', Maastrichterstraat 26-28 te Tongeren; 'Het Sweert' te Hasselt; 'Het Spaans Huis', Muntstraat te Tongeren; Bosstraat 17 te Maaseik; 'De Drij Dagonders', Botermarkt 28 te Hasselt; 'De Molensteen', Hoogstraat 26 te Hasselt; 'Het Leerske', Havermarkt 4 te Hasselt. De motieven voor deze bouwwijze zijn niet duidelijk: er werd gedacht dat het ging om een manier om ruimte bij te winnen in de in uiterst smalle percelen versnipperde middeleeuwse steden (8). In elk geval komen ook op het platteland, bij vrijstaande gebouwen waar deze economische behoefte niet speelt, in de regel overkragingen voor. Constructief kan de overkraging de functie hebben van tegengewicht voor het doorbuigen van de moerbalk (9). Voorts speelde de bescherming tegen regen zeer waarschijnlijk ook een rol. Het houtskelet, dat aan de hand van telmerken wordt opgesteld, wordt verder aangevuld met wandregels, die dienen om het met leem bestreken vlechtwerk waaruit de wanden bestaan te dragen. Deze wanden hebben geen enkele dragende functie in de constructie. Het heeft vrij lang geduurd voor de wanden, zelfs bij stenen huizen, als dragend werden erkend en 33 M&L


geconstrueerd (10). Zo is in het huis 'De Pasteye', Maastrichterstraat 65 te Hasselt, de houtstructuur vrijwel volledig uit de gevels verdwenen, doch binnen de bakstenen wanden bleef deze dragende houtstructuur vrij volledig bewaard. Deze bouwfase wordt door de muurankers van het gebouw gedateerd in 1687. Houten beschietingen van de lemen wanden moeten in de 15de-16de eeuw zeer algemeen geweest zijn (11). Hiervan bleven geen voorbeelden bewaard, behalve mogelijk het gebouw in de Korensteeg te Sint-Truiden, dat echter niet kon worden onderzocht. Het beschieten met leien kwam in Luik veelvuldig voor, onder meer bij het huis Havart, Quai de la Goffe 41. Er werd geen onderzoek gedaan naar de gebruikte houtsoorten. Waarschijnlijk waren de oudste constructies uit eikehout, met na ca. 1600 ook ingevoerd grenenhout. Deze kenmerken zijn eigen aan alle vakwerkgebouwen in de Nederlanden. Het bestudeerde gebied vertoont evenwel een aantal regionale eigenheden. Het aanwenden van uitsluitend het ankerbalkgebint is hier één van. Deze constructiewijze, waarbij de horizontale balk aan beide einden met een pen door de stijlen steekt en daarachter verankerd is met wiggen, was tot ca. 1400 de gebruikelijke in de Nederlanden. Na deze periode verdwijnt zij vrijwel volledig, behalve in Limburg, waar zij in gebruik blijft (12). In Limburg wordt de door Trefois genoemde 'Oostelijk-Vlaamse wandvullingsmethode' gebruikt aansluitend bij het Nederlands-Limburgse en Duitse gebied (13). Nauwkeuriger zowel op het gebied van constructie als van typologie is de definitie van Driesen als 'spijkerloos vlechtwerk met zichtbare regels', waarbij de stokken, waarrond de vitsroeden gevlochten worden, in de regels bevestigd worden door middel van gaten en een gleuf, terwijl de regels zelf in het wandvlak liggen en op die manier zichtbaar blijven (14). Het dakgebint bestaat meestal uit twee boven elkaar geplaatste jukken met de gordingen opgelegd op de stijlen. Het belangrijkste verschil echter met de stedelijke architectuur in de andere Vlaamse en Nederlandse steden, is de voorkeur voor het breedhuistype, de daknokken evenwijdig met de straat (15). Hoewel de oudste exemplaren wel diephuizen blijken te zijn, zoals het huis 'Dommershausen' te Tongeren, dat in kern opklimt tot vóór de 15de eeuw, behoren de meeste voorbeelden tot het andere type. Dit type is volgens Meischke via Luik, de Ardennen en het gebied rond Monschau overgenomen uit Zuid-Duitsland (16). In Aken weliswaar blijft het diephuistype gebruikelijk tot ver in de 17de eeuw. Ten gevolge van deze bouwwijze verdwijnen de druipstroken tussen de huizen, die bij een breedhuisopstelling overbodig waren. Het Maaslandse straatbeeld moet dus reeds vroeg zijn typisch aaneengesloten karakter hebben gehad, dat afwijkt van het levendige gabariet van andere steden. Het gebruik van Sint-Andrieskruisen bij de wandvulling is een ander Maaslands verschijnsel, dat goed bewaard bleef in 'Het Sweert' in Hasselt en 'Het Spaans Huis' in Tongeren. M&L 34


Het versteningsproces De overgang van de vakwerkbouw naar het stenen huis was een traag verlopend proces in verschillende stadia. De drijvende kracht erachter waren de gemeentelijke maatregelen ter bestrijding van het brandgevaar. De middeleeuwse steden met hun bebouwing van hout en stro waren hiervoor immers een gemakkelijke prooi. Zo heeft de grote brand van Maaseik in 1684 aanleiding gegeven tot de vrijwel volledige wederopbouw van de stad, wat nog steeds af te lezen is uit een zekere homogeniteit in het geveltype (17). De steden der Nederlanden vaardigden reeds in de 14de eeuw een reeks verordeningen uit die geleidelijk aan strenger werden, en de verstening van het burgerhuis aan het begin van de 18de eeuw een feit maakten. Merkwaardig is dat deze verordeningen in het Land van Luik in vergelijking met andere streken vrij laat kwamen (18). De reden van dit laattijdig ingrijpen is niet duidelijk. Wel kan het een factor geweest zijn in het behoud van het vrij groot aantal voorbeelden in de Luikse steden, waar de vakwerkbouw tot op het einde der 19de eeuw nog sterk vertegenwoordigd was in het stadsbeeld. Het lange doorleven van de vakwerkbouw in het Land van Luik was reeds door verschillende auteurs onderkend (19). De auteurs van de studie over 'Het Sweert' ontdekten in dit doorleven een nieuwe dimensie. In de 17de eeuw, op het ogenblik dat overal elders in de Nederlanden de houtbouw uit het stadsbeeld verdween, ontstond in het Land van Luik een nieuwe, rijke vakwerktraditie, geïllustreerd door het huis Havart te Luik, dat oorspronkelijk eind 16de eeuw doch nu algemeen tussen 1666 en 1688 gedateerd wordt. De meeste Limburgse voorbeelden, waarvan 'Het Sweert' en 'Het Spaans Huis' de gaafst bewaarde zijn, behoren tot deze heroplevingsperiode. Het versteningsproces verliep dus in fasen. Het stenen fundament en de harde dakbekleding hebben vermoedelijk reeds vanaf de 14de eeuw hun intrede gedaan. De strijd tegen het opstijgend vocht resulteerde in vele gevallen in de volledige verstening van de benedenverdieping, zoals in de twee hogergenoemde voorbeelden geconstateerd kan worden. In een volgend stadium werden lemen vullingen vervangen door bakstenen. De aanvang van dit proces is niet exact te achterhalen, maar het was in de late middeleeuwen een zeer algemeen procédé. Dit vullen met steen wijzigde het uitzicht van de gevel: de vele horizontale elementen van het houtskelet, nodig voor het dragen van het vlechtwerk, verdwenen evenals de SintAndrieskruisen. De voorgevels van het huis 'Dommershausen' te Tongeren en het huis Bosstraat 17 te Maaseik illustreren dit duidelijk, evenals de gevels waar het vakwerkgedeelte slechts fragmentarisch bewaard bleef, zoals 'De Drij Dragonders' en 'De Pasteye' te Hasselt. De lemen zijwanden, die het overslaan van brand naar de belendende panden veroorzaakten, werden het eerst versteend (de zogenaamde brandmuren). De houten voorgevel werd het langst geduld, waar35 M&L


schijnlijk omdat hij bij het blussen het gemakkelijkst bereikbaar was. Het uit dit proces voortkomende driekwarthuis met drie versteende gevels en een voorgevel in vakwerkbouw, al dan niet met bakstenen vullingen, is het meest vertrouwde in de Luikse steden. Het huis 'Dommershausen' te Tongeren kan nogmaals als fraai voorbeeld aangehaald worden: de laat-gotische afwerking situeert de verstening van zijen achtergevels tussen 1450 en 1550.

De zestiende eeuw De studie van het 16de-eeuwse burgerhuis in de provincie wordt sterk bemoeilijkt door het geringe aantal voorbeelden. Voor enige volledigheid zijn we verplicht te refereren aan voorbeelden uit Luik, doch ook hier zijn te weinig gebouwen bewaard om een sluitende chronologie op te stellen. Hiermee rekening houdend kunnen we het voorhanden zijnde 16deeeuwse materiaal grosso modo verdelen in twee groepen: een eerste uit de eerste helft van de eeuw waarin de laat-gotische traditie blijft voortleven: en een tweede, die zich ongeveer situeert in de tweede helft van de eeuw, waarin de renaissance-invloeden zich doen gelden.

Martin 9 te Luik. Van de woningen uit de midden- en lagere klasse bleef weinig of niets bewaard. Het huis 'Dommershausen' is het enige zuiver gotische huis in de provincie. In deze periode ontwikkelt zich de klassieke drieledige indeling van het laat-middeleeuwse huis. Er is nu een voorhuis, een afgescheiden haardruimte die langzamerhand haar functie van kookplaats verliest om eetzaal te worden, en een achterkamer, die geleidelijk de keukenfunctie overneemt; naast binnenhaard en achterkamer loopt een gang van voorhuis naar achtergevel. De grote herenhuizen uit deze periode worden complexer van vorm. De meeste vertonen een L-vormig grondplan (20). Typisch hierbij is een traptoren, die in de hoek van de twee vleugels wordt geplaatst. Deze traptoren wordt dikwijls hoger opgetrokken dan de daken van beide vleugels, zodat hij de functie van uitzichttoren krijgt. Dit element evenals het Lvormige grondplan komen voor in het huis 'De Arent', Kapelstraat 49 te Hasselt, winterverblijf van verschillende adellijke families, en daterend uit 1591, een vrij laat voorbeeld dus van laat-gotiek. Dit traditionalisme is kenmerkend voor de 'bonnes villes', die de voorbeelden van Luik slechts schoorvoetend schijnen te volgen.

De laat-gotiek kenmerkt de eerste helft van de eeuw. De gotiek bepaalt het volume van de gebouwen: hoog, smal en met een overwegende diephuisordonnantie onder steil zadeldak. De voorbeelden uit deze tijd zijn meestal grote patriciërswoningen, zoals het 'Maison du Seigneur d'Amay', me d'Amay 10-12 en het 'Hotel de Sélys-Longchamps', Mont-Saint-

Waar het oorspronkelijke stenen stadshuis veelal overwegend van natuursteen was, komt vanaf de 16de eeuw de combinatie natuursteen-baksteen op. De natuursteen is in de provincie Luik de Naamse kalksteen, die door het gemakkelijke transport via de Maas snel een grote populariteit verwierf. De mergelsteen wordt hier zeer spaarzaam aangewend, dit in tegenstelling tot het noorden van het prinsbisdom

'Den Swerten Adelaer', Bosstraat 19, Maaseik. 1620 (foto D. Stemgée)

'Den Swaen', Markt 38, Maaseik. 1649 (foto D. Stemgée)


Grote Kerkstraat 31-33, Maaseik. Eerste helft 17de eeuw (foto D. Stemgée)

— de huidige provincie Limburg vrijwel in haar geheel — die in deze periode bijna uitsluitend het gebruik van dit bouwmateriaal kent, waarschijnlijk te wijten aan de nabijheid van de groeven te Ziehen-Zussen, Kanne en Sint-Pietersberg. Sint-Truiden blijkt een overgangsgebied. De vormentaal van de laat-gotiek kenmerkt de gebouwen van deze periode. We merken als belangrijkste ornamenten in de gevels de accoladeboogvormige bekroningen, de gedrukte rondbogen en de in sterk reliëf uitgevoerde profileringen aan deuren en vensters. Een huistype waarvan in Belgisch Limburg geen sporen bewaard bleven, in Maastricht enkele resten (21), is de zogenaamde woontoren, een herenhuis met een uitgesproken defensieve functie. In Luik bleef wel een exemplaar behouden, namelijk de Tour Rosen, rue Bovy 19, waarvan de oudste delen teruggaan tot 1516 (22). Reeds in de eerste helft van de 16de eeuw dringen renaissance-elementen door, door Boniver 'style de transition gothico-renaissance Louis XII' genoemd (23), en waartoe ook het prinsbisschoppelijk paleis kan worden gerekend, waarvan de bouw werd aangevangen in 1526. Deze elementen beperken zich echter

volledig tot de decoratie, terwijl de onderliggende gotische structuur onaangeroerd blijft. Deze overgangsstijl vinden we terug in het Munthuis, Muntstraat 25 te Tongeren. Deze oorspronkelijk gotische constructie, het hoge, smalle diephuis (24), werd in de 16de eeuw aangepast aan de heersende stijl, met toevoeging van een haakse aanbouw aan de straatzijde en een traptoren in de kruising van beide vleugels, waardoor het geheel aansluit bij het gebruikelijke type met L-vormig grondplan. Het merkwaardige venstertype treffen we op identieke wijze uitgevoerd aan in het huis rue de l'Epée 14 te Luik. De tweede helft van de eeuw wordt gekenmerkt door een definitieve doorbraak van de renaissancestijl. Dit betekent echter alleen dat de gotische ornamentiek wordt verlaten. In wezen verandert er weinig: qua volume, structuur en indeling leeft de laat-gotische traditie onverminderd voort. Typisch is het voorbeeld van het 'hotel de Soër de Solières' te Luik, dat een zeer ontwikkelde renaissance-ornamentiek vertoont, toegeschreven aan Lambert Lombard, doch waarvan de structuur van het bestaande laat-gotische gebouw ongewijzigd werd overgenomen. De provincie Limburg behield slechts twee voorbeel37 M&L


den van deze zuivere renaissance-ornamentiek, met name in de sterk gehavende huizen Bosstraat 46 te Maaseik en Onder de Linde 14 te Tongeren (25). De gesculpteerde, mergelstenen elementen, gebogen frontons en voluten die de vensters sierden, werden in latere eeuwen weggehakt om bepleistering of cementering van de gevel mogelijk te maken. Toch zal niemand de sterke gelijkenis ontgaan met het 'hotel van Lievin Torrentius' te Luik, dat dateert uit circa 1561, evenals het 'hotel de Soër de Solières'. In deze periode moet de breedhuisordonnantie als kenmerkende opstelling in het land van Luik definitief de overhand hebben gekregen. Concluderend kunnen we stellen dat de renaissancestijl in het Luikse nooit die rijkelijk gedecoreerde, uitbundige stroming heeft gevolgd van de Brabantse en de Vlaamse stijl. In deze periode begon de invloed van Frankrijk, die tot in de 19de eeuw de architectuur van Luik en haar afhankelijkheden zou bepalen, voelbaar te worden in de strakke, droge en rationalistische vormentaal, eigen aan de Franse architectuur vanaf het midden van de 16de eeuw. Een uitzondering hierop vormden Maastricht en het nabijgelegen Maaseik, waar de architectuur duidelijk het resultaat was van twee elkaar kruisende invloedssferen: de Brabantse en de Luikse. Dit wordt duidelijk geïllustreerd door het huis 'Den Swerten Adelaer'. Bosstraat 19 te Maaseik. Daterend uit 1620 is het een vrij laat voorbeeld van de stijl. In de gevel werd overvloedig gebruik gemaakt van de renaissance-ornamentiek. Een dergelijke, plastisch behandelde gevel zou in Luik niet mogelijk geweest zijn. De overkraging op de rondboogarcade is een element dat eveneens tot Maaseik beperkt bleef.

De 'Maasstijl' In de 17de eeuw werd het bouwen in steen ook gebruikelijk voor de kleinere burgerwoning. Deze nam de structurele kenmerken van de grotere woningen uit de vorige eeuw over: onder invloed van de houtbouw werd het bouwen in steen aangevat als een skeletbouw, waarbij de dragende constructieonderdelen uit natuursteen waren en de ruimten hiertussen gevuld werden met baksteen. De materialen zijn dezelfde als in de vorige eeuw: de Naamse kalksteen en de mergelsteen uit Oost-Limburg. Deze periode wordt qua stijl met de term 'Maaslandse renaissance' aangeduid. In aansluiting op de bezwaren geformuleerd in de inventaris van de Stad Luik (26), werd in de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement Hasselt geopteerd voor de term 'Maasstijl' (27). Men zou zich echter de vraag kunnen stellen of elke terminologie die de traditionele bouwstijl van het Maasland wil onderscheiden van die van andere streken, niet getuigt van een particularisme dat de toets van een doorgedreven vergelijking niet doorstaat. De aan deze stijlstroming toegeschreven kenmerken laten zich immers reduceren tot slechts drie duidelijke verschillen met de Brabantse traditionele stijl uit dezelfde periode: het materiaalgebruik, de opstelling en de sobere, vlakke afwerking

van de gevels (28). Er is vooreerst het verschil in materiaalgebruik, dat zich — vrij logisch — beperkt tot de steensoorten die in de Maaslandse regio aanwezig zijn: mergelsteen uit het oosten en kalksteen uit het zuiden van het gebied. Vervolgens is er de reeds vroeg uitgesproken voorkeur voor de breedhuisopstelling, die vanaf deze eeuw met uitsluiting van het andere type wordt toegepast. Onder welke invloeden of om welke redenen dit gebeurde kon niet worden achterhaald, doch de consequenties voor het uitzicht van het straatbeeld zijn diepgaander dan men op het eerste gezicht zou vermoeden, en hebben de mening dat het hier om een afzonderlijke stijlstroming gaat vermoedelijk sterk in de hand gewerkt. De breedhuisopstelling ontzegt de Maaslandse gevel immers een belangrijk element voor decoratie, namelijk de geveltop, die in de Vlaamse en Brabantse steden voor de levendige, gedifferentieerde straatbeelden zorgt. Het Maaslandse huis geeft de indruk veel soberder te zijn. Dit sobere uitzicht wordt versterkt door het ontbreken van diep reliëf in de gevel: er komen vrijwel geen geprofileerde lijsten voor, noch aan de vensters, noch als afwatering tussen de verdiepingen, hoewel deze profileringen in de oudere voorbeelden — de vroege 17de eeuw — gebruikelijker waren dan later. Mogelijk heeft dit te maken met de toenemende voorkeur voor het gebruik van kalksteen, die moeilijker te bewerken is. De andere kenmerken van de 'Maaslandse renaissance' vloeien uit deze eigenheden voort. Het is duidelijk dat de zijgevels, die wel van een puntgevel voorzien zijn, op de gebruikelijke wijzen worden afgewerkt met trappen, muurvlechtingen of de tot het Maasdal beperkte in- en uitgezwenkte toppen (29). Het huis 'De Swaen', Markt 38 in Maaseik en gedateerd 1649 — de ordonnantie van de gevel werd op het einde van de 17de eeuw gewijzigd — behield een fraaie krulgevel, hier typisch toegepast bij de diephuisopstelling, wat duidelijk een invloed vreemd aan de Luikse traditie verraadt. Buiten Maastricht, Maaseik en de omliggende gebieden komt dit geveltype in het Luikse niet voor. De breedhuisopstelling brengt met zich mee dat al vroeg bijzondere aandacht besteed wordt aan de kroonlijst, die een bekronende functie krijgt. Deze kroonlijsten ontwikkelen zich tot een geornamenteerd element, vrijwel het enige in de gevel. Opmerkelijk in dit verband is het feit dat ze steeds in mergelsteen worden uitgevoerd, ook op een ogenblik dat dit materiaal voor alle overige delen reeds verdrongen was door de kalksteen; waarschijnlijk hing dit samen met het feit dat dit zachte gesteente gemakkelijker bewerkbaar was. We onderscheiden twee types dakafwerking. Het oudste, dat een zeer grote verspreiding kende en ook bij vakwerkgevels gebruikt werd, is de grote dakoverstek gedragen door rijk geornamenteerde houten consoles, de kroonlijst 'a cymbales'. Het Curtiushuis te Luik heeft hiervan nog een fraai exemplaar. Het tweede type is de mergelstenen kroonlijst op ojiefvormige consoles. Het komt vrij veel voor in combinatie met een fries van ruiten en medaillons/rozetten, gesculpteerd in mergelsteen, en blijft langer voortleven als het eerste type.


