Skip to main content

EcologischeInventarisatieLangsDeLeieTussenSintBaafsVijveEnDeinzeInFunctieVanHetProjectSeineSchelde.p

Page 1

Ecologische inventarisatie langs de Leie tussen Sint-Baafs-Vijve en Deinze in functie van het project Seine-Schelde Inventarisatie van kruidige bermvegetatie, vissen, graslanddagvlinders, rietbroeders, oeverzwaluwen en vleermuizen Andy Van Kerckvoorde, Sophie Vermeersch, Joris Everaert


Auteurs: Andy Van Kerckvoorde, Sophie Vermeersch, Joris Everaert Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Reviewers: Lieve Vriens (volledig rapport) en Koen Van Muylem (samenvatting en English abstract) Het INBO is het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de Vlaamse overheid dat via toegepast wetenschappelijk onderzoek, data- en kennisontsluiting het biodiversiteitsbeleid en -beheer onderbouwt en evalueert. Vestiging: Herman Teirlinckgebouw INBO Brussel Havenlaan 88 bus 73, 1000 Brussel www.inbo.be e-mail: andy.vankerckvoorde@inbo.be Wijze van citeren: Van Kerckvoorde A., Vermeersch S., Everaert J. (2020). Ecologische inventarisatie langs de Leie tussen Sint-Baafs-Vijve en Deinze in functie van het project Seine-Schelde. Inventarisatie van kruidige bermvegetatie, vissen, graslanddagvlinders, rietbroeders, oeverzwaluwen en vleermuizen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (15). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. DOI: doi.org/10.21436/inbor.17478670 D/2020/3241/079 Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2020 (15) ISSN: 1782-9054 Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van: De Vlaamse Waterweg nv

Š 2020, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


ECOLOGISCHE INVENTARISATIE LANGS DE LEIE TUSSEN SINT-BAAFS-VIJVE EN DEINZE IN FUNCTIE VAN HET PROJECT SEINE-SCHELDE Inventarisatie van kruidige bermvegetatie, vissen, graslanddagvlinders, rietbroeders, oeverzwaluwen en vleermuizen Van Kerckvoorde A., Vermeersch S., Everaert J.

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Dankwoord/Voorwoord Deze opdracht is uitgevoerd binnen het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen De Vlaamse Waterweg nv en het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek als onderdeel van het onderzoeksproject ‘Natuurvriendelijke oeverinrichting in niet-getijgebonden waterwegen’ binnen het thema ‘waterweg’.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 2 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Samenvatting Langs de Leie worden inrichtingswerken gepland door De Vlaamse Waterweg nv in het kader van het Europese waterwegenprogramma Seine-Schelde. Het doel van deze studie is het in kaart brengen van de natuurwaarden in het traject Deinze - Sint-Baafs-Vijve (pand 140) voorafgaand aan de uitvoering van de inrichtingswerken. Achtereenvolgens komen de kruidige bermvegetaties, visgemeenschappen, rietbroeders, oeverzwaluw, graslanddagvlinders en vleermuizen aan bod in dit rapport. Hieronder volgen alvast de belangrijkste bevindingen. Kruidige bermvegetatie Langs de linkeroever van de Leie tussen Deinze en Sint-Baafs-Vijve kwamen doelvegetaties voor op 45% van de totale lengte van de berm aan de waterzijde en op 78% van de lengte van de berm aan de landzijde. Op de rechteroever was dit 32% aan de waterzijde en 85% aan de landzijde. Doelvegetaties omvatten gras-kruidenmix, glanshavergrasland en een mozaïek van gras-kruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel. Gras-kruidenmix werd lokaal gevonden op de waterzijde van de linker- en rechteroever tussen Olsene- en Machelenbrug. Glanshavergrasland was aanwezig op de waterzijde van de linkeroever tussen Zultebrug en 400 m stroomafwaarts Olsenebrug. Een mozaïek van graskruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel werd aangetroffen op de rechteroever vanaf 500 m stroomafwaarts Zulte- tot Olsenebrug Soortenarm grasland was vooral gekarteerd op de waterzijde aan de linker- en rechteroever tussen Machelenbrug en Deinze. Verruigd grasland (dikwijls in mozaïek met brandnetelruigte en iepenstruweel) werd hoofdzakelijk gevonden aan de waterzijde op linker- en rechteroever tussen Zultebrug en 1 km stroomafwaarts ervan. Vissen Om de efficiëntie van verschillende oevertypes in relatie tot de visgemeenschappen te evalueren, werden van juni tot september 2018, bemonsteringen uitgevoerd. De focus werd op de juveniele vissen gelegd, omdat ze een goede indicator zijn voor de voortplantingsmogelijkheden die het aanwezige habitat biedt aan de visgemeenschap. Ook de habitats werden bemonsterd, op meso- en microhabitatniveau. In deze studie werden vijf criteria gebruikt om de toestand van de waargenomen gemeenschap te evalueren: soortenrijkdom, abundantie, dynamiek, functionele organisatie en lengteverdeling. Tot slot werd ook de rol van de verschillende habitattypes als paai- en opgroeihabitat geanalyseerd. De bestudeerde NTMB-oever beschikt over een vergelijkbaar aantal soorten als de oevers met breukstenen, maar beduidend meer dan de oevers met beton, asfaltmastiek of schanskorven. Maar door de aanwezigheid van schuilplaatsen en/of geschikte microhabitats is de functionele organisatie ter hoogte van betonoevers hoger dan verwacht. Desalniettemin bezitten zowel de betonoevers als de oevers met asfaltmastiek lage lengtescores. Er worden ter hoogte van deze oevers grotere vissen en minder kleine juvenielen gevangen. Dit wijst op een beperkt belang van dit oevertype voor de voortplanting van de meeste soorten. De visgemeenschappen ter hoogte van breuksteenoevers daarentegen vertonen een gemiddelde dynamiek duidend op een stabiele, draagkrachtige gemeenschap.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 3 van 140


Dankzij de aanwezigheid van microhabitats, zoals houtige, riet- en moerasvegetaties, schuilen soorten zoals snoekbaars, paling en rietvoorn en verschillende leeftijdsklassen van baars en blankvoorn (adulten en juvenielen). Waterriet en in het water hangende takken dragen bij tot een verbetering van de habitatstructuur, ook ter hoogte van betonoevers en oevers met asfaltmastiek. Opvallend zijn de goede lengtescores voor moerasvegetaties en houtige vegetaties als microhabitats. In totaal werden in het pand 140 van de Leie 17 soorten gevangen. De resultaten geven aan dat 10 soorten potenties hebben voor de ontwikkeling van leefbare populaties. De populaties van de overige 7 soorten (alver, blauwbandgrondel, brasem, driedoornige stekelbaars, kolblei, snoek, zeelt) zijn minder evenwichtig uitgebouwd of niet duurzaam. Rietbroeders Enkel kleine karekiet was als rietbroeder geïnventariseerd langs de Leie-oevers in het traject Deinze - Sint-Baafs-Vijve. In totaal werden er 34 territoria vastgesteld. De territoria komen overeen met de gekende locaties van rietkragen. Territoria van andere rietbroeders werden niet gevonden langs het onderzochte traject van de Leie. Oeverzwaluw We vonden één nestlocatie van oeverzwaluw, op de rechteroever zo’n 700 m stroomafwaarts Machelenbrug met 86 nestholtes, waarvan 45 bewoond. Graslanddagvlinders De geïnventariseerde transecten hebben alle een waarde voor graslanddagvlinders, want overal werd bruin blauwtje, icarusblauwtje, oranje zandoogje en bruin zandoogje gevonden. In 4 transecten is zwartsprietdikkopje, een soort met Rode-Lijst status ‘kwetsbaar’, gevonden. Het transect op de rechteroever stroomopwaarts Olsenebrug (transect 5) lijkt het waardevolst voor graslanddagvlinders. Hier werden het hoogst aantal soorten en de hoogste aantallen vlinders gevonden. Dit transect kent een structuurrijke vegetatie bestaande uit een mozaïek van gras-kruidenmix, ruig grasland en struweel. Vleermuizen Algemeen kunnen we stellen dat zo goed als het volledige pand 140 van de Leie een aanzienlijke waarde heeft voor vleermuizen, zowel de noordelijke als zuidelijke oever. Zeer lokale factoren kunnen wel een invloed hebben op de vleermuisactiviteit. Zo werden tijdens het vleermuisonderzoek 10 soorten vastgesteld: naast de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis (baard/Brandts vleermuis), (gewone) grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis, ook de zeldzame kleine dwergvleermuis, meervleermuis en bosvleermuis.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 4 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


English abstract Along the Lys, De Vlaamse Waterweg nv plans works within the framework of the waterwayprogram Seine Scheldt. The aim of this study is to map the ecological values in the section Deinze - Sint-Baafs-Vijve prior to the implementation of these works. The herbaceous dike vegetation, reed breeding birds, sand martin, grassland butterflies and bats are discussed. The most important findings follow below. Herbaceous dike vegetation Along the left river bank of the Lys between Deinze and Sint-Baafs-Vijve target vegetation were present on 45% of the dike length on the water side and on 78% of the dike length on the land side. On the right river bank these values were 32% on the water side and 85% on the land side. Target vegetations are species rich grasslands like grass herbs mix, Arrhenatherum grasslands and a mosaic of grass herbs mix, tall grassland and Elm shrubs. Grass herbs mix was found on the water side along the right and left river bank between Olsenebrug and Machelenbrug. Arrhenatherum grasslands were present on the water side of the left river bank between Zultebrug and 400 m downstream of Olsenebrug. A mosaic of grass herbs mix, tall grassland and Elm shrubs was observed on the right river bank from 500 m downstream of Zultebrug to Olsenebrug. Species poor grassland was mostly found on the water side of the right and left river bank between Machelenbrug and Deinze. Tall grassland (often occurring in a mosaic with nettle vegetation and Elm shrubs) occurred mainly on the water side of the right and left river bank between Zultebrug and 1 km downstream of it. Fish In order to determine the efficiency of the different river bank types in relation to the fish communities, sampling was performed from June to September 2018. We focused on juvenile fish, because they are good indicators of the breeding potential according to the present habitats. Finally, we examined the role of the different habitat types as spawning and juvenile habitat. The studied ecologically friendly river banks have a similar number of species as river banks consisting of ripraps, but significantly more than river banks consisting of concrete, bituminous mastics or gabions. However, due to the presence of shelters and/ or suitable microhabitats, we found the functional organization at the level of the concrete river bank to be higher than expected. Nonetheless river banks consisting of concrete or bituminous mastics exhibit a low length score. At the level of these river banks we observe larger fish and few smaller juveniles, indicating the limited importance of this river bank type for the breeding of the major species. On the contrary, fish communities at the level of ripraps exhibit an average dynamics what points to a stable and resilient community.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 5 van 140


Because of the presence of microhabitats, such as woody, reed and wetland vegetations, a shelter is provided for species as zander, eel, rudd and different age categories of perch and roach (adults and juveniles). Submerged reed and branches offer an improvement of the habitat structure also at the level of river banks consisting of concrete and bituminous mastics. Notable are the good length scores for wetland and woody vegetations as microhabitats. Altogether 17 species were caught in the Lys between Deinze and Sint-Baafs-Vijve. The results indicate that 10 species have the potential to develop livable populations. The populations of the remaining 7 species (sunbleak, topmouth gudgeon, bream, three-spined stickleback, silver bream, pike, tench) are less balanced or not sustainable. Reed breeding birds Only Eurasian reed warbler was observed as reed breeding bird along the Lys between Deinze and Sint-Baafs-Vijve. In total 34 territories were found. These territories correspond to known locations of reed fringes. Territories of other reed breeding birds were not found along the studied part of the Lys. Sand martin One nest location of sand martin was found along the studied part of the Lys, on the right river bank about 700 m downstream of Machelenbrug. The location had 86 nest cavities, 45 of which were inhabited. Grassland butterflies All surveyed transects have a value for grassland butterflies, because brown argus, common blue, gatekeeper and meadow brown were observed. In 4 transects essex skipper was found, a species categorized as vulnerable on the Flanders Red List of butterflies. The transect on the right river bank upstream of Olsenebrug appears to be the most valuable for grassland butterflies. Here the highest number of species and the highest number of butterflies were found. This transect has a structure-rich vegetation consisting of a mosaic of grass-herb mix, tall grassland and shrubs. Bats In general we can say that almost the entire section of the Lys between Deinze and Sint-BaafsVijve has a considerable value for bats, both the northern and southern river bank. However, local factors also have an influence on bat activity. During bat research, 10 species were identified: in addition to the common pipistrelle, nathusius's pipistrelle, daubenton's bat, whiskered bat (whiskered/Brandt's), (brown) longeared bat, serotine bat and common noctule, also the more rare soprano pipistrelle, pond bat and lesser noctule.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 6 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Inhoudstafel Dankwoord/Voorwoord........................................................................................................ 2 Samenvatting ....................................................................................................................... 3 English abstract .................................................................................................................... 5 Lijst van figuren.................................................................................................................... 9 Lijst van foto’s .................................................................................................................... 12 Lijst van tabellen ................................................................................................................ 12 1

Inleiding ..................................................................................................................... 14

2

Kartering kruidige bermvegetatie ................................................................................ 15

3

2.1

Materiaal en methoden ....................................................................................... 15

2.2

Resultaten........................................................................................................... 16

2.3

Discussie ............................................................................................................. 24

Inventarisatie vissen ................................................................................................... 26 3.1

3.1.1

Staalnamelocaties, meso- en microhabitats ................................................... 26

3.1.2

Bemonsteringsmethoden ............................................................................. 31

3.1.3

Criteria voor data-analyse ............................................................................. 32

3.1.4

Statistische verwerking van de gegevens ....................................................... 37

3.2

Literatuurstudie: visindex en visbestand Leie......................................................... 38

3.3

Resultaten........................................................................................................... 40

3.3.1

Soortenrijkdom ............................................................................................ 40

3.3.2

Abundantie .................................................................................................. 45

3.3.3

Dynamiek .................................................................................................... 48

3.3.4

Functionele organisatie ................................................................................ 50

3.3.5

Lengteverdeling ........................................................................................... 52

3.3.6

Rol van het habitattype als paai- en opgroeihabitat ........................................ 53

3.3.7

Eigenschappen van de waargenomen vispopulaties ....................................... 57

3.4 4

Materiaal en methoden ....................................................................................... 26

Discussie ............................................................................................................. 64

Inventarisatie broedvogels: rietbroeders en oeverzwaluw ............................................. 66 4.1

Materiaal en methoden ....................................................................................... 66

4.1.1

Rietbroeders ................................................................................................ 66

4.1.2

Oeverzwaluw ............................................................................................... 66

4.2

Resultaten........................................................................................................... 67

4.2.1

Rietbroeders ................................................................................................ 67

4.2.2

Oeverzwaluw ............................................................................................... 67

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 7 van 140


4.3

5

6

Discussie ............................................................................................................. 70

4.3.1

Kleine karekiet ............................................................................................. 70

4.3.2

Oeverzwaluw ............................................................................................... 71

Inventarisatie graslanddagvlinders ............................................................................... 74 5.1

Materiaal en methoden ....................................................................................... 74

5.2

Resultaten........................................................................................................... 75

5.3

Discussie ............................................................................................................. 78

Inventarisatie vleermuizen .......................................................................................... 79 6.1

Materiaal en methoden ....................................................................................... 79

6.1.1

Actieve (punt-)transect-metingen met mobiele batdetector ........................... 79

6.1.2

Passieve continue metingen met automatische batdetectors op vaste punten. 80

6.2

Resultaten........................................................................................................... 83

6.2.1

Actieve (punt-)transect-metingen met mobiele batdetector ........................... 83

6.2.2

Passieve continue metingen met automatische batdetectors op vaste punten. 88

6.2.3

Resultaten van enkele zeldzame soorten ....................................................... 96

6.3

Discussie ............................................................................................................. 99

6.3.1

Algemene bespreking ................................................................................... 99

6.3.2

Bespreking per soort .................................................................................. 100

Referenties ...................................................................................................................... 107 Bijlagen ........................................................................................................................... 112 Bijlage 1. Karteereenheden samen met typische soorten en/of kenmerken voor de inventarisatie van bermen. ............................................................................................... 112 Bijlage 2. Territoria van kleine karekiet tussen Deinze en Sint-Baafs-Vijve. ........................... 116 Bijlage 3. Punt-transect meetpunten vleermuizen. ............................................................. 122 Bijlage 4. Automatische batdetector meetpunten vleermuizen. .......................................... 127 Bijlage 5. Vleermuisdetecties tijdens de punt-transect-metingen. ....................................... 129 Bijlage 6. Vleermuisdetecties met automatische batdetectors. ........................................... 132 Bijlage 7. Meervleermuis detecties. ................................................................................... 140

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 8 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Lijst van figuren Figuur 1. Figuur 2.

Figuur 3.

Figuur 4.

Figuur 5.

Figuur 6.

Figuur 7.

Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18. Figuur 19. Figuur Figuur Figuur Figuur

20. 21. 22. 23.

De ligging van de karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140 langs de Leie. 16 Ligging en typering van de verschillende staalnamelocaties voor de bemonstering van visgemeenschappen in het pand 140 langs de Leie (voor betekenis van de locaties â&#x20AC;&#x153;historiekâ&#x20AC;? zie Tabel 3). 26 Pareto-Lorenz curves van 3 hypothetische visgemeenschappen. De 25 %, 45 % en 80% curves weerspiegelen een gemeenschap met respectievelijk een lage, gemiddelde en hoge functionele organisatie. De 45° diagonaal geeft een gemeenschap weer in perfect evenwicht. 35 Boxplot van het aantal soorten van de totale populatie in functie van de mesohabitat voor de volledige staalnameperiode (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p< 0.05). 41 Boxplots van het aantal gevoelige soorten van de totale populatie per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p= n.s.). 41 Boxplots van het aantal juveniele soorten per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p= n.s.). 42 Boxplots van het aantal juveniele soorten per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode enkel voor de elektrisch gevangen soorten (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden). 42 Boxplots van het aantal soorten die per maand bevist werden ter hoogte van de mesohabitats (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden). 43 Boxplots van het aantal gevoelige soorten in functie van de mesohabitat (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p<0.05). 43 Boxplots van de soortenrijkdom per micro- en mesohabitattype voor fuiken en elektrische bevissing. 44 Boxplots van de soortenrijkdom per micro- en mesohabitattype voor de elektrisch gevangen soorten. 45 Boxplots van de abundantie per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode. 46 Boxplots van de abundantie per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode enkel voor elektrische bevissing. 46 Boxplots van de abundantie per microhabitat voor de volledige staalnameperiode. 47 Boxplots van de abundantie per microhabitat via elektrische bevissing. 47 Boxplots van dynamiek per mesohabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juni-juli (% verandering). 48 Boxplots van dynamiek per mesohabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juli-september. 48 Boxplots dynamiek per meso- en microhabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juni-juli. 49 Boxplots dynamiek per meso- en microhabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juli-september (% verandering). 50 Boxplots van de functionele organisatie per mesohabitattype. 51 Boxplots van functionele organisatie per microhabitattype. 51 Boxplots van lengtescore per mesohabitattype. 52 Boxplots van lengtescore per microhabitattype. 53

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 9 van 140


Figuur 24. Figuur 25. Figuur 26. Figuur 27. Figuur 28. Figuur 29. Figuur 30. Figuur 31. Figuur 32. Figuur 33. Figuur 34. Figuur 35. Figuur 36. Figuur 37. Figuur 38.

Figuur 39. Figuur 40. Figuur 41. Figuur 42.

Figuur 43.

Figuur 44.

Figuur 45.

Abundantie van de juveniele individuen per soort (fuik- en elektrische bevissing) voor de verschillende staalnamemaanden en voor het pand 140 van de Leie. 60 Lengteverdeling voor riviergrondel in pand 140 van de Leie. 62 Lengteverdeling voor baars voor de volledige staalnameperiode in het pand 140 van de Leie. 63 Lengteverdeling voor blankvoorn voor de volledige staalnameperiode in het pand 140 van de Leie. 63 Lengteverdeling voor zwartbekgrondel voor de volledige staalnameperiode in het pand 140 van de Leie. 64 Territoria van kleine karekiet (blauwe bollen) langs de Leie tussen Deinze en SintBaafs-Vijve. 67 Zekere nestlocatie van oeverzwaluw (rood kruis) op de rechteroever zo’n 700 m stroomafwaarts Machelenbrug. 68 Mogelijke nestlocatie van oeverzwaluw (rood kruis) op de rechteroever zo’n 1200 m stroomopwaarts Zultebrug. 69 Broedparen van oeverzwaluw in het pand 140 langs de Leie in de periode 19992007 en de locaties in 2018 (bron: Raman & Decleer, 2009). 72 De ligging van de transecten voor de monitoring van graslanddagvlinders. 74 Het totaal aantal waargenomen vlinders in over alle transecten en rondes heen, opgesplitst per soort. 76 Het totaal aantal vlinders (links) en het aantal soorten (rechts) in de verschillende transecten. 76 Het totaal aantal waargenomen vlinders per transect en per soort tijdens de verschillende rondes. 77 De aantallen vlinders per soort waargenomen tijdens de zes rondes. 77 Punt-transect meetpunten (N1-N10 langs de noordkant Leie, Z1-Z10 langs de zuidkant) en vier automatische batdetector meetpunten (nr. 1 en 3 aan noordkant, nr. 2 en 4 aan zuidkant) in pand 140. De Punt-transect meetpunten waren nog verder ingedeeld in ‘straatkant’ en ‘waterkant’ (niet apart weergegeven in de figuur). 81 Manuele controle en verwerking van vleermuisopnames in Kaleidoscope Pro. 82 Losse transect-waarnemingen van gewone en ruige dwergvleermuis. 84 Losse transect-waarnemingen van minder algemene soorten. 84 Gemiddeld aantal detecties (= als vleermuispassages) van de meest algemene soorten bij de punt-transect-metingen. Het aantal toont het gemiddelde op de 10 telpunten (opgesplitst in waterkant en kant van de weg) met per seizoen 3 bezoeken aan elke kant van de Leie. 85 Gemiddeld (± standaarddeviatie) aantal detecties (= als vleermuispassages) van de meest algemene soorten bij de punt-transect-metingen langs de waterkant van zowel de noordkant als zuidkant van de Leie, met weergave van het verschil tussen de meetpunten met (n = 4+4) of zonder (n= 6+6) plasberm in de directe nabijheid (binnen 50 m). 86 Gemiddeld aantal detecties (= als vleermuispassages) van de meest algemene soorten bij de punt-transect-metingen. Gemiddelde van de 10 telpunten (opgesplitst in waterkant en kant van de weg) met per seizoen 3 bezoeken aan elke kant van de Leie. 86 Aandeel en relatief verschil in het aantal passages van de meest algemene soorten (zie ook info in Figuur 38) tijdens de punt-transect-metingen langs de kant van de weg. 87

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 10 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 46.

Figuur 47.

Figuur 48.

Figuur 49.

Figuur 50.

Figuur 51.

Figuur 52.

Figuur 53.

Figuur 54.

Figuur 55.

Figuur 56.

Figuur 57. Figuur 58. Figuur 59. Figuur 60. Figuur 61. Figuur 62. Figuur 63.

Aandeel en relatief verschil in het aantal passages van de meest algemene soorten (zie ook info in Figuur 38) tijdens de punt-transect-metingen langs de waterkant. 87 Gemiddelde aantal detecties per nacht van de meest algemene soorten op 4 vaste punten met automatische batdetectors (zie ook Figuur 38) per seizoen (april-mei, juli-aug, sept-okt). Het â&#x20AC;&#x2DC;nâ&#x20AC;&#x2122; aantal per seizoen is het hier in rekening gebrachte aantal nachten waarin alle detectors actief waren. De punten 1 en 3 zijn gesitueerd aan de noordkant van de Leie, de punten 2 en 4 aan de zuidkant van de Leie. 89 Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 1 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 90 Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 2 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 90 Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 3 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 91 Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 4 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 91 Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 1 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 92 Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 2 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 92 Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 3 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 93 Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 4 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober. 93 Dagelijkse temperatuur (per 24u), neerslag en windsnelheid in dezelfde periodes waarin alle vier de automatische batdetectors tegelijk nachtopnames maakten (90 volledige nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober). Data via waterinfo.be, van meteostation in de omgeving van de Leie in Waregem, net ten zuidwesten van het onderzoeksgebied. 94 Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 1 (noordkant Leie). 94 Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 2 (zuidkant Leie). 95 Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 3 (noordkant Leie). 95 Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 4 (zuidkant Leie). 95 Spectrogram van kleine dwergvleermuis (incl. vangstmoment) op 17 september 2018. 96 Spectrogram van een meervleermuis op 19 oktober 2018. 97 Spectrogram van een bosvleermuis op 6 mei 2018. 98

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 11 van 140


Lijst van foto’s Foto 1. Foto 2. Foto 3. Foto 4. Foto 5.

Foto 6. Foto 7. Foto 8. Foto 9. Foto 10. Foto 11. Foto 12. Foto 13. Foto 14.

Gras-kruidenmix voorkomend op de waterzijde aan de linkeroever tussen Olseneen Machelenbrug. 21 Gras-kruidenmix voorkomend op de landzijde aan de linkeroever tussen Olseneen Machelenbrug. 22 Verruigd grasland op het talud en een smalle strook gras-kruidenmix naast het jaagpad op de waterzijde aan de linkeroever stroomopwaarts Zultebrug. 22 Glanshavergrasland komt voor op de waterzijde aan de linkeroever stroomopwaarts Olsenebrug. 23 Een mozaïek van gras-kruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel is aangetroffen op de onverharde berm aan de rechteroever vanaf 500 m stroomafwaarts Zulte- tot Olsenebrug. 23 Verstevigde oever met betonnen platen 27 Oevers met asfaltmastiek 27 Oever met breuksteen 28 NTMB-oever (plasberm met houten palenrij) 28 Riet als oevervegetatie 29 Houtige begroeiing langs de oever 30 Breuksteenconstructies langs de oever 30 Oever met betonnen platen 30 Een automatische batdetector met externe microfoon langs de Leie en de installatie ervan. 81

Lijst van tabellen Tabel 1. Tabel 2. Tabel 3. Tabel 4.

Tabel 5.

Tabel 6.

Tabel 7.

Vangstgegevens van de elektrische bevissingen voor het pand 140 van de Leie over de volledige staalnameperiode. 32 Beoordeling van de ecologische kwaliteitsratio voor een aantal locaties langs de Leie. 38 Waarnemingen gedurende de periode 2003/2018. 39 Habitatgebruik van de juvenielen (%) ter hoogte van de mesohabitat die maximaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op aan- en afwezigheid. De waarden werden gestandaardiseerd in functie van de vangstinspanning. 53 e e e Aantal keer dat een mesohabitatype als 1 , 2 of 3 keuze wordt geselecteerd als paaihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 3. Bij gelijk aantal keuzes voor de twee categorieën werd de laagste rang toegekend aan de drie categorieën. 54 Habitatgebruik van de juvenielen (%) die minimaal 5 % van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op de aan- en afwezigheid. De waarden werden gestandaardiseerd in functie van de vangstinspanning. 54 e e e Aantal keer dat een mesohabitatype als 1 , 2 of 3 keuze wordt geselecteerd als opgroeihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 3. Bij gelijk aantal keuzes voor de twee categorieën werd de laagste rang toegekend aan beide categorieën. 55

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 12 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Tabel 8.

Tabel 9.

Tabel 10.

Tabel 11.

Tabel 12. Tabel 13. Tabel 14. Tabel 15.

Tabel 16. Tabel 17. Tabel 18.

Tabel 19.

Habitatgebruik van de juvenielen (%) ter hoogte van het microhabitat die maximaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op aan- en afwezigheid. 55 e Aantal keer dat een microhabitattype als 1 of 2e keuze wordt geselecteerd als paaihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 2. Bij gelijk aantal keuzes voor drie categorieën wordt de laagste rang toegekend aan de drie categorieën. 56 Habitatgebruik van de juvenielen (%) ter hoogte van de microhabitat die minimaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op aan- en afwezigheid. 56 e e e Aantal keer dat een microhabitatype als 1 , 2 of 3 keuze wordt geselecteerd als opgroeihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 3. Bij gelijk aantal keuzes voor drie categorieën wordt de laagste rang toegekend aan de drie categorieën. 57 Overzicht van de verschillende soorten in het pand 140 van de Leie (Br= breuksteen, Be= beton, As= asfaltmastiek, S= schanskorven, NTMB=plasberm). 58 Indeling van de waargenomen soorten volgens de ecologische gilde (Crombaghs et al., 2000). 59 Paaiperiode die in de literatuur wordt vermeld voor de vissen die in de kanalen van de verschillende studiegebieden werden aangetroffen. 61 Lengtebereik per soort en maximaal lengteverschil tussen 2 opeenvolgende individuen met verschillende lengte binnen een populatie gedurende de volledige bemonsteringsperiode in de Leie. De maximale verschillen hoger dan 25% zijn vetgedrukt, net als de soorten die met deze verschillen overeenkomen. 62 Vegetatie van de transecten voor opvolging graslanddagvlinders, opgedeeld per sectie van 50 m, op de water en landzijde. 75 Datums (Punt-)Transect-metingen langs pand 140 in 2018 in het voorjaar (aprilmei), zomer (juli-aug) en najaar (sept-okt). Zie ook Figuur 38 en Bijlage 3. 79 Automatische batdetector metingen op vier vaste punten (zie Figuur 38) langs de waterkant in pand 140 in het voorjaar (april-mei), zomer (juli-aug) en najaar (sept-okt) van 2018. De cijfers tonen het aantal volledige opeenvolgende meetnachten. 80 Aantal opnames met automatische batdetectors op vier vaste punten langs de waterkant in pand 140 in het voorjaar (april-mei), zomer (juli-aug) en najaar (sept-okt) van 2018. 88

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 13 van 140


1 INLEIDING Langs de Leie worden inrichtingswerken gepland door De Vlaamse Waterweg nv (DVW) in het kader van het Europese waterwegenprogramma Seine-Schelde. Dit programma heeft als doel om de binnenvaartverbinding voor container- en duwvaartschepen (gabariet Vb, éénrichtingsverkeer) te ontwikkelen tussen twee van Europaʼs belangrijkste industriële regio’s, namelijk het Seine- en het Scheldebekken. Naast het luik binnenvaart bestaat er in Vlaanderen ook een luik rivierherstel Leie tussen Wervik en Deinze. In dit luik staat het herstel van het multifunctionele karakter van de rivier centraal. Het versterken van de ruimtelijke samenhang, het verbeteren van de kwaliteit van het ecologisch systeem en het realiseren of herstellen van de relatie tussen de gekanaliseerde waterweg en de natuurlijke rivier of haar meanders zullen hierbij aan bod komen. Een concrete maatregel binnen het luik rivierherstel Leie is het voorzien van natuurvriendelijke en -technische oevers langs de Leie. Volgens de beslissing van de Vlaamse Regering (VR 2010 1712 DOC.1285TER) omtrent planMER Seine-Schelde dient een monitoringsprogramma te worden opgezet voor de ecologische opvolging van de uitvoeringsprojecten. Bovendien wordt het project Seine-Schelde opgehangen aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Het doel van deze studie is het in kaart brengen van de natuurwaarden in het pand 140 (Deinze - Sint-Baafs-Vijve) voorafgaand aan de uitvoering van de inrichtingswerken (T0 meting). Het gaat over de volgende vragen:  Wat is soortensamenstelling van de visgemeenschap? Welke abundantie en/of lengteverdeling komt voor bij verschillende types oeververstevigingen? Zijn er verschillen in abundantie en/of lengteverdeling waarneembaar tussen de verschillende types oeververstevigingen?  Wat is het belang van de Leie(bermen) als foerageer- of trekroute voor vleermuizen? Welke soorten maken gebruik van de Leie(bermen)? Welke trajecten zijn belangrijk?  Welke types kruidige bermvegetaties komen voor?  Komen rietvogels tot broeden? Zo ja, welke soorten en op welke locaties?  Komt oeverzwaluw tot broeden? Zo ja, op welke locaties en met welke aantallen?  Welke soorten graslandvlinders komen voor? DVW wil in de toekomst dezelfde soortengroepen bemonsteren na de inrichtingswerken zodat volgende vragen kunnen worden behandeld:  Welke natuurwaarden zijn aanwezig na de inrichtingswerken?  Is er een ontwikkeling naar de vooropgestelde natuurdoelstellingen?  Is er bijsturing van de inrichtingsmaatregelen of het beheer wenselijk?

