MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 22/5
SEPTEMBER-OKTOBER 2003
TWEEMAANDELIJKS
\
i i
\ \ ^
<*%
M&L
Kalk voor de restauratie, renovatie en decoratie van ons patrimonium! CORIDECOR
UNIUT
• CORICAL: een minerale verf op basis van vette luchthardende kalk, marmerpoeder en natuurlijke kleurstoffen
• Bindmiddelen op basis van natuurlijke hydraulische kalk om te metselen, voegen en pleisteren
• Marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL, DECORLUX, VENESTUK
• Kant en klare mortels op basis van natuurlijke hydraulische kalk
• Hecht-, grond- en afwerkmortels • Saneringsmortels tegen optrekkend vocht & vochtige muren • Thermische & akoestische isolatiemortels
HD SYSTEM
• Injectiemortels voor stabilisatie en statische verankering
GRUPPO TASSULLO spa
"Miniere
Si Chris VOET Tel.: 052 46 02 43 Fax : 052 46 35 77 GSM : 0475 26 72 89 E-mail : chris.voefVrcompaqnet.be
Maud BONNEV1E Tel./Fax:08l 58 35 99 GSM : 0475 26 73 25 E-mail : berfon@tiscalinet.bc
San 'Kgme/io
Arte Arte Constructo bvba Molcnberglei 18 B-2627 Schelle Tel.: 00 32 3 880 73 73 Fax : 00 32 3 880 73 70 E-mail : info(a!arteconstructo.be Web : www.arteconstructo.be
•KsTWiïïJÏ" 22 jaargang september-oktober
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdelbifl Mmnmtntm en Landschappen
Wj M O N U M E N T E N
EN
LANDSCHAPPEN
M&L
Redactie Monumenten en Landschapper, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 - Fax 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be Coördinatie; LucTack Redactiesecretaris: Veerle De Houwer E-mail: veerle.dehouwer@lin.vlaanderen.be Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: LucTack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns Cover: Enkele stukken van de collectie uitgestald in de wandnisjes (foto O. Pauwels)
Internet
Druk
Website Monumenten en Landschappen: www.monument.vlaanderen.be
Abonnementsvoorwaarden 2003 België: 32 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 6 € ) . CJP'ers betalen: 27 € Buitenland: 49,50 c Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Phoenix-gebouw, Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 2003". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: DianeP.torbeYns@lin.vlaanderen.be Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Redactiecomité Ere-voorzitter: E. Goedleven Voorzitter: L Tack Kernredactie: M. Buyle, M. Celis, V. De Houwer, Herman Van den Bossche Redactie: A. Bergmans, J. Braeken, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gijselinck, E. Hofkens, C. Metdepenninghen, M. Michiels, G. Plomteux, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L Wylieman
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: casier.jan@tiscali.be www.jancasier.be
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Afdeling Monumenten en Landschappen, Phoenix-gebouw Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 12 E-mail: Luc.Tack@lin.vlaanderen.be De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Inhoud Het kasteeldomein van Heers; een boeiend monument Chris De Maegd
4 2 Een techniek van derestauratie. Toepassing op twee barokke biechtstoelen van de kerk Saint-Loup in Namen Alain de Winiwarter
2 5 Schoonheid van Dynamo en Sunbeam. De luchthaven van Deurne, een vergeten pionier Jo Braeken
5 2 Een beveiligde expositieruimte voor de zilvercollectie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Aarschot Rob Buelens en Chris Van Haesendonck
6 3 Summary
Uw patntnoitiam*.. onze zorg
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten.
Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaleilagen Mineraalverven en silicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polylneerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken
Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS
P.E.C. International n.v.
Erkend aannemer cat D kl 1. o cat D l kl 3, D21 kl 3. D24 kl 4
E v e n w i c h t tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p
Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
o. a ALPHA VOCHTTECHNIEK
VEELZIJDIG EN AL MEER DAN 23 JAAR ERVARING
E3-Laan 49 - 9800 Deinze - Tel 09/386 07 63 p.nijs@cobonet.be
Specialiteit: Beschermde monumenten Injectiewerken - constructief - waterdichtend Waterdicht maken van kelders Injekteren tegen opstijgend vocht Hygrothermische kelderisolatie Bestrijden van vochtoverlast in kruipruimten Hydrofoberen en verharden van natuur- en baksteen Betonreparatiesystemen Renovatie- en restauratiepieisters
#
\
Dakwerken G. BOSCH
Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50
Kunststof-vloersystemen
-é-
E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be ALPHA VOCHTTECHNIEK B.V.B.A. Riyadhstraat 1 - 2321 Meer Tel. 03/315.11.13 - Fax 03/315.11.15 ihttechiek.com - email: info@alphavochnech
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - D12 - D16 - D22 - D24
Restauratie Ambtswoning en Bourlapoort - Academie Antwerpen Monumentenprijs 2003
PIT
IM O V A T I E
PIT ANTWERPEN NV Kerkstraat 115 2940 Antwerpen-Hoevenen Tel : (03)605 14 33 - Fax: (03)605 14 76 E-mail: info@pitantwerpen.be Website: www.pitantwerpen.be
Chris De Maegd
HET KASTEELÜ0ME1N VAN HEERS: EEN BOEIEND M ON IJ MENT
Luchtopname van het kasteeldomem van Heers uit het zuidoosten, met de pastorie en de parochiekerk op de voorgrond, het park achteraan, neerhof en kasteel tussenin en de aanzet van de dreef naar de kapel van de Houten Lieveheer rechts
Heers (1) is een voornamelijk op de taaigrens
tussen Sint-Truiden
geiegen in een golvend gaarden
iandeiijke
en Luik,
landschap
en fruitplantages
gemeente,
waar
het beeld
Ze bezit een wel zeer rijk onroerend
groot,
en interessante
hun grafkunst
de kasteeldomeinen
erfgoed,
een grote historische nauwelijks
histori-
pastorieën
eindpunt
is
en parken.
en interessante
De uiteenlopende
en
onderschatten:
stuk voor stuk hebben ze een boeiende nis, een rijke architectuur
wijze
maar fragmentarisch
en hun kunstschatten
zijn niet te
voortreffelijke
bepalen.
de kerken en kapellen zijn bekend om hun
interieurs,
en landschapszorg
uitdagingen
geschiedetuinen van de
beschermd bewaard,
of niet,
anderen
gelaagdheid,
veranderd,
zijn
hebben
anderen
zijn
nog anderen hebben een
bereikt en staan voor een ommekeer
in hun bestaan.
Deze waaier is alleen al in de
kastelen zichtbaar.
Zo is het kasteel van
Bovelingen gesloopt, aanhorigheden blijven
worden er op
geïllustreerd.
Sommige monumenten,
boom-
verdeeld over 12 dorpen (2). Het aantal sche boerderijen
monumenten-
maar de hoeve en de kasteel-
zijn bewaard
belangrijke
Mechelen-
relicten
van Sint-Pieters-Heurne
en van het park
over. Ook het kasteel
in Vechmaal
verdween
na een brand, maar de hoeve naast het kerkje bestaat nog. Het kasteel van Horne, ook in Vechmaal, is na jarenlange leegstand weer bewoond en wordt door de nieuwe eigenaars op voorbeeldige wijze bedachtzaam,
langzaam,
zorgzaam en voorzichtig benaderd. De instandhouding van het kasteel van Veulen was voor de familie die het bijna 200 jaar bewoonde te zwaar geworden, ze verkocht het node en nu voltooit de
Desmaisières haar intrede in het kasteel, met name toen Valérie de Wal (1831-1906), dochter van Eugénie de Stockhem (1797-1883) en van Charles Stanislas de Wal (1791-1872) in het huwelijk trad met Eugène Desmaisières (1823-1888). Hij was diplomaat, onder meer in Sint-Petersburg en Rio de Janeiro, en zoon van Leander A. J. Desmaisières (1794-1864), volksvertegenwoordiger, gewezen minister en oud-gouverneur van Oost-Vlaanderen en hij verkreeg enkele maanden voor zijn dood de titel van burggraaf (5).
nieuwe eigenaar met goed gevulde beurs en snelle hand de restauratie. Het kasteel van Hex in Heks hoeft niet voorgesteld, het is in goede en zorgzame handen, de jaarlijkse rozen- en moestuindagen zijn bekend en de historische moestuin is laureaat voor de Vlaamse Monumentenprijs 2003. Last but not least, is er het kasteel van Heers, een boeiend stuk als monument beschermd erfgoed (5), balancerend op de rand.
VIFRHDNDFRD JAAR 0[JD r NAUWELIJKS VFRSTOORD De familie Desmaisières, die vandaag nog steeds het kasteel van Heers bewoont, is slechts het vierde geslacht op deze plek, een belangrijk Loons leen dat in 1623 een graafschap werd. De eerste, reeds in 1034 vermelde heren van Heers, stierven uit bij de dood van Gerard van Heers in 1398. Door het huwelijk van zijn dochter Cecilia met Raes I van Rivieren in 1362, werden zij opgevolgd door deze familie, de bouwheren van het kasteel. Na een eerste verwoesting in 1328, gevolgd door een wederopbouw, werd dit kasteel in 1466 in brand gestoken. Door toedoen van Raes II van Rivieren ( t l 4 7 7 ) en zijn echtgenote Pentecoste van Grevenbroek ( t l 5 0 9 ) werd het door het huidige kasteel vervangen. Maar ook hun nageslacht, onder meer Erardus Perseus ( t l 6 1 2 ) (4) natuurlijke zoon en zijn neef Hendrik van Rivieren (1594-1656) drukten hun stempel op het kasteel en het neerhof. In 1757 werd het goed voor 70.000 florijnen verkocht aan kanunnik Jan Herman de Stockhem, heer van Stevoort, Spalbeek en Berbroek (1705-1757). Hij liet Heers na aan zijn jongste broer baron Nicolas Erasmus de Stockhem (1723-1795), wiens zoon Charles F r a n c i s (1763-1839) het erfde. Ook zij hebben hun sporen - en niet de minste — in Heers nagelaten, vooral in het interieur en in het park. In 1859 deed tenslotte via vrouwelijke lijn de familie
Ondanks een bewoningsgeschiedenis van meer dan 400 jaar, kende het kasteeldomein van Heers weinig ingrijpende veranderingen: men herkent vandaag nog de aanleg en structuur zoals die sedert minstens midden 17de eeuw bestonden; de huidige oppervlakte en het grondgebruik komen nagenoeg overeen met die van 1830 en 1844; het uitwendig voorkomen van het kasteel en van de kasteelboerderij gaan nog steeds terug tot de 16deen 17de-eeuwse bouwperioden en na zichtbare en waardevolle aanpassingen aan veranderde leefpatronen in de 18de eeuw en vooral een restauratie door Desmaisières in 1885 (6), bleef de authentieke uitstraling grotendeels bestaan. Helaas is de onderhoudstoestand van park, kasteel en boerderij zeer bedenkelijk geworden — hun beschermd statuut kon dit niet verhelpen. De zware investering nodig om de bewaring van dit belangrijk en interessant erfgoed veilig te stellen, bezwaart en heeft vanzelfsprekend consequenties voor de bestemming; de kans dat er een einde komt aan de bewoning door één familie is reëel en vormt een bedreiging voor de hoge graad aan authenticiteit.
FFN BEFID VAN HFFRS IN DF 17DE EEUW In het kasteel is een perceelsgewijze wandkaart van het graafschap Heers bewaard, die zoals in de legende staat vermeld, werd gemaakt op basis van opmetingen van landmeter Willem Roy uit Leuven in 1639-1640. De tekst is in het Nederlands, maar eindigt met een Latijnse voor-echt-verklaring 'lid. quod attestor Guilhelmus Roij geometra Lovan: subsig. Ira martij 164J". Het kasteel is er tweemaal figuratief voorgesteld, eerst uit het zuidwesten temidden van alle percelen van de heerlijkheid, en een tweede maal uit het zuidoosten, als inzetstuk in de linkerrand. Dit inzetstuk werd voor het eerst gepubliceerd in 1967 en werd overgenomen in het kastelenboek van 1976 (7). Het is A 0 1640 geda-
Het kasteel
gheteedent ...'
van Heers en zi|n
(vermoedelijk ^ d e -
tuinen in 1640,
ceuwsc wandkaart
volgens de cartouche
in het kasteel van
'naer het le(ven)
Heers)
teerd in de deksteen van de halve cartouche die de vermelding draagt 'Caste(el van) t' graefs(chap) van H(eers) naer het le(ven) gheteeckent of syde zuydo(ost). De afbreking in de tekst, telkens in het midden van een letter, die de essentie van de boodschap niettemin begrijpbaar laat, moet gewild zijn, ook gezien de plaatsing van de cartouche aan de linkerkant (dus voldoende plaats voor volledigheid). Hoewel het document ons voor meer dan één raadsels stelt (de tekening van het water, het voor de 17de eeuw ongewoon perspectief dat tegelijk met de opstand ook het grondplan geeft, het schrift dat niet 17de-eeuws is, de globale orde en rechtlijnigheid van het geheel) is de informatie die het bevat allicht wel betrouwbaar. De kaart zou in de 19de eeuw kunnen getekend zijn met een origineel 17de-eeuws kaartboek voor ogen of ter vervanging van een in slechte staat verkerende originele wandkaart. Zou Charles Stanislas de Wal, die in het kasteel introuwde en als bibliofiel en tekenaar van tientallen kasteelzichten gekend staat (8), misschien de opdrachtgever zijn geweest van de copie die stilistisch acceptabel is als product van de neogotiek ?
De informatie die de kaart bevat, en die we niet in vraagstellen, verdient hier voldoende aandacht want voor de tuinkunstgeschiedenis én voor de geschiedenis van het kasteel is ze een leerrijk document. Men ziet er neer op het kasteel, het neerhof, de eilandtuin en de omringende boomgaarden. De opdrachtgever van het origineel moet Hendrik van Rivieren (1594-1656) zijn geweest, die burgemeester van Luik was en in 1623 verheven werd tot graaf van het Heilig Roomse Rijk. Allicht bekroonde deze kaart het einde van de bouwcampagne van het kasteel en het neerhof, waarvan zijn voorvaders in de 15de en 16de eeuw de aanzet hadden gegeven en hij de voltooiing realiseerde: de barokke daken van de noordwestelijke hoektoren en van de westelijke vleugel, het barokke nog bestaande geveltje in de noordelijke gevel van het kasteel zijn ongetwijfeld op zijn rekening te schrijven, en ook de zuidelijke stalvleugel met bouwjaar 1621 in de zuidergevel. De schuur moet door zijn voorgangers zijn aangevat, - een gevelsteen met "Erardus Perseus a Rivis nae lijden verblijden Gonne bij godt 1584' (9) kan in die zin worden geïnterpreteerd - en vermoedelijk door hem zijn voltooid, getuige het onvolledig geworden jaartal 16.5 in de schuurgevel. Het goed, omringd door boomgaarden, bezit in 1640 de voor die tijd obligate neerhof-opperhofstructuur. Een beekje voedt de kasteelgrachten, de hele site en ook de eilandtuin. Twee dreven, één uit het zuiden, één uit het oosten, leiden naar het eerste poortgebouw; ook vandaag ligt op deze plaats de toegang tot het domein, nu echter via een 19de-eeuws inrijhek. De toegangspoort staat op een eiland, bestaande uit een vijfhoekig, ongeordend voorplein en een aangelegde, rechthoekige parterretuin. Het voorplein - vermoedelijk ook oefenveld te oordelen naar de constructie in de oostelijke hoek (misschien wel een 'doelberg' voor boogschieting) — is aan de oosten zuidzijde beveiligd door gekanteelde muren met twee hoektorens (de oostelijke eveneens gekanteeld) en wordt doorsneden door drie paden, die de drie looprichtingen aangeven. Het breedste pad eindigt bij een kleine omtuining (mogelijk een sas voor het vee), die de ophaalbrug van het tweede poortgebouw voorafgaat en de toegang is tot het kasteel, via het neerhof. Het tweede pad, voert over een brug met ophaalhek naar een kleinere tuin, onregelmatig van vorm. Onregelmatige plantenbedden, een groenprieeltje, een omtuind centraal pad en een poorthekje naar de boomgaard kenmerken deze kleine (moes)tuin op het 'vasteland'. Ernaast ligt een over de gracht gebouwde duiventoren. Het smalste pad buigt af naar een hek in de
haag van de grote parterretuin. De grote tuin op het eiland is omhaagd en heeft vier gelijkaardige groenprieeltjes in de hoeken en acht omhaagde, vierkante parterres, ieder beschaduwd door een in de buitenrand opgesteld boompje. Snoeivormen op de kruising van de dwarse tuinpaden en een centraal groenprieel begeleiden het hoofdpad naar het bakstenen paviljoen achteraan in de tuin. In de westelijke tuinmuur geeft een hek uit op de kasteelvijver (vertrekpunt voor bootjevaren ?) en de uitsprong in de noordwestelijke hoek van de tuin vertoont een U-vormige muur (van een kweekkas, oranjerie of een bergplaats ?) en daarnaast een hek naar de grote boomgaard die het kasteel omringt. Deze tuinaanleg is conform aan die op 17de-eeuwse schilderijen en gravures die het landleven, de lente of de prille liefde als thema hebben: in dienst van nut, sier én vermaak en met alle geijkte elementen (10). Slechts één typisch ingrediënt ontbreekt, de bersauwen of loofgangen - houten constructies waarover men klimplanten leidde. De gebouwen beantwoordden aan de in de feodaliteit gewortelde neerhof-opperhofopstelling: een ophaalbrug in het tweede poortgebouw leidt eerst naar het neerhof en vandaar naar een deels vaste, deels ophaalbare brug van het waterkasteel. Het poortgebouw is een complex geheel met het karakter van een voorburcht, waarin ook één der drie hoektorens van het neerhof is opgenomen; de twee
V:u^ ÜJ. C\ar<ciL lit, j£tm*
andere staan op de hoeken van de westelijke schuurgevel. Vandaag staat op deze plek een veel eenvoudiger poortgebouw, dat uit het einde van de 17de eeuw dateert en bij een restauratie einde 19de eeuw werd ingekort. Ook de L-vormige stalvleugel en de schitterende schuur bestaan beiden nog steeds, al verloor de schuur haar zuidwestelijke toren. Vandaag zijn de ring- en slotgrachten gedempt en er valt in het kasteel een globale versobering te noteren van de toegang, de torens en de daken. De oorlogen van Louis XIV in de jaren 1676-1681 hadden het kasteel beschadigd en bij het daarop volgend herstel werden de verouderde defensieve bouwelementen weggelaten en werd een eerste aanpassing doorgevoerd aan de veranderde tijden.
EEN VERSOBERING THDFNS DF ACHTTIENDE FFUW Met uitzondering van de eigenaardige bedaking boven de westelijke vleugel, was de architecturale versobering al een feit in 1740, toen Remacle Leloup zijn tekening van Heers maakte. De beschrijving in Les Délices du pais de Liége, waarvoor ze gemaakt werd, spreekt voor zich: "...De grootsheid en schittering van dit kasteel gaan gepaard met vele voordelen: het ligt temidden van een ruime gracht
(re
Het kasteeldomein
iu/h'uj
van Heers rond
kun
1740: de parterretuinen zijn uitgebreid naar het noorden en de architectuur, vooral van de beide poortgebouwen is versoberd (De tekening van Remacle Leloup,
§ÊÊÊÊ?jk
Liège, Bibliothèque Chiroux-Croisiers. Salie Ulysse Capitame)
^>—-
i-i.
•
•-—
•
M&L
vol water, met tuinen, boomgaarden, weiden en vijvers waarvan het heldere en klare water vele ongehoord dikke vissen voedt. De ringgracht zelf is omboord met een groot aantal mooie bomen, wat van de wegen schitterende wandelingen maakt. Eén van deze lanen strekt zich naar het oosten uit, richting platteland via een poort die verdedigd wordt door twee kleine torens in een gekanteelde muur. Een tweede gracht omringt de muren van het neerhof, düt zeer groot is en goed uitgerust in functie van de rijke oogst van de uitgestrekte en vruchtbare gronden die er van afhangen. Een coupure van deze gracht scheidt ze van het kasteel dat met het neerhof is verbonden door een derde brug naar de poort van een vierkante binnenkoer van wel 70 a 80 voet breed. Twee zijden van het binnenhof zijn omsloten door een ruime woonvleugel in L-vorm, waarvan de appartementen elk gelijkaardig kasteel in het Land van Luik overtreffen in opper-
st kaart van
situatie van het
Ferraris
kasteeldomein
1774-1775) met de In Heers
• De I8de-eeuwse zichtas bleef in het landschappelijk park behouden (Sint-Truiden, Archief Monumenten en Landschappen. Opname van 1968)
vlakte, schikking en uitrusting. De dienstvertrekken doen dat zo mogelijk evenzeer, dankzij hun grootte en degelijkheid en door de elegantie van hun constructie en distributie. De beide andere zijden van de binnenkoer zijn gesloten door vleugels met een bogengalerij eveneens beantwoordend aan de regels van schoonheid en geschiktheid en ze zijn bekroond door drie kleine, symmetrisch geplaatste koepels als antwoord op de twee grote en zeer solide torens die de rest van het gebouw flankeren. Van uit deze hoge torens geniet men van het vergezicht over de velden met hun vruchtbare akkers en weiden, afgewisseld met dichte bosjes. De vlakte is ook doorsneden door een steenweg naar Brussel, die omzoomd als hij is door lijnrecht geplante bomen, er eerder uitziet als een wandeling dan als een openbare weg". Leloups tekening bevestigt de schildering van Roy, maar de beide poortgebouwen (dat van het neerhof en dat van het kasteel) werden erg vereenvoudigd. Ook wat de tuinaanleg betreft is de herkenning groot, vooral in het beboomde voorplein met zijn twee poortjes naar de tuinen aan de zuid- en noordkant. De oostelijke parterretuin werd uitgebreid naar de noordzijde, waar voorheen een boomgaard lag en waar zich vandaag het kasteelpark uitstrekt.
De Ferrariskaart (1774-75) is voor Heers erg nauwkeurig, bevestigt de gegevens van de iconografie en reveleert meer over de ligging en structuur van het domein. Het lag — en ligt nog steeds - ten noorden van zowel de dorpskerk als van de nieuwe steenweg naar Luik, die sedert 1717 de oude verbindingsweg door het dorp verving. De inplanting bij bronnen en in het moerassig gebied van de Heersebeek, een bijbeek van de Herk, verklaart de aanwezigheid van meerdere vijvers die samen met boomgaarden de omgeving van zuidoost tot zuidwest bepalen. De tuinen liggen, zoals bij Leloup, aan de noord- en oostzijde en de plattegronden van kasteel, neerhof en gracht zijn zoals in de 17de eeuw. Een korte dreef loopt naar de zuidelijk gelegen dorpskerk en een langere vertrekt oostwaarts en splitst zich, bij de Kapel van de Houten Lieveheer om als simpele landweg verder te lopen in de richting van de oude weg naar Luik. Deze beide dreven waren er al in de 17de eeuw en de kapeldreef bestaat nog steeds. Ten tijde van Ferraris eindigt het kasteeldomein bij de grens met Veulen (Fologne) op een bosje dat het eindpunt vormt voor een centrale as, een kenmerk van de klassieke aanleg van die dagen. Deze as vertrekt bij het kasteel, is waarschijnlijk gericht op de erker met balkon in de noordelijke vleugel, volgt het middenpad in de parterretuin en eindigt als centraal bospad. O p een foto van 1968, toen het park nog werd onderhou-
:i
den, is deze as, ook na de verlandschappelijking van het domein, duidelijk waarneembaar. In realiteit loopt hij niet haaks zoals bij Ferraris, maar schuin. Philippe de Corswarem (1759-1839) kende het kasteel nog voor de wijziging in de aanleg. O p zijn tekening is het nog steeds een waterkasteel, - de hoektorens verloren echter al hun barokke bekroning - dat nu via een brug op hoge, houten poten rechtstreeks (niet langer via het neerhof) verbonden is met de vroegere eilandtuin (niet zichtbaar op de tekening). Dat is al een uiting van veranderde tijden - net zoals de vele, hoge classicistische ramen zonder kruisen die volop licht binnenlaten —, teken zijn van een ander, gewijzigd levenspatroon. Deze verandering zal volledig voltrokken zijn als Charles Stanislas de Wal als bewoner van het kasteel zijn twee tekeningen van Heers in 1828 maakt.
WFINIG VERSTOORD, WEL ANDERS IN DE 19DF FFUW O p 4 april 1830 werden, zo noteerde landmeter eerste klasse A.J. Modave op de kadastrale verzamelkaart (12), de opmetingen voor de gemeente
T De twee woon-
(foto uit 1942,
vleugels van het
Archief Monumenten
kasteel vanuit het
en Landschappen
noordoosten
Sint-Truiden)
279. De parterretuinen werden vervangen door een aanleg in landschappelijke stijl, getuige de vorm en het grondgebruik van de percelen ten noorden en ten oosten van het kasteel: het voorplein (perceel nr. 276) staat nu als lusttuin genoteerd en een brug over de aanpalende vijver (perceel nr. 264) leidt naar een niet genummerd perceel (vandaag een ruim grasveld), omringd door vijvers (perceel nr. 262, 260, 267) en lustbos (perceel nr. 259 en 265), waarop een paviljoen (perceel nr. 263) is gebouwd, dat vandaag weliswaat verbouwd, nog bestaat. Het smal perceel lustbos (nr. 265) rond een blijkbaar omhaagd perceel (nr. 266), dat in de kadastrale legger als tuin is genoteetd, wijst eveneens op een landschappelijke hertekening. Verder zijn de percelen nr. 271 (de strook ten zuiden van het neerhof) en nr. 280 als tuin (dus nutstuin) genoteetd. Eigenaar van al deze percelen, inclusief het bakhuis (perceel nr. 278) en het hooiland (perceel nr. 268) tussen de twee grootste vijvers, die samen een schitterend, vroeg landschappelijk park moeten hebben gevormd, is volgens de kadastrale legger van 1844, baron Stanislas de Wal uit Brussel. Heers was het erfdeel van zijn echtgenote, Eugénie de Stockhem (1797-1883, gehuwd in 1819). Naast het kasteeldomein behoorden daartoe ook verschillende percelen bouwland, weide, schaapsweide en de kapel van de Houten Lieveheer (sectie B perceel 276), gelegen aan de overkant van de straat. In totaal telde het kasteeldomein toen een 70-tal ha, wat in 1920 zal oplopen tot ongeveer 121 ha. Het verlandschappe-
vóór 1830
lijkt kasteeldomein
(Hasselt, Archief van
op het Primitief
het kadaster)
kadaster van
Heers beëindigd. Ook op het Primitieve kadasterplan is het kasteeldomein probleemloos herkenbaar en toch is er een fundamentele wijziging: de omgeving van het kasteel werd verlandschappelijkt. Het domein ligt tussen de Broekstraat (de huidige Vijverstraat, parallel met de beek) en de 'weg van Looz naar Waremme' (de huidige Nieuwesteenweg van Borgloon naar Borgworm). De plattegrond der gebouwen (kasteel: perceel nr. 274; neerhof: perceel nr. 273; poortgebouw: perceel nr. 275) is amper gewijzigd, maar de kasteelvijver en de neerhofgracht zijn grotendeels gedempt of tot een vijver gereduceerd (perceel nr. 264) en de overige grachten en vijvers verloren hun strakke vormen voor golvende lijnen. De boomgaarden uit het Ancien Régime herkent men in de percelen nr. 270, 272 en
Het nog jonge
a 25 |aar
royaume des
kasteelpark van
(Lithografie van
Pays- Bas, 1825)
Heers uit het
Madou in J. DE
(opname Kris
noorden met bomen
CL0ET, Voyage
Vandevorst)
met ouder dan 20
pittoresque dans Ie
De attributen van de Tmnkunst in stucwerk op de schouwmantel van de grote salon (foto uit 1989. Archief Monumenten en Landschappen, Sint-Truiden)
EEN NIEUW INTERIEUR, EEN NIEUWE TUINAANIFG Toch waren zij niet de opdrachtgevers voor de landschappelijke aanleg. Dat was naar alle waarschijnlijkheid Eugénies vader baron Charles F r a n c i s de Stockhem (1763-1839), burgemeester van Heers. De gravure van Madou gepubliceerd in 1825 (13) en de twee tekeningen respectievelijk uit het noorden en uit het oosten, die de Wal (14) zelf in 1828 van het kasteel maakte, tonen immers onmiskenbaar een landschappelijk park met populieren die niet ouder kunnen zijn dan 20 - 25 jaar. Toen Willem I voor zijn Verenigd Koninkrijk der Nederlanden notabelen zocht om over de nieuwe grondwet te stemmen, werd baron de Stockhem van Heers door zijn commissarissen gunstig geëvalueerd. In 1814 zo meldden ze, is hij "51 jaar en gehuwd, hij heeft twee kinderen en een jaarlijks inkomen van 20.000 florijnen, hij staat bekend om zijn goede principes, is eerlijk en wordt geacht". Een jaar later luidt het dat hij "zacht is, geleerden van een strenge rechtschapenheid. Hij wordt hooggeacht. Hij behoort tot de meest onderlegde edelmannen van het land en verenigt alle kwaliteiten in zich. Hij oordeelt juist en met gezond verstand" (15). Zijn vader baron Nicolas Erasme (1723-1795) de Stockhem moet het kasteel hebben hersteld - toen ook moeten de kruisen uit de meeste ramen zijn gehaald en de steekboogvensters in de erker van de noordgevel zijn gestoken —, maar het aandeel van zijn zoon Charles Francois van Stockhem in de 'modernisering', zoals een notitie van 1897 het formuleert (16), moet niet gering zijn geweest. Hij liet de ophaalbrug afbreken en de kasteelgracht dempen, een modernisering die hij ongetwijfeld afrondde met
Het nog jonge park
de grachten en een
nieuwe relatie met
in landschappelijke
nieuwe trap in de
de omringende
vijver naar het kasteel
stijl in 1828
oostgevel maken
natuur. Onder: zicht
(Sint-Truiden,
getekend door
het park recht-
vanuit de noordelij-
Privé collectie)
Charles Stanislas de
streeks toegankelijk,
ke zichtas over de
(opname
Wal. Demping van
een uiting van de
landschappelijke
0. Pauwels)
M&L
de aanleg van een park in landschappelijke stijl. De nieuwe aankleding van de salons, door zijn vader aangevat moet hij verder hebben gezet en in empirestijl hebben voltooid. Een notitie in J. De Borchgrave d'Altena (17) dateert de vernieuwing van het interieur in de jaren 1780-1790 (1770 is aannemelijker)(18) en noemde de stijl terecht een overgang van Louis XV naar Louis XVI. De verfraaiing gebeurde niet enkel met stucwerk, want het kasteel bezat ook twee beeldhouwwerken in brons, gesigneerd door de Luikse beeldhouwer Guillaume Evrard (1709-1793) (19). Naast een mooie trap met smeedijzeren leuning, evenwichtig rocaillewerk, classicistische ornamenten en iets jongere decors in empirestijl, bezit het kasteel - we baseren ons op de Borchggrave - op het gelijkvloers twee salons met stucwerk en een grote zaal op de bovenverdieping. De eerste, groene salon heeft putti in medaillons, siervazen met bloemen, met linten geknoopte festoenen en op de muren zichten op tuinen en kastelen. In de tweede, grijze salon zijn de medaillons voorzien van antieke ruïnes, zuilen en portieken, arcaden en met groen begroeide hoofdgestellen, attributen verwijzend naar de Schone Kunsten en de Liefde. De supraporte van de grote zaal zijn versierd met attributen van de Muziek (hoorn, fluit, viool), van de Kosmografie (wereldbol, maansikkel, kompas, zeilschip) en van de Architectuur (plan, winkelhaak, kapiteel, hamer) en van de Schilderkunst (palet, penseel, passer, ezel). Aan een halfronde nis met faiencekachel op de smalle zijde, beantwoordt aan
• De noordelijke
de nog jonge
zichtas van op de
bomen die de as
Ferrarlskaart bleef
begeleiden
na de vernieuwing
(Foto begin 20ste
van het park
eeuw, Archief Monu-
midden 19de eeuw
menten en Land-
behouden, getuige
schappen)
de overzijde een marmeren haard met op de schouwboezem de trofeeën van de Tuinkunst in stucwerk: tuinbenodigdheden als spade, rakel, gieter, snoeimes en in medaillons manden met fruit en groenten. Beantwoordden deze uitgekozen disciplines aan de specifieke belangstellingssfeer van Nicolas Erasme de Stockhem? Interesse voor de wetenschappen, de schone kunsten én de tuinkunst hoorde einde 18de eeuw zeker tot de belangstellingssfeer van onderlegde, ontwikkelde en gefortuneerde edelmannen. Dat de Tuinkunst een voorname plaats in de iconografie van de salons inneemt, zal zeker niet toevallig zijn. Tussen de tekeningen van de Wal, 1828 gedateerd, met de noordelijke gevel van het kasteel en de gepubliceerde gravure van Madou is er, op de figuur op de voorgrond na, geen verschil. Beide illustreren het belang van de vorm en de hoogte van de populieren in het park, als begeleiding van de reeds gesignaleerde zichtas, maar ook struiken, treurwilgen en coniferen spelen een rol in de aanleg. Coniferen stonden er ook bij het wandelpad dat aan de oostgevel vertrok, getuige de Wals tweede tekening. Die toont van op de straat, waar twee koehoedstertjes passeren, het kasteel in zijn park met op de voorgrond de resterende, als vijver herziene oude ringgracht. De brug op hoge poten van de Corswarems tekening, is verdwenen - de gracht bij het kasteel is immers gedempt — en in de plaats kwam een bordes met trap naar het wandelpad dat hier vertrekt: een mooie illustratie van een andere relatie tussen het kasteel, de bewoners en het park dan in de 17de eeuw. O p 30 mei 1841(20) beschrijven de schatters van het kadaster het kasteel als "vast ingerigt, van een tamelijke oude schoone bouwkunde, samengesteld uit drie vleugels, gebouwen, wooning, koetshuis en stallingen die eene zeer groote vaste plaets uitmaken; twee schoone gevels naer de gemeente waerts en het veld, de onderste verdieping is samengesteld uit verscheidene zaelen, eetplaetsen, kabinetten en voorkamers, hebbende voor toegang drie gangen, drie trappen, waervan eenen tamelijken schoenen, leidende naer de eerste verdieping, alwaer men aenmerkt eenen schoonen ruimen zael, een groot getal vertrekken zeer welverdeeld, vereenigd alle de gemakken van het leven. De lusttoebehoorten zijn groot, veranderlijk en voordelig...". Deze evaluatie, die verder ook de fraaie ligging niet onvermeld laat, verschilt nauwelijks van de appreciatie van een eeuw eerder. De kadastrale mutaties noteren ook later in de 19de eeuw erg weinig veranderingen. Er valt in 1853
IVI&L
Het uitgebreid land-
van Veulen
schappelijk park
(Fologne)
van Heers op de
(Brussel, Nationaal
kaart van het
Geografisch
Depot de la guerre.