'De Groote Pellicaen', Kapelstraat 43, Hasselt. 1633 (foto B.M.L.)

Heilig Hartplein 1, Sint-Truiden. 1653 (foto B.M.L.)

Graanmarkt 1, Tongeren. Tweede helft 17de eeuw (foto B.M.L.)

In deze periode wordt de indeling van de huizen ringen en onder de kroonlijst voorkomen. Dit decorageleidelijk minder gecompliceerd. Het huis met vrij- tiesysteem verwijst naar dat van het Curtiushuis te staand achterhuis wordt vrij algemeen na het midden Luik (1600-1610) waar dergelijke ornamenten in meer van de 17de eeuw. Keuken, dienstvertrekken in het monumentale en minder naïeve uitvoering op de onderhuis en een meer uitgewerkte trapaanleg borstwering van elke verdieping voorkomen. Ken— elementen die vroeger alleen bij de belangrijkste merkend voor de Limburgse steden, evenwel niet huizen voorkwamen — worden nu ook gebruikelijk in voor de Luikse, is dat uitsluitend mergelsteen wordt het kleinere burgerhuis. Het voorhuis verliest aan gebruikt in de combinatie natuursteen/baksteen. De betekenis ten voordele van de oorspronkelijk secun- trapgevel vormt de afwerking van de zijgevel. Deze daire kamers; insteken en hangkamers verdwijnen. trapgevels verdwijnen rond het midden van de eeuw, De gang gaat een belangrijke rol spelen bij het wanneer de baksteentechniek het gebruik van muurschikken van de vertrekken. Dit is zeer duidelijk in vlechtingen mogelijk maakt. Het is moeilijk uit te de aanleg van het dubbelhuis, dat in deze periode zijn maken wanneer dit precies gebeurde, daar de meeste definitieve vorm krijgt. zijgevels van de huizen uit deze periode later verBelangrijk is ook het streven de interieurs van meer bouwd werden. licht te voorzien. Dit heeft een geleidelijke wijziging Typisch is ook de vorm die de gesmeed ijzeren van het venstertype tot gevolg, en een meer door- muurankers nu aannemen. Naast de verschillende dachte schikking van de vensters in de gevel (30). sterk gedecoreerde soorten, die ook in de vorige Ondanks het sterke traditionalisme dat de bouwstijl eeuw gebruikelijk waren, krijgt geleidelijk het gestanvan deze periode typeert, kunnen we een evolutie daardiseerde type de overhand, met rechte sleutel die constateren. Deze omvat vijf perioden, die grosso zich aan één zijde splitst in twee omgebogen uiteinmodo gesitueerd kunnen worden in de eerste helft den, en dat een element tot identificatie is voor van de 17de eeuw, de tweede helft van de 17de eeuw 17de-eeuwse kernen die in latere eeuwen op vrijwel tot circa 1690, de periode van de eeuwwisseling, de alle overige punten verbouwd werden. eerste helft van de 18de eeuw tot ongeveer 1740, en Enkele merkwaardige voorbeelden uit deze periode de periode 1740-1750. Het zal de lezer duidelijk zijn zijn: het huis Sint-Ursulastraat 20 te Tongeren, gedadat deze termini niet als absoluut gehanteerd dienen teerd 1602, ondanks zijn 'harde' restauratie en laatte worden. 17de-eeuwse aanpassing der muuropeningen; het huis Grote Kerkstraat 31-33 te Maaseik, gedateerd 1629, eveneens met gewijzigde muuropeningen; het huis 'De Gulden Put', Havermarkt 21-23 te Hasselt, een Eerste helft van de 17de eeuw fragmentarisch bewaard herenhuis met L-vormige aanleg en uitzichttoren; de achtergevel van 'De De voorbeelden uit de oudste periode worden geken- Groote Pellicaen', Kapelstraat 43 te Hasselt, gedamerkt door een sterk horizontalisme, resultaat van teerd 1633. het grote aantal dicht bij elkaar geplaatste speklagen. Het type van de huizen 'De Drie Marien', uit 1631 en Tijdens de eerste twee decennia van de eeuw blijft de 'De Gapers', respectievelijk Bleumerstraat 77 en 47 renaissance-invloed doorleven in het gebruik van klei- te Maaseik, schijnt tot Maaseikt zelf beperkt te zijn. ne, mergelstenen reliëfs die medaillons, rozetten en De overkragingen konden we in deze stad reeds cartouches voorstellen en gegroepeerd op de borstwe- noteren bij het hogervermelde huis 'Den Swarten 39 M&L


'De Drie Marien', Bleumersstraat 77, Maaseik. 1631 (foto D. Stemgée)

M&L 40


Adelaer'. Opmerkelijk bij 'De Drie Marien' is dat uitsluitend baksteen wordt gebruikt. Van dit type is ons slechts één ander voorbeeld bekend, met name het huis Markt 30 in Maaseik.

De tweede helft van de 17de eeuw De uitgesproken horizontalistische ritmering van de gevels, die de eerste decennia van de eeuw kenmerkte, was reeds in de daaropvolgende jaren sterk beginnen te tanen als gevolg van een drastische vermindering van muurbanden. In de tweede helft van de eeuw worden deze banden stelselmatig beperkt tot drie per verdieping, in het verlengde van de drie dorpels van de kruiskozijnen. De mergelsteen als bouwmateriaal verdwijnt volledig, na een overgangsperiode van circa 1650-1660, en wordt vervangen door de in Luik van oudsher gebruikte Naamse kalksteen. Alleen in de onmiddellijke omgeving van de mergelgroeven blijft het materiaal tot in de 20ste eeuw in gebruik. De reden van deze vrij plotse wijziging kon niet achterhaald worden. Deze verandering in materiaalgebruik heeft zijn gevolgen voor het uitzicht van de gevels: er worden zwaardere blokken natuursteen gebruikt, zodat het levendige uitzicht van de kleine, in- en uitspringende negblokken plaats maakt voor een logger ogende afwerking. Met de mergelsteen verdwijnt ook alle decoratie uit de gevel. De zeldzame profileringen die nog voorkomen worden grover. Een uitzondering vormen de kroonlijsten met ojiefvormige consoles: deze blijven behouden, ze zijn trouwens nog steeds in mergelsteen uitgevoerd. Het huis Heilig-Hartplein 1 te Sint-Truiden, gedateerd 1653, is een vrij gaaf bewaard en monumentaal voorbeeld uit deze periode. Alle natuurstenen elementen zijn uit kalksteen. De huizen Hasseltsestraat 2 — sterk gerestaureerd — en Graanmarkt 1 te Tongeren vertonen dezelfde kernmerken. Het huis Luikerstraat 54 te Sint-Truiden, gedateerd 1664, biedt een zeldzaam voorbeeld van diephuisopstelling, met hijsraam in de geveltop. Andere, eerder fragmentarisch bewaarde voorbeelden zijn de huizen Cl. Cartuyvelsstraat 11 te Sint-Truiden, Vlasmarkt 2 te Tongeren, Markt 5, 10 en Kortestraat 10 te Borgloon, Markt 28 te Peer.

De eeuwwisseling (ca. 1690 - ca. 1710) De eeuwwisseling brengt een plotse toevloed van nieuwe elementen in de gevelarchitectuur. Waar de ordonnantie van de gevels voorheen uitsluitend gedicteerd werd door bekommernissen van praktische aard, wordt nu voor het eerst gestreefd de gevel als een geheel te behandelen, waarbij muuropeningen en decoratie ingepast worden in een symmetrisch geconcipieerd totaalbeeld. Dit streven naar structuur, alsmede het gebruik van decoratie die voor het eerst sinds de renaissance de gevels siert, is wellicht ontstaan onder invloed van de in onze streken doordringende Lodewijk XIV-stijl, frappant geïllustreerd door het huis Markt 14 te Maaseik.

Markt 14, Maaseik. Ca. 1690 (foto B.M.L.)

41 M&L


Het streven naar meer licht in de interieurs heeft een diepgaande invloed op het uitzicht van de gevel. In het pogen de glasoppervlakte zo groot mogelijk te maken worden in deze periode de ramen aan elkaar gekoppeld tot horizontale registers, waarbij de vensters hun stijlen gemeenschappelijk hebben met die ernaast. De baksteenvelden in de gevel worden op die manier beperkt tot de borstweringen tussen de verdiepingen. Soms verdwijnen zelfs deze, wanneer de vensterregisters ook met hun dorpels bij elkaar aansluiten, zoals in het huis Grote Markt 13 te Tongeren, of wanneer gebruik gemaakt wordt van kalkstenen panelen om deze stroken te bedekken; op deze manier ontstaan de volledig kalkstenen gevels, een voor deze periode kenmerkend sub-type (Maaseik, Markt 27). De vormentaal van de decoratie is die van de Lodewijk XIV-stijl. Dit onder invloed van Luik, waar voorbijgegaan wordt aan de meer gedecoreerde barokstromingen en resoluut voor de classicistische barokrichting geopteerd wordt. De decoratie blijft dan ook vrij sober en beperkt zich tot het benadrukken van de structurele elementen. De belangrijkste ornamenten zijn de rustica, de schijnvoegen, die de vertikale gevelelementen, in dit geval de doorgetrokken venster- en deurstijlen onderstrepen, de waterlijsten die de vensterregisters horizontaal aflijnen en thans weer voorzien zijn van een verzorgde profilering, en de kalkstenen panelen op de borstweringen. In Luik komen ornamenten voor in de vorm van reliëfs op de panelen onder de vensters en stellen florale motieven en slingers voor in Lodewijk XIVstijl. In deze periode verschijnt ook het Franse raam, zonder stenen onderverdeling, waarbij de glas-inloodbeglazing vervangen wordt door kleine ruiten met houten roeden. De evolutie van de glasproduktie maakte dit technisch mogelijk.

'Den Oraniënboom', Markt 45, Maaseik. Tweede helft 17de eeuw (fotoB.M.L.)

Brouwersstraat 7, Tongeren. Eerste helft 18de eeuw (foto B.M.L.)

M&L 42

Vrijwel alle Limburgse voorbeelden uit deze periode zijn afkomstig uit Maaseik, dank zij de grote bouwactiviteit na de grote brand van 1684. In andere steden van de provinice zijn de voorbeelden van deze periode schaars en fragmentarisch. In Luik treffen we het type meer aan, en ook in Maastricht en zelfs in Aken komt het op dezelfde wijze voor. Het huis 'De Verkeerde Wereld', Bosstraat 7 te Maaseik, gedateerd 1686, is een fraai en compleet voorbeeld. De kalkstenen plint vertoont de karakteristieke rusticamotieven. De vensters, kruiskozijnen op de eerste en tweede bouwlaag, bolkozijnen op de zolderverdieping, zijn gegroepeerd in telkens twee registers per verdieping. Elk register bestaat uit drie vensters. Deze horizontale geleding wordt benadrukt door geprofileerde waterlij sten, die tegelijkertijd de functie van onder- en bovendorpel van de vensters vervullen. De stijlen zijn voorzien van rusticamotieven en zijn verticaal over de hele gevel doorgetrokken. Op deze manier ontstaat een merkwaardig evenwicht tussen de horizontale en verticale spanningen. De zware, geprofileerde kroonlijst komt nu zonder consoles voor. De rechthoekige deur is zoals gebruikelijk laag en voorzien van een geprofileerde omlijsting. Er is een ovaal bovenlicht in een kalkstenen gevelsteen.


Munnikenstraat 9, Maaseik. Eerste helft 18de eeuw (foto B.M.L.) Maastrichterstraat 73, Tongeren. Ca. 1740-1750 (foto B.M.L.)

Ridderstraat 4, Sint-Truiden. Eerste helft 18de eeuw (foto B.M.L.) Kapelstraat 1, 3, 5, Hasselt. Ca. 1740-1750 (foto B.M.L.)

43 M&L


'De Verkeerde Wereld', Bosstraat 7, Maaseik. 1686 (foto D. Stemgée)

M&L 44


versierd met gesculpteerd rankwerk. Ook de voormalige apotheek Van Venckenray, Markt 46 te Maaseik, thans museum, is een intact voorbeeld. Typerend is de afwerking van de zijgevels met het 'krulgevelmotief (31). Markt 26, 47 en Bosstraat 42 te Maaseik zijn gelijkaardige voorbeelden. Het enige nog resterende voorbeeld van zuivere barokstijl in Vlaams-Brabantse traditie treffen we aan in Maaseik, namelijk het voormalige drossaardhuis, Bosstraat 21, gedateerd 1677. In tegenstelling tot de zeer sobere afwerking van de Luikse huizen uit deze periode kenmerkt deze gevel zich door zijn uitbundige versiering, die een andere invloedssfeer dan de Luikse verraadt. Tot de barokstijl behoren ook de drie pilastergevels die de privincie rijk is; 'Het Groene Schildt', Eikerstraat 3 te Maaseik, gedateerd 1671 en de huizen 'De Oraniënboom', Markt 45 te Maaseik, en Diesterstraat 30-32 te Sint-Truiden. Opvallend is dat vrijwel uitsluitend baksteen voorkomt. We hebben hier dus eveneens met een niet-Luiks element te maken, dat echter wel in Maastricht voorkomt.

De eerste helft van de 18de eeuw De rijker geornamenteerde gevelarchitectuur van de twee decennia van de eeuwwisseling kent geen navolging. De architectuur van de eerste helft van de 18de eeuw neemt de traditie van de tweede helft van de vorige eeuw weer op in de toen aangezette lijn van algemene versobering. De decoratie die gedurende korte tijd de gevels sierde verdwijnt nu volledig. De kruiskozijnen zijn, in het streven zoveel mogelijk licht het interieur binnen te laten, nu zeer groot en hoog geworden, en zijn gevat in vlakke, soms iets uitspringende rechthoekige omlijstingen uit kalksteen. Negblokken worden niet meer gebruikt. De mergelstenen kroonlijsten en de ver uitstekende houten consoles verdwijnen en worden vervangen door eenvoudige, onversierde daklijstbalken waarop de dakrand rust. Er is een nieuwe tendens tot eerder verticalistische gevelritmering. Dit wordt bereikt door de vensterstijlen onderling te verbinden. Nieuwe dakvormen worden geïntroduceerd, mogelijk onder Franse invloed, zoals bij de huizen Brouwersstraat 7 en Bredestraat 6 (gedateerd 1722) te Tongeren. Twee monumentale voorbeelden uit deze periode bevinden zich in Maaseik. Het zijn de huizen 'De Bisschop van Munster', ook 'De Leliën' genaamd. Markt 33, gedateerd 1715, en 'De Soete Naam Jesus', Hepperstraat 8, gedateerd 1710. Zij verduidelijken op sprekende wijze de nieuwe verticalistische tendenzen van de periode in de hoge, langgerekte kruiskozijnen met onderling verbonden stijlen. De rustica-decoratie is volledig verdwenen, en aan de plinten vervangen door een motief met kalkstenen panelen. Een ander merkwaardig voorbeeld is het begijnhof te Hasselt, waarvan de twee vleugels (32) gebouwd werden tussen 1707 en 1762. Vermeldenswaard zijn ook de huizen Munnikenstraat 9 te Maaseik, Grote Markt 19 te Tongeren en het diephuis Ridderstraat 4 te Sint-Truiden. De jaren 1740-1750 worden gekenmerkt door een

Diesterstraat 30-32, Sint-Truiden. Tweede helft 17de eeuw (foto D. Stemgée)

'De Bisschop van Munster', ook 'De Lelieën', Markt 33, Maaseik. 1715 (foto D. Stemgée)

45 M&L

aiS


geveltype dat in Luik vanaf het einde van de 17de eeuw frequent voorkomt en beschouwd wordt als een zeer eigen uiting van de kleine Maaslandse privéarchitectuur (33). Het kernmerkt zich door een aaneenschakelen van vensters in horizontale stroken, zodat de gevel herleid wordt tot een natuurstenen skelet waaruit vrijwel alle baksteenvlakken geweerd zijn. Dit huistype is gewoonlijk bescheiden van afmetingen, de gebruikelijke breedte is drie traveeën met een hoogte van drie bouwlagen. Het onderscheidt zich van de huizen uit de periode van de eeuwwisseling, waaruit het klaarblijkelijk is voortgekomen, doordat de voor die periode zo karakteristieke versiering ontbreekt, en door het zogenaamde Franse raam, zonder stenen onderverdeling, dat nu stelselmatig voorkomt. Een voorbeeld van dit Franse raam biedt het huis Maastrichterstraat 73 te Tongeren, met de kermerkende beglazing met houten roeden. Een aantal voorbeelden in de provincie bleven bewaard, evenwel met een gewijzigde benedenverdieping: Sint-Truiden, Riddersstraat 3; Hasselt, Hoogstraat 8, 24, Kapelstraat 1,3, Koning Albertstraat 14, 42; Tongeren: Sint-Truiderstraat 36. De huizen Kapelstraat 5 te Hasselt en Heilig-Hartplein 6 te Sint-Truiden vertonen een variante van het type: de baksteenvlakken van de borstweringen zijn hier bedekt met kalkstenen panelen. Drossaardhuis, Bosstraat 21, Maaseik. 7677 (foto B.M.L.)

De door ons gekozen termini — van het ontstaan van de steden tot het midden van de 18de eeuw — werden voornamelijk om praktische redenen gehanteerd. Toch is deze begrenzing niet willekeurig. De behandelde periode laat de regionale kenmerken van deze architectuur het duidelijkst naar voren komen. Na 1750 komt het gebied, steeds via Luik, onder uitgesproken Franse invloed. Het stadhuis van Luik (17141718) in classicistische Lodewijk XIV-stijl, en de nieuwe fa9ade van het prinsbisschoppelijk paleis (na 1734, door Jean Anneessens) zijn vroege voorbeelden van en waarschijnlijk inspiratiebronnen voor de nieuwe stijlen. Hoewel de regionale eigenheden zeker niet verdwijnen, kan vanaf dit ogenblik toch een sterker 'internationalisme' geconstateerd worden.

Hiernaast: apotheek Van Venckenrey, Markt 46, Maaseik. Einde 17de eeuw (foto B.M.L.)

I M&L 46


Voetnoten

'De Soeten Naam Jesus', Hepperstraat 8, Maaseik. 1710 (foto B.M.L.)

(1) Cf. M. Schmid-Burgk in Die Kunstdenkmaler der Rheinprovinzlm Auftrage des Provinzialverbandes. Ed. Paul Clemen. Zehnter Band. Die Kunstdenkmaler der Stadt Aachen. III. Die profanen Denkmaler und die Sammlungen der Stadt Aachen. Düsseldorf, 1924, p. 163. (2) Tongeren, Muntstraat 13. (3) Hasselt, Grote Markt 3. Cf. Studie tot rehabilitatie van 'Het Sweert'. Uitgevoerd door ir. J. Spaas in opdracht van v.z.w. Gezondheidszorg, provincie Limburg, stad Hasselt (Hasselt, 1986). (4) Dit stemt overeen met de door Meischke geconstateerde indeling bij de breedhuizen, waar de keuken naast en niet achter de kamer wordt afgescheiden. Cf. R. Meischke, 'Het Maastrichtse burgershuis van de vijftiende tot de achttiende eeuw', in Bulletin van de Nederlandse Oudheidkundige Bond, 72 (1973), p. 87. (5) Voor een heldere en omstandige uiteenzetting van deze evolutie cf. R. Meischke, Het Nederlandse woonhuis van 1300-1800. Vijftig jaar vereniging 'Hendrick De Keyser', Haarlem, 1969. (6) Cf. (3). (7) O.m. 'Het Sweert', Grote Markt 3 en 'De Pasteye', Maastrichterstraat 65, te Hasselt, behielden deze kelders. Ook in Maastricht werden dergelijke kelders door Meischke geconstateerd. Cf. Meischke, Het Maastrichtse burgerhuis, p. 87. Het gebruik deze ruimten als onafhankelijke stapelplaatsen te benutten wordt door Meischke uiteengezet in Het Nederlandse woonhuis, p. 181-182. (8) Cf. A.L.J. Van de Walle, De gotiek in België, Brussel, 1972, p. 29. (9) Cf. C. Trefois, Ontwikkelingsgeschiedenis van onze landelijke architectuur, Antwerpen, 1950, p. 44. (10) Cf. Meischke, Het Nederlandse woonhuis, p. 115-116. (11) ID., p. 86. (12) ID., p. 117. (13) Cf. Trefois, Op. cit., p. 46-58. (14) W. Driesen, De landelijke vakwerkbouw in het Vochtig-Haspengouwse kerkdorp Zepperen. Constructie, typologie en configuratie. Licentiaatsverhandeling, Leuven, 1980, p. 79. (15) Hoewel in Maastricht geen volledige vakwerkgebouwen bewaard bleven constateert Meischke de breedhuisordonnantie bij de behouden resten. Cf. Meischke, Het Maastrichtse burgerhuis, p. 85. (16) Meischke, Op. cit., p. 85. (17) Cf. M. Boonen, Maaseiker huisnamen. (Maaseik), 1980, p. 19-21. (18) Cf. Studie tot rehabilitatie van 'Het Sweert'. Op. cit. (19) Cf. o.m. Meischke, Op. cit., p. 86. (20) Dit verschijnsel kan zowel in Limburg als in Luik geconstateerd worden, cf. Le patrimoine monumentale de la Belgique, vol. 3, Province de Liège. Arrondissement de Liège. Ville de Liège, 1974, p. 19: 'Pour les maisons patriciennes on relèvera la preference accordée au plan en L avec tourelle dingle, comme & Bocholtz, Torrentius, d'Elderen et au Seigneur d'Amay'. (21) Cf. De Monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Limburg. Geïllustreerde beschrijving. Bewerkt en uitgegeven vanwege de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving. Eerste stuk: De monumenten in de gemeente Maastricht, II, 's Gravenhage, 1926-1953, p. 591-595. (22) Cf. ook het huis 'Zum Löwenstein', Markt 41 te Aken. (23) F. Boniver, Les styles des construction liégeoises. Liège, 1938, p. 49. (24) De door Paquay vermelde datering 1475 kon niet worden nagegaan, doch duidt waarschijnlijk deze oude kern aan. J. Paquay, 'Vieilles Maisons', in Bulletin de la société scientifique et literaire du Limbourg, jg. 31, 1913, p. 74-75. (25) Cf. F.Ulrix in zijn nota bij het restauratiedossier van het huis Onder de Linde 14, opgemaakt door architect J. Posen in 1983. (26) „L'architecture du XVIIe siècle entrame inévitablement la discussion du terme de 'Renaissance mosane' appliqué d'habitude a maintes constructions de cette époque. Il faut remarquer que le terme de 'Renaissance' ne peut que malaisément s'adapter au XVIIe siècle. Quant è l'épithète 'mosane', elle risque d'etre ambigue par reference a l'art spécitiquement mosan de l'an mil k 1250. Nous avons résolu la difficulté en 47 M&L


(27)

(28) (29) (30) (31) (32) (33)

utilisant l'appellation de 'style mosan'; elle a l'avantage de mettre en valeur les relations étroites de l'architecture liégeoise du XVIIe siècle avec une conception qui a effectivement été en usage dans les regions baignées par la Meuse moyenne. Elle élimine en outre un substantif dont l'utilisation serait anachronique. Elle a enfin Ie mérite de la simplicité." (Le patrimoine monumental de la Belgique, op. cit., p. 19). Cf. onze inleiding op Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 6n. Provincie Limburg. Arrondissement Hasselt, Gent, 1981, p. XXXV. Cf. ook E. Muyldermans, Bouwgeschiedenis van het stadhuis te Sint-Truiden. Licentiaatsverhandeling, Leuven, 1980, p. 158-170. Ch. Thiels, Krulgevels in het Maasland. Beredeneerde catalogus van voluutgevels in Zuid-Limburg en hun herkomst, in Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 22, 1971, p. 41-174. Cf. Meischke, Het Nederlandse woonhuis, op. cit., p. 424 e.v. Cf. het hoger geciteerde werk van Ch. Thiels. Het poortgebouw dateert uit een latere periode. R.-L. Doize, L'architecture civile d'inspiration frangaise a la fin du XVIIe et au XVIIIe siècle dans la principauté de Liège. (Académie royale de Belgique. Classe des Beaux-Arts. Mémoires. Deuxième série, tome VI), Bruxelles, 1934, p. 26-27.

Munthuis, Muntstraat 25, Tongeren. 16de eeuw (foto D. Stemgée)

M & L 48


G E B O D E N

T O E G A N G

De Abdij van Park in Heverlee

M&L


Situatieplan (1) abdijkerk (1228, 1280-96 en 1729); (2) kloostergang (13de, 15de eeuw, 1558-1562 en 17de eeuw); (3) kloostergehouwen (16de en 17de eeuw); (4) abtskwarüer (15de eeuw en aanpassingen uit 1724); (5) gastenkwartier (16de, 17de eeuw, jaartal 168(8)); (6) provisorenhuis (17de eeuw en 18de-eeuwse aanpassingen, jaartallen 1723 en 1725; (7) pastorie (17de eeuw en jaarsteen 1718); (8) hoevegebouwen; stallingen (met bouwopschrift 1663); grote langsschuur (gedateerd 1663); woonen wagenhuis (1664); (9) Sint-Norbertuspoort (anno 1727); kerkhofpoort (anno 1733 of 1755); (10) Leeuwenpoort (anno 1726); Sint-Janspoort (aanpassingen in 1722-1723); watermolen (1534 en latere aanpassingen); tweede westerpoort (aanpassingen in 1752); derde westerpoort (1725); (13) voormalige eigendom van de abdij (onder meer met cartouche uit 1672)

M&L 50

Vanaf de Geldenaakse Steenweg loopt de dreef oostwaarts naar de abdij toe. Bij de eerste toegang prijken arduinen leeuwen bovenop de classicerende pijlers anno 1725, verrijkt met verstarde barokvoluten (foto D. Stemgée)


De Abdij van Park in Heverlee Wie vanuit het zuiden naar Leuven spoort merkt vóór de rails zich ontdubbelen en vermenigvuldigen in het voorstedelijke stationskwartier, als eerste signaal van de stad, de nog uit net groen oprijzende toren van de Parkabdij. De abdij werd in 1129 extra muros gesticht door Godfried met de Baard, die hiervoor zijn hertogelijk jacht-park afstond. Vier jaar eerder was in het nabije Vlierbeek een abdij opgericht vanuit eenzelfde gevoel van godsvrucht en bekommernis om de latere zielerust, maar evenzeer vanuit socio-economische en politieke motieven. Abdijen waren dé centra voor verspreiding zowel van geestelijke waarden als van toegepaste wetenschappen, gericht op landbouw en nijverheid. Tot de regels van de voor 'Park' aangetrokken norbertijnen hoorden, naast studie en handenarbeid, ook de rechtstreekse actieve zielenzorg. Dit betekende dat ruim een honderdtal parochies, tot ver buiten de eigen vestigingsplaats werden opgericht en bediend. Zo werden niet alleen kerken en pastorieën gebouwd

Parkabdij vanuit het westen, met speurbare helling binnen het deels ommuurde gebied met opeenvolgende poorten en begraasde of beboomde 'tussengebieden'. Typerende aanleg van de 'traditionele' hoeve-aanhorigheden uit baksteen, rijkelijk belijnd met zandstenen speklagen en hier en daar verhoogd met barokvoiuten of gekrulde toppen. Contrasterende kwadraataanleg van de religieuze gebouwen met monochrome, zandstenen bekleding; de westertoren (1729) van de abdijkerk die ten noorden is ingeplant, illustreert met zijn sobere, classicerende vormen en gestileerde bekroning, de moderniseringen onder Abt Hiëronymus De Waerseggere (1719-1730), inclusief van het abtskwartier. Het straalsgewijs aangelegde kerkhof vormt zowat de 'Campo Santo' van het Leuvense, waar talrijke professoren in vrede rusten (foto Inbel)

De traditionele kern uit bak- en zandsteen van de westerpoort werd anno 1752 verrijkt met een classicistische arduinen omlijsting; samen met het tuinprieeltje uit 1750 vertegenwoordigt ze de midden-18de-eeuwse architectuur, en meteen ook de laatste bouwstijl, in het hele complex. De reliëfsteen in het hoogveld vertoont eerder Lodewijk XVinvloeden (foto D. Stemgée)


maar werd tevens een heel net van pachten en cijnzen opgezet dat nagenoeg tachtig procent van de abdij-inkomsten opBracht. Deze groeiende socio-economische macht bezorgde de Parkabdij een zekere onafhankelijkheid en welstand en ook een zetel in de Staten van Brabant. In perioden van gunstige conjunctuur werd gebouwd, verbouwd en uitgebreid. Het wildpark van Godfried met de Baard was dank zij opeenvolgende schenkingen uitgegroeid tot een domein van ruim 3490 ha land en bos; het aanvankelijk benutte jachthuis met zijn omringende bossen bezat ideale geografische karakteristieken als de aanwezigheid van de Bruulbeek-Molenbeek met watermolen; de vriendelijke glooiing van het terrein liet de gewenste, hoog gelegen inplanting toe van de religieuze hoofdgebouwen. De grond kon bovendien vruchtbaar worden gemaakt en werd bezaaid met gewone en soms met innoverende gewassen; zelfs wijnstok werd aangeplant. Aanpalende moerassen werden tot visvijver omgevormd, later werd de beek ten behoeve van de nieuwe watermolen verlegd ... kortom de natuur werd naar de hand van de mens gezet. Het humaniseren van de omgeving liep door in het bouwen: kleiputten tegenover de tweede vijver leverden grondstoffen op voor baksteen; natuursteen werd gehaald uit groeven in abdijeigendommen, onder meer in Bertem, Humelgem, Egenhoven..., hout kwam uit eigen bossen. Het werk zelf werd grotendeels door eigen volk verricht, desgevallend bijgestaan door gespecialiseerde ambachtslui en 'handlangers' uit de streek, wat de werkverschaffing ten goede kwam. De basisvereisten voor een vorm van gesloten economie waren aldus aanwezig en zowel aanleg als structuur van het hele complex en zijn afzonderlijke gebouwen zijn hiervan een afspiegeling. De aanleg van 'Park' sluit aan bij het klassiek geworden abdijtype dat via Sint-Gallen door de benediktijnen werd verspreid. Tegenover de praal van Cluny opteerden de norbertijnen aanvankelijk voor de grotere eenvoud van Cïteau: sobere architectuur en stoere vormgeving waren de regel. Voortvloeiend uit de diverse abdij-functies ontstonden vier groepen gebouwen die hier als het ware in hiërarchische volgorde op de verschillende terreinhoogten werden uitgelegd en door middel van muren en poorten verbonden waren: het geheel vormde het perfecte verdedigingsstelsel voor de kleine vesting. De religieuze gebouwen, als eerste groep, krijgen vanuit hun hoogst gelegen inplanting een dominerend karakter passend bij hun spilfunctie in net kloosterleven. Naast gebruikelijke ruimten als kapittelzaal en refter is de bibiliotheek vermeldenswaardig, en vooral de zorg besteed aan haar interieur en uitrusting: studie — ook op onderwijs in de parochies gericht — vormde een belangrijke opdracht in het norbertijnenleven; universiteitsprofessoren waren er vaak te gast en 37 % van de paters van 'Park' beschikten over een universiteitsdiploma. Aan de rand van deze groep liggen het statige abtskwartier en het aangebouwde gastenkwartier, die op eenzelfde ommuurd staatsieplein uitgeven. De astorie ten zuidwesten van de kerk herinnert aan de thans nog estaande parochiale taak. Een tweede gebouwenensemble groepeert woon- en bedrijfsruimten voor landbouw, in L-vorm aangelegd aan een grote weide met drenkplaats: wagenhuis, stallingen, tiendenschuur... .

C

Deze kaart (1652-1655) uit het Landboek van de Parkabdij geeft goed de relatie weer van de abdij met de onmiddellijke omgeving en de stad 'Loven'. Het wegennet toont de verbinding met de 'Tiensche Poorte', 'Parck Poorte' en 'Hoef f Poorte' (nu 'Naamse'). De bestemming van de landerijen werd zorgvuldig opgetekend, zo onder meer 'Parchs Wyngaert' bij het gehucht Vinkenbosch. Voorts komt de inplanting van abdij en aanhongheden goed tot uiting evenals de beide vijvers en het omringende groen (Archief Abdij van Park, Heverlee)


Van de Romaanse kerk uit de 18de eeuw resten voornamelijk buitenmuren, zoals deze uit ijzerzandsteen van het koor, en de zuidelijke dwarsarm behorende tot de eerste bouwfase (begin 13de eeuw-inwijding 1228). Duidelijk Romaans zijn de rondboogfriezen onder de gootlijst; de rondboogvensters van het koor werden verkleind tot steekboogvensters; in 1626 kreeg het koor een veelzijdige apsis uit zandsteen, in 1729 werd het opnieuw ingericht ten tijde van de 'barokisering' van de hele kerk. De zandstenen steunbeer met frontbekroning maakt deel uit van verstevigingswerken uit de 18de eeuw. Vóór de huidige dwarsarmmuur waren grondvesten aanwezig van de kapellen die erop geënt waren, naar cisterciënzertraditie. In de aanpalende kloostervleugel met vestiarum, kapittelzaal en dormitorium op de bovenverdieping, zijn eveneens verschillende bouwfasen merkbaar; onder meer parement uit de 15de eeuw en een renaissance getint poortje uit 1563, wijzen op de belangrijke 16de-eeuwse bouwactiviteit

Dezelfde oostelijke vleugel, nu aan de Kloosterhofzijde, en de zuidgevel van de kerk. De oostelijke kloostergangvleugel werd in 1558-1562, samen de kapittelzaal, gebouwd naar ontwerp van de Leuvense architect A. van Bullestraten. Gevels 'naar den antieken' zijn opgevat als een aaneenschakeling van portiektraveeën, afwisselend onder gebogen en driehoekige frontons. Typerende medaillons komen voor in de zwikken. Het traceerwerk van de boogvensters vertoont een gezochte interpretatie met renaissance-inslag van de meer courante laat-gotische patronen. Contrasterend is wel de noordelijke vleugel uit zandsteen, in de loop van de 17de eeuw gebouwd door de eveneens uit Leuven stammende architect ]. Nempe: na de eerder progressieve inbreng van de 16de eeuw wordt hier teruggevallen op een vereenvoudigd laatgotisch patroon (foto's D. Stemgée)

De oostelijke kloostergang biedt binnenin een soort overzicht van bouwstijlen. Achterin het Romaanse portaal — dat vroeger naar de kerk leidde — met resten van muurschildering — een 'boodschap' — in het hoogveld. Het werd na verbouwingen van het pand opnieuw blootgelegd in 1902. Op de voorgrond een eveneens blootgelegde gotische arcade. Voorts behoort het geheel tot de vermelde bouwcampagne uit het midden van de 16de eeuw. Uitgesproken renaissancevormen komen voor in de deuromlijsting naar de kapittelzaal met bouwopschrift 'Ne Quid Nimis' — leuze van de abdij — en jaartal 1562. Meer 'hybride' is de overwelving met laat-gotische structuur (kruisrib- en stergewelven), maar met renaissance sluitstenen. (foto D. Stemgée)

53 M & L

•


Sinds het blootleggen van de laat-gotische schouw en haar ietwat aanvullende restauraties leven ook in het abtskwartier en zijn salons diverse bouwstijlen naast elkaar, verwijzend naar de meest markante en rijke bouwperiode (foto D. Stemgée)

Boven de refter ligt de bibliotheek met stucwerk (J.C. Hansche, 1672-1679), die de figuur oproept van een van de belangrijkste abten, Libertus de Pape (1648-1682) die onder meer kaartboeken van de abdijgoederen liet opmaken. Naast de reorganisatie van de abdij heeft hij barokke architectuur ingevoerd in en om de abdij, als uitdrukking van kerkelijke macht en pracht (foto D. Stemgée)

M & L 54

Dezelfde abt L. de Pape liet ook de hoevegebouwen herbouwen, hier gezien vanuit de Sint-Norbertuspoort. Dit gebeurde in een bak- en zandsteenstijl met vermenging van laat-gotische reminiscenties. Het wagenhuis vertoont een zuilenrij met 'Brabantse' kapitelen; voor topgevels van dakvensters, duiventil of tiendenschuur werd barokversiering sierlijk en breed uitgewerkt. De omvang van deze langsschuur houdt verband met haar functie als stapelplaats voor landbouwprodukten die als 'tienden' door een aantal afhankelijke landbouwers moesten worden afgestaan. ^^^^^^^^^^ (foto D. Stemgée)


Grondplan van de Parkabdij (1929), naar J. E. Jansen 1) Leeuwenpoort 2) Staatsieplein 3) Duiventorentje 5) Gastenkwartier 6) Staatsietrap 7) Abtskwartier Salons 8) Tuin van de abt 9) Kloosterhof 10) Kloostergang 11) Keuken 12) Refter Bibliotheek op bovenverdieping 13) Vergaderzaal Archief 14) Calefactorium novicen 15) Calefactorium paters 16) Infirmerie 17) Tonstrina Locutoriu 18) Kapittelzaal Dormitorium op bovenverdieping 19) Tuin 20) Vestiarium 21) Sacristie 22) Abdijkerk 23) Conventuele tuin 24) Kerkhof 25) Parochiaal kerkhof

Het poortvormende provisorenhuis ten oosten vormt de overgang tussen het klooster- en landbouwcomplex; ook hier weerspiegelt de inplanting de eigenlijke functie: provisoren combineerden in feite de rolvan econoom, rentmeester en verbindingspersoon tussen klooster- en bedrijfsleven. De derde groep behelst pre-industriële nijverheidsgebouwen met brouwerij, scnrijnwerkerij, smidse, gieterij, kuiperij, looierij, weverij, bakhuis, pershuis en ook de nog bestaande watermolen (1564) tussen de beek en de Sint-Janspoort. De vierde groep omvat ruimten voor vreemden- en armenverzorging, vanzelfsprekend gelokaliseerd bij de toegang aan de Geldenaakse Steenweg en enigszins aansluitend bij net kleine, hier ontstane gehucht. Zoals vermeld zijn de meest markante bouwperiodes in verband te brengen met tijdelijke materiële bloei, al dan niet gestimuleerd door de persoonlijkheid van een bouwlustige abt met een zeker gevoel voor architectuur en levensstijl. Als drie meest bepalende momenten dienen vermeld: de 13de eeuw, toen religieuze gebouwen werden opgericht, de 15de eeuw, gekenmerkt door een gedeeltelijke aanpassing van het bestaande in gotische stijl en nieuwbouw van onder meer de abts- en gastenkwartieren en de noord- en Westpoorten, en ten slotte de periode 1558-1730, met de grondige 'modernisering' en nieuwbouw van het landbouwcomplex en de poorten. De opeenvolgende bouwperiodes volgen doorgaans de in Brabant gebruikelijke architectuur, waarbij weliswaar rijkere materialen — natuursteen! — en meer progressieve, stijlelementen werden aangewend voor 'representatie'- gebouwen als de kerk, de poorten en het abtskwartier van de 'Prinsen van Park'.


De Franse Revolutie heeft in 'Park' geen al te grote schade aangericht, althans aan de gebouwen; de norbertijnen werden er in 1798 verdreven en konden pas in 1831 opnieuw hun abdij betrekken. In de veranderde omgeving met spoorlijnen, nieuwe huizen en fabriek illustreert het parkoomein met zijn 44 ha nog bijzonder goed de historische rol en verregaande betekenis van een norbertijnenabdij. De geslotenheid is evenwel doorbroken: tot voor kort liep de rijweg met een grote boog van Geldenaakseweg tot onder de Sint-Norbertuspoort. Het 'privé-domein' is ingeperkt binnen de achterin gelegen kloostergebouwen en ook hier krijgen geïnteresseerde bezoekers geregeld toegang. Alhoewel ze nog slechts twaalf witheren telt, vervult de Parkabdij nog een aantal van haar aloude parochiale en socio-culturele taken. Studenten betrekken paterscellen, vorsers studeren in de bibliotheek en het archief; in abtskwartier en provisorenhuis klinken soms concerten, hebben tentoonstellingen en vergaderingen plaats. De Westpoort herbergt een jeugdlokaal. De gerestaureerde Sint-Nobertuspoort wacht wellicht op een passende bestemming, terwijl de Sint-Janspoort en de watermolen, aan de stad in erfpacht gegeven, dringend aan herstel en rehabilitatie toe zijn. O p vaste uren komen buurtbewoners de verse produkten kopen van de nog steeds bedrijvige hoeve. Vanop het terras van de 'feest- en verbruikzaal parkrust', een efemere prefab-constructie tegen de omheiningsmuur aangebouwd, genieten zondagswandelaars bij een frisse pint van het unieke historische kader met als muzikale omlijsting de geluiden van de verre stad en meer nabij het gejoel van spelende kinderen en het voorbijzoeven van onzichtbare treinen.

> • JB^r 4*

Bibliografie — Mersch S., Calvache D., Abhaye de Pare. Projet de Restauration de la Porte Saint-Jean (onuitgegeven studie K.U.-Leuven - Centre for conservation of historie towns and buildings, 1986-1987). — Smeyers M., De Abdij van Park, 850 jaar premonstratenzerleven, s.l., 1979. Met uitvoerige bibliografie. (Verkrijgbaar in de Abdij) — Vandendael R., De Abdijen-architeetuur en de Premonstratenzers, in 'Glans van Premontré 15 september - 11 november 1973, p. 95-109 (tentoonstellingscatalogus) — Van Kerkckhove B., Norbertijnerabdij van Park te Heverlee-Leuven , in Brabant, 1987/4, p. 92-94. — Vrebos S., Vanderheyden N., Het sociaal en economisch aspect van de Abdij van Park in het Ancien Régime (onuitgegeven eindwerk M.N.S.H. Hartinstituut Heverlee, 1974-1975).

De vijver aan de watermolen (1534 — echter met oudere kern) heeft opnieuw zijn historische functie als visvijver gekregen: om de maand worden 'wonderbare visvangsten' georganiseerd. Dikke karpers worden gevat in grote netten met rode vlotters. Vroeger ging het grootste deel van de vis naar de bevoorrading van de Parkhcren; bij feesten werd ook een deel geschonken aan de armen. Dit gebeurde aan de 'armen'- of Sint-Janspoort, waarvan het onderbroken tentdak nog even uitsteekt achter de watermolen (foto D. Stemgée)


De architectuur van de Sint-Norbertuspoort (anno 1722) past perfect in de toenmalige privé-architectuur in Brabant: bak- en zandsteen als bouwmaterialen, maar nu in een andere, eerder verücaliserende variatie; vensterstijlen en -dorpels worden doorgetrokken tot een soort rasterwerk dat even uit het gevelvlak springt. Dit patroon vindt men ook terug in Leuvense gevels, onder meer op de hoek van Jodenstraat en Schrijnmakersstraat. Het wordt wel eens beschouwd als een verstening van het op dat moment wegkwijnende vakwerk. De monumentale arduinen poort behoort eerder tot de 'stijlarchttectuur' met classicerende strekking, en ook de elegante bedaking, licht gebogen en aansluitend bij een bepleisterde kroonlijst, doet eerder 'progressief aan. (foto D. Stemgée)

Bezoek : - Elke zondag. Geleid bezoek voor 50 frank. Aanvang 16 u. - O p aanvraag. Tel. (016) 22 45 38. 57 M & L


Summary

St. Charles Borromeus' Church at Antwerp restored.

its cultural context historically speaking. The several architectural styles have indeed reached Limburg via a Liège interpretation.

On September 21, 1621 a new Jesuit's church was inaugurated in Antwerp. The Catholic Counter Reformation had inspired the The primitive town house up to 1400 was a timber work. The initial builders to conceive the church as a centre from which to emanate undivided space gradually became subdivided horizontally and Roman Catholicism, what found expression in sumptuous plans, vertically, in answer to the diversification of the needs of living. materials and decorations. A half timber work consists of several interlocking timbers supporAlthough church authorities in Rome had considerably curtailed ting a trussed roof. Most half timber houses that survive, preserve the plans for the church and had forbidden that financial debts be a vaulted cellar the entrance being on the street. The fenestration made, Antwerp spared no trouble or expense to create the most of the front is identical for each storey, mostly, however, displaying beautiful church that was ever seen. The monumental front and the cantilevering. The timber frame is complemented with cross-rails tower in white stone and bluestone may rightfully be designated as to support the wattle and daub out of which the walls are composed, highspots of Baroque architecture in Flanders, inspired by the but which are no supporting walls. Weatherboarding (or tile classical Roman architecture. The three horizontal articulations of cladding, like in Liège) must have been applied frequently in the the front correspond with the interior heights of church, galleries 15th and 16th century. Typical of the area which is studied is the and roof respectively. They display the classical ordonnance with, tie-beam truss, and the infill of the walls being nailless daub with from the bottom to the top, the Doric, the Ionic and the Corinthian visible wattles. The house with its ridge parallel to the street, is order. In the tower, that was of a most plastic expressiveness, the clearly most popular. creative contribution of P.P. Rubens, a famous painter at the time, can hardly be denied. Rubens also designed parts of the facade and The evolution from timber framing to the brick or stone house has the interior, for which drawings by him have been identified. been propelled by fire fighting measures, that emerged rather late In accordance with the resolutions of the Trente Council — which in the area. In the 14th century a stone base and hard roof-covering were dissipated in our area in the writings of Charles Borromeus were introduced; wattle and daub were replaced by brick infill, and and Molanus — the interior of the church displays one large, the side facades were built of stone or brick. The timber front organised room, set axially on the portico-shaped high altar which survived for a long time and the whole gave rise to the so-called is screened by a broad communion rail; a huge pulpit occupies the 'three-quarter house'. centre of the nave; conspicuous confessional boxes line the walls. The ground plan shows a basilica scheme with aisled nave and For the 16th-century middle-class house an approaching chronology semicircular apse. has to be derived from the Liège examples, since Limburg preserves The original interior decoration mostly got lost in a fire in 1718, very few suchlike houses. In the first half of the century the after which the nave had to be completely rebuilt. The original late-Gothic tradition lived on. The houses show an L-shaped plans were stuck to, yet the materials involved were less sumptuous: ground-plan, with a stair-tower in the corner of the two wings; white stone and bluestone, that were covered by plaster and paint, stone and brick occur together. Yet, Renaissance elements show replaced the former marble; the wooden barrel vault, elaborated up, confining themselves to the decoration. like a Roman soffit, was substituted by a stucco ceiling. The The second half of the century saw the introduction of a very rigid rebuildings were supervised by J.P. Baurscheit the old, who desig- and rational style, inspired by the French mid-16th century. ned the late-Baroque furniture as well. In the 17th century brick and stone found their way to smaller With the abolition of the Society of Jesus in 1773 the church middle-class houses. The architectural style is usually denominated properties were sold. The church was reopened for education in as the 'Meuse style', presenting three features that are distinctive 1779, and would henceforth be called St. Charles' church. It from the contemporary Brabantine tradition: the material (local marlstone), the house with its ridge parallel to the street, and the became a parish church in 1803. plain, smooth finishing of the facades. In the interior organization The 19th- and 20th-century history of the church is marked by of the house the passage gains importance. One can at the same restorations. In the mid-19th century work began on the front, in time notice an endeavour to enhance the incidence of light in the which at least nine varieties of stone were involved. By the end of rooms, what is reflected in the fenestration. the century, in 1894, the roof underwent a rough repair. When in 1902 a stone from the tower hit a passer-by who died subsequently, An evolution may be stated in five phases: the town father ordered all loose parts to be removed and preven- — the first half of the 17th century, the emphasis lying on horizontive measures to be taken. Out of security reasons a considerable talism. Small marlstone reliefs betray the continuation of number of statues, sculptures and cornices were severed from the Renaissance influence; facade, what induced the intervention of the provincial governor — the second half of the 17th century, till 1650: the horizontal and of the Royal Monuments and Sites Commission. The ensuing aspect diminishes, and marlstone is more and more ousted by restoration elicited a storm of criticism, as appears from the Namur limestone; numerous checks by the Commission. — the turn of the century, characterized by the striving for structuring the front, and by the introduction of decorative As to the interior restoration the nave had completely changed elements, both under the influence of the Louis XIV-style. The outlook after the 1718 fire. In 1889 however, the parish priest had attempt to maximize the incidence of light results in larger glass ordered all plaster and paint to be removed from the columns, plates and linked up windows; bases, capitals and arches. The result was a heterogeneous structural work in many varieties of stone. Instead gild was added on the — the first half of the 18th century, taking up the tradition of general austerity. Cross-bar windows are large and high, encomupper part of the capitals and on ornaments. passed by slightly protruding, rectangular limestone frames. A In 1980 the option was to cover again the columns and arches. The propensity for stressing the vertical aspect re-emerges; Baroque concept and 18th-century outlook were restored to the — the 1740-1750s, when the house front may be labelled as a very extent possible. vernacular expression of small private architecture in the Meuse district; the linked-up windows form horizontal strips, reducing At present only the tower awaits restoration. Now that these plans the front to a stone frame that leaves no room for brick panes. get shape the hope becomes real that Antwerp will boast a The French window becomes popular. complete masterpiece of Baroque architecture again in the near future.

A Typological Survey of the Town House in the Province of Limburg till the 1750s. The province of Limburg has always taken Liège as source of inspiration for its middle-class private architecture, Liège providing M & L 58

Vernacular characteristics of Limburg architecture are most explicit in the period that was studied. After 1750 the area gets more and more under the influence of France, ever via Liège. Although regional characteristics wil not disappear from that time on, a growing, more general 'internationalism' cannot be ignored.


'Park' Abbey at Louvain (Heverlee) The history of the Louvain 'Park' abbey goes back as far as 1129, when it was founded extra muros. Devotion and the care of the soul after death were at the basis of its foundation, apart from socio-cultural and political motives. The abbey was occupied by Norbertine friars, their monastic rules prescribing not only study and manual labour, but also active spiritual care. A hundred parishes were therefore founded and served in the neighbourhood. Apart from parishes and churches a whole network of leases and taxes was established what ensured the abbey of a certain independence and welfare. The abbey was implanted in a domain of 3490 ha of land and wood. The soils were gradually made fertile, marshes were transformed into fish-ponds, a brook through the domain was diverted so as to pass by a new water-mill... . Humanization of the environment was extended in architecture: clay-pits provided the raw material for bricks; stone was extracted from quarries within the abbey properties; wood came from the own forests. Work was for the greater part done by the friars. The closed economy of the abbey was reflected in the layout and structure of the complex as well as in the buildings seperately. The layout was inspired by the Benedictines via St. Gallen. The Norbertines however, opted for a sober architecture and sturdiness in design. The entire complex divides into four groups of buildings, the hierarchy in which seems to correspond with their level of implantation. The religious buildings, at the highest level, dominated

EN HET

monastic life. The library occupies an important place, study being a main task of the Norbertine friars. The buildings housing the living quarters and the industrial activities are laid out — in an L-shape — at a large meadow with watering place. The provisor's house, lying between the monastic and the agricultural complex, reflects his role as procurator, land-agent and connecting person. A third group comprises pre-industrial buildings like brewery, carpenter's works, forge, baking-house, water mill... . The quarters for housing the strangers and for poor relief were situated near the entrance. The most conspicuous building periods naturally correspond to )eriods of material prosperity, possibly invigorated by the personalty and interest of the abbot. Religious buildings emerged mainly in the 13th century. In the 15th century the existing architecture was slightly adapted to the Gothic style, and new buildings arose. Finally, the period from 1558 tot 1730 saw a thorough modernization and new building in the agricultural complex. Though following the traditional architectural styles of Brabant the architecture of the abbey involved richer materials (like stone) and more progressive elements of style for its representative building.

f

Today the domain of 'Park', though reduced to a mere 44 ha, still reflects the historical role and meaning of the abbey. Twelve Norbertine friars still live in the abbey; students occupy some of the cells; the library and archive remain a centre of study; cultural activities take place in the quarters of the abbot and the provisor; and local residents can still buy products from the farm. The abbey has retained an active share in the daily life of the 20th century.

FISCUS

CULTUREEL ERFGOED

Het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap heeft over de fiscale voordelen bij cultuursponsoring een brochure ,,De fiscus en het cultureel erfgoed" uitgegeven waarvan op een maand tijd reeds meer dan 5.000 exemplaren werden verspreid. Deze brochure kost 100 frank en kan besteld worden door overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel.

59 M&L


Kleuren verrij

Een dak in kleur is de zon... op uw huis! Is het leven al niet grijs genoeg? Geef dan eens een tintje kleur aan uw omgeving! Uw dak bijvoorbeeld: hoeveel vrolijker zou het niet staan in kleur? Bent u éénmaal zo ver, dan komt u al gauw terecht bij leien of pannen gekleurd met Bayferrox ®. Nieuwbouw

of vernieuwbouw, een vrijstaand huis of een hele stadswijk, een kantorencomplex of een historisch gebouw: de enorme keuze in kleuren en vormen garandeert een resultaat die elke stijl tot zijn recht laat komen, een totale harmonie van smaakvolle creativiteit.

Bayferrox laat uw


ken het leven

Sneldek dakpannen Neronna. herfst [Eternit),

5n omdat het pigment is geïmpregneerd in ie dakelementen zijn ze uitstekend bestand egen de tand des tijds, tegen weer en wind. \rchitecten en stedebouwkundigen, aanlemers en dakdekkers weten het allemaal: Bayferrox geeft blijvend mooie daken.

dak kleur bekennen.

Informatie van Bayer Wilt u gratis dokumentatie en een lijst van de fabrikanten van leien en dakpannen gekleurd met Bayferrox, bevestig dan deze bon aan uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem op naar;

Bayer

BAYER BELGIUM S.A, - NV Divisie pigmenten en keramiek - Louizalaan 143 • 1050 Brussel Vermelding van verzender noodzakelijk.


DAKFILL MURFILL

Waterdichtingscoating voor daken Waterdichtingsbekleding voor gevels en muren

ii v.*"..

!• wm

'j

•«

•i il

Gebouw : Rue des Arquebusiers te Parijs. Vóór de bewerking.

DAKFILL : voor het waterdicht maken van daken - nieuwe of oude. MURFILL : voor het bekleden van buiten- en binnenmuren - nieuwe of oude - absoluut waterdicht elastisch.

Na voorbereiding en herstellen van de pleister werd MURFILL aangebracht op de gevels. MURFILL vormt een rubberachtige bekleding die niet afbladdert en niet scheurt. De gebouwen beveiligen en doen herleven !

MATHYS Wdterdichting ^5 MATHYS NV - B 3930 Zelem Tel. 013 / 44.15.11 Telex 39788 matzel

Schilders uit Latem en Leiestreek M. HUYS, O. en M. SOUDAN P. VAN ASSCHE, A. HEINS, e.a. Gentse Grafiek J. De Bruycker, Masereel J. Verdegem, M. Bracke P. Van Peteghem e.a. OPENINGSUREN KUNSTGALERIJ

T\.osa /Koos Kraanlei 13. 9000 Gent (091) 25 68 64

14.30 tot 18.30 u zondag 11 tot 13 uur maandag en dinsdag gesloten Ook na afspraak


Beter bij de bank van hier De Kredietbank, de bank die hier groot geworden is. Samen met u. De bank die dichter bij u en bij uw wensen staat, voor al wat u heeft en waar u van droomt. De bank die, iedere dag opnieuw, hard maakt wat ze u belooft: "Beter bij de bank van hier."


INVENTARIS VAN HET ORGELPATRIMONIUM

HET HISTORISCH ORGEL IN VLAANDEREN

NIEUW DEEL DEEL IV A : A. Fauconnier P. Roose

"Het Historisch Orgel in Vlaanderen" Provincie West-Vlaanderen Arrondissement Brugge en Oostende (prijs : 650,- fr.)

REEDS VERSCHENEN DELEN DEEL I

: G. Potvlieghe

" H e t Historisch Orgel in Vlaanderen,, Provincie Oost-Vlaanderen (uitgeput)

D E E L II A : A. Fauconnier " H e t Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Halle-Vilvoorde (uitgeput) D E E L II B

: A. Fauconnier " H e t Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Brabant, Arrondissement Leuven (prijs : 400,- fr.)

D E E L III A : A. Fauconnier " H e t Historisch Orgel in Vlaanderen,, P. Roose Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen (prijs : 600,- fr.)

Te bestellen bij Monumenten & Landschappen Belliardstraat 18 • 1040 Brussel • Rekening nummer : 470-0278201-29


TUINEN INVLAANDEREN J

-• .

'<«<.

•'./•

«t

••?,

' 3.-1

* »•

# " -

.-•?•.

. ih ~y'j r ^ ^

ivnJ^Pan **i

Ü^V

.

i

..•

• a

W^Z

JJJÏ^^

X-A^

ymz

^T

bi^i ^

t

9m-

v *•».

$.%

^r ^ K

*^

Ë

RR'^^Q

^

mooie kleui*énfotQ's is hu weer verkrijgbaar tegen 2500 fr. door overschrijving opjpjummer 4/0-0272091-50 van TUINEN in VLAANDEREN. Rotary Brugge 't Vrije %

'%

m

JÈfH&

.de dank zij

Vèraniwoordelijke : Joris Verhaeghe.

>>-'

\

medewerking van de Kredietbank 8021 Zcclelgem. tel. (O^O) Ii2 Uü


HET PROFESSIONEEL EN AFDOEND MIDDEL TEGEN OPSTIJGEND VOCHT Dit middel, al jaren gebruikt door renovatie- en saneringsbedrijven, is nu binnen het bereik van de doe-het-zelver. De Freezteq® behandeling tegen capillair opstijgend vocht bestaat uit het inbrengen van silikonaatverbindingen onder de vorm van diepgevroren vloeistofpatronen in boorgaten, gemaakt in de voegen van het te behandelen metselwerk. Door het geleidelijk smelten van deze vloeistofpatronen wordt een ononderbroken waterwerende zone gevormd. Een afdoende behandeling die tegelijk eenvoudig is en slechts een minimum aan kosten vergt.

Eenvoudig De patronen zijn gevuld met een Ka-methylsilikonaatoplossing. Ze moeten minimaal een dag voor de behandeling in een diepvriezer gelegd worden. De oplossing is een licht bijtende stof, maar door de diepgevroren toestand is de kans op lichamelijk kontakt gering (geen morsen, bv.). Ook daardoor is de gewoonlijk uitgebreide injektie- of dosageapparatuur hier niet nodig. Bij het verwijderen van de plastic huls, alvorens de patronen in te brengen in het boorgat, moeten veiligheidshandschoenen gedragen worden. De patronen zijn ± 18 cm lang en hebben een diameter van 19-20 mm. Een steenboor ( 0 22 mm) volstaat voor het boren van de gaten. Voor een behandeling met afdoend effekt moet elk boorgat volledig opgevuld worden met patronen. De boorgaten worden in de mortelvoeg op een onderlinge afstand van 100-110 mm geplaatst, waarbij tot op 25 mm van de wanddikte wordt geboord. (Gedetailleerd installatievoorschrift, ook inzake afwerking, herbepleistering en behangen bijgevoegd).

Werking De geleidelijke verdeling van de vloeistof gebeurt door diffusie, waarvan onderzoek uitgewezen heeft dat het de meest probate methode is voor de verspreiding van vloeistoffen in metselwerk. Precies door het capillarlteitseffekt volgen de vrijgekomen silikonaten het opstijgend vocht zelf, waardoor verzekerd wordt dat de silikonaatverbindingen daar afgezet worden, waar ze het meeste effekt sorteren.

Toepassingen Het Freezteq® systeem kan als waterwerend scherm tegen capillair opstijgend vocht gebruikt worden bij volle muren, gewone spouwmuren en spouwmuren waarvan de spouw met breuksteen opgevuld is. Bij binnenmuren dient de behandeling aan één van beide zijden van de wand uitgevoerd te worden. Bij paramentvlakken de behandeling uitvoeren aan de buitenzijde van de wand. Bij zware vochtopstijging is het aangewezen binnenbepleistering te verwijderen en kan derhalve de behandeling aan de binnenzijde worden toegepast. Spouwmuren worden langs beide zijden behandeld.

Voor de probate wering van opstijgend vocht in metselwerk Een kwaliteitsprodukt van N.V. - ECC Terbekehofdreef 50-52 2610 Antwerpen Tel.: 03/8289495

Professioneel Freezteq® wordt door professionele bedrijven al jaren met sukses toegepast. In Engeland zijn er bijvoorbeeld in 1973 hele woonwijken, gebouwd in 1935, mee gesaneerd. Bij een routine-inspektie negen maanden later bleken de behandelde muren droog en de oorspronkelijk bepleistering nog geschikt voor dekoratieve bekleding. Dit middel staat thans ter beschikking van de doe-het-zelver! Behandeling 4 maal herhalen binnen de 24 uur, of sneller, na de eerste inbreng! Bij langere wachttijd gaat Freezteq® zó efficiënt werken dat de volgende behandelingen door het eerste ingebrachte produkt worden afgestoten.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook