Omgevingshandhavingsrapport 2020 Handhavingsuitvoering
omgeving.vlaanderen.be
OMGEVINGSHANDHAVINGSUITVOERING 2020 IN EEN NOTENDOP
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 2 van 142
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ........................................................................................................................................................................... 5
1.1 1.2 1.3
DECRETALE BASIS CONTEXT OPMAAKPROCES EN RANDBEMERKINGEN OPBOUW RAPPORT
2
GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOREN ....................................................................................................... 19
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
2.8 2.9 2.10 2.11 2.12 2.13
AFDELING HANDHAVING --- DEPARTEMENT OMGEVING 21 AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS 25 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ 28 VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ 30 OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ 32 AFDELING GEBIEDSONTWIKKELING, OMGEVINGSPLANNING EN -PROJECTEN (VOORMALIGE AFDELING MILIEUVERGUNNINGEN), DEPARTEMENT OMGEVING 34 AFDELING GEBIEDSONTWIKKELING, OMGEVINGSPLANNING EN -PROJECTEN & VLAAMS PLANBUREAU OMGEVING (VOORMALIGE AFDELING LAND EN BODEMBESCHERMING, ONDERGROND EN NATUURLIJKE RIJKDOMMEN), DEPARTEMENT OMGEVING 36 DEPARTEMENT MOBILITEIT EN OPENBARE WERKEN 38 VLAAMS AGENTSCHAP ZORG EN GEZONDHEID 40 DE VLAAMSE WATERWEG 42 AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN - AFDELING WOONKWALITEIT - VLAAMSE WOONINSPECTIE 44 AGENTSCHAP MARITIEME DIENSTVERLENING EN KUST 46 AGENTSCHAP WEGEN EN VERKEER 46
3
PROVINCIES ..................................................................................................................................................................... 47
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
PROVINCIES TOTAAL LIMBURG VLAAMS-BRABANT ANTWERPEN OOST-VLAANDEREN WEST-VLAANDEREN
4
LOKALE HANDHAVINGSACTOREN ...................................................................................................................... 51
4.1 4.2 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5 4.2.6 4.2.7 4.2.8 4.3 4.4
GEMEENTEN GLOBAAL GEMEENTEN --- GECLUSTERD - VRIND VRIND --- Cluster Platteland VRIND --- Cluster Overgangsgebied VRIND --- Cluster Structuurondersteunende gemeenten VRIND --- Cluster Regionaal stedelijke rand VRIND --- Cluster Grootstedelijke rand VRIND --- Cluster Stedelijk gebied rond Brussel VRIND --- Cluster Kleinstedelijk provinciaal VRIND --- Cluster Groot- en centrumsteden INTERGEMEENTELIJKE VERENIGINGEN - GLOBAAL POLITIEZONES - GLOBAAL
5 6 7
FEDERALE EN LOKALE POLITIE ALGEMEEN................................................................................................. 84 HOGE RAAD VOOR DE HANDHAVINGSUITVOERING .............................................................................. 85 SANCTIONERING ........................................................................................................................................................... 87
7.1 7.1.1 7.1.2 7.1.3 7.1.4 7.2 7.2.1 7.2.2
STRAFRECHTELIJK VTE PARKETMAGISTRATEN INSTROOM VOORUITGANGSSTAAT d.d. 9 januari 2021 SEPONERING BESTUURLIJK GEWESTELIJKE BEBOETINGSENTITEIT HANDHAVINGSCOLLEGE
2.7
4.2.1
19 5 8
48 48 49 49 50 50 54 56 57 60 63 66 69 72 75 78 81 83
88 89 90 91 94 96 96 99
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 3 van 142
8
BESCHOUWINGEN ..................................................................................................................................................... 100
8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7
OMGEVING IS (VOORLOPIG) EEN VERHAAL VAN RUIMTE + MILIEU 100 BREDE VERSPREIDING VAN DE MILIEUHANDHAVINGSBEVOEGDHEDEN VERSUS COMPACTE SET HANDHAVINGSACTOREN RUIMTELIJKE ORDENING 102 LOKALE HANDHAVING VS GEWESTELIJKE HANDHAVING 104 (ON)VERGUNDE INRICHTINGEN 111 BESTUURLIJKE BEBOETING ALS ALTERNATIEF VOOR STRAFRECHTELIJKE SANCTIONERING? 113 SLUIKSTORTEN ALS MEEST VASTGESTELD MILIEUMISDRIJF 121 BLINDE VLEKKEN 123
9
BIJLAGEN .........................................................................................................................................................................126
9.1 9.2
INDIVIDUELE FICHES INTERGEMEENTELIJKE VERENIGINGEN INDIVIDUELE FICHES POLITIEZONES
10 11 12
BRONNEN ....................................................................................................................................................................... 137 LIJST FIGUREN..............................................................................................................................................................139 AFKORTINGEN...............................................................................................................................................................141
126 136
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 4 van 142
1 INLEIDING Dit rapport toont een aantal basisgegevens over de handhaving van de milieuregelgeving en de regelgeving rond ruimtelijke ordening in 2020 door de verschillende handhavingsactoren --overheidsinstanties met handhavingsbevoegdheden --- in het Vlaamse Gewest. Deze actoren zijn zowel federaal georganiseerd (parketten, federale politie), gewestelijk (o.a. afdeling Handhaving van het departement Omgeving, Agentschap voor Natuur en Bos, Vlaamse Landmaatschappij, de gewestelijke beboetingsentiteit…), provinciaal (provincies), als lokaal (gemeenten, lokale politiezones, intergemeentelijke verenigingen). Aan de hand van een bevraging van deze handhavingsactoren werden cijfers verzameld over de door hen uitgevoerde handhaving. Deze data worden in handhavingsfiches en andere (grafische) weergaves getoond in dit rapport en vormen zo de basis voor een evaluatie van de handhavingsuitvoering in 2020. In het onderdeel ‘beschouwingen’ wordt hiertoe een aanzet gegeven.
1.1 CONTEXT OPMAAKPROCES EN RANDBEMERKINGEN Het Omgevingshandhavingsrapport 2020 --- handhavingsuitvoering is het eerste dat wordt opgemaakt door het Departement Omgeving; maar kent zijn voorlopers in de milieuhandhavingsrapporten en de handhavingsrapporten ruimtelijke ordening van de voormalige Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM). In 2021 werd de VHRM opgeheven en werd de rapporteringtaak overgedragen aan het Vlaams Planbureau Omgeving van het Departement Omgeving. Om een rapporteringsvacuüm met betrekking tot jaargang 2020 te vermijden, werd de bevraging van de handhavingsactoren zoals gehanteerd door de VHRM ongewijzigd overgenomen, maar werd reeds gezocht naar een nieuwe, geoptimaliseerde wijze van rapportering. Die moet leiden tot vooruitgang op het vlak van: 1.
Integratie In plaats van een afzonderlijk milieuhandhavingsrapport en een afzonderlijk handhavingsrapport ruimtelijke ordening zal voor het eerst een geïntegreerd OHR worden gepubliceerd. Gelet op de verschillen in bevoegdheden, functies, en de deels verschillende handhavingsinstrumenten is er wel nog sprake van milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening in de rapportering, maar worden beide naast elkaar geplaatst per handhavingsactor om een overkoepelende weergave te tonen.
2. Behapbaarheid dataweergave en visualisatie De nieuwe dataweergave -, een handhavingsfiche per actor -, moet snel een toegankelijk beeld creëren van de handhavingsinzet- en activiteiten van een welbepaalde actor. Het opzet is niet om in buitensporige mate van detail te treden, maar wel om op een overzichtelijke wijze een set van relevante handhavingsdata op een herkenbare manier weer te geven. Verschillende handhavingsactoren hebben eigen gedetailleerde rapporten over hun activiteiten. De bedoeling in dit rapport is echter om een overkoepelende generieke dataset te presenteren over een geheel van handhavingsactiviteiten.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 5 van 142
3. Benchmarking Door de betrachting om de handhavingsdata op een generieke en uniforme wijze weer te geven (en in de toekomst op een uniforme wijze te bevragen/verzamelen en individueel weer te geven) wordt het mogelijk om aan benchmarking te doen en zo de handhavingsactiviteiten van een actor te vergelijken met die van andere actoren en ten aanzien van de globale gemiddelden. 4. Rapporteringslast De betrachting is om in de handhavingsfiche een grootste gemene deler van handhavingsgegevens weer te geven zodat de datasets grotendeels, afhankelijk van de bevoegdheden, identiek zijn (cf. benchmarking). Dit maakt dat de handhavingsdata compacter worden weergegeven en dat de rapporteringslast voor de handhavingsactoren in de toekomst dus zal afnemen. Daarnaast zullen verbeteringstrajecten worden onderzocht aangaande de datavergaring zelf. 5. Draagvlak De handhavingsrapporten van de VHRM waren producten van de VHRM zelf, opgemaakt en gedragen door de leden van de VHRM, met name de handhavingsactoren zelf. De rapportering van de cijfers, de toelichting daarbij en de daaraan gekoppelde beleidsevaluatie werden overgedragen aan het Vlaams Planbureau Omgeving omdat dit bij uitstek taken zijn voor een Departement Omgeving dat het Vlaamse kennis-en expertisecentrum voor Omgeving vormt.1 Door de rapportering over te dragen aan het Vlaams Planbureau Omgeving wordt enige afstand en onafhankelijkheid gecreëerd ten aanzien van het onderzoeksobject. Het werken met interne (binnen het Vlaams Planbureau Omgeving) en externe lectoren die, om de kwaliteit van het rapport te kunnen waarborgen, het rapport nalezen op de inhoudelijke, wetenschappelijke correctheid en relevantie, draagt bij aan het verbreden van het draagvlak. Niet alle gevraagde externe lectoren gingen echter in op dit verzoek. De externe lectoren die bereid waren het rapport na te lezen, maken deel uit van het Departement Omgeving. Door de combinatie van een bestaande bevraging en dataverzameling en een nieuwe rapporteringswijze ontstaat een zeker spanningsveld en moet rekening gehouden worden met een aantal beperkingen die een invloed hebben op de interpreteerbaarheid van de cijfergegevens en de conclusies die kunnen worden getrokken. Aangezien de handhavingsactiviteiten worden weergeven in een handhavingsfiche per individuele handhavingsactor zelf (voor de gemeenten gebeurt dit geclusterd), terwijl dit in de milieuhandhavingsrapporten en de handhavingsrapporten ruimtelijke ordening van de VHRM eerder gebundeld werd rond instrumenten, is een één-op-één vergelijking met de voorgaande jaren niet meer eenvoudig/mogelijk voor alle datasets. Het OHR2020 vormt daarom ook een inter-rapport, waarin een oude werkwijze wordt gecombineerd met een nieuwe weergave. In het luik beschouwingen worden de gegevens nog eenmalig beperkt geanalyseerd. Het opzet is om in de toekomst, met 2021 als nulmeting, de bevraging en de rapportering te standaardiseren zodat de weergave van evoluties in de tijd mogelijk is. Jaarlijks zullen dan de data inzake de handhavingsuitvoering online in een tool (niet in de vorm van een rapport) worden gepubliceerd en zal de analyse van deze cijfergegevens niet jaarlijks, maar samen met de evaluatie van het omgevingshandhavingsbeleid gebeuren in het OHR dat 2 keer per beleidscyclus zal worden gepubliceerd.
1
Memorie van Toelichting bij ontwerp van decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, stuk 2419 (2013-2014) --- Nr. 1, p.5
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 6 van 142
Dit rapport geeft de handhavingsactoren op lokaal niveau - zijnde de gemeenten, de lokale politie en de intergemeentelijke verenigingen --- afzonderlijk weer, terwijl zij mogelijk wel hetzelfde werkingsgebied hebben. Omdat het met de huidige bevraging en de ontvangen gegevens niet mogelijk is om een zuiver geografisch beeld te maken van de handhavingsactiviteiten in één bepaalde gemeente, worden de gemeenten in dit jaar nog geclusterd weergegeven en moeten de fiches van de lokale politie en de intergemeentelijke verenigingen hiernaast worden gelezen. De situatie kan immers zijn dat een gemeente er niet --- of slechts gedeeltelijk --- voor kiest om handhaving binnen de eigen gemeentelijke diensten te organiseren; maar een beroep doet op de lokale politie en/of een intergemeentelijke vereniging voor het uitvoeren van de handhavingsactiviteiten. Om dit beeld in de toekomst zuiverder te krijgen en geen handhavingsactiviteiten onderbelicht te laten, zal een meer geografische benadering worden gehanteerd in de bevraging. De gemeenten zullen worden gevraagd welke handhavingsactiviteiten door welke lokale actoren werden uitgevoerd op hun grondgebied. De gebruikte data in dit rapport zijn gegevens die met het oog op deze rapportering werden verzameld bij de handhavingsactoren. De dataverantwoordelijkheid blijft echter bij de handhavingsactoren zelf, aangezien de gegevens niet worden gegenereerd door het Departement Omgeving maar aan de hand van een bevraging/enquête werden aangeleverd door de handhavingsactoren. De gegevens worden weergegeven zoals ontvangen van de bevraagden. Hoewel de handhavingsactoren al 12 jaar over milieu en 6 jaar over ruimtelijke ordening worden bevraagd, hebben heel wat handhavingsactoren aangegeven dat de door hun aangeleverde data inschattingen zijn of een pragmatische abstractie van de realiteit, vaak door een beperkte of andere manier van monitoring of een specifiek hiertoe ontwikkelde werklastmeting. Deze ruis dient meegenomen te worden bij de verdere lezing van de gegevens, omdat niet alle data een effectieve weergave zijn van de werkelijkheid. Het opzet is om vanaf 2021 niet meer in een (te) gedetailleerde bevraging over de handhavingsuitvoerig te voorzien en overfitting te vermijden, maar voornamelijk te focussen op generieke handhavingsdata. Dit maakt dat kan worden verwacht dat de kwaliteit van de data erop vooruit kan gaan. Ook het blijven inzetten op het belang van een goede monitoring kan deze kwaliteitsomslag aansterken. De komende jaren zal onderzocht worden of bepaalde bestaande tools en monitoringssystemen kunnen worden aangewend om (meer) handhavingsdata te genereren, zoals bijvoorbeeld de Controle Viewer of het Omgevingsloket. Daarnaast moet opgemerkt worden dat de bevraging geen 100% responsgraad opleverde, wat implicaties heeft op de interpreteerbaarheid van de cijfergegevens en waardoor er geen uitspraken kunnen worden gedaan over het volledige geheel aan handhavingsactoren.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 7 van 142
1.2 OPBOUW RAPPORT Het eerste deel (hoofdstuk 2 tot en met 5) van dit rapport geeft handhavingsactiviteiten van de verschillende in Vlaanderen actieve handhavingsactoren weer in handhavingsfiches. De gegevens in deze fiches hebben betrekking op de input- en outputfactoren, meer bepaald de inzet van personele middelen en van het handhavingsinstrumentarium (zoals handhavingscontroles, processen-verbaal, bestuurlijke maatregelen,…) in 2020. Ook worden in de fiches van de (geclusterde) lokale handhavingsactoren gegevens ‘‘gewogen’’, waardoor vergelijkingen ten opzichte van het globale gemiddelde van de betrokken actor mogelijk worden. De fiches worden ingeleid door de specifieke bevoegdheden van de actoren. In het tweede deel (hoofdstuk 6 en 7) wordt enerzijds de focus gelegd op de activiteiten van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering en anderzijds op het sanctioneringsluik waar de activiteiten van het Openbaar Ministerie, de Gewestelijke beboetingsentiteit en het Handhavingscollege worden gerapporteerd. In het laatste deel, beschouwingen, worden verschillende datasets naast elkaar gelegd en in het licht gehouden van de relevante decretale bepalingen en het (gewestelijke) beleidsmatige kader waarin de verschillende handhavingsactoren functioneerden in 2020. Dit beleidsmatige kader is hoofdzakelijk het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 dat bindend is voor de gewestelijke handhavingsactoren ruimtelijke ordening en aanbevelend voor de andere handhavingsactoren. In 2020 was ook het Milieuhandhavingsprogramma 2015 nog steeds actief, al bestaat dit op geen enkele wijze uit bindende richtlijnen, slechts overkoepelende aanbevelingen.
In de fiches worden verschillende illustraties/termen gehanteerd om de gegevens op een attractieve, overzichtelijke wijze weer te geven. In onderstaande legendes wordt de betekenis van deze illustraties verduidelijkt.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 8 van 142
LEGENDE MILIEU Pictogram
Betekenis Inwonersaantal
Duiding Het inwonersaantal d.d. 1 januari 2021 Bij geclusterde handhavingsactoren heeft het inwonersaantal betrekking op de responderende actoren.
Klasse 1 inrichtingen
De klassen 1, 2 en 3 duiden op de graad van mogelijke hinder van het bedrijf/de inrichting voor mens en milieu. De indeling in klassen is gebaseerd op de aard en de belangrijkheid van de milieueffecten. (VLAREM II --- bijlage 2
--- indelingslijst) Klasse 1: de meest hinderlijke activiteit (vergunningsplichtige inrichting) Klasse 2 inrichtingen
Klasse 2: de minder hinderlijke activiteit (vergunningsplichtige inrichting)
Klasse 3 inrichtingen
Klasse 3: de minst hinderlijke activiteit (meldingsplichtige inrichting)
Niet-vergunde inrichtingen
Aan de gemeenten werd gevraagd een schatting te geven van het aantal (totaal) niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied in 2020. Het betreft hier die inrichtingen die evenwel op basis van de VLAREM zouden kunnen geclassificeerd worden als zijnde een klasse 1-, klasse 2- of klasse 3-inrichting, maar zo (nog) niet werden vergund. De burgemeester of zijn plaatsvervanger is bevoegd om voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven bestuurlijke maatregelen op te leggen. (DABM, artikel 16.4.6).
Door de burgemeester opgelegde bestuurlijke maatregelen
Milieu-inbreuk: schendingen van milieuregels zonder of met beperkte schade aan mens of milieu, zoals het niet naleven van administratieve voorschriften. (DABM, artikel 16.1.2, 1°) Milieumisdrijf: alle andere milieuschendingen, zoals de ernstige vormen van milieucriminaliteit. (DABM, artikel 16.1.2, 2°)
De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van: 1° een bevel om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 2° een bevel om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; 3° een feitelijke handeling van de burgemeester of zijn plaatsvervanger op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 4° een combinatie van deze maatregelen. De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden: 1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten; 2° het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; 3° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 9 van 142
Door de burgemeester opgelegde veiligheidsmaatregelen
Opgelegde bestuurlijke maatregelen provinciegouverneur
Opgelegde veiligheidsmaatregelen door provinciegouverneur
4° het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit of het gebruik in strijd is met de milieuwetgeving; 5° het onmiddellijk vernietigen, op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Als het om dieren gaat waarvan het bezit verboden is, kunnen die op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, al naar gelang het geval, ofwel onmiddellijk worden vrijgelaten, ofwel worden overgebracht naar een erkend opvangcentrum voor vogels en wilde dieren, ofwel worden vernietigd. (DABM, artikel 16.4.7) De burgemeester, of zijn plaatsvervanger, kan veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu. Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de burgemeester of zijn plaatsvervanger alle handelingen kan stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. De burgemeester kan de veiligheidsmaatregelen ambtshalve nemen of op verzoek van een toezichthouder. (DABM, artikel 16.7.1). De gouverneur van een provincie, of zijn plaatsvervanger, is bevoegd om voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven bestuurlijke maatregelen op te leggen. (DABM, artikel 16.4.6). De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van: 1° een bevel om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 2° een bevel om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; 3° een feitelijke handeling van de burgemeester of zijn plaatsvervanger op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 4° een combinatie van deze maatregelen. De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden: 1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten; 2° het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; 3° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; 4° het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit of het gebruik in strijd is met de milieuwetgeving; 5° het onmiddellijk vernietigen, op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Als het om dieren gaat waarvan het bezit verboden is, kunnen die op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, al naar gelang het geval, ofwel onmiddellijk worden vrijgelaten, ofwel worden overgebracht naar een erkend opvangcentrum voor vogels en wilde dieren, ofwel worden vernietigd. (DABM, artikel 16.4.7) De gouverneur van een provincie, of zijn plaatsvervanger, kan veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu. Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger alle handelingen kan stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. De provinciegouverneur kan de veiligheidsmaatregelen ambtshalve nemen of op verzoek van een toezichthouder. (DABM, artikel 16.7.1).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 10 van 142
Toezichthouder
De toezichthouders zien toe op de naleving van de milieuvoorschriften. (DABM, artikel 16.3.9) De volgende personen kunnen toezichthouders zijn: 1° gewestelijke toezichthouders: de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot een van de beleidsdomeinen, vermeld in artikel III.1, eerste lid, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering; 2° de provinciale toezichthouders: de personeelsleden van de provincie die worden aangewezen door de deputatie; 3° de gemeentelijke toezichthouders: de personeelsleden van de gemeente die worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen; 4° de intergemeentelijke toezichthouders: de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid die worden aangewezen door het bevoegde orgaan; 5° de toezichthouders van politiezones: de personeelsleden van een politiezone die worden aangewezen door het bevoegde orgaan. (DABM, artikel 16.3.1.)
VTE besteed aan milieuhandhavingstaken
Het betreft het geheel van de voltijdsequivalenten dat door de actor werd besteed aan milieuhandhaving; zowel de tijd die werd besteed aan milieuhandhavingstaken door de toezichthouders als de tijd besteed aan administratieve ondersteuning voor de milieuhandhavingstaken door niettoezichthouders. Door ook rekening te houden met deze administratieve ondersteuning wordt het geheel van handhavingstaken (voorbereiding, administratieve opvolging,…) correcter in beeld gebracht; aangezien handhaving het loutere inspectiegedeelte overstijgt. Dit verklaart waarom het aantal VTE bij bepaalde actoren hoger is dan het aantal toezichthouders. *Niet alle toezichthouders oefenen deze functie voltijds uit Controles uitgevoerd in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet door de toezichthouder(s) tussen 1 januari 2020 en 31 december 2020. (exclusief de controles uitgevoerd in het kader van de adviesverlening en/of het afleveren van de milieuvergunning) Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen rechtstreeks bij de handhavingsactor. Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op vraag van een andere overheidsinstantie (anderen dan politiezone).
