VL AAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ
e e n u i t g av e va n d e V l a a m s e M i l i e u m aa t s c h a p p i j • D e c e m b e r 2 0 0 9
Dossier bekkenwerking
Integraal waterbeleid in de kijker Grensmaas stinkt niet meer ‘Donderdag Veggiedag’ gaat internationaal
inhoud Er hangt geen geurtje meer rond de Grensmaas Kwaliteit van rivier spectaculair verbeterd
15
Dat waterzuivering en een goed gecoördineerd milieubeleid snel resultaat kunnen opleveren bewijst de Grensmaas. Grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden zorgden ervoor dat het stukje Maas op de grens tussen België en Nederland opnieuw helder is en niet meer stinkt.
verder
Dossier bekkenwerking Op weg naar een integraal waterbeleid In dit dossier nemen we de werking van de bekkensecretariaten onder de loep. Deze zijn ontstaan om het decreet Integraal Waterbeleid van 2003 in goede banen te leiden en de verschillende bevoegdheidsniveaus te stroomlijnen. Verderop lichten we de verschillende aspecten van de bekkenwerking toe en gaan we het terrein op om te kijken naar enkele concrete realisaties.
04 VMM werkt samen met bedrijfsleven Integratie meetnetten
08 De Milieuwerker
Oprichter EVA over ‘Donderdag Veggiedag’
18 11 12
Boer kiest voor eigen waterzuivering met een rietveld
35
In Vlaanderen is er een zuiveringsplicht voor huishoudelijk afvalwater. Maar wat doe je als er geen riolering in je straat is voorzien? Marc Bollaert zocht en vond een natuurlijke oplossing: hij liet een rietveld aanleggen.
Uitstoot broeikasgassen gedaald Dankzij toenemend zuurstofgehalte Klopt jouw drinkwaterfactuur? Recent onderzoek VMM zocht het uit Meer vis in de Zenne Rapport pakt uit met goed nieuws
colofon Verrekijker wordt gepubliceerd door de Vlaamse Milieumaatschappij Coördinatie en eindredactie Katrien Smet, VMM Algemene informatie VMM-Infoloket A. Van de Maelestraat 96 9320 Erembodegem info@vmm.be www.vmm.be Tel. 053 72 64 45 Fax 053 71 10 78
2
Verrekijker
Redactie & Realisatie Het Salon, www.het-salon.be
Verantwoordelijke Uitgever Philippe D’Hondt , VMM D/2009/6871/039
Fotografie Jan Caudron, Shutterstock, VMM archief, Vildaphoto, Rollin Verlinde, Comstock, Aphasiafilms, Misjel Decleer, EVA, Kris Van Looy
Met dank aan Ward Andriessen en Sofie Kymers (Regionaal landschap Haspengouw), Marc Bollaert, Luk Deurinck (Belgische Petroleum Federatie), Gwen Huyge (Electrabel), Tobias Leenaert (EVA), Kris Van Looy (INBO), André Eeman (Schepen van landbouw Sint-MariaLierde), Natascha Mortier (groendienst Maldegem), Bernard Diopere (brandweercommandant Torhout)
Drukwerk Goekint Graphics nv., Oostende
edito Samenwerking is een sleutelwoord als het gaat over het beschermen, verbeteren en behoud van ons fragiele leefmilieu. Een sleutelwoord omdat leefmilieu zoveel verschillende gezichten heeft. Al deze verschillende onderdelen vormen samen één ecologisch geheel, dat zich niet in ambtelijke departementen laat verdelen. In dit decembernummer gaan we dieper in op de werking van de bekkensecretariaten. In deze secretariaten maken de verschillende bevoegde instanties werk van een integraal waterbeleid. Integraal omdat we vertrekken vanuit het watersysteem als eenheid en omdat de verschillende partners samenwerken aan een optimalisering van het Vlaamse waterbeheer. Het decreet Integraal Waterbeleid lag in 2003 aan de oorsprong van de bekkensecretariaten. In ons dossier evalueren we de samenwerking tot nu toe, in al haar facetten. Eerste conclusie: de samenwerking werkt. Er is nog een lange weg af te leggen maar toch mogen we al trots zijn op dit voorbeeld van ‘goed bestuur’. De samenwerking vertaalt zich in daadkrachtig beleid op het terrein. Ik denk bijvoorbeeld aan de Toetsing Signaalgebieden, waardoor in de ruimtelijke ordening beter rekening wordt gehouden met de noden van de watersystemen. Dit initiatief is een mooi voorbeeld van belangenoverstijgende samenwerking. Samenwerking kijkt ook niet naar grenzen. Dat kan ook moeilijk anders aangezien waterlopen zich weinig aan grenzen gelegen laten. Verderop kan je lezen hoe de waterkwaliteit van de Grensmaas er dankzij een grensoverschrijdend gecoördineerd waterbeleid op vooruit is gegaan. Het Vlaamse Grensmaasbekken is in Vlaanderen zelfs de beste leerling van de klas. De samenwerking met onze buurlanden werpt tastbare vruchten af. Met een prachtig stukje (geurloze) natuur als resultaat. Veel leesplezier Frank Van Sevencoten Administrateur-generaal
december 2009
3
De (meet)lat hoger leggen
4
Verrekijker
Š Jan Caudron
VMM werkt samen met bedrijfsleven
© Jan Caudron
Raymond Bogaert (tweede van rechts) en zijn team.
Het bewaken van de luchtkwaliteit is vooral een bekommernis van de overheid. Maar bepaalde wetgevingen verplichten ook bedrijven hun metingen te doen, zoals petroleumraffinaderijen en elektriciteitsproducenten die hun eigen meetnetten installeerden. Ondanks de inspanningen van de bedrijven verschilde hun aanpak dikwijls met die van de overheid. Met name de computerinfrastructuur vertoonde nogal wat verschillen. Dat is nu verleden tijd want sinds 1 januari 2009 werkt de VMM heel nauw samen met de Belgische Petroleum Federatie (BPF) en de elektriciteitsproducenten met geïntegreerde meetnetten voor de luchtkwaliteit als resultaat. Schat aan informatie Oorspronkelijk bewaakte de Belgische overheid vanaf 1967 de algemene luchtkwaliteit met een zwavel-rookmeetnet op 230 meetplaatsen. Die eerste metingen konden de luchtkwaliteit rond de bedrijven niet onmiddellijk beoordelen. Daar kwam verandering in met de uitbouw van een automatisch meetnet luchtverontreiniging in 1978. En een betere spreiding van de meetstations zorgde er in de jaren ’80 voor dat overal in Vlaanderen de luchtkwaliteit werd gecontroleerd. Na vier decennia metingen beschikt Vlaanderen ondertussen over een schat aan historische meetresultaten, waarop de VMM trendanalyses kan doen. Dat is nodig om voorspellingen voor de toekomst te kunnen doen. Industrie meet eigen uitstoot Maar metingen gebeuren niet alleen door de VMM. Volgens de VLAREM (Vlaamse milieuwetgevingen) is de industrie verplicht luchtmetingen uit te voeren. Ze moet de omgevingsconcentraties van bepaalde stoffen die ze zelf uitstoten meten. Voor de petroleumsector liggen de meetstations in de Antwerpse haven. De elek-
triciteitscentrales liggen verspreid in Vlaanderen. Daar wordt enkel gemeten rond de centrales die met aardgas of steenkool stoken, dus niet rond nucleaire centrales. Om in de toekomst volledig vergelijkbare metingen op een kwalitatief hoogstaande manier te kunnen uitvoeren, kwamen de Belgische Petroleum Federatie (die vijf raffinaderijen vertegenwoordigt) en de energieproducenten Electrabel, SPE en Vilvoorde-Langerlo met de VMM overeen om de verschillende meetnetten te integreren. Omdat de overheid uiteraard haar onafhankelijkheid wil bewaren, worden die meetnetten door de VMM gecontroleerd en onderhouden, op kosten van de BPF en de energieproducenten. Bewaken van de luchtkwaliteit Zo’n 120 VMM-meettoestellen, opgesteld in een veertigtal meetstations, controleren vandaag de concentraties van voornamelijk zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolstofmonoxide, ozon en fijn stof. “Voor de opvolging van incidenten zijn onze meetnetten minder geschikt”, aldus Raymond Bogaert van de VMM. “De windrichting is daarbij een te bepalende factor. Want bronnen van overschrijdingen kan je pas echt lokaliseren als de wind goed zit. Daarom doet de VMM permanent luchtmetingen zodat op langere termijn de luchtkwaliteit uit elke windrichting gemeten wordt en er een goed beeld van de luchtkwaliteit ontstaat. Zo kunnen we gemakkelijker bronnen van verontreiniging ontdekken.” Naast het meetnet voor de controle van de algemene luchtkwaliteit, heeft de VMM nog een twintigtal lokale meetstations opgesteld in probleemgebieden.
december 2009
5
Raymond Bogaert: “Dankzij die geïntegreerde samenwerking hebben we nu een beter zicht op de Antwerpse haven, waar de vijf raffinaderijen en hun meetstations staan.”
© Jan Caudron
Kwaliteitscriteria op Europese normen Dagelijks test het team van de VMM, van op afstand, alle stations. Als er een probleem opduikt, sturen de meetstations automatisch een bericht naar de centrale. De VMM staat in voor de herstelling van defecten en doet aan preventief onderhoud. Na elk
© Jan Caudron
onderhoud test de VMM of alle metingen nog correct verlopen. “Tweemaandelijks controleren en toetsen we alle meetresultaten. Daarna volgt de rapportering. Jaarlijks publiceert de VMM deze meetresultaten in haar jaarrapport. Heel wat metingen rapporteren we ook op jaarbasis aan de EU.” Voor de inspectie ter plaatse hanteert de VMM Europese normen. Daardoor zijn de metingen vergelijkbaar over heel Vlaanderen. Win-winsituatie De akkoorden met de BPF en de energieproducenten voorzien dat investeringen in de toekomst gelijktijdig zullen gebeuren. Op die manier kunnen alle partners de kosten drukken en wordt belet dat verschillende systemen naast elkaar bestaan. De bedrijven kunnen bij de aankoop van meettoestellen en computersystemen nu genieten van dezelfde voorwaarden als de VMM. “Het uit handen geven van het beheer van de meetnetten door de bedrijven is dus een win-winsituatie. De overheid is zeker van een hogere kwaliteit van metingen en beschikt over meer meetgegevens, en de industrie bespaart op personeelskosten. En dankzij de groepsaankopen profiteren alle partners van de lagere aankoopprijs”, zo besluit Raymond.
“Wij werken samen in vertrouwen” Bedrijven die meer dan 300 megawatt aan thermisch vermogen hebben, moeten in de omgeving van hun installaties de concentraties van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxide (NO2) in de lucht meten. Bij overschrijdingen zijn de raffinaderijen en de energieproducenten verplicht om maatregelen te nemen. Vanaf het moment dat de raffinaderijen verplicht metingen moesten uitvoeren, heeft de Belgische Petroleum Federatie haar meetstations gekoppeld aan die van de overheid. De vier eerste meetstations van eind jaren ’70 zijn ondertussen vervangen door vijf nieuwe die beter geplaatst werden ten opzichte van de bronnen. “Dat kwam erop neer dat wij op kosten van de raffinaderijen de meetcabines en -instrumenten installeerden en uitbaatten, terwijl de VMM toezicht hield op onze metingen”, licht Luk Deurinck van de BPF de voorgeschiedenis toe. Deze meetcabines zijn ook
6
Verrekijker
verbonden met het meetnet van de VMM. “Dankzij deze controle van de metingen waren onze resultaten ook betrouwbaar.” De samenwerking tussen de BPF en de VMM werd in de loop der jaren steeds hechter. Het eigen dataverwerkingssysteem stond in hetzelfde gebouw als dat van de VMM, maar verder ging de link nog niet. Sinds kort zijn beide systemen geïntegreerd dankzij nieuwe meetstationcomputers. Het nieuwe samenwerkingscontract levert metingen op die volledig vergelijkbaar zijn en de resultaten zijn te raadplegen op de website van de VMM. En de rol van de BPF ? “Wij controleren de facturen, beslissen over nieuwe investeringen, organiseren overleg, enz. Er is echt veel vertrouwen. Anders zouden we niet zo ingrijpend met elkaar in zee gaan” besluit Luk Deurinck.
De kwaliteit stijgt Toen rond 2005 de overeenkomst tussen Electrabel en de VMM werd opgezegd, ontstond er een vacuüm in de vervulling van de wettelijke verplichtingen van Electrabel. Er moest een oplossing komen en op initiatief van de VMM werden onderhandelingen opgestart op basis van het eerder gesloten akkoord tussen de VMM en de Belgische Petroleum Federatie. “Het resultaat van deze onderhandelingen is dat ons meetnet nu volledig geïntegreerd is in dat van de VMM. Het gaat om 12 meetstations over heel Vlaanderen en één in het Brusselse Gewest, aangevuld met VMM-meetstations. In het verleden kochten we ook een vijftal meettoestellen aan die in de VMM-stations geplaatst werden. Nu betalen wij de kosten voor het beheer, onderhoud en de omschakeling naar een nieuw systeem door de VMM. Omdat we niet voldeden aan de wettelijke normen, moésten we iets doen. Aangezien het beheer van deze metingen niet onze core business is, laten we dit liever over aan een expert zoals de VMM. Op die manier stijgt de kwaliteit van ons systeem en beschikken we over gegevens waarop we steeds terug kunnen vallen. Die hogere kwaliteit kan zeer belangrijk zijn voor bijvoorbeeld dossiers bij de aanvraag van vergunningen”, aldus Gwen. “De kwaliteitscontrole gebeurt nu veel strikter, waardoor we kunnen voldoen aan de Europese kwaliteitsnormen. We hebben nu een overeenkomst lopen voor vijf jaar, die elk jaar verlengd kan worden, tenzij één van beide partijen het opzegt. Deze vorm van samenwerking is optimaal. De VMM kan 13 meetstations aan haar eigen meetnet toevoegen en Electrabel kan rekenen op de experts ter zake. Tegelijkertijd voldoen we aan alle wettelijke eisen”, besluit Gwen.
© Jan Caudron
“Beheren van een meetnet is niet onze core business” Electrabel is geen lid van de Belgische Petroleum Federatie, maar voor hun centrales geldt uiteraard dezelfde regelgeving. Toen de wet van kracht ging begin jaren ’90, spraken Electrabel en de VMM af dat het bedrijf twee meetstations rond elke centrale zou installeren en dat het gebruik kon maken van de meetstations van de VMM rond de centrales. De controle gebeurde apart. Electrabel stelde de meetgegevens ter beschikking van de VMM en omgekeerd. Toen ging het om 16 meetstations over heel Vlaanderen en Brussel. “Na ongeveer 10 jaar ontstonden er problemen met de betrouwbaarheid van onze metingen”, vertelt Gwen Huyge van Electrabel. “Veel meetapparatuur raakte rond 2000 beschadigd door blikseminslagen maar ook normale slijtage leidde tot diverse mankementen. Omstreeks 2000 onderzochten we samen met de VMM hoe we ons meetnet konden vernieuwen door zoveel mogelijk synergie met hun systeem na te streven. Een totale integratie kon toen nog niet omdat de wetgeving geen samenwerking overheid-privé op dat vlak toeliet. Het gevolg hiervan was dat wij ons eigen informaticanetwerk opbouwden vanaf nul. En de resultaten daarvan waren niet goed”, geeft Gwen toe. “Wellicht door de vele bugs die nog in de software zaten.”
En wat als het alarm gaat? In de periode 2010-2012 zal de VMM alle meettoestellen vernieuwen op kosten van Electrabel. “Nieuwe centrales komen in dezelfde buurt van bestaande, dus daar plannen we geen bijkomende meetstations. Anderzijds worden een aantal bestaande installaties stopgezet zodat we daar niet meer moeten meten. Naast het meetnet voor omgevingsconcentraties maakt Electrabel ook gebruik van metingen van de directe uitstoot. Zo weten we exact wat we uitstoten in de lucht. De acties die we moeten nemen bij overschrijding van de normen zijn wettelijk vastgelegd, en bovendien hebben we zelf ook enkele scenario’s uitgedokterd bij alarmerende overschrijdingen. Tot op vandaag hebben we nog nooit effectief maatregelen moeten nemen in Vlaanderen, maar men kan ervan uitgaan dat dit zich in de toekomst zeker zal voordoen. De maatregelen die we in dit kader nemen, zijn het vermijden van het opstarten van bijkomende installaties, overgaan op aardgas in de plaats van steenkool als brandstof of dalen in vermogen”, aldus Gwen. De metingen van de Electrabel- en SPE-meetstations zijn te vol-
gen op de VMM-website, via www.vmm.be/luchtkwaliteit
december 2009
7
DE MILIEUWERKER
‘Donderdag Veggiedag’ moet hedendaagse vrijdag visdag worden Toen Tobias Leenaert als student een maand lang het vlees liet staan voor een weddenschap, had hij geen idee van de gevolgen van zijn beslissing. De oprichter van EVA (Ethisch Vegetarisch Alternatief), een organisatie die pleit om minder vlees te eten, kreeg met de campagne ‘Donderdag Veggiedag’ al internationale navolging.
Eén van de campagnebeelden voor ‘Donderdag Veggiedag’.
Eind 2007 lanceerde EVA de campagne ‘Donderdag Veggiedag’. De boodschap is eenvoudig. Laat op donderdag je vaste portie vlees (of vis) even achterwege en kies voor een vegetarisch alternatief. Het is gezond voor jou én voor alle dieren die niet in de pan belanden, het heeft een impact op het milieu en je draagt ook een steentje bij in het zoeken naar oplossingen
8
Verrekijker
tegen de honger in de wereld. “We willen onze boodschap zeker niet op een opdringerige en prekerige manier brengen”, verzekert Tobias. “Met EVA willen we mensen zo ruim mogelijk informeren over vegetarische voeding en sensibiliseren om minder of eventueel zelfs geen vlees te eten. Op een genuanceerde en frisse manier. Om zoveel mogelijk mensen te bereiken, gebruiken we verschillende communicatiemiddelen, zoals een driemaandelijks ledenmagazine, gratis publicaties zoals het veggieplan Gent of onze veggiegids voor chefs en onze website. Dagelijks surfen zo’n 2.500 mensen naar onze website. In de eerste plaats op zoek naar een lekker recept, of om iets te posten op het forum. Verder organiseren we ook lezingen, kookworkshops, studiedagen,… Een drukke agenda voor ons team van 5, maar gelukkig kunnen we een beroep doen op allerlei vrijwilligers. Dikwijls met een bepaalde expertise die wij zelf niet in huis hebben. Ik denk bijvoorbeeld aan de problematiek van de klimaatopwarming.
Onze vrijwillige experts vermijden zo dat we flaters begaan, wat onze geloofwaardigheid niet ten goede zou komen.” ‘Donderdag Veggiedag’ gaat vreemd In mei van dit jaar kondigde de stad Gent aan om ‘Donderdag Veggiedag’ te steunen. In alle 35 stadsscholen staat er nu op donderdag standaard een vegetarische dagschotel op het menu, en in de stadsrestaurants van het personeel kan je zelfs elke dag voor vegetarisch gaan. De eerste reacties bij de proefkonijnen van de stad waren alvast positief. “De stad Gent heeft echt een pioniersrol gespeeld in het op de politieke kaart zetten van onze campagne. Ondertussen stapten ook Mechelen en Hasselt mee in ons initiatief, de stad Hasselt verspreidde zo’n 50.000 gratis receptenboekjes onder haar bewoners. Ook in de Braziliaanse stad São Paolo kennen ze nu een wekelijkse vleesvrije dag. Onze vegetarische zusterorganisatie werkt er samen
© EVA
Tobias Leenaert: ‘Ook in Vlaanderen stijgt het bewustzijn dat we ons gedrag moeten aanpassen.’
met de schepen van Milieu. Ze namen ons idee over nadat het Gentse engagement voor ons initiatief de wereldpers haalde. Elke week nog zakken journalisten af naar Gent om te kijken wat we allemaal doen. Om op alle vragen vanuit de wereld te kunnen antwoorden hebben we een praktische FAQ in het Engels op onze website staan”, lacht hij. Vegetariër voor 1 000 Belgische frank “Toen ik zo’n jaar of veertien was, begon het besef bij mij te dagen dat ik geen goede reden had om te rechtvaardigen dat ik vlees at. Toch heb ik het nog jarenlang gegeten”, geeft hij toe. “Ik lustte het te graag en vond het moeilijk om die steak au poivre te laten staan. Jarenlang heb ik dus met een moreel dilemma gekampt, tot die weddenschap aan de universiteit om een maand lang geen vlees te eten. Naast 1 000 Belgische frank (25 euro, red.) slaagde ik er eindelijk in om die klik in mijn hoofd te maken”, glim-
lacht hij. “Een tijdlang was ik nog parttime vegetariër omdat spaghetti bolognaise nu eenmaal basisvoedsel is als student”, verdedigt hij zich. “Ondertussen eet ik geen vlees meer en ook vis laat ik staan.” “In Gent kwam ik terecht in een studentenorganisatie die zich inzette voor dierenwelzijn. Op het einde van het jaar hadden ze nog subsidies over, zo kwam ik op het idee om een vegetarisch gidsje te maken. In 2000 bestond er op dat vlak niks in Vlaanderen. De eerste Veggiegids was een succes en EVA was geboren. De eerste jaren diende mijn eigen appartement als ons hoofdkwartier. Sinds 2005 krijgen we een structurele subsidie van het ministerie van Cultuur, kunnen we onszelf betalen en konden we uitwijken naar een ‘echt’ hoofdkwartier.” haal eens een half miljoen auto’s van de weg Kunnen we de wereld redden door één keer in de week geen vlees te eten? “Persoonlijk denk ik niet dat één dag geen vlees
eten voldoende zal zijn, maar mijn eerste doel is om de vleesconsumptie te doen dalen. Ik hoop dat ‘Donderdag Veggiedag’ zoiets wordt als de vroegere vrijdag visdag, een ingesleten routine waar je niet meer bij stilstaat. Maar zover zijn we nog lang niet. Mensen hebben een zeer persoonlijke band met hun stukje vlees. Ze voelen zich dikwijls persoonlijk aangevallen door ons initiatief, terwijl we niemand willen dwingen of van plan zijn iets af te nemen. Mensen stimuleren om anders te eten is heel moeilijk, omdat het iets is wat ze zelf moeten doen. Wij westerlingen willen allemaal meehelpen aan een beter klimaat, en met zonnepanelen plaatsen of eens vaker op de fiets springen hebben we geen probleem. Maar het aanpassen van ons reisgedrag en voedingspatroon, dat zo persoonlijk is, vraagt wat meer inspanning. Daarom pakken we het aan op een leuke en niet-drammerige manier.” Met enkele cijfers staaft hij de inzet van een op het eerste zicht ‘onschuldige’ campagne als ‘Donderdag Veggiedag’.
december 2009
9
Tobias Leenaert: “Persoonlijk denk ik niet dat één dag geen vlees eten voldoende zal zijn, maar mijn eerste doel is om de vleesconsumptie te doen dalen.”
Met Paul McCartney op de barricades “Onze actie is ondertussen al opgepikt door enkele steden, nationaal en internationaal, en ondertussen is ook Paul McCartney gestart met zijn campagne voor ‘Meatfree Mondays’. We krijgen ook de steun van de IPCC-voorzitter Rachendra Pachauri, die ‘Donderdag Veggiedag’ een warm hart toedraagt en het Gentse voorbeeld aanhaalt in zijn lezingen. Pachauri won als voorzitter van het IPCC samen met Al Gore de Nobelprijs voor de Vrede in 2007 en is zelf ook een vegetariër die hevig pleit voor ‘lifestyle changes’ als manier om de opwarming van de aarde aan te pakken. In Vlaanderen hoopt Tobias op een men-
10
Verrekijker
© EVA
“Als heel Vlaanderen zou meedoen aan ‘Donderdag Veggiedag’, dan staat dat qua CO2-uitstoot gelijk aan 400 à 500 000 auto’s die een heel jaar niet rijden. Onze Westerse ecologische voetafdruk wordt voor een groot deel door onze voedingsstijl bepaald (zo’n 20 à 30 %). Vlees neemt daarvan veruit het zwaarste aandeel voor zijn rekening. De FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, berekende dat veeteelt één van de top drie oorzaken is van alle grote milieuproblemen, zoals klimaatverandering, ontbossing, waterverbruik, verlies aan biodiversiteit en landerosie. Ook op vlak van duurzaamheid en hongerbestrijding kan het nog een pak beter als je bedenkt dat 40 % van het geteelde graan in de wereld naar veevoeder gaat. Veeteelt is volgens onderzoek van de FAO verantwoordelijk voor 18 % van de globale uitstoot aan broeikasgassen. Na twee jaar campagne voeren merken we nog geen dramatische veranderingen in de Vlaamse vleesconsumptie, maar onder andere dankzij de documentaire ‘An Inconvenient Truth’ van Al Gore stijgt het bewustzijn ook hier dat we ons gedrag moeten aanpassen.”
taliteitswijziging bij de politici. “Een parlementaire vraag in de commissie Leefmilieu van het Vlaamse Parlement om te sensibiliseren rond vleesvermindering werd vorig jaar nog weggelachen. Ik hoop dat die mentaliteit in de politiek bij een volgende vraag verdwenen zal zijn. De Nederlandse minister van Landbouw heeft 1,7 miljoen euro vrijgemaakt voor onderzoek naar vleesvervangers, ik hoop dat de Belgische politiek volgt. Als zelfs het Federaal Planbureau pleit voor een vleesvermindering met 50 tot 75 % tegen 2050, dan zullen er politieke initiatieven moeten volgen. Nu enkel nog de Boerenbond overtuigen van het belang van een andere manier van denken.
In Nederland staat de vleesindustrie veel meer open voor communicatie. Ik voer zelfs een dialoog op de portaalwebsite van de Nederlandse vleesindustrie”, lacht hij. De bedrijfswereld heeft alvast de weg naar EVA gevonden. “Dankzij onze campagne kloppen nu ook grote werkgevers bij ons aan met vragen. Ik denk bijvoorbeeld aan Ikea en Belgacom. Wij zijn dus al heel tevreden, maar we zijn nog niet van plan op onze lauweren te rusten”, besluit hij. Op de websites van www.vegetarisme.be of www.donderdagveggiedag.be vind je het antwoord op al je vegetarische vragen. En meer!
KORT
Vlaanderen scoort goed in de lucht
In de lucht doet Vlaanderen het op korte termijn best goed. Aldus het nieuwe Jaarverslag Immissiemeetnetten 2008. Aan de hand van de meetgegevens van de verschillende
meetnetten lucht maakt de VMM, in dit rapport, de staat op van de algemene toestand van de luchtkwaliteit in Vlaanderen. Voor de meeste schadelijke stoffen merken we een verbetering van de luchtkwaliteit op. Zo zijn bv. de concentraties van zwaveldioxide en benzeen de voorbije decennia stelselmatig gedaald en worden de grenswaarden nergens meer overschreden. Een uitzondering hierop is een kleine en beperkte overschrijding van de Europese grenswaarde voor zwaveldioxide in het Antwerps havengebied. Ook de concentraties van stikstofdioxide namen stelselmatig af. Na een sterke daling in de jaren ’90 zet de daling zich licht door in de stad en in industriegebieden, terwijl er in de landelijke en voorstedelijke stations eerder sprake is van een stagnering. Vorig jaar viel relatief goed mee op vlak van ozonoverlast, maar de Europese langetermijndoelstellingen voor ozon worden nog bijna overal overschreden. De fijnstofconcentraties daalden in 1996-1997, nadien toon-
den ze een eerder schommelend verloop. Het voorbije jaar was vrij gunstig voor de fijnstofconcentraties, onder meer door gunstige meteo-omstandigheden. De jaargrenswaarde voor fijn stof werd nergens overschreden, maar de daggrenswaarde wordt niet op alle plaatsen gerespecteerd. Probleemgebieden voor zware metalen blijven Beerse, Hoboken en Genk. Daar zullen extra inspanningen moeten gebeuren als Vlaanderen wil voldoen aan de nieuwe Europese streefwaarden die vanaf 2012 zullen gelden. De saneringen van de non-ferrobedrijven werpen hun vruchten af op vlak van dioxineverontreiniging. De uitbreiding van het depositiemeetnet verzuring vertaalde zich meteen in metingen die het effect van bemesting duidelijk weerspiegelen. Voor ammoniakmetingen halen we voorlopig nergens de langetermijndoelstelling. Het volledige rapport kan je bekijken op www.vmm.be/publicaties
Uitstoot broeikasgassen gedaald In vergelijking met de beginjaren ’90 stoten we anno 2008 aanzienlijk minder verontreinigende stoffen uit. Koolstofmonoxide (CO) en dioxines daalden met 53 en 91 % ten opzichte van 1990. Ook de emissies van fijn stof daalden voor de helft in vergelijking met 1995. Dankzij de dalende uitstoot van zwaveldioxide en ammoniak daalde ook de verzurende emissie, oorzaak van ‘zure regen’, met 53 %. De aanpak om het gat in de ozonlaag te laten verkleinen werpt vruchten af. De ozonafbrekende emissies namen met maar liefst 75 % af. Dat betekent niet dat we al victorie kunnen kraaien. In dezelfde periode nam het relatieve aandeel van gebouwenverwarming en verkeer toe. Dit betekent niet dat geen maatregelen werden genomen om de uitstoot te verminderen, maar deze wegen niet altijd op tegen de toenemende activiteit in die sectoren.
© Shutterstock
Om met een positieve noot te eindigen: de uitstoot van broeikasgassen nam met 8 % af ten opzichte van 1990. De CO2-emissie nam wel toe, maar dit werd gelukkig gecompenseerd door de verminderde uitstoot van andere broeikasgassen. Grootste uitstoters van broeikasgassen in Vlaanderen zijn de industrie (21 %), de gebouwenverwarming (20 %), het verkeer (19 %) en de elektriciteitscentrales (18 %). Het volledige rapport kan je bekijken op www.vmm.be/publicaties
december 2009
11
KORT
De VMM waakt over de drinkwaterfactuur. De drinkwatermaatschappijen staan zelf in voor de opvang en de zuivering van het afvalwater. Voor deze dienst mogen de drinkwatermaatschappijen hun klanten een saneringsbijdrage aanrekenen via de integrale drinkwaterfactuur. De VMM waakt over de structurele correctheid van deze aanrekening van de drinkwaterfactuur en maakt daarvoor gebruik van verschillende instrumenten. Dat gebeurt onder meer door een continue opvolging van de gefactureerde bedragen en het maken van duidelijke afspraken met de verschillende drinkwatermaatschappijen. Daarnaast voert de VMM verschillende concrete en toegespitste controles uit. Een recent onderzoek van de VMM ging na of en hoe de drinkwatermaatschappijen deze afspraken concreet vertalen in hun dagelijkse werking. Het onderzoek omvatte onder andere een steekproefsgewijs nazicht van reële drinkwaterfacturen, en de controle van de toekenning en de verrekening van de vrijstelling van de saneringsbijdrage voor bepaalde groepen klanten. Via een interview met de verantwoordelijken van de maatschappijen werd ook gepolst naar de manier waarop zij de wetgeving in de praktijk omzetten. Tenslotte werd de transparantie van de communicatie naar de klant onderzocht. En wat blijkt? Goed nieuws voor de consument! In principe verloopt de facturatie correct. Op een aantal punten heeft de VMM aanbevelingen geformuleerd waarvan ze de implementatie verder zal opvolgen. In hoofdzaak gaat dit over de optimalisering van interne processen zoals de kwaliteitscontrole. Aan de hand van de verzamelde informatie uit het onderzoek wil de VMM een normeringskader uitwerken, met als einddoel een nog betere en klantvriendelijkere service door de drinkwatermaatschappijen. Van de VMW, de grootste drinkwatermaatschappij in Vlaanderen die bijna de helft van de Vlaamse abonnees heeft, kreeg de VMM weinig tot geen antwoord op vragen over vastgestelde verschillen. Hieruit kan wel niet afgeleid worden dat de facturatie door de VMW niet correct zou gebeuren. In de toekomst plant de VMM nog verscheidene gelijkaardige wetenschappelijk onderbouwde onderzoeken. Zo zal onder
© Comstock
Klopt jouw drinkwaterfactuur?
meer in 2010 de aanrekening van de vergoeding door de drinkwatermaatschappijen op gemeentelijk niveau onder de loep worden genomen. De VMM blijft uiteraard ook continu waken over de correctheid van de drinkwaterfactuur en zoekt mee naar oplossingen voor eventuele structurele problemen. Voor individuele vragen omtrent uw drinkwaterfactuur kan u uw drinkwatermaatschappij contacteren. Op de website van de VMM vindt u een toepassing die u toelaat om uw drinkwaterfactuur voor 2009 te berekenen www.vmm.be/water/drinkwaterfactuur/bereken-uw-drinkwaterprijs
Voor meer informatie kan je terecht bij het Infoloket van de VMM.
Ecochic in jeans
© Aphasiafilms
Iedereen heeft wel enkele jeans in zijn garderobe hangen. Je kan er alle kanten mee uit, van casual tot chic. Maar minder chic zijn de ecologische en sociale aspecten bij de productie van jeans. Dat gaat van een hoog pesticiden- en watergebruik bij de katoenteelt over lage lonen tot veel CO²-uitstoot bij het transport. Dat betekent niet dat je jouw jeans voorgoed aan de haak moet hangen! De campagne ‘Let your blue jeans talk…green’, een initiatief van 5 ngo’s en BV’s Sven Pichal (Peeters & Pichal, Radio 1) en Cath Luyten (Vlaanderen Vakantieland) laat zien dat er groene alternatieven bestaan voor onze vertrouwde jeans.
12
Verrekijker
Surf naar www.greenjeans.be en kom er alles over te weten.
Signalen over ons milieu Met Signalen, het jaarlijkse rapport van het Europees Milieuagentschap (EMA), streeft het agentschap ernaar om onze natuurlijke omgeving te herwaarderen. De artikels die enkele belangrijke milieuthema’s aankaarten, tonen aan waar het de komende jaren om zal draaien in het milieudebat. Het rapport richt zich tot alle lagen van de Europese bevolking en is zeer leesbaar dankzij de verhaalstructuur waaraan elk thema wordt gekoppeld. Aan de basis ligt een enorme hoeveelheid
wetenschappelijke gegevens. EMA hoopt zo niet alleen het beleid maar ook ons alledaagse doen en denken te beïnvloeden en zo ook de beslissingen die we dagelijks – dikwijls achteloos- nemen. Signalen verschijnt in 26 talen. Je kan Signalen opvragen via de website www.eea.europa.eu
Geen natte voeten? Ga het online na Op 23 november werden de nieuwe gedetailleerde overstromingsvoorspellers voor het IJzer- en Demerbekken voorgesteld. Tot twee dagen vooraf zullen de voorspellers kunnen aangeven hoe het zit met het overstromingsgevaar in deze bekkens, op basis van onder andere neerslagvoorspellingen. Zo’n 6.000 puzzelstukjes dragen 24u/24u, 7 dagen op 7, bij tot zeer gedetailleerde informatie die elk uur wordt vernieuwd. Het dorpelpeil van alle risicolopende woningen werd opgemeten, waardoor exact te zien is wanneer overstromingsgevaar voor de woning dreigt. Via de overstromingsvoorspeller en via SMS kunnen de waterbeheerders, hulpdiensten en crisiscentra tijdig gewaarschuwd worden, zodat schade kan ver-
meden of beperkt worden. Een gedetailleerde permanentieregeling biedt niet alleen de garantie dat het systeem dag en nacht bewaakt wordt, ook kan te allen tijde beslissingsondersteunende informatie verstrekt worden aan hulpdiensten en crisiscomités. Ook burgers kunnen de situatie op de voet volgen op de vernieuwde website www.vmm.be/overstromingsvoorspeller. Samen met de reeds bestaande voorspellingssystemen in het Dender- en Dijlebekken beschikt Vlaanderen nu over 4 innovatieve systemen die resulteren in een proactieve aanpak van wateroverlast.
De lichtrevolutie
Deze zomer kregen winkeliers te maken met een ongewoon fenomeen: de hamsteraars. Oorzaak van deze plotse koopwoede? Het verdwijnen van de gloeilamp van 100 W uit de winkelrekken. De Europese regelgeving over verlichting eist namelijk van alle types lampen een bepaald niveau van energieefficiëntie, afvalverwerking, impact op het
milieu,… Twee richtlijnen voor lampen voor huishoudelijk gebruik stippelen het te volgen parcours voor de komende jaren uit. Voorlopig alleen voor niet-richtbare lampen geldt dat de heldere lampen tegen eind 2012 minstens een energielabel C moeten hebben, tegen 2016 wordt dat zelf een energielabel B. Matte lampen moeten nu al een A-label halen. Dit hele proces werd in 6 fasen opgesplitst. De eerste fase startte op 1 september 2009. Voor matte lampen bestaan nu al goeie, energiezuinige alternatieven zoals spaarlampen, ecohalogeen en LED-verlichting. Voor heldere lampen – meestal gloeilampen – nog niet en daarom verdwijnen ze geleidelijk aan tegen 2012. In 2010 verdwijnen de 75 wattlampen uit de winkelrekken. Zijn die alternatieven nu echt zoveel zuiniger? Jazeker : ecohalogeen heeft nu al een B- of een C-label. Je bespaart er 30 tot 50 % mee in vergelijking met de klassieke gloeilamp. Een compactfluolamp van 12 W spaart tot 80 % uit vergeleken met een klassieke matte gloeilamp van 60 W. Bijna alle spaarlampen (die allemaal een A-label
hebben) halen dit getal. Daarnaast zijn ze kwikzuinig en blijven de fabrikanten werken aan een betere functionaliteit, zoals lichtkwaliteit, levensduur en snel en veelvuldig opstarten. LED is aan een opmars bezig. Kiezen voor LED levert 70 tot 80 % besparing op. Voorlopig kunnen enkel de 25 tot 40 wattlampen vervangen worden door LEDverlichting, maar dat evolueert heel snel. LED gaat tot 50.000 uur mee, 50 keer langer dan een gewone gloeilamp! LED is voorlopig nog iets duurder dan compactfluolampen. Het aanbod zowel bij de spaarlampen als de LED-lampen verruimt geleidelijk aan. Je kan de spaarlamp nu in mooiere en kleinere gedaanten vinden, ook al blijft de klassieke spaarlamp het meest energie-efficiënt. Een vervanging van je gloeilampen merk je in je portemonnee. Stel dat je nog tien gloeilampen hebt hangen die je door compactfluolampen vervangt, dan spaar je tot € 70 per jaar uit. Niet mis. Meer info vind je op www.groenlichtvlaanderen.be
december 2009
13
14
Verrekijker
Š Kris Van Looy
Er hangt geen geurtje meer rond de Grensmaas
© Vildaphoto
K
De Grensmaas is opnieuw een prachtig stukje natuur.
Dat waterzuivering en een goed gecoördineerd milieubeleid snel resultaten kunnen opleveren bewijst de Grensmaas. Onderzoeker Kris Van Looy kan het beamen: het stukje Maas op de grens tussen België en Nederland is helder en stinkt niet meer. Kris Van Looy is als onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). In die functie werkt hij al ruim 15 jaar mee aan een verbetering van de kwaliteit van de Grensmaas. Het INBO adviseert diverse instanties, onder andere de VMM en de rivierbeheerder nv De Scheepvaart. Verder doet het INBO veel onderzoek naar de visgemeenschappen en -migratie omdat deze een goede graadmeter zijn voor de kwaliteit van de waterlopen. Zo beschikt het instituut over verschillende vismeetnetten in heel Vlaanderen. Op basis van hun meetgegevens adviseert het INBO de instanties. terug naar natuurlijke loop “De afgelopen jaren hebben we al heel wat proefprojecten opgestart in en rond de Grensmaas. Die kaderen in een grootschalig project om langs de 50 kilometer lange rivier alle oevers opnieuw het natuurlijke karakter van weleer te geven. De aanpak is grensoverschrijdend waarbij we heel nauw samenwerken met onze Nederlandse collega’s”, vertelt Kris Van Looy. Die heraanleg van de oevers is nodig omdat zo’n 150 jaar geleden veel oevers kunstmatig werden aangepast om de (trek)scheepvaart mogelijk te maken. Ook de aanleg indertijd van oever- en zomerdijken om het water beter te beheersen, pakte niet goed uit. “De Maas werd hierdoor smaller en dus ook dieper, want het stromende water moet nu eenmaal zijn weg vinden. Die versmalling had natuurlijk ook zijn weerslag op de natuur. Veel levende organismen verdwenen omdat die in een meer gekanaliseerde omgeving minder plek kregen om te overleven. Vandaar
dat we de zomerdijken en steile oevers zoveel mogelijk afgegraven hebben. Daar is men lokaal nu zo’n 10 jaar mee bezig en je ziet duidelijk resultaat.” onregelMatige watertoeVoer “Het probleem van de Maas is – typisch voor regenrivieren – dat het debiet enorme variaties kent. De Grensmaas is in de zomer eerder een klein beekje met een debiet van amper 10 m³ per seconde”, zegt Kris Van Looy. Het gemiddelde debiet van de Maas daarentegen is ongeveer 200 m³ per seconde. De rivier kan bij laagwater dus onmogelijk het afvalwater van een stad als Luik met 500 000 inwoners verwerken. Dat verklaarde de vervuiling en geurhinder uit het verleden. “Door de installatie van een grote zuiveringsinstallatie bij Luik (Oupeye) in 2007 is het water al veel schoner geworden en in de nabije toekomst gaan er nog meer installaties open op de Maas: onder meer bij Luik (Sclessin) en Namen (3 installaties). Ook het stuwbeheer in Wallonië zorgt voor veel onregelmatige en onnatuurlijke pieken in de watertoevoer. Maar ze hebben beterschap beloofd en ik ben er zeker van dat die er ook komt. Zo kreeg onlangs de meest nabije waterkrachtcentrale bij de vergunningsverlening van het Waalse Gewest de opdracht de turbine aan te passen zodat de watertoevoerpieken vermeden kunnen worden.” terug Van weggeweest “We stelden deze zomer vast dat de waterkwaliteit er flink op vooruit gegaan was”, vertelt Kris Van Looy trots. “Mede dankzij de droge
december 2009
15
© Jan Caudron
Martin Verdievel: “Het gaat beter met de Grensmaas maar de waterkwaliteit van zowel de Maas als van de meeste andere waterlopen in het Vlaamse Maasbekken was sowieso al goed.”
Grensmaas wordt gemeenschappelijke Maas De VMM sluit zich aan bij de bevindingen van Kris Van Looy van het INBO. Martin Verdievel wil enkele uitspraken wel nuanceren. “Het gaat beter met de Grensmaas – of de Gemeenschappelijke Maas zoals wij verkiezen – maar de waterkwaliteit van zowel de Maas als van de meeste andere waterlopen in het Vlaamse Maasbekken was sowieso al goed.” Het Vlaamse deel van het Maasbekken bestaat uit voornamelijk kleine riviertjes. Die beken monden ofwel rechtstreeks uit in de Grensmaas ofwel stromen ze naar Nederland. Het Maasbekken is één van de bekkens met de beste waterkwaliteit in Vlaanderen. “Dat komt omdat er al sinds de jaren ‘70 zuiveringsinstallaties in werking zijn”, aldus Verdievel. Meetresultaten uit het Jaarverslag Water 2008 staven de verbeter-
16
Verrekijker
de toestand van het Maasbekken. “In 2008 voldeden drie vierde van de meetplaatsen aan de BBI (Belgische Biologische Index), dat de biologische kwaliteit van de Belgische waterlopen beoordeelt. Niet slecht als je vergelijkt met het Vlaamse gemiddelde van 33,4 %”, vindt Verdievel. “Ook het zuurstofniveau scoort in het Maasbekken hoger dan het Vlaamse gemiddelde. Ongeveer de helft van de meetpunten kregen in 2008 de beoordeling ‘niet-verontreinigd’ of ‘aanvaardbaar’ mee, ten opzichte van een Vlaams gemiddelde van 33 %. De voorbije 10 à 15 jaar ging het Maasbekken er dus goed op vooruit”, besluit hij. Zelfreinigend vermogen De Grensmaas is wel een pak omvangrijker dan enkele kleine zijriviertjes en de aanvoer van water is grensoverschrijdend. Zijrivieren uit Frankrijk, Groothertogdom Luxemburg, Wallonië en Duitsland doen de Maas steeds verder aanzwellen. “Ook de Grens-
Continue bewaking Al dat moois moet natuurlijk zo goed mogelijk beschermd worden. De Maas voorziet ook 6 miljoen mensen van drinkwater. Een continue grensoverschrijdende bewaking van de waterkwaliteit is dus noodzakelijk. De VMM is lid van enkele internationale organisaties die daarvoor instaan. Het grootste overlegplatform is de Internationale Maascommissie (IMC). Frankrijk, Nederland, Duitsland, Luxemburg en de drie Belgische gewesten werken er samen aan een gemeenschappelijk meetprogramma waardoor de metingen van de verschillende landen kunnen vergeleken worden. In het gemeenschappelijke stroomgebiedbeheerplan stemmen de verschillende le-
© Vildaphoto
zomer zakte het waterpeil heel gestaag, waardoor verschillende organismen die al tientallen jaren geleden verdwenen waren, konden terugkeren. In augustus troffen we de kleine tanglibel weer aan, een typische soort voor grindrivieren met schoon water. En de Vlaamse rivierbeheerder nv De Scheepvaart had amper de zomerdijk in Kerkeweerd afgegraven of er doken al waterplanten op zoals het groot nimfkruid en breekbaar kransblad. Op de nieuwe grindoevers troffen we pioniers als dwergbloem en kleine kattenstaart. En met de planten komen ook de dieren terug: oeverlopers, oeverzwaluwen, kleine plevieren en ook trekkende visarenden komen er even tot rust.”
maas doet het steeds beter op vlak van waterkwaliteit vertellen onze metingen”, gaat Verdievel verder. “In 2008 kreeg de Grensmaas op alle meetplaatsen voor zuurstof de beste klasse van ‘niet-verontreinigd’ toegewezen. Ook in Lanaken, de meest stroomopwaarts gelegen meetplaats op de rivier. De opening van de zuiveringsinstallatie in Luik beïnvloedde wel enkele van onze gemeten parameters, maar ook vóór de installatie ervan scoorde de rivier niet slecht op vlak van waterkwaliteit. Dat zegt toch wel iets over het zelfreinigend vermogen van een rivier. Specifiek aan de Grensmaas is dat dit stukje Maas niet gestuwd is zoals in Wallonië, waar de Maas eerder op een kanaal dan een rivier lijkt. De Grensmaas is praktisch onbevaarbaar en door de sterke stroming zit er ook veel zuurstof in het water. Dit ongebreidelde stukje rivier ontwikkelde zich tot een prachtig stuk natuur, rijk aan fauna en flora.”
De oeverloper wordt opnieuw gesignaleerd aan de Grensmaas.
den acties en maatregelen op elkaar af. De IMC streeft naar een duurzaam en integraal waterbeheer op basis van de verschillende wetgevingen. Internationaal alarm Een belangrijke werkgroep binnen de IMC regelt het zogenaamde internationale alarm. Dat betekent dat als er iets gebeurt op het eigen grondgebied, het land in kwestie internationaal alarm slaat. Op die manier kunnen snel stalen worden genomen en eventueel de bron van verontreiniging opgespoord. “De waterloopbeheerders (nv De Scheepvaart voor Vlaanderen) kunnen acties ondernemen om de door de Maas gevoede kanalen anders te sturen, als er op tijd alarm wordt geslagen.
Tot nu toe werkt dit systeem vrij goed. Dat is ook nodig want hoe beter de waterkwaliteit, hoe kwetsbaarder de rivier”, licht Verdievel toe. Niet alle alarmmetingen gelden als ‘erg’ genoeg om een internationaal alarm af te kondigen. Omdat de VMM ook zicht wil hebben op het totale plaatje van alarmeringen werkt men nauw samen met het permanent bemande Nederlandse meetstation in Eijsden, de eerste meetplaats waar de Maas Wallonië verlaat. “Wij hebben een afspraak met Eijsden dat wij alle interne alarmeringen uitwisselen”, licht Verdievel toe. “Op die manier kunnen we heel kort op de bal spelen. Sinds juni heeft ook de VMM een permanent team klaarstaan dat bij milieu-incidenten meteen
stalen kan gaan nemen ter plaatse. Dat is ook zeer belangrijk bij het waken over de kwaliteit van ons drinkwater.” Elk op zijn oever? De VMM wil de term Grensmaas graag vervangen zien door Gemeenschappelijke Maas. Dat is niet zomaar. “Via de VlaamsNederlandse Bilaterale Maascommissie (VNBM) zetten Nederland en Vlaanderen concrete acties op touw die werk maken van een gemeenschappelijk waterbeheer. Bijvoorbeeld op vlak van gemeenschappelijke bemonstering. Daarvoor deed iedereen zijn eigen ding en dat leidde tot soms absurde situaties waarbij op nog geen kilometer afstand elk land op zijn eigen oever dezelfde metingen uitvoerde. Alsof het om twee rivieren zou gaan”, lacht Verdievel. “Bovendien hanteerden we verschillende parameters en methodes, wat de vergelijkbaarheid van de resultaten niet altijd ten goede kwam. Met de Europese kaderrichtlijn Water, die hamert op het vergelijkbaar maken van meetresultaten, kwam daar verandering in. En dat merk je al op het terrein. In Maaseik gebruiken Vlaanderen en Nederland nu dezelfde peilmeter (op Vlaamse bodem). In de toekomst willen we ook samen de waterkwaliteit meten. Het Gemeenschappelijke Monitoringplan Grensmaas dateert van 2007 en maakt de inventaris op van alles wat in de Gemeenschappelijke Maas door Nederland en Vlaanderen gemeten wordt op vlak van hydrologie, ecologie en waterkwaliteit. En dat is heel wat! Het plan lijst acties op om te komen tot een gemeenschappelijke meetstrategie waarbij de inspanningen verdeeld worden tussen de beide partijen. We vergelijken de metingen met elkaar en zoeken naar de oorzaken van hoe eventuele verschillen tussen bepaalde metingen mogelijk zijn. Door elkaar te ontmoeten in die verschillende organen en werkgroepen leren we elkaar ook beter kennen en ontstaat er een permanente uitwisseling van kennis en informatie. Deze gemeenschappelijke monitoring verplicht beide partijen om de verschillende meetmethodes op elkaar af te stemmen, zodat we niet met tegengestelde resultaten naar buiten komen en we een vergelijkbare beoordelingsmethode hanteren.”
50 km lang vormt de Maas de grens tussen België en Nederland.
december 2009
17
bekkenwerking DOSSIER
Integraal waterbeleid in de Vlaamse bekkens
Š Jan Caudron
Vlaanderen is voor het waterbeleid ingedeeld in elf bekkens. In de meeste gevallen is deze indeling gebaseerd op een belangrijke waterloop waar alle beken en beekjes naartoe vloeien. Via overleg tussen alle partijen die er watergebonden bevoegdheden hebben en via het uitwerken van het bekkenbeheerplan, wordt het waterbeleid en het waterbeheer er op elkaar afgestemd. Het klinkt allemaal nogal abstract maar in feite gaat het om heel concrete zaken: overstromingsbeleid, erosiebestrijding, ruimtelijke ordening, ‌ In dit dossier nemen we de dagelijkse werking van de bekkensecretariaten onder de loep en maken zo duidelijk hoe in de Vlaamse bekkens het integraal waterbeleid concreet vorm krijgt. 18
Verrekijker
We staan er niet vaak bij stil, maar we komen op ontzettend veel manieren in aanraking met water. Rivieren, grondwater, afvalwater, drinkwater... En al die stukjes water worden door verschillende instanties beheerd. Gaandeweg werd nochtans steeds duidelijker hoe ze allemaal onlosmakelijk met mekaar verbonden zijn. Een gezamenlijke aanpak drong zich op. Het decreet Integraal Waterbeleid was in 2003 het resultaat van een zoektocht naar een meer structurele manier om alle partners te laten samenwerken. Het integraal waterbeleid vertrekt vanuit het watersysteem als eenheid, als een geheel dat bestaat uit grondwater, oppervlaktewater, oevers, waterbodems, technische infrastructuur... Het watersysteem wordt ingedeeld in stroomgebieden en verder in bekkens en in deelbekkens. Dankzij deze aanpak kan er zelfs voor de kleinste waterlopen aandacht zijn. In Vlaanderen hebben we elf bekkens. Van West naar Oost: het IJzerbekken, het bekken van de Brugse Polders, het bekken van de Gentse Kanalen, het Benedenscheldebekken, het Leiebekken, het Bovenscheldebekken, het Denderbekken, het Dijle en Zennebekken, het Demerbekken, het Netebekken en het Maasbekken. In elk bekken is een bekkensecretariaat actief dat instaat voor de dagelijkse werking van het integraal waterbeleid. Meer informatie over het integraal waterbeleid vindt u op www.ciwvlaanderen.be
Wat zijn de bekkensecretariaten? Elk van de elf bekkens kan rekenen op de goede zorgen van een meerkoppig team: een bekkencoördinator, minstens één planningsverantwoordelijke en een vertegenwoordiger Ruimtelijke Ordening, samen de vaste kern van het bekkensecretariaat. In het bekken van de Gentse Kanalen heten ze repectievelijk Bart De heyder (WenZ), Ruben Rommens (VMM) en Evy Gillijns (R-O Vlaanderen). Zij vertellen ons wat er van hen verwacht wordt.
Bart De heyder: “Het plan geeft een visie op alles wat rond water draait binnen het bekken van de Gentse Kanalen.” © Jan Caudron
Samen werken aan water
“Eerst en vooral goot het bekkensecretariaat het bekkenbeheerplan in een vaste vorm”, vertelt Bart De heyder. Dat betekent: het watersysteem en het watergebruik in het gebied bestuderen en ontleden, knelpunten en kansen in kaart brengen. “Het plan geeft een visie op alles wat rond water draait binnen het bekken van de Gentse Kanalen. Niet enkel de waterkwaliteit of de wateroverlastproblematiek komen aan bod. Het gaat ook over het gebruik van water voor allerhande doeleinden: scheepvaart, recreatie, natuur, landbouw, industrie, drinkwater... Maar het is niet zo dat wij die visie op ons eentje schreven. Een bekkenbeheerplan is heel integraal. Voor de opmaak konden wij rekenen op de medewerking van iedereen die ook maar iets met water te maken heeft”, geeft Ruben aan. Bek-
kencoördinator Bart geeft een voorbeeld: “Aan het einde van het document zit een actieplan dat voor een periode van zes jaar een hele reeks acties samenbrengt. Voor de Gentse Kanalen telt dat 128 punten. Ze zijn allemaal toegewezen aan één of meerdere initiatiefnemers, sommige aan onszelf. Wij volgen jaarlijks de voortgang op.” Mensen samenbrengen en zorgen dat er oplossingen komen volgens de principes van het integraal waterbeleid. Zo kun je de opdracht van de bekkensecretariaten samenvatten. Ze organiseren onder andere drie overlegorganen. Bekkenbestuur Dat is het politieke luik. In het bekkenbestuur zetelen vertegenwoordigers van het Vlaamse Gewest en mandatarissen van de
december 2009
19
provincies en deelbekkens. Voorzitter van een bekkenbestuur is de provinciegouverneur. Hier worden knelpunten besproken, investeringsprogramma’s bekeken en formele adviezen voor de waterbeheerders opgesteld. Het bekkenbestuur keurt het bekkenbeheerplan goed en stelt het bekkenvoortgangsrapport vast.
© Jan Caudron
Bekkenraad In de bekkenraad zitten de maatschappelijke belangengroepen: landbouw, natuur, bos, milieu en landschap, toerisme en recreatie, industrie en handel, visserij, wonen en de transport- en vervoersector. Dit is een adviesorgaan dat zich onder meer buigt over het bekkenbeheerplan.
Van links naar rechts: Evy Gillijns, Bart De heyder en Ruben Rommens.
Ambtelijk overleg Dit is de vergadering met alle ambtenaren die betrokken zijn bij het waterbeleid in
het bekken, inclusief vertegenwoordigers van de Waterschappen (die werken een niveau lager, op dat van het deelbekken). Het ambtelijk bekkenoverleg staat het bekkensecretariaat bij en bereidt de documenten van het bekkenbestuur voor. “We zorgen ervoor dat informatie doorstroomt, bespreken knelpunten, gaan op zoek naar inzichten, ondersteunen de uitwerking van oplossingen...”, legt Bart uit. Als bekkencoördinator is hij zelf zo’n beetje het gezicht van het bekken. Hij zit vergaderingen voor en onderhoudt de contacten. Planningsverantwoordelijke Ruben doet vooral het studiewerk en volgt de acties op. Evy werkt deeltijds voor het bekkensecretariaat, deeltijds voor Ruimtelijke Ordening. “Water en ruimtelijke ordening zijn erg met mekaar verweven”, zegt ze. “Ook daar moeten we zorgen dat de juiste info bij de juiste mensen terecht komt.”
Adviseren – Faciliteren – Sensibiliseren
Adviseren “Voor de waterzuivering op bovengemeentelijk niveau wordt elk jaar een optimalisatieprogramma of OP opgesteld. Als bekkensecretariaat toetsen we de voorgestelde projecten aan het bekkenbeheerplan. We gaan ook ter plaatse. Wij geven daarbij ook aandacht aan bovenloopjes met ecologische mogelijkheden, ook al haalt zo’n project puur economisch minder rendement. Wat voor ons zeker voorrang krijgt? Waterlopen voor drinkwaterproductie en met kwaliteitsdoelstelling zwemwater, vervuilde waterbodems als ze op de prioriteitenlijst staan, in te richten overstromingsgebieden en natuurlijk de habitatrichtlijngebieden: speciale zones waarin habitats en plantenen diersoorten beschermd worden volgens richtlijnen van de Europese Unie. De Hallerbosbeken liggen in zo’n gebied. De waterkwaliteit was er opvallend goed, maar begon de laatste jaren toch lichtjes achteruit te gaan. Terwijl twee vissoorten, de rivierdonderpad en de beekprik, zich daar hele-
20
Verrekijker
maal thuis voelen en ook afhankelijk zijn van een optimale waterkwaliteit. Op ons advies heeft TMVW, de lokale rioolbeheerder, een dossier ingediend om een gemeentelijk rioleringsproject op te zetten.” Faciliteren “In 2006 behandelde het bekkenbestuur het dossier over de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Steenokkerzeel-Zuid. De waterkwaliteit van de Barebeek was zo slecht dat er wel stilaan haast bij was. Als voorzitter van het bekkenbestuur heeft de gouverneur toen een brief naar TBAC (The Brussels Airport Company) gestuurd met de vraag of ze de verharde oppervlakte van het meest oostelijke deel van de luchthaven wilden afkoppelen. Zo’n grote verharde oppervlakte zou immers voor een te groot debiet zorgen in de RWZI en dan kun je niet efficiënt zuiveren. Eigenaar TBAC is op de vraag ingegaan en de collector oostzone zal vanaf nu hemelwater afvoeren naar het wachtbekken in het noordoostelijk deel van de luchthaven. Ondertussen zit het dossier van de RWZI Steenokkerzeel-Zuid in de fase ‘technisch plan’. Binnen een drietal jaar zal de RWZI volledig operationeel zijn.” Sensibiliseren “We proberen de gemeenten aan te spreken via de Waterschappen. Zij werken
samen met de gemeenten aan deelbekkenbeheerplannen. Binnen de VMM zijn er statistieken over de rioleringsgraad (dit is het percentage inwoners in een zuiveringsgebied waarvan het afvalwater is aangesloten op de riolering). We merkten dat de gemeenten in het Waterschap Vrouwvliet zowat de laagste rioleringsgraad binnen ons bekken hadden. Op de stuurgroep van het Waterschap hebben we samen met de betrokken schepenen de kwaliteit van de waterlopen bekeken en hen gewezen op hun verplichtingen en verantwoordelijkheden. Verschillende gemeenten zijn meteen in actie geschoten en maken versneld werk van de uitbouw van hun rioleringsstelsel.”
© Jan Caudron
Bekkenwerking, wat houdt dat precies in? “Een bekkensecretariaat probeert in het hele waterverhaal de bestaande initiatieven beter op mekaar af te stemmen”, vat planningsverantwoordelijke Sandra Franck (VMM) samen. Voorbeelden uit het Dijleen Zennebekken illustreren dit.
Sandra Franck
Erosie, dat is het aardoppervlak dat afslijt, zou je kunnen zeggen. Regen doet de vruchtbare leemgrond in de Vlaamse Ardennen en het Pajottenland van de akkers afvloeien. Heeft dat ook iets met waterbeheer te maken? “Alles”, weten Annelies Sevenant (VMM), bekkencoördinator van het Denderbekken, en Greet Kerkhove (WenZ), bekkencoördinator van het Bovenscheldebekken.
Studiedag Om te beginnen bij het begin: je zou er eerst al voor moeten zorgen dat de leemgrond niet van de akkers wegspoelt. “Daar bestaan een hele reeks prachtige instrumenten voor, van beheersovereenkomsten tot investeringssteun voor machines voor directe inzaai. Maar die ruggensteuntjes hebben in de praktijk niet het gewenste effect”, ondervonden Greet en Annelies. Onder meer om die reden organiseerden hun bekkensecretariaten op 13 november 2009 een infodag voor iedereen die bij bodemerosie betrokken kan zijn: landbouwers, gemeentelijke mandatarissen en ambtenaren, waterbeheerders, ... Verschillende instanties die zich in de regio met bodemerosie bezighouden, werkten eraan mee. Gouverneur André Denys, voorzitter van beide Bekkenbesturen, stuurde het geheel aan. Annelies en Greet zetten niet alleen de noodzaak van een integrale aanpak in de kijker, maar verzamelden ook feedback van op het terrein. De drie B’s: brongericht, bufferen en baggeren Het zijn niet alleen de akkers die hun bovenste laag verliezen. Ook vanuit bossen en natuurgebieden stromen er leemdeeltjes de beek in. De prachtige beukenbossen vol hyacinten trekken heel wat recreatie aan. “Dat is ook goed”, geven de bekkencoördinatoren toe. “Maar een intensieve recreatie, inclusief quads en mountainbikes, maakt dat de onbedekte bodem vertrappeld wordt en bij de eerste de beste regenbui afvloeit.” Ook de verantwoordelijken voor bos en natuurgebieden waren welkom op de infodag. Zij waren, net als de landbouwers en veel gemeenten, het doelpubliek voor de eerste ‘B’
waarrond de dag was opgebouwd: een brongerichte aanpak. Landbouwers hoorden er bijvoorbeeld ook nog eens waarom het een slecht idee is om tot vlak tegen de weg te ploegen. Gemeentebesturen weten nu dat ze problemen alleen maar doorschuiven als ze het slijk van de weg het rioolrooster in jagen. De hele studiedag draaide rond ‘de drie B’s’: brongerichte aanpak, bufferende maatregelen en uiteindelijk baggeren, ruimen en saneren. Zo weinig mogelijk baggeren Bufferen doe je om te vermijden dat de grond in de waterloop terecht komt. “Dat kan bijvoorbeeld met grasbufferstroken of met kleine landschapselementen, met grasgangen, dammetjes, erosiepoeltjes...”, licht Greet toe. In de waterloop wordt vaak met sedimentvangen gewerkt. Die houden het sediment tegen op plaatsen waar het slib nog onvervuild of toch zo zuiver mogelijk is. Ze zijn een manier om de vaak zware investeringen helemaal stroomafwaarts in te perken: “Daar moet de diepgang voor de scheepvaart gegarandeerd blijven, de waterafvoer moet goed zitten om overstromingen te vermijden, soms is de waterbodem historisch vervuild en heeft het sediment zich daarmee vermengd... Op die plaatsen moet de waterbeheerder baggeren. En baggeren is een zeer duur verhaal.”
© Jan Caudron
“Erosie heeft zelfs met alle aspecten van integraal waterbeheer te maken”, vertelt Greet Kerkhove. “Elk jaar stromen meer dan drie ton bodemdeeltjes per hectare van de akkers in de waterloop. Dat is ontzettend veel. Eens de vruchtbare bodem in de waterloop zit, noemen we dit het sediment.” De Vlaamse Ardennen en het Pajottenland vallen daarbij op doordat er het hele jaar door veel erosie is, zowel na een zomeronweer als tijdens de winter. De leemgrond spoelt door tot in de valleien en uiteindelijk naar de Boven-Schelde en de Dender. Het is dan ook niet zo gek dat beide bekkencoördinatoren samenwerken.
DOSSIER
“De boeren zien hun vruchtbare leemgrond wegspoelen”
bekkenwerking
Erosie in de bekkens van de Dender en de Bovenschelde
Annelies Sevenant: “Erosie is nu eenmaal een natuurlijk fenomeen. We willen dus niet één schuldige aanwijzen, maar samenwerken aan integrale oplossingen.”
december 2009
21
© Jan Caudron
Van links naar rechts: Dré Maes, Greet Kerkhove en Liesbeth Rosseel.
IS HET JE OOK OPGEVALLEN... Annelies werkt voor de Vlaamse Milieumaatschappij, Greet voor Waterwegen en Zeekanaal en toch zijn ze allebei bekkencoördinator. Volgens afspraak zijn er 6 VMM’ers, 4 WenZ-mensen en 1 persoon van de nv De Scheepvaart die de elf Vlaamse bekkens coördineren. Omdat WenZ en nv De Scheepvaart beheerder zijn van de waterwegen hebben zij die bekkens onder hun hoede waar meer bevaarbare waterlopen zijn. De bekkencoördinatoren worden bijgestaan door in totaal twintig planningsverantwoordelijken (14 van VMM, 5 van WenZ en 1 van nv De Scheepvaart) en 5 verantwoordelijken voor Ruimtelijke Ordening van het Agentschap Ruimtelijke Ordening Vlaanderen. Ook de provincies werken structureel mee aan de opdrachten van het bekkensecretariaat. Door mensen vanuit de verschillende beleidsdomeinen en bestuursniveaus te laten samenwerken binnen een bekkensecretariaat, krijgt het integraal waterbeleid concreet vorm op het terrein.
22
Verrekijker
De vruchtbare landbouwgrond Alle partners in het Denderbekken en het Bovenscheldebekken zijn dus op één of andere manier betrokken bij de erosieproblematiek. Maar de bekkencoördinatoren blijven toch vooral extra aandacht besteden aan de landbouw. “Het Sectoraal Uitvoeringsplan Bagger- en Ruimingsspecie stelt dat 80 à 90 % van het sediment in de waterlopen uit de landbouw komt. De cijfers zijn aan een update toe, maar de verhoudingen kloppen nog steeds. Voor het Bovenschelde- en Denderbekken gaat het om tonnen per jaar. Ze nemen bijna één derde van heel Vlaanderen voor hun rekening, terwijl het nochtans twee relatief kleine bekkens zijn. Het Sectoraal Uitvoeringsplan bevat doelstellingen, acties en instrumenten die samen een duurzame aanpak bieden voor baggeren ruimingsspecie.” Dat erosie zo opvallend aanwezig is in deze twee bekkens is ook weer niet zo verwonderlijk. Het zuidelijke deel van Vlaanderen is erg reliëfrijk en erosie is daar van nature groter dan in een vlakker gebied. Maar dat betekent niet dat er niets aan gedaan moet worden. “Ook de landbouwers erkennen het probleem. Zij zien hun vruchtbare leemgrond wegspoelen. Het kan nog wel een generatie duren, maar niet veel langer voor we op de volgende geologische laag zitten.” En eens de grond weg is, is hij weg. Werken aan integrale oplossingen Annelies Sevenant benadrukt nog eens waarom een integrale aanpak nodig is: “Gemeenten aan de bovenstromen liggen vaak niet echt wakker van hun waterlopen: het sediment stroomt toch mee weg met het water. Maar dat is problemen doorschuiven die op het einde van de ketting allemaal samenkomen. Als ik eventjes bijna revolutionair mag doordenken: nu gaat een enorm budget naar het baggeren van de Schelde en het saneren van vervuild slib. Eens dat niet meer, of in veel mindere mate, nodig is, zouden de middelen stroomopwaarts gebruikt kunnen worden om brongericht te werken. Liever voorkomen dan genezen.” Daarbij beweert ze niet dat je erosie helemaal kunt voorkomen. “Erosie is nu eenmaal een natuurlijk fenomeen. We willen dus niet één schuldige aanwijzen, maar samenwerken aan integrale oplossingen.”
De studiedag rond erosie stond in de gemeente Sint-Maria-Lierde al heel lang in de agenda aangekruist. Het is er ook lang een lastig probleem geweest. Straten en huizen hadden niet alleen te kampen met wateroverlast, maar ook met slijk. André Eeman, schepen van Landbouw en lid van het bekkenbestuur Denderbekken, licht enkele oplossingen toe:
bekkenwerking
© Jan Caudron
“In Langemunte was het probleem het grootst. Er was zelfs schade aan de teelten. Daar hebben we over 35 hectare een afstromingsgebied aangelegd. Het gaat om twee bermen waarop we het water in een hoek drijven en daar vertraagd via een knijpleiding laten wegstromen. Sindsdien is de overlast zo goed als opgelost. Eén van de oorzaken van de erosie in Lierde is de inkrimping van het veebestand. Vroeger hadden we vooral weiland en dat gaf niet zoveel problemen. Nu de boeren steeds meer overschakelen op akkerbouw dreigen we de leemgrond sneller te verliezen. We raden hen dan ook steevast aan om tegen de afstroming in te ploegen. En als ze aardappelen planten, kunnen ze een stukje
grond vrij laten waar het water kan blijven staan. Wat wij bijvoorbeeld ook doen, is graskanten van 6 meter breed aanleggen, 3 meter is te weinig. We laten er dieren op grazen of de boeren kunnen op die stukken draaien als ze hun land bewerken en tegelijk stockeren we er honderdduizenden liters water. Een andere maatregel: tussen twee stukken akker die naar mekaar toelopen, leggen we een strook grasland aan. En achter hoger gelegen akkers graven we een flinke gracht (2 meter breed en 1 meter diep) zodat de modder de huizen niet meer instroomt. De meeste ingrepen zijn niet ingewikkeld, sommige zelfs zeer eenvoudig. En ze zijn ook meestal niet erg duur. Maar de resultaten zijn heel goed. Na een paar jaar kunnen we zeggen dat we op zeer veel plaatsen de erosie onder controle hebben. Het gemeentebestuur heeft samen met de provincie nog verder in erosiebestrijding geïnvesteerd. Er is een beheersovereenkomst met de landbouwers getekend voor vijf jaar. Nog één boer stribbelt tegen en daar zitten we wel een beetje mee in onze maag. Het enige wat wij willen, is de schade beperken voor iedereen.”
DOSSIER
© Jan Caudron
“EEnvoudIgE IngrEpEn mEt grotE rEsultAtEn”
december 2009
23
Overstromingen in de Brugse Polders
Het bekkensecretariaat bewaart het overzicht In het bekken van de Brugse Polders durft het al eens te overstromen. En als dat betekent dat er ook huizen en straten onder water staan, of dat er schade is op akkers, dan verwijzen we het water liever naar elders. Maar hoe? Planningsverantwoordelijke Mathias Vanden Bulcke (VMM) bewaart het overzicht.
© Jan Caudron
Mathias Vanden Bulcke: “Wie al dertig jaar in overstroombaar gebied woont, maakt er geen melding meer van als de helft van de tuin onder water staat. Nieuwkomers schreeuwen moord en brand.”
De meeste bekkens dragen de naam van hun slagader, een hoofdstroom waar alle beken naartoe vloeien. Het bekken van Brugse Polders zit moeilijker in mekaar. Het is een verzameling beken en riviertjes met daardoor een paar kunstmatig gegraven kanalen. Omdat ook die hun invloed hebben op het watersysteem, wordt het hier erg complex om de waterstromen te beheersen. “Velen kennen een deel van het systeem grondig, maar weinig mensen hebben een totaalzicht.” Dat merkt Mathias Vanden Bulcke onder meer wanneer hij zich over de overstromingsproblematiek buigt.
24
Verrekijker
Overstroming vs Overlast “Je moet een onderscheid maken tussen een overstroming en wateroverlast”, begint de planningsverantwoordelijke. “Overstromen is een natuurlijk verschijnsel. Als het hevig of langdurig regent, kunnen de beken het water niet meer binnen hun bedding houden en treden ze buiten hun oever. Het water blijft dan lang genoeg staan om door te sijpelen en het grondwater aan te vullen. Wij gebruiken dat grondwater trouwens ook, voor drinkwater, industrie en landbouw. Pas wanneer bijvoorbeeld huizen onder lopen, spreekt men van overlast. Ook een weg die onder water staat, geeft hinder, maar dat is doorgaans zonder economische schade. Landbouwers zien door overstromingen soms een deel van hun oogst verloren gaan.” De natuur laat zich niet dwingen Tot veertig jaar geleden werden overstromingen in landelijk gebied zelden gezien als overlast. Maar de landbouwer moest steeds economischer met zijn grond omspringen, ging hem anders bewerken en verdraagt het natuurlijke verschijnsel veel minder. Bij mensen die in een vallei wonen, ziet Mathias een psychologische evolutie: “Wie al dertig jaar in overstroombaar gebied woont, maakt er geen melding meer
bekkenwerking DOSSIER
© VMM archief
van als de helft van de tuin onder water staat. Nieuwkomers schreeuwen moord en brand. Wij leven in een tijdperk waarin we alles willen controleren.” Nochtans laat de natuur zich niet dwingen. Als je dat wel probeert, heeft dat zijn gevolgen. Mathias: “De motor achter alle overstromingen is de regen en die wordt deels beïnvloed door de mens. Wij zorgen voor een klimaatwijziging. Twee effecten daarvan zijn belangrijk voor overstromingen: de regen zou intenser kunnen worden én de zeespiegel stijgt. We hebben aan de kust dijken en een duinengordel. Als die het toch zouden begeven, zijn de gevolgen dramatisch.” Ruimte voor water Het watersysteem vraagt om een drietrapsstrategie: vasthouden-bergen-afvoeren. “Je probeert in eerste instantie zoveel mogelijk stroomopwaarts vast te houden. Lukt dat niet, zorg dan voor ruimte om te bergen, desnoods in kunstmatige wachtbekkens. Als ook dat geen soelaas biedt, voer het water dan zo snel en veilig mogelijk af door bijvoorbeeld de waterloop te verbreden of een pomp te installeren. Zo lang je maar weet wat stroomafwaarts de gevolgen zijn”, verduidelijkt Mathias. “De vuistregel is dat water ruimte nodig heeft. Bouwen in overstromingsgebied is vragen om problemen. Bovendien is water belangrijk voor de natuur. Elke winter komen er vogelkolonies uit Siberië en Groenland die overwinteren op de onder gelopen weilanden in de polders.” Overstromingsgebieden in kaart gebracht We zullen nooit alles kunnen voorkomen. Een aantal woonwijken blijven kwetsbaar. Om toch zo goed mogelijk te kunnen
Een tweede wachtbekken was niet genoeg In Maldegem werkte Natascha Mortier (Groendienst) mee aan een Masterplan Overstromingen. Dat plan getuigt van een totaalaanpak. Risicoplekken worden ter plaatse aangepakt, maar ook bovenstrooms en stroomafwaarts is gezocht naar extra maatregelen. Zoiets vraagt natuurlijk om samenwerking tussen landbouwers, natuurverenigingen, verschillende diensten... Het secretariaat van het bekken van de Brugse Polders vindt dit Masterplan een schoolvoorbeeld van hoe je gebiedsdekkend op verschillende fronten kunt werken en maakt er dan ook met plezier gebruik van om de aanpak te promoten bij diverse waterbeheerders. Natascha vertelt zelf hoe ze te werk ging: “Een hoofdknelpunt bij ons is de Ede. Er bestaan zelfs documenten over overstromingen uit 1279. Toen er in het begin van het nieuwe millennium een paar keer problemen waren in Kleit, zette het gemeentebestuur het opnieuw op de agenda. Er was al een klein wachtbekken. We wilden nu partners warm maken voor een tweede. Na twee zware zomeronweren in 2005 beseften we dat zelfs dat niet genoeg was en zijn we begonnen aan een masterplan. Het werd mijn taak om opmerkingen, klachten en knelpunten te bundelen. Nadien stelde een studiebureau een actieplan op. We hebben het Masterplan voorgesteld op 23 augustus 2006. Twee dagen later kregen we te maken met de zwaarste overlast ooit. Er werd een rampenplan afgekondigd en ik heb meteen alle partners gebeld: de provincie, VLM, het studiebureau, de Vlaamse Gemeenschap, de VMM, ... Iedereen was zo onder de indruk van zoveel natuurgeweld dat de bereidwilligheid om te helpen eens zo groot was. In juni van dit jaar konden we de wachtbekkens officieel openen en bijna alle andere maatregelen zijn intussen afgewerkt. En wat heel belangrijk is: de mensen weten dat het ook ons bezighoudt.”
december 2009
25
© VMM archief
voorspellen waar en wanneer onheil dreigt, worden sinds de jaren ’90 de overstromingsgebieden in kaart gebracht. Onderzoekers doken eerst in archieven, zochten krantenknipsels en bevroegen brandweer en civiele bescherming. Ondertussen stuurden ze mensen het terrein op om bij elke overstroming handmatig op een kaart in te kleuren. Vandaag doen computermodellen simulaties van neerslag die valt, afvloeit, in de beek terecht komt, die aanzwelt en buiten zijn oevers treedt... Ondertussen zijn de gegevens redelijk volledig. “Dat helpt om risicokaarten te maken. Bij een risico weegt men de kans op voorkomen af tegen de schade”, legt Mathias uit. Keuzes helpen maken “Als bekkensecretariaat werken we op het terrein zelf weinig aan de overstromingsproblematiek, het zijn de waterbeheerders die zorgen voor de aanleg van bijvoorbeeld overstromingsgebieden of die de nodige infrastructuurwerken coördineren. Maar wij hebben er wel zicht op waar de verschillende partijen mee bezig zijn”, zegt
26
Mathias. Hij bewaart het overzicht. Welk effect heeft een hevige zomerstorm boven een dorp? Wat gebeurt er als de Leie een overdosis te verwerken krijgt vanuit Frankrijk en het water via de kanalen ook naar Brugge stroomt? “Beleidsmensen moeten keuzes maken en hanteren daarbij verschillende criteria. De beek verbreden of het straatje tijdelijk afzetten? Zandzakjes uitdelen, beschermingsdijken rond huizen en woonwijken optrekken of misschien zelfs het gehucht ontruimen en teruggeven aan het watersysteem? Wij vergaren extra kennis, maken een verslag na ernstige overstromingen, bekijken de knelpunten en zorgen dat de informatie doorstroomt. Dat kan bijvoorbeeld door de betrokkenen samen te brengen tijdens een studiedag: politici, waterbeheerders en hulpverleners. Het vraagt tijd voor je weet hoe de vork aan de steel zit. Dat hele watersysteem laat zich niet makkelijk lezen. Wij zoeken het uit en willen dan aan mensen die beslissingen moeten nemen, aangeven waar ze accenten kunnen leggen”, aldus Mathias Vanden Bulcke.
Honderd oproepen tegelijk
1250 werkuren poetsen
Brandweercommandant Bernard Diopere van Torhout heeft heel wat ervaring met wateroverlast: “Vooral in Zedelgem zijn er wel eens problemen. In 2005 is het daar nog heel zwaar overstroomd (dit interview dateert van voor eind november 2009, toen de Westhoek opnieuw te maken kreeg met zware wateroverlast, red.). Wij krijgen dan niet één oproep binnen, maar een honderdtal en die moet ons team allemaal verwerken. We sturen dan eerst officieren uit om de prioriteiten te bepalen. Daarna kunnen de ploegen meteen aan de slag. Zelf blijf ik zoveel mogelijk in de kazerne om de oproepen te volgen, te kijken waar het materiaal zit en contact te houden met het stads- en gemeentebestuur, de provincie, de technische diensten, de sluizen in Brugge... Nadien maken we een analyse van de gebeurtenissen en die sturen we via de gemeente door naar de provincie. Sinds een studiedag die het bekkensecretariaat vorig jaar organiseerde, lopen die contacten vlotter dan ooit. We kennen mekaars problemen. Ondertussen hebben we, ondermeer dankzij het spaarbekken Pierlapont, de wateroverlast redelijk onder controle. Maar als het nog eens zo gek doet als in juli 2005, dan mag je de meest onmogelijke dingen voorzien, overstromen zal het toch.”
Ook bij de firma Timmerman (schrijnwerk in pvc en aluminium) zijn ze zeer te spreken over de integrale aanpak. Die 25ste augustus 2006 kregen ze het hard genoeg te verduren. Zaakvoerder Dirk Timmerman: “Ons bedrijf ligt op het laagste punt van de gemeente, dat is al zo sinds 1947. Nieuwe gebouwen hebben we ook steeds hoger laten zetten. In het oudste stuk hadden we die zomerdag 73 centimeter water staan. De conciërge belde mij rond 4 uur ’s morgens; er stond toen water op de binnenkoer. Nog geen drie uur later stond alles onder, ’s avonds bleven wij achter met een modderpoel. Het water had makkelijk schade kunnen veroorzaken aan de machines, maar we zijn onmiddellijk alle mogelijke Huurland-filialen afgegaan om luchtdrogers te halen. Uiteindelijk hebben we zo’n 1250 werkuren nodig gehad om alle pvc- en aluminiumprofielen te reinigen. De genomen maatregelen hebben ons wel gerustgesteld: een tweede spaarbekken, een verbreding aan de beek, een bruggetje is weg... We zien het waterniveau nog stijgen als het hard regent, maar het daalt ook weer snel.”
Verrekijker
“Wij maken het ruimtelijke ordening makkelijker om rekening te houden met het watersysteem”
“In grote lijnen zou je kunnen zeggen dat we twee verhalen in mekaar willen schuiven”, begint Bram Abrams, bekkencoördinator Netebekken, zijn toelichting. “Wij gaan iets aanleveren dat helpt om bij de opmaak van een ruimtelijke visie al te zeggen: ‘Die gewestplanbestemming is destijds niet zo verstandig ingekleurd, dat kan beter.’ In Vlaanderen wordt een visie eerst in een structuurplan gegoten. Dat wordt concreter gemaakt in een uitvoeringsplan en als een burger dan een huis of een fabriek of om het even wat wil bouwen, heeft hij een vergunning nodig die beoordeeld wordt aan de hand van het uitvoeringsplan. Omdat elk bouw- en ontwikkelingsproject een impact heeft op het watersysteem, gebeurt er nu een watertoets bij elke vergunningsaanvraag.” Bram vindt dat te laat. “Water heeft ruimte nodig om te kunnen overstromen en infiltreren. Daar moet je in je ruimtelijke visie al uitgebreid rekening mee houden.” In het verleden gebeurde dat te weinig.
Ruimtelijke Ordening popelt Toen de bekkenbeheerplannen vorm kregen, kwamen er ook kaarten die aanduidden welke gebieden belangrijk zijn voor het watersysteem. Nadien zijn die kaarten op het gewestplan gelegd. “We zagen een overlap tussen gebieden die belangrijk zijn voor het water en gebieden die een harde ontwikkeling toelieten. Bijvoorbeeld wonen en industrie. Die hebben we aangeduid als ‘rode vlekjes’: de signaalgebieden”, vertelt Bram. Toen het gewestplan in de jaren ’70 ingekleurd werd, gebeurde dat niet overal even doordacht. De vallei kan best mooi zijn om in te wonen, maar het hoeft ook niet te verwonderen dat die af en toe overstroomt. “Ruimtelijke Ordening wacht popelend op meer concrete voeding vanuit het waterbeleid om hun visie te verfijnen. Daarom brengt de Toetsing Signaalgebieden voor specifieke gebieden alle relevante informatie samen tot een overzichtelijk geheel”, aldus Robin De Smedt.
© Jan Caudron
© Jan Caudron
DOSSIER
Bram Abrams (VMM) en Robin De Smedt (RO Vlaanderen), beiden van het bekkensecretariaat van het Netebekken, broeden op een handig systeem om het voor Ruimtelijke Ordening (RO) makkelijker te maken om het hele waterverhaal al meteen in de visieontwikkeling te verwerken.
bekkenwerking
Aandacht voor de rode vlekjes
Bram Abrams: “Water heeft ruimte nodig om te kunnen overstromen en infiltreren. Daar moet je in je ruimtelijke visie al uitgebreid rekening mee houden.”
december 2009
27
© Misjel Decleer
© Jan Caudron
Robin De Smedt: “Eind volgend jaar hopen we dat de eerste dossiers bij Ruimtelijke Ordening liggen.”
Signaalgebieden verfijnen tot aandachtsgebieden De heren willen de loep leggen op de rode vlekjes: is hier een probleem? Hoe groot is het? En wat willen we eraan doen? “We willen in elk geval vermijden dat men in de toekomst nog woongebieden ontwikkelt op plekken waar het om de zoveel jaren overstroomt.” Ze verzamelen alle mogelijke kaarten: overstromingskaarten, digitale terreinmodellen met het reliëf, beleidskaarten, uitvoeringskaarten, kaarten van de watertoets, bodemkaarten... en ze gaan ook op het terrein kijken. De signaalgebieden die het dringend nodig hebben, verfijnen ze tot aandachtsgebieden. “We maken een andere afbakening. Bebouwing filteren we eruit, we doen geen uitspraak over huizen die er al staan, maar willen integendeel de mensen die daar nu al wonen zoveel mogelijk beschermen.” Stukken met bergingsfunctie Bram en Robin geven een voorbeeld. Robin: “Het gebied is voor het grootste deel ingekleurd als woonuitbreidingsgebied. Maar uit het bekkenbeheerplan weten we dat de betrokken woonkern de afgelopen jaren veel te kampen had met wateroverlast. Op zo’n plek is het belangrijk dat stukken die nog niet gebouwd zijn hun bergingsfunctie kunnen blijven vervullen. Dat ze met andere woorden ook onbebouwd blijven. Vasthouden – bergen – afvoeren, dat principe geldt op alle niveaus van het waterbeleid. Nadat we alle kaarten besproken hebben, formuleren we een conclusie. Een stuk van het woonuitbreidingsgebied ligt iets hoger en is niet echt overstromingsgevoelig, daar zou je nog kunnen bouwen. Voor andere delen raden we aan om ze te herbestemmen naar iets dat wel compatibel is met het watersysteem.”
28
Verrekijker
Compenseren Bram beseft dat hun analyses voor veel mensen bedreigend zullen klinken. “Grond die je niet kan bebouwen is minder waard dan grond waar je wel op mag bouwen. Maar bij Ruimtelijke Ordening kunnen ze er tegelijk ook over denken om het woongebied te verplaatsen. Er zijn verschillende instrumenten beschikbaar, zodat het geen financiële dobber voor de eigenaar hoeft te zijn.” “Structuurplannen gaan uit van de noodzaak. Ze wijken niet zomaar af van zoveel hectare woongebied, zoveel hectare industrie. Als je ergens stukjes afneemt, moeten er op een meer geschikte plaats bijkomen”, vult Robin aan. De discussie op gang Het duo werkt op dit moment de handleiding af. Begin 2010 kunnen alle bekkensecretariaten hiermee aan de slag. “Bedoeling is dat ze in hun bekken eerst de meest prioritaire signaalgebieden aanduiden, daar aandachtsgebieden van maken, ze analyseren en tot slot hun conclusies voorleggen aan het ambtelijk overleg, de bekkenraad en het bekkenbestuur. De structuren van het integraal waterbeleid lenen zich perfect voor deze oefening: er wordt een maatschappelijk draagvlak gezocht. Eind volgend jaar hopen we dat de eerste dossiers bij Ruimtelijke Ordening liggen. Dat zal ongetwijfeld nog voor de nodige discussie zorgen, maar als bekkensecretariaat proberen wij het debat aan te zwengelen. Het is niet leuk om over eigendommen te praten, maar het is nog veel minder leuk om achteraf voor de camera’s te moeten uitleggen dat het weer overstroomd is”, zo klinkt de ambitie van Bram en Robin.
© Jan Caudron
DOSSIER
bekkenwerking
Wandelen door het Schulensbroek en de Mombeekvallei
“Ruimte voor water is het vertrekpunt, maar dan...” In het Demerbekken lopen verschillende ‘Integrale Projecten’. Waterberging, natuurontwikkeling, landbouw en zachte recreatie vloeien er in elkaar over. Bekkencoördinator Jan Vanvelk (VMM) leidt ons doorheen het gebied van twee projecten die het bekkensecretariaat recent opstartte. Ward Andriessen en Joke Rymen van het Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren, een actieve partner in beide projecten, geven een extra woordje uitleg. Van op een brugje over de Herk zien we in de verte de binnendijk die rond het overstromingsgebied van het Schulensbroek ligt. Helemaal aan de andere kant van het gebied stroomt de Demer. In het bekkenbeheerplan van het Demerbekken staan een tiental integrale projecten. Bekkencoördinator Jan Vanvelk: “In zo’n project zitten de visies op de waterloop, op de vallei, op erosie, op zachte recreatie... in mekaar verweven. Sommige projecten coördineert het bekkensecretariaat, in andere blijven we eerder op de achtergrond. Aan de basis van elk integraal project ligt een grondige studie en visie. Vaak zijn dat de ecologische inventarisaties en visies op integraal waterbeleid die zijn opgemaakt in opdracht van de waterbeheerder, in dit geval de VMM. We zoeken daarbij in eerste instantie naar meer ruimte voor water, om wateroverlast in de toekomst tegen te gaan. Aan de waterbeheerder om daarbij concrete acties te realiseren: de inrichting van overstromingsgebieden, structuurherstel van de wa-
terloop of wegwerken van vismigratieknelpunten. Het bekkensecretariaat concentreert zich op randvoorwaarden als waterkwaliteit en integraal beheer, en brengt iedereen samen om te zoeken naar win-winsituaties” Trage Waters en Trage Wegen Het Schulensbroek en Herk en Mombeek zijn twee integrale projecten waarvoor het bekkensecretariaat het overleg organiseert. In het Schulensbroek ging dat makkelijker dan de bekkencoördinator zich had kunnen wensen. Eind 2006, een jaar voor het startschot van de integrale projecten, had het Regionaal Landschap er het GLE-project ‘Trage Waters en Trage Wegen’ uitgewerkt. GLE staat voor Grote Landschappelijke Eenheid, een initiatief van de provincie Limburg. Dat was een goede voorbereiding. “En wij hadden wel de fondsen voor het studiewerk, maar niet altijd voor concrete acties”,
december 2009
29
30
Verrekijker
Š Jan Caudron
Meer informatie over het integraal waterbeleid vindt u op www.ciwvlaanderen.be
Het grootste meer van Vlaanderen We springen weer in de auto, rijden door het industriegebied Halenbroek, zien links een waterzuiveringsstation, rechts vloeien de Herk en de Gete samen. Een paar honderd meter verder zullen ze uitmonden in de Demer. Wij zijn op weg naar het grootste meer van Vlaanderen: het Schulensmeer. “Dat meer kun je beschouwen als het knooppunt van het Demerbekken”, vindt bekkencoördinator Jan. “De meeste grotere beken uit het Demerbekken komen hier en iets verder richting Diest samen om uiteindelijk naar de Demer te stromen: de Herk, de Gete, de Mangelbeek, de Velpe,
de Zwarte Beek...” Onze wandeling vertrekt aan het uitlaatsysteem van het bekken. Joke gidst: “Het Schulensmeer was bij de aanleg tamelijk diep, ondertussen is het wat aangeslibt. Bij hoog water gaat de sluis aan de andere kant van het meer open en dan kan alles binnen de dijken onder water lopen. Als het Demerpeil gezakt en het overstromingsgevaar geweken is, mag via de sluis aan deze kant het water traag uit het meer stromen.” Het Schulensmeer is eigendom van de afdeling Operationeel Waterbeheer van de VMM, maar het beheer is in handen van ANB (Agentschap voor Natuur en Bos), dat op zijn beurt samenwerkt met de lokale Natuurpuntafdeling. “ANB wil een deel van de oevers open maken voor een plas-drassituatie waar riet kan groeien. Aan de zuidkant van het meer krijgt de natuur voorrang. Doorheen het hele gebied hebben we wandelpaden gericht aangelegd. Aan de noordkant van het meer zijn er ’s zomers surf- en zeilkampen,” gaat onze gids verder. Jan luistert aandachtig. Dit vindt hij een perfect voorbeeld van integraal waterbeheer: waterberging voor de veiligheid, gecombineerd met een groot natuurgebied, aandacht voor de waterkwaliteit, landbouw én ook recreatie. Schulensbroek in het klein Even later zitten we opnieuw in de auto. We rijden door Herk-de-Stad richting Stevoort. Aan de rechterkant van de weg zien we vooral huizen; links ligt de vallei. In het centrum van Stevoort zien we de Herk het park in lopen. “Bij vroegere overstromingen ben ik in deze straat nog door het water gefietst”, herinnert Jan zich. Hij bereidt ons voor op onze volgende halte: de plek aan de rand van het dorpje waar het grootste van de in de Vlaamse bekkenbeheerplannen aangeduide overstromingsgebieden gepland staat. Ward: “Als je van integraal
spreekt... Het zou mooi zijn als we dit gebied niet alleen klaarmaakten om water op te vangen, maar het ook een natuurfunctie konden geven. Of recreatie voorzien. Een beetje Schulensbroek in het klein.” Jan antwoordt: “In het integraal project Herk en Mombeek probeert het bekkensecretariaat inderdaad naar die extra resultaten te zoeken. Dit gebeurt via overleg met de juiste partners.”
bekkenwerking
© Jan Caudron
Samen scenario’s bestuderen Ondertussen staan we aan de rand van het Schulensbroek: de Vroente. Een vrijweide in het Demerbekken. “Nee, dat is niet wat je denkt,” lacht Joke. “Het is een wei in eigendom van de gemeente waar iedereen zijn dieren vrij kan laten grazen.” Een belangrijk knelpunt hier is het overstort van Aquafin. Als het hard regent, stroomt het water niet naar het zuiveringsstation, maar via de overstort gewoon de beek en zo ook de grond in. Een plaatselijke landbouwer die zijn gronden steeds weer onder water zag staan, nam contact op met het bekkenbestuur. Daarop startten het bekkensecretariaat en Aquafin een overleg. Ze bestudeerden een aantal nieuwe scenario’s en zochten zo naar een oplossing die voor iedereen aanvaardbaar was. Daarbij hielden ze ook rekening met de natuur: het water was immers zo vervuild dat niet alleen de landbouw problemen ondervond. “De Vroente is nooit veel bemest geweest en er groeien een paar bijzondere plantensoorten. Kruipend moerasscherm is daar één van, een Europees beschermde soort. Daarnaast is dit gebied waardevol voor weidevogels zoals de grutto. Je ziet al meteen de waarde van een project als dit: de landbouw vraagt al lang naar een oplossing, de natuursector ook, maar het werd nog nooit samen bekeken,” zegt Joke.
Jan Vanvelk: “De bekkenbeheerplannen waren een eerste stap. Nu zorgen wij er mee voor dat de integrale visie ook in de praktijk wordt gebracht. Make it happen!”
DOSSIER
klinkt Joke Rymen enthousiast. Het project wou een ‘tragere’ waterafvoer met meer contact tussen waterloop en omgeving. Trage Waters en Trage Wegen werd in het kader van het openbaar onderzoek in het bekkenbeheerplan geïntegreerd. “Door water- en andere terreinbeheerders samen te laten overleggen, blijken standpunten die op het eerste gezicht mijlenver uit mekaar lagen toch niet helemaal onverzoenbaar”, stelt de bekkencoördinator.
Make it happen Terwijl Ward verder nadenkt over de manier waarop hij de natuurverbetering van de Herkvallei kan aanpakken, neemt Jan ons mee naar alweer een volgende vallei. Die van de Mombeek, een fijn wandelterrein dat ook de buren stilaan aan het ontdekken zijn. De projecten staan hier nog in hun kinderschoenen. “We zien hier grote mogelijkheden om water, natuur en ook zachte recreatie samen vooruit te laten gaan. Alleen moet daarvoor eerst de waterkwaliteit verbeteren,” weet Jan. Zijn bekkensecretariaat werkt daaraan mee. En dan nadert het eindpunt van onze tocht: een gezellig bovenloopje van de Mombeek in Zammelen, het terrein van dassen, gulden sleutelbloem en orchideeën. ’s Zomers ligt hier een prachtig kleurentapijt van bloemen. In dit heuvelachtige gebied speelt de erosieproblematiek een grote rol. Ook daar rond bedenkt het bekkensecretariaat initiatieven. “Van alle plannen die we vandaag uit de doeken deden, zullen er een paar heel snel voor resultaten zorgen. Bij andere is dat misschien pas voor binnen vijftien jaar. Het gaat soms traag, maar als niemand het in gang steekt, zal het ook nooit gebeuren. De bekkenbeheerplannen waren een eerste stap. Nu zorgen wij er mee voor dat de integrale visie ook in de praktijk wordt gebracht. Make it happen!”, besluit Jan.
december 2009
31
Boer kiest voor eigen waterzuivering met een rietveld
“Ik laat de natuur zijn werk doen” 32
Verrekijker
© Jan Caudron
In Vlaanderen is er een zuiveringsplicht voor huishoudelijk afvalwater. Dat betekent dat je woning moet aangesloten zijn - of op termijn moet aansluiten - op een riolering die op zijn beurt is aangesloten op een zuiveringsinstallatie. Maar wat doe je als er geen riolering in je straat is voorzien? Marc Bollaert vond er een prima oplossing voor: hij liet een rietveld aanleggen. En met het gezuiverde water besproeit hij nu zijn tuin. Natuurlijker kan het niet.
Je zou denken dat Vlaanderen een bijzonder wijd verbreid rioleringsnet kent. Toch is het op een aantal plaatsen moeilijk om dat net door te trekken. Soms speelt daarbij de afstand een rol en vaak ook de moeilijkheidsgraad. Gelukkig zijn er ook andere mogelijkheden, zodat een huishouden toch zorg kan dragen voor een milieuvriendelijke lozing van het eigen afvalwater. De zuivering gebeurt dan met een IBA-systeem. IBA staat voor Individuele Behandelingsinstallatie voor Afvalwater. Dicht bij de natuur Marc Bollaert heeft een landbouwbedrijf in het Oost-Vlaamse Beervelde. “Omdat we wat afgelegen wonen, begrijp ik dat er hier geen riolering ligt. Vroeger loosde iedereen waar het hem het beste uitkwam: in de grachten dus. Door de strengere milieuwetgeving mag dat niet meer en dat is maar goed ook. Je zou het misschien niet direct van een landbouwer verwachten, maar wij zijn ook gebaat bij een schoon milieu”, legt Marc uit. “Enige tijd geleden viel mijn oog
op een rietveldinstallatie. Ik liet me uitvoerig door een bioloog voorlichten en omdat ik zelf genoeg te doen heb op mijn bedrijf, liet ik de werkzaamheden uitvoeren door een aannemer uit de buurt. Ik ben er bijzonder fier op, een rietveld past ook bij een landbouwbedrijf, vind ik. Het is een logische stap: dichter bij de natuur kan je niet staan.” Drinkbaar water? “Een ander groot voordeel van het rietveldsysteem,” vertelt Marc, “is dat het bijzonder weinig onderhoud vraagt. Het water komt in een soort kuip en de bacteriën die zich op de wortels van de rietplanten bevinden, doen de rest. Na een jaar heb ik stalen laten nemen en daaruit bleek dat we toen al aan de lozingsnormen voldeden. Bovendien lozen we het water niet in de gracht, wat normaal de bedoeling is. We helpen zelfs de natuur voor een tweede keer een handje door met het gezuiverde afvalwater de planten te besproeien. En wie weet, misschien kunnen we er in de toekomst wel drinkbaar water van maken!”
Hoe werkt een rietveld? De zuivering met helofyten (plantensoorten die in het water groeien of in een moerassige bodem, maar hun gebladerte boven het wateroppervlak spreiden) zoals riet of lisdodde of de gele lis is technischer dan je zou denken. Het beste resultaat krijg je met een infiltratierietveld. Het afvalwater passeert daarbij eerst een septische tank waarin het water tot rust komt zodat vetten en andere zwaardere bestanddelen zich kunnen afscheiden. Hier vindt de eerste afbraak van organische stoffen plaats door bacteriën in een
Soorten IBA’s Wie heel vertrouwd is met de thematiek rond de behandeling van afvalwater is Ingeborg Barrez van de VMM. “Wanneer we het rioleringsnetwerk in detail bekijken, dan zien we dat in Vlaanderen in de toekomst tussen de 1 en 2 % van de woningen op een IBA aangesloten zouden moeten zijn. Dat komt neer op zo’n 55 000 huishoudens. Het rietveld is een heel mooi systeem, maar dat kan natuurlijk niet overal aangelegd worden, je hebt er plaats voor nodig. Er zijn twee groepen IBA’s, elk met verschillende systemen, geschikt voor zuivering. Je hebt de compactsystemen, waarbij de zuivering ondergronds in kuipen of tanks plaatsvindt. Het voordeel hiervan is dat je de kuip of tank dat het afvalwater verzamelt, gewoon onder je oprit kunt laten plaatsen. De zuivering gebeurt door middel van beluchting en door actief slib. Dat bestaat uit micro-organismen, bacteriën in dit geval. Wanneer er na verloop van tijd teveel slib ontstaat, moet je dat laten verwijderen en afvoeren door een gespecialiseerde firma.
zuurstofarm milieu. Na deze voorzuivering wordt het afvalwater opgevangen in een pompput. Het water wordt tweemaal per dag over het rietveld verdeeld en sijpelt door de filter. Daarbij passeert het de wortelzone van het rietveld. De bacteriën die zich daarop bevinden voeden zich met de afvalstoffen in het verontreinigde water. De wortels zorgen voor extra zuurstof, wat déze bacteriën wel nodig hebben. Vervolgens sijpelt het water verder naar onderen in een zuurstofarm milieu, waar de laatste resten verontreiniging afgebroken worden. Pas dan wordt het heldere water langs afvoerbuizen in het oppervlaktewater geloosd.
1
3
2
4
De verschillende fasen van de aanleg van een rietveld
december 2009
33
© Jan Caudron © Jan Caudron
Ingeborg Barrez: “Om gemeenten zoveel mogelijk te steunen bij het voorzien van IBA’s voor de woningen die niet op riolering kunnen aansluiten, hebben we een subsidieprogramma ontwikkeld.”
“Daarnaast”, vervolgt Ingeborg “kan je ook kiezen voor een bovengronds groen systeem. Bijvoorbeeld voor een helofytensysteem, zoals het rietveld van Marc.” Steuntje in de rug “Om gemeenten zoveel mogelijk te steunen bij het voorzien van IBA’s voor de woningen die niet op riolering kunnen aansluiten, hebben we een subsidieprogramma ontwikkeld. Om in aanmerking te komen voor deze subsidie dient de gemeente de IBA’s zelf te plaatsen en te onderhouden” zegt Ingeborg. Een heel goed voorbeeld van een actief beleid op dit gebied is de gemeente Bierbeek. “In Bierbeek werd beslist dat de gemeente gratis IBA’s beschikbaar stelt. Ze leveren dus het systeem, plaatsen het en zorgen voor het onderhoud van de installatie. De gebruiker sluit daarvoor een overeenkomst met de gemeente af. De scheiding van het hemelwater en het afvalwater en de energiekost nodig voor de werking van de installatie zijn
34
Verrekijker
ten laste van de gebruiker. Een mooie deal”, vindt Ingeborg Barrez. Dit initiatief vindt navolging en is nu ook wettelijk geregeld. Sinds 1 januari 2008
kunnen gemeenten of rioolbeheerders de individuele saneringsplicht op zich nemen en instaan voor de plaatsing van een IBA. Je moet dan wel een individuele saneringsbijdrage betalen, vergelijkbaar met de bijdrage die je betaalt als je het afvalwater loost in de riool van je straat. Staat je gemeente of rioolbeheerder niet in voor de plaatsing, beheer en onderhoud, dan moet je er zelf een plaatsen. Je kan dan wel een vrijstelling van de saneringsbijdrage aanvragen bij je drinkwatermaatschappij. Daarnaast voorzien een aantal gemeenten ook een financiële ondersteuning voor de plaatsing, het gewest subsidieert deze installaties echter niet. Voor meer informatie kan je terecht bij de technische dienst van je gemeente of rioolbeheerder.
Wie doet wat? De burger staat in voor de afvoer van het afvalwater via een centraal punt in het huis dat aansluit op de riolering in de straat. In bepaalde regio’s is hij verplicht zelf zijn afvalwater te zuiveren, bijvoorbeeld met een IBA. Bovendien moet hij het afvalwater scheiden van het hemelwater. Op geoloket.vmm.be/zonering kan je op een handige overzichtkaart zien of er al dan niet ooit riolering wordt voorzien in jouw straat. De gemeente legt per straat een riolering aan, deze riolen komen samen in grote collectoren die op hun beurt aansluiten op een zuiveringsinstallatie. Indien er een gescheiden riolering aanwezig is, moet het hemelwater apart afgevoerd worden. Voor afgelegen gebieden kan de gemeente opteren voor de bouw van een kleinschalige zuiveringsinstallatie, waarop alle woningen van een afgelegen gehucht worden aangesloten. Het Vlaamse Gewest plant en financiert de bouw van collectoren en de zuiveringsinstallaties. Voor de uitbouw en het beheer ervan doet ze beroep op de nv Aquafin. De aanleg van de gemeentelijke riolen wordt eveneens gesubsidieerd door het Vlaamse Gewest.
KORT
Vuurtje stoken
© Jan Caudron
Het mag niet maar toch blijven we het (bewust of onbewust) doen: afval verbranden in de tuin of in de allesbrander. Er staan hier fikse boetes op. De dioxines die bij verbranding vrijkomen vormen immers een ernstig gevaar voor onze gezondheid. Sluikstoken is nu de grootste bron van dioxines in Vlaanderen, met dioxinepieken die tot 5000 keer hoger liggen dan de wettelijke normen. Zelf afval verbranden mag niet meer als particulier. Gebruik enkel wettelijk goedgekeurde brandstoffen of droog, onbehandeld hout. Ook voor het verbranden van plantaardig afval gelden regels. Het is enkel toegestaan als er binnen een straal van 100 meter geen begroeiing of gebouwen staan. Maak het je gemakkelijk door je afval meteen selectief te sorteren en zoveel mogelijk afval te vermijden. Groente-, fruit- en tuinafval kan je zelf composteren en later je tuin een heuse verwenbeurt mee geven. Als je nog vragen hebt, contacteer je plaatselijke milieudienst.
De Zenne en vis, op het eerste zicht geen voor de hand liggende combinatie. Dankzij de inspanningen van de VMM en haar partners om de waterkwaliteit van de Zenne op te krikken keert ook de vis terug. Het zuurstofgehalte in het steeds zuiverder water van de Zenne neemt toe, en dat is goed nieuws voor de vispopulatie. In juli 2009 ging het INBO op zes plaatsen na welke vis er voorkwam. In Leest (bij Mechelen) vingen ze op 24 uur tijd maar liefst 500 palingen. Een spectaculaire vertienvoudiging ten opzichte van 2008. Na de meting werden de palingen opnieuw uitgezet. Palingen kunnen goed tegen vervuiling, net als giebels en blauwbandgrondels. In Drogenbos werden de meeste soorten geteld, waaronder ook enkele die al wat kieskeuriger zijn voor hun omgeving: blankvoorn, vetje en de riviergrondel. In Vilvoorde en Anderlecht, vlakbij grootstad Brussel, werd voor het eerst sinds de metingen vis gevangen. Enkel in Lembeek (een deelgemeente van Halle) ving het INBO geen vis. De resultaten vind je terug op vis.milieuinfo.be
©Rollin Verlinde
Meer vis in de Zenne
De giebel komt opnieuw voor in de Zenne.
Dinsdagen van de Zenne De Zenne komt van ver maar stilaan wordt ze in ere hersteld. Het resultaat van de jarenlange inspanningen van Wallonië, Brussel en Vlaanderen begint eindelijk vruchten af te werpen. Sinds dinsdag 20 oktober, de Dag van de Duurzame Ontwikkeling, organiseert de overkoepelende organisatie Coördinatie Zenne elke derde dinsdag van de maand een begeleide wandeling voor alle geïnteresseerden. Telkens op een andere plaats in het Zennebekken. Tijdens de wandeling vertelt een gids over de geschiedenis en de
huidige situatie van de rivier en kom je meer te weten over de lokale flora en fauna. Elke wandeling komt een expert toelichten voor welke uitdagingen en problemen de Zenne nog staat op die plek van het bekken. De wandelingen vinden plaats tot juni 2010. Het programma kan je raadplegen op www.coordinatiezenne.be. Afsluiten gebeurt met een drink in het Zennecafé, een ideaal moment voor een interessante babbel.
december 2009
35
‘Brussels’ smog’, de winnende foto van Carlos Van Hove in de VMM-categorie ‘Lucht’.
Winnaars ARGUS fotowedstrijd bekend Op zaterdag 28 november werden de winnaars bekend gemaakt van de achtste editie van de fotowedstrijd ‘ARGUSfotograaf van het jaar’. ARGUS is het milieupunt van KBC en Cera. De wedstrijd staat helemaal in het teken van de natuur. Niet minder dan 1116 professionele en amateurfotografen, jong en oud, dongen mee naar één van de prijzen. Naast de twee hoofdprijzen, één bij de volwassenen en één bij de jongeren, werden er 13 categorieprijzen en 12 aanmoedigingsprijzen uitgedeeld. De gerenommeerde vakjury maakte haar keuze uit 5587 beelden waaruit ze 74 finalebeelden van 53 fotografen selecteerde. Met zijn foto ‘Walk of fame’ kaapte Rob Van Thienen de hoofdprijs bij de volwassenen weg. Mike Testroote werd ‘ARGUSjeugdfotograaf van het jaar’ met zijn foto ‘Roerdomp’. Ook de VMM deelde twee prijzen uit: ‘Waterwereld’ en ‘(G)een vuiltje aan de lucht’. In de categorie Lucht won Carlos Van Hove met ‘Brussels’ smog’, in de categorie Water kwam Stéphane Vizthum uit Frankrijk als winnaar uit de bus met ‘Muggenlarven’. De winnende foto’s zijn nog te bewonderen op een rondreizende tentoonstelling en dit jaar voor het eerst ook in een fotoboek. www.argusmilieu.be