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 14 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


2 KARTERING KRUIDIGE BERMVEGETATIE Andy Van Kerckvoorde & Edward Vercruysse

2.1 MATERIAAL EN METHODEN De bermvegetatie in pand 140 van de Leie karteerden we via de methodiek uitgewerkt in Van Uytvanck et al. (2017). Deze methodiek onderscheidt vier klassen op basis van de vegetatiestructuur namelijk grasland, ruigte, struweel en opgaande houtige vegetatie. Bij de bermkartering voor het pand 140 is enkel de kruidige vegetatie geïnventariseerd vermits bomen en struiken gedetailleerd werden gedocumenteerd in het groenbeheerplan (Arcadis, 2017). Voor een bermkartering worden karteereenheden toegekend aan bermtrajecten. De te onderscheiden karteereenheden zijn geïnspireerd op de biologische waarderingskaart (Vriens et al., 2011), de veldgids voor ontwikkeling van botanisch waardevol grasland (Zwaenepoel, 2000), de veldsleutel graslanden (De Saeger & Wouters, 2018), de typologie van berm- en dijkvegetaties langs waterwegen (Van Kerckvoorde, 2016) en op expertenoordeel. Graslandvegetaties worden ingedeeld in vijf fases, afhankelijk van de soortensamenstelling. Graslandfase 0 is een soortenarm grasland gedomineerd door Engels raaigras of Italiaans raaigras. In graslandfase 1 is de bedekking van raaigras minder dan de helft van de grasmat. Ruw beemdgras neemt de dominante rol over. Bij graslandfase 2 treedt geen dominantie meer op van Engels raaigras of ruw beemdgras. Afhankelijk van de bodemsoort wordt de grasmat gedomineerd door gestreepte witbol, glanshaver, grote vossenstaart en/of kamgras. Graslandfases 3, 4 en 5 kennen een mozaïekpatroon van verschillende grassen en kruiden en vormen botanische doelen. Het onderscheid wordt bepaald door de specifieke soortensamenstelling, zie bijlage 1. Op basis van de criteria in de veldsleutel graslanden (De Saeger & Wouters, 2018) is nagegaan of een grasland een habitat of regionaal belangrijk biotoop is. Verstoord grasland kent een hoog aandeel aan pionierssoorten zoals kamille spp., grote klaproos, herderstasje, paarse dovenetel, gewone raket, varkensgras, bijvoet, perzikkruid, klein hoefblad, akkerwinde, kleine ooievaarsbek of kruipertje. Verruigd grasland wordt gekenmerkt door bv. grote brandnetel, kleefkruid, ridderzuring, akkerdistel, speerdistel, gewone berenklauw, fluitenkruid, kweek of bramen. De te onderscheiden karteereenheden worden in bijlage 1 opgelijst. Met behulp van een hand-GPS (nauwkeurigheid 1-5 m) is het begin- en eindpunt ingemeten van een bermtraject waar een bepaalde karteereenheid kan aan worden toegewezen. Dit gebeurt best door de berm af te stappen of af te fietsen (indien mogelijk). De herkenning van de karteereenheden gebeurt best op het moment dat voldoende planten bloeien. Voor graslandvegetatie in bermen is de zomer een geschikt moment. Het is wenselijk om de bermen te bezoeken voor de maaiwerkzaamheden of minstens 3 tot 4 weken erna. Het veldwerk langs de Leie werd uitgevoerd op 6 en 7 juli 2017 en 25 mei 2018. Na het digitaliseren van de velddata is een kaart gemaakt (via ArcMap) met de verschillende karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 15 van 140


2.2 RESULTATEN Figuur 1 brengt de karteereenheden in de bermen van het pand 140 langs de Leie in kaart.

Dunne lijnen zijn bermvegetaties met een breedte van minder dan 5 m. De lijn(en) dichts bij de Leie duidt(duiden) op de vegetatie aan de waterzijde van het jaagpad, de verste lijn heeft betrekking op de vegetatie aan de landzijde van het jaagpad.

Figuur 1a. De ligging van de karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140 langs de Leie. traject Sint-Baafs-Vijve en 1,5 km stroomafwaarts Sint-Baafs-Vijve

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 16 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 1b. De ligging van de karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140 langs de Leie. traject 1,5 km stroomafw. Sint-Baafs-Vijve â&#x20AC;&#x201C; Zultebrug â&#x20AC;&#x201C; 1,3 km stroomafw. Zultebrug

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 17 van 140


Figuur 1c. De ligging van de karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140 langs de Leie. traject 1,3 km stroomafw. Zultebrug â&#x20AC;&#x201C; Olsenebrug â&#x20AC;&#x201C; 1,6 km stroomafw. Olsenebrug

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 18 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 1d. De ligging van de karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140 langs de Leie. traject 1,6 km stroomafw. Olsenebrug â&#x20AC;&#x201C; Machelenbrug â&#x20AC;&#x201C; 1,2 km stroomafw. Machelenbrug

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 19 van 140


Figuur 1e. De ligging van de karteereenheden aangetroffen in de bermen van het pand 140 langs de Leie. traject 1,2 km stroomafw. Machelenbrug â&#x20AC;&#x201C; spoorwegovergang â&#x20AC;&#x201C; 600 m stroomafw. ervan

Gras-kruidenmix (graslandfase 3) was lokaal gevonden op de water- en landzijde aan de linkeren rechteroever tussen Machelenbrug en Deinze, op de water- en landzijde aan de linker- en rechteroever tussen Olsene- en Machelenbrug (Foto 1, Foto 2) en op de water- (beperkt tot een smalle strook naast het jaagpad) en landzijde aan de linker- en rechteroever tussen 1 km stroomopwaarts Zultebrug en Zultebrug (Foto 3). Kenmerkende meerjarige kruiden die in dit graslandtype stonden zijn: peen, duizendblad, rode klaver, smalle weegbree, klein streepzaad, hopklaver en Sint-Janskruid. Enkele bermen herbergen een glanshavergrasland (graslandfase 4), namelijk de water- en landzijde van de linkeroever tussen Zulte- en Olsenebrug (Foto 4), de waterzijde van de linkeroever tussen Olsenebrug en 400 m stroomafwaarts ervan, de landzijde van de linkeroever tussen Olsene- en Machelenbrug en de landzijde van de linkeroever tussen de uitmonding van de Mandel tot 500 m stroomafwaarts ervan. Typische soorten voor glanshavergrasland die werden aangetroffen in hogervermelde bermtrajecten zijn knoopkruid, rolklaver, graslathyrus en lokaal (aan de landzijde van de linkeroever tussen de sluis Sint-BaafsVijve en de uitmonding van de Mandel) margriet. Het glanshavergrasland was onvoldoende ontwikkeld om habitatwaardig (habitattype 6510) te zijn.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 20 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Verruigd grasland (dikwijls in mozaĂŻek met iepenstruweel) was vooral gevonden aan de waterzijde van de rechteroever tussen Zulte- en 1,6 km stroomafwaarts Olsenebrug en aan de waterzijde van de linkeroever vanaf de sluis van Sint-Baafs-Vijve tot 1 km stroomafwaarts Zultebrug (Foto 3). Een verruigd grasland en brandnetelruigte werd aangetroffen aan de waterzijde van de rechteroever vanaf de sluis van Sint-Baafs-Vijve tot Zultebrug. Soortenarm grasland (graslandfase 2) was vooral gekarteerd op de waterzijde aan de linker- en rechteroever tussen Machelenbrug en Deinze. Een mozaĂŻek van gras-kruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel is aangetroffen op de onverharde berm aan de rechteroever vanaf 500 m stroomafwaarts Zulte- tot Olsenebrug (Foto 5).

Foto 1.

Gras-kruidenmix voorkomend op de waterzijde aan de linkeroever tussen Olsene- en Machelenbrug.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 21 van 140


Foto 2.

Gras-kruidenmix voorkomend op de landzijde aan de linkeroever tussen Olsene- en Machelenbrug.

Foto 3.

Verruigd grasland op het talud en een smalle strook gras-kruidenmix naast het jaagpad op de waterzijde aan de linkeroever stroomopwaarts Zultebrug.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 22 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Foto 4.

Glanshavergrasland komt voor op de waterzijde aan de linkeroever stroomopwaarts Olsenebrug.

Foto 5.

Een mozaĂŻek van gras-kruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel is aangetroffen op de onverharde berm aan de rechteroever vanaf 500 m stroomafwaarts Zulte- tot Olsenebrug.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 23 van 140


2.3 DISCUSSIE Voor de bermen langs de Leie tussen Sint-Baafs-Vijve en Deinze vormen een gras-kruidenmix of bloemrijk grasland de doelgraslandvegetaties (Arcadis, 2017), zeker gezien de erosiebestendigheid (Vannoppen et al., 2016) en de ecologisch waarde van dergelijke vegetaties. Verschillende bermtrajecten van het pand 140 langs de Leie zijn momenteel begroeid met doelvegetaties. De mozaïek van gras-kruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel voorkomend tussen Zultebrug en Olsenebrug wordt in deze studie ook als doel gezien. Zo’n 45% van de totale lengte aan berm van de waterzijde (over de volledige breedte van 5-15 m) op de linkeroever bestaat uit doelvegetaties. De doelvegetaties zijn er gras-kruidenmix en glanshavergrasland. De doelvegetaties liggen vooral tussen 900 m stroomopwaarts Olsenebrug tot Machelenbrug. Zo’n 32% van de totale lengte aan berm van de waterzijde (over de volledige breedte van 5-15 m) op de rechteroever is begroeid met doelvegetaties. De doelvegetaties zijn er graskruidenmix (tussen Olsenebrug en Machelenbrug) en een mozaïek van gras-kruidenmix, verruigd grasland en iepenstruweel (tussen Zultebrug en Olsenebrug). De doelvegetaties op de berm aan de waterzijde zijn soms beperkt tot een smalle strook van 12 m, aanliggend aan het jaagpad (43% van de lengte op rechteroever en 20% van de lengte op linkeroever). Dit is het geval tussen de sluis te Sint-Baafs-Vijve en Zultebrug (linker- en rechteroever), tussen Olsene- en Machelenbrug (rechteroever) en tussen Machelenbrug en Deinze (linker- en rechteroever). De oorzaak hiervan is niet duidelijk. Een mogelijke verklaring is dat de berm aan de waterzijde niet altijd over de volledige breedte wordt gemaaid maar dat enkel 1 tot 2 maaibreedtes wordt gemaaid aanliggend aan het jaagpad. Het is opmerkelijk dat op de smalle berm aan de landzijde (Foto 2) dikwijls doelvegetaties voorkomen (85% van de lengte op rechteroever en 78% van de lengte op linkeroever). Ook hier valt de oorzaak moeilijk te achterhalen. Mogelijk kent de landzijde reeds een lange tijd een natuurvriendelijk maaibeheer. Het glanshavergrasland langs de Leie is hier onvoldoende ontwikkeld om habitatwaardig (habitattype 6510, criteria volgens De Saeger & Wouters, 2018) te zijn. Dit is in overeenstemming met de resultaten van Raman & Van Kerckvoorde (2014). Deze studie gebruikte vegetatieopnames in bermen langs de Leie om na te gaan in hoeverre glanshavergrasland er ecologisch goed is ontwikkeld. De auteurs concludeerden dat de bermvegetaties nog vrij ver verwijderd waren van een ecologisch goed ontwikkeld glanshavergrasland. Dit als gevolg van een hoge bedekking aan storingsindicatoren en een lage bedekking van typische soorten. Mogelijke oorzaken voor het ontbreken van typische soorten van het glanshavergrasland kunnen zijn:  het ontbreken van levensvatbare zaden in de zaadbank,  het ontbreken van gunstige kiemomstandigheden,  de afwezigheid van relictpopulaties in de omgeving of  dispersiemoeilijkheden door een sterk versnipperde omgeving. De Leiebermen kenden tot halfweg de jaren ’90 een intensief maaibeheer met kunstmatige bemesting (Raman & Van Kerckvoorde, 2014). Hierdoor ontstonden soortenarme productieve graslandvegetaties en verdwenen typische graslandsoorten. ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 24 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Bij de bermkartering in het pand 140 zijn groeiplaatsen van graslathyrus gevonden. De meeste vindplaatsen liggen op de linkeroever tussen Zulte- en Olsenebrug. Graslathyrus heeft de Rode-Lijst categorie zeldzaam. Rode-Lijsten geven een prioritering voor natuurbehoud vermits ze aangeven welke soorten het meest bedreigd zijn en waarvoor prioritaire beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De criteria die hiervoor worden gebruikt zijn inheemse oorsprong, zeldzaamheid en trend. De Rode-Lijst voor plantensoorten in Vlaanderen is uitgewerkt in Van Landuyt et al. (2006). Graslathyrus is een typische graslandsoort kenmerkend voor glanshavergrasland (De Saeger & Wouters, 2018). De soort houdt van lemige bodems, en gedraagt zich als een laattijdig manifesterende pionier. Bermen zijn in Vlaanderen klassieke groeiplaatsen voor de soort. Lichte schade aan de zode als gevolg van maaiwerkzaamheden kan kieming van de soort bevorderen (Weeda et al., 1987). De potenties voor ecologisch waardevolle graslandvegetaties zijn in de bermen langs de Leie over het algemeen hoog. Dit omwille van het voorkomen van brede bermen (5-15 m) en taluds, de variatie in bodemtypes (van vochtig tot droog, van zand tot zandleem) en lichtrijke condities. Zoals reeds aangehaald vormen een gras-kruidenmix of bloemrijk grasland (bv. glanshavergrasland) doelgraslandvegetaties voor de bermen langs de Leie (Arcadis, 2017). Dergelijke graslandtypes kunnen in stand gehouden of ontwikkeld worden door een ecologisch maai- of graasbeheer. Een ecologisch beheer houdt in dat geen kunstmatige bemesting en geen pesticidengebruik optreedt en dat het grasland niet wordt gescheurd. Een ecologisch maaibeheer is geschikt als omvormingsbeheer van een soortenarm of verruigd grasland naar een gras-kruidenmix of bloemrijk grasland. Bij een ecologisch uitgevoerd maaibeheer vindt er afvoer van nutriĂŤnten plaats (Schaffers et al., 1998). Het zorgvuldig verwijderen van het maaisel is cruciaal en essentieel bij een ecologisch maaibeheer. Graasbeheer als enige beheervorm is veelal minder ideaal om voedingsstoffen te verwijderen (Bakker, 1989). Het toepassen van een combinatie van maaien en begrazen kan worden overwogen als tussenoplossing. In dat geval wordt het grasland gemaaid in het voorjaar en treedt er later in het seizoen nabegrazing met vee op (Van Uytvanck et al., 2012). Natuurvriendelijk beheerde bermen kunnen een aanvullend en alternatief biotoop vormen voor verschillende typische graslandsoorten (zoals voor planten zie Auestad et al., 2011; voor dagvlinders zie Saarinen et al., 2005), zeker wanneer weinig halfnatuurlijke biotopen aanwezig zijn in de omgeving van de berm, bijvoorbeeld als gevolg van een intensieve landbouwvoering. Ecologisch waardevol grasland, zoals soortenrijk permanent grasland, is in Vlaanderen een zeldzaam biotoop, zoâ&#x20AC;&#x2122;n 3,7-5,1% van het Vlaams oppervlak (Vriens et al., 2011). Bovendien is er gedurende de laatste decennia een afname van de oppervlakte aan permanente graslanden vastgesteld (De Saeger et al., 2013).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 25 van 140


3 INVENTARISATIE VISSEN Sophie Vermeersch, Raf Baeyens, Nico De Maerteleire, Emilie Gelaude, Sebastien Pieters, Karen Robberechts & Johan Coeck

3.1 MATERIAAL EN METHODEN 3.1.1 Staalnamelocaties, meso- en microhabitats Om de inventarisatie van de vissen uit te voeren en in een tweede fase de efficiëntie van de verschillende oevertypen te evalueren in relatie tot de aanwezige visgemeenschappen, werd grotendeels gebruik gemaakt van de methodiek voorgesteld door Mouton et al. (2009). Bepaalde aspecten werden aangepast in relatie tot de specificiteit van het onderzochte oevertype, nl. de specifieke meso- en microhabitats die aanwezig zijn langs het pand 140 van de Leie (Figuur 2).

Figuur 2.

Ligging en typering van de verschillende staalnamelocaties voor de bemonstering van visgemeenschappen in het pand 140 langs de Leie (voor betekenis van de locaties “historiek” zie Tabel 3).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 26 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Het pand 140 kan onderverdeeld worden in 5 grote groepen mesohabitats: 

De mesohabitat ‘beton’ komt voor als verticale betonoever of als oever bestaande uit betonnen platen met een helling van ongeveer 45°. Rekening houdende met de vlakke structuur zijn de schuilmogelijkheden voor vis beperkt of onbestaande (Foto 6).

Foto 6.

De mesohabitat ‘asfaltmastiek’ bestaat uit breuksteen overdekt met asfaltmastiek. Door het aanbrengen van deze laag worden de schuilmogelijkheden sterk beperkt door het opvullen van de tussenruimten (Foto 7).

Foto 7.

Verstevigde oever met betonnen platen.

Oevers met asfaltmastiek.

De mesohabitat ‘schanskorven’ zijn habitats behorende tot verdedigde oevers. Schuilmogelijkheden zijn beperkt aanwezig door de doorgaans kleine gabarit van stenen en de overspanning door metaaldraad.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 27 van 140


De mesohabitat ‘breuksteen’ omvat de habitats waar constructies met breuksteen aanwezig zijn. De holtes tussen de stenen bieden schuilmogelijkheden voor aquatische organismen. Het gabarit van de breukstenen speelt hier ook een rol. De opstapeling van grotere stenen bieden grotere interstitiële ruimten (Foto 8).

Foto 8.

Oever met breuksteen.

De mesohabitat ‘NTMB-oevers’ bestaat uit een palenrij als vooroeverconstructie die de luwe zone afschermt waar vissen de nodige bescherming vinden tegen stroming en golfslag (Foto 9).

Foto 9.

NTMB-oever (plasberm met houten palenrij).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 28 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Ter hoogte van de mesohabitats, werden microhabitats gedefinieerd op basis van de bijkomende habitatmogelijkheden die ze bieden aan de visgemeenschap. Vijf verschillende microhabitattypes werden onderscheiden: 

De microhabitat ‘moerasvegetaties’ bestaat grotendeels uit ondergedompelde macrofyten waarbij het hoofdaandeel van soorten niet uit riet bestaat. Hierbij verwacht men een verschillende en in sommige gevallen minder homogene stengeldensiteit dan bij rietvegetaties. Evenals bij het microhabitat ‘riet’ staat de oppervlakte beschikbare habitat in relatie tot de stengeldensiteit van de macrofyten.

De microhabitat ‘riet’ wordt gevormd door clonale rietvegetaties die ter hoogte van de oeverlijn aanwezig zijn. De submerse plantendelen van de rietvegetaties bieden schuilhabitat voor vissen en andere aquatische organismen. Ze kunnen eveneens dienst doen als voedings- en paaihabitat. Wanneer de rietstengels echter te dicht bij elkaar staan, daalt het oppervlakte van beschikbare habitat voor vissen. Mogelijks bestaat er dus een optimale rietdensiteit waarbij een evenwicht wordt gevonden tussen schuilmogelijkheden en de oppervlakte aan beschikbare habitat (Foto 10).

Foto 10.

Riet als oevervegetatie.

De microhabitat ‘houtige begroeiing’ omvat alle habitats waarbij overhangende houtige oevervegetatie aanwezig is. Hierbij is het belangrijk dat een deel van de overhangende vegetatie (wortels en of takken) onder het wateroppervlakte zit en zo mogelijks habitatmogelijkheden voor de visgemeenschap biedt (Foto 11).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 29 van 140


Foto 11.

‘Breuksteenconstructies’ omvatten de habitats waar constructies met breuksteen aanwezig zijn. De holtes tussen de stenen bieden niet enkel schuilmogelijkheden voor aquatische organismen, maar ook ontwikkelingskansen voor vegetaties (Foto 12).

Foto 12.

Houtige begroeiing langs de oever.

Breuksteenconstructies langs de oever.

De microhabitat ‘beton’ omvat betonplaten die onder water weinig mogelijkheden bieden als schuilplaats (Foto 13).

Foto 13.

Oever met betonnen platen.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 30 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


3.1.2 Bemonsteringsmethoden In dit onderzoek werd gefocust op juveniele vissen omdat deze goede indicatoren zijn van de voortplantingsmogelijkheden die de aanwezige habitat biedt aan de visgemeenschap. De aanwezigheid van juveniele individuen van residente vissoorten wijst op de aanwezigheid van geschikte habitat om te paaien en te schuilen, maar ook op de aanwezigheid van geschikte voedsel- en groeihabitat. Bovendien kan voor residente vissoorten ook verondersteld worden dat geschikte habitat aanwezig is voor adulte individuen op plaatsen waar juvenielen voorkomen. Juveniele vissen blijken nuttige functionele indicatoren te zijn in verschillende Europese rivieren, vooral omdat de ontwikkeling tot volwassen individuen sterk weerspiegeld wordt in het habitattype dat wordt gekozen voor reproductie. De milieuvereisten van een vis gedurende zijn volledige ontwikkeling zijn bijgevolg gerelateerd aan zijn reproductiestijl en behoeftes. Bovendien zijn juveniele vissen relatief eenvoudig te determineren en te tellen. Het bemonsteren van juveniele vissen is dus een compromis tussen de complexiteit en gevoeligheid van de vertebratenrespons op milieuveranderingen en de lange tijdsspanne nodig om een dergelijke respons bij adulte visindividuen te meten (Copp et al., 1991). Wanneer bij gelegenheid adulte vissen bemonsterd worden, worden ze eveneens gedetermineerd, gemeten en gewogen. 3.1.2.1

Elektrisch vissen

De visgemeenschap ter hoogte van de verschillende habitats werd bemonsterd aan de hand van elektrische afvissingen. Elektrisch vissen is een vangstmethode met een vrij lage visefficiĂŤntie (Coeck, 1996). Om dit probleem te compenseren, werden 10 willekeurige punten bemonsterd per microhabitat. De gevangen adulte vissen worden op het veld gedetermineerd en gemeten. De juveniele vissen en de individuen waarbij het onderscheid adult/juveniel niet duidelijk waarneembaar was, worden verzameld en in het labo gedetermineerd en gemeten aan de hand van een stereomicroscoop. Voor de determinatie van de juveniele individuen wordt een determineersleutel voor juveniele vis gebruikt (Pinder, 2001). De elektrische afvissingen werden drie maal uitgevoerd tussen juni en september 2018 op het pand 140 van de Leie. 3.1.2.2

Fuikbevissingen

Ter hoogte van het pand 140 van de Leie werd op het einde van de bemonsteringscampagne (september 2018) een eenmalige schietfuikbevissing uitgevoerd om een schatting te maken van de aanwezige visgemeenschap. Schietfuiken bestaan uit cilindrische of kegelvormige zakken met een maaswijdte van 9-13 mm, die op ringen of hoepels bevestigd zijn en die volledig door een netstructuur omgeven zijn. Ze worden op de bodem geplaatst, parallel met de oever, en in ondiep water gebruikt (NĂŠdĂŠlec & Prado, 1990). 3.1.2.3

Voor- en nadelen van de verschillende staalnametechnieken

Beide methoden bemonsteren zowel benthische als pelagische vissen. De beschreven staalnametechnieken bemonsteren wel verschillende levensstadia binnen het waterecosysteem. Elektrische bevissingen vangen vooral juveniele vissen, terwijl fuiken door hun relatief grote maaswijdte vooral adulte vissen vangen (1+ en ouder). Deze eigenschappen worden bevestigd door de gegevens die tijdens dit onderzoek verzameld werden (Tabel 1).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 31 van 140


Tabel 1.

Vangstgegevens van de elektrische bevissingen voor het pand 140 van de Leie over de volledige staalnameperiode.

Soort alver baars bittervoorn blankvoorn brasem driedoornige stekelbaars karper kolblei paling pos rietvoorn riviergrondel snoek snoekbaars zeelt zwartbekgrondel

Elektrische bemonstering Adult Juveniel 1 68 145 4 84 72 1 2 1 1 20 10 1 2 2 9 2 1 1 3 1 280 183

Fuikvangst Adult Juveniel 12

19

16

2

1

2 1

23 3

1

1

1

1

1

9

De fuikbevissingen geven gelijkaardige resultaten als de elektrische bevissing. Bij de elektrische bevissingen verschillen de resultaten tussen de verschillende mesohabitats. Aangezien de elektrische bevissingen met behulp van een boot en een generator worden uitgevoerd, zorgen deze mogelijks voor afschrikking en verstoring van de aanwezige vissen: kleinere juveniele vissen zullen minder mobiel zijn en zich in grotere scholen voortbewegen dan grotere vissen en dus makkelijker gevangen worden, ondanks afschrikkingen. Ter hoogte van de betonoevers of breuksteen bedekt met asfaltmastiek kunnen vissen zich veel moeilijker verschuilen in de oever dan ter hoogte van habitattypes met meer schuilmogelijkheden. De elektrische bevissingstechniek laat echter toe om vissen die zich in de oever verschuilen ook te vangen. Hierdoor wordt het aantal aanwezige vissen bij elektrische bevissingen ter hoogte van de betonoevers en de oevers met asfaltmastiek mogelijk sterker onderschat dan ter hoogte van de andere mesohabitattypes, door naar de bodem te zakken en de het groter aantal vluchtroutes. Bijgevolg kan vergelijking van de totale vangstgegevens met elektrische vangstgegevens een indicatie geven van de schuilmogelijkheden die een habitattype biedt. Wanneer ter hoogte van een bepaald habitattype de meest soorten enkel met fuiken worden gevangen, kan worden verondersteld dat dit habitattype weinig schuilmogelijkheden biedt. Dit veronderstelt dat alle bemonsterde soorten zowel elektrisch als met fuiken kunnen worden gevangen.

3.1.3 Criteria voor data-analyse De visgemeenschap werd bemonsterd ter hoogte van verschillende mesohabitats. De toestand van deze gemeenschap kan aan de hand van een aantal criteria worden geĂŤvalueerd. In deze studie worden vijf criteria gebruikt om de toestand van de waargenomen visgemeenschap te evalueren: soortenrijkdom, abundantie, dynamiek, functionele organisatie, lengteverdeling. Tot slot wordt ook de rol van de verschillende habitattypes als paai- en opgroeihabitat geanalyseerd.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 32 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


3.1.3.1

Soortenrijkdom en abundantie

De soortenrijkdom wordt logischerwijze uitgedrukt door het aantal soorten van een gemeenschap en is positief gecorreleerd met de draagkracht en de natuurwaarde van een gemeenschap. Bij de evaluatie van de visgemeenschappen werd gebruik gemaakt van de waargenomen abundantie van de vissoorten. Aangezien enkel semi-kwantitatieve vangstmethodes werden toegepast in dit onderzoek, zijn de waargenomen abundanties dus strikt genomen eerder probabilistisch te interpreteren. De resultaten zijn bijgevolg eerder gebaseerd op de kans op een bepaalde abundantie ter hoogte van een bestudeerde habitat, dan op de absolute abundantie in deze habitat. 3.1.3.2

Dynamiek

De dynamiek beschrijft de verschuiving in diversiteit van een visgemeenschap. Algemeen wordt aangenomen dat visgemeenschappen evolueren langs een continuĂźm in de tijd, eerder dan te leiden tot een climaxgemeenschap. De visgemeenschap is continu in verandering door in- en uitstroom van individuen en populaties van verschillende soorten onder invloed van reproductie, mortaliteit en migratie. Elke bemonstering van de visgemeenschap is bijgevolg een momentopname van een continu evoluerend gebeuren, en vergelijking van opeenvolgende bemonsteringen kan inzicht verschaffen in de dynamiek van deze gemeenschap. Deze dynamiek wordt gedefinieerd als het aantal soorten dat gemiddeld significant dominant wordt binnen een gegeven habitat en een bepaald tijdsinterval. Hoe meer soorten de gemeenschap uitbreiden, per tijdseenheid en in verhouding tot het aantal reeds aanwezige soorten, hoe meer de oorspronkelijke visgemeenschap kan veranderen, en hoe dynamischer de gemeenschap dus kan zijn. Optimaal wordt een gemiddelde dynamiek nagestreefd, waarbij een evenwicht is tussen de aangroei (reproductie en immigratie) en de afname (mortaliteit en emigratie) van vispopulaties binnen een gemeenschap. Een extreem hoge of lage dynamiek wijst op een minder duurzame gemeenschap. Specifiek zal bij een hoge dynamiek de samenstelling van de visgemeenschap constant zeer sterk veranderen, waarbij nagenoeg geen enkele soort erin slaagt een duurzame populatie uit te bouwen. Bij een lage dynamiek zullen slechts een aantal soorten een stabiele populatie uitgebouwd hebben, en zal de instroom van nieuwe soorten nagenoeg nihil zijn. Deze situatie kan bijvoorbeeld voorkomen bij zeer sterk geĂŻsoleerde gemeenschappen. De dynamiek van een populatie kan gekwantificeerd worden aan de hand van de procentuele verandering van een gemeenschap (% verandering). Hierbij is dit percentage gedefinieerd als: % verandering = 100 - % gelijkenis, waarbij de procentuele gelijkenis van twee gemeenschappen (gescheiden in de tijd) berekend wordt op basis van de relatieve dominantie van een soort. Eerst wordt, op basis van een referentietijdstip, de procentuele verandering van de gemeenschap berekend voor de verschillende bemonsteringstijdstippen. Deze verandering wordt berekend door het aantal gewijzigde soorten (ten opzichte van maand 2) van een habitat in maand 1 te delen door het totaal aantal soorten van dit habitat in maand 1. Vervolgens wordt de veranderingsratio (Zt) berekend als het gemiddelde van deze procentuele veranderingen. Zt= gemiddelde (% verandering)

In deze studie wordt de bemonstering van de maand juni de referentie en wordt de veranderingsratio berekend als het gemiddelde van de procentuele gemeenschapsverandering van de maanden juli en augustus.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 33 van 140


3.1.3.3

Functionele organisatie

De functionele organisatie (Fo) is een derde criterium om de toestand van een visgemeenschap te beoordelen. Deze organisatie wordt bepaald door de organismen die het best passen in de heersende interactiestructuur tussen organismen en hun omgeving. Hierdoor neigen deze organismen tot dominantie binnen de structuur van de visgemeenschap. De functionele organisatie kan gekwantificeerd worden door de Shannon-Weaver entropie (Shannon & Weaver, 1963). Een andere methode kwantificeert de functionele organisatie op basis van Pareto-Lorenz (PL) curves, die de structuur van een visgemeenschap grafisch kunnen weergeven. Eerst worden de soorten gerangschikt volgens aflopende abundantie, vervolgens wordt het genormaliseerde cumulatief aantal soorten uitgezet in de X-as, en de overeenkomstige genormaliseerde cumulatieve abundantie op de Y-as. Hoe meer de PL curve afwijkt van de 45° diagonaal, hoe kleiner het evenwicht binnen de gemeenschap. Dit betekent dat een kleine fractie van de aanwezige soorten dominant aanwezig is. Dergelijke curves werden al gerelateerd aan de functionaliteit van microbiÍle gemeenschappen (Dejonghe et al., 2001; Mertens et al., 2005; Marzorati et al., 2008). Fernandez et al. (2000) concludeerden op basis van de studie van microbiÍle gemeenschappen dat stabiliteit van de functionaliteit niet noodzakelijk stabiliteit van de gemeenschap impliceert. Het behoud van een bepaalde functionaliteit wordt volgens hen verzekerd door de flexibiliteit van de gemeenschap. Soorten die slechts in de minderheid zijn binnen een bepaalde gemeenschap, kunnen bijvoorbeeld dominant worden na een sterke verstoring en zo de functionaliteit van de gemeenschap garanderen. Dergelijk mechanisme van functionele redundantie (verschillende soorten die dezelfde functionaliteit kunnen vervullen wanneer nodig) verzekert een snel herstel van een stresssituatie (Fernandez et al., 2000). Bijgevolg kan de functionele organisatie (Fo) gedefinieerd worden als de mogelijkheid van de gemeenschap om zich te organiseren volgens een gepaste verdeling van dominante en veerkrachtige organismen. Dergelijke organisatie moet toelaten om snel te anticiperen op het effect van een plotse blootstelling aan stress. Figuur 3 toont drie mogelijke PL curves: de 25%, 40% en 80% curve, waarbij deze percentages gebaseerd zijn op de projectie op de Y-as van de snijpunten met de 20% x-as lijn. De 25% PL curve stelt een gemeenschap voor met een sterk evenwicht. Dergelijke situatie kan wijzen op een gebrek aan selectiedruk en vertegenwoordigt een zwakkere interne structuur op vlak van soortendominantie. Aangezien geen soorten dominant aanwezig zijn, heeft de gemeenschap mogelijks een lange periode nodig om te herstellen van een plotse verstoring. Daarom wordt aangenomen dat deze gemeenschap een lage functionele organisatie heeft.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 34 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 3.

Pareto-Lorenz curves van 3 hypothetische visgemeenschappen. De 25 %, 45 % en 80% curves weerspiegelen een gemeenschap met respectievelijk een lage, gemiddelde en hoge functionele organisatie. De 45° diagonaal geeft een gemeenschap weer in perfect evenwicht.

De 45% PL curve en het gebied er rond omvatten gemeenschappen met een lager evenwicht dan de vorige gemeenschap. De best aangepaste soorten zijn hier dominant terwijl de meerderheid (de overige 80% van de gemeenschap op de X-as) aanwezig is in lagere abundanties. Door de hoge abundantie van sommige soorten en de beschikbaarheid van vele andere kan de gemeenschap mogelijks veranderende omgevingscondities verwerken en haar functionaliteit behouden. Bijgevolg worden dergelijke gemeenschappen beschouwd als gebalanceerde gemeenschappen met een gemiddelde Fo. Dergelijke gemiddelde Fo wordt bijgevolg beschouwd als de optimale situatie. De 80% PL curve geeft een gespecialiseerde gemeenschap weer waarbinnen een klein aantal soorten dominant is en alle andere slechts met lage abundanties aanwezig zijn, met een groot verschil tussen beide groepen. Dergelijke gemeenschap kan sterk functioneel georganiseerd zijn, maar is gevoelig aan externe veranderingen aangezien verstoring langere herstelperiodes kan vergen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 35 van 140


3.1.3.4

Lengteverdeling

Door de sterke relatie met de leeftijd kan de lengteverdeling van de gevangen vissoorten een indicatie geven van de kwaliteit van de bemonsterde populaties. Hierbij wordt verondersteld dat gezonde populaties bestaan uit individuen van alle lengteklassen binnen het lengtebereik voor een bepaalde soort. Analoog zullen minder gezonde populaties enkel individuen uit een beperkt aantal lengteklassen bevatten. Aangezien in dit onderzoek specifiek gefocust werd op juvenielen, kan bijgevolg enkel een uitspraak worden gedaan over de juveniele populaties. Bovendien kunnen enkel populaties worden vergeleken waarvoor de vangstefficiĂŤntie vergelijkbaar is. Om dergelijke artefacten in de gegevens te vermijden, werd in dit luik enkel de gemiddelde lengtescore per oevertype (voor alle waargenomen soorten) berekend. Om de lengteverdeling van de gevangen vissoorten te kwantificeren, werd per oevertype, maand en soort het lengteverschil tussen het kleinste en de grootste juveniele individu gemeten. Vervolgens werd dit lengtebereik (LB) vergeleken met het lengtebereik van deze soort over het hele staalnamegebied en tijdens de volledige staalnameperiode (LB tot). Hoe hoger de verhouding tussen beide bereiken (de bereikscore Bs), hoe groter de kans dat een gezonde juveniele populatie aanwezig is ter hoogte van het bemonsterde oevertype. De bereikscore Bs geeft echter geen informatie over de verdeling van de gevangen individuen over de verschillende lengteklassen binnen het bereik. Wanneer bijvoorbeeld enkel een zeer kleine en een zeer grote vis gevangen worden, zal een hoge Bs worden toegekend aan de populatie van deze soort, terwijl eigenlijk slechts twee lengteklassen voorkomen. De bemonsterde populatie kan dus niet als gezond beschouwd worden aangezien niet alle leeftijdsklassen vertegenwoordigd zijn. Deze situatie kan veroorzaakt worden door chemische waterkwaliteitsdaling of habitatverlies, maar grote individuen kunnen ook kunstmatig in de waterloop voorkomen als gevolg van uitzettingen. Daarom wordt de lengtespreiding van de waargenomen individuen over de verschillende leeftijds-/lengteklassen ook in rekening gebracht bij het beoordelen van de lengteverdeling. De spreidingsscore Ss geeft het percentage van de lengteklassen weer die waargenomen worden ter hoogte van een bepaald habitattype. In dit rapport werden voor elke soort 4 uniforme lengteklassen gedefinieerd op basis van het kleinste en het grootste waargenomen juveniele individu. Wanneer ter hoogte van een bepaald habitat individuen uit 3 lengteklassen worden gevangen, scoort dit habitat een Ss van 3/4 = 0,75. Uiteindelijk wordt de finale lengtescore Ls berekend als het product van Bs en Ss. Bijgevolg worden enkel populaties met een hoge Bs en een hoge Ss als gezond beschouwd. Voor de analyse van de lengteverdeling kunnen alle staalnames afzonderlijk worden beschouwd, of kunnen de verschillende bemonsteringen per locatie gegroepeerd worden om het maandeffect uit te sluiten.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 36 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


3.1.3.5

Rol van de verschillende meso- en microhabitattypes als paai- en opgroeihabitat

Om de paaihabitat van de vispopulaties in het pand 140 te lokaliseren, werd per soort het habitatgebruik geanalyseerd van de juvenielen. Om de paaihabitats met 100% zekerheid te lokaliseren, zouden eigenlijk eieren of larven moeten bemonsterd worden. Aangezien deze aanpak praktisch moeilijk haalbaar is, werd het paaihabitat in dit onderzoek gelokaliseerd op basis van de aanwezigheid van de jongste juvenielen, die maximaal 5% van het totaal lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte. Deze methode veronderstelt dat de jongste juvenielen slechts over een beperkte afstand migreren in de eerste dagen na hun geboorte. Totale abundanties kunnen ook een vertekend beeld geven van de rol van het mesohabitattype als paaihabitat. Specifiek kan bijvoorbeeld een school van 100 juvenielen gevangen worden in een paaiplaats en kunnen 4 juvenielen waargenomen worden ter hoogte van 4 verschillende verticaal verstevigde oevers, wat onterecht zou aangeven dat paaiplaatsen meer gebruikt worden als paaihabitat dan verticaal verstevigde oevers. Om de opgroeihabitat van de vispopulaties in de kanalen te lokaliseren, werd per soort het habitatgebruik geanalyseerd van de juvenielen die minimaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte.

3.1.4 Statistische verwerking van de gegevens Voor de statistische analysen werden parametrische testen gebruikt indien de set van gegevens overeenkomt met een normaalverdeling. Waar dit niet het geval is werden niet parametrische statistische testen gebruikt. Deze testen bieden een conservatieve doch robuuste methode voor het bepalen van de significantie van de resultaten. Ze worden niet beĂŻnvloed door extremen in de gegevens en ze veronderstellen niet dat de gegevens een specifieke probabiliteitsdistributie volgen (Potuin & Rolff, 1993). Verschillende variabelen werden vooraf getest op een normale verdeling door de ShapiroWilkinson test (p<0,01). Om significante verschillen (p<0,05) aan te tonen tussen groepen van opnames dienen naargelang de verdeling van de parameters andere statistische methodes te worden aangewend. Wanneer een variabele geen normale verdeling bezit werd een Mann-Whitney U test toegepast. Bij een normale verdeling werd een t-test uitgevoerd. Correlaties tussen verschillende variabelen werden berekend door de Spearman correlatie coĂŤfficiĂŤnt (p<0,01). De vispopulaties op verschillende tijdstippen in het jaar werden onderling vergeleken met als responsvariabele het meso- of microhabitat. Deze statistische analyse is verricht via R (R Core Team 2018) waarbij gebruik is gemaakt van het nlme pakket (Pinheiro et al., 2011).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 37 van 140


3.2 LITERATUURSTUDIE: VISINDEX EN VISBESTAND LEIE In de periode 2003/2018 werden verschillende metingen uitgevoerd, waarbij de metingen tussen 2003 en 2017 deel uitmaken van een monitoringsstudie (http:\\www.vis.inbo.be). Wat betreft de ecologische toestand kan men concluderen dat er over de jaren heen een lichte verbetering optreedt van de visindex. Voor de punten C en D uit zich dit in een overgang van een ontoereikende naar een matige beoordeling van EQR (Tabel 2). Ondanks dat de zuurstofconcentraties meestal hoger zijn dan de basiskwaliteitsnorm van 5 mg/l, werden sporadisch, meestal in de zomer, lagere waarden opgemeten. Bovendien werd de waterkwaliteit ook beĂŻnvloed door de kwaliteit van de zijbeken, waaronder de Aalbeek, waarvan de waarden in sommige perioden, minder dan 3 mg/l bedroegen. Ook voor de Zoubeek bedroegen de waarden tussen juni en september minder dan 4 mg/l (http:\\www.vmm.be). Tijdelijke zuurstoftekorten kunnen zorgen voor massale sterfte van het aanwezige visbestand. Er moeten dus aanhoudende inspanningen geleverd worden om de waterkwaliteit te verbeteren. Tabel 2.

Beoordeling van de ecologische kwaliteitsratio voor een aantal locaties langs de Leie.

Locatie A A B B B C C D

Jaar 2007 2010 2003 2007 2010 2007 2010 2017

EQR 0,48 0,4 0,33 0,38 0,38 0,53 0,4 0,43

Beoordeling matig ontoereikend ontoereikend ontoereikend ontoereikend matig ontoereikend matig

Bij de monitoring van het visbestand van de Leie in 2003 werd vastgesteld dat in de zone Kortrijk-Deinze op zes locaties, de vangsten het kleinst waren in vergelijking met de rest van de Leie. Sinds 2007 was dit onderscheid in verschillende zones minder duidelijk. Blankvoorn was uitgesproken de meest dominante soort. De verbetering van de ecologische toestand tussen 2003 en 2010, was weerspiegeld in het grotere aantal vangsten en dit ondanks een kleinere vangstinspanning. Het waren vooral de soorten blankvoorn, kolblei en rietvoorn die verantwoordelijk waren voor de grotere vangsten. Van blankvoorn en kolblei waren de vangsten in 2007 ongeveer verdubbeld, voor rietvoorn verviervoudigd. Andere soorten waarvoor de vangsten waren toegenomen waren baars en giebel. De verdubbeling van biomassa was te wijten aan de hoeveelheden gevangen kolblei, rietvoorn en paling. De vangsten geven aan dat rietvoorn de dominante soort is en de vangsten van paling en riviergrondel zijn toegenomen (Van Thuyne & Breine, 2011). De vangsten in het kader van deze studie tonen aan dat blankvoorn opnieuw de dominante soort is. Ondanks een intensievere bemonsteringscampagne in 2018 met 10 trajecten met stortkuil en 20 oeverzonetrajecten met elektrische bevissing, werden slechts 8 soorten gevangen (Mies, 2019). In het licht van de bevissingen (16 soorten) uitgevoerd in het kader van deze studie blijkt dit een onderschatting te zijn van de aanwezige soortendiversiteit (Tabel 3).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 38 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Tabel 3.

Waarnemingen gedurende de periode 2003/2018.

Soort alver baars

bittervoorn blankvoorn

blauwbandgrondel brasem

driedoornige stekelbaars

giebel karper kolblei paling

pos

Locatie D A B C D h e f g D A B C D h e f g B C A B C A B D B C A C C D A B C D h f A C D

2003

2007

2010

x

x x x

x x x

2017 x

2018 x x x

x x x x x x x

x x x

x x x

x x x x x x x x

x

x x x x

x x

x x x

x x x

x x

x x

x x

x

x x

x x x x x

x x

x x x

x x x x x x x x

x x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 39 van 140


Soort rietvoorn

riviergrondel

snoek snoekbaars

tiendoornige stekelbaars vetje winde zeelt zwartbekgrondel

aantal soorten

Locatie A B C D B C D B A C D e B B C h C B C D h e f g

2003

x

2007 x x x

2010

2017

2018

x x x

x

x x x

x x

x

x x

x x x x

x x x x x x x x

11

15

13

12

x x x x 8

3.3 RESULTATEN Tijdens de staalnameperiode werden 16 vissoorten waargenomen in de Leie op het pand 140. Er werd een Rode-Lijst soort (Verreycken et al., 2014) waargenomen: paling (ernstig bedreigd). Bittervoorn is de enige soort die onder de conventie van Bern valt (Bijlage III) en is bovendien ook opgenomen in de Habitatrichtlijn (Bijlage II). Voor brasem, snoek en zeelt werden geen 0+ juvenielen aangetroffen. Tenzij expliciet vermeld zijn de analysen gebeurd op basis van de waargenomen juveniele vissen.

3.3.1 Soortenrijkdom 3.3.1.1

Soortenrijkdom in functie van de mesohabitat

De dominante habitat over een traject van 100 m wordt als mesohabitat beschouwd. Er werd een onderscheid gemaakt tussen beton, stortsteen bedekt met asfaltmastiek, schanskorven, breuksteen en NTMB-oevers (Figuur 4). Dezelfde analyse werd uitgevoerd op niveau van de gevoelige soorten, de soorten die hogere habitateisen stellen. Enkel de soorten die op minder dan 80% van de staalnamelocaties voorkwamen, werden voor de analyse weerhouden. Heel algemene soorten zoals baars, blankvoorn en zwartbekgrondel werden niet weerhouden omdat ze zeer lage habitateisen stellen. Bijgevolg geven deze soorten weinig informatie over de invloed van de mesohabitat. Voornamelijk NTMB en breuksteen bezitten het grootst aantal gevoelige soorten (Figuur 5). ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 40 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 4.

Boxplot van het aantal soorten van de totale populatie in functie van de mesohabitat voor de volledige staalnameperiode (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p< 0.05).

Figuur 5.

Boxplots van het aantal gevoelige soorten van de totale populatie per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p= n.s.).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 41 van 140


Wanneer enkel de juvenielenpopulatie beschouwd wordt, verschilt de gemiddelde soortenrijkdom niet significant tussen de verschillende oevertypes over de totale staalnameperiode, of het nu een volledige bevissing betreft (Figuur 6) of enkel een elektrische bevissing (Figuur 7).

Figuur 6.

Boxplots van het aantal juveniele soorten per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p= n.s.).

Figuur 7.

Boxplots van het aantal juveniele soorten per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode enkel voor de elektrisch gevangen soorten (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 42 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Wanneer de gegevens uitgetekend worden volgens de maand waarin de bevissingen gebeurden, waren de verschillen het grootst in de maanden juli en september tussen de verschillende mesohabitats. Vooral de NTMB-oevers tekenden grote verschillen op in de maand september (Figuur 8).

Figuur 8.

Boxplots van het aantal soorten die per maand bevist werden ter hoogte van de mesohabitats (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden).

Bij een analyse met enkel de gevoelige soorten, is het aantal gevoelige soorten het grootst ter hoogte van de breuksteen en NTMB-oevers, net als bij de totale populatie (Figuur 9).

Figuur 9.

Boxplots van het aantal gevoelige soorten in functie van de mesohabitat (mediaan, percentielen en minimum- en maximumwaarden) (p<0.05).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 43 van 140


3.3.1.2

Soortenrijkdom in functie van het microhabitat

Onderstaande analysen gebeurden op basis van alle juveniele soorten die in het pand 140 van de Leie werden aangetroffen. Houtige microhabitats komen in bijna alle mesohabitats voor. Rietmicrohabitats komen enkel voor ter hoogte van het asfaltmastiek en de NTMB-oevers. In dit laatste geval vertonen ze wel een groter soortenaantal. De moerasmicrohabitats komen enkel voor ter hoogte van de breuksteenmesohabitats maar vertonen significant meer soorten dan alle andere microhabitats (Figuur 10). Er zijn amper verschillen op te tekenen voor de elektrisch gevangen soorten (Figuur 11).

Figuur 10. Boxplots van de soortenrijkdom per micro- en mesohabitattype voor fuiken en elektrische bevissing.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 44 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 11. Boxplots van de soortenrijkdom per micro- en mesohabitattype voor de elektrisch gevangen soorten.

3.3.2 Abundantie 3.3.2.1

Abundantie in functie van de mesohabitat

De abundantie (aantal individuen) per mesohabitattype werd voor alle waargenomen soorten op dezelfde manier geanalyseerd als de soortenrijkdom. De verschillen tussen de mesohabitats zijn niet significant verschillend (Figuur 12). Een vergelijking tussen de abundanties voor alle gevangen vissen en de abundanties van de vissen die via elektrische bevissing bemonsterd werden, geeft aan dat beide amper verschillen. Het aantal vissen dat via fuiken werd bemonsterd is niet toonaangevend in de resultaten (Figuur 13).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 45 van 140


Figuur 12. Boxplots van de abundantie per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode.

Figuur 13. Boxplots van de abundantie per mesohabitat voor de volledige staalnameperiode enkel voor elektrische bevissing.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 46 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


3.3.2.2

Abundantie in functie van de microhabitat

Voor de microhabitats kunnen identieke conclusies getrokken worden als voor de soortenrijkdom binnen de mesohabitats. Er werden geen significante verschillen vastgesteld , noch voor de totaliteit van de bemonsteringen (Figuur 14), noch voor de individuen die enkel elektrisch gevangen werden (Figuur 15).

Figuur 14. Boxplots van de abundantie per microhabitat voor de volledige staalnameperiode.

Figuur 15. Boxplots van de abundantie per microhabitat via elektrische bevissing. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 47 van 140


3.3.3 Dynamiek 3.3.3.1

Dynamiek per mesohabitattype

Tussen juni en juli is er in alle mesohabitats een gemiddelde dynamiek (Figuur 16). Tussen juli en september heerst er in betonstructuren, asfaltmastiek en schanskorven een lage dynamiek, wat op onstabiele populaties duidt. Een hogere dynamiek werd waargenomen voor breuksteen en NTMB (Figuur 17).

Figuur 16. Boxplots van dynamiek per mesohabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juni-juli (% verandering).

Figuur 17. Boxplots van dynamiek per mesohabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juli-september. ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 48 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


2.2.3.2

Dynamiek per microhabitattype

In de periode juni-juli, treft men onstabiele populaties aan ter hoogte van breuksteen, het riet ter hoogte van de asfaltmastiek (hoge dynamiek), breuksteen en het houtig microhabitat ter hoogte van beton (lage dynamiek). De houtige microhabitats ter hoogte van de asfaltmastiek, schanskorven en breuksteen vertonen een matige dynamiek (Figuur 18).

Figuur 18. Boxplots dynamiek per meso- en microhabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juni-juli.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 49 van 140


De matige dynamiek van het houtig microhabitat ter hoogte van de breuksteen blijft behouden in de periode juli-september. Alle andere microhabitats in deze periode worden gekenmerkt door onstabiele populaties met een hoge (riet) of een lage dynamiek (beton, breuksteen, moeras en houtige microhabitats ter hoogte van beton, breuksteen en schanskorven) (Figuur 19).

Figuur 19. Boxplots dynamiek per meso- en microhabitattype voor elektrisch gevangen vissoorten voor de periode juli-september (% verandering).

3.3.4 Functionele organisatie 3.3.4.1

Functionele organisatie per mesohabitattype

De functionele organisatie per mesohabitatype werd gekwantificeerd op basis van de Pareto Lorenzcurves voor juveniele vissen. Door de lage soortendiversiteit konden slechts voor een beperkt aantal locaties, LorenzParetocurven berekend worden. De resultaten zijn dus louter indicatief en konden statistisch niet aangetoond worden. De boxplots geven voor breuksteen een gemiddelde functionele organisatie wat een gebalanceerde visgemeenschap aangeeft, terwijl een lagere functionele organisatie berekend werd voor NTMB, asfaltmastiek, beton en in het bijzonder voor schanskorven, waarbij geen soorten dominant aanwezig zijn (Figuur 20). Een gebalanceerde gemeenschap vertaalt zich in een gemeenschap waarbij sommige soorten domineren en relatief veel andere soorten aanwezig zijn. Een lage functionele organisatie kan wijzen op een gebrek aan selectiedruk en een zwakkere interne structuur op vlak van soortendominantie. Aangezien geen soorten dominant aanwezig zijn, heeft de gemeenschap mogelijk een langere periode nodig om te herstellen.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 50 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 20. Boxplots van de functionele organisatie per mesohabitattype.

3.3.4.2

Functionele organisatie per microhabitattype

De grootste functionele organisatie is terug te vinden bij moerasvegetaties. De laagste functionele organisatie treft men aan bij breuksteen en bij de houtige microhabitats ter hoogte van de schanskorven (Figuur 21).

Figuur 21.

Boxplots van functionele organisatie per microhabitattype.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 51 van 140


3.3.5 Lengteverdeling 3.3.5.1

Lengteverdeling per mesohabitattype

De boxplots geven aan dat de populaties ter hoogte van de breuksteen, gevolgd door de populaties ter hoogte van schanskorven de hoogste lengtescore bezitten van alle mesohabitats. De lengtescore is het product van de bereikscore en de spreidingssore. De verschillende lengteklassen van de juveniele populatie worden dus het best vertegenwoordigd binnen dit type oevers (Figuur 22).

Figuur 22. Boxplots van lengtescore per mesohabitattype.

3.3.5.2

Lengteverdeling per microhabitattype

De lengteverdeling ter hoogte van de mesohabitats wordt weerspiegeld in de scores van de microhabitats. De hoogste scores komen voor bij de moerasvegetaties en de houtige vegetaties ter hoogte van de schanskorven. Moerasvegetaties komen enkel ter hoogte van de breukstenen voor en bezitten de hoogste scores van alle microhabitats (Figuur 23).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 52 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 23. Boxplots van lengtescore per microhabitattype.

3.3.6 Rol van het habitattype als paai- en opgroeihabitat 3.3.6.1

Mesohabitat

Bijna alle soorten prefereren het gebruik van de NTMB-oevers en breuksteen als paaihabitat. Baars heeft geen preferentie en komt in alle mesohabitats voor in min of meer gelijke aantalsverhoudingen. Ook blankvoorn komt als juvenielen vrijwel in alle mesohabitats voor met uitzondering van de NTMB. Mogelijk is dit het gevolg van de ondervertegenwoordiging van NTMB-oevers. Alle andere soorten komen uitsluitend in een van de mesohabitats voor: bittervoorn, kolblei en riviergrondel in NTMB, driedoornige stekelbaars, karper, snoekbaars en zwartbekgrondel in breuksteen, rietvoorn ter hoogte van asfaltmastiek (Tabel 4). Tabel 4.

Habitatgebruik van de juvenielen (%) ter hoogte van de mesohabitat die maximaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op aan- en afwezigheid. De waarden werden gestandaardiseerd in functie van de vangstinspanning.

Soort baars bittervoorn blankvoorn driedoornige stekelbaars karper kolblei rietvoorn riviergrondel snoekbaars zwartbekgrondel

Mesohabitattype Beton Asfaltmastiek 16 13

Schanskorven 27

Breuksteen 17

22

36

12 100 100

30

NTMB 27 100

100 100 100 100 100

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 53 van 140


Op basis van Tabel 3 kan afgeleid worden hoeveel soorten een bepaald mesohabitatype als paaiplaats selecteren (Tabel 5). Breuksteen en NTMB-oevers worden het meest geselecteerd als favoriete paaihabitats. Enkel blankvoorn heeft geen preferentie voor breuksteen of NTMB. Tabel 5.

Aantal keer dat een mesohabitatype als 1 e , 2e of 3e keuze wordt geselecteerd als paaihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 3. Bij gelijk aantal keuzes voor de twee categorieĂŤn werd de laagste rang toegekend aan de drie categorieĂŤn.

Beton Asfaltmastiek Schanskorven Breuksteen NTMB

Keuze Categorie 1 0 1 2 4 4

Categorie 2 0 1

Categorie 3 0 1

Wanneer dezelfde analyse wordt uitgevoerd voor de bruikbaarheid van de mesohabitat als opgroeihabitat, blijken 8 soorten NTMB-oevers te verkiezen. Pos, rietvoorn en riviergrondel hebben een exclusieve voorkeur voor NTMB-oevers. Driedoornige stekelbaars, karper en kolblei hebben een exclusieve voorkeur voor breuksteen als opgroeihabitat. Baars, blankvoorn en zwartbekgrondel hebben geen voorkeur voor een bepaald habitat om op te groeien (Tabel 6). Tabel 6.

Habitatgebruik van de juvenielen (%) die minimaal 5 % van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op de aan- en afwezigheid. De waarden werden gestandaardiseerd in functie van de vangstinspanning.

Soort alver baars bittervoorn blankvoorn blauwbandgrondel driedoornige stekelbaars karper kolblei paling pos rietvoorn riviergrondel snoekbaars zwartbekgrondel

Mesohabitattype Beton Asfaltmastiek 100 20 20 18

24

10 14

Schanskorven

Breuksteen

NTMB

20

20 25 10

20 75 31 86

31

100 100 100 38

38

100 100 100 12

50 22

22

50 22

22

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 54 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Op basis van Tabel 6 kan afgeleid worden hoeveel soorten een bepaald mesohabitattype als opgroeihabitat selecteren (Tabel 7). Aantal keer dat een mesohabitatype als 1 e , 2e of 3e keuze wordt geselecteerd als opgroeihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 3. Bij gelijk aantal keuzes voor de twee categorieĂŤn werd de laagste rang toegekend aan beide categorieĂŤn.

Tabel 7.

Beton Asfaltmastiek Schanskorven Breuksteen NTMB

3.3.6.2

Keuze Categorie 1 2 4 3 7 8

Categorie 2 0 1

Categorie 3 2 0

1

0

Microhabitat

Analoog als voor de voorgaande analyse werd ook een analyse gedaan van de microhabitattypes die het meest als paaihabitat worden geselecteerd. Zes soorten verkiezen moerasplanten als paaihabitat (driedoornige stekelbaars, snoekbaars, zwartbekgrondel, blankvoorn en baars terwijl kolblei, rietvoorn en riviergrondel een voorkeur vertoont voor riet. Bittervoorn vertoont een preferentie voor de betonplaten als paaihabitat. Geen enkele soort daarentegen verkiest schanskorven als paaihabitat (Tabel 8). Tabel 8.

Habitatgebruik van de juvenielen (%) ter hoogte van het microhabitat die maximaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op aan- en afwezigheid.

Soort baars bittervoorn blankvoorn driedoornige stekelbaars karper kolblei rietvoorn riviergrondel snoekbaars zwartbekgrondel

Microhabitattype Beton Breuksteen 24 100 24

Houtig 24

Moeras 35

Riet 17

24

35 100 100

17

100 100 100 100 100

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 55 van 140


Op basis van Tabel 8 kan afgeleid worden hoeveel soorten een bepaald microhabitattype als paaihabitat selecteren (Tabel 9). Hieruit blijkt dat moerasplanten het meeste worden geselecteerd als favoriete paaihabitat. Zeelt heeft de voorkeur voor riet als paaihabitat. Tabel 9.

Aantal keer dat een microhabitattype als 1 e of 2e keuze wordt geselecteerd als paaihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 2. Bij gelijk aantal keuzes voor drie categorieĂŤn wordt de laagste rang toegekend aan de drie categorieĂŤn.

Beton Breuksteen Houtig Moeras Riet

Keuze Categorie 1 1

Categorie 2 2 2

6 3

2

Er werd eveneens een analyse gemaakt van de microhabitattypes die het meest als opgroeihabitat werden geselecteerd (Tabel 10). Driedoornige stekelbaars, karper en kolblei hebben een heel duidelijke voorkeur voor moerasvegetaties, maar dit habitattype draagt ook de voorkeur weg van bittervoorn en paling. De rietvegetaties dragen de exclusieve voorkeur weg van blauwbandgrondel, pos, rietvoorn en riviergrondel. Blankvoorn, baars en zwartbekgrondel hebben geen duidelijke preferentie. Riviergrondel en rietvoorn groeien op ter hoogte van het zelfde microhabitat als waar ze paaien: riethabitats. Driedoornige stekelbaars en karper maken hun levenscyclus minstens tot aan het tweede levensjaar door in moerashabitat. Sommige soorten hebben een breder microhabitatspectrum: zo paait snoekbaars in moerashabitats, maar groeien de juvenielen bij voorkeur op ter hoogte van de houtige oeverhabitats; kolblei paait bij voorkeur in riethabitats maar groeit als juveniele vis op in moerashabitats; zwartbekgrondel paait bij voorkeur in moerashabitats, maar komt als juveniele vis voor in alle bemonsterde microhabitats. Tabel 10.

Habitatgebruik van de juvenielen (%) ter hoogte van de microhabitat die minimaal 5% van het totale lengtebereik groter waren dan de minimum waargenomen lengte per soort, gebaseerd op aan- en afwezigheid.

Soort alver baars bittervoorn blankvoorn blauwbandgrondel driedoornige stekelbaars karper kolblei paling pos rietvoorn riviergrondel snoekbaars zwartbekgrondel

Microhabitattype Beton Breuksteen 100 20 20 31

17

20

20

Houtig

Moeras

Riet

20 7

20 67 31

20 33 31 100

6

100 100 100 51

100 20

20

26 100 100 100 20

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 56 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Op basis van Tabel 10 kan afgeleid worden hoeveel soorten een bepaald microhabitat als opgroeihabitat selecteren (Tabel 11). Hieruit blijkt dat moeras- en riethabitats het meest frequent als favoriete opgroeihabitat geselecteerd worden. Houtige microhabitats en breuksteen worden veel minder geselecteerd. Geen enkele soort had ook een voorkeur voor deze microhabitats als paaihabitat. Tabel 11.

Aantal keer dat een microhabitatype als 1 e , 2e of 3e keuze wordt geselecteerd als opgroeihabitat voor de waargenomen vissoorten in het pand 140 van de Leie. De optimale keuze wordt weergegeven door categorie 1, de minst geprefereerde keuze als categorie 3. Bij gelijk aantal keuzes voor drie categorieĂŤn wordt de laagste rang toegekend aan de drie categorieĂŤn.

Beton Breuksteen Houtig Moeras Riet

Keuze Categorie 1 4 2 3 7 7

Categorie 2

Categorie 3 1

2

3.3.7 Eigenschappen van de waargenomen vispopulaties Tot slot werden een aantal aspecten van de verschillende waargenomen vispopulaties in het pand 140 van de Leie beschreven. Het gaat om eigenschappen van die populaties die een algemeen beeld vormen van de toestand van de visgemeenschap. Concreet werden volgende eigenschappen geanalyseerd: het voorkomen van verschillende soorten langs de Leie (Tabel 12), de Huetzonering en ecologische gildes op basis van de stroomsnelheid, de evolutie van de abundantie per soort en de populatiesamenstelling per soort. Niet alle aspecten werden statistisch geanalyseerd aangezien soms onvoldoende data beschikbaar waren of omdat statistische analyse soms niet relevant was. Het visbestand in het pand 140 wordt voornamelijk gedomineerd door een blankvoorn- en baarspopulatie. Ook zwartbekgrondel is als exoot in alle bemonsterde locaties aanwezig. De verspreiding van de overige soorten langs dit pand wordt voornamelijk bepaald door de habitattypes. Zo bezitten de oevers met breuksteen en de plasberm de hoogste soortendiversiteit.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 57 van 140


Tabel 12.

Overzicht van de verschillende soorten in het pand 140 van de Leie (Br= breuksteen, Be= beton, As= asfaltmastiek, S= schansko rven, NTMB=plasberm).

Locatie Mesohabitat alver baars bittervoorn blankvoorn blauwbandgrondel brasem driedoornige stekelbaars karper kolblei paling pos rietvoorn riviergrondel snoek snoekbaars zeelt zwartbekgrondel

1 Br

2 Be

3 Be

4 S

5 Br

6 NTMB

7 Br

8 Be

9 As

10 As

11 As

12 As

13 As

14 As

x x x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

X

x

x

x

x

x x x x x

15 Be x x

x

x

x

x x

x

x

x

X

x

x x

x

x x x

x

x x

x

x x x x

x x x x x

x x

x x x

x x

x

x

x

x x

x

x

x

x

x

x

x x

x

x

x

16 Be x x x

x

x

x

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 58 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


3.3.7.1

Huetzonering en ecologische gildes

Op basis van de Huetzonering (Huet, 1962) kunnen we besluiten dat de kanalen volledig tot de brasemzone behoren. Bijgevolg worden soorten verwacht zoals pos, rietvoorn, karper, zeelt, snoekbaars, paling, baars, snoek, blankvoorn, zeelt en brasem. In Tabel 13 wordt een overzicht gegeven van de waargenomen vissoorten in ecologische gildes (Crombaghs et al., 2000):   

Limnofiel: soorten van stilstaand water waarvan één of meer levensstadia gebonden zijn aan waterplanten Eurytoop: soorten waarvan alle levensstadia in vrijwel elk watertype kunnen aangetroffen worden; Rheofiel: soorten waarvan een of meerdere levensstadia gebonden zijn aan stromend water. Vaak wordt er een bijkomende onderverdeling gemaakt in partieel-, obligaat- en estuarien rheofiel

Tabel 13.

Indeling van de waargenomen soorten volgens de ecologische gilde (Crombaghs et al., 2000).

Gilde Rheofiel Partieel rheofiel

Estuarien rheofiel Eurytoop

Limnofiel

Vissoort alver blauwbandgrondel riviergrondel paling (katadroom) baars blankvoorn brasem driedoornige stekelbaars karper kolblei paling pos snoekbaars zwartbekgrondel bittervoorn rietvoorn snoek zeelt

Van de 17 aangetroffen vissoorten behoren 10 tot de eurytope gilde. Vier soorten zijn limnofiel. Dit zijn typische soorten voor traagstromende wateren. Er werden eveneens drie partieel rheofielen aangetroffen: riviergrondel, blauwbandgrondel en alver.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 59 van 140


3.3.7.2

Evolutie van de abundantie per soort

Aantal individuen (Log+1)

De evolutie van de abundantie per soort over de verschillende staalnamemaanden geeft een beeld van de abundantie die algemeen wordt vastgesteld na de paaiperiode bij vissen (Figuur 24). 2 1,8 1,6 1,4 1,2 1 0,8 0,6 0,4 0,2 0

juni juli september

Soort Figuur 24. Abundantie van de juveniele individuen per soort (fuik- en elektrische bevissing) voor de verschillende staalnamemaanden en voor het pand 140 van de Leie.

Deze figuren bevestigen ook de beschreven paaiperioden van de verschillende vissoorten (Vandelannoote et al., 1999) (Tabel 14).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 60 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Tabel 14.

Paaiperiode die in de literatuur wordt vermeld voor de vissen die in de kanalen van de verschillende studiegebieden werden aangetroffen.

Soort alver baars bittervoorn blankvoorn blauwbandgrondel driedoornige karper stekelbaars kolblei paling pos rietvoorn riviergrondel snoekbaars zwartbekgrondel

3.3.7.3

jan

feb

maa

apr x x x x x

x x x x

mei x x x x x x x x

juni x

jul

x x x x x x

x

x x x x x

x x x x

aug

sep

x

x

x

x

x

x

Populatiesamenstelling per soort

Analyse van de lengteverdeling per soort geeft informatie over de stabiliteit van de populatie van deze soort. Voor elke soort werd het bereik berekend als het verschil van de minimale en de maximale waargenomen lengte. Vervolgens werd het maximale verschil tussen twee waargenomen individuen berekend en werd dit verschil uitgedrukt als percentage van het bereik. De literatuur geeft aan dat de duurzaamheid van een populatie recht evenredig is met de aanwezigheid van alle mogelijke levens- en dus ook lengteklassen (Vandelannoote et al., 1999). In deze studie werd een populatie als duurzaam beschouwd wanneer het maximale verschil tussen twee opeenvolgende individuen van verschillende lengteklasse kleiner was dan 25% van het bereik. Voor brasem, snoek en zeelt werden geen juvenielen teruggevonden. Voor alver, bittervoorn, blauwbandgrondel, driedoornige stekelbaars en kolblei zijn slechts enkele individuen aangetroffen (Tabel 15). De populaties van riviergrondel vertonen wel een gevarieerde populatie, maar er werd slechts een beperkt aantal lengteklassen waargenomen. Hierbij ontbreken bij de juvenielen de kleinste lengteklassen (Figuur 25). Mogelijks heeft dit te maken met de vangstefficiĂŤntie van het elektrisch vissen. Ondanks de inspanningen om de vangstefficiĂŤntie te verhogen met het nemen van verschillende bemonsteringspunten en het werken met een kleine anode, is de kans groter voor het ontbreken van de kleinere lengteklassen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 61 van 140


Tabel 15.

Lengtebereik per soort en maximaal lengteverschil tussen 2 opeenvolgende individuen met verschillende lengte binnen een populatie gedurende de volledige bemonsteringsperiode in de Leie. De maximale verschillen hoger dan 25% zijn vetgedrukt, net als de soorten die met deze verschillen overeenkomen.

Soort

Bereik (mm)

alver

n.v.t.

Maximaal (mm) n.v.t.

verschil Maximaal (%) n.v.t.

baars

208

25

12

bittervoorn blankvoorn

51 269

18 45

35 17

blauwbandgrondel brasem

n.v.t. n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

n.v.t. n.v.t.

driedoornige stekelbaars karper kolblei paling pos rietvoorn riviergrondel

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

123 n.v.t. 775 128 152 138

24 n.v.t. 74 40 58 33

20 n.v.t. 10 31 38 24

snoek snoekbaars zeelt zwartbekgrondel

n.v.t. 165 n.v.t. 135

n.v.t. 37 n.v.t. 7

n.v.t. 22 n.v.t. 5

verschil

Riviergrondel 3

Abundantie

2 2 1 1

0 85

95

105

115 Lengte (mm)

125

135

Figuur 25. Lengteverdeling voor riviergrondel in pand 140 van de Leie.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 62 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


De populaties van baars, blankvoorn en zwartbekgrondel vertonen een gevarieerde juvenielenpopulaties; zie Figuur 26, Figuur 27 en Figuur 28.

Baars 12

Abundantie

10 8 6 4 2 0 37

65

96

126 Lengte (mm)

157

187

Figuur 26. Lengteverdeling voor baars voor de volledige staalnameperiode in het pand 140 van de Leie.

Blankvoorn 10 9 8

Abundantie

7 6 5 4 3 2 1

0 11

42

70

101

131 162 Lengte (mm)

192

223

254

Figuur 27. Lengteverdeling voor blankvoorn voor de volledige staalnameperiode in het pand 140 van de Leie.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 63 van 140


Zwartbekgrondel 6

Abundantie

5 4 3 2 1 0 17

24

31

38

45

52

59

66 73 80 87 Lengte (mm)

94 101 108 115 122 129

Figuur 28. Lengteverdeling voor zwartbekgrondel voor de volledige staalnameperiode in het pand 140 van de Leie.

3.4 DISCUSSIE In deze studie werd een inventarisatie uitgevoerd van de soorten langsheen verschillende habitattypes. Eveneens werd de geschiktheid van die habitattypes voor de aanwezige vispopulaties onderzocht. Hierbij werd gefocust op juveniele individuen en de rol van verschillende mesohabitats, nl. betonnen oevers, oevers afgewerkt met asfaltmastiek, schanskorven, breuksteen en plasberm (NTMB), bestaande uit een luwe zone afgeschermd door een vooroever. Binnen de mesohabitats werd eveneens aandacht besteed aan de microhabitats (riet- en moerasvegetaties, houtige oevers, breuksteen, beton). Kort samengevat kunnen we het volgende besluiten: Mesohabitats: Algemeen scoren de oevertypes beton, asfaltmastiek en schanskorven de laagste diversiteit aan soorten. Gevoelige soorten komen er nauwelijks voor, tenzij op een aantal uitzonderingen na. Op plaatsen waar de beton beschadigd en gebroken is, worden schuilplaatsen en luwe zones gecreĂŤerd, waardoor soorten voorkomen die elders op het pand amper of niet waargenomen werden. Voorbeelden hiervan zijn alver, paling en pos. Door de aanwezigheid van schuilplaatsen en/of geschikte microhabitats, is de functionele organisatie ook hoger dan verwacht. Desalniettemin bezitten zowel de betonnen oevers als de oevers met asfaltmastiek lage lengtescores. Gemiddeld worden ter hoogte van betonoevers en oevers met asfaltmastiek grotere vissen waargenomen. Het feit dat minder kleine juvenielen worden gevangen wijst een beperkt belang van dit oevertype voor de voortplanting van de meeste soorten.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 64 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Van het NTMB-oevertype werd slechts een oever bemonsterd. Om veiligheidsredenen konden de meeste plasbermen niet vanaf de oever bemonsterd worden en meestal was de doorgang voor een boot te smal om de luwe zone te kunnen bemonsteren. Hierdoor zijn niet alle resultaten representatief voor de potenties van een dergelijke oever. Wel bezit deze oever een relatief groter aantal soorten en gevoelige soorten dan de andere oevers. Indien we enkel de aantallen van de elektrische bevissing vergelijken, bezit deze NTMB-oever over een vergelijkbaar aantal soorten als de oevers met breukstenen, maar beduidend meer dan de oevers met beton of asfaltmastiek. Echter, de functionele organisatie is het hoogst ter hoogte van de breuksteenoevers. Voor schanskorven is de functionele organisatie uitgesproken laag. Microhabitats: Buiten de aanwezigheid van beton en breuksteen maken ook houtige, riet- en moerashabitats deel uit van de microhabitattypes. In deze microhabitats schuilen soorten zoals snoekbaars, paling en rietvoorn en verschillende leeftijdsklassen van baars en blankvoorn (adulten en juvenielen). Waterriet en in het water hangende takken dragen bij tot een verbetering van de habitatstructuur. Het soortenaantal langs de rietoevers van de NTMB-oever is groter dan dat van de riethabitats ter hoogte van het asfaltmastiek. De abundantie van vissen is het hoogst ter hoogte van de houtige habitats. De visgemeenschappen vertonen in het bijzonder ter hoogte van de breuksteenoevers, een gemiddelde dynamiek. Dit wijst op een stabiele, draagkrachtige gemeenschap. De functionele organisatie is het hoogst voor de moerasvegetaties ter hoogte van de breuksteenoevers. Opvallend zijn de goede lengtescores voor moerasvegetaties en houtige vegetaties als microhabitats. In totaal werd in het pand 140 van de Leie 17 soorten gevangen, waarvan minstens 10 soorten een levensvatbare populatie vertonen. De resultaten geven aan de populaties van de overige 7 soorten (alver, blauwbandgrondel, brasem, driedoornige stekelbaars, kolblei, snoek, zeelt) minder evenwichtig zijn uitgebouwd. Mogelijks zijn deze populaties minder duurzaam. Voor een aantal bemonsterde soorten zijn de bemonsterde habitats geen typehabitats.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 65 van 140


4 INVENTARISATIE BROEDVOGELS: RIETBROEDERS EN OEVERZWALUW Andy Van Kerckvoorde & Edward Vercruysse

4.1 MATERIAAL EN METHODEN 4.1.1 Rietbroeders Het in kaart brengen van rietbroeders gebeurde door het volledige pand 140 af te wandelen of af te fietsen. Het inventariseren gebeurde rond zonsopkomst bij gunstig inventarisatieweer (weinig wind, weinig of geen bewolking en geen te hoge of te lage temperaturen). Het veldwerk is verricht op volgende data: 6, 17 en 27 april, 7, 16 en 25 mei, 4 en 13 juni van 2018. De te inventariseren soorten zijn soorten die rietvegetaties nodig hebben als broedbiotoop: blauwborst, kleine karekiet, grote karekiet, rietgors, rietzanger, snor, cetti’s zanger, baardmannetje, bruine kiekendief en sprinkhaanzanger. Bij de veldbezoeken werden de waargenomen rietvogels ter plekke ingevoerd op een smartphone via de applicatie Avimap. Avimap is een applicatie die door Sovon Vogelonderzoek Nederland is ontwikkeld voor het registreren van (vogel)waarnemingen bij gestandaardiseerde broedvogelkarteringen (Vergeer et al., 2016). Eveneens met behulp van Avimap werden op basis van de ingevoerde waarnemingen het aantal en de ligging van de territoria bepaald. Dit gebeurt volgens de criteria aangegeven in van Dijk & Boele (2011):  een vereist minimaal aantal geldige waarnemingen;  binnen datumgrenzen, dit is de periode waarin een minimaal vereiste aantal waarnemingen moeten vallen voor het aannemen van een territorium en  op basis van de fusieafstand, dit is de afstand tussen 2 niet-uitsluitende waarnemingen op basis waarvan kan worden besloten tot één of meer territoria.

4.1.2 Oeverzwaluw Het in kaart brengen van oeverzwaluwen gebeurde door het volledige pand 140 af te wandelen of af te fietsen. Wanneer oeverzwaluw visueel of auditief werd waargenomen werden nestlocaties aan de oevers, steile wanden met nestgaten, opgespoord. Vervolgens zijn het aantal broedende oeverzwaluwen bepaald door de bewoonde nestholtes te tellen. Het onderscheid tussen bewoonde en niet-bewoonde nestholtes is bepaald aan de hand van verse graafsporen of verse afdrukken in het zand, van aanvliegende vogels, de afwezigheid van spinrag in de invliegopening, verse uitwerpselen, uitvliegende adulten of bedelende jongen. Met behulp van een foto van de broedlocatie werden de bewoonde nestholtes aangekruist. De beste inventarisatieperiode loopt van midden mei tot eind juni (Anselin et al., 2007). Het veldwerk is verricht op 18 juni 2018 en 4 juli 2018.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 66 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


4.2 RESULTATEN 4.2.1 Rietbroeders In het pand 140 werd enkel kleine karekiet als rietbroeder waargenomen. In totaal werden 34 territoria van kleine karekiet vastgesteld (Figuur 29 en Bijlage 2).

Figuur 29. Territoria van kleine karekiet (blauwe bollen) langs de Leie tussen Deinze en Sint-BaafsVijve.

4.2.2 Oeverzwaluw Een nestlocatie werd gevonden op de rechteroever zoâ&#x20AC;&#x2122;n 700 m stroomafwaarts Machelenbrug (Figuur 30). De locatie telde 86 nestholtes. Na verdere screening konden 45 nestholtes worden aangeduid als bewoond. Enkele oeverzwaluwen waren gezien in de buurt van Sint-Baafs-Vijve. Een oever met 2 nestholtes werd gevonden op de rechteroever zoâ&#x20AC;&#x2122;n 1200 m stroomopwaarts Zultebrug (Figuur 31). Er kon echter niet worden aangetoond dat de nestholten bewoond waren.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 67 van 140


Figuur 30. Zekere nestlocatie van oeverzwaluw (rood kruis) op de rechteroever zoâ&#x20AC;&#x2122;n 700 m stroomafwaarts Machelenbrug.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 68 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 31. Mogelijke nestlocatie van oeverzwaluw (rood kruis) op de rechteroever zoâ&#x20AC;&#x2122;n 1200 m stroomopwaarts Zultebrug.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 69 van 140


4.3 DISCUSSIE 4.3.1 Kleine karekiet Kleine karekiet is een typische soort van allerlei rietvegetaties, zowel zoet als brak, langs rivieren en artificiĂŤle waterlopen, op voorwaarde dat er voldoende stevige rietstengels (bij voorkeur overjarig riet) aanwezig zijn (Vermeersch et al., 2004). Kleine karekiet kent de RodeLijst categorie â&#x20AC;&#x2DC;momenteel niet in gevaarâ&#x20AC;&#x2122; (Devos et al., 2016). DVW bracht in oktober 2018 de rietkragen in pand 140 langs de Leie in kaart. Daarbij is ook de gemiddelde breedte van de rietkragen ingeschat. De territoria van kleine karekiet komen sterk overeen met de locaties waar riet voorkomt (zie Bijlage 2). 20 territoria (van de 34 in totaal, dit is 59%) zijn geassocieerd met brede rietkragen (4 m of breder). Dit bevestigt het belang van rietvegetaties als broedbiotoop voor kleine karekiet. Hieronder worden kort de abiotische condities van de groeiplaatsen van riet, het belang van riet, enkele aanbevelingen tijdens inrichtingswerken en het beheer van rietvegetaties aangehaald. Riet is een obligate freatofyt en groeit dus uitsluitend binnen de invloedsfeer van water (Londo, 1988). Dit wordt bevestigd uit de Watina databank (WATer In Natuur, een databank van het INBO voor hydrologische monitoring in natuurgebieden): de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) liggen voor rietvegetaties boven het maaiveld (overstromingen), de laagste grondwaterstanden (GLG) bevinden zich meerdere dm onder maaiveld (tot -84 cm), de voorjaarswaterstanden (GVG) liggen van boven het maaiveld tot 20 cm onder maaiveld. Riet is een competitieve soort. Als gevolg is riet bij uitstek een oever- en verlandingsplant, die ongeveer overal groeit waar open water en land met elkaar in contact staan. Met behulp van meterslange rizomen kan riet heel ver doordringen in aanpalende biotopen, zowel in het water als op het land. Rietvegetaties hebben een belangrijke ecologische waarde en worden dan ook zoveel mogelijk behouden of verder ontwikkeld. Zo heeft riet een groot faunistisch belang. De meeste broedvogels van rietlanden zoals kleine karekiet, rietgors, rietzanger en bruine kiekendief hebben nood aan overjarig riet in het voorjaar om te broeden. Tevens bieden rietstengels een foerageer-, schuil- en overwinteringsplaats voor allerlei fauna. Vegetatierijke oeverzones zijn belangrijk als foerageer- of paaigebied voor allerlei vissoorten (Mouton et al., 2012; Vermeersch et al., 2017). Wegens de zeldzaamheid in Vlaanderen en het ecologisch belang zijn rietvegetaties een regionaal belangrijk biotoop met een juridische bescherming, namelijk een verbod van vegetatiewijziging (aangegeven in het Natuurdecreet van 21 oktober 1997 en het uitvoeringsbesluit van 3 juli 2009). Een rietkraag is dan ook een ecologisch streefbeeld voor plas- of drasbermen langs de Leie, zoals aangegeven in de natuurdoelstelling voor de oevers (Arcadis, 2017; Raman & Vanderhaeghe, 2011). Een rietvegetatie kan de oever beschermen tegen erosie, via het wortelstelsel, dat de grond vasthoudt (vergroting van de sterkte) en via de bovengrondse delen, die de golven en stroming dempen (vermindering van de belasting; CUR, 1999). Het belang van riet om golfwerking verder te verminderen wordt bevestigd in het golfonderzoek op de Leie uitgevoerd door De Roo & Troch (2015).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 70 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Bij de inrichting van het pand 140 valt aan te bevelen om bestaande rietvegetaties maximaal te behouden. Indien een groeiplaats van riet wordt vergraven kunnen de rizomen van riet worden gerecupereerd. Deze rizomen kunnen later worden geplaatst in de aangelegde plasbermen. Verschillende technieken zijn mogelijk: rizoomstukken uitstrooien over terrein, rietkluiten transplanteren of uitpoten van gekweekt materiaal (Van Ryckegem et al., 2010). Het aanbrengen van rietkluiten bleek in het verleden aan te slaan in 10 plasbermen langs de Leie (Van Kerckvoorde et al., 2017). Indien de uitgangssituatie en hydrologie optimaal is kunnen rietvegetaties standhouden zonder enige beheervorm (Van Ryckegem et al., 2010), maar uiteindelijk zal bij nulbeheer verruiging (met bv. grote brandnetel, braam, kleefkruid of haagwinde) en verbossing (met bv. wilgen) optreden (Vandenbussche et al., 2002). Beperkt beheer kan initieel bestaan uit het selectief verwijderen van opgeschoten zaadbomen. Rietvegetaties en aan riet gebonden fauna zijn dikwijls gebaat bij een gefaseerd maaibeheer in de winterperiode (tussen november tot en met februari). Gefaseerd maaibeheer verschilt van gewoon maaibeheer doordat niet alles tegelijkertijd wordt gemaaid maar dat het maaibeheer wordt gespreid in ruimte en tijd. Op die manier blijft steeds overjarig riet aanwezig, wat van belang is als broedbiotoop, overwinteringsgebied, schuil‐ of foerageerplaats voor fauna. Bij riet is een gefaseerd maaibeheer om de 3 jaar aangewezen (Claus & Janssens, 1994). De maaimachines moeten de vegetatie zuiver afsnijden, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een maaibalk of ‐ korf (Claus & Janssens, 1994). Het maaisel dient te worden weggehaald om voedselaanrijking tegen te gaan. Om slib en strooisel tussen de rietstoppels te verwijderen kan riet mechanisch worden uitgekrabd na het maaien. Begrazing (onder meer door ganzen) heeft een negatief effect op de vestiging en uitbreiding van rietkragen (Van Ryckegem et al., 2010).

4.3.2 Oeverzwaluw Oeverzwaluwen graven broedtunnels van minstens 40 cm diepte in verticale wanden. Ze broeden liefst in kolonies en vrijwel steeds binnen vliegafstand van grote wateroppervlakken (vijvers, meren, grote rivieren). Uitgespoelde rivieroevers vormen het natuurlijke broedbiotoop, maar in toenemende mate worden vaak erg grote kolonies aangetroffen in artificiële biotopen zoals (oude) zandgroeves, klei- en grindontginningen, opspuitingen en bouwputten (Vermeersch et al., 2004). Oeverzwaluw behoort tot de Rode-Lijst categorie ‘bijna in gevaar’ (Devos et al., 2016). In de periode 1999-2002 werden 19 broedkolonies gevonden in het pand 140 langs de Leie. Het ging meestal om middelgrote (10-50 bezette nestgangen) en kleine kolonies (minder dan 5 bezette nestgaten) op linker- en rechteroever. Het aantal broedparen werd er geschat op zo’n 100-150. De kolonies bevonden zich vooral stroomafwaarts en –opwaarts van Zultebrug en stroomafwaarts en –opwaarts van Machelenbrug. De grootste kolonie situeerde zich aan de linkeroever op zo’n 800 m stroomafwaarts van Machelenbrug (Figuur 32; Raman & Decleer, 2009).In de periode 2003-2005 kwamen 9 broedkolonies voor in het pand 140, 6 op de linkeroever en 3 op de rechteroever. Het aantal broedparen werd er geschat op zo’n 300-350 (Raman & Decleer, 2009). In de periode 2006-2007 waren 5 broedkolonies gevonden in het pand 140 langs de Leie. Vier broedkolonies bevonden zich op de linkeroever (Figuur 32). Het aantal broedparen werd er geschat op zo’n 100 (Raman & Decleer, 2009).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 71 van 140


Figuur 32. Broedparen van oeverzwaluw in het pand 140 langs de Leie in de periode 1999-2007 en de locaties in 2018 (bron: Raman & Decleer, 2009).

De zekere broedplaats geïnventariseerd in 2018, aan de rechteroever op zo’n 700 m stroomafwaarts Machelenbrug, situeert zich op een locatie waar in het verleden broedkolonies voorkwamen. De mogelijke broedlocatie gevonden in 2018, aan de rechteroever op zo’n 1200 m stroomopwaarts Zultebrug, is geen gekende broedlocaties uit het verleden. Een reden voor het lager aantal oeverzwaluwen langs de Leie tussen 1999 en 2018 is de dynamiek. Door de erosieve kracht van de golfslag en piekdebieten worden de nestwanden geheel of gedeeltelijk weggespoeld, verzakken of storten in. Bovendien werden vroegere broedlocaties verstevigd met breukstenen of deze locaties zijn ondertussen begroeid met wilgen (Raman & Decleer, 2009). Langs de Leie broeden nagenoeg evenveel oeverzwaluwen in zuidoost als noordwest geëxponeerde wanden. De grootste kolonies werden wel aangetroffen in wanden gericht naar het zuidoosten. Langs de Leie verkiezen oeverzwaluwen voornamelijk wanden met lemig zand en zand. De aanwezigheid van geschikte steilwanden is een eerste vereiste voor kolonisatie van oeverzwaluwen. De steile wand moet tijdens de broedperiode vers en onbegroeid of zo goed als onbegroeid zijn. Dit betekent dus dat erosie of kunstmatige afgraving moet plaats gehad hebben voordat de oeverzwaluwen terugkeren uit hun winterverblijf. De wanden zijn het best zo goed als loodrecht en er is een voorkeur voor steilwanden met een iets overhangende toplaag.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 72 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Begroeiing aan de basis van een wand (afhankelijk van de grootte van de wand) is niet wenselijk omdat dit de aanvliegmogelijkheden van de oeverzwaluwen in het gedrang brengt of na verloop van tijd de nesten beschaduwt. Vooral bij een niet rechte en onderhouden wand (hetzij natuurlijk of kunstmatig) is de kans groot dat forse begroeiing tot voorbij de openingen van de nestgangen zal reiken. Ook bovenop de wand is een begroeiing met struweel of bomen eerder niet gewenst. Een diepe doorworteling kan de bouw van nestgangen belemmeren. Hoger struweel kan voor ongewenste beschaduwing van (een gedeelte van) de wand en nestgaten zorgen. Raman & Decleer (2009) geven als streven een populatie van ten minste 239 broedparen oeverzwaluw langs de Leie. Dit komt overeen met het gemiddeld aantal broedparen tijdens de periode 1999-2007. De jaarlijks vereiste lengte aan geschikte steilwanden langs de Leie kan geschat worden op 72 m. Momenteel is er één broedkolonie met 45 broedparen. Om het streefdoel te halen zijn dus bijkomende broedlocaties wenselijk. Natuurlijke dynamische systemen zijn te prefereren en behoeven geen onderhoud. Broedwanden van oeverzwaluwen kunnen ook actief gecreëerd en beheerd worden. Actief beheer hierbij is erg belangrijk om broedsucces mogelijk te maken. De wand wordt best jaarlijks of om de twee jaar loodrecht afgestoken vlak voor de aankomst van de oeverzwaluwen uit de overwinteringsgebieden (begin maart). De vegetatie onderaan de wand dient eventueel te worden verwijderd om een vrije aanvlieghoogte te garanderen. Kunstwanden worden niet aangeraden: het zijn sterk artificiële (gebiedsvreemde) en dure constructies die geen garantie bieden op succes. Oeverzwaluwwanden dienen minstens 3 m hoog en minstens 8 m lang te zijn (Raman & Decleer, 2009).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 73 van 140


5 INVENTARISATIE GRASLANDDAGVLINDERS Andy Van Kerckvoorde & Edward Vercruysse

5.1 MATERIAAL EN METHODEN We inventariseerden graslanddagvlinders in het pand 140 met behulp van transecttellingen, met name via 6 transecten met een lengte van 500 m (Figuur 33). In de transecten wordt zowel aan de waterzijde als aan de landzijde van het jaagpad geteld, waardoor informatie beschikbaar is voor 1 km berm. De transecten werden bepaald door rekening te houden met de bermvegetatie. Zo worden transecten met een homogene vegetatie nagestreefd en zijn transecten gekozen in de meest voorkomende vegetatietypes (Tabel 16).

Figuur 33. De ligging van de transecten voor de monitoring van graslanddagvlinders.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 74 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Tabel 16.

Transect Transect 1 Transect 2

Transect 3 Transect 4

Transect 5

Transect 6

Vegetatie van de transecten voor opvolging graslanddagvlinders, opgedeeld per sectie van 50 m, op de water- en landzijde.

Waterzijde 10 secties met graslandfase 2 (dominant stadium, G2) 9 secties met graslandfase 3 (gras-kruidenmix, G3) 1 sectie met verruigd grasland (R2) 10 secties met graslandfase 3 (gras-kruidenmix, G3) 7 secties met graslandfase 4 (glanshavergrasland, G4) 3 secties met graslandfase 3 (graskruidenmix, G3) 10 secties met een mozaïek van graslandfase 3 (gras-kruidenmix G3), verruigd grasland (R2) en iepenstruweel (H2) 10 secties met verruigd grasland (R2)

Landzijde 10 secties met graslandfase 3 (gras-kruidenmix, G3) 10 secties met graslandfase 3 (gras-kruidenmix, G3) 10 secties met graslandfase 3 (gras-kruidenmix, G3) 10 secties met graslandfase 4 (glanshavergrasland, G4)

10 secties met een mozaïek van graslandfase 3 (gras-kruidenmix G3), verruigd grasland (R2) en iepenstruweel (H2) 10 secties met graslandfase 4 (glanshavergrasland, G4)

Het tellen gebeurt door het transect op een tempo te wandelen dat toelaat om de soorten te determineren en het aantal individuen te noteren per sectie van 50 m. Enkel vlinders die in een denkbeeldige kooi van 2,5 m links, 2,5 m rechts en 5 m voor je vliegen, worden geteld (Maes et al., 2015). Transecttellingen worden enkel uitgevoerd tussen 10u en 17u en bij geschikt weer voor dagvlinders: temperatuur ≥ 17°C zonder bewolking of temperatuur ≥ 20°C indien er bewolking is, windkracht ≤ 4 Beaufort en geen neerslag (Maes et al., 2015). Alle transecttellingen werden 6 keer uitgevoerd in 2018: op 7 en 25 mei, 15 juni, 4 en 24 juli en 17 augustus 2018. De aandachtsoorten zijn dagvlinders die kenmerkend zijn voor ecologisch waardevolle graslanden: bruin blauwtje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder, bruin zandoogje, oranje zandoogje, hooibeestje, argusvlinder (wellicht niet meer voorkomend in het gebied), zwartsprietdikkopje, geelsprietdikkopje (wellicht niet meer voorkomend in het gebied), groot dikkopje, koninginnenpage, gele luzernevlinder, oranje luzernevlinder, vijfvlek-Sint-Jansvlinder, Sint-Jansvlinder.

5.2 RESULTATEN Er werden 8 verschillende soorten graslanddagvlinders aangetroffen: bruin blauwtje, icarusblauwtje, oranje zandoogje, bruin zandoogje, zwartsprietdikkopje, groot dikkopje, kleine vuurvlinder en hooibeestje. Bruin blauwtje werd het meest aangetroffen in de tellingen, gevolgd door oranje zandoogje, icarusblauwtje en bruin zandoogje. Van hooibeestje werden slechts enkel exemplaren waargenomen (Figuur 34).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 75 van 140


Figuur 34. Het totaal aantal waargenomen vlinders in over alle transecten en rondes heen, opgesplitst per soort.

De hoogste aantallen vlinders en het hoogst aantal soorten was aangetroffen in transect 5 en 6. De laagste aantallen vlinders werden gevonden in transect 1 en 4. Het laagst aantal soorten (4 soorten) is gevonden in transect 1 (Figuur 35).

Figuur 35. Het totaal aantal vlinders (links) en het aantal soorten (rechts) in de verschillende transecten.

Bruin blauwtje, icarusblauwtje, oranje zandoogje en bruin zandoogje werden waargenomen in alle transecten. De hoogste aantallen van bruin blauwtje waren aangetroffen in transect 5. Transect 2 herbergde de hoogste aantallen van bruin zandoogje. Transect 6 kende de hoogste aantallen voor icarusblauwtje en oranje zandoogje. Groot dikkopje, hooibeestje, kleine vuurvlinder en zwartsprietdikkopje werden in lage aantallen genoteerd en niet in alle transecten (Figuur 36).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 76 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 36. Het totaal aantal waargenomen vlinders per transect en per soort tijdens de verschillende rondes.

Tijdens de eerste teldatum (7 mei) werden geen dagvlinders waargenomen. Tijdens de tweede teldatum (25 mei) werden kleine aantallen van bruin blauwtje en icarusblauwtje aangetroffen. Op 15 juni werden vooral bruin zandoogje en groot dikkopje aangetroffen. Op 4 juli werden de hoogste aantallen van bruin zandoogje, oranje zandoogje en zwartsprietdikkopje en veel bruin blauwtje geteld. De telling van 24 juli leverde de hoogste aantallen van icarusblauwtje en veel oranje zandoogje en bruin blauwtje op. Op 17 augustus vonden we de hoogste aantallen bruin blauwtje en kleine vuurvlinder en veel icarusblauwtje (Figuur 37).

Figuur 37. De aantallen vlinders per soort waargenomen tijdens de zes rondes. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 77 van 140


5.3 DISCUSSIE De transecten hebben alle een waarde voor graslanddagvlinders, want overal werden bruin blauwtje, icarusblauwtje, oranje zandoogje en bruin zandoogje gevonden. Transect 5 lijkt het waardevolst voor graslanddagvlinders. Hier werden het hoogst aantal soorten en de hoogste aantallen vlinders gevonden. In tegenstelling tot de overige transecten heeft transect 5 een structuurrijke vegetatie bestaande uit een mozaïek van gras-kruidenmix, ruig grasland en struweel. Transect 4 scoort laag naar aantallen vlinders (vooral door de lage aantallen van bruin blauwtje en icarusblauwtje) maar het aantal soorten ligt er vrij hoog (6 soorten). Bovendien werden in dit transect zwartsprietdikkopje en groot dikkopje gevonden. Deze soorten zijn niet in alle trajecten aangetroffen. De waargenomen vlindersoorten prefereren graslanden. Bruin zandoogje, oranje zandoogje, zwartsprietdikkopje en groot dikkopje verkiezen eerder productieve en ruige graslanden. Hooibeestje daarentegen heeft een voorkeur voor weinig productieve graslanden met lage vegetatie. Bruin blauwtje, icarusblauwtje en kleine vuurvlinder verkiezen matig voedselrijke graslanden (Maes et al., 2013). De waardplanten van de meeste aangetroffen vlindersoorten zijn grassen. Voor bruin blauwtje en icarusblauwtje vormen vlinderbloemigen de waardplanten, voor kleine vuurvlinder zijn het zuringsoorten (Maes et al., 2013). Alle waargenomen vlindersoorten zijn mobiele soorten, behalve hooibeestje. Deze soort is weinig mobiel (Maes et al., 2013). Hooibeestje is waargenomen in lage aantallen (1-2) in transect 5 en transect 6. Alle waargenomen vlindersoorten behoren tot de Rode-Lijst categorie ‘momenteel niet in gevaar’, behalve zwartsprietdikkopje (‘kwetsbaar’) (Maes et al., 2011). Zwartsprietdikkopje is waargenomen in lage aantallen (1-6) in 4 transecten. Voor de waargenomen vlinders is het van belang dat er nectaraanbod (bloemen) is in de zomermaanden en dat er overwinteringsplaatsen zijn voor het ei of de rups tijdens de winter. Dit kan worden bekomen door een deel van de vegetatie ongemoeid te laten. Een gefaseerd (gespreid in ruimte en tijd) maaibeheer en/of extensieve begrazing kunnen hiervoor zorgen. Deze beheermaatregelen zijn dan ook gunstig voor graslandvlindersoorten (Maes et al., 2013). Langs de rechteroever tussen Olsene- en Machelenbrug werd in 2018 Iepenpage waargenomen (waarnemingen.be1) in transect 3. Doordat de focus lag op graslandvlinders werd deze soort niet aangetroffen tijdens onze telrondes. Er werd immers niet actief op iepenstruweel gezocht en de volwassen vlinder wordt minder vaak op bloemen gezien. De iepenpage gebruikt verschillende soorten iep als waardplant en de vlinders zijn honkvast. Het behouden of aanplanten van iepen langs de Leie in dit traject is een gunstige maatregel voor de soort. Iepenpage behoort tot de Rode-Lijst categorie ‘kwetsbaar’ (Maes et al., 2011).

1

https://waarnemingen.be/species/668/maps/?use_interval=on&start_date=2018-0501&interval=31536000&end_date=2019-05-01&map_type=grid10k ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 78 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


6 INVENTARISATIE VLEERMUIZEN Joris Everaert

6.1 MATERIAAL EN METHODEN Van begin april tot eind oktober 2018 werd de activiteit van vleermuizen onderzocht langs het volledige pand 140 door middel van actieve (punt-)transect metingen en passieve metingen met vier automatische batdetectors. Zowel bij de actieve als passieve metingen op vaste punten, werd het aantal detecties van vleermuizen (in de betekenis van het aantal passages) geregistreerd. Het aantal passages geeft een relatieve indicatie voor vleermuisactiviteit, dus de mate waarin vleermuizen het landschap gebruiken. Het totaal aantal passages zegt niets over het gebruik als vliegroute of als foerageergebied. Verschillende onderzoekers, die aan de hand van het type echolocatie onderscheid maakten tussen voorbijvliegen en vangstpogingen, vonden echter een sterke correlatie tussen het aantal vangstpogingen en de totale vleermuisactiviteit (Walsh & Harris, 1996; Russo & Jones, 2003; Kusch et al., 2004). De totale activiteit geeft dus ook informatie over de mate van foerageren.

6.1.1 Actieve (punt-)transect-metingen met mobiele batdetector Met een Anabat Walkabout (Titley Scientific) mobiele batdetector werden op 18 avonden (telkens 9 avonden aan resp. de noordkant en zuidkant van de Leie) met gunstig inventarisatieweer (weinig wind, geen regen, temperatuur van meer dan 10°C) vanaf 50 min tot 3-4 u na zonsondergang passages van vleermuizen geregistreerd (Figuur 38 en Tabel 17). Dit gebeurde door het volledige pand (9 kilometer lengte aan elke kant van de Leie) met de fiets traag af te rijden langs de parallelweg naast de Leie. Enkel een zone van 950 meter aan de zuidkant werd niet bezocht omdat deze enkel te voet bereikbaar was. Voor de meeste van deze losse transectwaarnemingen is een opgenomen geluidsbestand beschikbaar. Bij twijfel of een nieuwe detectie een ander individu betrof, werd er slechts een nieuwe waarneming geregistreerd als deze op meer dan 100 m van de andere waarneming gedetecteerd was. Bijkomend werd tijdens deze transect-metingen aan zowel de noordkant als zuidkant van de Leie op 10 vaste punten (Figuur 38) gedurende 10 min het aantal vleermuispassages per soort geregistreerd, eerst 5 min langs de waterkant (subpunt ‘water’) en meteen daarna apart 5 min langs de straatkant (subpunt ‘weg’). De detectie van sociale geluiden, wat mogelijk kan wijzen op de aanwezigheid van verzamelplaatsen in de buurt, werd ook vastgelegd. Tabel 17.

Datums (Punt-)Transect-metingen langs pand 140 in 2018 in het voorjaar (april-mei), zomer (juli-aug) en najaar (sept-okt). Zie ook Figuur 38 en Bijlage 3.

Noordkant (N) Leie 6 april Zuidkant (Z) Leie 7 april

18 april 19 april

6 mei 7 mei

5 juli 4 juli

24 juli 25 juli

14 aug 15 aug

9 sept 7 sept

27 sept 26 sept

8 okt 7 okt

De startlocatie werd afgewisseld (punt 1 of 10) om een mogelijk effect van de tijd na zonsondergang zoveel mogelijk te vermijden. Tijdens de (punt-)transect-metingen kon voor de meeste waarnemingen al ten velde de soort worden bepaald. Bij twijfel gebeurde de soortdeterminatie nadien op basis van een analyse van de WAV geluidsopname met het programma Batsound (Pettersson Elektronik).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 79 van 140


De keuze van de 10 vaste meetpunten werd eerst tijdens een desktop verkenning op ruwe wijze random op kaart gemaakt, gemiddeld ongeveer om de 900 m verspreid over het pand. Tijdens een verkennend terreinbezoek werd daarna de exacte locatie bepaald op basis van toegankelijkheid en veiligheid langs het water. Voor de sub-meetpunten langs het water konden op die manier wel aan zowel de noordkant als zuidkant van de Leie vier punten worden gekozen waar een plasberm aanwezig was (binnen de 50 m). De exacte locatie en omgeving van alle meetpunten is weergegeven in bijlage 3.

6.1.2 Passieve continue metingen met automatische batdetectors op vaste punten Met vier Anabat Swift (Titley 99 volledige nachten alle zonsopgang), tegelijk op vier verschil tussen de 90 tot 99 detectors niet gelijk was.

Scientific) automatische batdetectors werden gedurende 90 tot passerende vleermuizen geregistreerd (zonsondergang tot vaste punten langs de waterkant (Figuur 38 en Tabel 18). Het nachten is een gevolg van het feit dat de batterijduur van de

Er werd gewerkt met het â&#x20AC;&#x2DC;aantal detectiesâ&#x20AC;&#x2122;. De detector maakt namelijk een geluidsopname per vleermuispassage bestaande uit een reeks geluidspulsen met een maximale tussentijd van 500 milliseconden. Voor elke detectie (vleermuispassage) is een opgenomen WAV geluidsopname beschikbaar. De opnames kunnen echter ook geen vleermuissignalen bevatten, vooral in de zomer als de detector kan getriggerd worden door het geluid van sprinkhanen. Tabel 18.

Punt Punt Punt Punt

Automatische batdetector metingen op vier vaste punten (zie Figuur 38) langs de waterkant in pand 140 in het voorjaar (april-mei), zomer (juli-aug) en najaar (sept-okt) van 2018. De cijfers tonen het aantal volledige opeenvolgende meetnachten.

1 (noordkant Leie) 2 (zuidkant Leie) 3 (noordkant Leie) 4 (zuidkant Leie)

april 13 13 13 13

mei 22 22 22 22

juli 16 20 20 11

aug 10 10 10 10

sept 18 18 18 18

okt 16 16 16 16

totaal 95 99 99 90

De keuze van de meetpunten werd eerst op ruwe wijze random op kaart gemaakt, verspreid over het pand. Tijdens het verkennend bezoek werd daarna de exacte locatie bepaald op basis van de mogelijkheid om de detector te installeren in een boom langs de waterkant, steeds op ongeveer 5 m hoogte. De ultrasone omni-directionele microfoon werd steeds gericht naar het water (Foto 14) omdat de vleermuisactiviteit langs de waterkant het doel was van de automatische metingen. De exacte locatie en omgeving van de vier meetpunten is weergegeven in bijlage 4.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 80 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 38. Punt-transect meetpunten (N1-N10 langs de noordkant Leie, Z1-Z10 langs de zuidkant) en vier automatische batdetector meetpunten (nr. 1 en 3 aan noordkant, nr. 2 en 4 aan zuidkant) in pand 140. De Punt-transect meetpunten waren nog verder ingedeeld in ‘straatkant’ en ‘waterkant’ (niet apart weergegeven in de figuur).

Foto 14.

Een automatische batdetector met externe microfoon langs de Leie en de installatie ervan.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 81 van 140


Alle geluidsopnames zijn verwerkt in het programma Kaleidoscope Pro (Wildlife Acoustics Inc.). Deze software geeft via de ingebouwde ‘auto-ID classifier Bats of Europe’ (versie 5.1.0) per opname in een resultatentabel automatisch aan of het om ‘noise’ gaat (= een valse opname zonder vleermuissignalen of met vleermuissignalen die te zwak zijn om door de software te worden herkend), een ongedetermineerde soort (als ‘no ID’) of de gedetermineerde (met vermelding van zekerheidsgraad). Verder is er ook een veld ‘alternates’ in de resultatentabel, waar eventueel nog andere soorten zijn opgegeven. Dit kan wijzen op de aanwezigheid van signalen van meerdere soorten in de opname, of dat er voor de determinatie twijfel is met een andere soort. Tijdens een manuele controle van opnames, kan men in het veld ‘manual ID’ een eigen determinatie opgeven (Figuur 39). Voor soorten zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis is de betrouwbaarheid van de software zeer hoog tot voldoende (bv. gewone dwergvleermuis 99%). Voor andere soorten, vooral binnen de Myotis groep (bv. baardvleermuis, watervleermuis) maakt de software nog relatief veel fouten. De opnames waarbij de software enkel de gewone dwergvleermuis aangaf in het ‘auto ID’ veld (dus zonder ‘alternates’ soorten) werden niet manueel gecontroleerd. Alle andere opnames werden wel manueel gecontroleerd (incl. ‘no-ID’) behalve deze die als ‘noise’ werden aangegeven. Hoewel er ook in de ‘noise’ opnames af en toe vleermuissignalen zitten, betreffen dit dan steeds vage signalen (op relatief grote afstand van de detector). Omdat er soms meerdere tegelijk overvliegende soorten aanwezig zijn in dezelfde opname (vooral in de opnames met de meest voorkomende gewone en ruige dwergvleermuis) zijn ook alle opnames manueel gecontroleerd waarvoor in het veld ‘alternates’ één of meerdere soorten waren opgegeven, dus ook de opnames met ‘auto-id’ gewone dwergvleermuis. Voor potentieel zeldzame soorten (bv. meervleermuis, bosvleermuis) is steeds een gedetailleerde manuele analyse van de geluidspulsen uitgevoerd. Hiervoor werd het programma BatSound (Pettersson Elektronik) gebruikt.

Figuur 39. Manuele controle en verwerking van vleermuisopnames in Kaleidoscope Pro.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 82 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


De informatie in de (deels) manueel nagekeken resultatentabel van de Kaleidoscope software, werd uiteindelijk als csv-bestand geĂŻmporteerd in Microsoft Excel waarna een verdere definitieve verwerking volgde, o.a. om de opnames met meerdere soorten op te splitsen.

6.2 RESULTATEN 6.2.1 Actieve (punt-)transect-metingen met mobiele batdetector 6.2.1.1

Losse transect-detecties over het hele traject

Aangezien de losse transect-waarnemingen werden verricht tijdens het fietsen langs de parallelweg naast de Leie, was de kans op detectie van (laag) over de Leie vliegende vleermuizen erg klein, behalve voor rosse vleermuis waarvan het geluid ver genoeg reikt. De losse waarnemingen hadden dus vrijwel allemaal betrekking op vleermuizen die langs de parallelweg naast de Leie vlogen of in de zone tussen de weg en het water waar in het grootste deel van het traject bomen of struiken aanwezig zijn. Er werden bij de losse waarnemingen 8 soorten vastgesteld (Figuur 40 en 41). De gewone dwergvleermuis werd tijdens alle seizoenen quasi overal verspreid langs het traject waargenomen. Ook de ruige dwergvleermuis werd op verschillende plaatsen gedetecteerd, de overgrote meerderheid daarvan in het voor- en najaar. Van de overige soorten waren er telkens enkele verspreide waarnemingen van watervleermuis, baardvleermuis (gewone baardvleermuis of Brandts vleermuis), grootoorvleermuis (gewone grootoor/grootoor spec.), laatvlieger en rosse vleermuis (Figuur 41). Op 25 juli werd de zeldzame kleine dwergvleermuis waargenomen in het meest zuidelijk deel langs de noordkant van de Leie. Details van de waarnemingen zijn digitaal beschikbaar.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 83 van 140


Figuur 40. Losse transectwaarnemingen van gewone en ruige dwergvleermuis.

Figuur 41. Losse transectwaarnemingen van minder algemene soorten. ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 84 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


6.2.1.2

Punt-transect-detecties op vaste meetpunten verspreid over het traject

De soorten die bij de punt-transect-metingen op vaste punten werden geregistreerd, zijn dezelfde als tijdens de losse transect-metingen, behalve de kleine dwergvleermuis (Bijlage 5). De resultaten tonen duidelijk dat er aan de waterkant meer passages van de meest algemene soorten werden gedetecteerd dan aan de kant van de weg. Zoals verwacht waren er van watervleermuis vrijwel uitsluitend waarnemingen aan de waterkant (Figuur 42). Globaal is er geen indicatie van een duidelijk verschil tussen het traject aan de noordkant en zuidkant van de Leie (Figuur 42). De variatie onder de telpunten was wel vrij groot. Een samenvattende tabel voor alle soorten per seizoen en per telpunt is weergegeven in bijlage 5.

Figuur 42. Gemiddeld aantal detecties (= als vleermuispassages) van de meest algemene soorten bij de punt-transect-metingen. Het aantal toont het gemiddelde op de 10 telpunten (opgesplitst in waterkant en kant van de weg) met per seizoen 3 bezoeken aan elke kant van de Leie.

In vergelijking met locaties langs het water zonder plasberm was het gemiddeld aantal detecties van gewone en ruige dwergvleermuis opvallend groter op locaties langs het water met een plasberm in de onmiddellijke nabijheid (meetpunten 3, 7, 8 en 9 langs noordkant Leie, en 1, 2, 4 en 8 langs zuidkant Leie, zie ook bijlage 3). Voor de watervleermuis is dit verschil niet te zien. De variatie onder de verschillende meetpunten was echter groot, zeker voor de gewone dwergvleermuis. Voor de ruige dwergvleermuis is het mogelijk gunstig effect van de huidige plasbermen het meest duidelijk (Figuur 43). Een meer diepgaande analyse, incl. met diverse andere mogelijke factoren die een invloed kunnen hebben op de vleermuisactiviteit, kon in het kader van het onderzoek (nog) niet uitgevoerd worden. De grootste aantallen passages van de gewone en ruige dwergvleermuis werden gedetecteerd in het voor- en najaar. De activiteit van ruige dwergvleermuis was het grootst tijdens het voorjaar, voornamelijk omwille van een piek op 18 en 19 april. In het najaar is dergelijke piek voor ruige dwergvleermuis niet opgemerkt (Figuur 44). In de zomer was de activiteit van gewone dwergvleermuis duidelijk minder, hoewel tijdens de laatste telling in augustus reeds een stijging merkbaar is langs de waterkant. Het aantal detecties van ruige dwergvleermuis was zeer klein in de zomer (Figuur 44).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 85 van 140


Figuur 43. Gemiddeld (Âą standaarddeviatie) aantal detecties (= als vleermuispassages) van de meest algemene soorten bij de punt-transect-metingen langs de waterkant van zowel de noordkant als zuidkant van de Leie, met weergave van het verschil tussen de meetpunten met (n = 4+4) of zonder (n= 6+6) plasberm in de directe nabijheid (binnen 50 m).

Figuur 44. Gemiddeld aantal detecties (= als vleermuispassages) van de meest algemene soorten bij de punt-transect-metingen. Gemiddelde van de 10 telpunten (opgesplitst in waterkant en kant van de weg) met per seizoen 3 bezoeken aan elke kant van de Leie.

Als we het globaal verschil bekijken onder de verschillende telpunten, lijkt de activiteit van gewone dwergvleermuis langs de kant van de weg minder te zijn in de zuidelijke helft van het traject, zowel aan de noordkant als deels ook zuidkant van de Leie. Aan de waterkant lijkt de variatie meer random verspreid over het traject, ook voor de andere soorten (Figuur 45 en 46). De activiteit van ruige dwergvleermuis bleek sterk afhankelijk van de locatie, zowel voor het aantal detecties als het aandeel in vergelijking met gewone dwergvleermuis. ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 86 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 45. Aandeel en relatief verschil in het aantal passages van de meest algemene soorten (zie ook info in Figuur 38) tijdens de punt-transectmetingen langs de kant van de weg.

Figuur 46. Aandeel en relatief verschil in het aantal passages van de meest algemene soorten (zie ook info in Figuur 38) tijdens de punt-transectmetingen langs de waterkant.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 87 van 140


6.2.2 Passieve continue metingen met automatische batdetectors op vaste punten De vier vaste meetpunten met automatische batdetectors (Figuur 38, Bijlage 4) waren allemaal gesitueerd langs de waterkant van de Leie, twee aan de noordkant (punt 1 en 3) en twee aan de zuidkant (punt 2 en 4). Hierdoor was het mogelijk om alle vleermuizen te detecteren die langs de waterkant of in de buitenrand daarvan vlogen, en in geval van zeldzame soorten zoals meervleermuis ook de vliegrichting te bepalen (zie verder bij de bespreking per soort). In Tabel 19 staat een samenvatting van alle opnames (registraties) inclusief deze die tijdens de verwerking werden geclassificeerd als ruisopname zonder of met slechts zwakke vleermuissignalen (= noise). In totaal waren er 432.445 opnames waarvan 133.781 zekere vleermuisopnames. Het grote aantal ruisopnames was grotendeels omwille van het geluid van sprinkhanen tijdens de zomer. Er werden 10 soorten vastgesteld (Tabel 19). Tabel 19.

Aantal opnames met automatische batdetectors op vier vaste punten langs de waterkant in pand 140 in het voorjaar (april-mei), zomer (juli-aug) en najaar (sept-okt) van 2018.

punt 1 punt 2 punt 3 punt 4 (95 nachten) (99 nachten) (99 nachten) (90 nachten) gewone dwergvleermuis (PIPPIP) 41121 11648 13881 35571 ruige dwergvleermuis (PIPNAT) 6390 4681 3734 6588 kleine dwergvleermuis (PIPPYG) 1 1 watervleermuis (MYODAU) 830 828 3465 3919 meervleermuis (MYODAS) 7 7 10 10 1 baardvleermuis (MYOMYS) 3 29 29 150 (gewone) grootoor (PLEAUR)2 177 96 99 38 laatvlieger (EPTSER) 94 51 32 30 rosse vleermuis (NYCNOC) 93 60 60 39 bosvleermuis (NYCLEI) 3 1 5 ruisopname (noise)3 104535 50216 59345 84568 Totaal van opnames 153253 67617 80661 130914 Totaal van vleermuisopnames 48718 17401 21316 46346 (1) Wellicht allemaal gewone baardvleermuizen maar op basis van het geluid kan Brandts vleermuis (die wellicht niet voorkomt in de regio) vaak niet uitgesloten worden. (2) Wellicht allemaal gewone grootoor maar op basis van het geluid kan de zeldzame grijze grootoor vaak niet uitgesloten worden. (3) Geen vleermuissignalen (bv. sprinkhaan) of te zwakke vleermuissignalen.

Net zoals ook bij de punt-transect-metingen, is er bij de automatische batdetector metingen geen indicatie van een duidelijk verschil in vleermuisactiviteit aan de noordkant (punt 1 en 3) en zuidkant (punt 2 en 4) van de Leie. Het is wel opvallend dat het aantal detecties van gewone en ruige dwergvleermuis het grootst was aan punt 1 en 4, en voor de watervleermuis aan punt 3 en 4 (Tabel 19). Het resultaat voor het gemiddelde aantal detecties per nacht per seizoen is gelijkaardig, hoewel de verschillen voor de ruige dwergvleermuis in het voor- en najaar relatief klein zijn (Figuur 47). Aan punt 4 waren er opmerkelijk meer detecties van baardvleermuis dan aan de andere punten, terwijl dit voor zowel de grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis het geval was aan punt 1 (Tabel 19). De hoogste activiteit van gewone dwergvleermuis werd geregistreerd in het voorjaar, behalve voor meetpunt 4 met een gelijkaardige doch iets hogere activiteit in de zomer. Voor de ruige dwergvleermuis was de activiteit het hoogst in het voor- en najaar (Figuur 47).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 88 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Om het beste te kunnen vergelijken, zijn in de figuren 47-55 enkel die nachten verwerkt waarbij alle vier de detectors tegelijk actief waren (= 90 nachten).

Figuur 47. Gemiddelde aantal detecties per nacht van de meest algemene soorten op 4 vaste punten met automatische batdetectors (zie ook Figuur 38) per seizoen (april-mei, juli-aug, septokt). Het ‘n’ aantal per seizoen is het hier in rekening gebrachte aantal nachten waarin alle detectors actief waren. De punten 1 en 3 zijn gesitueerd aan de noordkant van de Leie, de punten 2 en 4 aan de zuidkant van de Leie.