Milieuhandhavingscontroles Klachten Vraag overheidsinstantie Eigen initiatief Politiezone Bijstand Onvoorzien Gemiddeld per toezichthouder
Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder
Gemiddeld per VTE
Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per voltijds equivalent
Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op eigen initiatief, bijvoorbeeld in het kader van een geplande handhavingscampagne. Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op vraag van de politiezone. Milieuhandhavingscontroles waarbij fysieke bijstand werd geleverd aan andere handhavingsdiensten door de toezichthouder(s) van de politiezone Milieuhandhavingscontroles die onvoorzien werden uitgevoerd tijdens de uitoefening van andere, niet aan handhaving gerelateerde, werkzaamheden. Het aantal milieuhandhavingscontroles gedeeld door het aantal toezichthouders. Dit gemiddelde geeft een beeld van het aantal milieuhandhavingscontroles dat een toezichthouder in 2020 uitvoerde. Opmerking: niet elke controle is van een gelijke ‘‘grootte/orde’’. Bepaalde controles zijn routinecontroles, anderen kunnen volledige doorlichtingen zijn. Bepaalde controles gebeuren ‘op stukken’, anderen houden plaatsbezoeken in. Het aantal milieuhandhavingscontroles gedeeld door het totaal aantal voltijdsequivalenten besteed aan milieuhandhaving. Dit gemiddelde is genuanceerder dan het ‘gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder’ aangezien dit rekening houdt met de effectieve tijd die de toezichthouder zelf besteedt aan milieuhandhaving én de tijd besteed aan administratieve ondersteuning door niet-toezichthouders om de milieuhandhaving te kunnen faciliteren.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 11 van 142
Controles waar een overtreding werd vastgesteld
Het aantal milieuhandhavingscontroles van het totaal in 2020 uitgevoerde milieuhandhavingscontroles waarbij een overtreding --- milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk --- werd vastgesteld tijdens het oefenen van de controles.
Natuur
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema natuur
Lucht
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema lucht
Water
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema water
Bodem
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema bodem
Geluid
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema geluid
Vergunning
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema vergunning
Mest
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema mest
Afval
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld rond het thema afval
Combinatie
Milieuhandhavingscontroles waarbij overtredingen werden vastgesteld aangaande meerdere van bovenstaande thema’s samen.
Overtredingsgraad
Het aantal milieuhandhavingscontroles waarbij een overtreding (milieumisdrijf en/of milieu-inbreuk) werd vastgesteld ten opzichte van het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles in 2020. De overtredingsgraad geeft een indicatie bij hoeveel % van de uitgevoerde controles een overtreding werd vastgesteld. Als toezichthouders vaststellen dat een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen. (DABM, artikel 16.3.22)
Raadgeving
Aanmaning
Verslag van vaststelling
Proces-verbaal • Prioritair • Niet-prioritair
Als toezichthouders bij de uitoefening van hun toezichtopdracht een milieuinbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. (DABM, artikel 16.3.27) Bij de vaststelling van een milieu-inbreuk kunnen de toezichthouders een verslag van vaststelling opstellen. Ze bezorgen dat onmiddellijk aan de gewestelijke entiteit (Vlaamse entiteit bevoegd om bestuurlijke geldboetes op te leggen), met het oog op bestuurlijke beboeting. (DABM, artikel 16.3.22) De toezichthouders kunnen de milieumisdrijven vaststellen in een procesverbaal, dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd. (DABM, artikel 16.3.24) De classificatie prioritair en niet-prioritair is gekoppeld aan de prioriteiten inzake de vervolging van milieumisdrijven in de sector van het milieuhygiëne- en het milieubeheerrecht, vastgelegd in Prioriteitennota Vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaams Gewest 2012
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 12 van 142
Bestuurlijke maatregelen • Met dwangsom • Zonder dwangsom • Geen tijdige uitvoering
Veiligheidsmaatregelen • Tijdig uitgevoerd • Niet-tijdig uitgevoerd
De toezichthouders zijn bevoegd om voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven bestuurlijke maatregelen op te leggen. (DABM, artikel 16.4.6). De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van: 1° een bevel om maatregelen te nemen om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 2° een bevel om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen; 3° een feitelijke handeling van de burgemeester of zijn plaatsvervanger op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen; 4° een combinatie van deze maatregelen. De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden: 1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten; 2° het verbod op het gebruik van of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; 3° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; 4° het meenemen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen, waarvan het bezit of het gebruik in strijd is met de milieuwetgeving; 5° het onmiddellijk vernietigen, op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, van zaken die bederfelijk zijn of waarvan het bezit verboden is. Als het om dieren gaat waarvan het bezit verboden is, kunnen die op kosten van degene aan wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, al naar gelang het geval, ofwel onmiddellijk worden vrijgelaten, ofwel worden overgebracht naar een erkend opvangcentrum voor vogels en wilde dieren, ofwel worden vernietigd. (DABM, artikel 16.4.7) Samen met bestuurlijke maatregelen kan een bestuurlijke dwangsom worden opgelegd voor het geval dat de bestuurlijke maatregelen niet of niet tijdig worden uitgevoerd. (DABM, artikel 16.4.2) In de rapportering wordt bij bepaalde actoren een onderscheid gemaakt tussen de door de toezichthouders opgelegde bestuurlijke maatregelen met dwangsom en deze zonder dwangsom. Dit onderscheid werd nog niet opgenomen in de bevraging van alle hiervoor bevoegde handhavingsactoren. Daarnaast wordt een percentage gegeven van het aantal door de toezichthouders opgelegde bestuurlijke maatregelen dat niet tijdig kon worden uitgevoerd. De toezichthouders kunnen veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu. Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de toezichthouders alle handelingen kan stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. In de rapportering wordt een onderscheid gemaakt tussen de door de toezichthouders genomen veiligheidsmaatregelen die tijdig werden uitgevoerd en deze die niet tijdig werden uitgevoerd.
Gemiddelden per 10.000 inwoners
Gelet op de hoeveelheid lokale handhavingsactoren met identieke bevoegdheden (300 gemeenten, 107 politiezones, 9 intergemeentelijke verenigingen), worden in de handhavingsfiches bepaalde data gewogen ten opzichte van het inwonersaantal. Bij de gemeenten is dit het inwonersaantal van de responderende gemeenten. Bij de politiezones en de
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 13 van 142
intergemeentelijke verenigingen is dit van het totaal van de inwoners2. Deze gegevens worden dan berekend naar een cijfer per 10.000 inwoners. Het betreft de volgende data: - Aantal milieuhandhavingscontroles - Aantal uitgevoerde controles waarbij overtreding werd vastgesteld - Aantal processen-verbaal - Aantal bestuurlijke maatregelen Bij de gemeenten worden, gelet op de clustering, ook nog de volgende data gewogen: - Aantal toezichthouders - Aantal VTE besteed aan handhaving - Aantal aanmaningen - Aantal verslagen van vaststelling
2 Op basis van de huidige data is het niet mogelijk om uit te filteren welke activiteiten voor welke gemeenten werden uitgevoerd. Een toekomstige geografische benadering, in plaats van de huidige actor-benadering, op lokaal niveau kan een correcter beeld gegevens van de handhavingsactiviteiten (zie supra).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 14 van 142
LEGENDE RUIMTELIJKE ORDENING Pictogram
Betekenis Vastgelegde prioriteiten inzake de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening Handhaving VCRO maakt deel uit van het Lokaal Veiligheidsplan Gespecialiseerde cel RO binnen politiezone
Verbalisant
Stedenbouwkundig inspecteur
Duiding Aan de gemeenten werd gevraagd of er prioriteiten zijn vastgelegd inzake de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
Aan de politiezones werd gevraagd of de handhaving van de VCRO deel uit maakt van het Lokaal Veiligheidsplan.
Aan de politiezones werd gevraagd of de zone beschikt over een gespecialiseerde cel die zich bezighoudt met ruimtelijke ordening.3
Het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening (VCRO, artikel 6.1.1, 8°) De volgende personen kunnen verbalisant ruimtelijke ordening zijn: 1° de personeelsleden van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering; 2° de personeelsleden van het Vlaamse Gewest van andere entiteiten, die daarvoor worden aangewezen door de Vlaamse Regering; 3° de personeelsleden van de gemeente, die daarvoor worden aangewezen door het college van burgemeester en schepenen; 4° de personeelsleden van een intergemeentelijk samenwerkingsverband, die daarvoor worden aangewezen door de colleges van burgemeester en schepenen. (VCRO, artikel 62.5/1) *Niet alle verbalisanten oefenen deze functie voltijds uit Gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: de burgemeester of het personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening bevoegd voor het grondgebied van een of meer gemeenten die het college of de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeente of de gemeenten in kwestie daarvoor als zodanig hebben aangesteld Gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het gewestelijke personeelslid dat belast is met de uitvoering van de handhaving van de ruimtelijke ordening bevoegd voor het geheel of voor onderdelen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest, die de Vlaamse Regering als zodanig heeft aangesteld als gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur. (VCRO, artikel 6.1.1, 1° en 3°) * Niet alle stedenbouwkundige inspecteurs oefenen deze functie voltijds uit In de praktijk zijn dit niet steeds andere personen; verbalisanten kunnen ook worden aangesteld als stedenbouwkundige inspecteur en vice versa. Het verschil tussen beide functies is dat de stedenbouwkundige inspecteur een ander arsenaal aan handhavingsinstrumenten heeft. Ze vervullen elk hun eigen rol in het handhavingstraject.
VTE besteed aan handhavingstaken
Het betreft het geheel van de voltijdsequivalenten dat door de actor werd besteed aan handhaving ruimtelijke ordening; zowel de tijd die werd besteed aan handhavingstaken door de verbalisanten/ agenten en officieren van gerechtelijke politie van de politiezone en de stedenbouwkundige inspecteurs als de tijd besteed aan administratieve ondersteuning voor de
3
Deze vraag werd niet gesteld aangaande milieu. Er worden aldus geen uitspraken gedaan over het feit of de politiezone al dan niet een gespecialiseerde cel milieu hebben.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 15 van 142
Plaatsbezoeken inzake ruimtelijke ordening Klachten Vraag overheidsinstantie Eigen initiatief Politiezones Navolgend
Gemiddeld per verbalisant Gemiddeld per VTE
Gemiddeld aantal plaatsbezoeken per verbalisant Gemiddeld aantal plaatsbezoeken per voltijds equivalent
Dossiers schending vastgesteld
handhavingstaken door niet-verbalisanten en niet-stedenbouwkundige inspecteurs. Door ook rekening te houden met deze administratieve ondersteuning wordt het geheel van handhavingstaken (voorbereiding, administratieve opvolging,…) correcter in beeld gebracht; aangezien handhaving het loutere plaatsbezoek gedeelte overstijgt. Plaatsbezoeken uitgevoerd in het kader van de VCRO door verbalisanten/ agenten en officieren van gerechtelijke politie van de politiezone tussen 1 januari 2020 en 31 december 2020 (exclusief plaatsbezoeken uitgevoerd in het kader van de adviesverlening en/of het afleveren van stedenbouwkundige vergunningen). Plaatsbezoeken uitgevoerd naar aanleiding van klachten rechtstreeks bij de handhavingsactor. Plaatsbezoeken werden uitgevoerd op vraag van een andere overheidsinstantie. Plaatsbezoeken werden uitgevoerd op eigen initiatief, bijvoorbeeld in het kader van een geplande handhavingscampagne. Plaatsbezoeken uitgevoerd op vraag van de politiezone. Navolgende plaatsbezoeken (om extra inlichtingen in te winnen vb. opstellen herstelvordering, melding vrijwillig herstel of regularisatie vóór vonnis of bestuurlijke maatregel van last onder dwangsom of bestuursdwang. Het aantal plaatsbezoeken gedeeld door het aantal verbalisanten. Dit gemiddelde geeft een beeld van het aantal plaatsbezoeken dat een verbalisant in 2020 uitvoerde. Het aantal plaatsbezoeken gedeeld door het totaal aantal voltijdsequivalenten besteed aan handhaving ruimtelijke ordening. Dit gemiddelde is genuanceerder dan het ‘gemiddeld aantal plaatsbezoeken per verbalisant’ aangezien dit rekening houdt met de effectieve tijd die de verbalisant zelf besteed aan handhaving ruimtelijke ordening én de tijd besteed aan administratieve ondersteuning door niet-verbalisanten om de handhaving te kunnen faciliteren. Het aantal in 2020 opgestarte nieuwe dossiers waarin schendingen, inbreuken en/of misdrijven, werden vastgesteld, opgestart. Onder ‘‘schendingen’’ worden stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken verstaan. Stedenbouwkundige inbreuken zijn schendingen van regelgeving zonder of met beperkte schade aan de ruimtelijke ordening. Op het terrein worden bouwinbreuken door bevoegde verbalisanten vastgesteld in een verslag van vaststelling. De bouwinbreuken worden opgesomd in art. 6.2.2 VCRO. Alle andere schendingen zijn bouwmisdrijven (art. 6.2.1 VCRO). Ze worden vastgesteld in een proces-verbaal.
Overtredingsgraad
Raadgevingen
Aanmaningen
Het totaal aantal dossiers waarin schendingen werden vastgesteld in 2020 ten opzichte van het totaal aantal plaatsbezoeken. De overtredingsgraad geeft een indicatie bij hoeveel % van de uitgevoerde plaatsbezoeken een schending werd vastgesteld. Als verbalisanten ruimtelijke ordening vaststellen dat een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf dreigt te worden gepleegd, kunnen ze alle raadgevingen geven die ze nuttig achten om dat te voorkomen. (VCRO, artikel 6.2.3 §1) Als de verbalisanten ruimtelijke ordening bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf vaststellen, kunnen ze de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen ertoe aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen. Als de adressant van de aanmaning, in voorkomend geval na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daarvoor bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 16 van 142
Verslagen van vaststelling
Processen-verbaal
Bevelen tot staking
Bestuursdwang of last onder dwangsom
Afgesloten minnelijke schikkingen
Herstelvorderingen
gemeentelijke en gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en bij de burgemeester. (VCRO, artikel 6.2.3 §2) De agenten en de officieren van gerechtelijke politie en de verbalisanten ruimtelijke ordening kunnen bij de vaststelling van een stedenbouwkundige inbreuk zonder samenloop met een stedenbouwkundig misdrijf, een verslag van vaststelling opstellen dat ze onmiddellijk bezorgen aan de gewestelijke entiteit (Vlaamse entiteit bevoegd om bestuurlijke geldboetes op te leggen), met het oog op bestuurlijke beboeting. (VCRO, artikel 6.2.5) Naast de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de verbalisanten ruimtelijke ordening bevoegd om stedenbouwkundige misdrijven op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het misdrijf is gepleegd. (VCRO, artikel 6.2.4) De verbalisanten ruimtelijke ordening en de agenten of officieren van de gerechtelijke politie kunnen de onmiddellijke staking van handelingen bevelen als ze vaststellen dat de handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 6.2.1 of 6.2.2. van de VCRO. Het stakingsbevel is een preventieve en voorlopige maatregel en is gericht op het voorkomen van schendingen die betrekking hebben op het uitvoeren of voortzetten van de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1 of 4.2.15 van de VCRO. Het stakingsbevel moet op straffe van verval binnen acht dagen na de betekening van het proces-verbaal of verslag van vaststelling door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur worden bekrachtigd. (VRCO, artikel 6.4.4) De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan beslissen om bestuursdwang toe te passen. Bestuursdwang houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds het recht op ambtshalve uitvoering insluit. (VCRO, artikel 6.4.7) De stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester is bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Last onder dwangsom houdt in dat bestuurlijke maatregelen aan overtreders worden opgelegd door middel van een bestuurlijke beslissing die onmiddellijk uitvoerbaar is en steeds de verbeurte van een dwangsom als sanctie bij negatie insluit. (VCRO, artikel 6.4.14) De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden: 1° het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met het bevel van de rechtbank, ambtshalve of op vordering van een bevoegde overheid, om een meerwaarde te betalen en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken; 2° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom; 3° de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen die zich door de minnelijke schikking verbinden; 4° de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt niet meer dan vijf jaar. (VCRO, artikel 6.4.19) De stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester kunnen overgaan tot het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie, tot het vorderen van herstel voor de burgerlijke rechter of tot het opstarten van de ambtshalve uitvoering van een gerechtelijke herstelmaatregel, nadat de hoge raad voor de handhavingsuitvoering daarvoor vooraf een positief advies heeft verleend. (VCRO, artikel 6.3.10).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 17 van 142
Gemiddelden per 10.000 inwoners
Gelet op de hoeveelheid lokale handhavingsactoren met gedeeltelijk dezelfde bevoegdheden (300 gemeenten, 107 politiezones, 9 intergemeentelijke verenigingen), worden in de handhavingsfiches bepaalde data gewogen ten opzichte van het inwonersaantal. Bij de gemeenten is dit het inwonersaantal van de responderende gemeenten. Bij de politiezones en de intergemeentelijke verenigingen is dit van het totaal van de inwoners4. Deze gegevens worden dan berekend naar een cijfer per 10.000 inwoners. Het betreft de volgende data: - Aantal plaatsbezoeken - Aantal dossiers waarin schendingen werden vastgesteld - Aantal processen-verbaal - Aantal bevelen tot staking - Aantal bestuurlijke maatregelen (bestuursdwang of last onder dwangsom) - Aantal herstelvorderingen Bij de gemeenten worden, gelet op de clustering, ook nog de volgende data gewogen: - Aantal verbalisanten - Aantal stedenbouwkundige inspecteurs - Aantal VTE besteed aan handhaving (verbalisanten én stedenbouwkundige inspecteurs) - Aantal aanmaningen - Aantal verslagen van vaststelling
4 Op basis van de huidige data is het niet mogelijk om uit te filteren welke activiteiten voor welke gemeenten werden uitgevoerd. Een toekomstige geografische benadering, in plaats van de huidige actor-benadering, op lokaal niveau kan een correcter beeld gegevens van de handhavingsactiviteiten (zie supra).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 18 van 142
1.3 DECRETALE BASIS Het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bepaalt in artikel 16.2.3 dat de Vlaamse Regering periodiek rapporteert over het omgevingshandhavingsbeleid en de omgevingshandhavingsuitvoering. De omgevingshandhavingsrapportage wordt opgebouwd rond deze twee luiken, het handhavingsbeleid en de handhavingsuitvoering. De rapportering inzake het omgevingshandhavingsbeleid is onlosmakelijk gekoppeld aan het Omgevingshandhavingsprogramma5 en bestaat uit een kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie van de concrete doelstellingen van dit programma en van de wijze waarop het werd uitgevoerd door de handhavingsactoren. De rapportering wordt tweemaal per beleidscyclus opgemaakt. Van zodra het Omgevingshandhavingsprogramma wordt gepubliceerd, wordt onderzocht welke bestaande monitoringssystemen en onderzoeksmethodes kunnen worden gehanteerd/ moeten worden geoptimaliseerd of ontwikkeld voor deze evaluatie. De data over de omgevingshandhavingsuitvoering worden daarentegen jaarlijks online gepubliceerd en bevatten o.a. een input- en outputweergave (handhavingsfiche) van de handhavingsactiviteiten van de handhavingsactoren in het Vlaamse gewest in het afgelopen jaar (voorlopig nog steeds) op basis van data aangeleverd door deze handhavingsactoren zelf. De input- en output gegevens hebben betrekking op de personele middelen die worden ingezet voor de handhavingsuitvoering en de inzet van de instrumenten die de handhavers ter beschikking hebben (controles, processen-verbaal, aanmaningen,…). Daarnaast worden ook data ter beschikking gesteld over de sanctionering, o.a. afkomstig van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg en de gewestelijke beboetingsentiteit die instaat voor de bestuurlijke beboeting. Dit geeft een beeld over het verdere traject van enkele instrumenten, meer bepaald het proces-verbaal en het verslag van vaststelling.6 Deze data over handhavingsuitvoering zullen mogelijks (deels) ook kunnen worden gebruikt bij de evaluatie van het omgevingshandhavingsbeleid. Dit Omgevingshandhavingsrapport (OHR) heeft betrekking op het luik van de omgevingshandhavingsuitvoering en handelt over het jaar 2020.
HANDHAVINGSBELEID • • •
gekoppeld aan Omgevingshandhavingsprogramma evaluatie concrete doelstellingen publicatie 2x beleidscyclus
Omgevingshandhavingsrapport HANDHAVINGSUITVOERING • • •
in- en output weergave alle actoren Vlaams Gewest jaarlijkse publicatie handhavingsfiches (ruwe data)
5
Het Omgevingshandhavingsprogramma van de Vlaamse Regering bevat de overkoepelende strategische en operationele beleidsdoelstellingen en beleidsprioriteiten voor een gewestelijk geïntegreerd en afgestemd omgevingshandhavingsbeleid en bundelt de vijfjaarlijkse individuele handhavingsprioriteiten van de handhavingsinstanties. 6 Voor andere mogelijke trajecten wordt enkel de inzet van het instrument belicht, zoals bijvoorbeeld de bestuurlijke maatregelen, herstelvorderingen, … De data ontbreken op dit moment om het vervolg van de inzet van deze instrumenten nauwgezet te kunnen aangeven.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 19 van 142
2 GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOREN Gewestelijke handhavingsactoren Provinciale handhavingsactoren
Actor
Bevoegdheid
Secretaris-generaal, Departement Omgeving
Lokale handhavingsactoren
Afdeling Handhaving, Departement Omgeving
Milieu en ruimtelijke ordening Milieu en ruimtelijke ordening Milieu en Ruimtelijke Ordening Milieu Milieu Milieu Milieu
Agentschap voor Natuur en Bos
Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten (voormalige afdeling Milieuvergunningen), Departement Omgeving Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten & Vlaams Planbureau Omgeving (voormalige Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen), Departement Omgeving Departement Mobiliteit en Openbare Werken Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid De Vlaamse Waterweg Agentschap Wonen Vlaanderen - afdeling Woonkwaliteit Vlaamse Wooninspectie Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust Agentschap Wegen en Verkeer
Milieu
Milieu Milieu Milieu Ruimtelijke Ordening Milieu Milieu
Bovenstaande gewestelijke actoren hebben handhavingsbevoegdheden ten aanzien van de milieuregelgeving en/of de regelgeving inzake ruimtelijke ordening. In onderstaande handhavingsfiches wordt gerapporteerd over de uitvoering van hun handhavingsactiviteiten in 2020. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving oefent toezicht uit op de naleving van de milieuvoorschriften, vermeld in artikel 21 tot en met 32 van het Milieuhandhavingsbesluit. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving zal deze bevoegdheid aanwenden in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Aangezien er zich in 2020 geen uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan waarin deze bevoegdheid moest aangewend worden, werd er geen toezicht uitgeoefend door de leidend ambtenaar van het Departement Omgeving. De leidend ambtenaar van het Departement Omgeving kan tevens op het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest de functie uitoefenen van gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur.7 Er werden in deze functie geen handelingen gesteld in 2020.
7
Besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2018 betreffende de handhaving van de ruimtelijke ordening en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten, art. 3
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 20 van 142
2.1 AFDELING HANDHAVING --- DEPARTEMENT OMGEVING De toezichthouders van de afdeling Handhaving --- Departement Omgeving oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 21): - Titel III, titel IV, titel V en titel XV van het DABM; - de wet Luchtverontreiniging; - Titel III, hoofdstuk 2 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid; - de wet Geluidshinder; - de wet betreffende de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende stralingen, infrasonen en ultrasonen; - het Materialendecreet; - het Grondwaterdecreet; - het Milieuvergunningendecreet en het decreet betreffende de omgevingsvergunning; - Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; - Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 Milieuhandhavingsbesluit Geconsolideerde versie van 1606-2021 Pagina 12/126; - Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; - Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; - Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006; - Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; - Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; - Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of III A bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is; - het Mestdecreet [...]. - het Oppervlaktedelfstoffendecreet [...]. - het decreet Diepe Ondergrond [...]. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 21 van 142
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Verordening (EU) nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. het Pesticidendecreet, als het van toepassing is op hinderlijke inrichtingen vermeld in artikel 5.2.1 van het DABM.; Verordening EG nr. 1102/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik; Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008; Verordening (EU) nr. 1179/2012 van de Commissie van 10 december 2012 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer kringloopglas overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt; Verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt. Verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten; Verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat; Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn; Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG.
De verbalisanten en gewestelijke stedenbouwkundige inspecteurs van de afdeling Handhaving --Departement Omgeving handhaven de regelgeving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, meer bepaald de bouwmisdrijven en bouwinbreuken zoals omschreven in de artikelen 6.2.1 en 6.2.2. Bouwmisdrijven: - het uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen zonder voorafgaande vergunning of in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning; - het uitvoeren van handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan of stedenbouwkundige verordening; //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 22 van 142
-
-
-
het verder uitvoeren van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding; het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens de codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6°; het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; het uitvoeren van bepaalde handelingen in watergevoelig openruimtegebied; het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in één van de voorgaande punten, worden gepleegd.
Bouwinbreuken: - de instandhouding van de illegale gevolgen van voormelde bouwmisdrijven, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied; - het schenden van de decretaal vereiste verplichtingen van een notaris; - het uitvoeren van meldingsplichtige handelingen die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename van de melding; - het schenden van de decretaal vereiste informatieplichten; - het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is; - het uitvoeren van onderhoudswerken of van vergunning vrijgestelde handelingen in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst; - het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld onder het eerste, derde, vijfde en zesde punt, worden gepleegd.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 23 van 142
Deze stedenbouwkundige inspecteurs hebben ook de functie van verbalisant.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 24 van 142
2.2 AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS De toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 25): - titel XV van het DABM; - het Boswetboek; - de Riviervisserijwet; - de Jachtwet; - de Natuurbehoudswet; - artikel 12, § 1, van het Materialendecreet voor wat betreft de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; - de CITES-wet; - het Bosdecreet; - het Jachtdecreet; - het Natuurdecreet; - Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; - Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer; - Verordening (EG) nr. 359/2009 van de Commissie van 30 april 2009 tot schorsing van het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van bepaalde in het wild levende dieren plantensoorten. - Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de gemeenschap en op het binnenbrengen in de gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen. - Pesticidendecreet in speciale beschermingszones vermeld in artikel 36bis van het Natuurdecreet, de bermen langs wegen en spoorwegen en alle terreinen, inclusief de bermen op minder dan zes meter van het talud van het oppervlaktewater. - Artikel 21 van het Mestdecreet, voor wat betreft de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en voor wat betreft de speciale beschermingszones afgebakend op grond van artikel 36bis van het Natuurdecreet. - Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. - Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie; - Artikel 1.3.2.2, §1, 1°, 2° en 3°, van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, voor wat betreft de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 25 van 142
-
8
Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en voor wat betreft de speciale beschermingszones afgebakend op grond van artikel 36bis van het Natuurdecreet; De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor wat betreft ontbossingen. Met het oog op het vaststellen van ontbossingen krachtens de VCRO werd een protocol afgesloten tussen het Agentschap voor Natuur en Bos en het Departement Omgeving.8
Agentschap voor Natuur en Bos --- Handhavingsrapport 2019, p. 19.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 26 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 27 van 142
2.3 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ De toezichthouders van de Vlaamse Landmaatschappij oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 29): - het Mestdecreet; - het Materialendecreet, wat de aanwending van grondstoffen, als meststof, als bodemverbeterend middel of als bodem betreft; - Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002; - Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, voor de in-, door- en uitvoer van dierlijke mest. - Titel V, hoofdstuk VI, van het DABM, wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, en het gebruik van die erkenning; - Artikel 5.9.2.1, 5.9.2.2, 5.9.2.3, 5.9.2.4, 5.9.8.5, 5.28.2.2 en 5.28.2.3 van titel II van het VLAREM; - Artikel 1.3.2.2, §1, 1° en 3°, van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 28 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 29 van 142
2.4 VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ De toezichthouders van de Vlaamse Milieumaatschappij oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 28, artikel 28/1 en artikel 28/2): - Artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; - Artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; - Artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. - Titel III, hoofdstuk 2 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid - Het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het decreet, wat de oppervlaktewaterverontreiniging betreft; - Artikel 1.7.3.3. en 1.7.5.4. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid - Titel V, hoofdstuk VI, van het DABM, wat betreft de verplichtingen inzake de erkenning als boorbedrijf, en het gebruik van die erkenning.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 30 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 31 van 142
2.5 OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ De toezichthouders van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 26): - Het Materialendecreet, wat de volgende aspecten betreft: a) de inzameling en het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door de particulier, zoals dat door de gemeentelijke overheden georganiseerd wordt; b) het verloop van de afvalstromen die onder de toepassing vallen van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, met uitsluiting van het toezicht op de bepalingen ter uitvoering van titel V van het decreet en de bepalingen over het vervoer van of het inzamelen of handelen of makelen in afvalstoffen; c) de bepalingen over afvalpreventie- en recyclagedoelstellingen waaronder de bepalingen over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, het opstellen van milieubeleidsovereenkomsten, en afvalpreventie- en afvalbeheerplannen voor bepaalde afvalstromen; d) de afgifte van scheepsafvalstoffen; e) de rapportering over geproduceerde, ingezamelde en verwerkte afvalstoffen in het kader van beleidsevaluatie; f) het afvalstoffen- en materialenregister; g) de naleving van sectorale uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 18 van het Materialendecreet; h) de toepassing van artikel 12 van het Materialendecreet in het kader van het ambtshalve inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen; - Het Bodemdecreet van 27 oktober 2006; - Titel V, hoofdstuk VI, van het DABM, wat betreft: a) de verplichtingen inzake de erkenning als laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, en het gebruik van die erkenning; b) de verplichtingen inzake de erkenning als opleidingscentrum voor de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, de erkenning als bodemsaneringsdeskundige en inzake de erkenning als laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, en het gebruik van die erkenningen; - Het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 32 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 33 van 142
2.6 AFDELING GEBIEDSONTWIKKELING, OMGEVINGSPLANNING EN -PROJECTEN (VOORMALIGE AFDELING MILIEUVERGUNNINGEN), DEPARTEMENT OMGEVING De toezichthouders van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en-projecten van het Departement Omgeving oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 22 en artikel 23/1): - Titel V, hoofdstuk 6, van het DABM voor wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als milieucoördinator en als opleidingscentrum voor milieucoördinatoren, en het gebruik van die erkenningen; - Hoofdstuk II - Milieucoördinatoren als vermeld titel III van het DABM; - Het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM, wat het gevaar voor stabiliteitsproblemen betreft bij inrichtingen die vergund zijn in het kader van de subrubrieken 2.3.11, 18.1 en 18.7 van de indelingslijst en bij inrichtingen die vergund zijn in het kader van rubriek 60 van de indelingslijst als het een opvulling van een eerdere ontginning betreft, met uitzondering van de inrichtingen, vermeld in artikel 24, 1°, van het Milieuhandhavingsbesluit; - Het Oppervlaktedelfstoffendecreet, met uitzondering wat betreft de verplichtingen, vermeld in artikel 24, 2°, van het Milieuhandhavingsbesluit De toezichthouders van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en-projecten van het Departement Omgeving, oefenen ook het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving en dat enkel op het vlak van de verplichtingen inzake erkenning van personen en het gebruik van de erkenning, met uitzondering van de verplichtingen, vermeld in artikel 22, artikel 26, § 1, derde lid, artikel 27, tweede lid, artikel 28/2 en artikel 29, 5°(Milieuhandhavingsbesluit, artikel 23): - Titel III, met uitzondering van hoofdstukken II en III, titel IV en titel V van het DABM; - De wet Geluidshinder; - Het Grondwaterdecreet.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 34 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 35 van 142
2.7 AFDELING GEBIEDSONTWIKKELING, OMGEVINGSPLANNING EN -PROJECTEN & VLAAMS PLANBUREAU OMGEVING (VOORMALIGE AFDELING LAND EN BODEMBESCHERMING, ONDERGROND EN NATUURLIJKE RIJKDOMMEN), DEPARTEMENT OMGEVING De toezichthouders van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en-projecten en het Vlaams Planbureau Omgeving van het Departement Omgeving oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 24): - Het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM, wat het gevaar voor stabiliteitsproblemen betreft bij grindontginningen, die vergund zijn in het kader van de subrubriek 18.1 van de indelingslijst en bij inrichtingen die vergund zijn in het kader van rubriek 60 van de indelingslijst als het een opvulling van een eerdere grindontginning betreft; - Het Oppervlaktedelfstoffendecreet wat betreft de verplichtingen voor de voortgangsrapporten, vermeld in artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet; - Het decreet Diepe Ondergrond.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 36 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 37 van 142
2.8 DEPARTEMENT MOBILITEIT EN OPENBARE WERKEN De toezichthouders van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 32): - artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden; - artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden; 3° artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 38 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 39 van 142
2.9 VLAAMS AGENTSCHAP ZORG EN GEZONDHEID De toezichthouders van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 30): - Het Materialendecreet, wat betreft onderafdeling 5.2.3. « Medisch afval » van afdeling 5.2 van het VLAREMA; - Het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van DABM, wat betreft de gezondheidsaspecten bij inrichtingen van klasse 1 en 2 waarvoor de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid adviesbevoegdheid heeft volgens artikel 20 van titel I van het VLAREM of volgens artikel 37 van het Omgevingsvergunningenbesluit.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 40 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 41 van 142
2.10 DE VLAAMSE WATERWEG De toezichthouders van de Vlaamse Waterweg oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 32): - Artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden; - Artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden; 3° artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 42 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 43 van 142
2.11 AGENTSCHAP WONEN VLAANDEREN WOONKWALITEIT - VLAAMSE WOONINSPECTIE
AFDELING
Het Agentschap Wonen Vlaanderen --- afdeling Woningkwaliteit --- Vlaamse Wooninspectie heeft in het kader van de VCRO (artikel 4.2.1) handhavingsbevoegdheden inzake schendingen op het wijzigen van het aantal woongelegenheden, het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie, het gewoonlijk gebruik van een grond (voornamelijk voor het plaatsen van een voertuig/constructie bestemd voor bewoning) en het oprichten van een constructie/het uitvoeren van werken zonder vergunning in zoverre er een koppeling is met een inbreuk op de woningkwaliteitsvereisten.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 44 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 45 van 142
2.12 AGENTSCHAP MARITIEME DIENSTVERLENING EN KUST De toezichthouders van het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 32): - Artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden; - Artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden; 3° artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de bevaarbare waterlopen, de waterwegen en de havens, en hun aanhorigheden. Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust actor heeft niet geantwoord op de bevraging
2.13 AGENTSCHAP WEGEN EN VERKEER De toezichthouders van het Agentschap Wegen en Verkeer oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 31): - Artikel 3.2.1. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de grachten en kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater langs de openbare wegen, en hun aanhorigheden; - Artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de openbare wegen en hun aanhorigheden.
Agentschap Wegen en Verkeer actor heeft niet geantwoord op de bevraging
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 46 van 142
3 PROVINCIES Gewestelijke handhavingsactoren Provinciale handhavingsactoren Lokale handhavingsactoren
Actor
Bevoegdheid
Gouverneurs
Milieu
Provinciale toezichthouders
Milieu
De provinciegouverneur of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 59): - er een overtreding is van artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid; - er een overtreding is van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet; - een vergunningsplichtige inrichting wordt geëxploiteerd zonder omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit; - een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden; - een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden. De provinciegouverneur of zijn plaatsvervangers kan veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu (DABM, artikel 16.7.1). De provinciale toezichthouders oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 33, §1): - artikel 3.2.1 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; - artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; - artikelen 1.3.2.2, 1.7.3.3 en 1.7.5.4 van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. - artikel 138 van het Bodemdecreet en titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO. De provinciale toezichthouders geluid oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 33, §2): - de wet Geluidshinder; - het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunningen titel V van het decreet, wat de geluidsaspecten betreft voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3. Bij de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, kunnen ze, binnen het kader van de milieuvoorschriften, vermeld in het eerste lid, wat de geluidsaspecten betreft, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het DABM. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 47 van 142
3.1 PROVINCIES TOTAAL
3.2 LIMBURG
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 48 van 142
3.3 VLAAMS-BRABANT
3.4 ANTWERPEN
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 49 van 142
3.5 OOST-VLAANDEREN
3.6 WEST-VLAANDEREN
No response
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 50 van 142
4 LOKALE HANDHAVINGSACTOREN Gewestelijke handhavingsactoren Provinciale handhavingsactoren Lokale handhavingsactoren
Actor
Bevoegdheid
Burgemeesters
Milieu en ruimtelijke ordening
Gemeenten
Milieu en ruimtelijke ordening
Intergemeentelijke verenigingen
Milieu en ruimtelijke ordening
Politiezones
Milieu en ruimtelijk ordening
De burgemeester of zijn plaatsvervanger is bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen als (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 60): - er een overtreding is van artikel 3.2.1. van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid; - er een overtreding is van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet; - een vergunningsplichtige inrichting wordt geëxploiteerd zonder omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit; - een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden; - een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd in strijd met de milieuvoorwaarden. - er een overtreding is van artikel 62 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006. De burgemeester of zijn plaatsvervanger kan veiligheidsmaatregelen nemen in geval van een aanzienlijk risico voor mens of milieu (DABM, artikel 16.7.1). De lokale toezichthouders oefenen, voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3, voor de niet-ingedeelde inrichtingen en voor de vrijevelddelicten, het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving (Milieuhandhavingsbesluit, artikel 34): - titel III van het DABM; - de wet Luchtverontreiniging; - titel III, hoofdstuk 2, van het gecoördineerd decreet Integraal Waterbeleid, wat de lozing van afvalwater en de opsporing van elke vorm van waterverontreiniging betreft; - de wet Geluidshinder; - artikel 11, 12, 13, 23, 25, § 1, artikel 39 en 40 van het Materialendecreet; - het Grondwaterdecreet; - het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM; - het Mestdecreet; - hoofdstuk 6.3 van deel 6 van titel II van het VLAREM; - verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; - verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002; //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 51 van 142
-
-
-
verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. het Pesticidendecreet; verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006; artikel 138 van het Bodemdecreet en titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO.
Bij de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 kunnen zij, binnen het kader van de milieuvoorschriften, vermeld in het eerste lid, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het DABM. § 2. De lokale toezichthouders geluid oefenen het toezicht uit op de toepassing van de milieuvoorschriften, vermeld in of vastgesteld krachtens de volgende regelgeving: - de wet Geluidshinder; - het Milieuvergunningendecreet, het decreet betreffende de omgevingsvergunning en titel V van het DABM, wat de geluidsaspecten betreft voor de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3. Bij de inrichtingen die overeenkomstig de indelingslijst zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, kunnen ze, binnen het kader van de milieuvoorschriften wat de geluidsaspecten betreft, vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het DABM. De lokale verbalisanten, de agenten en de officieren van gerechtelijke politie en de stedenbouwkundige inspecteurs/burgemeesters handhaven de regelgeving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, meer bepaald de bouwmisdrijven en bouwinbreuken zoals zijn deze omschreven in de artikelen 6.2.1 en 6.2.2. Bouwmisdrijven: - het uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen zonder voorafgaande vergunning of in strijd met de betreffende vergunning, of het verder uitvoeren van de handelingen, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning; - het uitvoeren van handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan of stedenbouwkundige verordening; - het verder uitvoeren van de handelingen in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding; - het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens de codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6°; //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 52 van 142
-
-
het uitvoeren van handelingen die een schending zijn op de bouw- en verkavelingsvergunningen die zijn verleend krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; het uitvoeren van bepaalde handelingen in watergevoelig openruimtegebied; het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat een van de misdrijven, vermeld in één van de voorgaande punten, worden gepleegd.
Bouwinbreuken: - de instandhouding van de illegale gevolgen van voormelde bouwmisdrijven, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied; - het schenden van de decretaal vereiste verplichtingen van een notaris; - het uitvoeren van meldingsplichtige handelingen die voorafgaan aan de voorafgaande uitdrukkelijke of stilzwijgende aktename van de melding; - het schenden van de decretaal vereiste informatieplichten; - het uitvoeren van handelingen zonder de controle van een architect als die controle verplicht is; - het uitvoeren van onderhoudswerken of van vergunning vrijgestelde handelingen in strijd met bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, voor zover die plannen of vergunningen, of de relevante delen ervan niet zijn opgenomen in een door de gemeenteraad vastgestelde lijst; - het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat de inbreuken, vermeld onder het eerste, derde, vijfde en zesde punt, worden gepleegd.
Noot: De activiteiten van de lokale handhavingsactoren worden in onderstaande handhavingsfiches nog per actor weergegeven, terwijl bepaalde actoren mogelijk hetzelfde geografische werkingsgebied hebben. Een gemeente kan er immers voor opteren om handhaving te organiseren binnen de eigen diensten of dit (deels) te laten uitvoeren door de politiezone of een intergemeentelijke vereniging; of een combinatie van deze drie opties. De fiches van afzonderlijke lokale actoren geven dus mogelijk geen volledig beeld van het totaal van de handhavingsactiviteiten op het grondgebied van één gemeente. Door de bevraging in de toekomst niet meer te organiseren richting de individuele handhavingsactoren, maar specifiek naar de gemeente waar data zullen worden verzameld over de handhavingsactiviteiten van de verschillende handhavingsactoren actief op dat grondgebied, zal in de volgende rapporten een geografische benadering kunnen worden gehanteerd.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 53 van 142
4.1 GEMEENTEN GLOBAAL
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 54 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 55 van 142
4.2 GEMEENTEN --- GECLUSTERD - VRIND In onderstaande handhavingsfiches worden de gemeenten en de eigen handhavingsactiviteiten geclusterd weergegeven volgens de VRIND classificatie. (Vlaamse Regionale Indicatoren): - Platteland - Overgangsgebied - Structuurondersteunende gemeenten - Regionaal stedelijke rand - Grootstedelijke rand - Stedelijk gebied rond Brussel - Kleinstedelijk provinciaal - Groot- en centrumsteden (samengevoegde cluster) De Vrind-classificatie is een ruimtelijke indeling op basis van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen met opsplitsing van het buitengebied op basis van het Strategisch Plan Ruimtelijke Economie waarbij het ruraal overgangsgebied en het ruraal gebied als platteland wordt geclassificeerd. Hoewel deze classificatie niet onmiddellijk de meest nieuwe is, biedt ze nog steeds een interessante insteek om gemeenten te clusteren.
Figuur 1 Gemeenten geclusterd volgens VRIND classificatie
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 56 van 142
4.2.1
VRIND --- Cluster Platteland
Responderende gemeenten: Aalter, Alken, Anzegem, Ardooie, Baarle-Hertog, Beernem, Bertem, Bever, Bocholt, Borgloon, Boutersem, Brakel, Brecht, Dentergem, Essen, Gavere, Geetbets, Gingelom, Gistel, Gooik, Herne, Herstappe, Herzele, Heuvelland, Hoegaarden, Holsbeek, Houthulst, Huldenberg, Kaprijke, Kluisbergen, Koekelare, Kortemark, Kortenaken, Kortessem, Kruisem, Landen, Lichtervelde, Lierde, Lievegem, Lochristi, Maarkedal, Maldegem, Meerhout, Merchtem, Merksplas, Meulebeke, Moerbeke, Moorslede, Nazareth, Nieuwerkerken, Nieuwpoort, Oosterzele, Oostrozebeke, Oudenburg, Peer, Pepingen, Pittem, Rijkevorsel, Ruiselede, Sint-Gillis-Waas, SintLaureins, Sint-Lievens-Houtem, Vleteren, Voeren, Wachtebeke, Wervik, Wingene, WortegemPetegem, Wuustwezel, Zonnebeke, Zoutleeuw, Zuienkerke, Zulte, Zwalm, Avelgem, Ichtegem, Langemark-Poelkapelle, Ledegem, Linter, Ravels Niet-responderende gemeenten: Alveringem, Assenede, Bekkevoort, De Haan, Galmaarden, Glabbeek, Heers, Hooglede, Horebeke, Kinrooi, Laarne, Lendelede, Lo-Reninge, Mesen, Riemst, Spiere-Helkijn, Staden
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 57 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 58 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 59 van 142
4.2.2
VRIND --- Cluster Overgangsgebied
Responderende gemeenten: As, Balen, Begijnendijk, Berlaar, Berlare, Bierbeek, Bonheiden, Boortmeerbeek, Bornem, Brasschaat, De Panne, Dilsen-Stokkem, Duffel, Grobbendonk, Haacht, Halen, Ham, Hamme, Hamont-Achel, Hechtel-Eksel, Herent, Herenthout, Herselt, Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren, Hulshout, Kapellen, Kapelle-op-den-Bos, Kasterlee, Keerbergen, Koksijde, Kortenberg, Kruibeke, Laakdal, Lanaken, Lebbeke, Lede, Lennik, Liedekerke, Lille, Londerzeel, Lummen, Malle, Olen, Opwijk, Oud-Heverlee, Oudsbergen, Putte, Puurs-Sint-Amands, Ranst, Retie, Roosdaal, Rotselaar, Rumst, Scherpenheuvel-Zichem, Schilde, Schoten, Stabroek, Steenokkerzeel, Stekene, Ternat, Tielt-Winge, Waasmunster, Wellen, Westerlo, Willebroek, Zandhoven, Zele, Zelzate, Zemst, Zoersel, Zutendaal, Erpe-Mere, Herk-de-Stad, Hoeselt, Nijlen, Overijse, Sint-Martens-Latem, Wielsbeke Niet-responderende gemeenten: Affligem, Arendonk, Buggenhout, Dessel, Haaltert, Hoeilaart, Kalmthout, Kampenhout, Lubbeek, Meise, Tessenderlo, Tremelo, Vorselaar, Wichelen
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 60 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 61 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 62 van 142
4.2.3
VRIND --- Cluster Structuurondersteunende gemeenten
Responderende gemeenten: Deinze, Diest, Geel, Halle, Herentals, Ieper, Knokke-Heist, Lier, Oudenaarde, Ronse, Sint-Truiden, Tielt, Tienen, Tongeren, Vilvoorde, Waregem, Dendermonde, Lokeren Niet-responderende gemeenten: Aarschot, Eeklo, Mol
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 63 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 64 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 65 van 142
4.2.4
VRIND --- Cluster Regionaal stedelijke rand
Responderende gemeenten: Beerse, Bredene, Damme, Deerlijk, Denderleeuw, Diepenbeek, Harelbeke, Ingelmunster, Middelkerke, Oostkamp, Sint-Katelijne-Waver, Vosselaar, Zonhoven, Zwevegem, Jabbeke, Zedelgem Niet-responderende gemeenten: Izegem, Kuurne, Oud-Turnhout, Wevelgem
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 66 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 67 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 68 van 142
4.2.5
VRIND --- Cluster Grootstedelijke rand
Responderende gemeenten: Boechout, De Pinte, Destelbergen, Edegem, Evergem, Hemiksem, Hove, Kontich, Lint, Melle, Merelbeke, Mortsel, Niel, Schelle, Wijnegem, Wommelgem, Zwijndrecht Niet-responderende gemeenten: Aartselaar, Borsbeek
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 69 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 70 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 71 van 142
4.2.6
VRIND --- Cluster Stedelijk gebied rond Brussel
Responderende gemeenten: Beersel, Dilbeek, Grimbergen, Kraainem, Linkebeek, Machelen, SintGenesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Tervuren, Wemmel, Zaventem Niet-responderende gemeenten: Drogenbos, Wezembeek-Oppem
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 72 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 73 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 74 van 142
4.2.7
VRIND --- Cluster Kleinstedelijk provinciaal
Responderende gemeenten: Asse, Beringen, Beveren, Bilzen, Blankenberge, Boom, Diksmuide, Geraardsbergen, Heist-op-den-Berg, Hoogstraten, Leopoldsburg, Lommel, Maaseik, Maasmechelen, Menen, Ninove, Poperinge, Temse, Torhout, Veurne, Wetteren, Zottegem Niet-responderende gemeenten: Bree, Pelt
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 75 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 76 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 77 van 142
4.2.8
VRIND --- Cluster Groot- en centrumsteden
Responderende gemeenten: Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout Niet-responderende gemeenten: Kortrijk, Leuven
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 78 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 79 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 80 van 142
4.3 INTERGEMEENTELIJKE VERENIGINGEN - GLOBAAL Bevraagde intergemeentelijke samenwerkingsverbanden: - IGEAN (Intercommunale grondbeleid en expansie Antwerpen) - INTERLEUVEN (intercommunale van gemeenten uit het arrondissement Leuven) - IGEMO (Intergemeentelijke vereniging voor ontwikkeling van het Gewest Mechelen en Omgeving) - HAVILAND (streekintercommunale voor het arrondissement Halle-Vilvoorde) - IOK (intercommunale ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen) - LEIEDAL (interlokale vereniging voor streekontwikkeling in Zuid-West-Vlaanderen) - SOLVA (intergemeentelijke samenwerking voor streekontwikkeling in Zuid-OostVlaanderen) - VENECO (intergemeentelijk samenwerkingsverband van gemeenten rond Gent) - WVI (West-Vlaamse Intercommunale)
Noot: de individuele handhavingsfiches van de formele intergemeentelijke verenigingen met handhavingsactiviteiten rond ruimtelijke ordening en milieu in het Vlaamse Gewest zijn opgenomen als bijlage. Hier kan worden opgemerkt dat gemeenten wel kunnen aangesloten zijn bij een intergemeentelijke vereniging, maar daarom niet noodzakelijk een beroep doen op het handhavingsaanbod. Daarnaast bestaan er informele intergemeentelijke samenwerkingsverbanden voor het uitvoeren van de handhavingstaken. Deze komen niet aan bod in deze handhavingsfiches.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 81 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 82 van 142
4.4 POLITIEZONES - GLOBAAL9
33%
Noot: de individuele handhavingsfiches van de politiezones in het Vlaamse Gewest zijn opgenomen als bijlage.
9 In de fiche ‘‘totaal-actor politiezones’’ wordt een overtredingsgraad van meer dan 100% weergegeven. Dit kan worden verklaard doordat de politiezone Grimbergen aangaf het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles niet te kennen, maar dat bij 2234 controles een overtreding kon worden vastgesteld. Ook de politiezone Aalst gaf meer controles op waarbij een overtreding werd vastgesteld dan het totaal aantal uitgevoerde controles. Als de data van deze twee politiezones buiten beschouwing wordt gelaten, bedraagt de overtredingsgraad 33%
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 83 van 142
5 FEDERALE EN LOKALE POLITIE ALGEMEEN De federale en de lokale politie hebben algemene handhavingsbevoegdheden inzake milieu en ruimtelijke ordening. De federale politie behandelt de bovenlokale fenomenen die beantwoorden aan de definitie van zware leefmilieucriminaliteit. Het betreft onder meer het herhaaldelijk systematisch handelen in strijd met de regelgeving en overige wettelijke bepalingen; een sterke verwevenheid met fraude; activiteiten die georganiseerd plaatsvinden, veelal in bedrijfsmatig verband; activiteiten met een bovenregionale spreiding en internationale vertakkingen; activiteiten die gericht zijn op aanzienlijk geldgewin en bedrijvigheden met grote, vaak onherstelbare schade aan het leefmilieu en/of dreigend gevaar voor de volksgezondheid. Onderstaande data, afkomstig uit de Algemene Nationale Gegevensdatabank, geven een overzicht van het totaal aantal processen-verbaal (aanvankelijke en vereenvoudigde) dat werd opgesteld door de politie inzake milieu en inzake ruimtelijke ordening in 2020.
Afval door beroepspersoon Afvaltransport Afval: vergunning-erkenning Afval door particulier Luchtverontreiniging Waterverontreiniging Bodemverontreiniging Leefmilieu: geluidshinder Leefmilieu/flora-fauna: vernietiging Leefmilieu/flora-fauna: dierenwelzijn Leefmilieu/flora-fauna: natuurbescherming Leefmilieu/flora-fauna: vergunning/erkenning Overige fenomenen gelinkt aan leefmilieu Stedenbouw Totaal
Federale Politie 35 9 2 57 2 23 3 1 0 5 5 5 358 12 517
Lokale Politie
Andere
Totaal
378 60 63 2702 72 129 71 71 174 1358 163 66 7268 1313 13888
3 0 1 5 0 0 0 0 1 4 2 0 42 8 66
416 69 66 2764 74 152 74 72 175 1367 170 71 7668 1333 14471
Figuur 2 Processen-verbaal opgesteld door de politie in 2020 inzake milieu en ruimtelijke ordening
Meer specifiek inzake milieu is er binnen de federale en lokale politie het Leefmilieunetwerk actief dat als opzet heeft om informatie met betrekking tot leefmilieuschendingen uit te wisselen, om wederzijdse ondersteuning te leveren, om ‘best practices’ te ontwikkelen en om grootschalige onderzoeken effectief en efficiënt uit te voeren.
Figuur 3 Aantal personen dat deel uitmaakt van het Leefmilieunetwerk
Bij de federale politie was in 2020 25 VTE actief inzake milieuhandhaving in het Vlaamse Gewest: - 4 VTE bij de Dienst leefmilieu van de Directie bestrijding zware en georganiseerde criminaliteit (DJSOC/Milieu) - 5 VTE onderzoekscapaciteit - 16 VTE fenomeencoördinatoren
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 84 van 142
6 HOGE RAAD VOOR DE HANDHAVINGSUITVOERING In tegenstelling tot milieuhandhaving, is er voor de handhaving ruimtelijke ordening een orgaan dat de verschillende handhavingsactoren (bindend) adviseert over de inzet van bepaalde handhavingsinstrumenten, namelijk de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (HRH). Tot de opdrachten van de HRH behoren: 1. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters over de herstelvordering die zij op basis van hun vaststellingen willen inleiden bij het Openbaar Ministerie of de burgerlijke rechtbank; 2. advies verlenen over de gemotiveerde verzoeken tot heroverweging van de door de HRH geformuleerde negatieve adviezen; 3. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters over een opeenvolgende herstelvordering; 4. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters vooraleer zij kunnen overgaan tot een ambtshalve uitvoering van een door de rechter bevolen herstelmaatregel; 5. advies verlenen aan de stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters voorafgaand aan sommige betekeningen van vonnissen of arresten waarin de rechter hen heeft gemachtigd om ambtshalve in de uitvoering ervan te voorzien; 6. advies verlenen aan de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen over het gemotiveerd verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld; 7. advies verlenen aan de Vlaamse Regering over de herstelmaatregelen in het kader van een beroep ingesteld door de vermoedelijke overtreder tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang of tot het opleggen van een last onder dwangsom; 8. bemiddelen op verzoek van een vermoedelijke overtreder of de rechtbank. De stedenbouwkundige inspecteurs en de burgemeesters kunnen enkel een herstelvordering inleiden of overmaken, mits positief advies van de HRH. Als er een vonnis is van een rechter waarin een herstelmaatregel wordt opgelegd, kan pas in een ambtshalve uitvoering worden voorzien door de stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester als de HRH hiervoor een positief advies verleende. Voor de betekening van het vonnis of arrest waarvan de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregel tien jaar of meer is verstreken door de stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester, moet de HRH ook voorafgaandelijk een positief advies verlenen. Dat advies is niet nodig wanneer het bouwmisdrijf begaan werd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, wanneer bij het plegen van het misdrijf een stakingsbevel werd geschonden of bestemmingsvoorschriften werden geschonden of wanneer aan de overtreder een nieuwe strafrechtelijke of bestuurlijke sanctie of verplichting tot schadevergoeding werd opgelegd ten gevolge van een stedenbouwkundig misdrijf. Daarnaast heeft de HRH een adviesbevoegdheid bij opeisbare dwangsomschulden. De Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen moet een schriftelijk advies inwinnen bij de HRH over het verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsomschuld. De HRH behandelt die adviesaanvragen bij voorrang. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 85 van 142
Daarnaast heeft de HRH de bevoegdheid om adviezen te verlenen in de beroepsprocedure tegen bestuurlijke besluiten inzake bestuurlijke maatregelen. De Vlaamse Regering wint dan schriftelijk advies in bij de HRH over de herstelmaatregelen als het dossier ontvankelijk wordt bevonden. De HRH moet deze adviesaanvragen bij voorrang behandelen. Tot slot is de HRH belast met vrijwillige of gerechtelijke bemiddelingsopdrachten in het kader van een minnelijke schikking of een dading. Elke belanghebbende kan van bij aanvang van een bestuurlijke procedure tot minnelijke schikking of een procedure tot het sluiten van een dading aan de HRH vragen om een vrijwillige bemiddeling op te starten. Dit geldt ook in geval van weigering van een minnelijke schikking of een dading door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of burgemeester. Ook een rechter voor wie een herstelvordering is ingeleid, kan in elke stand van het geding en zolang de zaak niet in beraad is genomen, op verzoek van de overheid die de herstelmaatregel vordert of op eigen initiatief een gerechtelijke bemiddeling door de HRH bevelen. De HRH kan, buiten de bepalingen in de VCRO, ook worden gevat door een willig beroep. In onderstaande tabel worden de activiteiten van de HRH in 2020 weergegeven.
Geformuleerde bindende adviezen over de herstelvorderingen die de stedenbouwkundige inspecteur en/of het College van burgemeester en schepenen wensen in te leiden bij de burgerlijke rechtbank of de strafrechter
Onontvankelijke adviezen
Geen advies wegens vrijwillig herstel
Positieve adviezen
Negatieve adviezen
Gecombineerde adviezen (deels positief --- deels negatief)
Totaal
4
12
166
16
11
209
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
1
0
0
0
0
0
0
(initieel + gemotiveerde verzoeken tot heroverweging) Geformuleerde bindende adviezen over het inleiden van opeenvolgende herstelvorderingen Geformuleerde bindende adviezen vooraleer een ambtshalve uitvoering van een door de rechter bevolen herstelmaatregel kon worden opgestart Geformuleerde bindende adviezen voorafgaand aan sommige betekeningen van vonnissen of arresten waarin de rechter het bestuur heeft gemachtigd om ambtshalve in de uitvoering ervan te voorzien Aantal gegeven adviezen aan de minister aangaande dwangsomverzoeken Aantal gegeven adviezen aan de minister aangaande beroepen tegen bestuurlijke besluiten inzake een bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom Aantal bemiddelingsopdrachten Aantal willige beroepen
9 2
1 1
Figuur 4 Activiteiten Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering in 2020
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 86 van 142
7 SANCTIONERING Dit onderdeel geeft het verdere verloop van twee handhavingsinstrumenten weer: • het proces-verbaal dat werd opgemaakt bij de vaststelling van een misdrijf en dat wordt overgemaakt aan de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg met het oog op een strafrechtelijke afhandeling • het verslag van vaststelling dat werd opgemaakt bij de vaststelling van een inbreuk en dat wordt overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit met het oog op een bestuurlijke afhandeling. Onderstaande figuur geeft een rudimentaire schematische voorstelling weer van deze trajecten. In de volgende secties wordt dieper ingegaan op de behandeling van de processen-verbaal en de verslagen van vaststelling.
door handhaver overgemaakt aan het parket met het oog op strafrechtelijke afhandeling
Proces-verbaal
door handhaver overgemaakt aan de GBE met oog op bestuurlijke afhandeling
Verslag van vaststelling
Parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg
Gewestelijke beboetingsentiteit (GBE)
Handhavingscollege (HHC)
Het parket kan (als het dit niet zelf wenst te behandelen) een procesverbaal overmaken aan GBE met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete
Als de GBE een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete heeft opgelegd, kan hier tegen in beroep worden gegaan bij het HHC
Figuur 5 Schematische voorstelling vervolgtraject van de handhavingsinstrumenten proces-verbaal en verslag van vaststelling
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 87 van 142
7.1 STRAFRECHTELIJK Artikel 6.2.4 van de VCRO bepaalt dat, onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie, de verbalisanten ruimtelijke ordening bevoegd zijn om de misdrijven op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal. Daarnaast bepaalt artikel 16.3.24 van het DABM dat de toezichthouders milieumisdrijven kunnen vaststellen in een procesverbaal, dat ze onmiddellijk bezorgen aan de procureur des Konings bij de rechtbank in het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd. Onderstaande data, ontvangen van het Openbaar Ministerie, geven een zicht op het aantal ontvangen dossiers in 2020 betreffende milieu en ruimtelijke ordening en de vooruitgangsstaat van deze dossiers (inclusief de motivering van de sepots; de zaken of dossiers waarin werd beslist om niet te vervolgen en waarin werd beslist het dossier zonder gevolg te klasseren). Noot: de cijfers zijn afkomstig uit een centrale databank van het College van Procureurs-generaal. Deze databank is enkel gebaseerd op de registraties door de correctionele afdelingen van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg en bevat geen gegevens over het aantal door de parketten-generaal behandelde zaken en de door de politieparketten behandelde zaken. De ontvangen cijfergegevens handelen enkel over de dossiers behandeld door de Vlaamse parketten. Bovendien baseren de aangeleverde cijfergegevens zich op de laatste gegevensextractie van 9 januari 2021. Alle gegevens die betrekking hebben op de vooruitgangsstaat van een dossier zijn dus beperkt tot de toestand op die extractiedatum. Het is in feite nog te vroeg is om op basis van de gegevensextractie d.d. 9 januari 2021 al conclusies te trekken. De cijfergegevens zijn slechts indicatief, aangezien de vooruitgangsstaat van deze zaken nog geëvolueerd kan zijn na de extractiedatum. Aan de zaken die op het parket toekomen, kent het Openbaar Ministerie een voornaamste tenlasteleggingscode en eventueel één of meerdere bijkomende tenlasteleggingscodes (preventiecodes) toe. Het Openbaar Ministerie moet in elk geval aan de zaak een voornaamste tenlasteleggingscode toekennen op het ogenblik dat deze in het geïnformatiseerd systeem van de parketten wordt ingevoerd. De registratie van bijkomende tenlasteleggingscodes gebeurt niet overal. Sommige parketten registreren deze niet. De volgende statistieken zijn gebaseerd op alle zaken waarin minstens één van de volgende tenlasteleggingscodes, zoals gebruikt door de parketten, werd geregistreerd: - 63A - Jacht, - 63B - Visvangst, - 63I - Meststoffen, - 63M - Bosdecreet, - 63N - Beschermde diersoorten, planten en ivoor (conventie van Washington, 9 maart 1973), - 63O - Mestdecreet, - 64A - Lucht- en waterverontreiniging, - 64B - Koolstofmonoxyde (CO), - 64C - Geluidsnormen in stedelijke omgeving (KB 24 februari 1977), - 64D - Commodo - incommodo (milieuvergunning), - 64E - Sluikstorten, - 64F - Beheer van afvalstoffen, - 64G - Illegale waterwinning, - 64H - Exploitatie van een inrichting zonder vergunning, - 64I - Niet naleven Vlarem-wetgeving, - 64J - Vlaams decreet betreffende het natuurbehoud en natuurlijk milieu (21 oktober 1997), - 64L - Invoer en doorvoer van afvalstoffen (wet 12 mei 2011), - 64M - Oppervlaktewaterverontreiniging, - 64N - Grondwaterverontreiniging. - 66B - Ruimtelijke ordening en stedenbouw, - 66C - Reclameborden, - 66F - Bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten (Vlaams decreet 3 maart 1976) - 66G - Vellen hoogstammige bomen Wanneer meer dan één van de geselecteerde codes voorkomt in eenzelfde zaak, wordt deze zaak in de tabellen gepresenteerd op basis van de voornaamste van die geselecteerde tenlasteleggingen. Zaken die op het moment van de gegevensextractie nog niet in hun totaliteit op het parket beland zijn, worden niet mee verrekend. Concreet wordt verwezen naar de zogenaamde ‘vereenvoudigde processen-verbaal op listing’, de ‘nog lopende autonome politionele //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 88 van 142
opsporingsonderzoeken’, de ‘vereenvoudigde autonome politionele opsporingsonderzoeken’ en de ‘autonome politionele opsporingsonderzoeken onbekende dader’. In de meeste parketten worden de door de politiediensten opgestelde vereenvoudigde processen-verbaal (VPV’s) immers niet in de geïnformatiseerde systemen geregistreerd. Er werd hier dan ook geen rekening gehouden met die op listing bijgehouden VPV’s. Wanneer het proces-verbaal in tweede instantie alsnog opgevraagd werd door het parket, wordt wel rekening gehouden met deze zaken. Er moet in het algemeen trouwens rekening gehouden worden gehouden met het feit dat sommige milieumisdrijven die in een klassiek proces-verbaal aan de parketten overgemaakt werden niet in de statistieken voorkomen omdat er bijvoorbeeld een ander primair misdrijf in de zaak is (bv. diefstal) waardoor het milieuaspect niet in de geïnformatiseerde systemen wordt geregistreerd, of omdat nieuwe feiten vaak in gegroepeerde aanvankelijke processen-verbaal worden gegoten als een onderzoek werd opgestart waardoor een onderschatting van het fenomeen milieucriminaliteit ontstaat. De cijfergegevens geven enkel een beeld van het aantal zaken m.b.t. milieucriminaliteit dat volgens de registraties in de geïnformatiseerde systemen door de correctionele parketten wordt behandeld, en zijn dus geen indicatie van de omvang van dit crimineel fenomeen. Zo heeft de invoering van de gemeentelijke administratieve sancties voor kleine vormen van overlast (zoals het achterlaten van zwerfvuil vanaf 29 februari 2008) o.a. een impact op de instroom van milieuzaken op de parketten. Bij het bekijken van de gegevens over de vooruitgangstaat moet rekening gehouden worden met de samenwerkingsverbanden. In West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen bestaat een samenwerkingsverband tussen de verschillende voormalige parketten (momenteel afdelingen) waardoor één parket/afdeling alle zaken met betrekking tot gespecialiseerde materies binnen dat rechtsgebied behandelt. Voor West-Vlaanderen is de afdeling Kortrijk bevoegd voor milieu- en ruimtelijke ordeningsdossiers en voor Oost-Vlaanderen is het de afdeling Gent. Binnen het rechtsgebied Antwerpen is er sinds 2016 het zaakverdelingsreglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, wat betekent dat de afdeling Antwerpen exclusief bevoegd is voor alle strafzaken van het arrondissement inzake milieu en stedenbouw. Tevens worden sinds 2017 de dossiers inzake milieu en stedenbouw van het arrondissement Limburg in de afdeling Hasselt gecentraliseerd. De teleenheid bij de tabellen is telkens gelijk aan één zaak. Elke zaak komt overeen met één uniek notitienummer. Een zaak kan uiteraard betrekking hebben op meerdere verdachten en/of meerdere misdrijven. Een relatief groot aantal zaken wordt vanwege territoriale redenen ter beschikking gesteld aan een ander parket. Dit betekent dat een dossier in principe wordt behandeld door het parket dat territoriaal bevoegd is voor de plaats waar het misdrijf heeft plaatsgevonden. Wanneer een proces-verbaal betrekking heeft op een plaats die gelegen is buiten het eigen arrondissement, dan gaat dit dossier naar het parket dat bevoegd is voor deze plaats. Dit parket neemt de behandeling over en het dossier krijgt een nieuw nummer. Aangezien een indicatie van de instroom bij de parketten wordt gegeven en een ter beschikking gestelde zaak in een groot aantal gevallen binnen de referentieperiode zowel instroomde op het parket van herkomst als op het parket van bestemming, worden zowel het originele notitienummer als het notitienummer van de terbeschikkingstelling opgenomen in de cijfergegevens. De gepresenteerde parketstatistieken betreffen geen criminaliteits- of feitenstatistieken en mogen dus ook niet zo worden geïnterpreteerd.
7.1.1
VTE PARKETMAGISTRATEN
Onderstaande figuur geeft een overzicht van het aantal VTE in parketten in 2020 voor milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening.
Figuur 6 Aantal VTE in 2020 door de parketten besteed aan milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 89 van 142
7.1.2
INSTROOM
Onderstaande gegevens presenteren het aantal zaken milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening geregistreerd in 2020 door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest, per verbaliserende overheid en per thema (tenlastelegging).
Figuur 7 Aantal zaken milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening per verbaliserende overheid, geregistreerd in 2020
Figuur 8 Aantal zaken milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening per thema, geregistreerd in 2020
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 90 van 142
7.1.3
VOORUITGANGSSTAAT d.d. 9 januari 2021
Onderstaande gegevens presenteren de vooruitgangsstaat op 9 januari 2021 van de zaken milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest. Deze vooruitgangsstaten worden eerst verduidelijkt in onderstaande definiëringen. Vooronderzoek: Deze categorie omvat alle zaken die nog in vooronderzoek waren op 9 januari 2021.
Seining van de dader: Deze rubriek omvat de zaken waarin op 9 januari 2021 een verdachte het voorwerp uitmaakt van een seining (deze vooruitgangsstaat werd voor de inwerkingtreding van de COL 16/2014 op 1 januari 2015 als een zondergevolgstelling met het motief ‘‘seining van de dader’’ weerhouden). Zolang de verdachte niet wordt aangetroffen, zal deze vooruitgangsstaat van toepassing blijven.
Zonder gevolg: Deze rubriek omvat de zaken die zich op 9 januari 2021 in de vooruitgangsstaat zonder gevolg bevonden. Met een zondergevolgstelling wordt voorlopig afgezien van verdere vervolging en wordt het vooronderzoek beëindigd. Zolang de strafvordering niet vervalt, kan de zaak heropend worden.
Ter beschikking: Deze rubriek omvat de zaken die op 9 januari 2021 ter beschikking gesteld werden aan een ander parket of andere (gerechtelijke) instantie. Voor zover ze niet terugkeren naar het parket van oorsprong, blijven ter beschikking gestelde zaken hier in deze vooruitgangsstaat. Voor dit parket kunnen zij dus als afgesloten beschouwd worden. Zij worden onder een ander notitienummer heropend bij het parket van bestemming.
Pretoriaanse probatie: Deze rubriek omvat de zaken die op 9 januari 2021 (nog) geen strafrechtelijk gevolg gekregen hebben op voorwaarde dat bepaalde door het parket opgelegde maatregelen nageleefd werden (deze vooruitgangsstaat werd voor de inwerkingtreding van de COL 16/2014 op 1 januari 2015 als een zondergevolgstelling met het motief ‘‘pretoriaanse probatie’’ weerhouden).
Gemeentelijke administratieve sanctie: Deze rubriek omvat de zaken die op 9 januari 2021 werden overgemaakt aan een overheidsdienst met het oog op een eventuele gemeentelijke administratieve sanctie (deze vooruitgangsstaat werd voor de inwerkingtreding van de COL 16/2014 op 1 januari 2015 als een zondergevolgstelling met het motief ‘‘administratieve geldboete’’ weerhouden).
Niet-gemeentelijke administratieve sanctie: Deze rubriek omvat de zaken die op 9 januari 2021 werden overgemaakt aan een overheidsdienst met het oog op een eventuele niet-gemeentelijke administratieve sanctie (deze vooruitgangsstaat werd voor de inwerkingtreding van de COL 16/2014 op 1 januari 2015 als een zondergevolgstelling met het motief ‘‘administratieve geldboete’’ weerhouden).
Minnelijke schikking: Deze rubriek omvat de zaken waarin een minnelijke schikking werd voorgesteld en waarvoor nog een eindbeslissing geregistreerd moet worden (met inbegrip van de gedeeltelijk betaalde minnelijke schikkingen), de zaken die werden afgesloten door de betaling van de minnelijke schikking en waar de strafvordering vervalt, en ten slotte de zaken waarin de minnelijke schikking werd geweigerd, maar die sindsdien nog niet zijn overgegaan naar een volgende vooruitgangsstaat.
Bemiddeling en maatregelen: Deze rubriek omvat de zaken waarin het Openbaar Ministerie beslist heeft een procedure van bemiddeling en maatregelen aan de betrokken partijen voor te stellen. In deze categorie bevinden zich de zaken waarin een bemiddeling en maatregelen werd voorgesteld en waarin voor de betrokken partijen nog een beslissing moet genomen worden, de zaken die werden afgesloten door het voltooien van de bemiddeling en maatregelen en waar de strafvordering vervalt, en ten slotte de zaken waarin de dader niet aan de vereiste voorwaarden heeft voldaan, maar die sindsdien nog niet zijn overgegaan naar een volgende vooruitgangsstaat.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 91 van 142
Onderzoek: De rubriek onderzoek bevat de zaken die in gerechtelijk onderzoek werden gesteld en die nog niet werden vastgesteld voor de raadkamer voor regeling van de rechtspleging.
Raadkamer: Deze rubriek bevat zaken vanaf de fase van regeling van de rechtspleging tot op het moment dat er een eventuele vaststelling voor de correctionele rechtbank is. Zaken waarin wordt afgezien van verdere vervolging, blijven deze vooruitgangsstaat behouden.
Dagvaarding & verder: Deze rubriek omvat de zaken waarin een dagvaarding of een daaropvolgende beslissing werd genomen. Het gaat om zaken waarin een dagvaarding, een vaststelling voor de correctionele rechtbank, een vonnis, een verzet, een beroep, enz. voorkomt.
Verwijzing naar de korpschef: Deze rubriek omvat de zaken m.b.t. een inbreuk op het militair strafwetboek die op 9 januari 2021 door het Openbaar Ministerie werden verwezen naar een korpscommandant met het oog op een eventuele tuchtrechtelijke sanctie (deze vooruitgangsstaat werd voor de inwerkingtreding van de COL 16/2014 op 1 januari 2015 als een zondergevolgstelling met het motief ‘‘verwijzing naar de korpschef voor disciplinaire maatregelen’’ weerhouden). De verwijzing naar korpscommandant dooft de strafvordering uit.
Onbekend/error: Deze rubriek omvat de zaken waarvoor de vooruitgangsstaat niet achterhaald kon worden. Vaak gaat het om gevoegde zaken waarbij de registraties in het MACH-systeem niet toelaten om te achterhalen wat de vooruitgangsstaat is van de zaak waaraan er gevoegd werd.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 92 van 142
Figuur 9 Vooruitgangsstaat zaken van 2020 aangaande milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening d.d. 9 januari 2021
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 93 van 142
7.1.4
SEPONERING
Bij de vooruitgangsstaat ‘‘zonder gevolg’ moet rekening gehouden worden met het motief voor seponeren. De wet legt aan de procureur des Konings de verplichting op om zijn beslissing te motiveren (art. 28 quater al. 1 van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd door de wet van 12 maart 1998). Onderstaande gegevens presenteren de motieven tot zondergevolgstelling gegroepeerd in 2 categorieën: technische motieven en opportuniteitsmotieven.
Technische motieven
Figuur 10 Seponering zaken van 2020 aangaande milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening --- technische motieven
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 94 van 142
Opportuniteitsmotieven
Figuur 11 Seponering opportuniteitsmotieven
zaken
van
2020
aangaande
milieuhandhaving
en
handhaving
ruimtelijke
ordening
---
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 95 van 142
7.2 BESTUURLIJK 7.2.1
GEWESTELIJKE BEBOETINGSENTITEIT
Naast bovenstaand strafrechtelijk spoor bestaat er zowel in de VCRO als in het DABM een kader voor een bestuurlijk sanctioneringsspoor aan de hand van bestuurlijke transacties, alternatieve bestuurlijke geldboeten voor misdrijven en exclusieve bestuurlijke geldboeten voor inbreuken. De gewestelijke beboetingsentiteit --- onderdeel van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving --- staat in voor de behandeling van enerzijds de dossiers die het ontvangt van de parketten (misdrijven) en van anderzijds de ontvangen verslagen van vaststelling (inbreuken). De gewestelijke beboetingsentiteit kan: - bestuurlijke transacties voorstellen in bepaalde dossiers; na betaling van de voorgestelde geldsom (transactie) vervalt de boeteprocedure. Wanneer de overtreder echter niet wenst in te gaan op het voorstel van bestuurlijke transactie, hervat de gewestelijke beboetingsentiteit de procedure voor het opleggen van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete. - alternatieve bestuurlijke geldboetes opleggen voor misdrijven in het kader van dossiers ontvangen van het parket (en die dus niet strafrechtelijk zullen worden behandeld --- cf. onderdeel van de vooruitgangsstaat niet-gemeentelijke administratieve sanctie). - exclusieve bestuurlijke geldboeten opleggen voor inbreuken in het kader van door de gewestelijke beboetingsentiteit ontvangen verslagen van vaststelling. - beslissen om een voordeelontneming te koppelen aan een boetedossier inzake milieu. - beslissen om het dossier inzake ruimtelijke ordening (inbreuk of misdrijf) te seponeren. - beslissen om geen geldboete op te leggen wegens termijnoverschrijding bij het overmaken van het dossier door het parket, faillissement vermoedelijke overtreder, onvoldoende vaststaand misdrijf, of onvoldoende vaststaand daderschap. Onderstaande grafieken geven de activiteiten van de gewestelijke beboetingsentiteit in 2020 weer, opgesplitst voor enerzijds de misdrijven en anderzijds de inbreuken. Tegen de boetebeslissingen van de gewestelijke beboetingsentiteit kan beroep worden ingesteld bij het Handhavingscollege (7.2.2) Noot: in tegenstelling tot bij de parketten is de teleenheid van de behandelde dossiers--- genomen beslissingen - bij de gewestelijke beboetingsentiteit niet gelijk deze van de ontvangen dossiers (proces-verbaal of verslag van vaststelling. Eén ontvangen dossier kan resulteren in meerdere boetebeslissingen Dit maakt dat het aantal opgelegde boetes geen één op één relatie is met het aantal ontvangen dossiers.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 96 van 142
Misdrijven
Figuur 12 Activiteiten Gewestelijke Beboetingsentiteit inzake misdrijven in 2020
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 97 van 142
Inbreuken
Figuur 13 Activiteiten Gewestelijke Beboetingsentiteit inzake inbreuken in 2020
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 98 van 142
7.2.2
HANDHAVINGSCOLLEGE
Het Handhavingscollege (voorheen Milieuhandhavingscollege10) is een onafhankelijk administratief rechtscollege dat werd opgericht naar aanleiding van artikel 16.4.19 van het DABM. Het doet uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tegen - beslissingen van de gewestelijke beboetingsentiteit die werden genomen na de vaststelling van een stedenbouwmisdrijf of -inbreuk en die de oplegging van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete inhouden; - beslissingen die werden genomen na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf en die de oplegging van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete inhouden, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, De beslissingen die het Handhavingscollege kan nemen, zijn opgenomen in artikel 16.4.19, §3, van het Milieuhandhavingsdecreet. Het Handhavingscollege kan beslissen dat het beroep gegrond is. In dit geval vernietigt het Handhavingscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk, waarna (in regel) de gewestelijke beboetingsentiteit een nieuwe beslissing kan nemen, behalve in die gevallen waarin zij niet of niet meer bevoegd is. Het Handhavingscollege kan evenwel ook zelf een beslissing nemen over het bedrag van de geldboete of de voordeelontneming, en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt; het beroep ongegrond is. Het Handhavingscollege beslist in dit geval eveneens tot een afwijzing van het beroep, evenwel na de behandeling ten gronde ervan. Deze beslissing houdt een bevestiging in van de bestreden boetebeslissing op het beroepen aspect; het niet bevoegd is om het beroep te behandelen, in welk geval het beslist tot afwijzing van het beroep; het beroep onontvankelijk is. Ook dan beslist het Handhavingscollege tot een afwijzing van het beroep zonder tot een behandeling ten gronde te kunnen overgaan; Onderstaande tabel geeft de activiteiten van het Handhavingscollege in 2020 weer met betrekking tot de ingediende beroepen tegen boetebeslissingen van de gewestelijke beboetingsentiteit. BEROEPEN
Misdrijven
Inbreuken
Totaal
84
7
97
Beroep onontvankelijk (na vereenvoudigde procedure)
8
3
11
Beroep ongegrond, boete bevestigd
36
2
38
Beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, met vermindering/kwijtschelding boete
1
0
1
Beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, beslissing gewestelijke entiteit van de afdeling
4
1
5
Inwilliging afstand van beroep
1
0
1
Beroep zonder voorwerp verklaard
0
0
0
Tussenarrest
1
0
1
51
6
57
Ontvangen in 2020 ARRESTEN
Handhaving van het departement Omgeving vernietigd zonder meer
Totaal Figuur 14 Activiteiten Handhavingscollege in 2020
10
Met de inwerkingtreding van de regelgeving omtrent de handhaving van de Omgevingsvergunning, werd het Milieuhandhavingscollege sinds 1 maart 2018 hernoemd naar het ‘Handhavingscollege’.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 99 van 142
8 BESCHOUWINGEN Dit onderdeel belicht een aantal globale vaststellingen aangaande de handhavingsuitvoering in 2020 op basis van bovenstaande data. Hiervoor werden ook data gebruikt uit de milieuhandhavingsrapporten en de handhavingsrapporten ruimtelijke ordening van de voormalige Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. Het opzet is echter niet om het volledige gamma van cijfergegevens zoals gepresenteerd in de voorgaande hoofstukken te bespreken en te analyseren. Een beleidsmatige evaluatie, gekoppeld aan het omgevingshandhavingsprogramma, zal in een later stadium worden opgemaakt.
8.1 OMGEVING IS (VOORLOPIG) EEN VERHAAL VAN RUIMTE + MILIEU Dit OHR2020 is het eerste handhavingsrapport dat beide domeinen integreert. Voor 2020 werden de domeinen door de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM) afzonderlijk behandeld in een milieuhandhavingsrapport en een handhavingsrapport ruimtelijke ordening. Bij de rapportering valt echter meteen op dat er (nog) geen sprake is van een zuivere geïntegreerde omgevingshandhaving. Beide domeinen kaderen (voorlopig) nog in een afzonderlijke regelgeving, enerzijds het DABM en anderzijds de VCRO. Dit weerspiegelt zich veelal ook in de uitvoering, de gebruikte terminologie, de (deels) verschillende procedures, het instrumentarium,… Bij milieuhandhaving wordt bijvoorbeeld het inspectie-luik hoofdzakelijk uitgevoerd door één protagonist, namelijk de toezichthouder11, die kan worden aangesteld op de verschillende bestuursniveaus (lokaal, provinciaal en gewestelijk) en het volledige instrumentarium --- van controle, tot proces-verbaal, tot bestuurlijke maatregel,… --- kan inzetten voor de door hem/haar specifiek te handhaven milieuregelgeving. De toezichthouder beschikt tevens over de discretionaire bevoegdheid --- bevoegdheid om zelf te oordelen - om dit instrumentarium in te zetten, binnen de contouren van het DABM (en mogelijks interne richtlijnen van de inspectiedienst). Op lokaal niveau is een minimumaantal toezichthouders verplicht. Bij ruimtelijke ordening zijn er twee soorten spelers actief in het handhavingsgebeuren: enerzijds de verbalisant/agent en officier van gerechtelijke politie en anderzijds de stedenbouwkundig inspecteur/burgemeester12. Beide rollen hebben specifieke bevoegdheden binnen de VCRO. Zo heeft de stedenbouwkundig inspecteur/burgemeester geen vaststellingsbevoegdheid op het terrein; enkel de verbalisanten/agenten en officieren van gerechtelijke politie. De verbalisanten/agenten en officieren van gerechtelijke politie maken, naast de plaatsbezoeken, gebruik van instrumenten zoals het proces-verbaal en het stakingsbevel. De stedenbouwkundige inspecteur/burgemeester kan daarentegen gebruik maken van de instrumenten die inzetten op herstel (gerechtelijke herstelvorderingen, last onder dwangsom en bestuursdwang, minnelijke schikkingen). Het is echter wel mogelijk om één en dezelfde persoon aan te stellen als verbalisant en als stedenbouwkundig inspecteur. In de VRCO is er geen verplichting tot de aanstelling van verbalisanten of stedenbouwkundig inspecteurs voorzien. Zowel op gewestelijk als op lokaal niveau (gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden) kunnen verbalisanten en stedenbouwkundige inspecteurs aangesteld worden. Zij handhaven dezelfde regelgeving.
11 12
De burgemeester heeft tevens ook een bevoegdheid inzake het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Ook inzake RO heeft de burgemeester bevoegdheden, gelijklopend aan deze van stedenbouwkundig inspecteur.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 100 van 142
De verbalisanten en stedenbouwkundige inspecteurs werken --- net zoals de toezichthouders --- in een wetgevend kader, namelijk de VCRO (en mogelijk interne richtlijnen van de inspectiedienst). Daarnaast worden hun activiteiten gemarkeerd door: - het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015, bindend voor de gewestelijke actoren en aanbevelend voor de andere bestuursniveaus. In dit programma werd een globale trajectaanpak uitgewerkt waarin de inzet van de instrumenten en hun onderlinge verhouding en opeenvolging wordt bepaald13, zoals bijvoorbeeld de strikte randvoorwaarden voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Voor milieu was in 2020 ook nog steeds het Milieuhandhavingsprogramma 201514 van toepassing, al bestaat dit op geen enkele wijze uit bindende richtlijnen, slechts overkoepelende aanbevelingen. Het nieuwe omgevingshandhavingsprogramma zal beide domeinen geïntegreerd behandelen en zal overkoepelende strategische en operationele beleidsdoelstellingen en beleidsprioriteiten voor een gewestelijk geïntegreerd en afgestemd omgevingshandhavingsbeleid bevatten. De overkoepelende beleidsdoelstellingen zullen de gewestelijke beleidsvisie omvatten en de gewestelijke beleidslijnen voor omgevingshandhaving. - De gewestelijke handhavingsprioriteiten Ruimtelijke Ordening, vastgesteld op basis van een aantal richtlijnen/criteria zoals opgenomen in het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015.15 - De gezamenlijke prioriteiten: het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening voorzag ook dat de gewestelijke inspectiedienst samen met de gemeentelijke partners gezamenlijke prioriteiten kon opnemen. Deze worden door het gewest ook als prioritair behandeld en zijn tot stand gekomen na een bevraging bij de lokale overheden.16 - de bindende adviezen van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering; specifiek over het al dan niet kunnen inleiden van een herstelvordering door de stedenbouwkundige inspecteur bij het Openbaar Ministerie en het al dan niet kunnen overgaan tot een ambtshalve uitvoering van een door de rechter bevolen herstelmaatregel) Een ander opvallend verschil heeft betrekking op de bestuurlijke beboeting. Daar waar de gewestelijke beboetingsentiteit dossiers inzake ruimtelijke ordening kan seponeren wegens de opportuniteitsreden geen prioritaire overtreding, bestaat deze mogelijkheid niet bij milieumisdrijven die worden doorgestuurd naar de gewestelijke beboetingsentiteit. Deze optie tot bestuurlijk sepot in de VCRO werd gemotiveerd door het gegeven dat stedenbouwkundige misdrijven, zeker in vergelijking met de beschikbare personeelsmiddelen, vooralsnog zo talrijk zijn, dat een volledige bestuurlijke vervolgingsgraad niet haalbaar is17. De twee domeinen behouden op bepaalde vlakken een afzonderlijk instrumentarium en procedures, gekoppeld aan de eigenheid van de twee regelgevingen. Dit maakt een volledige uniforme set van instrumenten allicht (nog) niet mogelijk noch wenselijk, maar het staaft het gegeven dat omgevingshandhaving op bepaalde vlakken nog steeds een verhaal is van enerzijds milieu én anderzijds ruimtelijke ordening en er (nog) geen zuivere integratie is van twee handhavingsstelsels, eerder twee compatibele handhavingsstelsels naast elkaar.
13
https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/handhavingsprogramma%20RO.pdf; p.7 https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/17953 https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/HandhavingsprioriteitenRO_gewestelijk_2017.pdf 16 Mededeling aan de leden van de Vlaamse Regering --- gewestelijke en gezamenlijke prioriteiten handhavingsbeleid ruimtelijke ordening 2017 --- VR 2016 2312 MED.0509/1 en VR 2016 2312 MED.0509/3 https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/Gezamenlijke%20Handhavingsprioriteiten%20ruimtelijke%20ordening.pdf 17 Memorie van Toelichting bij ontwerp van decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, stuk 2419 (2013-2014) --- Nr. 1, p.12 14
15
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 101 van 142
Het Kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving18 zou, als de regelgeving rond milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening zich hier zouden in positioneren, een verdere integratie kunnen bewerkstelligen. Dit kader ambieert immers de stroomlijning van de handhavingsregelingen- en procedures in Vlaanderen en omvat onder andere bepalingen over het bestuurlijk toezicht, het strafrechtelijk en het bestuurlijk opsporingsonderzoek, de bestuurlijke vervolging, het bestuurlijk sanctioneren van misdrijven en inbreuken. In de beleidsnota Justitie en Handhaving 2019-2024 van minister Demir wordt aangegeven dat het in 2019 goedgekeurde Kaderdecreet Bestuurlijke Handhaving zal worden geëvalueerd en dat wordt onderzocht hoe dit verder kan stroomlijnen binnen zo veel mogelijk beleidsdomeinen.19 Ook het Departement Omgeving zelf onderzoekt perspectieven voor een meer geïntegreerd omgevingsrecht.20
8.2 BREDE VERSPREIDING VAN DE MILIEUHANDHAVINGSBEVOEGDHEDEN VERSUS COMPACTE SET HANDHAVINGSACTOREN RUIMTELIJKE ORDENING Wat ook meteen opvalt in bovenstaande handhavingsfiches zonder nog maar een blik te werpen op de cijfers, is de grote spreiding van de milieuregelgeving en de handhavingsbevoegdheden over een veelheid aan actoren tegenover een compacte set aan te handhaven regelgeving over een compacte set aan handhavingsactoren bij ruimtelijke ordening. Bij milieu moeten er heel wat regelgevingen van verschillende bestuursniveaus gehandhaafd worden door een dozijn gewestelijke toezichtsinstanties, de provincies en lokale handhavingsinstanties (gemeenten, politiezones en/of intergemeentelijke verenigingen). Deze actoren hebben elk hun specifieke complementaire set te handhaven regelgevingen. Als wordt gekeken naar de cijfers van de gewestelijke toezichthoudende milieuhandhavingsinstanties voor personele inzet van middelen (aantal aangestelde gewestelijke toezichthouders en aantal voltijdsequivalenten besteed aan milieuhandhaving binnen de instantie (zowel door de toezichthouders als door de administratieve ondersteuning)21 wordt duidelijk dat milieuhandhaving niet voor elke instantie een hoofdtaak vormt.
18
BS 13 mei 2019 Beleidsnota Justitie en Handhaving, p.30 20 https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/Presentatie%20beleidsforum%201%20december%202020%20Beleidsverkenningen% 20deel%201.pdf ASTREA, eindrapport Verkenning naar de mogelijkheden tot integratie van de regelgeving inzake omgeving (OMG-BJO/2019/E-01) (2019) 21 Het feit dat bij de berekening van het aantal VTE ook de administratieve ondersteuning wordt geteld verklaart het gegeven dat bij het departement Omgeving --- afdeling Handhaving --- Omgevingsinspectie het aantal VTE hoger ligt dan het aantal aangestelde gewestelijke toezichthouders. 19
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 102 van 142
Figuur 15 Aantal gewestelijke toezichthouders in 2020
Figuur 16 Aantal VTE besteed aan milieuhandhaving door gewestelijke instanties
Er kan immers worden vastgesteld dat er een aantal actoren zijn met veel toezichthouders waar de toezichthoudende instantie ook effectief veel VTE beschikbaar stelt voor handhaving. Dit is vooral het geval voor het Departement Omgeving --- afdeling Handhaving --- Omgevingsinspectie, de Vlaamse Landmaatschappij en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij. Bij de andere instanties worden toezichthouders aangesteld maar werd er procentueel gezien minder dan 50% VTE (t.o.v. het aantal toezichthouders) besteed aan handhaving. Dit wordt verklaard door het feit dat handhaving slechts een klein deel van het totaal takenpakket uitmaakt van de instantie of door het feit dat veel personeelsleden die werden aangesteld als toezichthouder daarnaast ook nog andere, niet aan handhaving gerelateerde, taken uitvoeren, maar wel de nodige toezichtsbevoegdheden hebben om ook de nodige slagkracht te hebben op het terrein (veel ogen op het terrein). In de VCRO worden de te handhaven schendingen, de bouwmisdrijven en bouwinbreuken, omschreven in de artikelen 6.2.1 en 6.2.2. De handhaving ervan kan gebeuren op gewestelijk niveau (voornamelijk afdeling Handhaving van het Departement Omgeving22) of op lokaal niveau (gemeenten, intergemeentelijke verenigingen, lokale politie). Het provinciale niveau heeft geen rol in de handhaving ruimtelijke ordening. Er is geen uitgesproken verdeling in de VCRO over wie wat handhaaft en op welke manier. Het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 geeft hierover aan dat het gewest de rol op zich neemt als trekker van het handhavingsbeleid op het vlak van coaching, sturing en ondersteuning van de andere actoren en dat partnerschap met sterke lokale besturen de ondersteuning van de gemeentelijke partners in het voeren van een gemeentelijk handhavingsbeleid impliceert en het faciliteren en helpen uitbouwen van samenwerkingsverbanden tussen de gemeentelijke partners. Ook wordt in dit handhavingsprogramma bepaald dat, zowel in het kader van toezicht als bij de behandeling van klachten, de prioriteiten de belangrijkste en eerst te hanteren toetsingscriteria zijn. Het prioriteitenbeleid kan zowel gewestelijk als gemeentelijk worden vastgelegd zodat de prioriteiten op deze niveaus verschillend kunnen zijn, maar mogelijks ook overlappend of doorkruisend. Bij samenloop van gemeentelijke en gewestelijke prioriteiten moet de subsidiariteit maximaal gerespecteerd worden. Elk niveau bepaalt zijn eigen prioriteiten en neemt zijn verantwoordelijkheid inzake handhaving rekening houdend met het Handhavingsprogramma. De 22
Het Agentschap Natuur en Bos en de Vlaamse Wooninspectie hebben ook handhavingsbevoegdheden inzake de VCRO.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 103 van 142
gemeentelijke overheden kunnen maximaal hun eigen handhavingsbeleid opnemen.23 De gewestelijke en gezamenlijke prioriteiten voor het Vlaams Gewest werden vastgelegd in 2016.24 Ter ondersteuning van de gemeenten heeft de Vlaamse Hoge Handhavingsraad in 2019 een stappenplan opgemaakt voor het bepalen van handhavingsprioriteiten ruimtelijke ordening.25 Uit deze rapportering blijkt dat in 2020 39% van de responderende gemeenten prioriteiten had vastgelegd voor de handhaving ruimtelijke ordening. Er kan dus worden gesteld dat er heel wat --- voornamelijk op vlak van milieu - verschillende actoren actief zijn in het omgevingshandhavingslandschap en dat afstemming tussen deze actoren noodzakelijk lijkt. De samenwerking tussen en ondersteuning van de verschillende omgevingshandhavingsactoren op de verschillende bestuursniveaus gebeurde tot 2020 formeel in de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM) en sinds 2021 in het Forum Omgevingshandhaving. Op dit netwerk -en kennisplatform voor de handhavingspartners wisselen ze informatie uit over hun taken en opdrachten en wordt de onderlinge kennisdeling gefaciliteerd om de stroomlijning van de handhaving te stimuleren26. Daarnaast bestaan er nog andere diverse fora waar informatie wordt uitgewisseld tussen verschillende actoren, zoals bijvoorbeeld de stuurgroep Omgevingshandhaving, de werkgroep Omgevingshandhaving,…
8.3 LOKALE HANDHAVING27 VS GEWESTELIJKE HANDHAVING Bij de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet werd in de memorie van toelichting aangegeven dat de gewestelijke milieu-inspectiediensten de centrale spil van het milieuhandhavingsgebeuren blijven, hoewel de provincies en de gemeenten verplicht werden om een toezichthouder aan te stellen en ook een eigen specifieke set te handhaven regelgeving te hebben. Gelet op de veelheid en geografische spreiding van de inspectietaken en de complexiteit van de te controleren materies is het aanstellen van enkel gewestelijke toezichthouders immers niet wenselijk.28 Voor ruimtelijke ordening wordt voor de verhouding tussen het lokale en het gewestelijke niveau in het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 aangegeven dat het subsidiariteitsbeginsel volledige uitwerking krijgt en elk niveau zijn eigen prioriteiten bepaalt en zijn verantwoordelijkheid neemt inzake handhaving, rekening houdend met het handhavingsprogramma.29 In VCRO is er echter geen verplichting voor de gemeenten om een verbalisant of een stedenbouwkundig inspecteur aan te stellen. In de memorie van toelichting (Reguleringsimpactanalyse) bij het decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning wordt de rol van de gemeenten benadrukt door aan te geven dat ook het gemeentelijk niveau, met inbegrip van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en politiezones, een cruciale rol speelt in de handhaving. Het lokale niveau dient in eerste lijn de overheid te zijn, die klachten van derden zal ontvangen en zal behandelen of in voorkomend geval voor passend gevolg zal doorsturen naar het bevoegde gewestelijke handhavingsorgaan.30 De handhavingsfiches zoomen in op de activiteiten van de afzonderlijke handhavingsactoren. In onderstaande grafische weergaven worden bepaalde gegevens echter gebundeld om op die 23
https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/handhavingsprogramma%20RO.pdf; p. 7, p.15 en p.19 https://omgeving.vlaanderen.be/node/3257#80324793-6a7b-4720-93f6-e006f05a579a VR 2016 2312 MED.0509/2 en VR 2016 2312 MED. 0509/3 25 http://www.vhrm.be/sites/default/files/WER-19.4.2.002%20stappenplan%20DE.pdf 26 DABM, artikel 16.2.4 27 Het betreft hier de gemeenten, lokale politiezones en intergemeentelijke verenigingen 28 https://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1025739, p. 8 en p. 28 29 Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, p. 15 30 https://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2013-2014/g2419-1.pdf, p. 283 24
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 104 van 142
manier een behapbaar overzicht te krijgen van de inzet van personele middelen en de inzet van het instrumentarium op het lokale niveau (aggregatie datagegevens van de gemeenten, de lokale politie en de intergemeentelijke verenigingen), het provinciaal niveau (enkel milieu) en het gewestelijk niveau (aggregatie datagegevens van de gewestelijke handhavingsinstanties)
Noot: aangezien er geen 100% responsgraad is, kunnen de gegevens enkel een indicatie weergeven.
212
Lokale actoren
Provinciale actoren
Gewestelijke actoren
314
16 20 433
Verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs Toezichthouders Figuur 17 Aantal verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs en aantal toezichthouders in het Vlaamse Gewest in 2020
De verplichte aanstelling van toezichthouders op de verschillende bestuursniveaus laat zich zichtbaar merken in de absolute aantallen van aangestelde toezichthouders ten opzichte van het aantal verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs31.. Op gemeentelijk en zelfs nog meer op gewestelijk niveau neemt de aanstelling van milieutoezichthouders de bovenhand ten opzichte van de specifieke handhavingsrollen voor ruimtelijke ordening. wat ook kan worden vastgesteld, is de hoeveelheid verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs op lokaal niveau ten aanzien van het aantal verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs actief bij de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving, in een verhouding van 87% op lokaal niveau versus 13% op gewestelijk niveau. 2% van alle aangestelde milieutoezichthouders zijn provinciale toezichthouders, 41% lokaal en 57% gewestelijk.
31
In de praktijk zijn dit niet steeds andere personen; verbalisanten kunnen ook worden aangesteld als stedenbouwkundige inspecteur en vice versa.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 105 van 142
137,9
Lokale actoren
Provinciale actoren
Gewestelijke actoren
93,0
1,7 23,1 197,2
VTE ruimtelijke ordening
VTE milieu
Figuur 18 Aantal VTE besteed aan omgevingshandhaving in het Vlaamse Gewest in 2020
Correcter is echter om niet de formele --- mogelijks pro forma - aanstellingen te ontleden, maar de effectief ingezette personele middelen. Bij de lokale actoren verschuift immers de verhouding milieu-ruimtelijke ordening als wordt gekeken naar de ingezette voltijds equivalenten. Dit kan (deels) worden verklaard door de VTE ingezet voor ruimtelijke ordening door de Lokale politie die niet in de mogelijkheid zijn om verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs aan te stellen, waar dit wel mogelijk is voor toezichthouders. Op lokaal vlak wordt omgevingshandhaving ingevuld met personele middelen inzake milieu ten opzichte van ruimtelijke ordening in een verhouding 40% - 60%. Op het gewestelijk niveau blijft milieu het leeuwendeel uitmaken met bijna 90% van de ingezette VTE voor omgevingshandhaving. 0,7% van het totaal VTE besteed aan milieuhandhaving in Vlaanderen werd besteed door provinciale toezichthouders.
Lokale actoren
Provinciale actoren
Gewestelijke actoren
Plaatsbezoeken ruimtelijke ordening Milieuhandhavingscontroles
Figuur 19 Aantal plaatsbezoeken RO en milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in het Vlaamse Gewest in 2020
Als wordt gekeken naar het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles/ plaatsbezoeken ruimtelijke ordening valt meteen het gewestelijke overwicht op, zeker op vlak van milieuhandhavingscontroles. Van de bijna 50.000 ‘‘omgevingshandhavingscontroles’’ werd 63% uitgevoerd door gewestelijke milieutoezichthouders. Daarnaast wordt opnieuw duidelijk dat op het gewestelijk niveau milieu de overhand neemt. Op lokaal niveau ligt de verhouding --weliswaar minder uitgesproken --- anders, 56% van de controle had betrekking op ruimtelijke ordening en 44% op milieu. 0,3% van het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles werd uitgevoerd door de provinciale toezichthouders.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 106 van 142
Gewestelijke actoren
Provinciale actoren
Lokale actoren
Figuur 20 Inzet handhavingsinstrumentarium milieu en ruimtelijke ordening door handhavingsactoren in 2020
Wanneer wordt gekeken naar de inzet van de andere handhavingsinstrumenten, valt op dat het instrument van de aanmaning, zowel door alle actoren als in beide domeinen, het meest wordt ingezet. Als toezichthouders bij de uitoefening van hun toezichtopdracht een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen32. Deze zachte aanpak waarbij niet meteen een proces-verbaal of een verslag van vaststelling wordt opgesteld (in 2020 bij minstens 35% van de vastgestelde milieuschendingen) voor de vastgestelde schending is niet nieuw en vormde tot 2018 met betrekking tot de misdrijven een pragmatische benadering van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Dit bepaalt dat bij het vaststellen van een misdrijf een proces-verbaal opgesteld moet worden en dat dit overgemaakt moet worden aan de Procureur des Konings. In 2018 werd het DABM zo gewijzigd dat de toezichthouders milieumisdrijven kunnen vaststellen in een proces-verbaal en hiertoe niet langer verplicht zijn. Deze verankering van de discretionaire bevoegdheid van de toezichthouder bestendigt de voorkeur voor de zachte aanpak via het instrument van de aanmaning, wat ook duidelijk zichtbaar wordt in de cijfergegevens. In de memorie van toelichting bij het Milieuhandhavingsdecreet wordt het belang van de mogelijkheid tot het geven van aanmaningen in het zachte handhavingsparcours benadrukt. Er wordt gesteld dat aanmaningen uitermate doeltreffend zijn als informeel instrument aangezien deze meestal effectief een terugkeer naar
32
DABM, artikel 16.3.27
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 107 van 142
de legaliteit bewerken en aanmaningen de bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving voorafgaan.33 In de VCRO en in Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 werd reeds ingeschreven dat de aanmaning het geprefereerde zachte instrument is en dat preventie en herstel belangrijker zijn dan sancties om effectief tot een goede ruimtelijke ordening te komen34. Als de verbalisanten ruimtelijke ordening bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een stedenbouwkundige inbreuk of een stedenbouwkundig misdrijf vaststellen, kunnen ze --- eventueel afgewogen aan de hand van de prioriteiten - de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen ertoe aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen35. Wanneer aan de aanmaning, eventueel na herinnering, geen gevolg wordt gegeven, dan geldt een aangifteplicht aan de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester. Vanaf hier worden de prioriteiten en het al dan niet recente karakter36 van de schendingen mee in rekening gebracht bij de verdere beslissing om over te gaan tot het opstellen van een proces verbaal of verslag van vaststelling. Een stakingsbevel met bijhorend proces verbaal wordt opgelegd als een aanmaning onvoldoende garanties biedt en de toestand preventief moet worden bevroren.37 Op basis van de huidige gevraagde data kan niet worden nagegaan welk resultaat de handhavingsacties hebben. Concluderend kan worden vastgesteld dat omgevingshandhaving op gewestelijk niveau vooral een verhaal is van milieuhandhaving, zowel op het vlak van ingezette personele middelen en hierop aansluitend op het vlak van het aantal uitgevoerde controles en de inzet van de handhavingsinstrumenten. Op lokaal niveau ligt deze verhouding omgekeerd en ligt de focus grotendeels op ruimtelijke ordening, al is het verschil aanzienlijk genuanceerder. Zowel op lokaal niveau als op gewestelijk niveau en zowel op vlak van milieu als op vlak van ruimtelijke ordening wordt --- gelet op het grote aandeel van het instrument van de aanmaning --- geopteerd voor een zachtere handhavingsaanpak. De provincies hebben enkel bepaalde milieubevoegdheden in het kader van de omgevingshandhaving. De invulling ervan is echter minimaal. De gemeenten worden globaal als actor weergegeven. Daarbij werden alle ontvangen data van de gemeenten samengeteld. Een individuele weergave van de data van elke gemeente afzonderlijk was in deze rapportage nog niet wenselijk, maar zal met de nodige aanpassingen in de dataverzameling in de toekomst wel mogelijk zijn. Omdat de gemeenten toch zeer divers zijn, zowel qua inwonersaantal en verstedelijkingsgraad als de activiteiten die worden uitgevoerd op hun grondgebied, werd geopteerd om de gegevens te clusteren. Een aan omgeving gelinkte clustering is de VRIND classificatie (zie 4.2). In onderstaande grafieken worden een aantal van de indicatoren inzake handhaving in vergelijking weergegeven voor de verschillende clusters. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze gegevens enkel betrekking hebben op de handhavingsactiviteiten die door de gemeenten zelf werden uitgevoerd. De gemeenten kunnen eventueel (deels) een beroep doen op de lokale politie en/of een intergemeentelijke vereniging voor de uitvoering van de handhaving. De activiteiten van deze actoren zijn niet opgenomen in deze clustering omdat ze in deze rapportage nog hun 33
Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’, p. 40 Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015, p. 7 35 VCRO, artikel 6.2.3 §2 36 ‘Recent’ verwijst naar de aanvang of de voltooiing van de schending in zijn feitelijke, gebruikelijke betekenis en niet naar een theoretisch juridische fictie. Zijn de werken of het gebruik recent aangevat, zijn deze nog niet voltooid of pas heel recentelijk? Dat is de toetssteen voor de handhaver. In deze context wordt verwezen naar de beslissingspraktijk van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering waar het begrip recent nader gedefinieerd is (Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015, p. 24 en website Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering) --- Dit recent karakter ligt lager dan de formele verjaringstermijnen opgenomen in artikel 7.7.2 van de VCRO 37 Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015, p. 8 34
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 108 van 142
eigen handhavingsfiches hebben. Een optelling van deze gegevens is niet mogelijk omdat er geen zicht is op welke activiteiten in welke gemeenten hebben plaatsgevonden.
Figuur 21 VTE besteed aan milieuhandhaving/ handhaving ruimtelijke ordening per 10.000 inwoners --- VRIND clustering. De stippellijnen geven het globale gemiddelde aan voor de milieu- en ruimtelijke ordeningscategorie.
Het zwaartepunt van de gemeentelijke personele investering in handhaving ligt bij ruimtelijke ordening, al is het verschil niet enorm en verhoudt zich dit 40%-60%. Wel valt het overwicht van VTE inzake ruimtelijke ordening in de cluster ‘groot- en centrumsteden’ op, zowel ten opzichte van het VTE besteed aan milieu als ten opzichte van de andere clusters. Daar waar in de cluster ‘grootstedelijke rand’ in 2020 door de responderende gemeenten geen personele inzet was voor ruimtelijke ordening, was dit voor milieu zelfs boven het gemiddelde. Ook in de cluster ‘platteland’ is het overwicht van de VTE voor milieuhandhaving ten opzichte van deze voor ruimtelijke ordening merkbaar.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 109 van 142
Figuur 22 Milieuhandhavingscontroles/ plaatsbezoeken ruimtelijke ordening per 10.000 inwoners --- VRIND clustering. De stippellijnen geven het globale gemiddelde aan voor de milieu- en ruimtelijke ordeningscategorie.
Ook bij het aantal inspecties per 10.000 inwoners valt de dominantie van ruimtelijke ordening op. Zo werd 63% van de gemeentelijke omgevingshandhavingsinspecties uitgevoerd in het kader van ruimtelijke ordening. In beide domeinen worden per 10.000 inwoners het meeste inspecties uitgevoerd in de cluster ‘groot- en centrumsteden’.
Figuur 23 Milieuhandhavingscontroles met overtreding/ plaatsbezoeken ruimtelijke ordening met schending per 10.000 inwoners --- VRIND clustering. De stippellijnen geven het globale gemiddelde aan voor de milieu- en ruimtelijke ordeningscategorie.
Bij het merendeel van de clusters ligt de overtredingsgraad inzake milieu ongeveer op 50%. Bij ruimtelijke ordening worden bij minder plaatsbezoeken ook effectief schendingen vastgesteld. De verhouding is daar ongeveer 35%. Ook bij het aantal inspecties per 10.000 waar een overtreding werd vastgesteld, ligt het aantal, zowel bij milieu als bij ruimtelijke ordening, boven het gemiddelde in de groot-en centrumsteden.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 110 van 142
Figuur 24 Aanmaningen milieu en ruimtelijke ordening per 10.000 inwoners --- VRIND clustering. De stippellijnen geven het globale gemiddelde aan voor de milieu- en ruimtelijke ordeningscategorie.
De aanmaning, het geprefereerde handhavingsinstrument bij de vaststelling van een schending, blijkt bij de gemeenten meer ingezet te worden bij schendingen inzake ruimtelijke ordening. Ook hier weer is de inzet van het instrument aanzienlijker in de cluster ‘groot- en centrumsteden’, zowel bij milieu als ruimtelijke ordening, ten opzichte van de andere clusters. Rekening houdend met deze vier bovenstaande indicatoren kan worden gesteld dat omgevingshandhaving door de gemeenten zelf voornamelijk een verhaal is van de groot- en centrumsteden. Het mogelijke schaalvoordeel van hun gemeentelijke diensten kan potentieel een verklaring zijn. Kleinere steden en gemeenten zoeken dit schaalvoordeel mogelijk bij de politiezone en/of een intergemeentelijke vereniging. Een andere mogelijkheid is dat er effectief minder wordt gehandhaafd. Om deze hypotheses verder te onderzoeken, moet de bevraging aangepast worden zodat kan worden gerapporteerd welke actoren welke activiteiten uitvoeren binnen een individuele gemeente.
8.4 (ON)VERGUNDE INRICHTINGEN De handhavingsfiche van de gemeenten geeft een overzicht van het totaal aantal klasse 1 inrichtingen, het totaal aantal klasse 2 inrichtingen, het totaal aantal klasse 3 inrichtingen én het geschatte aantal onvergunde maar hinderlijke inrichtingen op hun grondgebied. De klassen 1, 2 en 3 duiden op de graad van mogelijke hinder van het bedrijf/de inrichting voor mens en milieu. De indeling in klassen is gebaseerd op de aard en de belangrijkheid van de milieueffecten. (VLAREM II --- bijlage 2 --- indelingslijst)38 Er kan vanuit worden gegaan dat de kennis van en over deze inrichtingen cruciaal is om de handhavingsuitvoering mee vorm te kunnen geven. Uit handhavingsfiche GEMEENTEN --- GLOBAAL (respons: 85%) werd de volgende grafische voorstelling geselecteerd.
38
Klasse 1: de meest hinderlijke activiteit (vergunningsplichtige inrichting); Klasse 2: minder hinderlijke activiteit. (vergunningsplichtige inrichting); Klasse 3: de minst hinderlijke activiteit. (meldingsplichtige inrichting).
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 111 van 142
Figuur 25 Aantal klasse 1, klasse 2, klasse 3 en hinderlijke maar onvergunde inrichtingen in 2020
Uit deze data blijkt dat de kennis van de gemeenten over deze hinderlijke inrichtingen niet optimaal is. Zo kent 38% van de responderende gemeenten het totaal aantal klasse 1 inrichtingen --- de meest hinderlijke inrichtingen --- op hun grondgebied niet. Met betrekking tot de klasse 2 en klasse 3 inrichtingen neemt dit percentage nog toe, met name respectievelijk 42% en 46% van de responderende gemeenten. Voor veel gemeenten vormt de basiskennis om te handhaven een blinde vlek. Daarnaast vormt de kennis van niet-vergunde maar hinderlijke vergunningsplichtige inrichtingen ook een opvallend gegeven. In 2020 gaf 1/3 van de responderende gemeenten aan kennis te hebben van 4788 niet-vergunde maar hinderlijke vergunningsplichtige inrichtingen. Deze gemeenten hebben sowieso dus kennis van 4788 milieuschendingen. Dit probleem werd reeds in de milieuhandhavingsrapporten van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM) aangekaart. De VHRM had daarom in 2020 een studie uitbesteed om een methodiek te laten ontwikkelen om niet-vergunde, ingedeelde inrichtingen aan het licht te brengen en een oplossingsgerichte aanpak van de problematiek uit te werken. In de studie werd een plan van aanpak ontwikkeld waarin de gemeenten een aantal acties moeten ondernemen om enerzijds het probleem van de onvergunde inrichtingen in kaart te brengen en het vervolgens gefaseerd (sector-acties en/of locatie-acties) aan te pakken aan de hand van verschillend handhavingsstrategieën. Ook werd de focus gelegd op de noodzakelijke randvoorwaarden om de voorgestelde aanpak te doen slagen, zoals de opmaak van een prioriteitenplan, politieke steun, voldoende inzet van mensen en middelen,… .39 Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 stelt dat prioriteit wordt gegeven aan het opsporen van onvergunde activiteiten.40 Dit wordt bevestigd in de Beleidsnota Omgeving 2019-2024 van minister Demir.41 In het Omgevingshandhavingsplan 2021 van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving wordt aangegeven dat prioriteit geven aan het opsporen van onvergunde activiteiten aangaande klasse 1 bedrijven een uitgangspunt is voor de afdeling Handhaving.42
39
https://archief-algemeen.omgeving.vlaanderen.be/xmlui/bitstream/handle/acd/699399/Studie%20Onvergunde%20inrichtingen_web.pdf p. 163 Vlaamse regering 2019-2024, regeerakkoord (vlaanderen.be), p. 166 Demir, Z. - Beleidsnota Omgeving 2019-2024, p. 39 42 https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/omgevingshandhavingsplan%202021_0.pdf, p.12 40 41
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 112 van 142
8.5 BESTUURLIJKE BEBOETING ALS ALTERNATIEF STRAFRECHTELIJKE SANCTIONERING?
VOOR
Een van de belangrijke pijlers van het Milieuhandhavingsdecreet was de introductie van het uniforme systeem voor bestuurlijke beboeting van milieumisdrijven en milieu-inbreuken in 2009. Omdat slechts in beperkte mate strafrechtelijk werd opgetreden in milieuzaken, werd de optie voorzien dat de parketten zaken met betrekking tot milieuhandhaving kunnen overmaken aan de gewestelijke beboetingsentiteit voor een bestuurlijke beboeting. Daarnaast werden ook bepaalde misdrijven gedepenaliseerd tot inbreuken die rechtstreeks bestuurlijk kunnen worden beboet. Zo werd getracht een lik-op-stuk beleid te creëren en korter op de bal te spelen bij milieuschendingen.43 Dit systeem van bestuurlijke beboeting werd overgenomen in de VCRO en trad voor schendingen inzake ruimtelijke ordening in werking in 2018. Stedenbouwkundige inbreuken kunnen sinds 2018 enkel nog gestraft worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete. Stedenbouwkundige misdrijven waarvoor het parket (tijdig) aangeeft niet tot strafrechtelijke behandeling te willen overgaan, kunnen sinds 2018 worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete. Zoals reeds werd aangegeven, bestaat het verschil tussen beide domeinen erin dat de gewestelijke beboetingsentiteit dossiers rond stedenbouwkundige misdrijven kan seponeren, terwijl dit voor milieumisdrijven niet mogelijk is. Voor inbreuken is een bestuurlijk sepot mogelijk in beide domeinen. Onderstaande figuur geeft een overzicht van het aantal zaken milieu en ruimtelijke ordening dat de parketten registreerden de afgelopen jaren. Naast de instroom van dossiers bij de parketten is het relevant om de uitstroom van dossiers --- het aantal zaken waarin het parket besliste om ze niet strafrechtelijk te behandelen maar over te maken aan de gewestelijke beboetingsentiteit --- te analyseren. Onderstaande figuur geeft daarom ook het procentueel aandeel van het aantal ontvangen dossiers weer dat de parketten hebben overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit. Hiervoor werden de cijfers van de instroom bij de parketten gehanteerd en het aantal dossiers dat de gewestelijke beboetingsentiteit heeft ontvangen van de parketten.44
43 Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’, p. 19 44 De vooruitgangsstaat ‘Niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ zoals gehanteerd door de parketten bevat niet enkel de dossiers overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit. Tevens is het mogelijk dat dossiers die zich nog in een voorlopige vooruitgangsstaat bevonden op de extractiedatum later nog werden overgemaakt voor bestuurlijke beboeting. Vandaar dat voor deze vergelijking ook de cijfers van de gewestelijke beboetingsentiteit worden gebruikt naast deze van de parketten zelf.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 113 van 142
Aantal milieuzaken geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest Aantal zaken ruimtelijke ordening geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest % dossiers inzake milieu overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit tav totaal aantal geregistreerde zaken milieuhandhaving % dossiers inzake ruimtelijke ordening overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit tav totaal aantal geregistreerde zaken ruimtelijke ordening Figuur 26 Aantal zaken geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest inzake milieu en ruimtelijke ordening en procentueel aandeel (t.o.v. het totaal aantal dossiers) overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit
Voor zowel de door het parket ontvangen milieudossiers als de dossiers inzake ruimtelijke ordening kan een dalende trend worden vastgesteld. Ten opzichte van 200945 kan voor de zaken milieu een procentuele afname van 24% in 2020 worden vastgesteld. Voor de zaken ruimtelijke ordening werden in 2020 28% minder dossiers geregistreerd door het parket dan in 201546. Een directe verklaring kan niet met zekerheid worden gegeven op basis van de ontvangen data. Mogelijke verklaringen zijn o.a. de depenalisering van misdrijven naar inbreuken en het feit dat deze dossiers dan ook niet meer worden overgemaakt aan het parket, en/of de mogelijks feitelijke afname van het aantal opgemaakte processen-verbaal47, en/of een toename van vaststellingen in het kader van gemeentelijke administratieve sancties. Ook andere potentiële pistes, o.a. de handhaafbaarheid van de regelgeving en een verschuiving van prioriteiten, zouden een verklaring kunnen bieden. Hiervoor is echter verder onderzoek noodzakelijk. Ondanks de dalende trend in het aantal dossiers dat de parketten ontvangt van de handhavingsinstanties rond milieu en ruimtelijke ordening, kan voor beide een sterke procentuele toename worden vastgesteld van het aantal van deze dossiers dat de parketten vervolgens heeft overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Voor de zaken milieuhandhaving werd in 2020 meer dan de helft overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit; terwijl dit bij de start van de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet nog maar 10% was. Bij 45
46
47
Gelet op de wisselende responsgraad voor de handhavingsrapporten, kan er echter geen 1-op-1 verhouding worden gemaakt met de dossiers die de parketten hebben ontvangen en het aantal opgemaakte processen-verbaal. De cijfers uit het Milieuhandhavingsrapport 2018 en 2019 en de data ontvangen voor dit rapport, tonen echter eerder een constante in het aantal opgemaakte processen-verbaal door de handhavingsinstanties. De data over het aantal opgemaakt processen-verbaal door de Algemene politie, niet enkel de toezichthouders, (zie hoofdstuk 5) kan eveneens niet worden gehanteerd voor deze vergelijking omdat het ook de vereenvoudigde processen-verbaal bevat die niet worden overgemaakt aan het parket.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 114 van 142
ruimtelijke ordening, waar deze optie sinds 2018 mogelijk is, werd in 2020 al bijna 1/4 van de ontvangen dossiers overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit. Een dalende instroom bij de parketten en een stijgende instroom bij bestuurlijke beboeting, maakt dat de parketten steeds minder dossiers hebben om zelf te behandelen. Dit laatste is ook een doelstelling van het Milieuhandhavingsdecreet waarin gesteld wordt dat het strafrecht moet gelden als ultimum remedium.48 Om de milieuzaken te triëren en te bepalen welke zaken het parket zelf zal behandelen, hanteert het parket de Sorteernota. Dit gebeurt op basis van onder andere het maatschappelijk belang en technisch-juridische, rechtseconomische, criminologische en praktische overwegingen.49 Ook de omzendbrief COL 04/2019 speelt een belangrijke rol in dit triageproces. De Vlaamse strafrechtelijke prioriteiten, onder andere met betrekking tot milieu en ruimtelijke ordening, werden immers omgezet in deze omzendbrief waarmee het openbaar ministerie zich ertoe verbindt om de daarin opgenomen prioriteiten strafrechtelijk af te handelen.50 De focus op prioriteiten in combinatie met de optie --- die ook effectief wordt aangegrepen --- om dossiers over te maken aan de gewestelijke beboetingsentiteit en de dalende instroom zouden doen vermoeden dat het aantal opportuniteitssepots door de parketten zou afnemen51. Onder opportuniteitsreden wordt verstaan: motieven eigen aan de aard van de feiten, zoals een beperkte maatschappelijke weerslag, een geregulariseerde toestand, een misdrijf van relationele aard, en een overschrijden van een redelijke termijn. motieven eigen aan de persoon van de dader, zoals de afwezigheid van voorgaanden, toevallige feiten met oorzaak, jeugdige leeftijd, wanverhouding strafvorderingmaatschappelijke verstoring, houding van het slachtoffer, en vergoeding van het slachtoffer. beleid, zoals te weinig recherchecapaciteit, andere prioriteiten en voorrang aan de burgerlijke afhandeling. Onderstaande grafiek geeft deze evolutie weer in absolute aantallen en het aantal geseponeerde zaken wegens opportuniteitsredenen ten opzichte van het totaal aantal geregistreerde zaken.
48
Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’, p.14 https://omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/inf-13.30002-aangepaste-sorteernota.pdf 50 https://overheid.vlaanderen.be/sites/default/files/media/COL_04_2019_NL_SPV_Richtlijn.pdf 51 Omdat veel dossiers zich op de extractiedata nog in een voorlopige vooruitgangsstaat bevonden, vormen deze gegevens slechts een indicatie. Het is immers mogelijk dat de dossiers in de voorlopige vooruitgangsstaten na de extractiedata alsnog werden geseponeerd wegens opportuniteitsredenen. Of, zolang de strafvordering niet was vervallen, de zaak werd heropend. 49
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 115 van 142
Aantal milieuzaken geseponeerd omwille van opportuniteitredenen Aantal zaken ruimtelijke ordening geseponeerd omwille van opportuniteitredenen % tav totaal aantal geregistreerde zaken milieuhandhaving Figuur 27 Aantal zaken (milieu en ruimtelijke ordening) geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen en procentueel aandeel (t.o.v. totaal aantal dossiers)
Voor zowel milieu als ruimtelijke ordening kan over het algemeen een dalende trend worden vastgesteld, zowel in de absolute aantallen als in de procentuele verhouding van de opportuniteitssepots ten opzichte van het totaal aantal geregistreerde zaken. Bij de dossiers inzake ruimtelijke ordening valt de trendbreuk na 2018 meteen op. Zo werd in 2015 1/4 van deze dossiers geseponeerd wegens opportuniteitsreden. Na de inwerkingtreding van het bestuurlijke beboetingssysteem voor ruimtelijke ordening in 2018 neemt deze procentuele verhouding af en kan ook een verdere daling van het aantal dossiers in absolute aantallen worden vastgesteld. Voor de zaken met betrekking tot milieu is er geen ‘nulmeting’ - voor de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet - beschikbaar in de rapporten en kan niet worden nagegaan of er zich al dan niet eveneens een trendbreuk zou hebben voorgedaan na de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet. Concluderend kan worden gesteld dat de parketten de mogelijkheid om dossiers over te maken aan de gewestelijke entiteit hebben aangegrepen en er dus op zich meer ruimte zou kunnen worden gemaakt om de door hen getrieerde dossiers te behandelen. Een tweede belangrijk element om te kunnen aangeven of bestuurlijke sanctionering al dan niet een passend alternatief/ of aanvulling vormt voor strafrechtelijke sanctionering, is de behandeling van de door de parketten overgemaakte dossiers door de gewestelijke beboetingsentiteit. Het dataprobleem dat hier echter rijst is dat - in tegenstelling tot bij de parketten - de teleenheid bij de gewestelijke beboetingsentiteit van de ‘‘behandelde dossiers’’ niet gelijk is aan deze van de ‘‘ontvangen dossiers’’. Meerdere behandelde boetebeslissingen kunnen gekoppeld worden aan één enkel ontvangen dossier. Dit maakt dat het aantal beslissingen (bestuurlijke transacties, alternatieve geldboetes, sepots,...) geen een-op-een relatie vormt met het aantal ontvangen dossiers. Door deze discrepantie in de datagroepering is het niet mogelijk om op basis van de ontvangen gegevens conclusies te maken over het aantal behandelde ontvangen dossiers. Voor de toekomstige rapporteringen moet worden nagegaan of er data beschikbaar zijn waarbij een een-op-eenverhouding tussen de ontvangen dossiers en behandelde dossiers mogelijk is.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 116 van 142
Om een beeld te schetsen van de beslissingen en de evolutie hierin, bieden onderstaande figuren een overzicht van de activiteiten van de gewestelijke beboetingsentiteit ten aanzien van de milieumisdrijven en de stedenbouwkundige misdrijven.
Geen geldboete
Geldboete
Bestuurlijke transactie (betaald)
Proces-verbaal onontvankelijk
Geldboete met (gedeeltelijk) uitstel
Figuur 28 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake milieumisdrijven sinds 2009
Sepot
Geen geldboete
Geldboete
Bestuurlijke transactie (betaald)
Figuur 29 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake stedenbouwkundige misdrijven sinds 2018
Voor milieumisdrijven kan een voorzichtige start worden opgemerkt tijdens de eerste jaren dat alternatieve bestuurlijke beboeting mogelijk was. In deze opstartfase was het aantal door het parket overgemaakte dossiers nog beperkt en moet er rekening gehouden worden met een leercurve. Vanaf 2012 wordt volop ingezet op de alternatieve bestuurlijke geldboetes; ook het aantal dossiers dat de parketten overmaakte steeg. In 2012 werd bovendien de bestuurlijke //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 117 van 142
transactie geïntroduceerd, zowel voor milieumisdrijven als voor milieu-inbreuken. Dit is een voorstel tot betaling van een geldsom, alvorens wordt overgegaan tot het opstarten van de procedure voor het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Het is vergelijkbaar met een minnelijke schikking in het strafrecht. De gewestelijke beboetingsentiteit kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als ze van mening is dat volgens de vaststellingen in het procesverbaal of verslag van vaststelling onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder het milieumisdrijf of de milieu-inbreuk heeft gepleegd52. Vanaf 2018 werd voornamelijk ingezet op deze kortere procedure van de bestuurlijke transacties. Ook bij de beslissingen over de stedenbouwkundige misdrijven neemt het aandeel van de bestuurlijke transacties toe, al moet opgemerkt worden dat heel wat beslissingen een seponering inhouden. In 2018 was 84% van de beslissingen een seponering, in 2019 67% en in 2020 41%. Deze mogelijkheid tot seponering werd verankerd omdat 100% bestuurlijke sanctionering utopisch zou zijn gelet op de personele middelen, al was het opzet wel dat de introductie van bestuurlijke beboeting zou resulteren in een belangrijke verhoging van de sanctionering. Dit zou op termijn kunnen leiden tot een betere naleving van de regelgeving, met een dalend aantal stedenbouwkundige inbreuken en -misdrijven tot gevolg.53 Als zou blijken uit toekomstige cijfers --- 3 jaar analyse is hiervoor niet afdoende --- dat de seponeringsproblematiek zich zou hebben verplaatst van het strafrechtelijke luik naar het bestuurlijke luik, kan de vraag worden gesteld of bestuurlijke sanctionering incluis seponeringsbevoegdheid een afdoende alternatief/aanvulling vormt. De gedepenaliseerde milieuschendingen en stedenbouwkundige schendingen zijn inbreuken die --- respectievelijk sinds 2009 en 2018 --- kunnen worden vastgesteld door respectievelijk de toezichthouders en de verbalisanten/agenten en de officieren van gerechtelijke politie in een verslag van vaststelling dat rechtstreeks wordt overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit. De nadruk ligt hierop kunnen. De toezichthouders en de verbalisanten/agenten en de officieren van gerechtelijke politie hebben een discretionaire bevoegdheid om de vastgestelde inbreuk al dan niet formeel vast te leggen in een verslag van vaststelling dat wordt overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit. Bovendien heeft de gewestelijke beboetingsentiteit de mogelijkheid om de ontvangen verslagen van vaststelling niet te behandelen en deze dossiers te seponeren. Milieu-inbreuken - opgesomd in een limitatieve lijst - zijn dan ook schendingen zonder of met beperkte schade aan mens of leefmilieu, zoals bijvoorbeeld het niet-naleven van administratieve voorschriften. Ook de stedenbouwkundige inbreuken zijn in de regel --- maar niet altijd - minder zwaarwichtige schendingen die geen of beperkte (rechtstreekse) ruimtelijke schade doen ontstaan. Onderstaande figuur geeft een overzicht van het totaal aantal door de gewestelijke beboetingsentiteit ontvangen verslagen van vaststelling.
52 Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 75/1 en 75/2 53 Memorie van Toelichting bij ontwerp van decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, stuk 2419 (2013-2014) --- Nr. 1, p.29
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 118 van 142
Aantal ontvangen verslagen van vaststelling - milieu Aantal ontvangen verslagen van vaststelling - ruimtelijke ordening Figuur 30 Aantal door gewestelijke beboetingsentiteit ontvangen verslagen van vaststelling
Het aantal opgestelde verslagen van vaststelling is eerder beperkt, al is er een stijgende tendens, voornamelijk sinds 2019. Dit kan worden verklaard door het feit dat nagenoeg de volledige visserijwetgeving in 2019 werd gedepenaliseerd.54 Ook voor de milieu-inbreuken zou het interessant zijn om te kijken naar de beslissingen van de gewestelijke beboetingsentiteit en de al dan niet opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboeten en bestuurlijke transacties. Maar net zoals bij de behandelde dossiers inzake milieumisdrijven is op basis van de ontvangen data geen een-op-een analyse mogelijk tussen het aantal ontvangen verslagen van vaststelling en de behandelde dossiers. Om een beeld te schetsen van de beslissingen en de evolutie hierin, geven onderstaande figuren een overzicht van de activiteiten van de gewestelijke beboetingsentiteit rond de milieu-inbreuken en de stedenbouwkundige inbreuken.
54
Decreet van 23 november 2018 houdende wijzigingen van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij (BS. 18/12/2018)
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 119 van 142
Geen geldboete
Geldboete
Geldboete met (gedeeltelijk) uitstel
Bestuurlijke transactie (betaald)
verslag van vaststelling onontvankelijk Figuur 31 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake milieu-inbreuken sinds 2009
Sepot
Geen geldboete
Geldboete
Bestuurlijke transactie (betaald)
Figuur 32 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake stedenbouwkundige inbreuken sinds 2018
Net zoals bij de milieumisdrijven kan worden vastgesteld dat steeds meer wordt ingezet op de bestuurlijke transactie. In 2020 was 77% van het totaal aantal beslissingen inzake milieuinbreuken een bestuurlijke transactie die ook betaald werd (en waar de procedure voor het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete dus niet moest worden opgestart). Het gebruik van het instrument verslag van vaststelling voor de vaststelling van een stedenbouwkundige inbreuk is nog maar zeer beperkt; 23 verslagen van vaststelling in de periode 2018-2020. Ook het aantal beslissingen van de gewestelijke beboetingsentiteit was aldus beperkt. In de periode 2019-2020 werden 20 beslissingen genomen, waarvan de helft sepots waren.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 120 van 142
8.6 SLUIKSTORTEN ALS MEEST VASTGESTELD MILIEUMISDRIJF Op de vraag voor welk milieumisdrijf in het Vlaamse Gewest het meest een proces-verbaal werd opgemaakt het afgelopen decennium, kan op basis van de data van de parketten worden geconcludeerd dat sluikstorten het meest vastgestelde milieumisdrijf is. In onderstaande grafiek worden de absolute aantallen van de dossiers met tenlasteleggingscode 64E-sluikstorten weergegeven en het procentuele aandeel van deze dossiers ten opzichte van het totaal aan geregistreerde zaken milieuhandhaving bij de parketten. Tussen 2010 en 2020 werden in totaal 18.319 dossiers ontvangen door de parketten inzake sluikstorten. Dit komt neer op gemiddeld 1/3 van het totaal aantal dossiers dat toekomt bij de parketten.
Aantal zaken "sluikstorten"geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest % tav totaal aantal geregistreerde zaken milieuhandhaving
Figuur 33 Aantal zaken ‘sluikstorten’ sinds 2010 en procentueel aandeel ten opzichte van totaal aantal zaken
Er hebben ook heel wat milieuhandhavingsinstanties, gewestelijk, provinciaal en lokaal, bevoegdheden in het kader van sluikstorten gelet op de door hen (deels) te handhaven regelgeving: - Artikel 12 §1 van het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: ‘Het is verboden afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan’. Het hoeft dus ook niet te verbazen dat er heel wat sluikstort-misdrijven worden vastgesteld. Er zijn immers heel wat ‘‘ogen op het terrein’’ om dit soort misdrijf vast te stellen en heel wat //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 121 van 142
slagkracht om het probleem aan te pakken. Daarnaast is dit misdrijf mogelijk iets ‘‘ongecompliceerder’’ vast te stellen, al is de identificatie van de overtreder vaak problematisch. In het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) wordt sluikstorten als volgt gedefinieerd: ‘‘het bewust ontwijken van de
huishoudelijke afvalophaling of bedrijfsafvalophaling door afvalstoffen achter te laten of te storten op niet-reglementaire plaatsen, tijdstippen of in de foute recipiënten;’’55 Er zijn naast de strafrechtelijke piste56 echter ook nog andere manieren om het --- vaak lokale --sluikstortprobleem aan te pakken. Sluikstorten kan immers ook worden gehandhaafd via boetes in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties (GAS) als deze vorm van overlast uitdrukkelijk wordt opgenomen in het gemeentelijke GAS-reglement. Het moet dan gaan over kleine vormen van openbare overlast zoals huishoudelijk afval (geen bedrijfsafval) en nietgevaarlijk afval57 die met een administratieve geldboete kunnen worden gesanctioneerd. De vaststelling gebeurt door hiertoe opgeleide GAS-vaststellingsambtenaren en door de Lokale politie.58 Probleem is wel dat van zodra de lokale overheid beslist sluikstorten op te nemen in het GAS-reglement dit systeem voorrang krijgt op de verbalisering en bestraffing volgens de procedures van het Milieuhandhavingsdecreet en het voordeel van de ‘‘vele ogen op het terrein’’ van de toezichthouders kan komen te vervallen. Het inschrijven als GAS-overtreding, en aldus de alternerende strafbaarstelling, heeft als gevolg dat enkel de GAS-procedure kan worden gevolgd.59 Voor de toekomstige rapporteringen lijkt het aangewezen om het element van de gemeentelijke administratieve sanctie in het kader van omgevingshandhaving mee te nemen en de lokale overheden hierover te bevragen. Lokale overheden kunnen daarnaast via een retributiereglement, al dan niet in combinatie met een GAS of een sanctie via het Milieuhandhavingsdecreet, de kosten voor het ruimen van sluikstort of zwerfvuil verhalen op de overtreder, als deze gekend is.60 Het belang van sluikstorten als milieuproblematiek blijkt ook uit de acties die interbestuurlijk worden georganiseerd, zoals MooiMakers en hun Week van de Handhaving. Mooimakers heeft in het voorjaar van 2021 een bevraging georganiseerd bij de Vlaamse steden en gemeenten inzake de handhaving op zwerfvuil en sluikstort. De doelstelling was om een beter inzicht te krijgen in het handhavingslandschap in Vlaanderen: waar de blinde vlekken zich bevinden en welke noden en knelpunten er zijn op het vlak van handhaving op zwerfvuil en sluikstort. Op basis van de analyse zal Mooimakers haar ondersteuning op het vlak van handhaving aan de lokale besturen aanpassen. Bij lokale noden kan worden gekeken welk aanbod Mooimakers kan bieden dat nodig is om de handhaving op zwerfvuil en sluikstort op te starten of te optimaliseren. De resultaten van de bevraging kan je vanaf december hier raadplegen op de website van Mooimakers.
55
Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), artikel 1.2.1 §2, 77°/2 Het parket heeft wel de mogelijkheid om de ontvangen dossiers inzake sluikstorten over te maken aan de gewestelijke beboetingsentiteit met het oog op opleggen van alternatieve bestuurlijke geldboete, eventueel gekoppeld aan een voordeelontneming. 57 https://mooimakers.be/sites/default/files/2021-06/Stroomschema%20HH.pdf 58 Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, art. 2 59 Besluit van 2 juli 2021 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) en bijhorende nota aan de Vlaamse Regering (VR 2021 0207 DOC.0766/1BIS), p.8 60 Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, art. 40 §3 en art. 41, tweede lid, 14° 56
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 122 van 142
8.7 BLINDE VLEKKEN Deze afsluitende beschouwing focust op de lacunes in deze rapportering en de data die momenteel nog niet beschikbaar zijn of nog niet werden verzameld, maar wel een belangrijke rol kunnen spelen. Bepaalde activiteiten van de handhaving zijn momenteel onderbelicht of worden nog niet optimaal gerapporteerd. Een eerste belangrijke boodschap is dat dit rapport niet pretendeert om allesomvattend te zijn. Om een overzichtelijk naslagwerk inzake omgevingshandhavingsuitvoering te kunnen worden met een behapbare rapportering is het belangrijk om een focus te leggen en uniforme, vergelijkbare en generieke data te kunnen voorleggen. Door niet te overfitten en niet oeverloos in detail te treden, wordt het geven van overzichtelijke data en een duidelijke boodschap mogelijk. De focus in dit rapport ligt op de inzet van de handhavingsinstanties en de wijze waarop de handhavingsuitvoering vorm krijgt. De rol van bijvoorbeeld de burger, de (vermoedelijke) overtreder, het natraject,… behoort momenteel niet of nauwelijks tot het brandpunt van deze rapportering, wat echter niet betekent dat het belang ervan wordt miskend. Zoals eerder aangegeven in de inleiding, is deze rapportering een inter-rapport. Het bouwt voort op de milieuhandhavingsrapporten en de handhavingsrapporten ruimtelijke ordening zoals in het verleden opgemaakt door de VHRM. De bevraging werd integraal overgenomen. Maar er werd geopteerd om de gegevens anders te presenteren en het detailniveau te verlagen om zo te trachten een helder en geïntegreerd overzicht te creëren met bijvoorbeeld de handhavingsfiches. Dit zal een impact hebben op de toekomstige bevraging van de handhavingsactoren. Het opzet is deze bevraging in te korten en te heroriënteren om op lokaal niveau een geografische benadering te hanteren, eerder dan te focussen op de verschillende actoren an sich. Dit rapport is dus geen loutere voorzetting van de voormalige handhavingsrapporten, maar vormt echter ook nog geen nulmeting aangezien de bevraging nog zal wijzigen. Vermoedelijk zal de dataverzameling voor deze rapportering nog een tijd gebeuren aan de hand van een digitale bevraging. Realistische verwachtingen over de ontwikkeling van gemeenschappelijke databanken, opvolgingstools, automatische data-invoer en/of koppeling,… nopen nog tot het gebruik van een gestandaardiseerde bevragingsfiche waarbij de handhavingsactoren de eigen monitoringssystemen moeten raadplegen om de gevraagde gegevens te kunnen aanleveren. Dit neemt uiteraard niet weg dat idealiter wordt geïnvesteerd in een handhavingstool, mogelijk gekoppeld aan het Omgevingsloket, waar stap voor stap mogelijkheden zouden kunnen worden gecreëerd om handhavingsdata aan te koppelen en een traject-rapportering mogelijk wordt. Een andere optie zou zijn om de huidige Controle Viewer uit te breiden naar het voorbeeld van de Inspectieview uit Nederland. De Controle Viewer laat enkel zien of een controle werd uitgevoerd op een bepaalde plaats. In de Nederlandse Inspectieview wordt ook de inzet van andere handhavingsinstrumenten opgeladen. Een formele decretale verplichting om informatie te delen, eventueel in een uniform en aangeboden systeem zoals een viewer, helpt niet alleen de actoren bij de uitvoering van hun taak, maar kan ook een belangrijke impuls zijn voor monitoring, rapportering en evaluatie.61 Zoals aangegeven is het doel om de bevraging en de rapportering in de komende jaren te optimaliseren. De volgende punten zullen de nodige aandacht krijgen: - Handhaving naar aanleiding van klachten 61
Algemene Rekenkamer, Een onzichtbaar probleem. Gebrek aan kwaliteit van data over milieucriminaliteit en -overtredingen, 2021, p.13
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 123 van 142
-
-
-
-
-
Momenteel worden de handhavingsactoren wel gevraagd aan te geven hoeveel controles worden uitgevoerd naar aanleiding van klachten. Maar het thema van deze klachten en het feit of deze al dan niet gegrond waren, blijft momenteel onderbelicht. GAS Sluikstorten is het meest in proces-verbaal vastgesteld milieumisdrijf. Andere manieren om dit fenomeen te sanctioneren is via de gemeentelijke administratieve sancties. Het lijkt dan ook relevant om te onderzoeken welke gemeenten het GAS-reglement al dan niet hanteren om sluikstorten te sanctioneren en op welke wijze dit dan gebeurt. Uniformiteit in begrippen De handhavingsterminologie is enerzijds gedefinieerd in het DABM/de VCRO en anderzijds omschreven in het glossarium, zoals opgemaakt door de handhavingsactoren zelf in de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu. De aanpassing van de bevraging is echter een geschikt moment om na te gaan of het begrip van deze terminologie nog uniform is. Beslissingen op dossierniveau --- gewestelijke beboetingsentiteit Zoals aangegeven is het met de huidige data niet mogelijk het aantal behandelde dossiers door de gewestelijke beboetingsentiteit weer te geven, enkel een optelsom van de genomen beslissingen waarin geen een-op-een verhouding is met het aantal ontvangen dossiers. Om de effectiviteit van de bestuurlijke sanctionering te kunnen weergeven, zal de bevraging worden aangescherpt. Doorsnede omgevingshandhaving Momenteel blijven de gemengde schendingen en de gemengde aanpak onbelicht. Omgevingshandhaving is vaak nog een verhaal van enerzijds milieuhandhaving en anderzijds handhaving ruimtelijke ordening; maar de handhaving in de doorsnede is een gemengd verhaal dat naar invulling en aanpak uiteraard relevant is en de nodige aandacht verdient in een OHR. Geografische benadering van de lokale handhaving Momenteel vormt de lokale handhaving een opsomming van de activiteiten binnen de gemeente, binnen de politiezone en binnen een intergemeentelijke vereniging. Het probleem is echter dat zo wordt voorbijgegaan aan het geheel van handhavingsactiviteiten op het grondgebied van de gemeenten. Een optelling van de gegevens om dit beeld compleet te krijgen is echter niet mogelijk, omdat momenteel niet geweten is welke actor --- politiezone en intergemeentelijke vereniging - wat heeft gedaan in welke gemeente. Er zal worden onderzocht op welke wijze dit beeld geografisch zuiverder zal kunnen worden gemonitord. Op die manier zal de publicatie van handhavingsdata per individuele gemeente en benchmarking op lokaal vlak mogelijk worden.
In de inleiding werd reeds vermeld dat de omgevingshandhavingsrapportage bestaat uit twee luiken: een rapportering over de handhavingsuitvoering waarbij louter cijfermatige gegevens ter beschikking worden gesteld; zoals in bovenstaande hoofdstukken. De komende jaren zal deze rapportering dynamischer, interactiever en in een online-tool ter beschikking worden gesteld en verdwijnt het klassieke document. Op termijn lijkt de uitbouw van een handhavingstool waarbij het handhavingstraject kan worden opgevolgd een cruciaal gegeven om objectieve en kwalitatieve handhavingsdata te genereren; zowel voor handhavingsuitvoering als voor de opvolging van de prioriteiten. Met een dergelijke tool zou de jaarlijkse bevraging van de handhavingsactoren kunnen worden geschrapt en kan de monitoring van de handhavingsdata worden geautomatiseerd en geoptimaliseerd. //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 124 van 142
een evaluatie van de thematische doelstellingen van het omgevingshandhavingsbeleid, zoals verwacht wordt dat deze zullen worden vastgelegd in het Omgevingshandhavingsprogramma. Voor een evaluatie van de concrete doelstellingen zal mogelijk deels geput kunnen worden uit de data over de handhavingsuitvoering, maar zal daarnaast allicht een specifieke monitoring nodig zijn om na te gaan of de doelstelling al dan niet werd behaald, gecombineerd met expertkennis van de uitvoerders van het omgevingshandhavingsprogramma. Dit zal zorgen voor een beeld over wat prioritair werd gehandhaafd en of de vooropgezette concrete doelstellingen voor deze prioriteiten werden bereikt.
Het vormt echter een uitdaging voor de komende jaren om een evenwicht te vinden tussen een generiek verhaal rond omgevingshandhaving -dat weergeeft wat er werd uitgevoerd rond handhaving - en een eerder thematische benadering - waarbij concrete doelstellingen van het handhavingsbeleid, die naar verwachting worden vastgelegd in het Omgevingshandhavingsprogramma, naar uitvoering en welslagen zullen worden geanalyseerd. Specifieke, meetbare, acceptabele, realistische en tijdsgebonden doelstellingen --- volgens het SMART-principe dus --- zijn cruciaal om een kwaliteitsvolle monitoring te kunnen ontwikkelen en een degelijke evaluatie behoorlijk te kunnen uitvoeren.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 125 van 142
9 BIJLAGEN 9.1 INDIVIDUELE FICHES INTERGEMEENTELIJKE VERENIGINGEN
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 126 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 127 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 128 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 129 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 130 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 131 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 132 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 133 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 134 van 142
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 135 van 142
9.2 INDIVIDUELE FICHES POLITIEZONES De fiches kan u raadplegen op deze pagina.
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 136 van 142
10 BRONNEN Agentschap voor Natuur en Bos --- Handhavingsrapport 2019 Algemene Rekenkamer --- Een onzichtbaar probleem. Gebrek aan kwaliteit van data over milieucriminaliteit en -overtredingen (2021) ASTREA - Eindrapport Verkenning naar de mogelijkheden tot integratie van de regelgeving inzake omgeving (OMG-BJO/2019/E-01) (2019) Demir, Z. - Beleidsnota Justitie en Handhaving 2019-2024 Demir, Z. - Beleidsnota Omgeving 2019-2024 Departement Omgeving --- afdeling Handhaving --- Omgevingshandhavingsplan 2021 Departement Omgeving - Onvergunde inrichtingen --- zoekmethodiek en oplossingsgerichte aanpak om onvergunde inrichtingen te identificeren (2021) --- studie uitgevoerd door Sustainability College Bruges Departement Omgeving - Perspectieven voor de integratie van regelgeving voor ruimte en milieu (ppt) Federaal parlement - Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties Mooimakers - stroomschema handhaving: procedure sluikstort Openbaar Ministerie --- omzendbrief COL 04/2019 Openbaar Ministerie - Sorteernota (2012) Vlaams Parlement --- Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur Vlaams Parlement - Decreet van 23 november 2018 houdende wijzigingen van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij Vlaams Parlement --- Decreet van 5 april 1995 betreffende algemene bepalingen milieubeleid Vlaams Parlement - Memorie van Toelichting bij ontwerp van decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, stuk 2419 (2013-2014) Vlaams Parlement --- Memorie van Toelichting bij ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen Vlaams Parlement - Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2015 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2016 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2017 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2018 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2019 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu - Milieuhandhavingsprogramma 20152019 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Milieuhandhavingsrapport 2014 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Milieuhandhavingsrapport 2015 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Milieuhandhavingsrapport 2016 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Milieuhandhavingsrapport 2017 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Milieuhandhavingsrapport 2018 Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu --- Milieuhandhavingsrapport 2019 Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving --- Milieuhandhavingsrapport 2009 //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 137 van 142
Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving --- Milieuhandhavingsrapport 2010 Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving --- Milieuhandhavingsrapport 2011 Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving --- Milieuhandhavingsrapport 2012 Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving --- Milieuhandhavingsrapport 2013 Vlaamse Regering - Besluit 2 juli 2021 van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA) Vlaamse Regering - Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Vlaamse Regering - Besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 tot wijziging van diverse besluiten wat betreft de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en in het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen Vlaamse Regering - Besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2018 betreffende de handhaving van de ruimtelijke ordening en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten, Vlaamse Regering --- Gewestelijke handhavingsprioriteiten Ruimtelijke Ordening - VR 2016 2312 MED.0509/2 Vlaamse Regering - Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening 2015 Vlaamse Regering --- Regeerakkoord 2019-2024
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 138 van 142
11 LIJST FIGUREN Figuur 1 Gemeenten geclusterd volgend VRIND classificatie ............................................................................... 56 Figuur 2 Processen-verbaal opgesteld door de politie in 2020 inzake milieu en ruimtelijke ordening ............................................................................................................................................................................................... 84 Figuur 3 Aantal personen dat deel uitmaakt van het Leef-milieunetwerk ................................................. 84 Figuur 4 Activiteiten Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering in 2020 ................................................ 86 Figuur 5 Schematische voorstelling vervolgtraject van de handhavingsinstrumenten procesverbaal en verslag van vaststelling .......................................................................................................................................87 Figuur 6 Aantal VTE in 2020 door de parketten besteed aan milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening...................................................................................................................................................................... 89 Figuur 7 Aantal zaken milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening per verbaliserende overheid, geregistreerd in 2020 ............................................................................................................................................. 90 Figuur 8 Aantal zaken milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening per thema, geregistreerd in 2020 ................................................................................................................................................................... 90 Figuur 9 Vooruitgangsstaat zaken van 2020 aangaande milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening d.d. 9 januari 2021 ........................................................................................................................... 93 Figuur 10 Seponering zaken van 2020 aangaande milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening --- technische motieven .......................................................................................................................................... 94 Figuur 11 Seponering zaken van 2020 aangaande milieuhandhaving en handhaving ruimtelijke ordening - opportuniteitsmotieven..................................................................................................................................... 95 Figuur 12 Activiteiten Gewestelijke Beboetingsentiteit inzake misdrijven in 2020 ................................97 Figuur 13 Activiteiten Gewestelijke Beboetingsentiteit inzake inbreuken in 2020 ................................ 98 Figuur 14 Activiteiten Handhavingscollege in 2020 ................................................................................................... 99 Figuur 15 Aantal gewestelijke toezichthouders in 2020 ....................................................................................... 103 Figuur 16 Aantal VTE besteed aan milieuhandhaving door gewestelijke instanties ........................... 103 Figuur 17 Aantal verbalisanten/stedenbouwkundige inspecteurs en aantal toezichthouders in het Vlaamse Gewest in 2020 .......................................................................................................................................................... 105 Figuur 18 Aantal VTE besteed aan omgevingshandhaving in het Vlaamse Gewest in 2020 .......... 106 Figuur 19 Aantal plaatsbezoeken RO en milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in het Vlaamse Gewest in 2020............................................................................................................................................................................... 106 Figuur 20 Inzet handhavingsinstrumentarium milieu en ruimtelijke ordening door handhavingsactoren in 2020 ..................................................................................................................................................107 Figuur 21 VTE besteed aan milieuhandhaving/ handhaving ruimtelijke ordening per 10.000 inwoners --- VRIND clustering................................................................................................................................................. 109 Figuur 22 Milieuhandhavingscontroles/ plaatsbezoeken ruimtelijke ordening per 10.000 inwoners --- VRIND clustering ........................................................................................................................................................................ 110 Figuur 23 Milieuhandhavingscontroles met overtreding/ plaatsbezoeken ruimtelijke ordening met schending per 10.000 inwoners --- VRIND clustering ...................................................................................... 110 Figuur 24 Aanmaningen milieu en ruimtelijke ordening per 10.000 inwoners --- VRIND clustering .................................................................................................................................................................................................................... 111 Figuur 25 Aantal klasse 1, klasse 2, klasse 3 en hinderlijke maar onvergunde inrichtingen in 2020 ................................................................................................................................................................................................................... 112 Figuur 26 Aantal zaken geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest inzake milieu en ruimtelijke ordening en procentueel aandeel (t.o.v. het totaal aantal dossiers) overgemaakt aan de gewestelijke beboetingsentiteit ........................................................114 Figuur 27 Aantal zaken (milieu en ruimtelijke ordening) geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen en procentueel aandeel (t.o.v. totaal aantal dossiers).........................................116 //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 139 van 142
Figuur 28 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake milieumisdrijven sinds 2009 ........117 Figuur 29 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake stedenbouwkundige misdrijven sinds 2018 .............................................................................................................................................................................................117 Figuur 30 Aantal door gewestelijke beboetingsentiteit ontvangen verslagen van vaststelling ... 119 Figuur 31 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake milieu-inbreuken sinds 2009 ....... 120 Figuur 32 Beslissingen gewestelijke beboetingsentiteit inzake stedenbouwkundige inbreuken sinds 2018 ........................................................................................................................................................................................... 120 Figuur 33 Aantal zaken ‘sluikstorten’ sinds 2010 en procentueel aandeel ten opzichte van totaal aantal zaken ...................................................................................................................................................................................... 121
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 140 van 142
12 AFKORTINGEN CITES
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten COL Omzendbrieven van het College van procureurs-generaal DABM Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid DJSOC/Milieu Dienst leefmilieu van de Directie bestrijding zware en georganiseerde criminaliteit EEG Europese Economische Gemeenschap EG Europese gemeenschappen EU Europese Unie GAS Gemeentelijke administratieve Sanctie HAVILAND Streekintercommunale voor het arrondissement Halle-Vilvoorde HHC Handhavingscollege HRH Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering IGEAN Intercommunale grondbeleid en expansie Antwerpen IGEMO Intergemeentelijke vereniging voor ontwikkeling van het Gewest Mechelen en Omgeving INTERLEUVEN Intercommunale van gemeenten uit het arrondissement Leuven IOK Intercommunale ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen LEIEDAL Interlokale vereniging voor streekontwikkeling in Zuid-West-Vlaanderen MaCH Mammouth at Central Hosting - dossierbeheersysteem Openbaar Ministerie OESO Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OHR Omgevingshandhavingsrapport RO Ruimtelijke Ordening SOLVA Intergemeentelijke samenwerking voor streekontwikkeling in Zuid-OostVlaanderen VCRO Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening VENECO intergemeentelijk samenwerkingsverband van 25 gemeenten rond Gent VHRM Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu VLAREBO Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming VLAREM Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning VLAREMA Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen VPV Vereenvoudigde processen-verbaal VRIND Vlaamse Regionale Indicatoren VTE Voltijdsequivalenten WVI West-Vlaamse Intercommunale
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 141 van 142
COLOFON Het Omgevingshandhavingsrapport 2020 - handhavingsuitvoering is een uitgave van het Departement Omgeving en uitgewerkt door het Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO). Uitgave Vlaamse Overheid Departement Omgeving Vlaams Planbureau Omgeving www.omgevingvlaanderen.be Verantwoordelijke uitgever Peter Cabus, secretaris-generaal Departement Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL
Auteur: An Stas, Vlaams Planbureau voor Omgeving (VPO) - Departement Omgeving Grafische dataweergave: Kasper Cockx, Wouter Brems, Elien Vandeweyer (AtOnce) Taalcorrectie en lay-out: Team communicatie - Departement Omgeving, Kasper Cockx Lectoren: Stijn Vanacker, Patrick Wilmots, Helena Bieseman, Sigrid Raedschelders, Tine Renders, Krista Van Boeckel, Marieke Kindt Vragen of informatie? vpo.omgeving@vlaanderen.be 02 553 83 50 Mits bronvermelding wordt overname van de teksten aangemoedigd. Wijze van citeren: Vlaams Planbureau Omgeving (2021). Omgevingshandhavingsrapport 2020 --- handhavingsuitvoering. Departement Omgeving, Brussel. Depotnummer D/2021/3241/195 © Vlaamse Overheid
//////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// pagina 142 van 142
Departement Omgeving Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel omgeving.vlaanderen.be