NOTA Agentschap voor Natuur en Bos Wim Mertens
Betreft: Sigmaplan Grote Nete. Gewenste grondwaterpeilen realistisch scenario I. Datum Revisie
25/05/2011
Goedkeuring Distributie Dagelijks Bestuur Sigmaplan Grote Nete Aantal pagina’s: 9 - Aantal Bijlagen:
Sigmaplan Grote Nete. Gewenste grondwaterpeilen realistisch scenario I. Op het Dagelijks Bestuur Sigmaplan Grote Nete van 20/05/2011 werd afgesproken dat ANB in samenspraak met INBO gewenste grondwaterpeilen zou formuleren voor de definiëring van een eerste realistisch scenario op basis van de resultaten van de modelberekingen van de huidige situatie en de ‘maximale vernatting’.
1 Methode De potentiële groeiplaatsen voor moerasvegetaties werden ingeschat op basis van de Nicheberekeningen voor ‘maximale vernatting’. In gebieden met veel potentie voor moerasvegetaties wordt gestreefd naar ‘maximale vernatting’ met het oog op de creatie van een minimale oppervlakte aquatische riet binnen een kern van andere moerasvegetaties om geschikt leefgebied te creëren voor riet- en moerasvogels (roerdomp, grote karekiet, woudaap, snor en porseleinhoen) In de gebieden die niet geschikt zijn voor moerasvegetatie bij ‘maximale vernatting’ wordt gestreefd naar een afwisseling van natte en drogere graslanden met het oog op de creatie van geschikt habitat voor kwartelkoning, paapje en zomertaling. Per zone wordt een algemene doelstelling gegeven. Deze wordt vertaald naar aandeel NICHE-vegetatietypes, die op hun beurt (ruwweg) vertaald worden naar hydrologische eisen obv NICHE tabel.
2 Resultaten Zone 1 (ca. 40 ha)
Doel Nadruk op grasland, niet per se nat. Waarvan ≥ 30 % dotter / grote vossenstaart ≥ 40% vochtig glanshaver Hydrologie Minimaal 30 % van oppervlakte GHG > 0.2 m –MV (ca. 12 ha) Minimaal 70 % van oppervlakte GHG > 0.8 m –MV (ca. 28 ha) Minimaal 30 % van oppervlakte GLG > 1 m –MV Overstroming (T1): niet noodzakelijk, maximaal 30%
Zone 2 (ca. 175 ha)
Doel Moeras met graslanden aan randen en te droge plaatsen. Waarvan ≥ 5% aquatisch riet (ca. 8 ha) ≥ 20% grote zeggen met riet (ca. 35 ha) ≥ 40% grote zeggen (ca. 70 ha) Hydrologie Minimum 25% van opp. GHG > 0 m–MV Minimum 65% van opp. GHG > 0.3 m– MV Minimum 20% van opp. GVG > 0 m–MV Minimum 5% van opp. GLG > 0.2 m-MV (eventueel door afgraving) Minimum 25% van opp. GLG > 0.5 m-MV Minimum 65% van opp. GLG > 0.75 m-MV Overstroming (T1): min 25% van opp.
Zone 3 (ca. 160 ha) (oude zone B)
Doel Grasland met in centrale zone grote zeggenvegetatie. Geschikt habitat voor porseleinhoen (vochtige delen) en kwartelkoning (drogere delen). Waarvan ≼ 25% zilverschoongrasland/grote zeggenvegetatie (ca. 40 ha) ≼ 40% dottergrasland/grote vossenstaart (ca. 64 ha) ≼ 20% glanshavergrasland (ca. 32 ha) Hydrologie Minimum 25% van opp. GHG > 0.2 m-MV Minimum 65% van opp. GHG > 0.3 m-MV Minimum 25% van opp. GLG > 0.75 m-MV Minimum 65% van opp. GLG > 1 m-MV Overstroming (T1) min 25% van opp.
Zone 4 (ca. 218 ha) (oude zone C)
Doel Rietmoeras (rietsoorten) Waarvan ≥ 10 % aquatisch riet (ca. 22 ha) ≥ 50 % grote zeggen met riet (ca. 110 ha) ≥ 25 % grote zeggen (ca. 55 ha) Hydrologie Minimum 60% van opp. GHG > 0 m–MV Minimum 85% van opp. GHG > 0.3 m–MV Minimum 50% van opp. GVG > 0 m–MV Minimum 10% van opp. GLG > 0.2 m-MV (eventueel door afgraving) Minimum 60% van opp. GLG > 0.5 m-MV Minimum 85% van opp. GLG > 0.75 m-MV Overstroming (T1): min 60% van opp. Naast maatregelen m.b.t. oppervlaktewaterpeilen kunnen delen afgegraven worden (rabattengebied aan hoeve Bergsken en vijvergebiedje “Hogewegbeemden”) of waterlopen/grachten in de vallei verbreed worden of voorzien van plasbermen e.d.
Zone 5 (83 ha) (uitbreiding zone C)
Doel Graslanden met centraal grote zeggenvegetaties. Waarvan ≥ 25 % zilverschoongraslanden / grote zeggenvegetatie (ca. 21 ha) ≥ 10 % dotter/grote vossenstaart (ca. 8 ha) ≥ 50 % glanshaver (ca. 41 ha) Hydrologie Minimum 25% van opp. GHG > 0.2 m-MV Minimum 35% van opp. GHG > 0.3 m-MV Minimum 25% van opp. GLG > 0.75 m-MV Minimum 35% van opp. GLG > 1 m-MV Overstroming (T1) min 25% van opp.
Zone 6 (29.4 ha) (deel van oude zone I)
Doel Natte graslanden Waarvan 30 % Grote zeggen en 30 % dotter Hydrologie Minimum 30 % van opp. GHG > 0.2 m-MV Minimum 30 % van opp. GHG > 0.3 m-MV Minimum 30 % van opp. GLG > 0.75 m-MV Minimum 30 % van opp. GLG > 1.00 m-MV Overstroming: niet noodzakelijk. Maar kan wel
Zone 7 (Zammels buitenbroek, deel van oude zone I) (ca. 120 ha)
Doel Aquatisch rietmoeras Waarvan ≥ 30 % aquatisch riet (ca.36 ha) ≥ 40 % grote zeggen met riet (ca. 48 ha) ≥ 20 % grote zeggen (ca. 24 ha) Hydrologie Minimum 70% van opp. GHG > 0 m–MV Minimum 90% van opp. GHG > 0.3 m–MV Minimum 60% van opp. GVG > 0 m–MV Minimum 30% van opp. GLG > 0.2 m-MV Minimum 70% van opp. GLG > 0.5 m-MV Minimum 90% van opp. GLG > 0.75 m-MV Overstroming (T1): min 60% van opp.
Zone 8 (ca. 52 ha) (deel van oude zone I)
Doel Grasland /grote zegge Waarvan ≥ 25 % grote zeggen (ca. 12 ha) Hydrologie Minimum 25% van opp. GHG > 0.2 m-MV Minimum 25% van opp. GLG > 0.75 m-MV Overstroming (T5): niet noodzakelijk. Opmerking Volgens de Niche-berekeningen zijn de potenties voor waterriet in het Zammels buitebroek beperkt niettegenstaande de hydrodynamische parameters (GHG, GVG en GLG) wel geschikt zijn. De berekende trofiegraad (mesotroof) zou niet geschikt zijn voor riet (te voedselarm). Momenteel staan er echter op de natste plekken wel uitgestrekte rietvegetaties. De aanvoer van zout (CaCl2) en nutriënten via overstromingen vanuit de Grote Laak en/of mineralisatie van de lokale veenbodems zouden kunnen verklaren waarom het buitenbroek in realiteit toch geschikt blijkt voor riet.
3 Conclusies Indien bovenstaande hydrologische eisen zouden kunnen worden gerealiseerd zou ca. 430 ha moerasvegetatie ( aquatisch riet, grote zeggenvegetatie met riet en grote zeggenvegetatie) vnl. in grote aaneengesloten blokken kunnen worden gerealiseerd en blijft er plaats voor ca. 460 ha nat tot vochtig grasland (zilverschoon grasland, grote vossenstaart grasland, dottergrasland, glanshavergrasland). In de zones waar de moerasvegetaties moeten worden gerealiseerd moet minstens gestreefd worden naar een vernatting zoals berekend voor de ‘maximale vernatting’. In de zones voor de graslanden zijn de hydrologische eisen minder scherp en zal een toestand moeten gecreëerd
worden intermediair aan de huidige en de ‘maximaal vernatte’. Een aanzienlijke vernatting ten opzichte van de huidige toestand blijft ook in deze gebieden noodzakelijk.