Als we de resultaten van de meest voorkomende soorten bekijken per nacht, zien we dat de vleermuisactiviteit sterk kan variëren per nacht of deelperiode (Figuren 48-55). Het aantal vleermuispassages toont ook enkele zeer opvallende pieken tijdens bepaalde nachten, die vaak terug te vinden zijn op alle meetpunten. Dit is in enkele nachten zeer goed zichtbaar tijdens het voorjaar voor o.m. de gewone en ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In vergelijking met de actieve metingen, verliepen de passieve continue metingen soms tijdelijk in minder ideale weersomstandigheden. In de meteogegevens (Figuur 56) zien we enkele zeer waarschijnlijke relaties met de vleermuisactiviteit. Zo kwam bijvoorbeeld de zeer sterke piek in activiteit (van zowel gewone en ruige dwergvleermuis en watervleermuis) tussen 16 en 18 april, op een moment dat de gemiddelde temperatuur voor het eerst boven de 15°C kwam en ook vlak na veel regenval op 14 en 15 april. In nog een piekperiode na 6 mei komt de gemiddelde temperatuur voor het eerst tot in de buurt van 20°C. Tussen 16 en 19 mei is er een sterke daling in de temperatuur en veel wind, met opvallend minder vleermuisactiviteit. In het najaar is voor de gewone en ruige dwergvleermuis bijvoorbeeld een relatief lage activiteit in een periode met veel neerslag (23 sept). Het aantal passages van grootoor was het grootst tijdens het najaar. Voor de laatvlieger en rosse vleermuis kunnen geen bijzondere verschillen worden gezien onder en binnen de seizoenen (Figuren 52-55). Een samenvattende tabel met de resultaten van alle soorten per telpunt en per nacht, is weergegeven in bijlage 6. Verdere detailgegevens zijn ook digitaal beschikbaar. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 89 van 140


Figuur 48. Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 1 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

Figuur 49. Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 2 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 90 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 50. Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 3 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

Figuur 51. Aantal detecties van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis met de automatische detector aan punt 4 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 91 van 140


Figuur 52. Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 1 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

Figuur 53. Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 2 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 92 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 54. Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 3 (noordkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

Figuur 55. Aantal detecties van watervleermuis, (gewone) grootoor, laatvlieger en rosse vleermuis met de automatische detector aan punt 4 (zuidkant Leie) tijdens 90 nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 93 van 140


Figuur 56. Dagelijkse temperatuur (per 24u), neerslag en windsnelheid in dezelfde periodes waarin alle vier de automatische batdetectors tegelijk nachtopnames maakten (90 volledige nachten verspreid in april, mei, juli, augustus, september en oktober). Data via waterinfo.be, van meteostation in de omgeving van de Leie in Waregem, net ten zuidwesten van het onderzoeksgebied.

Een samenvatting van de activiteit per uur in de nacht (gemiddelde van aantal detecties per uur per seizoen) van de meest algemene soorten is weergegeven in de figuren 57 tot 60. Hierbij valt op dat de activiteit van gewone dwergvleermuis in het voorjaar en grotendeels ook in de zomer hoog blijft tot diep in de nacht, terwijl in het najaar later in de avond en nacht een sterkere daling te zien is. Voor de ruige dwergvleermuis blijft de activiteit later in de nacht hoog in zowel het voor- als najaar. In tegenstelling tot gewone dwergvleermuis en grotendeels ook ruige dwergvleermuis, komt de activiteit van watervleermuis overal pas op zijn maximum rond middernacht, en deze activiteit blijft ook vrij hoog later in de nacht.

Figuur 57. Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 1 (noordkant Leie).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 94 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Figuur 58. Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 2 (zuidkant Leie).

Figuur 59. Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 3 (noordkant Leie).

Figuur 60. Gemiddeld activiteitverloop per uur in de nacht (n= aantal nachten), bij de automatische detector aan punt 4 (zuidkant Leie). ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 95 van 140


6.2.3 Resultaten van enkele zeldzame soorten Met alle actieve en passieve metingen samen werden 10 soorten vastgesteld: naast de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, baardvleermuis (baard/Brandts vleermuis), (gewone) grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (zie ook verder in de discussie) ook de zeldzame kleine dwergvleermuis, meervleermuis en bosvleermuis. Hieronder volgt voor die drie laatste soorten een bespreking van de waarnemingen. 6.2.3.1

Kleine dwergvleermuis

Van deze zeer zeldzame soort waren er waarnemingen op 16 april met de automatische detector aan punt 4 (zuidkant van de Leie), op 25 juli aan de noordkant van de Leie (meest zuidelijk deel van het traject) tijdens de punt-traject-metingen, en op 17 september (Figuur 61) met de automatische detector aan punt 3 (noordkant van de Leie).

Figuur 61. Spectrogram van kleine dwergvleermuis (incl. vangstmoment) op 17 september 2018.

6.2.3.2

Meervleermuis

Er waren tijdens het onderzoek in 2018 minstens 34 registraties van de zeer zeldzame meervleermuis met de automatische detectors langs de waterkant van de Leie, verspreid over 9 nachten: 1 in mei, 2 in juli, 2 in augustus, 2 in september en 2 in oktober. Dankzij het feit dat de vier detectors tegelijk werden ingezet, kon via het uur van de detectie ook de (vermoedelijke) vliegrichting worden bepaald (zie details waarnemingen in bijlage 7). Op basis van de tussenafstanden van de meetpunten en de uren van de detecties, werd hierbij ook een vliegsnelheid berekend van ongeveer 25 km/u. Hieronder geven we een beknopt overzicht van de nachten met detecties. 

Op 11 mei was er om 1u20 een waarneming aan punt 2, en 12 minuten later ook aan punt 4. Dit was vrijwel zeker één dier op vliegroute in zuidelijke richting. Mogelijk vloog het dier dicht tegen de zuidkant van de Leie, waardoor de detectors op punt 1 en 3 niets registreerden. Op 23 juli was er om 1u41 een waarneming aan punt 3, en 6 minuten later ook aan punt 2. Dit was dus vrijwel zeker één dier dat in noordelijke richting vloog. De detectors op punt 1 en 4 waren toen niet meer actief omwille van volledig gebruikte geheugenkaarten.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 96 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Op 24 juli was er om 0u43 een waarneming aan punt 2, en 6 minuten later ook aan punt 3. Vrijwel zeker was dit één dier dat deze keer in zuidelijke richting vloog. De detectors op punt 1 en 4 waren toen niet meer actief omwille van volledig gebruikte geheugenkaarten. Op 21 augustus kon een meervleermuis (wellicht toch hetzelfde dier) geregistreerd worden door alle vier de detectors, in zuidelijke richting vliegend vanaf punt 1 (0u53) tot punt 4 (1u07) met een tussentijd van 4 minuten tussen punt 1 en 2, en telkens 5 minuten tussen punt 2 en 3 en tussen 3 en 4. Op 22 augustus was er relatief vroeg in de avond (1u05 na zonsondergang) om 21u54 een waarneming van een dier aan punt 4, waarna er in noordelijke richting ook detecties waren aan punt 3 (22u02) en punt 1 (22u12). Later die nacht waren er opnieuw in noordelijke richting opeenvolgende registraties aan punt 3 (1u23), punt 2 (1u28) en punt 1 (1u32). Misschien ging het die nacht dus om twee verschillende dieren. Op 10 september vloog een dier in zuidelijke richting vanaf punt 2 (23u29), over punt 3 (23u35) en punt 4 (23u42). Later die nacht vloog wellicht hetzelfde dier opnieuw richting noord langs punt 4 (2u20) en punt 2 (2u32). Mogelijk vloog het dier bij die laatste waarnemingen dicht tegen de zuidkant van de Leie, waardoor de detectors op punt 1 en 3 niets registreerden. Op 20 september werd relatief vroeg in de avond (56 min na zonsondergang) om 20u42 een dier geregistreerd aan punt 1. Gezien het moment na zonsondergang zou dit een dier kunnen geweest zijn met een (tijdelijke) verblijfplaats in de omgeving van Deinze. In de nacht van 18 op 19 oktober waren er vanaf 0u37 maar liefst 10 registraties aan de punten 1, 3 en 4. De vliegrichting kon moeilijk bepaald worden (zie details in bijlage 7). Mogelijk betrof dit één of enkele dieren die ook tijdelijk foerageerden langs de Leie. De laatste waarneming was aan punt 4 om 3u41, wat erop kan wijzen dat er zeker één dier naar de ochtend toe terugvloog richting zuid. In de avond van 19 oktober was er om 20u03 (1u21 na zonsondergang) al een registratie aan punt 3, en om 20u12 verder noordelijk ook aan punt 1 (Figuur 62). Mogelijk vloog het dier dicht tegen de noordkant van de Leie, waardoor de detectors op punt 2 en 4 niets registreerden.

Figuur 62. Spectrogram van een meervleermuis op 19 oktober 2018.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 97 van 140


6.2.3.3

Bosvleermuis

Er werden tijdens het onderzoek langs de Leie in 2018 minstens 8 waarnemingen van de bosvleermuis verricht met de automatische detectors, verspreid over 7 nachten.       

6 mei (23u15) aan punt 3 (Figuur 63). 22 mei (2u20) aan punt 1. 28 mei (3u014) aan punt 2. 18 augustus (0u03) aan punt 3. 18 augustus (23u16) aan punt 3. 23 augustus (1u01 en 1u22) aan punt 1 en 3 (mogelijk zelfde dier). 15 september (23u07) aan punt 1.

Figuur 63. Spectrogram van een bosvleermuis op 6 mei 2018.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 98 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


6.3 DISCUSSIE 6.3.1 Algemene bespreking De voorstelling en bespreking van de resultaten is vooral beschrijvend. Een zeer diepgaande analyse kon in het kader van het onderzoek (nog) niet verricht worden. Een detailanalyse gericht op specifieke vragen kan het best uitgevoerd worden samen met de metingen na de geplande herinrichting van het pand 140. Algemeen kunnen we stellen dat quasi het volledige pand 140 traject van de Leie een aanzienlijke waarde heeft voor vleermuizen, zowel de noordelijke als zuidelijke oever. Zeer lokale factoren kunnen wel een invloed hebben op de vleermuisactiviteit. Met 10 waargenomen soorten, waaronder enkele zeldzame op niveau Vlaanderen (kleine dwergvleermuis, meervleermuis, bosvleermuis) scoort het projectgebied zeer goed. De vleermuisactiviteit (het aantal detecties en ook de vleermuispassages) was aanzienlijk, zeker tijdens het voorjaar maar op bepaalde locaties en momenten ook tijdens de latere zomer en het najaar. Een vrij gelijkaardig patroon is bijvoorbeeld beschreven in de natuurgebieden en natuurverbindingen langs de Waaslandhaven (Spanoghe et al., 2008; Gyselings et al., 2011). Uit de passieve metingen met automatische batdetectors blijkt dat in bepaalde periodes van het voorjaar zelfs een extreem hoge activiteit aanwezig was (> 1000 detecties per nacht per meetpunt). Deze nachten met extreem hoge activiteit zijn wellicht een combinatie van optimale trekomstandigheden in combinatie met (tijdelijk) foerageergedrag in bepaalde zones langs de Leie. De hoge vleermuisactiviteit is zeker mede het gevolg van het feit dat langs bijna het volledige traject van pand 140 bomen en/of struiken aanwezig zijn langs de waterkant, aan zowel de noordelijke als zuidelijke oever. Op veel plaatsen gaat het over een dichte groenstrook langs het water, die extra gunstig is voor doortrekkende en vooral (tijdelijk) foeragerende vleermuizen omdat de afscherming tegen de wind daar optimaal is. Maar ook de laanaanplanten langs de parallelweg lijken belangrijk te zijn. Het is dan ook aanbevolen om zowel de (vaak dichte) groenstrook langs het water als de laanaanplanten te behouden. Het aantal detecties/passages maakt geen onderscheid tussen gebruik als vliegroute of als foerageergebied. Aangezien er een correlatie bestaat (zie inleiding bij 6.1) tussen het aantal vangstpogingen (foerageergedrag) en de vleermuisactiviteit (aantal detecties/passages), kunnen we wel stellen dat pand 140 van de Leie belangrijk is als doortrekgebied (lijnvormige corridor) en minstens verschillende zones binnen het onderzoeksgebied ook als (tijdelijk) foerageergebied. De huidige plasbermen lijken vooral voor ruige dwergvleermuis en mogelijk ook voor gewone dwergvleermuis gunstig als foerageerzone. Ter hoogte van die plasbermen zijn er vaak afschuivende betonelementen (de historische oeverversteviging langs de Leie) en eroderende oevers waar afgelopen jaren geen beheer meer werd gedaan. Als gevolg daarvan zijn er door natuurlijke successie dikwijls struiken opgeschoten (Van Kerckvoorde et al., 2017), wat gunstig kan zijn als foerageergebied voor vleermuizen.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 99 van 140


6.3.2 Bespreking per soort Hieronder volgt algemene ecologische en verspreidings-informatie van de waargenomen soorten (mede op basis van Dietz et al. (2011), Dietz & Kiefer (2017), en soortinformatie op www.waarnemingen.be) met aanvullend telkens een beknopte bespreking in functie van het onderzoeksgebied langs de Leie. 6.3.2.1

Gewone dwergvleermuis

De gewone dwergvleermuis is een zeer flexibele soort wat betreft biotoopeisen. Men kan de soort ook vinden in steden (bv. bomenrijen, parken, tuinen). Waar aanwezig, wordt voor het foerageren de voorkeur gegeven aan bossen, bosranden, bomenrijen, houtkanten, water en moeras, boomrijke tuinen, enz. De soort is voor verblijfplaatsen sterk gebonden aan gebouwen. Het is de meest algemene vleermuissoort in Vlaanderen, met een status â&#x20AC;&#x2DC;momenteel niet in gevaarâ&#x20AC;&#x2122; op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). De soort is ook de meest algemene soort in het onderzoeksgebied langs de Leie. Ze kan quasi overal verspreid over het hele traject waargenomen worden, met de hoogste activiteit langs of nabij bomen. We verwachten dat er kraamkolonies (zomerverblijfplaatsen van vrouwtjes waar de jongen worden grootgebracht) en andere verzamelplaatsen zijn in enkele huizen in de omgeving. Uit de punt-transect-metingen blijkt dat er aan de waterkant meer activiteit was dan aan de kant van de weg. Dit is te verklaren omdat we ervan uitgaan dat in de relatief windstille zone dicht tegen de begroeiing langs het water ook meer insecten vliegen. Langs de waterkant zien we daarom wellicht ook minder grote variaties in het aantal detecties dan langs de kant van de weg. Het feit dat er tijdens de punt-transect-metingen langs de kant van de weg duidelijk minder activiteit was in meer zuidelijke helft van het traject, ligt wellicht aan zeer lokale factoren. Uit de resultaten van de automatische detectors zien we bijvoorbeeld dat de hoogste activiteit in alle seizoenen het grootst was aan het meest noordelijke en meest zuidelijke meetpunt (resp. nr. 1 en 4), wat er dus niet op wijst dat er effectief minder vleermuizen actief zouden zijn in de zuidelijke helft van het traject. De opvallend hogere activiteit tijdens bepaalde nachten in het voorjaar met de automatische batdetectors, kan erop wijzen dat er toen ook meer seizoensgebonden vluchten waren van dieren die er al dan niet ook tijdelijk foerageerden. Hoewel de gewone dwergvleermuis een standsoort is, zijn er wel seizoensgebonden vliegbewegingen tussen de zomer- en winterverblijfplaatsen van doorgaans minder dan 100 km. In Spanoghe et al. (2008) werd tijdens het voorjaar voor gewone dwergvleermuis ook een hogere activiteit (als aantal passages per 3 minuten) vastgesteld dan in zowel de zomer als het najaar. 6.3.2.2

Ruige dwergvleermuis

Het leefgebied van de ruige dwergvleermuis bestaat uit bossen, moerasbossen en andere natte bossen, rivieren, kanalen, meren, plassen en moerassen. Waterpartijen en beschutte oevers vormen een belangrijk aspect van het biotoop. Het voedsel bestaat immers voor een groot deel uit aan water gebonden tweevleugeligen, vooral dansmuggen. De soort verblijft overdag vaak achter losse schors van dood hout of in spleetvormige holtes in bomen. Ook de winterslaap vindt plaats in holle bomen of zelfs in grote houtstapels.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 100 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


De ruige dwergvleermuis heeft een status ‘momenteel niet in gevaar’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). Vroeger was de soort in Vlaanderen alleen bekend van enkele dode dieren. Dankzij batdetector onderzoek weten we dat de ruige dwergvleermuis vrij verspreid over heel Vlaanderen voorkomt. Vooral mannetjes zijn quasi heel het jaar in Vlaanderen te vinden. Uit batdetectoronderzoek blijkt dat er in Vlaanderen in het voor- en najaar meer ruige dwergvleermuizen aanwezig zijn dan in de zomer, wat op doortrek wijst. Ruige dwergvleermuizen hebben hun kraamkolonies vooral in NoordoostEuropa. Het is een soort die migreert over lange afstanden (tot ca. 2000 km) tussen zomer- en wintergebied. In de zomermaanden blijken de vrouwtjes te vertoeven in Noord- en OostEuropa om hun jongen groot te brengen, maar in het najaar laten ze samen met de opgegroeide jongen de koude achter zich en trekken ze naar het westen en zuiden van Europa om er te overwinteren. Tijdens de trek in het najaar vormen de vrouwtjes paargroepjes van 2 tot 10 dieren in de verblijfplaatsen van territoriale mannetjes die zij op hun route passeren. Mannetjes hebben in het najaar een paarverblijfplaats die ze fel verdedigen tegen andere mannetjes. Vanuit hun verblijfplaats laten ze dan ‘s avonds en ‘s nachts een ‘werfroep’ horen waarmee ze vrouwtjes naar hun verblijfplaats lokken. Maar in 1/3 van de gevallen wordt ook rond het paarverblijf vliegend geroepen. In het voorjaar trekken de zwangere vrouwtjes weer weg naar het noorden tot noordoosten. Het aantal gekende verblijfplaatsen van groepjes ruige dwergvleermuizen (bv. paarplaatsen in het najaar) is relatief klein in Vlaanderen. Het zoeken naar verblijfplaatsen in bomen vereist immers uitgebreid onderzoek. Zo werden er in het najaar van 2015 dankzij gericht onderzoek meerdere verblijfplaatsen gevonden van mannetjes in bomen langs de oevers van waterpartijen in Ieper. Tot nu toe is het niet duidelijk of de soort zich in Vlaanderen ook voortplant. De ruige dwergvleermuis werd verspreid over bijna het volledige pand 140 langs de Leie waargenomen, met de hoogste activiteit langs of nabij bomen en hierbij vooral langs de waterkant. Uit de punt-transect-metingen blijkt dat er aan de waterkant meer activiteit was dan aan de kant van de weg, dit was zeer opvallend tijdens het voorjaar. Gezien de voedselvoorkeur van de soort, is dit niet onverwacht. Het wellicht gunstige effect van de huidige plasbermen voor deze soort (zie 6.2.1.2) is hierbij ook vermeldingswaardig. Op basis van de punt-transect-metingen en automatische detector metingen is duidelijk dat de activiteit tijdens de zomer veel kleiner was dan in het voor- en najaar. Ook dat is te verwachten o.b.v. de ecologie van de soort. De reden waarom er tijdens het voorjaar in vergelijking met het najaar in enkele nachten extreem veel activiteit werd vastgesteld, is niet helemaal duidelijk want in de literatuur is net beschreven dat in tegenstelling tot de najaarstrek de voorjaarstrek doorgaans geen duidelijke piek kent (RVO, 2014). Mogelijk zijn de weersomstandigheden hier de hoofdoorzaak, en een verschil in gedrag. Tijdens de trek kunnen ruige dwergvleermuizen relatief hoog vliegen en deze worden niet altijd gedetecteerd door een batdetector op grondniveau. Dit kan misschien verklaren waarom er tijdens het najaar geen extreem hoge pieken in activiteit werden waargenomen. De hoge pieken in het voorjaar hadden mogelijk ook betrekking op een groot aandeel tijdelijk foeragerende dieren op lagere hoogte.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 101 van 140


De activiteit van ruige dwergvleermuis (vooral in het voor- en najaar langs het water) bleek sterk afhankelijk van de locatie, zowel wat betreft het aantal detecties als het aandeel in vergelijking met gewone dwergvleermuis. Diverse zeer lokale factoren kunnen daarvan de oorzaak zijn. Langs de kant van de weg waren er bij de punt-transect-metingen twee locaties met opvallend veel activiteit, namelijk telpunt 2 aan de zuidkant van de Leie, en telpunt 5 aan de noordkant van de Leie. Dit kan verband houden met de aanwezigheid van resp. een plasberm en uitloper van een oude Leiearm. Mogelijk waren er o.a. in het najaar ook paarplaatsen van mannetjes aanwezig in enkele bomen aan de rand van het water van de Leie. Op enkele plaatsen werden immers relatief veel sociale geluiden gehoord. Verzamelplaatsen van vleermuizen in bomen kunnen regelmatig wijzigen. Om dergelijke plaatsen te vinden, is gericht onderzoek noodzakelijk. 6.3.2.3

Kleine dwergvleermuis

De kleine dwergvleermuis werd vrij recent ontdekt in Vlaanderen dankzij het gebruik van professionele batdetectors. De eerste opname werd gemaakt in mei 1998 in Ieper en jaarlijks zijn er enkele zekere waarnemingen, wellicht van doortrekkers. Op dit ogenblik is het te vroeg om te zeggen of de kleine dwergvleermuis zich in Vlaanderen voortplant of niet. Sowieso is het wellicht een zeldzame vleermuis in Vlaanderen. Op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). Heeft deze soort dan ook de status ‘onvoldoende data’. De waarnemingen langs de Leie in april, juli en september zullen waarschijnlijk doortrekkende dieren geweest zijn, hoewel er dus weinig gekend is over de verspreiding van deze soort in Vlaanderen. 6.3.2.4

Watervleermuis

De watervleermuis is een flexibele soort waarvan de biotoopeisen slechts in de ruimste zin tot bos en water kunnen worden beperkt. De meeste dieren jagen op een hoogte van 20-50 cm boven open stilstaand en stromend water, maar ook soms tot 5 m hoogte rondom bomen in bossen, parken en hoogstamboomgaarden. Kraamkolonies bevinden zich doorgaans in bomen, in bossen in de omgeving van water. Deze min of meer trekkende soort legt gewoonlijk afstanden van minder dan 150 km tussen de zomer- en winterverblijfplaatsen af. In de winter worden ze vaak aangetroffen in ijskelders, bunkers en forten. De soort is relatief gezien één van de meest algemene vleermuissoorten in Vlaanderen maar heeft toch een status ‘bijna in gevaar’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). De punt-traject-metingen tonen – zoals verwacht – dat de watervleermuis vooral langs het water actief is. In tegenstelling tot de gewone en vooral ruige dwergvleermuis, kon voor de watervleermuis geen verschil opgemerkt worden tussen locaties met en zonder de huidige plasbermen. De huidige grootte (lengte en breedte) van de plasbermen is mogelijk te beperkt voor het foerageergedrag van de watervleermuis. De soort vliegt tijdens het foerageren ook vaak over relatief grote afstanden (> 50 m) over het water, en mogelijk is het verschil in activiteit tussen zones met plasbermen en zones met veel beschutting van de bomen en struiken (tegen de wind) niet groot. Zeer lokale factoren kunnen echter ook een belangrijke invloed hebben.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 102 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Net zoals ook voor de gewone en ruige dwergvleermuis, toonden de automatische detector metingen in vergelijking met de rest van het jaar tijdens enkele nachten in het voorjaar grote pieken in activiteit. Dit zal wellicht te maken hebben met de voorjaarstrek in combinatie met (tijdelijk) foerageergedrag. Het pand 140 van de Leie lijkt voor watervleermuis niet alleen belangrijk te zijn als doortrekgebied maar ook minstens op bepaalde plaatsen als foerageergebied. Op enkele plaatsen werden ook sociale geluiden gehoord. Dit kan wijzen op (tijdelijke) verblijfplaatsen. Het is niet onmogelijk dat er verblijfplaatsen of zelfs kraamkolonies zijn in bomen langs de Leie. 6.3.2.5

Meervleermuis

Meestal worden meervleermuizen waargenomen boven kanalen, rivieren en plassen. Ze hebben een voorkeur voor grote, open wateroppervlakken en jagen minder vaak boven kleine vijvers of smalle waterlopen. De dieren foerageren graag langs insectenrijke oevervegetaties en bij goed weer vliegen ze tot in het midden van grote meren. De meervleermuis is tijdens de zomer een typische gebouwbewoner. In 2002 heeft men in Nederland echter voor het eerst ook een verblijfplaats van mannetjes in een holle boom gevonden. Daarnaast zijn meervleermuizen ook in vleermuiskasten gevonden. Vanaf augustus worden paargezelschappen gevormd in allerlei verblijfplaatsen. De paring vindt plaats in de herfst en soms als ze wakker worden tijdens de winterslaap. De winterverblijven zijn meestal plaatsen waar een hoge vochtigheid en een stabiele, niet te lage temperatuur heerst (mergelgroeven, forten, grotten, grote ondergrondse bunkers). De meervleermuis is een zeer zeldzame soort geworden in Vlaanderen (status â&#x20AC;&#x2DC;bedreigdâ&#x20AC;&#x2122; op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen, Maes et al., 2014). In 2017 en 2019 werd een kraamkolonie gevonden nabij Damme (max. 11 dieren). De enige eerder gekende Belgische kraamkolonie, in Boezinge bij Ieper (max. 31 dieren), verdween meer dan 10 jaar geleden van de radar. Tot 2005 was er ook een verblijfplaats van meerdere dieren (mannetjes of kraamkolonie?) gevestigd in Escanaffles (Henegouwen, Scheldevallei), waarna ze verdween. Deze dieren foerageerden zeker langs de Schelde tot Oudenaarde en op het kanaal KortrijkBossuit. Slechts op enkele locaties (bv. in de Waaslandhaven) wordt de soort nog in de zomer waargenomen, waarbij het vermoedelijk enkel mannetjes betreft. Tijdens de winter worden in Vlaanderen jaarlijks minder dan 50 meervleermuizen gevonden. Ze worden overwegend aangetroffen in grote objecten zoals de mergelgroeven in Limburg en de forten rond Antwerpen. Hoewel de kennis over de meervleermuis aanzienlijk is verbeterd, zullen waarschijnlijk in de toekomst nog meer foerageergebieden en zomerkolonies worden gevonden. Onderzoek toonde aan dat meervleermuizen tijdens de zomer tot zeker 25 km kunnen afleggen tussen de kolonie en de foerageergebieden. In de nazomer en het najaar kunnen ze middellange afstanden (tot zelfs 300 km) trekken tussen zomergebieden en meer zuidelijk gelegen wintergebieden. Vermoedelijk trekken ze langs kanalen en grote rivieren. Hoewel op zijn minst een deel van de Vlaamse populatie in zuidelijke richtingen wegtrekt, is het best mogelijk dat een (groot) deel van deze dieren ook gewoon ter plaatse blijft overwinteren in nog onbekende objecten.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 103 van 140


De waarnemingen langs pand 140 van de Leie zijn wellicht (quasi) allemaal van één of enkele dieren die de Leie gebruiken als vliegroute tussen een verblijfplaats in de (wijde) omgeving en het foerageergebied, en/of als migratieroute tussen een zomer- en winterverblijfplaats. Op basis van de geregistreerde uren op de vier verschillende meetpunten lijkt het er niet op dat de soort regelmatig dit traject van de Leie gebruikt als foerageergebied. De verschillende oude Leiearmen in de buurt zijn wel zeker potentieel goed foerageerhabitat en de Leie vormt hiervoor een essentiële verbinding. Een mogelijke verbindingsroute vanaf het zuidelijk gesitueerde Escanaffles (vroegere zekere verblijfplaats) naar de Leie ter hoogte van Zulte-Deinze via het Kanaal Bossuit-Kortrijk en al dan niet doorstekend via de grote plas van de Gavers in Harelbeke, is net iets meer dan 30 km, wat niet onmogelijk is als route tussen verblijfplaats en foerageergebied. Op basis van de detectieuren en het feit dat meervleermuizen doorgaans vanaf 30 minuten na zonsondergang uitvliegen, zou minstens één of enkele meervleermuizen in enkele periodes echter een verblijfplaats moeten gehad hebben nabij Harelbeke. Andere detecties wijzen op een mogelijke verblijfplaats ten noorden van het onderzoekgebied. Met uitzondering van de waarneming in mei (piek kraamkolonie-periode) kunnen de andere waarnemingen gewoon wijzen op (vroege) seizoens-migratie. Mogelijk bezetten deze zwervende meervleermuizen dan tijdelijke verblijfplaatsen in de buurt van waar ze enkele nachten blijven foerageren. 6.3.2.6

Gewone baardvleermuis (baard-/Brandts vleermuis)

Wellicht hebben de meeste waarnemingen in Vlaanderen betrekking op gewone baardvleermuis, hoewel de zeldzamere Brandts vleermuis meestal niet volledig kan uitgesloten worden op basis van batdetector opnames. Beide soorten zijn in meer of mindere mate aan bos gebonden. De gewone baardvleermuis zou een meer flexibele soort zijn, die niet zo sterk aan bos en water gebonden is en ook voorkomt in structuurrijk landschap en halfopen rivierlandschap waar ze vaak foerageren in dreven en bosranden. Kraamkolonies bevinden zich zowel in gebouwen als bomen (zowel in holtes als achter losse schors). De winterslaap vindt vooral plaats in forten, bunkers en (ijs)kelders. De gewone baardvleermuis heeft een status ‘onvoldoende data’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). Langs de Leie werden relatief kleine aantallen foeragerende of overtrekkende dieren geregistreerd (zie Figuur 41 en Tabel 19). Mogelijk is er een kraamkolonie in de omgeving (bv. ergens in een huis of in bomen).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 104 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


6.3.2.7

Gewone grootoorvleermuis

Gewone en grijze grootoorvleermuizen kunnen erg moeilijk onderscheiden worden op basis van batdetector opnames. Veel waarnemingen worden daarom ingevoerd als 'grootoor spec'. De grijze grootoorvleermuis (zie verder) is veel zeldzamer in Vlaanderen. Langs de Leie zullen alle of toch zeker de meeste detecties betrekking hebben op de gewone grootoorvleermuis. Grootoorvleermuizen worden doorgaans beschouwd als echte bossoorten, maar recente studies tonen dat ook meer halfopen gebieden een aanzienlijk deel uitmaken van het biotoop. Met de grote oren en brede vleugels jaagt de soort vooral op nachtvlinders en stilzittende prooien die van de vegetatie worden afgeplukt. Grootoren hebben een zeer stille en zachte sonar, waardoor ze slechts op enkele meters afstand met een batdetector te vinden zijn. De soort heeft zowel zomerkolonies in gebouwen als in holle bomen en vleermuiskasten. In gebouwen heeft de soort een voorkeur voor warme ruime zolders zoals kerkzolders. In de winter zitten ze vaak in forten, bunkers en (ijs)kelders. De gewone grootoorvleermuis heeft een status ‘bijna in gevaar’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). Langs de Leie werden relatief kleine aantallen foeragerende of overtrekkende dieren geregistreerd (zie Figuur 41 en Tabel 19), incl. ook sociale geluiden. Waarschijnlijk is er een kraamkolonie in de omgeving (bv. ergens in een huis, kerk, of in bomen) of zelfs ook ergens in een oudere boom langs de Leie zelf. 6.3.2.8

Laatvlieger

De laatvlieger is één van onze grootste vleermuizen in Europa. Het is een kenmerkende soort voor open en halfopen landschap. In het voorjaar en zomer worden vooral randen van loofbossen, houtwallen en grote, open plekken in bossen bejaagd. Later in de zomer worden graasweiden ook een belangrijk foerageergebied. Tuinen, parken, boomgaarden en begroeide oevers in de omgeving van de kolonieplaats worden ook afgespeurd naar prooien. Regelmatig worden foeragerende dieren ook aangetroffen in de omgeving van felle spots en straatverlichtingen. Dichte bossen worden zelden of nooit bezocht. De laatvlieger is relatief gezien één van de meest algemene soorten in Vlaanderen. Kraamkolonies of andere verblijfplaatsen worden enkel in gebouwen gevonden, zowel in spouwmuren van woonhuizen als op grote (kerk)zolders. Over de winterverblijven van laatvliegers zijn nauwelijks gegevens voorhanden. Sporadisch worden er exemplaren teruggevonden in de gekende overwinteringsplaatsen. Vermoedelijk gebruiken ze de zomerverblijfplaats ook als overwinteringsplaats. De laatvlieger heeft een status ‘kwetsbaar’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). Langs de Leie werden relatief kleine aantallen foeragerende of overtrekkende dieren geregistreerd (zie Figuur 41 en Tabel 19). Mogelijk was er een kraamkolonie in de wijde omgeving (bv. in een kerk).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 105 van 140


6.3.2.9

Rosse vleermuis

De rosse vleermuis is naast de laatvlieger één van de grote vleermuizen van Europa. Het is een vleermuis die vaak al rond zonsondergang uitvliegt en ook op relatief grote hoogte jaagt (10 tot 40 meter hoog, maar ook regelmatig tot 150 meter en zelfs hoger). Het voornaamste jachtbiotoop van de rosse vleermuis is waterrijk gebied, zoals rivieren, meren, kanalen, plassen, vennen en moerassen. Verder benutten de dieren dorpen en velden in het overgangsgebied tussen bos en landbouwgebied. Vaak worden ook grote open gebieden overgestoken tussen foerageergebieden. Kraamkolonies bevinden zich doorgaans in holtes van bomen. Net als de ruige dwergvleermuis is de rosse vleermuis een lange afstandstrekker. Een deel van de populatie trekt vele honderden kilometers naar het zuidwesten voor overwintering, terwijl andere dieren in de directe omgeving blijven. De winterslaap vindt ook plaats in holle bomen. Naast de mopsvleermuis is het daarmee de enige soort die het volledige jaar vaak strikt gebonden is aan bomen. In Vlaanderen wordt de laatste jaren vastgesteld dat de soort duidelijk in aantal afneemt. Naast de achteruitgang aan jachtgebieden (o.a. door verdroging en intensivering van de landbouw) vormt ook het verlies aan holle bomen een belangrijke bedreiging. De rosse vleermuis heeft een status ‘kwetsbaar’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen (Maes et al., 2014). Langs de Leie werden relatief kleine aantallen foeragerende of overtrekkende dieren geregistreerd (zie Figuur 41 en Tabel 19). Mogelijk was er een kraamkolonie in de wijde omgeving (bv. ergens in een bos). De Leie kan voor de soort alleszins fungeren als belangrijk verbindings- en doortrekgebied. 6.3.2.10 Bosvleermuis In het bos zelf verkiezen bosvleermuizen niet al te grote kapvlaktes, brede bosdreven, open plekken, bosranden, poelen, percelen met een open structuur en ook percelen die enkele jaren na stormschade opnieuw door een rijke onderbegroeiing zijn ingepalmd. In Duitsland vond men dat bosvleermuizen - net als vale vleermuizen - ook houden van oude beukenbestanden zonder onderbegroeiing, de zogenaamde ‘beukenkathedralen’. Via telemetrie onderzoek in het buitenland vond men ook jagende dieren langs spoorwegbermen en verlichte wegen, boven hooilanden en geasfalteerde oppervlakken of andere plaatsen die overdag sterk opwarmen. Er zijn slechts een paar kraamkolonies gekend in Vlaanderen. Deze kolonies bevinden zich doorgaans in holtes van bomen en ook het overwinteren gebeurt meestal in bomen. De soort kan over langere afstanden trekken en dit gebeurt ook in de zomer bij de dagelijkse verplaatsingen van lokale dieren. In Vlaanderen is de bosvleermuis zeer zeldzaam (status ‘bedreigd’ op de IUCN Rode-Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen, Maes et al., 2014). De waarnemingen langs de Leie hebben wellicht grotendeels betrekking op doortrek, hoewel niet kan uitgesloten worden dat er ergens in de omgeving een (tijdelijke) verblijfplaats was. De Leie kan voor de soort alleszins fungeren als belangrijk verbindings- en doortrekgebied.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 106 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Referenties Anselin A., Devos K. & Vermeersch G. (2007). Project Bijzondere Broedvogels Vlaanderen. Handleiding. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Arcadis (2017). groenbeheerplan.

Seine-Schelde.

Globale

actualisatiestudie

Leie-as.

Studierapport

Auestad I., Rydgren K., Austad I. (2011). Road verges: potential refuges for declining grassland species despite remnant vegetation dynamics. Annales Botanici Fennici 48: 289–303. Bakker J.P. (1989). Nature management by grazing and cutting: on the ecological significance of grazing and cutting regimes applied to restore former species-rich grassland communities in the Netherlands. Geobotany 14. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht. Claus K. & Janssens L. (1994). Vademecum Natuurtechniek. Inrichting en beheer van waterlopen. AMINAL, Werkgroep Natuurtechnische Milieubouw, D/194/3241/11. Coeck J. (1996). Elektrisch vissen theorie en praktijk. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Copp G.H., Oliver J.M., Penáz M. Roux A.L. (1991). Juvenile fishes as functional describers of fluvial ecosystem dynamics: applications on the river Rhône, France. Regulated Rivers: research and management 6: 135–145. Crombaghs B.H.J.M., Akkermans R.W., Gubbels R.E.M.B. & Hoogwerf G. (2000). Vissen in Limburgse beken. Stichting natuurpublicaties Limburg, Maastricht. CUR (1999). Natuurvriendelijke oevers: belasting en sterkte. Civieltechnisch centrum uitvoering research en regelgeving, publicatie 201, Gouda. Dejonghe W., Boon N., Seghers D., Top E.M. & Verstraete W. (2001). Bioaugmentation of soils by increasing microbial richness: missing links. Environmental Microbiology 3: 649–657. De Roo S. & Troch P. (2015). Evaluation of the effectiveness of a living shoreline in a confined, non-tidal waterway subject to heavy shipping traffic. River Research and Applications 31: 1028–1039. De Saeger S., Louette G., Oosterlynck P., Paelinckx D. & Hoffmann M. (2013). Historisch Permanent Grasland in de landbouwstreek ‘Polders’ anno 2013. Technisch rapport campagne 2013. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2013.896909. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. De Saeger S. & Wouters J. (2018). BWK en Habitatkartering, een praktische handleiding. Deel 5: de graslandsleutel. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2018.4. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Devos K., Anselin A., Driessens G., Herremans M., Onkelinx T., Spanoghe G., Stienen E., T’Jollyn F., Vermeersch G. & Maes D. (2016). De IUCN Rode Lijst van de broedvogels in Vlaanderen (2016). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2016.11485739. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Dietz C., von Helversen O. & Nill D. (2011). Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein Tirion Uitgevers B.V., Utrecht. Dietz C. & Kiefer A. (2011). Veldgids vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 107 van 140


Fernandez A.S., Hashsham S.A., Dollhopf S.L., Raskin L., Glagoleva O., Dazzo F.B., Hickey R.F., Criddle C.S. & Tiedje J.M. (2000). Flexible community structure correlates with stable community function in methanogenic bioreactor communities perturbed by glucose. Applied and Environmental Microbiology 66: 4058–4067. Gyselings R., Spanoghe G., Hessel K., Mertens W., Vandevoorde, B., Van den Bergh E. (2011). Monitoring van het Linkerscheldeoevergebied in uitvoering van de resolutie van het Vlaams Parlement van 20 februari 2002: resultaten van het achtste jaar. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2011.5. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Huet M. (1962). Influence du courant sur la distribution des poissons dans les eaux courantes. Revue Suisse D'Hydrologie 24: 412–432. Kusch J., Weber C., Idelberger S. & Koob T. (2004). Foraging habitat preferences of bats in relation to food supply and spatial vegetation structures in a western European low mountain range forest. Folia Zoologica 53: 113–128. Londo, G. (1988) Nederlandse freatofyten. Wageningen. Maes D., Baert K., Boers K., Casaer J., Criel D., Crevecoeur L., Dekeukeleire D., Gouwy J., Gyselings R., Haelters J., Herman D., Herremans M., Huysentruyt F., Lefebvre J., Lefevre A., Onkelinx T., Stuyck J., Thomaes A., Van Den Berge K., Vandendriessche B., Verbeylen G. & Vercayie D. (2014). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. De IUCN Rode Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2014.1828211. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Maes D., De Bruyn L., De Knijf G., Onkelinx T., Piesschaert F., Pollet M., Truyens P., Van Calster H., Westra T. & Quataert P. (2015). Monitoringsprotocol vlinders. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2015.7827697. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Maes D., Vanreusel W., Jacobs I., Berwaerts K. & Van Dyck H. (2011). Een nieuwe Rode Lijst dagvlinders. De IUCN-criteria toegepast in Vlaanderen. Natuur.focus 10: 62–71. Maes D., Vanreusel W. & Van Dyck H. (2013). Dagvlinders in Vlaanderen. Nieuwe kennis voor betere actie. Uitgeverij LannooCampus. Marzorati M., Wittebolle L., Boon N., Daffonchio D. & Verstraete W. (2008). How to get more out of molecular fingerprints: practical tools for microbial ecology. Environmental Microbiology 10: 1571–1581. Mertens B., Boon N. & Verstraete W. (2005). Stereoscopic effect of hexachlorocyclohexane on activity and structure of soil methanotrophic communities. Environmental Microbiology 7: 660–669. Mies J. (2018). Onderzoek naar het visbestand in de prioritaire viswateren kanaal BriegdenNeerharen, kanaal Nieuwpoort-Duinkerke, Leie en Schipdonkkanaal. Provincies Antwerpen, West-/ Oost Vlaanderen en Limburg. 20180379/rap01. In opdracht van Agentschap voor Natuur en Bos. Mouton A., Buysse D., Stevens M., Van den Neucker T. & Coeck J. (2012). Evaluation of riparian habitat restoration in a lowland river. River Research and Applications 28: 845–857.

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 108 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Mouton A., Gelaude E., Buysse D., Stevens M., Van den Neucker T., Martens S., Baeyens R., Jacobs Y. & Coeck J. (2009). Evaluatie van NTMB–projecten langs de IJzer uitgevoerd door W&Z. Luik visfauna. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2009.61. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Nédélec C. & Prado J. (1990). Definition and classification of fishing gear categories. FAO fisheries technical paper n°222 rev. 1. FAO, Rome. Pinder A.C. (2001). Keys to larval and juvenile stages of coarse fishes from fresh waters in the British Isles. The Freshwater Biological Association, Cumbria, UK. Pinheiro J., Bates D., DebRoy S., Sarkar D. & R Development Core Team (2011). nlme: Linear and Nonlinear Mixed Effects Models. R package version 3. Potuin C. & Rolff D.A. (1993). Distribution‐free and robust statistical methods: Viable alternatives to parametric statistics. Ecology. 74: 1617–1628. Raman M. & Decleer K. (2009). Randvoorwaarden voor een duurzame populatieontwikkeling van Oeverzwaluwen langs de Leie. Voorstellen voor inrichting en beheer van oeverzwaluwranden langs de Leie. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2009.2. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Raman M. & Vanderhaeghe F. (2011). Natuurdoelstellingen voor de oevers van de Leie. Richtinggevend plan voor oeverinrichting langs de Leie. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2011.51. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Raman M. & Van Kerckvoorde A. (2014). Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2014.1546683. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. R Core Team (2018). R: A language and environment for statistical computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria. URL https://www.R-project.org/. Russo D. & Jones G. (2003). Use of foraging habitats by bats in a Mediterranean area determined by acoustic surveys: conservation implications. Ecography 26: 197–209. RVO (2014). Soortenstandaard Ruige Ondernemend Nederland, maart 2014.

dwergvleermuis,

versie

1.1.

Rijksdienst

voor

Saarinen K., Valtonen A., Jantunen J. & Saarnio S. (2005). Butterflies and diurnal moths along road verges: Does road type affect diversity and abundance? Biological Conservation 123: 403– 412. Schaffers A.P., Vesseur M.C. & Sykora K.V. (1998). Effects of delayed hay removal on the nutrient balance of roadside plant communities. Journal of Applied Ecology 35: 349–364. Shannon C.E. & Weaver W. (1963). Mathematical theory of communication. University of Illinois Press, Urbana, Illinois. Spanoghe G., Gyselings R. & Van den Bergh E. (2008). Monitoring van het Linkerscheldeoevergebied in uitvoering van de resolutie van het Vlaams Parlement van 20 februari 2002: resultaten van het vijfde jaar. Bijlage 9.10 van het vijfde jaarverslag van de Beheerscommissie natuurcompensaties Linkerscheldeoevergebied. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2008.14. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. ///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 109 van 140


Vandenbussche V., t'Jollyn F., Zwaenepoel A., Vanhecke L. & Hoffmann M. (2002). Systematiek van natuurtypen voor de biotopen heide, moeras, duin, slik en schor. Deel 3: moeras. Verslag van het Instituut voor Natuurbehoud 14. Instituut voor Natuurbehoud, Brussel. Vandelannoote A., Yseboodt R., Bruylants B., Verheyen R., Coeck J., Belpaire C., Van Thuyne G., Denaeyer B., Beyens J., Maes J. & Vandenabeele P. (1999). Atlas van de Vlaamse beek‐ en riviervissen. WEL vzw, Antwerpen. van Dijk A.J. & Boele A. (2011). Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Van Kerckvoorde A. (2016). Een typologie en beschrijving van de kruidvegetatie op bermen en dijken langs W&Z-beheerde waterwegen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2017.12435642. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Kerckvoorde A. & De Geest L. (2014). Ecologische opvolging van bermen en natuurvriendelijke oevers langs het Kanaal Gent‐Brugge. Resultaten vegetatieopnames 3de ronde en beheervoorstellen. Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, INBO.R.2015.7255805. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Kerckvoorde A., De Geest L., Vervaet K., Pieters M. & Willems K. (2017). Vegetatieonderzoek en verkennend golfslagonderzoek in plasbermen langs de Leie. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2017.38. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Landuyt W., Hoste I., Vanhecke L., Van den Bremt P., Vercruysse W. & De Beer D. (2006). Atlas van de Flora van Vlaanderen en het Brussel Hoofdstedelijk Gewest. Instituut voor Natuuren Bosonderzoek, Nationale Plantentuin van België en Flo.Wer vzw. Vannoppen W., Poesen J., Peeters P., De Baets S. & Vandevoorde B. (2016). Root properties of vegetation communities and their impact on the erosion resistance of river dikes. Earth Surface Processes and Landforms 41: 2038–2046. Van Ryckegem G., Gyselings R., Mertens W. & Van den Bergh E. (2010). Maximaliseren van de rietontwikkeling in het natuurontwikkelingsproject Wal‐Zwijn (Zeescheldebekken, Geactualiseerde Sigmaplan). Advies van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek, INBO.A.2010.2190. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Thuyne G., Breine J. (2011). Visbestandopnames in Vlaamse beken en rivieren in het kader van het ‘Meetnet Zoetwatervis’ 2010. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2011.23. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Van Uytvanck J., Audenaert T., Josten D., De Blust G. & Roelandt B. (2012). Technische aspecten van natuurbeheer. In: Van Uytvanck J. & De Blust G. (red.) Handboek voor beheerders. Europese natuurdoelstellingen op het terrein. Deel 1: Habitats. Van Uytvanck J., Van Kerckvoorde A., Vandevoorde B. & De Blust G. (2017). Evaluatie en optimalisatie van de inventarisatiemethodiek en de beheerevaluatie voor bermen en dijken. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2017.12764745. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Vergeer J.W., van Dijk A.J., Boele A., van Bruggen J. & Hustings F. (2016). Handleiding Sovon broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. PDF 4: Avimap handleiding. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. ///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 110 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls J. & B. Van Der Krieken. (2004). Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud, INBO.M.2004.23. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Vermeersch S., Van Kerckvoorde A., Van Ballaert S., Baeyens R., De Geest L., De Marteleire N., Gelaude E., Mouton A., Vervaet K., Pieters M., Pieters S., Robberechts K., Willems K. (2017). Ecologische opvolging van plasbermen langs het Kanaal Brussel- Schelde, het Kanaal CharleroiBrussel en het Kanaal Leuven-Dijle. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.R.2017.45. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Verreycken H., Belpaire C., Van Thuyne G., Breine J., Buysse D., Coeck J., Mouton A., Stevens M., Vandenneucker T., De Bruyn L. & Maes D. (2014). An IUCN Red List of lampreys and freshwater fishes in Flanders (north Belgium). Fisheries Management and Ecology 21: 122–132. Vriens L., Bosch H., De Knijf G., De Saeger S., Guelinckx R., Oosterlynck P., Van Hove M. & Paelinckx D. (2011). De Biologische Waarderingskaart. Biotopen en hun verspreiding in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2011.1. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Walsh A.L. & Harris S. (1996). Foraging habitat preferences of vespertillionid bats in Britain. Journal of Applied Ecology 33: 508–518. Weeda E.J., Westra R., Westra C. & Westra T. (1987). Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties 2. IVN. Zwaenepoel A. (2000). Veldgids ontwikkeling van botanisch waardevol grasland in WestVlaanderen. WVI, in opdracht van Provinciebestuur West-Vlaanderen, Brugge.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 111 van 140


Bijlagen Bijlage 1. Karteereenheden samen met typische soorten en/of kenmerken voor de inventarisatie van bermen. Karteereenheden vereist voor een basisinventarisatie worden rood aangegeven. Bron: Van Uytvanck et al. (2017). Basiskarteereenheid

Typische soorten en/of kenmerken

Graslanden: graslandfasen G0: Graslandfase 0 - Raaigrasweiden

Zeer uniform grasland met vrijwel uitsluitend sterk glanzend gras Engels of Italiaans raaigras dominant + vogelmuur, straatgras

G1: Graslandfase 1 - Grassenmix

Ruw beemdgras dominant, raaigras kent hoge bedekking maar ook andere grassen komen voor + enkele monospecifieke haarden van dicotylen zoals kruipende boterbloem, paardenbloem, gewone hoornbloem, witte klaver

G2: Graslandfase 2 - Dominant stadium

Meer dan 50% van de oppervlakte ingenomen door één niet sterk glanzende grassoort: gestreepte witbol, grote vossenstaart of glanshaver, + grassen en kruiden uit G0 en G1

G3: Graslandfase 3 - Gras-kruidenmix

Fijn mozaïek van grassen en kruiden zoals: beemdlangbloem, gewone berenklauw, gewoon duizendblad, gewoon reukgras, glanshaver, grasmuur, grote vossenstaart, hopklaver, kleine klaver, pastinaak, peen, rietzwenkgras, rode klaver, rood zwenkgras, scherpe boterbloem, sint-Janskruid, smalle weegbree, gewoon timoteegras, veldbeemdgras, veldzuring, gewoon biggenkruid, kamgras, veldgerst, vijfvingerkruid, echte koekoeksbloem, pinksterbloem, moerasrolklaver

G4: Graslandfase 4 - Bloemrijk grasland

Fijn mozaïek van grassen, kruiden, russen en zeggen.

G4a: Glanshavergrasland

aardaker, beemdkroon, beemdooievaarsbek, bevertjes, gele morgenster, gewone agrimonie, gewone rolklaver, gewone vogelmelk, glad walstro, goudhaver, graslathyrus, groot streepzaad, grote bevernel, grote pimpernel, gulden boterbloem, gulden sleutelbloem, klavervreter, kleine bevernel, kleine ratelaar, knolboterbloem, knolsteenbreek, knoopkruid, kraailook, margriet, muskuskaasjeskruid, naakte lathyrus, rapunzelklokje, ruige leeuwentand, veldlathyrus, veldsalie, vijfdelig kaasjeskruid en zachte haver, grote ratelaar, vertakte leeuwentand, vierzadige wikke

G4b: Stroomdalgrasland

cipreswolfsmelk, geoorde zuring, gestreepte klaver, grote tijm, handjesgras, harige ratelaar, hemelsleutel, kaal breukkruid, kleine pimpernel, kleine ratelaar, knikkende distel, knolbeemdgras, kruisdistel, kweekdravik, moeslook, ronde ooievaarsbek, rozetkruidkers, rozetsteenkers, sikkelklaver, slangenlook, smalle raai, tripmadam, veldsalie, viltganzerik, voorjaarszegge, wit en zacht vetkruid, zachte haver, zeepkruid

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 112 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


G4c: Kalkrijk kamgrasland

aarddistel, beemdkroon, bevertjes, driedistel, duifkruid, geelhartje, gevinde kortsteel, gewone agrimonie, goudhaver, grote tijm, gulden sleutelbloem, kattendoorn, kleine bevernel, kleine pimpernel, knolboterbloem, kruipend stalkruid, ruige leeuwentand, ruige weegbree, voorjaarszegge, wilde marjolein, zachte haver, zeegroene zegge

G4d: Bloemrijk struisgrasgrasland

akkerhoornbloem, gewone veldbies, gewoon biggenkruid, gewoon duizendblad, gewoon struisgras, hazenpootje, klein vogelpootje, kleine klaver, kleine leeuwentand, knolboterbloem, muizenoor, schapenzuring, smalle weegbree, vroege haver, zilverhaver

G4e: Bloemrijk vochtig tot nat grasland

echte koekoeksbloem, grote ratelaar, kruipend zenegroen, moeras/zompvergeet-me-nietje, dotterbloem, kale jonker, lidrus, moerasrolklaver, moeraswalstro, egelboterbloem, pinksterbloem, slanke sleutelbloem, tweerijige zegge, gewone waterbies, heelblaadjes, penningkruid, pijptorkruid, zomprus

G5: Graslandfase 5 - Soortenrijk schraalgrasland

Een fijn, soortenrijk mozaĂŻek van geel-, grijs- en blauwgroene laagblijvende schijngrassen (zeggen en russen) en kruiden

G5a: Duingrasland

zanddoddengras, kleverige reigersbek, ruw vergeet-mij-nietje, kruipend stalkruid, zandhoornbloem, duinfakkelgras, liggende asperge, duindravik, duinviooltje, kegelsilene, ruwe klaver, duin- en gewimperd langbaardgras, lathyruswikke, geel walstro, grote tijm, geel zonneroosje, liggend bergvlas, nachtsilene, walstrobremraap, kalkbedstro, zachte haver, voorjaarsganzerik, duindravik, gestreepte klaver, wondklaver

G5b: Dwerghavergrasland

vroege haver, klein vogelpootje, zilverhaver, klein tasjeskruid, dwergviltkruid, eekhoorngras en zandblauwtje, veldereprijs, hazenpootje, eenjarige hardbloem, rode schijnspurrie, akkerviooltje, zandmuur, reigersbek, spurrie, straatgras, zandraket, vroegeling, kleine leeuwenklauw, zachte ooievaarsbek, klein streepzaad, gewoon langbaardgras, zandhoornbloem, slofhak

G5c: Kalkgrasland

blauwgras, bergdravik, duifkruid, grote centaurie, ruige scheefkelk, geel zonneroosje, kleine pimpernel, kalkwalstro, gevinde kortsteel, aarddistel, smal fakkelgras, driedistel

G5d: Heischraal grasland

blauwe knoop, blauwe zegge, bleeksporig bosviooltje, bleke zegge, borstelgras, dicht havikskruid, echte guldenroede, fijn schapengras, fraai hertshooi, gelobde maanvaren, gevlekte orchis, heidekartelblad, hondsviooltje, kleine tijm, klokjesgentiaan, knollathyrus, kruipganzerik, liggend walstro, liggende vleugeltjesbloem, mannetjesereprijs, spits havikskruid, stijf havikskruid, stijve ogentroost, tandjesgras, tormentil, trekrus, tweenervige zegge, veelbloemige veldbies, zaagblad, klokjesgentiaan, heidekartelblad, welriekende nachtorchis.

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 113 van 140


Ruigten R1: Verstoord grasland

duinriet, kruipertje, gewone raket, bijvoet, fijnstraal spp, kleine brandnetel, boerenwormkruid, kamille spp., varkensgras, akkerdistel, klein kaasjeskruid, teunisbloem spp., honingklaver spp., grote kaardenbol, stinkende ballote, kompassla, zeepkruid, wilde reseda, ijle dravik, kleine ooievaarsbek, kruldistel, slangenkruid, klein hoefblad, akkerwinde, kweek, heermoes, grote klaproos, herderstasje, paarse dovenetel, perzikkruid, vogelmuur, akkerkool

R2: Verruigd grasland

grote brandnetel, kleefkruid, ridderzuring, akkerdistel, speerdistel, gewone berenklauw, fluitenkruid, bramen, klit, Jacobskruiskruid, ijle dravik, dolle kervel, kweek, kropaar, haagwinde, zevenblad

R3: Brandnetelruigte

dominante bedekking van grote brandnetel

R4: Natte ruigten

moerasspirea, waterzuring, watermunt, wolfspoot, oeverzegge, grote en kleine lisdodde, grote egelskop, gele waterkers, gele lis, grote kattenstaart, poelruit, scherpe zegge, echte valeriaan, grote wederik, grote waterweegbree, gewone engelwortel, harig wilgenroosje, kattenstaart, koninginnenkruid, valse voszegge, moerasandoorn, tandzaad spp., pitrus, zeegroene rus, zwanenbloem, pluimzegge, moesdistel, kale jonker, geoord en gevleugeld helmkruid, liesgras, rietgras, riet

R5: Riet

riet en soorten uit R4

Struwelen S1: Dwergstruikvegetaties: heidesoorten

struikheide, dopheide, blauwe bosbes, stekelbrem, kruipbrem

S2: Brem- en gaspeldoornstruwelen

brem, gaspeldoorn

S3: Doornstruwelen

meidoorn spp., sleedoorn en rozen

S4: Bramen

braam spp. (inclusief framboos)

S5: Vlierstruwelen

gewone vlier (dominant)

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 114 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Opgaande houtige vegetaties H1: Wilgenstruweel

wilgen spp., sporkehout, gewone vlier, braam spp., brede stekelvaren, grote brandnetel, hondsdraf, kleefkruid, pitrus

H2: Iepenstruweel

Houtige begroeiing in holle wegen van de leemstreek met gladde iep, ruwe iep, meidoorn spp., gewone es, gewone vlier, maarts viooltje, vogelmelk, aalbes, gevlekte aronskelk, speenkruid, vingerhelmbloem, grote keverorchis, klimop, klimopereprijs, lookzonder-look.

H3: Loofhout

Vegetaties op gerijpte, mesofiele tot droge bosbodems, gedomineerd door inheemse loofbomen. Boomlaag van mono-specifiek of dominant tot zeer gevarieerd met o.a.: beuk, zomereik, wintereik gewone es, haagbeuk, esdoorn, berk spp., hazelaar, zoete kers, trilpopulier. Mogelijke bijmenging (maar nooit dominant) met zwarte els, grauwe els, wilgen spp., sporkehout, en struweelsoorten (zie S1 tot S5). Kruidlaag: van afwezig tot zeer rijk met oude bosplanten (zie bijlage 3).

H4: Uitheems Loofhout

Jonge aanplant op niet-bosbodem met dominantie van allerlei loofhout op niet-bosbodems, incl. exoten (Robinia, populier, vederesdoorn, Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers,â&#x20AC;Ś), ev. met bijmenging van struweelsoorten (S3 tot S5).

H5: Naaldhout

Naaldhoutbestanden van allerlei aard: van mono-specifiek of dominant tot gevarieerd met o.a. zwarte den, grove den, spar spp., lork, Douglass en ev. struweelsoorten (soorten uit S1, S2, S4, S5).

E: Exoten

Vlakvormende vegetaties van invasieve, exoten (excl. opgaande houtige soorten)

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 115 van 140


Bijlage 2. Territoria van kleine karekiet tussen Deinze en Sint-Baafs-Vijve. Blauwe bollen: territorium van kleine karekiet, op basis van veldwerk en methodiek beschreven in hoofdstuk 4. Rode lijn = rietkraag (bron DVW, data van oktober 2018).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 116 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 117 van 140


///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 118 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 119 van 140


///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 120 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 121 van 140


Bijlage 3. Punt-transect meetpunten vleermuizen. Ruw aangegeven meetpuntlocaties voor de actieve (punt-)transect-metingen met mobiele batdetector (N1 tot N10 aan noordkant Leie, Z1 tot Z10 aan zuidkant Leie) met daarbij weergave van de gekozen exacte locaties per subpunt (waterkant en kant van de weg).

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 122 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 123 van 140


///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 124 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 125 van 140


///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 126 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Bijlage 4. Automatische batdetector meetpunten vleermuizen. Exacte locatie van de passieve continue metingen met vier automatische batdetectors (punt 1 en 3 aan noordkant Leie, punt 2 en 4 aan zuidkant Leie).

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 127 van 140


///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 128 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Bijlage 5. Vleermuisdetecties tijdens de punt-transect-metingen. Aantal vleermuisdetecties (als vleermuispassages) op de 10 vaste telpunten tijdens de actieve punt -transectmetingen (zie figuur 38 en bijlage 3), hieronder opgesplitst in de som van de meti ngen per seizoen (april-mei, juliaug en sept-okt) en de kant van de Leie (Noordkant of Zuidkant). Elk telpunt werd ook opgesplitst in een waterkant en wegkant (telkens een 5 min telling). PIPPIP = gewone dwergvleermuis, PIPNAT = ruige dwergvleermuis, MYODAU = watervleermuis, MYOMYS = gewone baardvleermuis (of Brandts vleermuis), PLEAUR = (gewone) grootoor, EPTSER = laatvlieger, NYCNOC = rosse vleermuis. De vermelding van â&#x20AC;&#x2DC;sociaalâ&#x20AC;&#x2122; heeft betrekking op het aantal detecties van sociaal geluid.

PIPPIP PIPPIP PIPNAT PIPNAT MYODAU MYODAU MYOMYS PLEAUR PLEAUR EPTSER NYCNOC sociaal sociaal sociaal sociaal april-mei 1066 18 428 4 66 0 0 2 1 5 4 Noordkant (N) Leie 482 13 21 1 42 1 4 1 N waterkant 257 6 19 1 39 1 2 1 telpunt 1, N waterkant 4 3 telpunt 2, N waterkant 13 7 telpunt 3, N waterkant 36 1 11 telpunt 4, N waterkant 3 9 13 1 telpunt 5, N waterkant 36 1 28 3 telpunt 6, N waterkant 24 1 9 18 1 telpunt 7, N waterkant 2 1 1 1 1 telpunt 8, N waterkant 62 1 48 1 telpunt 9, N waterkant 58 1 63 1 3 telpunt 10, N waterkant 1 2 1 N wegkant 225 7 11 3 2 telpunt 1, N wegkant 2 telpunt 2, N wegkant 49 1 3 telpunt 3, N wegkant 34 1 3 1 telpunt 4, N wegkant 46 2 1 1 telpunt 5, N wegkant 28 1 4 1 telpunt 6, N wegkant 27 1 1 telpunt 7, N wegkant 21 1 1 telpunt 8, N wegkant 6 telpunt 9, N wegkant 7 telpunt 10, N wegkant 5 Zuidkant (Z) Leie 584 5 227 3 24 1 1 1 3 Z waterkant 356 3 192 2 23 1 telpunt 1, Z waterkant 56 62 1 telpunt 2, Z waterkant 14 1 telpunt 3, Z waterkant 66 1 5 1 telpunt 4, Z waterkant 35 64 1 telpunt 5, Z waterkant 8 5 telpunt 6, Z waterkant 5 12 4 telpunt 7, Z waterkant 31 1 15 3 telpunt 8, Z waterkant 53 21 2 1 telpunt 9, Z waterkant 41 1 4 11 telpunt 10, Z waterkant 2 3 2 Z wegkant 228 2 35 1 1 1 1 1 2 telpunt 1, Z wegkant 95 telpunt 2, Z wegkant 53 1 27 1 telpunt 3, Z wegkant 3 telpunt 4, Z wegkant 5 2 telpunt 5, Z wegkant 18 telpunt 6, Z wegkant 12 1 1 1 1 telpunt 7, Z wegkant 22 1 3 1 1 telpunt 8, Z wegkant 1 2 1 telpunt 9, Z wegkant 1 telpunt 10, Z wegkant

Totaal 1594 745 497 7 2 48 26 68 53 33 112 126 4 248 2 53 39 5 34 29 23 6 7 5 849 577 119 15 73 1 13 66 5 77 57 7 272 95 82 3 7 18 16 28 13 1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 129 van 140


PIPPIP PIPPIP PIPNAT PIPNAT MYODAU MYODAU MYOMYS PLEAUR PLEAUR EPTSER NYCNOC sociaal sociaal sociaal sociaal juli-aug 423 1 3 0 59 0 4 0 0 10 8 Noordkant (N) Leie 247 1 3 52 3 1 6 N waterkant 18 2 52 4 telpunt 1, N waterkant 1 telpunt 2, N waterkant 8 telpunt 3, N waterkant 58 11 telpunt 4, N waterkant 7 1 telpunt 5, N waterkant 13 3 telpunt 6, N waterkant 1 2 5 telpunt 7, N waterkant 64 3 telpunt 8, N waterkant 4 3 telpunt 9, N waterkant 21 2 telpunt 10, N waterkant 3 1 N wegkant 67 1 1 3 1 2 telpunt 1, N wegkant 4 1 1 telpunt 2, N wegkant 3 telpunt 3, N wegkant 32 1 telpunt 4, N wegkant 2 3 telpunt 5, N wegkant 3 1 telpunt 6, N wegkant 14 telpunt 7, N wegkant 4 telpunt 8, N wegkant 2 telpunt 9, N wegkant 2 telpunt 10, N wegkant 1 1 Zuidkant (Z) Leie 176 7 1 2 Z waterkant 13 7 2 telpunt 1, Z waterkant 24 3 telpunt 2, Z waterkant 4 telpunt 3, Z waterkant 8 telpunt 4, Z waterkant 29 1 telpunt 5, Z waterkant 6 1 telpunt 6, Z waterkant 34 telpunt 7, Z waterkant 11 telpunt 8, Z waterkant 4 1 telpunt 9, Z waterkant 9 2 telpunt 10, Z waterkant 1 1 Z wegkant 46 1 telpunt 1, Z wegkant 19 telpunt 2, Z wegkant 7 telpunt 3, Z wegkant 3 telpunt 4, Z wegkant 5 telpunt 5, Z wegkant 1 telpunt 6, Z wegkant 2 telpunt 7, Z wegkant 2 telpunt 8, Z wegkant 2 telpunt 9, Z wegkant 4 1 telpunt 10, Z wegkant 1

Totaal 508 322 238 1 8 69 8 16 8 94 7 23 4 84 15 3 33 5 4 14 4 2 2 2 186 139 27 4 8 3 7 34 11 5 11 2 47 19 7 3 5 1 2 2 2 5 1

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 130 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


PIPPIP PIPPIP PIPNAT PIPNAT MYODAU MYODAU MYOMYS PLEAUR PLEAUR EPTSER NYCNOC sociaal sociaal sociaal sociaal sept-okt Noordkant (N) Leie N waterkant telpunt 1, N waterkant telpunt 2, N waterkant telpunt 3, N waterkant telpunt 4, N waterkant telpunt 5, N waterkant telpunt 6, N waterkant telpunt 7, N waterkant telpunt 8, N waterkant telpunt 9, N waterkant telpunt 10, N waterkant N wegkant telpunt 1, N wegkant telpunt 2, N wegkant telpunt 3, N wegkant telpunt 4, N wegkant telpunt 5, N wegkant telpunt 6, N wegkant telpunt 7, N wegkant telpunt 8, N wegkant telpunt 9, N wegkant telpunt 10, N wegkant Zuidkant (Z) Leie Z waterkant telpunt 1, Z waterkant telpunt 2, Z waterkant telpunt 3, Z waterkant telpunt 4, Z waterkant telpunt 5, Z waterkant telpunt 6, Z waterkant telpunt 7, Z waterkant telpunt 8, Z waterkant telpunt 9, Z waterkant telpunt 10, Z waterkant Z wegkant telpunt 1, Z wegkant telpunt 2, Z wegkant telpunt 3, Z wegkant telpunt 4, Z wegkant telpunt 5, Z wegkant telpunt 6, Z wegkant telpunt 7, Z wegkant telpunt 8, Z wegkant telpunt 9, Z wegkant telpunt 10, Z wegkant

656 369 262 3 16 23 4 1 9 98 27 6 21 17 9 31 4 6 23 7 4 2 9 12 287 27 63 1 35 19 3 29 3 3 75 3 17 3 2 1 1 1

4 2 1

128 96 62

2 1

2 1

1 1 1

4 7 11 6 7 15 34 2 1 2 28

29 24 23 3 2 1 2 3 9 2

1

6 5 1

32 28 12 2 2 3

1 1

4 4 1

1 1 1

1

1

1

1 1

5 5

1 4 2

3 3

2

1 1

1 1

1

1

1 1

1 2 1 2 2 2 4 1

0

1

1

2 1

0

1

1 1

2 2

1 1

1 6 2

3 2 2

1

Totaal

833 53 352 6 21 34 7 8 25 111 34 69 37 151 16 33 4 1 53 7 5 2 9 12 33 38 75 12 37 22 4 31 5 36 81 5 22 4 2 1 2 1 1 1 7 3

1

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 131 van 140


Bijlage 6. Vleermuisdetecties met automatische batdetectors. Aantal vleermuisdetecties (als vleermuispassages) van de passieve metingen met automatische batdetectors gelijktijdig op vier meetpunten (punt nr. 1 tot 4, zie figuur 38 en bijlage 4), per nacht in de periodes april, mei, juli, augustus, september en oktober (zie verschillende grijstinten). De datum van de nacht op bv. 6/04/2018 toont het aantal detecties vanaf zonsondergang op 6/04/2018 tot zonsopgang op 7/04/2018. In juli was de einddatum op punt 4 omwille van volle geheugenkaarten beperkt tot 14 juli terwijl op de andere punten toen langer werd gemeten. De extra nachten op de andere punten zijn aangegeven door de rode omkadering. PIPPIP = gewone dwergvleermuis, PIPNAT = ruige dwergvleermuis, PI PPYG = kleine dwergvleermuis, MYODAU = watervleermuis, MYODAS = meervleermuis, MYOMYS = gewone baardvleermuis (of Brandts vleermuis), PLEAUR = (gewone) grootoor, EPTSER = laatvlieger, NYCNOC = rosse vleermuis, NYCLEI = bosvleermuis.

Punt 1

PIPPIP PIPNAT MYODAU MYODAS MYOMYS PLEAUR EPTSER NYCNOC NYCLEI Totaal

6/04/2018 7/04/2018 8/04/2018 9/04/2018 10/04/2018 11/04/2018 12/04/2018 13/04/2018 14/04/2018 15/04/2018 16/04/2018 17/04/2018 18/04/2018 6/05/2018 7/05/2018 8/05/2018 9/05/2018 10/05/2018 11/05/2018 12/05/2018 13/05/2018 14/05/2018 15/05/2018 16/05/2018 17/05/2018 18/05/2018 19/05/2018 20/05/2018 21/05/2018 22/05/2018 23/05/2018 24/05/2018 25/05/2018 26/05/2018 27/05/2018 4/07/2018 5/07/2018 6/07/2018 7/07/2018 8/07/2018 9/07/2018 10/07/2018

54 1244 1069 310 272 591 105 409 19 837 2117 1528 1238 1285 1261 1714 1970 1722 2039 1224 2016 1645 2086 957 278 225 132 816 123 386 62 40 181 20 30 69 109 86 41 106 334 486

14 44 27 3 9 29 6 36 1 15 101 1352 1595 52 49 27 91 44 78 33 76 94 87 16 8 5 27 35 32 51 21 7 18 26 6 2 6 6 7 12 8 8

5 4 8 5 2 6 2 14 3 43 96 90 20 76 25 72 65 96 1 11 4 2 6 1 10 5 5 6 4 3 1 1 1 1

1 20 1 1 4 1

1 1

1 1

1 1

1 2

3 1

3

1

1

1

2 2

1 1 1 1 4

1 2 1

3 4

1 2 2 3 1 1 2 2

8 1

5 4 4 1 2 2

1

1

3 1 3

2

2 6 5

1

74 1312 1105 319 288 628 113 459 23 895 2314 2972 2854 1415 1335 1816 2128 1864 2118 1272 2096 1741 2183 976 297 236 167 862 167 443 88 52 201 57 39 75 121 99 52 123 350 501

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 132 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


11/07/2018 1051 12/07/2018 450 13/07/2018 157 14/07/2018 175 15/07/2018 129 16/07/2018 219 17/07/2018 336 18/07/2018 794 19/07/2018 725 20/07/2018 236 14/08/2018 184 15/08/2018 211 16/08/2018 89 17/08/2018 158 18/08/2018 181 19/08/2018 197 20/08/2018 161 21/08/2018 100 22/08/2018 121 23/08/2018 197 9/09/2018 580 10/09/2018 366 11/09/2018 695 12/09/2018 185 13/09/2018 302 14/09/2018 383 15/09/2018 184 16/09/2018 255 17/09/2018 59 18/09/2018 28 19/09/2018 24 20/09/2018 15 21/09/2018 68 22/09/2018 4 23/09/2018 22 24/09/2018 233 25/09/2018 208 26/09/2018 101 7/10/2018 78 8/10/2018 30 9/10/2018 15 10/10/2018 9 11/10/2018 9 12/10/2018 14 13/10/2018 8 14/10/2018 7 15/10/2018 25 16/10/2018 5 17/10/2018 38 18/10/2018 27 19/10/2018 13 20/10/2018 1 21/10/2018 15 22/10/2018 8 Eindtotaal 41121

13 3 5 2 5 1 2 8 8 3 1 6 5 5 7 25 23 16 38 32 128 78 101 100 108 86 48 60 53 43 149 7 73 10 74 144 96 28 181 127 17 3 4 6 17 24 58 48 61 45 15 2 14 10 6390

2 2 3 1 1

1 1

2 1 4 1

1 1 1 2 5 6 5 5 1 3 6 1 3 8 2 2 9 3 5 5 4 5 5 3 2 1 1 2 3 1

2 2 6 3

2 2 1 1

1 2 1 1 2 3 1 2 7 10 2 7 8 5 3

2

1

2 1 1 4 3 4 3 2 5 2 3 1 3

2

1 1 1 1 1 1

5 3 1 1 3

1

2 8 1 1

1

1 2 1 1

1 1

1 1 2 6 3 11 6 4 4 1 3 9 6 6 2

1

3 2

1

2 1

1 830

7

3

6 2 2 3 3 177

10

1

1

94

93

3

1064 458 167 188 138 221 341 804 739 241 186 223 97 172 193 231 200 129 167 239 721 451 803 306 420 481 245 326 127 82 182 29 147 18 98 380 321 134 273 164 36 18 14 23 35 40 91 55 99 80 32 5 32 22 48718

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 133 van 140


Punt 2

PIPPIP PIPNAT MYODAU MYODAS MYOMYS PLEAUR EPTSER NYCNOC NYCLEI Totaal

6/04/2018 7/04/2018 8/04/2018 9/04/2018 10/04/2018 11/04/2018 12/04/2018 13/04/2018 14/04/2018 15/04/2018 16/04/2018 17/04/2018 18/04/2018 6/05/2018 7/05/2018 8/05/2018 9/05/2018 10/05/2018 11/05/2018 12/05/2018 13/05/2018 14/05/2018 15/05/2018 16/05/2018 17/05/2018 18/05/2018 19/05/2018 20/05/2018 21/05/2018 22/05/2018 23/05/2018 24/05/2018 25/05/2018 26/05/2018 27/05/2018 4/07/2018 5/07/2018 6/07/2018 7/07/2018 8/07/2018 9/07/2018 10/07/2018 11/07/2018 12/07/2018 13/07/2018 14/07/2018

221 48 20 16 40 235 59 28 20 39 295 642 1357 121 107 179 319 541 851 153 330 88 59 26 117 144 42 58 48 29 32 60 29 195 50 212 243 184 207 182 113 61 189 262 191 201

53 72 14 9 13 24 22 33 4 21 91 1361 696 41 59 52 46 31 78 30 29 19 22 13 11 19 16 22 21 25 10 17 14 49 10 2 5 7 7 6 10 5 16 4 3 13

6 4 2 2 5 11 5 1 4 8 41 25 34 7 47 28 4 6 18 1 1

1 3 1 1 1 1 1 1

1

1 2

2

2

1

1 1 3

2 1 2 1 3

1 2 1

1 1

1 1 1 2

1

1 2

1

9 11 8 6 6 11 3

1

1 2 2 4 1 1

1 1 1 2

2 1 1 1 2

1 1 2 1 4

2

1 1

1

281 127 36 28 58 271 87 62 29 69 427 2030 2088 174 216 262 369 581 948 186 360 108 86 40 131 164 59 83 73 56 44 83 43 255 73 223 255 197 226 194 126 68 208 269 196 220

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 134 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


15/07/2018 16/07/2018 17/07/2018 18/07/2018 19/07/2018 20/07/2018 21/07/2018 22/07/2018 23/07/2018 14/08/2018 15/08/2018 16/08/2018 17/08/2018 18/08/2018 19/08/2018 20/08/2018 21/08/2018 22/08/2018 23/08/2018 9/09/2018 10/09/2018 11/09/2018 12/09/2018 13/09/2018 14/09/2018 15/09/2018 16/09/2018 17/09/2018 18/09/2018 19/09/2018 20/09/2018 21/09/2018 22/09/2018 23/09/2018 24/09/2018 25/09/2018 26/09/2018 7/10/2018 8/10/2018 9/10/2018 10/10/2018 11/10/2018 12/10/2018 13/10/2018 14/10/2018 15/10/2018 16/10/2018 17/10/2018 18/10/2018 19/10/2018 20/10/2018 21/10/2018 22/10/2018 Eindtotaal

195 131 179 245 196 111 128 111 113 104 111 35 107 64 52 99 77 68 33 40 61 48 21 46 28 34 32 80 31 27 11 9 7 1 18 30 23 12 17 42 43 37 32 44 22 15 13 3 9 3 2 4 1 11648

4 5 5 3 1 5 4 3 3 9 5 4 7 5 3 16 16 32 16 82 74 61 25 69 76 43 45 91 55 66 35 21 20 6 43 47 27 19 23 45 41 52 34 58 101 31 50 21 27 11 4 4 3 4681

11 22 19 8 1 2 13 35 8 5 10 1 20 9 3 22 9 10 6 6 16 5 3 16 10 12 23 29 20 14 10 1

2 2 2 1

1 1

1

4 4

1

1

1 1

1 1 2

1 1

2 1 2 2 2

1

6 9 4

4

2 3 2 1 1 1 2 2 3 4 1 4 3 2 3 4 2 1

3 1

2 1 2

1 1 1

2 1 1 3 1

1 1 1 2 1 1

4 1 2

4 1 1

1 2 42 10 8 13 16 5 4 1

828

1 2

1 1 1 1

1

3 1

3 3 3 2 2 4

1 1 1 1 1

2 4

7

29

1 2 1 2 1 1 96

51

60

1

212 161 206 258 200 119 146 156 130 119 129 40 136 78 60 144 106 115 56 132 156 119 54 137 119 96 108 206 110 112 61 33 28 7 75 87 55 31 44 93 130 102 77 123 141 53 71 26 38 15 8 9 5 17401

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 135 van 140


Punt 3

PIPPIP

6/04/2018 7/04/2018 8/04/2018 9/04/2018 10/04/2018 11/04/2018 12/04/2018 13/04/2018 14/04/2018 15/04/2018 16/04/2018 17/04/2018 18/04/2018 6/05/2018 7/05/2018 8/05/2018 9/05/2018 10/05/2018 11/05/2018 12/05/2018 13/05/2018 14/05/2018 15/05/2018 16/05/2018 17/05/2018 18/05/2018 19/05/2018 20/05/2018 21/05/2018 22/05/2018 23/05/2018 24/05/2018 25/05/2018 26/05/2018 27/05/2018 4/07/2018 5/07/2018 6/07/2018 7/07/2018 8/07/2018 9/07/2018 10/07/2018 11/07/2018 12/07/2018 13/07/2018 14/07/2018

22 517 169 34 86 45 27 41 4 16 36 295 473 211 163 617 985 350 1132 599 1373 1716 750 659 83 104 93 157 40 70 18 10 35 18 5 17 26 54 24 46 127 67 136 85 33 37

PIPNAT PIPPYG

32 115 52 15 27 37 12 41 3 14 75 111 231 59 61 73 72 16 138 106 47 78 62 26 9 24 28 36 18 22 16 8 13 11 13 3 6 4 7 16 13 6 11 5

MYODAU MYODAS

14 48 20 12 13 15 8 18 7 62 57 62 60 329 433 306 102 108 22 25 14 36 192 36 95 41 35 67 8 30 21 16 17 40 39 14 14 23 16 2 13 18 14 14 16 15

MYOMYS PLEAUR

EPTSER

NYCNOC NYCLEI

2 1 1

1 1

1 1

2

1 2 1 1 2 1

2 4

2 1

1

1

1 1

1 1 1 1 2 5 3 1

4

1 4 3 4 2 3

4 1

1 1 1

Totaal

68 682 241 62 128 99 47 102 16 92 169 469 770 606 658 997 1159 474 1294 731 1434 1830 1005 721 188 170 156 261 67 128 63 41 65 72 60 34 46 89 41 55 156 98 157 111 54 53

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 136 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


15/07/2018 16/07/2018 17/07/2018 18/07/2018 19/07/2018 20/07/2018 21/07/2018 22/07/2018 23/07/2018 14/08/2018 15/08/2018 16/08/2018 17/08/2018 18/08/2018 19/08/2018 20/08/2018 21/08/2018 22/08/2018 23/08/2018 9/09/2018 10/09/2018 11/09/2018 12/09/2018 13/09/2018 14/09/2018 15/09/2018 16/09/2018 17/09/2018 18/09/2018 19/09/2018 20/09/2018 21/09/2018 22/09/2018 23/09/2018 24/09/2018 25/09/2018 26/09/2018 7/10/2018 8/10/2018 9/10/2018 10/10/2018 11/10/2018 12/10/2018 13/10/2018 14/10/2018 15/10/2018 16/10/2018 17/10/2018 18/10/2018 19/10/2018 20/10/2018 21/10/2018 22/10/2018 Eindtotaal

4 46 47 45 31 24 43 49 56 62 65 54 46 63 146 71 58 81 249 180 96 153 13 81 169 31 23 12 14 17 3 52 1 2 23 20 13 19 7 8 9 6 3 10 13 18 9 11 12 4 4 13881

6 4 1 3 1 5 3 2 1 4 9 10 9 23 18 79 69 176 95 136 50 81 101 44 59 49 53 46 12 86 15 47 47 50 15 35 32 25 34 24 18 19 96 37 95 41 48 17 3 20 9 3734

1

1

1 10 11 15 17 4 26 13 13 19 22 10 8 8 8 20 39 40 15 44 17 22 10 26 15 53 32 46 40 18 4 6 7 6 10 23 17 27 13 29 29 11 6 34 12 11 4 13 4 1 6 3 3465

2

1 2 1 1 1

4 1 1

1 2

1 1 1

1 1 2

1

1 1

2

1

1 1 2 1 1

1

1

2

1 3 1 4 1 1

1

1

1 1

6 1 3

5 4 3 2 2 1 1 1 4 1 1 6

2 1

1

1

2

4 1 1 2 2 4 1

3 3 1 7 4 1 2 4

2 1

2 3 1

1 1

10

29

1 2 2 1 99

32

60

5

7 62 62 62 53 30 75 69 74 84 92 69 66 83 163 124 117 207 333 407 214 314 77 195 288 134 117 109 111 82 22 150 23 58 80 93 49 82 53 67 75 44 34 71 124 70 112 67 67 24 6 33 13 21316

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 137 van 140


Punt 4

PIPPIP PIPNAT PIPPYG MYODAU MYODAS MYOMYS PLEAUR EPTSER NYCNOC Totaal

6/04/2018 7/04/2018 8/04/2018 9/04/2018 10/04/2018 11/04/2018 12/04/2018 13/04/2018 14/04/2018 15/04/2018 16/04/2018 17/04/2018 18/04/2018 6/05/2018 7/05/2018 8/05/2018 9/05/2018 10/05/2018 11/05/2018 12/05/2018 13/05/2018 14/05/2018 15/05/2018 16/05/2018 17/05/2018 18/05/2018 19/05/2018 20/05/2018 21/05/2018 22/05/2018 23/05/2018 24/05/2018 25/05/2018 26/05/2018 27/05/2018 4/07/2018 5/07/2018 6/07/2018 7/07/2018 8/07/2018 9/07/2018 10/07/2018 11/07/2018 12/07/2018 13/07/2018 14/07/2018

272 145 47 18 84 239 294 140 236 219 1372 1307 1737 1085 594 982 661 1706 2008 697 1543 722 588 93 218 327 131 401 85 51 90 93 49 72 22 78 113 65 53 201 127 776 1450 1165 962 427

95 54 18 5 20 37 45 23 8 20 404 889 583 85 54 22 20 25 33 22 57 22 22 6 12 1 14 116 37 21 13 15 5 72 10 2 3 1 31 5 1 1 3 5 8 17

1

44 32 14 8 14 143 28 80 189 90 357 302 408 237 286 36 9 75 48 6 3 9 13 8 50 33 34 23 9 8 12 23 10 22 25 36 36 30 55 32 9 14 6 9 6 67

1 2

1 2 1

2 1 1 2 2 69 2 3 4 2 1

1 1

1 1

5 1

2 1 1 1

1

1 1

2 1 1 1 1

1 1

2 1

1 2 1 1 1

2 2 7

1

1 4 1 1

3

2 1 3 1 2

1 7 1

1

3 3

412 234 82 31 120 420 369 243 436 331 2208 2502 2731 1414 937 1042 691 1807 2089 725 1603 753 624 110 282 363 180 545 135 84 121 132 67 174 61 119 156 97 141 239 137 791 1459 1181 978 518

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 138 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


14/08/2018 15/08/2018 16/08/2018 17/08/2018 18/08/2018 19/08/2018 20/08/2018 21/08/2018 22/08/2018 23/08/2018 9/09/2018 10/09/2018 11/09/2018 12/09/2018 13/09/2018 14/09/2018 15/09/2018 16/09/2018 17/09/2018 18/09/2018 19/09/2018 20/09/2018 21/09/2018 22/09/2018 23/09/2018 24/09/2018 25/09/2018 26/09/2018 7/10/2018 8/10/2018 9/10/2018 10/10/2018 11/10/2018 12/10/2018 13/10/2018 14/10/2018 15/10/2018 16/10/2018 17/10/2018 18/10/2018 19/10/2018 20/10/2018 21/10/2018 22/10/2018

771 957 450 949 868 626 623 553 312 269 704 576 569 292 381 408 315 450 289 138 92 49 3 10

57 12 8 17 24 13 15 22 24 26 368 252 67 125 180 100 220 253 326 136 91 58 28 47

7 7 6 19 22 8 35 33 8 14 11 13 14 10 29 13 39 30 44 65 57 18 2 8

125 135 51 37 29 32 76 293 98 135 82 19 30 10 3 2 1 12 2

69 99 32 44 35 35 55 134 55 104 309 47 45 25 36 5 9 17 2

23 32 25 26 12 17 83 9 49 58 48 19 6 4 2 1 1 2 2

Eindtotaal

35571

6588

1

3919

5

1

1 1

1 1

2

1 1 1 2 1 1 2

4 1 2

1 1 1 1 1 2 2 1 1

1

1 1

3

30

39

1 2 3 1

3 2

2 1 2 1

1 2

1

1 1

1 1 2 2

1 1

5

10

2 1

1 1 1 1

150

38

835 981 464 985 914 647 678 610 345 310 1085 844 653 427 592 524 577 733 665 344 242 127 34 67 0 223 269 108 110 79 86 216 437 205 299 439 86 83 40 46 9 14 33 7 46346

///////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// //////////// www.inbo.be

doi.org/10.21436/inbor.17478670

Pagina 139 van 140


Bijlage 7. Meervleermuis detecties. Alle meervleermuis opnames met de vier grotendeels gelijktijdig ingezette automatische detectors (punt nr. 1 tot 4, zie figuur 38 en bijlage 4). De vermoedelijke vliegrichting is op basis van het verschil in tijd, in de veronderstelling dat het die nacht om hetzelfde dier ging. Datum

Tijd

Tijd na zonsondergang

Tijd voor Vermoedelijke zonsopgang vliegrichting

Meetpunt

Opmerking

11/05/2018 11/05/2018

1:20 1:32

4:03 4:15

4:40 4:28

zuid zuid

2 4

dicht tegen zuidkant? dicht tegen zuidkant?

23/07/2018 23/07/2018

1:41 1:47

3:59 4:05

2:57 2:51

noord noord

3 2

detectors 1 en 4 inactief detectors 1 en 4 inactief

24/07/2018 24/07/2018

0:43 0:49

3:02 3:08

5:15 5:09

zuid zuid

2 3

detectors 1 en 4 inactief detectors 1 en 4 inactief

21/08/2018 21/08/2018 21/08/2018 21/08/2018

0:53 0:57 1:02 1:07

4:00 4:04 4:09 4:14

5:46 5:42 5:37 5:32

zuid zuid zuid zuid

1 2 3 4

22/08/2018 22/08/2018 22/08/2018 23/08/2018 23/08/2018 23/08/2018

21:54 22:02 22:12 1:23 1:28 1:32

1:05 1:13 1:23 4:34 4:39 4:43

8:48 8:40 8:30 5:09 5:04 5:00

noord noord noord noord noord noord

4 3 1 3 2 1

10/09/2018 10/09/2018 10/09/2018 11/09/2018 11/09/2018

23:29 23:35 23:42 2:20 2:32

3:21 3:27 3:34 6:12 6:24

7:42 7:36 7:29 4:51 4:39

zuid zuid zuid noord noord

2 3 4 4 2

20/09/2018

20:42

0:56

10:45

?

1

19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018 19/10/2018

0:37 0:53 1:08 1:31 1:38 1:48 1:56 2:48 2:56 3:41

5:53 6:09 6:24 6:47 6:54 7:04 7:12 8:04 8:12 8:57

7:37 7:21 7:06 6:53 6:46 6:36 6:18 5:26 5:18 4:33

noord? zuid? zuid? noord noord noord zuid zuid zuid ?

4 3 4 4 3 1 1 3 4 4

19/10/2018 19/10/2018

20:03 20:12

1:21 1:30

12:11 12:02

noord noord

3 1

dicht tegen zuidkant? dicht tegen zuidkant?

dicht tegen noordkant? dicht tegen noordkant?

///////////////////////////////////////////////////////// //////////////////////////////////////////////////////////////////////////////// Pagina 140 van 140

doi.org/10.21436/inbor.17478670

www.inbo.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook