Skip to main content

Vlaanderen_gepeild_2001_6_tijdsbesteding_van_de_vlamingen.pdf

Page 1

Tijdsbesteding

157

Vlamingen in tienduizend en tachtig minuten: Een tijdsbudget-onderzoek

Ignace Glorieux, Suzana Koelet en Maarten Moens Vakgroep Sociologie Onderzoeksgroep TOR Vrije Universiteit Brussel 1. Inleiding Tijdsbudgetonderzoek registreert het handelen van alledag. In een tijdsbudgetonderzoek wordt aan respondenten gevraagd alle gestelde activiteiten en hun precieze tijdsstippen en tijdsduur op te schrijven. Het minimale tijdsbudget omvat drie reeksen gegevens: wat men doet, wanneer doet men het en voor hoe lang? Deze minimale informatie wordt bij voorkeur aangevuld met andere relevante gegevens over de gestelde handelingen: zoals de plaats van handelen, de interactiepartners die bij de handeling betrokken waren en eventueel de manier waarop de actor de gestelde handeling heeft ervaren. Tijdsbudgetonderzoek brengt de tijdsbesteding en de activiteitspatronen van mensen veel betrouwbaarder en genuanceerder in kaart dan het klassieke surveyonderzoek. In tegenstelling tot een retrospectieve, gestileerde vragenlijst, waarbij gepeild wordt naar frequentie en duur die men besteedt aan bepaalde activiteiten (bv. hoe vaak ging u winkelen de afgelopen week of hoeveel uren keek u gisteren naar de televisie) registreren de respondenten gedurende een bepaalde periode alle activiteiten die ze stellen onmiddellijk in een dagboekje. Daardoor ontstaat een veel gedetailleerder en omvattender beeld van activiteitenpatronen dan met een vragenlijst die noodzakelijkerwijze veel selectiever en beperkter is. Met dagboekregistratie heeft men bovendien minder af te rekenen met vertekeningseffecten. Herinneringseffecten, over- of onderschatting van sociaal wenselijke of onwenselijk activiteiten, die optreden bij survey’s, worden geminimaliseerd door de simultane registratie (Kalfs 1993). Een aantal cruciale hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen en problemen kunnen ons inziens veel beter in kaart worden gebracht via een tijdsbudgetonderzoek dan door de klassieke sociologische survey’s. We denken hierbij bijvoorbeeld aan problemen van deregulering en flexibilisering; de beschikbaarheid en toegankelijkheid van diensten (cf. openingstijden, kinderopvang,‌); verkeerscongesties; de gevolgen van takencombinaties zoals arbeid en gezin; de impact van de vergrijzing op de diensteneconomie; de impact van werkloosheid; gevoelens van tijdsdruk; ontwikkelingen in vrijwilligerswerk en cultuurparticipatie; evoluties in het mediagebruik. Het spectrum van maatschappelijke vragen dat men aan


158

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

de hand van tijdsbudgetdata kan beantwoorden is quasi onbeperkt. Vanuit beleidsoogpunt is het dan ook een bron bij uitstek ter opvolging van maatschappelijke evoluties. Dit blijkt bijvoorbeeld overduidelijk in Nederland waar men sinds 1975 om de vijf jaar een grootschalige tijdsbudgetstudie organiseert en waarvan de data gebruikt werden in tal van beleidsdocumenten.

2. Vlaams tijdsbestedingsonderzoek: TOR’99 Wanneer op regelmatige tijdstippen en op een systematische manier de tijdsbesteding van de bevolking wordt bevraagd zoals in Nederland, dan blijken tijdsbudgetgegevens bijzonder waardevol om maatschappelijke trends te analyseren. Zo kon Koen Breedveld op basis van zijn analyses van de Nederlandse tijdsbudgetdata de trend naar flexibilisering van de arbeidstijd duidelijker, maar vooral ook veel genuanceerder in beeld brengen dan dat dit doorgaans het geval is (Breedveld 1996). Wim Knulst gebruikte de data onder meer om de veranderende cultuurparticipatie- en uitgaanspatronen gedetailleerd te beschrijven (Knulst 1989). Het overzichtsrapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau in Nederland van 1995 (de Hart 1995) toont dan weer treffend aan hoe de toename van het tweeverdienerschap niet heeft geleid tot grote verschuivingen in de verdeling van het huishoudelijk werk. Ook andere analyses in de rapporten van het Sociaal Cultureel Planbureau (bv. over trends in mediagebruik, de afname van maatschappelijke participatie van jongeren en hoger opgeleiden, de toegenomen tijdsdruk bij jongeren als gevolg van een toename van onderwijsverplichtingen, …) illustreren de rijkdom van tijdsbudgetgegevens. In vergelijking met Nederland, waar men sinds 1975 elke vijf jaar een nationaal tijdsbudgetonderzoek organiseert, bestaat er momenteel in Vlaanderen geen periodiek en systematisch tijdsbudgetonderzoek. Gegevens over evoluties in het dagelijks handelen van Vlamingen zijn dan ook schaars. Wel zijn er in ons land de afgelopen 40 jaar verschillende (vaak beperkte) tijdsbudgetstudies uitgevoerd die het belang van deze onderzoeksmethode voortreffelijk illustreren. We denken aan een aantal minder recente studies in de jaren ‘60 (zie bv. Deleek en Van De Gracht (1960); Van Mechelen (1967); Javeau (1970)) en aan twee tijdsbudgetonderzoeken in 1984 en 1988 uitgevoerd door de onderzoeksgroep TOR van de vakgroep Sociologie aan de V.U.B1. Deze TOR-onderzoeken gebeurden echter op een selectieve en relatief kleine onderzoeksgroep (zie o.m. Elchardus, Enhus et al., 1984; Glorieux, 1995). Het onderzoek “Tijdsbesteding van de Vlamingen (PBO97/3/109) is dan ook het eerste grootschalige tijdsbudgetonderzoek in Vlaanderen sinds meer dan 30 jaar. Recent werd in het kader van het Programma Beleidsgericht Onderzoek van de Vlaamse Regering een tweede tijdsbudgetproject goedgekeurd (PBO99B/4/25), waardoor een vergelijking in de tijd zal mogelijk worden. Het project “Tijdsbesteding van de Vlamingen” loopt sinds 1 oktober 1998 tot 30 september 2001. In het kader van het onderzoek hielden 1533 Vlamingen tussen 16 en 75 jaar gedurende een volle week (10.080 minuten) hun tijdsbesteding bij in een daartoe speciaal ontworpen dagboekje. Het veldwerk vond plaats tussen 15 april en 30 oktober 1999 en werd uitgevoerd door het onderzoeksbureau DIMARSO. Tussen 15 juli en 1 september werden gedurende 6 weken geen dagboekjes ingevuld, om te voorkomen dat de

1. werkgroep van de studie van tijd, cultuur en samenleving.


Tijdsbesteding

159

vakantieperiode te sterk zou doorwegen in de onderzoeksresultaten. Om kosten te sparen gebeurde het veldwerk van het tijdsbudgetonderzoek in coördinatie met de APS-survey. De steekproeven en een gedeelte van de vragenlijst waren overlappend (zie verder). In ons tijdsbudgetonderzoek (TOR’99) werden data verzameld door middel van dagboekjes en twee vragenlijsten. Het belangrijkste instrument is het dagboekje. In de dagboekjes noteren de respondenten gedurende één volle week alle activiteiten die ze stellen. Ze doen dit door middel van een activiteitenlijst met activiteitencodes, die gebaseerd is op het internationale tijdsbudgetonderzoek van Szalai (1972), en die in grote mate overeenkomt met de lijst die in het Nederlandse tijdsbudgetonderzoek en de vroegere TOR-onderzoeken werd gebruikt. De activiteitenlijst werd aangevuld met hedendaagse tijdsgebruiken zoals bijvoorbeeld computeren en er werd een categorie met verplaatsingsactiviteiten toegevoegd. Onder elf hoofdrubrieken staan 154 activiteiten, die de respondenten toelaten hun activiteiten te coderen. De lijst omvat omzeggens alle courante menselijke activiteiten. Als een respondent er evenwel niet in slaagde zijn handeling onder te brengen in de gegeven categorieën, kon hij zijn handeling vrij beschrijven en gebeurde de codering achteraf. Wij opteerden voor een continue dagboekregistratie (Glorieux en Moens 1999). Bij continue registratie wordt van de respondent verwacht dat hij zijn activiteiten registreert telkens hij, volgens de in het onderzoek gestelde definitie, van activiteit verandert. Elke gestelde handeling wordt dus sequentieel genoteerd in het dagboekje, waarbij telkens ook de beginen eindtijd van de activiteit wordt opgegeven. Omdat alle activiteiten van de respondent genoteerd moeten worden, sluit de begintijd van elke geregistreerde handeling in principe aan bij de eindtijd van de vorige activiteit. Naast het noteren van een activiteit, een nevenactiviteit en begin- en eindtijden, wordt per activiteit ook extra informatie ingewonnen over de kenmerken van de geregistreerde handeling. Deze bijkomende informatie heeft betrekking op de plaats van de activiteit, het eventuele transportmiddel, de aanwezigheid van anderen, de gesprekspartners tijdens de activiteit en de motivatie om de activiteit te stellen. De dagboekregistratie werd gekoppeld aan twee vragenlijsten. Een eerste vragenlijst, deze van de APS-survey, werd afgenomen bij het eerste bezoek van de enquêteur aan de respondent, wanneer ook de dagboekjes werden overhandigd en toegelicht. De APS-survey omvat zowel socio-demografische variabelen als opinievragen over maatschappelijk kwesties en algemene indicatoren over tijdsbesteding. De tweede vragenlijst, die korter is dan de eerste, werd afgenomen bij het tweede bezoek van de enquêteur, wanneer de dagboekjes werden afgehaald en gecontroleerd. In de tweede vragenlijst komen voornamelijk vragen aan bod die specifieke tijdsproblemen behandelen. In deze bijdrage belichten we eerst kort een aantal technische en methodologische aspecten van het Vlaamse tijdsbudgetonderzoek. Daarna beschrijven we een aantal facetten van de tijdsbesteding van de Vlaming. In de laatste secties tenslotte zoomen we in op een aantal verschillen in de tijdsbesteding van mannen en vrouwen. Lezers die niet geïnteresseerd zijn in de methodologische aspecten van het onderzoek kunnen probleemloos hoofdstuk 3 overslaan en aansluitend verder lezen vanaf hoofdstuk 4.


160

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

3. Respons en de externe validiteit van TOR’99 Tijdsbudgetonderzoek staat bekend als onderzoek met lage responsrates (zie o.m. Kalfs 1993). Het vergt immers een aanzienlijke inspanning van de respondenten om gedurende meerdere dagen nauwgezet hun tijdsbesteding bij te houden. In Nederland was de nonrepons aan het tijdsbudgetonderzoek in 1995 gestegen tot 80% (Breedveld 1999; van den Broeck, Knulst et al. 1999: 215-219). Het spreekt voor zich dat bij een dergelijke non-respons de kwaliteit van de gerealiseerde steekproef nauwgezet in het oog moet worden gehouden. De unieke setup van dit tijdsbudgetonderzoek – namelijk in samenwerking met de APSsurvey en vertrekkend van dezelfde steekproeftrekking – biedt mogelijkheden voor een gedetailleerd (non)responsonderzoek. Voor de APS-survey moesten 1500 enquêtes worden afgenomen, voor het tijdsbudgetonderzoek werden 2000 respondenten beoogd. Vertrekkend van een originele steekproef van 2000 adressen (met telkens 6 vervangadressen), werden 1500 personen ad random aangeduid als deelnemer aan de APS-survey. Vermits de respons op de APS-survey niet geaffecteerd mocht worden door de tijdsbudgetstudie, werd bij deze 1500 personen (en hun vervangadressen) pas na afname van de APS-survey ook gevraagd om deel te nemen aan de tijdsstudie met dagboekjes. Zodanig werd hun deelname losgekoppeld van het tijdsbudget-onderzoek en elke mogelijke vertekening geneutraliseerd. De 500 personen die niet geselecteerd werden voor de APS-survey werden van bij de contactname op de hoogte gesteld van het onderzoeksluik met dagboekjes. Indien ze weigerden deel te nemen aan het tijdsbudgetonderzoek, dan werd ook geen APS-enquête afgenomen. In het totaal werden 1376 ‘zuivere’ APS-enquêtes afgenomen, dit wil zeggen dat de enquête afgenomen werd vóór het tijdsbudget ter sprake kwam2. Wat het tijdbudgetonderzoek betreft weerhielden we uiteindelijk 1533 dossiers die voldeden aan onze kwaliteitseisen. Dat uiteindelijk het beoogde aantal van 2000 respondenten niet gerealiseerd werden, is deels te wijten aan een non-respons die hoger lag dan verwacht en deels aan de kwaliteitscontroles van de ingevulde dagboekjes. Vele dagboekjes bleken geen 7 dagen en te grote tijdsleemtes te bevatten. Enkel de dagboekjes die voldeden aan onze strenge kwaliteitseisen werden opgenomen in onze bestanden. Voor de verwezenlijking van 1533 tijdsbudgetten, werd in het totaal gebruik gemaakt van 5727 adressen. De algemene responsgraad van het tijdsbudgetonderzoek ligt daarmee op 26,8%. De respons stijgt tot 28,4%, indien respondenten die niet-Nederlandstalig waren of overleden, verhuisd of van adres veranderd waren of van wie het adres onvindbaar was, niet worden betrokken in de analyse. Deze laatste non-responscategorieën zijn immers geen echte non-respons, aangezien de beoogde respondent niet (meer) tot de steekproef behoort. De respons van het TOR’99-onderzoek is daarmee nog altijd een stuk hoger dan die van het Nederlandse tijdsbudgetonderzoek van 1995 (20%), maar wel opmerkelijk minder goed dan de respons van de APS-vragenlijst. Deze werd beantwoord door 43,3% van de gecontaceerde respondenten (niet-Nederlandstaligen, overledenen, verhuisd, adres onvindbaar niet inbegrepen). De zwaardere procedure van het tijdsbudgetonderzoek vertaalt zich dus wel degelijk in lagere responscijfers, in vergelijking met een standaard vragenlijst. Illustratief hier-

2. Indien we de enquêtes meetellen waarbij de dagboekjes wél reeds bij de contactname ter sprake kwamen, komen we op 1805 APS-enquêtes.


Tijdsbesteding

161

voor is tevens dat voor de APS-enquête in slechts 2,7% van de adressen het zesde vervangadres moest worden aangesproken, terwijl dit percentage voor het dagboekonderzoek 4,5% was. De lage responsrate induceert de vraag of de uitval structureel is geweest, dan wel louter toevallig? Een structurele uitval zou zich vertalen in een systematische uitval van bepaalde bevolkingscategorieën, bijvoorbeeld van laaggeschoolden, omwille van de moeilijkheidsgraad van de registratie. Een systematische en grote afwijking van de TOR’99-steekproef, in vergelijking met de Vlaamse bevolking, bepaalt de veralgemeenbaarheid van de resultaten van het onderzoek, of hetgeen men in methodologische termen de externe validiteit van het onderzoek noemt. Naast de vergelijking met de bevolking, laat de koppeling van het tijdsbudget-onderzoek aan de APS-enquête toe een beter zicht te krijgen op hoe de non-respons zich verhoudt ten aanzien van andere onderzoeken, die minder inspanning vergen van de respondent. Indien de ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen het gevolg is van de zware tijdsregistratie, dan zou de TOR’99-steekproef op een aantal kenmerken significant moeten verschillen van de APS-steekproef. Deze vergelijking is des te interessanter omdat de randvoorwaarden dezelfde waren voor beide onderzoeken: voor beide steekproeven werd dezelfde steekproeftechniek gebruikt; hetzelfde onderzoeksbureau, voerde in dezelfde periode met dezelfde enquêteurs het veldwerk uit. Tabel 1 geeft de spreiding van de steekproefpopulatie van TOR’99 en APS’99, vergeleken met rijksregistergegevens van 19973. Ter controle vulden we de tabel aan met de verdeling van de middenveld-survey, die in 1998 werd uitgevoerd door de onderzoeksgroep TOR (Smits, Elchardus et al. 1998). TOR’98 werd door hetzelfde onderzoeksbureau uitgevoerd en hanteerde dezelfde steekproeftechniek als TOR’99. Uit tabel 1 blijkt duidelijk dat de zwaarte van de tijdsbudgetregistratie zich niet vertaalt in een sterkere steekproefvertekening dan bij de andere surveys het geval is. De TOR’99-populatie kent wel een onder- en oververtegenwoordiging van bepaalde categorieën in vergelijking met de bevolking, doch de vertekening van de gerealiseerde steekproef loopt in grote lijnen gelijk met de onder-(over-)vertegenwoordiging bij APS’99 of TOR’98. Dit wil zeggen dat de extra adressen die nodig waren in TOR’99 niet hebben geleid tot een sterk disproportionele steekproef, doch in tegendeel enkel zorgde voor een vrij getrouwe weergave van de Vlaamse bevolking, die sterk overeenkomt met hetgeen in regulier Vlaams surveyonderzoek wordt bekomen.

3. De verdelingen voor geslacht en leeftijd werden geleverd door P. Deboosere van het Steunpunt Demografie van de V.U.B., op basis van de Rijksregistergegevens van 1997. Moeilijker was het om een exacte meting van de verdeling volgens onderwijsniveau van de Vlaamse bevolking te vinden. Het onderwijsniveau is niet opgenomen in de Rijksregistergegevens en dus werd er een schatting gemaakt op basis van de bevolkingsgegevens en de gegevens van de middenveld-survey (TOR’98), ISPO’91, APS’96 en APS’97.


162

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

Tabel 1: Vergelijking van de respondenten van TOR’99 met die van APS’99, TOR’98 en de Vlaamse bevolking naar onderwijsniveau, geslacht en leeftijd

Onderwijsniveau Geen of lager onderwijs. Lager sec. Tech./beroepso. Lager sec. alg. sec. onderw. Hoger sec. Tech./beroepso. Hoger sec. alg. sec. onderw. Hoger onderwijs Geslacht Man Vrouw Leeftijd 16-34 35-54 55-75

Bevolking ‘97

TOR’98

APS’99

TOR’99

19,7 18,3 6,6 19,7 10,5 25,2

10,4 14,0 14,2 19,6 17,2 24,6

9,2 14,3 13,8 18,8 17,0 26,9

7,4 14,3 13,1 19,6 17,6 28,1

50,0 50,0

46,6 53,4

50,9 49,1

50,2 49,8

34,3 36,7 29,0

34,2 40,3 25,5

34,3 40,1 25,6

35,9 39,7 24,4

De verdeling van de TOR’99-steekproef mag dan wel sterk overeenkomen met de verdeling van de Vlaamse bevolking en sterk aansluiten bij ander survey-onderzoek, het is verre van een exacte weerspiegeling van de Vlaamse bevolking. Weinig onderzoekspopulaties vormen echter een perfecte weerspiegeling van de samenleving. Zo nemen sociaal-economisch zwakke groepen doorgaans minder makkelijk deel aan enquêtes dan hoger opgeleiden. Dit zien we ook duidelijk in de populaties van TOR’99 en APS’99. Ook de jongere leeftijdsgroepen blijken lichtjes oververtegenwoordigd, ten nadele van de ouderen. De geslachtsverdeling in de TOR’99-populatie daarentegen wijkt amper af van deze in de bevolking. De scheve verdelingen in de steekproef TOR’99 werden gecorrigeerd door middel van wegingscoëfficiënten voor geslacht, leeftijd en onderwijsniveau. De gebruikte wegingscoëfficiënten variëren van 0,36 (mannen ouder dan 55 jaar met een diploma van het lager middelbaar algemeen vormend onderwijs) tot 3,04 (vrouwen ouder dan 55 jaar die hoogstens het lager onderwijs voltooiden). De gedetailleerde steekproefprocedure wordt besproken in het technisch rapport van het tijdsbudgetonderzoek TOR’99 (Glorieux, Koelet et al. 2000). Naast de vertekening op het niveau van socio-demografische groepen, kan de zwaarte van het onderzoeksinstrument zich ook laten voelen in de ondervertegenwoordiging van bijvoorbeeld groepen die een grote tijdsschaarste ondervinden. Deze groepen vallen immers niet noodzakelijk samen met de in vorige tabel gehanteerde socio-demografische groepen. Gezien de vereiste tijdsinvestering bij de dagboekregistratie, vergt de medewerking aan dit onderzoek voor drukke mensen een grotere inspanning. Een drukke agenda vormt mogelijk een ernstige belemmering voor de deelname aan een zwaar onderzoek zoals het tijdsbudget. Ter toetsing van deze stelling operationaliseerden we een schaal voor tijdsdruk die in de vragenlijst werd bevraagd. Deze schaal werd geconstrueerd aan de hand van de antwoorden op de volgende uitspraken (van volledig akkoord tot volledig niet akkoord, in 5 antwoordcategorieën) en heeft een Cronbach’s α van 0,90:


Tijdsbesteding

163

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.

Er wordt teveel van mij verwacht Ik raak nooit bijgewerkt Ik heb nooit tijd voor mezelf Een dag heeft voor mij te weinig uren Ik moet dikwijls aangegane afspraken afzeggen Ik moet meer doen dan ik wil doen Ik heb geen tijd om dingen te doen die ik moet doen Er wordt meer van mij verwacht dan ik aankan Vaak kom ik in mijn vrijetijd niet toe aan dingen die ik eigenlijk wil doen Ik moet in mijn vrijetijd te vaak rekening houden met anderen Ik kan me moeilijk ontspannen in mijn vrijetijd Als ik vrij ben, zijn te veel vrijetijdsvoorzieningen gesloten Het kost me veel moeite mijn vrijetijdsactiviteiten te plannen Er zijn zoveel dingen die ik wil doen in mijn vrijetijd, dat ik heel vaak het gevoel heb tijd tekort te komen 15. Teveel van mijn vrijetijdsactiviteiten zijn versnipperd De schaal werd onderverdeeld in drie groepen (laag, midden, hoog) en voor iedere groep werd de gemiddelde wegingscoëfficient berekend. Mocht de groep met de hoogste tijdsdruk een significant hogere weging hebben dan diegenen met lagere tijdsdruk, dan zou de hypothese dat drukke mensen minder participeren bevestigd worden. Net als in het Nederlands responsonderzoek (van den Broeck, Knulst et al. 1999: 219) kan die hypothese worden ontkracht. Hun wegingscoëfficient ligt zelfs iets lager dan die van minder drukke groepen. Tabel 2: Gemiddelde wegingscoëfficiënt naar mate van tijdsdruk Gevoelens van tijdsdruk Laag (n=473) Midden (n=494) Hoog (n=488)

Gemiddelde wegingscoëfficient 1,08 0,98 0,95

De externe validiteit van de TOR’99-steekproef stemt met andere woorden tot tevredenheid. Het Vlaamse onderzoek legt een betere responsrate voor dan het Nederlandse tijdsbudgetonderzoek en de verdeling van socio-demografische groepen over de populatie sluit nauw aan bij de resultaten die andere Vlaamse surveyonderzoeken bekomen.

4. De tijdsbesteding van de Vlaming: een algemeen overzicht De tijd wordt soms beschouwd als één van de meest democratische schaarse goederen. Iedereen beschikt immers over 24 uren per dag en 168 uren per week. De vrijheidsgraden waarmee we met die beschikbare tijd omgaan zijn echter heel relatief en niet alleen een kwestie van persoonlijke voorkeuren en materiële beperkingen. De tijdsbesteding van mensen, maar ook onze preferenties en de condities van ons handelen, worden in belangrijke mate sociaal en cultureel beïnvloed. Wanneer we iets doen, hoelang iets duurt, de sekwentie waarin we de dingen doen en de regelmaat of het ritme van activiteiten zijn als dusdanig


164

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

ook een uitdrukking van sociale waarden, houdingen, attitudes, normen, rollenpatronen en machtsverhoudingen. Tijdsbestedingspatronen variëren dan ook tussen culturen en subculturen en verschillende categorieën van de bevolking. Dit alles maakt van de studie van de tijdsbesteding een uitstekend uitgangspunt om een zicht te krijgen op de maatschappelijke krachten en dynamieken. Eerder dan variaties in houdingen, opvattingen of waarden in de bevolking te bestuderen aan de hand van (contextloze) reacties op attitude-items, wordt in het tijdsbestedingonderzoek nagegaan hoe die variaties zich manifesteren in het concrete handelen van alledag. Het dagdagelijkse handelen in sociale contexten wordt dan opgevat als een uiting van persoonlijke voorkeuren, materiële condities, culturele patronen en sociale omstandigheden. Als knooppunt van al deze factoren proberen sociologen het handelen zoals dat in tijdsbudgetstudies geregistreerd wordt, te decoderen als een sociaal ‘teken’. Dat is uiteraard een heel complexe aangelegenheid, waarbij afzonderlijke analyses niet anders dan partieel kunnen zijn. De analyses die we in deze bijdrage presenteren blijven relatief eenvoudig en algemeen beschrijvend. Het is enkel de bedoeling een aantal algemene karakteristieken van de tijdsbesteding van de Vlaamse bevolking te beschrijven. We beperken ons hierbij tot de duur van activiteiten over een volle week (5 weekdagen, zaterdag en zondag). We proberen ook een overzicht te geven van een aantal sociale achtergrondskenmerken die de tijdsbesteding beïnvloeden. We gaan tenslotte ook iets dieper in op genderverschillen in de tijdsbesteding. Deze laatste analyses moeten een voorproefje bieden van de mogelijkheden van deelanalyses op onze tijdsbestedingsdata. In de meeste van onze beschrijvende analyses gebruiken we uiteraard niet de 154 gedetailleerde categorieëen van activiteiten die de respondenten gebruikten om hun handelen te registreren. Meestal gebruiken we een indeling van 37 types van activiteiten die nog eens samengebracht kunnen worden in 11 meer omvattende rubrieken. Deze 11 rubrieken refereren naar handelingssferen die de meeste mensen in onze samenleving als min of meer in tijd en ruimte afgebakende culturele eenheden herkennen.


Tijdsbesteding

165

Tabel 3: Activiteiten ingedeeld in 11 rubrieken Voorbeelden (niet exhaustief) 1. Loonarbeid

2. Huishoudelijk werk 3. Kinderverzorging & opvoeding 4. Persoonlijke verzorging

5. Slapen & rusten 6. Opleiding 7. Sociale participatie

8. Vrijetijd 9. Wachten 10. Verplaatsen 11. Rest

werken op de werkplaats, werken thuis, verplichtingen i.v.m. werkloosheid, solliciteren, pauzes op het werk, … koken, poetsen, wassen, … klusjes, tuinieren, boodschappen doen, … voeden, wassen, aankleden, voorlezen, helpen met huiswerk, spelletjes met kinderen, … eten en drinken, lichamelijke verzorging, zich aan- en uitkleden, zich wassen, professionele verzorging, … slapen, rusten, ontspannen, luieren, vrijen onderwijs, bijscholing, cursussen, vorming verenigingsleven, religieuze plechtigheden, vrijwilligerswerk, feest, bezoek, praten, telefoneren, … hobby, sport, spel, recreatie, cultuur, uitgaan, media, … wachten op bepaalde diensten, in de winkel, op iemand wachten, … woon-werk verplaatsingen, verplaatsingen i.v.m. huishouden, vrijetijd, … ongeregistreerde tijd, tijdsbestedingsdagboek bijhouden, …

Tabel 4 geeft weer hoeveel tijd Vlaamse mannen en vrouwen per week besteden aan de 11 onderscheiden activiteiten. Bij het interpreteren van deze gegevens moet men zich goed realiseren dat we hierbij (voorlopig) geen onderscheid maken tussen verschillende bevolkingscategorieën. De tabel heeft betrekking op alle Vlaamse mannen en vrouwen van 16 tot 75 jaar: hoog en laag geschoold, werkend en niet werkend, met kinderen en zonder kinderen, … De duur van activiteiten die we weergeven, hebben bovendien betrekking op alle respondenten in het onderzoek, of ze nu deelnamen aan een bepaalde categorie van activiteiten of niet. De gemiddelde werktijd bijvoorbeeld wordt berekend over alle respondenten, werkenden en niet-werkenden. Het beeld dat we op die manier krijgen van de tijdsbesteding van Vlamingen is dan ook heel synthetisch. Verder in de tekst proberen we dit beeld verder te nuanceren.


166

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

Tabel 4: De gemiddelde tijdsbesteding van mannen en vrouwen in 11 hoofdrubrieken (duur per respondent per week)

Loonarbeid** Huishoudelijk werk** Kinderverzorging & opvoeding** Persoonlijke verzorging Slapen en rusten** Opleiding Sociale participatie** Vrijetijd** Wachten Verplaatsen** Rest*

Mannen (N=753)

Vrouwen (N=743)

24:37 12:57 1:17 14:29 58:57 3:37 9:05 30:03 0:10 7:23 5:19

14:07 25:02 3:37 14:38 60:23 3:57 10:23 23:17 0:11 6:12 6:07

Statistische significantie van het verschil tussen mannen en vrouwen: * p<0,05; **p<0,01. Vlaamse mannen en vrouwen besteden veruit de meest tijd aan ‘slapen en rusten’. Ongeveer 60 uur per week, d.i. ongeveer 8u30’ per dag of 35% van de totaal beschikbare tijd, worden in bed doorgebracht. Vrouwen slapen bijna 1u30’ per week langer dan mannen. Als we ‘loonarbeid’, ‘huishoudelijk werk’ en ‘kinderverzorging en opvoeding’ samen als arbeid beschouwen, dan besteden vrouwen gemiddeld 42u46’ aan arbeid. Mannen werken bijna 4 uur per week minder, nl. 38u51’. Het werk is ook (nog altijd) erg ongelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen: vrouwen doen nog altijd het leeuwenaandeel van het huishoudelijk werk (gemiddeld 25 uur) en mannen besteden meer tijd aan loonarbeid (ook bijna 25 uur). De tijd die mannen aan huishoudelijk werk besteden (13 uur) is iets minder dan de tijd die vrouwen aan loonarbeid besteden (14 uur). Het is ook duidelijk dat vrouwen veel meer tijd besteden aan de kinderen (3u37’) dan mannen (1u17’). Vrouwen besteden ook ruim een uur meer tijd aan ‘sociale participatie’ dan mannen. Wanneer we die categorie van activiteiten verder indelen (zie tabel 5), dan zien we dat vrouwen vooral meer tijd spenderen aan ‘sociale contacten’, zoals op bezoek gaan en ontvangen of andere sociale gebeurtenissen als recepties, koffietafels, … Consistent met het cliché vinden we ook dat vrouwen meer tijd besteden aan praten (als hoofdactiviteit) en telefoneren.


Tijdsbesteding

167

Tabel 5: De gemiddelde tijdsbesteding van mannen en vrouwen aan een aantal activiteiten i.v.m. sociale participatie (duur per respondent per week)

Verenigingsleven* Sociale contacten** Babbelen/telefoneren**

Mannen (N=753)

Vrouwen (N=743)

1:36 7:29 1:14

1:10 9:13 1:43

Statistische significantie van het verschil tussen mannen en vrouwen: * p<0,05; **p<0,01. De tijd die Vlaamse vrouwen meer besteden aan slapen, arbeiden en socialiseren gaat ten koste van de ‘vrije tijd’. Mannen hebben 30 uur vrije tijd per week of 18% van de tijd, bij vrouwen is dat 7 uur minder of slechts 14% van de tijd. Wanneer we de vrije tijd verder indelen in een aantal categorieën, dan zien we geen enkele activiteit die vrouwen langer doen dan mannen (zie tabel 6). Bij zowel mannen als vrouwen gaat het leeuwenaandeel van de vrije tijd naar televisie en videokijken. Vlamingen zitten ongeveer 2 uur per dag voor de buis en hoewel mannen per week ruim een uur langer T.V.-kijken dan vrouwen, spenderen vrouwen er een groter aandeel van hun vrije tijd aan. Vrouwen gebruiken bijna 60% van hun vrije uren om televisie te kijken, bij mannen is dit net geen 50%. Alhoewel veel minder dan T.V.-kijken, gaat ook nog een aanzienlijk deel van de vrije tijd naar recreatie en uitgaan. Vlaamse mannen gaan per week gemiddeld 1u30’ langer uit dan Vlaamse vrouwen. Mannen blijken ook beduidend meer tijd te investeren in de nieuwe informatietechnologie dan vrouwen. De computer heeft de gedrukte teksten echter nog lang niet vervangen. Er wordt aanzienlijk meer gelezen dan gecomputerd in Vlaanderen en er wordt ook meer gelezen dan gesport. Tabel 6: De gemiddelde tijdsbesteding van mannen en vrouwen aan een aantal vrijetijdsactiviteiten (duur per respondent per week)

Hobbies en spelletjes** Sport** Recreatie** Uitgaan** Cultuurparticipatie* TV/Video* Muziek luisteren* Lezen** Informatica en communicatietechnologie**

Mannen (N=753)

Vrouwen (N=743)

2:00 1:16 3:11 3:35 1:08 14:20 0:47 2:37 1:06

1:24 0:31 2:19 2:01 0:53 13:14 0:27 1:58 0:25

Statistische significantie van het verschil tussen mannen en vrouwen: * p<0,05; **p<0,01.


168

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

Een aanzienlijk deel van de tijd wordt ook besteed aan ‘persoonlijke verzorging’. Vlamingen besteden hieraan ongeveer 14u30’ per week. Het is opvallend dat de tijd die mannen en vrouwen besteden aan persoonlijke verzorging statistisch niet betekenisvol verschilt. Onder persoonlijke verzorging rekenen we niet alleen de tijd die in de badkamer doorgebracht wordt, ook de medische verzorging en eten worden hier bijgeteld. Wanneer de tijdsbesteding gedetailleerder wordt bekeken dan blijkt dat vrouwen per week drie kwartier langer in de badkamer doorbrengen, mannen besteden die drie kwartier langer aan tafel. Tabel 7: De gemiddelde tijdsbesteding van mannen en vrouwen aan een aantal activiteiten i.v.m.Persoonlijke verzorging (duur per respondent per week)

Eten** Persoonlijke verzorging** Medische verzorging

Mannen (N=753)

Vrouwen (N=743)

8:52 4:51 0:45

8:17 5:34 0:46

Statistische significantie van het verschil tussen mannen en vrouwen: * p<0,05; **p<0,01. Ook die tijd die gaat naar ‘verplaatsingen’ is geslachtsgebonden. Mannen zijn ruim één uur per week langer onderweg dan vrouwen. Dat klopt niet alleen met het traditionele beeld van de vrouw die meer tijd thuis doorbrengt, bovendien blijkt dat het soort verplaatsingen van mannen en vrouwen ook nog eens beantwoordt aan de traditionele rollenpatronen. Vrouwen besteden minder tijd aan verplaatsingen tussen woning en werk, maar wel betekenisvol meer tijd aan verplaatsingen voor kinderen en voor het huishouden. Tabel 8: De gemiddelde tijdsbesteding van mannen en vrouwen aan verschillende soorten van verplaatsingen (duur per respondent per week)

Vervoer van en naar werk** Verplaatsing voor vrijetijd Verplaatsing voor huishouden** Verplaatsing voor kinderen* Verplaatsing van en naar familie Andere verplaatsingen

Mannen (N=753)

Vrouwen (N=743)

2:48 1:32 0:28 0:24 0:44 1:24

1:32 1:12 0:34 0:51 0:46 1:13

Statistische significantie van het verschil tussen mannen en vrouwen: * p<0,05; **p<0,01. Het is opvallend hoe de tijdsbesteding van Vlaamse mannen en vrouwen (nog altijd) verschilt. De Nederlandse longitudionale tijdsbudgetdata wijzen uit dat de mannelijke en vrouwelijke tijdbesteding de laatste jaren naar elkaar toe gegroeid zijn. Naarmate de vrouwelijke arbeidsmarktparticipatie toenam, wordt de huishoudelijke werklast beter verdeeld over de


Tijdsbesteding

169

geslachten (de Hart 1995). Een dergelijke trend kan met deze momentopname moeilijk worden vastgesteld. We constateren echter wel dat er nog altijd erg grote verschillen bestaan tussen een vrouwelijk en een mannelijk activiteitenpatroon. Van de elf activiteitengroepen die we onderscheiden, zijn er slechts drie waarvoor we geen statistisch betekenisvol verschil zien tussen mannen en vrouwen: persoonlijke verzorging, wachten en de tijd die gaat naar ‘opleidingen’. Verder in deze bijdrage gaan we dieper in op de geslachtsverschillen in de tijdsbesteding. In de volgende paragraaf bekijken we echter eerst, naast geslacht, een aantal andere sociale karakteristieken die de tijdsbesteding beïnvloeden.

5. Determinanten van de tijdsbesteding Bestaat er een verband tussen het opleidingsniveau van iemand en de hoeveelheid tijd die besteed wordt aan sociale participatie? Brengen deeltijds werkende ouders veel meer tijd door met hun kinderen dan voltijds werkende ouders? Is het hebben van kinderen een grote last op de vrije tijd? Welke categorieën van de bevolking zijn veel onderweg? Om dergelijke vragen te beantwoorden zijn de hierboven gepresenteerde analyses natuurlijk te algemeen. Ze bieden als dusdanig geen inzicht in hoe bepaalde bevolkingscategorieën van elkaar verschillen in de manier waarop ze hun tijd besteden. Zo is het best mogelijk dat de vaststelling dat mannen meer vrije tijd hebben dan vrouwen grotendeels toe te schrijven is aan de oudere mannen die omwille van hun pensionering en een geringe bijdrage tot het huishoudelijke werk over veel vrije tijd beschikken. Het is ook mogelijk dat de duidelijke roldifferentiatie in de verdeling van het werk tussen mannen en vrouwen, nauwelijks nog voorkomt bij de jongere leeftijdscategorieën in onze onderzoekspopulatie. Elk van de bovengestelde vragen en problemen zou uiteraard het voorwerp kunnen zijn van diepgaande analyses. Met onze tijdsbudgetgegevens kunnen we echter ook op een vrij eenvoudige manier een algemeen beeld schetsen van de verschillen in tijdsbesteding tussen bevolkingsgroepen. Dit doen we door middel van variantie-analyse (ANOVA). Variantieanalyse laat ons toe om het effect van verschillende achtergrondvariabelen op de duur van een bepaalde activiteit te analyseren. Multiple Classification Analysis (MCA), een optie binnen het ANOVA-programma, laat ons bovendien toe om de verschillen tussen bevolkingscategorieën nauwkeurig in kaart te brengen, telkens gecontroleerd voor de andere variabelen in het statistisch model. We hebben MCA-analyses uitgevoerd voor de duur van de 11 verschillende activiteitencategorieën die we hierboven reeds hebben onderscheiden. Voor deze analyses hebben we telkens vijf achtergrondkenmerken ingevoerd: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, werksituatie en kinderlast4. Door in de verschillende modellen telkens gebruik te maken van dezelfde onafhankelijke variabelen, worden ze beter onderling vergelijkbaar. De vergelijkingen die we in deze modellen maken – bv. tijdsbesteding naar leeftijd – worden telkens gecontroleerd voor de vier andere achtergrondvariabelen in het model. Op die manier neutraliseren we onze vergelijkingen voor de verschillende achtergrondvariabelen. Wanneer we dan bijvoorbeeld het verschil in tijdsbesteding tussen mannen en vrouwen bekijken, dan vergelijken we mannen en vrouwen alsof ze allemaal dezelfde leeftijd zouden 4. Omdat een aantal van de variabelen in onze modellen - zoals het opleidingsniveau, het al dan niet hebben van kinderen of de werksituatie – weinig betekenis hebben voor de meeste studenten in onze steekproef, hebben we de analyses uitgevoerd zonder de studenten. Dit brengt ook mee dat de minimumleeftijd van de respondenten in deze analyses 18 jaar is.


170

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

hebben, dezelfde opleiding genoten hebben, in dezelfde werksituatie zitten en kinderen zouden hebben van dezelfde leeftijd. Het feit dat bijvoorbeeld meer vrouwen deeltijds of helemaal niet werken, dan mannen, heeft dan geen invloed meer op het verschil in aantal werkuren tussen mannen en vrouwen. De resultaten van de analyse worden samengevat in tabel 9. Voor de gecontroleerde genderverschillen in de tijdsbesteding vinden we dezelfde tendensen terug als in de analyses van de in de vorige paragraaf voorgestelde bruto-gegevens (d.i. ongecontroleerd voor leeftijd, opleiding, arbeidssituatie en kinderlast). Gecontroleerd voor leeftijd, opleidingsniveau en arbeidssituatie, zien we evenwel dat het verschil tussen mannen en vrouwen voor de tijd die naar loonarbeid gaat minder groot wordt. Dit is ook logisch vermits meer mannen voltijds werken dan vrouwen en het statistisch model hierop controleert. Dit betekent dat we de werktijden bekijken van mannen en vrouwen, alsof ze allemaal in een gelijke arbeidssituatie zouden zitten. Deze statistische ingreep reduceert de arbeidstijd van de overwegend voltijds werkende mannen en verhoogt de werktijd van de vrouwen die in grotere mate deeltijds of niet werken. Na deze statistische controle voor de achtergrondvariabelen zien we evenwel nog altijd dat mannen 3u17’ meer aan betaalde arbeid besteden dan vrouwen. Dat verschil kunnen we als een netto genderverschil beschouwen. In eenzelfde soort arbeidsmarktsituatie, besteden vrouwen van dezelfde leeftijdsklasse met eenzelfde kinderlast en opleidingsniveau, gemiddeld 3u17’ minder aan loonarbeid dan mannen. Het verschil in de tijd die naar huishoudelijk werk gaat blijft, ook na controle, aanzienlijk. Vrouwen besteden 10u35’ meer aan huishoudelijk werk dan mannen. Ook het verschil tussen mannen en vrouwen in de tijd die ze aan kinderen besteden is een puur geslachtsverschil dat zich handhaaft na controle op de andere variabelen. Hetzelfde geldt voor de verschillen die we vonden in de vrije tijd en in de tijd die naar verplaatsingen gaat. Mannen besteden betekenisvol meer tijd aan deze activiteiten, ook na controle op een aantal achtergrondvariabelen. De leeftijdscategorie tussen 26 en 40 jaar wordt in de literatuur vaak aangeduid als de ‘drukke leeftijd’. Dit is namelijk de leeftijd waarop men een nieuw gezin start, kleine kinderen heeft en werkt aan de uitbouw van een carrière. De combinatie van deze belangrijke taken zorgt voor heel wat drukte en een grote werklast op die leeftijd. Wanneer we echter het hebben van kinderen en de werksituatie constant houden, wordt het fenomeen van de drukke leeftijd ‘wegverklaard’. De werklast (wanneer we de categorieën ‘betaalde arbeid’, ‘huishoudelijk werk’ en ‘kinderzorg’ optellen) van mensen met hetzelfde aantal kinderen en in dezelfde werksituatie, is het grootst in de oudste leeftijdsgroep (56 tot 75 jaar), gevolgd door de leeftijdsgroep die goed aansluit bij wat men de ‘drukke leeftijd’ noemt (26 tot 40 jaar). De jongste leeftijdsgroep (- 25 jaar) heeft de minste arbeidslast. Tussen de ‘minst drukke’ en de ‘meest drukke’ groep is er een verschil van bijna 6 uur per week. Bekijkt men de drie activiteitencategorieën afzonderlijk dan blijkt dat de zwaardere arbeidslast van de ouderen vooral toe te schrijven is aan het huishoudelijke werk. Als we alle andere variabelen constant houden, dan stellen we vast dat ouder worden gepaard gaat met een toename van de tijd die besteed wordt aan huishoudelijk werk. De loonarbeid weegt het zwaarst bij de leeftijdsgroep van 26 tot 40 jarigen en neemt geleidelijk af in de leeftijdscategorieën boven de 40 jaar. We vinden dezelfde tendens voor kinderzorg.


Geen Deeltijds Voltijds

Kinderen Geen < 7 jaar of = 7 jaar

Arbeidssituatie

658 196 408

489 153 620

234 234 78 274 132 311

94 421 387 360

18-25 26-40 41-55 56-75

Leeftijd

Opleiding geen/LO LSO (b/tso) LSO (aso) HSO (b/tso) HSO (aso) HOBU/UNIV

644 618

Man Vrouw

N

Geslacht

Iedereen (zonder studenten)

* p<0.05 ** p<0.01

2:08 2:20 2:19 2:24 2:54 3:00 3:57 1:59 1:33 (**) 0:48 9:29 2:00 (**)

20:10 22:46 20:49 20:58 19:15 18:31 (**)

25:02 21:00 16:31 (**)

17:46 21:57 23:47 (**)

20:27 20:59 20:16 21:48 20:22 21:57

2:55 22:04 35:24 (**)

21:46 19:15 21:12

1:47 3:20 (**) 2:36 3:22 2:14 1:52 (**)

20:22

15:11 25:46 (**) 14:20 18:44 20:26 23:46 (**)

21:11

22:48 19:31 (**) 22:14 22:40 21:06 19:18 (*)

2:32

Bet. Huish. Opvoed. & Arbeid Werk kinderzorg

14:25 15:02 14:52

15:14 14:11 14:20

14:44 14:33 14:24 14:53 14:35 14:37

13:09 14:00 14:28 16:03 (**)

14:47 14:32

14:40

Pers Verzorg.

60:06 58:20 58:35 (*)

61:52 58:32 57:32 (**)

60:49 59:22 59:43 59:25 58:14 58:30

61:02 59:49 58:09 59:37 (*)

59:09 59:31

59:20

0:55 0:21 1:05 (*)

1:13 0:23 0:45 (*)

0:15 0:23 0:44 0:50 1:09 1:43 (**)

1:33 1:03 0:54 0:30

0:54 0:52

0:53

10:29 8:54 9:05 (**)

11:16 9:55 8:35 (**)

8:45 9:12 8:51 9:43 11:07 10:46 (**)

9:15 9:22 9:42 10:32

9:26 10:10

9:47

28:51 21:17 25:39 (**)

33:18 25:14 21:44 (**)

26:55 27:36 28:25 26:12 26:24 25:45

30:55 22:11 (**) 29:01 25:58 26:49 26:37

26:38

Slapen Oplei- Sociale Vrije ding Particip. Tijd

0:09 0:11 0:07

0:12 0:09 0:06 (*)

0:08 0:07 0:07 0:07 0:10 0:13

0:11 0:11 0:13 0:02 (**)

0:09 0:08

0:09

Wachten

6:44 7:07 6:40

6:30 7:01 6:56

6:01 5:47 5:43 6:22 7:38 8:20 (**)

7:21 6:11 (**) 8:05 7:24 7:01 5:26 (**)

6:46

5:54 6:01 4:52

6:23 7:27 4:29 (**)

7:36 4:50 6:32 5:11 6:06 4:32 (**)

6:30 5:23 6:52 4:12 (**)

5:27 5:43

5:35

VerOverige plaatsen

Tabel 9: Duur per week van 11 activiteiten, gecontroleerd voor geslacht, leeftijd, opleiding, arbeidsmarktparticipatie en kinderlast (MCAanalyse)

Tijdsbesteding 171


172

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

Naarmate men ouder wordt neemt de tijd die men nodig heeft voor persoonlijke verzorging geleidelijk toe. Tot 55 jaar zien we ook een geleidelijke afname van de tijd die men in bed doorbrengt, de 55-plussers gaan echter weer langer slapen. Naarmate men ouder wordt, gaat men zich ook minder verplaatsen. Vooral bij 55-plussers is er een drastische afname in de verplaatsingstijd. Het is opmerkelijk vast te stellen dat het opleidingsniveau5 op zich geen betekenisvol effect heeft op de tijd die aan betaalde arbeid wordt besteed. Het opleidingsniveau is wel van belang voor het huishoudelijk werk. Als we de andere variabelen in het model constant houden (dus ook geslacht), dan zien we duidelijk dat hoger opgeleiden minder tijd besteden aan huishoudelijk werk. Het zijn vooral personen die hoogstens het lager secundair beroeps of technisch onderwijs voltooiden die veel tijd besteden in het huishouden. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe meer tijd men besteedt aan opleidingen en bijscholing. Hoger opgeleiden besteden ook de meeste tijd aan sociale participatie. Zij die hoger onderwijs volgden, besteden minstens 1 uur per week meer aan sociale participatie dan de andere groepen. De tijd die men doorbrengt met het verrichten van loonarbeid, kan men uiteraard niet besteden aan andere activiteiten en dat zien we ook duidelijk als we de tijdsbesteding vergelijken van niet-werkenden, deeltijds werkenden en voltijds werkenden. Zo besteden niet-werkenden duidelijk het meeste tijd aan huishoudelijk werk, voltijds werkenden het minst. Toch kunnen we zeker niet spreken van een compensatie tussen huishoudelijk werk en loonarbeid. Nemen we de betaalde en de huishoudelijke arbeid samen, dan zijn de niet-werkenden gedurende ongeveer 28u per week aan deze beide activiteiten kwijt, de deeltijdsen 43u per week en de voltijdsen 52u per week. Dit verschil van 15 tot 24u per week tussen de niet-werkenden en respectievelijk de deeltijds werkenden en voltijds werkenden wordt gecompenseerd in de overige activiteitencategorieën. Niet-werkenden zijn meer actief bezig met hun kinderen dan deeltijdse en voltijdse werkers. Zij besteden ongeveer 4u per week aan het opvoeden en verzorgen van hun kinderen. Als men deeltijds gaat werken halveert dit tot ongeveer 2u, en bij voltijds werkenden tot ongeveer 1u30’. Dit lijkt erg weinig maar dit zijn cijfers over de hele bevolking en niet alleen m.b.t. die diegenen die effectief kinderen hebben. Nietwerkenden kunnen ook langer slapen dan deeltijdsen, en deeltijdsen kunnen dan weer langer slapen dan voltijdsen. Op één week bedraagt het verschil tussen de eerste en de laatste groep zelfs meer dan 4u. Niet-werkenden gaan ook meer naar school of volgen ook eerder cursussen dan de andere twee groepen (alhoewel scholieren en studenten uit de analyse werden gelaten!). Het is ook interessant op te merken dat voltijdsen meer tijd besteden aan opleidingen dan deeltijds werkenden en dit terwijl er o.m. gecontroleerd is voor het opleidingsniveau. Ook bij de categorieën sociale participatie, vrije tijd en wachten zien we een daling van de duur naarmate men meer werkt. Kinderen betekenen een zware druk op de tijdsbesteding, vooral als ze klein zijn. Dat blijkt alvast als we de invloed van de kinderlast op de tijdsbesteding bekijken. We hebben de kin-

5. LO = Lager onderwijs LSO (b/tso) = Lager Secundair Onderwijs (beroeps- en technisch secundair onderwijs) LSO (aso) = Lager Secundair Onderwijs (algemeen secundair onderwijs) HSO (b/tso) = Hoger Secundair Onderwijs (beroeps- en technisch secundair onderwijs) HSO (aso) = Hoger Secundair Onderwijs (algemeen secundair onderwijs) HOBU/UNIV = Hoger Universitair Onderwijs Buiten de Universiteit en Universiteit


Tijdsbesteding

173

derlast onderverdeeld in drie groepen: respondenten met inwonende kinderen onder de 7 jaar, met inwonende kinderen van 7 jaar of ouder en respondenten zonder inwonende kinderen. Het is evident dat de kinderlast zich laat voelen in de tijd die gaat naar kinderzorg. Mensen zonder inwonende kinderen, besteden gemiddeld toch nog 48 minuten per week aan de opvoeding en verzorging van (hun) (klein)kinderen. Ouders met inwonende kinderen van zeven of ouder spenderen gemiddeld 2u per week aan de opvoeding en verzorging van hun kinderen, wat in verhouding eigenlijk niet zo veel meer is. Ouders van nog jonge inwonende kinderen daarentegen besteden bijna 5 maal zoveel tijd per week aan hun kinderen dan ouders zonder kinderen, namelijk 9u29’. De tijd die gaat naar de zorg voor de kinderen gaat duidelijk ten koste andere activiteiten, zoals slapen, school en cursussen, sociale participatie en vrije tijd. Vooral bij deze laatste activiteitencategorie is het verschil met de andere groepen erg groot. Ouders met inwonende kinderen hebben minder vrije tijd en vooral jonge kinderen in het gezin leggen een beslag op de vrije tijd. Ouders met kinderen onder de 7 jaar hebben ongeveer 7u30’ minder vrije tijd per week dan ouders zonder kinderen. Kinderen brengen nogal vanzelfsprekend ook meer huishoudelijk werk met zich mee. Opvallend is wel dat ouders met jonge kinderen iets minder huishoudelijk werk verrichten dan ouders van oudere kinderen. Wellicht wordt de tijdsdruk in gezinnen met jonge kinderen zo groot dat men een aantal huishoudelijke taken minder ter harte neemt.

6. Over het verschil tussen mannen en vrouwen De tijd van de vrouw aan de haard en de man aan het werk, behoort – gelukkig volgens de meesten en jammer volgens enkelen – tot het verleden. Vrouwen specialiseren zich tegenwoordig wel eens in wat anders dan de zorg voor kinderen en huishouden (van den Broeck 1999). Uit ons algemeen overzicht in de vorige secties blijkt echter duidelijk dat de geslachtsgebonden rollenpatronen helemaal niet tot het verleden behoren. Ondanks de steeds toegenomen arbeidsmarktparticipatie van vrouwen in de naoorlogse periode zien we bijvoorbeeld toch nog altijd dat vrouwen het gros van het huishoudelijke werk en de kinderzorg op zich nemen. Het beeld dat we tot hiertoe presenteerden was echter nogal synthetisch. We bekeken eerst hoe de tijdsbesteding van Vlaamse vrouwen verschilt van die van Vlaamse mannen, zonder verdere onderverdeling naar leeftijd, gezinssituatie, sociale achtergrond, enz. Daarna analyseerden we, nogal klinisch, geslachtsverschillen in de tijdsbesteding, door te controleren op een aantal achtergrondvariabelen. Uit beide analyses bleek dat de tijdsbesteding van mannen en vrouwen voor een groot aantal activiteiten betekenisvol van elkaar verschilt. In de volgende secties bekijken we de genderverschillen in tijdsbesteding in iets meer detail. Voor bepaalde aspecten kunnen we bovendien nagaan of de genderverschillen in tijdsbesteding het laatste decennium zijn afgenomen. We beschikken immers over vergelijkbare tijdsbudgetgegevens uit 1988 van 20 tot 40 jarigen (TOR’88). Om de verschillen in tijdsbestedingspatronen te onderzoeken, maken we gebruik van discriminantanalyse. Met deze techniek kan nagegaan worden hoe goed we mannen van vrouwen kunnen onderscheiden aan de hand van de wijze waarop ze hun tijd besteden. Door na te gaan hoe goed we iemands geslacht kunnen voorspellen op basis van zijn of haar tijdsbestedingspatroon krijgen we inzicht in de mate waarin mannen en vrouwen een verschillende tijdsbesteding hebben. Indien we op goed geluk voorspellen of iemand een man of een vrouw is, dan hebben we 50% kans goed te raden. De mate waarin deze toevallige gok ver-


174

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

betert als we over informatie beschikken over de tijdsbesteding geeft aan in welke mate de tijdsbesteding samenhangt met het geslacht van iemand. Indien er absoluut geen verband bestaat tussen geslacht en tijdbesteding dan zal onze kans op een juiste voorspelling uiteraard dezelfde zijn als bij een pure gok zonder voorkennis, nl. 50%. Voor de discriminantanalyse gebruiken we de tijd die de respondenten per week besteden aan de 37 activiteiten in onze meer gedetailleerde indeling. Als we geslacht proberen te voorspellen aan de hand van de tijdsbestedinggegevens, klasseren we 84% van de respondenten juist6. Van de mannen wordt 87% juist gerangschikt, van de vrouwen 81%. De activiteiten van de twee geslachten verschillen dus heel sterk van elkaar: op basis van de wekelijkse tijdsbesteding kunnen we voor meer dan 4/5 van onze steekproef correct voorspellen of het een man of een vrouw is. De discriminantanalyse geeft bovendien aan welke activiteiten aanleiding geven tot de grootste verschillen tussen mannen en vrouwen. In tabel 10 worden, in volgorde van belangrijkheid, de 5 belangrijkste activiteiten weergegeven waarop mannen en vrouwen onderling van elkaar verschillen. Tabel 10: Correlatiecoëfficiënten tussen de tijd besteed aan activiteiten en de ‘discriminerende functie’ (N=1.496) Mannen (doen meer)

Klusjes Betaalde arbeid

Maat van Discriminatiekracht 0.762 0.274 0.273 0.273 0.241

Vrouwen (doen meer) Huishoudelijk werk Boodschappen

Kinderverzorging

Uit de mate van discriminatiekracht – de correlatie tussen de onderscheiden activiteit en de zgn. ‘discriminerende functie’ – blijkt dat vooral de eerste activiteit, huishoudelijk werk, van groot belang is om mannen en vrouwen te onderscheiden. Het valt ook onmiddellijk op hoe traditioneel de verschillen blijven inzake de activiteiten die mannen en vrouwen uitvoeren. Vrouwen doen meer huishoudelijk werk, inkopen en kinderzorg, terwijl mannen de klusjes voor hun rekening nemen en meer tijd besteden aan loonarbeid. Wanneer men de discriminantanalyse nog eens uitvoert, maar nu enkel met de vijf activiteiten uit tabel 10 dan klasseert men nog altijd 84% van de personen juist naar geslacht. Voor mannen is de predictiekracht nu zelfs nog iets hoger, namelijk 88%, voor vrouwen zakt het percentage correcte voorspellingen naar 74%. Hieruit blijkt dat we met deze 5 activiteiten toch wel grotendeels het verschil tussen mannen en vrouwen vatten. Verschillen in de overige activiteiten dragen daar nog weinig aan bij. Tenslotte werd de discriminantanalyse ook nog eens herhaald met enkel ‘huishoudelijk werk’. Met als enige voorkennis de tijd die per week besteed wordt aan huishoudelijk werk, voorspellen we nog voor 79% van onze respondenten het geslacht correct (85% bij de mannen, 73% bij de vrouwen).

6. Willks’ Lambda= 0.51 – Canonische correlatie= 0.70. De canonische correlatie is significant verschillend van 0 (p<0.05).


Tijdsbesteding

175

We kunnen gerust besluiten dat Vlaamse mannen en vrouwen nog altijd een sterk gedifferentieerd activiteitenpatroon hebben. Bovendien maakt onze analyse duidelijk dat het verschil nog altijd beantwoordt aan het traditionele rolpatroon. Met een eenvoudig en ruw gegeven als de tijd die men besteedt aan huishoudelijk werk, weten we in 4/5 van de gevallen of het om een man of een vrouw gaat. Om de trend van ontspecialisering na te gaan, waar vooral in Nederland de nadruk op wordt gelegd, moet het genderverschil vergeleken worden met vroegere gegevens. We kunnen dit doen omdat we over vergelijkbare data beschikken van de tijdsbudgetenquête van 1988. In het artikel ‘Over de verdeling van het werk’ (Elchardus, Glorieux 1994) werd op basis van de gegevens van 1988 een gelijkaardige discriminantanalyse uitgevoerd voor de Vlaamse bevolking van 20 tot 40 jaar. De onderscheidingskracht van het activiteitenpatroon bedroeg toen 79% (84% voor de mannen en 74% voor de vrouwen)7. Indien de discriminantanalyse op de gegevens van 1999 wordt beperkt tot enkel de leeftijd van 20-40 jaar, dan vinden we een hogere onderscheidingskracht terug dan in 1988, namelijk 84% (87% voor de mannen en 82% voor de vrouwen)7. Er kan dus niet besloten worden dat er sprake is van ontspecialisering in de laatste 10 jaar. De discrimantanalyse bij de 20 tot 40 jarigen maakt meteen ook duidelijk dat de traditionele rollenpatronen zich in even grote mate manifesteren bij de relatief jongere generatie als in de totale steekproef van 16 tot 75jarigen.

7. Rollenpatronen in Vlaanderen: een traditie die stand houdt In de vorige paragraaf hebben we kunnen vaststellen dat de activiteitenpatronen van mannen en vrouwen nog altijd sterk van elkaar verschillen. Bovendien constateerden we dat de belangrijkste verschillen te maken hebben met activiteiten uit de arbeidssfeer: huishoudelijk werk, betaalde arbeid en kinderzorg. Hieronder bekijken we in iets meer detail hoeveel tijd mannen en vrouwen aan deze drie vormen van arbeid besteden en in het algemeen hoe hoog de werklast van mannen en vrouwen is, als we de tijd die besteed wordt aan deze drie categorieën van activiteiten optellen. We vergelijken hiervoor opnieuw de bredere activiteitencategorieën loonarbeid, huishoudelijk werk en verzorging en opvoeding van kinderen, inclusief de verplaatsingen die in het kader van deze activiteiten gemaakt worden (zie tabel 11). Tabel 11: Tijd besteeed aan loonarbeid, huishoudelijk werk en opvoeding & verzorging van kinderen per week8

man (N=753) vrouw (N=743)

loonarbeid

huishoudelijk werk

kinderzorg & opvoeding

totaal

27:25 15:40

13:26 25:37

1:42 4:28

42:33 45:46

7. Enkel voor de werkweek. 8. Deze tabel verschilt van de ongecontroleerde waarden uit de anova’s vermits hier de studenten wel zijn opgenomen en vermits bij de drie activiteitencategorieën ook de tijd is opgenomen die men besteedt aan ‘onderweg zijn’ in functie van deze activiteiten.


Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

176

Mannen besteden per week ongeveer 12u meer aan loonarbeid dan vrouwen en vrouwen besteden omgekeerd ongeveer 12u per week meer aan huishoudelijk werk dan mannen. Dat zijn grote verschillen, maar ze zorgen ervoor dat het verschil in de totale werklast van mannen en vrouwen relatief klein is. Uit de MCA-analyse waarover we hierboven rapporteerden (zie tabel 9), kwam echter een ander beeld naar voren: de vele uren die vrouwen extra besteden aan huishoudelijk werk, werden er niet gecompenseerd door het aantal uren die mannen meer aan loonarbeid besteden. In die analyse werd echter (onder andere) gecontroleerd voor de mate van arbeidsmarktparticipatie (niet werkend, deeltijds werkend of voltijds werkend). Bij de interpretatie van gegevens in tabel 11 moet men er rekening mee houden dat meer mannen voltijds werken dan vrouwen. In tabel 12 geven we de tijd die aan verschillende vormen van arbeid besteed wordt afzonderlijk voor niet-werkende vrouwen en mannen, deeltijds werkende vrouwen en mannen en voltijds werkende vrouwen en mannen. Tabel 12: Tijd besteed aan loonarbeid, huishoudelijk werk en opvoeding & verzorging van kinderen per week, naar geslacht en arbeidsmarktsituatie N

Voltijds werkende man Voltijds werkende vrouw Deeltijds werkende man Deeltijds werkende vrouw Niet-werkende man Niet-werkende vrouw

451 201 20 150 281 387

loonarbeid

huishoudelijk werk

41:59 37:12 31:25 22:27 3:36 1:48

12:13 18:49 10:53 27:59 15:38 28:11

kinderzorg totaal & opvoeding 2:06 3:47 1:29 5:23 1:03 4:29

56:19 59:48 43:47 55:50 20:18 34:29

Uit tabel 12 blijkt dat de totale werklast van voltijds werkende vrouwen iets hoger is dan die van voltijds werkende mannen. Voltijds werkende mannen besteden bijna vijf uur meer aan loonarbeid dan voltijds werkende vrouwen, terwijl voltijds werkende vrouwen meer dan acht uur meer besteden aan huishoudelijk werk en kinderzorg dan voltijds werkende mannen. Het verschil in totale werklast tussen voltijds werkende mannen en vrouwen is dan gelijk aan ongeveer 3u30’ per week. Bij de deeltijds werkende mannen en vrouwen is het verschil in werklast groter. De werklast van deeltijds werkende vrouwen ligt 12u hoger dan die van de deeltijds werkende mannen. Bij deze vergelijking van deeltijdsen moeten we weliswaar voorzichtig zijn, vermits we slechts 20 deeltijds werkende mannen in onze steekproef hebben. Toch volgt dit verschil de trend die zich voortzet bij de niet-werkende mannen en vrouwen. Bij niet-werkende mannen en vrouwen loopt het verschil in werklast op tot meer dan 14 uur. Tabel 12 maakt duidelijk dat de werklast van mannen bijna uitsluitend afhangt van de mate van arbeidsmarktparticipatie. De tijd die besteed wordt aan loonarbeid, beïnvloedt niet of nauwelijks de hoeveelheid tijd die er besteed wordt aan huishoudelijk werk of kinderzorg. Bij vrouwen daarentegen zien we dat de tijd die besteed wordt aan de verschillende vormen van arbeid elkaar wel beïnvloeden: een vermindering van de arbeidsmarktparticipatie gaat gepaard met een grote toename van de tijd die besteed wordt in het huishouden en aan de kinderen, en omgekeerd. De vaststellingen uit tabel 12 bevestigen het beeld dat de traditionele rollenpatronen nog altijd overheersen in Vlaanderen. Wanneer we deze analyse nog eens overdoen, maar dan


Tijdsbesteding

177

beperkt voor de leeftijd van 20 tot 40 jaar (en zonder studenten en arbeidsongeschikten), dan kunnen we de gegevens voor 1999 vergelijken met tijdsbudgetgegevens van 1988 (Elchardus, Glorieux 1994: 136). Deze vergelijking laat ons toe na te gaan of zich bij de jongere generatie van 20 tot 40-jarigen een afbrokkeling van de traditionele rollenpatronen aankondigt. Tabel 13: Vergelijking 1988 - 1999 van de tijd besteeed aan loonarbeid, huishoudelijk werk en opvoeding & verzorging van kinderen per week, voor 20-40 jarigen loonarbeid

voltijds werkende man

‘88 41:51 ‘99 42:07

huishoud. werk

kinderzorg totaal & opvoeding

11:56 10:55

2:19 3:03

+ 0:16

+ 0:44

56:06 56:06 + 0:00

+ 2:10

56:25 59:46 + 3:21

+ 6:33

+ 2:28

54:08 56:44 + 2:36

- 1:45

11:12 14:56 + 3:44

47:09 48:30 + 1:21

- 1:01

voltijds werkende vrouw ‘88 33u58 19:42 ‘99 37:37 17:13 + 3:39 - 2:29

2:45 4:55

deeltijds werkende vrouw ‘88 28:37 ‘99 22:10

5:40 8:08

19:51 26:24 - 6:27

niet-werkende vrouw

‘88 4:18 ‘99 3:39

31:39 29:54 - 0:39

Tegenover de gegevens uit 1988, is het verschil in werklast tussen voltijds werkende mannen en voltijds werkende vrouwen toegenomen. Het in 1999 vastgestelde verschil van 3u30’ tussen de werklast van voltijds werkende mannen en vrouwen, is volledig toe te schrijven aan de stijgende werklast van de vrouw in de jaren ‘90. De werklast van voltijds werkende mannen is constant gebleven. Tabel 13 geeft ook duidelijk aan dat de werklast van de vrouwen in Vlaanderen, ongeacht de werksituatie, is toegenomen. Opvallend is ook de stijgende hoeveelheid tijd die aan kinderzorg, d.i. het opvoeden en verzorgen van kinderen, wordt besteed, zowel bij mannen als bij vrouwen. Dit is consistent met bevindingen uit tijdsbudgetgegevens in Nederland (van den Broeck, Knulst et al. 1999: 173). Opmerkelijk is ook dat deeltijds werkende vrouwen 6u30’ loonarbeid hebben ingeleverd voor huishoudelijk werk, terwijl bij voltijds werkende vrouwen de tijd die besteed wordt aan het werk buitenshuis is toegenomen, ten koste van het huishoudelijk werk. Het lijkt er sterk op dat er zich in de loop van de jaren ‘90 een differentiatie voordoet onder vrouwen: voltijds werkende vrouwen zijn meer op hun werk buitenshuis geconcentreerd en minder op het huishoudelijk werk, terwijl we bij deeltijdsen het omgekeerde zien. Deeltijds werkende vrouwen werken minder uren buitenshuis, maar doen meer huishoudelijk werk dan 10 jaar geleden. Dat zou er kunnen op wijzen dat een voltijdse baan in 1999 moeilijker te combineren is met een zware gezinslast dan in 1988. In ieder geval zien we bij de drie categorieën vrouwen, en vooral bij de voltijds


178

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

werkende vrouwen, een toename van de werklast. Op mannen moeten vrouwen in ieder geval niet rekenen: de ‘nieuwe’ man besteedt niet minder tijd aan zijn job, hij ‘onthaast’ alleen in het huishouden. Alleen de kinderen krijgen iets meer aandacht van mannen, maar deze tendens zien we in nog veel sterkere mate bij de vrouwen.

8. Drukke gezinnen In de berekeningen van de totale werklast van mannen en vrouwen in tabel 13, houden we geen rekening met het gezinstype. De negatieve samenhang tussen het aantal uren werk buitenshuis en het aantal uren huishoudelijk werk bij vrouwen, suggereert echter dat de gezinssituatie vooral bij hen een belangrijke impact heeft op de totale werklast. Om hier een beter zicht op te krijgen, hebben we de respondenten ingedeeld naar geslacht, werksituatie (werkend of niet) en de werksituatie van de partner (geen partner, niet wekende partner of werkende partner). Op die manier bekomen we 12 gezinstypes die we gemakkelijk kunnen rangschikken naar de grootte van de werklast van de referentiepersoon (zie tabel 14). De kleinste werklast vinden we terug bij niet-werkende mannen die samenleven met een niet-werkende vrouw. Hun werklast bedraagt ongeveer 23u per week of iets meer dan 3 uur per dag. Het andere extreem zijn de werkende vrouwen die – of hun partner nu werkt of niet – een werklast hebben van bijna 60 uren per week, dat is gemiddeld net geen 9 uur per dag. Er zit een vrij logische opbouw in tabel 14. Mannen die niet werken hebben duidelijk de minste werklast. Hoewel we voorzichtig moeten zijn in onze interpretatie – vermits we slechts heel weinig niet-werkende mannen hebben zonder partner of met een werkende partner – lijkt de situatie van de partner niet veel invloed te hebben op de werklast van de nietwerkende mannen. Bij niet-werkende vrouwen is dat anders. Ze werken sowieso meer dan niet-werkende mannen, maar hun werklast wordt bovendien sterk beïnvloed door de partner. Een partner brengt in ieder geval werk mee voor niet-werkende vrouwen en een werkende partner brengt heel veel werk mee. Een niet-werkende vrouw met een werkende partner heeft een werklast die vrij dicht de werklast benadert van werkenden zonder partner. Bij werkenden zonder partner zien we geen verschil tussen mannen en vrouwen in de totale werklast. Als werkende met een partner ben je echter beter af als man en werkende mannen halen beter een niet werkende partner in huis. De werklast voor mannen in het klassieke kostwinnersmodel neemt nauwelijks toe in vergelijking met alleen blijven, slechts 2 uren extra werk per week.


Tijdsbesteding

179

Tabel 14: Werklast en tijdsdruk naar gezinstype voor alle respondenten, behalve de studenten Gezinstype N Werksituatie resp. + werksituatie partner

Gem. # Totale Tijdsdruk inwonen. Werklast* (somschaal) kinderen

1 2 3

niet-werk. man niet-werk. man niet-werk. man

+ niet-werk. Vrouw + werkende vrouw

157 34 17

0.26 0.12 0.55

22:59 25:26 26:05

27.1 27.4 28.0

4 5 6

niet-werk. vrouw niet-werk. vrouw niet-werk. vrouw

+ niet-werk. Man + werkende man

69 135 110

0.34 0.26 1.38

31:51 37:31 47:06

30.6 30.3 37.3

7 8

werkende vrouw werkende man

-

70 97

0.44 0.13

51:27 51:39

37.4 35.2

9 werkende man 10 werkende man

+ niet-werk. Vrouw + werkende vrouw

126 248

1.31 1.38

53:28 58:38

36.2 39.9

11 werkende vrouw 12 werkende vrouw

+ niet-werk. Man + werkende man

29 255

1.33 1.35

59:49 59:499

38.5 40.7

* Totale werklast = de tijd besteed aan loonarbeid, huishoudelijk werk en opvoeding & kinderzorg (inclusief verplaatsingen in dat verband) per week. Mannen en vrouwen in een tweeverdienersgezin zijn er het slechtst aan toe en het valt op dat het verschil in de werklast tussen mannen en vrouwen in tweeverdienersgezinnen beperkt blijft tot een ruim uur. Toch zijn het de werkende vrouwen met een partner (of die nu werkt of niet) die de grootste werklast dragen. Het is opmerkelijk dat de werksituatie van de partner er weinig toe doet voor een werkende vrouw, al moeten we voorzichtig zijn om deze vaststelling te veralgemenen gezien het kleine aantal werkende vrouwen met een nietwerkende man. De belangrijkste verschillen uit tabel 14 worden nog eens schematisch voorgesteld in tabel 15. Het verschil in werklast tussen niet-werkende mannen en niet-werkende vrouwen is minstens bijna 6u. De werklast van niet-werkende vrouwen neemt met minstens bijna 6 uren toe per week indien ze samenwonen met een partner. De sprong wordt echter veel groter als die partner werkt: het verschil in werklast tussen niet-werkende vrouwen met een niet-werkende

9. De werklast van werkende vrouwen (voltijds of deeltijds) met een partner (werkend of niet) ligt hoger dan de werklast van voltijds werkende vrouwen in tabel 13. Het feit dat ze een partner hebben zorgt ervoor dat deze categorie vrouwen zowel een erg hoge arbeidslast hebben, zowel wat betaalde arbeid betreft, als wat onbetaalde arbeid betreft, zodat hun totale werklast zeer hoog is.


180

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

partner en niet-werkende vrouwen met een werkende partner is bijna 9u30’. De werklast voor beide geslachten stijgt substantieel bij intrede op de arbeidsmarkt: het verschil in werklast tussen werkenden en niet-werkenden is minimaal 4u40’ per week. Het maakt voor een werkende man ook nog een groot verschil uit of hij alleen de kost verdient of deel uitmaakt van een tweeverdienersgezin. In het laatste geval ligt zijn werklast ongeveer 5u hoger per week. Helemaal aan het andere uiterste van het spectrum kunnen we nog het onderscheid maken tussen werkende vrouwen en de rest van de bevolking. Werkende vrouwen hebben een wekelijkse werklast die minimaal ruim 1u hoger ligt dan de rest van de Vlaamse bevolking. Tabel 15: Verschillen in werklast (in uren per week) VAN

NAAR

Verschil

niet-werkende man (1 - 3)

niet-werkende vrouw (4 - 6)

minstens bijna 6u

niet-werkende vrouw zonder partner (4)

niet-werkende vrouw met partner (5, 6)

minstens bijna 6 u

niet-werkende vrouw met niet-werkende partner (5)

niet-werkende vrouw met werkende partner (6)

ongeveer 9u30

niet-werkende (1 - 6)

werkende (7 - 12)

minstens 4u30

werkende man in kostwinnersgezin (9)

werkende man in tweeverdienersgezin (10)

ongeveer 5u

al de rest (1 - 10)

werkende vrouw (11, 12)

ruim 1u

De gezinstypes, zoals we die hierboven hebben onderscheiden, kunnen uiteraard niet los gezien worden van een aantal andere factoren zoals leeftijd en de aanwezigheid van kinderen. We hebben het gemiddeld aantal kinderen per gezinstype in tabel 14 opgenomen. Hieruit blijkt, nogal evident, dat het gemiddeld kinderaantal hoger ligt in een gezin waarbij twee partners samenleven en minstens één partner werkt. Omdat de aanwezigheid van kinderen de werklast beïnvloedt, hebben we de analyse nog eens uitgevoerd, gecontroleerd voor het aantal inwonende kinderen. De gecontroleerde resultaten wijken echter nauwelijks af van de ongecontroleerde. Het verschil in werklast naar gezinstype blijft bovendien significant na controle. Vermits we onze gegevens verzameld hebben bij een steekproef van individuen (en niet van huishoudens), berekenen we de werklast telkens voor individuele mannen of vrouwen. Door de werktijd van individuen samen te voegen, kunnen we echter wel een simulatie maken van de werklast per koppel naargelang het gezinstype. Om een idee te krijgen van de werkdruk in een traditioneel kostwinnersgezin tellen we de werklast van werkende mannen met nietwerkende partners (type 9) samen met de werklast van niet-werkende vrouwen met werkende partners (type 6). Om de totale werklast in gezinnen van tweeverdieners te berekenen doen we dezelfde oefening voor werkende mannen en vrouwen die samenleven met een werkende partner (types 10 en 12). Op die manier komen we tot een totale werklast van


Tijdsbesteding

181

gemiddeld 100u34’ per week in het traditionele kostwinnersgezin, terwijl er in een tweeverdienersgezin gemiddeld 118u27’ besteed wordt aan loonarbeid, huishoudelijk werk en kinderzorg samen. In gezinnen waarin geen van beide partners werkt (types 1 en 5) is de werklast bijna maar de helft van die in een kostwinnersgezin, nl. 60u30’. Het is duidelijk dat verspreiding van het tweeverdienersgezin – in onze steekproef gaat het om ongeveer 503 respondenten die als partner van zo’n gezinstype deel uitmaken, terwijl ‘slechts’ ongeveer 1/6 of 236 respondenten leven als partner in een kostwinnersgezin – de druk in de gezinnen doet toenemen. De werklast uitgedrukt in uren hoeft echter niet noodzakelijk een perfecte weerspiegeling te zijn van het subjectieve gevoel van tijdsdruk (Kritikos, 2000: 111). In de laatste kolom van tabel 14 wordt per gezinstype voor de referentiepersoon een gemiddelde score gegeven op een maat voor subjectieve tijdsdruk. De maat die we hiervoor gebruiken is een somschaal geconstrueerd aan de hand van 15 uitspraken rond tijdsdruk die de respondenten konden scoren van 1 tot 5 (zie paragraaf 3). Voor elke uitspraak geldt: hoe hoger de score, hoe meer tijdsdruk men ervaart. De somschaal die we gebruiken is een sommatie van al deze scores, bewerkt zodat de maximumscore van de schaal 100 is (helemaal eens met alle uitspraken) en de minimumscore 0 (helemaal oneens met alle uitspraken). De laagste score in de tabel is gelijk aan 27.1 en behoort toe aan de niet-werkende mannen met een niet-werkende partner, de hoogste score is 40.7 en dit is de tijdsdruk van een werkende vrouw met een werkende partner. We stellen vast dat de overeenkomst tussen objectieve werklast in uren en subjectieve tijdsdruk erg gelijklopend zijn. De volgorde van de gezinstypes blijft nagenoeg behouden. Tweeverdieners ondervinden de meeste tijdsdruk. Werkenden ervaren meer tijdsdruk dan de niet-werkenden en vrouwen meer dan mannen in een gelijkaardige gezinssituatie. Niet-werkende mannen ondervinden de minste tijdsdruk. Er is één categorie die enigszins afwijkt van dit algemene patroon: de niet-werkende vrouwen met een werkende partner (type 6) ervaren meer tijdsdruk dan hun objectieve werklast doet vermoeden. Wanneer we echter naar het gemiddeld aantal kinderen kijken in zo’n gezinstype, dan ligt de verklaring voor handen. Het betreft hier vooral gezinnen waar de vrouw zich (tijdelijk) terugtrekt uit de arbeidsmarkt omwille van de kinderlast. Meteen wordt ook duidelijk dat in het traditionele kostwinnersgezin de subjectieve tijdsdruk van vrouwen hoger ligt dan de objectieve tijdsdruk doet vermoeden. Mannen in het traditionele kostwinnersgezin (zie type 9) werken dan wel meer uren dan hun partner, maar de vrouwelijke partners ervaren wel meer drukte in dergelijke gezinnen.

9. Besluit Tussen 15 april en 30 oktober 1999 hielden 1533 Vlamingen tussen 16 en 75 jaar gedurende 7 dagen een gedetailleerd tijdsbestedingdagboekje bij. Uit de dagboekgegevens van deze mensen blijkt dat de gemiddelde Vlaming meer dan 1/3 van zijn tijd slapend doorbrengt. In wakkere toestand besteden Vlamingen meer tijd aan vrijetijdsactiviteiten dan aan loonarbeid. Als we alle arbeid optellen – de loonarbeid, het huishoudelijk werk en de aandacht en zorg voor kinderen – dan werken Vlamingen wél meer dan dat ze tijd besteden aan vrije tijd. Mannen in Vlaanderen werken gemiddeld 38u51’ per week, vrouwen besteden gemiddeld 42u46’ aan arbeidsactiviteiten. Vrouwen besteden dus ‘amper’ 4 uren meer aan arbeid per week (slechts ongeveer 1/2 uur per dag) dan mannen. Optimisten zouden kunnen denken dat het emancipatieproces zijn einde nadert. Meer gedetailleerde analyses van het genderverschil in tijdsbesteding leiden tot een heel ander beeld. De activiteitenpatronen van mannen


182

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

en vrouwen zijn nog altijd heel gedifferententieerd in Vlaanderen en beantwoorden bovendien nog altijd aan de traditionele rollenpatronen. Met een eenvoudig en algemeen gegeven als de tijd die besteed wordt aan huishoudelijk werk kan in 4/5 van de gevallen voorspeld worden of het om een man of een vrouw gaat. Bovendien blijkt dat de laatste tien jaar op dat vlak niet veel veranderd is. Mannen besteden minder tijd aan het huishouden, maar meer aan hun job dan 10 jaar geleden. De tijd die ze aan arbeidsactiviteiten besteden, blijft daarmee constant. Bij vrouwen stijgt de tijd die ze aan arbeid besteden tegenover 10 jaar geleden. Voltijds werkende vrouwen besteden meer tijd aan hun job en minder aan het huishouden, deeltijds werkende vrouwen besteden veel meer tijd aan hun huishouden dan een decennium terug. In het algemeen geldt dat de druk op vrouwen groter geworden is. Werkende vrouwen hebben niet alleen de zwaarste arbeidslast, ze ervaren een grotere tijdsdruk, al geldt hetzelfde voor mannen die deel uitmaken van een tweeverdienersgezin. Uit de tijdsbudgetgegevens blijkt heel duidelijk dat de verspreiding van het tweeverdienersgezin de tijdsdruk doet toenemen. De Vlaamse regering lanceerde recent – oktober 2000 – een campagne ‘Kwaliteit van werk, kwaliteit van leven’ waarin ze vooral een betere afstemming tussen arbeid en gezin beoogt. Hiermee speelt de regering in op een evolutie die ook duidelijk in onze data naar voor komt: werkende vrouwen en tweeverdienersgezinnen staan onder druk. Zoals wel vaker het geval is, houdt men zich in Nederland al langer dan in Vlaanderen bezig met deze problematiek. Men heeft er zelfs een instelling voor: de Commissie Dagindeling, die voorstellen formuleert voor een betere afstemming van arbeid en zorg. De Nederlandse tijdsbudgetgegevens zijn altijd een belangrijke bron van informatie geweest voor de Commissie Dagindeling. We zijn ervan overtuigd dat onze data in het gelijkekansenbeleid, en natuurlijk ook in andere beleidsdomeinen, een belangrijke rol zullen vervullen in Vlaanderen. Want het is duidelijk dat in deze bijdrage slechts heel algemene analyses werden gepresenteerd. Op tal van deelaspecten kunnen veel gedetailleerdere en ook indringendere analyses verricht worden die beleidsrelevante informatie kunnen leveren. Dat is precies wat we in de toekomst met onze databestanden willen doen.


Tijdsbesteding

183

Bibliografie Administratie Planning en Statistiek (1998). Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en waardeonderzoek. Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Beerten, R., J. Billiet, et al. (1997). 1995 General Election Study Flanders - Belgium. Leuven, ISPO. Breedveld, K. (1996). “Post-Fordist Leisure and Work.” Loisir et Société / Society and Leisure 19(1): 67-90. Breedveld, K. (1999). Changing the unchangable: toward a new Dutch timebudget study in 2000. IATUR, Essex, U.K. Commissie dagindeling (1998). Dagindeling, Tijd voor Arbeid en Zorg. Eindadvies April 1998. Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. de Hart, J. (1995). Tijdopnamen. Een onderzoek naar de verschillen en veranderingen in de dagelijkse bezigheden van Nederlanders op basis van tijdbudgetgegevens. Rijswijk, VUGA. Deleek, H. en N. Van De Gracht (1960). “De Vrije-Tijdsbesteding van Werklieden en Bedienden: Resultaten van een onderzoek bij katholiek-georganiseerde volwassen arbeiders van acht vlaamse gemeenten.” De Gids op Maatschappelijk Gebied 51(11). Dobbelaere, K., M. Elchardus, et al., Eds. (2000). Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en houdingen. Tielt, Lannoo. Elchardus, M., E. Enhus, et al. (1984). Tijdsbesteding en maatschappelijke integratie van werklozen. Brussel, Onderzoeksgroep TOR, VUB. Elchardus, M., I. Glorieux (1994). Over de verdeling van werk. Een empirische en methodologische analyse van de verdeling van de werklast tussen mannen en vrouwen. In: Nueland, M., Handboek Vrouwenstudies, Brussel, Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele aangelegenheden. Glorieux, I. (1995). Arbeid als zingever. Een onderzoek naar de betekenis van arbeid in het leven van mannen en vrouwen. Brussel, VUBPress. Glorieux, I., S. Koelet, M. Moens (2000). Technisch verslag bij de tijdsbudgetenquête TOR’99. Brussel, Onderzoeksgroep TOR, VUB. Glorieux, I. en M. Moens (1999). Tijdsbudgetonderzoek in Nederland en Vlaanderen: raakpunten en verschillen. NSV Marktdag, Utrecht. Javeau, C. (1970). Les vingt-quatre heures du Belge: l’ enquête belge du project international budget-temps. Bruxelles, Institut de Sociologie de l’ ULB.


184

Ignace Glorieux, Suzana Koelet & Maarten Moens

Kalfs, N. (1993). Hour by hour: effects of the data collection mode in time use research. Amsterdam, Nederlands Instituut voor Maatschappij- en Markt-Onderzoek. Knulst, W. (1989). Van Vaudeville tot video. Rijswijk, SCP. Kritikos, L.. (1999). Individuen onder het juk van de tijd. Een onderzoek naar de oorzaken van de hudige tijdsdruk. Proefschrift voor het behalen van de graad van licentiaat in de sociologie. Brussel, Faculteit Economische, Politieke en Sociale Wetenschappen, Vrije Universiteit Brussel. Smits, W., M. Elchardus, et al. (1998). Technisch verslag bij de survey TORâ&#x20AC;&#x2122;98. I. Veldwerk en responsanalyse. Brussel, Onderzoeksgroep TOR, VUB. Szalai, A. (1972). The use of time. Daily activities of urban and and suburban populations. Den Haag/Parijs, Mouton. van den Broek, A. (1999). Van specialisten naar generalisten. Ontspecialisering en rolvervaging in het dagelijks leven. van den Broek, A., W. Knulst, K. Breedveld, Eds. (1999). Naar andere tijden? Tijdsbesteding en tijdsordening in Nederland, 1975-1995. Sociaal en Culturele Studies. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau / Elsevier bedrijfsinformatie. Van Mechelen (1967). Onderzoek naar de weekeindbesteding van de gezinnen in de winterperiode. Antwerp, Ontwikkeling.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vlaanderen_gepeild_2001_6_tijdsbesteding_van_de_vlamingen.pdf by Vlaanderen-be - Issuu