Skip to main content

M&L_7_3.pdf

Page 1

±4J

.

\

• mem . .

• " - .

•

* • « .

\

^ms&mmmm

••

*

MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 7/3

MEI-J UNI 1988

TWEEMAANDELJJKS


iff dé neef industriepark 8 tel 015 24 62 31 32

EWGINEEHÊNG % 3100 Heist op den Berg tfax 015 24 80 72 tlx 62 926

Kan bogen op een veelzijdige ervaring voor het restaureren van Historische gebouwen en Monumenten

INJEKTEREN VAN BAKSTEEN EN METSELWERK — STRUKTURELE HERSTELLING DOOR LIJMEN VAN WAPENINGEN EN CHEMISCHE ANKERS WATERAFDICHTINGEN VAN MUREN ONTZWAMBEHANDELING RESTAURATIE EN PREVENTIEVE BEHANDELING VAN HOUTEN DRAAGBALKEN FUNDERINGSVERBETERINGEN

Father's Damien Church Kaluapapa - Hawaï - USA

Beveiligen van kunstwerken door inbraakwerend glas Glazen toonkasten - nieuwe modellen Verlichting van kunstvoorwerpen door "Fibre Opties" Brandwerende beglaasde deuren

Kwaliteitsprodukten van Ateliers

MEYVAERT DOK NOORD 3 • 9000 GENT TEL. (091) 25 54 27 • TELEX 11397 • FAXNR. (091) 25 68 75

I


MADE IN BELGIUM EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tienjarige waarborg REMAFIX :

steenverharder

REPOX :

Epoxy-harsen voor alle restauratiewerken

GLAZUR :

doorschijnend gekleurde bescherming voor beton en alle andere minerale ondergronden

EXHYDRO® :

waterbestendige steenbescherming door wtcb getest

REMAPLAST : speciale produkten voor REMAS waterdichtheid EXHYDRO inj

droogmaking van muren tegen opstijgend vocht door injektie-diffusie onder lage druk (brevet Mabi)

REMAL

chemische gevelreiniging

Het 'Huis Erasmus' in Brussel werd met onze produkten gerestaureerd.

RENOVATION MAINTENANCE BUREAU : 1000 Brussel - Baksteenkaai 32/B7 tel. : (02) 513 22 11 - 513 70 20 tlx. : Renoma B - 23921 II

PVBA

VERDELER VOOR OOST- EN WEST-VLAANDEREN ; RESTO bvba - 9731 Eke Tulpenstraat 4, industriepark tel. : (091) 85 47 84 - tlx. : 12228


S*:::!:!:::!:!:!:^^

Spectron herstelt, onderhoudt en injekteert alle soorten bouwwerken. Spectron N.V. Injekteerbedrijf Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen Telefoon (015) 21.99.02

Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.

Vormingsinstituut voor K.M.O. Centrum Brugge Spoorwegstraat 14 8200 Brugge 2 Cursus 'Restaurateur van gebouwen'

MAAR HET KAN Programma-inhoud Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

s

Solar

Kleine Breedstraat 51, 2700 Sint-Niklaas. Of bel 03/776 91 62.

RIETEN DAKEN

DEPIGEONAL

Restauratiefilosofie Kennis der lokale architectuur Vochtproblemen Curratieve ingrepen Houtrestauratie Verfrestauratie Restauratie van glasramen Restauratie van pleisterwerk Dossier Opmetingsmethoden Kostprijsberekening Stabiliteitsproblemen Werfbezoeken

WILLY IBENS P.V.B.A.

Organisatie Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten

Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie

Deelnamerecht: 2.600,- fr. Aanvang : maandag 12 september Duur : 2 jaar, 1 lesavond (maandag) van 19.00 tot 22.30 u. (32 lesweken per jaar) Inschrijvingen en inlichtingen : (050) 38 35 81 - 38 36 41 (vragen naar G. Werbrouck)

Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45

lil


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER...

Algemene ondernemingen VAN LOY

Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog .steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Bèta systeem. Voor jaaaren.

Atealaan 15 - 2270 Herenthout

Kenofors-Iièta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert.

••••

1

Ém P^S$rA

Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

m

eB>eedstraa15i 2700 51 Niki,

Ook sterk in: gevelremiging - steenverhardmg - vochlwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling • brandremmmg.

Godshuis Lantschot

renovatie - restauratie - nieuwbouw

Lotto, Presto, Duo, Joker. De winnaars die niet spelen danken de spelers die niet winnen. De 65% Belgen die met de Lotto, Presto, Duo of Joker spelen, hoeven zich geen kopbrekens te maken in de bestemming van hun inzet als zij verliezen. De Nationale Loterij maakt er helemaal geen geheim van en zegt het duidelijk in de dagbladen of met metersgrote affiches: hun inzet dient zowel voor de restauratie van een historisch waardevol gebouw of de internationale uitstraling van IV

de Opera voor Vlaanderen, als voor het kankeronderzoek, de voorbereiding van de Belgische atleten of waterboringen voor de hard getroffen Sahel-bewoners. Trouwens, haar naam alleen al maakt het duidelijk. De Nationale Loterij die de Lotto, Duo, Presto en Joker groepeert, is geen privé-onderneming gebaseerd op winstbejag, maar een openbare instelling ten dienste van de Gemeenschap. Anders gezegd, zelfs

al winnen zij niet met de Lotto, Duo, Presto of Joker, hun inzet is nooit weggegooid geld. Hij is enkel omgetoverd in een aria, een museum, een laserstraal, een atletiekpiste of een levensnoodzakelijke bron midden de woestijn.

©

Nationale Loterij Kardinaal Mercierstraat 6 1000 BRUSSEL


n.v. gebroeders georges en ingenieur jozef

vandekerckhove

oost rozebekest raat 54 8770 ingelmunster tel. 051/3022 41 (5 lijnen)

7 v

r

i

-^ mm mm\

lïiïiS I L -

1

/

wmmik

'i^'' |i

^

\

-1'T 1

1!

#

i

Eli

Kft^i ^Sr

fei l«i;l'

[>

3BC

i§-^ -

* - !

T f


Waterdichte muren, aan waterdichte prijzen (Ongeveer de helft van de normale kostprijs) Freezteq uw professioneel middel tegen opstijgend vocht! Revolutionair door zijn eenvoud. Kijkt Uzelf: - Geen injectieapparatuur vereist - Exacte dosering dank zij gestandariseerde patronen - Tijd- en kostenbesparend. Kortom : Het beste produkt qua kwaliteit! Het beste produkt qua toepassing I Het beste produkt qua prijs I

Neem nu kontakt met E.C.C. Kwaliteitsprodukten

BON Ik wil alles weten over FREEZTEQ Graag bezoek van uw vertegenwoordiger Naam

Terbekehofdreef 50-52 2610WiJrijk Tel. 03/828.94.95 (5 L) Telex 73.332 ECC-B T. Fax 03/830.27.69

Firma. Adres. Gemeente. Postcode_ Tel

EEN E R V A R E N

K I J K OP DE T O E K O M S T

NATUURSTEEN VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. (03) 325 03 83 TELEFAX (03) 325 68 66

VI

AMINCK NV

GASSTRAAT11 A 9100 LOKEREN TELEX 32158 NAVLAM TEL. (091) 48 12 17 TELEFAX (091) 48 96 61


de rust en het evenwicht van mineralen n Dit Is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wl) vatten dit In 5 puntjes samen: De restauratlematerlalen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticltelt van het monument bewaard blijft.

H B

Het materiaal moet zoutbestendlg zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object. H H e t restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn.

•

Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratlemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa[ SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE m HARMONIE MET HET VERLEDEN

Solar

Kleine BreedSIraat 51 2700SI -Niklaas

voor meer informatie belt u.' oyy/óyi. 61

In het labyrint van bouwspecialiteiten wijzen wij de weg

Verdeler van Remmers-Chemie Duitsland Voor nieuwbouw, saneringsen restauratiewerken Voor advies en levering : Van den Brande EM b.v.b.a. Industriepark 20 3100 Heist-op-den-Berg Tel. : (015)24 19 68 Telefax: (015)24 28 60

VII


i f ETN, F BRUXELMAN & ZOON NV 2

In het jaar 1886 vestigt de steenhouwer Frangois Bruxelman zich als aannemer. Zijn zoon Florimond volgt hem op in 1910, Vanaf 1938 geeft zijn kleinzoon Albert Bruxelman de onderneming haar volle dimensie. D, Bruxelman neemt over in 1968. De "Etn. Fl. Bruxelman en Zoon" worden in juni 1983 een naamloze vennootschap. Mede door zijn oorsprong heeft het bedrijf zich altijd gespecialiseerd in het restaureren van gebouwen, zowel kerken als historische monumenten, een domein dat vertrouwd geworden is. De werkhuizen van het bedrijf zijn uitgerust zowel voor steenhouwen als voor houtbewerking. De moderne technieken worden praktisch aangewend in de oprichting van appartements- of kantoorgebouwen, privé-woningen, enz. En l'année 1886 Frangois Bruxelman, tailleur de pierre, s'établit entrepreneur. Son fils Florimond lui succède en 1910. C'est ensuite son petit-fils Albert Bruxelman qui dès 1938 donne a la firme sa pleine dimension. D. Bruxelman prend la relève en 1968. Les "Ets. Fl. Bruxelman et Fils" deviennent société anonyme en juin 1983. De par ses origines la société s'est toujours spécialisée en restauration de batiments anciens, tant églises que demeures historiques. Rien ne lui est étranger dans ce domaine. Ses ateliers assurent tant la taille de la pierre que Ie travail du bols. Les techniques modemes sent tout autant son champs d'action avec la construction d'immeubles a appartements ou bureaux, habitations privées etc... St.-Paulus -1934

Kerk Eine -1918


Mk-

M&L

ISSN 0770-4948 T Jaargang Nr. 3 mei-juni 1988

'fuif

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN

Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu Bestuur Monumenten en Landschappen De piëta op de westwand van het transept in de Sint-Catharinakerk in Duisburg (foto G. Charlier)

IllhOlK Generiek

11

Het Lieven Gevaert-gedenkteken in Mortsel Nele Lernout

12

De voormalige watermolen van Temse Dirk Van Eenhooge

19

Vernieuwde aandacht en beveiliging van de laat-gotische beelden in Oostham Christine Vanthillo, Rob Buelens en Forum

27

Restauratie en herinrichting van de kapel _ van het Godshuis Lantschot te Antwerpen Madeleine Manderyck

34

Petrografisch onderzoek van het 'Merovingisch Altaar' van Wezeren R. Nijs

42

Muurschilderingen met internationale allure in de parochiekerk Sint-Catharina van Duisburg Ann Bergmans

48

Summary

60

Redactie

M&L Binnenkrant

Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. (02) 513 99 20. Eindredactie : M.M. Celis. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Vormgeving : An Beullens. Kedactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. Box (Kabinet Gemeenschapsminister Dewael), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Bracken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, A. Malliet, G. Ostyn, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Philipstockstraat 39, 8000 Brugge Tel. (050) 33 82 20.

Druk

d< onnementsvoorwaaraen België : 950 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 180 fr.). CJP'ers betalen : 840 fr. Buitenland : 1100 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Belliardstraat 18, 1040 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1988". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

die Keure O u d e Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35

De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

MINISTERIE W N DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


GEVELRENOVATIE : • • • • • • • •

reiniging van gebouwen en monumenten betonherstelling met minerale of epoxymortels scheurinjectie in metselwerk of beton steenrestauratie behandeling tegen opstijgend vocht waterafstotend maken van gebouwen en monumenten verstevigen van verzande ondergronden b e s c h e r m e n met acrylsiloxaanverven

DAKRENOVATIE : • ontmossen van leiendaken en golfplaten • herstellen van goten en asfaltdaken • behandelen met e e n hoogwaardig acrylaatsysteem

Al deze produkten kunnen bekomen worden bij de n.v. Rewah, tel. (03) 485 55 33. De uitvoering van al deze werken kan toevertrouwd worden aan Bodima n.v., tel. (03) 485 77 77. Vraag gratis deskundig advies en prijzen. WÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊ^^^ÊÊÊÊÊÊÊIÊÊÊÊ^ÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊ

Nijverheidsweg 24 HBMR!

Zandhoven

Tel. (03) 485 55 33

WÊÊSÊÊSÊmmÊÊÊÊÊÊÊÊÊ

Hoger Architectuurinstituut Instituut voor Conservatie en Sint-Lucas - Gent-Brussel Restauratie van het Cultureel Erfgoed (I.C.R.) Postgraduaat studie Monumentenzorg Conservatie en restauratie van het cultureel erfgoed 1. Diploma Het postgraduaat leidt tot het diploma art. h.o.k.t.s.p. • Monumentenzorg • Conservatie en restauratie : - interieur - meubel - schilderen - beeldhouwen 2. Studieprogramma Uitgaande van het principe dat een opleiding voor conservatie - restauratie interdisciplinair is, wordt het programma samengesteld uit een groep gemeenschappelijke vakken. De groep optievakken leidt naar de onderscheiden diploma's. Projectstudie en atelierwerkzaamheden gebeuren onder leiding van ervaren practici. Het vormen van multidisciplinaire groepen wordt gestimuleerd. 3. Toelatingsvoorwaarden De opleiding richt zich in het bijzonder tot de houders van een diploma architect, binnenhuisarchitect, lic. kunstgeschiedenis, beeldende kunsten e.a. Voor gediplomeerden uit andere richtingen kunnen de toelatingsmogelijkheden besproken worden. 4. Inlichtingen en inschrijvingen Alle werkdagen van 9 tot 12 en van 14 tot 17 uur, vóór 11 juli en na 15 augustus. Zwartezustersstraat 34, 9000 Gent - tel. (091) 2S 42 90

X

1


i^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^ls^^ff ^

f

l

'Een gedenkteken hem waardig' Op weinige dagen na is het nu vijftig jaar dat Nele Lernhouts grootvader ruim 53 mededingers achter zich liet en — zelfs voor de neus weg van ene Renaat Braem — de uitvoering bedong van het begeerde Lieven Gevaert-memoriaal. De — zoals blijkt — tumultueuze wedstrijd zou 'den Grooten Vlaming, den veelzijdigen Mensch' wellicht niet onberoerd hebben gelaten. Een finale driekamp nek aan nek, maar hoe dan ook een zegevierend 'modernisme'.

Industriële archeologie Het blijft verbazing wekken hoe elke menselijke activiteit — voor wie ze lezen kan — onthullende sporen nalaat. Zo maak je maar mee dat Dirk Van Eenhooge uit het verdronken puin van een rustiek ogend restaurant een zeldzame getijmolen te voorschijn haalt. Geschreven met het punt van het trueel: volle vier eeuwen molinologie in Temse.

(Neo)gotiek in het nieuws Al te vaak nog wordt te zeer lichtzinnig omgesprongen met roerende 'heiligenbeelden'. 'Kostbaar' en 'kostelijk' zijn in deze context nochtans niet zonder risico twee bijnasynoniemen. In de Oosthamse Onze-Lieve-Vrouwekerk markeren Christine Vanthillo en Rob Buelens met het Hasseltse Ontwerpcollectief Forum alvast een keerpunt. Een besprekenswaard initiatief.

'Goede reparatien' De bescherming als monument, maar vooral de belangstelling vanwege de Vereniging Cornells Floris zullen de Antwerpse kapel van Lantschot tot nieuw leven hebben gewekt. Toegegeven veel van de oude luister was sinds lang verdwenen. Toch bleven blijkens Madeleine Manderyck belangrijke fragmenten van het barokkedecor bewaard. Een charmant-ogende restauratie.

Behulpzame wetenschap Of de Sint-Amanduskerk van Wezeren blijvend prat kan gaan op een 'Merovingisch' altaar wil Dr. R. Nijs gerust nog in het midden laten. Eén zaak is alvast onweerlegbaar zeker: 'Franse steen' is 'tuffeau' van Lincent geenszins. Meteen een nieuwe zet in deze oude polemiek.

Altare beate Marie In het onooglijke Brabantse Duisburg herinnert weinig nog aan de aloude hertogelijke residentie, tenzij misschien de pas weer opgefriste 14de-eeuwse tempera taferelen in de Sint-Catharinakerk. Of hoe Ann Bergmans het onderscheid maakt tussen 'cache misère' en 'internationale stijl'.


Het Lieven Gevaert-gedenkteken in Mortsel

N. Lernout

Eind juni 1937. In Mortsel wordt een wedstrijd uitgeschreven voor het ontwerpen van een gedenkteken ter nagedachtenis van Lieven Gevaert, die op 2 februari 1935 overleed. Het Lieven Gevaert-gedenkteken-comité, opgericht op 3 februari 1936, omschrijft de opdracht van de 'Vlaamsche' (1) kunstenaars als volgt: „De kunstenaars zullen zich van het levenswerk van dezen grooten Vlaming inspireeren, en er aan denken dat hij naast Conscience, die zijn volk leerde lezen, en Benoit, die het zingen leerde, één der roemrijkste vertegenwoordigers onzer Vlaamsche Wedergeboorte is geweest. Als mensch, als Christen denker, als industrieel, als weldiener, en bovenal als daadvaardig Vlaming rijst hij op als een reus te midden van zijn volk. Hij voelde zijn saamhorigheid met dat Vlaamsche volk waaruit hij sproot en waarvoor hij een grootsche toekomst droomde. Evenals de machtige Vlaamsche kunstenaars was hij, met zijn buitengewone gaven van geest en hart, de heerlijke verpersoonlijking van onzen Dietschen stam" (2). Het monument dat in 1941 wordt afgeleverd door architect Jozef Lernout (3), in samenwerking met de beeldhouwers Jan De Cuyper en Ernest Wijnants (4), is één van de merkwaardigste die in de loop van deze eeuw in ons land werden opgericht.

Algemeen gezicht op het Lieven Gevaert-gedenkteken (foto O. Pauwels) ( M&L 12


Een wedstrijd zonder weerga

Een tweede ronde

Tussen 18 en 20 november 1937 werden niet minder dan 54 inzendingen voor deze wedstrijd in ontvangst genomen. Nog nooit verenigde een wedstrijd zoveel deelnemers. Zelfs voor het oorlogsmonument in Antwerpen werden slechts 36 inzendingen geteld. Een succes dus, maar meteen ook een zware taak voor de jury. Deze bestond uit: E.H. Dr. Van Herck (bestuurder van het Sint-Lievenscollege, Mortsel) ; Prof. Dr. ir. Stan Leurs (Rijkshogeschool, Gent) ; Prof. Dr. Jozef Muls (Conservator van het museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) ; Prof. ir. Raf Verwilghen (Hoger Instituut voor Sierkunsten, Brussel) ; Prof. Ernest Wijnants (Hoger Instituut voor Beeldende Kunsten, Antwerpen). Edward Leonard fungeerde als secretaris. Deze jury zou dus bepalen wie het monument mocht uitvoeren. Uit de samenstelling blijkt alleszins dat de beslissing in handen lag van een groep mensen die de moderne bouw- en beeldhouwkunst van zeer nabij volgden (5).

Uit de groep 'modernistische' inzendingen kwamen volgens de jury 3 ontwerpen in aanmerking voor een nieuwe inzending : 'Menhir' van architect Jozef Lernout, '1313' van de architecten Lode Regnier en Armand Van Kerckhoven en beeldhouwer René Boschmans, en 'Synthese', een ontwerp van architect Renaat Braem en beeldhouwer Mark Macken.

De inplanting van het monument werd voorzien op de kruising van de Berthoustraat en de Guido Gezellelaan, een zijstraat van de Antwerpsestraat. Dit pleintje bevindt zich op de weg waar nog dagelijks honderden arbeiders en bedienden van de vlakbij gelegen Gevaertfabrieken voorbij komen. Het heeft de vorm van een onregelmatige driehoek, wat uiteindelijk geleid heeft tot een aantal sterk variërende voorstellen. De vormentaal varieert van modem tot 'drukke grootsprakerigheid van een vergane periode' (6). Maar zelfs de ontwerpen die de stempel 'modernistisch' krijgen, bedienen zich veelal van een klassiek aandoend vocabularium, getuige de strakke, symmetrische opbouw en het veelvuldig gebruik van bas-reliëfs. Het wekt dan ook geen verbazing dat het enige radicale avant-garde ontwerp, 'De Jaak' (7), duidelijk geïnspireerd op de Russische constructivistische architectuur, wordt afgewezen 'wegens de voor het groot publiek niets zeggende samenstelling' (8).

Lernout had twee ontwerpen ingezonden : 'Erkentelijkheid', in samenwerking met beeldhouwer J. De Cuyper, en een eigen ontwerp 'Menhir'. Dit laatste werd zeer geapprecieerd omwille van de eenvoudige maar toch voorname samenstelling, die het gehele plein besloeg, maar werd toch iets te flauw, 'te freel' bevonden (11). Hij mocht op dit ontwerp voortbouwen voor een nieuwe inzending op voorwaarde dat hij er De Cuyper bij betrok. 'Synthese' verraadde volgens de jury veel durf, en de simplistische grootsheid deed onvermijdelijk aan (Egypte en) Assyrië denken. Wel werd de ontwerpers gevraagd het gedenkteken meer aan te passen 'aan het omliggende huizenmilieu' (12). Het voorstel '1313' diende om dezelfde reden herwerkt. Alvorens de nieuwe inzendingen toegekomen waren, werd de jury geconfronteerd met een klacht tegen Braem. Zijn ontwerp zou namelijk een 'opvallend plagiaat' zijn van een monument opgericht aan het Suez-kanaal van architect Roux-Spitz. Na overleg met Roux-Spitz zelf (13) werd Braem en Macken dan toch om een nieuw ontwerp gevraagd, omdat de jury van oordeel was dat dit 'zogenaamde plagiaat' volledig onvrijwillig tot stand was gekomen (14) (15).

/1025-1028. Canal da SUM Monument M /1926 Pana ZauDeuMe , mar Détail de fs^ade LagnUe TIN aan axpoaaa au Salon dea oontaura da 1927

Het gebruik van een vormentaal die modernistisch niet erg overtuigt, kan gedeeltelijk geweten worden aan het feit dat het hier om een gedenkteken gaat (9). Maar de periode waarin deze voorstellen werden uitgewerkt, vertoonde zeer duidelijk de moeilijke situatie waarin de moderne bouwkunst zich op dat moment bevond. Zowel Rusland als Duitsland bedienden zich, onder invloed van totalitaire regimes, van een neoclassicistische architectuur. Maar ook in Frankrijk en Nederland kwam de moderne bouwkunst meer en meer onder druk te staan (10). Het Museum voor Schone Kunsten van architect Dondel, opgericht in Parijs in 1934, illustreert deze tendens zeer duidelijk. Dit gebouw met een symmetrische opbouw, de plaatsing van een standbeeld en het gebruik van basreliëfs, moet verschillende deelnemers beïnvloed hebben. Het is in dit perspectief dat de volgende ontwerpen bekeken moeten worden. Het monument ter gedachtenis van de verdediging van het Suezkanaal, naar ontwerp van architect Roux-Spits, 1925-1928 (in M. Raymond, D. Laroque, S. Remy, Michel Roux-Spits Architecte. 1888-1957, Liège-Bruxelles, 1983)

13 M&L


De laureaten van de eerste wedstrijd: 1313', door de architecten Lode Regnier en Armand Van Kerckhove, in samenwerking met de beeldhouwer René Boschmans: „Een grootsche gedachte triomfpoort, die in uitvoering echter te klein moet worden"

'Synthese', door architect Renaat Braem in samenwerking met beeldhouwer Mark Macken

'Menhir', door architect Jozef Lernhout

'Erkentelijkheid', door architect Jozef Lernhout in samenwerking met beeldhouwer Jan De Cuyper

M & L 14


De laureaten van de tweede wedstrijd: '1313', door de architecten Lode Regnier en Armand Van Kerckhove, in samenwerking met beeldhouwer René Boschmans

K -'?• - ^ B ^ ^ ^ ^ ^ ^ J ^

'Synthese', door architect Renaat Braem en beeldhouwer Mark Macken

De herwerkte versie van 'Menhir', door architect Jozef Lernhout

il Tweede ontwerp van architect Jozef Lernhout in samenwerking met beeldhouwer Jan De Cuyper

15 M & L

"J


Clemens Holzmeister. Ontwerp voor een gedenkteken in Turkije. Opstand en plan 1935 (in Clemens Holzmeister, Bauten, Entwürfe und Handzeichnungen, Verlag Anton Pustet, Salzburg-Leipzig, 1937)

Op 31 mei 1938 werden de nieuwe ontwerpen ingediend. Het ontwerp van Regnier, Van Kerckhoven en Boschmans, dat nauwelijks gewijzigd was, werd te licht bevonden op basis van de vrij willekeurige plaatsing van de afbeelding van L. Gevaert (16). Het ingrijpend herwerkte ontwerp van Braem en Macken getuigde opnieuw van veel durf. Kritiek werd geuit tegen de gebogen muur, die vreemd aandeed, en tegen al het modische, algemene beeld dat de kiem van vervroegde veroudering in zich droeg (17). Het nieuwe ontwerp van Lernout en De Cuyper, een rustige, voorname compositie, en het dynamische ontwerp van Braem hadden opnieuw tegen elkaar afgewogen moeten worden, was het niet dat Lernout ook nu een tweede ontwerp had ingezonden dat 'door zijn machtige opvatting en eenvoudige symboliek" indruk maakte op de jury, die het dan ook voor uitvoering voordroeg. Ook dit ontwerp werd door één van de mededingers wegens vermeend plagiaat aangeklaagd. Het ontwerp zou opvallende gelijkenissen vertonen met het werk van Clemens Holzmeister. De jury was echter van oordeel dat de verschillen qua opvatting en samenstelling te opvallend waren om van plagiaat te kunnen spreken. Wel hadden verschillende leden serieuze twijfels over de kunde van De Cuyper, die nog steeds de lessen beeldhouwkunde volgde aan de Antwerpse Academie. De jury besliste dat De Cuyper de beelden in samenwerking met zijn professor, Ernest Wijnants, lid van de jury, zou uitvoeren. Merkwaardig is wel dat deze beslissing werd gestemd in een vergadering nadat Wijnants ze verlaten had (19).

Het uiteindelijke ontwerp : een synthese

Gipsmodel van het ontwerp 'Erkentelijkheid', door architect Jozef Lernhout en beeldhouwer Jan De Cuyper

Het voor uitvoering vatbare model van architect Jozef Lernhout en de beeldhouwers Ernest Wijnants en Jan De Cuyper M&L 16

Het definitieve ontwerp werd een synthese van Lernouts eerste voorstellen : 'Erkentelijkheid" en "Menhir". De pyloon uit "Menhir" wordt in gewijzigde vorm (in plan een gelijkzijdige driehoek) opnieuw gebruikt in het definitieve ontwerp, maar nu ontstaan er drie gevat in een grotere driehoek die iets hoger ligt dan het straatpeil. De ringmuur uit het ontwerp 'Erkentelijkheid" omvat hier ook de beeldengroep ; alleen wordt deze lager gemaakt. In het ontwerp dat in de tweede ronde samen met de herwerkte versie van "Menhir" werd ingediend, waren bas-reliëfs aangebracht op de muur, die in het midden over een zone van 3 meter onderbroken was om de middelste pyloon volledig vrij te laten. Vóór deze pyloon werd oorspronkelijk geen beeld van Gevaert voorzien. De jury oordeelde echter dat 'het voor de hand lag' hiervoor het Gevaert-beeld te zetten (20). Opvallend nu is dat J. Lernout ook in de andere ontwerpen geen Gevaert-beeld voorzag ; 'het vergeten' van dit beeld kan moeilijk toeval zijn geweest. Het ligt trouwens in de lijn van Lernouts denken om elke persoonsverering achterwege te laten. Het symbolisch uitwerken van Gevaerts leven in de bas-reliëfs toont dit voor een deel aan. Voor Lernout was niet de figuur van Gevaert het belangrijkste ; zijn levensvisie en zijn verwezenlijkingen primeerden. De symboliek die uit het oorspronkelijke ontwerp spreekt is erg subtiel. Het beeld van Gevaert - dat er dus niet was - is er wezenlijk eigenlijk wel : de achterliggende evocatie van Gevaerts leven (de bas-reliëfs) hoeft


e t-

, _ _. -

•

I ~w ^

tif&V^ $

Vooraanzicht en plan van Jozef Lernhouts herwerking van 'Menhir' ontwerp (eigen tekening)

Vooraanzicht en plan van Jozef Lernhouts definitieve ontwerp (eigen tekening)

alleen maar geprojecteerd te worden op de plaats die er — bewust — voor werd vrijgehouden. Met het sluiten van de ringmuur, het weglaten van de bas-reliëfs en de plaatsing van het beeld van Gevaert, verdwijnt de oorspronkelijke visie van Lemout op het leven van Gevaert. De definitieve versie is directer, en wellicht ook wel duidelijker in zijn benadering naar de mensen toe. Het uitgevoerde ontwerp verenigt drie beelden van drie meter hoog vóór de pylonen die 10 meter meten. De ringmuur met het opschrift 'Lieven Gevaert 18631935' omvat dit geheel een eerste keer, de populieren (op vraag van de jury) een tweede maal. De naden van de stenen waaruit de pylonen zijn opgebouwd, lopen door in de beelden, wat bijdraagt tot de eenheid tussen beeld en architectuur. De beelden links en rechts van Gevaert symboliseren Vlaanderen en de Wetenschap.

'Vlaanderen', met in de achterstaande pyloon het opschrift 'Welvaart', wordt voorgesteld met een prachtig gestileerde blauwvoet. De 'Wetenschap' vóór de rechtse pyloon met het opschrift 'Cultuur', wordt voorgesteld door het model van een gebouw en een wapenschild met kruis. Het beeld van Gevaert, iets hoger geplaatst dan de twee andere, staat haast verborgen achter de twee pylonen en verdwijnt soms volledig in de schaduw ervan. De figuur Gevaert zelf lijkt streng en statig, maar de verborgen kleine figuur links van hem en zijn schenkende hand, brengen op een subtiele manier het leven van Lieven Gevaert naar voor. Deze drie beelden, als het ware versmolten met de pylonen, voldoen door hun vormelijke en symbolische voorstelling perfect aan de eisen die het Lieven Gevaertcomité had gesteld. 17 M&L


il

Details van de beelden van het Lieven Gevaert-gedenkteken. 'De Wetenschap' (rechts) (foto's O. Pauwels)

De 'verborgen kleine figuur' (links), Lieven Gevaert (midden)

Het is duidelijk dat E. Wijnants en zijn leerling J. De Cuyper een beeldengroep creëerden die, geruggesteund door het ontwerp van architect J. Lernout, absoluut uniek in België mag worden genoemd. Dit gedenkteken heeft een halve eeuw overbrugd zonder ook maar iets in te boeten aan betekenis of schoonheid. Het staat ietwat vergeten op een klein pleintje in Mortsel, maar brengt in zijn bescheidenheid een grootsheid naar voren waar de tijd tot dusver geen vat op heeft gehad.

Voetnoten (1) Het eerste punt van 'Het reglement van den wedstrijd voor een Lieven Gevaert Gedenkteeken' wijst erop dat alleen 'Vlaamsche' kunstenaars toegelaten zijn. (2) Punt 2 van het wedstrijdreglement. (3) Jozef Lernout werd geboren op 19 maart 1898 te Gheluwe, WestVlaanderen. Rond 1912-'13 begon hij de lessen beeldhouwkunde te volgen aan de kunstacademie in Menen. Deze studies werden onderbroken door de Eerste Wereldoorlog, en zijn familiale verplichting om samen met zijn vader het ouderlijk huis te herbouwen na de oorlog. Pas in 1924, na zijn legerdienst, trok hij naar Antwerpen met de bedoeling er Beeldhouwkunde te studeren aan de Academie voor Schone Kunsten. Hij werd echter te oud bevonden en daarom schreef hij zich in voor het avondonderwijs Bouwkunst. Overdag werkte hij achtereenvolgens bij architect F. Vaes (later stadsarchitect) en Paul Smekens. Op deze wijze deed hij heel wat ervaring op, wat hem in 1927 deed beslissen een eigen praktijk te beginnen. Aangezien er in deze crisisjaren echter weinig werk was, aanvaardde hij een job in het tekenbureau van Gevaert. Enkel in zijn vrije tijd ontwierp hij enkele privéwoningen (o.a. de privéwoning van kunstschilder Jozef Vinck). Na de oorlog was er werk genoeg om opnieuw een eigen bureau te starten waarin hij tot 1965 actief bleef werken. Na zijn pensioen, een periode waarin hij actief bleef, overleed hij te Antwerpen op 8 maart 1987. (4) Jan De Cuyper, geboren op 4 augustus 1914, was de zoon van Floris De Cuyper, de beeldhouwer van verschillende oorlogsmonumenten in Mortsel en omstreken in een welbekende overgedramatiseerde eclectische stijl. Bij het uitschrijven van de Lieven Gevaert-wedstrijd volgde hij les bij E. Wijnants. Hij nam de kans waar om bij het begin van de oorlog (1941 ?) verder te gaan studeren in Freiburg/Duitsland (ondanks het afraden van Jozef Lernout). Hij stierf op 30-jarige leeftijd tijdens een bombardement in Freiburg op 27 november 1944. Ernest Wijnants werd geboren te Mechelen op 27 augustus 1878. Pas op 28-jarige leeftijd begon hij de lessen Beeldende Kunsten te volgen te Brussel en dit gedurende 3 jaar. Als jongeling beeldhouwde hij vooral in hout, naar de oude traditie van de Mechelse meubelstad. Hij was een stadsgenoot en vriend van Rik Wouters.

M&L 18

en

In 1913 stelde hij voor het eerst tentoon in Gent. In 1926 werd hij als leraar aangesteld op de Academie te Antwerpen, waar hij in 1931 professor werd. Hij was een expressionistisch beeldhouwer begeesterd door de Egyptische kunst. Hij maakte schitterende torso's en protretten. Als leraar had hij een grote invloed op zijn leerlingen. In 1938 ontving hij de staatsprijs voor Plastische Kunsten. Hij stierf op 86-jarige leeftijd in 1964. (5) E. Leonard, KMBA, februari 1938, p. 29. (6) o.c. (7) Van deze inzending kan de ontwerper niet achterhaald worden. (8) Verslag 3 december 1937, 10 uur. Zie ook : KMBA, februari 1938, p. 31 : 'De radikale avant-garde van enkele jaren geleden, die overal in Russische toneelschermen haar uiterste realisaties zag, was vertegenwoordigd door het ontwerp De Jaak, een fantasiesquare met terras, toegankelijk langs trap en helling : daaronder een vijvertje - het geheel ietwat Caligary-achtig'. (9) In de periode rond de jaren dertig werd de moderne bouwkunst meer dan eens aangevallen, omdat zij niet in staat zou zijn het monumentale naar voren te brengen. Het ligt voor de hand dat men bij het ontwerpen van een gedenkteken, en dan zeker in deze periode, een meer klassieke (en daardoor ook monumentale, dacht men) vormentaal gebruikt. De discussie tussen H. Hoste en J. Schellekens in Bouwkunst en Wederopbouw, speelt zich bijvoorbeeld voor een deel af rond deze aantijging. Zie a. Bouwkunst en Wederopbouw, nr. 8, augustus 1941, b. KMBA, april 1937, p. 101-105, c. Bouwkunst en Wederopbouw, jg. 2 nr. 3 maart 1942. Zie ook R. Braem, 'Monumentaliteit', in Bouwkunsten Wederopbouw. (10) Kenneth Frompton, Modern Architecture. A critical history. (11) KMBA, februari 1938, p. 36. (12) o.c. (13) In het algemeen verslag over de werking van het 'Comité Lieven Gevaert Gedenkteken' (archief Agfa Gevaert) schrijft E. Leonard : „Het oordeel van architect Roux-Spitz te Parijs, ontwerper van het monument voor de verdediging van het Suez-kanaal, hetwelk tot voorbeeld zou hebben gediend hebben, werd wenselijk geacht en dus gevraagd. Deze was van oordeel dat zonder kennis van zijn werk, het door R. Braem en M. Macken ingediende ontwerp niet zou ontstaan zijn en hij kon niets anders doen dan het als plagiaat aanzien". (14) Verslag comité, 11 april 1938, om 5 uur. (15) Enige invloed van het ontwerp van architect Roux-Spitz is niet ondenkbaar aangezien het tweemaal werd gepubliceerd in een Belgisch tijdschrift ; l'Emulation, nr. 9, september 1925, p. 129-130 ; en La cité, nr. 1. januari 1935. (16) Bouwkunst en Wederopbouw, februari 1938. (17) o.c. (18) o.c. (19) Verslag van 16 juli 1938, om 3 uur. Verslag over de werking van het comité (archief Agfa Gevaert). (20) Bouwkunst en Wederopbouw, februari 1941. Verslag 20 augustus 1938. De jury doet opmerken dat in dit ontwerp de figuur van Gevaert geheel ontbreekt. Ofschoon dit niet als eis door het programma geformuleerd is, blijkt het toch wenselijk in deze richting aan de begrippen, die het publiek aan de huldiging van een groot man stelt te voldoen. KMBA : Koninklijke Maatschappij der Bouwmeesters van Antwerpen.


De voormalige watermolen van Temse

Dirk Van Eenhooge, B.M.L.

Een buitengewoon aggressief springtij veroorzaakte op 14 december 1973 een overstroming van de Schelde, waarbij het aan de Wilfordkaai in Temse gelegen hotel-restaurant 'De Watermolen' zodanig werd beschadigd, dat de eigenaar van verdere uitbating afzag. Na jaren leegstand werd het pand in 1980 door het gemeentebestuur van Temse aangekocht; pas in 1986 werden verbouwingswerken opgestart. Toen bij de eerste werkzaamheden archeologische sporen werden aangesneden, werd de hulp ingeroepen van de Afdeling Archeologie van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, die besloot zelf een onderzoek in te stellen; het was immers duidelijk dat een archeologisch onderzoek nog veel elementen kon aanbrengen, nuttig voor een verantwoorde restauratie. Anderzijds spoorde gemeente-archivaris Jerome Smet historische en archivalische gegevens op, waarvan dankbaar gebruik gemaakt kon worden voor het vervolledigen van de archeologische informatie.

Een vroeg-industriële context 'De Watermolen' is in feite een vroeg-industrieel site, en bestaat uit twee afzonderlijke gebouwen: enerzijds een brouwerij — waarschijnlijk met rosmolen — uit de 16de eeuw, en anderzijds een watermolen, opgericht eind 16de of begin 17de eeuw. Omstreeks 1640 werd de brouwerij omgevormd tot een soort pension; in 1787 grepen verregaande herstellingen plaats. De watermolen zelf bleef in bedrijf tot 1893.

De molen was opgericht op de Vrouwenhofbeek, die daar via een vliet uitmondde in de Schelde. Uit historisch kaartmateriaal blijkt duidelijk dat de watermolen van Temse een getijmolen was, die dus niet zozeer afhankelijk was van het water aangevoerd door de Vrouwenhofbeek, maar gebruik maakte van de getijden van de Schelde. Ten oosten van de molen tonen de kaarten een grote spuikom die door een dijk van de Schelde was afgesloten; bij vloed liet men de spuikom vollopen, bij eb deed het water dat terug in de Schelde liep, de waterraderen draaien (1). In een pachtcontract uit 1851 worden de Vliet en het molenwater dan ook afzonderlijk vermeld (2).

De westgevel van de watermolen. Opmetingsplan (D. Van Eenhooge) 19 M&L


De archeologische sporen van de periodes IVa en IVb. Perspectieftekening (D. Van Eenhooge)

De binnenzijde van de oostgevel van de watermolen. Opmetingsplan (D. Van Eenhooge)


Bouwgeschiedenis Tijdens het onderzoek in september-oktober 1986 werd in de watermolen een grote sleuf geopend (die ca 40 % van de vloeroppervlakte omvatte), op de vermeende plaats van de vroegere asput. In de geschiedenis van de watermolen konden zes periodes onderscheiden worden. Periode I wordt gedateerd door een octrooi uit 1588 waarin Filips II aan de heer van Temse toelating gaf een watermolen op te richten (3). Of de watermolen toen effectief werd opgericht is onzeker: geen enkel iconografisch, archivalisch of archeologisch bewijsmateriaal is voorhanden, zodat we deze eerste periode als hypothetisch beschouwen. In 1616 wordt het huidige gebouw opgericht (periode II), zoals blijkt uit de muurankers en uit de rekenin- Algemeen gezicht op het gebouwenensemble met de brouwerij (links) gen die bewaard bleven in het archief van de familie en de watermolen (rechts). Toestand tijdens de jongste aanpassings'de Bournonville' (4); het was immers Alexander de werken (foto O. Pauwels) Bournonville, de toenmalige heer van Temse, die de watermolen bouwde. Het is een sober bakstenen gebouw, met spaarzame toepassing van zandsteen. Opvallend zijn de korfboogdeuren, de sierlijke muurankers en de balksleutels met een sober renaissanceprofiel. Periode III (XVIIB - XV1IIA), periode IVa (XVIIIB - XIXA) en periode IVb (XIXbc) vertonen elk verbouwingen aan de maalconstructies. In periode V (1893) worden de maalconstructies ontmanteld, en de asput gedempt. Bij de inrichting tot restaurant (periode VI) werd vooral het interieur van de watermolen verminkt, zodat niets meer aan zijn vroegere functie herinnerde. Over periode I tot en met III zijn weinig of erg onvolledige gegevens beschikbaar, zodat we onze beschrijving beperken tot periodes IVa en IVb.

De watermolen tijdens de opgravingen, na vrijlegging van de fasen IVa en IVb (eigen foto)

Periode IVa (XVIIIB - XlXa) In periode IVa zijn in de watermolen drie afzonderlijke maalconstructies aanwezig, die elk één aspect van de evoluerende molenbouwtechnieken illustreren. Het is dan ook waarschijnlijk dat twee van deze constructies in feite tot de voorgaande periode teruggaan. Een belangrijk deel van de binnenruimte van de watermolen werd ingenomen door de diepe — nu echter gedempte — asput, waarin twee assen draaiden, elk aangedreven door een waterwiel. Er waren dus oorspronkelijk twee afzonderlijke constructies: de 'beneden Molen' in de zuidelijke, en de 'boven Molen' in de noordelijke helft van de asput (5). Twee nissen in de oostgevel lokaliseren deze twee assen; duidelijk is dat de as en dus het waterwiel van de 'boven Molen' zich iets hoger situeerde dan die van de 'beneden Molen'; hieruit leiden we af dat de twee waterwielen achter elkaar opgesteld stonden, dus onderslagraderen waren.

Een bijzonder probleem stelt zich bij de reconstructie van de maalconstructies. Zich enkel op basis van de opgegraven resten aan zo een reconstructie wagen was niet mogelijk. Gelukkig beschikken we wel over een 'prijsije' — of schattingsverslag — uit 1839, waarin de maalconstructies beschreven staan (6). Uit wat volgt zal blijken dat deze 'prijsije' zowel archaïsche als meer geavanceerde technieken beschrijft; het is bijgevolg een overzicht van de oudste en later veranderde of ingebrachte constructies die op dat ogenblik in de watermolen aanwezig waren. Voor de interpretatie van de gegevens baseerden we ons op illustraties uit oude molenhoeken, in het bijzonder het Theatrum Machinarum Molarium van J.M. Beyer uit 1735, omdat dit molenhoek verscheen omstreeks de overgang van onze periodes III naar IVa. 21 M&L

• • •


De 'beneden Molen' Van de onderbouw van deze 'molen werden in de opgraving belangrijke resten aangetroffen; op het laagste niveau een arduinen plaat, waarop het uiteinde van de as bevestigd was. Aan weerszijden hiervan twee U-vormige bakstenen constructies waarin een zware balk rustte; hierop lag een tweede balk, waarmee via een hefboommechanisme, de molensteen kon worden opgelicht. De hefboom bevond zich in de hierachterliggende put, waarin men via enkele treden kon afdalen. Voor de verdere reconstructie moeten we ons wenden tot de prijsije. Deze vermeldt: ... het kamwiel met zijn geloop en spille..., ... rijn, pan, spoor ..., ... de loopenden steen ..., ... de liggenden steen.

Uit deze elementen valt een eenvoudige, zogenaamde archaïsche opstelling af te leiden: het kamwiel (groot verticaal wiel, aangebracht op de wateras) drijft een kleiner, horizontaal wiel of geloop aan. Dit geloop is bevestigd onderaan de spille, een verticale as, die door de onderste of liggenden steen loopt, en door middel van de rijn of molenijzer is bevestigd aan de bovenste of loopenden steen (loper). Het onderste uiteinde van de spille draait op het spoor, een metalen plaatje dat gevat zit in de pan, een uitholling in de pasbrug. Verder vermeldt de 'prijsije' het luiwerk waarmee de graanzakken werden opgehesen, en dat zich op de zolder bevond. Met een vlegel (hefboom) werd gezorgd voor het in- en uitschakelen van de aandrijving van het luiwerk; deze aandrijving lag in de asput en gebeurde door een klein wiel dat door het kamwiel in beweging werd gebracht.

de beneden Molen naest de Scbelde

Waterwiel Waleras Kamwiel Geloop

Maalas) Spooi'wiel) (ieloop ) Pan en Spoor Rijn Loopenden s l e e n Licjgendeii s l e e n Kroonwiel) L n y a s k e n s met bun w i e l k e n s Vleijel

M&L 22


Reconstructie run de 'archaïsche' molen (tekening D. V;in Eenhooge)

Uit de 'prijsije' blijkt bovendien dat het opentrekken van de molenstenen gebeurde met een steenreep (reep = touw), aangedreven door een trommel met trommelreep en een klauwwindas met klauwreep. De aldus uit de gegevens van de 'prijsije' gereconstrueerde archaïsche opstelling zou er kunnen op wijzen dat de in 1839 geschatte constructie van de beneden molen in feite teruggaat tot de 17de eeuw. Deze mogelijkheid wordt echter niet door ander bewijsmateriaal bevestigd.

De 'boven Molen' Van deze tweede maalconstructie werden in de opgraving weinig interpreteerbare elementen teruggevonden, zodat we voor een reconstructie hoofdzakelijk op de 'prijsije' van 1839 zijn aangewezen. Deze vermeldt voor 'de Molen naest de Vliet' zoals die daar wordt genoemd: ... het kamwiel met zijn geloop ..., ... rijn, pan en spoor, geloop... . De verschillen met de beschrijving van de 'beneden Molen' vallen onmiddellijk op, vooral de afwezigheid van de spille, een term die vooral voorbehouden schijnt geweest te zijn voor de steenspil of as die rechtstreeks door het geloop wordt aangedreven (7), zoals in de archaïsche beneden molen het geval was. Dat de overbrenging van de beweging van het kamwiel naar de loper niet op deze rechtstreekse manier

gebeurde, wordt bovendien bewezen door de vermelding van twee geloopen. Bijgevolg moeten we een ontdubbeling van de overbrenging reconstrueren: het kamwiel drijft een eerste geloop aan, dat bevestigd is op een kleine as, die bovenaan een zogenaamd spoorwiel (niet vermeld in de 'prijsije'!) aandrijft; dit spoorwiel drijft het tweede geloop aan, en aldus de loper. Uit het Theatrum Machinarum Molarium blijkt dat een dergelijke ontdubbelde overbrenging reeds in de eerste helft van de 18de eeuw werd toegepast. Het is dus goed mogelijk dat deze 'boven Molen', die een 17de-eeuwse oliemolen verving, reeds in het begin van de 18de eeuw werd geïnstalleerd. Het principe van de ontdubbelde overbrenging met spoorwiel bleef in de meeste Vlaamse watermolens in gebruik, ook in de laat 19de-eeuwse constructies met gietijzeren overbrengingen. Met deze ontdubbeling was het immers mogelijk om meerdere — tot vier — steenkoppels aan te laten drijven door één waterwiel, terwijl in de archaïsche watermolens elk waterwiel slechts één steenkoppel kon aandrijven.

De 'Middelmolen' De 'prijsije' van 1839 vermeldt nog een derde maalconstructie die, zo blijkt uit diverse pachtcontracten, voorlopig ruwweg in de 18de, uiterlijk begin 19de eeuw kan gedateerd worden. In een pachtcontracht uit 1851 is sprake van „... de derde Coppel Steenen en 23 M&L


cl« Molen

naest de vliet Waterwiel Wateras Kaïmviel (jteloop

SpoorAviel ) (leloep Pan en Spoor Rijn LeepeiKlen steen Liyyeiulen steen

daeraen behorende werken voorgaandelijk door den mulder Rooms geplaetst in den watermolen ..." (8). Uit andere pachtcontracten en de bevolkingslijsten van Temse is gebleken dat de molenaarsfamilie Rooms van 1715 tot 1817 de watermolen van Temse uitbaatte; de laatste, Frans Rooms, deed dit van 1787 tot 1817 (9). Zoals hierboven reeds aangegeven, kon deze derde, later ingebrachte 'Middelmolen' niet aangesloten worden op de archaïsche 'beneden Molen', maar leende het spoorwiel van de 'boven Molen' zich hier juist wel uitstekend toe. De meest eenvoudige en logische oplossing ware dan ook geweest dit derde steenkoppel aan te drijven door een geloop, dat de beweging van het spoorwiel van de 'boven Molen' overnam. Deze constructie, waarbij twee steenkoppels door één spoorwiel worden aangedreven, werd reeds toegepast vóór de invoering van gietijzeren overbrengingen op het eind van de 19de eeuw (10), en is een logische uitbreiding van het principe van de onderaandrijving, waarbij de loper wordt aangedreven door een as en geloop die zich onder de steen bevinden. Uit de gegevens van de 'prijsije' blijkt echter duidelijk dat dit niet het geval was bij deze 'Middelmolen'. De schatting vernoemt: ... de staende as ..., ... sterwiel en wich..., geloop ..., het staekijzer met rijn, pan en spoor . . . . M&L 24

Onmiddellijk vallen de termen staende as en staekijzer op, twee termen die afkomstig zijn van de windmolenterminologie, waar de bovenaandrijving (as en geloop boven de loper) radicaal verschilde van de onderaandrijving van de archaïsche molens. De term wich troffen we slechts aan op een recent gepubliceerde ontwerptekening van een watermolen in Mechelen, waar de wich een soort tussenwiel blijkt te zijn (11). De 'Middelmolen' kunnen we nu als volgt reconstrueren: het spoorwiel van de 'boven Molen' drijft de wich aan, die bevestigd is onderaan de staende as; bovenaan deze grote as bevindt zich het sterwiel dat zelf een geloop aandrijft, bevestigd bovenaan het staekijzer dat met de rijn in de loper is bevestigd. De 'prijsije' vermeldt eveneens het mechanisme waarmee de molensteen werd opgelicht: ... pasbrug en vondel; ligt en ligtijzer en ligtboom . . . . Door het feit dat hier dus het principe van de bovenaandrijving is toegepast, is het ons mogelijk de toevoeging van de Middelmolen iets preciezer te dateren: 16de- en 17de-eeuwse boeken over molentechniek geven enkel onderaandrijving weer, wat ook het geval is in het Theatrum Machinarum Molarium uit 1735, een Duits molenhoek. In Nederland verschijnt de bovenaandrijving in de eerste helft van de 18de eeuw, waarschijnlijk onder invloed van de windmolentechniek. De invoering van de bovenaandrijving in Vlaamse watermolens is dan ook waarschijnlijk niet vóór de tweede helft van de 18de eeuw te situeren.


do Middel m o l m

1. i>. 3. 'i. 5. 0. 7.

Staoiido as Wich Stenviel Geloop Staeldjzer Liqlij/ciVondel

»>.

PasbriKj

9. 10. 11. 12. 13.

Wel moeten we hier op wijzen, dat de bovenaandrijving in watermolens, die dus vooral in Nederland ontwikkeld en toegepast werd, in Vlaanderen betrekkelijk onbekend bleef (II); de scheidingslijn tussen beide systemen zou zich ongeveer ter hoogte van Antwerpen situeren (13). Hoe deze bovenaandrijving dan in de watermolen van Temse terechtkwam, is een vraag die we onbeantwoord moeten laten. Was het wellicht toeval dat een molenbouwer werd aangetrokken die deze — toen betrekkelijk nieuwe — technologie kende en hier toepaste?

Ligtbooiu Steenbeclfle Uiiikliout Knyp Treeinlioiiteii

Uit sporen op de zolder van de watermolen blijkt dat de maalas van de 'beneden Molen' vroeger doorliep tot op de zolder (14). Daar dit echter onmogelijk was met de archaïsche opstelling zoals beschreven in 1839, moeten we deze situatie na deze datum situeren.

In de nieuwe opstelling drijft het kamwiel een geloop aan, bevestigd onderaan de maalas die tot op zolder doorloopt. Iets boven het geloop zit een tweede wiel, het spoorwiel, dat zelf het geloop aandrijft dat de loper in beweging brengt. Deze reconstructie is gebaseerd op de inventaris van de verkoop van maalconstructies uit Samenvattend kunnen we stellen dat in 1839 de 1893 (15), waar niets erop wijst dat deze constructie met watermolen van Temse in zijn geheel een goed over- bovenaandrijving werkte, zoals afgeleid zou kunnen zicht gaf van ongeveer twee eeuwen molentechniek: worden uit het feit dat de as tot op zolder doorliep. De de archaïsche opstelling van de 'beneden Molen', de maalas dreef enkel via een kroonwiel het luiwerk aan, reeds iets meer geavanceerde techniek van de ontdub- terwijl de vroegere trommel en klauwwindas voor het belde overbrenging in de 'boven Molen', en tenslotte opentrekken van de molenstenen blijkbaar vervangen de uit het noorden ingevoerde technologie van de werden door een galg; de inventaris vermeldt immers 5 galgen met vijs, dus één voor elk steenkoppel. bovenaandrijving in de 'Middelmolen'.

Laatste ontwikkelingen. Tussen 1839, de datum van de geciteerde 'prijsije', en 1893, het jaar waarin de maalconstructies worden ontmanteld en verkocht, situeren we periode IVb, waarin nog twee wijzigingen te vermelden vallen.

De overschakeling naar een doorlopende maalas voor de aandrijving van het luiwerk is typisch voor het einde van de 19de eeuw, toen in veel watermolens nieuwe maalconstructies met gietijzeren overbrengingen werden geplaatst. Dat dit laatste ook in de watermolen van Temse zou zijn gebeurd, is in ieder geval niet af te leiden uit de inventaris van 1893; we hebben bij de reconstructie dan ook de traditionele overbrengingen toegepast. Wel werd blijkbaar een 'schoon groot ijzeren waterwiel' aangebracht. 25 M&L


Lang heeft dit ijzeren wiel echter niet gedraaid, want tengevolge van werken uitgevoerd aan de Vliet, de kaai en het molenwater trad vanaf 1874 verzanding op (16). In 1876 wordt door de pachter een aanvraag ingediend om een 'beweegbaar stoomtuig met ketel ... te mogen plaatsen'; op de bijgevoegde tekening (17) blijkt dat het waterwiel van de 'boven Molen' heeft moeten wijken voor het 'locomobiel'; een postkaart uit 18901891 (18) toont duidelijk het gebouwtje waarin de stoommachine is ondergebracht, met daarvóór het waterwiel van de 'beneden Molen'. Binnenin de watermolen wordt het nieuwe steenkoppel ten noorden van de oude asput geplaatst. Door latere verbouwingen bleef van deze installatie niets bewaard.

opvulling van de asput troffen we een aantal fragmenten aan van zogenaamde landschapstegels (afmeting 13 x 13 x 0,7 cm), te dateren in de tweede helft van de 17de - begin 18de eeuw. Bij de latere verbouwing tot restaurant werden zowel uitzicht als interieur van de 'watermolen' ernstig verminkt: oude vensteropeningen worden gedicht, nieuwe deuropeningen vervangen de vroegere korfboogdeuren; binnenin plaatst men een 'rustieke' open haard en dito bar, in de muren worden openingen uitgekapt voor het plaatsen van radiatoren. Tot overmaat van ramp wordt de ruimte tussen de watermolen en het woonhuis volledig volgebouwd, zodat de vroegere watermolen een onbetekenend onderdeel wordt van een amorfe en identiteitsloze massa.

...en het einde

De watermolen van Temse deelde aldus het lot van vele Vlaamse watermolens, die hetzij gesloopt werden, hetzij slechts als een leeg karkas overleefden.

In 1893 wordt de uitbating van de molen volledig gestaakt; de installaties worden afgebroken en openbaar verkocht. De vroegere asput wordt gedempt, waarna het gebouw dienst doet als bergplaats; in de

Intussen werd de procedure tot bescherming ingezet zodat, dankzij de restauratieplannen van het gemeentebestuur, de watermolen van Temse wellicht toch iets van zijn vroegere eigenheid zal kunnen herwinnen en behouden.

Voetnoten

Bibliografie

(1) Bauters, 1978, p. 27 stelt dat in Vlaanderen slechts enkelvoudige getijmolens werden gebouwd, dus molens die enkel het aftrekkend tij benutten, en voegt er aan toe dat ze zeldzaam bleven. (2) Boel, 1986, p. 46, art. 12. (3) Rijksarchief Beveren. Dossiers de Bournonville, nr. 61. (4) R . A . B . , dossiers de Bournonville, nr. 52. (5) Vermeldingen in het archief van de heren van Temse spreken in 1630, 1636 en 1642 over twee waterwielen, terwijl er in 1682 sprake is van de beneden en de boven Molen. R . A . B . , dossiers de Bournonville, nrs. 2 1 , 22 en 29. (6) R . A . B . , dossiers de Bournonville, nr. 22. (7) Hagens, 1979, p. 34. (8) Boel, 1986, p. 43, art. 4. (9) Smet, 1980. (10) zie bv. Bauters, 1978, p. 29, afb. 21. (11) Dene wet, 1987, p . 47. (12) Bauters, 1978, p. 23-38, vermeldt de bovenaandrijving helemaal niet in het hoofdstuk over Vlaamse watermolens. (13) Jespersen, 1957, p. 7. We danken J. De Schepper, inspecteur Industrieel Erfgoed bij het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, die ons attent maakte op dit aspect van de geografische spreiding van onder- en bovenaandrijving. (14) Een halfronde uitholling in de dekbalk van het dakgebinte, en daaronder de resten van een houten klamp, waarin de maalas gevat zat. (15) In 'De Schelde', nr. 19, 13 mei 1893. (16) Smet, 1980. (17) Boel, 1986, p. 36. (18) l b i d . , p . 21 bis. M & L 26

Bauters P., Vlaamse molens, Antwerpen, 1978. Beyer J.M., Theatrum Machinarum Molarium, Leipzig, 1735. Herdruk: Hannover, 1982. Boel M., Aanvraag tot klassering als monument van 'De Watermolen', Wilfordkaai-Veerstraat te Temse, archief B.M.L., 1986. Denewet L., Volmolens voor wol en zeemleder, in Molenecho's, 1 5 d e j g . , n r . 2-3, 1987. Hagens H . , Molens Mulders Meesters, 1979, Almelo. Jespersen A . , ed., Rapporton Watermills, vol. III, Virun, 1957. Smet J., De watermolen van Temse, in Driemaandelijks informatieblad van het gemeentebestuur van Temse, juni 1980, nr. 14.


Vernieuwde aandacht en beveiliging van de laat-gotische beelden in Oostham

Christine Vanthillo, Rob Buelens (B.M.L.) en Forum

Het dorp Ham, met als deelgemeenten Oostham en Kwaadmechelen, ligt op de grens tussen de Antwerpse en de Limburgse Kempen. Oostham ontwikkelde zich op een kruispunt van wegen rondom een driehoekig dorpsplein. Aan dit plein ligt de parochiekerk van Onze-LieveVrouw-Geboorte, beschermd bij Koninkljk Besluit van 19 januari 1935. De kerk bezit een prachtige verzameling laat-gotische beelden uit de 15de en de 16de eeuw. Zoals in de meeste van onze dorpskerken is dit rijke beeldenpatrimonium langzaam het slachtoffer geworden van de ingrijpende evolutie die het kerkinterieur in de loop der tijden heeft ondergaan. Te klein geworden voor een steeds groeiende parochie werd de in oorsprong vroeg-Romaanse kerk verbouwd, uitgebreid, zelfs nieuw opgetrokken. De oude beelden en ornamenten bleven bewaard omwille van hun sacraliteit en mobiliteit. Zij verloren evenwel hun vertrouwd ruimtelijk karakter en tegelijk hun inhoudelijk contextueel verband. Na de teloorgang van hun oorspronkelijke devotionele rol en betekenis deemsterden ze langzaam weg in een wat marginale opstelling. Onttrokken aan elke directe sociale aandacht en spontaan respect vormden zij een gemakkelijke prooi voor diefstal en vandalisme. In de zomer van 1987 werden in de kerk omvangrijke werken uitgevoerd: beveiliging en herinrichting van het interieur met reïntegratie van de devotie-objecten binnen de kerk als cultusruimte. Het concept werd toevertrouwd aan het Ontwerpcollectief Forum, te Hasselt. 27 M&L


De parochie Oostham In de Kempen was de christianisering het werk van monniken. In Limburg gebeurde dit vooral door de abdijen van Echternach, Corbie, Maastricht en SintTruiden. Op hun eigendommen stichtten de abdijen parochies; de oprichting van een parochie omvatte de bouw van een kerk, waarvan het bezit, de inkomsten (tienden) en de benoeming van de bedienaar aan de abdij bleven behoren (1). Pepijn II van Herstal (t 714) bezat in de Kempen het gebied tussen Eksel en Oostham. Kort na de dood van de Heilige Trudo bezocht hij met zijn echtgenote Plectrudis diens graf en schonk hij alles wat hij bezat tussen Ham en Eksel — aldus de 'Vita Trudonis' — aan de abdij van Sint-Truiden (2). Vermoedelijk werd de parochie van Oostham aldus door deze abdij opgericht. In het westelijk deel van de Limburgse Kempen liet de Trudo-abdij overigens weinig sporen na (3). Over Oostham heerste zij tot in de tweede helft van de 13de eeuw. Door interne moeilijkheden kwam een gedeelte van de abdijgoederen in het bezit van wereldlijke heren, waaronder de graven van Loon, stichters en begunstigers van de abdij van Averbode. In 1281 schonk de Loonse graaf Arnold V het patronaat van de kerk van Oostham aan de norbertijnenabdij van Averbode. Deze orde zou de parochie, door Sint-Truiden gesticht, inrichten en verder ontwikkelen (4). In 1296 werd de kerk door Hugo van Chalons, bisschop van Luik, onder de bescherming gesteld van Onze-Lieve-Vrouw, met als tweede patroon SintLambertus (5).

De Onze-Lieve-Vrouwekerk, gezien vciiniu liet westen (foto O. Pauwels) M&L 28

Vroeg-gotische Madonna met zegenend Jezuskind. gereconstrueerd in neogotische trant (links) en de Heilige Anna (rechts) (foto's O. Pauwels)

De Onze-Lieve-Vrouwekerk De kerk heeft een ingewikkelde bouwgeschiedenis; dit blijkt uit de verscheidenheid van de gebruikte materialen en bouwstijlen en uit de schikking van de bouwvolumes. Het oudst bewaarde gedeelte is de vroeg-Romaanse westtoren uit de 10de- 11de eeuw, een massief vierkant bouwwerk in ijzerzandsteen, langs binnen en buiten gemetseld in visgraatverband, afgewisseld met onregelmatig verband. De bovenverdieping is een houten constructie bekleed met leien. Het huidige rondboogportaal in bakstenen omlijsting, dat dienst doet als westingang, is een toevoeging uit 1834. Bij de toren sloot een eenbeukig zaalkerkje met vlakke rechthoekige koorsluiting aan, zoals gebleken is uit de opgravingen in 1940. De toren werd enkel verlicht door smalle gleuven en had een defensief karakter. Het huidig portaal tussen de toren en de kerk werd in de 19de eeuw gekapt (7). In de 14de eeuw werd de kerk uitgebreid met een driezijdig laat-gotisch koor en transeptarmen. In 1603 werden de zijbeuken toegevoegd. Gelijktijdig wenste de heer van Oostham, Ulrich Hoen van Hoensbroeck, een kapel op te richten aan de zuidzijde van het koor. Meteen kwam hij in conflict met de abt van Averbode die zich tegen dit plan verzette. In 1621 bereikten beide partijen een akkoord: de heer van Oostham kreeg toelating van de abt om een kapel van 2 traveeën met driezijdige sluiting te bouwen op voorwaarde dat hij en zijn nakomelingen zouden instaan voor het onderhoud ervan (8). In de loop van de 18de eeuw werden geregeld herstellingswerken doorgevoerd (1749, 1757, 1758), waarbij de abdij tussenkwam in de onkosten. In 1836 werd het interieur in classicistische stijl aangepast (9).


rechtstaan. Tijdens de brand gingen eveneens het monumentale 18de-eeuwse portiekaltaar, het 'Marianum', en de 17de-eeuwse preekstoel in de vlammen op.

üe Heiligen Thomas (links) en Sebastiaan (rechts) (foto's O. Pauwels)

De zwaarste ingreep gebeurde in 1934 toen beslist werd de noordelijke zijbeuk af te breken en dwars op het middenschip van de oude kerk een brede, driebeukige neogotische nieuwbouw met ondiep veelzijdig koor op te richten. Ontwerper was architect Christiaens uit Tongeren. Op 19 januari 1935 werden de toren en het oude koor als monument beschermd omwille van hun kunsthistorische en oudheidkundige waarde. 1940 was een rampjaar: in mei stak het terugtrekkende Belgische leger de toren in brand. Het vuur breidde zich uit tot het nieuw gebouwde gedeelte, zodat enkel de buitenmuren en de torenromp bleven

In 1946 diende architect Van Malleghem drie voorontwerpen in voor de heropbouw van het nieuw gedeelte dat zwaarder getroffen was dan het oude. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen sprak zich uit voor 'bewaren wat kan bewaard worden' en de kerk in haar vroegere toestand, die van 1934, te herstellen. De aanbesteding had plaats in 1954; vier jaar later was de wederopbouw voltooid. Het resultaat van de ingewikkelde bouwgeschiedenis van deze kerk is dat wij hier staan voor een complexe toestand : een ruimte met een zeer ongelijke sacrale uitstraling door de aanwezigheid van de twee koorruimten. Deze kerk dankt haar belang dan ook minder aan haar architecturale kwaliteiten, dan aan haar unieke verzameling laat-gotische beelden. Omtrent de herkomst van de beelden zijn geen gegevens bekend, maar vermits de kerk tot het patrimonium van Averbode behoorde, is het niet uitgesloten dat deze abdij een aantal beelden heeft geschonken. Naast een Christus aan het kruis en een man van Smarten die zijn wondetekenen toont, bezit dit bedehuis verscheidene Madonnabeelden. Het mooiste exemplaar is helaas verloren gegaan in de brand van 1940, een dubbelbeeld van de apocalyptische Madonna in de stralenkrans, met de maan onder haar voeten, terwijl zij de slang vertrapt. Een vroeg-gotisch beeld van een rechtstaande Madonna met het zegenend Jezuskind op haar heup, bekleed met een soepel gedrapeerde mantel was zeer zwaar beschadigd; verscheidene delen waren totaal verweerd of afgebroken (hoofd, handen, voeten). Het beeld werd in 1925 in neogotische trant gereconstrueerd. Na Christus en Maria volgde de schare van Gods lieve heiligen, apostelen, abten, martelaren, martelaressen.

In het hoofdkoor werden de Heiligen Barbara, Catharina, Lucia en Margaretha. geflankeerd door de Heilige Bruno van Keulen en bisschop Lambertus. herenigd tot een 'retabel' (foto O. Pauwels)

•

29 M&L


heilige bisschoppen, beoefenaars van de liefdadigheid ..., allen herkenbaar aan hun attribuut (10). Tot de meest vereerde heiligen behoren Barbara, Catharina, Lucia en Margareta. Deze heiligenbeelden zijn geen starre figuren, maar charmante, bekoorlijke en modieus geklede dames. Vooral de eerste drie zijn met uiterste zorg gesneden. Zij hebben een voornaam gezicht en een elegante houding. Samen met het verdwenen 'Marianum' werden zij toegeschreven aan de zogenaamde Meester van Oostham, werkzaam in het eerste kwart van de 16de eeuw. Deze beelden vertonen een aantal gemeenschappelijke kenmerken: een ovalen hoofd, sierlijk gelijnde werkbrauwen, fijne gelaatstrekken en slanke handen. Allen dragen zij een hemdje waarover een kleed met diep uitgesneden halsopening valt, en schoenen met stompe neuzen. De kerk bevat behalve het hoofdaltaar, drie zijaltaren: het altaar van Onze-Lieve-Vrouw, het altaar van Sint-Niklaas en Sint-Jacob en het altaar van het Heilig-Kruis en Sint-Anna (11).

Beeld van de Heilige Margaretha. Op de rug zijn duidelijk de sporen zichtbaar van de houtwormaantasting: wormgaatjes en afbrokkeling van aangetast hout onderaan (foto B.M.L.)

Bij de mannelijke heiligen ontmoeten wij Thomas, met zijn expressieve kop en forse krullen in haar en baard, zoals bij de apostelfiguren in de kapel van Hoksent (Eksel) en in de Sint-Lambertuskerk te Neeroeteren. Nederrijnse invloed is hier duidelijk herkenbaar. Rustiger en serener van uitdrukking zijn de Heiligen Lambertus, de tweede patroonheilige van de kerk, en Benedictus (of Bruno van Keulen ?), die eerder Brabantse kenmerken vertonen. Pestheiligen en noodhelpers, die aangeroepen werden bij ziekte van mens en vee zijn hier vertegenwoordigd met Christoffel, patroon tegen de plotselinge dood, Sint-Antonius-eremijt, wiens mantel met een aantal hoekige en harde plooien gedrapeerd is, en Sint-Sebastiaan. Deze heilige martelaar wordt hier niet zoals gebruikelijk naakt voorgesteld, maar als ridder met pijl en boog in de hand. Tenslotte mocht Sint-Joris als één der meest vereerde martelaren niet ontbreken. Hij is hier uitgebeeld als een geharnast ridder die de draak doodt. Dit beeld werd, evenals de Verrezen Christus en Christoffel, spijtig genoeg afgeloogd. De overige beelden hebben een neogotische overschildering. In maart-april 1985 werden zij door de conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen behandeld tegen houtwormaantasting en afschilfering van de verflaag. Aan het eerste probleem werd verholpen door injecties met een preventief en curatief insecticide-fungicide product. De verflaag werd gefixeerd met een mengsel van zuivere bijenwas en damarhars. Na reiniging werd een beschermlaag aangebracht van microkristallijne en polyethyleenwas.

De nieuwe opstelling

Beeld van de Madonna met kind. Op de plooien is de afschilfering van de verflaag merkbaar (foto B.M.L.)

M&L 30

In 1987 kreeg het ontwerpcollectief Forum de opdracht een voorstel uit te werken voor de reïntegratie van het roerend kerkelijk kunstbezit, dat her en der


en der verspreid was over het gebouw, zonder inhoudelijke en iconografische systematiek en zonder band met de architecturale ruimte. Een eerste stap was het oostkoor en de kapel van de heren van Ham opnieuw in relatie te brengen met de anders functionerende ruimte, zeker nu door de liturgische vernieuwingen en het 'naar voren brengen' van het altaar, ook het hoofdkoor tot restruimte dreigde te vervallen. Eerder dan voor een louter museale opstelling te kiezen werd getracht de gotische beelden opnieuw in de sacraliteit van de totaalruimte te betrekken. Vandaar dat deze over de totale ruimte zijn verdeeld, als bindtekens tussen twee groepsopstellingen in het noord- en oostkoor. Dit laatste herwint zo zijn sacrale betekenis, maar door de belangrijkste beelden als een retabel te groeperen in het noordkoor, blijft dit het liturgisch kernpunt. Wat de opstelling en groepering der beelden zelf betreft is zoveel mogelijk getracht aan te knopen bij hun gebruikelijke situering in de kerkelijke traditie. Zo blijft Christoffel zijn bescherming aanbieden achteraan, kort bij de ingang; onder de triomfboog hangt het Crucifix; de Man van Smarten herinnert, kort bij het altaar, aan de Gregoriusmis; de Madonna met het kind houdt haar gebruikelijke plaats in de linkerzijbeuk; de Heilige Anna krijgt een nieuw 'beneficium' in het oostkoor. Op basis van hun iconografische (heiligen van Legende aurea) of stilistische (meester

De vroeg-17de-eeuwse kapel van de heren van Ham, nu omgevormd tot een schatkamer (foto O. Pauwels)

van Oostham) verwantschap en hun uitzonderlijke esthetische kwaliteit werden de Heilige Barbara, de Heilige Catharina, de Heilige Lucia en de Heilige Margaretha, geflankeerd door de Heilige Bruno van Keulen en bisschop Lambertus, tot een 'retabel' verenigd in het hoofdkoor, achter het vooruitgeschoven altaar. De overige heiligen, waaronder de Heilige Antonius, de Heilige Sebastiaan, en de Heilige Thomas, zorgen voor de binding tussen beide zones. De Heilige Joris, afkomstig uit een devotiekapel, kreeg een ietwat geïsoleerde, maar evenzeer beveiligde plaats in het oostkoor. De voormalige privaatkapel van de wereldlijke heren van Ham, naast het oostkoor, is omgevormd tot een schatkamer. Hier wordt de rijke schat aan sacraal metaal, conform functie, luister en wijding tentoongesteld en gerevaloriseerd. Zo werd de kans gegrepen om de noodzakelijke beveiliging van de kunstschatten te Oostham tegelijk te benutten om het kerkinterieur van de Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk iets meer tot een eenheidsruimte te laten worden. Hiertoe kregen de laat-gotische beelden de her- en vernieuwde aandacht die zij als kwaliteitsvolle kunstwerken en vanuit hun intrinsieke devotionele sacraliteit, verdienen.

De beveiliging

De Man van Smarten, kort bij het altaar (foto O. Pauwels)

De opzet van een beveiliging in het algemeen, is het voorkomen van beschadiging en het in stand houden van het onvervangbare kunstpatrimonium. Kerkbeveiliging is het resultaat van een combinatie van verschillende maatregelen, met als doel degradatie door atmosferische omstandigheden, vernieling of beschadiging door brand, vrijwillige of onvrijwillige beschadiging door mensenhanden, diefstal of totale verdwijning tegen te gaan. 31 M&L


Het nieuwe 'retabel' in hel hoofdkoor

M&L 32

(foto O. Pauwels)


r

r

M &/l BmA)'BA)l<rR^LA) Z 'On^otm.otie. o\>e.t AAoniAWve-n.-


TENTOONSTELLINGEN Vastleggingen Door de heer P. Dewael, Gemeenschapsminister van Cultuur, werden nog in februari 1988 volgende restauratiedossiers ondertekend voor vastlegging op de kredieten voor 1988 (sectie 78, Art. 63.03 en 63.04). Sector eredienst — Zulte, Kerk van de Heilige Michiel, ComeUs en Ghislenus (VB): 12.907.115,-fr. — Gent, Sint-Niklaaskerk (VB): 41.265.777,-fr. — Ronse, Sint-Hermeskerk, Fase 4, 2 (CH): 2.447.754,-fr. — Ronse, Sint-Hermeskerk, fase 4, 2(MW + BW): 8.311.639,-fr. — Ninove, Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk (EA): 1.580.150,-fr. — Tongeren, Onze-Lieve-Vrouwbasiliek (CH): 7.836.543,-fr. — Mechelen, Sint-Romboutskathedraal, fase C (BW): 9.049.566,-fr. Privé-sector — Antwerpen, Vlasmarkt 28-30 - fase 2: 8.868.694,-fr. Openbare sector — Gent, Gravensteen Fase 2 en 3, Lot 1 (VB): 6.691.043,-fr. en Lot 2 (VB): 8.335.377,-fr. — Sint-Niklaas, Kasteel Walburg (VB): 16.539.529,-fr. — Lanaken, Sint-Pieterskerk te Rekem (VB): 6.489.721,-fr. — Brugge, Godshuizen Blindekens, Marius Voet (VB): 6.402.395,-fr. — Brugge, Beenhouwersstraat 2, La Flandre (VB): 5.531.512,-fr. — Mechelen, Sint-Lambertuskerk te Muizen: (2.680,573,-fr.

Afkortingen BW: bijkomende werken; CH: contractuele herzieningen; EA: eindafrekening; MW: meerwerken; VB: vaste belofte.

Architectuur als Buur Met het project Architectuur als buur willen het Stadsbestuur van Gent en de v.z.w. Architectuurpromotie een sensibiliserings- en promotiecampagne opzetten voor kwaliteitsvolle architectuur. Centraal in dit project staat de hedendaagse architectuur: de architecturale kwaliteiten van wat — bij wijze van spreken — gisteren, vandaag en morgen zoal gebouwd wordt. Om dit te illustreren wil het project ArcMecfuur ais buur een 'breed panorama' bieden van wat de Gentse regio de voorbije twintig jaar aan betere architectuur heeft opgeleverd. Het gaat hierbij om architecturale ingrepen of realisaties in de ruimste zin: nieuwbouw of vernieuwbouw; woningen, aanbouwen, bedrijfsruimten, kantoren, handelsruimten; exterieurs, interieurs; tuinen; enz. De gehele programmatie is gespreid van september tot en met november 1988, met al enkele activiteiten in de zomermaanden juli en augustus. De centrale tentoonstelling vindt plaats in het Centrum voor Kunst en Cultuur en loopt van 7 oictober tof eind november 1988. Hiervoor wordt een aan de specifieke ruimte aangepast en eigentijds concept uitgewerkt. Inhoudelijk komt het accent te liggen op een overzicht — een 'panorama' — van wat de Gentse regio de laatste twintig jaar aan betere architectuur heeft opgeleverd. Vermits het project een zo ruim mogelijk doelpubliek beoogt, zal bij de presentatie van de geselecteerde werken zoveel mogelijk met foto's, schaalmodellen en perspectieftekeningen gewerkt worden. De tentoonstelling Architectuur als buur wordt gecombineerd met de tentoonstelling Expo 1913 op de eerste en tweede verdieping. Deze eerder toevalhge combinatie maakt een boeiende en welgekomen confrontatie mogelijk tussen het Gent van nu en het Gent van toen. In de uitgebreide catalogus zullen bijdragen van diverse auteurs opgenomen worden. Een becommentarieerd overzicht van hoe de laatste twintig-dertig jaar in en om Gent gebouwd werd, zal de hoofdmoot van deze catalogus uitmaken. In een audio-visual zal getracht worden om de bezoekers een idee te geven van wat nu precies met architectuur bedoeld wordt. Beeldmateriaal van een twintigtal woningen zal hiervoor

M&L BINNENKRANT

de basis vormen. De grote crypte zal ingericht worden als permanente architectuur-bar, waarvoor tevens een specifieke programmatie zal uitgewerkt worden. Het architectuux-parcouxs wordt het 'levende luik' van het project of 'de tentoonstelling buiten de muren'. Elke bezoeker aan de centrale tentoonstelling krijgt een 'maxi-gids' waarmee hij — vanaf september al — de stad in kan. Deze 'architectuurgids' bevat alle mogelijke informatie over het project en een vierkleurenkaart van de Gentse regio. Het project ArcMecfuur als buur zal ten minste twee architectuurmagazines uitbrengen. Het eerste nummer is reeds verschenen in juni. Het tweede — de architectuurgids — verschijnt begin september. Dit magazine op groot formaat en met een grote oplage bevat onder andere toelichting bij de vooropgestelde programmatie, korte populariserende artikels en reportages over het project, over hedendaagse architectuur in het algemeen en over de Gentse hedendaagse architectuur in het bijzonder. Het eerste nummer wordt gratis en gericht verspreid. Het tweede en dubbelnummer wordt uitgereikt samen met het toegangsticket voor de centrale tentoonstelling. Zonder de weg van het schoolse en het belerende te willen inslaan, is het project Architectuur als buur toch eerst en vooral ook een educatiefsensibiliserend project. Dit vertaalt zich in eerste instantie al in het educatieve concept en de educatieve begeleiding van zowel de tentoonstelling als de architectuurroutes. Maar in tweede instantie ook in tal van andere projectonderdelen, met name: — een aantal themadagen of lezingen gekoppeld aan de tentoonstelling; — een speciale brochure voor socioculturele verenigingen en insteUingen plus diverse vormingsprogramma's; — een lessenpakket/werkmap voor de jeugd; — een architectuurkoffer, uit te lenen via de stedelijke bibliotheken, met onder andere architectuur-publikaties, kleinere diareeksen, het projectmagazine en videotapes; — de BRT-reeks 'Bouwen om te wonen': parallel aan en in samenwerking met het project ontwikkelde de


Instructieve Omroep van de BRT een multimediaal educatief project dat loopt vanaf september 1988 (onder andere vijf televisieprogramma's, evenveel radioprogramma's, een praktisch handboek voor kandidaatbouwers of verbouwers, teletekst); — de BRT-reeks 'Huizen kijken': ook het programma 'Huizen kijken' van de Dienst Vrije Tijd loopt in samenwerking met het project en zal vanaf juni in elke uitzending aandacht besteden aan diverse onderdelen hiervan; — de videotape; een kopie van de audio-visual voor gebruik in scholen en verenigingen. Architectuur en andere kunstdisciplines hebben nooit ver van elkaar gestaan. In enkele geselecteerde eigentijdse gebouwen en in betere realisaties uit vroegere perioden, wordt daarom de toevoeging voorzien van enkele architecturaal verantwoorde elementen in de artistieke sfeer. Op dit vlak wordt een gerichte muziekprogrammatie uitgewerkt waarbij de relatie architectuur en muziek vanuit een of andere invalshoek voorop staat, dit in samenwerking met Musikon, de concertvereniging van het Koninklijk Conservatorium en met medewerking van Vlaanderen Leeft en de Vereniging ter Promotie van de Vlaamse muziek en de Musicus. De aanvullende initiatieven her en der in de stad, lopen in samenwerking met en onder de noemer van het project Architectuur als buur, maar situeren zich in de rand van de centrale programmatie: — kleinere tuinen (tuinarchitectuur) met rondleidingen en aanvullende programmatie (16 juli tot 3 september);

— 'Nieuw leven in de brouwerij', nieuwe bestemmingen voor oude gebouwen (8 september tot 8 oktober); — 'Kleur in de stad', geactualiseerde tentoonstelling met specifieke rondleidingen; — bouwen in en om Gent (historische situering); — Le Corbusier (woning Guiette; Linkeroeverproject); — hedendaagse architectuur uit het buitenland; — fotografen bekijken architectuur; — de kleine architectuur (gerealiseerde en niet-gerealiseerde maquettes). — Architectuur en film: een filmprogrammatie waarbij de relatie architectuur en film vanuit een of andere invalshoek voorop staat (gespreid over de maanden september tot en met november); — het Laserproject: een laserstraalverbinding tussen 'de vier torens van Gent' (van 7 oktober tot begin november); — Architectuur en literatuur. Het magazine 'Architectuur als buur" ligt ter beschikking in hotels, restaurants, musea, bibliotheken, stadsdiensten en handelszaken in de Gentse regio. Buiten deze regio wordt het verspreid via toeristische en culturele diensten, bibliotheken, jeugd- en infodiensten. Het magazine is, behalve op de reeds genoemde verdeelpunten, aan te vragen bij de Dienst Toerisme van de Stad Gent, Belfortstraat 9, 9000 Gent, ® 091/25.36.41. (Alleen belangstellenden van buiten Oost-Vlaanderen krijgen dit magazine ook gratis toegestuurd). Voor meer inlichtingen over het project zelf kunt U terecht bij : Architectuur als Buur, Belfortstraat 17, 9000 Gent, ® 091/33.00.30

I M&L BINNENKRANT I

Fondation pour 1'Architecture: Akarova Ruim twee jaar heeft de 'Fondation' nodig gehad om het aanzienlijke legaat toneelkostuums en decors van de Brusselse avant-garde danseres Akarova te verwerken tot een conceptueel project dat zo getrouw mogelijk weerklank geeft aan haar onverpoosbaar artistiek streven, omringd door tal van Belgische kunstenaars. In hechte samenwerking met Akarova zelf werd aldus vorm gegeven aan een tentoonstelling en aan een belangwekkend boek. Met haar ware naam. Marguerite Akarin, maakte Akarova haar debuut als danseres in de 'Lanteme Sourde', verzamelplaats van de avant-garde groep '7 Arts' met de broers Pierre (dichter) en Victor (architect) Bourgeois, de schilders P.L. Flouquet en Victor Servranckx, de graveur K. Maes, de kunstschilder en meubelontwerper Marcel Louis Baugniet, met wie ze in 1923 zou huwen en die haar de leennaam Akarova suggereerde. Aanvankelijk verzorgde ze solooptredens, choreografische interpretaties op muziek van Ravel, Debussy, Stravinski, Satie of Paul Dukas. De sterk gestileerde dans, de hiëratische bewegingen, werden bijkomend onderlijnd door de geometriserende kostuums die ze zelf ontwierp en vervaardigde, soms naar tekeningen van haar echtgenoot. In 1929 introduceerde de dramaturg Herman Teirlinck haar in de school van Ter Kameren. Akarova ontdekte er nieuwe scenografische technieken, nieuwe muziek, nieuwe artistieke persoonlijkheden met wie zij belangrijke momenten van haar carrière zou delen: de scenograaf en graficus Denis Martin, de kunstschilder Anto Carte, Henry van de Velde, stichter van Ter Kameren waar hij het klein theater-laboratoium inrichtte waarin Akarova met Teirlinck en zijn studenten heeft gewerkt, architect Jean-Jules Eggerickx, die haar in 1931 een eigen dans-studio bouwde en later, in 1937, een heus theater. Het is mogelijk ook door toedoen van Herman Teirlinck dat Akarova korte tijd deelnam aan het theater-avontuur van Johan De Meester met het 'Vlaamsche Volkstoneel', dat ze in een decor van Floris Jespers danste in het Paleis voor Schone Kunsten, of in het paleis van Laken optrad voor Koning Albert en Koningin Elisabeth. Doch naast de geheel eigen verdiensten van de danseres en van de synthese die ze bereikte tussen de verscheiden avant-garde bewegingen die dans en kunsten in het tussen-oorlogse België doorkruisten, spreekt uit haar oeuvre op de eerste plaats de

3


In memoriam P.A. Michel (1912-1988)

Kostuum en decor van Akarova voor 'De Vuurvogels' van Igor StravinsM

Totaal-Kunst. Tussen Akarova en haar vrienden, de dans en het spektakel, bestond hetzelfde soort verhouding als tussen de kunstschilders Schlemmer, Léger en het theater of tussen architect Mallet-Stevens en de cinema... . De tentoonstelling die thans werd opgezet door de 'Fondation pour l'architecture' beoogt dan ook precies dit soort verhouding te illustreren voor een specifieke periode (het interbellum), in een specifiek milieu (de Belgische avant-garde) en rond een specifieke persoonlijkheid: Akarova. Vooreerst wordt in een tiental taferelen gepoogd iets van de magie en het mysterie, eigen aan het spektakel, op te roepen met decors, kostuums, muziek en belichting. Enkele van de mooiste creaties van de danseres komen aldus opnieuw tot leven: 'Gollys Wogg's cake walk" van Debussy, 'Pacif van Honegger, 'De Vuurvogel' van Stravinski, 'Rhapsody in Blue' van Gershwin, de 'Oresteia' van Milhaud... Daarnaast vertellen een reeks kunstwerken, foto's, maquettes, documenten over al diegenen — theatermensen, kunstenaars en architecten — die het pad van Akarova hebben gekruist of haar carrière hebben beïnvloed: de groep 7 Arts' vooreerst. Ter Kameren, Van de Velde, Bourgeois, Eggerickx, maar tevens Anto Carte, Oscar Jespers, Willia Menzel, Denis Martin, Herman Teirlinck, Jules Delacre, de 'Croupe Libre' van G. Norge en R. Rouleau, Floris Jespers en Johan de Meester, Raymond Duncan, Isadora... .

Ten slotte worden de 80 door de danseres gemaakte kostuums bij wijze van visuele inventaris getoond in lichtbeelden, telkens gedragen en in houdingen die herinneren aan de oorspronkelijke creatie. De 450 pagina's dikke catalogus, uitgegeven door de 'Archives d'Architecture Moderne', herneemt in het Frans en het Engels grotendeels het hoofdthema: het Totaal-Kunst concept en de verhouding kunst-spektakel, in het bijzonder in de ontwikkelingen die deze kende in het Bauhaus in Duitsland, bij het Russisch Constructivisme of het Italiaanse Futurisme. Verder wordt de loopbaan nagegaan van de belangrijke vrouwelijke figuren van de hedendaagse dans, Isadora Duncan, Mary Wigman, Anna Pavlova, Crete Wiesenthal, Gret Paluka, Clothilde Sacharoff, Niddy Impekoven... . Ten slotte wordt aandacht geschonken aan de tendenzen van de Belgische theater avant-garde ten tijde van Akarova en aan de brandpunten van het Brusselse culturele leven. Het geheel wordt afgerond met commentaren en interviews verzorgd door de wetenschappelijke ploeg van de A.A.M., en door de volledige inventaris van decors en kostuums van Akarova. 'Aicarova'. Spectacle et avant-gardes en Belgique 1920-1950 - Fondation pour l'Architecture - Kluisstraat 55 1050 Brussel - van 27 mei tot 17 juli 1988. Toegankelijk van 12u30 tot 19 u van dinsdag tot en met vrijdag, zaterdag en zondag van 11 u tot 19 u, maandag gesloten.

M&L BINNENKRANT

Op 2 maart jongstleden overleed te Brussel Paul Amaury Michel, één der belangrijke Brusselse architecten, ontwerper van onder meer het 'glazen huis', de woning die hij in 1935 voor zichzelf bouwde aan de Jules Lejeunelaan te Ukkel. Aldus genaamd naar de integraal uit glazen blokken opgebouwde achtergevel, getuigt dit huis van Paul Amaury Michels blijvende bewondering voor hen die hij als zijn leermeesters beschouwde: de Franse architecten Pierre Chareau en Le Corbusier, wiens afbeelding trouwens tot het einde van zijn loopbaan zijn bureau zou sieren. Paul Amaury Michel werd geboren te Brussel op 22 februari 1912. Zijn diploma van architect behaalde hij in 1934 als één der eerst afgestudeerden aan de nieuwe, door Henry van de Velde gestichte school, het Hoger Instituut voor Beeldende Kunsten van Ter Kameren. In het bijzonder architect Jean-Jules Eggericx — samen met Van der Swaelmen ontwerper van onder meer de tuinwijken 'Floréal' en 'Le Logis' te Watermaal-Bosvoorde — wist hem daar enthousiasme bij te brengen voor de moderne architectuur. Leergierig van aard ondernam hij herhaalde reizen naar Nederland en Frankrijk. Het is bij één van deze reizen dat hij kennis maakte met de architecten Le Corbusier, Robert-Louis MalletStevens, André Lurgat e.a.


BUITENKRANT In 1936 werd hij lid van de C.I.A.M. (Congres Intemationaux d'Architecture Moderne). Op de roemruchte vergaderingen in het kasteel van La Sarraz kwam hij aldus in contact met het internationale kruim avant-garde architecten en kunstenaars. In 1937 ontwierp hij het Chileens paviljoen voor de Parijse Wereldtentoonstelling. Twee jaar later bouwde hij op de Molièrelaan te Brussel het appartementsgebouw 'Clarté', meteen goed voor de vermaarde Van de Venprijs. Onderbroken door zijn internering in een nazi-kamp, kende zijn loopbaan na de oorlog een nieuwe start met de bouw van talrijke appartementen en villa's in de Brusselse agglomeratie. In 1955 werd hem de aanleg toevertrouwd van de eerste beurs van Stanleystad waarvoor hij tevens de gebouwen van de Belgische afdeling en het Congolees paviljoen ontwierp. Later zal hij zich verder toeleggen op het ontwerpen van stands en tentoonstellingspaviljoenen, in het bijzonder voor de Belgische vertegenwoordigingen op de internationale beurzen van Damas 1957, Berlijn 1967 en 1984, Budapest 1967 en 1973, Montreal 1971, Peking 1975... . Van hem is tevens de herdehkingsplaat die hij als voorzitter van de S.B.U.A.M. (Société Beige des Urbanistess et Architectes Modemistes) liet aanbrengen op het geboortehuis van de Franse architect Auguste Ferret, Keyenveldstraat te Eisene.

Koning Boudewijnstichting: Monumententochten

Lanaken. Domein Pietersheim, burchtruïne

De monumententochten van de Koning Boudewijnstichting zijn uitgegroeid tot een jaarlijkse traditie. Ook in 1988 wordt er gewandeld. Na Antwerpen (29 mei) en Blankenberge (3 juli) wordt de kans geboden om van dichtbij kennis te maken met het cultureel erfgoed van Lanaken en Brussel.

Het zomerprogramma wordt afgerond met een tocht langs de gemeentehuizen van de Brusselse Agglomeratie, op zaterdag 24 september.

Koning Boudewijnstichting. De goedgekeurde projecten 'Plant een Bos' 1988

de Stichting Leefmilieu, en zonden een project in. Hiervan kregen 73 gemeenten een erkening in het kader van de actie. Samen zullen ze zorgen voor 213,6 ha nieuw bos. Van deze gemeenten kregen 59 gemeenten, met in totaal 159,4 ha bosaanplantingen, een financiële steun vanuit het Bossenfonds; 9 gemeenten met een bebossingsoppervlakte van 28,2 ha kregen finan-

P.A. Michel (onder) bouwde een 'glazen huis' (links) voor zichzelf in de Jules LejeuDe voormalige waterburcht van Fienelaan te Ukkel. tersheim, actieterrein van de v.z.w. Jeugd en Cultureel Erfgoed, vormt het uitgangspunt van de monumententocht te Lanaken-Rekem die plaatsvindt op zondag 21 augustus. Deze wandeling gaat langs OudRekem, de Maasvallei en de cisterciënzerinnenabdij van Hocht. Onthaal op het Domein Fietersheim, Neerharenweg 12, te Lanaken.

In totaal reageerden 110 gemeenten op de oproep van de BRT, de Koning Boudewijnstichting, het Onderzoekscentrum van Bosbouw (R.U.Gent) en

M&L BINNENKRANT

De monumententochten zijn opgevat als wandelzoektochten. Inschrijven voor de wedstrijd Jran 's morgens tussen 10u en 12u en 's namiddags tussen 13u30 en 14u30. Deelname aan de monumententocht is gratis. De wandelkaarten van de monumententochten kunnen eveneens kosteloos aangevraagd worden. Ook verdere inlichtingen kunnen steeds bekomen worden bij de Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat 21, 1000 Brussel, ® 02/511.18.40.


ciële steun van het Bestuur Waters en Bossen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en 5 projecten met een oppervlakte van ± 26 ha waren merkwaardig voor een vermelding op televisie, maar werden niet erkend omdat ze niet aan alle gestelde criteria voldeden. 22 gemeenten in de provincie Antwerpen met een te bebossen oppervlakte van 83,67 ha. 16 gemeenten in de provincie Brabant met een te bebossen oppervlakte van 28,71 ha. 16 gemeenten in de provincie Limburg met een te bebossen oppervlakte van 47,39 ha. 11 gemeenten in de provincie OostVlaanderen met een te bebossen oppervlakte van 22,25 ha. 8 gemeenten in de provincie WestVlaanderen met een te bebossen oppervlakte van 31,6 ha. Specifieke infoimatie per gemeenteproject is te verkrijgen bij de Koning Boudewijnstichting, Brederodestraat 21, 1000 Brussel, S 02/511.18.40

De Sint-Martinuskerk te Halle en het Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed van de Koning Boudewijnstichting

Op 23 maart werd tijdens een persconferentie te Halle de medewerking aangekondigd van de Koninig Boudewijnstichting voor de restauratie van de Sint-Martinuskerk, omwille van de bekende bedevaart ook Onze-LieveVrouwebasiliek genoemd. Deze hoofdzakelijk gotische kerk verkeert ondanks de vroegere restauraties in een verontrustende toestand die een algemene restauratie nodig maakt. Om dit omvangrijke werk tot een goed einde te brengen is een grondige voorafgaande studie nodig. Dringende beveiligings- en instandhoudingswerken moeten worden uitgevoerd, maar er is ook voorafgaand studiewerk nodig: niet alleen historisch onderzoek, waarbij, met het oog op de restauratie-opties de evaluatie van de restauratiecampagnes uit de

e

tweede helft van de 19de eeuw en uit het begin van de 20ste eeuw uiterst belangrijk is, maar ook onderzoek naar de stabiliteit en de bouwfysische toestand. De plaatselijke gemeenschap, bewust van de verantwoordelijkheid en de moeilijkheden die de restauratie van zo'n betekenisvol monument met zich meebrengt, richtte 'De vrienden van de Basiliek op. Deze werkgroep startte met een waaier van initiatieven en acties en riep ook de Koning Boudewijnstichting ter hulp. Dankzij het 'Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed van de Koning Boudewijnstichting', kon hierop ingegaan worden. Financiële middelen worden gezocht bij particulieren, bedrijven en instellingen via belastingaftrekbare giften. De voor de restauratie van de SintMartinuskerk noodzakelijke studies zullen dus dankzij het Fonds en de Vrienden' kunnen worden gefinancierd.

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen De jaargang 1988 van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen biedt ditmaal de volgende vier themantunmers: 1. Walter Scheelen, Meesterschap en mecenaat: Vlaamse schilders in dienst van Habsburg; 2. Roger Coenen. Het Provinciaal Museum voor Fotografie; 3. Prof. Dr. Jan Pieter Baelegeer. Industriële design in België; 4. Dr. Paul Havenne, Het Rubenshuis, Antwerpen. 'Meesterschap en mecenaat: Vlaamse schilders in dienst van Habsburg' In de 16de en 17de eeuw gemeten de Vlaamse schilders tot ver buiten onze landsgrenzen een grote faam. Dat hebben zij niet alleen aan zichzelf te danken, maar ook aan het mecenaat van enkele leden van de Habsburgse dynastie. Deze vorsten en landvoogden verzamelen gretig oude Vlaamse meesters, laten Vlaamse schilders grote opdrachten uitvoeren of benoemen hen tot hofschilder. Meteen een antwoord op de vraag waarom het Prado in Madrid en het Kunsthistorisches Museum in Wenen zoveel Vlaamse schilderkunst in huis hebben. Van Margaretha van Oostenrijk tot aan Karel van Lotharingen wordt duidelijk aangetoond hoe de Habsburgers een kunstpolitiek ontwikkelden en hoe zij hun verzamelingen wisten te verrijken. Tussen deze beide polen passeren volgende vorsten en landvoogden de revue: Karel V, Filips II, aarsthertog Ernst, Maximiliaan II, Rudolf II, Albrecht en Isabella, kardinaal-infant Ferdinand, Filips IV en aartshertog Leopold-Wilhelm. De

I M&L BINNENKRANT I

manier waarop de kunstcollecties worden uitgebreid kan erg verschillen. Sommigen krijgen veel geschonken of plaatsen enorme bestellingen, anderen schakelen gezanten en diplomaten in om geliefkoosd werk aan te kopen. Na 1700 is het tijdperk van de vorst als verzamelaar én mecenas definitief voorbij. Ambtenaren bepalen het kunstzinnig beleid en de opbouw van de collecties gebeurt wetenschappelijker. 'Het Provinciaal Museum voor Fotografie, Antwerpen' De opkomst van de fotografie in het midden van de vorige eeuw zorgde voor een ware omwenteling in de beeldcultuur. Volgens de Oostenrijkse filosoof Karel Pawek was de eeuw van het beeld aangebroken. De verste uithoeken van de wereld waren nu bereikbaar. Fotografie evolueerde al gauw tot een populair massamedium, waar de nadruk van 'kijken' op 'doen' kwam te liggen. Het Provinciaal Museum voor Fotografie heeft een overweldigende hoeveelheid materiaal, foto's en apparatuur, om die ontstaansgeschiedenis en haar verdere evolutie te illustreren en ze binnen haar sociale context te plaatsen. Na een bondige, doch verhelderende uitleg over enkele basisbegrippen uit de geschiedenis van de fotografie, maakt Openbaar Kunstbezit Vlaanderen samen met Roger Coenen, de eerst-aanwezende wetenschappelijke assistent van het museum, een wandeling langs de belangrijkste toestellen, camera's en fotoducumenten. Toestellen met illustere namen zoals de Miragioscope of de Phénakisticope worden hier besproken. Het museum schenkt niet alleen aandacht aan de zuiver fotografische toepassingen, maar ook aan uitbreidingen daarvan: de stereo(foto)grafie en de cinematografie. Ook de geschiedenis van het gebouw waarin het Museum nu is gehuisvest (het pakhuis 'Vlaanderen') en de museologische opvattingen komen in deze aflevering aan bod. Een jaarabonnement (4 nummers) kost 600,-t.; met opbergband voor 2 jaargangen: 850,-fr.. Te betalen op rekeningnummer: 220-0722400-77. Voor Nederland: 36 gulden (zonder opbergband) of 53 gulden (mét opbergband) op gironummer 135.20 van O.K.V. te 2100 Deume. Losse nummers: 180,-fr., uitsluitend door overschrijving op rekeningnummer 220-0722400-77. Voor Nederland: 12 gulden op gironummer 135-20 van O.K.V. te Deume. Voor alle inlichtingen: Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, Trommelstraat 1, 9000 Cent, of® 091/23.82.39.


European Conservation Awards. Europese prijs voor het natuur- en cultuurpatrimonium 1987 De 'Conservation Foundation', een internationale stichting voor de bescherming van de natuur en het behoud van het patrimonium, die in 1982 in het Verenigd Koninkrijk werd opgericht, reikte op vrijdag 4 maart 1988 de 'Europese Prijs voor het Natuur- en Cultuurpatrimonium' 1987, zijnde 10.000 $, uit aan de Ierse kandidaat Tim Robinson. Deze ceremonie vond plaats in het stadhuis van Madrid in aanwezigheid van Juan Barranco, burgemeester van Madrid, David Bellamy en David Shreeve, respectievelijk Stichtend Beheerder en Afgevaardigd Beheerder van de Conservation Foundation en Jaime Carvajal Urquijo, voorzitter van Ford Motor Company Spanje. Het project van Tim Robinson bestaat uit een cartografische en culturele inventarisatie van het Ierse landschap, die hijzelf 'opvouwbare landschappen' noemt. Met de cartografie van drie zones rond Galway Bay, ten westen van Ierland, wil hij de bewoners sensibiliseren voor de rijkdom van het Ierse landschap. De monochromatische, gedetailleerde kaarten bevatten niet alleen geografische en geologische gegevens maar ook een overzicht van culturele, religieuze en politieke indicaties over de streek; wat het succes van de kaarten bij archeologen, botanici, speleologen, omitologen en historici verklaart. Ons land was vertegenwoordigd door de laureaat van de Nationale Prijs, Prof. Jan De Ploey van het Laboratorium voor Experimentele Geomorfologie te Leuven. Zijn project handelde over de bestrijding van bodemerosie door toepassing van minimale grondbewerking, no-till genoemd. De Europese jury, met als voorzitter de heer Edgar Kesteloot, Beheerder van de Conservation Foundation, werd vooraf onthaald door Z.M. Koning Juan Carlos en H.M. Koningin Sofia. De Prijs voor het Natuur- en Cultuurpatrimonium werd zes jaar geleden voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk uitgereikt, aanvankelijk in samenwerking met de nationale televisieketen BBC. In 1984 kreeg de Prijs een internationale dimensie toen hij zich uitbreidde tot Oostenrijk, België, Spanje, Frankrijk, Nederland en Zwitserland. Het Europees Jaar van het Leefmilieu opende nieuwe perspectieven voor de Prijs die van toen af ook in de Bondsrepubliek Duitsland, Denemarken, Griekenland, Het Groothertogdom Luxemburg, Ierland en Portugal georganiseerd werd.

De Prijs voor het Natuur- en Cultuurpatrimonium, onder bescherming van Ford Motor Company Ltd., staat open voor alle privé-personen, groepen en verenigingen. De prijs is bedoeld als stimulans voor initiatieven op het gebied van natuurbescherming en herwaardering van het architectonisch, cultureel en artistiek patrimonium. Deelnemers waren: Oostenrijk. Peter Petrich en de Universiteit voor Landbouwwetenschappen van Wenen. Project: Vijver-zwembad', de combinatie van een zwembad met een vijver met natuurlijke planten. Oostenrijk: Vibeke Woldbye, Directeur van de Salons van het Kasteel van Kronborg. Project: Restauratie van de door Antonius Meiding gerealiseerde poort. Frankrijk. Pierre Cognet. Project: Schaalmodellen van oude Franse ambachten. Griekenland: Hellenistische Omitologische Vereniging. Project: Studie en conservatie van de reigerpopulatie van Porto Lagos. Nederland: Bomenstichting. Project: Vereniging voor het behoud van Utrechtse bomen. Ierland: Tim Robinson. Project: Opvouwbare landschappen cartografische en culturele inventarisatie van het Ierse landschap. Italië: Pietro en Aleandor Tinelli. Project: Behoud van het moerasland aan de oevers van de Lazio. Portugal: Vereniging voor Natuurbehoud in Felgueiras. Project: Conservatie van de gemeentelijke was-pers. Spanje: Stadsbestuur van Tarifa. Project: Inrichten van een vogelreservaat in de kuststreek rond Los Lances. Zwitserland: 'Jeugd en Natuurbescherming', kanton Aargau. Project: Bescherming en studie van de levenswijze en de natuurlijke omgeving van de kerkuil in de Reussvallei. Croot-Brittannië: Natuurbeschermingsgroep van Suffolk. Project: Conservatie van de Sandlings heidevelden van Suffolk. West-Duitsland: Werkgroep 'Bescherming van de moeraslanden'. Project: Bescherming van de moeraslanden in Schleswig-Holstein. Luxemburg: Aktion Kannerfrëndlech Schoulhaff.

M&L BINNENKRANT

Project: Restauratie van speelpleinen met een begeleidende pedagogische campagne. België: Jan De Ploey. Project: Bodemerosiebestrijding door toepassing van no-till. In 1988 is de Prijs voor Natuur- en Cultuurpatrimonium aan zijn vijfde editie toe. De kandidaturen moeten aan één van volgende 4 categorieën beantwoorden: — JVafuurpaöimonium: voor het natuurbehoud in de landelijke zones (oprichten van natuurreservaten, bebossing, bescherming van dieren, enz.) en in de stedelijke zones (aanleg van tuinen en parken, oprichting van een stadshoeve, restauratie van stedelijke zones, beplantingen, enz.); — Cuftuurpaöimonj'um: instandhouding, hernieuwing, onderhoud en restauratie van gebouwen, vervoermiddelen en andere symbolen van het Belgisch patrimonium: werkplaatsen voor ambachtslieden, belangrijke boeken en manuscripten, verlaten fabrieken, historische vesten, kunstwerken, oprichting van musea, enz.; — Leefmilieu: projecten in het teken van de bescherming van het leefmilieu die kaderen in de strijd voor grondstoffen- en energiebesparing en tegen vervuiling: recyclage van huisvuil als energiebron, enz.; — Jongeren: voor projecten in voornoemde domeinen, die opgezet werden door jongeren onder de 18 jaar, alleen of onder toezicht van een volwassene. Alle kandidaturen worden aan een jury voorgelegd. Per categorie wordt een winnaar gekozen, die een trofee en een cheque van 150.000,-fr. ontvangt. De jury kiest vervolgens de winnaar van de 'Nationale Prijs Ford voor Natuur en Cultuur' die een bijkomende cheque van 200.000,-fr. ontvangt en die zijn land zal verdedigen op de Europese finale waarin de nationale winnaars van de 14 deelnemende landen tegen elkaar uitkomen. De Europese laureaat krijgt een bijkomende cheque van circa 350.000,-fr.

Deelnemxngsfarmuiierejn! kunnen verkregen worden bij Infopublic Harp International, Isabelle Hardy, Lambermontlaan 436, 1030 Brussel, ® 02/242 37 98. Ze moeten volledig ingevuld en vergezeld van de kandidatuur vóór 14 oktober 1988 teruggestuurd worden.

7


Europa Nostra prijzen 1987 Europa Nostra kondigde op 27 januari laatstleden de winnaars aan voor 1987 van de jaarlijkse bekroning van de meest geslaagde projecten voor het behoud van Europa's architecturaal en natuurlijk erfgoed. Drie typen projecten worden bekroond: de restauratie of de heropbouw van oude gebouwen, het moderniseren van gerestaureerde gebouwen en nieuwe gebouwen die uitzonderlijk goed geïntegreerd werden in him omgeving. Inschrijvingen zijn verdeeld in vijf categorieën, naargelang de opdrachtgevers van het werk: nationale overheid, regionale en lokale overheidsinstanties, burgerlijke of sociale organisaties, commerciële en particuliere eigenaars. De helft van de 200 inschrijvingen van dit jaar waren programma's voor de lokale overheid.

Athene, Erechteiontempel

Zilveren Medailles Oostenrijk Wenen: Restauratie van het 19deeeuwse Eerstel Paleis en zijn verbouwing tot kantoren. Finland Rauma: Een belangrijk restauratie- en moderniseringsprogramma van verschillende gebouwen in de Oude Stad. Griekenland Athene: Restauratie van de Erechtheion Tempel op de Akropolis (speciale prijs). Dublin, Trinity College tijdens de brand

^ÜÏT

Wenen, Ferstelpaleis

Sundsvall, Culturele Opslagplaats

M&L BINNENKRANT


Ierland Dublin: Heropbouw van de 18deeeuwse eetzaal van Trinity College, die door een brand vernietigd werd. Spanje Aguilar de Campoo: restauratie van het monnikenklooster van Santa Maria la Real en zijn verbouwing in een opvoedkundig centrum. Zweden Sundsvall: Heropbouw van vier opslagplaatsen en hun verbouwing tot cultureel centrum: de Culturele Opslagplaats.

Croot-Brittanrüë Schotland, Edinburg: een grootschalig conservatiewerk in de 18deeeuwse Nieuwe Stad. Schotland, New Lanark: vernieuwing van het einde - 18de-, begin - 19deeeuwse industriële modeldorp. Oorkonden van verdienste Oostenrijk Hall: herstel van twee 15de-eeuwse huizen, Salvatorgasse 5 en 7, waarbij hun oorspronkelijk karakter bewaard wordt.

België Antwerpen: omvorming van een artdeco industrieel gebouw tot museum en culturele trekpleister (het MUHKA). Mons: verbouwing van een voormalig 17de-eeuws nonnenklooster tot muziekakademie. Denemarken Kopenhagen: restauratie van de vroeg 18de-eeuwse Citadel Kerk en de vroegere Staatsgevangenis. Kopenhagen: Restauratie van het vroeg 19de-eeuws landhuis Soholm, in Hellerup. Naestved: heropbouw van de "Boderne', drie 15de-eeuwse woonhuizen, nu tentoonstellingsruimtes van het lokale museum. Bondsrepubliek Duitsland Ansbach: restauratie van de Schaitbergerstrasse 38, een huis in de Oude Stad, en zijn verbouwing tot verblijfplaats voor daklozen. Kamp-Lintfort: restauratie van het uitbetalingskantoor op de 'FriedrichHeinrich Colliery", nu gebruikt voor culturele doeleinden. Koblenz: heropbouw van het 19deeeuwse 'Göerreshaus' voor cultureel gebruik. Lindau: behoud en modernisering van een 15de-eeuws huis, Ludwigstrasse 14. Oldenburg: behoud van de historische gevels van de stad rond de 'Pferdemarkt'.

Bergen, verbouwing van een 17de-eeuws nonnenklooster...

... tof muziekacademie

Frankrijk Autun: restauratie van een 14deeeuwse kelder en verbouwing tot cultureel centrum. Ungersheim: plattelandswoningen die van vernieling gered werden op het initiatief van vrijwilligers (speciale prijs). Griekenland Heraklion: restauratie van twee gebouwen uit de Venetiaanse periode en hun verbouwing tot stadhuis. ieriand Clonakilty, Co. Cork: restauratie van een oude molen en zijn verbouwing tot kantoren en openbare bibliotheek. Italië Cortina d'Ampezzo: bouw van een muziekpaviljoen dat door middel van een hydraulisch systeem verplaatst kan worden om het zicht op een beschermde zone te vrijwaren (speciale prijs). Nederland Bergen op Zoom: restauratie van het Markiezenhof, een paleis dat dateert uit 1485, en verbouwing tot museum en cultureel centrum. Zutphen: restauratie van het Agnietenhof, een 15de-eeuws nonnenklooster, de verbouwing tot woningen en de aanpassing van de middeleeuwse kapel tot een cultureel centrum.

Ungersheim, ecomuseum van Alsace

I M&L BINNENKRANT

9


Noorwegen Bergen: de omvorming van de middeleeuwse wijnkelder van de stad tot een nieuw gebouw (speciale prijs). Spanje Madrid: restauratie van een residentiële eigendom en aanleg van een nieuw plein in het centrum van Madrid. Malaga: restauratie van het theater van Miguel de Cervantes. Palos de la Frontera: restauratie van de 13de-eeuwse kerk van San Jorge y Fontanilla en verbeteringen aan de historische 'Plaza'. Soto de Luina: restauratie van een kerk en een herberg voor pelgrims en heraanleg van hun omgeving. Santander: verbouwing van het hospitaal van San Rafael tot zetel van het regionale Parlement. Zweden Vadstena: restauratie van een vroeger toevluchtsoord en verbouwing in appartementen.

Malaga, Theater Miguel de Cervantes

Manchester, 'Greater Manchester Exhibition and Event Centre'

10

M&L BINNENKRANT


Categorie A: f f

Medaille: Turkije: Bursa: een aantal voorzieningen ter verbetering van het leefmilieu, waaronder parken, landschappen en de restauratie van historische gebouwen. Diploma van verdienste: Oostenrijk. Wenen: behoud van een woonwijk uit 1930 in 'Internationale' stijl. Denemarken: Kopenhagen: herstel van gebouwen uit de I7de, 18de en 19de eeuw in het stadscentrum. Ierland: Dublin: bouw van bejaardenwoningen en aanleg van groenvoorziening in een verkommerd stadsgedeelte. Zweden: Gotenborg: restauratie van 500 houten huizen uit de 17de eeuw.

Waies, Bangor pier

Zwitserland Luzerne: restauratie van de barokke jezuïetenkerk en aanleg van een nieuw kerkplein. Groot-Brittannië Cambridge: opfrissen van een 19deeeuwse 'Com Exchange', dat nu omgebouwd werd tot cultureel centrum. Liverpool: restauratie van een 19deeeuws gebouw, dat nu verbouwd werd tot televisie-nieuwscentrum. London: redding van de verwaarloosde 'Royal Victoria Patriotic Building' en zijn verbouwing voor culturele en residentiële doeleinden. Manchester: verbouwing van "Victoria Central Station' tot het 'Greater Manchester Exhibition and Event Centre'. Norfolk: bescherming van de 'Tithe Bam' te Letheringsett Hill, dat nu een workshop, een showroom en kantoorruimte biedt. Schotland, Isle of Skye: restauratie van de stallen van Armadale Castle en hun verbouwing tot vrijetijdsvoorzieningen en -accommodaties in het 'Clan Donald Centre'. Schotland, Lanarkshire: restauratie van 'Chatelherault', een 18de-eeuws jachthuis, en heraanleg van het park. Wales, Bangor: restauratie van de 19de-eeuwse pier.

Voor meer informatie: Charmian MarshaU, Europa Nostra, ® London: 00/44/1/821.11.71. Marcel van Jole, Jacobuslei 102, 2130 Brasschaat. ® 03/651.76.67 (privé). S 03/233.85.96 (werk).

Europa Nostra. Prijzen voor het Europese jaar van het Leefmilieu Op 17 maart jongstleden werden te Brussel de prijzen voor het Europese jaar van het Leefmilieu uitgereikt aan vertegenwoordigers van 35 Europese steden en dorpen. In samenwerking met de Raad van Europa, die 1987-1988 uitriep tot het jaar van de Europese Campagne voor het platteland, werd deze campagne gefinancieerd door de Commissie van de Europese Gemeenschap, met de steun van American Express. De prijzen gingen naar projecten die het behoud beogen van bebouwde ensembles in steden, dorpen of gedeeltes ervan. De projecten genoten alle, geheel of gedeeltelijk de steun van openbare of lokale besturen en werden sinds 1975 verwezenlijkt. De 'Top medal awards' gingen naar de steden Bursa in Turkije, Nijmegen in Nederland en de gemeente Pohja in Finland. Drie speciale prijzen werden door een internationale jury, bestaande uit de architecten Prof. Yves Boiret (Frankrijk), Prof. Peter Oltmanns (Duitsland) en Sir Bernard Feilden (Groot-Brittannië) ook toegekend aan de steden Krems in Oostenrijk, Konstanz in Duitsland en de Franse gemeente Ungersheim. In totaal waren er meer dan 200 inzendingen. Deze werden verdeeld in 3 categorieën: A. steden met meer dan 300.000 inwoners; B. steden met meer dan 30.000 inwoners; C. steden met minder dan 30.000 inwoners.

I M&L BINNENKRANT

Verenigd Koninkrijk. Birmingham: creatie van een stadswandeling langs het 'Centre Canal'. Bristol: herstel van ongeveer 500 gebouwen uit de 18de en 19de eeuw in het stadscentrum. Edinburg, Schotland: behoud van de 18de-eeuwse New Town. Gateshead: behoud van 6 'Tyneside' bruggen, gedateerd van 1849 tot 1984. Glasgow, Schotland: herstel van vele duizenden gebouwen uit de 18de, 19de en 20ste eeuw, en nieuwe constructies. Categorie B: Medaille: Nederland: Nijmegen: herstel van de benedenstad aan de Waal en heraanleg tot haven en recreatiegebied. Diploma van verdienste: Denemarken: Odense: talrijke verbeteringen, waaronder voorzieningen voor voetgangers en fietsers, woonwijken in het centrum en een openlucht markt. Bondsrepubliek Duitsland: Backnang: stratenaanleg met beeldhouwwerken en bomen, samen met de renovatie van vakwerkgebouwen. Fürth: verbeteringen aan voetpaden en openbaren pleinen. Frankrijk. Nïmes: integratie van een modem zakencentrum in gebouwen uit de Gallo-Romeinse periode, de Arena inbegrepen. Spanje: Alcala: restauratie van historische gebouwen en pleinen. Zwitserland: Solothum: verbouwing van een 18de-eeuws schoolhuis tot een museum voor natuurwetenschappen; uitbreiding van voetpaden en aanleg van openbare pleinen en tuinen in de oude stad.

u


Verenigd Koninkrijk. Exeter: behoud van de lokale architectuur bij de uitbouw van grotere openbare voorzieningen aan de 'Riverside'. Lancaster: vier projecten, waaronder de restauratie van een vroeg 20steeeuws memoriaal en de verbouwing van een 'palm-house' tot tropisch vlinderhuis. Wigan: belangrijke stadsvemieuwingswerken, waaronder het herstel van gebouwen langs het kanaal (o.m. voormalige textielfabriek).

Federale Republiek Duitsland: Konstanz: stadsontwikkeling rond het Petershausen Klooster, met inbegrip van appartementen, en de reconversie van historische gebouwen voor culturele en stedelijke doeleinden. Frankrijk Ungersheim: de redding van landelijke constructies die tot slopen waren bestemd, en him verplaatsing met het oog op de uitbouw van een levend museum voor lokale geschiedenis.

Categorie C: Medaille: Finland: Pohja: behoud van de 19deeeuwse ijzerbewerkende gemeenschappen van Fiskars en Billnas. Diploma van verdienste: Oostenrijk. Neulengbach: restauratie van historische gebouwen in het stadscentrum, en nieuwbouw.

Europa Nostra bestaat reeds 25 jaar en groepeert verenigingen in 22 Europese landen. Sinds 1978 reikt zij haar eigen jaarlijkse prijzen uit Deelnemingen voor de wedstrijd 1988 moeten vóór 14 oktober 1988 gericht worden aan: Europa Nostra, Buckingham Gate 9, Londen, SWIE 6JP.-Engeland.

Denemarken: Jagersborg: herstel van 17de- en 18de-eeuwse woningen en industriële gebouwen. Federale Republiek Duitsland. Henstem: revitalisatie van de stad, inbegrepen de restauratie van vakwerkwoningen en van het stadhuis. Mosbach: verbouwing van 16de- en 18de-eeuwse woningen tot bejaardenwoningen, en integratie van hedendaagse nieuwbouw in het stadscentrum. Frankrijk. Le Vésinet: instandhouding van de 19de-eeuwse tuinstad en van het kasteel. Griekenland: Lesbos: stratenaanleg, met behulp van gevarieerde steenpatronen. Luxemburg: Useldange: diverse behoudswerkzaamheden. Nederland: Nieuwolda: renovatie van een klein dorp, met uitbouw van recreatie-faciliteiten zoals een museum, een natuurreservaat en een vaarvijver. Zweden: Marsta: integratie van een grootwarenhuis en van flats in een tot de 10de eeuw teruggaand middeleeuwse stad. Verenigd Koninkrijk. New Lanark, Schotland: revitalisatie van het laat 18de- vroeg 19de-eeuws industrieel modeldorp. Wallingford: rehabilitatie van het historische stadhuis. Bijzondere prijzen: Oostenrijk. Krems: een doorlopend programma van behoud en verbetering, met betrekking tot 15de- tot 19de-eeuwse huizen, scholen, het stadhuis en voetgangerszones.

12

Provinciaal Natuurcentrum Rekem Om de nieuwe programmatie van het Provinciaal Natuurcentrum te Rekem voor te stellen, had op donderdag 24 maart in de vergaderzaal van de Bestendige Deputatie te Hasselt een persontmoeting plaats. Achtereenvolgens werden de doelstellingen, de realisaties in 1987 en de krachtlijnen voor 1988 toegelicht. De provincie Limburg is nog relatief rijk aan natuurgebieden en waardevolle landschappen. De opdracht van het Provinciaal Natuurcentrum Rekem is, deze natuurgebieden en landschappen te valoriseren. Deze werking situeert zich in de educatieve en culturele sfeer. Door overdracht van kennis en inzichten en het aanleren van technieken (observeren, documenteren) wordt een waarachtige beleving van de natuur nagestreefd. Dit moet uitmonden in goede 'attitudes' ten overstaan van een kwetsbaar patrimonium. De werking is dus vormingsgericht en gaat duidelijk verder dan het zuiver recreatieve. Onderwerp van de werking zijn landschappen (de open ruimte) en natuurgebieden (gebieden waar natuurlijke processen relatief goed zijn ontwikkeld). Landschappen en natuurgebieden worden behandeld als ecosystemen: de nadruk ligt op de samenhang tussen bodem, het menselijke handelen, flora en fauna, historische processen. Bij voorkeur worden die ecosystemen behandeld die voor Limburg bijzonder typerend zijn (heide, holle wegen, kasteellandschappen, beekvalleien, bossen en dergelijke). Indien mogelijk wordt dit

I M&L BINNENKRANT I

concreet toegepast op de eigen provinciale domeinen. Om een goed inzicht te krijgen in de materie lopen een aantal onderzoeksprojecten, die de educatieve werking stofferen. Doelgroepen zijn jongeren (vanaf 12 jaar) en volwassenen. Alhoewel de werking niet expliciet onderwijsgericht is, blijken in de praktijk vooral de scholen gebruik te maken van de programma's. Verder zijn er de studenten en leraren, en de socio-culturele verenigingen. Ook de individuele natuurliefhebber krijgt specifiek materiaal ter beschikking. De werkvormen zijn vooral de volgende: - het werken met groepen, in de vorm van ecologische dagprojecten, studieverblijven en studiedagen; - de publikaties: vooral de landschapswandelingen en zoekkaarten gemeten bekendheid, maar er zijn ook de rapporten, de catalogus, tijdschriftartikels en folders; - de documentatiewerking. In 1987 stond het thema 'holle wegen' centraal. Alle holle wegen van de provincie werden geïnventariseerd en in kaart gebracht. Resultaat van dit studiewerk waren een rapport en een studiedag. Verder lag de nadruk op het uitbouwen van een zeer verscheiden programma-aanbod van ecologische projecten, zowel dagprojecten als studieverblijven. In de reeks .landschapswandelingen kwam het nummer 'Ruilingen' van de pers. Er werden ook enkele kleinere publikaties uitgebracht. Het documentatiecentrum tenslotte, wist haar collecties gevoelig uit te breiden. Naast de lopende studieprojecten 'heide' en 'holle wegen', wordt een nieuw thema aangesneden: de Maas.


De stroom is een geologisch monument en biotoop voor tal van merkwaardige planten en dieren. Nu de Maas weer nieuwswaarde heeft is het zeker de moeite om de natuurwetenschappelijke waarden van deze stroom in evidentie te stellen. Vandaar dat de Maas in al haar natuurlijke facetten zal bestudeerd worden. Een langlopend project dat zal uitmonden in een aantal educatieve projecten. Verder zijn weer een aantal studieverblijven, ecologische dagprojecten (waaronder enkele nieuwe thema's) en open-ecologie-dagen (een nieuwe formule) gepland. Inzake publikaties verscheen onlangs het werk 'Heide in Limburg', een kijken leesboek, uitgegeven door Lannoo. Verder is een nieuw nummer in de reeks 'landschapswandelingen' gepland, met name over het Hageven, een heide-gebied in Neerpelt. Tenslotte zal het documentatiecentrum een actieve promotie voeren rond haar werking. Vermelden we nog dat de renovatie is aangezet van het poortgebouw bij kasteel d'Aspremont-Lynden te Rekem. Hier zal het eerste volwaardige Natuurcentrum in Vlaanderen optimaal kunnen functioneren. WÊÊÊÊÊ

Voor meer informatie kan men tijdens de kantooruren steeds terecht op het Provinciaal Natuurcentrum Rekem, Populierenlaan 30, te 3620 RekemLanaken - S 011/71 44 44.

Symposium Monumentenzorg en Bouwtechniek Naar aanleiding van het verschijnen van de uitgave 'Bouwtechniek in Nederland. Constructies van ijzer en beton. Gebouwen 1800-1940, overzicht en typologie', organiseert de faculteit der Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft, en in het bijzonder de groep 'Geschiedenis van de Bouwtechniek", op 8 september 1988 een symposium rond het thema: 'Monumentenzorg en Bouwtechniek'. Dit symposium is een samenwerkingsverband tussen eerdergenoemde groep, de werkgroep 'Restauratie', de sector 'Restauratie-, renovatie- en onderhoudstechnieken', en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Plaats: Aula, Technische Universiteit Delft, Mekelweg 5, 2628 CC Delft. Nadere informatie over dit symposium kan verkregen worden bij: het Congresbureau van de TU Delft Mw. E.S. van der Tas en Mw. M.H.P. Komen-Zimmerman, Stevinweg 1, Postbus 4048, 2600 GA Delft, S" 01578.13.56 of 015-78.13.40.

Rotterdam Maaskantprijs 1988 Architect Hugh A. Maaskant Architect Hugh A. Maaskant werd op 17 augustus 1907 in Rotterdam geboren. Hij volgde er een opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen, die in de meidagen van 1940 werd verwoest. In 1926 ging hij werken bij architect Jos de Jonge. In de crisisjaren ontslagen kreeg hij een nieuwe werkkring bij architect Van Tijen, met wie hij in 1937 het Architectenbureau Van Tijen en Maaskant vormde. Vanaf 1955 werkte Maaskant in zijn eigen NV. In I960 associeerde hij zich met de belangrijkste medewerkers van zijn bureau: Van Dommelen, Kroos en Senf. In Rotterdam was Maaskant vooral in de wederopbouwperiode bijzonder actief. In willekeurige volgorde: het Groothandelsgebouw, het Technikon met de gymnastiektoren en het Hofpleintheater, het Hiltonhotel, de noodwinkels aan de Blaak direct na de oorlog, het Magazijn Nederland aan het Beursplein, de verzamelgebouwen aan de Goudsesingel en aan de Oostzeedijk, de Euromast, de woonflats aan de Lijnbaan en het Oostplein, het Voormolenpand, de stadiontribune van Sparta, de parkeergarage Weena en — zijn laatste grote schepping — het Adriaan Volkerhuis. Buiten Rotterdam zijn bekend: het Luchtvaartlaboratorium, de Fokkerfabrieken, het Confectiecentrum, het Hiltonhotel, het gebouw 'Gas en Water' en het Europahuis in Amsterdam; het Provinciehuis en de Remingtonfabrieken in Den Bosch; de Johnson Waxfabriek in Mijdrecht; het Sportcentrum van de KNVB te Zeist; het Tomadohuis in Dordrecht; de Tomadofabriek in Etten-Leur; de Pier in Scheveningen. Ook de PTT-kantoren in Schiedam en Voorbrug en de raadhuizen in Meppel en Hazerswoude zijn ontwerpen van Maaskant, om de vele scholen en woningen nog maar niet te noemen. Maaskant was geen groot prater over zijn ideeën en ontwerpen - meer een doener. Hij had groot respect voor diegenen die hun kennis over en liefde voor de architectuur wél konder over- en uitdragen. Om deze activiteiten te bekronen richtte hij in 1976 de Stichting Rotterdam-Maaskant op. Op 27 mei 1977 overleed hij, kort vóór zijn 70ste verjaardag. Zijn wens om althans de eerste uitreiking van de Rotterdam-Maaskantprijs te kunnen bijwonen (3 maart 1978) is daardoor helaas niet in vervulling gegaan.

1M&L BINNENKRANT I

De Stichting Rotterdam-Maaskant Doel van de stichting is: - het manifest maken, verhelderen en versterken van de plaats van de bouwkunst als sociaal-cultureel gebeuren in het maatschappelijk leven; - het bevorderen van een betere en meer intensieve beleving binnen een brede kring van gebruikers en beschouwers van de bebouwde omgeving in het algemeen en die van de gemeente Rotterdam in het bijzonder. Uit een fonds van een miljoen, dat door de stichting wordt beheerd, wordt elke twee jaar een prijs van 50.000 gulden toegekend. Als criterium geldt dat de kandidaten voor de prijs zich hebben onderscheiden door publicistische, docerende en/of wetenschappelijke arbeid op het gebied van de bouwkunst. Prijswinnaars waren tot nu toe: 1978 - de Stichting Wonen, met het vaktijdschrift Wonen TA/BK; 1980 - de actiegroep Het Oude Westen; 1982 - architect, hoogleraar en publicist Aldo van Eyck; 1984 - het Instituut voor Kunstgeschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen; 1986 - architect, publicist en docent Rem Koolhaas. In 1988 werd de Rotterdam-Maaskantprijs, één van de grotere prijzen op cultureel gebied in Nederland, toegekend aan de Gentse architect, publicist en docent Geert Bekaert. De jury, bestaande uit mr. Ludo J. Pieters - jurist en publicist (voorzitter), dr. Francis Strauven - architectuurcriticus en docent architectuurgeschiedenis (secretaris), drs. Judith Cahen kunsthistorica, ir. Jo Coenen - architect en hoogleraar architectuur, en ir. Rein Geurtsen - hoofddocent stadsontwerp aan de TU Delft en docent aan de Academie voor Bouwkunst te Amsterdam, was van oordeel „dat Geert Bekaert zowel door zijn geschriften als door zijn onderwijs een vérstrekkende invloed heeft uitgeoefend op het architectuurdenken in het Nederlandse taalgebied. Steunend op een ruime cultuurhistorische eruditie en gedreven door een levendige belangstelling voor de eigentijdse ontwikkelingen in filosofie en kunst, heeft hij de architectuurwereld vanaf de jaren 1960 tot heden telkens opnieuw met belangwekkende thema's geconfronteerd, thema's die in hoofdzaak neerkwamen op een exploratie van de mogehjke en wenselijke betrekkingen tussen architectuur en ideologie, ideëel concept en concrete werkelijkheid, anticipatie en reële ontwikkeling; de wisselwerking tussen architectuur en stad, monument en spontaan bouwen, ontwerp en participatie; de spanning tussen


actualiteit en geschiedenis, modem en postmodern. Hij benadert architectuur als gebouwde poëzie; poëzie evenwel die niet los staat van de realiteit, maar die zelf realiteit sticht op grond van de concrete maatschappelijke condities waarin ze ontstaat. Bekaert ontwikkelde deze thematiek in confrontatie met de internationale architectuuractualiteit en trok er de wortels van na in het klassieke architectuurdenken. Door de persoonlijke, ja de eigenzinnige wijze waarop hij dit deed, door de paradoxale dialectiek waarmee hij de genoemde polariteiten met elkaar in verband bracht, speelde hij een toonaangevende rol in het architectuurdenken en heeft hij voor dit denken ook buiten de architectuurwereld in brede intellectuele kring belangstelling gewekt." Geert Bekaert Geert Bekaert werd in 1928 te Kortrijk geboren. Hij studeerde filosofie, archeologie en kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit te Leuven. In de jaren zestig was hij redacteur van De Linie (Brussel), Streven (Antwerpen), Kunst- en Cultuuragenda (Brussel) en Tijdschrift voor Architectuur en Beeldende Kunsten, en medewerker van het dagblad De Standaard. Sedert 1968 is hij docent architectuurgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit te Leuven. Vanaf de jaren zeventig is hij redacteur van Wonen TA/BK nu Archis (Amsterdam). Van 1972 tot 1978 was hij hoofdredacteur van Forum (Amsterdam). Sedert 1973 is hij hoogleraar theorie en geschiedenis van de architectuur aan de Technische Universiteit te Eindhoven. In 1985 startte de Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w. met de uitgave, in 4 delen, van de Verzamelde Opstellen van Geert Bekaert. Twee delen zijn reeds verschenen: 1950-1965: Stapstenen; 1966-1970: Los in de ruimte. Het derde deel, 1971-1979 : Hierlangs, verschijnt in september. Deel 4, 1980-1985 : De kromme weg, wordt verwacht in 1989.

Vormingscentrum C.M.O. Leuven v.z.w.: cursus 'Restaurateur van gebouwen' In de bouw gaat steeds een grotere aandacht naar de restauratie en renovatie van stads- en plattelandswoningen. De meeste aannemers, hun medewerkers en architecten hebben wel een goede vaktechnische vorming. De

14

problemen die zij bij restauratie en renovatie tegenkomen stellen hen echter telkens opnieuw voor grote uitdagingen. Het Vormingscentrum C.M.O. Leuven, een centrum voor voortdurende vorming van de middenstand en zijn medewerkers, organiseert tweejaarlijks een specialisatiecursus over deze problematiek. Als lesgevers worden architecten en aannemers aangetrokken die vanuit hun praktische ervaringen deze lessen opbouwen. In de lessen komen de ervaringen maar ook de opgeworpen problemen van de cursisten steeds aan bod. Onder de leiding van de lesgevers wordt dan gezocht naar de beste oplossingen. Regelmatig worden eveneens werfbezoeken en praktische oefeningen ingelast. Deze cursus is aangewezen voor al wie met de restauratie van gebouwen in contact komt. Op 12 september 1988 start de nieuwe tweejaarlijkse cyclus. Tbeiafingsvoorwaarden: aan de leerplicht voldaan hebben (± minimum 18 jaar of ouder); de nodige praktijkervaring in de bouw bezitten of kunnen verwerven, of (ev.) werkzoekende zijn. Duur en opleiding: de cursus loopt over 2 jaren van elk 256 lesuren, gespreid over 2 avonden per week. Examen en diploma: overgangsexamen in het 1ste jaar. Na een geslaagd eindexamen ontvangt de cursist(e) van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een officieel diploma 'Restaurateur van gebouwen'. Dit diploma komt in aanmerking als bewijs van bedrijfs- en beroepskennis voor een eventuele vestigingswet. Inschrijving, door het storten van 2000,-fr. op rekeningnummer 2300390701-05 van C.M.O. Leuven, met vermelding 'Restaurateur*. Voor alle nuttige inlichtingen: Vormingscentrum C.M.O. Leuven v.z.w.. Industriepark Haasrode, Celdenaaksebaan 327, 3030 Leuven (Heverlee), & 016/23.39.68.

Agenda, toegangsprijzen, beschrijving en reisroute tot beschermde kastelen in Vlaanderen De volledige 'kastelenagenda' is verkrijgbaar bij de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België, Vergotestraat 24, 1200 Brussel, S 02/735.09.65, voor 50,- fr.

I M&L BINNENKRANT I

Provincie Antwerpen Antwerpen - Huis Rockox I7de-eeuws patriciërshuis. Voormalige woning van burgemeester Nicolaas Rockox, tijdgenoot en vriend van P.P. Rubens. Het hele jaar open, behalve maandag, van 10u tot I7u. Toegang gratis. Autoweg E19-A1 Brussel-Antwerpen. De Rubensroute in Antwerpen-stad. Antwerpen - Het Steen Het Steen werd gedurende de eerste helft van de 16de eeuw in renaissance-stijl herbouwd, waarschijnlijk door de architecten Damien de Waghemaker en Rombout Keldermans. Het diende als gevangenis op het einde van deze 16de eeuw. In 1890 werd het Steen verbouwd en ingericht om het Zeevaartmuseum te herbergen. Het hele het jaar open van 10u tot 17u, behalve 1 en 2 januari, 1 mei, Hemelvaartdag, 1 en 2 november, 25 en 26 december. Volwassenen: 50,-fr; groepen (minimum 20 personen), kinderen, 3de leeftijd en studenten: 20,-fr. Bomem - Kasteel Mamix Deze voormalige burcht behoorde achtereenvolgens toe aan de graven van Vlaanderen, de graven van Bar en de familie Luxemburg. In de 17de eeuw diende het als buitenverblijf voor Pierre Colonna. Deze liet op de Oude Schelde een sluis bouwen, waardoor het domein een vijver van circa 115 ha kreeg. In de 18de eeuw kwam deze heerlijkheid in handen van het geslacht Mamix de SainteAldegonde, de huidige eigenaars. Het gebouw behield zijn feodaal uitzicht dank zij de verbouwingswerken van architect Beyaert in 1888. Kasteel en park, voor groepen, op aanvraag: Kasteel van en te 2680 Bornem, ® 03/889.21.05. Weg A12-N277 Brussel-Boom-Antwerpen. Te Willebroek de N16 naar Sint-Niklaas, links naar Bomem. Corsendonk (Priorij) - Albert Van Dijk Museum Deze abdij — die bewoond werd door de Orde van de Heilige Augustinus — werd in de 14de eeuw opgericht midden in het (nu verdwenen) Kempense moerasland. Tijdens de Contrareformatie, in 1610, werd ze grotendeels vernield en heropgebouwd. Open in het weekend van 10u tot 16u. Autoweg E34-A21 Antwerpen-Eindhoven, uitrit nr. 23 Oud-Tumhout. Wegwijzer volgen. Deume - Het Sterckshof Kasteeltje in renaissance-stijl, in 1938 herbouwd en door grachten omringd. Het wordt vandaag als museum gebruikt en bezit verzamelingen ambachtelijke kunst, meubilair, fotografieën en zilverwerk.


Open van 1 maart tot 31 november van lOu tot 17u, behalve op maandag en vrijdag. Gratis. Autoweg E19-A1 Brussel-Antwerpen, rind rond Antwerpen, uitrit BorgerhoutDeume-Vlieghaven. Wegwijzer volgen. Ekeren - Hof van Veltwijck Klein kasteel in het midden van de 16de eeuw gebouwd in rode baksteen met lijsten in witte natuursteen. Het wordt door grachten omringd en vormt een interessant voorbeeld van renaissance-architectuur in de omgeving van Antwerpen. Het hele jaar open van 8u30 tot 15u. Autoweg E19-A1 Brussel-AntwerpenBreda, te Merksem, richting van Ekeren-Kapellen. Hingene - Kasteel Dit kasteel werd voor het eerst vermeld in 1120. In 1535 werd het gekocht door Maria van Luxemburg, Gravin van Vendóme. In 1560 verkocht haar kleinzoon, Willem de Zwijger, het door aan Melchior Schetz. Het huidige kasteel dateert van de 18de eeuw en staat in het midden van een rechthoekig meer. In de omgeving kan men 'De Notelaar' bewonderen, een prachtig klein paviljoen dat tussen 1791 en 1794 werd gebouwd. Rond het kasteel, dat niet te bezichtigen is, strekt zich een bijzonder mooi park uit, dat toegankelijk geworden is voor het publiek sinds het aan de gemeente behoort. Park, gans het jaar open van 8u tot 22u. Gratis. Weg A12-N227 Brussel-Boom-Antwerpen. Te Willebroek de N16 naar Sint-Niklaas. Rechts naar Hingene. Hoboken - Kasteel Sorghvliet Sorghvliet ontstond in de 16de eeuw. Op het einde van de 17de en het begin van de 18de eeuw behoorde het toe aan de familie du Bois. Deze gaf Jean-Pierre van Baurscheit de Jonge de opdracht het huidig kasteel te bouwen. Het wordt vandaag als gemeentehuis gebruikt en vertoont alle sierelementen typisch voor van Baurscheit. Binnenin kan men de structuur van een in het gebouw verwerkt renaissance-kasteel waarnemen. Open alle weekdagen van 8u30 tot 15u. Weg A12-N277 Brussel-Boom-Antwerpen. Te Hoboken, wegwijzer volgen. Schilde - Kasteel van s'Gravenwezel Dit kasteel met middeleeuwse allures is bezaaid met hoektorens, en is omringd met water. Langs de parkkant zie je een bouwwerk in klassieke stijl met een perfecte harmonie. De oudste delen dateren uit de 15de eeuw. In de 18de eeuw wordt het kasteel verbouwd tot buitenhuisresidentie door J.A. Van Susteren. De volgende kasteelvrouw bouwde de kapel, richtte alle kamers opnieuw in en legde het park aan. De nieuwe verbouwingen vonden in de 19de eeuw plaats, in Charles X-stijl.

Gans het jaar open van 9u tot 12u30 en van 13u30 tot 18u. Behalve op maandag. Autoweg E19-A1 Brussel-Antwerpen, ring rond Antwerpen naar Breda, uitrit nr. 4 Sint-Job-in-'t-Goor. Provincie Brabant Beeisel - Kasteel Deze middeleeuwse burcht is de laatste getuige van de versterkte gordel die Brussel omringde. Dit kasteel uit de 12de eeuw werd in de 16de eeuw door brand vernield en herbouwd. Het werd in 1935 grondig gerestaureerd. Van 1 maart tot 15 november, alle dagen van 10u tot 12u en van 14u tot 18u. Van 16 november tot 28 februari, alle week-ends en feestdagen van 10u tot 12u en van 14u tot 18u. Behalve in januari en op maandag. Volwassenen: 30,-fr.; Groepen (minimum 20 personen), verenigingen (Touring-Club, wegenhulp...): 25,-fr.; kinderen minder 10 jaar, scouts: 20,fr.; schoolgroepen: 15,-fr.; kinderen minder 6 jaar: gratis. Autoweg E19-A7 Brussel-Bergen, uitrit nr. 14 Beersel-Lot. Lennik - Kasteel van Gaasbeek Het lot van dit kasteel was steeds nauw verbonden met de geschiedenis van Brussel. Het werd in neogotische stijl herbouwd door architect Charles Albert. Vandaag herbergt het een uitzonderlijk rijk museum voor Sierkunsten, voor de periode middeleeuwen-17de eeuw. Herinneringen aan Rubens worden er eveneens bewaard. Van 1 april tot 31 oktober, maandag, woensdag, donderdag, zaterdag, zonen feesdagen, van 10u tot 17u. Vrij bezoek. Juli en augustus, alle dagen behalve vrijdag. Gratis. Autoweg E19-A7 Brussel-Bergen, uitrit nr. 15 Huizingen, richting van Gaasbeek-Lennik. Gaasbeek ligt in de driehoek Brussel-Hal-Ninove. Te Brussel: autobus L K op het Rouppeplein tot Gaasbeek Kasteel. Heverlee - Arenberg Kasteel Dit renaissance-kasteel werd door Guillaume de Cro, leermeester van Keizer Karel, opgericht. Het werd in de loop der eeuwen, en vooral in de I9de eeuw, verscheidene malen verbouwd. Bezoek enkel op aanvraag aan Kasteel Arenberg, Kardinaal Mercierlaan 94, te 3030 Heverlee. Maximum 50 personen. Gratis. Autoweg E40-A3 Brussel-Luik, uitrit nr. 23 Heverlee-Leuven. Ring rond Leuven tot Minckelersplein (Oude Kantien), Celestijnelaan.

sche orde gesticht. Het kasteel heeft de vorm van een grote vierhoek met ronde, gewelfde hoektorens en een uitkijktoren, dagtekenend uit de 16de en 17de eeuw. Gedurende de 18de eeuw werd het kasteel aan de toen heersende smaak aangepast. Van de 17de-eeuwse kapel bleef merkwaardig meubilair bewaard. Naast het kasteel en de kapel vindt men te AldenBiezen eveneens een hoeve, een oranjerie en een hospitaal. Het kasteel werd in 1970 door de Staat aangekocht en als Cultureel Centrum voor de Vlaamse Gemeenschap ingericht. Belangrijke restauratiewerken werden uitgevoerd na de brand van 1971. Het domein is gans het jaar door vrij toegankelijk. Park open vanaf Pasen tot Allerheiligen van 10u tot 17u. Autoweg E313-A13 Luik-Antwerpen, uitrit nr. 31 Bilzen. Wegwijzer volgen. BorgZoon - Kasteel van Ruilingen Mooi kasteel, oospronkelijk in renaissance stijl, in de 17de eeuw verbouwd en in 1924 aan de buitenzijde volledig gewijzigd door architect Langerock. Mooie binnenhuisdecoratie met onder meer een salon behangen met 17de-eeuwse marines. Park open gedurende het hele jaar van zonsopgang tot zonsondergang. Gratis. Autoweg E40-A3 Brussel-Luik, uitrit nr. 28 Sint-Truiden. De N80 inrichting van Sint-Truiden, dan N79 Sint-Truiden-Tongeren; richting van Borgloon. Wegwijzer volgen. Provincie Oost-Vlaanderen Ninove - Kasteel van Voorde Dit 18de-eeuws kasteel in neoklassieke stijl rust op middeleeuwse fundamenten. Het behoorde gedurende de hele 19de eeuw aan de familie Morel de Westgaver. Een park met een onlangs gerestaureerd labyrint omringt het kasteel. Van I mei tot 1 september, vrijdag, zaterdag en zondag van 14u tot 18 u. Kasteel: volwassenen, 3de leeftijd, scholen: 100,-fr.; groepen: 75,-fr.; kinderen jonger dan 12 jaar: 50,-fr. Kasteel & park: volwassenen, 3de leeftijd, scholen: 150,-fr.; groepen: 125,-fr.; kinderen jonger dan 12 jaar: 100,-fr. Park: 50,-fr. Autoweg E40-A10 Brussel-Oostende, uitrut nr. 1 naar R4 (Ring), uitrit nr. 1 Oostakker. Wegwijzer volgen.

Bilzen - Alden-Biezen De Commanderie Alden-Biezen werd in 1220 door ridders van de Teutoni-

Gent - Gravensteen De oosprong van dit kasteel, gelegen aan de samenvloeiing van de Leie en de Lieve, gaat terug tot de 10de-11de eeuw. Vandaag ligt het in het centrum van de stad. Het werd vaak verbouwd. Op het einde van de 19de eeuw restaureerde men het grondig, met de bedoeling de burcht in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen. Van 1 april tot 30 september van 9u tot 17ul5. Van 1 oktober tot 31 maart van 9u tot 15ul5.

M&L BINNENKRANT

15

Provincie Limburg


Volwassenen: 40,-fr.; scholen: 10,-fr.; kinderen jonger dan 12 jaar: gratis. Geleide bezoeken, op aanvraag. Sint Veerleplein 11 te 9000 Gent. Cent - Hotel d'Hane-Steenhuyse Uitzonderlijk 18de-eeuws herenhuis, gelegen in het centrum van Gent. De gevel vertoont een rococo-decor. Binnenin worden de salons versierd met beschilderde muurdoeken. In de balzaal 'a l'italienne', met fresco's opgesmukt, vindt men een merkwaardige parketvloer, werk van een Parijse meesterschrijnwerker. Lodewijk XVIII verbleef in dit herenhuis tijdens zijn ballingschap te Gent. Het hele jaar open van 9u tot 18u. Zaterdagen van 13u30 tot 17u30. Behalve op zondag en zaterdagvoormiddag. Gratis. Veldstraat 55 te 9000 Gent. Laame - Kasteel Deze Vlaamse vlakteburcht uit de 13de eeuw maakte deel uit van de versterkte gordel rond Gent. Het werd in de 16de en 17de eeuw grondig verbouwd. Van 1 februari tot 23 december, van 10u tot 12u en van 14u tot 18u, behalve maandag. Volwassenen: 70,-fr.; Groepen (45 personen maximum): 40,-fr.; 3de leeftijd, studenten: 50,-fr.; Scholen en kinderen van 5 tot 12 jaar: 25,-fr. Autoweg E40-A10 Brussel-Gent, uitrit nr. 16 Merelbeke, ring R4 rond Gent, richting van Melle, uitrit nr. 5 Heusden-Laame, links naar Laame, Wegwijzer volgen. Zottegem - Kasteel van Leeuweigem Dit kasteel met vierkantig grondplan, dateert uit het midden van de 18de eeuw en is duidelijk op de Lodewijk XVI-stijl geïnspireerd. Binnen ontdekt men er erg mooi stucwerk, vooral in de kapel die in 1764 gebouwd werd en haar oorspronkelijk meubilair bewaarde. Het salon met Chinees behangpapier en de eetkamer met wandschilderijen, zijn eveneens uitzonderlijk. Het park is een van de juwelen van de 18de-eeuwse tuinkunst in onze streken en bezit een merkwaardig openluchttheater. Van 1 mei tot 30 oktober, groepen (20 personen minimum en 50 personen maximum) op aanvraag aan: Kasteel van Leeuwergem te 9620 Zottegem. Kasteel en park: Volwassenen, groepen: 120,-fr.; 3de leeftijd: 100,-fr.; Scholen, kinderen: 80,-fr. Autoweg E40-A10 Brussel-Gent, uitrit nr. 18, richting van Zottegem. Aalter - Kasteel van Poeke Dit kasteel werd tussen 1750 en 1761 gebouwd. In de 19de eeuw werden een aantal werken uitgevoerd en onder meer de indrukwekkende toegang bijgebouwd. Rondom het kasteel, dat niet kan worden bezocht, liggen mooie tuinen naar Frans model aangelegd. Park open in juli en augustus, de hele dag. Gratis.

16

Autoweg E40-A10 Brussel-Oostende, uitrit nr. 11 Aalter. Richting van Poeke-Deinze. Kruibeke-Rupelmonde 'Craventoren' De ruïnes van de 'Graventoren' die sinds 1955 een museum huisvesten, bevinden zich aan de rand van de rivier. Het kasteel deed dienst als gevangenis: de schoonvader van Jacob van Artevelde en ook Mercator werden er opgesloten. Deze middeleeuwse vesting werd tussen 1379 en 1383 uitgebreid; in de 16de eeuw vonden er herstellingen plaats. In 1678 werd ze vernield. De huidige toren werd op de ruïnes van het primitieve kasteel gebouwd. De bovenste zone is het resultaat van een verbouwing in de 16de eeuw en van een restauratie in 1818. Van Pasen tot Allerheiligen van 10u tot 18u. Volwassenen: 20,-fr.; Groepen, 3de leeftijd, scholen: 15,-fr; kinderen: 10,-fr. Autoweg E17-A14 Gent-Antwerpen, uitrit nr. 15 Temse. Dan de N16 TemseRupelmonde. Wegwijzer volgen. Sint-Niklaas - Kasteel Walburg' Het kasteel Walburg dat sinds 1940 eigendom is van de gemeente is een 16de-eeuwse woning in Vlaamse Stijl, met haar terrasvormige, stenen puntgevels en haar centrale toren die de trap herbergt. Het kasteel, dat niet te bezichtigen is, is omringd door een prachtig park. Park, gans het jaar open. Gratis. Autoweg E17-A14 Gent-Antwerpen, uitrit nr. 15 Sint-Niklaas. Wegwijzer volgen. Provincie West-Vlaanderen Veurne - Kasteel van Beauvoorde Kasteel uit het begin van de 17de eeuw dat in het begin van de 19de eeuw door architect J. Vinck vergroot werd. Decor in neo-renaissance-stijl. Rijke 19de-eeuwse meubilering door A. Merghelynck. Van 1 juni tot 30 september, van 14u tot 18u, behalve maandag. Rondleiding om I4u, 15u, 16u en 17u. Groep maximum 45 personen. Van 1 oktober tot 31 mei toegankelijk voor groepen mits het bezoek ten minste 8 dagen van tevoren wordt aangevraagd ( S 058/29.92.29 of schrijven: Kasteeldreef 1 te 9886 Veume). Park: van 1 juni tot 30 september, van 14u tot 18u. Zelfde dagen gesloten. Autoweg E40-A10 Brussel-Gent, EI7A14 Gent-Kortrijk, dan A17 naar Brugge. Te Bissegem de A19 naar leper. Te leper de N8 naar Veume. Wegwijzer volgen. Ingelmunster Van het middeleeuwse kasteel zijn enkel de brede omwallingen en de onderlaag van de twee ronde torens van het huidige kasteel bewaard. Dit kasteel werd gebouwd op de oude grondvesten in U-vorm. Het centrale

I M&L BINNENKRANT I

gebouw, daterend van 1736, bestond uit het gelijkvloers en een verdieping. Tijdens de 19de eeuw werd er een tweede verdieping aan toegevoegd. Op aanvraag (kasteel Ingelmunster, Stationstraat 3 te 8770 Ingelmunster: S 051/30.03.85) voor groepen (20 personen), in mei, juni, september en oktober; in juli en augustus, alle dagen, van 10u tot 19u; Groepen: 120,-fr. Autoweg E40-A10 Brussel-Oostende, uitrit nr. 14. Naar N43 Kortrijk. Te Kortrijk, de N50 naar Ingelmunster. Zedelgem - Kasteel van Loppem Zeldzame en belangrijke getuige van de neogotische architectuur in onze streken. Het kasteel werd door architect Bethune opgericht volgens de opvattingen van de Engelsman Pugin. Van 1 april tot 30 oktober, van 10u tot 12u en van 14u tot 18u, behalve maandag en vrijdag. Park, het hele jaar open. Volwassenen: 80,-fr.; Groepen: 60,-fr.; Park: gratis. Autoweg E40-A10 Brussel-Oostende, uitrit nr. 7. Zedelgem, richting van Loppem. Wegwijzer volgen. i?oeseiare-i?umbeice - Het Steirebos Dit grotendeel door grachten omringd kasteel werd in de loop van de 16de eeuw in baksteen opgericht. Motieven in Sint-Andreaskruis-vorm, uitgevoerd in geglazuurde baksteen, sieren de gevels. Binnenin werden renaissance elementen bewaard, maar het decor werd in de 18de eeuw gewijzigd. In de kapel, mooi beschilderd glasraam uit de 16de eeuw. Onder de bijgebouwen telt men een duiventoren en een 17de-eeuwse ingangspoort. Kasteel van 1 mei tot 31 september, zondag van 15u tot 16u. Park, van 1 januari tot 31 december van zonsopgang tot zonsondergang. Kasteel: volwassenen: 40,-fr.; Groepen: 500,-fr. per groep; kinderen: 20,-fr. Park: gratis. Autoweg E40-A10 Brussel-Gent. De E17-A14 in richting van Gent-Kortrijk, dan de A17, uitrit ra. 6 Rumbeke-Izegem. Wegwijzer volgen. Tbrftouf - Kasteel van Wynendaele Het is tijdens een jachtpartij in het domein van deze versterkte vlakteburcht, waarschijnlijk uit de 13de eeuw, dat Maria van Bourgondië haar dodelijke val leed. Van het kasteel bleven, bij het begin van de 19de eeuw, slechts ruïnes over. Gebruik makend van de oude muurfragmenten, werd het kasteel in 1863 heropgericht. Van 15 mei tot 15 september, dinsdag, woensdag en zondag, van 14u tot 18u. Volwassenen: 75,-fr.; groepen (minimum 20 personen): 50,-fr.; scholen, kinderen: 25,-fr. Autoweg E40-A10 Brussel-Oostende, uitrit nr. 7 bis, richting van de N32 Torhout. Te Torhout, de N33 naar Wynendaele-Gistel-Oostende.


Vertrekkende van het feit dat er geen vaste regels bestaan die altijd en overal en in diverse omstandigheden een maximum aan veiligheid garanderen, mag gesteld worden dat een aantal maatregelen als basis moeten dienen voor een degelijke beveiligingsinrichting. Deze maatregelen werden reeds eerder uitvoerig besproken in 'Monumenten en Landschappen' (12). De grondslag van de beveiliging van een kerk tegen alle gevaren die haar bedreigen is de personale bewaking. Mechanische, elektronische en alarmeringsapparatuur kan deze bewaking ondersteunen, verbeteren, aanvullen en controleren, maar kan deze nimmer geheel vervangen. De ervaring leert dat iedere kerk iemand met gezag nodig heeft, die de algehele en voortdurende beveiliging verzorgt. Zijn taak omvat de planning, organisatie, uitvoering en leiding van de permanente en incidentele beveiliging in de meest uitgebreide zin. De steeds toenemende technische complexiteit van middelen ter beveiliging van het patrimonium, het ontbreken van een permanente bewaking, het frequente slecht beheer van de beveiligingsinstallaties, het voorkomen van onnodige interventies bij alarmmelding en de beperkte informatieoverdracht, vormden in Oostham de aanzet tot het uitdenken van een geautomatiseerd alarmbewakingsysteem met afstandsbeheer en permanent bewaakt alarmsysteem. Dank zij de actuele technologie werd een totaal andere oplossing mogelijk voor de overseinings- en exploitatieproblematiek van afstandsbewaking. Een intelligente overseiner in het bewaakte gebied zelf, met afstandssturingen en automatisatiefaciliteiten, beperkt menselijke tussenkomsten. Storingen en niet direct voor verwerking vatbare meldingen van het beveiligingssysteem, worden in het bewaakt gebied zelf opgelost. Enkel de meldingen die vragen om een directe interventie worden onmiddellijk aan de centrale meldkamer doorgegeven, waar een permanent aanwezige ploeg van de politie aan de hand van vooraf geprogrammeerde handelingen doelgerichte acties zal dirigeren. Door toepassing van de meest vooruitstrevende detectie- en alamrinrichting en het gebruik van hoogwaardig veiligheidsglas vormt de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Oostham aldus een keerpunt op het vlak van organisatorische, mechanische en elektronische beveiliging.

Voetnoten (1) Van de Weerd H., Kerken en Kapellen in de Limburgse Kempen, in Verzamelde opstellen, 2, 1926, p. 12. (2) Jamar H., De kerk te Oostham, in De Zuiderkempen, 9, 1940, p. 50-52. Sint-Trudo's erf. Religieuze kunst uit het kerkelijk gebied van de abdij Sint-Truiden, tentoonstellingscatalogus, Sint-Truiden, 1970, p. 11 en 17. (3) Van de Weerd H., De invloed der abdijen op de Kempen, in Verzamelde opstellen, 3, 1927, 9 en 10. (4) Blomme L., De Norbertijnenabdij van Averbode, Averbode, 1920,p. 53 en 342; Jamar H., Geschiedenis van de dorpen der Zuiderkempen, 5, Oostham, (Tongerlo, 1941), p. 12; Lefevre P.F., L'abbaye norbertine d'Averbode pendant Vépoque moderne (1591-1797), 2e série, 4e fase., Leuven, 1924, dl. 1, p. 188. (5) Jamar H., De moeizame wording der Onze Lieve VrouweParochie te Oostham, in Limburg, 17, 1935-1936, p. 125-129; Grauwels J., De aartsdiakonale visitaties van het dekenaat Beringen (1646-1726), in Het Oude Land van Loon, 32, 1977, p. 139-144. (6) De Moreau E., Histoire de l'église en Belgique, dl. 3, Brussel, (1945), p. 373; De Wit J., Ecclesiae integrae et mediae de Vancienne chrétienté de Beringen, in L'Ancien Pays de Loon, dl. 15, 1911, p. 26. (7) Jamar H., ƒ« het puin der kerk van Oostham, in De Tijdspiegel, 2, 1947, p. 62; Kubach M.E. en Verbeek A., Romanische Baukunst an Rhein und Maas, dl. 2, Berlijn, (1976), p. 910. (8) Van Dessel R., Het land van Ham, 1000 jaar geschiedenis, (Tessenderlo, 1987), p. 68; Gerits J., Oostham en Averbode, in Limburg, 57,1978, p. 19. (9) Archief K.C.M.L., dossier 6058; Bulletin des Commission Royales des Monuments et des Sites, 42, 1903, p. 254-256. Jamar H., De kerk van Oostham, in De Zuiderkempen, 10, 1941,p. 41 en 45. (10) Exposition de Tart ancien au Pays de Liège, Luik, 1905, nr. 1354, 1358, 1381, 1392; Catalogue de Texposition de Tart de Tanden Pays de Liège et des anciens Arts Wallons, Luik, 1930, nr. 478, 491, 529; Art mosan et arts anciens du pays de Liège, Luik, 1951, nr496; De Borchgrave dAltena J., Het kerkelijk meubilair in de Limburgsche Kempen, in De Limburgse Kempen, Verzamelde Opstellen, dl. 12, afl. 2, 1936, passim; Theuwissen L, De Meester van de Heilige Lucia, in Openbaar Kunstbezit, 1964, 20 a-b; Daniels P. en Paquay J., Oudheidkundige inventaris der kunstvoorwerpen in kerken en openbare gebouwen, afl. V kanton Beringen, Hasselt, 1922, p. 40-49, ill. 10-14. (11) Grauwels J., art. cit., p. 140-142; De Wit J., art. cit., p. 26. In de aartsdiaconale visitatie van 1726 wordt een beeld van Sint-Anna vermeld, dat vandaag nog aanwezig is in de kerk. (12) Van Balen K., De Witte E. en Buelens R., De beveiliging van kerken en hun kunstbezit, in M&L, jg. 5, nr. 4, juli-augustus 1986, p. 41-48.

33 M&L


Restauratie en herinrichting van de kapel van het Godshuis Lantschot te Antwerpen

Madeleine Manderyck, B.M.L.

De oude kapel van het godshuis Cornells Lantschot aan de Falconrui te Antwerpen kon op 19 april jongstleden opnieuw in gebruik genomen worden. Het O.C.M.W. van Antwerpen, eigenaar van het gebouw en de Vereniging Cornells Florls, die hier haar ontmoetingsplaats vestigt, deden hiervoor een speciale Inspanning. In samenspraak met het Bestuur voor Monumenten en Landschappen brachten zij een aantrekkelijke Interieurrestauratie tot stand, gericht op het herstel van het oorspronkelijke barokke karakter van de kapelruimte.

Historiek Tot 1982 was de kapel de werkplaats van beeldhouwer W. Kreitz. Bij de opmaak van de restauratieplannen bood het interieur een troosteloze aanblik: een zielloze, vervuilde ruimte beroofd van decoratie, meubilair en kunstwerken. De stichter van het godshuis, Cornells Lantschot, (1573-1656) had het evenwel anders gewild (1). Als vermogend Antwerps koopman stichtte hij, bij testament van 1654, een godshuis voor twaalf „oude gebreckelyke manspersoonen die niet meer en connen wercken ende die met goeden naem ende faem wel sullen geleeft hebben". Hij begiftigde zijn stichting M&L 34

met een belangrijke geldsom. De inkomsten hieruit bezorgden de bewoners enige bestaansmogelijkheden in de vorm van voedsel- en brandstofbedeling en stelden de aalmoezeniers in staat de huizen met „goede reparatien te onderhouden". Met het geld moest bij het godshuis ook een „cleyn cappelleken" gebouwd worden met „degelycke ornementen soo het betaemen Sal totten dienste Godts". Boven de deur diende een steen met opschrift aangebracht te worden, waaruit zou blijken dat Cornells Lantschot het godshuis had „gefondeerd". Elke zondag werd er ook een mis gelezen. Aldus konden de bewoners van het godshuis wekelijks voor het zieleheil van de stichter bidden... .


Zoals gebruikelijk in die tijd beoogde Cornells Lantschot met zijn stichting immers niet alleen de schrijnende armoede te lenigen maar ook zichzelf te verzekeren van het eeuwige zieleheil. Hij stierf op 26 april 1656 en werd begraven in de Sint-Jacobskerk, alwaar zijn grafschrift betekenisvol meldt: „den armen 't geldt : en godt syn siel. men wint den hemel met gewelt, of Is te koop Met kraCht Van geLDt". Het godshuis werd pas in 1658-1659 gebouwd, nadat de geschikte gronden waren aangekocht naast het Hessenhuis aan de Falconrui, toen Vuilrui of Wolleverwersrui genoemd. Hoewel reeds vanaf 1314 deel uitmakend van de vestingsgracht, was dit stadsgedeelte in de 17de eeuw afgelegen en nog weinig bebouwd. Wel stond er reeds het godshuis Van der Biest, gesticht in 1504 en waren er verschillende hoven en bleekhoven.

De kapel van het Godshuls Lantschot In de Falconrui In Antwerpen (foto G. Charlier)

Het hoge inkomen van de Stichting en de vele giften maakten de bouw van een redelijk grote kapel moge-

De barokke toegangspoort na restauratie (foto Deschutter, 1960)

lijk met een rijke aankleding. Zo was het altaar volledig in zwarte en rode marmer opgetrokken met een schilderij van Th. Boeyermans (1620-1676) voorstellende „de apotheose van Lantschot", thans bewaard in het Sint-Elisabethgasthuis.

Grafschrift van Cornells Lantschot, In de Antwerpse Sint-Jacobskerk (copyright A.C.L.)

Het beheer van het godshuis vertrouwde de stichter toe aan de Armenkamer, die de armenzorg binnen de stad organiseerde. In de Franse tijd werd de zorg voor 35 M&L


de armen ondergebracht in twee instellingen: de Commissie der Godshuizen en het Bureel van Weldadigheid. De kapel van Lantschot bleef echter blijkbaar wel ter beschikking van de eredienst. In 1889 was de vereniging 'L'association pour l'art' er gevestigd. Rond 1900 zou een andere vereniging, 'De Kapel', er een bijzondere culturele uitstraling aan geven. In 1925 was het beheer overgegaan in handen van de C O . O . , thans het O.C.M.W.. Bij besluit van 27 april 1983 werd het oude godshuis beschermd als monument.

Thans huurt de Vereniging Cornells Floris de kapel met de bedoeling er opnieuw een culturele ontmoetingsplaats te maken.

Restauratieplannen en vooronderzoek Behoudens reiniging en herstel van de gevel in 1968 was er lange tijd niets meer gebeurd aan de kapel.

Hiernaast: interieur van de kapel in 1984. W. Kreitz had er zijn atelier tot in 1982 (foto's Sipido) M&L 36


Detail van het altaar, toestand vóór restauratie. De schaduwschildering is nog niet vrijgelegd (foto Sipido)

Vochtige muren, afbrokkelende bepleistering en verf, verrotte delen in het houten gewelf, heterogene banale glasopvullingen in de ramen en verbrijzelde Basècle vloertegels lieten binnenin weinig waardevols vermoeden. Samen met het O.C.M.W. van Antwerpen wou de Vereniging Cornells Floris evenwel de kapel opnieuw tot leven brengen. Restauratieplannen werden opgemaakt. De Technische Dienst van het O.C.M.W. zou instaan voor de bouwkundige werken: het vernieuwen van de vloer, de isolatie van de muren tegen opstijgend vocht, het herstel van de bepleistering, de schilderwerken, en het herstel van de houten zoldering. De Vereniginig Cornelis Floris zou de inrichtingswerken op zich nemen: de aanleg van vloerverwarming en van de elektrische installatie, nieuwe glas-in-loodramen en meubilair. Vooronderzoek in functie van de restauratie, door de Conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen verricht in het voorjaar 1986, leerde dat het kapelinterieur toch nog meer te bieden had dan op het eerste gezicht werd gedacht. De kapelmuren bleken nog grote delen van het oude pleisterwerk te bewaren. Zoals gebruikelijk was het een kalk-zandbepleistering geruwd met de borstel; vandaar de typische zichtbare borstelstrepen. Hierover was een dunne kalklaag (kalkmelk?) als afwerking gezet. Rondom het altaar kwam een donkergrijze schaduwschildering te voorschijn. De schildering was vrij strak rondom het altaar getrokken, alsof de portiek vóór een donkere nis, los van de muur kwam te staan. Later was de schaduwschildering nog twee keer hernomen, eerst grilliger van vorm en dan opnieuw vrij strak. De portiek was opgebouwd uit zwarte en rode marmer, terwijl er voor het beeldhouwwerk gebruik gemaakt was van stuc, hier en daar aangevuld met houten delen. Het stuc was oorspronkelijk gekalkt

Detail van het stucwerk van het altaar, met sporen van de vroegere schaduwschilderingen (foto B.M.L.)


^ y i "É|^*g

De barokke nis met putti boven de deur. Ook hier werd een schaduwschildering vrijgelegd (foto B.M.L.)

om een witsteeneffect te bekomen, terwijl de ogen van alle beelden zwart waren ingeschilderd, wat een verrassend effect heeft. Het geheel zat evenwel onder vele kalklagen. De marmers waren zo vervuild dat haast geen kleurverschillen meer te bemerken waren. Testen werden uitgevoerd voor de reiniging. De ingangsdeur tegenover de altaarportiek bleek, evenals de vlakke hardstenen omlijsting eromheen, oorspronkelijk donkergrijs (hardsteen-imitatie ?) geschilderd. De dunne kalkverf liet de frijnslag van de steen zichtbaar. Boven de deur bevindt zich een verdiepte ronde nis met twee barokke putti. Het onderzoek wees uit dat ook dit 17de-eeuws beeldhouwwerk uitgevoerd was in stuc en dat het eveneens 'losgemaakt' was van de muur door een donkergrijze schaduwschildering. Het stuc was van een zeer fijne kwaliteit en bleek in goede staat, behoudens enkele verdwenen delen, onder meer het hoofdje van de linker putto en de brutale beschadiging ondergaan door het aanbrengen van elektriciteitsleidingen. De vleugels van de putti waren later aangebracht. Mede omdat ze zeer sterk beschadigd waren, werden zij weggenomen. Het reliëf van het beeldhouwwerk was sterk vervaagd door de vele witsellagen; eronder kwam de oorspronkelijke lichtM&L 38

grijze schildering te voorschijn, alsmede de zwart geschilderde oogjes van de putti. Een charmant geheel.

De restauratie De gegevens uit het vooronderzoek werden het uitgangspunt voor de restauratie. Zoveel van de oorspronkelijke inrichting en decoratie van de kapel was verdwenen dat geopteerd werd het weinige bewaarde optimaal te valoriseren, met name de oude bepleistering, de altaarportiek en de toegangsdeur met het medaillon. Dit gebeurde in samenspraak met de verantwoordelijken van het O.C.M.W., de Heer L. Vermoesen (Deskundige Monumentenzorg) en Mevrouw E. Pais (archivaris), en van de Vereniging Cornells Floris, de Heer R. Steenmeijer (architect). De altaarportiek en het barokke medaillon met putti kregen een Conservatiebehandeling door de restaurateurs van het O.C.M.W., de heren G. Van den Heuvel en A. Mattyses en door de Conserveringsploeg van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, Mevrouw M. Buyle en E. Jacobs en de Heer P. Schuurmans (2).


Het stucwerk aan altaarportiek en medaillon werd ontdaan van de overtollige vervuilde kalklagen en waar nodig opnieuw gelijmd met akemi. Storende lacunes werden bijgevuld met stucplamuur. Het stucwerk van het altaar werd opnieuw gekalkt. De marmers werden behandeld met een mengsel van microkristallijne- en polyethyleenwas. Spijtig genoeg was op vele plaatsen de gepolierde laag verdwenen. De schaduwschilderingen rondom de altaarportiek en het medaillon werden hernomen met kalkverf, evenals de schildering van de hardstenen deuromlijsting. Meteen hadden de barokke altaarportiek en het medaillon opnieuw hun monumentaal en authentiek karakter hernomen. De bouwkundige restauratiewerken gebeurden in opdracht van het O.C.M.W. en werden uitgevoerd door de Algemene Onderneming Van Loy uit Herenthout voor een bedrag van 876.683,-fr. (exclusief B.T.W.) met subsidiëring door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (60 %) en het provinciebestuur van Antwerpen (20 % ) .

Interieur na restauratie (foto G. Charlier)

De werken werden aangevat op 18 maart 1987 en werden opgeleverd op 11 maart 1988. Begonnen werd met de injectie van de muren tegen opstijgend vocht en het uitnemen van de vloer. Een beperkt archeologisch onderzoek door de Afdeling Opgravingen van de Stad Antwerpen leverde weinig vondsten op (fragmenten van mensenbeenderen en twee scherven aardewerk) vermits er slechts een geringe diepte uitgegraven werd. Gelijklopend met de bouwkundige werken gebeurden ook de geschiktmakingswerken, zonder subsidie, in opdracht van de vereniging Cornis Floris (3). Oorspronkelijk was gekozen voor een elektrische verwarming gecombineerd met stralingspanelen aan de wanden. Om het authentiek karakter van de ruimte maximaal tot zijn recht te laten komen werden de wandtoestellen weggelaten en werd een dubbel circuit vloerverwarming aangelegd. Ook de optie voor de elektrische installatie werd gewijzigd. In plaats van de voorziene wandtoestellen werd gekozen voor twee luchters met hedendaagse vormgeving. De ramen aan de koerzijde werden voorzien van glas in lood. Aan de nieuwe vloer in petit-granit werden de voorziene plinten weggelaten, zoals dat oorspronkelijk was. De loszittende bepleistering werd hersteld en de muren werden wit herschilderd. In plaats van de voorziene latex-verf werd er gekozen voor een silicaatverf, waarvan de matte textuur de oorspronkelijke kalk- en lijmverven goed benadert. De ruimte verkreeg hierdoor opnieuw een lumineus en oorspronkelijk karakter, die de barokke toegangsdeur en de altaarportiek goed tot hun recht laten komen. Aldus kwam hier, uitgaande van de enkele bewaarde waardevolle elementen en met respect van oud materiaalgebruik en afwerking, een verrassend authentieke restauratie tot stand.

Deur en nis na restauratie (foto G. Charlier)

39 M&L


Hierboven en hiernaast: De apotheose van C. Lantschot, geschilderd door Th. Boeyermans (1620-1676), thans bewaard in het Sint-Elisabethgasthuis (copyright O.C.M.W.). Oorspronkelijk prijkte het schilderij in het altaar (foto G. Charlier)

Voetnoten (1) De Vereniging Cornelis Floris wijdde haar jaarboek 1987 volledig aan de figuur van Cornelis Lantschot en aan zijn stichting. De historische gegevens opgenomen in dit artikel zijn gebaseerd op deze nieuwe en interessante publikatie, waarnaar wij verwijzen voor verdere informatie en bibliografie. (2) Conserveringsverslag van 24 maart 1988 opgesteld door M. Buyle, Bestuur voor Monumenten en Landschappen. De conserveringswerken werden uitgevoerd in augustus 1986 en in maart 1988. (3) De Vereniging Cornelis Floris kon het project realiseren dank zij het mecenaat van Monsanto.


Petrografisch onderzoek van het 'Merovingisch Altaar' van Wezeren

Dr. R. Nijs Laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Micropedologie van het Geologisch Instituut - R.U.Gent

Reeds jarenlang is het altaar van de Sint-Amanduskerk te Wezeren, bekend als het 'Merovingisch Altaar', het voorwerp van allerlei gissingen naar zijn oorsprong en naar de symbolische betekenis van de rozetten waarmee het is versierd (Lammers 1983). Herhaaldelijk duiken in verband hiermede vage verwijzingen op naar Aquitanië, ja zelfs naar Syrië en Jeruzalem. Om de historische vragen rond het Merovingisch altaar vanuit een objectieve basis te kunnen benaderen, beslisten C. G. De Dijn, werkend lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, en R. Delmeire, bestuurslid van de Geschiedkundige Kring van Landen, een petrografisch onderzoek van het materiaal te laten uitvoeren. Op advies van E. De Witte, afdelingshoofd van het anorganisch laboratorium van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, werd hiervoor contact opgenomen met het Laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Micropedologie van het Geologisch Instituut - Rijksuniversiteit Gent. Op woensdag 30 december 1987 werden een reeks stalen van het altaar genomen. De kleine stukjes steen die werden bemonsterd (brokjes kleiner dan 1/8 cm3) zijn in het laboratorium met een kunsthars verhard, waarna er slijpplaatjes van werden vervaarI M&L 42

digd. Deze slijpplaatjes laten toe het gesteente met een polarisatiemicroscoop te onderzoeken. Aan de hand van de mineralogische samenstelling en de onderlinge schikking van de elementen kan het gesteente geïdentificeerd worden en kan, door vergelij-


Het altaar van Wezeren met aanduiding van de monstername

king met gelijksoortig materiaal waarvan de geologische oorsprong gekend is, de vindplaats worden vastgesteld. Deze methode is veel nauwkeuriger dan een louter technische en macroscopische benadering.

Petrografische kenmerken en identificatie Staal 1 : werd genomen van de achterzijde van het enige rozet op de rechterzijkant (vanuit de kerk bekeken) van het altaar. Het gesteente vertoont een groot aantal regelmatige holten. Deze zijn dikwijls cirkelvormig, niet zelden naaldvormig, maar meer nog ovaal. Een dergelijk patroon is typisch voor holten ontstaan door oplossing van naaldvormige structuren — in dit geval kiezelsponsspiculen — waarbij het slijpplaatje sommige dwars, andere overlangs doorsnijdt. Het cement is opaal, geassocieerd met wat klei en vooral fijnkorrelig calciet. Glauconiet

— een groen, korrelig ijzersilicaat — is aanwezig, meestal als afgeronde korrels, soms als vulling van fossiele holten. Het gesteente is rijk aan kalkorganismen als kalkplaatjes en schelpen van micro-organismen, maar ook van echinodermen en mollusken. Het karbonaatgehalte kan op zicht rond 40 procent geschat worden (er werden geen chemische proeven uitgevoerd). Kwartszandkorrels zijn zeer zeldzaam. Deze kenmerken stemmen volkomen overeen met de criteria voor de 'tuffeau' van Lincent (De Geyter, Nijs 1981; Nijs, De Geyter 1985a). Staal 2: werd genomen uit de gebogen niswand van de tweede rozet links, aan de achterkant van het altaar (het zogenaamde 'vrouwelijk element' van pastoor Lammers, 1984). Ook dit gesteente toont ondubbelzinnig alle kenmerken van de typische 'tuffeau' van Lincent (ook 'tuffeau' van Lijsem genoemd). Zowel de dimensies als 43 M&L


de schikking der petrografische elementen zijn identiek met die van staal 1. Staal 3: het altaarblad. Door gebrek aan natuurlijke breukvlakken (de hele steen is onder meer bekapt geweest) is de identificatie op zicht vrij moeilijk. De microscopische kenmerken zijn als volgt: het cement is fijnkorrelig calciet. Zeer plaatselijk komt het als een homogene, erg fijne massa voor, maar meestal is het iets grover en bevat het een 15 tot 20 procent kwartszandkorrels, vrij veel kalkfossielengruis (15 procent), en wat glauconietkorrels. Cement en fossielen bepalen samen het kalkgehalte Staal 1, 'tuffeau' van Lincent. Microfoto, doorvallend licht. De dat op zowat 75 tot 80 procent kan worden geschat. gemiddelde doorsnede van de naaldvormige holten, ontstaan door Het gaat hier dus over een (zandige) kalksteen. Hij oplossing van kiezelsponsspiculen, bedraagt ongeveer 100 micron. kan vrijwel zeker als steen van Gobertingen (Gobertange) geïdentificeerd worden (Nijs, De Geyter 1985b), al had het monster wel wat groter mogen zijn om ook de macroscopische kenmerken te kunnen controleren.

Staal 4: de altaarvoet. Het gesteente bestaat grotendeels uit biogene kalkfragmentjes met een diameter tussen 50 en 250 micron. Er is ook een klein beetje glauconiet aanwezig. Het fossielgruis bevat weinig fijn calcietcement; vandaar de hoge porositeit. Men zou

Staal 4, Maastrichtersteen. Microfoto, doorvallend licht. De korrelgrootte van de kalkfragmentjes ligt meestal tussen 150 en 200 micron. Let op de grote porositeit

Staal 3, Gobertangesteen. Microfoto, doorvallend licht. De korrelgrootte van de zandfractie schommelt globaal tussen 100 en 150 micron

I M&L 44


Het altaar van Wezeren (foto O. Pauwels)

het als een samengekit kalkzand of een grof krijt kunnen omschrijven. Al deze kenmerken zijn typisch voor de Maastrichtersteen (Nijs, De Geyter 1985b). Staal 5: hoeksteen rechtsonder aan de voorkant van het altaar. Net als staal 1 en 2 is ook dit staal met absolute zekerheid als 'tuffeau' van Lincent te identificeren. De steen zou evenwel uit een andere bank kunnen komen dan staal 1 en 2, aangezien er een gering verschil in grootte en schikking der petrografische bestanddelen valt aan te wijzen.

Besluit Bij dit onderzoek werd uitsluitend materiaal aangetroffen dat voorkomt in de ondergrond ten zuiden van de as Tienen-Maastricht. Alhoewel om begrijpelijke redenen niet iedere individuele steen van het altaar werd bemonsterd, mag men toch met vrij grote

zekerheid stellen dat het geheel, geologisch bekeken, volledig van Haspengouwse oorsprong is. Afgaande op het macroscopische uitzicht van de altaarstenen, kan zelfs gepreciseerd worden dat ze alle, inclusief de rozetten en hun nissen, uit 'tuffeau' van Lincent bestaan, behalve uiteraard het altaarblad en ook de altaarvoet, die trouwens recenter zou zijn (Dubois schetst in 1881 een altaarvoet die verschilt van de huidige). Het is wel zo dat de onderste laag altaarstenen sterk door de opstijgende vochtigheid is aangetast, waarbij onder meer oxydatie van glauconiet roestige verkleuringen veroorzaakt. Uit het onderzoek van staal 5 blijkt evenwel ondubbelzinnig dat het wel degelijk om 'tuffeau' gaat. Hij ziet er wel wat minder 'vers' uit dan het onverweerde materiaal van de rozetten. De bewering in Lammers (1984) dat de rozetten uit veel harder materiaal dan de 'tuffeau' bestaan, is onjuist. 'Volgens deskundigen is het Franse steen', zo staat er nog geschreven. Uit ons onderzoek is gebleken dat de deskundigheid der vermelde deskundigen 45 M&L


ongetwijfeld op een niet-petrografisch vlak moet worden gezocht. Het ligt niet in de bedoeling ons te mengen in het debat over de historische achtergronden van het 'Merovingisch altaar' van Wezeren. Een zinvolle discussie hierover door de terzake bevoegde personen is echter slechts mogelijk wanneer wordt uitgegaan van vaststaande wetenschappelijke gegevens, in casu de aard van het materiaal waaruit het altaar vandaag bestaat. Dit is, figuurlijk maar ook wel wat letterlijk, de eerste steen waarop verder gebouwd kan worden. Met onze speciale dank aan de heren R. Delmeire en C.G. De Dijn voor hun praktische medewerking aan dit onderzoek.

Bibliografie De Geyter G., Nijs R., Petrografisch onderzoek van natuurlijke bouwstenen uit Belgische Tertiaire Formaties. 1. De 'tuffeau' van Lincent (Formatie van Landen), in Natuurwetenschappelijk Tijdschrift, 62, Gent 1981, p. 42-56. Dubois, Le maitre-autel de Walswezeren, in Bulletin de la Société d'art et d'histoire du diocese de Liège, 1, 1881, p. 204-212. Lammers J., Wie zal de sluier lichten van het altaar van Wezeren? in Oost-Brabant, XX, 1983, p. 105-113. Lammers J., De Sint Amandskerk van Wezeren, in Vlaamse Toeristische Bibliotheek, 1984, nr. 301. Nijs R., De Geyter G., De l'usage architectural et des caractères pétrographiques du tuffeau de Lincent, in Bulletin de la Commission Royale des Monuments et des Sites, nr. 12, Brussel, 1985(a). Nijs R., De Geyter G., Geologie en petrografie van inheemse natuurlijke bouwstenen in onze historische monumenten. Nota's bij de Vrije Cursus. Faculteit van de Wetenschappen, Geologisch Instituut R.U.G.. Laboratorium voor Mineralogie, Petrografie en Micropedologie, Gent, 1985(b).

Het koor met altaar (copyright A.C.L.) M&L 46


47 M&L


Muurschilderingen met internationale allure in de parochiekerk Sint-Catharina van Duisburg

Ann Bergmans, B.M.L.

De muurschilderingen in de Sint-Catharinakerk van Duisburg ontsnapten in 1894 aan de ontpleisteringskoorts van pastoor Maes, die het hele koor een natuurstenen uitzicht gaf: kalklagen en bepleistering werden daar toen tot op het blote parement weggenomen (1). De muren van het transept bleven op dat ogenblik gelukkig onaangeroerd. Hier kwamen in 1945 muurschilderingen aan het licht, op de zuidelijke en de westelijke muur. Later ontdekte sporen in de oost-westelijke hoek werden accuraat verborgen achter een schilderij. De zichtbaar gemaakte taferelen — een piëta, heiligen en stichtersfiguren — kregen een conserverende behandeling vlak na hun ontdekking (2). Ruim veertig jaar later waren nieuwe zorgen dringend noodzakelijk, zodat hiervoor een spoedprocedure moest worden ingeleid. Deze bood ook de gelegenheid om te onderzoeken of de andere muurvlakken hun beschildering bewaard hadden. In 1984 en 1986 werden deze werken uitgevoerd door Isabelle Hennebert, Mare Henricot en Walter Schudel.

Een hertogelijke kapel

burg verliet voor de nieuwe residentie in Tervuren, vertrouwde hij hen ook nog de zorgen toe over zijn castellum. Via de kerk en haar bedienaars bleef de De Sint-Catharinakerk was van bij haar ontstaan Heerlijkheid Duisburg steeds een band met het hertoeigendom van Hendrik I van Brabant, die in Duisburg gelijk hof behouden (3). een hertogelijke zomerresidentie bezat. In 1228 Met haar Romaans schip en westertoren, haar gotisch schonk Hendrik I zijn burchtkapel aan de kanunniken koor en transept, haar in de 18de eeuw verbouwde van de abdij van Sint-Jacob-op-de-Koudenberg in zijbeuken, is de Sint-Catharinakerk op het eerste Brussel. Aanvankelijk werd de parochie nog door gezicht niet meer herkenbaar als een burchtkapel; wereldlijke geestelijken bediend. Vanaf 1263 echter ook van de hertogelijke residentie zijn alle sporen hadden de kanunniken van de Koudenberg hiertoe verdwenen. Binnenin de kerk zijn echter nog zichtbahet alleenrecht. Toen de hertog zijn verblijf in Duis- re getuigenissen bewaard van haar adellijke verleden. M&L 48


De oostwand in het transept met fragmenten van de Man van Smarten (foto G. Charlier)

Naar exacte bouwdata wordt noodgedwongen nog gegist. Voor het koor stelde J. Maes de datum 1263 voorop. Op welk document hij zich hiervoor baseerde, is niet bekend. J. Wauters plaatste het koor én het transept bij de aanvang van de 15de eeuw. Op 15 juli 1400 bracht de rentmeester van hertogin Johanna namelijk een bezoek aan Duisburg samen met de heer van Huldenberg en de proost van Koudenberg, en in november 1401 opnieuw met de heer van Huldenberg, om de „kercke te satene" (4). Om welke werken het hier juist ging èn of ze betrekking hadden op het koor zowel als op het transept, is niet verklaard. Wat door de muurschilderingen wél duidelijk wordt, is dat het transept rond 1400 zeker voltooid

was, vermits het toen zijn figuratieve beschildering kreeg.

De muurschilderingen Deze bevinden zich op de drie wanden in het zuidelijk transept van het kerkgebouw. Ze zijn door een rechthoekig kader afgeboord. Met uitzondering van het eerste, zijn de muurvlakken onderverdeeld in twee registers. In de kleuren rood-oxyde, gele oker, wit en (versneden) zwart, zijn de taferelen geschilderd in 49 M&L


tempera-techniek. De natuurstenen muur is geprepareerd met een in dikte variërende egalisatiemortel die op zijn beurt met een laag kalkmelk bedekt werd. In deze witsellaag zijn duidelijk borstelsporen aanwezig (5). De picturale laag is dun en matig gevoelig voor water. Ze is aangetast door het invreten van de kalklagen die het geheel lange tijd bedekten: de kleuren vervaagden en details in de tekening verdwenen. Op de oostwand zijn twee voorstellingen bewaard, één aan weerszijden van het dichtgemaakte venster: links een fragment van de Man van Smarten, rechts de Verkondiging van de engel aan Maria. Aan de zuidzijde links van het raam, Sint-Joris te paard in gevecht met de draak, met daaronder een fragment van een stichteres. Rechts van het venster de heilige Eligius en, Sint-Jacob de Meerdere, met daaronder een stichterspaar. De westwand tenslotte is versierd met een piëta, onderaan opnieuw met een stichter of schenker.

De Man van Smarten

Beneden rechts zien we een stichtersfiguur geknield en met gevouwen handen. Zowel de haardracht met tonsuur als de kleur van de kledij — die duidelijk zwart is — kunnen er op wijzen dat we hier te maken hebben met een augustijna van de abdij van Koudenberg. Op de iconografie van de Man van Smarten dient hier niet verder ingegaan gezien de onvolledigheid van de voorstelling. Wel dient vermeld dat aan de verering van deze beeltenis sedert de 14de eeuw aanzienlijke aflaten verbonden waren, waaruit een grote populariteit bij de grafcultus ontstond. Ook bij de laat-middeleeuwse mystieken speelt de Man van Smarten een belangrijke rol. Als bemiddelaar voor het bekomen van zieleheil kwam hij vaak voor op epitafen (6). Rechts van dit eerste tafereel bemerken we enkele natuurstenen die oorspronkelijk geen deel uitmaakten van het beschilderde muuroppervlak. Het zijn namelijk de resten van de aanzet der gewelven die instortten bij een brand in 1758 en toen vervangen werden door het huidige vlakke plafond in pleisterwerk. In het midden daarvan werd deze datum ook in stuc aangebracht. Rechts van de gewelfaanzet is een tweede voorstelling nagenoeg volledig verdwenen.

Een Annunciatie

'.]• V ,

De eerstgenoemde voorstelling is helaas slechts fragmentair tot ons gekomen. Uit de resten valt evenwel nog af te lezen dat hier wellicht het thema van de Man van Smarten was uitgebeeld: Christus als de mensenzoon die zich op het kruis offerde tot verlossing van de mensheid. Hij wordt hierbij voorgesteld met de wonden van Zijn lijden, in of in de nabijheid van Zijn sarcofaag, en omgeven door de arma christi, de passiewerktuigen. Van deze laatste attributen resten in Duisburg nog de rietstok (waarop de in azijn gedrenkte spons bevestigd werd), de lans waarmee Zijn zijde werd doorboord. Herodes (?) en een hogepriester. Judas met de zilverlingen van het verraad en een beul, de dienstmaagd met Petrus (verloochening) en verder nog de drie nagels, een hand met uitgerukte haren en een fragment van het kruishout. Ook de sarcofaag met rondboogjes is nog herkenbaar. M&L 50

*

Het thema van de Annunciatie stelt rechts Maria, links de boodschappende engel voor: de engel is net neergedaald en de Moeder Gods staat recht om zijn woorden te aanhoren. Met de rechterhand in de hoogte gericht, wijst de engel naar zijn goddelijke opdrachtgever. De draaiende lijn van zijn lichaam drukt beweging en bewogenheid uit. Maria maakte wellicht een afwerend gebaar met de ene hand terwijl zij in de andere een gebedenboek droeg. Sporen van een architecturaal decor (bogen of gewelven) menen wij nog te herkennen op de vervaagde achtergrond. Dit aloude vroeg-christelijk en protobyzantijns motief van de staande Annunciatie kwam via de Karolingische en Ottoonse plastiek en miniatuurkunst tot een verdere ontwikkeling in de gotische kathedraalsculptuur en miniatuurkunst (7). Het betreft een dynamische voorstelling van het gesprek tussen de goddelijke


boodschapper en Maria, waarbij een sterke uitdrukkingskracht aan het gebaar wordt verleend. De aandacht van de toeschouwer wordt zonder afleidende details gericht op de monumentale figuren, die het ogenblik moeten uitdrukken waarop Maria het moederschap van de Verlossende Mensenzoon aanvaardt. Met andere woorden is dit het eerste ogenblik van de incarnatie. Het contrast met de Annunciaties van de Zuidnederlandse Primitieven als Jan van Eyck, Rogier Van der Weyden en de Meester van Flémalle-Campin die het thema situeren in een burgerlijk of kerkelijk interieur of portaal en aanvullen met allerhande attributen met bijzondere bijkomende betekenissen, is zonder meer duidelijk. De inhoudelijke samenhang van de Verkondiging met de Man van Smarten, die als de mensgeworden Goddelijke Zoon door Zijn lijden de mensheid heeft verlost, ligt voor de hand. Beide thema's zijn steeds verbonden geweest met de eucharistie omdat hier het offer tot verlossing steeds opnieuw herhaald wordt. Zij worden daarom ook vaak voorgesteld op eucharistisch vaatwerk en tabernakels. Wat het type van de Annunciatie betreft dient verwezen naar een fraaie miniatuur in de Petites Heures van Jean de Berry (zeker voltooid in 1388) (8). Het register onder de Annunciatie is onleesbaar. We nemen aan dat hier, zoals op de volgende drie onderste registers, schenkersfiguren waren afgebeeld.

Sint-Joris te paard Op het volgende, zuidelijk muurvlak treffen we bovenaan Sint-Joris te paard die de draak doodt met een lanssteek. Het tafereel speelt zich af in een landschap aan de rand van een stad (fragmenten links boven). Deze legendarische heilige, afkomstig uit Capadocië, was officier in een Romeins legioen toen hij op doortocht in een stad kans zag de draak te doden die de bewoners terroriseerde. Zo redde hij de koningsdochter die aan de beurt was om geofferd te worden teneinde de honger van het monster te stillen. Zijn geldelijke beloning voor deze daad schonk hij aan de armen. Hij stierf de marteldood. Het thema van Sint-Joris als drakendoder was zeer geliefd bij de adel. De heilige heeft ook steeds een bijzondere betrekking tot Maria gehad, die reeds in de Legenda aurea tot uitdrukking kwam: hier wordt verhaald hoe de koning na de dood van de draak een heiligdom oprichtte ter ere van Joris en Maria. Als redder van de koningsdochter, wordt hij ook als beschermer van Maria, defensor Mariae, aangezien. De band tussen Sint-Joris en de Moeder Gods wordt ook sinds de 14de eeuw door verschillende mystieke denkbeelden geschraagd die in de bevrijding van de prinses een parallel zagen met de redding van de apocalyptische vrouw — Maria — door de Heilige Michaël (9). Rechts in het onderste register blijft een fragment bewaard van een stichteres in geknielde houding.

Twee Heiligen De twee heiligen rechts van het venster menen wij te kunnen identificeren als de Heilige Eligius (SintElooi) en Sint-Jacob-de-Meerdere.

Sint-Eligius in pontificaal ornaat houdt in zijn linkerhand een bisschopsstaf met rijk uitgewerkte krul. In de rechterhand draagt hij liturgisch vaatwerk, dat verwijst naar zijn beroep van edelsmid. Later muntmeester en raadgever aan het koninklijk hof van Clotharius II en Dagobert I, genoot hij een groot vertrouwen van de vorsten. Hij was hooggeacht voor zijn vroomheid, zijn weldaden voor de armen, voor de gevangenen en voor de slaven. Later werd hij priester en in 641 bisschop van Noyon en Doornik. Hij stichtte talrijke kloosters en kerken, en staat ook bekend voor zijn missionering in de Zuidelijke Nederlanden. Vanaf de late middeleeuwen werd hij patroon van hoef- en edelsmeden. Sint-Elooi was een der meest geliefde volksheiligen in Brabant (10).

De apostel Jacobus-de-Meerdere is voorgesteld met een baard, gehuld in een lange wijde mantel. In zijn linkerhand draagt hij een boek, in de rechterhand een pelgrimsstaf met daarnaast een schelp. Sint-Jacob was een bevoorrechte apostel. Na de hemelvaart van 51 M&L


De oostwand met de Annunciatie, en de zuidwand met Sint-Joris te paard die de draak doodt (foto G. Charlier)

Christus verkondigde hij het evangelie in Jeruzalem en Samaria, doch werd op last van Herodes Agrippa I in 44 onthoofd. Zijn gebeente kwam in Spanje terecht en wordt daar sedert de 9de eeuw vereerd in Santiago de Compostela. Naast Rome en Jeruzalem was zijn graf de beroemdste bedevaartplaats gedurende de middeleeuwen (11). Als patroonheilige van M&L 52

de abdij van Sint-Jacob-op-de-Koudenberg wiens geestelijken de parochiekerk van Duisburg bedienden, is zijn aanwezigheid hier gemakkelijk te begrijpen. Wat de stijl van beide heiligenfiguren betreft, stellen wij een verwantschap vast met de internationale stijl in Frankrijk van circa 1400 (12).


Op de zuidwand, rechts van het venster, Sint-Eligius en Sint-Jacob-de-Meerdere (foto G. Charlier)

53 M&L


Mfim^^m'®

'WÊÊP®®'

'. : -v ; 'k'. - -

Het onderste register toont ons een schenkerspaar. Op de voorgrond van een door dieptewerking gesuggereerd interieur met houten zoldering, zitten rechts de vrouw, links de man in knielende houding, de handen biddend voor zich uit gevouwen. In de linkerhoek staat op de achtergrond een wapenschild. De vrouw draagt een lange wijde mantel met hoog opstaande kraag die achteraan tot over haar witte hoofddoek getrokken is. Van haar kleed zien we enkel de smalle witte mouwen die breed uitlopen in een trechtervormige manchet en zo tot ver over de rug van haar handen vallen. De witte manchetten van haar gemaal zijn identiek. Diens kleed (houppelande) is aan de hals en aan de zeer wijde mouwen afgeboord met bont en vrij laag gegord. Kort en rond is zijn kapsel. De kledij kan gekenmerkt worden als traditioneel met modieuze details, zoals gepast voor hoogwaardigheidsbekleders; ze valt te dateren omstreeks 1400 (13). J. Weynants veronderstelde dat de heren van Duisburg de stichters van de muurschilderingen zouden zijn geweest en dat het hier besproken echtpaar Hendrik of Jan van Witthem met echtgenote voorstelt. Uit een onderzoek door Dr. E. Warlop is echter gebleken dat het hier afgebeelde wapen niet dat van de heren van Witthem is (14). Zekerheid hierover zou de identificatie van het wapenschild kunnen verschaffen.

Een piëta

Jezus rust in haar schoot. Met de rechterzijde ondersteunt zij liefdevol Zijn hoofd, doch haar bovenlichaam en starende blik zijn afgewend in een kwijnend gebaar. Christus is naar de toeschouwer gekeerd in een bijna diagonale positie ten opzichte van Maria. Zij toont de Verlosser in diepe smart. Zij heeft met hem meegeleden (compassio) en door haar leed heeft zij meegewerkt aan de verlossing (coredem'ptio). Reeds eerder heeft J. Steyaert de Italiaanse origine van deze uitzonderlijke variante op het thema van de Nood Gods toegelicht (15). Inderdaad gaat deze terug op de schilderkunst uit het midden van het trecento, waar er bij een piëta steeds concrete verwijzingen voorkomen naar het passiegebeuren in de vorm van landschapselementen, het kruis of de sarcofaag. Als typevoorstelling kan hiervoor de piëta van Giovanni da Milano gelden (16). Wellicht via Frankrijk, waar het motief voorkomt in de miniatuurkunst van de internationale stijl, bijvoorbeeld in de Bewening van de Grandes Heures van Jean de Berry (17), kwam het in de Zuidelijke Nederlanden terecht.

Op het onderste register wordt opnieuw een schenkersfiguur uitgebeeld op de voorgrond van een door dieptewerking gesuggereerd vertrek. Details van zijn kledij zijn niet meer waarneembaar, met uitzondering van een hoog gesloten kraag en — opnieuw — de trechtervormige manchetten. Zijn rond en kort geknipte haar vertoont een tonsuur.

Parochiale of adellijke devotie ?

Als laatste thema komt tenslotte de piëta van de westwand aan bod. Maria is gezeten op een heuveltje onder het kruis van Golgotha. Het dode lichaam van M&L 54

Wanneer we trachten de samenhang van de besproken iconografische thema's te achterhalen, dan stellen we vast dat zij te maken hebben met specifieke heiligenverering (Sint-Eligius, Sint-Jacob en SintJoris), met de eucharistie of de verlossing (Man van Smarten, Annunciatie, piëta) en met Maria (Annunciatie, Sint-Joris, piëta). Ook zijn meerdere mannelijke en vrouwelijke figuren aanwezig die wellicht de opdracht voor deze muurschilderingen gegeven hebben en ze ook financierden. Voorstellingen als de Man van Smarten en de piëta zijn Andachtsbilder of


fe»#

i De piëta op de westwand (foto G. Charlier)

55 M&L


•

I • V'

,&

•T

I ... v

•

•

.K^


^

# « t

'£*}

i^X:m

"• h'\v mr{fj

•"-.,

ffl'' vC ^ ^ MP^^taÉdi ^F^y^^^^

wA/p

jÊk^^fWk^

WÊÊÊêÉ M»

:

mÊÊÊ*

^^^m

mft- S.L-

$mm !<*^J'

will |

11 fif,^ i ii i ij w/m. ! ii

I MÊSkeè

ii If mi

? ei


devotionele taferelen: los van elke verhalende context zetten zij de toeschouwers aan tot devotie. Door het mede-lijden met het voorgestelde leed, en door welbepaalde gebeden, konden aflaten bekomen worden. Ook werd de voorspraak van Christus of Maria afgesmeekt en hun bemiddeling bij God de Vader, in het bijzonder wanneer de gelovige zou komen te sterven. De specifieke aandacht die hier uitgaat naar Maria kan verklaard worden uit het feit dat in de kerk van Duisburg op het einde van de 13de eeuw al een Onze-Lieve-Vrouwe-kapelanie gesticht werd. Het was een zielenkapelanie voor de overledenen, gesticht door parochianen van de Sint-Catharinakerk. Voorname ingezetenen hebben meegewerkt aan haar stichting en aan de verruiming van haar goed. Zo verkreeg de Onze-Lieve-Vrouw-kapelanie aanzienlijke bezittingen en inkomsten. Hiermee werden de zielemissen betaald aan het „altare beate Marie", zoals de cijnsboeken de kapelanie later vermelden. Het was duidelijk een stichting van de eigen parochianen, dit in tegenstelling tot de kapelanie van Sint-Catharina, een latere doch hertogelijke stichting van het einde der 14de eeuw, zoals blijkt uit de oorkonde van hertogin Johanna van 1397. In dat jaar vermeerderde zij de dotatie „des autaers van Sinte-Kateline te Duysborgh". Dit altaar bevond zich in het noorder transept. Volgens Verbesselt slorpte de hertogelijke kapelanie de eerste op, tegen het einde van de 14de eeuw (18). Dat Maria aan het zuideraltaar evenwel in het bijzonder aangeroepen bleef in functie van het zieleheil van overledenen, mag blijken uit de muurschilderingen die de wanden versieren. Of de muurschilderingen een schenking waren van eigen parochianen (in het verlengde van de kapelanie van Onze-Lieve-Vrouw die ook een eigen stichting was) dan wel of het hertogelijk hof hiermee rechtstreeks iets te maken had, blijft een vraagteken. Te vermelden is hier opnieuw het bezoek dat de rentmeester van hertogin Johanna aan de kerk van Duisburg bracht in 1400 en 1401.

Brabant en Wenceslas van Luxemburg waren kunstenaars aan het werk. Zo bijvoorbeeld de schilder en miniaturist Jan van Woluwe die met diverse opdrachten belast werd. Rond 1386 schilderde hij gehistorieerde taferelen in een gang van het hertogelijk paleis (20). Daarbij komt nog dat de belangrijkste onder de kunstenaars in de Nederlanden — men denke aan André Beauneveu, Melchior Broederlam, Jean de Beaumetz, Henri Bellechose, Claus Sluter en vele anderen — naar Frankrijk ontboden werden of uitweken. Dat hiermee de band met de Nederlanden doorbroken was, is verre van correct. Eerder kan men spreken van een permanente artistieke uitwisseling De naam van André Beauneveu werd door A. Brunard reeds in verband gebracht met de muurschildering van de Transfiguratie in de Sint-Pieter- en SintGuidokerk van Anderlecht (22), daterend van kort na 1400. Met de stijl van deze schildering willen wij ook de taferelen van Duisburg in verband brengen (vergelijk hiertoe in het bijzonder de engel van de Annunciatie met Christus van de Transfiguratie). Zij behoren tot eenzelfde groep waarvan slechts weinig kunstwerken in de Zuidelijke Nederlanden bewaard zijn gebleven. Hierin ligt dan ook het grote kunsthistorische belang van de muurschilderingen in Duisburg.

Conservatie-restauratie

Op stijlkritische en kostuumhistorische basis moeten de schilderingen gedateerd worden omstreeks 1400. Qua thema's, compositie en stijl hebben zij een aan te wijzen affiniteit met de Franse miniatuurkunst van de internationale stijl.

De schilderingen die tot voor kort in een slechte staat waren en gedeeltelijk met kalklagen waren bedekt (23), ondergingen in 1984 en 1986 een conserverende spoedbehandeling die werd uitgevoerd door Isabelle Hennebert, Marc Henricot en Walter Schudel (24). Deze stelde een hoge technische kwaliteit van de schilderingen vast. Nadat alle taferelen volledig waren vrijgelegd (hierbij kwamen de Man van Smarten, de Annunciatie en Sint-Joris aan het licht) werden de bepleistering en de witsellaag gefixeerd met kalkcaseïnaat. Oude opvullingen van lacunes dienden verwijderd en vervangen door gepigmenteerde kalkmortel. Lacunes in de picturale laag werden in de tratteggio-techniek geïntegreerd. Tot slot en teneinde de waterresistentie van de picturale laag iets te verhogen, werden de afgewerkte delen behandeld met Paraloïd B 72 (3 % in trichloretaan).

Dat de Brabantse muurschilderkunst in de 14de eeuw tot circa 1400 verwantschap vertoont met de internationale stijl in Frankrijk heeft ook J. Philippe reeds vastgesteld (19). Hoewel het zwaartepunt van de artistieke produktie ongetwijfeld in Frankrijk lag, mag men toch niet uit het oog verliezen dat ook in de Nederlanden belangrijke ensembles zijn tot stand gekomen onder meer in Brugge, Halle, Mechelen, Brussel. Ook aan het hertogelijk hof van Johanna van

De restauratie van de Sint-Catharinakerk zelf is gepland in opdracht van de gemeente Tervuren en naar ontwerp van de architecten Denise Debrouwer en Herman Van Meer. De werken aan het interieur zullen onder meer tot doel hebben de fragmentaire resten van de muurdecoratie beter tot hun recht te doen komen en te integreren. Zo zal men niet naar de oplossing van veertig jaar geleden moeten grijpen, namelijk een kader ervoor hangen, als cache-misère.

Internationale stijl

Op p. 56-57: totaalbeeld van de schilderingen in het transept (foto G . Charlier) M&L 58


Voetnoten (1) Over de restauratie van de kerk rond de eeuwwisseling zie: Van Eyck-Debrouwer D. en Steegen B., De parochiale kerk Sint-Catharina te Duisburg. Een historische studie ter voorbereiding van de restauratie (onuitgegeven studie), 1981, p. 25-31. Het archivalisch materiaal dat hierin verwerkt werd kan nog aangevuld worden met een bundel briefwisseling in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, Ministerie van Onderwijs. Bestuur der Schone Kunsten, nr. 518 en 519. 518 bevat de briefwisseling over het ontpleisteren van het koor over de jaren 1893-1894. (2) Zie: Van Eyck-Debrouwer D. en Stecgen B.. o.c, p. 80-86; Wijnants M., De muurschilderingen in de kerk van Duisburg, in De horen, jg. 7, 1980, 1, p. 13-17. (3) Voor het ontstaan en de geschiedenis van de Sint-Catharinakerk en de parochie zie Wauters A.. Histoire des environs de Bruxelles, 9B, Brussel, 1973 (eerste uitgave 1855-1857), p. 357-375; Bosmans J., Proeve eener beschrijving der kerk, gemeente en oude vrijheid van Duisburg, Leuven, 1883; F. Maes, Proeve eener beschrijving der kerk, gemeente en oude vrijheid van Duisburg, Duisburg, 1898. De gegevens uit deze werken zijn verwerkt in de studie van Debrouwer D. en Steegen B., o.c., 1981. Hieraan dient nog toegevoegd Verbesselt J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, dl. 16, s.l., s.d., p. 141-204. (4) Wauters J., o.c, p. 360. In verband met de betekenis van de term 'saten' zie: Verwijs E. en Verdam J., Middelnederlandsch woordenboek, dl. 7, 's Gravenhage, 1912, K. 178-183. Misschien hier als 'inrichten' te verstaan? (5) Zie afbeelding p. 45 (rechtse foto) in Schudel W. en Bergmans A., Muurschilderingen, onroerend kunstbezit, in Monumenten en Landschappen, jg. 5, nr. 6, 1986, p. 40-49. (6) Lexikon der christlichen Ikonographie. ed. E. Kirschbaum, dl. 4, Rome-Wenen, 1972, k. 87-95. (7) ID., k. 422-437 (8) Afb. zie Meiss M., French painting in the time of Jean de Berry. The late fourteenth century and the patronage of the duke, Londen-New York, 1969, pi. 94. Parijs, Bibliothèque nationale, ms. lat. 18014, fol. 22. (9) Lexikon ..., o.c, dl. 6, 1974. k. 365-390; S. Braunfels-Esche, Sankt Georg Legende, Verehrung, Symbol, Miinchen, (1976). (10) Braun J., Tracht und Attribute der Heiligen in der Deutschen Kunst, Stuttgart, 1943, k. 204-206. Hier wordt een geschilderd retabelfragment afgebeeld uit het Wallraf-Richarts-Museum in Keulen (2de helft 15de eeuw) met een voorstelling van de heilige zoals hij voorkomt in Duisburg. Zie ook Lexikon ..., o.c, dl. 6, 1974, k. 122-127 J. Verbesselt. (11) Timmers J.J.M., Symboliek en iconographie der christelijke kunst, Roermond-Maaseik, 1947, p. 935-936. Zie ook Lexikon ..., o.c, dl. 7, 1974, k. 23-39; Santiago de Compostela. 1000 jaar Europese bedevaart (tent. cat.). Gent, 1985.

(12) Bijvoorbeeld de profeten en apostelen van André Beauneveu in het psalterium van Jean de Berry (ca. 1386). Afbeelding in Meiss M., o.c, pi. 51-74, Parijs, Bibliothèque nationale, ms. fr. 13091. (13) Van Tienen F.W.S., Acht eeuwen kostuum, Antwerpen (1967), p.34-38; Brunin L., Geschiedenis van het kostuum, Antwerpen-Amsterdam, 1963, p. 230-233. (14) Wynants M.. art. cit., p. 13-17. Hierbij wil ik Dr. E. Warlop danken voor zijn onderzoek en aanwijzingen tot een mogelijke identificatie van het wapenschild. Voor het wapen van de heren van Witthem cf. J-Th. de Raadt, Sceaux armonés des Pays-Bas et des pays avoisinant, 1898-1901, 4, p. 273; P. Adam en F. Gallon, Armoiries brabanqonnes médiévales d'après des sources inédites, in Brabantica, 4, Brussel, 1959, p. 158, nr. 36 en 5. Brussel, 1960, p. 135, nr. 713. (15) Steyaert J., Some observations concering the Piëta from OnzeLieve-Vrouw-van-Ginderbuiten in Leuven, in Archivum artis Lovaniense. Bijdragen tot de geschiedenis van de Kunst der Nederlanden opgedragen aan Prof. E.. Dr. J.K. Steppe, ed. Smeyers M.. Leuven, 1981, p. 24. (16) Meiss M., o.c, p. 183 e.v. en pi. 635. (17) Steyaert J.. art. cit., p. 24; Meiss M., o.c, p. 332 en pi. 216. Parijs, Bibliothèque nationale, ms. lat. 919, fol. 77. (18) Over beide kapelanieën zie J. Verbesselt, Het parochiewezen ..., o.c, dl. 16, s.l., s.d., p. 188-189 en p. 196-198. (19) Philippe J., La peinture murale du moyen age en Brabant, in Annates de la Société royale d'archéologie de Bruxelles, 51, 1966, p. 339-376; ID., La peinture murale du XlVe siècle en Belgique, in Jaarboek van de Federatie voor de kringen van geschiedenis en oudheidkunde van België, dl. 2., Handelingen, Gent, 1956, p. 335-375. (20) ID., o.c, p. 343. (21) Voor de recente studie en litteratuur in verband met de internationale stijl en relaties tussen Frankrijk en de Nederlanden zie: Quarré P., L'art de Sluier dans ses rapports avec la sculpture brabangonne et la sculpture parisienne, aux environs de 1380, in Publications du Centre europeen d'études burgondo-médianes, 1Q6, 1974, p. 73-80; Die Parier und der schone Stil 1350-1400. Europaïsche Kunst unter den Luxemburgern, (tent. cat.), 3 din., Keulen, 1978; Les fastes du gothique. Le siècle de Charles V, (tent. cat.), Parijs, 1981; Morand K., Claus Sluter: The earley years, in Liber amicorum Herman Liebaers, Brussel, 1984, p. 561-584. (22) Brunard A.. La transfiguration. Peinture murale de Téglise Saint-Pierre d'Anderlecht, in Bulletin de la Société royale d'archéologie de Bruxelles, 1936, p. 124-138. (23) Cf. het rapport door I. Hennebert voor het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium naar aanleiding van haar onderzoek op 5 en 10 november 1980. (24) Voor alle technische gegevens over de schilderingen wil ik hier W. Schudel danken. Voor kritische lectuur en nuttige aanwijzingen dank ik Dr. B. Cardon.

59 M&L


T I E N H O M M A G E S AAN BELGISCHE A R C H I T E C T E N

HOMAGE NUMBER THREE - bOb VAN REETH AWG DIRECTIEGEBOUW, 1986 VAN ALLE PROJLKTEN DIE AWG VOOR ANTWERPEN ONTWORPEN HEEFT, IS ER GEEN DAT ZICH ZOZEER IN HET SILHOUET VAN DE STAD UITTEKENT ALS HET KANTOORGEBOUW VOOR EEN TRANSATLANTISCHE MAATSCHAPPIJ AAN DE VAN DIJCKKAAI. DE FOTOMONTAGE LAAT ZIEN HOE DIT GEBOUW ZELFBEWUST PLAATS NEEMT TE MIDDEN VAN HET VLEESHUIS, STEEN, STADHUIS, KATHEDRAAL, DE BOERENTOREN. HET VESTIGT EEN VITAAL NIEUW REFERENTIEPUNT IN DE STAD. UITGAVE :PLAIZIER, SPOORMAKERSSTRAAT 50,1000 BRUSSEL • DRUK: CARTO, BRUSSEL COPYRIGHT: SINT-LUKASARCHIEF vzw • FORMAAT : 60 x 80 cm, zevmklmrendruk, 250 gr. FOTO : WIM VANNUETEN • PRIJS : 550 Jr. PER AFFICHE • VERZENDINGSKOSTEN: 100 Jr. TE BESTELLEN BIJ : KUNSTWINKEL PLAIZIER SPOORMAKERSSTRAAT 50 1000 BRUSSEL

SINT-LUKASARCHIEF vzw PALEIZEN STRAAT 70 1210 BRUSSEL


Summary Late-Gothic Sculptures at Oostham Church Restituted and Secured The parish church of Oostham, a village on the border of Antwerp province and the Limburg campine, boasts a remarkable collection of late-Gothic statues. Due to the church's rather complex building history, they had lost their spatial character and their contextual meaning. In 1987 an attempt was made to reintegrate into the church the somewhat forlorn devotional objects. The origin of the parish church goes back as far as the 10th-llth century; the early-Romanesque western tower is the oldest part preserved. The 14th century added to the building a late-Gothic chancel and transepts. The aisles of the church date from 1603. In 1621 a chapel was annexed to the south of the chancel. An adaptation in the classical style took place in 1836. The most drastic intervention, however, occurred in 1934, when the northern aisle was torn down and a three-aisled neo-Gothic church with chancel was put up transverse on the nave of the old church. The tower and the old chancel were protected as a monument on 19 January, 1935. The church owes its importance not as much to the architecture as to the unique collection of late-Gothic statues. The latter being scattered all over the building, devoid of any contextual or iconographic relation, their restitution and protection was thought to be of preponderant importance. Some of the statues had to be reconstructed or preserved. The most valuable statues are grouped in the northern choir of the new church, which thus becomes the liturgical centre. The eastern choir houses some less remarkable statues; its neighbouring chapel has become a treasury for the sacral metal. A number of statues have been placed in the building according to their traditional positioning within a church building: Christoffel near the exit; the Crucifix underneath the truimphal arch, Our Lady with child in the left aisle... .

The conclusions of the examination boil down to the following: the material comes from the grounds south of the axis Tienen-Maastricht; geologically speaking the altar is of Haspengouw origin. Judging from the macroscopic appearance one can say the altar stones to be made of 'tuffeau' of Lincent; the lower layer displaying rusty discolorations as a result of oxidation with capillary humidity. In scientifically identifying the material of the altar the examiners hope to have provided a sound basis for further discussion. The Restoration and Reorganization of the Lantschot Chapel in Antwerp By will of 1654 the Antwerp merchant Cornells Lantschot, founded an almshouse for 12 deficient, aged men, and endowed it with an important sum of money. A small chapel was to accompany the almshouse. Whereas the building of the almshouse was delayed until 1658-'59, the foundation's plenty resources enabled the construction of a rather large chapel with a rich. Baroque furnishing. On April 27, 1983 the almshouse was protected as a monument; its chapel has recently been restored. The architectural restoration aimed at recreating the authentic, bright character of the chapel, which was to do justice to the few, though valuable remains of the original interior: the old plastering, the marble altar porch enscribed in a dark grey silhouet painting, the Baroque entrance door and the Baroque medallion with putti. Despite the overall wretched condition of the chapel before its restoration, the few valuable elements preserved, combined with a sense of respect for old materials and furnishings, have led to a surprisingly authentic restoration. The Former Water Mill at Temse

The church and its valuable objects were further provided with an adequate security system, a combination of organizational, mechanical and electronic devices. Unmistakingly, the merit of the entire operation is that the protection of the art collection has been taken as an opportunity to somehow create a unity in the dual interior of the church. Petrographic Examination of the 'Merovingian Altar' at Wezeren For years on end the 'Merovingian Altar' in St. Amand's church at Wezeren has been the subject of conjectures about its origin and the symbolic meaning of its decorative rosettes. With the aim of adding more scientific facts to the discussion, a series of samples was taken from the altar and examined. Their mineralogical composition and the disposition of the elements enabled to identify the material, and comparison with congeneric material the geological origin of which is known, led to determining their location.

The water mill at Temse, an early-industrial site, consists of two buildings; a 16th-century brewery — probably with horse mill —, and a water mill out of the end-16th or the beginning of the 17th century, that remained operative till 1893. The mill at Temse was a tide mill determined by the River Scheldt. During reflux the receding water from the mill pond to the east of the mill, drives the water wheels. Works of rebuilding by the municipality in 1986 revealed some archaeologicial finds; subsequently, the Archaeological Section of the Directorate for Monuments and Sites was called in with the view of further research. A combination of all data allowed for the following reconstruction. In 1588 already Philips II gave permission to build a water mill at Temse, although the actual building dates from 1616 only. The milling machinery has often been adapted before it was dismantled in 1893. In the second half of the 18th century and the first quarter of the 19th century the mill displayed three separate milling constructions, each one illustrating one aspect in the evolution of mill architecture. Originally there was a 'lower mill' and an 'upper mill', as appears from two axes driven by two 61 M&L


water wheels. On grounds of an estimation report of 1839 the origin of the 'lower mill' may be situated in the 17th century. In the 'upper mill', the transmission mechanism involved two runners, a system used in the first half of the 18th century already. In a third mill, the 'middle mill', was integrated the principle of the over-shot wheel, unknown in the Netherlands till the first half of the 18th century. The introduction of the device in Flanders is rather an exception. After being dismantled and sold in 1893 the water mill at Temse, being converted into a restaurant, was rebuilt beyond recognition: old window openings were closed, the basket-arched doors replaced; a 'rustic' hearth and a bar were introduced... . To add to the misfortune the space between the water mill and the house was built up, turning the mill into a meaningless part of an amorphous whole. The procedure has been started to protect the water mill as a monument. The results of the archaeological research will be incorporated in the restoration plans made by the municipality. Thus the hope may be expressed that the Temse water mill will regain — and retain — at least something of its former character.

Wall Paintings of an International Character in the Parish Church St. Catherine at Duisburg In 1894 the priest of the Duisburg St. Catherine's church ordered to remove all plastering in the choir of his church. The result was a bare stone appearance. Since the walls of the transept had escaped the 'denuding' fever, some nice paintings could be discoverd there in 1945. After exposure the scenes underwent a preservation treatment. About 40 years later, the paintings needed another treatment, which was carried out in 1984 and 1986. A ducal castle chapel by origin, the church now combines a Romanesque nave and western tower, a Gothic choir and transepts, and aisles that were rebuilt in the 18th century. Precise building dates have not yet been establised; but on grounds of the wall paintings the transept must be situated at about 1400. The paintings occur on the three walls of the transept. On the eastern wall, left of the window, are very few remains of the Man of Sorrows. To the right is shown an Annunciation, a dynamic depiction of the Angel and the Virgin Mary. The southern wall left of the window is occupied by St. George on a horseback fighting the dragon. To the right there are two saints, St. Eligius, one of the most beloved saints in Brabant, and St. Jacob, a privileged Apostle and patron Saint of the Abbey that served the church. The western wall shows a pieta: the Virgin Mary on a small hill under the Cross of Golgotha, the dead body of Chirst in her lap. The iconographic themes of the scenes are related either with the veneration of saints (St. Eligius, St. Jacob, St. George), with Eucharist or Redemption (Man of Sorrows, Annunciation, pieta) or with the Virgin Mary (Annunciation, St. George, pieta). The lower register of each painting is occupied by figures of the founders and donors. M&L 62

On grounds of the style and costumes the paintings are to be dated at about 1400. Themes, composition and style betray the affinity with the French art of the international style. Although the centre of the artistic production was undoubtedly in France, the Netherlands produced some interesting ensembles as well. It is certain that artists were working at the ducal court of Joan of Brabant and Wenceslas of Luxemburg. A congeniality must be stated between the paintings at Duisburg and the 'Transfiguration' in St. Peter and St. Guido church at Anderlecht. Belonging to a group of which the Southern Netherlands preserve only few works, they have great arthistorical value. The restoration of St. Catherine's church is planned for the near future. The restoration of the interior will aim in particular at creating a better setting for the wall paintings in the transept. A Monument to Lieven Gevaert On february 2, 1935 Lieven Gevaert, a big industrialist, died at Mortsel (near Antwerp). Two years later, in June 1937, a contest was held for designing a monument to him, that was to be erected on a small square of an irregular triangular shape. 54 entries were sent in, none of them — save one, 'De Jaak' — presenting a true modernistic composition. The jury proposed three canditates, the designs of whom inclined most to modernistic architecture, to rework their former design. J. Lernout, having entered two proposals, 'Erkentelijkheid' (a collaboration with the sculptor J. De Cuyper), and 'Menhir', was asked to elaborate the latter, though in collaboration with De Cuyper. The entries by R. Braem and M. Macken, 'Synthese', and by L. Regnier, A. Van Kerckhoven and R. Boschmans, '1313', were to correspond more with the surrounding architecture. Braem, however, was accused of having plagiarized the monument by RouxSpitz at Suez canal and was therefore requested to make a new disign. The designs by Lernout and Braem were now considered for execution. Yet, Lernout had — again — sent in a second design which impressed the jury so much 'by its powerful conception and plain symbolism' that they proposed it for realization, though with the collaboration of De Cuyper. The ultimate design was a synthesis of Lernout's first two entries, 'Erkentelijkheid' and 'Menhir'. The triangular pylon of 'Menhir' has been tripled, the whole is comprised by a triangle. A ring-wall and a row of poplars form a double curve behind the pylons. In front of the pylons are statues: 'Vlaanderen' (Flanders) to the left, 'Wetenschap' (Science) to the right. A statue of Gevaert comes in the centre. It should be noted that Lernout hadn't originally designed a statue of Gevaert; he had recalled his life symbolically in bas-reliefs. The monument has defied half a century by now, having lost significance nor beauty. Its modesty generates a grandeur thas has thus far not been affected by time.


WANDELBROCHURES 'LANGS VLAAMSE WEGEN' Voor een nadere kennismaking met de voornaamste monumenten en landschappen in de steden en gemeenten van Vlaanderen, kan U gebruik maken van de wandelbrochures die door de Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw worden uitgegeven. Reeds verschenen : Torhout . Leuven . Maaseik • Hasselt de Antwerpse Zoo • Tongeren . Oudenburg Technische gegevens: zestien bladzijden . vierkleurendruk formaat: 21 cm x 29,7 cm Kostprijs : 50 fr./exemplaar (verzendingskosten inbegrepen) Inlichtingen : Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw Bergstraat 72 - 1000 Brussel Tel. (02)512 40 97 Rekeningnr. 426-3141111 -35

Bij de Stichting Monumentenen Landschapszorg vzw verschijnt in de loop van de maand september het derde deel van de 'Verzamelde Opstellen' van Geert BeJkaert. De publicatie 'Hierlangs' bundelt de artikels die Bekaert tussen 1971 en 1979 in diverse kranten en tijdschriften publiceerde. Daarnaast is eveneens het eerste deel 'Stapstenen' en het tweede deel 'Los in de ruimte' nog beschikbaar. Inlichtingen : Stichting Monumenten- en Landschapszorg vzw Bergstraat 72 - 1000 Brussel Tel. (02) 512 40 97

GEERT BEKAERT

Verzamelde Opstellen

2 LOS HM D t RUIMTE

1966 - 1970


KB-Wonin

g

krediet 'Wie slim leent voor zh woning zet er ineens twee" U droomt van een eigen huis, en dat is mooi. Even mooi is dat u ervoor kunt lenen zonder dat u er jaren wakker van ligt. Met het KB-Woningkrediet. De tarieven van de Kredietbank zijn immers bij de laagste die u kunt vinden. Bovendien is er de KB-Bouwwerkgarantie*, mocht er iets mislopen tijdens de (ver)bouwwerken. En met ons deskundig kredietadvies komt u (en uw budget) later nooit voor verrassingen te staan. Tenzij de verrassing dat u genoeg overhoudt om er dat tuinhuisje bij te bouwen. *Dezc verzekering, waarvan de KB de premie betaalt, werd afgesloten bij de verzekeringsonderneming De Verenigde Provineien NV. Kunstlaanó. 1040 Brussel Codenummer0059

Beter bij de bank van hier KJSJ

Bladlood for ever Winkelcentrum : Dommelmarkt Neerpelt Ir. Arch. J. Spaas

Onvervangbaar bij : - stroken voor afdichting - dak- en gevelbekleding - restauratie

Informatiecentrum van de non-ferrometalen Montoyerstraat 47, 1040 BRUSSEL Tel. (02) 513 86 34

Minervatempel in het Engels Park, Alden Biesen


AGFA. PARTNERS FOR PROGRESS

rfe'

D Europa's belangrijkste producent van fotochemische en elektronische beeldvorming. D vanuit België meer dan 97% export. D wereldwijd zakencijfer van 150 miljard BR D meer dan 9000 produkten via 28 eigen verkooporganisaties en vertegenwoordigingen in 120 andere landen. D 30.600 personeelsleden in de hele wereld. D film en papier voor de amateurfotograaf. D film en papier, chemicaliën en apparaten voor fotolaboratoria. • audio- en videomagneetbanden. D systemen voor medische en industriële diagnostische beeldvorming, de grafische industrie, de kantoorindustrie, de film- en TV.-industrie, de magnetische beeld- en geluidsregistratie. • Agfa-Gevaert is ervan overtuigd dat succes in zeer sterke mate afhankelijk is van de inzet en de creativiteit van de mens. Dat geldt zowel voor klanten als voor werknemers. Samen ijveren voor een betere wereld, met als devies: "Partners for progress".

^

BR

Éi^.|k

•

W

Agfa-Gevaert NV. B-2510 Mortsel Externe Relaties tel. 03/444.70.30

AGFA

/*7/*J*


REATIEVE

U wilt een verouderd gebouw vernieuwen, een oud monument opknappen, de ruimte inrichten ? Het bouwpatrimonium is de trots van elke gemeente, het geeft een rijkelijk uitzicht aan de omgeving. Schenk uzelf de traditie van een edele materie : de Blauwe Steen uit Henegouwen. Hij is natuurlijk bestendig tegen slechte weersomstandigheden en vriesvast. U kan uw kreativiteit de vrije loop laten. Realiseer eenvoudige of grootse bouwideeën. Van de meest klassieke tot de meest baanbrekende. De Blauwe Steen is gemakkelijk te onderhouden, is niet duur en kan overal gebruikt worden : fonteinen, monumenten, zitbanken, voetpaden, tegelvloeren van eender welke soort, omlijstingen, bekleding van gevels... Kortom, overal waar U een degelijk en duurzaal materiaal wilt gebruiken dat de tijd trotseert.

1888 (I

1988

BLAUWE STEEN UIT HENEGKXJWEN? Een produkt van de NV. Carrières du Hainaut.Tel.067/33.41.21 Stuur mij dus volledige informatie over de Blauwe Steen uit Henegouwen, richtp rijzen en een lijst van de gespecia liseerde verkopers in mijn streek. Naam Straat Postnummer.

. Nr_

Bus_

.Plaats,

Beroep. Provincie Terugzenden naar NV CARRIÈRES DU HAINAUT, 7400 SOIGIMIES


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook