NIEUWE WETGEVING EN THEMA’S IN KAART GEBRACHT DOOR AFDELING VLAAMS-BRABANT
Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant 2005
NIEUWE WETGEVING EN THEMA’S IN KAART GEBRACHT DOOR AFDELING VLAAMS-BRABANT
Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant 2005
Voorwoord van de Gouverneur
Beste lezer,
Vorig jaar presenteerden we u voor het eerst de opvolger van het vroegere jaarverslag. Zeg maar, een VlaamsBrabantse aanvulling op het Jaarbeeld van de administratie binnenlandse aangelegenheden, nu het Agentschap voor Binnenlands bestuur. Dit jaar, bij de tweede uitgave, kunnen we stellen dat de “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant” reeds tot een vaste waarde is uitgegroeid. Toch zijn er opvallende wijzigingen gebeurd. Samen met de omschakeling naar het Agentschap voor Binnenlands Bestuur, hebben we het begeleidend toezicht in een nieuw grafisch kleedje gestoken. In de lijn met de stijl van de Vlaamse overheid en het agentschap, maar toch met voldoende eigen karakter om er tussenuit te springen. Deze stijl zal u niet alleen hier terugvinden, maar ook op de studiedagen, in de nieuwsbrieven en in de tekstbundels. Maar ook inhoudelijk zijn er vernieuwingen geweest. U zal meer cijfermateriaal vinden dat kan aangewend worden bij de beleidsvorming. De teksten worden meer thematisch gepresenteerd wat de leesbaarheid verhoogt. En, vooral, er komen meer thema’s aan bod. Kortom, ik ben ervan overtuigd dat deze publicatie u niet alleen veel leesgenot zal verschaffen, maar vooral voor inspiratie voor het verder uitbouwen van een kwaliteitsvol lokaal bestuur zal zorgen.
Lodewijk De Witte, gouverneur
Voorwoord van het Afdelingshoofd
Beste lezer,
Met de nodige trots mag ik u ook dit jaar een exemplaar van “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant.” Aanbieden, editie 2005 ditmaal. Het is een geëvolueerde, verder gerijpte editie dit jaar. In een eerste hoofdstuk stellen we de afdeling voor met per domein de personen die u kan contacteren bij vragen. Vervolgens geven we een balans van één jaar begeleidend toezicht door de gehele afdeling. Daarna beginnen we aan het inhoudelijke werk, met een hoofdstuk over het gemeentedecreet en zijn implicaties op gebied van het bestuurlijk toezicht. Ook voor die andere “lokale besturen”, de erediensten is er heel wat in beweging geweest, we geven een overzicht en toelichting in het vierde hoofdstuk. In het vijfde hoofdstuk gaan we verder in op andere wijzigingen in of van regelgeving in de loop van 2005. Vooral het nieuwe sectoraal akkoord heeft voor een aanzienlijke nieuwe brok regelgeving gezorgd. Het zesde hoofdstuk verzamelt een heleboel, voornamelijk financiële, kencijfers. Mede op basis van deze cijfers kan u de lokale situatie analyseren en tot beleidsoplossingen komen. In het voorlaatste hoofdstuk analyseren we enkele trends of belangrijke issues die zich voordeden het afgelopen jaar. In het achtste hoofdstuk, ten slotte, vindt u een overzicht van allerlei interessante instanties en kennisbronnen voor een lokaal bestuur. Deze publicatie is het resultaat van de aanhoudende inspanningen van de medewerkers van afdeling Vlaams-Brabant van het Agentschap voor Binnenlands bestuur, maar evenzeer van het werk van elk van jullie in de lokale besturen van Vlaams-Brabant. Net zoals wij leren uit jullie werkzaamheden, hopen we dat ons werk kan bijdragen tot een goede werking van alle lokale besturen in VlaamsBrabant.
Joris Sels, afdelingshoofd
Inhoudstafel
6 7 8
Voorwoord van de gouverneur Voorwoord van het afdelingshoofd Inhoudstafel
13 Hoofdstuk 1 Voorstelling van afdeling Vlaams-Brabant 21 Hoofdstuk 2 Begeleidend toezicht in 2005 22 Uitgave “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant 2004” 23 De elektronische nieuwsbrief 23 Studiedagen 26 Besprekingen met managementteams 27 Adviesverlening 29 Hoofdstuk 3 Het gemeentedecreet van 15 juli 2005 30 Algemene inleiding 33 Algemene wijzigingen aan het bestuurlijk toezicht 36 Een nieuw financieel kleedje 36 Het strategisch meerjarenplan staat centraal 36 Geen begroting meer maar een budget 37 Uitvoering van het budget door de budgethouder 38 Een jaarrekening gebaseerd op de principes van het dubbel boekhouden 39 Het managementteam als verplicht overlegorgaan 39 Interne controle en externe audit 40 Nieuwe verantwoordelijkheden voor secretaris en financieel beheerder inzake gemeentelijke financiën 42 Nieuwigheden betreffende personeelszaken 42 De personeelsformatie 42 De rechtspositie van het personeel 44 Het bestuurlijk toezicht 45 De tuchtregeling 47 Een nieuwe bevoegdheidsverdeling bij overheidsopdrachten 47 Wie doet wat? 48 Toelichtende voorbeelden 49 Maatwerk 50 Referenties
53 54
hoofdstuk 4 Erediensten, begraafplaatsen en lijkbezorging Het Decreet van 20 januari 2006 houdende aanpassing van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten 54 Voor de rooms-katholieke eredienst 55 Voor de anglicaanse eredienst 55 Referentie 56 Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten 56 Inleiding 56 De erkenningsvoorwaarden 57 De erkenningsprocedure 57 Opheffing van de erkenning 58 Referentie 59 Omzendbrief BA 2005/01 van 25 februari 2005 betreffende de toepassing van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten, georganiseerd op gemeentelijk niveau 59 Kerkraad -Samenstelling -Werking van de lokale raden 61 Centraal bestuur -Samenstelling van de centrale besturen -Werking van de centrale besturen 63 Overleg met de gemeenteoverheid 63 Beheer van de goederen 63 Inventaris 63 Schenkingen en legaten 63 Overheidsopdrachten 64 Financieel beheer 64 Administratief toezicht -Kennisgeving van de notulen -Schorsingsbevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen en van de provinciegouverneur -Vernietigingsbevoegdheid van de Vlaamse regering -Bijzondere regeling op het gebied van overheidsopdrachten -Dwangtoezicht -Overgangsregeling 67 Referenties 68 Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten: vragen en antwoorden 68 Aanstelling van een expert 69 Centraal bestuur 71 Inventaris 71 Lidmaatschap van de kerkraad 74 Notulen 75 Overleg gemeente-centraal bestuur 75 Specifieke taken van de mandaten
75 Toezicht 76 Verkiezingen 78 Wijzigingen in de reglementering betreffende de begraafplaatsen en lijkbezorging 78 Besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet voldoen 79 Besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2005 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria 80 Decreet van 10 november 2005 tot wijziging van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging 80 Referenties 81 Cijfergegevens i.v.m. begraafplaatsen en lijkbezorging 81 Verhouding tussen het gebruik van een urne of een graf gedurende de laatste drie jaar 82 Gemiddelde kostprijs voor het plaatsen van een urne of een graf 85 Hoofdstuk 5 Nieuwe regelgeving m.b.t. gemeenten en O.C.M.W.’s 86 Wijzigingen aan de wetgeving i.v.m. overheidsopdrachten en een vooruitblik 86 Recente wijzigingen (vanaf 30 arpil 2004) -Wet van 24 december 1993 -KB van 8 januari 1996 89 Toekomstige wijzigingen -Nieuwe gunningswijze : de concurrentiegerichte dialoog -Elektronische middelen en nieuwe procedures Raamovereenkomsten Dynamisch aankoopsysteem Elektronische veiling -Gemeenschappelijke woordenlijst -Besluit bij de nieuwe Richtlijn 93 Nuttige links 94 Referenties 95 Sectoraal akkoord 2005-2007 voor het personeel van de lokale en provinciale besturen 95 Toepassingsgebied van het sectoriaal akkoord 2005-2007 96 Uitbetaling overuren voor personeelsleden v/h niveau A 97 De salarisschalen van de aanvangsgraden van niveau A worden losgekoppeld van de organisatiestructuur (plat of piramidaal) 97 Opdrachthouderschap – een hoger loon voor tijdelijk zwaarder werk 98 Ook contractuelen kunnen voortaan bevorderen -Algemene bepalingen -Mogelijke variaties
103 Functiewaardering of functieweging is niet lager taboe 103 Vorming efficiënter en rechtvaardiger 104 Draaiboek voor de herwaardering van betrekking van het niveau E naar het niveau D -Voor statutaire betrekkingen van het niveau E in de bestaande personeelsformatie -Voor “organieke” contractuele betrekkingen -Voor betrekkingen van het gesco-contingent 105 Afstappen van de diplomavoorwaarde 106 Verhoging van de eindejaarstoelage in 2006 en in 2007 107 Verhoging van het jaarlijkse bedrag inzak de toekenning van maaltijdcheques 107 Referenties 109 Omzendbrief BA 2005/03 van 8 juli 2005 betreffende het taalgebruik in de gemeente- en O.C.M.W.-besturen en in de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden – interpretatie en gevolgen van de arresten van de Raad van State van 23 december 2004 109 Voorafgaand 109 Raad van State 110 Omzendbrief BA 2005/03 van 8 juli 2005 van minister van Binnenlands Bestuur, Marino Keulen -Het Nederlands is bestuurstaal in het Nederlandse taalgebied -Taalgebruik in plaatselijke diensten -Taalgebruik van de plaatselijke diensten in de faciliteiten- en taalgrensgemeenten -Verbod op het houden van een taalregister 114 Referenties 115 Omzendbrief BA 2005/05 van 2 september 2005 betreffende “Naar meer en betere stageplaatsen bij de lokale en regionale besturen” 116 Omzendbrief betreffende het openbaar bod van Suez op Electrabelaandelen - Omzendbrief BA 2005/06 van 14 oktober 2005 - B.S. 18 november 2005 121 Hoofdstuk 6 Cijfers i.v.m. de Vlaams-Brabantse lokale besturen 122 Gemeentelijke administratieve sancties 124 Het bedrag van de maaltijdcheques in de gemeenten van Vlaams- Brabant 126 De toepassing van het “Bourka-reglement” 127 Een bredere kijk op enkele belangrijke gemeentelijke ontvangsten in Vlaams-Brabant Belastingen 127 -Aanvullende personenbelastingen (APB) -Onroerende voorheffing (OV) 131 Elektriciteitsdividenden 132 Gemeentefonds -Aandeel gemeenten in gemeentefonds -Aandeel O.C.M.W. in het gemeentefonds 134 Referenties 135 Een terugblik op de gemeentebegrotingen 2005
136 137 140 140 140 140 142 145 145
10
Datum van vaststelling van de begroting 2005 Aantal begrotingswijzigingen De werkingskosten De overdrachten De schulduitgaven De personeelsuitgaven Belastingen Algemene conclusies voor de begrotingen 2005 Referenties
147 Hoofdstuk 7 Issues en trends bij de lokale besturen van Vlaams-Brabant 148 Hoe krachtig waait de NOB-wind nog door de Vlaams-Brabantse O.C.M.W.’s? 148 Werkwijze en procedure van onze audits 149 De opgemeten schade in 2005 -Met betrekking tot de waarderingsregels -Met betrekking tot de materiële vaste activa -In verband met de vorderingen op korte termijn -Een onrechtmatig gebruik van wachtrekeningen -Onnatuurlijke saldi -Foutief gebruik van kosten- en opbrengstenrekeningen -Fouten met betrekking tot het schema van de financiële stromen -Laattijdig vaststellen van de jaarrekening 152 In het licht van de N.O.B.-beleidsinstrumenten -Het administratief handboek -Het budgethouderschap -Interne audit 156 Referenties 157 Takeldiensten: overheidsopdracht of niet? 158 Referenties 159 Het Investeringsfonds – Stand van de uitloopregeling 159 31 december 2005 : een belangrijke datum 159 Begeleiding van de gemeenten 159 De toekomst : een correcte uitbetaling op basis van volledige eindafrekeningen 160 Met welk geld dan nu investeren ? 160 Referenties 162 Tabellen 177 Hoofdstuk 8 Interessante bronnen ter ondersteuning van het lokaal bestuur 178 Agentschap voor Binnenlands Bestuur 182 Andere overheden en overheidsdiensten 184 Wetgevende instellingen 185 Rechtsprekende instellingen 186 Adviesorganen en andere officiële instellingen 188 Belangenvertegenwoordigers 189 Juridische naslagwerken 190 COLOFON
11
Hoofdstuk 1
VOORSTELLING VAN AFDELING VLAAMS-BRABANT
Hoofdstuk 1
VOORSTELLING VAN AFDELING VLAAMS-BRABANT
14 De afdeling Vlaams-Brabant ondersteunt de gouverneur bij de uitoefening van zijn opdracht als commissaris van de Vlaamse regering bij de uitoefening van het administratief toezicht. 1. Administratief toezicht: streven naar een kwaliteitsvol lokaal bestuur Een groot aandeel van de publieke dienstverlening in Vlaanderen wordt verschaft door de verschillende gemeentebesturen, O.C.M.W.’s en andere lokale besturen zoals politiezones en kerkfabrieken. Het is een bewuste keuze om deze verantwoordelijkheden te laten opnemen door de vele lokale besturen, zij hebben immers dikwijls een nauwkeuriger zicht op de lokale situaties en noden. Om die reden kunnen zij daarom ook zelf initiatieven ontwikkelen. Deze decentralisatie heeft met andere woorden grote voordelen, maar doordat verschillende besturen verantwoordelijkheid dragen en opnemen, bestaat de kans dat het beleid in de ene gemeente té veel afwijkt van het beleid in andere gemeenten. Natuurlijk biedt allerhande wetgeving een zekere leidraad, maar deze is erg uitgebreid en complex. Niet alle gemeenten hebben op elk vlak een even sterke “know-how”. Met als gevolg dat het gevaar dreigt dat in sommige gevallen het lokaal bestuur niet voldoet aan de vereiste kwaliteitseisen. Het omgekeerde is ook waar, de lokale bestuurspraktijk bemerkt dikwijls mankementen en hiaten in de bestaande regelgeving. Het is op dit kruispunt dat het administratief toezicht door de afdeling Vlaams-Brabant van het agentschap voor Binnenlands Bestuur te situeren valt. De afdeling tracht een constructief partnerschap tot stand te brengen met de lokale besturen, enerzijds door hen pro-actief te ondersteunen en begeleiden betreffende bepaalde inhoudelijke aspecten of bij nieuwe wetgeving, anderzijds door open te staan voor signalen van deze besturen ter verbetering van het kader waarin zij opereren. Daar waar deze ondersteuning niet voldoende bleek te zijn, kan de gouverneur ingrijpen door een bepaalde beslissing van een lokaal bestuur te schorsen. Ook raadsleden, personeelsleden of burgers kunnen bepaalde beslissingen van de lokale besturen aanklagen bij de gouverneur (en dus de afdeling Vlaams-Brabant) wanneer zij vermoeden dat een bepaalde beslissing niet conform de wetgeving of het algemeen belang is. Na het ontvangen van een dergelijk gemotiveerde klacht zal de gouverneur deze kwestie onderzoeken waarna beslist wordt om al dan niet de beslissing te schorsen. Ook de minister kan in het kader van het administratief toezicht optreden. Men spreekt dan van een tweedelijnstoezicht, daar waar de gouverneur instaat voor de eerste lijn.
2. Wie is wie binnen de afdeling Vlaams-Brabant? De afdeling Vlaams-Brabant is opgedeeld in 3 functionele diensten, nl. de dienst overheidsopdrachten, de dienst personeel en algemene zaken, de dienst financiën en één aparte cel, de cel jacht. Daarnaast zijn er de overkoepelende en ondersteunende diensten. Aan het hoofd van de gehele afdeling staat het afdelingshoofd, Joris Sels. Het adres van de afdeling is:
Vlaams ministerie van Bestuurszaken agentschap voor Binnenlands Bestuur afdeling Vlaams-Brabant Werkhuizenstraat 40, 3010 Leuven
15
Het algemeen oproepnummer is 016/26.90.00, het algemeen faxnummer 016/26.90.08. binnenland.vlaamsbrabant@vlaanderen.be is het algemene e-mailadres. Indien u één van onze medewerkers rechtstreeks wenst te telefoneren, vormt u 016/26.(xx.xx) gevolgd door de cijfers die achter haar of zijn naam gedrukt staan (zie hieronder). Indien u de persoon in kwestie wenst te mailen vormt u diens e-mailadres door de voornaam en de familienaam van de betrokkene te typen, van mekaar gescheiden door een punt; gevolgd door @ewbl.vlaanderen.be (voornaam.naam@ewbl.vlaanderen.be).
Gouverneur Vlaams-Brabant Lodewijk De Wtte
Administrateur-Generaal IVA BB Guido Decoster
Afdelingshoofd Joris Sels - 90.05
Stafmedewerker Jeroen Vervloessem - 90.06
Financiën Geert Demarsin - 90.75
Secretariaat Ondersteuning en Verzending
Overheidsopdrachten Gert Vlasselaer - 90.25
Personeel Algemene zaken Ludo Steenwinckel - 90.50
Afdelingshoofd, overkoepelende en ondersteunende diensten
16
Joris Sels, afdelingshoofd
90.05
Jeroen Vervloessem, stafmedewerker
90.06
SECRETARIAAT Inge Jacobs Christiane Vrebos
90.68 90.24
ONDERSTEUNING Martine Vaes Marc Vandenwijngaert
90.09 90.07
VERZENDING Marie-Jeanne Pardon Eddy Dewaelheyns Sonja Sente
90.04 90.98 90.01
Dienst overheidsopdrachten De dienst overheidsopdrachten behandelt de beslissingen van de lokale besturen betreffende overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, alsook betreffende het patrimoniumbeheer (verrichtingen inzake onroerende goederen zoals verkoop of verhuur ervan) van of onteigeningen door deze lokale besturen. Daarnaast verwerkt de dienst overheidsopdrachten allerlei dossiers omtrent politiezones en kerkfabrieken (werken aan kerkgebouwen) en fondsen (het Investeringsfonds, het MINA-fonds voor rioleringswerken, dossiers Aquafin – verklaringen van openbaar nut en wateringen). Tenslotte worden ook de eretekens voor gemeente- en OCMW-personeel opgevolgd. Gert Vlasselaer, diensthoofd
90.25
BEGELEIDEND TOEZICHT Nele Smets
90.30
OVERHEIDSOPDRACHTEN Rudy Dupaix (e-mail: rudolphe.dupaix@...)
90.35
PATRIMONIUM Caroline Corbeels Marie-Rose Deschoenmaeker
90.34 90.32
POLITIEZONES, KERKFABRIEKEN EN FONDSEN Guido De Boey Henri Massart
90.27 90.28
ERETEKENS Micheline Boogaerts
90.36
Het faxnummer van de dienst overheidsopdrachten is: 016/26.90.26.
Dienst personeel en algemene zaken Deze dienst bestaat uit twee cellen: personeel en algemene zaken. De cel personeel behandelt de beslissingen van de lokale besturen betreffende hun personeelsaangelegenheden zoals de personeelsformaties en personeelsstatuten. Zij behandelt ook klachten en adviesaanvragen betreffende deze materie. De cel algemene zaken houdt zich bezig met de algemene werking van de lokale besturen. Materies die onder de noemer “algemene zaken” vallen zijn bijvoorbeeld: de werking van de raden en van de uitvoerende colleges, bepaalde aspecten van de kerkfabrieken (verkiezingen, vervallenverklaringen,…), de begraafplaatsen en de lijkbezorging, politieverordeningen en huishoudelijke reglementen, de wetgeving rond taxidiensten,… De verkiezing van de provincieen gemeenteraden worden opgevolgd, alsook de voordracht, benoeming en eedaflegging van burgemeesters en de toekenning van eretitels. Naast de aanstellingen van technische ambtenaren en beambten van de gemeenten of verenigingen van gemeenten voor het vaststellen van bouwmisdrijven, worden eveneens de tuchtdossiers van de lokale mandatarissen aan de cel algemene zaken voorgelegd. Ook behandelen zij klachten betreffende stedenbouw en kijken toe op de correcte toepassing van de taalwetgeving. Bovenop deze concrete bevoegdheden worden ook de materies die niet specifiek zijn toegewezen aan andere diensten door de cel algemene zaken behandeld. Ludo Steenwinckel, diensthoofd
90.50
ADMINISTRATIEVE ONDERSTEUNING Greta Corluy Ann Lemmens Frank Peeters Greet Spenders
90.56 90.52 90.59 90.53
PERSONEELSZAKEN Marina Buedts Erik Moulaert Griet Roelen
90.61 90.62 90.63
ALGEMENE ZAKEN Veerle Coomans Peggy De Winter Kris Vermeersch Nelleke Reheul
90.64 90.66 90.65 90.58
BEGELEIDEND TOEZICHT Griet Roelen
90.63
TUCHTDOSSIERS Erik Moulaert
90.62
GEMEENTELIJKE REGLEMENTEN EN POLITIEVERORDENINGEN Robert Brouckmans Roger Reynaerts
90.54 90.60
17
WATERINGEN, TAXI’S, KERKFABRIEKEN, BENOEMINGEN BURGEMEESTERS, EEDAFLEGGINGEN, TECHNISCHE AMBTENAREN, STEDENBOUWKLACHTEN Roger Reynaerts 90.60
Het faxnummer van de dienst personeel en algemene zaken is: 016/26.90.51. Dienst financiën
18
De dienst financiën behandelt de beslissingen betreffende de financiële aangelegenheden zoals de begrotingen, rekeningen en fiscale reglementen van de lokale besturen. Daarnaast is er binnen deze dienst een cel nieuwe O.C.M.W.-boekhouding opgericht (NOB). Deze cel voert externe audits uit bij de O.C.M.W.-besturen om ze te begeleiden bij de implementatie van de NOB. Geert Demarsin, diensthoofd
90.75
ADMINISTRATIEVE ONDERSTEUNING Luc Den Temst
90.97
BELASTINGEN Olivia Solemé Margaretha Vanderborght Lisette Wellens
90.87 90.88 90.89
FINANCIËN GEMEENTEN EN POLITIEZONES Fernand Artois Robert Crabbé Marc Geyskens Guy Hannaert Eric Moens Jan Valckenaers Elza Willems
90.83 90.82 90.90 90.81 90.80 90.10 90.91
BEGELEIDEND TOEZICHT Koen Van Lierde
90.92
NIEUWE OCMW-BOEKHOUDING Steven Buyst Martine De Smet Lotte Leenders Inge Claes Thierry Claessens
90.84 90.84 90.85 90.79 90.84
KERKFABRIEKEN Kristin Aerts Gerda Mariën
90.77 90.78
Het faxnummer van de dienst financiën is: 016/26.90.76.
Cel jacht De cel jacht staat in voor het afleveren van de jachtverloven en wordt inhoudelijk aangestuurd door de arrondissementscommissarissen. Veerle Coomans Gilberte Geens Pierre Jossa Willy Schoofs
90.64 90.71 90.70 90.72
Het faxnummer van de cel Jacht is: 016/26.90.73.
19
Hoofdstuk 2
BEGELEIDEND TOEZICHT IN 2005
Hoofdstuk 2
BEGELEIDEND TOEZICHT IN 2005
22 Vorig jaar werd er in de “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant 2004” aangekondigd dat het begeleidend toezicht uitgebreid zou worden, zowel wat betreft de initiatieven, als wat betreft de thema’s. Niet alleen zouden er nieuwsbrieven worden verstuurd, maar ook mocht u de jaarlijkse uitgave van de “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant” verwachten, evenals twee studiedagen per jaar. Tenslotte werd ook de mogelijkheid geopperd om bij de lokale besturen terplekke bepaalde (lokale) problematieken of thema’s met het managementteam te komen bespreken. Na een werking van een volledig jaar kan er een beeld gemaakt worden van deze initiatieven in het kader van het begeleidend toezicht. 1. Uitgave “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant 2004” In het verleden was het de gewoonte van de afdeling om een jaarverslag op te stellen met de verschillende aantallen dossiers die behandeld werden. Deze rol is echter overgenomen door het Jaarbeeld dat uitgegeven wordt door de administratie Binnenlandse aangelegenheden. Aangezien deze cijfers op zich enkel slaan op de werking van de afdeling en weinig meerwaarde bieden voor het beleid en het beheer van de lokale besturen, wil de afdeling die leemte opvullen. In de uitgave “Lokale bestuurskracht in Vlaams-Brabant” wordt er dan ook inhoudelijke informatie meegegeven. Deze slaat op informatie over nieuwe regelgeving, maar ook op informatie die afegeleid kan worden uit de bestuurlijke trends in Vlaams-Brabant. Waar mogelijk onderbouwen we deze aan de hand van kencijfers. Het is niet de bedoeling om deze kencijfers te interpreteren of er oordelen aan te koppelen, dat zou immers een diepgaander onderzoek naar de lokale situatie vergen. Deze kencijfers kunnen wel een indicatie vormen voor de lokale besturen om zichzelf te vergelijken met andere besturen en/of om zelf stil te staan bij de eigen werking. Deze publicatie wordt uitgegeven op 600 exemplaren en verdeeld aan alle lokale besturen van Vlaams-Brabant.
2. De elektronische nieuwsbrief Zesmaal per jaar wordt er een elektronische nieuwsbrief verstuurd. In deze nieuwsbrief nemen we items op over personeelszaken, financiën, fiscaliteit, patrimonium, overheidsopdrachten, werking van de bestuurlijke organen,… al naargelang de noodwendigheden. Items worden opgenomen n.a.v. nieuwe regelgeving, belangwekkende rechtspraak, nieuwe interpretaties van regelgeving, opmerkelijke en weerkerende issues uit de toezichtdossiers,… In 2004 werden er 6 nieuwsbrieven verstuurd naar zo’n 700 abonnees. Deze nieuwsbrieven waren goed voor 48 verschillende items op 50 A4 pagina’s.
3. Studiedagen
23
De studiedagen lijken nu reeds een vaste waarde te zijn voor heel wat lokale besturen. Op de twee studiedagen die we in 2004 georganiseerd hebben, zijn maar liefst 9 thema’s aan bod gekomen die gevolgd werden door ongeveer 300 deelnemers. De thema’s die behandeld werden, zijn de volgende: - Budgethouderschap in theorie en praktijk, 22 november 2005 - Eretekens, 22 november 2005 - Gemeentelijke administratieve sancties, 6 juni 2005 - Gemeentelijke O.C.M.W.-bijdrage, 6 juni 2005 - Meerwerken, 6 juni 2005 - Selectieprocedure, 22 november 2005 - Verkoop van onroerende goederen, 6 juni 2005 - Vlaamse Bouwmeester, 22 november 2005 - Wervingsvoorwaarden, 22 november 2005 De deelname was voor elke studiedag zo’n 130 à 140 personen. Er was telkens een licht overwicht voor mensen uit het arrondissement Leuven. Deelnemers per arro per studiedag 140
120
100
80
deelnemers per arro
60
40
20
0 Halle-Vilvoorde Leuven
22 nov 05 53 73
6 juni 05 59 67
Zo’n 80% van de deelnemers die een evaluatieformulier invulden, vonden dat de gekozen thema’s wel degelijk beantwoorden aan een actuele nood bij de lokale besturen. Het is keer op keer een uitdaging om voor dat moment geschikte onderwerpen te kiezen. Daarvoor houden we natuurlijk continu de vinger aan de pols, niet in de laatste plaats door de diverse contacten met de lokale besturen aan de hand van de verschillende dossiers. Daarenboven verwelkomen we vanzelfsprekend alle suggesties m.b.t. nieuwe onderwerpen. Onderwerpen beantwoorden aan actuele nood - vergelijking met vorige studiedag 100% 90% 80%
24
70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
22 nov 05
6 juni 05
niet akkoord
0
0
eerder niet akkoord
6
1
geen mening
16
8
eerder akkoord
45
30
akkoord
34
19
Het is onze betrachting om via deze studiedagen zoveel mogelijk praktische richtlijnen en tips mee te geven, waarmee de lokale mensen aan de slag kunnen. Geen evidente uitdaging want dikwijls blijven studiedagen steken in (theoretische) beschouwingen. Voor wat betreft de eerste studiedag was zo’n 40 % van de respondenten van mening dat de gegeven uitleg dadelijk toepasbaar was in hun bestuur, een dikke 40% van de respondenten was de tegengestelde mening toegedaan. Voor de tweede studiedag was er een duidelijke verschuiving merkbaar: meer dan 50% van de respondenten vonden dat ze er dadelijk mee aan de slag konden, minder dan 30% vond van niet. Een soortgelijke evolutie, maar nog meer uitgesproken, kunnen we vaststellen voor wat betreft het evenwicht tussen theorie en praktijk in de uiteenzettingen. Voor de eerste studiedag vond net meer dan 50% dat er een goed evenwicht was, bij de tweede studiedag was dit percentage gestegen tot maar liefst 75%. We moeten ook vaststellen dat de respons op onze herhaalde oproepen om concrete vragen of problemen betreffende de thema’s van de studiedag, voordien mee te delen, erg laag is. Voor beide studiedagen samen, hebben we slechts een vijftal vragen gekregen. Het is nochtans op basis van dergelijke vragen of probleemstellingen dat wij de uiteenzettingen praktischer en concreter kunnen maken. We nodigen dan ook iedereen uit om dergelijke vragen of probleemstellingen door te sturen.
Toetsen van concrete probleemstelling - vergelijking beide studiedagen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20%
25
10% 0%
22 nov 05
6 juni 05
niet akkoord eerder niet akkoord
0 30
5 20
geen mening eerder akkoord
19 49
8 17
akkoord
4
6
Goed evenwicht tussen theorie en praktijk - vergelijking tussen beide studiedagen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
22 nov 05
6 juni 05
niet akkoord
2
1
eerder niet akkoord geen mening
15 10
16 10
eerder akkoord
60
22
akkoord
17
8
Met betrekking tot de uiteenzettingen zelf, kunnen we vaststellen dat de respondenten erg tevreden zijn met de kwaliteit ervan. Voor de eerste studiedag was meer dan 80% van de respondenten tevreden met de structurering van de uiteenzettingen, voor de tweede studiedag steeg dat tot maar liefst 95% van de respondenten. Uit de eerste studiedag bleek dat de interactiemogelijkheden een aandachtspunt was. Ongeveer 50% van de respondenten vond dat dit beter kon. Na de tweede studiedag was ongeveer 50% tevreden en nog maar 35% vond dat het beter kon.
Slides en woord zijn goed afgestemd - vergelijking tussen beide studiedagen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20%
26
10% 0%
22 nov 05
6 juni 05
niet akkoord
0
1
eerder niet akkoord
2
4
geen mening
4
5
eerder akkoord
55
27
akkoord
42
21
Er is voldoende ruimte voor interactie - Vergelijking tussen beide studiedagen 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
22 nov 05
6 juni 05
niet akkoord
1
7
eerder niet akkoord
35
23
geen mening
18
9
eerder akkoord
33
11
akkoord
15
7
4. Besprekingen met managementteams Op vraag van het lokaal bestuur zelf, kan er een afspraak gemaakt worden om uiteenlopende lokale dossiers of algemenere lokale issues ter plaatste te overleggen en bespreken. Dit initiatief is duidelijk nog niet bekend genoeg aangezien de respons erg laag te noemen is. Bovendien maken we hier ook geen actieve promotie rond. Om ervoor te zorgen dat er toch structureel overleg is tussen de afdeling en de secretarissen en
ontvangers van de lokale besturen, organiseren we tweemaal per jaar een overlegvergadering waaraan een delegatie van elke federatie van secretarissen en ontvangers deelnemen. Hiermee zijn we in december 2005 van start gegaan.
5. Adviesverlening Adviesverlening en begeleiding zijn nauw verwant aan elkaar. Begeleiding is eerder algemeen zowel qua inhoud als qua doelpubliek. De thema’s zijn algemeen hoewel we trachten de concrete toepasbaarheid te expliciteren. Bij begeleiding richten we ons niet tot één bepaald bestuur, maar naar alle lokale besturen. Dat laatste is ook een belangrijk criterium bij het kiezen van relevante thema’s. Adviesverlening daarentegen is zeer specifiek: het gaat dikwijls om een concreet dossier bij een welbepaald lokaal bestuur. In die zin zou men kunnen spreken van een bijzondere vorm van begeleiding. In de onderstaande tabel geven we een overzicht van het aantal adviezen dat we gegeven hebben in 2004 en in 2005 voor hetzij de gemeenten, hetzij de O.C.M.W.’s naar sector.
SECTOR
GEMEENTE
O.C.M.W.
TOTAAL
2005/2004
2004
2005
2004
2005
2004
2005
Personeel
114
121
87
96
201
217
1,08
Financiën
129
175
171
226
300
401
1,34
Kerkfabrieken
1
30
/
/
1
30
30
Begraafplaatsen en lijkbezorging
9
10
/
/
9
10
1,11
Patrimonium
3
13
3
29
6
42
7
Werking organen
8
9
1
4
9
13
1,44
Politie
2
10
/
/
2
10
5
Overheidsopdrachten
16
77
4
26
20
103
5,15
Andere
19
28
7
2
26
30
1,15
TOTAAL
301
473
273
383
574
856
1,49
In vergelijking met 2004 werden er in 2005 de helft meer adviezen uitgebracht door de afdeling. Er was in elk domein een stijging vast te stellen. De stijging was relatief het kleinst voor de sector personeel waar begeleidend toezicht reeds goed ingeburgerd was. Samen met de uitbreiding van het begeleidend toezicht naar de sectoren financiën, overheidsopdrachten en patrimonium, zien we in deze sectoren ook een grote stijging in het aantal adviezen. Het leeuwendeel van de globale stijging valt te verklaren door de stijging van de adviezen in de sector overheidsopdrachten en financiën.
27
Hoofdstuk 3
Het Gemeentedecreet van 15 juli 2005
Hoofdstuk 3
Het Gemeentedecreet van 15 juli 2005
30 Algemene inleiding Er is niet één rode draad te trekken door het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, tenzij deze van de vernieuwing, aldus minister van binnenlands bestuur Marino Keulen. De memorie van toelichting onderscheidt 11 concrete domeinen waar in meerdere of mindere mate nieuwe regelingen zijn uitgewerkt. In tabel 1 worden deze domeinen opgesomd. Tabel 1 – Domeinen van innovatie door het Gemeentedecreet 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Een missiebepaling van de gemeenten Nieuwigheden m.b.t. de politieke organisatie Nieuwigheden m.b.t. de administratieve organisatie Innovaties inzake financieel beleid, beheer en evaluatie Invoering van een externe audit Mogelijkheden tot interne en externe verzelfstandiging voor de organisatie van deelaspecten van het gemeentelijk beleid 7. Nieuwigheden m.b.t. de participatie van de burger 8. Wijzigingen in de organisatie van het administratief toezicht 9. Meer mogelijkheden tot samenwerking en overleg tussen gemeente en O.C.M.W. 10. De binnengemeentelijke territoriale organisatie 11. Algemene bepalingen betreffende de werking van de gemeenten
In de volgende delen zullen we verder ingaan op de algemene regeling inzake het administratief of bestuurlijk toezicht, de nieuwe financiële regeling, de vernieuwingen inzake personeelsaangelegenheden en de bevoegdheidsverdeling inzake overheidsopdrachten. De belangrijkste van de overige wijzigingen worden hier kort gesitueerd. 1.
De leidraden van het Gemeentedecreet
Een belangrijke doelstelling van de Vlaamse overheid bij het ontwerpen van organieke regelgeving zoals het Gemeentedecreet is de onderlinge afstemming met andere organieke regelingen zoals voor het O.C.M.W. en de provincies. Dat leidt tot meer doorzichtigheid in de structuren en kan de onderlinge afstemming tussen deze verschillende besturen vergemakkelijken. Deze afstemming is reeds gerealiseerd voor wat betreft de provincies d.m.v. het Provinciedecreet. De afstemming met de O.C.M.W.’s is nog niet volledig gerealiseerd aangezien de organieke regelgeving daar nog aangepast dient te worden, echter het gemeentedecreet speelt voor wat betreft de nieuwe beheersinstrumenten in op de ervaringen die we al hebben opgedaan bij de O.C.M.W.-besturen.
Een tweede belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Gemeentedecreet is het principe van de subsidiariteit. In overeenstemming met het bestuursakkoord dat volgde op het kerntakendebat worden de gemeenten erkend als het basisniveau van de overheid. Dat impliceert een versterking van de lokale autonomie door meer lokale verantwoordelijkheid te geven inzake de organisatie en financiering van het lokaal bestuur enerzijds, en een versterking van de gemeenteraad anderzijds. Twee andere principes vloeien als het ware voort uit deze doelstelling van meer lokale autonomie: nl. de ruimte voor lokaal maatwerk en de vereenvoudiging van toezicht en controle. Door de versterking van de lokale autonomie krijgen de gemeenten meer grip op hun organisatie; dat principe mag niet ondergraven worden door strakke organisatiemodellen en beleidsinstrumenten voor te schrijven. Het Gemeentedecreet heeft als ambitie om een gemeenschappelijk raamwerk aan te bieden waar de hoofdlijnen worden vastgelegd, maar die tegelijkertijd voldoende ruimte laten om deze binnen deze lijnen naar de hand te zetten van de specifieke gemeentelijke organisatie. Conform de doelstelling van het regeerakkoord m.b.t. de heroriĂŤntatie van de Vlaamse administratie naar meer coaching en begeleiding, wordt de regeling inzake het administratief toezicht weerom versoepeld. Een potentieel interessante ontwikkeling op dit vlak zijn de bepalingen inzake de externe audit. Bij de uitwerking hiervan zou men misschien ook de parallelle controle- en rapporteringstructuren in het kader van sectoraal beleid sterk kunnen verminderen. Hoe en wanneer dit gebeurt, zal moeten blijken uit de verdere uitwerking van de principes die in het gemeentedecreet zijn opgenomen. 2. De krachtlijnen in de vernieuwing van de politieke en administratieve organisatie 2.1.
Vernieuwingen in de politieke organisatie
Het aantal leden van de gemeenteraad blijft in principe hetzelfde, echter dat aantal wordt bepaald aan de hand van het bevolkingscijfer op 1 januari 2006. De gemeenteraad kiest een voorzitter, dat kan de burgemeester zijn, maar dat hoeft niet. Deze mogelijkheid zou de controlerende rol van de gemeenteraad ten opzichte van het college moeten versterken. De burgemeester wordt nog steeds benoemd door de Vlaamse Regering en blijft voorzitter van het college van burgemeester en schepenen. Het maximum aantal schepenen blijft hetzelfde maar een gemeente kan beslissen om het met minder schepenen te doen. De O.C.M.W.voorzitter wordt eveneens lid van het college, dit is verplicht vanaf 2012. De gemeenteraad heeft de volheid van bevoegdheid, maar kan -uitgezonderd een aantal essentiĂŤle beslissingen- deze bevoegdheden ruim delegeren naar het college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraad bepaalt zelf hoever deze delegatie kan gaan. Het college is dan weer verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur, maar ook zij kunnen deze bevoegdheid delegeren aan de gemeentesecretaris of aan een andere ambtenaar via het systeem van het budgethouderschap. 2.2.
Vernieuwingen in de administratieve organisatie
Met het voorgaande zijn we reeds aanbeland bij enkele belangrijke vernieuwingen inzake de administratieve organisatie. Het Gemeentedecreet biedt de mogelijkheid voor de gemeenten om de lokale administratie meer verantwoordelijkheid op te nemen inzake het beheer van de gemeente. De gemeentesecretaris blijft natuurlijk het hoofd van de administratie, maar kan dus heel wat bevoegdheden daarbovenop gedelegeerd krijgen op basis van een afsprakennota met het college. De secretaris staat hier niet alleen voor, maar moet beroep doen op een
31
managementteam waar alle leidinggevende ambtenaren deel van uitmaken. In die filosofie is ook de controlerende rol van de ontvanger afgeschaft en vervangen door een beheerdersrol. 3.
32
Een gespreide inwerkingtreding
Het Gemeentedecreet omvat m.a.w. een grondige herdenking van de politieke en bestuurlijke organisatie en werking van de gemeentebesturen. Om deze plannen in werkelijkheid om te zetten is er geopteerd voor een gefaseerde aanpak. De bepalingen inzake de politieke organisatie zullen ingaan gelijktijdig met de start van een nieuwe bestuursperiode voor de lokale besturen, nl. op 1 januari 2007. De maatregelen inzake de bevoegdheidverdelingen tussen gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen, en de administratie volgt hier logischerwijze op en zal dus ook op 1 januari 2007 ingaan. Enkele maatregelen inzake de administratieve organisatie zijn echter reeds in werking getreden op 1 januari 2006, het betreft het luik inzake personeelsaangelegenheden en het luik over het bestuurlijk toezicht. Op deze onderdelen en het financieel stelsel komen we later terug. Dat laatste, de hertekening van het financiĂŤle stelsel zal meer tijd in beslag nemen en zal eveneens later in werking treden.
Algemene wijzigingen aan het bestuurlijk toezicht
De bepalingen met betrekking tot het bestuurlijk toezicht zijn één van de eerste onderdelen van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 die in werking zullen treden. Deze bepalingen zijn terug te vinden in artikel 248 tot en met artikel 264. Deze artikelen traden in werking op 1 januari 2006. Een eerste opmerkelijke vernieuwing is dat de bepalingen inzake het administratief toezicht zijn geïntegreerd in de organieke regelgeving. De Vlaamse overheid was eerder bevoegd voor het toezicht op de lokale besturen dan voor de organieke regelgeving en had dat toezicht ook al eerder uitgewerkt in het toezichtdecreet van 28 april 1993. Dat toezichtdecreet werd meermaals gewijzigd, een laatste keer in 2002. De rode draad in deze wijzigingen was de verdergaande vereenvoudiging en versoepeling van het toezicht. Deze rode draad wordt terug opgenomen in het Gemeentedecreet. Aan het systeem van het administratief toezicht wijzigt in se niets, wel wordt het algemeen administratief toezicht, de lichtste vorm, nog meer de norm. Met deze weerkerende versoepelingen wil de Vlaamse overheid de gemeenten meer en meer responsabiliseren. In het Gemeentedecreet wordt deze evolutie gekoppeld aan de verplichting tot het uitwerken van een intern controlesysteem en het in het vooruitzicht stellen van een externe audit. We gaan hier verder in op de concrete wijzigingen aan de toezichtregeling. Specifieke toezichtregelingen inzake personeel, financiën en overheidsopdrachten worden in de volgende delen besproken.
1.
Omvang van het toezicht
Daar waar het vorige toezichtdecreet stelde dat de toezichthoudende overheid optreedt wanneer de wet of het algemeen belang geschonden wordt, stelt het Gemeentedecreet dat de toezichthoudende overheid zich beperkt “tot een toetsing aan het recht en aan het algemeen belang, met name elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang” (artikel 249). Deze bepaling van de omvang van de uitoefening van het toezicht is vooral een politiek gevoelig onderwerp, het uitoefenen van het toezicht is steeds een evenwichtsoefening tussen het principe van de gemeentelijke autonomie en de toepassing van de rechtsregels. Het werkwoord “beperken” duidt erop dat de Vlaamse overheid zeer zeker niet wenst op te treden wanneer daar geen goede redenen voor zijn. Vooral de invulling van wat onder het “algemeen belang” valt, zorgde en zorgt voor heel wat discussie. Het Gemeentedecreet heeft ook de invulling daarvan proberen te omschrijven, nl. elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang. Op zich blijft dit een vage omschrijving, de memorie van toelichting geeft iets meer houvast, nl. wanneer een gemeentelijke beslissing een negatieve weerslag heeft op de centraal-lokale verhoudingen of wanneer deze negatieve gevolgen heeft voor andere gemeenten. Wat algemeen aanvaard wordt, is dat de toezichthoudende overheid geen opportuniteitsafweging, bijna namens de gemeente in kwestie, kan/zal maken van een bepaalde beslissing. Met de vervanging van “wet” door “recht” wil men er o.m. op wijzen dat deze beslissingen ook getoetst dienen te worden aan bijvoorbeeld internationale rechtsregels met directe werking. In de context van het groeiend belang van de Europese regels is dit niet zonder belang. Opmerkelijker is dat men onder het recht ook expliciet de beginselen van behoorlijk bestuur
33
onderbrengt. Tot nu toe, plaatste men deze eerder onder het “algemeen belang”. 2.
Het toepassingsgebied van het administratief toezicht
Het administratief toezicht wordt uitgeoefend op de gemeenteoverheid. Artikel 248 stelt dat onder gemeenteoverheid verstaan moet worden “de organen en personeelsleden van de gemeente en de autonome gemeentebedrijven die een beslissing nemen.” Hier anticipeert men vnl. op de mogelijkheden in het Gemeentedecreet om bepaalde beslissingsbevoegdheden te delegeren naar bijvoorbeeld de gemeentesecretaris. 3. Procedureregels
34
3.1. Gegevensverstrekking en kennisgevingen Alle kennisgevingen dienen overeenkomstig artikel 251 aangetekend te gebeuren. Dit slaat zowel op kennisgevingen van de gemeenteoverheden aan de toezichthoudende overheid als op kennisgevingen van de toezichthoudende overheid aan de gemeenteoverheden. Dit houdt in dat zowel de overzichtlijsten waarvan sprake in artikel 252 als de meldingsplichtige beslissingen (zie artikel 253) aangetekend verstuurd dienen te worden. Ook opgevraagde beslissingen en informatie dienen op deze manier verzonden te worden. Omgekeerd zullen eventuele opvragingen, schorsingen e.d. door de toezichthoudende overheid aangetekend verzonden worden. Het aangetekend versturen van deze documenten heeft een belangrijke functie in het bepalen van de termijnen. Bij artikel 251 valt bovendien nog op te merken dat alle correspondentie van de toezichthoudende overheid vanaf nu gericht zal zijn aan de gemeentesecretaris. Tot nu toe werd de correspondentie gericht aan het college van burgemeester en schepenen. 3.2.
De termijnen en de berekening ervan
In het verleden was het niet steeds mogelijk voor de gemeenteoverheden om de termijnen exact te bepalen aangezien de termijnen in de meeste gevallen pas ingingen op de dag dat de beslissingen werden ontvangen door de toezichthoudende overheid. Afhankelijk van de werking van de post kon men deze datum enkel bij benadering bepalen. Het Gemeentedecreet heeft hieraan willen verhelpen o.a. door de kennisgevingen tussen gemeente en toezichthoudende overheid verplicht aangetekend te laten gebeuren. In de eerste plaats heeft de decreetgever gewenst om de startdatum van de termijnen duidelijk te bepalen door twee maatregelen: (1) alle kennisgevingen aangetekend te laten verlopen en (2) de termijnen te laten ingaan op de derde dag na de verzending. De postdatum geldt m.a.w. als de dag van de verzending. De termijn begint te lopen op de derde dag na de postdatum. Aangezien de verzending aangetekend moet gebeuren, kan er ook geen twijfel zijn over de postdatum. In de praktijk kan het zijn dat de postdatum niet duidelijk leesbaar op het poststuk is aangebracht. In dergelijk geval zal de toezichthoudende overheid contact opnemen met de betrokken gemeenteoverheid om aan de hand van het postbewijs van de aangetekende zending de postdatum te bepalen. Het is dus belangrijk dat de gemeenteoverheden deze postbewijzen bewaren. De termijnen op zich blijven in principe dezelfde: - voor meldingsplichtige beslissingen geldt een termijn van 50 dagen;
- beslissingen uit de overzichtslijst kunnen opgevraagd worden binnen een termijn van 30 dagen; - voor opgevraagde beslissingen geldt een termijn van 30 dagen. Een nieuwigheid is wel dat voor deze laatste categorie, nl. de opgevraagde beslissingen, de minister over een termijn van 50 dagen beschikt om rechtstreeks te vernietigen. Ook met betrekking tot de vervaldag is er een nieuwigheid. Als de vervaldag op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag valt, dan wordt deze verschoven naar de eerstvolgende werkdag (artikel 251 §3). Er wordt eveneens expliciet bevestigd dat de vervaldag in de termijn inbegrepen is. 3.3.
Lijstbesluiten en meldingsplichtige besluiten
Alle besluiten (de meldingsplichtige en de andere) dienen op een overzichtlijst genoteerd te worden en deze lijst dient dan toegezonden te worden aan de toezichthoudende overheid. Aan dit principe is er niets veranderd. Er zijn echter meerdere beslissingen meldingsplichtig geworden, deze zijn vnl. het gevolg van nieuwe elementen uit het Gemeentedecreet. Zo dienen de beslissingen tot oprichting van een intern of extern verzelfstandigd agentschap toegezonden te worden, evenals beslissingen die genomen worden in opvolging van het rapport van de externe auditcommissie. Daarnaast valt op te merken dat men spreekt over beslissingen betreffende de rechtspositieregeling, daar waar men vroeger enkel de beslissingen betreffende de (aanwervings-)voorwaarden en de bezoldiging diende toe te zenden. Op het personeelsaspect komen we later terug. 3.4.
Toezicht n.a.v. klachten
Het toezicht is in de loop van de jaren sterk vereenvoudigd en afgebouwd ten voordele van het zgn. “klachtentoezicht”. Hiermee wil men aanduiden dat in de meeste gevallen de beslissingen van de gemeentelijke overheden slechts nagekeken zullen worden wanneer iemand (een gemeenteraadslid, een personeelslid, een burger,…) hieromtrent een klacht heeft ingediend. Gelet op het belang van deze klachten heeft de decreetgever voorgeschreven hoe het administratief toezicht de klachtindiener op de hoogte dient te houden. Daarnaast is het zo dat een klacht die per aangetekende verzending is toegestuurd de eerder vermelde termijnen stuit op voorwaarde dat de verzending binnen deze termijn is gebeurd (artikel 255 §4), dit was reeds zo in het oude toezichtdecreet. Nieuw in het Gemeentedecreet is de inschrijving van de rechtspraak van de Raad van State die stelt dat de termijn om beroep in te stellen bij de Raad van State wordt gestuit wanneer iemand een klacht heeft ingediend bij de toezichthoudende overheid binnen de vastgestelde termijnen. Deze stuiting duurt dan totdat aan de betrokkene het gevolg van zijn klacht evenals de beroepsmogelijkheden worden meegedeeld door de toezichthoudende overheid (artikel 259). 3.5. Wat na een schorsing? Zoals in de oude toezichtregeling beschikt de gemeente na een schorsing over een termijn van 100 dagen om te beslissen wat zij doet. Vroeger echter had men enkel de keuze tussen het intrekken van de geschorste beslissing en het rechtvaardigen ervan. Voor personeelsformaties was er een derde mogelijkheid, nl. het aanpassen van de beslissing. Deze laatste mogelijkheid wordt nu veralgemeend (artikel 256). Wanneer een gemeente geen beslissing neemt binnen deze 100 dagen dan wordt de geschorste beslissing geacht nooit bestaan te hebben, wanneer ze deze aanpast of rechtvaardigt dan beschikt de Vlaamse regering over een termijn van 50 dagen waarbinnen ze deze beslissing kan vernietigen.
35
Een nieuw financieel kleedje In het Gemeentedecreet werden nieuwe principes in verband met de gemeentelijke financiën vastgelegd. De bedoeling is mogelijkheden te creëren om de financiële planning, uitvoering en rapportering beter af te stemmen op het beleid. Om dit na te streven blijkt een volledige hervorming van het financieel instrumentarium noodzakelijk. Dit financieel instrumentarium moet mogelijkheden bieden om relevante beleids- en beheersinformatie aan te reiken en moet ervoor zorgen dat de beleidsuitvoering toch op een vlotte wijze kan gebeuren. De besturen zullen hierbij ruime autonomie krijgen om maximaal in te kunnen spelen op hun eigen behoeften binnen een kader waarin het afleggen van verantwoording en functiescheiding centraal staan. Daartoe moet een waterdicht intern controlesysteem worden ontwikkeld. We loodsen je doorheen de belangrijkste financiële nieuwigheden die in het Gemeentedecreet zijn opgenomen.
36
Het strategisch meerjarenplan staat centraal De begroting staat niet langer centraal in de beleidscyclus. Deze rol is weggelegd voor het meerjarenplan. Het meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. De strategische nota bevat de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties van het bestuur over de gehele bestuursperiode. In de financiële nota worden de financiële consequenties van die beleidsopties weergegeven. Het meerjarenplan heeft betrekking op de gehele legislatuur en moet door de gemeenteraad worden vastgesteld tijdens het eerste jaar vooraleer wordt beraadslaagd over het budget van het volgende jaar (in principe in de loop van het vierde kwartaal). Vanaf het vijfde jaar van de legislatuur geeft de financiële nota de financiële consequenties voor ten minste 3 boekjaren na het lopende jaar weer. Het managementteam (zie verder) moet advies uitbrengen over het ontwerp van meerjarenplan. Ook nieuw is dat het ontwerp op zijn minst 14 dagen in plaats van 7 dagen vóór de vergadering van de gemeenteraad waarop erover wordt beraadslaagd, aan de raadsleden moet worden bezorgd. Bovenstaande maakt duidelijk dat het meerjarenplan niet langer een afkooksel is van de begroting. De opmaak van het budget zal gebeuren vanuit het financieel meerjarenplan en niet omgekeerd. Voorheen was het financieel meerjarenplan niet meer dan een bijlage bij de begroting. Uitgaande van het verleden en de begroting van het dienstjaar werd bekeken of het financieel evenwicht in de volgende 3 jaren behouden blijft wanneer het bestuur zijn plannen uitvoert. In de praktijk werd dan ook heel weinig aandacht geschonken aan het meerjarenplan. Via het decreet wordt hieraan een einde gesteld. Het strategisch meerjarenplan vormt terecht het uitgangspunt van de financiële vertaling van het beleid van de komende jaren. Geen begroting meer maar een budget In het Gemeentedecreet spreekt men niet langer van een begroting, maar van een budget. Het gaat hier om meer dan een naamswijziging. De vroegere begroting bestond uit een opsomming van functioneel-economische codes waarin de opgenomen cijferramingen veelal tot stand kwamen door het extrapoleren van de gegevens uit de vorige begroting. Voor de opmaak van een budget worden andere klemtonen gelegd.
Het budget bestaat uit een beleidsnota en een financiële nota. In de beleidsnota worden de in het meerjarenplan opgenomen beleidsdoelstellingen geconcretiseerd en wordt een toelichting gegeven omtrent de financiële toestand van de gemeente. De financiële nota bestaat uit 3 delen: - het exploitatiebudget: een raming van alle kosten en opbrengsten. Dit komt in grote lijnen overeen met wat vroeger onder de gewone dienst van de begroting werd opgenomen; - het liquiditeitenbudget: een financieel plan van de geldstromen van de gemeente; - het investeringsbudget: een financieel plan van de uitgaven en ontvangsten, en van de kosten en opbrengsten die verbonden zijn aan de aanschaf, het gebruik en de vervreemding van duurzame middelen. De zaken die vroeger onder de buitengewone dienst thuishoorden, vinden we voor een groot stuk hieronder terug. Belangrijk om te vermelden is dat een investeringsbudget bestaat uit 1 of meer investeringsenveloppes die 3 jaar geldig blijven als de investering nog niet in uitvoering is. Zelfs verlenging van die termijnen is mogelijk voor zover de gemeenteraad die goedkeurt. Hoewel het principe van de annaliteit van de begroting doorbroken wordt, wordt op die manier een meer soepele werking alleszins gewaarborgd. Zo zal het college niet meer in extremis bestelbons van de buitengewone dienst moeten goedkeuren vóór 31 december omdat anders de kredieten vervallen zijn en gewacht moet worden op een begrotingswijziging. Uitvoering van het budget door de budgethouder Het budgethouderschap, dat via de NOB al bij de O.C.M.W.’s werd geïntroduceerd, wordt ook ingevoerd bij de gemeenten. Het begrip kan omschreven worden als de toegekende bevoegdheid aan een orgaan of ambtenaar tot beheer van een taakstellend budget die de realisatie ervan nastreeft. Het budgethouderschap komt principieel toe aan het college. Het college kan voor aangelegenheden van dagelijks bestuur het budgethouderschap toevertrouwen aan de secretaris, die de bevoegdheden verder kan delegeren aan andere personeelsleden. Dit laatste moet blijken uit de functiebeschrijving. Wat onder dagelijks bestuur verstaan wordt, wordt vastgelegd door de gemeenteraad. De budgethouder krijgt verregaande bevoegdheden en gaat de verbintenissen aan. Voor bepaalde verbintenissen is het voorafgaand visum van de financieel beheerder noodzakelijk. Wanneer de financieel beheerder zijn visum weigert, kan het college van burgemeester en schepenen onder eigen verantwoordelijkheid ‘viseren’. Dit noemt men het principe van ‘overruling’. Op deze wijze kan worden vermeden dat de financieel beheerder een dossier blokkeert. Budgethouders kunnen bestellingen plaatsen en opdrachten toewijzen. Zij mogen beslissingen nemen en ondertekenen de documenten met betrekking tot de bevoegdheden die hen werden toegewezen. Inkomende facturen die betrekking hebben op de budgetten die zij beheren, worden door hen goedgekeurd. Voor de prestaties of de leveringen die tot hun bevoegdheid behoren, maken zij de facturen op. Aan budgethouders kan een provisie ter beschikking worden gesteld voor geringe exploitatie-uitgaven in verband met het dagelijks bestuur. Tevens kunnen zij belast worden met de inning van geringe dagontvangsten.
37
In het Gemeentedecreet zijn ook twee ‘speciale’ vormen van budgethouderschap voorzien, namelijk de rechtstreekse delegatie na advies van de secretaris voor aangelegenheden die het dagelijks bestuur te boven gaan en het budgethouderschap van wijkcomités en burgerinitatieven. De ambtenaren–budgethouders rapporteren minstens eenmaal per kwartaal aan de gemeentesecretaris en aan het college over de uitvoering van het budgethouderschap. De gemeentesecretaris rapporteert minstens eenmaal per kwartaal aan het college en het college minstens eenmaal per semester aan de gemeenteraad. Wanneer de doelstellingen voortvloeiend uit het budget niet gehaald worden, dan zullen zij daar langs deze weg verantwoording voor moeten afleggen.
38
Een jaarrekening gebaseerd op de principes van het dubbel boekhouden De gemeentelijke boekhouding zal wellicht vergelijkbaar zijn met de huidige nieuwe O.C.M.W.boekhouding. In deze boekhouding wordt de methode van het dubbel boekhouden gehanteerd zoals dat ook het geval is in een private bedrijfsboekhouding. Op deze wijze kan men ondermeer komen tot een beter inzicht in de reële kostprijs van de gemeentelijke dienstverlening. Dit kwam onvoldoende tot uiting in de Nieuwe Gemeenteboekhouding die in 1995 werd ingevoerd en waar een min of meer kunstmatige koppeling tussen de budgettaire en de algemene boekhouding tot stand gebracht werd. Gemeenten zullen ook de vrijheid krijgen om een analytische boekhouding te voeren. De specifieke boekhoudkundige regels moeten echter door de Vlaamse Regering nog worden vastgelegd. Onder leiding van de financieel beheerder wordt jaarlijks een inventaris opgemaakt van de gemeentelijke activa en passiva. De financieel beheerder brengt de rekeningen in overeenstemming met de inventaris en maakt vervolgens het ontwerp van de jaarrekening op. Deze wordt na voorlegging aan de externe auditcommissie naar de gemeenteraad verzonden, die zich uitspreekt vóór 1 juli volgend op het boekjaar van het jaar waarop de rekening betrekking heeft. Een belangrijke vernieuwing is dus dat de gemeenteraad beschikt over het verslag van een externe auditcommissie die rapporteert over de juistheid, volledigheid, wettelijkheid en regelmatigheid van de verrichtingen die in het ontwerp zijn opgenomen. De gemeenteraad beschikt op deze wijze over het advies van een externe onafhankelijke instantie waarmee hij kan rekening houden bij zijn besluitvorming. Ook de gouverneur ontvangt een afschrift van het verslag van de externe auditcommissie. Nadat de gemeenteraad de jaarrekening heeft vastgesteld, zendt het bestuur een afschrift naar de externe auditcommissie, die binnen de 30 dagen na ontvangst van de raadsbeslissing aan de gouverneur rapporteert over de rekening die de gemeenteraad vaststelde. De auditcommissie vermeldt daarbij of de gemeenteraad al dan niet rekening heeft gehouden met de bevindingen van de commissie. Als de gemeenteraad bij de vaststelling van de jaarrekening bepaalde verrichtingen verwerpt, wordt een advies geformuleerd over de aansprakelijkheid van de bij die verrichtingen betrokken actoren. Als er geen verrichtingen verworpen zijn en de externe auditcommissie niet vaststelt dat de raad geen rekening heeft gehouden met zijn bevindingen, is de rekening definitief, zoals
de gemeenteraad ze vaststelde. In de andere gevallen beslist de provinciegouverneur over de aansprakelijkheid van de actoren die bij de betwisting betrokken zijn en stelt de rekeningen vast, eventueel met het aanbrengen van wijzigingen. Hij beschikt daartoe over een termijn van 100 dagen. Tegen de beslissing van de gouverneur zal beroep mogelijk zijn bij een nog op te richten nieuw administratief rechtscollege. Het managementteam als verplicht overlegorgaan Het Gemeentedecreet bepaalt dat elke gemeente verplicht is een managementteam op te richten, bestaande uit minimaal de secretaris en de financieel beheerder. Daarnaast kunnen ook andere leidinggevende ambtenaren deel uitmaken van het managementteam. Hun lidmaatschap moet blijken uit het organogram van de gemeentelijke administratie. Het managementteam ondersteunt en coördineert de gemeentelijke diensten bij de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie. Dit orgaan bewaakt de eenheid in de werking, de kwaliteit van de organisatie en de werking van de gemeentelijke diensten, alsook de interne communicatie. Het managementteam wordt ook sterk betrokken bij de gemeentelijke financiën, meer bepaald bij de opmaak van het meerjarenplan, het budget en de rekening, de jaarlijkse opmaak van de inventaris en het opzetten van het intern controlesysteem. Door het verplicht instellen van een managementteam heeft de wetgever het belang voor samenwerking en verbondenheid van de verschillende onderdelen van de gemeentelijke administratie willen benadrukken. Het managementteam vormt als het ware het sluitstuk van het organisatiemodel van de gemeentelijke diensten. Omdat de taken van een lokaal bestuur zodanig zijn uitgebreid, is immers constant overleg met de leidinggevenden (diensthoofden) noodzakelijk. Bovendien stijgen hierdoor de kansen op een betere integratie van het financieel beleid in de werking van de gehele organisatie. Door de installatie van een overlegorgaan wordt getracht een einde te maken aan het huidige conflictmodel met aan de ene kant de secretaris en de diensthoofden en aan de andere kant de gemeenteontvanger. Interne controle en externe audit Wanneer men streeft naar een gemeentelijke organisatie waar delegatie, samenwerking en verdeling van verantwoordelijkheden zeer belangrijk worden, is vanzelfsprekend een goede opvolging en interne controle nodig. Interne controle kan worden omschreven als een geheel van maatregelen en procedures om een redelijke zekerheid te verschaffen over het bereiken van de beoogde doelstellingen, het naleven van de regelgeving, het bekomen van betrouwbare informatie en het efficiënt inzetten van de middelen. De gemeentesecretaris is als leidinggevende van de administratie verantwoordelijk voor de uitwerking van het intern controlesysteem (ICS). Hij doet dit na overleg met het managementteam. De gemeenteraad keurt het ICS goed. De externe auditcommissie evalueert het ICS en de naleving ervan. In principe is de gemeente vrij het ICS op eigen maat en volgens de eigen behoeften uit te werken. Toch lijkt het opzetten ervan een omvangrijke en ook moeilijke opdracht. De gemeente zal moeten rekening houden met het vernieuwde wettelijk kader, er moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met bepaalde principes zoals de functiescheiding enz…
39
Het opzetten van het ICS zal een leerproces zijn waar men doorheen moet en men zal er moeten leren mee leven dat het ICS voortdurend aan verandering onderhevig is. De gemeente zal zich dan ook goed en uitgebreid moeten bezinnen over alle bestaande en toekomstige administratieve procedures.
40
Interne controle mag niet verward worden met audit. Audit kan gedefinieerd worden als een onafhankelijke evaluatiefunctie, opgezet dor het management van de organisatie met het oog op een betere dienstverlening. In feite is de audit de controle op de interne controle. De auditor onderzoekt en evalueert de aangepastheid en doeltreffendheid van de interne controle en van de organisatie. Audit bestaat in verschillende vormen. Zo wordt in een operationele audit onderzocht of de organisatie de opgelegde doelstellingen bereikt en of dit op een efficiënte wijze gebeurt, in een financiële audit wordt de betrouwbaarheid en correctheid van de financiële rapportering nagegaan en in een nakomingsaudit wordt ondermeer onderzocht of de wettelijke en reglementaire voorschriften wel worden nageleefd. Het is de bedoeling van de wetgever om de auditfunctie ook in te voeren bij de gemeenten. Deze zal uitgevoerd worden door personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap en zal dus extern zijn. In het Gemeentedecreet wordt deze externe audit als volgt gedefinieerd: - de controle op de wettigheid en regelmatigheid van de handelingen van het bestuur; - de controle op de correctheid en volledigheid van de financiële bescheiden van het betrokken bestuur; - de controle op de inventarislijsten; - de controle op het waar en getrouw beeld van de boekhouding en de jaarrekening; - de evaluatie van de systemen van interne controle met inbegrip van het formuleren van aanbevelingen ter verbetering. Op vraag van het gemeentebestuur zou ook een oordeel kunnen worden gevormd over de mate waarin de uitoefening van de activiteiten van het betrokken bestuur in overeenstemming is met de vastgelegde doelstellingen of met andere criteria en in welke mate deze doelstellingen werden gerealiseerd. Tevens kunnen mogelijkheden worden geïdentificeerd tot verbetering van de effectiviteit en de efficiëntie van de werking van het betrokken bestuur. Daarnaast verifieert de externe auditcommissie éénmaal per semester de kas van de gemeentesecretaris of van de door hem aangestelde rekenplichtigen, controleert zij de juistheid en volledigheid van de boekhouding als het ambt van de financieel beheerder, de gemeentesecretaris of rekenplichtige beëindigd wordt, controleert zij het ontwerp van de jaarrekening en evalueert zij het ICS en de naleving ervan. Wanneer de externe auditcommissies effectief werkzaam zullen zijn en op welke wijze dit in de praktijk zal worden georganiseerd, moet worden beslist door de Vlaamse Regering.
Nieuwe verantwoordelijkheden voor secretaris en financieel beheerder inzake gemeentelijke financiën Het Gemeentedecreet heeft voor gevolg dat de taken en verantwoordelijkheden van secretaris en ontvanger enigszins anders zullen worden ingevuld. We zetten hun belangrijkste bevoegdheden inzake gemeentefinanciën even op een rijtje. De gemeentesecretaris staat in voor de algemene leiding van de gemeentelijke diensten, inclusief de financiële dienst. Hij zorgt voor de interne controle op de werking van de gemeentelijke diensten en werkt daartoe een intern controlesysteem uit na overleg met het managementteam. In de hoedanigheid van voorzitter zorgt hij in overleg met het managementteam voor het opstellen van het voorontwerp van de strategische nota van het meerjarenplan en het voorontwerp van de beleidsnota van het budget. Er mag ook worden van uit gegaan dat de secretaris verschillende bevoegdheden die verband houden met dagelijks bestuur zal toegewezen krijgen van het college. In het kader van het budgethouderschap kan hij deze verder delegeren naar andere personeelsleden. Ook op het vlak van effectieve betalingen en de inning van kasgelden draagt de secretaris in de toekomst verregaande verantwoordelijkheden. Hij controleert de wettigheid en de regelmatigheid van de betalingen en plaatst een eerste handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling. In principe is de secretaris tevens bevoegd voor de kasverrichtingen. Hij kan deze bevoegdheid echter ook aan één of meer personeelsleden overdragen. In het Gemeentedecreet spreekt men niet meer van een ontvanger, maar over een financieel beheerder. Het gaat hier om meer dan een loutere naamswijziging. De financieel beheerder staat niet meer zoals de vroegere ontvanger onder het gezag van het college, maar onder de functionele leiding van de gemeentesecretaris. In overleg met het managementteam zorgt de financieel beheerder voor het voorontwerp van de financiële nota van het meerjarenplan en van het jaarlijks budget, inclusief de budgetwijzigingen en de interne kredietaanpassingen. Hij is verantwoordelijk voor het voeren van de boekhouding, de actualisatie van de inventaris en de opmaak van de jaarrekening. Door het plaatsen van een tweede handtekening op de betalingsopdracht aan de financiële instelling kan de definitieve uitvoering van de girale betalingen doorgaan. De financieel beheerder is ook verantwoordelijk voor het thesauriebeheer. In het kader hiervan kan hij autonoom beslissen over alle interne verrichtingen. Daarnaast is hij volledig onafhankelijk voor wat betreft de voorafgaande krediet- en wetmatigheidcontrole van de beslissingen van de gemeente met een budgettaire en financiële impact binnen de grenzen bepaald door de Vlaamse Regering en de gemeente zelf en voor wat betreft het debiteurenbeheer, in het bijzonder de invorderingen van de fiscale en niet-fiscale ontvangsten.
41
Nieuwigheden betreffende personeelszaken Titel III van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 bevat de bepalingen over de leden van het gemeentepersoneel en over het betreffende personeelsbeleid. Het is de bedoeling van de decreetgever, om de gemeentebesturen soepeler en pragmatischer te laten omspringen met hun personeelsbeheer. 1.
42
De personeelsformatie
Vanaf 1 januari 2006 gelden nieuwe regels voor de personeelsformatie. De formatie omvat de opsomming van het aantal en de soorten betrekkingen binnen een bestuur. Het betreffen alle betrekkingen die het bestuur nodig heeft om de permanente personeelsbehoeften te dekken. De betrekkingen voor een uitzonderlijke of tijdelijke personeelsbehoefte, voor een in de tijd beperkte actie of voor een buitengewone toename van het werk staan dus buiten de formatie. Dit geldt ook voor de vervangingsovereenkomsten. Vervangingen zijn immers geen betrekkingen, maar de invulling van al bestaande betrekkingen die tijdelijk niet bezet zijn. Betrekkingen die een permanente personeelsbehoefte dekken en die ingesteld worden in het kader van: - aanvullende of specifieke opdrachten; - een activiteit door een andere overheid gesubsidieerd; - een activiteit in mededinging met andere marktdeelnemers (bijvoorbeeld consultancybureau, HRM-bureau, architectenbureau) worden wel in de formatie opgenomen. Gesco’s worden niet in de formatie geplaatst. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld tewerkstellingen in het kader van een startbaanovereenkomst, Smetbanen, activaplan, sociale maribel culturele sector, artikel 60 § 7 O.C.M.W.-Wet en maatregelen ter herverdeling van de arbeid in de openbare sector. Wel in de formatie opgenomen -betrekkingen voor permanente personeelsbehoefte -betrekking ingesteld in kader van: - aanvullende of specifieke opdrachten; - een activiteit door een andere overheid gesubsidieerd; - een activiteit in mededinging met andere marktdeelnemers
2.
Niet in de formatie opgenomen -betrekking voor uitzonderlijke of tijdelijke personeelsbehoefte -betrekking voor een in de tijd beperkte actie -betrekking voor een buitengewone toename van het werk -vervangingsovereenkomsten -gesco’s -startbaanovereenkomsten, Smetbanen, activaplan, sociale maribel culturele sector, artikel 60 § 7 O.C.M.W.-Wet en maatregelen ter herverdeling van de arbeid in de openbare sector.
De rechtspositie van het personeel
De rechtspositie van het gemeentepersoneel blijft per definitie statutair. Toch komen er meer mogelijkheden voor contractuele aanwervingen. Dat is het geval voor gesubsidieerde activiteiten, activiteiten in mededinging met andere marktdeelnemers en voor taken die een
bijzondere expertise vragen (bijvoorbeeld ICT-manager, HRM-manager met specialisatie). In de artikelen 104 en 105 wordt de bevoegdheid om de personeelsformatie en de rechtspositieregeling vast te stellen, toegekend aan de gemeenteraad. In artikel 116 krijgt de Vlaamse Regering de bevoegdheid minimale voorwaarden vast te stellen voor de formatie, de rechtspositie en de toepassing van het mandaatstelsel. Aan deze toestand komt nu een einde. De Vlaamse Regering kan en moet zelfs, in uitvoering van het Gemeentedecreet, voortaan de basisregels van de rechtspositie van het personeel vastleggen in uitvoeringsbesluiten. Het gaat hier om verplichte en dus rechtstreeks dwingende bepalingen die voorrang hebben op de plaatselijke statuten en reglementen. In de eerste fase is het wel even opletten. Artikel 313 bepaalt immers dat de artikelen 102 tot 117 in werking treden op 1 januari 2006. De Vlaamse Regering heeft op dit moment echter nog geen uitvoeringsmaatregelen getroffen (behoudens dan het besluit i.v.m. het mandaatstelsel). Dit impliceert dat in afwachting, de plaatselijke statuten integraal van toepassing blijven. Van zodra het besluit van de Vlaamse Regering wordt uitgevaardigd, zal dan moeten gekeken worden hoe die bepalingen moeten worden vertaald in de personeelsstatuten. Wat het niet gesubsidieerd onderwijzend personeel betreft, kan de gemeenteraad voorzien dat er afgeweken wordt van de rechtspositieregeling die voor het gemeentepersoneel werd vastgelegd. De benoeming of aanstelling van het personeel wordt de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen. Het kan deze bevoegdheid ook delegeren naar de secretaris. Die kan ze niet verder delegeren. De bevoegdheid van het college vloeit voort uit zowel artikel 57, als artikel 106 van het Gemeentedecreet. Artikel 106 is in werking getreden op 1 januari 2006. Hieruit mag echter niet worden afgeleid dat het college vanaf dan ook statutair personeel kan aanstellen. Ook na 1 januari 2006 is de gewone aanstellende overheid immers nog altijd de gemeenteraad. Artikel 100 bepaalt immers dat het college vanaf 2006 de aanstellende overheid is, met uitzondering echter van de gevallen waarin door of krachtens de wet of het decreet die bevoegdheid is opgedragen aan de gemeenteraad. Omdat artikel 57 van het Gemeentedecreet (bevoegdheid van het college) nog niet in werking is getreden en artikel 149 van de Nieuwe Gemeentewet (gemeenteraad benoemt het personeel) nog altijd van kracht is, blijft de gemeenteraad bevoegd. Voor die besturen waar het schepencollege over een gedelegeerde bevoegdheid beschikt, verandert er uiteraard niets. Hier kan het college ook na 1 januari 2006 verder beslissen tot aanstelling van het personeel. Voor de andere besturen kan de gemeenteraad ook na 1 januari 2006, maar vóór 1 januari 2007 nog een dergelijk delegatiebesluit nemen en/of het bestaande delegatiebesluit uitbreiden. De aanstelling en ontslag van de (adjunct-)secretaris, de financieel beheerder en de leden van het managementteam gebeurt door de gemeenteraad. Deze kan vanaf 1 januari 2007, de aanstelling van de leden van het managementteam delegeren naar het college en verder naar de secretaris, met uitzondering voor de (adjunct-)secretaris en de financieel beheerder. De aanstellende overheid is ook de tuchtoverheid, ook bij delegatie van bevoegdheid. De rechtspositieregeling die de gemeenteraad vaststelt voor het personeel kan voorzien in een mandaatstelsel. Er is wel een overgangsmaatregel voorzien waardoor dit mandaatstelsel
43
pas in werking treedt bij de eerste benoeming of aanstelling in een betrekking, nadat de rechtspositieregeling erin voorziet. Op die manier worden de verworven rechten van de vaste benoeming of aanstelling van onbepaalde duur van de personeelsleden die in dienst zijn, gewaarborgd. Wel kan de gemeenteraad al beslissen om voor nieuwe vacatures, die uitgeschreven worden vanaf de publicatie van het decreet, het mandaatstelsel toe te passen. Conform artikel 116 § 1, 3° diende de Vlaamse Regering wel de minimale voorwaarden voor de toepassing van het mandaatstelsel vast te stellen. Bij besluit van 10 februari 2006 heeft de Vlaamse Regering hier uitvoering aan gegeven. Artikel 108 van het Gemeentedecreet stelt de algemene principes vast op het gebied van de deontologische rechten en plichten. De plaatselijke deontologische code die de gemeenteraad als gevolg van artikel 112 moet vaststellen, moet die principes concretiseren.
44
De evaluatie, met inbegrip van de rechtsgevolgen ervan, worden nader geregeld door de gemeenteraad in de rechtspositieregeling. De gemeentesecretaris krijgt als hoofd van het gemeentepersoneel de opdracht om naar aanleiding van de evaluatie voor zoveel als nodig maatregelen te nemen met het oog op het verbeteren van het functioneren van het betrokken personeelslid. 3.
Het bestuurlijk toezicht
De regeling inzake het toezicht op de personeelsformaties werd in artikel 117 van het Gemeentedecreet vereenvoudigd. Als enige voorwaarde geldt nu dat de financiële haalbaarheid ervan moet worden aangetoond. Dit gebeurt via de financiële nota van het meerjarenplan. De gemeenten bepalen vrij het aantal en het niveau van de betrekkingen. Maar zij moeten er wel voor zorgen dat de formatie past in het financieel beleid en het noodzakelijk evenwicht van de financiën. De gevolgen van de formatie moeten tot uiting komen in een sluitend meerjarenplan. Als een inschrijving van de volledige weerslag gebeurt, zowel in het budget van het jaar zelf als in het meerjarenplan, is de financiële haalbaarheid vanzelfsprekend al aangetoond. Maar de gemeente kan in de meerjarenplanning ook rekening houden met de concrete invulling van de in de formatie opgenomen betrekkingen, gespreid over meerdere jaren. De gemeenteoverheid moet zich dan nadien vanzelfsprekend aan dit schema houden of het wijzigen. De omzendbrief1 stelt dat het niet langer verplicht is een personeelsbehoeftenplan op te maken voor het indienen van een personeelsformatie of een wijziging ervan. Conform de vroegere regeling van het toezichtsdecreet van 28 april 1993 was de toezichthoudende overheid verplicht te schorsen indien een dossier werd voorgelegd zonder een duidelijk behoeftenonderzoek en/ of zonder organogrammen, functiebeschrijvingen en prestatiegegevens. Toch heeft een grondig behoeftenonderzoek zeker nog een waarde, al was het maar om de raadsleden de mogelijkheid te bieden om zich met kennis van zaken te kunnen beraden en te kunnen uitspreken over de noodzaak van een formatiewijziging. De gemeente moet zich vanzelfsprekend ook houden aan de formele rechtsregels die van toepassing zijn gesteld op het gebied van de personeelsaangelegenheden. Zo zijn er bijvoorbeeld de beslissingen van de Vlaamse Regering die genomen zijn of zullen genomen worden in uitvoering van het decreet, zoals op het vlak van de minimale voorwaarden betreffende de rechtspositieregeling, het mandaatstelsel of de personeelsformatie zelf. Daarnaast moeten de gemeenten zich eveneens houden aan de eigen interne regels, waartoe zij zelf hebben
besloten. Tot slot gelden de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, bijvoorbeeld de motiveringsplicht of het gelijkheidsbeginsel. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State maken zij immers deel uit van het recht. 4.
De tuchtregeling
Inzake de bepalingen betreffende de tuchtaangelegenheden, dient allereerst opgemerkt te worden dat deze nog niet in werking zijn getreden. De Vlaamse Regering dient de datum van inwerkingtreding nog vast te stellen. De tuchtsancties worden van 7 sancties teruggebracht tot 5 tuchtstraffen, namelijk: 1° de blaam 2° de inhouding van het salaris (maximum 6 maanden en maximum 20% van het brutosalaris) 3° de schorsing 4° het ontslag van ambtswege 5° de afzetting. Ook de bevoegdheid om een tuchtsanctie uit te spreken wordt gewijzigd. Zo zijn er drie tuchtoverheden, namelijk de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen of de secretaris. De gemeenteraad behoudt de bevoegdheid als tuchtoverheid voor de (adjunct-)secretaris en de financieel beheerder. Het decreet voorziet voor de gemeenteraad de mogelijkheid om onder zijn leden een tuchtcommissie op te richten. Het college van burgemeester en schepenen treedt op ten aanzien van het overige statutaire personeel. De aanstellingsbevoegdheid kan door het college wel aan de gemeentesecretaris gedelegeerd worden. In deze hypothese is de gemeentesecretaris ook de bevoegde tuchtoverheid. Artikel 130 bepaalt dat de tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek te starten. De verjaringstermijn verjaart na een termijn van zes maanden, maar wordt gestuit als er een strafvordering wordt ingesteld. Een strafrechtelijke procedure verhindert immers niet dat een tuchtvordering wordt uitgeoefend noch dat een tuchtstraf wordt uitgesproken. Er is immers een algemeen rechtsbeginsel luidens hetwelk “le criminel tient de disciplinaire en état” (zie bijvoorbeeld R.v.St., Golinveau, nr. 98.172, 7 augustus 2001). Wanneer een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, kan het betrokken personeelslid binnen de zestig dagen na kennisname een verzoek tot intrekking van de tuchtsanctie instellen. Op het vlak van het administratief toezicht is de belangrijkste wijziging dat het beroep tegen tuchtstraffen niet langer wordt behandeld door de Vlaamse Regering, maar door een “beroepscommissie voor tuchtzaken”. De Vlaamse Regering moet hiervoor de samenstelling, de werking en de procedureregels nog vaststellen. Deze beroepscommissie beschikt over een hervormingsrecht. Het beroep schorst de beslissing, met uitzondering van de preventieve schorsing. Het betrokken personeelslid kan om de openbaarheid van de hoorzittingen van de beroepscommissie verzoeken. Na een vernietiging van een tuchtstraf kan het bestuur beslissen de tuchtrechtelijke vervolging te hernemen, waarbij ze nu een minimumtermijn van drie maanden gegarandeerd krijgt.
45
Met “hernemen” wordt bedoeld het “verderzetten van de procedure vanaf het punt waar de procedure misliep”. Bij intrekking beschikt het bestuur enkel over de resterende termijn en niet over een nieuwe minimumtermijn. De doorhaling van de tuchtsanctie zal automatisch gebeuren.
Wat de preventieve schorsing betreft, diende in het verleden de betrokken ambtenaar in hoogdringende gevallen onverwijld te worden gehoord over de beslissing tot preventieve schorsing. Conform de bepalingen van het Gemeentedecreet moet de betrokkene in hoogdringende gevallen binnen de acht dagen na de uitspraak worden gehoord over de preventieve schorsing.
46
Zoals eerder reeds vermeld, treden de bovenvermelde principes echter pas in werking wanneer de Vlaamse Regering daartoe een beslissing heeft genomen.
(Eindnoten) 1 Omzendbrief BA 2006/01 van 13 januari 2006 betreffende het Gemeentedecreet en het provinciedecreet; inwerkingtreding van de bepalingen inzake het bestuurlijk toezicht
Een nieuwe bevoegdheidsverdeling bij overheidsopdrachten De wijzigingen die het Gemeentedecreet zullen meebrengen op het vlak van gemeentelijke overheidsopdrachten, komen grotendeels neer op de “nieuwe” bevoegdheidsverdeling die het decreet voorziet. De bevoegdheden van de gemeenteraad worden geregeld in Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling III (artikel 42 en artikel 43) van het Gemeentedecreet. Onder dezelfde titel, maar dan in Hoofdstuk II, Afdeling III (artikel 57 en artikel 58) van het Gemeentedecreet worden de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen besproken. De Vlaamse Regering bepaalt voor de genoemde artikelen de dag waarop ze in werking treden (zie artikel 313 van het Gemeentedecreet). Ze zullen hoogstwaarschijnlijk pas van toepassing worden bij de nieuwe legislatuur. Hierna geven we een beknopte toelichting. 1.
Wie doet wat?
In tegenstelling tot de gemeenteraad, die over de volheid van bevoegdheid beschikt, heeft het college van burgemeester en schepenen enkel toegewezen bevoegdheden. Zo is het college van burgemeester en schepenen ondermeer bevoegd voor: - het voeren van de gunningsprocedure, de gunning en de uitvoering van overheidsopdrachten (artikel 57 §3, 4°); - de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheidsopdrachten als het gaat om een opdracht van dagelijks bestuur (artikel 57 §3, 5°); - de vaststelling van de wijze van gunning en de voorwaarden van overheids opdrachten als de opdracht nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen en de gemeenteraad de wijze van gunning en de voorwaarden niet zelf heeft vastgesteld (artikel 57 §3, 6° van het Gemeentedecreet). Daarnaast oefent het college vanzelfsprekend de bevoegdheden uit die de gemeenteraad aan het college heeft gedelegeerd. Een aantal bevoegdheden van die gemeenteraad kan weliswaar niet aan het college worden toevertrouwd. Daartoe behoren: - het vaststellen van welke opdrachten voor werken, leveringen en diensten kunnen beschouwd worden als opdrachten van dagelijks bestuur in relatie tot overheidsopdrachten (artikel 43 §2, 10°); - het vaststellen van de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten worden toegewezen en de voorwaarden ervan, behalve indien de opdracht nominatief in het vastgestelde budget is opgenomen en onverminderd de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen inzake opdrachten van dagelijks bestuur (artikel 43 §2, 11° van het Gemeentedecreet). Het is m.a.w. niet toegelaten dat de gemeenteraad aan het college de bevoegdheid toevertrouwt over de beslissingen omtrent het vaststellen van de gunningswijze en –voorwaarden van de overheidsopdrachten die niet tot het dagelijks bestuur behoren en die niet afzonderlijk in het vastgestelde budget voorzien en omschreven zijn. Zoniet betreft het immers een toegewezen bevoegdheid van het college overeenkomstig
47
artikel 57 §3, 5° en 6° van het Gemeentedecreet. Het college van burgemeester en schepenen kan ook bij reglement de uitoefening van bepaalde bevoegdheden toevertrouwen aan de gemeentesecretaris (zie artikel 58 van het Gemeentedecreet; dit kan echter niet voor o.a. artikel 57 §3, 6°). Bij de delegatie van zo’n bevoegdheid kan het college bepalen dat de gemeentesecretaris die bevoegdheid op zijn beurt kan toevertrouwen aan andere personeelsleden van de gemeente. De gemeente moet zelf haar inwendige spelregels vastleggen en zelf omschrijven wat het begrip “dagelijks bestuur” inhoudt.
48
De hier besproken bevoegdheden kunnen in elkaar gepuzzeld worden tot een schema (zie bijlage). 2.
Toelichtende voorbeelden
De gemeenteraad kan bij het budget bepaalde overheidsopdrachten (in de praktijk in hoofdzaak investeringen) duidelijk omschrijven en bepalen welke voorwaarden in acht moeten genomen worden bij het opstellen van het lastenboek. Een voorbeeld: “Heraanleg van de Kerkstraat, waarbij rekening moet gehouden worden met de verkeersveiligheid en de bescherming van de zwakke weggebruiker en er tevens aandacht moet zijn voor de nodige groenvoorzieningen”. De gemeenteraad bepaalt zelf hoe ver hij gaat in de detaillering en de precisering van deze opdracht. Indien deze opdracht afzonderlijk omschreven is in de toelichtende nota bij het budget en nominatief in het budget voorzien is, kan de gemeenteraad bij afzonderlijke beslissing het bepalen van de wijze van gunning en de gunningsvoorwaarden delegeren naar het college. Het college kan dan zelf de wijze van gunning en de voorwaarden bepalen, doch binnen de inhoudelijke krijtlijnen die vastgesteld werden door de gemeenteraad. Indien deze opdracht niet nominatief in het budget voorzien is, kan de gemeenteraad, althans voor de opdrachten die het dagelijks bestuur te buiten gaan, het bepalen van de wijze van gunning en de gunningvoorwaarden niet delegeren naar het college. De gemeenteraad is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van de wijze van gunning en de gunningsvoorwaarden. Deze werkwijze draagt ertoe bij dat de grote inhoudelijke krijtlijnen van overheidsopdrachten door de gemeenteraad bepaald worden, doch de verdere uitwerking en het bepalen van de eerder technische modaliteiten (bijvoorbeeld type van bestrating, voorwaarden waaraan de aannemers moeten voldoen, enz.) aan het college kunnen toevertrouwd worden. De vermelde bevoegdheid van de gemeenteraad in dit 11° punt van artikel 42 §2 van het Gemeentedecreet strekt zich niet uit tot de zaken van dagelijks bestuur, die rechtstreeks onder de bevoegdheid van het college ressorteren, met mogelijkheid van delegatie aan de gemeentesecretaris. Het college, of bij delegatie de gemeentesecretaris, stelt terzake de wijze van gunning en de gunningvoorwaarden vast en wijst de opdracht toe overeenkomstig de wet op de overheidsopdrachten. Er worden ruime mogelijkheden van delegatie gecreëerd op maat van het bestuur: van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en schepenen, bijvoorbeeld inzake overheidsopdrachten, maar ook van het politieke naar het ambtelijke niveau. Zo kan bijvoorbeeld in de mogelijkheid worden voorzien dat het schepencollege een bevoegdheid kan delegeren naar de gemeentesecretaris. We spreken dan van een
“taakstellend budgethouderschap”, wat een mogelijkheid is om ook ambtenaren volledig te responsabiliseren. Een voorbeeld: de gemeentelijke infoambtenaar. Vandaag zorgt die voor de redactie van teksten voor het gemeentelijk infoblad. In het kader van een taakstellend budgethouderschap, waar lokaal wordt voor gekozen of niet, kan ervoor worden gezorgd dat die persoon de wettelijke mogelijkheid krijgt om de gunning te organiseren voor het drukken van het infoblad of zelfs de mogelijkheid om het besteld te krijgen bij de inwoners van de gemeente. 3.
Maatwerk
De rode draad die doorheen het Gemeentedecreet loopt, kan samengevat worden onder de term “maatwerk”: de concrete uitwerking van haar organisatiestructuur wordt aan de gemeente zelf overgelaten, zodat deze optimaal kan afgestemd worden op haar specifieke noden. Het decreet legt in dit verband geen inhoudelijke grenzen vast. Heel wat aspecten in het Gemeentedecreet zijn facultatief, zodat ze wel kunnen, maar niet moeten. Dat geldt bijvoorbeeld voor de delegatiebevoegdheid bij overheidsopdrachten. Het gaat om een mogelijkheid tot delegatie die de gemeente zelf vrij concretiseert, rekening houdend met haar eigen kenmerken (organisatiemodel, omvang en cultuur). Die delegatie is evenwel limitatief bedoeld, want de gemeenteraad blijft het uitgangspunt. De wetgeving op de overheidsopdrachten moet alleszins gerespecteerd worden, of dat nu gebeurt door de gemeenteraad, het schepencollege, de gemeentesecretaris of andere personeelsleden.
49
Referenties Afdeling Vlaams-Brabant, Nieuwsbrief 2005-06, 16 december 2005 ANTHIERENS, G., “Provincie- en Gemeentedecreet”, in Vanden Broele (ed.), Presentatie actualia overheidsopdrachten 22 februari 2006, Leuven, Vanden Broele, 2006, 9 p. DECOSTER, G., “Vlaams Gemeentedecreet in de steigers: meer mogelijkheden voor gemeenten om zelf hun bestuur te organiseren”, Binnenband, juni 2005, 1-9 DECOSTER, G., “Gemeentedecreet definitief goedgekeurd in Vlaams Parlement”, Binnenband oktober 2005, 5-6.
50
DECOSTER, G., “Gemeentedecreet brengt ook wijzigingen aan in de organisatie van het bestuurlijk toezicht”, Binnenband, februari 2006, 2-7. DOBBELAERE Bart, “Autonomer en democratischer” Minister van Binnenlands Bestuur, Marino Keulen (VLD), over zijn gemeentedecreet, De Standaard, 16 maart 2005 Gemeentedecreet (Vlaams Parlement 6 juli 2005 - Vlaamse Regering 15 juli 2005 - B.S. 31 augustus 2005) Memorie van toelichting bij het Gemeentedecreet (Vlaamse Regering 25 mei 2005) Omzendbrief BA 2006/01 van 13 januari 2006 betreffende het Gemeentedecreet en het Provinciedecreet; inwerkingtreding van de bepalingen inzake het bestuurlijk toezicht. Ontwerp van Gemeentedecreet - Verslag, Parl. St., Vlaams Parlement 2004-2005, nr. 347/6. STEVENS, C., “Tucht in de lokale besturen”, Binnenband, oktober 2005, 17-24. Studiedag ‘Het Gemeentedecreet’, PIVO, Provinciehuis Leuven, november 2005 VERVLOESSEM Jeroen, “Het administratief toezicht: van controleur naar partner?”, Studiedag “Het gemeentedecreet”, PIVO, Asse/Leuven, oktober/november 2005
Nuttige links Gemeentedecreet en Memorie van toelichting bij het Gemeentedecreet http://www.binnenland.vlaanderen.be/regelgeving/wetgeving.htm Ontwerp van Gemeentedecreet - Verslag http://binnenland.vlaanderen.be/HRBB/dossiers/gemeentedecreet05/CBA_verslag_gd.pdf
51
Hoofdstuk 4
EREDIENSTEN, BEGRAAFPLAATSEN EN LIJKBEZORGING
Hoofdstuk 4
EREDIENSTEN, BEGRAAFPLAATSEN EN LIJKBEZORGING
54 Het Decreet van 20 januari 2006 houdende aanpassing van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten Het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten stelde dat de aangestelde of verkozen leden van de raden van de lokale entiteiten, van rechtswege ontslagnemend zijn wanneer zij de leeftijd van 75 jaar bereiken (de artikelen 10, 90, 126, 162, 198 en 241 van het decreet). Met zijn arrest nr. 152/2005 van 5 oktober 2005 heeft het Arbitragehof de artikelen 10 en 126 (voor de rooms-katholieke en de anglicaanse eredienst) vernietigd. Het Hof oordeelde dat een leeftijdsgrens die op absolute wijze geldt, een hele categorie van bejaarde gelovigen, die in elke geloofsgemeenschap steeds groter wordt, uitsluit van elk medebeheer van de materiĂŤle goederen. Deze maatregel is onevenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling van een verjonging van de bestuursorganen. In de maanden die volgden op de inwerkingtreding van het decreet op 1 maart 2005 hebben de kerkraden hun bestuursleden aangesteld of verkozen, uiteraard rekening houdend met deze leeftijdsgrens. Een vernietiging door het Arbitragehof houdt in dat de vernietigde bepaling geacht wordt nooit te hebben bestaan. Dit heeft juridische gevolgen voor de rooms-katholieke en de anglicaanse erediensten, meer bepaald voor de samenstelling van de plaatselijke kerkraden en de centrale besturen. Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering heeft hierover een brief gestuurd naar de representatieve organen van de rooms-katholieke en de anglicaanse eredienst. Om aan de juridische implicaties tegemoet te komen met een minimum aan administratieve lasten voor de betrokken besturen beveelt de minister de volgende werkwijze aan: 1.
Voor de rooms-katholieke eredienst
- -
het representatieve orgaan organiseert met een brief aan de verantwoordelijke van de eredienstentiteit een nieuwe oproep tot kandidaten; deze oproep wordt in de rooms-katholieke parochies bekend gemaakt op dezelfde
- - - - -
wijze als bij de vorige aanstelling, met dien verstande dat melding wordt gemaakt van de vernietiging door het Arbitragehof van de leeftijdsgrens van 75 jaar; de oorspronkelijke kandidaten voor het lidmaatschap worden geacht opnieuw kandidaat te zijn; de nieuwe kandidaturen worden op korte termijn ingewacht; vervolgens richt de verantwoordelijke van de rooms-katholieke parochie zijn voorstel aan het representatieve orgaan, dat de nieuwe aanstellingen doet. Waar het voorstel niet is gewijzigd kan de eerdere aanstelling worden hernomen; op de eerstvolgende vergadering van de kerkraad worden de bijzondere mandatarissen verkozen. Ook hier kan de oorspronkelijke toestand hernomen worden als er niets wordt gewijzigd; voorzover al centrale kerkbesturen zijn opgericht, zal ook hier de procedure moeten worden hernomen, alsook de verkiezing van de bijzondere mandatarissen.
2. Voor de anglicaanse eredienst - - - - - - -
het representatieve orgaan organiseert met een brief aan de verantwoordelijke van de eredienstentiteit een nieuwe oproep tot kandidaten; deze oproep wordt in de anglicaanse parochies bekend gemaakt op dezelfde wijze als bij de vorige aanstelling, met dien verstande dat melding wordt gemaakt van de vernietiging door het Arbitragehof van de leeftijdsgrens van 75 jaar; de oorspronkelijke kandidaten voor het lidmaatschap worden geacht opnieuw kandidaat te zijn; de nieuwe kandidaturen worden op korte termijn ingewacht; de verantwoordelijke van de anglicaanse parochie organiseert de verkiezing in overeenstemming met artikel 125 van het decreet; op de eerstvolgende vergadering van de kerkraad worden de bijzondere mandatarissen verkozen; voorzover al een centraal kerkbestuur is opgericht, zal ook hier de procedure moeten hernomen worden, alsook de verkiezing van de bijzondere mandatarissen.
Teneinde discriminatie te vermijden tussen de rooms-katholieke en de anglicaanse eredienst enerzijds en de andere erkende erediensten anderzijds, heeft het Vlaams Parlement bij decreet van 20 januari 2006 ook de artikelen 90, 162, 198 en 241 van het decreet van 7 mei 2004 opgeheven. Hierdoor wordt de leeftijdsgrens dus ook voor de protestantse, IsraĂŤlitische, orthodoxe en islamitische eredienst opgeheven. Voor de lokale entiteiten van deze vier erediensten komt de rechtsgeldigheid van de huidige samenstelling van de bestuursorganen niet in het gedrang. De leeftijdsgrens wordt immers voor de toekomst opgeheven. Bij de eerstvolgende gedeeltelijke herverkiezing van de lokale eredienstentiteiten in 2008 zal er wel rekening mee moeten worden gehouden dat ook personen van meer dan 75 jaar zich kandidaat mogen stellen. Ook geldt de leeftijdsgrens niet langer bij de invulling van opengevallen mandaten en voor leden die de leeftijdsgrens van 75 jaar bereiken. Op deze wijze is de leeftijdsgrens dus afgeschaft voor alle erkende erediensten. Referentie Decreet van 20 januari 2006 houdende aanpassing van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten, B.S. 17 februari 2006.
55
Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten
1.
56
Inleiding
In uitvoering van het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten heeft de Vlaamse Regering met haar besluit van 30 september 2005 de criteria voor de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen vastgesteld. Het zijn de representatieve organen van de erkende erediensten die een aanvraag tot een dergelijke erkenning kunnen richten aan de Vlaamse Regering. De entiteiten die erkend werden door de regelgeving voorafgaand aan het decreet, blijven hun erkenning behouden. Het besluit is bijgevolg vooral belangrijk voor nieuwe kerk- en geloofsgemeenschappen van erkende erediensten. Ook de lopende erkenningsaanvragen vallen onder het nieuwe besluit, omdat in de slotbepalingen is voorzien dat die aanvragen geacht worden te zijn ingediend op grond van het Besluit van 30 september 2005. In de toekomst zouden ook nieuwe entiteiten die in de plaats komen van bestaande erkende entiteiten (bijvoorbeeld als gevolg van een fusieoperatie) overeenkomstig dit besluit aan de Vlaamse Regering een erkenning kunnen aanvragen. Door een erkenning verkrijgen de lokale kerk- en geloofsgemeenschappen rechtspersoonlijkheid. Er zijn eveneens belangrijke financiële gevolgen. De gemeenten moeten immers tussenkomen wanneer er tekorten zijn (rooms-katholieke, protestantse, anglicaanse en Israëlitische entiteiten). 2.
De erkenningsvoorwaarden
Om in aanmerking te komen voor een erkenning moet het representatief orgaan een gemotiveerde aanvraag tot erkenning van een plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap bij een ter post aangetekende brief indienen bij de Vlaamse Regering. Vooraleer een aanvraagdossier wordt ingeschreven in het aanvraagregister, moet het minimaal de volgende stukken bevatten: 1. de identificatie van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap: naam, rechtsvorm, denominatie (religieuze strekking binnen een bepaalde eredienst), verantwoordelijke. 2. de gebiedsomschrijving 3. gegevens over de infrastructuur: alle eredienstgebouwen, adres, aard van beschikkingsrecht, oppervlakte, welk is het hoofdgebouw,… 4. gegevens over de infrastructuur: andere dan louter eredienstgebouwen, adres, aard van beschikkingsrecht, reden van gebruik,… 5. de inventaris van de patrimoniale en financiële toestand: vermogen, inkomsten en uitgaven, leninglasten,… 6. een financieel plan voor de komende drie jaar 7. de melding of aan de federale overheid één of meer bezoldigde bedienaars worden aangevraagd 8. een toelichtende nota waaruit de maatschappelijke relevantie van de plaatselijke gemeenschap blijkt met een benaderende opgave van het aantal gelovigen en de wijze van inschakeling in de betrokken gemeenschap (gebruik van het Nederlands en contacten met bestuurlijke overheden)
9. - - - - 10.
een aantal schriftelijke verklaringen: naleving van de taalwetgeving het voldoen van haar geestelijke bedienaars aan de inburgeringsplicht individuen weren die handelen of oproepen om te handelen in strijd met de grondwet en het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het weren, behoudens incidentele overmacht, van individuen en activiteiten die strijdig zijn met de grondwet en het verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden. naam en adres van de contactpersoon van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschap.
3.
De erkenningsprocedure
Een aanvraag die niet de bovenstaande gegevens bevat, wordt ter vervollediging teruggestuurd. Als het dossier volledig is, wordt het ingeschreven in een aanvraagregister. Aan de minister van Justitie wordt een afschrift van de geregistreerde aanvraag gestuurd. De Vlaamse Regering beoordeelt de aanvragen op basis van een aantal criteria. Deze criteria zijn gelinkt aan de themata die minimaal aan bod moeten komen in het aanvraagdossier: - de volledigheid van het dossier; - de financiële leefbaarheid van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschap; - de maatschappelijke relevantie; - de correcte toepassing van de taalwetgeving; - de verbintenissen m.b.t. de inburgeringsplicht, eerbiediging van de grondwet en van het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voor de Vlaamse Regering haar beslissing neemt over de erkenning, wint zij het advies in van de gemeenteraden van de gebiedsomschrijving, alsook van de gemeente- of provincieraden die zullen moeten bijdragen in het budget. Deze adviezen moeten binnen de vier maanden verstuurd worden aan de Vlaamse Regering, zoniet worden zij geacht gunstig te zijn. De Vlaamse Regering neemt een beslissing bij gemotiveerd besluit. Dit erkenningsbesluit bevat desgevallend de verdeelsleutel van de kosten tussen de openbare besturen die betrokken zijn bij grensoverschrijdende plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschappen, na het inwinnen van hun advies ter zake. De Vlaamse Regering geeft, bij aangetekend schrijven, kennis van dit besluit aan de aanvrager. Zij stuurt ook een afschrift ervan aan de minister van justitie en, naar gelang van het geval, aan de betrokken gemeente(n) of provincie(s). 4.
Opheffing van de erkenning
Bij gemotiveerd besluit kan de Vlaamse Regering de erkenning van een plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap opheffen als die niet meer voldoet aan één of meerdere erkenningscriteria. Voorafgaand vraagt zij aan de aanvrager een dossier dat vergelijkbaar is met een aanvraagdossier, en dat verantwoordingsstukken en elementen bevat met betrekking tot de erkenningscriteria.
57
De aanvrager heeft hiervoor een termijn van 100 dagen. Na ontvangst van het dossier of na het verstrijken van de termijn van 100 dagen, wint de Vlaamse Regering het advies in van de betrokken gemeenteraden of provincieraden. De Vlaamse Regering stuurt, via een aangetekend schrijven, haar gemotiveerd besluit naar de aanvrager. Zij stuurt ook een afschrift ervan aan de minister van justitie en, naar gelang van het geval, aan de betrokken gemeente(n) of provincie(s).
58
Referentie - Besluit van de Vlaamse Regering van 30 september 2005 houdende vaststelling van de criteria voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten
Omzendbrief BA 2005/01 van 25 februari 2005 betreffende de toepassing van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, georganiseerd op gemeentelijk niveau Deze omzendbrief richt zich tot de nieuw te verkiezen of aan te stellen bestuursorganen van de erkende erediensten en tot de besturen waaraan is opgedragen tegemoet te komen in de tekorten van de eredienstbesturen. Hij behandelt de bepalingen van het decreet die op 1 maart 2005 in werking zijn getreden en heeft betrekking op de erediensten die georganiseerd zijn op gemeentelijk vlak en waarvoor de gemeenten moeten bijdragen in de tekorten, in het bijzonder de rooms-katholieke, de protestantse, de anglicaanse en de Israëlitische eredienst. Voor de twee andere erkende erediensten (de orthodoxe en de islamitische), is de provincie belast met de tegemoetkoming in de tekorten. Meer informatie daarover is terug te vinden in de omzendbrief BA-2005/02 van 25 februari 2005 betreffende de toepassing van het Decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, georganiseerd op provinciaal niveau. Dit artikel zal zich beperken tot de regelgeving voor de rooms-katholieke eredienst. Het decreet voorziet per erkende entiteit (parochie voor de rooms-katholieke) een lokaal bestuur: voor de rooms-katholieke eredienst is dit een kerkraad. Als er in één gemeente vier of meer kerkraden zijn, wordt er op gemeentelijk niveau voorzien in de oprichting van een centraal bestuur. 1.
Kerkraad
1.1.
Samenstelling
De raden werden samengesteld in april 2005. Per raad zijn er 5 verkozen of aangestelde leden. Daarnaast is er per raad ook een lid van rechtswege: de door de bisschop aangestelde verantwoordelijke van de parochie voor de rooms-katholieke eredienst (veelal, maar niet noodzakelijk de pastoor) of zijn vervanger. Voor het opstarten van de rooms-katholieke kerkraden in april 2005 is voorzien in een bijzondere regeling: de verantwoordelijke van de parochie maakt de vacatures bekend en organiseert binnen de parochie een oproep tot de kandidaten. Hij formuleert een voorstel aan de bisschop die voor elke kerkraad de vijf leden aanstelt. De raad en uiteindelijk het representatief orgaan spreken zich uit over bezwaren die tegen bepaalde kandidaten worden ingediend. De toezichthoudende overheid kan, op klacht of ambtshalve, de aanstellings- of verkiezingsverrichtingen toetsen aan de decretale voorschriften m.b.t.: - de verkiesbaarheidsvoorwaarden; - de onverenigbaarheden; - de bekendmaking van vacatures en kandidaten. De band met de betrokken eredienst, meer bepaald de eis dat de kandidaat rooms-katholiek is, wordt door de betrokken eredienst zelf bewaakt. Elke drie jaar is er een gedeeltelijke vernieuwing van de kerkraad. De uittredende leden worden vervangen door leden die de overige leden van de kerkraad gekozen hebben uit de lijst van kandidaat-leden. Bij de eerste vernieuwing worden drie uittredende leden door het lot
59
aangewezen, bij de tweede vernieuwing worden de twee overige leden vervangen. Als een lid in de loop van zijn mandaat moet vervangen worden, dan gebeurt dat op dezelfde manier als een uittredend lid bij een gedeeltelijke vernieuwing. Nadat de raden opnieuw zijn samengesteld, moeten ook de bijzondere mandatarissen worden verkozen. De voorzitter, de secretaris en de penningmeester worden door de ‘aangestelde’ of ‘verkozen’ leden uit hun midden verkozen bij afzonderlijke en geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij elke gedeeltelijke vernieuwing van de kerkraad, verkiest de raad opnieuw zijn bijzondere mandaten. De mandaten van voorzitter, secretaris en penningmeester zijn niet cumuleerbaar. De leden van rechtswege kunnen geen bijzonder mandaat opnemen. 1.2. Werking van de lokale raden
60
Bevoegdheden De raad heeft de “volheid van bevoegdheid”. Het bureau der kerkmeesters wordt afgeschaft. Alle bevoegdheden behoren toe aan één orgaan, behalve de uitdrukkelijk in het decreet aangegeven taken of bevoegdheden die aan één of meer bijzondere mandatarissen of aan het centraal kerkbestuur worden toegewezen. Verschillende bevoegdheden van de raad zijn expliciet in het decreet opgenomen. De opsomming ervan is evenwel niet limitatief. De opdrachten met betrekking tot het meerjarenplan en het jaarlijks budget gaan maar in op het ogenblik dat de bepalingen inzake het financiële beheer in werking zullen treden. In afwachting daarvan blijft de bestaande regeling van toepassing, weliswaar met de raad als beslissingsorgaan. De bevoegdheden van de voorzitter, de secretaris en de penningmeester zijn in het decreet opgesomd. De voorzitter en de secretaris worden onder meer belast met een aantal uitvoerende taken en bevoegdheden. In het kader van de overheidsopdrachten hebben ze, gezamenlijk optredend, een aantal specifieke bevoegdheden. Vergaderingen De raad vergadert zo dikwijls als nodig en ten minste eenmaal per kwartaal. Hij wordt vooraf door de voorzitter bijeengeroepen. De bijeenroeping vermeldt de plaats, de dag, het tijdstip en de agenda. De oproeping kan per brief of per elektronische drager. Ze moet ten minste acht kalenderdagen voor de dag van de vergadering worden verstuurd. Hoewel de voorzitter de agenda vaststelt, kan elk lid, dus ook het lid van rechtswege, punten aan de agenda toevoegen tot uiterlijk twee kalenderdagen vóór de vergadering. De vergaderingen van de raad zijn niet openbaar. Dat belet echter niet dat voor bepaalde agendapunten een deskundige erbij kan worden geroepen. Die deskundige mag echter niet aanwezig zijn bij de beraadslaging en de stemming. De raad kan slechts geldig beraadslagen als de meerderheid van de zittinghebbende leden aanwezig is. Zittinghebbende leden zijn leden die het mandaat van lid van de raad bezitten, hetzij als verkozen of aangesteld lid, hetzij als lid van rechtswege. De besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. Het is niet het aantal aanwezige leden dat bepalend is voor de berekening van de vereiste meerderheid, maar het aantal geldig uitgebrachte stemmen. Er wordt geen rekening gehouden met onthoudingen en ongeldige stemmen.
Verbodsbepalingen Het decreet regelt een aantal verbodsbepalingen met betrekking tot: - het deelnemen aan besprekingen of stemmingen met een rechtstreeks of onrechtstreeks (via bloed- of aanverwantschap) en persoonlijk belang. In die gevallen moet het betrokken lid de vergaderzaal verlaten; - het als advocaat of notaris tegen bezoldiging optreden voor of tegen het bestuur van de eredienst. Kosteloos optreden kan wel; - het rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen aan overeenkomsten zoals een pachtovereenkomst of een overheidsopdracht. Zo kan een lid niet zelf of via een tussenpersoon goederen verkopen aan of kopen van het bestuur van de eredienst. Deze verbodsbepalingen zijn geĂŻnspireerd op bepalingen in andere organieke regelgevingen voor lokale besturen. Voor het definiĂŤren van het rechtstreeks en persoonlijk belang kan bijgevolg verwezen worden naar de geldende rechtsleer en rechtspraak. Notulen De secretaris, of zijn vervanger, maakt de notulen van de vergaderingen op. Die notulen vermelden in chronologische volgorde alle besproken onderwerpen en het gevolg dat eraan gegeven wordt. Zij bevatten een weergave van de genomen beslissingen en van de motieven die eraan ten grondslag liggen. Ook de punten waarover geen besluit is genomen, worden vermeld. Uit de notulen moet blijken dat aan een aantal vormvereisten, die bepalend zijn voor de geldigheid van de vergadering of van de genomen besluiten, is voldaan. Het betreft: - de namen van de aanwezige leden (quorum); - de naam van de voorzitter en secretaris of hun plaatsvervanger; - de namen van de personen die niet deelnamen aan bepaalde beraadslagingen en stemmingen (verbodsbepalingen); - de uitslag van de stemming; - het geheim karakter van de stemming als dit wettelijk verplicht is. De notulen worden in de eerstvolgende vergadering van de raad, als eerste punt op de agenda, ter goedkeuring voorgelegd. Aangezien de notulen moeten worden verstuurd binnen een termijn van twintig dagen, die ingaat de dag na de vergadering, kan hiermee niet gewacht worden tot de notulen op de volgende vergadering zijn goedgekeurd. 2.
Centraal bestuur
2.1.
Samenstelling van de centrale besturen
In gemeenten waar vier of meer kerkfabrieken zijn, moet een centraal bestuur opgericht worden. In de gemeenten waar er minder dan vier kerkfabrieken zijn, nemen die kerkfabrieken de taken van het centraal kerkbestuur op zich. In gemeenten waar meer dan acht kerkfabrieken zijn, kan de Vlaamse Regering, op voorstel van de bisschop, machtiging verlenen tot de oprichting van twee of meer centrale kerkbesturen.
61
In het centraal kerkbestuur zetelen: - een vertegenwoordiger van de bisschop; - drie afgevaardigden van de kerkraden voor de groep tot vijf kerkfabrieken; één extra per groep van vijf kerkfabrieken; - één expert. De afgevaardigden van de raden in het centraal kerkbestuur worden verkozen door een vergadering van alle aangestelde of verkozen leden uit de raden in kwestie. Om geldig te beraadslagen moet de meerderheid van die leden aanwezig zijn. Na elke gedeeltelijke vernieuwing van de raden vindt een dergelijke verkiezing plaats. Een mandaat in het centraal kerkbestuur duurt bijgevolg drie jaar. De leden van rechtswege nemen niet deel aan deze verkiezingen.
62
Vervolgens stellen de vertegenwoordiger van de bisschop en de verkozen afgevaardigden van de raden, de expert aan. Die vertegenwoordiger en afgevaardigden bepalen in welk domein de expertise gezocht moet worden (technisch, financieel, juridisch, enzovoort). De voorzitter wordt verkozen onder de afgevaardigden van de raden. De secretaris wordt verkozen onder alle leden van het centraal kerkbestuur. Daar behoren dus ook de vertegenwoordiger van de bisschop en de expert bij. De mandaten van voorzitter en secretaris zijn niet cumuleerbaar. Het decreet voorziet niet in een exact tijdstip waarop de centrale kerkbesturen moeten worden samengesteld of in hun samenstelling worden vernieuwd. Toch verdient het aanbeveling om dit te laten plaatsvinden kort na de eerste samenstelling of kort na de daaropvolgende driejaarlijkse gedeeltelijke vernieuwingen van de kerkraden. De betrokken eredienst neemt hiervoor de nodige initiatieven. Er moet naar gestreefd worden dat de centrale kerkbesturen tegen juli 2005 voor de eerste keer samengesteld zouden zijn. Die streefdatum laat toe dat de centrale kerkbesturen al aangesproken kunnen worden door de gemeentelijke overheden en dat er een aanzet gegeven kan worden voor de beoogde goede communicatie, ook tussen de kerkraden en het centraal kerkbestuur. 2.2. Werking van de centrale besturen Bevoegdheden Het centraal kerkbestuur heeft limitatief opgesomde bevoegdheden. Het kan geen andere bevoegdheden uitoefenen dan die, bepaald in het decreet. Aangezien het merendeel van de bevoegdheden van het centraal kerkbestuur, zich situeert op het financiële vlak, zal het centraal kerkbestuur die taken pas kunnen opnemen bij de inwerkingtreding van de artikelen met betrekking tot het financiële beheer. Dat belet evenwel niet dat deze besturen nu al, zij het op een officieuze manier, coördinerend kunnen optreden met betrekking tot het huidige financiële beheer. Werking Er is geen penningmeester in het centraal bestuur. De secretaris is uitdrukkelijk belast met de boekhouding van het centraal kerkbestuur, met de opmaak van de notulen van de vergaderingen en met het bewaren van het archief.
De bepalingen die de werking regelen van de kerkraad zijn van overeenkomstige toepassing op het centraal kerkbestuur. 3.
Overleg met de gemeenteoverheid
Het centraal kerkbestuur is belast met het overleg met de gemeentelijke overheid. Als er geen centraal bestuur moet worden opgericht, wordt het overleg gehouden tussen de raden en de gemeentelijke overheid. Het overleg grijpt plaats op verzoek van een van de partijen en in elk geval tweemaal per jaar. Bij een gemeentegrensoverschrijdend bestuur van de eredienst moeten behalve de gemeente waar de hoofdkerk gevestigd is, ook de andere gemeenten, zeker als van hen een financiĂŤle tegemoetkoming wordt verwacht, bij het overleg worden betrokken op initiatief van de gemeente waar de hoofdkerk gelegen is. Het decreet regelt de samenstelling van de delegaties niet. Toch zal de gemeentelijke delegatie minstens een lid van het college van burgemeester en schepenen opnemen. Het verdient aanbeveling dat van dat overleg verslag wordt opgemaakt. De modaliteiten hiervan kunnen worden afgesproken. 4.
Beheer van goederen
Voor het beheer van goederen, schenkingen, legaten, daden van beschikking en overheidsopdrachten, wordt het bijzonder toezicht vervangen door een algemeen toezicht. Een belangrijk gevolg hiervan is, dat de beslissingen van de eredienstbesturen onmiddellijk uitvoerbaar zijn, tenzij de toezichthoudende overheid ertegen optreedt. De raad beslist autonoom over alle daden van beheer (verhuur, verpachting, onderhoud en herstelling) en beschikking (verwerving, vervreemding, ruil) van de goederen. De beslissingen moeten deugdelijk en afdoende worden gemotiveerd. 5.
Inventaris
Artikel 35 regelt het opmaken van een inventaris van alle niet-verbruiksgoederen waarover het bestuur de beschikking of het beheer heeft. Inzonderheid worden hier ook de goederen bedoeld die als roerend erfgoed beschouwd worden. De kerkraad neemt akte van de inventaris. De inventaris wordt opgenomen in de notulen van de raad en garandeert als dusdanig een kennisgeving aan de toezichthoudende overheid. Die inventaris is in elk geval geen statisch document: hij moet op geregelde tijdstippen geactualiseerd worden. 6.
Schenkingen en legaten
Voor schenkingen en legaten zijn er geen wijzigingen ten aanzien van de vroegere regelingen. Wel is er een vereenvoudiging van het administratief toezicht. 7.
Overheidsopdrachten
Als openbare instelling zijn de besturen van de erediensten voor het uitbesteden van opdrachten van werken, leveringen en diensten onderworpen aan de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten. Het is de raad die beslist over het uitschrijven van een overheidsopdracht. De raad kiest de
63
64
wijze waarop de opdrachten gegund zullen worden en stelt de voorwaarden (het bijzonder bestek) vast. De raad stelt ook de procedure in en gunt de opdracht. Op deze bevoegdheidsregel bestaan de onderstaande twee uitzonderingen: - voor opdrachten die betrekking hebben op het dagelijks beheer van het bestuur van de eredienst en die gefinancierd worden door middelen die voorzien zijn op het exploitatiebudget (de gewone begroting) kan de raad zijn bevoegdheden om de wijze van gunnen te bepalen, de voorwaarden van de opdracht vast te stellen en de opdracht te gunnen, delegeren aan de voorzitter en de secretaris van de raad, die samen optreden. De raad kan daarbij vrij beslissen over de omvang van de delegatie. Hij kan die beperken tot een bepaalde periode of tot opdrachten waarvan de prijs een door hem bepaald bedrag niet mag overschrijden. Voor opdrachten die de grenzen van de delegatie te buiten gaan, blijft de raad bevoegd. - in gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, mogen de voorzitter en de secretaris van de raad, die samen optreden, op eigen initiatief de gunningswijze en de voorwaarden van een opdracht vaststellen en de opdracht gunnen. De voorzitter en de secretaris, die samen optreden, moeten de raad daarvoor niet vooraf om een delegatie vragen: ze bezitten een eigen bevoegdheid hierover, ongeacht het bedrag van de opdracht. De voorzitter en de secretaris zijn wel verplicht om de raad tijdens de eerstvolgende vergadering van hun beslissing op de hoogte te brengen en te melden dat er zich inderdaad een onvoorzienbare situatie heeft voorgedaan die tot spoedeisend optreden noopte. De raad heeft hier geen zeggenschap over. Hij neemt akte van de beslissing die de voorzitter en de secretaris, die samen optreden, getroffen hebben en hoeft die niet te bekrachtigen. De beoordeling van de concrete omstandigheden in het licht van laatstgenoemde voorwaarde behoort tot de bevoegdheid van de voorzitter en secretaris, die samen optreden, onder controle evenwel van de toezichthoudende overheid. 8.
Financieel beheer
Het luik van het decreet dat het financiĂŤle beheer regelt, treedt pas later, en uiterlijk op 1 januari 2007, in werking. De nieuwe beleidsinstrumenten (meerjarenplan, budget) kunnen nog niet worden gebruikt. Er wordt daarom verder gewerkt met een begroting en op basis van de nu geldende boekhoudkundige voorschriften. Er moet op gewezen worden dat artikel 92 van het Keizerlijk Decreet van 30 december 1809 onverkort van toepassing blijft. Dat betekent dat de gemeenten moeten tussenkomen in de tekorten van de eredienstbesturen, de huisvesting van de pastoor of de bedienaar van de eredienst, en moeten bijdragen in de grove herstellingen van de gebouwen van de eredienst. 9.
Administratief toezicht
De organisatie van het administratief toezicht op de handelingen van de besturen van de eredienst is ingrijpend gewijzigd. De ingewikkelde toezichtregelingen van vroeger is vervangen door een regeling die geĂŻnspireerd is op het administratief toezicht op de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Er wordt voorzien in een ruim algemeen toezicht en een beperkt bijzonder toezicht (op het financieel beheer). Het algemeen administratief toezicht voorziet in een schorsings- en vernietingstoezicht op
de beslissingen van het lokaal en het centraal bestuur van de erediensten, alsmede op de beslissingen van de voorzitter en de secretaris van de raden die voor overheidsopdrachten samen optreden. 9.1. Kennisgeving van de notulen Met het oog op de uitoefening van het algemeen administratief toezicht moet een afschrift van de notulen van de vergadering van de raad en van het centraal bestuur binnen twintig dagen na de vergadering, aan de provinciegouverneur, het gemeentebestuur en het erkend representatief orgaan per post worden gestuurd. De bijzondere aandacht wordt gevestigd op de decretale verplichting, de notulen tegelijkertijd aan het college en de provinciegouverneur te sturen. Door het gelijktijdig versturen van de notulen wordt vermeden dat de toezichttermijnen van het college of de provinciegouverneur op een verschillend ogenblik een aanvang nemen.
9.2. Schorsingsbevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen en van de provinciegouverneur De uitvoerbaarheid van de besluiten van de raad of van het centraal bestuur kan door het college van burgemeester en schepenen geschorst worden als het gemeentelijk belang en inzonderheid de financiĂŤle belangen van de gemeente geschaad worden. De provinciegouverneur kan eveneens de uitvoering schorsen als het besluit de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Het schorsingbesluit moet aan het bestuur van de eredienst en aan het centraal bestuur verstuurd worden binnen dertig dagen nadat de notulen bij de gemeenteoverheid of de provinciegouverneur zijn ingekomen. Die termijn kan worden gestuit (de termijn houdt op te lopen) door de verzending van een aangetekende brief waarin het college of de provinciegouverneur het dossier betreffende dat besluit opvraagt of er aanvullende inlichtingen over inwint. Een nieuwe termijn neemt een aanvang de dag na de ontvangst van de gevraagde stukken. Ook de aangetekende verzending van een klacht aan een toezichthoudende overheid stuit de lopende termijn. De raad of het centraal bestuur waarvan de beslissing regelmatig werd geschorst, kan die beslissing intrekken of ze gemotiveerd handhaven binnen honderd dagen nadat het college of de provinciegouverneur het schorsingbesluit heeft verstuurd. 9.3.
Vernietigingsbevoegdheid van de Vlaamse Regering
De Vlaamse Regering kan de besluiten van een raad of van een centraal bestuur bij een gemotiveerd besluit vernietigen als het gemeentelijk belang en inzonderheid de financiĂŤle belangen van de gemeente geschaad worden, de wet wordt geschonden of het algemeen belang wordt geschaad. Het vernietigingsbesluit moet aan het bestuur van de eredienst en aan het centraal bestuur worden verstuurd binnen dertig dagen nadat de notulen bij de provinciegouverneur zijn ingekomen of, in voorkomend geval, binnen dertig dagen nadat het handhavingsbesluit bij de Vlaamse Regering is ingekomen. Zoals dat het geval is bij de schorsingprocedure, kan de termijn worden gestuit door de verzending van een aangetekende brief waarin de Vlaamse Regering het dossier betreffende het besluit bij het bestuur van de eredienst of het centraal bestuur opvraagt, of er aanvullende
65
inlichtingen over inwint. Ook de aangetekende verzending van de klacht aan een toezichthoudende overheid stuit de termijn. 9.4.
66
Bijzondere regeling op het gebied van overheidsopdrachten
De besluiten van de voorzitter en de secretaris van de raad, die samen optreden bij overheidsopdrachten, kunnen ook geschorst en vernietigd worden op grond van dezelfde redenen die gelden voor de besluiten van de raad of van het centraal bestuur. Aangezien die besluiten niet worden opgenomen in de notulen, vangt de toezichttermijn van dertig dagen pas aan de dag na ontvangst van het door de toezichthoudende overheid opgevraagde dossier. Bovendien moet het schorsingsbesluit binnen voormelde termijn aan het bestuur van de eredienst en aan het centraal bestuur worden verstuurd. Die toezichttermijn kan niet gestuit worden. De Vlaamse Regering kan de voormelde besluiten van de voorzitter en de secretaris, die samen optreden, ook vernietigen binnen dezelfde termijn en om dezelfde redenen die gelden voor de besluiten van de raad en van het centraal bestuur, dus wegens het schaden van het gemeentelijk belang, inzonderheid de financiĂŤle belangen van de gemeente, het schenden van de wet of het schenden van het algemeen belang. De termijn waarbinnen de Vlaamse Regering kan optreden, kan niet worden gestuit. 9.5.
Dwangtoezicht
De regeling inzake het dwangtoezicht is eveneens van toepassing met ingang van 1 maart 2005. Daardoor kan de provinciegouverneur, na een schriftelijke waarschuwing, een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om bij de raad of bij het centraal bestuur de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of bepaalde maatregelen ten uitvoer te brengen. 9.6. Overgangsregeling Voor het toezicht over de beslissingen van besturen van de eredienst genomen voor de datum van de inwerkingtreding van het decreet (1 maart 2005) blijft de oude toezichtregeling gelden. Voor de begroting, de begrotingswijziging, de rekeningen en de eindafrekening van de penningmeester geldt de volgende overgangsregeling. In afwachting van de inwerkingtreding van de bepalingen inzake het financiĂŤle beheer van de besturen van de eredienst, uiterlijk op 1 januari 2007, is het nieuwe bijzonder toezicht niet van toepassing op de beslissingen inzake de begroting, de begrotingswijziging en de rekeningen en de eindrekening van de penningmeester. Tijdens de overgangsperiode wordt het administratief toezicht op de begrotingen en de wijzigingen ervan en op de rekeningen en de eindrekening van de penningmeester verder uitgeoefend volgens de oude wetgeving.
67
Referenties - decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten, B.S. 6 september 2004. - Omzendbrief BA 2005/01 van 25 februari 2005 betreffende de toepassing van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiĂŤle organisatie en werking van de erkende erediensten, georganiseerd op gemeentelijk niveau
DECREET van 7 mei 2004 BETREFFENDE DE MATERIELE ORGANISATIE EN WERKING VAN DE ERKENDE EREDIENSTEN: VRAGEN EN ANTWOORDEN 1.
AANSTELLING VAN EEN EXPERT
Is de aanstelling van een expert verplicht, ook al bestaat er bij de leden van het eredienstbestuur voldoende expertise? Kan er worden gestart indien er geen expert aangeduid is? Kunnen meerdere experts worden aangeduid? Het decreet stelt dat het centraal bestuur bestaat uit de volgende personen:
68
1° een vertegenwoordiger aangesteld door het erkend representatief orgaan; 2° drie afgevaardigden van de raden (+ uitbreiding); 3° een expert. De samenstelling van het centraal bestuur is derhalve decretaal bepaald zodat hier niet kan worden van afgeweken. Geen of meerdere experts aanstellen is dus in strijd met de bepalingen van het decreet. Het ontbreken van een expert heeft tot gevolg dat de raad van het centraal bestuur niet geldig is samengesteld, met mogelijks gevolgen voor de geldigheid van vergadering, beraadslagingen en beslissingen. Welke profiel heeft de expert? Wie omschrijft de taken van de expert? Kan hiervoor beroep worden gedaan op een personeelslid van de gemeente? Het profiel van de expert hangt samen met de door het centraal bestuur gewenste expertise. Het behoort tot de bevoegdheid van het centraal bestuur om te bepalen aan welke voorwaarden de expert moet voldoen en dat in functie van de binnen het centraal bestuur reeds beschikbare know-how. Het behoort tot de autonomie van het centraal bestuur om de taken van de expert te omschrijven en vast te stellen wat van de expert wordt verwacht. In elk geval zal hij/zij moeten deelnemen aan de decretale opdrachten van het centraal bestuur. Er bestaat geen onverenigbaarheid inzake lidmaatschap van een kerkraad of centraal bestuur en personeelslid van de gemeente. Aangezien een bezoldiging van een expert mogelijk is, moet die dan beschikken over een handelsregister, …? In de regel oefenen de leden van de lokale raden en de centrale besturen hun taak onbezoldigd uit. Het behoort tot de autonomie van het centraal bestuur om uit te maken of de aangeduide expert moet worden vergoed voor zijn/haar geleverde prestaties, weliswaar in overleg met de betrokken gemeente. De expert kan niet worden beschouwd als opdrachthouder in het kader van de wetgeving op de overheidsopdrachten, zodat hij/zij geen facturen kan voorleggen voor geleverde prestaties. De problematiek van het handelsregister is hier dan ook niet aan de orde.
2.
CENTRAAL BESTUUR
Kan een aangesteld (en later verkozen) lid van een raad benoemd worden tot vertegenwoordiger van het erkend representatief orgaan in het centraal bestuur van dezelfde gemeente? Noch het decreet, noch de omzendbrief sluiten deze mogelijkheid uit. Er werd geen onverenigbaarheid vastgesteld tussen het mandaat van lid van een lokale raad en dat van een vertegenwoordiger van het erkend representatief orgaan in het centraal bestuur. Tot welk centraal bestuur kunnen de leden van de grensoverschrijdende kerkfabrieken behoren? Kerkfabrieken behoren tot en zijn vertegenwoordigd in het centraal bestuur van de gemeente waarin hun hoofdkerk gelegen is. Moet elk lid van de kerkraad persoonlijk worden uitgenodigd voor de verkiezing van het centraal bestuur of kan dit gebeuren via de voorzitters van de verschillende betrokken kerkraden? Een uitnodiging kan gestuurd worden naar de voorzitters van de betrokken kerkraden. Misschien wordt er best uitdrukkelijk vermeld dat de voorzitter moet instaan voor de verwittiging van de overige leden van de kerkraad. Mag de aangestelde verantwoordelijke van de parochie meestemmen voor de verkiezing van de afgevaardigden in het centraal bestuur of mogen alleen de vijf leden van de kerkraad meestemmen? De leden van rechtswege nemen niet deel aan deze verkiezing. (omzendbrief, blz. 6, alinea 5) Is het nodig dat het centraal bestuur al twee keer per jaar samenkomt, aangezien zijn bevoegdheden zich vooral situeren bij het financieel luik dat pas later in werking treedt? Het decreet bepaalt dat het centraal bestuur minstens eenmaal per kwartaal moet vergaderen. (Samenlezing van artikel 31 en artikel 17) De bevoegdheden van het centraal bestuur betreffen hoofdzakelijk het financiĂŤle luik. Het financiĂŤle luik treedt echter pas in werking vanaf ten laatste 1 januari 2007. De omzendbrief bepaalt dat er naar gestreefd moet worden dat de centrale kerkbesturen tegen juli 2005 voor de eerste keer samengesteld zouden zijn. Die streefdatum laat toe dat de centrale kerkbesturen al aangesproken kunnen worden door de gemeentelijke overheden en dat er een aanzet kan gegeven worden voor de beoogde goede communicatie, ook tussen de kerkraden en het centraal bestuur. De omzendbrief (2.1) bepaalt dat het centraal bestuur limitatief opgesomde bevoegdheden heeft. Het kan geen andere bevoegdheden uitoefenen dan die, bepaald in het decreet. Aangezien het merendeel van de bevoegdheden van het centraal kerkbestuur betrekking heeft op de in
69
het decreet nieuw geregelde financiële beheersinstrumenten, zal het centraal kerkbestuur die taken pas kunnen opnemen bij de inwerkingtreding van de artikelen met betrekking tot het financiële beheer. Dat belet evenwel niet dat deze besturen, nu al, zij het op een officieuze manier, coördinerend zouden optreden m.b.t. het huidige financiële beheer. Het is derhalve niet nodig dat de centrale kerkbesturen nu reeds vier maal per jaar samenkomen.
70
Het financiële luik is immers nog niet in werking getreden. Het centraal bestuur dient zich wel bekend te maken bij de betrokken gemeenteoverheid, zodat duidelijk is welk het aanspreekpunt is. Ook het verplichte overleg van twee keer per jaar, moet op dit moment nog niet strikt geïnterpreteerd te worden. Uiteraard kan het wel nuttig zijn om toch al eens samen te komen om bvb. praktische afspraken te maken: waar overleg, wie is de contactpersoon, waar sturen we de post naartoe, huidige financiële beheer onder de loep nemen enz.
Kan in het centraal bestuur een lid, penningmeester van een lokale raad, de functie bekleden van secretaris en expert? Het decreet voorziet geen cumulatieverbod tussen een, al dan niet bijzonder, mandaat in een lokale raad enerzijds en anderzijds het mandaat van secretaris of een functie van expert in het centraal bestuur. Wel moet de decretaal bepaalde samenstelling van het centraal bestuur gerespecteerd worden. Dit betekent dat eerst de expert wordt aangesteld en dat daarna de secretaris wordt verkozen. Mag een lid van de lokale raad, maar tevens aangesteld als vertegenwoordiger van het erkend representatief orgaan in het centraal bestuur, deelnemen aan de verkiezingen inzake de samenstelling van het centraal bestuur? Het decreet heeft geen onverenigbaarheid voorzien tussen het mandaat van lid van een lokale raad en dat van vertegenwoordiger van het erkend representatief orgaan. De betrokkene kan dus deelnemen aan de verkiezingen in zijn/haar hoedanigheid van lid van de lokale raad. Moeten de te verkiezen leden van het centraal kerkbestuur, lid zijn van een lokale kerkraad? Uit artikel 26 en 27 van het decreet kan worden afgeleid dat alle aangestelde of verkozen leden van de lokale kerkraden uit hun midden de afgevaardigden van de kerkraden kiezen bij het centraal bestuur. De afgevaardigden bij de centrale kerkbesturen moeten derhalve lid zijn van een lokale kerkraad.
3.
INVENTARIS
Is er een specifiek toezicht voorzien op de inventaris? Neen, er is wel algemeen administratief toezicht door het verplicht toesturen van de notulen van de vergaderingen van de raden. 4.
LIDMAATSCHAP VAN DE KERKRAAD
Mag een lid van het college van burgemeester en schepenen zich kandidaat stellen als lid van een kerkraad? Mag een gemeentesecretaris lid zijn van een kerkraad? In het decreet worden zowel onverenigbaarheden als verbodsbepalingen opgesomd. Onverenigbaarheden onderscheiden zich van verbodsbepalingen op het vlak van het lidmaatschap van de kerkraad. Onverenigbaarheid is een wettelijk beletsel om lid te zijn van een kerkraad ondanks het voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorschriften. Verbodsbepalingen houden in dat leden van de kerkraad onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden niet kunnen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming in de kerkraad. Hun lidmaatschap komt hierdoor evenwel niet in het gedrang. Als een kandidaat voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, opgesomd in artikel 9 en 10 van het decreet, en zich niet bevindt in één van de gevallen opgesomd in artikel 16 kan hij/zij aangesteld/verkozen worden als lid van een kerkraad. Personeelslid zijn van de gemeente of het O.C.M.W., of lid zijn van het college van burgemeester en schepenen vormt geen onverenigbaarheid met het lidmaatschap van een kerkraad. Kan iemand lid zijn van meerdere kerkraden? Het lidmaatschap van de kerkraden van verschillende parochies is mogelijk, aangezien het volstaat dat een lid moet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeente of van één van de gemeenten die behoren tot de gebiedsomschrijving van de parochie Mag een (zittende) pachter lid zijn van de kerkraad? Als een zittend pachter voldoet aan de voorwaarden, opgesomd in artikel 9 en 10 van het decreet, en zich niet bevindt in één van de gevallen opgesomd in artikel 16 kan hij/zij lid zijn van de kerkraad. Op grond van artikel 20 van het decreet is het lid van de kerkraad (de pachter) evenwel verboden deel te nemen aan de besprekingen en de stemming omtrent zijn/haar lopende pachtovereenkomst of tijdens de duur van het mandaat een nieuwe pachtovereenkomst te sluiten. Welke gevolgen heeft het arrest van het Arbitragehof waarbij de leeftijdsgrens van 75 jaar wordt geschrapt? Het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten bepaalde in artikel 10 dat een aangesteld of verkozen lid van rechtswege ontslagnemend is wanneer het de leeftijd van 75 jaar heeft bereikt (rooms-katholieke eredienst).
71
Artikel 126 bepaalde hetzelfde voor de leden van de kerkraad van de anglicaanse eredienst . Het invoeren van een leeftijdsbeperking werd ingevoerd omdat er een uitdrukkelijke vraag was naar rationalisering en modernisering. Het is een feit dat de besturen worden bevolkt door veel oudere mensen, die daar gedurende hun hele leven in blijven zetelen. Uiteindelijk zijn dat niet de mensen die graag veranderingen, moderniseringen en rationaliseringen doorvoeren. In die zin vond men de leeftijdsgrens van 75 jaar aanvaardbaar. (Parl. St., Vlaams Parlement, 20032004, nr. 2100/10, p. 57) De kerkelijke hiërarchie was het hier overigens mee eens.
72
Er werd een beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 10 en 126 bij het Arbitragehof op 6 december 2004 . Het arrest nr. 152/2005 van 5 oktober 2005 vernietigt de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2005 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd: “Door een leeftijdsgrens in te stellen die op absolute wijze geldt, wordt een hele categorie van bejaarde gelovigen, die in de geloofsgemeenschap steeds groter wordt, uitgesloten van elk medebeheer van de materiële goederen. De maatregel is dan ook onevenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling.” Concreet betekent dit, dat leden van de kerkraad niet meer moeten voldoen aan de leeftijdsgrens van 75 jaar. Dit geldt zowel voor de leden van de kerkraad van de rooms-katholieke eredienst, als voor de leden van de kerkraad van de anglicaans eredienst. De artikelen 90, 162, 198 en 241 werden door het Arbitragehof niet vernietigd. De maximum leeftijdsgrens van 75 jaar blijft bijgevolg van toepassing op: - de leden van de bestuursraad van de protestantse eredienst; - de leden van de bestuursraad van de Israëlitische erdienst; - de leden van de kerkfabriekraad van de orthodoxe eredienst; - de leden van het comité van de islamitische eredienst. Er is echter een voorstel van decreet houdende wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, wat de schrapping van de leeftijdsvereiste voor de leden van de bestuursorganen betreft (artikel 90, 162, 198 en 241). De tekst werd aangenomen in de plenaire vergadering van 11 januari 2006. Bijgevolg zal heel binnenkort de maximum leeftijdsgrens ook voor de andere erediensten wegvallen. De vraag of de kerkraden al of niet opnieuw moeten worden samengesteld, dient juridisch te worden onderzocht. De gemeentebesturen en de verschillende kerkraden worden hierover op de hoogte gehouden. Mag de burgemeester, zonder stemrecht, de vergadering(en) van de kerkraad bijwonen? Alleen aangestelde/verkozen leden kunnen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming van de kerkraad. Zo kan de burgemeester deelnemen als volwaardig lid, als hij/zij als dusdanig aangesteld/verkozen is in de kerkraad, anders niet. Het is immers de uitdrukkelijke wil van de decreetgever geweest om de relatie met de burgerlijke overheid te regelen via het overleg tussen een afvaardiging van het centraal kerkbestuur (of van de kerkraad als er geen centraal bestuur werd opgericht) en een afvaardiging van de gemeenteoverheid (artikel 33). De keuze van de burgemeester om als lid van de kerkraad te zetelen, brengt met zich mee dat hij
zich zal moeten beraadslagen over zijn eventuele deelname aan de afvaardiging van de gemeenteoverheid. Kunnen inwoners van een gemeente, een andere dan de gemeente waar de hoofdkerk gelegen is, lid zijn van de kerkraad van de parochie? Artikel 9 van het decreet stipuleert dat de kandidaat moet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeente of van één van de gemeenten die tot de gebiedsomschrijving van de parochie behoort. De gebiedsomschrijving van de parochie is bijgevolg doorslaggevend. Is een lidmaatschap mogelijk ingeval van gewestoverschrijdende parochies? Zoals ook in de memorie van toelichting bij het decreet wordt gesteld, zijn de bepalingen ervan slechts van toepassing op de entiteiten van de erkende erediensten die zich territoriaal volledig binnen het Vlaamse Gewest situeren. Dit impliceert dat voor de gewestoverschrijdende entiteiten in afwachting van het verplichte samenwerkingsakkoord de huidige federale bepalingen blijven gelden. Kan worden afgeweken van de bepalingen van het artikel 16 van het decreet (concreet: man en vrouw zetelen samen in de kerkraad)? Uit de voorbereidende handelingen blijkt duidelijk dat de decreetgever ervoor heeft gekozen een onverenigbaarheid in te stellen met bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad of echtgenoten. Kunnen inwoners van gemeenten die behoren tot de canonische gebiedsomschrijving van een parochie, doch niet tot de officiële (vastgesteld bij KB), kandidaat-lid zijn voor de kerkraad van die parochie? Artikel 9 van het decreet stipuleert duidelijk dat de kandidaat (het lid) moet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeente of van één van de gemeentes die behoren tot de gebiedsomschrijving van de parochie. Die bepaling houdt enkel verband met de gebiedsomschrijving omschreven in het erkenningsbesluit en vastgesteld bij KB. Er kan wel, op basis van de canonische gebiedsomschrijving, een wijziging van de bij KB vastgestelde gebiedsomschrijving worden gevraagd. De bij KB vastgestelde gebiedsomschrijving moet uiteindelijk samenvallen met de canonische. In geval van twijfel kan alleen rekening gehouden worden met de bij KB vastgestelde grenzen. Wat moet er gebeuren indien er onvoldoende kandidaten zijn bij zowel een eerste als een tweede oproep? Het is de verantwoordelijkheid van de eredienst zelf om te voldoen aan de bepalingen van het decreet. Is het niet al te eenvoudig te stellen dat de (lokale) kerkfabrieken ‘in ieder geval moeten voldoen aan het decreet’ nadat een tweede en een derde oproep zijn gebeurd m.b.t. het vinden van het vereiste aantal leden voor de kerkraad? Het lidmaatschap, op voorwaarde dat een geldige kandidatuur wordt ingesteld, van meerdere
73
kerkraden, kan hierbij een oplossing bieden. Ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeente, houdt in dat men kandidaat-lid kan zijn in alle parochies op het grondgebied van de gemeente.
5.
NOTULEN
Mogen de notulen van de vergadering van de kerkraad via elektronische post worden verstuurd aan de gouverneur?
74
In de omzendbrieven BA-2005-01 en 02 wordt duidelijk gesteld met het oog op de uitoefening van het algemeen administratief toezicht dat een afschrift van de notulen van de vergadering van de kerkraad en van het centraal bestuur binnen de 20 dagen na de vergadering, aan de provinciegouverneur, het gemeentebestuur en het erkend representatief orgaan per post moet worden gestuurd. Moeten de notulen, die ook opgestuurd worden naar het gemeentebestuur, op de gemeenteraad komen? Dient de gemeenteraad hierover een beslissing te nemen (advies verlenen, kennisname…)? Neen, er dient geen beslissing genomen te worden, tenzij het decreet het uitdrukkelijk voorschrijft (zie financieel beheer). Hoe valt te rijmen dat de notulen nog niet zijn goedgekeurd en dat ze toch ondertekend moeten worden door de voorzitter en de secretaris? In de omzendbrieven BA-2005.01 en 02 wordt gesteld dat het niet de bedoeling is dat de notulen een uitgebreid verslag zijn waarin alle interpellaties worden genoteerd. Wel moet uit de notulen blijken dat aan een aantal vormvereisten, die bepalend zijn voor de geldigheid van de vergadering of van de genomen besluiten, is voldaan. Het betreft: - De namen van de aanwezige leden (quorum); - De naam van de voorzitter en de secretaris of hun plaatsvervanger; - De namen van de personen die niet deelnemen aan bepaalde beraadslagingen en stemmingen (verbodsbepalingen); - De uitslag van de stemming; - Het geheim karakter van de stemming als dit wettelijk verplicht is. De ontwerpnotulen geven een overzicht van de besluitvorming tijdens de vergadering van de kerkraad. Zij zouden de toezichthoudende overheid in staat moeten stellen om een eerste beoordeling te maken over de wettelijkheid en regelmatigheid van de getroffen beslissingen. Ook voor de aanvang van de termijnen is het insturen van de notulen van groot belang. Zowel de toezichthoudende overheid als de kerkbesturen hebben er belang bij dat de onzekerheid omtrent de genomen beslissingen zo vlug mogelijk wordt beëindigd. Vandaar dat niet kan worden gewacht op de goedkeuring van de notulen, die in de volgende zitting gebeurt. Indien wenselijk en technisch mogelijk, kunnen de notulen ‘staande de zitting’ worden opgemaakt en goedgekeurd. Naar analogie met wat in de gemeente- en O.C.M.W.-raden gebeurt, zijn de beslissingen van de kerkraad, los van de goedkeuring van de notulen, onmiddellijk uitvoerbaar.
6.
OVERLEG GEMEENTE-CENTRAAL BESTUUR
Uit hoeveel personen bestaat de afvaardiging van het college van burgemeester en schepenen enerzijds en de afvaardiging van het centraal bestuur anderzijds? Kunnen beide autonoom het aantal vaststellen? Artikel 33 van het decreet stelt geen minimum samenstelling vast, noch wordt een exact aantal leden vooropgesteld.
Moeten de vertegenwoordigers van de gemeenteoverheid in het kader van het overleg tussen gemeente en centraal bestuur, voorgedragen worden door de gemeenteraad? Is de aanstelling van een vertegenwoordiger van de gemeentelijke overheid voor het overleg tussen de gemeente en het centraal bestuur voor de duur van de gehele legislatuur? De vertegenwoordigers van de gemeenteoverheid (lid van het college van burgemeester en schepenen) moeten niet worden voorgedragen door de gemeenteraad. Het betreft de communicatie van het centraal bestuur met het lokaal beleid. De gemeentelijke overheid kan, op basis van de agenda, haar afvaardiging samenstellen. Er is derhalve geen vaststelling van een delegatie voor lange termijn nodig. 7.
SPECIFIEKE TAKEN VAN DE MANDATEN
Moeten alle akten ondertekend zijn door de voorzitter en medeondertekend door de secretaris? Volstaat voor daden van dagelijks beheer de handtekening van de penningmeester? De bevoegdheden van de voorzitter, de secretaris en de penningmeester zijn in het decreet limitatief opgesomd (artikel 15). Zij kunnen hun bevoegdheden niet delegeren aan de penningmeester. Blijft artikel 28 van het Keizerlijk Decreet (alle kopen worden door het kerkmeesterbureau vastgesteld en door de voorzitter ondertekend, evenzo voor de betalingsbevelen) van kracht? Wie ondertekent de betalingsmandaten? Conform artikel 34 beslist de kerkraad over alle handelingen van beheer en van beschikking van de goederen en de gelden die toebehoren aan de kerkfabriek. De kerkraad kan in deze aangelegenheid beschouwd worden als de rechtsopvolger van het bureau der kerkmeesters. Daarenboven wordt de kerkraad vertegenwoordigd door de voorzitter en de secretaris. Zij zijn, samen optredend, belast met de uitvoering van de beslissingen van de kerkraad. 8.
TOEZICHT
Aan welk gemeentelijk orgaan moet de samenstelling van de kerkraden ter kennisgeving worden voorgelegd? Kennisname door het college volstaat.
75
Moet er worden opgetreden tegen het laattijdig (buiten termijn van 20 dagen) insturen van de notulen aan het gemeente- en provinciebestuur? Hoe reageert de toezichthoudende overheid? Hoe wordt gereageerd ten aan zien van onvolledige, slecht of weinig gemotiveerde besluiten of notulen? De termijn van 20 dagen is geen termijn van verval. Er is hieraan bijgevolg geen sanctie verbonden. Bij de aktering kan hierover door de toezichthoudende overheid een opmerking worden gemaakt. Een snelle toezending is belangrijk omdat daardoor de termijn voor administratief toezicht begint te lopen en de beslissingen opgenomen in de notulen, aldus sneller rechtszekerheid verkrijgen.
76
Krijgt de kerkraad provinciegouverneur?
een
reactie
op
de
toegestuurde
notulen
van
de
In het kader van het algemeen administratief toezicht dient ervan uitgegaan te worden dat beslissingen definitief uitvoerbaar zijn bij het verstrijken van de termijn waarover een bestuur (gemeente of gouverneur) beschikt om tot opvraging van het dossier over te gaan of bijkomende inlichtingen in te winnen. Wanneer er geen klachten zijn en wanneer niet moet overgegaan worden tot schorsen, zal de kerkraad niets ontvangen van de provinciegouverneur. Moeten de notulen bij een grensoverschrijdende parochie aan de betrokken gemeenten worden toegestuurd? Zoals gesteld in de memorie van toelichting, draagt de gemeente waarop de hoofdkerk van de parochie gevestigd is de hoofdverantwoordelijkheid ten aanzien van het financieel beheer en het administratief toezicht. De andere gemeentes moeten wel betrokken worden en moeten uitgenodigd worden voor het overleg tussen het centraal kerkbestuur en de burgerlijke overheid als van hen een financiĂŤle tussenkomst wordt verwacht. De notulen moeten dus enkel worden toegestuurd aan de gemeente waarop de hoofdkerk van de parochie is gevestigd. 9.
VERKIEZINGEN
Is de aangestelde verantwoordelijke van de parochie stemgerechtigd bij de verkiezing van de bijzondere mandaten? Het is de kerkraad die de bijzondere mandaten kiest. De aangestelde verantwoordelijke van de parochie maakt van rechtswege deel uit van de raad. Hij/zij is derhalve stemgerechtigd (artikel 12). Wanneer wordt bepaald wie in de grote helft en wie in de kleine helft zit? Om de drie jaar is er een gedeeltelijke hernieuwing van de kerkraad. De leden van de grote helft treden uit in 2008. In 2008 wordt hiertoe bij lottrekking bepaald welke leden tot de grote helft behoren. De twee overige leden behoren tot de kleine helft en treden uit in 2011. Om praktische redenen is het aangewezen de lottrekking reeds plaats te laten vinden in de laatste vergadering van 2007. Hierdoor weten de leden van de grote helft dat ze zich opnieuw moeten kandidaat stellen indien ze opnieuw willen verkozen worden als lid van de kerkraad. Indien de lottrekking pas zou gebeuren in april 2008 kunnen de uitgesloten leden zich immers niet meer tijdig kandidaat stellen.
Moet ingeval van tussentijds ontslag, overlijden, verhuis, enz. de oproep naar kandidaatleden verlopen volgens de procedure van artikel 7? Moeten in voormelde gevallen de functies opnieuw verkozen worden volgens artikel 12 of is dit slechts van toepassing bij de driejaarlijkse gedeeltelijke vernieuwing? Gelden dezelfde regels en onderrichtingen voor de centrale raden? Als een lid van de raad in de loop van zijn mandaat moet vervangen worden dan moeten volgende regels in acht worden genomen. Het lid moet vervangen worden op dezelfde wijze als een uittredend lid bij een gedeeltelijke vernieuwing van de raad. Die vervanging gebeurt door een lid dat door de overige leden van de kerkraad wordt verkozen uit de lijst van kandidaat-leden die na de bekendmakingsprocedure wordt opgemaakt. Als er nog kandidaat-leden overblijven op de lijst die naar aanleiding van de eerste aanstelling of de laatste gedeeltelijke vernieuwing is opgesteld, kunnen die kandidaten nog in aanmerking worden genomen. Vervult het te vervangen lid van de kerkraad een bijzonder mandaat dan wordt die functie vacant. Deze vacature moet ingevuld worden zodra de raad opnieuw volledig is. Ingeval een lid van de centrale raad tussentijds moet worden vervangen, wordt aan de betrokken lokale raden gevraagd welke leden kandidaat zijn voor een mandaat in de centrale raad. Het betreft hier immers getrapte verkiezingen. Moet in de tweede stemronde op drie kandidaten worden gestemd indien geen van de drie kandidaten de volstrekte meerderheid heeft gehaald (artikel 12: verkiezing van voorzitter, secretaris of penningmeester)? Er moet gestemd worden in zoveel stemronden als nodig totdat ĂŠĂŠn kandidaat de volstrekte meerderheid haalt of totdat zich een staking van stemmen voordoet. In dat geval is het jongste lid in leeftijd verkozen. Op welke wijze wordt een verhinderde (zieke, langdurige afwezigheid) penningmeester vervangen? De kerkraad heeft volheid van bevoegdheid en kan een waarnemend penningmeester aanduiden uit de overige twee leden (andere twee hebben al een mandaat, nl. secretaris en voorzitter) van de kerkraad. Wie oordeelt over betwistingen, interpretaties enz. m.b.t. de verkiezingen van de leden van de kerkraad of het centraal bestuur? Het verloop van de aanstellings- of verkiezingsprocedure is in eerste instantie een aangelegenheid van de betrokken eredienst zelf, waarbij het erkend representatief orgaan erop toeziet dat de verrichtingen correct verlopen. De raad en uiteindelijk het erkend representatief orgaan spreken zich uit over de bezwaren die tegen bepaalde kandidaten worden ingediend. De toezichthoudende overheid kan, op klacht of ambtshalve, de aanstellings- en de verkiezingsverrichtingen toetsen aan de decretale bepalingen, meer bepaald aan de voorschriften met betrekking tot: 1. de verkiesbaarheidsvoorwaarden; 2. de onverenigbaarheden 3. de bekendmaking van vacatures en kandidaten.
77
Wijzigingen in de reglementering betreffende de begraafplaatsen en lijkbezorging
1. Besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet voldoen Het Decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging stelt in artikel 11, vierde lid dat de Vlaamse Regering de voorwaarden zal bepalen waaraan doodskisten en lijkwaden moeten voldoen.
78
Op voorstel van minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, Marino Keulen, heeft de Vlaamse Regering op 21 oktober 2005 deze voorwaarden vastgesteld. Dit besluit werd in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 15 december 2005, en trad in werking op 25 december 2005. Het besluit heeft een tijd op zich laten wachten omwille van de noodzakelijke préadviezen van de MiNa-raad, de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur, de Raad van State, en niet in het minst van de Europese Commissie. Deze regelgeving was nodig om het ontbindingsproces van het stoffelijk overschot zo goed mogelijk te kunnen laten verlopen, en zo veel mogelijk grond- en grondwatervervuiling tegen te gaan. Nu weten de fabrikanten van doodskisten en lijkwaden, waaraan zich te houden. Doodskisten moeten uit een natuurlijk en biologisch afbreekbaar materiaal worden vervaardigd, niet geïmpregneerd of met houtbeschermingsmiddelen behandeld. Ook de lijm, de lak, de handvatten of de binnenbekleding die voor de kisten wordt gebruikt, moet biologisch afbreekbaar zijn. Doodskisten, die al in contact gekomen zijn met een stoffelijk overschot, mogen om hygiënische redenen niet opnieuw gebruikt worden. De voorwaarden, waaraan de doodskisten moeten voldoen volgens dit besluit, zijn niet toepasselijk op doodskisten, bestemd voor het internationale lijkenvervoer. Lijkwaden, de lijkenomhulsels die vooral worden gebruikt bij het overlijden van joden en moslims in plaats van een doodskist, moeten evenzeer uit natuurlijke, biologisch afbreekbare materialen worden vervaardigd. Specifiek voor lijkwaden werden strikte regels over de graad van vochtdoorlaatbaarheid, over de treksterkte van het materiaal en de las- of naadverbindingen en over de scheur- en krimpbestendigheid vastgelegd. Het materiaal van de lijkwade moet bijvoorbeeld binnen een termijn van negentig dagen voor 98% afgebroken zijn. Voor het lijkenvervoer gelden zowel voor lijkwaden als voor doodskisten dezelfde regels: het decreet bepaalt dat niet-gecremeerde stoffelijke overschotten – individueel - met een lijkwagen of op een passende wijze moeten worden vervoerd.
2. Besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot Organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria Op voorstel van minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, Marino Keulen, heeft de Vlaamse Regering op 2 december 2005 definitief haar Bsluit van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van de begraafplaatsen en crematoria gewijzigd voor wat betreft het eerste lid van artikel 8. Artikel 8 van het besluit van 14 mei 2004 stelde dat een opgraving tijdens de periode van de grafrust, welke loopt tot 10 jaar na de begraving, verboden was behoudens gerechtelijk bevel. De wijziging bepaalt dat nu ook de burgemeester - om ernstige redenen - de toestemming kan verlenen tot opgraving gedurende de eerste 10 jaar na de begraving. Ter voorbereiding van dit besluit werd advies gevraagd aan de MiNa-raad, de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur en de Raad van State. Het principe, dat de burgemeester na de grafrust toestemming kan geven tot het opgraven van een stoffelijk overschot om ernstige redenen, wordt versoepeld. Het doel van de wijziging in de regelgeving was tweeërlei. Vooreerst moesten tegenstrijdigheden tussen het decreet en het uitvoeringsbesluit worden uitgeklaard. Daarnaast leidde de bepaling van de grafrust in de praktijk tot praktische en emotionele problemen bij nabestaanden. Door de aanpassing van artikel 8 worden in de toekomst dergelijke problemen zoals het verenigen van familieleden op de begraafplaats voorkomen. Het is wel zo dat de uitdrukkelijke toestemming van de burgemeester steeds vereist is. De omschrijving van het begrip “ernstige redenen” zal door de burgemeester, geval per geval moeten gemotiveerd worden naar de burger toe. De regelgever heeft trouwens niet gekozen voor een limitatieve opsomming van gevallen waarin opgraving mogelijk is. De burgemeester zal elke aanvraag tot opgraving bijgevolg ernstig moeten evalueren en zijn/haar beslissing met afdoende motieven staven. Als de overledene in een andere gemeente wordt herbegraven, dient ook de burgervader van de gemeente waar het stoffelijk overschot wordt herbegraven toestemming te verlenen. De technische modaliteiten betreffende het verloop van de opgraving worden in de artikelen 8 tot en met 12 van het besluit van 14 mei 2004 expliciet bepaald. De kosten voor de opgraving zijn ten laste van diegene die het verzoek tot opgraving indient. Het opgraven van het stoffelijk overschot mag door het gemeentebestuur worden uitbesteed aan een privé-onderneming.
79
3. Decreet van 10 november 2005 tot wijziging van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging Op 15 december 2005 is in het Belgisch Staatsblad het decreet van 10 november 2005 verschenen. Dit decreet vervangt artikel 19 van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en lijkbezorging en is in werking getreden op 25 december 2005.
80
Voor crematie is normaliter toestemming vereist van: - ofwel de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het overlijden werd vastgesteld, indien betrokkene is overleden in het Vlaamse Gewest; - ofwel de procureur des Konings van het arrondissement van de plaats waar zich ofwel het crematorium ofwel de hoofdverblijfplaats van de overledene bevindt, indien betrokkene is overleden in het buitenland. Voor de crematie van een persoon die overleden is in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest was er echter om territoriale bevoegdheidsredenen een bijkomende formulering nodig. Dit gebeurt nu door artikel 19 ยง1 van het decreet als volgt aan te passen. Voor de crematie in het Vlaamse Gewest van personen die overleden zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Waalse Gewest geldt als toestemming tot crematie de machtiging die daartoe werd verleend door de bevoegde overheid van dat gewest.
Referenties - Dcreet van 10 november 2005 tot wijziging van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, B.S. 15 december 2005. - Besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 2005 tot bepaling van de voorwaarden waaraan een doodskist of een ander lijkomhulsel moet voldoen, B.S. 15 december 2005. - Besluit van de Vlaamse Regering van 2 december 2005 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot organisatie, inrichting en beheer van begraafplaatsen en crematoria, B.S. 11 januari 2006.
Verhouding tussen het gebruik van een urne of een graf gedurende de laatste drie jaar(1). Gemeente
urne/graf 2003
urne/graf 2004
urne/graf 2005
Aarschot
142/147
122/158
54/70
Affligem
16/78
15/65
9/68
Asse
36/173
51/136
(2)
Beersel
19/144
25/133
12/85
Begijnendijk
11/35
18/36
22/39
Bekkevoort
4/51
7/50
18/26
Bertem
19/68
17/46
17/41
Bever
0/34
1/12
1/17
Bierbeek
11/57
18/58
14/33
Boortmeerbeek
22/43
27/60
19/50
Boutersem
16/56
23/57
11/42
Diest
50/117
47/129
50/84
Dilbeek
41/170
33/143
52/105
Drogenbos
16/28
23/31
13/32
Galmaarden
8/66
5/78
8/50
Geetbets
11/35
16/37
15/66
Glabbeek
2/61
3/42
12/52
Gooik
8/48
4/47
3/34
63/146
62/156
50/159
Grimbergen Haacht
23/75
21/59
(2)
Halle
50/261
54/245
65/204
Herent
37/100
26/96
21/71
Herne
(2)
(2)
(2)
Hoegaarden
10/46
14/48
13/40
Hoeilaart
16/47
6/43
9/32
Holsbeek
1/54
2/45
2/32
Huldenberg
12/53
12/47
16/41
Kampenhout
29/65
39/56
29/57
Kapelle-op-Den-Bos
4/17
10/17
13/15
Keerbergen
13/75
29/74
21/65
Kortenaken
10/66
11/75
(2)
Kortenberg
40/90
47/81
32/71 (2)
Kraainem
(2)
(2)
Landen
51/131
36/106
(2)
Lennik
7/28
9/21
1/28
Leuven
139/492
152/668
148/320
Liedekerke
27/82
22/76
24/51
Linkebeek
9/25
2/25
3/23
Linter
16/54
18/57
13/56
Londerzeel
51/119
44/106
28/102
Lubbeek
16/75
24/74
19/59
Machelen
20/53
27/48
29/40
Meise
36/105
28/79
27/84
Merchtem
39/84
46/90
(2)
Opwijk
22/89
14/88
20/60
Oud-Heverlee
14/32
14/44
10/28
Overijse
25/99
33/109
18/85
Pepingen
1/44
4/29
2/35
Roosdaal
29/88
26/73
(2)
Rotselaar
38/65
32/60
28/35
Scherpenheuvel-Zichem
98/96
82/118
81/72
Sint-Genesius-Rode
11/36
14/32
10/26
Sint-Pieters-Leeuw
38/182
47/153
(2)
(2)
(2)
(2)
Ternat
32/87
35/87
36/69
Tervuren
34/111
27/108
(2)
Tielt-Winge
23/61
9/53
14/70
Tienen
162/210
176/192
(2)
Tremelo
29/54
32/37
34/42
Vilvoorde
52/119
60/80
94/62
Wemmel
48/80
41/74
30/52
Wezembeek-Oppem
7/35
7/28
3/22
Zaventem
82/103
84/99
88/78
Zemst
108/101
90/82
82/76
3/73
9/73
11/64
Steenokkerzeel
Zoutleeuw
(1) (2)
voor het jaar 2005 is de maand december niet in de tellingen opgenomen geen gegevens ontvangen
81
Gemiddelde kostprijs voor het plaatsen van een urne of een graf. Gemeente
82
Aarschot Affligem Asse Beersel Begijnendijk Bekkevoort Bertem Bever Bierbeek Boortmeerbeek Boutersem Diest Dilbeek Drogenbos Galmaarden Geetbets Glabbeek Gooik Grimbergen Haacht Halle Herent Herne Hoegaarden Hoeilaart Holsbeek Huldenberg Kampenhout Kapelle-op-Den-Bos Keerbergen Kortenaken Kortenberg Kraainem Landen Lennik Leuven Liedekerke Linkebeek Linter Londerzeel Lubbeek Machelen Meise Merchtem Opwijk Oud-Heverlee Overijse Pepingen Roosdaal Rotselaar Scherpenheuvel-Zichem Sint-Genesius-Rode Sint-Pieters-Leeuw Steenokkerzeel Ternat Tervuren Tielt-Winge Tienen Tremelo Vilvoorde Wemmel Wezembeek-Oppem Zaventem Zemst Zoutleeuw
(1)
geen gegevens ontvangen
graf 1250 800 voor 2 personen 157,50 450 1250 (1) 375 496 400 1620 125 99 400 372 660 2500 250 375 500 810 500 500 (1) 750 500 1250 250 745 1130 800 125 per m2 500 (1) 250 voor 2 personen 744 930 voor 2 personen 200 1400 250 1490 400 1850 535,68 2000 744 500 300 750 250 750 500 74 186 (1) 250 600 (1) 90 2500 320 1185 1687,5 300 500 voor 2 m2 200
urne 350 400 157,50 335 625 (1) 375 744 350 1620 125 99 250 372 660 850 250 400 500 250 500 175 (1) 750 500 1250 250 745 565 300 350 500 (1) 250 voor 2 personen 744 930 voor 2 personen 450 1400 250 1115 400 1500 89,28 2000 744 500 300 750 250 750 500 124 186 (1) 250 350 (1) 90 1250 320 910 1250 300 500 400
83
Hoofdstuk 5
NIEUWE REGELGEVING M.B.T. GEMEENTEN EN O.C.M.W.’S
Hoofdstuk 5
NIEUWE REGELGEVING M.B.T. GEMEENTEN EN O.C.M.W.’S
86 Wijzigingen aan de wetgeving i.v.m. overheidsopdrachten en een vooruitblik Recente wijzigingen (vanaf 30 april 2004) In het Belgisch Staatsblad werden recent verschillende wijzigingen aan de regelgeving op de overheidsopdrachten gepubliceerd. Hierna gaan we dieper in op de veranderingen sinds 30 april 2004. We kiezen deze datum omdat er op die dag een nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijn werd gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie: de Richtlijn 2004/18/EG voor de zogenaamde klassieke sectoren (werken, leveringen en diensten). Maar daarover later meer. We starten met een overzicht van de wijzigingen, enerzijds aan de Wet van 24 december 1993 en anderzijds aan het KB van 8 januari 1996. Tabel: Nieuwigheden in de overheidsopdrachtenreglementering Wijzigingen in de overheidsopdrachtenreglementering sinds de publicatie van Richtlijn 2004/18/EG (Publicatieblad van de Europese Unie, 30 april 2004) Programmawet van 9 juli 2004 (B.S. 15 juli 2004) – art. 301-315 en 317 Programmawet van 27 december 2004 (B.S. 31 december 2004) Wet van 24 december – art. 308 en 500 1993 Wet van 15 december 2005 (B.S. 28 december 2005) – art. 19 Wet van 23 december 2005 (B.S. 30 december 2005) – art. 86 Programmawet van 9 juli 2004 (B.S. 15 juli 2004) – art. 316-317 KB van 20 juli 2005 (B.S. 22 augustus 2005) KB van 8 januari 1996 MB van 20 december 2005 (B.S. 23 december 2005) KB van 12 januari 2006 (B.S. 27 januari 2006) KB van 26 september 1996 Geen wijzigingen sinds 30 april 2004 Bijlage bij het KB van 26 Geen wijzigingen sinds 30 april 2004 september 1996
1. Wet van 24 december 1993 In onze uitgave van vorig jaar1 deden we al uit de doeken dat er een nieuw artikel 21bis werd toegevoegd aan de Wet van 24 december 1993. Dat gebeurde via de Programmawet van 9 juli 2004. Overeenkomstig dit artikel moeten de aanbestedende overheden voortaan een wachtperiode in acht nemen die zich situeert tussen het ogenblik waarop de overheidsopdracht wordt toegewezen en het ogenblik van de sluiting van de overeenkomst, ten minste voor wat de overheidsopdrachten betreft die de Europese drempelbedragen voor bekendmaking bereiken of overschrijden. Tijdens die periode moet de aanbestedende overheid de nietgekozen kandidaten op de hoogte brengen ofwel dat zij werden geweerd, ofwel dat hun offerte niet de interessantste was. Daarbij wordt deze kandidaten de mogelijkheid gelaten om deze beslissing aan te vechten vooraleer de overeenkomst wordt gesloten. Een andere wijziging die via diezelfde Programmawet werd doorgevoerd, is dat ook de postdiensten verhuizen naar de speciale sectoren. Hiermee gaf de wetgever uitvoering aan de nieuwe Richtlijnen door de bepalingen omtrent de telecommunicatiesector te schrappen en een regeling in te voeren met betrekking tot de postdiensten. In de Programmawet van 27 december 2004 werd bepaald dat opdrachten met betrekking tot diensten van spoorwegtransport en de gelijkaardige en aanverwante transportdiensten die worden gegund aan de N.M.B.S. door verbonden vennootschappen, ontsnappen aan het toepassingsgebied van de wet op de overheidsopdrachten wanneer zij de Europese drempel voor bekendmaking niet bereiken. Ook werden artikel 17 §2, 1°b en artikel 3 §3 van de Wet van 24 december 1993 aangepast. Doel hierbij is om de wettekst qua militaire overheidsopdrachten af te stemmen op de nieuwe Europese Richtlijn en op de toepassing in de andere lidstaten. Aldus werd de mogelijkheid voorzien om in onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking te gaan indien artikel 296 §1, b van het Gecoördineerd Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap wordt ingeroepen. Tevens werd in artikel 17 §2, 1°b van de Wet van 24 december 1993 de mogelijkheid geschapen voor het Ministerie van Landsverdediging om voor haar opdrachten van maritiem en luchttransport beroep te doen op de onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking. De Wet van 15 december 2005 vereenvoudigt de overdracht en inpandgeving van een schuldvordering op de overheid (artikel 23 van de Wet van 24 december 1993). De betekening door de cessionaris aan de aanbestedende overheid kan eveneens gebeuren bij aangetekende brief in plaats van uitsluitend bij deurwaardersexploot. Zo wordt het voor ondernemingen mogelijk om facturen ten aanzien van de overheid te laten opvolgen door een factoringbedrijf. Deze bepaling is van toepassing op de opdrachten die worden bekendgemaakt na 1 februari 2006. Het adres voor de betekening is te vermelden in het bestek. De vereenvoudiging is vooral van belang voor de financiële diensten. Vooruitlopend op de totaal nieuwe wetgeving overheidsopdrachten, maakt de Wet van 23 december 2005 het tot slot mogelijk dat concessieovereenkomsten van openbare werken ook mogen worden toegepast in de bijzondere sectoren. Om de samenhang tussen de klassieke en speciale sectoren te behouden, wordt er een nieuwe definitie gegeven voor de concessie van openbare werken. Deze omzetting van de Europese Richtlijnen door artikel 24, artikel 27 en artikel 37bis van de Wet van 24 december 1993 houdt in dat de overeenkomst dezelfde kenmerken moet hebben als een opdracht voor werken, met uitzondering dat de tegenprestatie bestaat in een exploitatie, eventueel samen met een prijs.
87
2.
KB van 8 januari 1996
Naast de wet zelf, onderging ook het uitvoeringsKB een aantal veranderingen. Doordat de postdiensten zijn overgedragen naar het stelsel van toepassing op de speciale sectoren, zorgt de Programmawet van 9 juli 2004 er voor dat ook in artikel 50 en artikel 79 van het KB van 8 januari 1996 «de Post» wordt geschrapt. Met het KB van 20 juli 2005 werd de wetgeving verder vereenvoudigd. Doel van deze aanpassing is te vermijden dat attesten of getuigschriften die elektronisch beschikbaar zijn, toch nog door aanbestedende overheden aan de inschrijvers worden gevraagd. In onze nieuwsbrief 2005-05 werd hierover al bericht2.
88
Onder de huidige aanbestedingsrichtlijnen bestond een groot aantal verschillende drempels al naargelang de opdracht. Dit bracht voor aanbestedende diensten problemen met zich mee. Ingevolge de nieuwe Europese Richtlijn 2004/18/EG worden de vastgestelde drempels, vanaf wanneer de aanbestedingsrichtlijn dient te worden toegepast, iedere twee jaar gecontroleerd en zonodig aangepast. De aanpassing is gerelateerd aan de gemiddelde dagwaarde van de euro van de afgelopen twee jaar. De laatste aanpassing dateert van begin 2004. Hierdoor werden de drempelbedragen voor Europese publicatie recentelijk ook bij ons aangepast en vereenvoudigd (MB van 20 december 2005). De aanpassingen worden hier schematisch weergegeven. Deze nieuwe bedragen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2006. Tabel: nieuwe drempelwaarden Categorie van de opdracht Werken
Zie KB van 8 januari 1996 Art. 1 §3 en 24
Leveringen
Art. 27 §2 en 50
Diensten
Art. 53 §2 en 53 §3
Vorig drempelbedrag (excl. BTW) 5.923.000 euro en 5.000.000 euro 236.900 euro en 154.000 euro 200.000 euro, 236.900 euro en 154.000 euro
Nieuw drempelbedrag (excl. BTW) 5.278.000 euro 211.000 euro en 137.000 euro 211.000 euro, 211.000 euro en 137.000 euro
Het KB van 12 januari 2006 zet de volgende stap in de omzetting van de Europese overheidsopdrachtenrichtlijn, in afwachting van de komende globale herziening van de wetgeving. Dit KB voorziet enerzijds in de invoering van de nieuwe Europese aankondigingsmodellen en anderzijds in een aantal wijzigingen van de bestaande regels i.v.m. de bekendmakingen en de selectie van de inschrijvers. De nieuwe standaardformulieren werden in Word-formaat al verspreid via onze extra nieuwsbrief3. Deze Europese aankondigingsmodellen moeten niet alleen gebruikt worden als de aankondiging op Europees vlak moet gebeuren, maar ook voor opdrachten die enkel op het Belgische niveau moeten worden bekendgemaakt. De bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen zal voortaan kosteloos gebeuren, voor zover de gegevensoverdracht aan het Bulletin der Aanbestedingen aan de voorwaarden van het KB voldoet. Nieuw is ook dat het Bulletin der Aanbestedingen alle werkdagen zal verschijnen, in plaats van wekelijks op vrijdag. Voor de kwalitatieve selectie moeten inschrijvers het bewijs leveren zowel van hun economische en financiële draagkracht als van hun technische bekwaamheid. Nieuw is dat nu uitdrukkelijk in de regelgeving wordt opgenomen dat kandidaten zich ook kunnen beroepen op de draagkracht
van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van hun band met die entiteiten. Voortaan wordt bovendien de ‘weging’ van gunningscriteria voor Europese opdrachten de regel. De aanbestedende diensten dienen namelijk tijdig (in de aankondiging van de opdracht of in het bestek) de gunningscriteria en het relatieve gewicht van elk van deze criteria aan te geven, zodat de inschrijvers er bij inschrijving op transparante wijze kennis van hebben. Bijvoorbeeld: voor welk percentage weegt de prijs mee, voor welk percentage de kwaliteit, voor welk percentage de leveringstermijn? De weging kan gebeuren via het aanduiden van de relatieve waarde van de criteria (punten, percentages of andere waarden) of via een vork (met een passend verschil tussen minimum en maximum). Wanneer een dergelijke weging om aantoonbare redenen niet mogelijk is, kan uitzonderlijk een rangschikking van de gunningscriteria in dalende volgorde van belang gegeven worden. De bepalingen van dit KB zijn in werking getreden op 1 februari 2006. Toekomstige wijzigingen De wijzigingen die recentelijk aan de overheidsopdrachtenreglementering werden aangebracht, vormen slechts een deel van omzetting van de nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijn 2004/18/EG. Vanaf de publicatiedatum (30 april 2004) van deze Europese Richtlijn voor de zogenaamde klassieke4 sectoren (werken, leveringen en diensten), begon voor de lidstaten een implementatietermijn van maximaal 21 maanden te lopen. De Europese Richtlijnen zelf geven namelijk het te bereiken resultaat aan in een voor de lidstaten bindende vorm; het wordt echter aan de nationale wetgeving overgelaten om te bepalen in welke vorm en met welke middelen dit doel moet worden verwezenlijkt. Dit betekent dat de omzetting in intern recht moest gebeuren tegen uiterlijk 31 januari 2006. De federale wetgever moest dan ook voor deze datum belangrijke wijzigingen aan de wetgeving overheidsopdrachten aanbrengen. Zoals bij de vorige Richtlijnen werd die uiterste omzettingsdatum ook nu niet gehaald, maar de vertraging zal deze keer wellicht geen vier jaar belopen. De grootste onoverkomelijkheden werden al doorgevoerd (zie supra), maar de Richtlijn 2004/18/EG voorziet ook nog een aantal belangrijke innovaties. Wanneer het implementatietraject is afgerond, vervallen de huidige Europese aanbestedingsrichtlijnen 92/50/EEG (diensten), 93/36/EEG (leveringen) en 93/37/EEG (werken). Hierna nemen we enkele van de nieuwigheden die op stapel staan onder de loep. 1.
Nieuwe gunningswijze: de concurrentiegerichte dialoog
Richtlijn 2004/18/EG introduceert een nieuwe procedure bovenop de reeds bestaande aanbestedingsprocedures. Naast de openbare (algemeen), de niet openbare (beperkt) en de onderhandelingsprocedure (met of zonder bekendmaking), is er de mogelijkheid tot een concurrentiegerichte dialoog. De „concurrentiegerichte dialoog” is een procedure waaraan alle ondernemers mogen
89
verzoeken deel te nemen en waarbij de aanbestedende dienst een dialoog voert met de tot de procedure toegelaten gegadigden, ten einde een of meer oplossingen te zoeken die aan de behoeften van de aanbestedende dienst beantwoorden en op grond waarvan de geselecteerde gegadigden zullen worden uitgenodigd om in te schrijven. In het geval van bijzonder complexe opdrachten kunnen lidstaten dus bepalen dat indien de aanbestedende diensten van oordeel zijn dat bij gebruik van de openbare of niet openbare procedure de opdracht niet gegund kan worden, deze diensten gebruik mogen maken van een concurrentiegerichte dialoog. Als gunningscriterium kan in dat geval alleen de economisch meest voordelige inschrijving worden gehanteerd. De dialoog dient plaats te vinden voordat offertes worden ingediend.
90
Deze procedure is in het leven geroepen voor bijzonder complexe opdrachten, waarbij het soms onmogelijk is te bepalen welke middelen aan de behoeften kunnen voldoen of om te beoordelen wat de markt te bieden heeft op het gebied van technische en/of financieel-juridische oplossingen. Voorbeelden zijn omvangrijke geĂŻntegreerde vervoersinfrastructuurprojecten, grote computernetwerken of projecten met een complexe en gestructureerde financiering. De procedure van de concurrentiegerichte dialoog geeft in dergelijke gevallen mogelijkheden voor aanbestedende diensten om met elke gegadigde een dialoog over alle aspecten van de opdracht aan te gaan. De procedure mag niet op zodanige wijze worden aangewend dat de concurrentie wordt beperkt of verstoord. De Richtlijn schept daartoe een aantal waarborgen zoals het verbod voor aanbestedende diensten om voorgestelde oplossingen of andere door een deelnemer aan de dialoog verstrekte vertrouwelijke informatie aan andere deelnemers bekend te maken zonder instemming van de betreffende deelnemer. De procedure van de concurrentiegerichte dialoog verloopt als volgt: - aankondiging van de opdracht - eerste kwalitatieve selectie: selectie van de deelnemers aan de dialoog - de dialoog - de oproep tot het indienen van een inschrijving - het indienen van de inschrijving - het verstrekken van aanvullingen en toelichting bij de inschrijving - beoordeling van de inschrijving aan de hand van de gunningscriteria - de exclusieve dialoog - de vergoeding De dialoog kan in verschillende opeenvolgende fasen uiteenvallen. Zo kan bijvoorbeeld in een eerste fase met meerdere deelnemers gesproken worden over verschillende oplossingen. De aanbestedende dienst kan dan in een volgende fase de dialoog voortzetten met een aantal overgebleven deelnemers, totdat hij kan aangeven welke oplossing aan zijn behoefte kan voldoen. De aanbestedende dienst dient het gebruik van deze gefaseerde procedure te vermelden in bijvoorbeeld de aankondiging van de opdracht. 2. Elektronische middelen en nieuwe procedures Een van de uitgangspunten van de Europese Commissie bij haar voorstellen voor de nieuwe aanbestedingsrichtlijnen, was dat gezien de nieuwe informatie- en communicatietechnologieĂŤn (ICT) en de vereenvoudigingen die deze voor de bekendmaking van opdrachten en uit het oogpunt van doeltreffendheid en doorzichtigheid van de aanbestedingsprocedures kunnen
meebrengen, elektronische middelen dienen te worden gelijkgesteld met de klassieke middelen voor communicatie en informatie-uitwisseling. Het middel en de technologie waarvoor wordt gekozen, moeten zo veel mogelijk met de in andere lidstaten gebruikte technologieën verenigbaar zijn. Het gebruik van elektronische middelen bespaart tijd. Daarom verkort Richtlijn 2004/18/EG de minimale termijnen voor de ontvangst van de verzoeken tot deelneming en de ontvangst van de inschrijvingen bij gebruik van deze elektronische middelen met zeven dagen. Ook acht de Europese Commissie het van belang dat er een aantal nieuwe elektronische aankooptechnieken in voortdurende ontwikkeling zijn. Deze maken het mogelijk de mededinging te verbreden en overheidsbestellingen efficiënter te plaatsen, namelijk door de besparing van tijd en kosten die het gebruik van deze technieken met zich meebrengt. Aanbestedende diensten kunnen wat de commissie betreft gebruikmaken van elektronische aankooptechnieken mits de bepalingen van de nieuwe Richtlijn klassieke sectoren en de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie in acht worden genomen. De Richtlijn 2004/18/EG voert daarbij een drietal nieuwe procedures in: de raamovereenkomst, het dynamisch aankoopsysteem en de elektronische veiling. 2.1.
Raamovereenkomsten
De huidige onduidelijkheid inzake definiëring en het ontbreken van specifieke regels voor toepassing van de Richtlijnen op raamovereenkomsten wordt weggenomen in de nieuwe Richtlijn. Verruiming van de mogelijkheden voor aanbestedende overheden tot het sluiten van raamovereenkomsten is van belang voor bijvoorbeeld de aankoop van producten en diensten op markten die aan veelvuldige wijzigingen/ontwikkelingen onderhevig zijn (denk aan inkoop van ICT). De Richtlijn definieert een „raamovereenkomst”5 als een overeenkomst tussen een of meer aanbestedende diensten en een of meer ondernemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te plaatsen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid. Een aanbestedende overheid die overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn een raamovereenkomst sluit, kan tijdens de looptijd van de raamovereenkomst daarop gebaseerde opdrachten plaatsen. Dit kan bijvoorbeeld door de voorwaarden in de raamovereenkomst toe te passen ofwel door een nieuwe oproep tot mededingen te doen aan de partijen bij de raamovereenkomst met betrekking tot nog niet bepaalde voorwaarden. Op die manier kan een aanbestedende overheid tevoren een aantal partijen selecteren aan wie gedurende de looptijd van de raamovereenkomst een specifieke opdracht kan worden gegeven zonder dat opnieuw een aanbesteding moet worden uitgeschreven. De looptijd van raamovereenkomsten mag niet langer zijn dan vier jaar, behalve in gevallen die de aanbestedende diensten behoorlijk motiveren. 2.2.
Dynamisch aankoopsysteem
Omdat elektronische aankoopsystemen zich uitbreiden, moeten voorschriften worden opgesteld zodat de aanbestedende diensten ten volle profijt kunnen trekken van de mogelijkheden van
91
92
deze systemen. Een „dynamisch aankoopsysteem”6 is een geheel elektronisch proces voor aankopen voor courant gebruik, met algemeen op de markt beschikbare kenmerken die overeenkomen met de behoeften van de aanbestedende dienst, beperkt in de tijd en gedurende de gehele looptijd open voor elke ondernemer die voldoet aan de selectiecriteria en die overeenkomstig de eisen van het bestek een indicatieve inschrijving heeft ingediend. Tevens moeten er specifieke voorschriften worden vastgesteld voor het opzetten en de werking van dergelijke systemen om een eerlijke behandeling te garanderen van iedere ondernemer die eraan wenst deel te nemen. Dankzij deze aankooptechniek kunnen de aanbestedende diensten een lijst van reeds geselecteerde inschrijvers opstellen en deze openstellen voor nieuwe inschrijvers, en zo beschikken over een buitengewoon groot scala van inschrijvingen -dankzij de gebruikte elektronische middelen- en er aldus voor zorgen dat de overheidsgelden op basis van een brede concurrentie optimaal benut worden. 2.3.
Elektronische veiling
Ingevolge de Richtlijn 2004/18/EG kunnen de lidstaten voorzien in de mogelijkheid dat aanbestedende diensten elektronische veilingen houden. Er wordt ook een definitie gegeven van elektronische veiling. Een „elektronische veiling”7 is een zich herhalend proces langs elektronische weg voor de presentatie van nieuwe, verlaagde prijzen, en/of van nieuwe waarden voor bepaalde elementen van de inschrijvingen, dat plaatsvindt na de eerste volledige beoordeling van de inschrijvingen en dat hun klassering op basis van elektronische verwerking mogelijk maakt. Dit proces mag dus niet worden aangewend voor de aanbesteding van bepaalde werken of diensten voor intellectuele prestaties, zoals het ontwerpen van bouwwerken. 3.
Gemeenschappelijke woordenlijst
De Europese aanbestedingsrichtlijnen verplichten de aanbestedende diensten in alle lidstaten aankondigingen van aanbestedingen bekend te maken, met als doel de concurrentie in de markt te laten spelen op het gebied van overheidsopdrachten. Hierbij moet een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving worden gegeven van de opdracht, zonder dat taalverschillen een hinderpaal of interpretatierisico vormen. Daarom heeft de Europese Commissie besloten dat de lidstaten moeten beschikken over één referentiesysteem, waarin de goederen in alle officiële talen van de Gemeenschap op dezelfde wijze worden omschreven en dezelfde cijfercode krijgen. Daartoe zijn de diverse standaardlijsten (nomenclaturen) die werden gebruikt geharmoniseerd en gestandaardiseerd tot de Common Procurement Vocabulary (CPV) of gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten. De CPV is een uniform classificatiesysteem voor overheidsopdrachten. Het stelt aanbestedende en inschrijvende diensten in staat bij een aanbesteding om alle mogelijke producten en diensten te identificeren door middel van een cijfercode – van ballroomdanslesdiensten (92342100-1) en dierlijk haar (01223200-8) tot raketten (29644500-0) en aquaducten (45247130-0). Omdat de CPV werkt met cijfercodes, heeft de gebruiker geen “last” van taalbarrières. In de nieuwe Richtlijn 2004/18/EG wordt deze CPV aangemerkt als de verplichte referentienomenclatuur. 4.
Besluit bij de nieuwe Richtlijn
De nieuwe Richtlijn 2004/18/EG voegt de huidige Richtlijnteksten 92/50/EEG (diensten),
93/36/EEG (leveringen) en 93/37/EEG (werken) samen tot één nieuwe Richtlijn voor de klassieke sectoren. Via deze fusie van de aparte Richtlijnen zou een vereenvoudiging moeten plaatsvinden. Dit is een groot voordeel en zal ook zijn weerslag hebben op het toekomstige KB op de gunning van overheidsopdrachten. De opbouw van de Richtlijn wordt aangepast en overzichtelijker gepresenteerd en de artikelen worden in volgorde van het verloop van de aanbestedingsprocedure gesteld. Ook worden bijvoorbeeld de drempelwaarden van de diverse overheidsopdrachten, vanaf welke de aanbestedende diensten de Europese Richtlijnen dienen toe te passen, vereenvoudigd. Het is van belang te zorgen voor een betere zichtbaarheid van de bekendgemaakte aankondigingen via geschikte instrumenten, zoals de standaardformulieren voor de aankondiging van een opdracht en de CPV-lijst. Daarnaast voert de Richtlijn heel wat nieuwigheden en spitsvondigheden in. Via de modernisering en flexibilisering van diverse aanbestedingsprocedures worden voorstellen gedaan tot fundamentele wijzigingen. Er wordt ingespeeld op het huidige elektronische tijdperk door bijvoorbeeld mogelijkheden tot elektronisch aanbesteden op te nemen. De Richtlijn gaat ook in op de behoeften van de partijen die bij een aanbesteding betrokken zijn, zoals het kunnen aangaan van een dialoog met inschrijvers, waarbij de laatstgenoemden meer mogelijkheden krijgen aanbiedingen te doen die inspelen op specifieke behoeften van de aanbesteder.
Nuttige links De portaalsite van de Europese Unie http://europa.eu.int De toegang tot het recht van de Europese Unie http://europa.eu.int/eur-lex/lex/nl/index.htm De on-line-uitgaven van het Publicatieblad van de Europese Unie in pdf-formaat http://europa.eu.int/eur-lex/lex/JOIndex.do?ihmlang=nl Richtlijn 2004/18/EG http://europa.eu.int/uer-lex/pri/nl/oj/dat/2004/l_134/l_13420040430nl01120240.pdf Gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) http://europa.eu.int/eur-lex/pri/nl/oj/dat/2003/l_329/l_32920031217nl00010270.pdf Factsheet Europa decentraal over “Aanbesteden in de praktijk: CPV-codes” http://www.europadecentraal.nl/emc.asp?pageld=542 Informatiesysteem voor aanbestedingen http://www.simap.eu/int Nieuwe standaardformulieren voor het versturen van aankondigingen (Publicatieblad van de Europese Unie) http://www.simap.eu.int/forms_el/7814c6a4-d0f5-296b-07e4531726a58f74_nl.html
93
Referenties -
-
-
-
94
-
-
-
ANTHIERENS, G., “Recente wijzigingen (2003-2006) en aangekondigde wijzigingen aan de wetgeving overheidsopdrachten”, in Vanden Broele (ed.), Presentatie actualia overheidsopdrachten 22 februari 2006, Leuven, Vanden Broele, 2006, 9 p. COEN, C., “Algemene benadering van de reglementering van de overheidsopdrachten”, in VVA (ed.), Driedaags seminarie juni 2005: De reglementering van de overheidsopdrachten, Brussel, VVA, 2005, 30 p. D’HOOGHE, D. en JOCHEMS, S., “De ‘concurrentiegerichte dialoog’: much ado about nothing?”, Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen & Publiekrecht 2005/8, 511-522. PANS, R.J.J.M., “Vaststelling nieuwe Europese aanbestedingsrichtlijnen”, in VNG (ed.), VNG-ledenbrief 14 mei 2004, Den Haag, VNG, 2004, 6 p. SCHOONBROODT, E., “Openbare aanbestedingen: rechtspraak verfijnd, keurslijf strakker aangespannen”, in VSGB (ed.), Nieuwsbrief 2005/06, Brussel, VSGB, 2005, 20 p. VANDENDRIESSCHE, F. en DERUYTER, F., “Dan toch een verplichting tot bekendmaking én wegen van subgunningscriteria?”, in Stibbe (ed.), Nieuwsflash bestuursrecht 23 december 2005, Brussel, Stibbe, 2005, 4 p. VANDENDRIESSCHE, F. en DERUYTER, F., “Het K.B. 12 januari 2006: een eerste stap in de omzetting van de Europese overheidsopdrachtenrichtlijnen”, in Stibbe (ed.), Nieuwsflash bestuursrecht 20 februari 2006, Brussel, Stibbe, 2006, 3 p.
(Eindnoten) 1 2 ABA VLAAMS-BRABANT BEGELEIDEND TOEZICHT, “Administratieve vereenvoudiging”, in ABA Vlaams-Brabant (ed.), Nieuwsbrief 2005-05 12 oktober 2005, Leuven, ABA Vlaams-Brabant, 2005, 5-6. 3 ABA VLAAMS-BRABANT BEGELEIDEND TOEZICHT, “Nieuwe aankondigingsmodellen overheidsopdrachten”, in ABA Vlaams-Brabant (ed.), Nieuwsbrief 2006-Extra 30 januari 2006, Leuven, ABA Vlaams-Brabant, 2006, 1-2 en bijlagen. 4 Naast de richtlijn 2004/18/EG voor de zogenaamde klassieke sectoren (werken, leveringen en diensten), werd ook de richtlijn 2004/17/EG voor de nutssectoren (water, energie, vervoer en post) gepubliceerd. 5 Artikel 1 §5 van Richtlijn 2004/18/EG. 6 Artikel 1 §6 van richtlijn 2004/18/EG. 7 Artikel 1 §7 van Richtlijn 2004/18/EG.
Sectoraal akkoord 2005-2007 voor het personeel van de lokale en provinciale besturen
Op 28 oktober 2005 sloten de gesprekspartners in het comité C1 voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, onderafdeling Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap, een sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2007. We overlopen de belangrijkste vernieuwingen. 1. Toepassingsgebied van het sectoraal akkoord 2005-2007 Het sectoraal akkoord 2005-2007 is van toepassing op de volgende lokale overheden: - de gemeenten en de autonome gemeentebedrijven; - de O.C.M.W.’s, de O.C.M.W.-ziekenhuizen, de autonome verzorgingsinstellingen (AV) en de verenigingen van O.C.M.W.’s; - de provincies en de autonome provinciebedrijven; - de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De nieuwe geldelijke voordelen van dit sectoraal akkoord zijn dus ook van toepassing op het personeel van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, tenzij er hierover al een regeling zou bestaan die gelijk is aan of gunstiger is dan de regeling die hier in dit akkoord afgesproken werd. Het akkoord geldt echter niet voor de personeelscategorieën waarvoor de federale overheid bevoegd is: de lokale politie en het operationeel personeel van de brandweer. Voor het operationeel brandweerpersoneel kan worden verwezen naar het Koninklijk Besluit van 22 december 2003 betreffende de eindejaarstoelage voor de leden van de openbare brandweerdiensten. Wat wordt bedoeld met ‘operationeel personeel van de brandweer’ stemt overeen met wat daarmee bedoeld wordt in het Koninklijk Besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van gemeentelijke brandweerdiensten. Dat zijn dus de personeelsleden met een graad van brandweerman, korporaal, onderofficier, officier of officier-dienstchef en met de daarbij horende specifieke salarisschalen, vastgesteld bij een koninklijk besluit. Het akkoord geldt evenmin voor het gesubsidieerd onderwijspersoneel. Zij vallen immers onder de rechtspositieregeling van onderwijs en onder de sociale akkoorden die voor de onderwijssector gesloten worden. Het niet-gesubsidieerd onderwijzend personeel is gewoon gemeentepersoneel. Krachtens de huidige Nieuwe Gemeentewet en krachtens het Gemeentedecreet kan de raad specifieke afwijkingen vaststellen voor de rechtspositieregeling van dat niet-gesubsidieerd onderwijzend personeel met een onderwijsopdracht. Als die personeelsleden conform de specifieke regels in de plaatselijke rechtspositieregeling de salarisschalen krijgen van het gesubsidieerd onderwijzend personeel en ook de voordelen van de sociale akkoorden voor het gesubsidieerd onderwijzend personeel, dan is het natuurlijk wel niet logisch dat daar nog de voordelen voor het gewone gemeentepersoneel aan toegevoegd zouden worden.
95
van toepassing op - gemeenten; - autonome gemeentebedrijven; - O.C.M.W.’s; - O.C.M.W.-ziekenhuizen; - autonome verzorgingsinstellingen (AV); - verenigingen van O.C.M.W.’s; - provincies; - autonome provinciebedrijven; - intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.
96
2.
niet van toepassing op - de lokale politie; - operationeel personeel van de brandweer; -gesubsidieerd onderwijspersoneel.
keuze -niet-gesubsidieerd onderwijspersoneel.
Uitbetaling overuren voor personeelsleden van het niveau A
In dit sectoraal akkoord wordt een lacune opgevuld inzake de mogelijkheid om ook personeelsleden van niveau A te kunnen “vergoeden” voor gepresteerde overuren. Voordien was dat op zijn minst niet evident. Voor zover het inderdaad “uitzonderlijke buitengewone prestaties” betreft, kunnen deze voortaan als volgt worden gecompenseerd: - De voltijds werkende personeelsleden van het niveau A die uitzonderlijk verplicht worden tot buitengewone prestaties die de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uur voor een referentieperiode van vier maanden overschrijdt, hebben recht op inhaalverlof dat gelijk is aan de arbeidstijdoverschrijding. - Indien de personeelsleden het inhaalverlof door omstandigheden buiten hun wil niet kunnen nemen binnen de wettelijke referentieperiode van vier maanden, hebben ze recht op de uitbetaling van een uurloon (1/1976ste van het jaarsalaris) per uur arbeidstijdoverschrijding. Wat wordt nu bedoeld met “uitzonderlijke buitengewone prestaties”? Zolang er geen besluit omtrent de rechtspositieregeling is genomen in uitvoering van het gemeentedecreet, kan de definitie van het Koninklijk Besluit van 12 februari 1963 betreffende de toekenning van een vergoeding wegens buitengewone prestaties gebruikt worden. Overbelasting mag zeker niet gelijkgesteld worden met “buitengewone prestaties”. Het personeelslid wordt “uitzonderlijk verplicht” tot buitengewone prestaties. Dit wil zeggen dat het de uitdrukkelijke opdracht van het uitvoerende orgaan van het bestuur of van het hoofd van het personeel krijgt tot het leveren van bepaalde prestaties die boven op de wekelijkse arbeidsduur van 38 uur moeten geleverd worden. Het gaat om prestaties die “ofschoon onafscheidelijk aan hun ambt verbonden niet als normaal kunnen worden beschouwd”. Bovenvermelde afspraak geldt alleen voor personeelsleden die aan de Arbeidstijdwet van 14 december 2000 onderworpen zijn en dus niet voor de personeelsleden van de lokale sector die onder het toepassingsgebied van de Arbeidswet van 16 maart 1971 vallen, waaronder de personeelsleden van de verzorgingsinstellingen. Voor deze personeelsleden verwijst het sectoraal akkoord naar de toekomstige uitvoeringsbesluiten omtrent de rechtspositieregeling.
3. De salarisschalen van de aanvangsgraden van niveau A worden losgekoppeld van de organisatiestructuur (plat of piramidaal) De salarisschalen en de functionele loopbanen van de aanvangsgraden van het niveau A waren tot nog toe afhankelijk van de keuze van het bestuur voor een platte of een piramidale organisatiestructuur. Als er in de interne organisatie een tussengraad A4a of A8a was, dan lagen de salarisschalen van de aanvangsgraden lager. De aanwezigheid van bijvoorbeeld één functie van afdelingshoofd in de organisatie, maakte dat de bestuurssecretarissen minder gingen verdienen…. Ook deze ongerijmdheid wordt nu rechtgezet. Besturen die dat wensen, kunnen voortaan afstappen van deze regeling, en daarbij zelf een vrije keuze maken tussen de twee bestaande salarisschalen en functionele loopbanen voor de gewone aanvangsgraad en de bijzondere (beter betaalde) aanvangsgraad. Met andere woorden: ook als het bestuur nog afdelingschefs heeft, mag het de adjuncten van de directeur de schalen A1a-A2a-A3a geven. 4. Opdrachthouderschap – een hoger loon voor tijdelijk zwaarder werk Het bestaande beloningsbeleid laat niet toe om personeelsleden die tijdelijk belast worden met de eindverantwoordelijkheid voor en de uitvoering van een extra opdracht, die de functie merkelijk verzwaart, gepast te belonen. Een tijdelijke verzwaring van taken en functie-eisen kan niet beloond worden door de toekenning van een mandaat of van een toelage voor een hogere functie. Het mandaatstelsel heeft immers een andere finaliteit en de toekenning van een hogere functie is strikt gekoppeld aan het bestaan van een vacature die voorlopig ingevuld wordt in afwachting van een definitieve bezetting. Hogere functies kunnen evenmin toegekend worden aan contractuele personeelsleden. Er wordt nu een oplossing aangereikt die bestaat in de tijdelijke toekenning van een hogere salarisschaal. De lokale besturen kunnen in dienst zijnde personeelsleden (met inbegrip van de contractuelen) van niveau A, B of C belonen met de toekenning van een hogere salarisschaal. Deze beloning kan enkel voor personeelsleden die belast worden met een in de tijd beperkte opdracht die de functie die ze vervullen inzake taakinhoud, verantwoordelijkheden en functie-eisen aanzienlijk verzwaart. De beloning met een hogere salarisschaal is beperkt tot de duur van die opdracht. Die hogere salarisschaal stemt overeen met die van een graad met vergelijkbare zwaarte als de opdracht. Het personeelslid dat na afloop van de opdracht terugvalt op de vroegere functie-inhoud, krijgt zijn vroegere salarisschaal (en functionele loopbaan) terug. Wel wordt de schaalanciënniteit die tijdens de uitvoering van de opdracht werd opgebouwd in de hogere salarisschaal, overgedragen naar diens oorspronkelijke schaal. Het akkoord bepaalt ook enkele procedureregels. Voor de toekenning van een opdracht zoals hierboven beschreven, doet de aanstellende overheid een interne oproep tot kandidaten. Daarbij worden de opdracht en de daarvoor vereiste competenties zorgvuldig omschreven en meegedeeld. De aanstellende overheid toetst de kandidaturen aan de opdracht. De uiteindelijke
97
toekenning van de opdracht aan een bepaald personeelslid is onderworpen aan de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen . Het opdrachthouderschap wijzigt uiteraard de aard van het dienstverband niet, statutairen blijven statutair, contractuelen blijven contractueel. 5. Ook contractuelen kunnen voortaan bevorderen
98
Het akkoord verandert ook de toegang tot de verschillende graden. Oorspronkelijk was het vrij eenvoudig: er waren wervingsgraden en bevorderingsgraden. In wervingsgraden konden besturen personeelsleden werven, in bevorderingsgraden konden zij hun werknemers bevorderen. In principe waren de wervingsgraden ook toegankelijk bij bevordering. De opeenvolgende sectorale akkoorden sinds 1993, hebben later ook de aanwerving in bevorderingsgraden mogelijk gemaakt en uitgebreid. Het sectoraal akkoord van 1997-1998 stelde de bevorderingsgraden van het niveau A en van het niveau B open voor aanwerving, zowel voor kandidaten uit de overheidssector als voor kandidaten uit de privĂŠ-sector. De vervulling via aanwerving was echter enkel mogelijk als er geen interne kandidaten waren die aan de bevorderingsvoorwaarden voldeden, of als er geen geslaagde kandidaten waren voor de bevorderingsprocedure. Het sectoraal akkoord 2002 breidde de mogelijkheid van aanwerving in bevorderingsgraden uit tot de bevorderingsgraad van het niveau C en van het niveau D, maar beperkte die mogelijkheid tegelijkertijd tot kandidaten met ervaring in een ander openbaar bestuur. De verplichting om voorrang te geven aan de bevorderingsprocedure viel weg doordat het alternatief enkel bestond uit een gelijktijdige aanwervings- en bevorderingsprocedure. De mogelijkheid om bevorderingsbetrekkingen via een externe procedure (aanwervingsprocedure) te vervullen, werd in het sectoraal akkoord 2002 ook beschouwd als een extra kans voor contractanten bij de lokale besturen om via de externe aanwervingsprocedure toegang te krijgen tot een betrekking van een hogere rang en daarin dan ook benoemd te worden. Tot nu toe werden waardevolle interne contractanten wegens hun contractueel dienstverband echter meestal uitgesloten van deelname aan de bevorderingsprocedure. Als contractuele betrekkingen deel uitmaken van de organieke personeelsformatie (wat voortaan conform het gemeentedecreet het geval zal zijn), dan is dat niet correct. Met het Gemeentedecreet en het Provinciedecreet ontstaat er immers een nieuw wettelijk kader. In beide decreten worden de situaties opgesomd waarin personeelsleden in contractueel dienstverband kunnen worden aangesteld. Die mogelijkheden beperken zich niet tot louter tijdelijke behoeften. Als gevolg daarvan zullen er ook contractuele betrekkingen ingesteld worden die beantwoorden aan permanente personeelsbehoeften. De contractuele betrekkingen die beantwoorden aan permanente personeelsbehoeften, worden bovendien in de personeelsformatie opgenomen. Dat kunnen, als dat functioneel aangewezen is, ook betrekkingen zijn in een zogenaamde bevorderingsgraad. Een en ander is vergelijkbaar met de contractuele betrekkingen die met toepassing van artikel 55 van de organieke O.C.M.W.-Wet in de O.C.M.W.-formaties vastgesteld worden. In de plaats van het naast elkaar bestaan van onderling inconsistente regelingen van
verschillende sectorale akkoorden en rekening houdend met het Gemeentedecreet en het Provinciedecreet, werd gezocht naar een algemeen kader. Dat vertrekt van een meer open toegang tot alle betrekkingen van de personeelsformatie, dus ook van de betrekkingen die in het bestaande loopbaanstelsel aangeduid zijn als bevorderingsbetrekkingen. De nadruk ligt bovendien niet zozeer op de voorwaarden waaraan kandidaten moeten voldoen voor ze aan een selectieprocedure mogen deelnemen, maar wel op de selectieprocedure zelf als basis voor de uiteindelijke keuze van de kandidaat. Daarom wijzigt dit sectoraal akkoord opnieuw het systeem. Het stelt alle betrekkingen op de personeelsformatie open voor werving of bevordering. Dit geldt ook voor de contractuele betrekkingen. De nieuwe visie kan als volgt samengevat worden: Als een lokaal bestuur een vacature op de personeelsformatie heeft, kan het bestuur voor de vervulling daarvan de keuze maken tussen: - intern rekruteren (bevorderingsprocedure), waarbij alleen de interne arbeidsmarkt wordt geraadpleegd. Met die interne arbeidsmarkt worden zowel de statutaire als de contractuele personeelsleden binnen het bestuur bedoeld; - extern rekruteren (wervingsprocedure), waarbij de externe arbeidsmarkt geraadpleegd wordt. Interne kandidaten (zowel statutaire al contractuele), die aan de voorwaarden voldoen, hebben eveneens toegang tot de procedure. - intern en extern rekruteren (gelijktijdige wervings- en bevorderingsprocedure), waarbij gelijktijdig de interne en externe arbeidsmarkt geraadpleegd worden. Besturen krijgen zo meer keuzemogelijkheden, die ze eenvoudigweg kunnen overnemen in de rechtspositieregeling voor hun personeel of die ze kunnen aanvullen. 5.1. algemene bepalingen Voortaan gelden nu de volgende algemene regels: 1° Alle betrekkingen op de personeelsformatie, zowel die in statutair dienstverband als die in contractueel dienstverband (cf. Gemeentedecreet, Provinciedecreet en artikel 55 O.C.M.W.Wet), zijn ongeacht hun indeling als aanvangsgraad of als hogere graad binnen het niveau toegankelijk: - hetzij door aanwerving; - hetzij door bevordering; - hetzij door een gelijktijdige aanwervings- en bevorderingsprocedure. De bevoegde overheid bepaalt bij de openverklaring van een betrekking via welke procedure de vacante betrekking vervuld zal worden. 2° Bij de keuze voor een aanwervingsprocedure wordt een oproep tot kandidaatstelling gericht aan personen extern aan het bestuur. Interne kandidaten die aan de voorwaarden voldoen, hebben echter eveneens toegang tot de aanwervingsprocedure. Bij de keuze voor een bevorderingsprocedure wordt een oproep gericht tot interne kandidaten. Met interne kandidaten worden zowel de contractanten als de statutaire personeelsleden
99
bedoeld die bij het bestuur in dienst zijn. Zij komen in aanmerking voor een bevordering, zowel in een betrekking in statutair dienstverband als voor een betrekking in contractueel dienstverband. 3° Elke aanwerving of bevordering in een betrekking op de personeelsformatie, dus zowel in een betrekking in contractueel dienstverband als in een betrekking in statutair dienstverband, wordt voorafgegaan door een selectieprocedure. De selectieprocedure moet toelaten te beoordelen of de kandidaten beantwoorden aan de selectiecriteria die vastgesteld werden op basis van de functiebeschrijving, meer bepaald op basis van de taakinhoud en het competentieprofiel.
100
Als het bestuur kiest voor een gelijktijdige aanwervings- en bevorderingsprocedure, moet de selectieprocedure gelijktijdig en identiek zijn voor de interne en de externe kandidaten. 1° Om toegang te krijgen tot de aanwervingsprocedure moeten kandidaten: - -
voldoen aan de algemene toegangsvoorwaarden; voldoen aan de diplomavereisten die gelden voor het niveau waarin de betrekking gesitueerd is of aan een specifieke diplomavereiste of aan de vereiste inzake expertise; voor betrekkingen in een hiërarchisch hogere graad van niveau A en in de hiërarchisch hogere graad van niveau B, een minimum aantal jaren ervaring hebben; voor betrekkingen in de hiërarchisch hogere graad van niveau C en van niveau D, een minimum aantal jaren ervaring hebben in een ander openbaar bestuur. Dit laatste neemt echter niet weg dat interne kandidaten eveneens via een aanwervingsprocedure kunnen dingen naar een betrekking.
Met ‘expertise’ wordt bedoeld de vereiste voor de toegang tot de expertfuncties, zoals die sinds het sectoraal akkoord 1997-1998 kunnen vastgesteld worden in de personeelsformatie. Dat akkoord bepaalde dat naast de gebruikelijke bevorderingsvoorwaarden voor de toegang tot de expertfunctie ook een extra voorwaarde van op de specialisatie gerichte bijscholing van toepassing is. 2° Om toegang te krijgen tot de bevorderingsprocedure moeten kandidaten: -
in statutair of in contractueel verband aangesteld zijn binnen het bestuur in een betrekking van een lagere graad; een minimum aantal jaren anciënniteit of ervaring hebben; in voorkomend geval, voldoen aan de specifieke diplomavereiste (niveau B, gespecialiseerde functies) of gevraagde expertise (expertfuncties).
3° Om toegang te krijgen tot een gelijktijdige aanwervings- en bevorderingsprocedure moeten: -
de externe kandidaten voldoen aan de voorwaarden opgesomd in punt 1°; de interne kandidaten voldoen aan de voorwaarden in punt 2° of 1°. Met interne kandidaten worden zowel de contractuele als de statutaire personeelsleden die in dienst zijn van het bestuur, bedoeld.
5.2. Mogelijke variaties De bevoegde overheden kunnen dit algemeen kader eenvoudigweg overnemen in de rechtspositieregeling van hun personeel en daarvan toepassing maken. Ze kunnen er ook voor opteren om dit algemeen kader verder aan te passen naargelang de prioriteiten in hun personeelsbeleid. Volgende variaties zijn mogelijk. 1° De bevoegde overheden kunnen alle of bepaalde hiërarchische graden binnen het niveau definiëren als bevorderingsgraden, die alleen toegankelijk zijn via een bevorderingsprocedure, zoals hierboven beschreven. In dat geval komen alleen interne statutaire en contractuele kandidaten in aanmerking voor deelname aan de bevorderingsprocedure. Ze kunnen ook bepalen dat de statutaire betrekkingen in een dergelijke bevorderingsgraad alleen toegankelijk zijn voor statutaire personeelsleden en dat contractuele betrekkingen in een bevorderingsgraad alleen toegankelijk zijn voor contractanten. 2° De bevoegde overheden kunnen aanvullende voorwaarden vaststellen voor de deelname aan de aanwervingsprocedure, aan de bevorderingsprocedure of aan de gelijktijdige aanwervingsen bevorderingsprocedure. Die voorwaarden kunnen slaan op vorming, evaluatie of bijkomende kwalificaties. De aanvullende voorwaarden moeten gelijk zijn voor alle kandidaten, zowel de externe als de interne. Ze kunnen hetzij voor alle betrekkingen vastgesteld worden, hetzij voor afzonderlijke betrekkingen. De bevoegde overheden stellen hun keuze vast in de rechtspositieregeling van het personeel. In het kader van een motiverend HR-beleid wordt evenwel de optie waarbij eerst de interne arbeidsmarkt (bevorderingsprocedure) wordt geraadpleegd, aanbevolen.
101
Aanwervingsprocedure
Bevorderingsprocedure
Oproep tot de kandidaten
- interne kandidaten - externe kandidaten
- interne kandidaten
Gelijktijdige aanwerving en bevordering - interne kandidaten - externe kandidaten
Selectieprocedure
ja
ja
ja
Toegangsvoorwaarden
- voldoen aan algemene toegangsvoorwaarden - voldoen aan diplomavereiste of vereiste inzake expertise - voor betrekkingen van niveau A of B: minimum aantal jaren ervaring hebben - voor betrekkingen van niveau C of D: minimum aantal jaren ervaring in een ander openbaar bestuur
- interne kandidaten: zie voorwaarden voor aanwerving of bevordering - externe kandidaten: zie voorwaarden voor aanwerving
Mogelijk om bijkomende voorwaarden op te leggen
ja
- statutair of contractueel aangesteld zijn binnen het bestuur in een betrekking van een lagere graad - minimum aantal jaren anciĂŤnniteit of ervaring hebben - voor betrekkingen van niveau B of voor expertfuncties: voldoen aan specifieke diplomavereiste - voor expertfunctie: over gevraagde expertise beschikken ja
102
ja
6.
Functiewaardering of functieweging is niet langer taboe
Het bestaande stelsel van graden, salarisschalen en functionele loopbanen is gebaseerd op een eenvoudige indeling van de graden in niveaus en hiërarchische rangen. Daarnaast erkent het bestaande stelsel enkele specifieke functiegroepen, bijvoorbeeld de expertfuncties en de staffuncties. Die eenvoud houdt tegelijkertijd beperkingen in. Dat wordt door sommige besturen ervaren als een gebrek aan mogelijkheden voor een correcte waardering van de functies en een billijke beloning van de functiehouders. Daaruit ontstaat de vraag naar een systeem van functiewaardering, dat genuanceerder is dan het bestaande stelsel. De mogelijke invoering van een systeem van functiewaardering vraagt echter een grondige voorbereiding. Daartoe worden in het sectoraal akkoord concrete engagementen afgesproken. Een systeem van functiewaardering zal worden uitgewerkt onder begeleiding van externe deskundigen en met rechtstreekse betrokkenheid van de Vlaamse overheid en de vertegenwoordigers van de werkgevers en de werknemers. Het doel is tegen 30 juni 2006 te komen tot een gemeenschappelijk referentiekader en gemeenschappelijke procedureregels voor functieweging op het lokale niveau. 7.
Vorming efficiënter en rechtvaardiger
Het sectoraal akkoord 2002 stelde een beter algemeen kader vast voor het lokale vormingsbeleid als onderdeel van het competentiemanagement. Een aantal bestaande bepalingen over de vorming werden daartoe vervangen. Het minimum aantal uren vorming per stap in de functionele loopbaan werd behouden als structurele garantie voor de inbedding van het vormingsbeleid in de lokale organisatie. Het minimum aantal uren heeft voor de personeelsleden ook de betekenis van het gemeenschappelijke ijkpunt voor de doorstroming in de functionele loopbaan: het geeft voor alle personeelsleden met dezelfde graad en dezelfde functionele loopbaan de ondergrens aan inzake de vormingsvereiste. Om te vermijden dat dit cijfermatige criterium in de praktijk leidt tot een formalistisch gebruik, waarbij het tellen van vormingsuren belangrijker wordt dan de kwaliteit en het nut van de vormingsactiviteiten zelf, was het raadzaam om een soepele toepassing ervan mogelijk te maken zonder dat dit leidt tot een uitholling van de vormingsvereisten. Dat kon door de vaststelling van het minimum aantal uren zoals weergegeven in de gecoördineerde krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen, te “herformuleren”. Om een formalistische omgang met het minimum aantal uren vorming te vermijden en soepelheid mogelijk te maken bij te toepassing ervan, wordt de formulering van de ondergrens voor de vormingsvereisten opener. Voortaan moet het vormingspakket het aantal uren ‘benaderen’, in plaats van een loutere formulering in exacte uren. Voor deeltijdse personeelsleden gelden tot vandaag dezelfde vormingsvereisten als voor voltijdse personeelsleden. Zij moeten immers aan dezelfde toegangsvoorwaarden voor de betrekkingen en aan dezelfde functievereisten voldoen. Ze moeten net zoals hun voltijdse collega’s up-to-date blijven. Bij prestatieregimes met een erg gering aantal werkuren per week,
103
stelden de geldende minima voor de vorming echter praktische problemen. Ook dat vroeg om een specifieke oplossing. Voor deeltijdse werknemers wordt het minimum aantal uren vorming proportioneel verminderd naar rata van de prestatiebreuk, op voorwaarde dat het personeelslid: - ofwel tewerkgesteld is in een deeltijdse betrekking van slechts enkele uren per week, - ofwel tewerkgesteld is in een deeltijdse betrekking en in dezelfde graad ook tewerk gesteld is in een deeltijdse betrekking bij een ander lokaal bestuur.
104
Rekening houdend met het bestaande externe vormingsaanbod en met de vrij grote deeltijdse tewerkstelling in het niveau E, wordt het minimum aantal uren vorming per stap in de functionele loopbaan voor dat niveau verminderd. Bovendien zijn individuele coaching en opvolging van de personeelsleden van het niveau E even belangrijk als gezamenlijke vormingsactiviteiten. Het minimum aantal uren vorming voor het niveau E benadert voortaan 56 uren voor de overgang van de schaal E1 naar de schaal E2 en 56 uren voor de overgang van de schaal E2 naar de schaal E3. Afspraak 1° formulering van de ondergrens wordt opener: “een vormingspakket dat X uren benadert” 2° minimum aantal uren vorming voor niveau E wordt verminderd: vormingspakket benadert 56 uren 3° proportionele vermindering van het aantal uren vorming voor sommige deeltijdsen naar rata van hun prestatiebreuk, wanneer ze tewerkgesteld zijn in een deeltijdse betrekking: - van slechts enkele uren per week; - bij een ander lokaal bestuur in dezelfde graad.
8. Draaiboek voor de herwaardering van betrekkingen van het niveau E naar het niveau D Blijkbaar zijn er heel wat besturen die de betrekkingen van niveau E of een deel ervan willen schrappen en opwaarderen naar het niveau D ten gevolge van inspanningen inzake vorming en coaching en de jobverrijking die daarvan het resultaat is. We gaan even dieper in op de manier waarop een lokaal bestuur dat betrekkingen van het niveau E wil opwaarderen naar het niveau D, te werk moet gaan. 8.1.
Voor statutaire betrekkingen van het niveau E in de bestaande personeelsformatie
De functiebeschrijving van de op te waarderen betrekking of betrekkingen wordt aangepast inzake taakinhoud en profiel, zodat ze overeenstemt met betrekkingen van het niveau D. De bestaande personeelsformatie wordt gewijzigd. In de personeelsformatie worden er evenveel bestaande betrekkingen van het niveau E als men wenst op te waarderen naar het niveau D, uitdovend gemaakt. Een gelijk aantal betrekkingen wordt toegevoegd aan het
aantal betrekkingen van het niveau D. Bij de nieuwe betrekkingen van het niveau D wordt een blokkeringsmechanisme vastgesteld. Dat wil zeggen dat de feitelijke vervulling van die nieuwe betrekkingen van het niveau D afgeblokt wordt tot de afloop van een niveau-overschrijdende bevorderingsprocedure voor personeelsleden van het niveau E. De personeelsleden van het niveau E die slagen voor die niveau-overschrijdende bevorderingsprocedure, worden benoemd in de nieuwe statutaire betrekkingen van het niveau D. Zij krijgen de eerste schaal van de functionele loopbaan op de salaristrap die overeenstemt met hun geldelijke anciënniteit. Hun schaalanciënniteit start echter vanaf nul. Wie niet slaagt, behoudt zijn betrekking van het niveau E in de uitdovende formatie. 8.2.
Voor ‘organieke’ contractuele betrekkingen
Dezelfde werkwijze als hierboven uiteengezet is van toepassing voor contractuele betrekkingen op de organieke personeelsformatie. 8.3.
Voor betrekkingen van het gesco-contingent
Als er net dezelfde gesco-functies bestaan binnen het bestuur als de statutaire betrekkingen van het niveau E die men wil opwaarderen, en die gesco-functies hebben precies dezelfde jobverrijking, wijziging van taakinhoud en van het functieprofiel ondergaan, dan is het normaal dat ze eveneens geherwaardeerd worden. In dat geval geldt immers het gelijkheidsbeginsel. In de meeste statuten staat dat er voor de toegang tot gesco-functies van het niveau D geen selectieproef moet worden afgelegd, terwijl dat voor statutaire betrekkingen wel moet. Bij de uitvoering van de herwaardering van de gesco-functies van het niveau E naar het niveau D kan het bestuur dat onderscheid niet behouden. De herwaardering moet immers aan dezelfde voorwaarden gebeuren. Het bestuur zal voor deze vorm van opwaardering de plaatselijke regels zo aanpassen dat de gesco’s van het niveau E moeten slagen voor dezelfde selectieproef als die waarvoor de statutaire personeelsleden van het niveau E moeten slagen. De toegang tot die selectieproef is wel beperkt tot de interne contractanten van het niveau E. Stappenplan voor herwaardering van E naar D 1. aanpassing functiebeschrijving 2. aanpassing personeelsformatie: gelijktijdig uitdovend maken van het gewenste aantal betrekkingen van niveau E enerzijds en toevoegen van evenveel betrekkingen van niveau D anderzijds 3. organiseren van een niveau-overschrijdende bevorderingsprocedure: - geslaagde kandidaten: benoeming in statutaire betrekking van niveau D - niet-geslaagde kandidaten: behoud van de betrekking van niveau E in uitdovende formatie
9.
Afstappen van de diplomavoorwaarde
Voor aanwerving in overheidsdienst, in de niveaus A, B en C, moeten de kandidaten steeds voldoen aan de diplomavereiste die beantwoordt aan het niveau van de betrekking. Enkel met een universitair diploma kom je in aanmerking voor aanwerving in een functie van niveau A. Voor een bevordering wordt in principe geen diplomavereiste gesteld, tenzij voor het niveau B of voor gespecialiseerde functies.
105
Er was de laatste jaren echter vanwege de lokale besturen steeds meer vraag naar de mogelijkheid om bij wijze van uitzondering, bij aanwerving af te wijken van de met het niveau van de betrekking overeenstemmende diplomavereiste. Als het mogelijk zou zijn om, net zoals in de privé-sector, rekening te houden met competenties die verworven werden via werkervaring, beroepsopleiding, vrijwilligerswerk, zelfstudie, etc …, in de plaats van alleen met een diploma, dan kunnen waardevolle kandidaten ook bij de overheid solliciteren voor functies waarvoor ze anders wegens de diplomavereiste niet in aanmerking zouden komen, hoewel ze alle capaciteiten in huis hebben voor een goede uitoefening ervan. Het sectoraal akkoord 2005-2007 zet hiervoor de deur nu op een kier. Het loslaten van de diplomavoorwaarde kàn, maar wel onder zeer strikte voorwaarden:
106
De bevoegde overheid kan voortaan bij wijze van uitzondering en gemotiveerd afwijken van de voor het niveau van de betrekking geldende diplomavoorwaarde voor de betrekkingen of functies die cumulatief aan de volgende twee voorwaarden voldoen: 1° voor een goede vervulling van de functie is geen specifiek diploma vereist of noodzakelijk, en het algemene kwalificatieniveau en het potentieel zijn voor de functie belangrijker dan een diploma; 2° het bezit van een diploma is bovendien niet op grond van een subsidieregeling of een wettelijke bepaling vereist. De aanwerving geschiedt dan op basis van: - de algemene toelatingsvereisten (blijven geldig); - een minimumvereiste inzake ervaring; - een functiebeschrijving, met een zorgvuldig opgesteld functieprofiel dat de minimale capaciteiten en competenties nodig voor de uitoefening van de functie, vaststelt; - de vooraf vastgelegde selectiecriteria. Daarbij wordt niet naar diplomabezit verwezen. - een selectie door een externe instantie, die minstens een niveau- of capaciteitstest als filter bevat, naast de nodige functiegerichte competentietests. Die externe instantie moet door de Vlaamse Gemeenschap erkend zijn. Voor deze vorm van aanwerving op basis van competenties wordt een coördinerende en superviserende rol toegewezen aan Jobpunt Vlaanderen of zijn rechtsopvolger om zo tot een goede gemeenschappelijke aanpak te komen. Het is niet de bedoeling dat Jobpunt Vlaanderen zelf de selecties uitvoert, wel dat het de besturen begeleidt bij het selectieproces. De niveau- of capaciteitstest die opgelegd wordt bij aanwerving zonder diplomavereisten kan door heel wat erkende selectiebureaus worden uitgevoerd. 10.
Verhoging van de eindejaarstoelage in 2006 en in 2007
Het bedrag van het forfaitaire gedeelte wordt berekend volgens de geldende regels van het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de schatkist bezoldigd ambt. Dat bedrag werd op basis van het sectoraal akkoord 2002 vervolgens verhoogd met een forfaitair bedrag van 148,74 euro. Vanaf het jaar 2006 wordt de forfaitaire toeslag op de
eindejaarstoelage verhoogd van 148,74 euro tot het bedrag van 248,74 euro per jaar. Dit is een verplichte maatregel. Vanaf 2006 wordt de eindejaarstoelage daarom als volgt berekend: het bedrag van het forfaitaire gedeelte wordt eerst berekend volgens de geldende regels v an het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de schatkist bezoldigd ambt; - dat bedrag wordt vervolgens verhoogd met een forfaitair bedrag van 148,74 euro (sectoraal akkoord 2002) + 100 euro (sectoraal akkoord 2005-2007) = 248,74 euro het aldus verkregen totale bedrag wordt opgeteld bij het variabele gedeelte van de eindejaarstoelage. Voor de personeelsleden van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen (ziekenhuizen, ROB en RVT …) is de toekenning van de verhoging van de eindejaarstoelage niet cumuleerbaar met de zogenaamde attractiviteitspremie die de federale overheid in het protocol 148/2 van 18 juli 2005 houdende het sectoraal akkoord voor de federaal gefinancierde gezondheidssectoren – publieke sector, in het comité A heeft afgesproken. De attractiviteitspremie vervangt voor hen de verhoging van de eindejaarstoelage. Tot op heden werd deze attractiviteitspremie echter nog niet toegekend. 11. Verhoging van het jaarlijkse bedrag inzake de toekenning van maaltijdcheques Elke lokale overheid-werkgever zal het bedrag dat ze momenteel binnen het eigen bestuur jaarlijks per personeelslid voor eigen rekening toekent aan maaltijdcheques, verhogen met 100 euro vanaf 1 januari 2006, en nogmaals verhogen met 100 euro vanaf 1 januari 2007. Het jaarlijks bedrag ten laste van het bestuur per personeelslid neemt dus ten opzichte van het huidige bedrag met 200 euro toe vanaf 1 januari 2007. Ook dit is een verplichte maatregel. De verhogingen mogen er echter niet toe leiden dat het maximumbedrag voor de tussenkomst van de werkgever in de nominatieve waarde van de maaltijdcheque vastgesteld in de sociale en fiscale wetgeving, wordt overschreden. Het sectoraal akkoord 1999-2001 koppelde de toekenning van maaltijdcheques aan het personeel van de federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen aan de federale financiering. Hetzelfde geldt voor de verhogingen in 2006 en 2007 van het jaarlijkse bedrag van de maaltijdcheques in dit sectoraal akkoord. De federaal gefinancierde gezondheidsinstellingen zullen de maaltijdcheques toekennen ten laatste zodra de federale financiering daartoe volstaat. De Vlaamse Regering, de werkgeversdelegatie en de representatieve vakorganisaties hebben beloofd de integrale financiering van de gezondheidsinstellingen op federaal niveau te bepleiten.
Referenties - Omzendbrief BA 2005/07 van 18 november 2005 betreffende sectoraal akkoord 20052007 voor het personeel van de lokale en provinciale besturen – kennisgeving
107
108
Omzendbrief BA 2005/03 van 8 juli 2005 betreffende het taalgebruik in de gemeente- en O.C.M.W.-besturen en in de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden – interpretatie en gevolgen van de arresten van de Raad van State van 23 december 2004 1.Voorafgaand Voormalig minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Leo Peeters, vaardigde op 16 december 1997 omzendbrief BA-97/22 uit met betrekking tot het taalgebruik in de gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied. Op 9 februari 1998 verklaarde de toenmalige minister Martens, bevoegd voor de O.C.M.W.’s, via de omzendbrief WEL 98/01 betreffende het taalgebruik in de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn van het Nederlandse taalgebied, dezelfde richtlijnen toepasselijk voor de O.C.M.W.’s. Deze omzendbrieven zijn alom bekend als “de omzendbrieven Peeters en Martens”. Uitgangspunt van deze omzendbrieven is dat de bestuurstaal in de gemeenten van het Nederlandse taalgebied het Nederlands is. Enkel voor de faciliteitengemeenten (WezembeekOppem, Wemmel, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Drogenbos) geldt de regel dat berichten en mededelingen die uitgaan van de gemeentelijke overheid en gericht zijn aan de inwoners van die gemeenten, tweetalig moeten zijn met voorrang voor het Nederlands. Alle andere individuele contacten met particulieren moeten in het Nederlands verlopen. Op eenvoudig verzoek kunnen de Franstalige inwoners van die gemeenten wel de voor hen bestemde documenten in het Frans verkrijgen. Ze moeten dat verzoek echter telkens opnieuw herhalen. Met dit laatste punt, namelijk het telkens opnieuw moeten herhalen van dit verzoek, waren vijf gemeentebesturen, één O.C.M.W.-bestuur en enkele Franstalige inwoners het niet eens. Ze vorderden voor de Raad van State de vernietiging van de omzendbrieven Peeters en Martens. Als belangrijkste argument stelden ze dat de besturen uit de faciliteitengemeenten, eens zij de taal van hun inwoners kennen, steeds die taal moeten gebruiken in hun contacten met die inwoners. Dat zou volgens die Franstalige inwoners uit de faciliteitengemeenten betekenen dat, zodra zij zich eenmaal in het Frans tot het gemeente- of O.C.M.W.-bestuur hebben gericht, dat bestuur in de toekomst steeds die taal zou moeten gebruiken in zijn contacten met die inwoners. Dat zou ook tot gevolg hebben dat de lokale administratie de taalaanhorigheid van de inwoners zou moeten registreren. 2. Raad van State In vijf arresten van 23 december 2004 (nr. 138860 tot 138864) heeft de Raad van State deze vorderingen ongegrond verklaard. Volgens de Raad van State moeten de bepalingen van de bestuurstaalwet in de ruimere context van de Belgische taalregeling worden gezien. Hiervoor verwijst de Raad van State naar een arrest van het Arbitragehof van 10 maart 1998, waarin gesteld wordt dat hoewel de taalwetgeving ten behoeve van Franstalige inwoners in de randgemeenten in een bijzondere regeling voorzien, deze regeling geen afbreuk doet aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied, waartoe die gemeenten behoren. Dit impliceert bovendien dat de taal die er in bestuurszaken moet worden gebruikt het Nederlands is en dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands.
109
De Raad van State stelt nu in zijn arresten uitdrukkelijk dat de interpretatie van het gebruik van het Frans in de randgemeenten moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands. Een automatische toepassing van de taal van de inwoner is hiermee niet verenigbaar. Dit zou immers een stelsel van feitelijke tweetaligheid inhouden, wat ongrondwettelijk is. Dit impliceert bijgevolg ook dat elke registratie van de taalvoorkeur van de inwoners via taalregisters of bestanden met de bedoeling een automatische taalkeuze te maken, ongrondwettelijk is.
110
Deze arresten van de Raad van State zijn van zeer groot belang. Ze bevestigen immers dat het standpunt dat de Vlaamse Regering steeds heeft ingenomen met betrekking tot de toepassing van de taalwetgeving in bestuurszaken, voornamelijk dan in de faciliteitengemeenten, correct is. De Raad van State bevestigt met andere woorden dat de omzendbrieven Peeters en Martens wettelijk zijn. 3. Omzendbrief BA 2005/03 van 8 juli 2005 van minister van Binnenlands Bestuur, Marino Keulen Naar aanleiding van deze belangrijke arresten van de Raad van State oordeelde de minister van Binnenlands Bestuur, Marino Keulen, dat het opportuun was om de standpunten, zoals vermeld in de omzendbrieven Peeters en Martens, nogmaals op een rijtje te zetten en ze te verduidelijken aan de hand van een aantal voorbeelden. Deze omzendbrief moet dan ook als een geactualiseerde en verfijnde versie worden beschouwd van de omzendbrieven Peeters en Martens die geenszins worden afgeschaft. Belangrijk is echter ook dat deze omzendbrief mutatis mutandis moet worden toegepast door de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en door de representatieve organen of besturen van de erkende erediensten. 3.1. Het Nederlands is bestuurstaal in het Nederlandse taalgebied De zes Vlaamse randgemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel, Wezembeek-Oppem en de taalgrensgemeenten Bever, Herstappe, Mesen, Ronse, Spiere-Helkijn en Voeren behoren integraal tot het Nederlandse taalgebied. Voor alle handelingen van de overheid binnen dat gebied moet principieel de taal van dat gebied worden gebruikt, in casu het Nederlands. De aan de Franstaligen toegekende faciliteiten vormen de uitzondering op de eentaligheid van een taalgebied en dienen strikt te worden geïnterpreteerd. De faciliteiten houden enkel in dat de overheid voor een beperkt aantal, precies omschreven verrichtingen moet afwijken van de algemene regel dat de streektaal ook de bestuurstaal is, ten voordele van de bestuurden die de voorkeur geven aan het Frans en alleen op hun uitdrukkelijk en herhaald verzoek. Er wordt benadrukt dat de faciliteiten bedoeld zijn als integratiebevorderende maatregel, wat inhoudt dat ze per definitie voor de individuele betrokkenen een uitdovend karakter hebben. Bij de interpretatie van de faciliteiten moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat een Franstalige inwoner, die vroeger al een beroep op die faciliteiten heeft gedaan, inmiddels dankzij zijn verblijf in het Nederlandse taalgebied de taal van het gebied voldoende beheerst en zich bijgevolg niet meer op de faciliteiten moet beroepen. Bovendien gelden deze faciliteiten enkel en alleen voor de inwoners van de gemeenten in kwestie. Bestuurders (burgemeesters, schepenen, raadsleden, O.C.M.W.-voorzitters en – raadsleden) kunnen nooit een beroep doen op de faciliteitenregel.
3.2. Taalgebruik in plaatselijke diensten Als algemene regel kan men stellen dat iedere plaatselijke dienst die in het Nederlandstalige taalgebied gevestigd is, uitsluitend het Nederlands gebruikt in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert (bijvoorbeeld de Vlaamse Gemeenschap) en in zijn betrekkingen met de andere diensten in hetzelfde taalgebied en in Brussel-Hoofdstad, in hun betrekkingen met diensten die gevestigd zijn in de rand- en taalgrensgemeenten, in hun berichten, mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek en in hun betrekkingen met particulieren. Er bestaan wel een aantal wettelijke uitzonderingen op deze algemene regel. Eén van de belangrijkste is de mogelijkheid dat de gemeenteraden van gemeenten die als toeristische centra worden beschouwd (bijvoorbeeld kustgemeenten), kunnen beslissen dat berichten en mededelingen die voor toeristen bestemd zijn, ten minste in drie talen opgesteld worden. Dit wordt duidelijk gesteld in artikel 11 van de bestuurstaalwet: het moet gaan om ten minste drie talen, die de gemeenten vrij kunnen bepalen. Het Nederlands dient uiteraard wel één van deze drie talen te zijn. Het is niet mogelijk dat in desbetreffende gemeenten berichten en mededelingen alleen in het Nederlands en in het Frans zouden worden gesteld. Een lokale plaatselijke dienst heeft ook de mogelijkheid om een particulier, die gevestigd is in een ander taalgebied, te antwoorden in de taal waarvan die particulier zich bedient. Ook het gebruikmaken door sommige gemeenten van een tolkendienst om hun ambtenaren bij te staan in hun contacten met anderstaligen, bijvoorbeeld asielzoekers of vluchtelingen, lijkt niet strijdig te zijn met de taalwetgeving. Voorwaarde is echter wel dat deze verstrekte dienst maar tijdelijk is. Bovendien betekent dit niet dat een anderstalige inwoner het recht zou hebben, om buiten de door de gemeente getroffen regeling, eventueel bijstand van een tolk te eisen. De welwillendheid van het lokaal bestuur creëert geen recht voor de betrokkene. 3.3. Taalgebruik van de plaatselijke diensten in de faciliteiten- en taalgrensgemeenten In de plaatselijke diensten in de gemeenten zonder speciale taalregeling levert het taalgebruik weinig of geen problemen op. De situatie is wel enigszins anders in de gemeenten met een speciale taalregeling, zoals de zes randgemeenten. a. taalgebruik van de binnendiensten De algemene regel is eenvoudig. Aangezien de gemeenten in kwestie in Vlaanderen liggen en Vlaanderen een homogeen Nederlandstalig taalgebied is, is de taal die ze in hun binnendiensten moeten gebruiken het Nederlands. Zo moet het Nederlands gebruikt worden in hun betrekkingen met de diensten waaronder ze ressorteren (bijvoorbeeld de gouverneur of de Vlaamse Regering) en in hun betrekkingen met andere diensten in het Nederlandse taalgebied en in Brussel-Hoofdstad. Dit geldt ook voor hun betrekkingen met privé-bedrijven waarvan de exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied is gevestigd in een gemeente zonder speciale taalregeling. Voor de vergaderingen van de gemeenteraad, van het college van burgemeester en schepenen, commissies, adviesraden en adviesorganen geldt eveneens dezelfde regel. Deze organen moeten worden beschouwd als binnendienst van de gemeente en in hun vergaderingen kan alleen het Nederlands worden gebruikt.
111
b. taalgebruik van de plaatselijke diensten in hun relaties met particulieren Wanneer plaatselijke diensten in de faciliteiten- en taalgrensgemeenten zich wenden tot een particulier, geldt eveneens als algemene regel dat ze het Nederlands gebruiken. Echter hier voorzien de faciliteiten die aan de Franstaligen werden toegekend, een aantal situaties waarin het gebruik van het Frans verplicht is. Hierna volgt een opsomming van de mogelijke contacten tussen de besturen en hun anderstalige inwoners. De aandacht dient er nogmaals op gevestigd dat de faciliteiten alleen bedoeld zijn voor de inwoners van de bedoelde gemeenten en niet voor derden.
112
Berichten en mededelingen voor het publiek Berichten en mededelingen voor het publiek in de gemeenten met een speciaal taalregime moeten gesteld worden in het Nederlands en het Frans, maar met voorrang voor het Nederlands. Hoe deze voorrang moet worden georganiseerd, wordt niet in de taalwetgeving bepaald. Het zijn de lokale besturen zelf die daarover een beslissing kunnen nemen, in overeenstemming met de wet. In de omzendbrief van minister Keulen wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van voorbeelden waarin verduidelijkt wordt hoe de voorrang voor het Nederlands tot uiting kan worden gebracht. (bijvoorbeeld: de Nederlandstalige tekst is groter afgedrukt dan de Franstalige, de Nederlandstalige tekst staat in een kader en de Franstalige niet, als de tekst in twee verticale kolommen wordt afgedrukt staat de Nederlandstalige tekst links en de Franstalige rechts,…) Gaat de tekst uit van de gemeente zelf, dan is bovendien vereist dat de inhoud van de Nederlandstalige en de Franstalige versie identiek is. Indien de tekst uitgaat van een andere Vlaamse overheidsinstantie (bijvoorbeeld van de provincie of de Vlaamse Regering), is het voldoende dat een Franstalige samenvatting van het bericht of de mededeling ter beschikking wordt gesteld. Wanneer berichten en mededelingen via gemeentelijke kanalen verspreid worden, moeten deze aan de taalregeling voldoen. Dit geldt zowel voor berichten en mededelingen die uitgaan van de gemeente zelf of de Vlaamse overheid, alsook voor berichten en mededelingen die uitgaan van derden. Meer concreet betekent dit dat wanneer een louter privé-initiatief via een gemeentelijk kanaal wordt verspreid, bijvoorbeeld via de gemeentescholen, die informatie overeenkomstig de taalwetgeving moet worden verspreid. Het bericht of de mededeling moet dan ook in het Nederlands en het Frans worden verspreid, met voorrang voor het Nederlands. Belangrijk om op te merken is dat alleen niet-gepersonaliseerde verzendingen als een bericht of een mededeling aan het publiek kunnen worden beschouwd. Wanneer een document op naam wordt verstuurd, niettegenstaande het feit dat het als een mededeling aan alle inwoners of aan een bepaalde groep van inwoners kan worden beschouwd, verliest die verzending haar kwalificatie van bericht of mededeling en wordt ze een “betrekking met een particulier”. Dergelijk document wordt bijgevolg alleen in het Nederlands opgemaakt en verstuurd, met dien verstande dat de geadresseerde de mogelijkheid moet hebben een Franstalige versie ervan aan te vragen. Betrekkingen met particulieren Betrekkingen met particulieren zijn mondelinge of schriftelijke individuele contacten tussen de plaatselijke dienst van de gemeente, O.C.M.W., een intercommunale of een andere Vlaamse
overheidsinstantie, met een individuele inwoner van een gemeente. Hier geldt de regel dat die contacten plaatsvinden in de taal van het gebied: in gemeenten die in het Nederlands taalgebied liggen, hebben die contacten bijgevolg plaats in het Nederlands. De faciliteitenregeling bepaalt echter dat een Franstalige inwoner uit een gemeente met een speciaal taalregime het recht heeft te verzoeken dat zijn contact met het bestuur in kwestie in het Frans verloopt. Alleen als een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar uitdrukkelijk om verzoekt, wordt dus het Frans gebruikt. Bovendien moet hij dat verzoek telkens opnieuw, voor elk contact herhalen. Zo moeten aanslagbiljetten inzake gemeentebelastingen (bijvoorbeeld de huisvuilbelasting) altijd in het Nederlands opgesteld worden. Inwoners die een Franstalig exemplaar van het aanslagbiljet hebben aangevraagd, worden later opnieuw in het Nederlands aangeschreven. Zij kunnen, zo nodig, opnieuw verzoeken om een Franstalig exemplaar te verkrijgen. Ook oproepingsbrieven voor verkiezingen moeten telkens in het Nederlands worden opgesteld en verstuurd. Alleen op uitdrukkelijk en herhaald verzoek kan een inwoner een Franstalig exemplaar ervan ontvangen. De regel dat het Frans uitsluitend mag gebruikt worden als een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar uitdrukkelijk om verzoekt, houdt ook in dat het initiatief om het Frans te gebruiken bij een individueel contact, niet mag uitgaan van het bestuur zelf. Aan het loket bijvoorbeeld dienen de gemeenteambtenaren zich tot een particulier te wenden in het Nederlands. Pas als een inwoner zich op eigen initiatief in het Frans uitdrukt of als hij, na in het Nederlands aangesproken te zijn, zelf uitdrukkelijk verzoekt om in het Frans te worden bediend, kan van deze faciliteit gebruik worden gemaakt. Formulieren bestemd voor publiek Formulieren bestemd voor het publiek zijn gedrukte teksten met invulruimten die door het publiek zelf moeten worden aangevuld. In de taalgrensgemeenten worden die formulieren uitsluitend in het Nederlands afgeleverd; in de randgemeenten in het Nederlands en het Frans. Akten betreffende particulieren Akten zijn alle stukken die dienen tot vaststelling van een rechtshandeling. In de taalgrensgemeenten stelt het gemeentebestuur de akten op in het Nederlands. Iedere belanghebbende uit de taalgrensgemeente heeft echter de mogelijkheid om een gewaarmerkte vertaling in het Frans te vragen. In de randgemeenten is de regel dat voor stukken ten behoeve van particulieren uit SintGenesius-Rode en Wezembeek-Oppem de akten opgesteld worden in het Nederlands en dat iedere belanghebbende uit die gemeente zonder extra kosten en zonder verantwoording van zijn aanvraag, bij de dienst die de akte heeft opgemaakt, een gewaarmerkte vertaling met waarde van uitgifte of van gelijkluidend afschrift kan verkrijgen. Voor stukken ten behoeve van particulieren uit Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel worden de akten gesteld in het Nederlands of het Frans, naar gelang van de vraag van de belanghebbende. Wanneer een inwoner uitdrukkelijk om een Franstalige versie of een vertaling van het desbetreffende stuk moet vragen, moet hij dat verzoek telkens en voor elk stuk herhalen. Getuigschriften, verklaringen, machtigingen, vergunningen uit te reiken aan particulieren. In de taalgrensgemeenten worden de verklaringen, de machtigingen en de vergunningen alleen in het Nederlands afgegeven. Getuigschriften worden in het Nederlands opgemaakt, maar ze kunnen in die gemeenten op uitdrukkelijk verzoek van de inwoner in het Frans worden
113
afgeleverd. In de randgemeenten worden de getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in het Nederlands uitgereikt, tenzij de particulier uitdrukkelijk verzoekt om een in het Frans opgesteld document. Ook dit verzoek moet steeds opnieuw herhaald worden. 4.Verbod op het houden van een taalregister
114
Tot slot wordt nogmaals benadrukt in de omzendbrief van minister Keulen dat de Vlaamse Regering haar standpunten bevestigt die ze tot nu toe steeds heeft ingenomen en die inhouden dat de faciliteiten restrictief moeten worden geïnterpreteerd, dat de inwoners van de faciliteitengemeenten steeds hun verzoek moeten herhalen om in hun betrekking met de besturen in het Frans bediend te worden, en dat het bijhouden van een taalregister door de faciliteitengemeenten met het oog op het “eeuwigdurende” contact in het Frans met een inwoner die eenmaal te kennen heeft gegeven in die taal te willen worden bediend, onwettig is.
Referenties - Omzendbrief BA 2005/03 van 8 juli 2005 betreffende taalgebruik in de gemeente- en O.C.M.W.-besturen en in de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden- interpretatie en gevolgen van de arresten van de Raad van State van 23 december 2004, B.S. 8 augustus 2005. - JANSSENS, R., “De omzendbrieven Peeters en Martens doorstaan de toets van de Raad van State”, Binnenband oktober 2005, 25-27.
Omzendbrief BA 2005/05 van 2 september 2005 betreffende “Naar meer en betere stageplaatsen bij de lokale en regionale besturen” De verschillende Vlaamse bestuursniveaus, de Vlaamse overheid, de provincies, en de lokale besturen, hebben de handen in elkaar geslagen om binnen hun diensten meer stage- en werkervaringsplaatsen te creëren voor jongeren. Dit moet hen de mogelijkheid geven ervaring te kunnen opdoen vooraleer zij op de arbeidsmarkt terecht komen. Om dat te realiseren heeft de Vlaamse Regering op 1 juli 2005 het ‘Actieplan voor meer stageen werkervaringsplaatsen’ goedgekeurd. Dit actieplan is een gezamenlijk initiatief van de Vlaamse ministers Keulen bevoegd voor Binnenlands Bestuur, Bourgeois voor Bestuurszaken en Vandenbroucke voor Werk, Onderwijs en Vorming. Het actieplan vloeit voort uit het Werkgelegenheidsakkoord 2005-2006. Dit akkoord bevat een aantal concrete engagementen voor een groeipad voor het realiseren van de sluitende aanpak in het kader van alternerend leren en werken. De bedoeling is dus om vanaf het schooljaar 2005-2006 meer en betere stageplaatsen aan te bieden in de steden en gemeenten, de O.C.M.W.’s, de provincies, de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de Vlaamse Openbare en Wetenschappelijke instellingen en in het ministerie van de Vlaamse gemeenschap. Daarom spoort minister Keulen via de omzendbrief de lokale en regionale besturen aan om meer stageplaatsen te voorzien en/of bezoldigde werkervaringsplaatsen te creëren. Er worden in deze besturen immers heel diverse taken verricht (o.a. kantoorwerk, dienstverlening, natuurbeheer, zorg, technische functies, catering, ...), waardoor er heel uiteenlopende mogelijkheden zijn. Bij stages gaat het om onbezoldigde leeractiviteiten in een werkomgeving in het kader van het voltijdse leerplichtonderwijs, het tweedekansonderwijs, het hoger onderwijs of een andere opleidingsvorm. Met ‘stagiairs’ worden daarom zowel leerlingen en studenten bedoeld die in het kader van hun schoolse opleiding een stage volgen (schoolstage), als cursisten van opleidingscentra (stage van opleidingscentrum). Een stagiair die een schoolstage volgt is conform het Koninklijk Besluit van 21 september 2004 ‘elke leerling of student die in het kader van een leerprogramma georganiseerd door een onderwijsinstelling daadwerkelijk arbeid verricht bij een werkgever, en dit met het oog op het opdoen van beroepservaring.’ Naast de stages georganiseerd door een onderwijsinstelling, bestaan er eveneens onbezoldigde stages voor niet-werknemers die georganiseerd worden door de VDAB, of diverse andere instellingen en vzw’s. Bij werkervaringsplaatsen gaat het om een bezoldigde werkervaring in het kader van het alternerend leren georganiseerd door het Deeltijds Beroepssecundair Onderwijs (DBSO). De deeltijds leerplichtige jongere mag immers deeltijds werken voor de tijd die niet besteed wordt aan zijn opleiding. De som van de lesuren en werkuren mag echter de voltijdse arbeidsduur (38u/week) niet overschrijden. Men spreekt van een alternerende leerervaring wanneer er een aansluiting is tussen de schoolse opleiding (15u) en de invulling van de rest van de week (met minimaal 18u en maximaal 23u). De Vlaamse gemeenten, O.C.M.W.’ s en provincies zorgden in het schooljaar 2004-2005 al voor 4.701 stageplaatsen en 75 werkervaringsplaatsen. 60 % van de stageplaatsen en 90 %
115
van de werkervaringsplaatsen worden geboden door de gemeenten met meer dan 40.000 inwoners. Met het actieplan voor de verschillende Vlaamse overheden wil de Vlaamse Regering nu zoveel mogelijk een aanvulling op de privé-sector bieden. Er zal voornamelijk getracht worden om stageplaatsen te helpen vinden voor het leerplichten tweedekansonderwijs die in de privé-sector minder aan bod komen (de knelpuntstages). Bovendien wordt een extra inspanning gedaan om kansengroepen (kortgeschoolden, leefloners, personen met een handicap en personen van allochtone afkomst) verder te helpen, zonder evenwel in positieve discriminatie te vervallen. Zo wordt bijvoorbeeld een streefdoel vooropgesteld van 10 % leefloners en 5 % allochtonen.
116
Voor de bezoldiging van werkervaringsplaatsen zijn er verschillende mogelijkheden. Zo zijn er deeltijdse arbeidscontracten, brugprojecten of de Individuele Beroepsopleiding. De Vlaamse overheid heeft gekozen om met de stagiair een beroepsinlevingsovereenkomst te sluiten. De beroepsinlevingsovereenkomst vindt zijn juridische basis in de artikelen 104-112 van de Programmawet van 2 augustus 2002. Deze overeenkomsten moeten onderscheiden worden van arbeidsovereenkomsten. De stagiairs met een beroepsinlevingsovereenkomst hebben immers geen personeelsrelatie met de stagegever. Het beoogt immers niet het leveren van arbeid in dienst van een werkgever, maar wel het verwerven van kennis en vaardigheden door de stagiair. Het feit dat stagiairs met een beroepsinlevingsovereenkomst geen personeel zijn, heeft gevolgen voor de wijze waarop de rechtspositie kan geregeld worden. De minister stelt een modelbesluit ter beschikking betreffende de vaststelling van het aantal stageen werkervaringsplaatsen en van de voorwaarden waartegen beroepsinlevingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Dit model is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering terzake. Besluiten over deze materie zijn de gemeenten en O.C.M.W.’s niet verplicht op te sturen aan de toezichthoudende overheid. De omzendbrief bepaalt dat zij vallen onder artikel 28 van het Decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten en onder artikel 111 van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van 8 juli 1976. Intussen zijn conform artikel 313 van het Gemeentedecreet de bepalingen betreffende het bestuurlijk toezicht zoals opgenomen in ditzelfde decreet in werking getreden. Daarom kan voor de gemeenten niet langer verwezen worden naar artikel 28 van het dcreet van 28 april 1993. De bedoelde besluiten vallen nu echter onder toepassing van artikel 252 § 1 van hetGemeentedecreet van 15 juli 2005. De kosten die voor het afsluiten van een beroepsinlevingsovereenkomst in rekening gebracht moeten worden, zijn de volgende: de vergoeding voor de stagiair, de verzekering voor arbeidsongevallen en beroepsziekten en de financiering van risicoanalyses en medische onderzoeken.
Als bijlage vindt u een checklists die stageaanbieders aan de hand van een aantal stappen helpen om tot een geslaagde en voor beide partijen zinvolle stage te komen. Voor de opmaak van deze checklist werd gebruikgemaakt van bestaande begeleidingsinstrumenten van de Unie voor Zelfstandig Ondernemen (UNIZO): http://www.ondernemendeschool.be/. Intussen werd er ook een vademecum over stages en werkervaringsplaatsen bij de overheid opgesteld. Het is een handleiding voor stageaanbieders in overheidsdiensten boordevol nuttige informatie over arbeidsrechterlijke bepalingen, soorten contracten en voorwaarden, mogelijke premies, checklists, modellen en voorbeelden van stageovereenkomsten, om er maar enkele te noemen.
U kunt het vademecum downloaden op: http://www.binnenland.vlaanderen.be/regelgeving/omzendbrieven/PDF/ vademecum%20Stage-Werkervaring-dec2005.pdf
Referenties - Omzendbrief BA 2005/05 van 2 september 2005 betreffende “Naar meer en betere stageplaatsen bij de lokale en regionale besturen� - Vademecum over stages en werkervaringsplaatsen bij de overheid, Brussel, Politeia, 2005, 78p.
Zie vademecum over stages en werkervaringsplaatsen bij de overheid
117
Omzendbrief betreffende het openbaar bod van Suez op Electrabelaandelen - Omzendbrief BA 2005/06 van 14 oktober 2005 - B.S. 18 november 2005
118
In 2005 werd door de Raad van Bestuur van Suez een openbaar bod op Electrabelaandelen gelanceerd. De Vlaamse gemeenten, die via hun financieringsintercommunales over een participatie van 2,79 % in Electrabel beschikken, werden verzocht zich uit te spreken over het bod van Suez, dat deels uit cash en deels uit Suez-aandelen bestaat. Omdat deze operatie een invloed heeft op het strategisch beleid van de gemeente en om te vermijden dat de gemeenten met aandelen Electrabel blijven zitten die niet meer op de beurs kunnen verhandeld worden, stelde minister Keulen de Vlaamse gemeenten voor om in te gaan op het bod van Suez op Electrabelaandelen en de Suezaandelen op zijn minst voor een korte termijn aan te houden. In deze omzendbrief worden door de minister verschillende mogelijkheden aangeduid voor het besteden van de opbrengsten die vrijkomen door in te gaan op het overnameaanbod van Suez: -
de schuldafbouw van de financieringsintercommunales;
- het nemen van een grotere participatie in Elia en Fluxys ter versterking van de participatie van de publieke sector in deze bedrijven; - de aankoop van aandelen van de distributienetbeheerder om tegemoet te komen aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit. Hierin wordt gesteld dat de gemengde netbeheerders tegen september 2006 nog voor ten hoogste 30 % in handen mogen zijn van producenten of leveranciers van elektriciteit; -
de ontwikkeling van REG-initiatieven.
Indien de gemeenten toch van hun gemeentelijke autonomie gebruik willen maken en een andere besteding wensen te geven aan deze opbrengsten, dan is dit enkel mogelijk voor duurzame investeringen, opgenomen in de buitengewone dienst van de begroting. De aanleg van pensioenen is een optie. Voor de boekingen die verband houden met deze aangelegenheid verwijzen we naar de website van Binnenlandse Aangelegenheden: http://www.binnenland.vlaanderen.be/financien/financien_standpunten/boekingenbeursgang.htm
Referenties - Omzendbrief BA 2005/06 van 14 oktober 2005 betreffende het openbaar bod van Suez op Electrabelaandelen, B.S. 18 november 2005 - Website ABA – standpunten permanente werkgroep FinanciÍn 22/11/2005 en permanente werkgroep Boekhouding 29/11/2005
119
Hoofdstuk 6
CIJFERS I.V.M. DE VLAAMS-BRABANTSE LOKALE BESTUREN
Hoofdstuk 6
CIJFERS I.V.M. DE VLAAMS-BRABANTSE LOKALE BESTUREN Gemeentelijke administratieve sancties Stand van zaken in Vlaams-Brabant op 31 december 2005 arrondissement LEUVEN
122
gemeente
gem ambt aangesteld
prov ambt aangesteld
interlokale vereniging intentie
PZ Leuven
Leuven
1
PZ Hageland
Bekkevoort Geetbets Glabbeek Kortenaken
Tielt-Winge
PZ LAN
0
0
1 1 1
1
Landen Linter
1 1
Zoutleeuw
1
PZ Lubbeek
Bierbeek Boutersem Holsbeek
1 1 1
Lubbeek
1
PZ Tienen/Hoegaarden
Tienen
Hoegaarden
1
PZ Herko
Herent
1
Kortenberg
1
PZ Aarschot
Aarschot
PZ Haacht
Boortmeerbeek Haacht
1 1
Keerbergen
1
PZ Demerdal
Diest
1
op termijn
Scherpenheuvel
1
PZ Dijleland
Bertem Huldenberg
1 1
op termijn
Oud-Heverlee
1
PZ Tervuren PZ BRT
Tervuren Begijnendijk Rotselaar Tremelo
1 1 1 1
op termijn
subtotaal
1
1
0
3
0
0
0
26
0
gemeente
aangesteld gem ambt
aangesteld prov ambt
interlokale vereniging intentie
HALLE- VILVOORDE
PZ Zaventem
Zaventem
PZ WOKRA
Kraainem
1
Wezembeek-Oppem
1
PZ Druivenstreek
Hoeilaart
1
op termijn
Overijse
1
op termijn
PZ Rode
Drogenbos Linkebeek
1 1
Sint-Genesius-Rode
1
PZ Beersel
Beersel
1
PZ Pajottenland
Galmaarden Gooik Lennik Bever Pepingen
Herne
0
PZ Dilbeek
Dilbeek
1
PZ TARL
Ternat Affligem Liedekerke
1 0 1
Roosdaal
PZ AMOW
Asse
0
0
1
Merchtem
0
0
1
Opwijk
0
0
1
Wemmel
0
0
1
PZ KLM
Londerzeel Kapelle op den Bos
0
1 1
Meise
0
1
0
PZ Grimbergen
Grimbergen
0
1
0
PZ Vilvoorde/Machelen
Machelen
1
Vilvoorde
1
PZ KASTZE
Kampenhout Steenokkerzeel
Zemst
0
1
0
PZ Halle
Halle
0
1
0
PZ St-Pieters-Leeuw
Sint-Pieters-Leeuw
subtotaal
3
20
ALGEMEEN TOTAAL
6
46
1 0
1
1 0
123
0
0
0
1
4 4
Het bedrag van de maaltijdcheques in de gemeenten van VlaamsBrabant.
GEMEENTEN
124
AARSCHOT AFFLIGEM ASSE BEERSEL BEGIJNENDIJK BEKKEVOORT BERTEM BEVER BIERBEEK BOORTMEERBEEK BOUTERSEM DIEST DILBEEK DROGENBOS GALMAARDEN GEETBETS GLABBEEK GOOIK GRIMBERGEN HAACHT HALLE HERENT HERNE HOEGAARDEN HOEILAART HOLSBEEK HULDENBERG KAMPENHOUT KAPELLE-OP-DEN-BOS KEERBERGEN KORTENAKEN KORTENBERG KRAAINEM LANDEN LENNIK LEUVEN LIEDEKERKE LINKEBEEK LINTER LONDERZEEL LUBBEEK MACHELEN
KL
bijdrage van de lokale besturen in de kost van de maaltijdcheques (max. 4,91 euro)
bijdrage van het personeelslid (min. 1,09 euro)
18 15 18 17 14 12 14 7 14 15 13 17 19 14 13 12 12 14 18 15 19 16 13 13 15 14 14 15 14 15 13 16 15 15 14 21 15 11 13 16 15 15
3,38 4,00 5,45 4,91 3,90 4,90 4,91 1,88 4,39 4,40 3,89 2,40 4,46 4,46 4,46 2,15 2,90 4,91 4,91 3,20 4,88 1,76 1,88 4,90 3,90 2,23 4,88 4,91 4,91 1,86 2,40 4,91 4,00 1,90 4,88 4,86 3,88 4,91 1,40 1,91 4,88 4,88
1,12 1,10 1,11 1,09 1,10 1,10 1,09 1,12 1,11 1,10 1,11 1,10 1,14 1,54 1,12 1,10 1,10 1,09 1,09 1,30 1,12 1,09 1,12 1,10 1,10 1,10 1,12 1,09 1,09 1,09 1,10 1,09 1,50 1,10 1,12 1,14 1,12 1,09 1,10 1,09 1,12 1,12
MEISE MERCHTEM OPWIJK OUD-HEVERLEE OVERIJSE PEPINGEN ROOSDAAL ROTSELAAR SCHERPENHEUVELZICHEM STEENOKKERZEEL ST-GENESIUS-RODE ST-PIETERS-LEEUW TERNAT TERVUREN TIELT-WINGE TIENEN TREMELO VILVOORDE WEMMEL WEZENBEEK-OPPEM ZAVENTEM ZEMST ZOUTLEEUW
16 15 15 15 18 11 15 16 17 15 17 18 15 17 14 19 15 20 15 15 18 17 14
4,46 4,91 3,90 3,91 4,40 2,40 4,91 1,36 2,86
1,54 1,09 1,10 1,09 1,10 1,10 1,09 1,14 1,14
4,91 4,91 4,91 3,90 3,90 1,90 1,90 3,68 1,49 4,91 4,88 4,50 4,90 2,90
1,09 1,09 1,09 1,10 1,10 1,09 1,10 1,12 1,10 1,09 1,12 1,10 1,10 1,10
125
De toepassing van het “Bourka-reglement� Steden en gemeenten waar het modelreglement met betrekking tot het verbod om zich niet identificeerbaar op het openbaar en het privaat domein van de overheid te vertonen (het Bourka-reglement), reeds wordt toegepast.
Aarschot
neen
Linkebeek
neen
Affligem
neen
Linter
neen
Londerzeel
neen
Asse
126
ja
Beersel
neen
Lubbeek
neen
Begijnendijk
neen
Machelen
neen
Bekkevoort
ja
Meise
neen
Bertem
neen
Merchtem
neen
Bever
neen
Opwijk
neen
Bierbeek
neen
Oud-Heverlee
neen
Boortmeerbeek
neen
Overijse
neen
Boutersem
neen
Pepingen
ja
Diest
neen
Roosdaal
neen
ja
Rotselaar
neen
Dilbeek Drogenbos
neen
Scherpenheuvel
neen
Galmaarden
neen
Steenokkerzeel
ja
Geetbets
neen
St-Genesius-Rode
neen
Glabbeek
neen
St-Pieters-Leeuw
neen
Gooik
neen
Ternat
neen
Grimbergen
neen
Tervuren
neen
Tielt-Winge
neen
Haacht
ja
Halle
neen
Tienen
neen
Herent
neen
Tremelo
neen
Herne
neen
Vilvoorde
ja
Hoegaarden
neen
Wemmel
neen
Hoeilaart
neen
Wezembeek-Oppem
neen
Holsbeek
neen
Zaventem
neen
Huldenberg
neen
Zemst
neen
Kampenhout
neen
Zoutleeuw
neen
Kapelle o/d Bos
neen
Keerbergen
neen
Kortenaken
neen
Kortenberg
neen
Kraainem
neen
Landen
ja
Lennik
neen
Leuven
neen
Liedekerke
neen
Een bredere kijk op enkele belangrijke gemeentelijke ontvangsten in Vlaams-Brabant Om hun werking te financieren hebben de gemeenten uiteraard ontvangsten nodig. De besturen rekenen daarom kosten aan voor het verstrekken van diensten, innen belastingen, krijgen subsidies van hogere overheden,‌ In dit issue werpen we een terug- en vooruitblik op 3 inkomstenbronnen die een grote invloed hebben op de financiÍle middelen van de gemeenten in onze provincie, namelijk de belastingen, de elektriciteitsdividenden en het Gemeentefonds. We vergelijken hiervoor telkens de situatie voor de gemeenten in onze provincie VlaamsBrabant met deze voor de gemeenten in Vlaanderen. 1.Belastingen Hoewel er een tendens is om het aantal reglementen drastisch te verminderen, beschikken de gemeenten nog altijd over een brede waaier van belasting- en retributiereglementen. Het leeuwenaandeel van de inkomsten uit belastingen bestaat echter uit de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing. We beperken ons in wat volgt dan ook tot deze twee belastingsinkomsten. Aanvullende personenbelasting (APB) In volgende tabel en grafiek wordt de evolutie van de gemiddelde aanslagvoet van de APB weergegeven. Gemiddelde aanslagvoet APB Provincie Vlaams-Brabant Vlaanderen
1999 6,45 6,61
2000 6,40 6,59
2001 6,60 6,82
2002 6,85 7,02
2003 6,98 7,15
2004 7,02 7,19
2005 7,04 7,16
Evolutie gemiddelde APB 7,40
gemiddelde APB
7,20 7,00 6,80 6,60 6,40 6,20 6,00
1999
2000
Vlaanderen Vlaams-Brabant
2001
2002
2003
2004
2005
127
Het gemiddelde van de aanvullende personenbelasting van de provincie Vlaams-Brabant blijft net onder het gemiddelde cijfer voor Vlaanderen. De evolutie die in gans Vlaanderen de afgelopen jaren was waar te nemen heeft zich eveneens in Vlaams-Brabant voorgedaan. In 2005 was in Vlaams-Brabant wel nog een uiterst minieme stijging merkbaar, terwijl in Vlaanderen voor het eerst sinds jaren een lichte daling werd vastgesteld. De grote stijging van de aanvullende personenbelasting die zich in Vlaanderen en Vlaams-Brabant had ingezet vanaf het jaar 2000 is dus voorbij. Volgende tabel geeft de onderverdeling weer van de gemeenten van Vlaams-Brabant naar hun aanslagvoet: 1999 4 3
2000 6 3
2001 7 2
2002 5 1
2003 4 2
2004 3 2
2005 3 2
22 9
21 8
15 8
10 10
7 10
8 9
8 8
19 6
20 5
19 8
14 12
13 13
12 14
11 16
2
2
6
12
13
14
14
1
3
3
3
Evolutie APB 70 60 Aantal gemeenten
128
<=5% 5,1% tem 5,5% 5,6% tem 6% 6,1% tem 6,5% 6,6% tem 7% 7,1% tem 7,5% 7,6% tem 7,9% >=8%
50 40 30 20 10 0
1999
2000
Reeks 8 >=8% 7,6% tem 8% 7,1% tem 7,5% 6,6% tem 7% 6,1% tem 6,5% 5,6% tem 6% 5,1% tem 5,5% <=5%
2001
2002
2003
2004
2005
In 2002 is er een verschuiving geweest van 3 gemeenten van de klasse van gemeenten met een lagere aanslagvoet (minder dan 5,6%) naar de klasse van gemeenten met een middelmatige (tussen 5,6% en 7%) aanslagvoet. Er zijn netto 8 gemeenten met een verschuiving naar de klasse met een hogere aanslagvoet (meer dan 7%). In 2003 zien we een netto verschuiving van 4 gemeenten van de klasse met middelmatige aanslagvoeten naar de klasse met hogere aanslagvoeten. In 2004 is er een lichte daling van het aantal gemeenten in de lagere klassen en in de middenklasse en een lichte stijging van het aantal gemeenten in de hogere klasse. In 2005 zijn er twee gemeenten die naar een klasse met een hogere aanslagvoet overstappen.
129
Onroerende voorheffing (OV) In volgende tabel en grafiek wordt de evolutie van de gemiddelde aanslagvoet van de OV weergegeven. Gemiddelde OV Jaartal Provincie Vlaams-Brabant Vlaanderen
1999 922 1.073
2000 918 1.073
2001 1.000 1.169
2002 1.082 1.258
2003 1118 1.294
2004 1.126 1.305
2005 1.127 1.305
Evolutie gemiddelde OV 1400
gemiddelde OV
1200 1000 800 600 400 200 0
1999
2000
Vlaanderen Vlaams-Brabant
2001
2002
2003
2004
2005
Het gemiddelde van de opcentiemen onroerende voorheffing van de provincie Vlaams-Brabant blijft zoals de APB onder de gemiddelde cijfers voor Vlaanderen, maar volgt wel dezelfde evolutie als Vlaanderen. In 2005 is voor Vlaams-Brabant het gemiddelde nog licht gestegen, voor Vlaanderen werd een stagnatie vastgesteld. Volgende tabel geeft een onderverdeling weer van de OV voor de gemeenten in VlaamsBrabant.
2001 7 24 22 12
2002 3 21 23 14 4
2003 3 18 21 18 5
2004 2 19 19 20 5
2005 2 17 23 18 5
Evolutie OV 70 60 Aantal gemeenten
130
Onderverdeling gemeenten OV 1999 2000 <750 10 10 750 tem 999 30 31 1000 tem 1249 20 20 1250 tem 1499 5 4 >1500
50 40 30 20 10 0
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
>1500 1250 tem 1499 1000 tem 1249 750 tem 999 < 750
Bij de onderverdeling van de gemeenten naargelang de hoogte van de opcentiemen onroerende voorheffing is er door de jaren heen een verschuiving te merken naar klassen met hogere opcentiemen. In 2005 verschuiven in Vlaams-Brabant vier gemeenten naar de klasse 1000 tot en met 1249: twee van een lagere en twee van een hogere klasse.
2. Elektriciteitsdividenden De afgelopen jaren hebben de gemeenten aanzienlijke inkomstenverliezen geleden door de liberalisering van de energiemarkt. Dit heeft zich geuit in aanzienlijke verliezen (minderontvangsten) met betrekking tot de elektriciteitsdividenden. Hieronder wordt voor het totaal van de 65 gemeenten van Vlaams-Brabant een overzicht weergegeven met de in 2002 en 2003 ontvangen dividenden uit de elektriciteitsdistributie, evenals de ramingen voor 2004 en 2005, op basis van gegevens door de intercommunales verstrekt. De cijfers voor 2004 en 2005 houden geen rekening met de mogelijke inkomsten van de Eliaheffing. De cijfers 2000-2003 en de ramingen 2004-2005 betreffen uitsluitend de bedragen die effectief op de gemeenterekening werden of zullen worden gestort. Dus bijvoorbeeld geen dividenden die in de financieringsintercommunale gereserveerd werden of aangewend werden voor de aankoop van aandelen. Onderstaande tabel geeft de evolutie van de ontvangen elektriciteitsdividenden tot 2005 voor de provincie Vlaams-Brabant weer:
Jaarlijkse opbrengst (in euro) Jaarlijks verlies (in euro) Gecumuleerd verlies (in euro) Opbrengst tov 2002 (index=100)
2002
2003
2004
2005
57.014.900
49.526.560
17.830.904
16.372.598
7.488.340
39.183.996
40.642.302
7.488.340
46.672.336
79.826.298
86,87
31,27
28,72
100
De omvang van de verliezen komt in verhouding ongeveer overeen met die voor gans Vlaanderen. Volgens de door de netbeheerders verstrekte gegevens hebben de 308 Vlaamse gemeenten in 2004 nog slechts 136.972.198 euro aan dividenden uit elektriciteit ontvangen tegenover 355.946.675 euro in 2002. Dit is ongeveer nog 38.5% van het bedrag in 2002. Voor 2005 bedraagt de dividendopbrengst 115.833.907 euro, wat ongeveer 35,5% bedraagt van de dividendopbrengst in 2002. Volgens de begrotingsonderrichtingen voor 2004 en 2005 kon een compensatie ingeschreven worden ingevolge de Eliaheffing. Het geraamde bedrag werd berekend ten belope van 2/3 van het verlies aan elektriciteitsdividenden t.o.v. de rekening 2002 (gebaseerd op een gemiddelde voor alle Vlaamse gemeenten). In de begrotingsonderrichtingen 2006 werd voor de meerjarenplanning een uitdovende evolutie van de Eliaheffing vooropgesteld. De totale som en het gemiddelde voor de provincie is als volgt (in euro).
2006 2007 2008 2009
Totaal 24.588.104 19.461.452 11.207.419 10.568.101
Gemiddelde 327.841 259.486 149.432 140.908
131
3. Gemeentefonds
Het Gemeentefonds zorgt voor de basisfinanciering van de gemeenten. De berekening van de aandelen van de gemeenten gebeurt op basis van de centrumfunctie die de gemeente vervult, de fiscale armoede van de gemeente, de oppervlakte van de open ruimten en sociale maatstaven zoals het aantal personen met een W.I.G.W.-statuut, werklozen met een lage scholingsgraad, geboorten in kansarme gezinnen, bewoners van sociale huurappartementen en het aantal leefloners. De gemeenten beslissen autonoom waarvoor deze middelen worden aangewend: hetzij voor de financiering van reguliere uitgaven, hetzij voor hun investeringsbeleid. Aandeel van de provincie Vlaams-Brabant in het totaal van het Gemeentefonds
132 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
Provincie 109.514.169 113.633.096 156.999.015 158.942.873 163.003.237 166.840.767 171.149.846 175.856.314 180.910.363 186.406.849
Vlaanderen 1.159.431.559 1.219.722.000 1.542.979.000 1.593.281.000 1.649.046.000 1.706.763.000 1.766.500.000 1.828.328.000 1.892.320.000 1.958.552.000
% 9,45 9,32 10,18 9,98 9,88 9,78 9,69 9,62 9,56 9,52
Het totale aandeel van alle gemeenten van de provincie Vlaams-Brabant samen in het Gemeentefonds blijkt licht achteruit te gaan. In 2003 bedroeg dit nog 10,18 %. In 2010 wordt dit nog op 9,52 % geraamd. Evolutie groei gemeentefonds 45,00 40,00 35,00
percentage
30,00 25,00 20,00 15,00 10,00 5,00 0,00
2002
2003
2004
Vlaanderen Vlaams-Brabant
2005 2006
2007
2008
2009 2010
Wanneer we de evolutie van het Gemeentefonds in absolute cijfers bekijken, stellen we in 2003 een sterke stijging vast wegens de samenvoeging van de verschillende fondsen. De stijging in 2003 in Vlaams-Brabant was groter dan in Vlaanderen. Vanaf 2004 was de stijging in Vlaanderen dan weer groter. Als we de periode na 2003 afzonderlijk bekijken, dan zien we dat beide evoluties naar elkaar toegroeien: Groei gemeentefonds 4,00
percentuele groei
3,50
133
3,00 2,50 2,00 1,50 1,00 0,50 0,00
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Vlaanderen Vlaams-Brabant
Aandeel gemeenten in Gemeentefonds De verdeling van de gemeenten met hun aandeel (in %) ten opzichte van de totale som van het Gemeentefonds voor Vlaams-Brabant is als volgt: <1% 1%1,99% 2%2,99% 3%3,99% 4%4,99% >5%
2003 35 19
2004 36 18
2005 38 16
2006 39 15
2007 39 15
2008 39 15
2009 39 15
2010 39 15
4
4
3
3
5
5
5
5
5
4
5
4
2
2
2
2
1
2
2
3
3
3
3
3
1
1
1
1
1
1
1
1
Het bestuur dat boven 5% ligt is de stad Leuven met een aandeel van 18,06% in 2003, 18,07% in 2004, 18,80% in 2005 en 18,77% in 2006. De drie besturen tussen 4 en 5% zijn de steden Halle, Vilvoorde en Tienen. Aarschot, Diest, Zaventem en Dilbeek zitten tussen de 3 en 4%. Het saldo (resterend percentage) is verdeeld over de overige gemeenten van onze provincie.
Aandeel O.C.M.W. in het Gemeentefonds In het Gemeentefonds is ook een basisfinanciering voor de O.C.M.W.’s opgenomen. Deze bedraagt 8 procent van het gemeentelijke aandeel. De gemeenteraad en de O.C.M.W.-raad kunnen echter over een andere verdeelsleutel beslissen. Deze moet aan onze administratie worden meegedeeld uiterlijk op 30 juni van het jaar dat aan de verdeling voorafgaat. Onderstaande tabel geeft de verdeling van het aandeel van de O.C.M.W.’s in Vlaams-Brabant in het Gemeentefonds weer.
134
2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
<8% 10 9 10 9 8 9 10 10
8% 47 47 47 49 49 47 47 47
>8% 8 9 8 7 8 9 8 8
Hoewel er over de jaren heen lichte verschuivingen zijn geweest, behouden de meeste gemeenten hun aandeel op 8%. Uit nader onderzoek blijkt dat er twee gemeenten zijn zonder aandeel van het Gemeentefonds voor hun O.C.M.W., 2 gemeenten met 20% aandeel en 1 gemeente met maar liefst 50% aandeel voor hun O.C.M.W.
Referenties - Website Binnenlandse Aangelegenheden - Jaarbeeld 2004 Administratie Binnenlandse Aangelegenheden - Omzendbrief BA 2005/04 van 22 juli 2005 houdende instructies voor het opstellen van de begrotingen, budgetten en meerjarenplannen voor 2006 van de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest - Omzendbrief BA 2005/05 van 27 augustus 2004 houdende de instructies voor het opstellen van de begrotingen, budgetten en meerjarenplannen voor 2005 van de gemeenten en de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn van het Vlaamse Gewest - Gemeentebegrotingen 2005 van Vlaams-Brabant
Een terugblik op de gemeentebegrotingen 2005 In dit onderdeel willen we een aantal globale gegevens uit de begrotingen 2005 toelichten. Voor de gemeenten kan het interessant zijn om deze gegevens te vergelijken met deze van andere (gelijkaardige) gemeenten. We zien deze informatie dan ook louter als een mogelijke inspiratiebron voor de besturen. Wanneer grote verschillen worden vastgesteld met andere besturen, dan kan dit een signaal zijn om bepaalde gegevens verder te onderzoeken of te analyseren. Tabel 1: Datum van vaststelling van de begroting 2005 door de gemeenteraad (GR) en aantal begrotingswijzigingen (BW)
Datum vaststelling begroting door GR
aantal BW
Halle-Vilvoorde
Datum vaststelling begroting door GR
aantal BW
16 december 2004 30 december 2004 24 januari 2005 21 december 2004 30 december 2004 24 maart 2005 27 januari 2005 20 december 2004 14 februari 2005 13 januari 2005 13 december 2004 14 december 2004 11 januari 2005 21 december 2004 24 maart 2005 27 december 2004 23 december 2004 17 januari 2005 21 december 2004 24 februari 2005 24 januari 2005 29 december 2004 21 december 2004
2
Leuven
Affligem
8 maart 2005
2
Aarschot
Asse Beersel
20 december 2004 17 februari 2005
3 3
Begijnendijk Bekkevoort
Bever
5 januari 2005
2
Bertem
Dilbeek Drogenbos Galmaarden
14 december 2004 17 maart 2005 29 maart 2005
2 2 2
Bierbeek Boortmeerbeek Boutersem
Gooik Grimbergen Halle
14 december 2004 2 december 2004 14 december 2004
2 3 3
Diest Geetbets Glabbeek
Herne
15 december 2004
2
Haacht
Hoeilaart Kampenhout Kapelle o/d Bos Kraainem
23 december 2004 16 december 2004
2 2
Herent Hoegaarden
20 december 2004 30 december 2004
3 1
Holsbeek Huldenberg
Lennik
20 december 2004
1
Keerbergen
Liedekerke Linkebeek
16 december 2004 24 januari 2005
2 2
Kortenaken Kortenberg
Londerzeel Machelen Meise
21 december 2004 21 december 2004 23 december 2004
2 2 2
Landen Leuven Linter
Merchtem
20 december 2004
2
Lubbeek
Opwijk
16 december 2004
2
Oud-Heverlee
2 3 1 2 2 2 3 1 1 2 2 2 1 1 2 2 2 2 4 2 2 2
135
136
Overijse
20 december 2004
2
Pepingen
28 december 2004
2
Rotselaar ScherpenheuvelZichem
Roosdaal Sint-GenesiusRode Sint-PietersLeeuw Steenokkerzeel Ternat Vilvoorde Wemmel We z e m b e e k Oppem Zaventem Zemst
25 februari 2005
2
Tervuren
20 december 2004
3
Tielt-Winge
23 december 2004 23 december 2004 21 december 2004 20 december 2004 22 december 2004
2 3 2 2 1
Tienen Tremelo Zoutleeuw
8 november 2004 20 december 2004 16 december 2004
2 2 3
20 december 2004 30 december 2004 22 december 2004 30 december 2004 5 januari 2005
3
29 maart 2005 27 januari 2005
1 2
2 2 2 2
Datum van vaststelling van de begroting 2005 In het arrondissement Halle-Vilvoorde slaagden 28 van de 35 besturen erin om vóór 1 januari 2005 hun gemeentebegroting 2005 vast te stellen. Wezembeek-Oppem stelde de gemeentebegroting 2005 als eerste vast op 8 november 2004, Galmaarden als laatste pas op 29 maart 2005. In het arrondissement Leuven werden in 18 van de 30 besturen de begrotingen ‘tijdig’ vastgesteld. De gemeenten Huldenberg en Tremelo stelden als laatste hun gemeentebegroting vast in de maand maart. Het is voor het beleid en de dagelijkse werking van de gemeente belangrijk de begroting tijdig vast te stellen. Immers, wanneer de begroting bij het begin van het dienstjaar niet is goedgekeurd, beschikt de gemeente niet over de vereiste kredieten. Strikt genomen kan zij in dit geval geen enkele uitgave verrichten. Omdat dit de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang brengt, kunnen uitgaven enkel worden verricht op basis van voorlopige kredieten. Aan het gebruik van voorlopige kredieten zijn ook beperkingen opgelegd: - voorlopige kredieten mogen niet gebruikt worden voor nieuwe uitgaven; - voorlopige kredieten mogen niet gebruikt worden voor facultatieve en buitengewone uitgaven; - de bedragen zijn beperkt en mogen per verlopen of begonnen maand niet meer bedragen dan één twaalfde van het begrotingskrediet van het vorige jaar. Deze beperking geldt wel niet voor het bezoldigen van personeel en voor het betalen van verzekeringspremies en belastingen. Aantal begrotingswijzigingen Bij de meeste besturen uit het arrondissement Halle-Vilvoorde blijft het aantal begrotingswijzigingen meestal beperkt tot 2. In 8 besturen (Asse, Beersel, Grimbergen, Halle, Kapelle-op-den-Bos, Sint-Genesius-Rode, Steenokkerzeel, Zemst) bleken 3 begrotingswijzigingen noodzakelijk. Ook in het arrondissement Leuven houden de meeste besturen het bij 2 begrotingswijzigingen. In Bekkevoort, Diest en Rotselaar werden 3 begrotingswijzigingen doorgevoerd, in Leuven 4.
In het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit zijn er geen specifieke bepalingen over het tijdstip en het aantal door te voeren begrotingswijzigingen. De gemeenteraad beslist daar autonoom over volgens de noodwendigheden. In principe kunnen er begrotingswijzigingen worden doorgevoerd in de periode tussen de vaststelling van de begroting en 31 december van het begrotingsjaar. De begroting wordt sowieso minstens ĂŠĂŠnmaal per jaar gewijzigd, namelijk voor de vervanging van het geraamde overschot of tekort van het vorig jaar door het werkelijk resultaat van de afgesloten rekening. Die begrotingswijziging moet verplicht worden doorgevoerd van zodra de gemeenteraad de begrotingsrekening van het vorige dienstjaar heeft afgesloten. De gemeentebesturen worden verzocht het aantal wijzigingen in principe tot maximaal twee te beperken en slechts in uitzonderlijke gevallen een derde begrotingswijziging in te dienen. Wanneer de begroting veelvuldig wordt gewijzigd, getuigt dit niet van een ernstig budgettair beleid. Voor het jaar 2005 kan worden gesteld dat de besturen zich aan deze richtlijn hebben kunnen houden.
Tabel 2: de gewone uitgaven per inwoner (in euro) werkingskosten
overdrachten
schuld
netto-personeelskost
Arrondissement Halle-Vilvoorde Affligem
164
168
136
236
Asse
196
250
155
353
Beersel
244
235
174
329
Bever
277
117
133
337
Dilbeek
184
264
100
230
Drogenbos
327
360
174
335
Galmaarden
289
203
142
242
Gooik
198
186
172
207
Grimbergen
251
340
138
311
Halle
272
304
145
362
Herne
228
207
188
241
Hoeilaart
189
350
140
255
Kampenhout
147
347
138
253
Kapelle o/d Bos
187
220
236
243
Kraainem
140
328
213
262
137
138
Lennik
291
190
142
261
Liedekerke
185
173
159
290
Linkebeek
265
278
165
242
Londerzeel
245
211
131
356
Machelen
312
457
317
427
Meise
176
222
204
248
Merchtem
214
280
175
223
Opwijk
237
207
172
261
Overijse
234
262
228
320
Pepingen
220
170
178
249
Roosdaal Sint-GenesiusRode Sint-PietersLeeuw
145
201
173
219
243
371
88
255
208
258
143
257
Steenokkerzeel
176
310
242
240
Ternat
222
228
112
262
Vilvoorde
168
331
126
462
Wemmel WezembeekOppem
224
198
204
397
155
299
186
249
Zaventem
263
334
432
496
Zemst Arrondissement Leuven
151
203
186
179
Aarschot
260
236
165
307
Begijnendijk
207
194
89
216
Bekkevoort
195
181
118
212
Bertem
187
204
189
256
Bierbeek
194
254
167
236
Boortmeerbeek
253
293
139
161
Boutersem
195
205
169
202
Diest
188
338
178
298
werkingskosten
overdrachten
schuld
netto-personeelskost
Geetbets
189
198
155
244
Glabbeek
242
223
60
245
Haacht
170
199
206
193
Herent
209
211
144
231
Hoegaarden
235
270
114
196
Holsbeek
209
136
70
240
Huldenberg
221
229
199
201
Keerbergen
254
217
217
205
Kortenaken
212
197
136
193
Kortenberg
196
141
285
209
Landen
220
203
121
297
Leuven
268
467
221
464
Linter
185
209
142
188
Lubbeek
203
243
178
227
Oud-Heverlee
222
212
141
236
Rotselaar ScherpenheuvelZichem
218
195
164
218
180
185
132
195
Tervuren
143
260
106
276
Tielt-Winge
167
203
144
221
Tienen
273
291
167
412
Tremelo
227
225
111
201
Zoutleeuw
176
203
165
201
In bovenstaande tabel worden de gewone voorziene uitgaven per inwoner weergegeven voor de 4 verschillende economische categorieën (werkingskosten, overdrachten, schulduitgaven en personeelsuitgaven). Om de verschillende besturen onderling beter te kunnen vergelijken werd geen gebruik gemaakt van absolute begrotingscijfers, maar van relatieve cijfers, namelijk door de begrotingscijfers te delen door het aantal inwoners. Hoewel het slechts om ramingen gaat voor het eigen dienstjaar van 2005, kan men op die manier toch een idee krijgen hoeveel elke economische categorie jaarlijks ‘kost’ per inwoner. We lichten de cijfergegevens bij de verschillende ‘kostensoorten’ even toe.
139
De werkingskosten Deze categorie bevat alle uitgaven die met de regelmatige werking te maken hebben, de personeelsuitgaven uitgezonderd. In het corpus van de begroting zijn deze opgedeeld in administratieve en technische werkingskosten. Voorbeelden van administratieve werkingskosten zijn kantoorbenodigdheden, telefoonkosten, frankeringskosten, beheerskosten van de informatica, kosten voor het inrichten van examens,… Voorbeelden van technische werkingskosten zijn de huur- en onderhoudskosten van technische benodigdheden, brandstoffen voor de verwarming van de gebouwen,…
140
Voor het arrondissement Halle-Vilvoorde variëren de werkingskosten tussen 140 euro per inwoner voor Kraainem en meer dan 300 euro per inwoner voor Machelen en Drogenbos. Het gemiddelde bedraagt 218 euro per inwoner. In het arrondissement Leuven schommelen deze tussen 143 euro per inwoner voor Tervuren en 273 euro per inwoner voor Tienen. Het gemiddelde bedraagt 210 euro per inwoner. De overdrachten Overdrachten zijn uitgaven waar geen rechtstreekse prestatie tegenover staat, vb. toelagen, vakbondpremies, maar ook terugbetalingen of verminderingen van vastgestelde ontvangsten in vorige dienstjaren. Het leeuwendeel van de uitgaven in deze categorie wordt ingenomen door de dotatie aan het O.C.M.W. en de politiedotatie. Voor het arrondissement Halle-Vilvoorde bedraagt het gemiddelde 259 euro per inwoner. In de plattelandsgemeenten bedraagt deze kost het minst, in Bever zelfs 117 euro per inwoner. In de meeste gemeenten in de rand rond Brussel bedraagt deze kost meer dan 300 euro per inwoner. Voor 2005 is de gemeente Machelen wel een uitschieter met 457 euro per inwoner. In het arrondissement Leuven ligt het gemiddelde per gemeente iets lager met 227 euro per inwoner. De steden Leuven (467 euro per inwoner) en Diest (338 euro per inwoner) zijn hier de uitschieters. De gemeente Holsbeek scoort hier het laagste met slechts 136 euro per inwoner. De schulduitgaven De schulduitgaven bestaan voornamelijk uit de intresten op en aflossingen van gemeenteleningen, aangegaan voor de financiering van de buitengewone dienst. Ook debetintresten ten aanzien van financiële instellingen vallen onder deze categorie. In deze kolom van tabel 2 wordt m.a.w. de totale voorziene schuldenlast voor 2005 per inwoner weergegeven. De omvang van deze categorie is sterk afhankelijk van de financiering van de buitengewone dienst. Gemiddeld is de jaarlijkse kost per inwoner opnieuw iets hoger in het arrondissement Halle-Vilvoorde dan in het arrondissement Leuven: 176 euro per inwoner ten opzichte van 153 euro per inwoner. De gemeenten met de laagste jaarlijkse schuldenlast per inwoner (minder dan 100 euro) zijn Sint-Genesius-Rode, Begijnendijk, Glabbeek en Holsbeek. De gemeente Zaventem steekt er in de omgekeerde zin bovenuit met 432 euro per inwoner. De personeelsuitgaven Deze economische groep bevat de bezoldigingen, vergoedingen voor prestaties en
presentiegelden van gemeentepersoneel en mandatarissen, de sociale vergoedingen, de patronale bijdragen, de reiskosten en andere geldelijke tegemoetkomingen aan het personeel. Om een betere vergelijking te kunnen maken tussen de verschillende besturen werd abstractie gemaakt van de wedden van het onderwijspersoneel. De gemeenten zijn immers verplicht de wedden van hun onderwijzend personeel die rechtstreeks aan de belanghebbenden worden betaald, gelijktijdig als uitgave en als ontvangst in te schrijven. Daarnaast werden ook de toelagen voor gesubsidieerde contractuelen in mindering gebracht van de totale personeelskost. Door vervolgens te delen door het aantal inwoners, verkrijgt men een relatieve netto-personeelskost per inwoner. In het arrondissement Halle-Vilvoorde bedraagt voornoemde kost gemiddeld 288 euro per inwoner, in arrondissement Leuven 239 euro per inwoner. De gemeenten met de laagste door ons gedefinieerde relatieve netto-personeelskosten per inwoner (lager dan 200 euro) zijn Zemst, Glabbeek, Hoegaarden en Kortenaken. De gemeenten met de hoogste kosten per inwoner (hoger dan 400 euro per inwoner) zijn Machelen, Vilvoorde, Zaventem, Leuven en Tienen. Over het algemeen zijn deze kosten ook net iets lager in plattelandsgemeenten dan in verstedelijkte gemeenten of in steden, ook al zijn er een aantal uitzonderingen.
141
Tabel 3: de belastingsontvangsten per inwoner Belastingen/inw
142
Arrondissement Halle-Vilvoorde Affligem Asse Beersel Bever Dilbeek Drogenbos Galmaarden Gooik Grimbergen Halle Herne Hoeilaart Kampenhout Kapelle o/d Bos Kraainem Lennik Liedekerke Linkebeek Londerzeel Machelen Meise Merchtem Opwijk Overijse Pepingen Roosdaal Sint-Genesius-Rode Sint-Pieters-Leeuw Steenokkerzeel Ternat Vilvoorde Wemmel Wezembeek-Oppem Zaventem Zemst
512 614 632 511 492 858 480 471 579 629 578 595 558 583 473 573 471 618 635 922 676 535 572 655 507 492 595 527 658 590 674 598 590 870 508
Belastingen/inw A r ro n d i s s e m e n t Leuven Aarschot Begijnendijk Bekkevoort Bertem Bierbeek Boortmeerbeek Boutersem Diest Geetbets Glabbeek Haacht Herent Hoegaarden Holsbeek Huldenberg Keerbergen Kortenaken Kortenberg Landen Leuven Linter Lubbeek Oud-Heverlee Rotselaar ScherpenheuvelZichem Tervuren Tielt-Winge Tienen Tremelo Zoutleeuw
599 472 500 596 547 543 500 571 429 500 535 547 521 514 615 548 443 543 522 762 449 566 462 522 455 540 453 719 509 439
Belastingen Samen met het Gemeentefonds zijn de belastingen de belangrijkste inkomstenbron van de gemeente. Het grootste deel bestaat uit de aanvullende personenbelasting en de onroerende voorheffing. Daarnaast vloeien belastingsinkomsten voort uit de talrijke gemeentelijke belastingsreglementen. In bovenstaande tabel wordt op basis van de begroting 2005 een jaarlijkse belastingsinkomst per inwoner weergegeven. De cijfers moeten echter met de nodige voorzichtigheid worden geĂŻnterpreteerd en er mag niet worden uit afgeleid dat alle belastingsinkomsten op de inwoners van de gemeente verhaald worden. Het zijn immers niet
enkel de gezinnen maar ook bedrijven die gemeentelijke belastingen betalen. In het arrondissement Halle-Vilvoorde bedraagt voor 2005 de gemiddelde totale belastingsinkomst per inwoner 595 euro. Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Kraainem, Liedekerke en Roosdaal scoren het laagst met minder dan 500 euro per inwoner. Machelen en Zaventem zijn de absolute koplopers met respectievelijk 922 en 870 euro per inwoner. In het arrondissement Leuven heeft men een gemiddelde van 531 euro per inwoner. Er is een kleinere spreiding dan in het arrondissement Halle-Vilvoorde. Hier hebben de gemeenten Begijnendijk, Geetbets, Kortenaken, Linter en Tielt-Winge minder dan 500 euro per inwoner. De steden Leuven en Tienen laten voor 2005 de hoogste belastingsinkomsten per inwoner noteren met respectievelijk 762 en 719 euro.
143
Tabel 4: de buitengewone uitgaven en de financiering met lening
144
Arr. Halle-Vilvoorde Affligem Asse Beersel Bever Dilbeek Drogenbos Galmaarden Gooik Grimbergen Halle Herne Hoeilaart Kampenhout Kapelle o/d Bos Kraainem Lennik Liedekerke Linkebeek Londerzeel Machelen Meise Merchtem Opwijk Overijse Pepingen Roosdaal Sint-GenesiusRode Sint-PietersLeeuw Steenokkerzeel Ternat Vilvoorde Wemmel WezembeekOppem Zaventem Zemst
BU/inwoner
financiering met lening
BU/inwoner
financiering met lening
134 418 208 831 150 149 237 465 573 457 493 13 670 207 1313 193 254 279 366 1227 403 416 476 684 320 310
46% 85% 27% 43% 20% 0% 64% 92% 77% 89% 90% 45% 67% 79% 78% 70% 76% 82% 81% 87% 48% 57% 58% 63% 47% 88%
Tervuren
308 1033 289 321 479 406 359 421 200 808 261 379 593 1026 56 627 344 270 559 460 369 221 282 65 472 636
46% 84% 57% 54% 65% 68% 49% 81% 18% 24% 70% 78% 25% 78% 72% 55% 81% 35% 32% 37% 53% 85% 83% 69% 85% 19%
356
47%
Tielt-Winge
426
66%
125 841 90 292 229
64% 50% 84% 47% 99%
Tienen Tremelo Zoutleeuw
829 481 371
72% 91% 75%
660 655 704
69% 85% 43%
Arr.Leuven Aarschot Begijnendijk Bekkevoort Bertem Bierbeek Boortmeerbeek Boutersem Diest Geetbets Glabbeek Haacht Herent Hoegaarden Holsbeek Huldenberg Keerbergen Kortenaken Kortenberg Landen Leuven Linter Lubbeek Oud-Heverlee Rotselaar
De buitengewone uitgaven bestaan voornamelijk uit investeringsuitgaven. Daarnaast vallen ondermeer ook de beleggingen op meer dan één jaar, de vervroegde terugbetalingen van de schuld en de toegestane investeringssubsidies hieronder. In tegenstelling tot de gewone uitgaven zal de omvang van de buitengewone uitgaven sterk van jaar tot jaar verschillen. In éénzelfde gemeente kan men zich het ene jaar beperken tot vervangingsinvesteringen voor het in stand houden van het bestaande patrimonium, terwijl in het andere jaar een groots nieuw investeringsproject op stapel staat wat grote uitgaven met
zich meebrengt. Het heeft dan ook weinig zin een onderscheid te maken tussen de ‘dure’ en de ‘goedkope’ gemeenten voor wat betreft de buitengewone uitgaven. Hiervoor zou men de buitengewone dienst moeten toetsen aan heel wat criteria en ook bekijken over een langere periode, bijvoorbeeld een volledige legislatuur. Buitengewone uitgaven worden op verschillende wijzen gefinancierd: door een overschot van de buitengewone dienst of de gewone dienst (via de zogenaamde overboeking), door ontvangen subsidies, door de verkoop van een patrimoniumbestanddeel of door een lening. In de tabel wordt voor de verschillende gemeenten enkel het percentage weergegeven dat met een lening gefinancierd wordt. Een lening moet immers worden afgelost en er moeten intresten op worden betaald, wat een grote invloed zal hebben de toekomstige gewone schulduitgaven.
145 Algemene conclusies voor de begrotingen 2005 In het arrondissement Halle-Vilvoorde waren er meer besturen die erin slaagden hun begroting tijdig vast te stellen dan in het arrondissement Leuven. Het merendeel van de besturen uit beide arrondissementen slaagt erin het aantal begrotingswijzigingen te beperken tot twee. Wanneer men het per arrondissement bekijkt, dan liggen de gewone uitgaven per inwoner iets hoger in het arrondissement Halle-Vilvoorde dan in het arrondissement Leuven. Wanneer men het per type gemeente bekijkt, dan is de personeelskost en de overdacht per inwoner hoger in de steden en de verstedelijkte gemeenten dan in de plattelandsgemeenten. Voor de werkingskosten en de schulduitgaven per inwoner kan dit niet geconcludeerd worden. Per arrondissement bekeken, ligt de belastingsinkomst per inwoner iets hoger in het arrondissement Halle-Vilvoorde dan in het arrondissement Leuven. Per type gemeente bekeken, is de belastingsinkomst per inwoner globaal gezien hoger in een stad of in een verstedelijkte gemeente dan op het platteland. De aanwezigheid van bedrijven en industrie is hiervan grotendeels de oorzaak. De buitengewone uitgaven en de financiering ervan verschillen sterk van gemeente tot gemeente en van jaar tot jaar, zodat er geen conclusie uit kon worden getrokken. Enkel een vergelijking per gemeente over verschillende jaren lijkt hier zinvol.
Referenties - PAUWELS, E. en VANTORRE, R., De gemeentecomptabiliteit in de praktijk – de begroting, Brugge, uitgeverij Vanden Broele - Begrotingen 2005 van de gemeenten in de provincie Vlaams-Brabant
Hoofdstuk 7
ISSUES EN TRENDS BIJ DE LOKALE BESTUREN VAN VLAAMS-BRABANT
Hoofdstuk 7
ISSUES EN TRENDS BIJ DE LOKALE BESTUREN VAN VLAAMS-BRABANT
148 Hoe krachtig waait de N.O.B.-wind nog door de Vlaams-Brabantse O.C.M.W.’s? Ten laatste op 1 januari 2003 zijn alle O.C.M.W.-besturen ingestapt in de N.O.B.. Dit veroorzaakte een enorme wijziging in de administratieve organisatie en werking van de O.C.M.W.’s: nieuwe boekhouding en terminologie, een administratief handboek en budgethouderschap, interne en externe audit,… Omdat de wijzigingen veel meer behelzen dan een overschakeling naar een nieuwe boekhouding, is de term ‘Nieuw O.C.M.W.-beleid’ in plaats van ‘Nieuwe O.C.M.W.boekhouding’ een meer correcte weergave van het begrip N.O.B. Een belangrijk onderdeel van de vernieuwingsoperatie is dat de jaarrekeningen aan een audit worden onderworpen. In de loop van 2005 werden in totaal 58 audits uitgevoerd. Meestal gebeurden deze naar aanleiding van de controle op de jaarrekening 2003. In dit issue gaan we dieper in op de gevolgde werkwijze en op de meest voorkomende boekhoudkundige fouten en tekortkomingen. Verder bekijken we in welke mate de N.O.B.-beleidsinstrumenten in de O.C.M.W.’s zijn ingevoerd. Tijdens de auditbezoeken ter plaatse wordt hier immers altijd naar geïnformeerd. 1. Werkwijze en procedure van onze audits Voor elk O.C.M.W. is een externe auditcommissie werkzaam, minimaal bestaande uit twee ambtenaren, waarvan één afgevaardigde van onze provinciale afdeling en één van de betrokken gemeente. Iedere controleopdracht wordt uitgevoerd aan de hand van een aangepast werkprogramma, dat enkele jaren terug door de interprovinciale workshop ‘externe audit’ werd ontwikkeld. De auditcommissie beslist autonoom over de aard en de omvang van de te verrichten controlewerkzaamheden. We willen benadrukken dat alle leden, dus ook de afgevaardigden van de gemeenten, gelijkwaardig zijn en volwaardig initiatiefrecht hebben. Een greep uit de controlewerkzaamheden die in de praktijk worden uitgevoerd: - checken van de overeenkomst tussen de geboekte bedragen en de verantwoordingsstukken (facturen en vorderingsstaten, eigendomscertificaten, rekeninguittreksels, contracten en andere officiële documenten); - het correcte gebruik van de waarderingsregels in functie van de geboekte aanschaffingswaarden, afschrijvingen en waardeverminderingen; - de verklaring van de mutaties tijdens het boekjaar; - steekproefsgewijze controle van enkele algemene kosten– en opbrengsten-
- - - -
rekeningen; vergelijking van gegevens uit de resultatenrekening met deze van het vorige boekjaar; het juiste gebruik van de algemene rekeningnummers; controle van het schema van de financiële stromen en de berekening van de reële gemeentelijke bijdrage die er uit voortvloeit; het correcte gebruik van de toelichting.
In het auditverslag worden de resultaten van de werkzaamheden verkort samengevat. Hierin wordt vermeld hoe de controles werden verricht, of alle ophelderingen en inlichtingen konden worden verkregen en of de waarderingsregels regelmatig zijn en correct worden toegepast. Verder wordt vermeld of kan worden gesteld dat de boekhouding werd gevoerd in overeenstemming met de wettelijke voorschriften en of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, van de financiële positie en van de resultaten van het O.C.M.W. Dit laatste is de zogenaamde ‘waarmerking’ van de jaarrekening die vier verschillende vormen kan aannemen: - goedkeurend zonder voorbehoud: de jaarrekening vertoont een getrouw beeld - goedkeurend met voorbehoud: de jaarrekening vertoont geen volledig getrouw beeld omwille van bijvoorbeeld ernstige boekhoudkundige fouten die in de volgende jaarrekening zullen moeten worden rechtgezet - afkeurend: de jaarrekening vertoont geen getrouw beeld omdat de opgenomen bedragen bijvoorbeeld totaal niet in overeenstemming zijn met de verantwoordingsstukken - onthoudend: de auditcommissie kan zich niet uitspreken aangaande het getrouw beeld omdat sommige opgevraagde verantwoordingsdocumenten niet of niet tijdig ter verantwoording kunnen worden voorgelegd. De externe auditcommissie is collegiaal verantwoordelijk voor dit verslag. Het verslag wordt aan de diensten van de gouverneur bezorgd die het toezicht uitoefenen op de jaarrekening. Later wordt het verslag als bijlage bij het besluit van de gouverneur met betrekking tot de goedkeuring van de jaarrekening verstuurd naar het betrokken O.C.M.W., de gemeente en de O.C.M.W.-ontvanger. Er moet worden opgemerkt dat het ‘toezicht’ door de gouverneur en de ‘externe audit’ onderscheiden handelingen zijn. Het is uiteraard wel zo dat het verslag van de externe auditcommissie een invloed kan hebben op het resultaat van het toezicht. Naast het verplichte auditverslag wordt meestal een zogenaamde managementletter opgemaakt die vaststellingen bevat met betrekking tot de boekhouding en het financieel beheer. Deze managementletters zijn facultatief en geven als het ware feedback op de uitgevoerde audit. Ze zijn in eerste instantie bedoeld voor de leidinggevenden van het O.C.M.W. en hoeven niet openbaar te worden gemaakt. 2. De opgemeten schade in 2005 In 2005 resulteerde de audit op de jaarrekening voor 53 besturen in een goedkeurend verslag zonder voorbehoud, 5 besturen kregen een goedkeurend verslag met voorbehoud. Over het algemeen kan dus worden gesteld dat de meeste besturen, voor wat betreft het boekhoudkundige luik, de overstap naar de N.O.B. goed hebben verteerd. Toch vertoonden heel wat jaarrekeningen nog boekhoudkundige fouten en tekortkomingen. Deze waren meestal echter niet van die orde dat ze het getrouw beeld van de boekhouding
149
schonden en hebben dan ook niet geleid tot een verslag met voorbehoud of, in het slechtste geval, een afkeurend verslag van de auditcommissie. We geven een overzicht van de voornaamste fouten die in de loop van 2005 werden vastgesteld. - Met betrekking tot de waarderingsregels De afschrijvingstermijnen die in de door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde waarderingsregels werden opgenomen, moeten worden gevolgd. Er werd vastgesteld dat af en toe voor actiefbestanddelen een andere afschrijvingstermijn werd gehanteerd.
150
In de waarderingsregels zijn minimumbedragen opgenomen om goederen op het actief van de balans op te nemen. Dit wil zeggen dat goederen die minder kosten dan het vastgestelde minimumbedrag onder de kosten dienen geboekt te worden, en niet in de balans mogen opgenomen worden. Indien het duurzaam karakter en de aard van het goed met zich meebrengt dat het beter is om dit toch als een actiefbestanddeel boekhoudkundig te verwerken, dan moet de raad voor maatschappelijk welzijn hierover een beslissing nemen. Soms was dit niet het geval. In vele waarderingsregels is vastgelegd dat op ‘oude’ vorderingen globale waardeverminderingen moeten worden geboekt (bijvoorbeeld waardeverminderingen van 10, 25, 50, 75 en 100 % naarmate deze vorderingen ouder zijn dan respectievelijk 1, 2, 3, 4 en 5 jaar). Wij hebben vastgesteld dat de openstaande vorderingen jaarlijks niet altijd even grondig onder de loep worden genomen en deze waardeverminderingen hierop niet worden toegepast. - Met betrekking tot de materiële vaste activa Af en toe stonden actiefbestanddelen onder een verkeerde subrubriek van de materiële vaste activa in de balans geboekt. Zo moeten (landbouw)gronden die verpacht worden, worden verwerkt onder ‘overige materiële activa’ in plaats van onder ‘terreinen en gebouwen’. - In verband met de vorderingen op korte termijn In sommige rekeningen staan ten onrechte werkingsvorderingen geboekt onder de rubriek ‘overige vorderingen’ en omgekeerd. Vorderingen op cliënten van het O.C.M.W., terugvorderingen van leefloon en vorderingen wegens voorschotten horen thuis onder de subrubriek ‘werkingsvorderingen’, terwijl vorderingen wegens subsidies en te ontvangen werkingssubsidies volgens de regelgeving moeten worden verwerkt onder de subrubriek ‘overige vorderingen’. - Een onrechtmatig gebruik van wachtrekeningen Bij het afsluiten van de jaarrekening moeten wachtrekeningen zoveel mogelijk worden ‘opgekuist’, dat wil zeggen dat aan de bedragen die er nog onder genoteerd staan een definitieve bestemming moet worden gegeven. In het algemeen wordt toegestaan dat na het afsluiten van de jaarrekening nog enkele beperkte te identificeren inningen en betalingen op een wachtrekening geboekt staan, doch in principe mogen geen substantiële bedragen meer op een wachtrekening terug te vinden zijn. Dit was niet altijd het geval.
- Onnatuurlijke saldi Indien een actiefrekening een creditsaldo vertoont, of een passiefrekening een debetsaldo, dient dit overgeboekt te worden naar een corresponderende algemene rekening aan de andere zijde van de balans. Negatieve bedragen mogen immers niet op de balans voorkomen. - Foutief gebruik van kosten- en opbrengstenrekeningen Af en toe stonden bedragen onder een verkeerde algemene kostenrekening of opbrengstenrekeningen geboekt. De regelgeving is op dit vlak echter ook niet altijd even duidelijk, bijvoorbeeld voor wat onder ‘andere’ kosten of opbrengsten en wat onder ‘uitzonderlijke’ wordt verwerkt. Heel uitzonderlijk worden zaken bewust verkeerd geboekt om een budgetoverschrijding te voorkomen. - Fouten met betrekking tot het schema van de financiële stromen Het schema van de financiële stromen is niet altijd volledig ingevuld zodat niet kan worden nagegaan of het eindsaldo aan liquide middelen overeenstemt met het saldo op de balans. Via dit schema wordt bovendien de reële (werkelijke) gemeentelijke bijdrage afgeleid. Deze reële bijdrage bestaat uit een verplicht en een facultatief gedeelte. Voor de facultatieve gemeentelijke bijdrage moet in principe een afzonderlijke gemeenteraadsbeslissing worden genomen. Dergelijke beslissing kon niet altijd door de besturen worden voorgelegd. -
Laattijdig vaststellen van de jaarrekening
In de regelgeving is bepaald dat de door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde jaarrekeningen vóór 1 mei volgend op het sluiten van het boekjaar aan de gouverneur moeten worden overgezonden. Weinig besturen slagen hierin. Hiervoor worden uiteenlopende redenen aangehaald: - moeilijkheden bij de start van de N.O.B. en deze achterstand werd nog niet weggewerkt; - verandering van software; - verandering van gewestelijk ontvanger of het tijdelijk niet kunnen beschikken over de diensten van een gewestelijke ontvanger; - laattijdige ondersteuning door de consultant; - het laattijdig ontvangen van noodzakelijke informatie voor de opmaak van de rekening; - onderbezetting van de financiële dienst waardoor ontvanger volledig zelf moest instaan voor de opmaak van de jaarrekening.
151
3. In het licht van de N.O.B.-beleidsinstrumenten... Tijdens de auditbezoeken polsen de auditors hoe ver de besturen staan met het implementeren van de N.O.B.-beleidsinstrumenten (administratief handboek, taakstellend budgethouderschap, interne audit). We geven een beknopte samenvatting van wat hierover in de regelgeving gezegd wordt, welke de belangrijkste vaststellingen in 2005 waren en wat aangeraden wordt via de managementletters. -
152
Het administratief handboek
Onder het gezag van de voorzitter leidt de secretaris de administratie en de ontvanger de financiële dienst met uitzondering van de bevoegdheden die expliciet aan de secretaris zijn voorbehouden. Volgens de regelgeving zijn beiden (secretaris en ontvanger) elk verantwoordelijk voor de administratieve organisatie en voor het opzetten van interne controleprocedures aangaande de materies die tot hun respectieve bevoegdheden behoren. De administratieve organisatie omvat alle procedures en richtlijnen die ervoor moeten zorgen dat de administratie ordelijk en efficiënt verloopt. Deze worden opgenomen in het administratief handboek dat ter kennis wordt gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn. De opmaak van het administratief handboek is een zeer arbeidsintensief gebeuren. Nagenoeg alle besturen zijn begonnen met de opmaak ervan, maar slechts een beperkt aantal besturen beschikt momenteel over een volledig uitgewerkt administratief handboek. Bij vele besturen is men nog niet verder geraakt dan het uitwerken van een aantal procedures. Daarnaast bestaan er ook grote vormverschillen tussen de besturen. Sommige O.C.M.W.’s beschikken enkel over een handboek in digitale vorm met veelvuldig uitgewerkte stroomschema’s (visio en protos zijn hiervoor de meest gekende softwaretoepassingen); andere O.C.M.W.’s hebben enkel een papieren versie in beschrijvende vorm en nog andere opteren voor een mix van beide vormen. Opvallend is ook dat de meeste O.C.M.W.’s hun administratief handboek niet volledig zelfstandig uitwerken maar hiervoor een beroep doen op consultancy. Als voornaamste redenen hiervoor worden de tijdsnood en een gebrek aan voldoende kwaliteit om de eigen werkzaamheden in processen en procedures te vertalen, aangehaald. Hoewel het analyseren van de administratieve procedures niet eenvoudig is en zeer veel tijd vergt, kan dit zeker leiden tot fundamentele verbeteringen, zowel met betrekking tot organisatiestructuur als de werking van het O.C.M.W. Een administratief handboek zal alleszins tot een meerwaarde leiden: - het verschaft een beter inzicht in de dagelijkse werking van het O.C.M.W.; - het biedt een basis voor permanente analyse en evaluatie van de werkzaamheden, resulterend in voorstellen voor verbeterde processen; - het draagt bij tot een ondubbelzinnige afbakening van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het O.C.M.W.; - door een goede analyse kunnen dubbel werk en overbodige handelingen worden gedetecteerd en uit de administratieve procedures worden geëlimineerd. Via de managementletters wordt getracht de secretarissen en de ontvangers van de O.C.M.W.’s te overtuigen van de voordelen van een administratief handboek. Tevens worden zij aangespoord om hun verantwoordelijkheid bij de opmaak ervan op te nemen. Hoewel de opmaak een zeer tijdrovende activiteit is, zal dit op termijn ook een positief effect hebben op
hun eigen werkzaamheden. In heel wat besturen, vaak de kleinere O.C.M.W.’s, is het immers vaak zo dat secretaris en ontvanger veel van hun werktijd dienen te spenderen aan taken die eigenlijk door andere ambtenaren kunnen worden waargenomen. Het administratief handboek biedt een uitstekend middel om een beperkte overdracht van taken en bevoegdheden op een formele basis te verwezenlijken. Er wordt geen voorkeur gegeven of het handboek in een digitale vorm dan wel in een papieren versie moet worden opgemaakt. Het belangrijkste is dat de besturen het handboek daadwerkelijk als een instrument beschouwen dat door alle medewerkers te allen tijde kan worden geraadpleegd. Schematische voorstellingen (het werken met stroomschema’s en dergelijke) maken de boodschap visueel aantrekkelijk en overzichtelijk, doch een beschrijvende vorm kan veel meer nuttige informatie direct tot uiting brengen. Een combinatie van beide vormen lijkt voor de meeste procedures vaak het interessantste. Tegenwoordig zijn er ook verschillende softwarepakketten op de markt die heel gebruiksvriendelijk zijn en heel wat mogelijkheden bieden. Dat de O.C.M.W.’s zich voor de opmaak van het administratief handboek laten bijstaan door een consultant, is in vele gevallen een verantwoorde kost. Deze hebben veel expertise in huis en hun ervaringen in andere besturen kan leiden tot een kruisbestuiving. Toch is het belangrijk om de medewerkers te betrekken bij het ontwikkelen van de procedures aangaande hun werkzaamheden. Dit biedt tal van voordelen, omdat de medewerkers: - op een kritische wijze leren nadenken over hun eigen werkzaamheden en hoe deze kunnen worden verbeterd inzake effectiviteit en efficiëntie; - een beter inzicht krijgen in de totale organisatie; - een zekere inspraak krijgen in hun eigen taken en verantwoordelijkheden; - zicht krijgen op hun verhouding tot andere schakels in een procedure; - tegelijk leren het administratief handboek in opbouw als een instrument te gebruiken waar veelvuldig kan naar worden teruggegrepen; - … De sterk wijzigende interne en externe omgevingsfactoren zorgen ervoor dat het administratief handboek eigenlijk nooit volledig afgewerkt is, voortdurend ‘in evolutie’ is en aan verandering toe is. Dit mag echter de verantwoordelijken niet afschrikken om er effectief werk van te maken, het belang en het nut ervan in te zien en ook alle medewerkers van het O.C.M.W. hiervan te overtuigen. Het administratief handboek is immers geen doel op zich, maar een middel om te komen tot een beter management en bestuur. -
Het budgethouderschap
Het taakstellend budgethouderschap wordt in de O.C.M.W.-regelgeving omschreven als de aan een ambtenaar, die deze heeft aanvaard, of orgaan toegekende bevoegdheid tot beheer van een budget dat taakstellend is. Taakstellend wil zeggen dat het een norm inhoudt waarvan de budgethouder de realisatie nastreeft. Als budgethouder in een O.C.M.W. kunnen dus zowel de raad voor maatschappelijk welzijn, andere organen (het vast bureau, een bijzonder comité,…) als ambtenaren functioneren. De raad voor maatschappelijk welzijn is hoofdbudgethouder en blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van alle budgetten, maar deze kan een deel van zijn bevoegdheden overdragen aan de budgethouders. De O.C.M.W.-Wet vermeldt alle delegatiemogelijkheden naar organen en ambtenaren.
153
154
Tijdens de audits werd vastgesteld dat vele O.C.M.W.’s het budgethouderschap in één of andere vorm geïntroduceerd hebben in hun organisatie. In de kleinere O.C.M.W.’s is de overdracht van bevoegdheden vaak beperkt tot de secretaris en voor exploitatie-uitgaven tot een beperkt bedrag (bijvoorbeeld tot 500 euro). Voor andere uitgaven blijft de raad meestal hoofdbudgethouder tenzij er, al dan niet in beperkte mate, gedelegeerd is naar het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst. In grotere O.C.M.W.’s worden meestal naast de secretaris ook andere ambtenaren, zoals de diensthoofden, de directeur van het O.C.M.W.-rusthuis, enz… aangeduid als budgethouderambtenaar. Als voornaamste knelpunten die de invoering van het budgethouderschap in de weg staan, worden aangehaald: - potentiële budgethouders beschouwen het budgethouderschap eerder als een last en vinden dat er onvoldoende geldelijke waardering tegenover het opnemen van deze verantwoordelijkheid staat; - potentiële budgethouders hebben onvoldoende een inzicht in de totale organisatie en onvoldoende kennis van O.C.M.W.-financiën; - ambtenaren hebben onvoldoende managementvaardigheden en vrezen zelf die taak niet aan te kunnen; - het budgethouderschap zal worden ‘misbruikt’ om een machtspositie te verwerven; - er is nog onvoldoende draagvlak in de totale organisatie - … Het is ook opvallend dat het budgethouderschap bij heel wat besturen onvoldoende is uitgewerkt. Het budgethouderschap is per definitie taakstellend, maar aan de concrete invulling hiervan kon vaak niet de nodige aandacht worden geschonken. Budgethouderschap impliceert ook dat afspraken gemaakt worden met het bestuur omtrent de verantwoordelijkheden van de budgethouders, omtrent de doelstellingen die moeten worden gerealiseerd en op welke wijze verantwoording moet worden afgelegd. In de managementletters wordt getracht de besturen te overtuigen van de voordelen van het taakstellend budgethouderschap: - het budgethouderschap biedt mogelijkheden om sneller en efficiënter te werken; - de raad voor maatschappelijk welzijn zal de aandacht meer kunnen focussen op beleidsmatige en sturende initiatieven; - de budgethouder krijgt autonomie en kan hieruit voldoening en motivatie putten; - … Aan de besturen moet worden duidelijk gemaakt dat het budgethouderschap veel meer is dan een bevoegdheidsoverdracht om uitgaven, vermeld in het exploitatiebudget, te doen tot een bepaald maximumbedrag per bestelling. De wetgever voorziet ook mogelijkheden dat budgethouders opdrachten kunnen gunnen, facturen goedkeuren die betrekking hebben op de budgetten die zij beheren, initiatieven en beslissingen nemen om hun doelstellingen opgenomen in het meerjarenplan en het budget te realiseren, facturen opmaken voor de prestaties of de leveringen die tot hun bevoegdheid behoren,… Aan de besturen wordt aangeraden om in overleg met de budgethouder een afsprakennota op te maken. Dit kadert in wat men ‘contractmanagement’ noemt. In de afsprakennota moeten de operationele doelstellingen van de budgethouders worden aangeduid en worden allerhande elementen opgenomen die verband houden met het voorwerp van de taakafspraak,
de plaatsbepaling binnen het meerjarenplan en de strategische nota, de voorwaarden waaronder de dienstverlening moet worden verschaft, de middelen die ter beschikking van de budgethouder worden gesteld, de bevoegdheden op het vlak van overheidsopdrachten alsook de duur van de taakafspraak. Daarnaast is het van belang om ruime aandacht te schenken aan de uitbouw van een waterdicht intern controlesysteem. De budgethouder moet verantwoording afleggen met betrekking tot de realisatie van zijn doelstellingen, de evaluatiecriteria en evaluatiemomenten moeten duidelijk worden vastgelegd, alsook de mogelijke stimulansen en sancties die hieraan verbonden zijn. Pas wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan, kan men spreken van een volwaardig taakstellend budgethouderschap in de geest van wat de wetgever bedoelde. -
Interne audit
Wat onder interne audit verstaan wordt en hoe dit moet worden georganiseerd is bepaald in artikel 93 van de organieke O.C.M.W.-Wet. In elk O.C.M.W. moet een interne audit worden georganiseerd, bestaande uit een nakomingsaudit en een operationele audit. De ontvanger zorgt voor de nakomingsaudit. Hieronder wordt verstaan de controle op de wettelijkheid en de regelmatigheid van de uitgaven, de procedures van interne controle, de uitgaande facturatie, de inventarislijsten van de activa en de betrouwbaarheid van de informatica. De ontvanger brengt hierover ten minste eenmaal per jaar schriftelijk verslag uit bij de raad. De operationele audit wordt uitgevoerd door een interne auditcommissie die minimaal bestaat uit de voorzitter, de secretaris en de ontvanger. Onder operationele audit wordt verstaan: - het beoordelen van de mate waarin de uitoefening van de activiteiten of bestaande toestanden in overeenstemming is met de vastgestelde doelstellingen of met andere vastgestelde criteria; - het identificeren van mogelijkheden tot verbetering van de effectiviteit en efficiĂŤntie van de werking van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De secretaris brengt hierover ten minste eenmaal per jaar schriftelijk verslag uit bij de raad. Tijdens de audits 2005 werd vastgesteld dat in ongeveer de helft van de besturen een interne auditcommissie werd opgericht. Echter, slechts een tiental besturen voert daadwerkelijk een interne audit uit in overeenstemming met wat de regelgeving voorschrijft. Meestal blijft de interne audit beperkt tot een summiere nakomingsaudit, opgemaakt door de ontvanger, die op die manier zijn/haar wettelijke verplichting nakomt, maar deze audit biedt uiteindelijk weinig meerwaarde aan het bestuur. Als voornaamste redenen waarom nog geen interne auditcommissie werkzaam is, geven de besturen aan: - het ontbreekt ons aan de nodige tijd; - de wetgeving is zo vaag dat we niet weten hoe eraan te beginnen; - we moeten eerst onze aandacht vestigen op de opbouw van het administratief handboek; - het heeft weinig zin, want de raadsleden zijn toch niet geĂŻnteresseerd in dergelijke rapporten; - we vinden dat het onverenigbaar is met het principe van functiescheiding: men is tegelijk controleur en gecontroleerde.
155
De kritiek die de besturen naar voor schuiven is gedeeltelijk terecht. In de wetgeving is nergens bepaald hoe een interne audit het best wordt aangepakt en ook in de vakliteratuur is er weinig informatie rond te vinden op maat van een lokaal bestuur. Het is ook begrijpelijk dat niet alle beleidsinstrumenten gelijktijdig kunnen worden ingevoerd. Zeker niet in kleine besturen die vaak te kampen hebben met een personeelstekort en die niet de nodige expertise in huis hebben. Bovendien klopt het enigszins ook dat controles uitvoeren op de eigen werkzaamheden niet altijd de meest aangewezen manier is om een objectief oordeel te vellen en dat dit beter kan gedaan worden door een onafhankelijke persoon of instantie.
156
Hoe bescheiden men ook begint, een interne audit heeft altijd zin. Door in teamverband na te denken, leert men de eigen werkzaamheden kritisch benaderen. En door op een formele wijze te reflecteren op de eigen werkzaamheden, zal men altijd verbeterpunten kunnen identificeren die kunnen uitmonden in acties die men kan ondernemen. Dit komt alleszins de effectiviteit en de efficiÍnte werking van het O.C.M.W. ten goede. Voor de besturen die niet weten hoe een interne audit aan te vatten, wordt aangeraden het jaarverslag als uitgangspunt te nemen. Een goed onderbouwd jaarverslag bevat al een evaluatie van de gerealiseerde doelstellingen. Door de vooropgestelde doelstellingen en de realisaties te analyseren, kunnen de oorzaken van falen worden gedetecteerd. Er zullen ongetwijfeld factoren zijn waar men geen vat op heeft, maar er zullen er tevens andere zijn waar wel degelijk iets kan aan worden verholpen. Het komt er op aan de knelpunten te achterhalen en voorstellen te doen die dit voorkomen. Ook het maken van een analyse van de gerealiseerde doelstellingen is zinvol: hieruit kunnen spontaan voorstellen ontstaan die een positief effect hebben op de efficiÍntie en de manier waarop ze worden gerealiseerd. Op basis van de audits 2005 mag worden geconcludeerd dat de O.C.M.W.’s voor wat betreft het boekhoudkundige luik, de overstap naar de N.O.B. goed hebben doorstaan. Met betrekking tot het gebruik van de beleidsinstrumenten is nog heel wat werk aan de winkel. Wij beseffen echter dat dit een leerproces is waarin ook onze afdeling een begeleidende rol zal trachten te spelen.
Referenties Auditverslagen en managementletters op de O.C.M.W.-jaarrekeningen 2003 Vlaams-Brabant
Takeldiensten: overheidsopdracht of niet? Het toepassingsgebied ratione materiae van de wetgeving overheidsopdrachten blijft vragen oproepen. Het is niet altijd even gemakkelijk om te bepalen of een bepaald contract al dan niet als een overheidsopdracht moet worden beschouwd. Zo kan de vraag gesteld worden of het aanstellen van een takelfirma door een politiezone onderworpen is aan de Wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, meer bepaald, of het hier gaat om een opdracht voor de aanneming van diensten. Tegenstanders van de toepassing van deze wet verwijzen hiervoor naar de V.Z.W. Detabel. Dit is een private vzw waarbij takelbedrijven zich kunnen aansluiten en die beschikt over een eigen alarmcentrale. Wanneer men deze centrale opbelt voor een takeling, bepaalt zij welke firma het best geschikt is. Indien men een beroep doet op de V.Z.W. Detabel, is volgens hogervermelde tegenstanders de reglementering inzake overheidsopdrachten niet van toepassing. Artikel 5 van de wet bepaalt immers dat er slechts sprake is van een overheidsopdracht van diensten wanneer het gaat over een overeenkomst ten bezwarende titel gesloten tussen enerzijds een dienstverlener en een aanbestedende overheid anderzijds. In geval van takeldiensten treedt de politiezone enkel op als tussenpersoon voor de automobilist die de werkelijke klant is. De actie van de politiezone beperkt zich tot het verwittigen van de alarmcentrale. De kosten van het wegtakelen zijn nooit ten laste van de overheid. Het zou hier gaan om een overeenkomst om niet zodat de wetgeving overheidsopdrachten niet van toepassing is. Deze stelling kan echter niet worden bijgetreden. Volgens de rechtsleer kan er immers sprake zijn van een overheidsopdracht, ook zonder prijs. De Europese richtlijnen beperken er zich toe dat de overeenkomst ‘ten bezwarende titel’ wordt afgesloten. Dit houdt niet noodzakelijkerwijze het bestaan van een geldelijke beloning in, voor zover echter de tegenwaarde van de prestaties van de onderneming in geld kan worden beoordeeld.1 M.a.w. iedere tegenwaarde voor de prestaties van de onderneming die in geld kan worden beoordeeld, volstaat om te kunnen spreken over een opdracht “onder bezwarende titel”. In het geval van de takeldiensten is dit zeker mogelijk. De Raad van State heeft in een arrest van 11 januari 1995 dan ook geoordeeld dat er sprake is van een overheidsopdracht indien de geleverde dienst bestaat in de pechverlening en/of het wegslepen van verkeerd geparkeerde auto’s. Het heeft weinig belang te weten dat de dienstverlener niet door de gemeente maar wel door de eigenaars van deze auto’s zal worden betaald.2 Ook in een aantal parlementaire vragen zijn de desbetreffende ministers van mening dat de wetgeving overheidsopdrachten moet worden gerespecteerd. Zonder in te gaan op het waarom, zijn de desbetreffende ministers van oordeel dat de gemeenteraden autonoom en binnen de perken van de artikelen 234 tot en met 237 van de Nieuwe Gemeentewet kunnen beslissen op welke wijze op takeldiensten een beroep zal worden gedaan.3 Bovendien is het ook fout te stellen dat de overheid nooit de kosten draagt van de takeling. Overeenkomstig artikel 4.4 van de Wegcode dient elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig dit te verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon
157
aangemaand wordt. De verplaatsing gebeurt op risico en kosten van de bestuurder en de burgerlijk aansprakelijke personen, behalve wanneer de bestuurder afwezig is en het voertuig reglementair is geparkeerd. Om al deze redenen is het aanstellen van een takelfirma dan ook een overheidsopdracht die in mededinging moet worden gesteld.
158
Referenties -Wet 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, B.S. 22 januari 1994. -R.v.St. 11 januari 1995, nr. 51.107. -FLAMME, M.A., MATHEI, Ph. en FLAMME, Ph., Praktische commentaar bij de reglementering van de overheidsopdrachten, Deel 1A, Brussel, Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf, 1996-1997, 1510 p. -Vr. en Antw. Senaat 1996, 13 december 1995, 1550-1551 (Vr. nr. 11 ANCIAUX). -Vr. en Antw. Kamer 1997-1998, 3 september 1997, 15725-15726 (Vr. nr. 685 VAN BELLE). -Vr. en Antw. Kamer 1999-2000, 11 februari 2000, 3414-3416 (Vr. nr. 124 WAUTHIER). -Vr. en Antw. Kamer 2003-2004, 17 november 2003, 20-21 (Vr. nr. 666 TOMMELEIN).
(Eindnoten) 1 FLAMME, M.A., MATHEI, Ph. en FLAMME, Ph., Praktische commentaar bij de reglementering van de overheidsopdrachten, Deel 1A, Brussel, Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf, 1996-1997, 88. 2 R.v.St. 11 januari 1995, nr. 51.107. 3 Vr. en Antw. Senaat 1996, 13 december 1995, 1550-1551 (Vr. nr. 11 ANCIAUX), Vr. en Antw. Kamer 1997-1998, 3 september 1997, 15725-15726 (Vr. nr. 685 VAN BELLE), Vr. en Antw. Kamer 1999-2000, 11 februari 2000, 3414-3416 (Vr. nr. 124 WAUTHIER), Vr. en Antw. Kamer 2003-2004, 17 november 2003, 20-21 (Vr. nr. 666 TOMMELEIN).
Het Investeringsfonds – Stand van de uitloopregeling 31 december 2005: een belangrijke datum Het Decreet van 26 juni 2002 betreffende het Gemeentefonds maakte een einde aan het voortbestaan van het Investeringsfonds. De uitloopregeling bepaalde evenwel dat tot 31 december 2005 de gemeenten hun opgespaarde trekkingsrechten konden verbinden aan een investeringsproject. Vanaf 1 januari 2006 waren ze definitief vervallen. Op 1 januari 2005 beschikten de gemeenten nog over een globaal bedrag van 16.753.416,95 euro aan trekkingsrechten. Dit aanzienlijk bedrag kon dus nog gedurende 2005 geïnvesteerd worden in uiteenlopende domeinen (gemeentewegen, gemeentelijke infrastructuur enz.).
159
Begeleiding van de gemeenten Gelet op de omvangrijke investeringskredieten die op 1 januari 2005 nog voorhanden waren en het financieel belang voor de gemeenten werden op 16 februari en 13 september 2005 brieven gestuurd aan alle gemeenten met de stand van hun beschikbare kredieten en een overzichtstabel van alle dossiers waarvoor nog voorschotten en/of eindsaldi moesten uitbetaald worden. Tevens werden de geldende voorschriften met betrekking tot de uitloopperiode in herinnering gebracht. In conclusie kon op 31 december 2005 worden vastgesteld dat praktisch alle trekkingsrechten aan een investeringsdossier waren verbonden. Slechts een bedrag van 54.162,81 euro werd niet toegekend. Er werden op die manier dubbel zo veel projecten toegewezen dan het gemiddelde van de voorgaande jaren.
Beschikbaar op 1 januari 2005 Toestemming verleend Vervallen saldo 1 januari 2006
Bedrag trekkingsrechten 16.753.416,95 euro 16.699.254,14 euro 54.162,81 euro
In de bijlagen is een overzichtslijst opgenomen met alle investeringsprojecten. De toekomst: een correcte uitbetaling op basis van volledige eindafrekeningen Overeenkomstig de voormelde uitloopregeling kunnen de trekkingsrechten waarvoor machtiging tot gebruik werd gegeven uiterlijk tot 31 december 2007 worden uitbetaald. De nodige verantwoordingsstukken moeten ten laatste op 31 oktober 2007 worden ingediend. Om de uitbetaling van de voorschot- en saldidossiers zo vlot mogelijk te laten verlopen zal in 2006 een brief gericht worden aan alle besturen met een volledig overzicht van de nog te vereffenen projecten. Volledige informatie met betrekking tot samenstelling en geldende reglementering zal eveneens worden meegedeeld. Deze aanvullende informatie moet vermijden dat de Vlaamse overheid terugstortingen zou moeten eisen voor laattijdig ingediende of onvolledige eindafrekeningen.
Met welk geld dan nu investeren? De middelen van het Investeringsfonds zijn sinds 2003 (Decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds) geïntegreerd in het Gemeentefonds. De startdotatie voor 2003 is in het Decreet vastgesteld op 1.542.979.000 euro wat 26,5% meer is dan in 2002. Artikel 10 van het Decreet van 5 juli 2002 bepaalt het minimumbedrag dat een gemeente dient te ontvangen. Een element dat dit minimumbedrag bepaalt, is het toegekende trekkingsrecht uit het Investeringsfonds 2002, exclusief een eventueel uitzonderlijk aanvullend trekkingsrecht (artikel 10, 2°).
160
Het Gemeentefonds zorgt voor de basisfinanciering van de gemeenten. De gemeenten beslissen autonoom waarvoor deze middelen worden aangewend: hetzij voor de financiering van reguliere uitgaven, hetzij voor hun investeringsbeleid. Zo versterkt de Vlaamse regering de bestuurskracht van de gemeenten. Voor meer cijfergegevens over dit Gemeentefonds verwijzen we naar de tekst “Een bredere kijk op enkele belangrijke gemeentelijke ontvangsten in Vlaams-Brabant” in deze uitgave.
Referenties - Decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan, B.S. 30 april 1991. - Decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, B.S. 31 augustus 2002.
161
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP AFDELING BINNENLANDSE AANGELEGENHEDEN VLAAMS-BRABANT INVESTERINGSFONDS - OVERZICHT TREKKINGSRECHTEN IN 2005 OMSCHRIJVING VAN DE INVESTERINGEN N. CODE
GEMEENTE
VOLG-
OMSCHRIJVING INVESTERINGEN
CODE
NUMMER
Arrondissement HALLE-VILVOORDE
162
23.105
AFFLIGEM
23.002
ASSE
23.003
BEERSEL
23.009
BEVER
23.016
DILBEEK
05/01
Vernieuwing dak grote hal
2021
05/02
Vernieuwing dorpskern Teralfene Fase 2 : parking Rozenlaan
1034
05/03
1032
05/04
Aanleg voetpaden Langestraat en Boonhof Aanleg fietspaden Bellestraat
05/01
Aankoop gebouw, Assesteenweg 39
A1011
05/01
Aankoop grond, Akrenbos 71A Terug bij alg. saldo
05/02
Verbouwing en uitbreiding gemeentehuis
1011
05/01
Verbeteringswerken Suikerbergstraat en Brugstraat
1031
05/02
Verbouwing jeugdcentrum Castelhof
2031
1033
23.098
DROGENBOS
05/01
Verbouwing gemeentehuis (fase 1)
1011
23.023
GALMAARDEN
05/01
Wegen- en rioleringswerken Groenstraat en Pausleenstraat
1031
23.024
GOOIK
TOEGESTEMD EUR
SALDO NIET MEER
TOTAAL TOEGESTEMD in 2005
BESCHIKBAAR op 1-1-2005
BESCHIKBAAR OP 1-1-2006
163
619.707,34 94.786,27
26.342,00 147.506,85 888.342,46
888.342,46
0,00
513.427,42
513.427,42
0,00
0,00
0,00
0,00
530.046,22
530.046,22
-0,00
471.175,00
471.175,00
0,00
187.050,09
187.050,09
0,00
20.208,70
20.208,70
0,00
0,00
0,00
0,00
513.427,42
0,00
-55.875,20
585.921,42
418.487,42
52.687,58
187.050,09
20.208,70
0,00
23.025
164
GRIMBERGEN
05/01
Aanleg fiets- en voetpaden Daalstraat en Ijsvogellaan
1034
05/02
Herstel # fietspaden
1033
23.027
HALLE
05/01
Wegen- en rioleringswerken Pallieterweidestraat
1034
23.032
HERNE
05/01
Aanleg riolering Pausleenstraat
1031
23.033
HOEILAART
23.038
KAMPENHOUT
05/01
Aanleg voetpaden en herstel wegdek F. Wouterslaan en F. Verstraetenlaan
1034
23.039
KAPELLE-O/D-BOS
05/01
Sanering speelplein Kamboswijk
2031
05/02
Sanering speelplein Kamboswijk Verhoging T.R. met 34.263,50 EUR
2031
05/01
Wegenwerken K. Astridlaan (fase 2)
1034
05/01
Herasfaltering diverse straten (Diegem)
1034
05/02
Herasfaltering # wegen - 2005
1034
05/03
Herasfaltering diverse wegen te Diegem Terug bij alg. saldo (05/01)
1034
05/04
Heraanleg Van Obberghenstraat Terug bij alg; saldo (04/01)
1034
23.099
KRAAINEM
23.104
LENNIK
23.044
LIEDEKERKE
23.100
LINKEBEEK
23.045
LONDERZEEL
23.047
MACHELEN
388.587,87
32.780,09
421.367,96
421.367,96
0,00
186.840,71
186.840,71
0,00
291.389,71
291.389,71
0,00
186.840,71
291.389,71
165
0,00 0,00
0,00
0,00
280.481,16
280.481,16
0,00
104.228,72
104.228,72
0,00
805.592,06
805.592,06
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
280.481,16
69.965,22 34.263,50
805.592,06
0,00
0,00
0,00
0,00
92.437,74
277.393,52 -16.671,72
-2.232,00
23.050
MEISE
23.052
MERCHTEM
23.060
OPWIJK
23.062
OVERIJSE
05/05
Aanleggen voetpaden Vandersteenstraat en Toekomststraat
1032
05/01
Wegen- en rioleringswerken Bleukenweg
1034
05/01
Asfalteringswerken 2005
1034
05/02
Werken WOC-Eizer (3 percelen)
2011
05/03
Aanpassing muur loopbrug zwembad
2021
05/04
Vervanging verwarmingsketel school Jezus-Eik
2051
05/05
Vervanging verwarmingsketel WOCEizer
2011
05/06
Verkeersremmende maatregelen
1034
05/07
Rioleringswerken Kerkeweg
1031
05/08
Dakwerken gemeentegebouwen (2005) 2 percelen
1011
05/09
Opvang bronnen F. Verbeeckstraat
1034
05/10
Aanleg voet- en fietspaden
1033
166
23.064
PEPINGEN
05/01
Buitengewone wegenwerken Bosstraat
1034
23.097
ROOSDAAL
05/01
Asfalteringswerken 2005
1034
23.101
St. GENESIUS RODE
05/01
Waterbeheersings- en wegenwerken Stationsstraat (fase 2) en Termeulenstr.
1034
23.077
ST. PIETERS LEEUW
79.047,00 429.974,54
483.332,21
53.357,67
0,00
0,00
0,00
637.180,14
637.180,14
0,00
0,00
0,00
0,00
1.297.325,26
1.297.325,26
-0,00
512.368,23
512.368,23
0,00
33.124,40
33.124,40
0,00
170.415,86
170.415,86
0,00
0,00
637.180,14
0,00
192.063,43 316.657,28 16.953,21 8.673,28
8.673,28
42.894,46 180.000,00 81.351,55
373.702,27 76.356,50
512.368,23
33.124,40
170.415,86
0,00
167
23.081
STEENOKKERZEEL
23.086
TERNAT
23.088
VILVOORDE
05/01
Aanleg voetpaden Driesstraat e.a. en wegenwerken d’Yanvillestraat e.a.
1034
05/01
Verbeteringswerken Rodenbachplein Terug bij alg. saldo (03/02)
1034
05/02
Herinrichtingswerken Kerkstraat Terug bij alg. saldo (98/02)
1034
05/03
Aanleg voetpaden 2005
1032
05/01
Wegen- en rioleringswerken Wijngaardlaan
1034
05/02
Wegenwerken wijk Ban-Eik
1034
168
23.102
WEMMEL
23.103
WEZEMBEEK-OPPEM
23.094
ZAVENTEM
05/01
Wegen- en rioleringswerken Sterrebeekstraat e.a
1034
23.096
ZEMST
05/01
Wegen- en rioleringswerken Weverstraat
1031
05/01
Aanleg fietspaden Gijmelsesteenweg
1033
05/02
Werken aan # wegen - pr 05
1034
05/03
Herstel fiets- en voetpaden - pr 05
1032
05/01
Gemeenteschool, De Bruynlaan, Brandbeveiligingswerken
2051
05/02
Wegen- en rioleringswerken Kruisstraat
1034
05/03
Wegen- en rioleringswerken Jagersstraat
1034
Arrondissement LEUVEN 24.001
24.007
AARSCHOT
BEGIJNENDIJK
0,00
0,00
0,00
233.357,00
233.357,00
0,00
0,00
0,00
0,00
233.357,00
0,00
-968,90
-7.837,01
169 8.805,91 0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
469.989,35
469.989,35
0,00
987.755,37
987.755,37
0,00
82.071,26
82.071,26
0,00
570.864,35
570.864,35
0,00
0,00
400.000,00
69.989,35
987.755,37
82.071,26
139.774,22 220.000,00 211.090,13
36.604,89
242.296,56
278.430,18
170
05/04
Wegen- en rioleringswerken Kruisstraat Terug bij alg. saldo (05/02)
1034
05/05
Herinrichtingswerken Pandhoevestraat
1034
24.008
BEKKEVOORT
05/01
Werken asfaltwegen (2004)
1034
24.009
BERTEM
05/01
Kleuterschool Leefdaal : luifel
2051
24.011
BIERBEEK
24.014
BOORTMEERBEEK
24.016
BOUTERSEM
05/01
Collector Eikenveldbeek
1031
05/02
Vervanging verwarmingsketel school Willebringen
2051
05/03
Ondergronds brengen van electriciteitsleidingen
2051
05/04
Vervanging schrijnwerk school Willebringen
2051
05/05
Wegenwerken Kumtichsestraat e.a. -2005
1034
24.020
DIEST
05/01
Rioleringswerken Dorpsstraat Molenstede
1031
24.028
GEETBETS
05/01
Verbeteringswerken diverse wegen
1034
24.137
GLABBEEK
24.033
HAACHT
05/01
Collector Wespelaar - fase 1
1031
05/02
Collector Wespelaar - fase 2
1031
05/03
Buitengewone onderhoudswerken
1101
-586,35
586,35 557.331,63
557.331,63 0,00
85.000,10 85.000,10
85.000,10
0,00
77.991,69
77.991,69
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
341.114,95
341.920,09
805,14
581.143,91
581.143,91
0,00
189.138,05
189.138,05
0,00
0,00
0,00
0,00
171
77.991,69
0,00
0,00
142.238,57 11.923,34
96.693,50
9.875,10
80.384,44
581.143,91
189.138,05
0,00
117.172,78 199.771,45 268.927,56
begraafplaats : Haacht-Centrum
172
24.038
HERENT
05/01
VBR - Winksele - fase 2 + Hogebeek
1034
24.041
HOEGAARDEN
05/01
Herstellingswerken # straten
1034
24.043
HOLSBEEK
24.045
HULDENBERG
05/01
Rioleringswerken Terlaenenstraat
1031
24.048
KEERBERGEN
05/01
Huisvesting buitendienst
1011
24.054
KORTENAKEN
05/01
Herstellingswerken Oude-Tiensestraat
1034
05/02
Oppersen betondallen Diensestraat, Helstraat en Kersbeek-Dorp
1034
05/03
Wegenwerken Neerlintersesteenweg
1034
05/01
Aanleg stoepen te Laar - 15° fase
1032
05/02
Vernieuwing kruispunt J. Janlaan/ Velmsesteenweg (Attenhoven)
1034
05/03
Herstel van verschillende wegen (04/01) Terug bij algemeen saldo
1034
05/04
Aanleg stoepen Raatshovenstraat (16° fase)
1032
05/01
Onderhoud en Aanleg voetpaden
1032
05/02
Werken cementbetonverharding aan verschillende wegen
1034
05/03
Aanleg fietspaden “Beleef het Groen”
1033
24.055
KORTENBERG
24.059
LANDEN
24.062
LEUVEN
24.133
LINTER
585.871,79
585.871,79
0,00
380.885,50
380.885,50
0,00
159.485,50
159.485,50
0,00
0,00
0,00
0,00
7.142,91
7.142,91
0,00
939.853,16
939.853,16
0,00
116.174,83
116.174,83
0,00
0,00
0,00
0,00
330.765,60
330.765,60
0,00
0,00
0,00
0,00
380.885,50
159.485,50
0,00
7.142,91
939.853,16
42.923,78 62.980,50
10.270,55
0,00
105.765,00 158.553,68
-11.074,53
77.521,45
0,00
62.240,00 62.241,00
250.000,30
173
24.066
LUBBEEK
24.086
OUD-HEVERLEE
24.094
ROTSELAAR
24.134
SCHERPENHEUVELZICHEM
24.104
TERVUREN
05/01
Wegen- en rioleringswerken Uilekot
1034
05/02
Aanleg fietspaden Kalenberg/Terkeyen
1033
05/01
Aankoop gebouw, Nieuwstraat 15
A2021
05/02
Aankoop gronden en gebouw Paardenmarktstraat
A2051
05/03
Wegen- en rioleringswerken met huisaansluitingen en infrastructuurwerken
1034
05/01
Aanleg fietspad Wersbeekstraat Aankoop materialen. Intrekking 04/01 Terug bij alg. saldo
1033
05/02
Aanleg fietspaden Motbroekstraat en Glabbeeksesteenweg
1033
05/01
Aanleg fietspaden “Beleef het Groen”
1033
174
24.135
TIELT-WINGE
24.107
TIENEN
24.109
TREMELO
24.130
ZOUTLEEUW
374.481,30
374.481,30
0,00
483.249,90
483.249,90
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
1.194.169,74
1.194.169,74
0,00
68.478,43
68.478,43
-0,00
102.399,18
102.399,18
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
0,00
16.699.254,14
16.753.416,95
54.162,81
276.423,40 206.826,50
0,00
0,00
0,00
440.649,50 651.750,00
101.770,24
-65.920,80
134.399,23
102.399,18
0,00
0,00
175
Hoofdstuk 8
INTERESSANTE BRONNEN TER ONDERSTEUNING VAN HET LOKAAL BESTUUR
Hoofdstuk 8
INTERESSANTE BRONNEN TER ONDERSTEUNING VAN HET LOKAAL BESTUUR
178 Agentschap voor Binnenlands Bestuur Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (MVG) De Vlaamse portaalsite is een wegwijzer bij het zoeken naar informatie over de dienstverlening en het beleid van de Vlaamse overheid. De website biedt een eenvoudige en snelle toegang tot de informatie van de Vlaamse overheid die op het internet beschikbaar is. De portaalsite verwijst u dus door naar andere websites van Vlaamse overheidsdiensten of –instellingen. www.vlaanderen.be Het IVA Binnenlands Bestuur agentschap voor Binnenlands Bestuur werkt voor de gemeenten, OCMW’s, de provincies en de openbare besturen die ermee samenhangen (dit zijn de OCMW-verenigingen, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, autonome gemeente- en provinciebedrijven, de erkende erediensten). U vindt enerzijds algemene en anderzijds themagebonden deelsites. De algemene informatie behandelt de regelgeving, publicaties, het tijdschrift “BinnenBand”, het organogram, links en adressen. De deelsites betreffende specifieke thema’s bieden telkens een overzicht van de regelgeving, de contactpersonen en de geldende standpunten ter zake. De thema’s zijn: nieuws, financiën en fiscaliteit, personeel, interlokale samenwerking en openbare bedrijven, overheidsopdrachten en patrimonium, stedenbeleid, adviesraden, vormingscentrum lokale besturen, verkiezingen, erediensten, begraafplaatsen, kerntakendebat, buitenlands beleid en werking besturen. www.binnenland.vlaanderen.be regelgeving U vindt hier een overzicht van alle regelgeving met betrekking tot de verschillende materies waarvoor de administratie bevoegd is: wetgeving (besluiten van de Vlaamse regering, wetten en decreten, enkele Europese richtlijnen en verdragen), omzendbrieven, ministeriële brieven, arresten van Raad van State en Arbitragehof. www.binnenland.vlaanderen.be/regelgeving
publicaties Deze link geeft een overzicht van online te bestellen (rubrieken bestuurszaken en stedelijk beleid) en van af te laden publicaties. Deze laatste hebben betrekking op het Rapport “De Vlaamse dienstverlenende en opdrachthoudende intergemeentelijke verenigingen in cijfers (19872002)”, het jaarbeeld 2004, het rapport gemeente- en provinciefinanciën 2004, jaarverslagen van de Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur, documenten over het Vormingscentrum Lokale Besturen, over personeel in de lokale besturen en over regelgeving. www.binnenland.vlaanderen.be/publicaties
BinnenBand, organogram, links, adressen Via deze links kan volgende nuttige informatie geraadpleegd worden: een overzicht van de BinnenBand-publicaties, het organogram van de administratie, links en adressen van de lokale besturen. www.binnenland.vlaanderen.be/binnenband www.binnenland.vlaanderen.be/organogram www.binnenland.vlaanderen.be/links www.binnenland.vlaanderen.be/adressen financiën en fiscaliteit Op de deelsite financiën en fiscaliteit vindt u allerhande gegevens over gemeentefinanciën en gemeentefiscaliteit; over het gemeentefonds, het investeringsfonds en het provinciefonds; over e³pos. Financiële gegevens en fiscaliteit: hier wordt info aangeboden over de onroerende voorheffing voor gemeenten, het rapport gemeente- en provinciefinanciën 2004 (gebaseerd op rekeningen 2002), een overzicht van de gemeentelijke dividenden 2000-2005 (overzicht van alle ontvangsten uit de activiteiten elektriciteit-, gas- en kabeldistributie en de financieringsintercommunales), gegevens uit de gemeenterekeningen 2000, het geoloket gemeentefinanciën 2000 (opvragen van financiële gegevens over de 308 Vlaamse gemeenten). Gemeentefonds: hier wordt een woordje uitleg verstrekt over het gemeentefonds. U kan er de raming van het gemeentefonds voor de periode 2005-2009 vinden en tevens de definitieve aandelen van het gemeentefonds 2004 raadplegen. Investeringsfonds: u vindt hier uitleg over het investeringsfonds, de verdeling van het Investeringsfonds (2002) en een stand van zaken van het fonds (inclusief een overzicht van de projecten) voor de jaren 1998 t.e.m. 2005. Provinciefonds: hier worden de definitieve aandelen van het provinciefonds 2003 vermeld. www.binnenland.vlaanderen.be/financiën e3pos “e³pos” is een projectteam opgericht om een nieuw beleidsinstrumentarium uit te bouwen voor de lokale besturen in het kader van de financiële cylcussen om de invoering ervan ondersteunen. U kan hier zowel terecht voor algemene info rond het e³pos-project als voor praktische vragen met betrekking tot de nieuwe OCMW-boekhouding (NOB) als met de nieuwe gemeenteboekhouding (NGB). De algemene informatie betreft een trefwoordenregister, info over contactpersonen, FAQ’s, een sitemap, artikels uit BinnenBand m.b.t. e³pos, links, de nieuwsbrief en tips voor het sitegebuik.
179
De info over e³pos behandelt de regelgeving, planning en budgettering, boekhouding, officiële rapportering, MIS, budgethouderschap, administratie, organisatie en interne controlesystemen, audit, vorming en ICT. Het NOB-gedeelte behandelt algemene info, regelgeving, boekhoudfiches, FAQ’s, administratieve organisatie en intern controlesysteem, boekhoudkundige normen, budgethouderschap, externe audit en administratief toezicht, MIS en varia. Het NGB-gedeelte behandelt regelgeving, trefwoorden en FAQ’s. http://www.binnenland.vlaanderen.be/e3pos personeel
180
Hier vindt u een overzicht van de sectorale akkoorden voor regionale en lokale besturen. Tevens kan u uitleg nalezen over de personeelsformaties, de personeelsstatuten en de tuchtregeling van het statutair personeel in de lokale besturen. www.binnenland.vlaanderen.be/personeel interlokale samenwerking en openbare bedrijven In sommige gevallen kan het voor lokale besturen (gemeenten of OCMW’s) aangewezen zijn samen te werken met andere lokale besturen of bepaalde van hun activiteiten te verzelfstandigen. Op deze wijze wordt de bestuurskracht verhoogd en kan efficiënter gewerkt worden. Hier kan u algemene informatie en toelichtingen terugvinden over intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, OCMW-verenigingen, gemeentebedrijven en provinciebedrijven. Ook vindt u er de geldende wetgeving samen met de omzendbrieven en relevante rechtspraak terug. www.binnenland.vlaanderen.be/islob overheidsopdrachten en patrimonium Zowel voor de rubriek “overheidsopdrachten” als voor de rubrieken “patrimonium” en “onteigeningen” kan u via deze link alle nuttige informatie opzoeken: wetgeving, modellen van besluiten, bestekken, verslagen, overeenkomsten, briefwisseling… http://www.binnenland.vlaanderen.be/patrim_opdrachten stedenbeleid Het Vlaams regeerakkoord heeft een Vlaams Stedenbeleid tot een van de prioriteiten gemaakt. Het moet een duurzaam beleid zijn dat structurele oplossingen biedt. De centrale uitdaging is het stoppen van de stadsvlucht. U wordt doorverwezen naar de website www.thuisindestad.be dat een kruispunt wil zijn voor al wie in Vlaanderen met Stedenbeleid bezig is. Deze site is bedoeld voor zowel beleidsmensen, investeerders, het middenveld als geïnteresseerde burgers. http://www.binnenland.vlaanderen.be/stedenbeleid vormingscentrum voor lokale besturen De administratie binnenlandse aangelegenheden maakt werking van meer ondersteuning en begeleiding van de lokale besturen. In dat kader is een belangrijke rol weggelegd voor
vorming. Via het vormingscentrum voor lokale besturen biedt ABA financiĂŤle ondersteuning aan organisaties die vormingen voor lokale besturen organiseren. Het centrum wil actief meewerken aan de uitbouw van een vormingsaanbod voor de lokale besturen en wil ervoor zorgen dat dit aanbod actueel blijft, van een hoog niveau is en niet vervalt in losstaande initiatieven. http://www.binnenland.vlaanderen.be/vormingscentrum werking besturen Hier vindt u een bespreking van de verschillende organen van een gemeente, OCMW en provincie (zoals bijvoorbeeld: de gemeenteraad, OCMW-raad en provincieraad). Op deze site vindt u ook een korte uitleg omtrent de begrippen openbaarheid van bestuur, motiveringsplicht, administratief toezicht, klachtenbehandeling, mandatarissen en de staatshervorming. Alle relevante regelgeving (wetten, besluiten van de Vlaamse regering, arresten van de Raad van State) met betrekking tot de werking van de besturen werd opgenomen onder de rubriek regelgeving. Bovendien staan ook de standpunten van de administratie binnenlandse aangelegenheden betreffende de werking van de lokale besturen op deze site. Tot slot worden per provincie ook de contactpersonen betreffende deze materie weergegeven. http://www.binnenland.vlaanderen.be/werking_besturen
181
Andere overheden en overheidsdiensten Federale portaalsite De portaalsite van de Belgische of federale overheid is ingedeeld op basis van drie grote doelgroepen, nl. de burger, bedrijven en ambtenaren. Via de zoekfunctie kan u eender welke zoekterm ingeven en dan verkrijgt u links naar overheidsinformatie en –diensten die hiermee te maken hebben. In de algemene navigatie kan u algemene informatie vinden over ons land, kan u informatie over de federale regering zoals de samenstelling, het regeerakkoord e.d.m. terugvinden. Daarnaast kan u van hieruit doorklikken naar verschillende federale overheidsdiensten of naar de verschillende deelstaten. www.belgium.be
182
FOD Binnenlandse Zaken De Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken heeft als opdracht het voorbereiden en uitvoeren/implementeren van het beleid van de federale minister van Binnenlandse Zaken in de volgende domeinen: de politionele en civiele veiligheid, het crisisbeheer, het vreemdelingenbeleid, de registratie en identificatie van de natuurlijke personen, het beheer van de institutionele en reglementaire aspecten en van de uitoefening van democratische rechten. www.ibz.fgov.be FOD Justitie De site van de Federale Overheidsdienst Justitie is overzichtelijk ingedeeld in zes blokken: informatie, organisatie, rechtsbronnen, links, rechterlijke orde en Belgisch staatsblad. Via het ingeven van zoekwoorden of via een klik op “nieuwigheden� kan er gericht informatie opgespoord worden. www.just.fgov.be FOD Werkgelegenheid, Arbeid en sociaal overleg De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg biedt op deze website informatie aan over zijn organisatie, over zijn actieterrein en over de materies waarvoor het bevoegd is. De website is een middel om deze informatie in een begrijpbare vorm ter beschikking stellen van een breed publiek. De FOD streeft er naar steeds actuele informatie aan te bieden, maar kan geen volledigheid waarborgen. De informatie die op deze website aangeboden wordt, heeft betrekking op complexe materies. Het is dan ook mogelijk dat een aantal specifieke gevallen niet aan bod komt. In geval van twijfel of voor bijkomende inlichtingen kan u terecht bij de diensten en instellingen die op de website vermeld worden. www.meta.fgov.be Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) Deze website van de rijksdienst voor sociale zekerheid biedt zowel informatie als diensten aan. www.onssrszlss.fgov.be
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (RSZPPO) Dit betreft de website van de rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten. Op deze website vindt u de verschillende verplichtingen op het vlak van de sociale zekerheid en andere informatie met betrekking tot de opdrachten van de RSZPPO. www.onssapl.fgov.be Provincie Vlaams-Brabant De website van de provincie Vlaams-Brabant is thematisch ingedeeld, nl. rond werken en leren, ontspanning, mobiliteit en leven en wonen. Als u geĂŻnteresseerd bent in een bepaald onderwerp, kan u via deze rubrieken daar gemakkelijk naartoe klikken. Informatie over het provinciebestuur zelf vindt u in de algemene navigatie aan de linkerkant. Hier vindt u ook een overzicht van de besluiten van de provincieraad. www.vlaams-brabant.be
183
Wetgevende instellingen Senaat Samen met de Kamer van Volksvertegenwoordigers vormt de Senaat het federale parlement. Naast algemene informatie over werking en bevoegdheden, geeft deze site ook actuele onderwerpen en uitgebreide zoekmogelijkheden in de databank van de parlementaire activiteiten. www.senate.be
184
Kamer Deze webpagina is ingedeeld in vier hoofdrubrieken: ‘wetgeving’, ‘controle’, ‘plenum’ en ‘commissies’. Bovendien zijn opzoekingen mogelijk in diverse databanken (gaande van wetgevend bestand tot tijdschriften). www.dekamer.be Vlaams Parlement Het Vlaams Parlement is de wetgevende pijler van de Vlaamse overheid. De website maakt u wegwijs in o.a. werking, jaarverslagen en parlementaire documenten. Nuttige informatie kan u eenvoudig opsporen via het lexicon of de ‘Informatheek’ (bibliotheek en documentatiecentrum). www.vlaamsparlement.be
Rechtsprekende instellingen Portaalsite van de rechterlijke macht Het Hof van Cassatie is het hoogste rechtscollege van de rechterlijke macht. Het Hof heeft de bevoegdheid de in laatste aanleg gewezen vonnissen of arresten te verbreken. Op deze site vindt u algemene inlichtingen betreffende het hof, de agenda van de zittingen, actualiteit, een lijst met advocaten bij het Hof van Cassatie en de jaarverslagen. U kan ook via een zoeksysteem arresten van het hof consulteren. www.cass.be Raad van State De Raad van State is een rechtscollege met als voornaamste taak het schorsen van de tenuitvoerlegging en/of vernietigen van administratieve handelingen die strijdig zijn met de geldende rechtsregels. Anderzijds geeft de Raad van State advies aan de regeringen, het parlement en de gemeenschaps- en gewestraden. Deze site bevat naast een algemene uitleg over de Raad van State, een wetgevingsdatabank. Bovendien kan u ook de jaarverslagen en de arresten vanaf 1994 raadplegen. www.raadvst-consetat.be Arbitragehof Het Arbitragehof is het Belgisch grondwettelijk hof. Op deze site vindt u een algemene voorstelling van het hof, ook wat zijn werking en samenstelling betreft. Via een zoekmotor kunt u ook arresten raadplegen. www.arbitrage.be
185
Adviesorganen en andere officiële instellingen De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) is het overleg- en adviesorgaan van de Vlaamse sociale partners. De SERV is in de eerste plaats hét overlegorgaan waar sociale partners elkaar ontmoeten. Ze bepalen er hun gezamenlijk standpunt en formuleren er aanbevelingen en adviezen. De SERV adviseert over alle aangelegenheden met een sociaaleconomische impact waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd zijn. Dat doet de raad op eigen initiatief, op vraag van het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering of een lid van de Vlaamse Regering.
186
www.serv.be Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur (HRBB) De Hoge Raad voor Binnenlands Bestuur is een adviesorgaan met als één van de voornaamste taken advies uitbrengen omtrent de binnenlandse bestuurlijke organisatie. Op deze website vindt u dan ook alle adviezen terug die de Hoge Raad heeft uitgebracht evenals alle standpunten die ze ingenomen heeft. Ook kan u de dossiers m.b.t. verschillende bestuursthema’s raadplegen. binnenland.vlaanderen.be/hrbb Het Rekenhof Het Rekenhof is de grondwettelijke instelling die belast is met de controle van de openbare financiën op het federale, het gefedereerde (gemeenschappen en gewesten) en het provinciale niveau. Op de site vindt u uitleg over de werking van de instelling, recente publicaties, recente arresten, mandatenlijsten, vermogensaangiften en een zoekmotor. www.rekenhof.be Meldpunt voor administratieve lasten (KAFKA) De inspiratie voor de naam van deze site is bij Franz Kafka gevonden, de schrijver die zich in zijn werk als geen ander afzette tegen de onverschilligheid van de staat. Kafka schrijft over de onmacht van de burger tegenover de almacht van een ongenaakbare, arrogante overheid die weinig of geen voeling heeft met de realiteit. Herkenbaar? Natuurlijk. Want ook bij ons zijn er absurde regeltjes, procedures die alleen bedoeld lijken om ons het leven zuur te maken, onbegrijpelijke formulieren, voorschriften waarvan niemand meer weet waar ze voor dienen - als ze ooit ergens voor hebben gediend. Kortom, kafkaiaanse toestanden. Daar wil deze website wat aan doen. www.kafka.be Selor Selor staat klaar voor iedereen: zowel de sollicitant, de ambtenaar als de overheidsdiensten kunnen steevast op de service van Selor rekenen. Zoekt u een baan bij de overheid of wilt u juist een nieuwe wending geven aan uw ambtenarenloopbaan? Zoekt u als overheidsdienst een nieuwe medewerker? U kan altijd terecht bij Selor. Objectiviteit, transparantie en ruimte voor het talent van de kandidaat zijn de drie sleutelwaarden van Selor. www.selor.be
Jobpunt Vlaanderen Jobpunt Vlaanderen staat in voor begeleiding bij de rekrutering en selectie van overheidspersoneel. Daarnaast verzorgt het ook ondersteuning bij het uitvoeren van evaluaties, biedt het coaching aan en kan het ingeschakeld worden voor procesanalyses. www.jobpunt.be
Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleidingen (VDAB) De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding staat onder toezicht van de Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming. De VDAB heeft een sociale en economische opdracht. Als sociale taak is het zijn eerste bekommernis werkgever en werkzoekende met elkaar in contact te brengen. De VDAB engageert zich om elke werkzoekende optimaal bij te staan bij het vinden van een passende job. Op economisch vlak wil de VDAB een betrouwbare partner zijn voor alles wat met personeelsbeleid te maken heeft. www.vdab.be Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer De commissie behandelt klachten en geeft advies over de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Op deze site vindt u onder andere adviezen en informatienota’s van de commissie. www.privacy.fgov.be
187
Belangenvertegenwoordigers Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG) De VVSG is de representatieve ledenorganisatie van alle Vlaamse gemeenten (308), de OCMW’s (308), een honderdtal politiezones en van een vijftigtal intercommunales. Zij zet zich in zowel voor de politieke mandatarissen als voor de ambtenaren. De VVSG ijvert voor sterke lokale besturen. Daarvoor ondersteunt zij alle initiatieven die de kwaliteit van het lokale beleid verhogen. Dat gaat zowel om het vergroten van de lokale beleidsruimte als om de verfijning van de lokale democratie. www.vvsg.be
188
Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP) VVP wil een bijdrage leveren tot steeds betere, betrouwbare transparante provincies, om zo uit te groeien tot het onbetwistbaar verkozen regionaal streekbestuur van de toekomst. Daarom treedt zij op als belangenbehartiger van de provincies, fungeert ze als samenwerkingsplatform tussen de provincies en stimuleert ze vernieuwingsprocessen en methodieken voor het provinciaal management. www.vlaamseprovincies.be ACOD Website van de socialistische vakorganisatie voor het overheidspersoneel. www.cgsp.be CCOD Website van de christelijke vakorganisatie voor het overheidspersoneel. www.ccod.acv-online.be ACLVB Website van de liberale vakorganisatie voor het overheidspersoneel. www.aclvb.be Vereniging van Vlaamse OCMW-secretarissen OCMW-visies is het driemaandelijkse tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse OCMWsecretarissen. www.ocmwvisies.be VFG Dit is de internetwebstek van de Vlaamse Federatie van Gemeentesecretarissen. Haar missie is het dynamiseren van de beroepsvereniging met de provinciale federaties als spil en het verbeteren van de communicatie. www.gemeentesecretaris.be VLO De vereniging Vlaamse Lokale Ontvangers vzw heeft als doel het ambt van ontvanger en haar beroepsbelangen te verdedigen, de interne en externe samenwerking te bevorderen, vorming en informatie van haar leden. www.ontvangers.org
Juridische naslagwerken Belgielex.be Kruispuntbank van de wetgeving De Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Hof van Cassatie, het Arbitragehof, de Raad van State en de federale regering hebben een samenwerkingsprotocol gesloten betreffende de oprichting van een “Kruispuntbank van de wetgeving”. Dit protocol heeft tot doel de wetgeving, de parlementaire voorbereiding en de rechtspraak via een portaalsite voor het publiek open te stellen. In een eerste fase (de huidige) worden de databanken van de participerende instellingen via een portaalsite toegankelijk gemaakt. Deze fase houdt in dat enerzijds een toegangspoort tot deze databanken wordt gecreëerd en dat anderzijds vanuit de databanken van elke instelling links naar de databanken van de overige instellingen tot stand worden gebracht. De tweede fase impliceert het uitbouwen van de verschillende databanken tot een hecht netwerk en de ontwikkeling van specifieke software die het mogelijk maakt met één zoekopdracht alle databanken te ondervragen. Voor deze fase werd nog geen tijdschema vooropgesteld. www.belgielex.be Het Staatsblad Via deze link kunnen alle integrale teksten van publicaties (sedert 1 juni 19997) in het Belgisch Staatsblad online geconsulteerd worden. http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/welcome.pl E-justice Het streefdoel van de gegevensbank “Wetgeving” is op termijn de volledige en bijgewerkte teksten te bevatten van alle in België geldende rechtsregels van algemene gelding, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit geldt zowel voor de Federale wetgeving als deze van de Gemeenschappen en de Gewesten. www.cass.be/cgi_wet/wet.pl Juriport Juriport® is een juridische linkdatabase die dagelijks wordt bijgewerkt en aangevuld. U vindt er links naar juridische en officiële sites uit binnen- en buitenland en naar de meest belangrijke wetteksten, rechtspraak en juridische publicaties die op het Internet te vinden zijn. U moet wel een account aanmaken (gratis). www.juriport.be Juridisch woordenboek In het juridisch woordenboek “Belgisch recht” kan u de betekenis van meer dan 3.000 juridische begrippen opzoeken, via het alfabet of via de zoekfunctie. www.juridischwoordenboek.be
189
Colofon Samenstelling Caroline Corbeels, Guido De Boey, Peggy De Winter, Marc Geyskens, Roger Reynaerts, Griet Roelen, Nele Smets, Ludo Steenwinckel, Koen Van Lierde, Kris Vermeersch en Jeroen Vervloessem
Van Afdeling Vlaams-Brabant Agentschap voor Binnenlands Bestuur Vlaams ministerie voor bestuurszaken Werkhuizenstraat 40, 3010 Leuven
Depotnummer D/2006/3241/042
Verantwoordelijke uitgever Joris Sels
Vormgeving Tom Van den Bergh - info@tomvandenbergh.be
Vlaams ministerie van Bestuurszaken agentschap voor Binnenlands Bestuur afdeling Vlaams-Brabant