Instituut)
bovenaan het
(opname
kasteelpark
O Pauwels)
(21) een kleine uitbreiding op de grens met Veulen te noteren, ten koste van een drietal hoevetjes naast het lustbos (perceel nr. 258, plaatsnaam de Bagier) - het bos van op de Ferrariskaart - en de inname van een weg, geen zeldzaam verschijnsel in die jaren. Meestal staat dit in verband met de zware landbouwcrisis van 1845-1850. Nadien moet men ook de padenstructuur herwerkt hebben met ingewikkelder lussen eigen aan de late landschappelijke parkaanleg, zoals de kaart van het Depot de la guerre met de terreinopname van 1871 bevestigt. Dat er ook een verjonging van de bomen gebeurde, toont een foto van rond de eeuwwisseling met de noordelijke zichtas. De kaart (uitgave 1878) geeft een goed beeld van de ligging, de uitgestrektheid en de aanleg van het kasteeldomein, dat — op de gescheiden toegangen na — weinig structurele veranderingen onderging.
Men herkent de door kleurrijke struiken begeleide nieuwe, midden 19de-eeuwse lusvormige paden in het latere landschappelijk park, de talrijke vijvers, de grote in zes kwadranten verdeelde moestuin ten noordwesten van de gebouwen, de boomgaarden ten zuiden, het bosje op de grens met Veulen ten noorden en de oostwaartse dreef naar de "kapel van het kasteel", die nog bestaat en op latere kaarten kapel van de Houten Lieveheer heet. In 1882 (22) wordt een nu verdwenen T-vormig gebouwtje (een paviljoen gekombineerd met een ijskelder of misschien een badhuis?) in de beboste zone tussen de noordelijke vijver en het perceel tuin (nr. 266) kadastraal geregistreerd. In 1895 (23) wordt deze tuin vermoedelijk ommuurd of omhaagd en de rechthoekige vorm afgewerkt met een apsis op de noordzijde. O p dezelfde mutatieschets van 1895 noteert het kadaster de verdwijning van de kleinere vijvers — de slangvormige en de restant van de kasteelgracht (primitief perceel nr. 260 en 264), de inkrimping van de vijver bij het bakhuis (perceel nr. 277a), en het ontstaan van eilanden in de twee grote vijvers. Tegelijk worden alle percelen park samengevoegd tot één groot perceel (nr. 276a). Kort voordien, in 1887, had het kadaster (24) al een aanzienlijke 'verbetering' aan het kasteel vastgesteld. We interpreteren dat als een globaal herstel, immers op het oog merkt men restauraties uit die periode, onder meer in de toegangsvleugel van het kasteel en in het poortgebouw bij het neerhof. Men leest er immers aan de binnenzijde van de noordgevel ook het jaartal 1876 (25) en de wapensteen boven de poort van het kasteel combineert de schilden Desmaisières en de Wal. Dat er toen ook aanpassingen gebeurden aan de 19de-eeuwse levenswijze, resulterend in de huidige toestand, laat zich raden.
KASTEEL EN NEERHQF. OPRITTEN EN ERVFN, VANDAAG Het kasteeldomein, omringd door droge grachten, ligt nog steeds binnen zijn 17de-eeuwse grenzen, namelijk van noord naar west: de dorpskern van Veulen, de Nieuwesteenweg, de parochiekerk van Heers en de Vijverstraat. Naar het oosten klimt het reliëf lichtjes, het westelijk deel is nat, getuige ook de oude plaatsnaam Broek. De gedempte ringgrachten en kasteelvijver zijn nog merkbaar in het reliëf, dat ter hoogte van het kasteel plots sterk kan verschillen. Het oude voorplein van de 17de-eeuwse voorstelling is nu een beboomde voortuin (zie fig nr. 1) die
iv*#-
Hi ^t.-.:
.•ir ^
i-.-^WSJl
•
:
:;;
'
^
^
'—
ï
jc^wr^i
• «»*•#,
-
«^^..^
••••v
SSS*.-
IBHBHMBHBnBaHi De hoofdtoegang tot het kastceldomein van Heers vandaag (loto 0. Pauwels)
M&L
de noordelijk gelegen oprit naar het kasteel scheidt van de zuidelijk gesitueerde oprit naar het neerhof. Deze scheiding - een breuk met de klassieke neerhof-opperhofstructuur - , is op de primitieve kadasterkaart al een feit, al kregen de opritten geen eigen perceelnummer; de eerste is opgenomen in perceel nr. 276 (de voortuin), de tweede in perceel nr. 279 (een boomgaard). In de geschiedenis van kasteeldomeinen is de creatie van gescheiden toegangen een constante die meestal midden 19de eeuw te situeren valt, op het moment dat door het kapitalisme, rijkdom niet langer grondgebonden is en de sociale afstand tussen boer en heer ook ruimtelijk uitgedrukt wordt (26). In Heers gebeurde dit blijkbaar al met de vroeg-landschappelijke aanleg van vóór 1830, al is op de kaart van het Depot de la
guerre van 1878 deze splitsing nog niet duidelijk, in de uitgave van 1922 met de revisies op het terrein van 1886 en 1904 wel. De hoofdtoegang tot het kasteel, rechts beschaduwd door een plataan, ligt op dezelfde plaats als op de 17de- en 18de-eeuwse iconografie maar dateert in zijn huidig voorkomen uit de tweede helft van de 1 9de eeuw. De poort is vervangen door een smeedijzeren hek, zoals dat voor kasteeldomeinen vooral sedert het midden van de 19de eeuw gebruikelijk was. Het poorthek staat tussen elegante hekpijlers van blauwe steen met sokkel, schacht met ingediepte voegen, mooi geprofileerde deksteen en een bekronende, gelijnde en gepunte bol. Het wordt geflankeerd door twee vaste hekken die
TV
» "#
lager gelegen kleine diensterf in de noordwestelijke hoek. De oprit laat het poortgebouw via het neerhof links liggen, buigt dan af en klimt naar de toegangspoort van het kasteel. Het rechte deel van de oprijlaan wordt begeleid door een nu doorgeschoten haag van hoofdzakelijk bruine beuken (stamomtrek links 78 cm, rechts - lager gelegen 137 cm), die voorheen gedubbeld was door een rozenhaag (27). Ook de oude buxushaag achter de vaste afsluithekken is doorgeschoten.
De hoofdingang met
(foto begin 20ste
een tuinbeeld en
eeuw, Archief
sfinx vanuit het
Monumenten en
domein naar de
Landschappen Sint-
dreef
Truiden).
eindigen in stevige gemetselde massieven van witte natuursteen; het linkse exemplaar heeft nog de restant van een bekronende sfinks in terracotta. Mogelijk zijn deze twee massieven de overblijfsels van een oudere toestand. De vaste afsluithekken hebben ronde spijlen met lanspunten tussen dubbele regels met ringen, sierlijk krulwerk centraal geplaatst boven de onderste, en een reeks eenvoudige krullen onder de bovenste regel; ze staan op grote blokken arduin met sporen van een ouder hek. Het poorthek, van zware makelij, heeft ronde stijlen met acanthusknop, dubbele, gebogen bovenregels met ringen, ook een reeks krullen er onder, een enkelvoudige onderregel die via uitgelengde volutes verbonden is met de dubbele middenregels, eveneens met ringen; volutes aan de makelaar en krulwerk boven de middenregel verstevigen verder de ronde spijlen met lanspunt. De oprit naar het kasteel is eigenlijk grotendeels een aarden wal die het niveauverschil opvangt met het veel lager gelegen oostelijk deel van het park (de 17de-eeuwse parterretuin) en het eveneens veel
Het kasteel zelf combineert nog steeds het open karakter aan de binnenhofzijde met een gesloten buitenzijde, zoals op de tekeningen van Roy en van Leloup. Het is een bakstenen gebouw met drukke speklagen van zandsteen, twee bouwlagen op een hoge kelderverdieping, leien zadeldaken met trapdakvensters, belangrijke schouwlijven, loden pirons, sierlijke smeedijzeren bekroningen, zware vierkante hoektorens in de noordelijke vleugel (met kelders die nog tot het oudere in 1328 verwoeste huis behoorden), een barokgeveltje en een uitspringende erker met balkon in de parkgevel. Alle aanpassingen hebben de essentie van het kasteel ongemoeid gelaten, al verdween een toren in de zuidwestelijke hoek en werd de poortvleugel geamputeerd van zijn ronde torens. Ook het binnenhof behoudt de uitstraling van de renaissance, ondanks het classicistisch karakter van de reeks hoge vensters met achtruiters (al of niet met kleinere roedeverdeling). Alle gaanderijen — de bogen en zuilen hebben een verschillend model en zijn van natuursteen of van baksteen en zijn niet uit dezelfde bouwperiode — zijn nu dichtgemaakt zowel in de woon- als in de dienstvleugels en in de bovenverdieping van de oos-
• Het kasteel op een gravure van vóór 1913 (Archief Monumenten en Landschappen Sint-Truiden)
CHATEAU DE HEERi
il^S 1VI&L
telijke vleugel. De poortvleugel (die wel verschilt van de tekening van 1640, ook de zuidwestelijke hoektoren verdween) werd in de eerste helft van de 18de eeuw verbouwd en kreeg in de late 19de eeuw gerestaureerde kruisvensters met kleine roedeverdeling. De bovenbouw in lichte overstek is opgevangen door dezelfde bakstenen blindboogjes die ook de gevels aan de parkzijde kenmerken en nog laatgotisch geïnspireerd zijn. Verder is het binnenhof nu met betontegels verhard en doen de dienstvleugels als wagenhuis dienst. De nieuwe, deels gekasseide oprit naar het nu ongehoord verwaarloosde neerhof, vertrekt eveneens van de Nieuwesteenweg, laat het oude voorplein rechts liggen en buigt af naar een 19de-eeuwse poortdoorgang die in de zuidelijke stalveugel en naast de pachterswoning werd gecreëerd. Het neerhof zelf is gedateerd 16(?)5 op de schuurpuntgevel en 1621 op de zuidelijke stalgevel en heeft een in de 19de eeuw uitgebreid boerenhuis. Het wordt gedomineerd door de schitterende vijfbeukige langsschuur van 6 traveeën diep: eiken standers op bakstenen voet, dwarswanden deels van baksteen, deels in vakwerk met gedeeltelijk lemen vullingen; drie
poorten in de zuidelijke, één (latere) in de oostelijke gevel en talrijke 17de- en 18de-eeuwse inscripties in de zandstenen speklagen, en één oudere, reeds vermelde datumsteen 1584 met de naam van Erard Perseus (van Rivieren), slechts zichtbaar vanuit de aanleunende stalzolder. Een keermuur afgewerkt met hardsteen vangt het sterke niveauverschil op de westelijke zijde van de oprit naar het neerhof op. Het mooi, in een onregelmatig patroon gekasseide boerenerf beschrijft nog steeds dezelfde langgerekte vorm als in de 17de eeuw, maar de keermuur van de voormalige kasteelgracht is in de 19de eeuw opgetrokken tot een hoge scheidingsmuur, als tweede uiting van de afstand tussen de heren en hun pachters in de periode na het Ancien Régime. Het vrij grote niveauverschil (het gevolg van ophogingen na de sloping van de kasteelbrug en de creatie van de nieuwe toegang) laat zich aflezen in het getrapte beloop van deze bakstenen muur. Hij is afgewerkt met een ezelsrug van bakstenen en wordt onderbroken door een poorthek naar het erfje naast de schuur en door een hekje naar het voorplein van het kasteel. De poort, nu met metalen blindborden
• De verweerde
begroette,
De poortvleugel van
parkgedeelte, aan-
schilddragende leeu-
nu opgesteld op het
het kasteel na de
geduid met sier-
wensculptuur die
kasteelplein tegen
eind I9de-eeuwse
vazen op afgeknottc
minstens vanaf de
de scheidingsmuur
restauratie:
pilasters
17de eeuw al de
van het ncerhof
rechts onderaan de
(foto uit Kastelen In
bezoekers in het
(foto 0. Pauwels)
voormalige toegang
België, 1967)
kasteeldomein
naar het oostelijk
kant boerenerf, is gevat tussen hoge bakstenen pijlers met geprofileerde dekstenen van natuursteen (deels in slechte toestand). Het tweede, eveneens 19de-eeuws hekje van eenvoudig smeedijzeren spijl- en regelwerk met lanspunten en volutes die het klimmend beloop opvangen, is een doorgang voor voetgangers en wordt voorafgegaan door enkele traptreden; aan de kasteelzijde staat het in een rechthoekige omlijsting van blauwe hardsteen. Het voorplein van het kasteel, ter plaatse van de gedempte gracht, is nu niet meer dan een weinig geordende ruimte, gedefinieerd door het kasteel en de Z-vormige scheidingsmuur. Het wordt doorsneden door de nieuwe oprit naar de neogotische poort van het kasteel en die naar het lager gelegen diensterf in de noordwestelijke hoek, dat pas na de demping van de kasteelgracht ontstond. O p het voorplein, tegen de scheidingsmuur, werden enkele oudere elementen als relicten opgesteld: in de hoek met het poortgebouw staat een grote vierkante sokkel van witte en grijze natuursteen met een nu erg verweerd beeld dat we herkennen van de oude foto met de toegang naar het domein en dat naar alle waarschijnlijkheid een oud tuinbeeld is; verderop, een geamputeerde monolitische vierkante zuil van blauwe hardsteen met uitgespaarde hoeken en dieperliggende voegen met daar op een erg verweerde schilddragende leeuw, die mogelijk tijdens de 17de eeuw al de bezoekers bij de ingang van het goed verwelkomde; een beschadigde, klassieke vaasbekroning van witte natuursteen - een tweede exemplaar, gelijkaardig maar nog meer geruïneerd, ligt op het kleine diensterf. Deze beide vazen vonden we terug op een foto van de zuidergevel van het kasteel (28); tussen de oude haagbeukhagen van de oprit markeerden ze rond 1967 het pad naar de oostelijke zone van het park.
Het I9de-eeuws hek tussen het erf oostelijk van de
De scheidingsmuur eindigt in de noordwestelijke hoek op een laat 19de- eeuws hek dat de verbinding vormt tussen het kleine diensterf van het kasteel en het erfje oostelijk van de monumentale schuur. Het smeedijzeren hek - vierkante stijlen met acanthusknop, gebogen, dubbele bovenregels met liggende S-motieven tussen de ronde, op speerpunten eindigende spijlen, sierlijke krullen in omgekeerde Vvorm op de tussenstijl - hangt tussen twee hoge van baksteen gemetselde pijlers met natuurstenen dekstenen, van hetzelfde model en dezelfde makelij als het poorthek op het boerenerf dat eveneens naar dit gekasseid erf leidt. In de afsluitmuur van dit erf, tussen het kasteel en de schuur, leidde een derde poorthek naar het park en naar de nu verdwenen
moestuin; het hek werd uitgehangen - we vonden het in het park terug - , maar één der bakstenen pijlers, die de muur beëindigen, blijft, met zijn geprofileerde deksteen van natuursteen, overeind.
schuur en het diensterf van het
kasteel (foto 0. Pauwels)
Een kerkpad, dat de opritten naar het kasteel en naar de boerderij haaks kruist, vertrekt vanaf de oprijlaan naar het kasteel, laat het oude poortgebouw rechts liggen, loopt door de boomgaard (het primitieve perceel nr. 280) en leidt naar de kerk, het kerkhof en de grafkapel voor de familie Desmaisières. Aan de zijde van het kasteeldomein wordt dit pad afgesloten door een laat 19de-eeuws hekje voor kerkgangers, een eenvoudige constructie van vierkant stijl- en regelwerk met ronde spijlen
IVI&L
van de boomgaarden links en rechts, die onderbroken werden door een 'barrier' die nog bestaat: een exemplaar van bandijzer met getorste uiteinden uit de eerste helft van de 20ste eeuw, nu verroest en verwaarloosd.
HFT KASTFFLPARK VANDAAG Het kasteelpark strekt zich uit ten noorden van het kasteel, in de zuidelijke zone van het domein liggen voornamelijk verwaarloosde boomgaarden en in de zone oostelijk van het kasteel werden in de jaren 1980 nieuwe tuinen aangelegd, op de plaats van de 17de-eeuwse parterretuin.
• Het midden 19deeeuwse hekje van de kerkwegel naar het kasteel (foto Myriam Van den Broeck)
van smeedijzer. In de bakstenen kerkhofmuur eindigt de kerkwegel op een midden 19de-eeuws hek tussen twee verzorgde monolietpijlers met vierkante sokkel en uitspringende, gepunte deksteen van blauwe hardsteen; het hek is van smeedijzer en heeft vierkant stijl- en regelwerk met dubbele middenregel, ronde onderspijltjes en lanspunten op de spijlen met klimmend beloop, opgevangen door een liggende voluut op de bovenregel; een kruis bekroont de hogere makelaar. Voorheen liep deze kerkwegel tussen de beschermende meidoornhagen
Parallel met de droge gracht aan de Nieuwesteenweg - de oostelijke grens - loopt er een struiklaag van es, vlier, bruine hazelaar, Rosa rugosa, opslag van olm, haagbeuk en beuk - vermoedelijk deels restanten van wat eens een geschoren haag was. Ze vormen een groen scherm, slechts halfweg onderbroken door een rechtstreekse toegang tot het park over een gemetselde brug, wat tegelijk een boeiende doorkijk met zicht op het kasteel oplevert. O p de kaart van het Depot de la guerre was dit al het geval. Plaatselijk gaat de struiklaag over in de volwassen bomengordel van het park die op de noordelijke grens steeds dichter wordt. Ten westen, langs de Vijverstaat, wordt de grens van het domein gevormd door de Heesterbeek, die deels als overloop dient voor de twee grote kasteelvijvers. Hier vormen Gelderse roos, els en verderop, es en esdoorn de beschermende groene gordel.
Oe parkvijver naar De parkvijver naar
het zuiden
het noorden
(foto Myriam ïan
(foto 0. Pauwels)
den Broeck)
Het park is vandaag sterk verruigd, verwilderd, vol gestort met autowrakken - we telden er een twintigtal - en de meeste parkbomen zijn meer dan volgroeid of zijn zelfs pittoreske ruïnes geworden die over de vijvers hangen of het wandelpad versperren. Solitairen staan niet langer alleen, opslag teistert het ganse park en verstoort het grote grasveld en de zichtassen. Zorgvuldig opruimingswerk, enkele maaibeurten en oordeelkundige nieuwe aanplantingen van bomen en bloeiende struiken zouden echter volstaan om de structuur weer leesbaar te maken met boeiende en afwisselende zichten. De lusvormige paden uit het midden van de 19de eeuw, genoteerd in het noordelijke parkgedeelte zijn echter niet meer volledig aanwezig, wel kan men de door opslag verstoorde rondweg nog volgen. Hij loopt tussen de beide westelijke vijvers en heeft een aftakking rond het grote, licht geschulpte en langgerekte grasveld. Bij de splitsing werden twee notelaars aangeplant, recentere exemplaren dan de overige bomen in de omgeving, onder meer drie gewone platanen {Platanus x hispanica) links (265, 270, 280 cm) en twee bij het rechterpad (424, 434 cm) met zeer brede kroon. Langs deze paden staan regelmatig gewone taxussen (Taxus hacata), meestal oude exemplaren. De belangrijkste attractie van de wandeling moet de weidsheid van de geboden zichten zijn geweest, enerzijds over het grote grasveld, anderzijds over de grote wateroppervlakken. Bij het verste punt van de vijver en bij de ruïne van een boom staat de restant van een bank als bewijsstuk. Als onderbegroeiing komen sneeuwbes, aronskelk en klimop voor. Het grasveld zelf is de ruggengraat van de parkaanleg, de herwerkte lange as van op de Ferrariskaart. Dankzij deze open plek reikte — en reikt nog steeds, hoewel verstoord - een perspectief vanuit het kasteel ver in de groene natuur en had (en heeft men nog steeds) vanuit het park en over de vijver een aantrekkelijk zicht op de architectuur. Natuur én cultuur zijn allebei aanwezig. De twee uitgestrekte, door bronnen gevoede landschappelijke vijvers kenmerken de natte, westelijke zone van het domein. Door een langzame verlanding is de meest zuidelijke kleiner geworden. De kleinere vijvers zijn al eerder verland of gedempt. De wandelweg in het park biedt over de zuidelijke vijver een vergezicht op de parochiekerk en de dorpsbebouwing, voorheen begeleid door percelen boomgaard ten zuiden en ten zuidoosten, al worden bij gebrek aan onderhoud en vernieuwing de fruitbomen schaars. De dam tussen beide grote vijvers biedt naar het
fe ^* ^ MiXWiv
i$Êh.
De parkgcvel van het kasteel, met de hoektorens zonder de barokke daken, de erker met classi-
cistische ramen en het barokke geveltje als dakuitbouw (foto Myrlam Van den Broeck)
noordoosten een vergezicht naar het park en een panoramisch zicht naar het zuiden met de dorpskerk, de boomgaarden en het dorp. Van de tuin die ten noordwesten, tussen de noordelijke vijver en de schuur was ingericht, blijft geen spoor meer over. Wel bewaard is de ijzeren constructie van een meterslange kwartronde serre die in de moestuin van het neerhof in de 19de eeuw tegen de zuidelijke gevel van de stalvleugel werd gebouwd, maar die vandaag het merendeel van haar beglazing heeft verloren. In het oostelijk gedeelte van het park, ter plaatse van de parterretuin op de 17de-eeuwse prent (fig. 2) zijn er naar de heersende mode de jongste jaren nieuwe tuinen aangelegd met tuinkamers, gescheiden door hagen van beuk, haagbeuk en taxus. Het paviljoen dat hier op het Primitief kadasterplan werd genoteerd (perceel nr. 263) bestaat nog, al werd het recent uitgebreid zonder respect voor het oorspronkelijk fraai gebouwtje; het is bovendien omringd door een reeks van doe-het-zelfbijbouwsels van allerlei slag, van uiteenlopende bouwmaterialen en even gevarieerde functies (kippenhok, eendenren, vogelhuis, overdekte barbecue, houtzagerij, aluminium serres . . . ) .
M&L
Het portiek van het bruikt materiaal
De kapel van de
eind I8de-eeuwse
afkomstig van een
Houten Lieveheer,
tuinpaviljoen,
schouw
eindpunt van
vermoedelijk samen-
(foto Hyrlam Van
de dreef
gesteld uit herge-
den Broeck)
(foto 0. Pauwels)
Het paviljoen zelf, gebouwd einde 18de eeuw, is een rechthoekig gebouwtje van baksteen met een licht verhoogde begane grond en een schilddak (nu kunstleien), afgewerkt met een dubbele overhoekse bakstenen fries in de voorgevel; te oordelen naar de achtergevel hergebruikt het misschien wel een oudere kern. In deze laatste is zandsteen verwerkt voor de hoekkettingen aan de afgesnuite hoeken, de speklagen en de omlijstingen van de rechthoekige vensters en keldergaten; het oude houtwerk is voorzien van een mooie, ruitvormige roedenverdeling. De symmetrisch opgevatte voorgevel heeft een fraai marmeren portaaltje dat geflankeerd wordt door twee bepleisterde halfronde nissen voor beelden. Het portiekje is omwille van de verfijning van de vormen en de variëteit aan materialen (zandsteen, blauwe hardsteen en roze marmer) merkwaardig en wellicht is het samengesteld uit hergebruikt materiaal, bijvoorbeeld afkomstig van een renaissanceschouw uit het interieur van het kasteel dat toen nieuwe salons kreeg. De rechthoekige deuromlijsting van blauwe hardsteen heeft een breed halfrond beloop en draagt mee het kleine tongewelf van platte bakstenen van het portaal. Dat laatste is opgevat als een portiek met een hoog entablement van roze marmer afgewerkt met een
geprofileerde kroonlijst van blauwe steen, gedragen door twee pilasters met geprofileerde sokkel, postament en kapiteel van blauwe hardsteen en door twee Toscaanse zuilen, (later) geplaatst op vierkante hardstenen blokken en een gemetselde sokkel van baksteenmetselwerk. Vanaf de hoofdtoegang van het domein vertrekt nog steeds, zoals op de figuratieve voorstelling, een dreef oostwaarts, een constant gegeven in de geschiedenis van het kasteeldomein. Hij klimt als een deels holle aarden weg naar de kapel van de Houten Lieveheer. In de twee rijen van gewone beuken {Fagus sylvatica, 268 cm) en één gewone acacia {Robiniapseudoacacia) is hier en daar een exemplaar weggevallen (rechts 3 1 , links 42 beuken); desondanks is de dreef met zijn volumineuze kruinen een belangrijk aanwezigheid in het landschap van voornamelijk akkerland en (nu verwaarloosde) boomgaarden. De kapel is, als een I8de-eeuws paviljoentje, ingeplant op een kleine verhevenheid. Het is een vierkant gebouwtje met afgesnuite hoeken onder een leien koepeldak, gebouwd van baksteen met een bakstenen fries en een brede, rechthoekige deuromlijsting van blauwe steen, nu afgesloten met een hek; het bezat, te oordelen naar foto's uit de
De beukendreef
een constante in de
naar de kapel
geschiedenis van het
van de Houten
kasteeldomein
Lieveheer,
(foto 0 . Pauwels)
jaren 1942 (29) een mooi bepleisterd interieur dat nu is ingestort. De lamentabele onderhoudstoestand betekent een bedreiging voor het verder bestaan van de kapel, een wezenlijk bestanddeel van het domein. Tot midden 20ste eeuw kwam men hier vanuit Heers, Horpmaal en Veulen regen afsmeken tijdens perioden van droogte (30).
FPILQQG: HFERS EN HET DILFMMA VAN DE MONUMENTENZORG Heers blijft de monumentenzorger hoofd- en hartpijn bezorgen. Het kasteel is structureel goed bewaard, nog bewoond en de boerderij is verpacht en wordt uitgebaat als veebedrijf. De hoge graad van authenticiteit — de herinnerings- en de ouderdomswaarde om de woorden van Aloïs Riegel (Der Modernen Denkmalkultus, 1903) te gebruiken springt in het oog en de historische gelaagdheid is groot. Historische interieurs zijn nog aanwezig, de band met de dorpskern is nog duidelijk zichtbaar en het domein en het park liggen nog steeds binnen de oude begrenzing. Het geheel ligt er echter mistroostig bij. De dakbedekking is een zeef, gebroken ruiten worden al lang niet meer hersteld, ont-
vangstsalons zijn stapelruimten geworden. Van de lange stalvleugel is het dakgebinte ingestort. Eén van de mooiste en indrukwekkendste schuren van het land mist hele partijen dakpannen. Dat haar draagstructuur, reuzen van pijlers en bomen van balken, toch nog overeind blijft, dankt ze aan de grote ambachtelijkheid van haar bouwers en de uitzonderlijke kwaliteit van de materialen. Ook het kasteelpark heeft van de toestand te lijden: tuinbeelden vergaan, hekken roesten, parkbomen worden niet meer vervangen, gazons blijven ongemaaid, opslag overwoekert wandelpaden en doorzichten zijn belemmerd. De oorzaak van deze trieste toestand is gekend: een kasteeldomein van deze omvang door regulier onderhoud in stand blijven houden, veronderstelt financiële reserves waarover de huidige eigenaars niet beschikken. Achterstallig onderhoud is al decennia geleden gesignaleerd, toen al ontbraken de middelen en het verval schrijdt dus onafwendbaar verder. Onderhoudspremies, restauratiegelden van de overheid en fiscale aftrekbaarheid veronderstellen nog steeds een niet onaanzienlijke bijdrage van de eigenaars. De wetgever legt bovendien het initiatief bij hen en dat er daar onderling onenigheid heerst, maakt het er niet gemakkelijker op. Als
instandhouding faalt, voorziet de wet in uiterste nood onteigening, gevangenisstraf en geldboetes (31). We moeten het onder ogen durven zien: niets daarvan helpt Heers verder. Enkele jaren geleden zag het er een moment hoopvol uit: de Vlaamse gemeenschap zou het kasteeldomein kopen, maar plots kantelde dit lot voor Heers. Momenteel laait de hoop weer op en is de redding misschien nabij: de Afdeling Monumenten en Landschappen liet een 'herbestemmingsstudie' opstellen en een groep investeerders is in de aankoop geïnteresseerd. De monumentenzorg staat daarmee voor haar bekend dilemma: niet ingrijpen is het kasteeldomein en zijn waarden verliezen, ingrijpen en herbestemmen is waarden, zeker de ouderdomswaarde verliezen. Immers, het eindpunt van een lange geschiedenis is bereikt, de huidige bestemming, kasteeldomein van een familie, hoort bij een maatschappij en een levenspatroon die onherroepelijk voorbij zijn. De toekomst van Heers ligt in een herbestemming, ingegeven door nieuwe maatschappelijke noden. Maar het besefis groot dat een bouwwerf in functie daarvan de verdwijning betekent van de authenticiteit die in Heers in grote mate aanwezig is. Elke interventie, zelfs spaarzaam doorgevoerd, in ideale omstandigheden, met grote zorgvuldigheid en met aandacht voor de omkeerbaarheid - zoals de regels van de discipline het voorschrijven - , brengt een verlies met zich mee van een deel van de waarden die hierboven zijn opgeroepen. Kan men in deze context iets substantieels aanreiken aan de nieuwe eigenaars en hun ontwerpers, vanzelfsprekend vanuit de specifieke en unieke invalshoek als overheid: de zorg voor het onroerend erfgoed? Deze zorg is de reden van ons bestaan als Afdeling en het is een opdracht met een zware verantwoordelijkheid tegenover de gemeenschap. Die taak is: optreden vanuit het algemeen belang, waken over het monument zodat het, onverminderd in zijn materiële en niet materiële waarden, een plaats krijgt in het heden om het onaangetast, als kostbare getuige uit het verleden, een toekomst te bezorgen. Het verleden is in de monumentenzorg nooit voltooid, het moet aanwezig blijven, ook na herbestemming en herstel. Het anders zijn dan andere, nieuwe gebouwen moet afleesbaar zijn in zijn wezen en zichtbaar in zijn huid. Een oud gebouw zonder waarden en zonder betekenis is geen monument. Een monument is oud en ziet er navenant uit. Heers is, hoewel in privé-bezit ook óns erfgoed: "van algemeen belang omwille van de artistieke,
wetenschappelijke, historische ... waarde ...", zoals het decreet het in 1976 formuleerde. Die waarden zijn in vergelijking met nieuwbouw fameuze meerwaarden, waaraan een nieuw gebruik niet mag raken: het verleden, gematerialiseerd in de historische gelaagdheid, moet voort kunnen leven. Door voortdurende confrontatie met onroerend erfgoed met uiteenlopende waarden en betekenissen, onafgebroken geplaatst voor de problemen van de bescherming en het beheer, ontwikkelt men een automatische reflex die tegelijk noodzakelijk is, uniek en leerzaam. Deze reflex is complex en gekenmerkt door een historische invalshoek, gebaseerd op kennis en een ervaren oog, door een gevoel voor de aanwezige of potentiële kwaliteiten, door een vraag naar consistentie in de aanpak van gebouw, interieur en buitenruimte en door een roep om kwaliteit. Deze 'erfgoed-reflex' van de overheid overbrengen, anderen erfgoed leren zien, voelen en begrijpen met de specifieke ogen en kennis van de monumentenen de landschapszorg, is een belangrijke opdracht, een grote uitdaging. Voor eigenaars en hun ontwerpers is op deze reflex inspelen een nog grotere uitdaging. Het proces van zien, kennen, begrijpen, herbestemmen, gebruiken, bouwen en verbouwen (wat architectuur zou moeten zijn) is er het antwoord op.
EINDNOTEN (1) Dit artikel is een licht aangepast versie van de tekst geschreven voor de Inventaris Historische Tuinen en Parken van de provincie Limburg, waarvan collega landschapsarchitect Mytiam Van den Broeck mede-auteur is. De gemeente Heers zal samen met Alken en Borgloon (reeds voltooid), Kortessem en Wellen (in 2003 aan de beurt) het 3de Limburgse deel van deze inventaris uitmaken. Deel 1 (Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken en Sint-Truiden) kwam onlangs als M&L-Cahier nr. 8 van de pers. Het 2de deel zal de overige 13 gemeenten van het arrondissement Hasselt beslaan. (2) Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 14N4. Kanton Borgloon. Provincie Limburg. Arrondissement Tongeren, Turnhout, 1999, 220-349. (3) Bij besluit van de Regent, van 19 juli 1943 werd als monument beschermd: het kasteel, met inbegrip van de 'hoeve, de kapel der heren en de nog bestaande grafstenen'. Sedert 3 juli 1981: de pastorie, de Sint-Martinuskerk en het kasteel met omgeving, als dorpsgezichr. (4) In de Sint-Martinuskerk van Heers is zijn grafsteen en die van zijn echtgenote Antoinette van Crehin (tI613) bewaard, alsook de grafmonumenten van zijn vader Erard (tI582) en zijn broer Richard (tl613) van Rivieren en hun echtgenoten, respectieve-
DF BOMEN IN HET KASTEELDQMEIN VAN HEERS Myriam
Van den
We noteerden een terugkerend systeem van aanplanting van bomen: in een L-vorm die een solitair in de buurt begeleidt of een L-vorm die aangekondigd wordt door twee bomen links en twee rechts ervan. Verder valt de beperkte soortenrijkdom op, dat veel exemplaren over hun hoogtepunt zijn en dat het bomenbestand weinig of geen dendrologisch interessante soorten telt. De belangrijkste boomsoorten zijn gewone beuk (Fagus sylvattca), gewone plataan {Platanus x hispanica) en gewone es {Fraxinus excelsior). Langs de Nieuwesteenweg ter hoogte van de inrijpoort naar het kasteel: een mooie solitaire gewone plataan {PlatanusXhispanica) (340 cm); ten zuiden van de inrijpoort naar het kasteel: een smalbladige es met een beschadigde en ijle kroon (Fraxinus angustifolia); aan het begin van de volwassen bomengordel richting Veulen: een monumentale bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea') (480 cm) en een tweede recent omgewaaid exemplaar; ten noorden, langs het gazon, een monumentale solitaire bruine beuk {Fagus sylvatica 'Atropunicea), in de volwassen bomengordel, langs de Nieuwesteenweg, op regelmatige afstand een vijftal gewone beuken {Fagus sylvatica) (268, 291,291, 423 en 341 cm). In het tuintje ten zuiden van de boerderij: een solitaire okkernoot {Juglans regio); langs het kerkpad tussen de opritten naar het kasteel en de boerderij: een monumentale gewone plataan (Platanus X hispanica).
Broeck
{Fagus sylvatica) (maximaal 343 cm); op de dijk tussen de twee vijvers, een solitaire treurwilg (Salix alba 'Tristis') (300 cm); een groep vitale bruine beuken, aangeplant in een L-vorm {Fagus sylvatica Atropunicea') (288, 283 en 260 cm); een solitaire grootbladige linde {Tilia platyphyllos); Italiaanse populier {Populus nigra 'Italica'); verder langs het wandelpad in noordelijke richting, op de splitsing, twee monumentale gewone platanen {Platanus X hispanica) (434 en 424 cm), tussen het wandelpad en de vijver een groepje van gewone taxus en es (Taxus baccata en Fraxinus excelsior); een solitaire bruine beuk {Fagus sylvatica Atropunicea) (240 cm); een groepje van gewone beuken, links en rechts van het wandelpad {Fagus sylvatica) (410, 375, 375 en 375 cm); een groep gewone platanen, op rij, langs het gazon {Platanus x hispanica) (maximaal 395 cm); op de splitsing van het wandelpad: een monumentale solitaire gewone plataan, met een vertakking op 3 meter hoogte in drie stammen {Platanus x hispanica) (551 cm); een groep van drie gewone platanen op rij, langs de oever van de vijver {Platanus x hispanica) (maximaal 415 cm).
In L-ïorm geplante parkbomen begeleiden de rondweg en duiden de kruising met een wandelpad aan ((oto 0. Pauwels)
Ten noorden van de afsluitmuur van het erf tussen het kasteel en de schuur, een groepje met een zeer hoge gewone haagbeuk (Carpinus betulus) (240 cm) en drie gewone platanen op een rij (Platanus x hispanica) (332, 400 en 254 cm); langs het wandelpad in westelijke richting: een monumentale solitaire gewone beuk {Fagus sylvatica) (534 cm); een groep van vier gewone taxussen (Taxus baccata) (200 cm); een groep van drie gewone platanen {Plantanus X hispanica) (280, 270, 265 cm); langs de perceelsgrens van de vroegere moestuin: een groep paardekastanjes {Aesculus hippocastanum) (230 cm); een vitale groep van een vijftal gewone beuken, links en rechts van het wandelpad, begroeid met klimop
IVI&L
lijk Johanna (11587) en Antonia van Merode (tl609). Twee
Garten und Hófe der Ruhenszeit, Tentoonstellingscatalogus,
koperen grafplaten van Gerard van Heers (11398) en van zijn
München, 2000, p. 68-71.
oom Jan van Heers (f 1332) werden door de kerkfabriek verkocht
(11) P.L. DE SAUMERY (?), Les délices du pais de Liége, deel 4, Luik,
en bevinden zich nu in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel. C. DE BORMAN, Notice historique sur
1744^.245-246. (12) Hasselt, Archief van het kadaster. Het kasteeldomein ligt op
la seigneurie de Heers, in Le Beffroi, 1863 nr. 1, p. 23-60. (5) Met dank aan notaris F. Aumann die ons voor ernstige fouten
sectie A enig blad. De legger dateert van 1844. (13) J. J. DECLOET, Voyagepittoresque dans le royaume des Pays-Bas,
behoedde en ons genealogische gegevens doorspeelde. Annuaire
deel 1, Brussel, 1825.
des chateaux de Belgique 1897-1898, p. 43, p. 44. Annuaire de (14) Met dank aan notaris F. Aumann. la noblesse de Belgique 1872, p. 97, 250. O. COOMANS DE (15) F.G.C. BETERAMS, The high society belgo-luxembourgeoise au BRACHENE, Etatprésent de la noblesse beige. Annuaire de 1999,
déhut du gouvernement de Guillaume Ier, roi des Pays Bas (1814-
Deel 1, Brussel, 1999, p. 70-73.1. DE STEIN D'ALTENSTEIN,
1815), Wetteren, 1973, p. 384 en 441. Niet hij maar zijn broer
Annuaire de la noblesse de Belgique, Brussel, 1878, p. 327-328.
Francois Joseph (1770-1845), kasteelheer in Kermt bij Hasselt,
Etat présent de la noblesse du royaume de Belgique. Deel 5, Brussel,
werd benoemd en was van 1818 tot 1829 lid van de tweede
1962, p. 44-45. La noblesse beige. Annuaire de 1898, deel 1,
kamer van de Staten Genetaal, nadien lid van het Nationaal
Brussel, 1898, p. 158-162. G. BOES, Onuitgegeven nota ter
Congres en van 1831 tot 1835 senator. Mogelijk werden beide
inleiding van de bescherming 5 augustus 1942 (Sint-Truiden,
broers verward en slaat het citaat wel op deze laatste.
Archief Monumentenen Landschappen). Bouwen door de eeuwen (16) Annuaire des chateaux de Belgique, 1897-1898, p. 44. heen ..., deel 14N4, o.c, p. 221-229. J. DARIS, Notices sur les (17) J. DE BORCHGRAVE D'ALTENA, Decors anciens d'inténeurs églises du diocese de Liége, deel 6, Luik, 1871, p. 35-67. C. DE mosans, deel 2, Liége, s.d., p. 115-117. BORMAN, Chronologie historique des seigneurs de Heers, in(18) Met dank aan notaris F. Aumann en aan collega Serge Defresne. Bulletin de la société scientifique et litteraire du Limbourg, 1859, (19) Met dank aan notaris F. Aumann, die signaleert dat hij in de gang p. 4-30. Livre d'or de l'ordre de Leopold, deel 1, Brussel, p. 401. S. van het kasteel de aanwezigheid noteerde van twee bas-reliëfs met VANDEVELDE, Enige kanttekeningen bij de modernisering van
putti, gesigneetd "Evrard a Liége". de rijksweg Luik-Sint- Truiden en de sloping van enkele oude gehou(20) Hasselt, Archief van het kadaster, Bundel Voorbereidend werk wen te Heers, in Limburg, 1958, p. 31-40. tot de schatting. Tabel. Perceel 274.
(6) Annuaire des chateaux de Belgique 1897-1898, p. 44; restauratie (21) ld., opmeringsschets 1853, nr. 11. 'dans le style de la construction primitive'.
(22) ld., opmetingsschets 1882, nr. 1.
(7) J. DE BORCHGRAVE D'ALTENA (ed.), Kastelen in België, (23) ld., opmetingsschets 1895, nr. 11. Brussel, 1967, p. 109, als 18de-eeuws genoemd, overgenomen in
(24) ld., artikelsgewijze legger, artikel nr. 132, perceel nr. 274.
L. F. GENICOT (ed.). Het groot kastelenboek van België. Deel 1, (25) Jaartal gesignaleerd door M. VANDERAUWERA, o.c, p. 57. Brussel, 1976, p. 142-43. M. VANDERAUWERA, Lagrange du chdteau-ferme a Heers, eindwerk Centrum Lemaire, KULeuven, 1997, p. 29. We danken deze beide laatste auteurs voor het delen van hun kennis en de laatste bovendien voot het ter beschikking stellen van zijn documentatie. (8) P. CNOPS, Het tekenalbum van baron S. de WaldeBaronville, in
(26) C. DE MAEGD, R. DENEEF, De inventaris tuinen en parken in het Vlaams gewest, in De woonstede, nr. 134, juni 2002, p. 22. (27) Mededeling van de heer Marcel Moens, voormalig werkman van het kasteel, waarvoor dank. (28) J. DE BORCHGRAVE D' ALTENA (ed.). Kastelen in België, Brussel, 1967, p. 110.
NBB, oktober 1975, p. 5-25. Met dank aan notaris F. Aumann
(29) Illustraties bij G. BOES, o.c.
die ons op dit artikel wees.
(30) Bouwen door de eeuwen heen ..., deel 14N4, p. 229.
(9) M. VANDERAUWERA, o.c. Mogelijk te begrijpen als: "Door
(31) Art. 4 van de Wet van 7 augustus 1931 op het behoud van
Erardus Perseus, na lijden komt immers verblijden, begonnen in
monumenten en landschappen, gewijzigd bij decreet van 14 juli
het jaar des heren 1584". Deze steen behoort echter tot de zuide-
1993. Art 13 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming
lijke puntgevel van de 15de-eeuwse schuur die in de huidige begin
van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten, gewijzigd bij
17de-eeuwse schuur is blijven staan en wordt verborgen door het
decreet van 22 februari 1995.
dak van de later verhoogde stal. Vermoedelijk is de inscriptie dus later in de steen aangebracht, namelijk bij de voltooiing van de Chris De Maegd is kunsthistorica en werkt als consulente onroerend erfgoed bij de Afdeling Monumenten en Landschappen. Zij was verdraagt. Ze werd van noord naar zuid gebouwd, of tenminste de telantwoordelijk voor de redactie van de eerste inventaris 'Historische merken op de spantbenen zijn van noord naar zuid genummerd. tuinen en parken van Vlaanderen - Limburg' (verschenen in oktober Erard Perseus was een natuurlijke zoon van Erard van Rivieren die 2003). in 1582 stierf, en Richard van Rivieren (tl613) was zijn oudste Mynam Van den Broeck is landschapsarchitecte en werkt als broer en vader van Hendrik (1594-1656); zie voetnoot 4. consulente onroerend erfgoed bij de Afdeling Monumenten en (10) Zie C. DE MAEGD, Was wachst undgedeiht, was spielt und balgt Landschappen. schuur die het onvolledig bouwjaar 16.5 in de schuurpuntgevel
befreit. in Garten aus Rubens Zeit '., in U. HAERTING (ed.).
Jo Bracken
SCHOONHEID VAN DYNAMO EN SUNBEAM. DE LUCHTHAVEN VAN DEURNE, EEN VERGETEN PIONIER De luchthaven, algemeen beeld
De luchthaven stedelijke
van Deurne behoort
luchthavens
tot de groep
van de tweede
die in de loop van de jaren
generatie,
1930 in de belang-
rijkste Europese centra werden opgericht werk voor de expanderende Bij zijn ontstaan
burgerluchtvaart.
beantwoordde
aan de meest vooruitstrevende moment
als net-
de
luchthaven
normen die op dat
aan de luchtvaartarchitectuur
worden gesteld. De meeste uit deze periode,
konden
luchthavengebouwen
voor zover ze de Tweede Wereld-
oorlog al hadden overleefd,
werden In het
perk vervangen
of ingekapseld
wencomplexen.
Andere werden buiten
gesteld en aangepast
in nieuwe
aan een nieuwe
jet-tijdgebou-
Deurne daarentegen
verviel in comateuze
om pas een kwarteeuw
toestand,
later langzaam
opnieuw
tot leven te komen als zakenluchthaven
met een
beperkte capaciteit. gebouw
Hoewel het
luchthaven-
de tijd vrij goed doorstond,
pende aantasting
door allerhande
moderniseringswerken
ontwikkeling toekomst bepalen.
opdracht
en
worden. van de
gegeven voor de
van een 'masterplan'
van het luchthavencomplex De teloorgang
ingrepen
niet vermeden
In 2001 werd via de 'Open Oproep' Vlaamse Bouwmeester
kon een slui-
dat de verdere moest
van SABENA later
gebruik
jaar en de algehele malaise in de
functie.
vaart die erop volgde veroorzaakten
gaan
dat
burgerluchtechter eens
te meer een gevoelige terugval in de vluchtactiviteiten. Inmiddels is de renovatie van het luchthavengebouw aangezet en wordt opnieuw onderhandeld over de verlenging van de startbaan. Tijd dus om zonder nostalgie terug te blikken op een vergeten monument van onze luchtvaartgeschiedenis.
DE EERSTE STEEN
zowat 80 ha op het grondgebied van de gemeente Deurne. Een afgedankte spoorwegwagon deed dienst als eerste 'aérogare' en werd in 1926 vervangen door een houten chalet. Inmiddels was in 1924, door de pas opgerichte Belgische luchtvaartmaatschappij SABENA, de eerste luchtlijn Rotterdam-Antwerpen-Brussel-Strasbourg-Basel geopend. Later volgden luchtverbindingen met onder meer Keulen, Hamburg, Kopenhagen, Malmö, Parijs en Londen.
De oprichting van de Aéro-Club d'Anvers in 1909 betekende de start van de luchtvaart in Antwerpen (1). In ditzelfde jaar waarin Louis Blériot slaagde in zijn legendarische vlucht over het Kanaal, werd ook het eerste Belgische vliegbrevet uitgereikt aan baron Pierre de Caters en vond in Antwerpen de eerste vliegmeeting op Belgische bodem plaats. Het waren de jaren van de 'bevlogen' pioniers, vaak vliegtuigconstructeur, testpiloot en stuntvlieger in één en dezelfde persoon, de jaren waarin vliegen nog een elitair tijdverdrijf was voor waaghalzen, en een sensationeel spektakelstuk voor de massa, tot het in 1914 zijn onschuld verloor.
Het eerste volwaardige luchthavengebouw op Belgische bodem werd ook al in 1924 in gebruik genomen op het vliegveld van Haren bij Brussel, een elegant art deco paviljoen met de allure van een mediterrane villa, ontworpen door A. De Vleeschouwer (2). Nauwelijks vijf jaar later werd even verderop al een nieuw luchthavengebouw ingehuldigd, ditmaal met een weliswaar duidelijker gedefinieerde typologie, zij het dan op maat en met de uitstraling van een tweederangs spoorwegstation. Het ontwerp was dan ook een anoniem product van het Ministerie van Spoorwegen, dat sinds 1925 voor de luchtvaart bevoegd was. Beide gebouwen bleven overigens tot op de dag van vandaag bewaard.
O p het eerste volwaardige vliegveld in Antwerpen was het wachten tot 'Hemelvaartdag' 1923. Twee jaar eerder was op last van de Minister van Landsverdediging, waaronder de luchtvaart toen nog ressorteerde, begonnen met de onteigening van landbouwgronden met een totale oppervlakte van
Was het dit al te banale resultaat dat de toenmalige Minister van Spoorwegen Maurice Lippens, deed besluiten het in Antwerpen anders aan te pakken? Het blijft gissen. Feit is dat nog hetzelfde jaar, op 1 maart 1929, een architectuurwedstrijd werd uitgeschreven onder Belgische en Luxemburgse archi-
T Bekroond project van de architecten
M&L
Van Riel en Janssens
Wedstrijdontwerp
prijs ex aequo
(L'Emulation
van Victor Bourgeois
(L' Emulation
nr. 10 1929)
- Hcnvaux, tweede
nr. 10 1929)
Wedstrijdontwerp
prijs ex aequo
Presentatietekening
van de architecten
(['Emulation
van het ontwerp
Jaslnski (['Emulation
Gérard-Goffay-
nr. 10 1929)
van Stanislas
nr. 10 1929)
De Hey, tweede
tecten, voor het ontwerp van een 'moderne' luchthaven op het bestaande vliegveld van Deurne (3). De aanleiding voor de bouw van de nieuwe luchthaven was de Wereldtentoonstelling die in 1930 in Antwerpen zou plaatsvinden. Bij het afsluiten van de wedstrijd op 15 mei 1929, telde de jury uiteindelijk slechts negen inzendingen, gezien het belang van de opdracht toch een mager resultaat, waarvan er vier werden bekroond. Als laureaat kwam het ontwerp van het bureau Van Riel en Janssens uit de bus. De tweede prijs werd ex aequo gedeeld door het ontwerp van de groep Gérard, Goffay en De Mey, het ontwerp van het duo Victor Bourgeois en Emile Henvaux, en het ontwerp van Stanislas Jasinski. Het betrof hier zonder uitzondering jonge architecten, waarvan de meeste aan het begin van een prille carrière stonden. Enkel Bourgeois, als stichtend lid van CIAM één van de protagonisten van het modernisme in België, kon bogen op een gevuld palmares en een internationale loopbaan. Zowel Emile Goffay als Stanislas Jasinski zouden naam maken binnen de Belgische avant-garde. Het valt moeilijk de vier bekroonde projecten te evalueren, aangezien de oorspronkelijke ontwerpen tot op heden niet konden worden gelokaliseerd (4). De wat vage reproducties uit het architectuurtijdschrift L'Emulation, het enige ook dat over de wedstrijd berichtte, blijven tot nader order een unieke bron. Over de vijf niet weerhouden projecten is al helemaal niets bekend. De vier bekroonde projec-
ten hebben alleszins de plaats van inplanting van het luchthavengebouw en een modernistische vormgeving gemeen. O o k worden telkens alle luchthavenfuncties volgens een planmatige logica gegroepeerd in één complex, volgens de vereisten die toen aan een moderne 'terminal' konden worden gesteld. Het ontwerp Van Riel-Janssens is het meest klassieke, met een volkomen symmetrische opbouw, te vergelijken met de toenmalige architectuur van spoorwegstations. Het ontwerp GérardGoffay-De Mey oogt met zijn afgeronde vormen uitermate gestroomlijnd en introduceert een niet eerder geziene 'finger' op de apron. Het ontwerp Bourgeois-Henvaux is dan weer het meest indrukwekkende, met een krachtig gedefinieerde passagiershal en aparte vleugels voor hotelaccomodatie en vrachtvervoer. Meest opvallend hier is niet een 'finger' maar een overdekte portiekgalerij voor het in- en uitstappen midden op de apron. Het ontwerp Jasinski komt uit deze summiere vergelijking zonder meer naar voor als het meest compacte en best te realiseren bouwprogramma. Dit was klaarblijkelijk ook de mening van minister Lippens, die het verdict van de door architecten gedomineerde jury naast zich neerlegde en de opdracht toewees aan één van de tweede prijzen ex aequo, Stanislas Jasinski. Hij beriep zich hierbij op het advies van luchtvaartdeskundigen, en werd in die zin bijgetreden door één van de niet weerhouden wedstrijddeelnemers, architect Jean De Ligne. Deze verklaarde in L'Emulation dat voor het beoordelen van
Luchtfoto van het complex (La Technique des Travaux, nr. 7
1931)
de toekomstige luchtvaartinfrastructuur, een ééndaagse vlucht over Antwerpen, het Kanaal en Croydon niet opwoog tegen de dagelijkse competentie van een piloot of een luchthavencommandant, een opmerking die hem door de juryleden-architecten allicht niet in dank werd afgenomen. Karel Van Riel en Maurice Janssens zouden kort daarna alsnog een troostprijs krijgen, toen het luchthavengebouw van Haren naar hun ontwerp werd uitgebreid en gemoderniseerd. O p 30 december 1929, toen de funderingswerken al beëindigd waren, vond de eerstesteenlegging van de nieuwe luchthaven plaats. Aannemer was het
•
Antwerpse bouwbedrijf Hargot en Somers, voor het bouwtechnische aspect van de constructie werd Jasinski bijgestaan door de Brusselse ingenieur Sarrasin. Minder dan negen maanden later, op 10 september 1930, kon het nagenoeg voltooide gebouw reeds worden ingehuldigd. Het complex bestond uit een L-vormig hoofdgebouw, met een commandopost in de as, en aansluitend een vliegtuigloods. De architectuur werd gekenmerkt door een heldere, gestroomlijnde vormgeving, die aan alle regels van het internationale modernisme beantwoordde: een constructie van gewapend beton, witbepleisterde, verspringende bouwvolumes met rotondes, een horizontale belijning door bandramen en omlopende luifels in 'béton translucide', inspringende vensterposten en luifelconsoles in gebouchardeerd beton, lijstwerk in terracotta, stalen raamprofielen en terrasdaken. " Un immense navire au repos, sesponts, ses galeries, ses dunettes offre quelque rapprochement avec Ie batiment de l'aéroport, rapprochement accentuépar la sobriété de la ligne, la sobriété de la couleur revètant d'un même clair tout l'ensemble du vaisseau. On sent aussi comme dans les navires d'aujourd'hui, sauf exceptions, que rien nest sacrifié a une déraison soi-disant ornementale. Mais on sent surtout que Von a devant soi chose construite et solide, émergeant de cette plaine comme Ie navire emerge des eaux, une solidité nerveuse assouplissant Ie monolithe de béton armé h toutes les nécessités de sa fonction (5)."
li
Ingang van het luchthavengebouw (foto Niels Donckers)
SUK
Antwerpo, ^
rTTTirnrrirxTTi
M&L
STANISLAS JASINSKI ( 1 9 0 1 - 1 9 7 8 ) Stanislas Jasinski studeerde aan de kunstacademie van zijn geboortestad Brussel, en liep stage bij Victor Horta, de Parijse architect Maugue en Henry van de Velde (6). In Amsterdam kwam hij in contact met de architecten van De Stijl, in eigen land sloot hij zich aan bij de avant-gardebeweging /Arts. Tijdens zijn verblijf in Parijs zocht hij, na het lezen van Vers une architecture, toenadering tot Le Corbusier, wiens gedachtegoed van dan af een beslissende invloed zou uitoefenen op zijn verdere loopbaan. Hiervan getuigt zijn futuristisch ontwerp voor een Cité Administrative uit 1929, drie kolossale, kruisvormige torengebouwen in het hart van de Brusselse binnenstad, geheel in de lijn van het Plan Voisin. Tijdens de jaren 1930 ondernam hij studiereizen naar de Sovjetunie en de Verenigde Staten. Naast de luchthaven van Deurne, behoort het universitair ziekenhuis Institut Jules Bordet in Brussel, dat in samenwerking met Gaston Brunfaut tot stand kwam, tot zijn belangrijkste realisaties uit de vooroorlogse periode. Na de Tweede Wereldoorlog legde hij zich vooral toe op de realisatie van standingvolle flatgebouwen en huisvestingscomplexen, bij voorkeur ingeplant in een groene omgeving.
Met zijn bekroning in de architectuurwedstrijd voor de luchthaven van Deurne, gevolgd door het toekennen van de opdracht, brak Jasinski door tot het milieu van de Belgische modernisten. In 1931 nam hij met het luchthavengebouw nog deel aan de Prijs Van de Ven, echter zonder gevolg (7). Het mag verwondering wekken dat dit voor die tijd toch belangrijke gebouw nauwelijks door de toonaangevende Belgische architectuurpers werd opgemerkt. Dit geld des te meer omdat het hier tenslotte een overheidsgebouw betrof, waarvoor per grote uitzondering een architectuurwedstrijd was georganiseerd. De simpele vergelijking met het bijna gelijktijdige luchthavengebouw van Haren, "des batisses en brique du plus pur style administratif (8), bewijst nochtans hoe eigentijds en baanbrekend Jasinski's concept wel was, een stelling die ook in de internationale context met betrekking tot de luchthavenarchitectuur uit die periode stand houdt. Feit is dat de luchthaven van Deurne ook in latere overzichten van de Belgische modernistische architectuur over het hoofd werd gezien, en zelfs in de recente overzichtstentoonstelling Building for Air Travel die in 1996-1997 in Chicago plaats vond, niet werd opgenomen op de vermelding "now demolished r na (9). Ook vandaag is dit gebouw bij
G
i*-"* " - " T T — ~ ^
AnDccocrr
——~~[' ;•,;;;
CATK^ECI
Het principe voor
kon naar voren
(La Technique des
mogelijke een uit-
verschoven worden,
Travaux, nr. 7
brelding van het
teneinde een grotere 1931)
luchthavengebouw:
oppervlakte te
de schuine vleugel
realiseren
de publieke opinie en zelfs in kringen van architectuurhistorici en monumentenzorgers nog steeds veelal onbekend en dus onbemind. Bijna driekwarteeuw geleden, bleef een nog jonge Renaat Braem, in een later leven één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de naoorlogse architectuur in België, alleszins niet ongevoelig bij zoveel modernistisch geweld, toen hij als twintigjarige architectuurstudent de pas voltooide luchthaven bezocht. Getuige hiervan zijn enthousiast, 'aërodynamisch' commentaar: "Een unikum in onze bouwerij, een gebouw in opdracht eener staatsadministratie opgetrokken, in gezonde moderne geest. Laat ons juichen! Zou het oogenblik der bekeering daar zijn? Gevels: horizontalen: banden glas onder strepen simili, palen en glas. Schoonheid? Die die elk aan z'n doel beantwoordend organisme bezit, die van plant en kristal, van dynamo en sunbeam. Architektuur is het oplossen, op de funksjoneelste en meest ekonomische wijs, van ruimte organismen in dienst der maatschappijT (10) Pierre-Louis Flouquet, één van de protagonisten en tegelijk onvermoeibaar commentator van de Belgische avant-garde, rekende de luchthaven van Deurne, met BerlinTempelhof en Hamburg-Fuhlsbüttel, tot de beste van Europa...
— j - ^, ". - . . - " " - I
ï deze enkel om vroeg of laat door andere te worden vervangen, zonder dat iemand kon voorspellen wat de toekomst nog in petto had. Zeker was dat de internationale luchthaven van vandaag zouden evolueren tot de intercontinentale en mondiale luchthaven van morgen. Gevraagd naar zijn persoonlijke toekomstvisie op de burgerluchtvaart, ontvouwde Jasinski een globaal mobiliteitsplan waarbij het wegverkeer, de scheepvaart en de luchtvaart als schakels in één groter geheel rationeel op elkaar moesten aansluiten. Naar het voorbeeld van de spoorwegen beschouwde hij een splitsing van het personen- en het goederenvervoer in de luchtvaart als een absolute voorwaarde. Voor het personenvervoer zou dit aanleiding geven tot de uitbouw van 'intra-urbane' terminals, in het hart van de stad of de onmiddellijke nabijheid. Hiertoe konden met beperkte middelen landingsbanen worden aangelegd op het dak van bestaande, grootschalige gebouwencomplexen.
• Luchtfoto's tonen de oorspronkeliike inplanting van het complex
FFN UJCHTHAVEN VOOR DE TOFKOMST Over het concept van Jasinski's luchthavenontwerp zijn wij vrij goed gedocumenteerd, dankzij een uitgebreid commentaar dat hij in 1931 in het architectuurtijdschrift La Technique des Travaux (11) publiceerde. In 1933 volgde nog een vraaggesprek met Pierre-Louis Flouquet in het architectuurtijdschrift Bdtir (12), waarin hij zijn theoretisch discours verder preciseerde. Het concept beantwoordde aan een aantal basisprincipes die vooruitliepen op de exponentiële groei die van de burgerluchtvaart werd verwacht. Met het enthousiasme eigen aan zijn jonge leeftijd en een rotsvast vertrouwen in de vooruitgang van de techniek, begroette hij de luchtvaart als één van de kernvraagstukken van de moderne beschaving en het keerpunt in de evolutie van het transport. Zo nieuw was deze problematiek dat de terminologie nog niet eens was doorgedrongen tot het woordenboek. Zo er al regels voor de luchtvaart konden vastgelegd worden, dienden
M&L
Ook de bouw van landingsbanen onder de vorm van verhoogde platforms in beton of staal boven op brede verkeerswegen behoorde tot de mogelijkheden. De luchtvaartindustrie zou dit proces enkel versnellen door de ontwikkeling van helikopters en vliegtuigen waarvan de afstand nodig voor landen en opstijgen beperkt zou blijven tot pakweg 200 meter. De bestaande luchthavens vond hij te ver verwijderd van de stadscentra, wat hun efficiëntie voor het personenvervoer in de weg stond. Het maakte ze daarentegen wel uitermate geschikt voor het goederenvervoer, waarvoor ze konden voorbehouden worden. Ten behoeve van veiligheid en regelmaat - absolute voorwaarden voor een verdere democratisering van de luchtvaart - moest zo een fijnmazig mondiaal netwerk van vaste luchtlijnen ontstaan tussen de grootstedelijke luchthavens, onderling verbonden door secundaire bases ten behoeve van het toerisme, met op vaste afstanden terreinen voor noodlandingen. Toekomstvisies met betrekking tot de luchtvaart als deze waren in die dagen uiteraard niet uniek. Ze vormen ook de leidraad in Gescheit en Wittmann's Neuzeitlicher Verkehrsbau uit 1931, een eigentijds overzicht van de architectuur voor het verkeer, dat voor zowat de helft aan de luchtvaart is gewijd (13). Jasinski toont zich hier eens te meer als een overtuigd pleitbezorger van het modernisme, gefascineerd door snelheid, efficiëntie en rationaliteit. Zijn pleidooi klinkt als een pragmatische echo van meer bevlogen visioenen onder meer geformuleerd door Le Corbusier in Urbanisme en Fritz Lang in Metropolis.
Het luchthavengebouw gezien vanop het tarmac (postkaart)
Controletoren, huidige toestand
t
In Jasinski's visie beperkte het ontwerp van een luchthaven zich niet tot architectuur alleen. Het luchthavengebouw moest ontworpen worden in zijn complexe relatie tot het vliegveld, geheel volgens de eigen wetmatigheden van de luchtvaart. Aan de inplanting van de luchthaven stelde hij vier hoofdvoorwaarden. Ten eerste mocht het terrein door zijn locatie en hoogteligging slechts minimaal hinder ondervinden van mistvorming. Ten tweede moest het zo vlak mogelijk zijn, met een maximaal hellingspercentage van 2%. Drainage moest daarbij een goede ondergrond verzekeren zodat de vorming van modder werd vermeden. Gras gold als de meest geschikte afdekking vanwege de goede waterafvoer, het voorkomen van stofwolken en het elastisch vermogen bij zware belasting. Een derde vereiste was
t
(Foto Niels Donckers)
een open ligging vrij van obstakels, om van meerdere aanvliegroutes uit verschillende windrichtingen gebruik te kunnen maken. Tenslotte mocht de luchthaven niet te ver verwijderd zijn van het stadscentrum en ingepast worden in een stedenbouwkundige structuur. Een goede, directe verbindingsweg en frequent openbaar vervoer, in het ideale geval een metrolijn met directe toegang tot het luchthavengebouw, waren van kapitaal belang om tijdverlies op de grond tot een minimum te herleiden. Werd op het traject Parijs-Londen immers niet 55% van de reistijd op die manier verloren. Althans deze laatste voorwaarde zou in Antwerpen, hoe dicht de luchthaven ook bij het stadscentrum gelegen is, nooit in praktijk worden omgezet. De spoorlijn die nochtans aan de luchthaven passeert
1V1&L
zou er nooit halt houden, en ook de naoorlogse snelwegeninfrastructuur liet Deurne, dat toen geen rol van betekenis meer speelde, links liggen.
Plattegrond van het
(La Technique des
geli|kvloers van het
Travaux, nr. 7
luchthavengebouw
1931)
Plattegrond van de
(La Technique des
eerste verdieping
Travaux, nr. 7
van het luchthaven-
1931)
gebouw
Plattegrond van de
(La Technique des
tweede verdieping
Travaux, nr. 7
van het luchthaven-
1931)
gebouw
M&L
Waar Jasinski het bestaande Antwerpse 'vliegveld' als een vaststaand feit moest aanvaarden, kon hij zich in alle vrijheid toeleggen op het ontwerp van het luchthavengebouw. Daarbij kwam het er op aan de gegeven situatie van het terrein zo adequaat mogelijk te benutten. Jasinski verklaarde al sinds lang geïntrigeerd te zijn geweest door de wijze waarop de architectuur ten dienste kon staan van de ontluikende luchtvaart. In de oplossingen die hij formuleert toont hij aan alleszins goed geïnformeerd te zijn over de technische vereisten van het luchtverkeer. Zijn wedstrijddeelname werd voorafgegaan door een vergelijkend onderzoek naar de grote Europese luchthavens van toen. Het is ons niet bekend of hij deze ook daadwerkelijk heeft bezocht. Wel kunnen we vaststellen dat hij in het eerder vermelde commentaar en het vraaggesprek vooral verwijst naar de kort tevoren voltooide luchthavens London-Croydon en Hamburg-Fuhlsbüttel. Deze komen eveneens terug in de illustraties bij de publicatie van het vraaggesprek, naast BerlinTempelhof, Lyon-Bron, Amsterdam-Schiphol en Rotterdam-Waalhaven. Hij verklaart eveneens kennis te hebben genomen van de overigens schaarse literatuur ter zake, maar citeert daarbij enkel de studie van de Franse ingenieur A.B. Duval "Les Ports aériens" gepubliceerd in L'lllustration van augustus 1929 (14). Uit deze studie leidde Jasinski af dat bij het concipiëren van een luchthavengebouw volgens rationele principes, kon worden uitgegaan van drie uiteenlopende typologische modellen: het kernvormige type, het rechtlijnige type en het wigvormige type, waarvan de voor- en nadelen moesten worden afgewogen. Het kernvormige type, een vrijstaand paviljoen in het centrum van het vliegveld, zoals het latere London-Gatwick door Hoar, Marlow en Lovett uit 1936, wees hij af hij als het minst geschikt. De langste rechte lijn op het terrein werd immers doorbroken en vervangen door vier korte landingsbanen rond het luchthavengebouw, dat per definitie een obstakel zou vormen. Dit beperkte niet alleen de landingsmogelijkheden maar stond ook de veiligheid in de weg. Vanuit de controletoren konden onmogelijk in één opslag de vier windrichtingen worden gecontroleerd, en ook op de grond belemmerde het gebouw het gezichtsveld van de piloten, wat een risico op botsingen inhield. De grootste tekortkoming was echter het onvermogen tot uitbreiden zonder in anomalieën te vervallen. Het meer verkiesbare wigvormige
Kemnóacmmndi
JFoliutn
xn
O
€ bomïb9mcrfm fomaif öiat ^Ii. h.vij. ca.ij.^ÖHjï.h.A^.ïxa.cn.a.vui.itftiri avus ttbt .u41.cj.nj. oia q fcquürunn in dia. (.mocapbaUbonUnee funtcawtw capita babê tcs co Uinj tu loquótur aiicupio vm ö t. vt f ici t ^ U. aiomnes vdcutur pdlibua ammaltó. '.icopks in jMia viul ooiUim bn t mfronrcfup m fum bt} folas ferara cames comcdüt.5<Jco agnofa^ gttc vodmr fupza mfomoms co nfi n cft^ üloia bof mines efletvmufep nature inter fe vicibus coeötes. taUipbanes tradit Stdhtües adqat tc^tram ma^ mam ije vmlem leuam multeb^em eflé qno bermo^ ft-oditjs appelUimus. femntcemabojiénsjjteómma dTebonunes fme mnbus'Jaac plana cqli tonus co;pi8 planicie. filt o s fupioJc hb2o o: bas. al tos fine Unguis i alijfa cö cretaojadTemodt^foiatntnecalamisauena^ po mbaurictcö. Jltem bomtnes babentes labiü inferias.fta magnó vt tomn faoem contegant labio tojmtóntes. Jltem alq fine Ungiua nutu loqntes fine motu vt mo nacbi. ^annotbi in fatbia aures tam magnas bnt. vt ton teganttotum co;pus. öiTabnte in crbiopu ,pni' ambulat vt peco:a. t jli qui viuut E annos.jd.quê nullus fupgreditur. SBaUrtbomóciones funtaduncisnanbus comuaï froimlniö bnt t capza^ pedibus firn ilea quale in fo Utudineranctusfintomusabbasvidit. ^n etbiopta oaidcntali funt vmpedes vno pede la,' tiifimo tam veloces vt befóas tnfeqnantur. 3n ^citbia jFpopedes funt bintuni fo^mase^nos pedes babentes, j n aflrta fanuUas quafda cffafanatiü Jfigonus T d^empbodo;us tradüt qua? laudatóne intereat.p^ bata^arefcat arbo;es: emo:iatur infantes. cfTcetuf dem genens m trtbalis et ilUrtjs adtfat jlfogon' 4 vtfu quocg cffaflineot iratis pcipue oculis: quod eo ru malü faciliusfamrepuberes notabiti9 efle q? pu lilas b tn .13 ID oculis finguUs babeant. 'tem botes.v.cubitojji num infirmi vftg ad moïto •ecota fenbfit ^li.dug. Jft.lbïeterea legif r geft] Icjcadri <$ i india funt alid bofes feje man' bntes. té boies nudi r pilofi in numme mojates. te botes mamb^Tpedib^feï tugitos babentes. ie apotbami i a^ 6 ti ie: antes ntcdi) bofes t m cd ij c.ilulh. jleem imtlieres en barbis vfcg ad peet? £ capite plal nofinemntbus. inetbiOpiaoccidêtali fut eri)toper.iiq.ocfos bntes n énpia funt boies fjMmoft z collo gruino cu rorts alalmm boïnuBemgïes móftnferas arcaeytre mitaccsgigm mtmcnuiti. Hmfai ad fojmanda co: o?a effi^iefcB celandas mobilitate igjiea. Innpodesiateê.i.boïesaöriaEteterrevbïfolojif qnocaditnoBaduerfa pedtb^nns calcareveftgia nulla röecredcdö êvt ait |lug.ftf.ce ct.ca.c.p.Jngës m b pug lfapptraa vulgi opfoej circüfundi tare boies vndicg cóucrfil cp iter fe pedib^ftareet cöct] fifem eê ccli Vncc.fic fifi mó ex qcöcB Ëtc media cal^ a n . furatnïxaddtjmirêf Tillt nosntcrtderetnS em repugnaten quo adat negatcvt poffint adere, tla fic tgnis fedes nó ê nifi i ignib^agrn nift ï a^s. fpüs ti JU in fan.Jta terre arcen ribuo cuctts mfi in fe locus non eft.
Ï
Nr. 123 Bijlage bij M£tL 22/5 sept.-okt. 2003
<
pc
S Monsterrassen in Hartmann Schede/'s Liber Chronicarum, gedrukt in Nürnberg in 1493 f® Universiteitsbibliotheek Utrecht)
ff
B 1 N N E N K R A N T
Literatuur Jo
DF KFUZE V A N
Bracken
MRL
Le gothique des Temps modernes Architecture religieuse en milieu urbain Hélène Rousteau-Chambon en Jean-Marie Perouse-de-Montclos Parijs, Picard, 2003, p., ISBN 2-7084-0692-2 Studie over de kenmerken van en de redenen voor het voortbestaan en de rehabilitatie van de religieuze gotiek in stedelijk gebied, in het door barok en classicisme gedomineerde Frankrijk van het einde van de 16de totde 18de eeuw, met een inventaris van 63 religieuze bouwwerken waaronder meerdere kathedralen en jezuïetenkapellen. De nadruk ligt hierbij op de bewuste keuze voor een vormgeving die de symbolische en kracht van de religieuze traditie en de continuïteit
Raum und Ornament Georg Wenceslaus von Knobelsdorff und die frlderizianische Rokoko Tilo Eggeling Regensburg, Schnell Et Steiner, 2003, 396 p., ISBN 3-7954-1564-0 Studie over een deelaspect van het oeuvre van Georg Wenceslaus von
Knobelsdorff (1699-1753), hofarchitect van Frederik de Grote en grootmeester van het Duitse rococo, met name zijn aandeel in het interieurontwerp van de koninklijke paleizen, waaronder hoogtepunten van 18 dc eeuwse interieurkunst als Potsdam, Sanssouci en Charlottenburg, en die in samenwerking met andere kunstenaars ontstonden. Enkel die interieurs waarvan de vormgeving berust op het ornament worden hierbij geanalyseerd.
Josef Frank Life and Work Christopher Long Chicago, The University of Chicago Press, 2002, 384 p., ISBN 0-226-49266-4
• -
L'invention de la Renaissance La reception des formes "A l'antique" au début de la Renaissance Jean Gillaume (red.)
L I F E
1
A N 0 Üw
Parijs, Picard, 2003, p., ISBN 2-7084-0690-6 Christopher
Bundel congresbijdragen (Tours 1994) gewijd aan de receptiegeschiedenis van de architectuur van het Italiaanse Quattrocento in Europa. Hierbij ligt de klemtoon op de regionale verscheidenheid, die niet resulteert uit een lineaire imitatie van het ideale model, maar uit een versmelting van elementen ontleend aan het Italiaanse voorbeeld, met tradities, voorkeuren en creatieve verworvenheden eigen aan het locale milieu. Voorbeelden uit Engeland, Duitsland, Rusland, Hongarije, Frankrijk en Spanje.
Palladio bears away the Palm Zur Asthetisierung Palladlanischer Archltektur in England Carsten Ruhl Hildesheim, Georg Olms Verlag, 2003, p., ISBN 3-487-11831-9 Studie over het ontstaan en de semantiek van het Palladianisme in de Engelse architectuur van de 18de eeuw, binnen de context van het esthetische discours van de Verlichting. De paradox van het Palladianisme als een beweging die teruggrijpt naar de vormelijke idealen van de klassieke renaissance, en tegelijk onder invloed van empirisme en sensualisme anticipeert op het subjectieve schoonheidsideaal van een verlicht Arcadië, staat hierbij centraal.
Long
O R K
•^ o
Gevoelige monografie over leven, werk en idealen van de Oostenrijkse architect, designer en theoreticus Josef Frank (1885-1967), protagonist van de Weense avant-garde, lid van CIAM en de Oostenrijkse Werkbund. Uit onvrede met een al te extreem streven naar uniformiteit, bepleitte hij een pluralistisch, humaan en sociaal modernisme met ruimte voor sentimentaliteit en traditie, dat hij na zijn vlucht naar Zweden in 1933 in praktijk bracht. Als hoofddesigner van het interieurbedrijf SvensktTenn stond hij mee aan de wieg van het moderne Scandinavisch design.
FRS Yorke and the Evolution of English Modernism Jeremy Meivin Chichester, Wiley-Academy, 2003, 136 p., ISBN 0-471-48960-3 Monografie over de Britse architect FRS Yorke (1906-1962), die met zijn invloedrijke en talloze malen herdrukte The Modern House uit 1934 meerdere generaties architecten introduceerde tot de Europese avant-garde, en als één van de weinigen zijn reputatie als modernist na de oorlog wist om te buigen tot een commercieel succes. Met zijn bureau Yorke, Rosenberg and Mardall speelde hij via grootschalige
B I N N E N K R A N T
overheidsopdrachten een belangrijke rol in de uitbouw van de nieuwe welvaartstaat.
Antoine Courtens
bewaarde gebouwen waaronder bioscopen en gerechtshoven, banken en grootwarenhuizen, 'State Capitols' en wolkenkrabbers worden uitvoerig belicht in hun regionale verscheidenheid en kleurrijke detaillering.
Créoteur/ArtDéco Maurice Culot en Anne-Marie Pirlot Brussel, AAM Editions, 2002, 120 p., ISBN2-87143-123-X
Bescheiden monografie over Antoine Courtens (1899-1969), veelzijdig architect en decorateur, ontwerper van meubels, tapijten en zilverwerk, leerling en medewerker van Victor Horta, en met realisaties als het Hotel Haerens en het Palais de la Folie Chanson uit 1928 één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de art deco in België. Vanaf 1936 realiseert hij in opdracht van Louis Empain het ambitieuze domaine de l'Estérel nabij Montreal in Canada, en vanaf 1948 als laureaat van een architectuurwedstrijd het opleidings- en onderzoekscentrum van de voedingsindustrie CERIA in Anderlecht.
American Art Deco Architecture and Regionalism Carla Breeze New York, W.W. Norton Et Company, 2003, 288 p., ISBN 0-393-01970-5 Aanlokkelijk, vooral visueel overzicht van de Amerikaanse art deco, die in de jaren 1920 en 1930 als een waarmerk van moderniteit en vooruitgang als een 'nationale stijl' stad en land overspoelde, inspiratie puttend uit even 'exotische' als inheemse tradities, van Navajo tot Maya via Hopi en Sioux. In totaal 75 toonaangevende en gaaf
Room 606 The SAS House and the Work ofArne Jacobsen Michael Sheridan Londen, Phaidon, 2003, 272 p., ISBN 0-7148-4289-3 Fraai vormgegeven en schitterend geïllustreerde monografie over het in 1960 voltooide SAS-gebouw in Kopenhagen, een totaalconcept van architectuur en design, meesterwerk van Arne Jacobsen (1902-1971), dat iconen opleverde als de 'Egg'-, de 'Swan'- en de 'Drop'-stoel en het AJAbestek. Een gedetailleerde analyse van de enige intact bewaarde hotelkamer 'Room 606', laat een reconstructie van het inmiddels onherkenbaar verbouwde interieur toe en detecteert de onderliggende thema's in Jacobsen's oeuvre.
Hugh Maaskant Architect van de vooruitgang Michelle Provoost Rotterdam, Uitgeverij 010, 2003, 416 p., ISBN 90-6450-497-0 Lijvige, visueel opmerkelijke monografie over Hugh Maaskant (1907-1977), vroeger partner van Willem van Tijen, die met grootschalige, technologisch innoverende architectuur van een
onbeschaamde allure zoals het Groothandelsgebouw, het Hilton Hotel en de Euromast in Rotterdam, het Provinciehuis in Den Bosch, de Pier van Scheveningen, de Tomado- en Johnson Wax-fabrieken, in een mix van realiteitszin en lef een eigentijds, metropolitaans stempel drukte op de naoorlogse wederopbouw van Nederland. Boeiend portret en herdefinitie van zijn oeuvre, opgehangen aan een 15-tal gebouwen die de complexe tijdsgeest, zijn krachtlijnen en idealen, wars van moralisme, reveleren.
Eero Saarinen An Architecture of Multiplicity Antonio Roman New York, Princeton Architectural Press, 2003, 226 p., ISBN 1-56898-340-9 Monografie over Eero Saarinen (19101961), één van de grootmeesters van de 205te-eeuwse Amerikaanse architectuur, auteur van iconen als de TWA Terminal, de Gateway Arch en de CBS Building, de Womb en de Tulip Chair, creaties die in hun diversiteit getuigen van een uniek vermogen tot individualisering van elk project. De belangrijkste werken worden opgehangen aan vijf inhoudelijke begrippen - scheppen, wonen, bouwen, 'socializing' en jureren - en uitvoerig geïllustreerd met schitterende archieffoto's.
De Coene op Expo 58 28 projecten Rika Devos en Mil De Kooning Bellegem, Stichting De Coene, 2003, 50 p., ISBN 90-76714-16-9 Besteladres: 't Rode Paard 17, 8510 Bellegem ( € 14,50 - 385-0529207-38) Vierde Jaarboek Art De Coene en aflevering 61 in de serie Wees en Beton, met een technische analyse en historisch-kritische interpretatie van de De Coene-architectuur op Expo 58. De Kunstwerkstede De Coene leverde het leeuwendeel van de vaak gedurfde houtstructuren, in hoofdzaak gelijmde gelamelleerde liggers en spanten, voor in totaal 28 projecten, waaronder de
B 1 N N E N K R A N T
Signaalmast, de Paviljoenen van de Houtnijverheid, Papier en Grafiek, Stedenbouw, Sociale Huisvesting en het Kortrijks Dakpannenkantoor.
L'invention d'une ville Royan années 50 Gilles Ragot (red.) Parijs, monum. Editions du patrimoine, 2003, 308 p., ISBN 2-85822-754-3
soonlijkheden die door bouwkundige en typologische vernieuwing in grote verscheidenheid wisten voort te bouwen op de boodschap van het modernisme: Roland Rainer, Ernst Hiesmayr, Viktor Hufnagl, Harry Seidler, Harry Glück, Gustav Peichl, Friedrich Achleitner, Ottokar Uhl en Günther Domenig.
Monumentaal West-Vlaanderen Beschermde monumenten en landschappen in de provincie WestVlaanderen Deel 2, Fusiegemeenten Brugge Jeroen Conilly Brugge, Uitgeverij Van de Wiele, 2003, 256 p., ISBN 90-76297-20-7
Bauhistorisches Lexikon Baustoffe, Bauweisen, Architekturdetails Mila Schrader en Julia Voigt Suderburg, Edition :anderweit, 2003, 336 p., ISBN 3-931824-29-2
Fascinerende studie over de wederopbouw van Royan, een bescheiden kustplaats nabij Bordeaux, quasi totaal verwoest door RAF-bombardementen in 1945 en onder leiding van Claude Ferret heropgebouwd tot "ville la plus cinquante de France". Het model van een onbeschroomd modernisme 'a la Jacques Tati', dat in de architectuur van zijn 'Front de Mer', casino, congrespaleis, markthal, Notre Dame en tal van privé-woningen, technische innovatie en rationele lyriek koppelt aan Braziliaanse flair.
Die Architektur und Ich Eine Bilanz der österrelchischen Architektur seit 1945 vermitteltdurch ihre Protagonisten Maria Welzig en Gerhard Steixner (red.) Wenen, Böhlau Verlag, 2003, 208 p., ISBN 3-205-99316-0 Tijdsbeeld van de naoorlogse architectuur in Oostenrijk, aan de hand van indringende gesprekken met negen protagonisten van de generatie geboren tussen 1910 en 1934, sterke per-
Duits lexicon van historische bouwkundige termen, qua opzet vergelijkbaar met het nog steeds onovertroffen Bouwkundige Termen van Haslinghuis uit ons taalgebied. Zowat 3800 lemma's - van A-ha tot Zylinderschloss verklaren de belangrijkste kunst- en cultuurhistorische begrippen, en documenteren ruim geïllustreerd de grote verscheidenheid aan historische bouwtechnieken en architectuuronderdelen, hun vervaardiging en toepassingen in steen, hout, leem, ceramiek, metaal, glas of pleisterwerk, hun regionale verschillen en evolutie in de tijd, met de nadruk op de periode van de 18de tot de 20ste eeuw.
De architectuur van het psychiatrisch ziekenhuis Noor Mens Wormer, Inmerc bv, 2003, 336 p., ISBN 90-6611-089-9 Fraai uitgegeven typologische overzichtsstudie over de architectuur van het psychiatrische ziekenhuis in Nederland in de 19de en 20ste eeuw, waarin de wisselwerking tussen de architectuur, de psychiatrie en de ontwikkelingen in de samenleving centraal staat. In acht chronologische hoofdstukken, met telkens enkele concrete voorbeelden, worden de steeds wisselende opvattingen over de therapeutische betekenis van de fysieke en sociale omgeving van de patiënt geschetst, in een voortdurend streven naar humanisering en normalisatie.
Tweede volume van een driedelige inventaris van het beschermd onroerend erfgoed in de provincie WestVlaanderen. In dit deel worden de zowat 320 vóór 2001 beschermde monumenten, stads en dorpsgezichten in Brugge en de fusiegemeenten behandeld, telkens met een beknopte beschrijving en een afbeelding. Een inleidend essay gaat in op het hoe en het waarom van het verdwijnen van erfgoed in West-Vlaanderen gedurende de laatste twee eeuwen.
Essays on Gardens A Chapter in the French Picturesque Claude-Henri Watelet, Samuel Danon (red.) Philadelphia, University of Pennsylvania Press, 91 p., ISBN 0-8122-3722-6 Becommentarieerde Engelstalige heruitgave van Claude Henri Watelet's Essaisurlesjardins uit 1774, één van de vroegste Franse geschriften op de overgang van de klassieke naar de landschappelijke tuin. Via de beschrijving van zowel een ideale hoeve als de eigen tuin Moulin Joli nabij Parijs, bepleit Watelet vernieuwing en
B 1 M N E N K R A N T
experiment in de uitbouw van een comfortabel landgoed, een laboratorium van horticultuur en ecologie, even nuttig als aangenaam.
Private Landscapes Modernist Gardens in Southern California Pamela Burton en Marie Botnick New York, Princeton University Press, 2003, 192 p., ISBN 1-56898-402-2
Portret van een twintigtal toonaangevende modernistische privé-tuinen uit de jaren 1930 tot 1960 in ZuidCalifornië, samen met de bijhorende landhuizen ontworpen door sterarchitecten als Richard Neutra, Rudolph Schindler, Gregory Ain, Raphael Soriano, A. Quincy Jones en John Lautner. Informele buitenruimten als 'natuurlijk' verlengstuk van de architectuur, onderhoudsvriendelijk met een aan het droge klimaat aangepaste beplanting, schitterend geïllustreerd met eigentijdse en recente opnames.
Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Phoenixbouw Koning Albert ll-laan 1 9 - bus 3 1210 Brussel (tijdens de kantooruren) Tel. 02/553.16.93 - fax. 02/553.16.05 E mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
NIEUW BOEKDEEL IN DE REEKS 'ARCHFOI QGIE IN V I A A N D F R F N ' Het zopas gepubliceerde zevende deel van de reeks 'Archeologie in Vlaanderen', uitgegeven door het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, toont opnieuw aan hoe waardevol het bodemarchief van Vlaanderen is en hoe sterk gedifferentieerd de studie ervan. In het boek komt recent archeologisch onderzoek uit alle Vlaamse provincies aan bod. In een eerste bijdrage worden de middenPaleolithische nederzettingen van Veldwezelt-Hezerwater in de provincie Limburg besproken. De opgravingen die daar in 1998 van start gingen leverden niet minder dan vijf verschillende Neanderthaler-kampen op. Een 2kg wegend vuurstenen werktuig dat er aan het licht kwam is nog steeds één van de meest tot de verbeelding sprekende aanduidingen voor de aanwezigheid van de prehistorische mens ooit in Vlaanderen opgegraven. Aan de andere kant van de tijdslijn bevindt zich een muntschat uit het begin van de 20e eeuw die in Tongeren tevoorschijn kwam. Een tweede muntdepot uit de 17e eeuw gevonden te Geel bestond uit een 45-tal zilveren munten. In de provincie Oost-Vlaanderen onderzocht men in Huise een aantal Gallo-Romeinse crematiegraven, waarbij op een gedetailleerde en multidisciplinaire manier het aardewerk, het menselijk bot, de zaden en vruchten, de metalen vondsten en de houtskoolresten werden bestudeerd. In Heurne bleek dankzij archeologisch onderzoek dat een woontoren maar liefst twee eeuwen jonger was dan door historici steeds was gedacht. Archeobotanisch onderzoek probeerde dan weer een beeld te geven van het 14e- tot 16e-eeuwse landschap in de zone van het Verrebroekdok in Beveren. Koolstofdateringen op vondsten uit Ename wierpen een nieuw licht op de introductie van het konijn in de Lage Landen. Op basis van isotopenanalyse op dierlijk en menselijk botmateriaal werd ook een onderzoeks-
project gestart naar het dieet van de middeleeuwse stedelijke bevolking en de herkomst van dierlijke producten in die periode. In de provincie WestVlaanderen werden Romeinse en middeleeuwse sporen aangetroffen in Brugge, Ettelgem en Zandvoorde. Voor het eerst in de Brugse regio kwamen daarbij laat-Merovingische bewoningsstructuren aan het licht. Naast belangrijke Romeinse vondsten werden in Zandvoorde ook de sporen van een middeleeuwse agrarische nederzetting aangesneden. De nadruk ligt in het boek echter op Oostende met de studie van leerresten uit het verlaten vissersdorp Walraversijde en vooral met het archeologisch en fysischantropologisch onderzoek aan de Visserskaai en op het Mijnplein. Bij graafwerken voor de aanleg van een ondergrondse parkeergarage onder de Visserskaai werd immers heel wat informatie vergaard over de Oostendse stadsversterkingen aan de oostkant van de stad en hun evolutie gedurende de 16e tot de 19e eeuw. Enigszins onverwacht was dat men er ook een reeks menselijke begravingen aantrof. Deze werden, samen met een reeks andere menselijke skeletten die in het verleden reeds aan het licht kwamen in Oostende, aan een grondige studie onderworpen. Hieruit bleek dat een aantal van hen vermoedelijk slachtoffers waren van het beleg van Oostende (1601-1604), waarbij de stad tijdens de Honderdjarige Oorlog een tijdlang weerstand kon bieden aan de Spaanse overmacht.
B l N l ^ E N K R A N T
Dat 'Archeologie in Vlaanderen' een forum is voor wetenschappelijk onderzoek over heel Vlaanderen bewijzen de bijdragen die geschreven werden in onderlinge samenwerking met o.a. medewerkers van de KULeuven, de Universiteit Gent, het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), het Gallo-Romeins Museum van Tongeren, alsook met een aantal amateur-archeologen.
'Archeologie in Vlaanderen VN' kost 40 euro (+ 5 euro verzendingskosten) en kan besteld worden bij het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, Phoenixgebouw, Koning Albert ll-laan 19 bus 5, 1210 Brussel, tel. 02/553 16 63, ingrid.intven@lin.vlaanderen.be of via www.vlaanderen.be
Tentoonstellingen Marjan
Buyle
]
RilRFNS HFT IFVFN VAN ACHII I FS Aan Rubens' werkzaamheid als ontwerper van wandtapijten wordt doorgaans niet veel aandacht besteed. Daarom is de geplande tentoonstelling in Rotterdam een buitenkans. Hier confronteert men de voorbereidende schilderijen en ontwerpen met de uitgevoerde tapijtenreeks, waarin de klassieke held Achilles de hoofdrol speelt. De acht wandtapijten werden ontworpen rond 1630-1635 en verhalen gebeurtenissen uit Homeros' Ilias. Op het eerste wandtapijt tracht Achilles' moeder hem onsterfelijk te maken door hem onder te dompelen in de Styx, de mythische rivier naar de onderwereld. Om dit te doen, houdt ze hem vast aan zijn hiel, waardoor dit zijn enige kwetsbare lichaamsdeel werd, de zogenaamde Achilleshiel.
De tapijtenreeks eindigt uiteraard met de dood van Achilles, waarbij zijn tegenstander Paris een giftige pijl in de hiel van de Griekse held schiet. Ook Achilles' opvoeding en zijn woede op Agamemnoon, de leider van de Grieken, wordt levendig uitgebeeld. Het is interessant om te zien hoe de grootmeester te werk ging, beginnende met een reeks van acht relatief kleine olieverfschetsen -ca 45 cm hoog- op paneel, die Rubens volledig eigenhandig uitvoert. Het zijn kleine meesterwerken van inventie en van Rubens' ongelooflijk virtuoze schildertechniek, met een minimaal gebruik aan verfmaterie en met een grote transparantie. Deze olieverfschetsen worden vervolgens, met behulp van het atelier, uitvergroot op panelen die ongeveer tweeënhalf keer zo groot zijn. Deze modelli werden door Rubens en zijn medewerkers uitgevoerd: soms heeft het atelier de achtergrond geschilderd en laat de nodige spaties vrij voor de grootmeester. Deze lege plekken zijn nu nog goed te onderscheiden, omdat de aansluiting er niet altijd vlekkeloos is en omdat de stijl van Rubens wezenlijk verschilt van de rest. Tenslotte waren dit werkdocumenten en geen schilderijen in opdracht.
De kleine schetsen en de grotere panelen van deze Achillesreeks zijn uitzonderlijk allemaal bewaard en worden hier tentoongesteld. Het museum BoijmansVan Beuningen bezit zelf zeven van de acht schetsen, die ter gelegenheid van de tentoonstelling allemaal gerestaureerd werden met begeleiding van een internationale commissie van Rubensexperten. De kartons, die veel fragieler zijn en ook praktisch gebruikt werden in het weefproces, bleven spijtig genoeg niet bewaard. Deze werden ook meermaals gebruikt en uitgeleend door Rubens en zijn erfgenamen. Er zijn verschillende versies van deze reeks geweven. De grote verschillen tussen de diverse reeksen is vooral merkbaar in de randversiering. Dit is op de tentoonstelling duidelijk te zien, omdat er wandtapijten uit diverse reeksen zijn samengebracht om één volledige Achillesreeks te kunnen tonen.
Deze zogenaamde modelli dienen op hun beurt als basis voor de eigenlijke kartons op ware grootte, die door de wevers gebruikt worden bij het weven.
Het is bijzonder interessant om het verschil te bestuderen tussen de eigenhandige schetsen en het vergroten daarvan met behulp van zijn atelier. De kleine schetsen zijn lichtvoetige meesterwerken van een creatief genie. De uitvergrote versies zijn veel onmiddellijk veel conventioneler, zwaarder en minder transparant. Ze zijn ook 'concreter', hetgeen de overgang naar een andere kunstvorm, het weven, moest mogelijk maken. Dit is immers met de doorschijnende, bijna aquarel-
Rubens en atelier, Achilles tussen de dochters van Lycomedes (modello) 81 Museum Prado Madrid
Rubens, Achilles tussen de dochters van Lycomedes (olieverfschets) 6 Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam
TOTJ
WTOH
BINISJENKRANT
achtige techniek van Rubens gewoon niet uitvoerbaar. Wandtapijten behoren tot de meest kostbare en dure kunstwerken en waren uiteraard het privilege van machthebbers en zeer kapitaalkrachtige burgers. De tapijten van Rubens vertonen dezelfde kracht en schittering als zijn schilderijen. De Brusselse ateliers waren eeuwenlang gespecialiseerd in het maken van deze kostbare kunstwerken. Rubens gaf daar aan het einde van de 17de eeuw door belangrijke bestellingen een nieuwe impuls aan. De verkleuring en natuurlijke veroudering van deze reeks is binnen de perken gebleven. Het onderwerp was in die tijd zeer populair en men schat dat er zo'n dertigtal Achillesreeksen geweven werden. Naast zijde en wol werd soms ook edelmetaal gebruikt, zoals zilver en goud. De tentoonstelling is prachtig opgesteld, waarbij men tegelijkertijd de schets, het olieverfschilderij en (een gedeelte van) het wandtapijt kan bewonderen. Er is een informatieve film over het ontstaan van deze reeks en over Rubens' werkwijze.
De tentoonstelling loopt van 30 augustus tot 16 november 2003 in het Museum BoijmansVan Beuningen aan het Museumpark 18-20 in Rotterdam. Gemakkelijk te bereiken met de trein, met één vertrek per uur. Tram 5 vanaf station. Open van dinsdag tot en met zaterdag van 10 tot 17u, zon- en feestdagen van 11 tot 17u. Gesloten op maandag. Inkom 7 euro. Meer info: info(@boi imans.rotterdam.nl. Catalogus door Friso Lammertse en Guy Delmarcel, in het Nederlands en het Engels. Prijs 27 euro. Voor elke bezoeker is er een gratis brochure met achtergrondinformatie over Rubens en het verhaal van Achilles door Imme Dros, alsook een artikel over 'helden' in onze hedendaagse samenleving. Van 13 september tot 7 december is ook de tentoonstelling Rondom Dürer te zien, met Duitse tekeningen en prenten uit de Renaissance.
An Somers
KRIJG ft K U N S T Leopold W i l l e m
Habsburger, landvoogd en kunstverzamelaar 1fi14 - Ififi? Alden Biesen heeft een stevige reputatie opgebouwd in het organiseren van (kunst-) historische tentoonstellingen over de geschiedenis van de Duitse Orde en Alden Biesen. Eerdere tentoonstellingen zoals 'Ridders en Priesters' en 'Wachten op de prins' lokten keer op keer duizenden bezoekers naar de Landcommanderij. Dit jaar speelt Leopold Willem van Oostenrijk de hoofdrol. Deze aartshertog was grootmeester van de Duitse Orde en wordt vooral belicht als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden en ongeëvenaard kunstverzamelaar en -mecenas. Als landvoogd heeft hij vooral naam en faam gemaakt door zijn herovering van de oude graafschappen Vlaanderen en Henegouwen, die grotendeels door de Fransen bezet waren. Steden als Kortrijk, leper, Grevelingen en Duinkerke voegde hij terug bij ons land. Een niet onbelangrijke gebeurtenis die ook in de tentoonstelling een belangrijke rol speelt. De tentoonstelling is opgebouwd met meer dan 250 exponalia uit openbare en andere instellingen in België en uit privé-bezit. Er worden diverse doeken met Leopold Willem als grootmeester getoond, onder meer een indrukwekkend ruiterportret in navolging van Van Dyck, tekeningen van Erasmus Quellin, Abraham van Diepenbeeck en Pieter Thys, het bekende doek "de vogelschieting aan de kerk van de Zavel" van Pieter Snayers, "de herovering van Grevelingen in 1652" van Lambert de Hondt, schitterende werk van bloemschilder Daniël Seghers, de hofschilders Jan van den Hoecke en David Teniers jr. alsook van Caspar de Crayer, Cornells Schut, Jan Filips van Thielen, Jan Ykens en zelfs de Spaanse hofschilder Eugenio Cajès. Verder zijn er handschriften met fraai ingekleurde blazoenen, indrukwekkende prentkunst van Antwerpse meesters, meubelen, maquettes, textiel, wapenuitrusting.
penningen, zilverwerk en sculptuur, maar ook narwalhoorns, een Paxfiguur van de Vrede van Westfalen (1648), een grote geelkoperen pronkschaal enz. Bovendien zijn er enkele stijlkamers, zodat u een idee krijgt hoe het waterslot er toen, ten tijde van de toenmalige landcommandeurs Huyn, Geleen en Bocholtz, moet uitgezien hebben. Kortom, deze tentoonstelling is zonder meer een aanrader voor elke geschiedenis-, kunst- en cultuurliefhebber en voor iedereen die cultuurhistorische belangstelling voor de geschiedenis van ons land heeft.
Praktisch info tentoonstelling: Openingstijden: Van 3 oktober tot en met 14 december, dagelijks van lO.OOu tot 18.00u Vanaf 1 november open tot 17.00u en 's maandags gesloten. Avondvullende activiteiten: Voor groepen die net dat ietsje meer willen, stellen wij een pakket op maat op. Zo is er bijvoorbeeld de mogelijkheid tot een concert met receptie of een uitgebreid diner achteraf. Catalogus: Er is een uitvoerige, wetenschappelijke en rijkelijk geïllustreerde catalogus van ruim 400 bladzijden verkrijgbaar voor 35 a Meer info: Voor meer info kunt u terecht bij Marie-Louise Massotte: 089-51 93 42 An Somers: 089-51 93 89 Of stuur een mailtje naar aldenbiesen@vlaanderen.be
B I N N E N K R A N T
Marjan Buy Ie
M O N S T E R S B FABFI D I F R F N 25QQ j a a r geschiedenis van randgevallen Pokemons, heksen, tovenaars en Harry Potters: actueler dan ooit en zeker even aantrekkelijk als de fabeldieren en monsters dit waren in lang vervlogen tijden. Mensen zijn sinds hun ontstaan geïntrigeerd door spelingen van de natuur, wondere wezens en sprookjesachtige figuren. Tal van symbolische en religieuze betekenissen werden hun toegedicht en ze verschenen in de randen van de manuscripten, op de gevels van de kathedralen en in de omlijstingen van de middeleeuwse retabels. Zelfs nadat monsterachtige wezens in de 18de eeuw, de eeuw van de 'Verlichting', voorgoed naar het rijk der fabelen leken te zijn verbannen, bleven ze aanwezig in dromen, films en kindersprookjes.
Misericorde met fabeldieren op het koorgestoelte van de Grote Kerk in Breda, circa 1475
Het Noordbrabants Museum in 's Hertogenbosch toont u in het najaar een zeemeermin! Geen kermisexemplaar, maar een 'echte' meermin, zoals die met veel kunst en vliegwerk in de 18de eeuw uit de stoffelijke resten van meerdere wezens werd samengesteld en aan de goegemeente werd vertoond als een buitengewone speling van de natuur. Deze merkwaardige zeemeermin is slechts een van de vele voorwerpen die samen de tentoonstelling 'Monsters en Fabeldieren, 2500 jaar geschiedenis van randgevallen' vormen. Randgevallen omdat veel monsterlijke wezens vanouds beschouwd werden als bewoners van de randen van de aarde. Vanaf die plaats zouden ze zo nu en dan doordringen tot de bewoonde wereld om daar hun symbolische of demonische betekenis voelbaar te maken. Het is een prachtige expositie geworden, samengesteld uit een grote verscheidenheid aan voorwerpen uit een groot aantal collecties, vanaf de Griekse oudheid tot ongeveer 1800 en aangevuld met 19de en 20ste-eeuwse voorbeelden die laten zien dat wij nog steeds een beetje in fabeltjes geloven, al wonen de monsters nu niet meer op aarde maar aan de randen van de kosmos.
Bij de expositie verschijnt bij uitgeverij Ludion een rijk geïllustreerde publicatie van 144 pagina's met onder meer een 'bestiarium' waarin de belangrijkste varianten van monsters en fabeldieren én hun betekenis voorgesteld worden.
De tentoonstelling loopt van 20 september 2003 tot 4 januari 2004 in het Noordbrabants Museum aan de Verwersstraat 41 in 's Hertogenbosch. Open van dinsdag tot en met vrijdag van 10u tot 17u en op zaterdag en zondag van 12u tot 17u. Mail: info(5) noordbrabantsmuseum.nl
DA P O M P F I A R O M A STORIA DA U N ' F R I J Z I O N F . V F R H A I F N V A N EEN UITBARSTINn Pompei Herculaneum Qplontis Wanneer omstreeks het midden van de 18de eeuw de reeds lang vergeten steden Pompei, Herculaneum en Oplontis herontdekt werden kon niemand vermoeden welke wetenschappelijke en artistieke revolutie dat in de Europese kunst zou teweeg brengen. Het wordt chic en zelfs een vereiste voor studenten om na hun opleiding de Grand Tour af te leggen. Een bezoek aan Pompei stond steeds op het programma. In de architectuur, toegepaste kunsten, schone kunsten maar ook in literatuur en film komt de Romeinse cultuur met een ongekende kracht terug tot leven om nooit meer te verdwijnen. Getuige daarvan de tentoonstelling "Da Pompei a Roma". De plotselinge verwoesting van de steden in de nacht van 24 op 25 augustus van het jaar 79 verzegelde een stedelijke Romeinse maatschappij op het hoogtepunt van zijn macht. Pietro Giovanni Guzzo, tentoonstellingscommissaris, wijst er in zijn inleiding van de rijk geïllustreerde catalogus dan ook op dat de Vesuviussteden bronnen van ongemeen veel kennis zijn voor het archeologische onderzoek. Een waaier van kennis, die door weinig andere sites ter wereld geëvenaard wordt en die reikt van de natuur- tot de geschiedkunde. De meer dan 2000 teruggevonden l i chamen, hun kleine en grote schatten, woningen, interieurinrichtingen en gebruiksvoorwerpen bieden een verrassende en ongekende blik op de Antieke Wereld. De tentoonstelling overbrugt de 17 eeuwen tussen de Laatste dagen van Pompeji en de herontdekking van de steden dankzij levensgrote reconstructies en virtuele animaties. Vanuit Napels komen zowat 500 objecten, gevonden in de Vesuviussteden: juwe-
•
B I N ^ E N K R A N T
len, beelden, meubilair, afgietsels van slachtoffers, fresco's,... De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis vullen het verhaal van de 18dc en 19de eeuw aan met stukken uit de eigen collectie. Pronkstuk wordt de voor deze gelegenheid gerenoveerde maquette van Rome. Na het immense succes in het Nationaal Archeologisch Museum van Napels, brengt Europalia Italië de tentoonstelling exclusief naar Brussel. Gezien de uitzonderlijke waarde van de kunstvoorwerpen keren zij na Brussel definitief terug naar Italië.
Buitenkrant Marnix Pieten
CÜLLOQUIUM V i s s e r i j , h a n d e l en p i r a t e r i j : Vissers en v i s s e r s n e d e r z e t t i n g e n in en rond h e t N o o r d z e e g e h i e d in de M i d d e l e e u w e n en l a t e r Visserij, handel en piraterij Vissers en vissersnederzettingen in en rond het Noordzeegebied in de Middeleeuwen en later
21-23 november 2003 Museum Walraversijde Nieuwpoortsesteenweg 636 8400 Oostende - België
21-23 nüvemb«r 2003 Museum Walraversijde
9 oktober 2003 - 8 februari 2004 Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel
Doel Inzicht verschaffen in de huidige kennis van maritieme milieus uit de Middeleeuwen en later; het belang van een holistische benadering daarvan en de plaats van de archeologie daarin onder de aandacht brengen. Bijdragen tot een duurzaam beheer van het erfgoed van vissers, ondermeer met het oog op toekomstig onderzoek. De site Walraversijde kan op dit vlak als voorbeeld gelden. Het uitzonderlijk belang van Walraversijde ruimere bekendheid geven, zowel nationaal als internationaal. Bijdragen tot het ontstaan van een internationaal netwerk van musea en andere instellingen rond vissers en visserserfgoed uit de Middeleeuwen en later, en bij uitbreiding het maritiem erfgoed. Het is tevens de bedoeling dat dit colloquium geen éénmalig initiatief blijft maar overgenomen wordt door het netwerk.
Doelpubliek Onderzoekers, beheerders, beleidsverant-woordelijken en allen die begaan zijn met onderzoek van of beleid rond vissers, vissersmilieus en visserserfgoed in en rond het Noordzeegebied uit de middeleeuwen en later. Programma vrijdag 21 november - 9.00-10.00: onthaal en registratie - 10.00-10.15: openingstoespraak door de voorzitter, gouverneur Paul Breyne - 10.15-11.00: Prof. Dr. Frans Verhaeghe, VUB,'Medieval fishing
Nieuwpootlsesteemveg 636 8400 Oostende eelg,e
communities and their material culture: queries and issues' -11.00-11.30: Dr. Marnix Pieters, IAP/BR0N, 'The material environment of Walravenside and other fishing communities along the Flemish coast' - 11.30-12.00: Dr. Charles Kightly, York, 'From evidence to physical reconstruction: Recreating late-medieval Walraversijde' - 12.00-13.00: broodjeslunch -13.00-15.00: Geleid bezoek aan het Museum Walraversijde -15.00-15.30: Dr. Dries Tys, VUB, 'Expressions of power in a marginal landscape? The social, economie and political context of the 15th century fishermen's village of Walraversijde' -15.30-16.00: Dr. Harold Fox, University of Leicester, 'Medieval fisheries along the coast of South Devon (England). • 16.00-16.30: pauze - 16.30-17.00: Dr. Jan Parmentier, Universiteit Gent, 'Haring of kabeljauw. De evolutie van de visserij in Oostende en Nieuwpoort tijdens de 18de eeuw' • 17.00-17.30: Drs. Willem LanszweertNationaal visserijmuseum Oostduinkerke, 'Wat Uslandvaarders vertelden'
B 1 1 M N E N K R A N T
1
-17.30-18.30: Receptie aangeboden door de Provincie West-Vlaanderen -20.00: Colloquium Dinner Programma zaterdag 22 november -9.00-9.30: onthaal - 9.30-10.00: Prof. Dr. Lars Ersgard, University of Lund, 'Organization of fishing in southern Scandinavia during the Middle Ages and early Modern Times' -10.00-10.30: Drs. Jochen Meyer, Braedstrup, 'Fishing in the western Baltic Sea in the Middle Ages -New excavations and investigations' - 10.30-11.00: Drs. Ian Riddler, Stratton (Cornwall), 'MedievalDover and the North Sea' -11.00-11.30: pauze - 11.30-12.00: Drs. Gaston Van Bulck, Mechelen, '0, wil verhoren onze bee voor hen die zijn in nood op zee.Hemelse hulp als cultuurelement van de vissersgemeenschap, ook te Walraversijde - 12.00-12.30: Prof. Dr. Wim Van Neer, KUL, Ü Dr. Anton Ervynck, IAP/BR0N, 'The late medieval heyday of Flemish marine fishery: a fish-eye view' - 12.30-13.30: broodjeslunch -13.30-14.00: Dr. James Barrett, University of York, 'Excavations at Quaygrew, Orkney, Scotland, and the growth of the medieval fish trade' - 14.00-14.30: Drs. Karel Vlierman, voormalig NISA-medewerker, 'Laatmiddeleeuwse vissersschepen uit de Zuiderzee' - 14.30-15.30:Prof. Dr. Frans Verhaeghe, VUB, 'Conclusions and discussions' -16.30-17.30: Bezoek aan de Amandine, de laatste Oostendse IJsland-vaarder Programma zondag 23 november: Excursie Oostduinkerke-KoksijdeDunkerque - 9.00: vertrek vanuit Oostende - 9.30: bezoek aan het 'Nationaal Visserij-museum Oostduinkerke'. Geleid bezoek aan het museum en tijdelijke tentoonstelling rond de Ijslandvaart door conservator Willem Lanszweert met o.a. toelichting over de uitbreidingsplannen van het museum. Het museum omvat
o.a. een authentieke visserswoning van omstreeks 1900. -11.00: vertrek naar Dunkerque (France) voor geleid bezoek aan 'La petite chapelle', een typische visserskapel die dit jaar 600 jaar bestaat - 12.30: lunch - 14.00: vertrek naar de Duinenabdij te Koksijde voor een geleid bezoek aan het volledig vernieuwde museum - 17.00: terugkeer naar Oostende met voorziene aankomst om 17.30 uur
Inschrijving a. 65 euro per persoon voor het dagprogramma van 21 en 22 november 2003, inclusief catering pauzes en lunches, inclusief facultatief bezoek aan de Amandine, inclusief referatenboek (mededeling: 'colloquium' + namen personen). b. 50 euro per persoon voor de 'colloquium diner' (mededeling: 'diner' + namen personen). c. 40 euro per persoon voor de excursie op 23 november 2003 (mededeling 'excursie' + namen personen). Neem hiervoor contact op met de organisatoren. Organisatoren Provincie West-Vlaanderen Het provinciaal museum Walraversijde belicht de leefwereld van de laatmiddeleeuwse vissersgemeenschap Walraversijde. Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP/BR0N) De Vlaamse wetenschappelijke instelling die instaat voor het onderzoek van het archeologisch patrimonium. De beheerstaken werden overgeheveld naarde administratie. Vrije Universiteit Brussel, Vakgroep Kunstwetenschappen en Archeologie (VUB) Deze vakgroep verricht sinds enige tijd heel wat doorgedreven onderzoek in het Vlaams kustgebied van het middeleeuws en latere erfgoed en dit zowel vanuit de geschreven als de materiële bronnen. Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) Het coördinatie-, informatie- en datacentrum met betrekking tot het zee- en kustwetenschappelijk onderzoek in Vlaanderen.
Voorzitter: Paul Breyne, Gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen Wetenschappelijke leiding: Prof. Dr. Frans Verhaeghe en Dr. Marnix Pieters Secretariaat: Glenn Gevaert, Provinciedomein Raversijde, Museum Walraversijde. Nieuwpoortsesteenweg 636, 8400 Oostende, Tel.: +32 59 70 22 85, Fax:+32 59 51 45 03, E-mail: glenn.gevaert® west-vlaanderen.be
Thalia Green 1
FORD R F G I N T Z I I I M T W E E D F F F U W M F T DF r O N S F R V A T I O N GRANTS Ford Motor Company organiseert dit jaar voor de 21 s t e keer op rij de "Conservation Grants". De automobielproducent verdeelt opnieuw Euro 30.000 onder de winnaars ter ondersteuning van projecten die bijdragen tot natuurbehoud, cultureel erfgoed, technologieën voor milieubescherming en jeugdinitiatieven. Bijzonder aan deze editie is dat Ford zijn honderdste verjaardag viert en dat er wordt gekozen voor een nieuwe digitale aanpak. De projectinschrijvingen verlopen namelijk volledig on line. Vanaf dit jaar zorgt Creative Communication voor de coördinatie van de wedstrijd in België en Luxemburg. Elke deelnemer maakt kans om een deel van zijn project gefinancierd te zien. In totaal wordt 30.000 euro verdeeld voor België (met een maximum van 7.500 euro. per project) en 7.500 euro voor Luxemburg. Ingestuurde projecten moeten voor meer dan 75% voltooid zijn. Bij de beoordeling zal de jury rekening houden met vijf factoren: bruikbaarheid en praktische toepassing, toewijding. financiële behoefte, originaliteit en aantrekkelijkheid. Verder wordt er ook
B 1 N N E M K R A N T
•
gekeken naar het multiplicatoreffect, de draagwijdte en impact op de lokale samenleving en de betrokken partners.
f
•
1 1
Pierre-Yves
Kairis
Herman-J.
IN MEMORIAM IELENA DF BELDER-KOVACIC
KIK SYMPOSIUM Voor deelname kunnen kandidaten vanaf 15 september 2003 surfen naar www.ford2003grants.be. De inschrijvingen lopen van 15 september 2003 tot 10 november 2003. De prijsuitreiking is gepland voor eind januari 2004. Wilfried Backen - Directeur Public Et Governemental Affairs van Ford Motor Company (Belgium) NV : "Bij Ford zijn we erg trots om erkenning en ondersteuning te kunnen bieden aan individuen en groepen die gemotiveerd zijn om van de wereld een betere plaats te maken voor zichzelf en voor de generaties die nog volgen." De "Conservation Grants" werden in 1983 opgericht in de UK met de bedoeling mensen en organisaties aan te moedigen om maatschappelijk interessante initiatieven in het leven te roepen. De initiatieven moeten betrekking hebben op het behoud van de natuur, cultureel erfgoed (in de ruime zin), technologieën voor milieubescherming of jeugdprojecten voor één van deze categorieën door jongeren niet ouder dan 18 jaar. Enkele voorbeelden van mogelijke projecten zijn: • Natuur: organisatie van ecologisch verantwoorde wijnteelt, zwembaden die gereinigd worden door middel van planten i.p.v. chloor,... • Cultuur: de restauratie van een watermolen, begijnhof, bidkapel • Technologieën: innovatieve projecten omtrent afvalbeperking, originele recyclage, uitvindingen voor natuurbehoud of energiebesparing,... Jeugdprojecten: een groep jongeren die een bos willen aanplanten,...
van den Bossche
1
Op woensdag 10 december 2003, zal het Kunsthistorisch seminarie van het KIKnr. 4, worden georganiseerd. Dit symposium zal: "Vijfentwintig jaar navorsingen in België over de Vlaamse Primitieven", als titel hebben. De beste Belgische werkgroepen zullen de resultaten van hun navorsingen net als hun toekomstperspectieven komen meedelen. Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium gebruikt deze jaarlijkse bijeenkomst om een stand van zaken over een bepaald onderwerp op te maken en aldus de onderlinge gedachtewisseling te bevorderen.
Net 78 geworden, overleed op 31 augustus barones Jelena de Belder-Kovacic tijdens een vakantie aan de Adriatische kust in Kroatië. Met mevrouw de Belder verdwijnt één van de meest enthousiasmerende en beslagen botanica's van onze tijd. Haar inzet werd gehonoreerd met het vice-voorzitterschap van de Royal Horticultural Society, dat zij nog steeds bekleedde. Met haar man Robert en schoonbroer Georges, zorgde zij voor (her-)opbouw en de internationale uitstraling van het Arboretum Kalmthout, hetgeen in 1984 resulteerde in een vermelding in de lijst van de tien topcollecties wereldwijd van de International Dendrological Society. De lijst van planten die in het Arboretum van Kalmthout door hun toedoen werden geïntroduceerd of ontstonden, is indrukwekkend.
Gratis inschrijven (maar verplicht voor alle deelnemers) en inlichtingen: http://www.kikirpa.be (rubriek Departement Documentatie/ Seminaries van het KIK). Contact: cvriel.stroo(a)kikirpa.be Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium streeft ernaar in verbinding te blijven met de gespecialiseerde navorsers in België en tegelijkertijd de NITC een impuls te geven. Daarom beheert het KIK de gegevensbank Belgian Art Links and Tools (http://balat.kikirpa.be). Deze site omvat namelijk een repertorium van de betrokken kunsthistorici met hun onderzoeksdomein en hun belangrijkste publicaties. De navorsers die geïnteresseerd zijn, kunnen zich inschrijven door antwoord te geven op de vragenlijst voorgesteld op de site. Voor het bijwerken, contacteer: alat®kikirpa.be
! j
i
Voor meer informatie: Inge De Clerck Creative Communication Tolstraat 16 - B-2000 Antwerpen Tel: 03/248 73 62 - Fax: 03/248 86 16 mfo®creativecommunication.be •
De wereldvermaarde auteur van dendrologische standaardwerken, Gerd Krussmann, vermeldt dat de familie de Belder op hun landgoed 'Hemelrijk' in Essen de grootste private collectie van houtachtige planten om zich heen verzamelde, met tal van voor onze gewesten zeldzame plantenfamilies, -geslachten en -soorten. Op het domein van 107 ha legden Jelena, Robert en Georges onder meer een indrukwekkende en oogstrelende woodland garden aan. Het Arboretum Kalmthout bezit een van de rijkste hydrangea-collecties van Europa. Met hun veredelingswerk op de pluimhortensia (Hydrangea paniculata) schreven Robert en Jelena de Belder tuingeschiedenis. De Hydrangea paniculata 'Unique' uit 1958, zorgde voor een omwenteling binnen de soort. Maar ook de toverhazelaars waren voorwerp van hun begenadigd kruisingswerk. Van de vijfentwintig mooiste cultivars van Hamamelis zijn meer dan de helft afkomstig uit Kalmthout. Daaronder de naar haar genoemde Hamamelis x intermedia 'Jelena'. De Hamalis-wan-
•
B 1 N N E N K R A N T
delingen in januari en februari trekken jaar na jaar bewonderaars uit de hele wereld. Maar het ging haar om meer dan enkel de botanica en de plantenveredeling. Jelena de Belder-Kovacic was ook een esthetica die samen met schoonbroer Georges het Arboretum en 'Hemelrijk' omtoverde tot fraai ogende lusthoven. Hun samenwerking met de befaamde Engelse landschapsarchitect Russell Page, die vriend aan huis was, leidde zowel in het arboretum als in 'Hemelrijk' tot ongelofelijk mooie, 'natuurlijk' ogende plantencombinaties, waarbij het algemeen beeld van de tuinen toch niet 'onrustig' is, zoals dat in collectieaanplantingen veelal het geval is. Samen met haar man was zij in 1953 medeoprichter van de Belgische Dendrologische Vereniging en zij lag mee aan de basis van de vzw 'Open Tuinen', die er toe bijdraagt dat meer dan 200 privé tuinen in België op gestelde weekends kunnen worden bezocht. Jelena de Belder-Kovacic was ook erelid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, na eervol ontslag uit de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen waarvan zij van 1970 tot 1985 lid was. Zij betoonde zich ten aanzien van historische parken en tuinen een fervente verdediger van de geschikte cultuurplant of cultuurvariëteit op de juiste plaats en van de introductie van nieuwe, verbeterde variëteiten. De leden van de beheerscommissie Boekenbergpark herinneren zich ongetwijfeld de levendige discussies in de vroege jaren 80 in het kader van het beheerplan voor het Boekenbergpark in Deurne tussen haar en de leden van de werkgroep Boekenbergpark, die toen meer geporteerd waren door de (re-)introductie van de natuurlijke plantenrijkdom. Over leven en werk van Jelena de Belder verscheen enkele jaren geleden een boek 'Het leven begint in de herfst' (Uitg. Lannoo/Terra,Tielt/ Waansveld, 1998, ISBN 90-209-3481-3).
Marjan
BuyU
INTFRNATIONAIF BRK-APROA STUDIEDAGEN De p r o b ml e m a t i e k v a n d( de v e r n i s s e n in c o n s e r v a t i e restauratie PROGRAMMA VAN DE STUDIEDAGEN • Donderdag 20 november 2003 - 9.00: Inschrijving en koffie - 9.45: Verwelkoming door de voorzitter van de BRK-APROA Bernard Delmotte en de vice-voorzitter Christian Copet Zittingsvoorzitters:Ma'm de Winiwarter en Marjan Buyle Bodil Holstein (Denmark), Reconstruction of historical coatings, a mix of european and overseas products Jaap Boonstra (Nederland), Veroudering van schellak-politoervernissen naar 19de-eeuws recept Manfred Koller (Austria), Baroque gilding and varnishing techniques Ursula Baumer Et Johann Koller (Deutschland), Transparent varnishes on wood surfaces of the baroque and rococo periods (18th century) Vragenronde - 12.30: Lunch - 14.00: Zittingvoorzitter: Gompen
Michael van
Antoine Amarger (France), Vernis sur métaux. Utilisations anciennes et utilisations modernes de couches transparantes de protection sur oeuvres métalliques Patrick Storme (België), Conservatorische aspecten van vernissen op blanke en gecorrodeerde metalen voorwerpen - 15.15: Koffie/Café - 15.45: Christine Cession en Jana Sanyova (Belgique), Anciennes recettes de dorures et argentures et les consequences sur la restauration Bogumila Rouba en Jacek Stachera (Poland), Firnissen zum Schutz versilberter Oberflachen Vragenronde - 17.00: Einde/Fin de la journée • Vrijdag 21 november 2003 - 9.00: Ontvangst en koffie
- 9.45: Zittingvoorzitter: Masson
Pierre
Aleksandra Pill (Estland), Present criteria of choice and use of varnishes in conservation of polychrome sculptures and paintings Krystyna Wazgird (België), Testcases van de keuze van vernis in schilderijenrestauratie Edgar Pill (Estland), The use of modern varnishes in reconstruction of 18th century panel paintings Maartje Stols-Witlox (Nederland), Slotvernissen op Hollandse olieverfschilderijen 1600-1900, gebaseerd op geschreven bronnen Vragenronde - 12.30: Lunch - 14.00: Zittingvoorzitter: Dijck
Linda Van
Thomas Bertrand (Belgique), Le bilan des recherches sur les connaissances des vernis dans le domaine des luthiers Ilse Van den Bogaert (België), Verwijderen van vernislagen op papier: een domino-reactie - 15.15: Koffie/Café - 15.45: Liliane Masschelein (Belgique), Vernir et dévernir, un cycle vicieux René de la Rie (Nederland/USA), Problematiek van traditionele en moderne restauratievernissen voor schilderijen Vragenronde, conclusies en receptie
Congrestalen: Nederlands, Frans, Engels. Simultaanvertaling naar de landstalen is voorzien. Inschrijvingen uitsluitend met antwoordkaart, vóór 1 november 2003 De inschrijving is slechts geldig na overschrijving van het juiste bedrag op rek.nr. 068-2083185-40 op naam van de BRK-APROA, met vermelding: uw naam + studiedagen Leden BRK/APROA en MftL: 80 € ; anderen: 160 € ; laatstejaarsstudenten Hogeschool Antwerpen en La Cambre (andere studenten volgens beschikbare plaatsen): 70 € Inbegrepen: toegang tot de twee studiedagen, koffies, lunches, simultaanvertalingen, receptie, tweetalige publicatie van de postprints (worden nagestuurd)
B 1 1 \ N E N K R A N T
De studiedagen gaan door op 20 en 21 november 2003 in het Auditorium Hadewych, Hendrik Consciencegebouw, Albert ll-laan 15,1210 Brussel (vlakbij Noordstation) Parkeergelegenheid onder het gebouw; Treinstation: Brussel Noord; Metro: Rogier of Noordstation Inlichtingen, programma en inschijvingskaart: Marjan Buyle, MÖL, Koning Albert ll-laan 19, 1210 Brussel. E-mail: marieanne.buvle@lin.vlaanderen.be De studiedagen worden georganiseerd met de steun van de Afdeling Monumenten en Landschappen, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Voor nadere inlichtingen en een schriftelijke versie van de voorwaarden kunt u contact opnemen met onderstaand adres. Uw inzending kunt u ook naar dit adres sturen. Secretariaat TIMS Nederland en Vlaanderen p/a Leo van der Drift Groothertoginnelaan 174 B N L - 2 5 1 7 EV Den Haag Tel. 31 70 3460885 e-mail: leo.diederik@consunet.nl
Suzanne Van AerschotVan Haeverbeeck
VERKLARING V A N BOFDAPEST RFTRFFFFNDF Leo van der Drift
PIlRIirATIFPRMS L I . HF K R A M F R De vereniging voor molinologie TIMS Nederland en Vlaanderen looft voor de tweede maal een publicatieprijs, genaamd 'IJ. de Kramer-prijs' ter waarde van 2000 euro uit aan de auteur(s) van een recente publicatie of een manuscript met een wezenlijke bijdrage aan de verdieping van de molinologische kennis binnen het Nederlandse taalgebied. De vereniging beoogt hiermee het molinologisch onderzoek en de publicatie van onderzoeksresultaten te stimuleren. Alleen studies die op eigen, origineel onderzoek zijn gebaseerd, dingen mee. Gegadigden dienen zich schriftelijk te melden bij het secretariaat vóór 1 mei 2004 onder bijvoeging van drie exemplaren van hun werk. Een deskundige jury zal de inzendingen beoordelen en de winnende studie selecteren. De uitreiking van de prijs is voorzien op zaterdag 27 november 2004.
De precieze voorwaarden kunt u vinden op onze website
HET WERELDERFGOED 2002 is het jaar van het Cultureel Ergoed van de Verenigde Naties, 2002 herdenkt ook de dertigste verjaardag van de Conventie ter bescherming van het cultureel en natuurlijk Werelderfgoed, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van UNESCO in 1972. Tijdens de voorbije dertig jaar is gebleken dat de Conventie een uniek instrument vertegenwoordigt voor internationale samenwerking in zake bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van uitzonderlijke universele waarde. De z.g. Verklaring van Boedapest, werd daarom door het Werelderfgoedcomité bekrachtigd. 1. Als leden van het Werelderfgoedcomité, erkennen we het universele karakter van de Conventie van het Werelderfgoed van UNESCO (1972); haar toepassing op het erfgoed in al zijn verscheidenheid lijkt ons dan uiteraard noodzakelijk evenals haar taak als om in te staan voor de duurzame ontwikkeling van alle gemeenschappen op basis van dialoog en wederzijdse verstandhouding. 2. De goederen opgenomen in de Werelderfgoedlijst vertegenwoordigen een rijkdom die ons wordt toe-
vertrouwd om die over te leveren aan de volgende generaties als legitieme erfgenamen ervan. 3. Het behoud van dit gemeenschappelijk erfgoed zien we als een enorme uitdaging en daarom: a) moedigen we de landen aan die de Conventie hebben nog niet hebbengeratificeerd, dit zodra mogelijk te doen en meteen ook gebruik te maken van de andere voorhanden internationale instrumenten afgestemd op het behoud van het cultureel en natuurlijk erfgoed in al zijn verscheidenheid; b) roepen we de Lidstaten van de Conventie op tot het inventariseren en het voorstellen voor opname in de Werelderfgoedlijst van het in aanmerking komend natuurlijken cultureel erfgoed in al zijn verscheidenheid; c) zullen we erop toezien dat een behoorlijk evenwicht wordt behouden tussen conservatie, duurzaamheid en ontwikkeling om aldus het Werelderfgoed te beschermen; hiertoe dienen passende acties te worden voorzien die zullen bijdragen tot de sociale en economische ontwikkeling en tot de levenskwaliteit van onze maatschappij(en). d) zullen we ons gezamenlijk inspannen om de bescherming van het erfgoed te behartigen, hierbij wijzend op het feit dat elke aantasting van dit erfgoed ook een aantasting betekent van de menselijke geest en van het gemeenschappelijk erfgoed van de menselijkheid; e) zullen we het Werelderfgoed verdedigen en hiertoe de nodige voorlichting en communicatiemiddelen inschakelen met aandacht voor opvoeding, onderzoek, opleiding en sensibilisatie; f) zullen we op alle niveaus de actieve medewerking van de lokale gemeenschappen bewerkstellingen om het Werelderfgoed te identificeren, te beschermen en te beheren. 4. Als Comité van het Werelderfgoed, zullen we met alle partners samenwerken om het Werelderfgoed te steunen. Daarom roepen we alle geïnteresseerde partijen op om mee te werken aan de uitvoering en de promotie van volgende doelstellingen:
B 1 N 1 M E N K R A N T
a) het consolideren van de geloofwaardigheid van de Lijst van het Werelderfgoed als representatief en geografisch evenwichtig getuigen van de culturele en natuurlijke goederen van uitzonderlijke universele waarde; b) het verzekeren van een doelmatig behoud van het Werelderfgoed; c) het bevorderen van doeltreffende maatregelen die de capaciteitsontwikkeling verzekeren om aldus het begrijpen en het implementeren de erelferfgoedconventie te stimuleren en dit met inbegrip van te verlenen assistentie bij het uitwerken van de dossiers voor de inschrijving op de Werelderfgoedlijst; d) het ontwikkelen van voorlichting en communicatiemiddelen om het publiek te sensibiliseren voor het Werelderfgoed en hiertoe zijn medewerking en steun aan te aan te wakkeren. De op gang gebrachte activiteiten om deze doelstellingen te bereiken en ons engagement na te komen zullen worden geëvalueerd tijdens onze 31ste sessie van 2007. Boedapest, 28 juni 2002 (Officiële tekst in het Frans en in het Engels)
Suzanne Van AerschotVan Haeverheeck
BELGIË. 4 IAAR I IDMAATSCHAP VAN HFT WFRFL DFRFGOFnrOMITF Bij het einde van de 27ste vergadering van het Werelderfgoedcomité te Parijs 30 juni - 5 juli 2003 heeft België, zoals vooropgesteld bij zijn verkiezing in 1999, bekend gemaakt dat het zijn mandaat na vier jaar ter beschikking stelt. Zo krijgen andere landen de kans om in het comité te zetelen. De Conventie van het Werelderfgoed (1972) omschrijft nauwkeurig de taken en bevoegdheid van dit Comité waarvan de 21 leden verondersteld
zijn de verschillende regio's en culturen van de wereld te vertegenwoordigen. Tot de voornaamste opdrachten van het comité horen het op punt stellen en verspreiden van de lijst van het cultureel en natuurlijk Werelderfgoed. Als basis dienen de obligate indicatieve lijsten en de specifieke dossiers waarin de door het comité bepaalde criteria ter erkenning van de uitzonderlijke universele waarden worden bewezen. De inschrijving betekent meer dan een vrijblijvende eretitel of een toeristisch lokmiddel vermits ze de betrokken lidstaat ertoe verplicht dit uitzonderlijk erfgoed behoorlijk te onderhouden, zijn omlijnde bufferzone te respecteren en het geheel op zinvolle wijze "te ontsluiten" en te promoten in educatief en cultureel toeristisch perspectief. Het comité volgt de toestand van het werelderfgoed op. Ingeschreven cultureel en natuurlijk erfgoed dat wordt bedreigd door reëel gevaar, veroorzaakt door de mens of de natuur - als o.m. verwaarlozing, gedeeltelijke of volledige afbraak, gewapende conflicten of grote branden, aardbevingen, overstromingen, stormen en windhozen - , kan worden opgenomen in de voortdurend geactualiseerde lijst van het bedreigde Werelderfgoed dat momenteel 35 sites telt. Dergelijke inschrijving betekent niet zozeer een blaam voor de betrokken lidstaat maar is eerder bedoeld als een signaal en een mogelijkheid om beroep te doen op de door het Werelderfgoedfonds voorziene internationale bijstand van financiële en/of technische aard. Budgetten, vormen van bijstand, beheer van het Werelderfgoedfonds en het bepalen van prioriteiten voor de nodige interventies moeten het comité worden voorgelegd voor bindend advies. Voor elke beslissing is een meerderheid van twee derde van de aanwezige en stemmende leden noodzakelijk. Dagelijkse werkzaamheden, voorbereidingen en opvolging van de vergaderingen worden waargenomen door het secretariaat van het Werelderfgoedcentrum op de UNESCO zetel in Parijs. Tijdens de vergaderingen van de laatste vier jaar - Marrakech, Marocco (1999), Cairns, Australië (2000), Helsinki,
Finland (2001), Boedapest, Hongarije (2002) en Parijs (2003) - is de aanwezigheid van de Belgische delegatie met haar ambassadeur en vertegenwoordigers van de monumentendiensten van de drie gewesten niet onopgemerkt gebleven. Constanten in de opmerkingen en bezorgdheid van de delegatie waren zowel van formele als inhoudelijke aard. Vier jaar lang werd gepleit voor betere en snellere communicatie tussen secretariaat en Comité en vereenvoudiging van de 'papiermolen', o.m. door te voeren dankzij e-mail en website. Een aanzienlijke bijdrage betekende het splitsen van de verslagen van de Comitévergaderingen in een deel gewijd aan de getroffen beslissingen en een deel waarin de bijdragen en opmerkingen van de leden van het comité zijn opgetekend: dit systeem werd voor het eerst toegepast voor de 26ste sessie te Boedapest (2002) waar onze Waalse collega, Bénédicte Selfslagh als verkozen verslaggever optrad. Over de hele lijn werd verder aandacht besteed aan een correct gebruik van de werktalen Frans en Engels, rekening houdend met de specifieke vaktermen en het bestaande jargon, losvan gallicismen en 'englicismen'. Inhoudelijk werd de nadruk gelegd op een correcte interpretatie van de Conventie en de door haar gestelde criteria voor de het opnemen van cultureel en natuurlijk erfgoed in de beide lijsten. Bij het beoordelen van de aanvragen tot inschrijvingen werd steeds gepleit voor de na te streven representativiteit van de Werelderfgoedlijst, en dit zowel geografisch als typologisch en chronologisch. Zo werd o.m. in Cairns (2000) de kandidatuur van het Nederlandse voorstel ondersteund voor het Utrechtse Schröderhuis van G.T. Rietveld (1924) als voorbeeld van "Jong erfgoed": hetzelfde geldt voor de inschrijving in Parijs (2003) van de "Witte stad in Tel-Aviv (1930 - 1939) als getuigen van het modernisme. Anderzijds werd o.m. ook het opnemen van de van Chileense kerken van Chiloe als getuigen van universeel vakmanschap en interpretatie in de streekeigen architectuur volledig onderschreven. Informatie en
B 1 N 1 N E N K R A N T
participatie van de plaatselijke bevolking tijdens het inschrijvingsproces en haar betrokkenheid bij onderhoud en restauratie en mogelijk hergebruik van ingeschreven erfgoed werden o.m. te Marrakech (1999) en Boedapest (2002) door de delegatie openlijk aanbevolen, hierbij refererend aan het noodzakelijke maatschappelijke draagvlak voor een degelijke en constante erfgoedzorg. De herhaaldelijke opmerkingen en vragen om een verantwoord hanteren en ontleden van de bestaande lijsten hebben allicht bijgedragen tot de beslissing de adviserende organismen - ICOMOS en IUCN - de opdracht te geven deze grondig te bestuderen en te analyseren om minder vertegenwoordigde of ontbrekende aspecten aan te duiden en om aldus, in de toekomst, het nagestreefde evenwicht te benaderen. Op het betere gebruik van de indicatieve lijsten werd ook herhaaldelijk teruggekomen; het doorlichten van deze lijsten waarin de lidstaten hun toekomstige voorstellen formuleren zou verhinderen dat bepaalde dossiers ronduit worden geweigerd omdat ze bijvoorbeeld niet voldoen aan de criteria, geen uitgesproken "universeel karakter" bezitten of al te vaak of op meer relevante wijze voorkomen op de Werelderfgoedlijst... Een ietwat meer uitgewerkte 'format' voor het indienen van items voor de indicatieve lijst zou een betere, onmiddellijke evaluatie toelaten en zo nodig meteen een negatief advies uitlokken. De beslissing in Parijs (2003) om de indicatieve lijst via de web-site publiek open te stellen laat alle lidstaten voortaan toe in zekere mate de kansen van hun voorstellen na te trekken. De werkgroep van de Belgische delegatie heeft ook constructief meegewerkt aan de herziening van de Handleiding ter implementatie van de Conventie. Ook hier werd aangedrongen op duidelijkheid in het formuleren of herformuleren van o.m. criteria, richtlijnen enz. en zijn een aantal voorstellen opgenomen in de herziene versies. Over het algemeen werd gepleit voor haalbaarheid bij vereisten in verband met beheer en de nood-
zaak hierbij rekening te houden met de nationale, regionale en lokale mogelijkheden, gebruiken en tradities. Gepoogd werd de neiging tot escalatie en het opdringen van o.m. Angelsaksische beheermethoden in zekere zin te relativeren, rekening houdend zoals gezegd met de realiteit en de nagestreefde, 'universele' representativiteit van de lijst waarin ook het erfgoed van minder bedeelde en georganiseerde landen moet kunnen worden opgenomen. Tijdens de 27ste sessie te Parijs (2003) is de definitieve herziening van de handleiding bij gebrek aan tijd niet echt aan bod gekomen: voorstellen, amendementen enz. moeten nu aan het secretariaat worden bezorgd voor 15 oktober e.k. Onze werkgroep zal in dit kader in de loop van september zijn opmerkingen verzamelen en formuleren maar niet meer kunnen doorwegen op beslissingen nu het Belgische mandaat is verlopen. Wat bijzonder werd geapprecieerd door eenieder is dat vanaf de verkiezing in oktober 1999 geen enkel nieuw inschrijvingsvoorstel werd ingediend door ons land, dit als consequent gevolg van onze vraag om Europese aanvragen te beperken of zelfs tijdelijk op te schorten. Sinds het ratificeren van de Conventie in 1996 zijn de drie gewesten er wel in geslaagd om de achterstand in te halen: innoverende dossiers als o.m. de Vlaamse Begijnhoven, de Belforten van Vlaanderen en Wallonië, de scheepsliften van de Canal du Centre, herenhuizen van V. Horta werden bijtijds met succes door het toenmalige Bureau en Comité geloodst. Tijdens de periode van het mandaat heeft het Vlaamse gewest wel zijn geactualiseerde en aangevulde indicatieve lijst ingediend bij het Werelderfgoedcentrum en ze aanvaard gezien tijdens de sessie van Boedapest (2002). Sinds juni 2003 telt de Werelderfgoedlijst 754 sites van uitzonderlijk universeel belang, hiervan zijn er 582 culturele, 149 natuurlijke en 23 gemengde. Om de toename en een mogelijke inflatie in zekere zin tegen te gaan is het aantal inschrijvingen voortaan
globaal per jaar beperkt en per reeds vertegenwoordigd land herleid tot één item. België heeft hiermee ingestemd maar ook tegelijk voorgesteld de indicatieve lijst UNESCO zelf te valoriseren en te promoten. Het feit dat ze voortaan toegankelijk is betekent allicht een stap in die richting. Hoe dan ook, zonder mandaat in het Comité, kan België met zijn drie gewesten en werkgroep zijn constructieve en kritische rol blijven spelen in overleg met andere delegaties en in het bijzonder met deze van de Comitéleden. Daarnaast zal Vlaanderen ook in de toekomst via het Unesco/VlaanderenTrust-fonds de werking van het Comité blijven ondersteunen. Zo is er op dit ogenblik een project in samenwerking met de Raad van Europa om de periodieke rapporten voor Europa digitaal aan te maken en te werken rond een informatiebeheersysteem voor de Arabische regio. Door zijn verplichte bijdrage aan het Werelderfgoedfonds wordt de solidariteit met alle lidstaten van de Conventie en hun ingeschreven sites verder gezet. In eigen land en gewest kan de inschrijving van een aantal sites als Werelderfgoed fungeren als motor voor hun degelijke benadering, ontsluiting en algemene waardering en als stok achter de deur voor hun verplicht zorgvuldig behoud in samenwerking met de verantwoordelijke overheden en de hele bevolking.
Nuttige referenties. 1. Voor gegevens over de Conventie van het Werelderfgoed, de Werelderfgoedlijst enz. Zie http://whc.unesco.ora fl Engels). 2. Voor gegevens omtrent het Werelderfgoed in Vlaanderen zie www, monument.vlaanderen.be. met indicatieve lijst onder rubriek Krant/ Vijf Vlaamse sites op de indicatieve lijst van UNESCO/ 25.06.02/ Tekst dossier opvragen en de themasites over het Vlaamse werelderfgoed.
M&L
citaat
"De villa is wanstaltig, dat merkte de architect pas toen zij eenmaal af was, hij hing zich op zonder een laatste briefje of telefoontje naar zijn nabestaanden. Zou ik ook doen. Geen gezeur."
Uit "Een andere keer" van Hugo Claus.
Het clublokaal
:
VAi^^
1
op de tweede
^^ÊÊÊÊ
, Jf
verdieping
•1
(La Technique des Travaux, nr. 7
1
1 |j,
dïll."" tó? ^ ^ H ^
m •r • M
1J
JM
lii f •
Het type dat Jasinski na deze overwegingen zelf als ideale oplossing naar voor schoof was een luchthavengebouw in L-vorm, of in zijn bewoordingen van het type "l'angle mort" (15). Stelde men zich in een visueel schema de vluchtbewegingen voor, die de vliegtuigen bij het landen en opstijgen in de vier windrichtingen maakten, dan verkreeg men een cirkel. Uit deze vaststelling leidde Jasinski af dat de cirkel dan ook de perfecte basisvorm voor het vliegveld moest zijn. Het is trouwens opvallend hoeveel inzendingen van de gelijktijdige Lehigh Airports Competition eveneens van dit principe vertrokken (16). De luchthavengebouwen moesten dus bij voorkeur worden opgetrokken in de zones die bui-
•
—
• ^
type, dat vanaf de rand van het vliegveld met de punt naar het centrum gericht was en waarvan Lyon-Bron door Antonin Chomel en Pierre Verrier eveneens uit 1930 een voorbeeld was, had als nadeel dat ook hier beide flanken van het gebouw de zichtbaarheid op de grond hinderden. Het rechtlijnige type tenslotte, een balkvormig gebouw aan de rand van het vliegveld zoals in Haren of het eerste Berlin-Tempelhof door Klaus en Peter Engler uit 1926-1929, kwam als het meest elementaire maar plastisch ook het minst interessante uit de bus. Het hield bovendien in dat de afstanden tussen de verschillende diensten onderling per definitie groter werden, met bijgevolg kostbare tijdverlies voor zowel personeel als reizigers.
1931)
HHHHHHH
|M„|
1
v
f
\
^
^ '^l^.
i
ten de omtrek van deze cirkel lagen, en daardoor nooit door de vliegtuigen werden benut, 'l'angle mort'. De cirkelvorm van het vliegveld gaf ook de ideale vorm van het luchthavengebouw aan, het gebogen amfitheater, zoals in Hamburg-Fuhlbüttel door Friedrich Dyrssen en Peter Averhoff uit 19261929. Jasinski gaf echter ruiterlijk toe dat hij van deze formule had afgezien omwille van de niet onaanzienlijke besparingen die het bouwen met rechte lijnen bood, ten opzichte van een architectuur met gebogen lijnen. De oplossing van cirkel en 'angle mort' werd noodzakelijkerwijze ingegeven door de stedelijke context in het Europa van toen, waar de zeldzame open ruimte in de stedelijke rand onherroepelijk ingesloten werd door fabrieken, spoorwegbermen, telefoonlijnen, kerktorens en zomeer, wat de mogelijkheden tot de uitbouw van een luchthaven volgens de toen geldende normen aanzienlijk beperkte. In het verstedelijkte Deurne was dit uiteraard niet anders. De essentie van de luchtvaart bleef hoe dan ook het opstijgen en landen. De veiligheid van deze operatie, vrij van acrobatieën, gold als essentiële voorwaarde voor elk architectuurconcept. Hoe elegant en vederlicht een vliegtuig in volle vlucht ook leek, eens op de grond werd het een onhandig vehikel, "M« oiseau pataud, l'albatros de Baudelaire' zoals Jasinski het zelf verwoordde, dat geen capriolen meer toestond (17). Luchthavens met een heldere dispositie droegen dan ook de voorkeur weg van de piloten.
A De grote hal, huidige toestand (Foto Niels Donckers)
De grote hal gezien vanop het gelijkvloers
(La Technique des 1931)
M&L
Het concept van een moderne luchthaven was onvoorwaardelijk onderworpen aan de onvoorspelbare technische evolutie van het vliegend materieel. Zelfs de meest gedurfde toekomstvoorspellingen waren in de nog jonge luchtvaartgeschiedenis slechts van korte duur gebleken. In dit besef riep Jasinski op te breken met de traditie die in het verleden de monumentaliteit van met name de openbare architectuur had bepaald, gebaseerd als ze was op de notie 'definitief'. De notie 'voorlopig' die er het antecedent van was, zag hij niet in de betekenis van een 'voorbijgaand' maar juist in de betekenis van een 'toekomstgericht' principe. Hoe kon trouwens de definitieve vorm van de luchthaveninfra-
structuur worden bepaald, als die van het vliegtuig nog niet eens vastlag. Het luchthavengebouw dat hij voor Deurne ontwierp, combineerde daarom een organische met een functionalistische visie op de architectuur, tot een gebouw dat Jasinski bestempelde als een "vertebre' (18). Hiermee doelde hij op het embryonale en modulaire karakter van het luchthavengebouw, ontworpen om zich onbeperkt te multipliceren op het groeiritme van de stad en van het luchtverkeer. Deze formule die een duurzame uitbreidbare constructie combineerde met een flexibele invulling volgens de noden van het moment, kwam naar eigen zeggen tegemoet aan een expliciete eis van het wedstrijdprogramma (19). Flexibiliteit en uitbreidbaarheid was overigens een vaste vereiste bij zowat alle wedstrijden en opdrachten voor luchthavengebouwen uit die periode. In wezen kent het luchthavengebouw van Deurne een driehoekige structuur, samengesteld uit drie modules verdeeld over drie bouwlagen, die aan een drievoudige functie beantwoorden. De centrale module is voorbehouden aan het 'commando' van de luchthaven, de controle van de passagiersstromen en vluchtbewegingen. De linkermodule is het domein van de passagiers, met een concentratie van alle afgeleide diensten. De rechtermodule groepeert
de diensten voor het goederenvervoer. De groepering van de lokalen beantwoordt aan een functionalistisch circulatieschema. Laten we een passagier volgen die in de vroege jaren 1930 het gebouw betreedt om zijn plaats in het vliegtuig te bereiken. Meerdere tochtportalen in de hoekrotonde geven toegang tot de grote hal, de draaischijf van de interne circulatie. Deze inventieve ruimte neemt door de centrale inplanting van de trap een schijnbaar polygonale vorm aan. Deze vorm wordt doorgetrokken in de omlopende galerijen van de bovenverdiepingen, die worden afgesloten door een doorlopende beglazing in fijn stalen raamwerk. Deze sluit aan op het bovenlicht, gevormd door een cassettenplafond met dezelfde modulering, gevuld met 'béton translucide'. De overvloedige lichtinval, de strakke lijnvoering en het spiegelend effect van de beglazing veroorzaken een optische illusie, die een bevreemdend, 'kubistisch' ruimtegevoel opwekt. De hal gaat in de linkervleugel over in de lokettenhal, waar de verschillende luchtvaartmaatschappijen die op Deurne vliegen kantoor houden en tickets afleveren. Hierbij sluit het cafetaria aan, met een restaurant op de galerij, waar de wachtende reiziger of bezoeker kan verpozen met uitzicht over de drukte op het vliegveld. De dubbele middengang aan weerszijden van de trap in de grote hal, vormt de enige doorgang naar en van het vliegveld volgens volledig gescheiden looprichtingen. Tussen beide en aan weerszij bevinden zich onontkoombaar de controleposten van politie, douane, inscheping en taksen. Deurne gold namelijk als grensluchthaven met strenge richtlijnen ter preventie van smokkel en ongeoorloofd personenverkeer. Na alle formaliteiten te hebben vervuld bereikt onze reiziger de gebetonneerde inschepingszone of apron die stijlvol wordt opgefleurd door plantsoentjes in een geometrisch patroon. Hier wachtte het vliegtuig, in die dagen allicht een driemotorige dubbeldekker van het type Handley Page W 8 of een Fokket F VIII. Enkel toegankelijk voor het luchthavenpersoneel is de bovenverdieping van de middenvleugel, die volledig wordt ingenomen door de commandopost, het zenuwcentrum van waaruit het doen en laten op de luchthaven wordt gecontroleerd. Hierboven op sluit de volledig beglaasde, koepelvormige controletoren aan die de as van het gebouw accentueert. De commandopost wordt omringd door lokalen bestemd voor de meteorologische, radiotelefonische en radiotelegrafische diensten, en staat via buizenpost in verbinding met het ganse complex. De lange beglaasde luchtbrug die boven een open doorgang de commandopost rechtstreeks verbindt met de vliegtuigloods, om ten allen
A Kantoren van de
(La Technique des
verschillende luchi-
Travaux, nr. 7
vaartmaatschappijen
1931)
op het gell|l<vloers
• De kantoren der luchtvaartmaatschappijen, huidige toestand (Foto Niels Donckers)
tijde en in alle weersomstandigheden het vliegend materieel te kunnen inspecteren, gold indertijd als een primeur. De bovenverdieping van de passagiersvleugel biedt voorts ruimte aan een beperkte hotelaccommodatie met zeven kamers, die gestrande reiziger gelegenheid biedt tot overnachting. De tweede verdieping, die zich beperkt tot de ruimte boven de hoekrotonde en de grote hal, is het do-
1VI&L
Advertentie van het buffet-hotel in de Imkervleugel van het luchthavengebouw, rond 1935
mein van de Club d'Aviation d'Anvers, die er over een ruime gelagzaal beschikt. Ons imaginair bezoek eindigt op het dak van het luchthavengebouw, dat volledig is uitgerust als dakterras, bereikbaar via afzonderlijke buitentrappen. Zoals in LondonCroydon, Berlin-Tempelhof en Hamburg-Fuhlsbüttel boden deze dakterrassen een ideale en veilige tribune tijdens de frequent georganiseerde vliegmeetings, die telkens op massale publieke belangstelling konden rekenen. Niet alleen zorgden deze activiteiten voor extra inkomsten, die het nog al te beperkte aantal passagiers moesten compenseren. Voor de democratisering van het luchtverkeer was er ook geen betere propaganda denkbaar, zij het dan dat zoals ook elders de toeschouwersmassa via aparte buitentrappen angstvallig gescheiden werd van de daadwerkelijke vliegende elite, en dit allicht niet alleen om veiligheidsredenen (20).
LUCHTHAVEN
ANTWERPEN
AKROPORT
E«l/Ml op hei Mrile «idleo ial'e » mang'i - ttr »»qt
Twee aspecten die even bepalend zijn voor de architectuur van het luchthavengebouw hebben rechtstreeks betrekking op de techniek en de evolutie van het luchtverkeer. De luchthaven van Deurne kwam tot stand in een periode waarin van vluchtbegeleiding door radioverbinding nog geen sprake was. Waar de piloten voor de navigatie nog gebruik maakten van kaartmateriaal, waren zij bij het landen aangewezen op het blote oog. De herkenbaarheid van de luchthaven vanuit het luchtruim was daarom uiteraard van kapitaal belang. Voor de afbakening van de landingsplaats bij dag en nacht golden internationale richtlijnen. Midden op het vliegveld bevond zich een signalisatiecirkel met de lettercode van de stad in zes meter hoge karakters, en een om zij as draaiende pijl die de door de wind bepaalde landingsrichting aangaf. Het architecturaal concept van het luchthavengebouw kon echter evenzeer bijdragen tot de zichtbaarheid, een feit ^ waar Jasinski terdege rekening mee hield. De beVooraanzicht van de langrijkste factor was de bewust compacte L-vorm vhegtuighangar van de constructie. Deze werd nog versterkt door (Foto Niels Donckers) de gestroomlijnde lijnvoering, die overbodige detail en onnodig reliëf vermeed, en door de egaliserende witte bepleistering. Het credo van het modernisme als versmelting van vorm en functie vond hier een ideale toepassing. Het dak van de vliegtuigloods was bovendien bedekt met aluminium, wat een enorm lichtweerkaatsend vlak opleverde. Als baken bij nacht was de controletoren zoals een vuurtoren voorzien van een draaiende schijnwerper met een zichtbaarheid tot 70 a 80 km. Hogerop gaf een rode lamp in morsecode de lettercode van Antwerpen aan. Bovendien waren in de dakterrassen in L-vorm stroken uitgespaard, gevuld
M&L
BUFFET-HOTEL l urhlhavni van Antwn-po 1 ' WO, t'l 1 K M . Tr.mnOU Kol i .hi, . l.i ie . Thpe - BouiHuTi Cnmiquf - Wafel . Vitoom Iticr - 1 tmorudp - Horlo. Kood «o Warm Midda«mul -: Malie* PrijMM ilot dM tntctoplngiVMf do Luchth»«ii i»n Actwerp».
BUFFETHOTtL - — H* i'Atroport d ' A n r c n —— \» tl DismUlk I » URNI Irwn n» I6 C«M - Chocolir*V"TM - Bouillon CnmtqtK • Ottifre - Cr^mr Ri«rfe H'frf - Limnnjilir - l'orto I- Dr-jrun^r. Froidt r l CtiBwdi -: Pris modAi-i* 1 te \ui '% re dfnbirauement it fléropotl
met 'beton translucide', waardoor de na valavond aanwezige interieurverlichting van het gebouw naar buiten kon uitstralen. Zoals reeds aangehaald bepaalde het wedstrijdprogramma expliciet dat het luchthavengebouw moest berekend zijn op toekomstige groei. In het concept van Jasinski kwam dit wellicht het duidelijkst tot uiting in het ontwerp van de vliegtuigloods, die was
opgebouwd uit vaste modules van telkens 50 m lengte. Hieraan konden naar believen bijkomende modules toegevoegd worden. De eindgevel was geconcipieerd als een mobiel membraan, dat telkens kon worden opgeschoven als voorlopige nieuwe sluiting van de toegevoegde modules. In praktijk werd slechts één module gerealiseerd. Maar ook in de structuur van het luchthavengebouw zelf was een te voorzien uitbreidingsplan reeds op organische wijze ingecalculeerd, en wel in twee richtingen. Dankzij de hoekinplanting bestond de mogelijkheid enerzijds de L-vorm met name aan de zijde van de passagiersvleugel door te trekken. Anderzijds kon de driehoekslijn gevormd door de centrale as van de middenvleugel voorwaarts in de richting van het vliegveld uitgebouwd worden. Het spreekt vanzelf dat Jasinski hierbij, geheel in de lijn van zijn denken, een warm pleidooi hield voor het gebruik van gestandaardiseerde materialen en constructietechnieken. Eén onderdeel van Jasinski's programma, dat vooral het comfort van de reizigers ten goede was gekomen, werd door de luchtvaartadministratie geschrapt. In plaats van de gebruikelijke luifel die
de passagiers bij het in- en ontschepen moest beschutten, opteerde hij voor een tunnel van de vertrek- en aankomsthal naar het open veld. Aldaar zou de tunnel worden afgesloten door hydraulisch bediende luiken, die net vóór het opstijgen of na het landen van het vliegtuig zouden worden opengeklapt. Het was slechts één van de methodes voor beschut in- en ontschepen waarmee in die dagen met wisselend succes werd geëxperimenteerd.
VERGETEN LUCHTVAARPIONIFR Na amper tien jaar activiteit werden de lijnvluchten vanuit Antwerpen omwille van de oorlogsdreiging in 1939 opgeschort. Tijdens de Duitse bezetting deed het vliegveld vanaf 1941 dienst als test- en doorvoerbasis van de nabijgelegen Erla-fabrieken, waar Messerschmitts werden hersteld en vliegklaar gemaakt. Hiertoe werd het luchthaventerrein uitgebreid, en werd een betonnen startbaan aangelegd. Ook diende het als uitvalsbasis voor de 'Battle of Britain'. Het luchthavengebouw was al die tijd met nepgevels en puntdaken gecamoufleerd als een huizenrij. Bij hun aftocht in 1944 bliezen de
Binnenin de hangar voor vliegtuigen (Foto Niels Donckers)
• De luchthaven n de |aren '50. De schijnwerper/ morsesem werd bij latere verbouwingen verwijderd
Duitsers de vliegtuigloods op. De Royal Air Force gebruikte de luchthaven vervolgens als basis voor de controle van het luchtruim boven bezet Nederland, en als tussenstop voor vluchten van en naar Duitsland. Pas in september 1946 werd de luchthaven opnieuw overgedragen aan de Belgische Staat. De periode die daarop volgde werd gekenmerkt door een veelheid aan initiatieven die met wisselend succes de luchthaven opnieuw tot leven trachtten te brengen. Zij konden echter niet verhinderen dat de centralisatiepolitiek van de regering alleen zorg droeg voor de expansie van de Nationale Luchthaven in Zaventem, ten koste van de regionale luchthavens. Deze kroniek van zowat een halve eeuw zou ons echter te ver voeren. Vandaag staat de luchthaven onder voogdij van het Vlaamse Gewest. Tot voor het faillissement van
SABENA in 2001 werden dagelijks zestien lijndiensten verzekerd, naast vracht- en zakenvluchten, waarbij het luchthavengebouw jaarlijks 300.000 passagiers te verwerken kreeg.
mmmmmmmmmmmmmmmmmmmmmmmm
Tot de vroege jaren 1980 bleef het luchthavengebouw grotendeels intact. De dakstructuur van de vliegtuigloods, met zijn 50 m lange vakwerkligger, was reeds bij de ingebruikname na de oorlog naar de oorspronkelijke plannen heropgebouwd. De oorspronkelijk controletoren was kort daarop, in 1951, vervangen door een modern exemplaar. Vermoedelijk verdween in deze periode ook het bovenlicht in translucide beton van de grote hal, en werd de open doorgang onder de luchtbrug gedicht. Bij de recente verhoging van de controletoren uit 1951, werd het destijds behouden oorspronkelijke lichtbaken met zoeklicht en morsesein gedemonteerd, met de bedoeling het als museumstuk te bewaren. MüüaittaMMMÉÉBatMMkMHMMaaaMiaAaMMM
De laatste twintig jaar werden zonder ai te veel plan tal van renovatiewerken uitgevoerd, die op sluipende wijze de oorspronkelijke bouwsubstantie aantastten. Tot de meest destructieve ingrepen behoorden het vervangen van de stalen ramen door afwijkende aluminium ramen met een zwaarder profiel, en het verwijderen van de terracotta dorpels en dekstenen. Andere ingrepen zijn omkeerbaar, zoals de roofing bekleding van de betonnen luifels, en het grote aantal geprefabriceerde aanbouwsels her en der. De algehele structuur van het interieur bleef grotendeels bewaard, zij het in ruime mate gereorganiseerd en heringericht. Ronduit storend zijn de centrale lift in de grote hal, het nieuwe decor van de cafetaria, en de woekering van kabelgoten, buizen, signalisatieborden en commerciële displays. De oorspronkelijke structuur van het interieur met verplaatsbare wanden en balies, het binnenschrijnwerk en de vloeren waren sinds lang verdwenen, met uitzondering van een aantal opaalglazen bollampen in de grote hal.
7AKENI[JCHTHAVFN VOOR DF TOEKOMST, MONÜMFNT OF BFIDF? O m de luchthaven van Deurne voor de nabije toekomst te profileren als een efficiënte en comfortabele regionale luchthaven, werd in 2000 opdracht gegeven tot de ontwikkeling van een masterplan. Een jaarlijks passagiersaantal van 500.000 eenheden werd als richtgetal gehanteerd, verwijzend naar de zowat 25.000 bedrijven in de Antwerpse
agglomeratie, waarvan 1500 actiefin de diamantsector. Behoud van de kleinschaligheid, punctualiteit, snelheid en klantvriendelijkheid in de dienstverlening stonden hierbij voorop. Het masterplan voor de luchthaven van Deurne werd opgenomen in de Open Oproep van de Vlaamse Bouwmeester voor de periode 2000-2001, en uiteindelijk toegewezen aan de architectenbureaus BaumschlagerEberle+Grassmann (Itten-Brechbühl) en FDA architecten & ingenieurs (Antwerpen). Dat van de ingediende projecten dit het meest nadrukkelijk de herwaardering van het oude luchthavengebouw bepleit, zal allicht in de beoordeling hebben meegewogen. Schaduwzijde is nochtans dat deze zorgzame omgang enkel de 'representatieve' delen geldt, en niet de vliegtuigloods die resoluut verdwijnt. In het masterplan Baumschlager-Eberle+ Grassmann en FDA architecten & ingenieurs wordt de opwaardering van de luchthaven, om voor de hand liggende redenen van economische integratie en toekomstgerichte rentabilisering, gekoppeld aan de projectontwikkeling van de directe omgeving tot kantoor- en hotelzone. Het oude luchthavengebouw wordt binnen dit schema tot zijn oorspronkelijk volume teruggebracht en met behoud van de hoofdstructuur herbestemd tot vertrekzone. Ter plaatse van de vliegtuigloods en binnen dezelfde perimeter verreist een elf verdiepingen hoge kantoortoren, met de aankomstzone op de begane grond.
is (21). Enig nationaal chauvinisme niet te na gesproken had Pierre-Louis Flouquet het wel degelijk bij het rechte eind wanneer hij Deurne ogenschijnlijk overmoedig uitriep tot één van de beste luchthavens van Europa. Het in één adem vernoemde
Berlin-Tempelhof
en
Hamburg-Fuhls-
büttel werden inmiddels - het eerste nog in de jaren 1930, het tweede nog maar pas - gesloopt...
FINDNOTFN (1) GHOOSj.D., 75 jaar Luchtvaart Antwerpen, Antwerpen, 1984. (2) BRAEKEN J., Architectuur voor het luchtruim. Boutven aan een Nationale luchthaven, M&L, 1997, 3, p. 30-62. (3) DE LIGNE J., Le concours f our l'aéro-port de Deurne, L'Emulation, 1929, 10, Supplement p. 73-80. (4) Alle pogingen ten spijt kon tot op heden geen spoor worden teruggevonden van enig archiefstuk met betrekking tot de architectuurwedstrijd of de bouw van de luchthaven, noch in de betreffende overheidsarchieven, noch in de archieven van de betrokken architecten. Het architectuurarchief van Stanislas Jasinski raakte na zijn dood verspreid. Het archief van Victor Bourgeois in de Archives d'Architecture Moderne bevat geen enkel document met betrekking tot zijn deelname aan de wedstrijd. In het archief van Karel Van Riel in het Provinciaal Architectuurarchief Antwerpen doken recent enkele bijkomende foto's op van het winnende ontwerp. (5) CL, Quelques notes de notre rédacteur après sa visite a l'aérogare de Deurne, La Technique des Travaux, 1931, 7, p. 428. (6) GOYENS DE HEUSCH S., Stanislas Jasinski archhecte 19011978, Exposition Galerie Claude Jongen, Bruxelles du 15 novemhre au 15 décemhre 1979, Brussel, 1979. (7) Lejeune O., Autour duprix Van de Ven, Clarté, 1931, 7, p. 1-6. (8) FLAMENT J., L 'aérogare de Deurne, Clarté, 1932, 8, p. 9. (9) ZUKOWSKY J. (red.), Building for Air Travel, Architecture and
Luifel, huidige toestand
Design for Commercial Aviation, München- New York, 1996,
(Foto Niels Donckers)
p. 243. (10) BRAEM R., Bezoek Kring voor Bouwkunde aan Luchthaven Deurne, KMÜA., Deze visie gaat voorbij aan de vaststelling dat in Deurne naar functie, vorm en constructie bewust een
twee-eenheid
werd
nagestreefd
tussen
het
luchthavengebouw en de vliegtuigloods, die als drager geldt voor het vooruitstrevende karakter van dit
complex.
Uit
de internationale
workshops
Travaux, 1931, 7, p. 412-427. (12) FLOUQUET P.-L., L'invitation au voyage, L'aéroport, gare mondiale, Badr, 1933, 10, p. 376-383. (13) GESCHEIT H. en WITTMANN K.O. (red.), Neuzeitluher Verkehrsbau, Potsdam, 1931.
L'Europe de l'air, die op initiatief van de Raad van
(14) DUVALA.B., Les Pons aériens, L'Illustration, 17 augustus 1929.
Europa van 1999 tot 2001 achtereenvolgens in
(13) JASINSKI S., op. cit., p. 419.
Liverpool, Berlijn en Parijs rond het vooroorlogse
(16) Lehigh Portland Cement Company, American Airport Designs,
luchtvaarterfgoed werden georganiseerd, en waarop
New York-Chicago, 1930.
ook luchthaven van Deurne aan een select gezel-
(17) JASINSKI S., op. cit., p. 418
schap van internationale deskundigen kon worden
(18) JASINSKI S., op. cit., p. 419.
voorgesteld, is recent gebleken hoe uitzonderlijk en
(19) Het officiële wedstrijdprogramma kon tot op heden niet worden
tegelijk zeldzaam Jasinski's schepping wel degelijk
IVI&L
1930,6, p. 104.
(11) JASINSKI S., Le nouvel aéroport d'Anvers, La Technique des
teruggevonden.
Recente luchtfoto van het complex (copyright Guido Coolers NV)
(20) Zie hieromtrent ook het hoofdstuk Tribune oder Verkehrsbauwerk, in Voight W. Vom Flughahnhof zum Terminal, Flughafen Hamburg 1929-1999, Zurich, 1999, p. 31
Jo Braeken is thematisch onderzoeker bij i Afdeling Monumenten en Landschappen.
(21) SMITH P., TOULIER B., Berlin Tempelhof, Liverpool Speke, Paris Le Bourget, Années 30 Architecture des aéroports, Parijs, 2000.
1VI&L
Alain de Winiwarter
EEN TECHNIEK VAN DERESTAURATIE TOEPASSING OP TWEE BAROKKE BIECHTSTOELEN VAN DE KERK SA1NT-LOUP IN NAMEN
Het herstellen van ondeskundige vroegere restau-
Deze bijdrage stelt een, overigens vrij eenvoudige,
raties, met een ietwat ongelukkig gekozen term
restauratietechniek voor om deze ongewenste
ook 'derestauratie' genoemd, is voor de restaura-
producten van vroegere ingrepen te verwijderen.
teur meestal een ondankbare opdracht. Vaak is
Deze proefbehandeling werd uitgevoerd in de
namelijk aan het uniek kunstwerk al onherstel-
kerk van Saint Loup in Namen op twee biecht-
bare schade aangericht. Het decaperen van houten
stoelen, waarvan het snijwerk opvallende gelijke-
meubilair met loogzouten (natriumhydroxide) is
nissen vertoont met dit van de kerk van Kortenbos
één van die onverkwikkelijke behandelingen,
in Limburg, waarover enkele jaren geleden een
die resulteert in irreversibele degradatie.
artikel in M&L gepubliceerd werd.
DE KFRK VAN SAINT-LOUP EN HAAR BIECHTSTOELEN "Saint-loup diffère de tout ce que j'ai vu des Jésuites. L'intérieur d'un catafalque brode de noir, de rose et d'argent. Confessionnaux, tous d'un style varié, fin, subtil, baroque, une antiquité nouvelle. L'église du Béguinage h Bruxelles est une communiante. SaintLoup est un terrible et délicieux catafalque. Majesté générale de toutes ces églises jésuitiques, inondées de lumiere et grandes fenètres. Boudoirs de la religion, ..." uit Pauvre Belgique Bovenstaande uitspraak is van Baudelaire, die deze kerk bezoekt in het gezelschap van Félicien Rops. Deze Saint-Loup kerk in Namen geldt als één van de topmonumenten van de barokke architectuur en kunst in België, zowel door haar bouwkundige kwaliteiten als door haar kwaliteitsvol meubilair uit dezelfde periode. De kerk werd opgetrokken tussen 1621 en 1645 naar ontwerp van de jezuïet Pieter Huyssens, architect van de orde, die eveneens optrad als bouwmeester van de Sint-Carolus Borromeuskerk in Antwerpen en Sint-Walburgakerk — de voormalige Sint-Franciscus Xaveriuskerk in Brugge. De kerk in Namen wordt toegewijd aan
T Gezicht op de barokke voorgevel
Sint Ignatius in 1645, maar na de opheffing van de Jezuïetenorde in 1773 wordt ze parochiekerk en kiest dan Saint Loup als niewe patroon. De architectuur van het gebouw, kenmerkend voor deze periode, werd verrijkt met religieus meubilair dat echter veel minder bestudeerd werd. Het geheel getuigt van de geest van de contrareformatie, onder andere door de prominente aanwezigheid van talrijke biechtstoelen. Als reactie tegen de protestantse hervormers, schuiven het Concilie van Trente (1545-1563) en ook dat van Milaan (1565) de biecht, evenals de eucharistie, naar voren als belangrijke sacramenten. Ze geven ook nauwkeurige aanwijzingen voor het vervaardigen van specifiek kerkmeubilair: biechtstoelen en communiebanken. De verordeningen van het Concilie van Trente bepalen nauwkeurig waaraan het biechtmeubel moet beantwoorden en het vierde Concilie van Milaan in 1576 specificeert dit nog verder en maakt tussenschotten, een afdekking en deuren verplicht. Het nieuwe type reglementaire biechtstoel verschijnt hier in onze kerken pas na het Concilie van Mechelen in 1607. Vóór de contrareformatie werd er door de gelovigen veel minder gebiecht en ook was hiervoor geen specifiek meubilair voorzien. Deze boetedoening ging meestal door in het koorgestoelte. De jezuïeten waren fervente promotors van veelvuldig biechten en het succes van hun aansporing was zo groot dat er in veel kerken nog biechtstoelen moesten bijgemaakt worden. O p de
van de Saint loup kerk In Namen (foto 0. Pauwels) •*
Het gewelf In Maastrichtse tufsteen na reiniging (foto 0. Pauwels)
De kerk is al lange tijd in restauratie en het reeds uitgevoerde werk is omvangrijk. Na het herstellen van het dak werd het prachtig gewelf in Maastrichtse tufsteen volledig gereinigd, waardoor de kleur van natuurlijke oker opnieuw tevoorschijn kwam. Minuscule sporen van polychromie werden teruggevonden. Het is niet geweten wanneer deze afwerking verwijderd werd. De reinigings- en herstellingswerken aan het plafond namen veel tijd in beslag en waren niet zonder gevaar omwille van de fragiliteit van het materiaal.
TYPQIOGIF Men kan de biechtstoelen in Saint-Loup onderscheiden in drie verschillende reeksen, wat hun uitvoering en versiering betreft. In de eerste reeks domineert de structuur en is de decoratie vrij sober gehouden. De biechtstoel, aangeduid als S.2, behoort hiertoe. De tweede serie maakt gebruik van dezelfde basisstructuur waarop overvloedig guirlandes, maskers en putti, waarvan sommige in volreliëf, aanwezig zijn. S.3 is hiervan een mooi voorbeeld. De derde reeks is van jongere datum en de stijl ervan is verwant met het meubilair in Lodewijk XIV-stijl. Het geheel van de biechtstoelen in SaintLoup biedt aldus een overzicht van de meubeldecoratiestijlen tussen 1650 en 1740. ,j m Namen met de
dagen van algemene communie zetelden de prieso
o
r
twee gerestaureerde ters vanaf zonsopgang in hun biechtstoelen. In deze biechtstoelen context was de kerk van Saint-Loup met haar tien (oo . auwes) biechtstoelen goed uitgerust.
De typologische analyse van de eerste reeks biechtstoelen laat toe deze in verband te brengen met andere gestoelten zoals deze van de abdij van Floreffe.
T Biechtstoel S 2
na de reiniging met
Biechtstoel S.3 van
behorend tot de
de stoommethode
de tweede reeks,
Kortenbos
oudste reeks
(foto 0. Pauwels)
zeer verwant met
(foto 0. Pauwels)
van circa 1650,
de biechtstoelen van
het Limburgse
De tweede reeks maakt gebruik van dezelfde structuur, maar is overvloedig gedecoreerd. Deze serie vertoont heel duidelijke overeenkomsten met het gestoelte in de Sint-Jacobskerk in Antwerpen en het altaar van O.L.Vrouw van de Rozenkrans in de Sint-Pauluskerk aldaar. De verwantschap met de lambrisering met biechtstoelen van de O.L.Vrouwebasiliek in het Limburgse Kortenbos is zeer opvallend, vooral wat de getorste zuilen en de vlakke panelen met geprofileerde lijstendecoratie betreft. Qua thematiek en artistiek meesterschap zijn ze verwant met de producties van de Antwerpse ateliers, al valt in Saint-Loup een grotere originaliteit in het behandelen van de onderwerpen op. De versiering van de laatste groep en dus de jongste in datering, is verwant met Lodewijk XlV-meubilair. Dit harmonisch geheel van 10 biechtstoelen getuigt van het technisch en artistiek meesterschap van de Naamse meubelmakers van die tijd. Al dit houtwerk was van bij aanvang afgewerkt met een laag vernis.
•4 Detail van een biechtstoel na de "restauratie" door een Brugs atelier, gedecapeerd met loogzout en ingestreken met dikke waslagen, die wit uitgeslagen zijn (foto A. de Winiwarter)
Onderste gedeelte van een gecanne-
Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat het houtwerk tijdens de restauratiewerken aan het plafond veel geleden heeft. Wat de zaak nog verergerde, is dat ondeskundige (de term is zwak uitgedrukt) personen de lambrisering van de muur hebben verwijderd om het achterliggende metselwerk te kunnen saneren.
leerde zuil na Brugse "restauratie" (foto A. de Winiwarter)
VROEGERE BFHANDFUNfi De opdracht bestond in de recuperatie van twee biechtstoelen, gecatalogeerd onder de nummers S.2 en S.3, die zich al meer dan 20 jaar in een Brugs atelier bevonden. Het betreft de biechtstoelen gesitueerd tegen de oostmuur, in 2 e en 3 c positie te beginnen van het koor. Ze hadden niet geleden onder de recente werkzaamheden aan het plafond van de kerk, maar al spoedig zou blijken dat de Brugse 'restauratie' nog veel meer schade had berokkend. In 1974 werden de twee biechtstoelen gedemonteerd en naar een Brugs atelier vervoerd om er gerestaureerd te worden in de geest van die tijd, dus zonder grote bekommernis om de reversibiliteit. Ze werden gedecapeerd en ontbrekende stukken werden bijgesculpteerd. Bij het bestuderen van de biechtstoelen die zich nog in de kerk in Namen bevinden, kunnen we geen enkele reden bedenken om een dergelijke decapering van alle oorspronkelijke vernislagen te verantwoorden. Deze volledige
decapering werd uitgevoerd met natriumhydroxide (beter bekend als caligène), dat de eik onherstelbaar beschadigd heeft. De loogzoutkristallen zijn binnengedrongen tot in de microbarstjes van de eik en zetten daar hun vernielende werking voort. Het resultaat na enkele jaren is zeer karakteristiek: de houtporiën zijn ver geopend en vergroot, het hout is gebarsten en vertoont een pluisachtig aspect van
• Karakteristieke onomkeerbare degradatie na afloging: zwarte strepen in het eikenhout. De sculptuur met tiet hoofd is nieuw, en vertoont deze schade met (foto A. de Winiwarter)
groenachtige kleur en overal zijn karakteristieke donkere strepen in het hout te zien. Het houtwerk werd vervolgens overvloedig ingestreken met donkere was waarin waarschijnlijk een flink percentage siliconen. Wat de rest van de behandeling betreft, zoals de restauratie van de structuur en het bijsculpteren van ontbrekende onderdelen, dit is vrij behoorlijk uitgevoerd, al is de huidige restauratiedeontologie veel terughoudender met het bijmaken van verloren gedeeltes, zeker als deze figuratief zijn. De nieuwe sculpturen zijn gemakkelijk te herkennen aan hun kleur. Het hout is minder oud en heeft anderzijds geen decapering moeten doorstaan, dus vertoont het niet dezelfde beschadigingen als het originele hout. Wel vallen de bijgemaakte sculpturen op omdat ze minder vlot en meer gemaniëreerd overkomen dan de originele. Een volgende stap in de restauratiebehandeling was het reinigen van het houtwerk om deze nefaste effecten van de caligène deünmef stop te zetten. O m de beste methode voor het verwijderen van de was te bepalen, werden diverse oplossingstests uitgevoerd, onder andere met white spirit (en zelfs een
• De nieuwe delen zijn minder vlot gesneden dan de oorspronkelijke (foto A. de
w
¥^1H ««•^Br^ni^v- m
w
.
•
W /¥//\ ^%M
Winiwarter)
m
A Het verwijderen
noch detergenten
van de waslaag
(foto A. de
met stoom,
Winiwarter)
zonder solventen
• Detail vóór behandeling (foto A. de Winiwarter)
Detail vóór behandeling (foto A. de Winiwarter)
De stoom verzacht de was. die een verwijderbare witte
emulsie vormt (foto A. de Winiwarter)
Gelijkaardig detail na het verwijderen van de waslagen (foto A. de Winiwarter)
proef met terpentijn). Deze twee solventen verzachten de was lichtjes na 30 minuten op omgevingstemperatuur. De efficiëntie van de behandeling wordt vergroot door het verhogen van de temperatuur. Bij het opwarmen van de was zonder gebruik van solvent, gaat deze ook over van vaste naar vloeibare toestand. Maar in dit geval dringt de was nog dieper in het hout, hetgeen uiteraard niet de bedoeling is. Na de nodige proeven en bedenktijd werd geopteerd voor een verwijderen van de was met stoom, zonder gebruik van solventen noch detergenten. Zuiver water in de vorm van stoom lost de was niet op, maar verzacht deze. De reactie van water met deze verzachte was vormt echter een witachtige emulsie, die niet in het hout doordringt en kan weggespoeld worden met zuiver water. Deze behandeling met stoom onder druk heeft het bijkomend voordeel dat ze eveneens de overblijvende kristallen van caligène, die in de poriën achterbleven, verwijdert. Dit effect wordt bekomen zonder mechanische interventie, zonder het gebruik van borstels (zelfs geen zachte), die onvermijdelijk het
reliëf van het hout nog meer zouden geaccentueerd hebben. Tijdens deze proeven bleek echter dat sommige onderdelen voordien al behandeld waren met een harde borstel, die de zachtere delen zwaar heeft ingesleten (normaal zijn het de reliëfs en de voorgrondmotieven die slijtage vertonen). Deze degradatie van het hout was gedeeltelijk gemaskeerd door een dikke laag was, die waarschijnlijk met deze bedoeling was aangebtacht.
Na het reinigen moet het drogen progressief gebeuren om elke spanning in het hout te vermijden. Het hout wordt op geen enkel ogenblik in water ondergedompeld en het bevochtigen is zeer oppervlakkig. Het beste bewijs daarvan is de zeer goede toestand van de verlijmingen. Er werden op geen enkel moment harde noch zachte borstels gebruikt. De druk van de stoom is voldoende om de minste hoeken, barsten en poriën van het hout vrij te maken.
De verschillende onderdelen werden gereinigd in verticale positie. Het witachtig oppervlak wordt door inwerking van de stoom als snel bruin (de kleur van het hout). Men moet even aandringen om alle was om te zetten in deze grijsachtige emulsie, die men daarna met zuiver water kan wegwassen. Het werk moet zeer systematisch uitgevoerd worden om geen enkele zone met was over te slaan. De kleur van het hout zonder de was lijkt zeer sterk op de kleur bekomen na een eerste stoombehandeling. Alleen door het gedrag van waterdruppels op het behandeld oppervlak te bestuderen, kan men vaststellen of alle was verwijderd is.
Als besluit van deze behandeling kan gesteld worden dat dit vermoedelijk de meest geschikte manier is om een oude waslaag te verwijderen, dit natuurlijk in de ideale omstandigheden waarvan wij geprofiteerd hebben: gedemonteerde lambriseringen overgebracht naar een atelier. O m verschillende voor de hand liggende redenen, is een dergelijke reiniging moeilijk in situ uit te voeren: problemen met reiniging, onmogelijkheid om al het water te evacueren en bijgevolg minder efficiënte droging, zonder nog te spreken over de accumulatie van waterdamp in de kerk. We herinneren eraan dat het hier niet ging om het reinigen of afdunnen van de waslaag, maar om het volledig verwijderen ervan om het hout te kunnen reinigen en de nefaste werking van de caligène stop te zetten.
• Het eindresultaat
confrontatie van
laag op basis van
van de behandeling
een zuil m Korten-
verdunde lakgom
van de lambnsermg
bos (links) met
(foto A. de
in Kortenbos stond
onderdelen van
Winiwarter)
model voor het
Saint Loup, met en
gewenste effect:
zonder afwerkings-
BFSCHERMINGSLAAn Het is allerminst onze bedoeling om deze werkwijze te veralgemenen, maar in het geval van deze twee reeds gedemonteerde en verplaatste biechtstoelen was dit proces uitermate doeltreffend en zonder enige schade aan het hout. Het hout waarvan alle wasresten verwijderd zijn en dus helemaal ontvet is, moet beschermd worden tegen hygrometrische variaties, vetvlekken (door onoordeelkundige manipulatie) en ophoping van roet en stof. De kerk wordt regelmatig gebruikt voor culturele evenementen en we hadden de gelegenheid om een ploeg schoonmakers tegen te houden die de communiebank net een beurt wilden geven met een mirakelproduct! Het leek ons dus onontbeerlijk om een beschermlaag aan te brengen, al was het onze initiële opdracht om de biechtstoelen zonder afwerklaag te laten in afwachting van de eenvormige behandeling van de andere 8 biechtstoelen Na verschillende proeven en in correlatie met de bestaande afwerklagen op de andere biechtstoelen, hebben we een beschermlaag voorgesteld op basis van zeer verdunde lakgom (30%). Het betreft een niet gefilterde lakgom, die een natuurlijk gehalte
aan was heeft van ongeveer 5%. Deze concentratie hebben we zelf nog licht verhoogd. De courante benaming van deze vernis is madne, die het voordeel heeft om een minder glanzend oppervlak te bekomen en een soepelere dankzij de aanwezigheid van was in de samenstelling. De inbreng van kleur is miniem door de zeer geringe dikte van de vernis. Daarentegen beschermt de matine het hout en reactiveert haar natuurlijke kleur. De hechtingskracht van matine, zelfs op een geboend oppervlak, is veel groter dan deze van een gewone lakgom. De stalen van behandeld houtwerk geplaatst naast delen van andere biechtstoelen van Saint-Loup zijn lichter en minder rood van tint. Waarschijnlijk werd bij aanvang het hout eerst gekleurd voordat men er de vernis op aanbracht. Proeven in het atelier hebben aangetoond dat het heel gemakkelijk is om deze matine voorafgaandelijk te tinten en dit met veel precisie en zo nodig alleen lokaal, dankzij het gebruik van alcoholtinten die met de aërograaf worden verdeeld. Er werden ook proeven uitgevoerd met een andere beschermlaag, bestaande uit een laag zeer verdunde lijm (5 a 10%) op het hout, die het voordeel heeft dat ze het hout helemaal niet kleurt en dat ze de tint van 'blote' eik behoudt. Deze methode is zeer aangewezen wanneer men de heel lichte tint van eik wil behouden (het in Brugge gerestaureerde houtwerk vertoonde een kleur die lichtjes groenachtig was, maar het procédé, waarmee dit effect bereikt werd, leek ons niet erg aangewezen!). Deze lijmlaag werd, naar verluidt, vaak aangebracht vlak vóór het schilderen of vernissen, maar zou in dit geval een oppervlak vormen dat zeer gevoelig is aan water en dat riskeert om het opgehoopte stof op onherroepelijke wijze te fixeren, vooral omdat in dit geval de uitvoeringstermijn van de afwerking van het geheel moeilijk te schatten is.
HERMQNTAGE Het hermonteren van het houtwerk dat ons werd toevertrouwd (165 geïnventariseerde delen) stelde geen probleem. De zeer summiere plannen hebben ons echter genoopt tot een eerste proefmontage in het atelier, vooraleer de definitieve hermontage in situ. We hebben, om de verschillende onderdelen te bevestigen, de oude nagelgaten herbruikt, maar de nagels vervangen door vijzen in inoxydabel staal. IJzer oxideert namelijk in contact met de looizuren van de eik, hetgeen latere demontering altijd be-
r. ->.•/
f 'ik
^.^
e
moeilijkt. De nagels waren voorheen aan het zicht onttrokken door eiken tappen. We hebben van deze bijzonderheid gebruik gemaakt. De optree, die rond de hele kerk loopt, was uitgevoerd volgens de aanwijzingen van de Brugse restaurateur en vertoont geen rigoureus plan. We hebben een systeem van spieën op punt gesteld om de niveauverschillen en het gebrek aan rechtheid te compenseren. Bovendien moest het houtwerk aansluiten op de moulures van de marmeren zuilen. Het is nu wachten op de restauratie van de overige biechtstoelen van dit merkwaardige interieur en het aanbrengen van een uniforme beschermings- en afwerkingslaag, die aan het geheel zijn oorspronkelijke luister zal teruggeven.
RIBLinfiRAFIF
., Getorste zuilen / ;. >•
bmnenaanzicht
- oAVCHAU B., Les confessionnaux et Ie banc de communion de l égli-
,-,
se Saint Loup, in Les jésuites a Namur 1610-1773. Mélanges d'his- (foto 0. Pauwels) toire et d'art publiés a l'occaswn des anniversaires ignatiens, Namen, 1991, p. 209-223. - BUYLE M., VANTHILLO C. en VANDENBORRE H., Hout in dienst van de ideologie. De restauratie van het meubilair van de OnzeLieve-Vrouwbasiliek te Korten bos, in M&L, jg. 15, nr. 3, p. 29-37. - PONCELET A., Histoire de la Compagnie de Jésus dans les anciens Pays-Bas, z.d., z.p. - VAN DAMME J., Het htechtgestoelte van de Antwerpse Sint Pauluskerk in M&L, jg. 15, nr. 3, 1996, p. 38-49. -VANDEN BEMPDEN Y., L'église Saint-Loup et Ie mohilier de l'église Saint-Loup (Département d'Histoire de 1 Art et dArchéologie - FUNDP - www.fundp.ac.be)
(vertaling uit het Ftans door Marjan Buyle)
De behandeling van deze twee biechtstoelen werd uitgevoerd door de auteur Alain de Winiwarter, in tijdelijke vereniging met het atelier Art Restauration van Francois Carton, Denis Taquin en Olivier Delroisse.
en
Alain de Winiwarter is zelfstandig van meubilair.
Detail van de zuil na de reiniging, zonder afwerkingslaag (loto 0 . Pauwels)
restaurateur
Rob Buelens en Chris Van Haesendonck
EEN BEVEILIGDE EXPOSITIERUIMTE VOOR DE ZILVERCOLLECTIE VAN DE ONZE-L1EVE-VROUWEKERK VAN AARSCTHOT
De kunstkamer van Aarschot (foto 0. Pauwels)
Een aantal
kerken beschikt over een
dat de vergelijking middelgroot
of een groot museum
kan doorstaan.
De collegiale
kerk van Aarschot, bedevaarts-
met de collectie
kunstbezit
personeelsbestand
van een gemakkelijk
Onze-Lieve-Vrouwe-
is een voorbeeld
opdracht.
van
dan ook levensnoodzakelijk.
beveiligd.
kunstcollec-
van de deelcollectie
tie die in de loop der tijden meer dan
behoorlijk
"De zilvercollectie.
is gebleven.
Voor de conservatie
beheer moet deze kerk het, zoals andere
of een
aan haar
museale
van externe expertise is In dit artikel
belichten
zoals deze werd ingericht
We bespreken de vaste
zo'n bedehuis met een hoogwaardige
bewaard
aangepast
Het rekruteren
we de kunstkamer
met haar rijk verleden als
en kapittelkerk,
rooien zonder een organisatiestructuur
edelmetaal
en
opstelling
onder de titel
Permanente
tentoonstelling".
en het
We stellen eveneens de verzameling
en de
kerken,
gekozen opties voor de presentatievorm
voor.
FFN MUSEAIF RUIMTF IN EEN MONUMENT, OiJm PRO OiJO? Na werkzaamheden aan het exterieur van de kerk van 1971 tot 2000, werd beslist om in het interieur vloerverwarming te plaatsen en om een apart vertrek als permanente expositieruimte voor de zilverschat in te richten. Vooral door toedoen van pastoor Leopold Deleu en de schatbewaarder Flor Trappers startte het zoeken naar een potentiële expositieruimte voor de rijke collectie edelmetaal van niet minder dan 200 geïnventariseerde stukken, geïnventariseerd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel. Deze idee werd gedeeld door de Afdeling Monumenten en Landschappen, die als beleidsoptie in uitzonderlijke gevallen een gedeelte van een monument inricht als een expliciet museale ruimte. Deze 'kunstkamers' zijn geen stapelruimten voor het volledige bezit, maar er wordt een keuze enkele uitgelezen voorwerpen in tentoongesteld in speciaal op maat gemaakte kasten waarin deze volledig tot hun recht komen. Zo wordt de vereiste van beveiliging gecombineerd met de wens om de objecten op een esthetische manier aan de geïnteresseerde bezoeker te tonen. De kunstkamers in de Sint-Pauluskerk te Antwerpen en in de Sint-Salvatorskathedraal in Brugge dienden tot voorbeeld.
In de kerk van Aarschot kwamen vier vertrekken in aanmerking: drie naast de zijkoren en een ander bij het transept en de zijbeuk. De keuze viel op de ruimte langs de noordelijke transeptarm, behorend T De Onze-LieveVrouwekerk in Aarschot (foto 0. Pauwels)
tot de derde bouwcampagne uit de tweede helft van de 14 e eeuw. Tot het jaar 2000 was deze in gebruik als bergkamer voor textielen - kazuifels en andere liturgische gewaden - en als opbergplaats voor kaarsen. Dit klein en sfeervol vertrek, 4 meter hoog en 5,5 meter lang op 4,5 meter breed, bevindt zich drie treden boven de begane grond en heeft een tongewelf, voorzien van een aantal ijzeren haken. Drie vensters met traliewerk kijken uit op de straat. Er zijn een haard, een steektrap naar de kelderverdieping, en niet minder dan acht muurnissen, waarvan één lavabonis en één brandkast. Het lokaal is bereikbaar vanuit de zijbeuk via een met ijzerbeslag verstevigde 15 e eeuwse deur en vanuit het transept. Bovendien is er in de vloer een kelderluik. Tegen de noordoostelijke zijde bevindt zich een wenteltrap naar de bovenverdiepingen. Gegevens over de oorspronkelijke functie van dit vertrek zijn niet voorhanden. De lavabonis voor de handenwassing van de priester, een kelder voor de wijn en een brandkast om liturgisch vaatwerk veilig op te bergen en de vele muurnisjes maken deze ruimte zeer geschikt als sacristie voor de bediening van één of meerdere altaren, waaronder het vlakbij gelegen Onze-Lieve-Vrouwealtaar. Het is natuurlijk ook mogelijk dat het altijd een stapelplaats geweest is.
nORSPRONKFIIIKF AFWFRKINfi VAN DF MUREN De muren van deze kamer zagen er vóór de restauratie vrij heterogeen uit. Naast muren met zorgvuldig gekapte en geplaatste blokken ijzerzandsteen kwamen ook wanden voor met een groot aantal
witte kalklagen. Door de conserveringsploeg van de Afdeling Monumenten en Landschappen, onder leiding van Marjan Buyle, werd in mei 2000 onderzoek verricht naar de toestand en de samenstelling van de originele bepleistering en vroegere kleurstellingen. De originele bepleistering bleek opgebouwd uit twee lagen. De ruw gekapte ijzerzandsteen was bedekt met een dunne kalkzandpleister, waarin verbrijzeld ijzerzandsteenpoeder gemengd was. Deze eerste effeningslaag van kalk en zand was aangebracht in en rond de voegen en in de diepe gaten. Boven deze effeningslaag zat een dunne afwerkingslaag van kalk, die licht roze van kleur was. Proeven werden uitgevoerd om deze oude muurafwerking te reconstrueren met een samenstelling van vette witte kluitkalk, in de massa gekleurd met de pigmenten 8 0 % gele oker en 2 0 % ijzeroxiderood, om zodoende de oorspronkelijke kleurstelling, materialen en textuur te benaderen. De kleurstelling werd op basis van een proefstuk afgewerkt in en rond de lavabonis met de engel, en in de loop van 2003, steeds op advies van Monumenten en Landschappen, doorgetrokken naar de rest van de ruimte: een eerste effeningslaag, aangebracht in en rond de voegen en in de grootste gaten met kalkmortel van vette kluitkalk, vermengd met fijn gewassen rivierzand en in de massa gekleurd. Daarboven bracht men de afwerkingslaag aan, bestaande uit een dunne laag vette kluitkalk met een weinig zand en pigmenten.
De kunstkamer tl| de„she,onder-
R F V F I I i n i l M G EN P R F V F N T I F V F l o e M e oorspron- C O N S F R V E R I N G kelijke kleur vnjgelegd (foto conserverings- Voor de kunstkamer van de Onze-Lieve-Vrouweploeg AML) kerk werd door de vakafdeling Beveiliging van de Afdeling Monumenten en Landschappen een beveiligde vitrinekast ontworpen, waarvan de wanden niet volledig gesloten zijn. De objecten in de kast delen dus in het algemene klimaat van de kerk, dat geregeld wordt met een vloerverwarmingssysteem, in gebruik genomen in september 2003. Voor de beheersing van de relatieve luchtvochtigheid werd nog een supplementaire centrale verwarming voorzien in het vertrek zelf. De evaluatie van temperatuur en luchtvochtigheid gebeurt met dataloggers, die deze gegevens registreren. De vitrinekast bestaat uit een driedubbele laag U.V.-werend kleurloos glas, dat verkleuring van de objecten verhindert en inbraakveilig is. Vitrines en nissen werden voorzien van een optische vezelverlichting, qua luxwaarde aangepast aan het tentoongesteld object. De muurnissen kregen op maat gemaakte brand-
koffers. De preventie tegen cotrosie van het zilverwerk bestaat vooral uit de controle van de relatieve luchtvochtigheid. Ingeval van problemen met het verwarmingssysteem van de kerk, vormt de supplementaire verwarming binnen de kunstkamer bijkomend een perfecte buffer tegen een plotse wijziging in de temperatuur of de vochtigheid. Voor de beveiliging van de volledige kerk en de kunstkamer koos men voor het geautomatiseerd alarmbewakingssysteem dat ontworpen is door de vakafdeling, volgens de eisen van Binnenlandse Zaken. Tot de preventieve veiligheidswerken behoren verder de volledige mechanische beveiliging van deuren en kunstvoorwerpen. Verder werden de vensters bekleed met buitenlichtwerende sereens en kwam er een nieuwe vloer in blauwe steen. Een bijkomende tentoonstellingskast in het noordertransept wordt als toemaatje bij de kunstkamer ingericht.
PUBLIEKSGERICHTHFID: KLEINE VOORGESCHIEDENIS De zilverschat kwam in de loop van de vorige eeuw hoofdzakelijk in de belangstelling dankzij een twintigtal tijdelijke tentoonstellingen. Enkele pronkstukken uit de collectie genoten een groot publieksbereik tijdens belangrijke tentoonstellingen: L'art
TENT0QNSTF1LINGEN IN AARSCHOT
•4 Aanbrengen van proefvlakken die de oorspronkelijke
beige au XVII siècle in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel in 1910; Cinq siècles d'Art op de Wereldtentoonstelling in de Eeuwfeestpaleizen van de Heizel in 1935; De Madonna in de kunst'm de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Antwerpen in 1954; Kunstschatten in Brabant in de KMKG van Brussel in 1954; Zilveren Kunstwerken in het zilvercentrum Sterckshof in Deurne en het KMKG Brussel in 1955; Schatten der Begijnhoven in Gent in 1961; Ars sacra antiqua in Leuven in 1962; Kerkelijke kunst in het oude landdecanaat Diest in het Stedelijk museum van Diest in 1982 en tenslotte Antwerps huiszilver uit de lre en 18re eeuw in het Rubenshuis van Antwerpen in 1988-1989. De tentoonstellingen wisten het zilver van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in een bredere context te plaatsen of het, zoals op de wereldtentoonstelling van 1935, aan de wereld te tonen. Bij deze presentaties kregen vooral een tiental stukken uit de collectie, vooral van Antwerpse en in mindere mate ook van Brusselse makelij, alle aandacht. De interesse van de tentoonstellingsmakers ging, trouwens niet geheel onterecht, uit naar het weelderige 17 e eeuwse vaatwerk waarover L. en F. Crooy in L'orfèvrerie religieuse en Belgique in 1911 publiceerden, later enigszins aangevuld door J. de Borchgrave d'Altena. De publicaties rekenden de Aarschotse stukken zonder meer tot de top van het kerkelijk zilverwerk in België.
Zilver tentoonstellen in Aarschot zelf begon niet toevallig tijdens de evenementen van 1937, het vieringsjaar van 600 jaar Onze-Lieve-Vrouwekerk. Door het comité tot bevordering van het vreemdelingenverkeer, en onder impuls van de toekomstige museumconservator Jozef Terweduwe, werd een Tentoonstelling van Aarschotse Heemkunde in de stedelijke Jongensschool ingericht. In het laatste lokaal van deze tentoonstelling stond een aantal in de catalogus niet nader gepreciseerde ojferschotels, kandelaars, boekbanden, en zo meer tezamen met andere kunstvoorwerpen uit de kerk. Het grootscheeps opgevatte zesde eeuwfeest-gebeuren ging dus niet volledig aan de zilvercollectie voorbij. Het edelmetaal tentoonstellen in de kerk zelf werd pas een optie vanaf de jaren zestig en zeventig, twee vruchtbare decennia voor het erfgoed van deze kerk. De organisatorische bevoegdheid voor het kunstbezit was gedelegeerd aan de conservatorschatbewaarder Hector Van Haesendonck. Dankzij zijn persoonlijke contacten met professor Frans Van Molle, eminent zilverkenner en afkomstig uit Aarschot, waren externe expertise en wetenschappelijk advies voorhanden. Het belangrijkste evenement was de tentoonstelling van 1967 in het koor van de kerk, waar niet minder dan 31 stukken edelmetaal aan het publiek getoond werden. Ook de plannen en doorsneden van het architectenbureau Macken-De Bruyn voor een nieuwe restauratie van het kerkexterieur konden daar bekeken worden, het resultaat van een actief beleid van de kerk in deze periode. De contacten met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel verliepen vlot, schilderijen en sculpturen werden één voor één gerestaureerd en het archief werd publiek toegankelijk.
kleur moeten benaderen (foto conserveringsploeg AHL)
Een jaar later, in 1968, volgde een opmerkelijke tentoonstelling in de stedelijke tekenacademie, met 15 stukken uit de collectie en met voor het eerst een degelijke catalogus. Dan was het wachten tot 1978, het vieringsjaar van 650 jaar Onze-Lieve-Vrouwekerk (23 objecten) en tot het daaropvolgende jaar 1988 en het bezoek van koning Boudewijn aan een tentoonstelling van dezelfde orde van grootte. Tijdens het evenement De kunststeden in 1995 tenslotte werden 12 kunstwerken getoond. In deze laatste reeks tentoonstellingen ging het om presentaties in eigen beheer, soms met medewerking van de stad of georganiseerd door de heemkundige kring, evenwel steevast zonder middelen voor een wetenschappelijke omkadering. Redenen
1VI&L
De beveiligde kast in de expositieruimte (foto 0. Pauwels)
M&L
van preventie en het gebrek aan professionele condities verklaren waarom de presentaties van korte duur waren: van één enkele dag tot maximum één week.
NAAR FFN VASTF CDI I F m F nPSTFIIINfi Tot nu toe werden de stukken zeer weinig tentoongesteld en was de selectie geconcentreerd op de bekende topstukken. Dankzij een permanente presentatie in de kerk zelf wordt dit nu goedgemaakt: de volle rijkdom van de huisverzameling komt nu tot zijn recht in een historisch overzicht en in professionele bewaar- en tentoonstellingscondities. De helft van de geëxposeerde stukken is nog nooit getoond, een derde slechts één a twee maal. Gelet op de beperkte ruimte kon de keuze niet anders dan scherp zijn. Er werd gekozen voor een didactisch verantwoorde, overzichtelijke selectie van laatgotiek tot en met neogotiek, goud, zilver en koper, in combinatie met andere materialen hout, textiel, leder en papier. De tentoonstelling kon gebruik maken van recent onderzoek naar Vlaams-Brabantse edelsmeden, naar de Sint-Rochusbroederschap en tenslotte naar edelmetaal van Bourdon, waarmee de tentoonstelling afsluit. Enkele meestertekens kunnen inmiddels geïdentificeerd worden en ook enkele jaarletters kunnen nu correcter gedateerd worden. In samenwerking met Patrick Storme, verbonden aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen, Conservatie & Restauratie, werd de bewaringstoestand van enkele objecten nader onderzocht en werden beperkte conserverings- en restauratiewerkzaamheden uitgevoerd. Er werd advies verleend met betrekking tot reiniging en behandeling tegen corrosie.
MUSFiJMr SACRARIiJMr DFPOT Het eerste kunstwerk van de vaste collectiepresentatie is de ruimte zelf, zoals deze er na de restauratie uitziet. Ook al is door de keur aan liturgische objecten het museale aspect meteen duidelijk, de ruimte ademt een intieme en besloten sfeer en houdt het midden tussen een museumvertrek, een sacristie en een depot. De trekhaken - in de middeleeuwen was het gebruikelijk om voorwerpen op te hangen — zijn immers nog in het plafond aanwezig. In de sacristie bewaarde men de paramenten, het vaatwerk en vroeger ook het 'allerheiligste', van-
Interieur van de O.U.-kerk (foto 0. Pauwels)
daar de naam sacrarium. Bij het binnenkomen vallen de muurnissen onmiddellijk op. Ze werden herbestemd als kijkkast of transparante brandkast. Uitzondering werd gemaakt voor de lavabonis met gebeeldhouwde musicerende engel in laatromaanse-vroeggotische stijl en voor een tweede minuscuul gotische nisje. Ze werden beide bewust leeg gelaten en als volwaardig tentoonstellingsmateriaal ingezet.
LITURGISCHF OBIECTFN VOOR HFT KAPITTFI Het fonds van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel vormt nog steeds de ruggengraat van de collectie en het meest aantrekkelijke en best gekende deel. De kerk was tenminste van 1462 tot 1797 de zetel van een kapittelgemeenschap, die bestond uit drie reguliere en tien seculiere kanunniken en hun entourage van kapelanen, een ontvanger, een notaris, een rentmeester, een stafhouder, een organist, een koster, een schoolmeester en zelfs een kelner voor een wijnkelder: een omvangrijk gevolg. De kanunniken moesten de dagelijkse getijden zingen, dagelijks een hoogmis opdragen, alsook het wekelijkse plechtige jaargetijde van de stichters en weldoeners van het kapittel en tenslotte deelnemen aan de grote plechtigheden en de processies. Conform de bepalingen van de katholieke Kerk werd uiterste zorg besteed aan alle voorwerpen die al dan niet onmiddellijk in aanraking kwamen met de eucharistie: zowel kelken, cibories, offerschalen, pateen en monstransen, als wierookvaten, kruisbeelden en kandelaars. De toeloop van de bedevaarders leidde tot de aankoop
M&L
van voorwerpen voor reliekenverering zoals reliekhouders en houders voor ex-voto's, zilveren attributen voor heiligenbeelden en andere kleinoden, aspecten van de traditionele heiligenverering. Uit wat volgt zal blijken dat de kanunniken, die overigens geen gelofte van armoede aflegden, de nodige draagkracht hadden om de erediensten met hoogwaardig edelmetaal op te luisteren.
DF I.SDF EN DF IfiDF EF1JW: PlilNDFRINGEN In 1489, een kwart eeuw na de stichting van het kapittel, werd het kerkinterieur, bij de onderdrukking van de opstand van de steden tegen Maximiliaan van Oostenrijk, door de troepen van de hertog van Saksen tot op het steenwerk uitgebrand. Een eeuw later, in 1578 werd het zilverwerk uit de kerk geroofd, dit keer door plunderende legereenheden van afwisselend Willem van Oranje en land-
• Enkele stukken van de collectie uitgestald in de wandnisjes (foto 0. Pauwels)
voogd D o n Juan. Het was de regel dat overwinnende legeraanvoerders het plunderen oogluikend toelieten, als compensatie voor het niet of laattijdig uitbetalen van de soldij. Beroofd van hun zangboeken en hun lezenaar, konden de kanunniken zelfs de koordienst niet meer verzorgen. Niet één stuk van vóór deze periode van godsdienstoorlogen en plunderingen werd teruggevonden, tenzij in de vorm van hoogwaardig 'recuperatiezilver', waarover later iets meer. De tentoonstelling opent met een beperkte selectie van houtsculptuur: een Brabantse gewelfsleutel uit het begin van de 16 c eeuw met de kelkdragende Sint-Jan-deEvangelist en een laat-zestiende-eeuwse reliekhouder van een vrouwelijke heilige, waarvan het zilveren reliekonderdeel ontbreekt.
HFT ONTSTAAN VAN DF COLLECTIE Na de godsdienstoorlogen en plunderingen werd een collectie samengebracht die tot vandaag grotendeels bewaard is. Het herstel van de katholieke eredienst en de vernieuwing van de liturgie na het Concilie van Trente in 1563, met het beklemtonen van het belang en de bestendige aanwezigheid van de eucharistie, bezorgen werk aan de edelsmeden gedurende tientallen jaren. Uit deze periode is veel kerkzilver bewaard. Een aantal stukken uit de collectie dateren al van kort na het ingaan van het 12jarig bestand met de Verenigde Provinciën (1609): een minutieus bewerkte ciborie van het begijnhof van 1612, twee Antwerpse schalen van uitzonderlijke kwaliteit van 1617-1618 en delicaat schenkgerei van 1632-1633, eveneens Antwerps. Pastoor Engelbert de Doetinchem schonk in 1670 samen met de kapelanen Dionijs Leemans en Hendric Ouwercx een zilveren kelk van Brusselse makelij.
?nF HELFT VAN DF ^7DF FFUW: MARIA VAN FYNATTFN Antwerpen was een cultureel centrum in het begin van de 17 c eeuw, al kwam de barok pas echt tot een hoogtepunt in de tweede helft van de eeuw. Vooral de familieleden van koordeken Herman Harts begiftigden de kerk met goud- en zilverwerk, kelken, cibories, kandelaars. Het geslacht van Eynatten-van Schoonhoven bleek bezield 'met eender byzondere devotie tot synder moederkercke'. In 1684 bekostigde Maria van Eynatten de vernieuwing van een oude ciborie die in de voetrand de namen van koordeken Filips van Schoonhoven en van twee kerkmeesters
M&L
SIERDRIJFWERK HIT DE 1RDE EEUW
Een deel van de collectie tentoongesteld, let op het vensterbank|e aan het raam (foto 0. Pauwels)
en het jaartal 1561 draagt. Dit kunstwerk in volplastisch drijfwerk, een Antwerpse specialiteit, is een halve meter hoog en vertoont bovenaan een opengewerkte kroon, waarboven een pelikaan zijn jongen voedt. Door het veelvuldig communiceren zoals gepropageerd door het Concilie van Trente, moesten de cibories groter worden. Volbarok uitgewerkt is ook de kelk van de meester met het monogram BK. O p de welving van de zeslobbige voet zijn, gescheiden door cherubs, de heilige Jozef met het kindje, het doopsel van Christus en Christus als Salvator voorgesteld. De stam is uitgerust met twee parellijsten. Vruchtentrossen en korenaren tooien de eivormige nodus en op rand van de siercuppa figureren zes engeltjes tussen wijngaardranken en druiventrossen. Het is de geest van exaltatie, trots en pronkzucht, eigen aan de contrareformatie, die een gefortuneerde en zelfbewuste geestelijke stand in de tweede helft van de 17 eeuw ertoe aanzette al deze voorwerpen te laten vervaardigen.
In de 18 c eeuw werd minder kerkzilver gemaakt. Het grandioze vaatwerk van kelken, cibories en monstransen uit de 17 e eeuw blijft in gebruik en wordt nu aangevuld met kandelaars en kleinere devotieobjecten zoals reliekhouders of attributen voor heiligenbeelden: een klein zilveren zwaard (of een grote dolk?) voor Lucia en een toren voor Barbara, twee heilige martelaressen. Bepaalde objecten wijzigen in de loop van de eeuw, soms drastisch, van functie: zo wordt de onderkant van twee renaissance tazza-schalen platgeslagen, voorzien van gaten en vastgehecht aan staven om ze als verlichtingselementen te herbestemmen. Algemeen verliest de Kerk aan invloed en de legaten van welstellende parochianen zijn schaars. Een aantal sieraden koopt het kapittel in deze periode met gespaarde aanwezigheids penningen van afwezige kanunniken en biechtvaders. Men kocht bij lokale edelsmeden: Aarschotse ateliers, maar ook Leuvense, waarvan Aarschot de belangrijkste afnemer was. In Leuven werd fraai zilver vervaardigd, zoals bijvoorbeeld een reliekhouder van het Heilig Kruis, uit 1715-18, toegeschreven aan Rombout Dauw sr., in die tijd deken van de Leuvense gilde van zilversmeden. In Aarschot en in andere kleinere steden waar geen ambacht was, waren sinds een ordonnantie van 1688, maximaal twee edelsmeden toegelaten. Zij moesten hun werken laten keuren in het nabije Leuven en in de jaren 1750-1770 in Brussel, omdat er toen zelfs in Leuven niet genoeg edelsmeden waren om nog een ambachtsstructuur te verantwoorden. Het sierdrijfwerk op twee 'Plantijnbanden' van 1759 en 1772, respectievelijk van de Leuvense edelsmid Carolus Hubertus Becker en de Aarschotse edelsmid Sebastiaan Hombrouck is van hoge kwaliteit. Het zilverbeslag op de 'Plantijnband' van Becker, aangekocht door het begijnhof, is niet minder weelderig dan dit van de Onze-Lieve-Vrouwekerk ontworpen door Hombrouck. Een ander fraai voorbeeld van de laatbarok is de met zwierig gedraaide en met krullen en rocaille beladen altaarkandelaar in rococostijl van een anonieme meester.
VERDERF UITBOUW IN DE 19DE EEUW Over deze periode gaat het laatste luik van de tentoonstelling. Na de afschaffing van de naties van goud- en zilversmeden in de Franse periode, wordt
• Een deel van de collectie tentoongesteld (foto 0. Pauwels)
door de nieuwe generatie snel op de empirestiji overgeschakeld. Een rood- en geelkoperen wierookvat in antikiserende stijl van circa 1800 uit een onbekend atelier wordt voor het eerst getoond. Hetzelfde geldt voor een vroegclassicistisch kruisbeeld van Aarschotse makelij, met een afgemeten opbouw en streng afgelijnde vormen. In de loop van de 19 c eeuw werd de zilverschat verrijkt met waardevol zilverwerk, onder andere uit de in
onbruik geraakte en later afgebroken begijnhofkerk. Er waren ook schenkingen van Philips Gorten en Joannes Franciscus Puttemans, allebei pastoordeken van de O.L.V.-kerk. H u n kelken kregen een hoekje in de kunstkamer waaraan hun naam verbonden is als eerbetoon aan deze weldoeners. Een ander belangrijk element is de sterke heropleving van de broederschappen, hier meer bepaald de ' Confrerie of Genootschap ter ere van St.-Rochus
hebbende tot doelwit op een aanzienlijke wijze God te eeren in zijnen beleyder den H. Rochus, patroon deézer stad'd\e in 1837 door deken Philips Gorten gesticht werd. De tentoonstelling toont de scepter (1) uit 1846 van de broederschap.
RntJRDQN De tweede helft van de 19 <: eeuw betekent een nieuwe bloeiperiode voor de collectie. In 1868 werd op vraag van een groot aantal edelsmeden de handel in zilver geliberaliseerd. Zilveren objecten dienden van dan af niet meer officieel gekeurd te worden. Het stond zowel producenten als winkeliers vrij om hun zilverwerk te merken. De kerk vond opnieuw aansluiting bij het meest toonaangevende atelier van die tijd, de gerenommeerde Gentse zilverfabrikant Bourdon, die in een tijd van industrialisering een hoge kwaliteitsstandaard wist te handhaven. De naam van Bourdon is onlosmakelijk verbonden met de Bethune en de Belgische neogotiek. De kelk, die in 1893 door Edouard Bourdon voor deken Joannes Franciscus Puttemans ontworpen werd, is een kostbaar werkstuk. De kelk heeft een breed uitstaande voet, een knoop versierd met edelstenen en een wijd openstaande kelk. Scènes van Jezus aan het kruis en Onze-LieveVrouw met lelie en boek werden niet als reliefs uitgevoerd maar gegraveerd tegen een achtergrond van blauw email. In deze opdracht kon Bourdon zijn vaardigheden als zilversmid, juwelier en emailleur ten volle demonstreren. Het leveren van monturen en het plaatsen van edelstenen werden in deze periode meestal nog toevertrouwd aan de vader van de zilversmid, Armand Bourdon. Het was de firma Bressers-Blanckaert, die Bourdons producten via een catalogus aanbood en zelfs volledige kerkinrichtingen verzorgde. Deze firma stond ook in voor het herschilderen van het Onze-Lieve-Vrouwebeeld in 1882-1883. Andere kunstenaars uit de Gentse school die in deze periode in de kerk werkzaam waren, zijn Joseph Gasier, voor de brandglasramen van 1896-97, en Pieter Langerock, die voor de restauratiewerken van 1898 tot 1912 verantwoordelijk was. De kelk in neogotische stijl van de firma Bourdon vormt het sluitstuk van de presentatie van de kunstschat. De industrialisering heeft samen met de liberalisering geleid tot nieuwe ontwikkelingen van de toegepaste kunsten en tot serieproductie. Een aantal traditionele ateliers konden de concurrentie met de grote bedrijven met hun indrukwekkende machines niet aan.
RONDGANG Omdat een kunstkamer geen stapelplaats is, moest uit de collectie van 200 stukken een keuze gemaakt worden. Deze eerste vaste presentatie ambieert een overzicht te geven van de geschiedenis en de verscheidenheid van de verzameling. De aandacht gaat ook naar de edelsmeden, de schenkers, de kanunniken en hun familie, de kerkmeesters, de priesters en de conservatoren. Zij zijn verantwoordelijk voor het verwerven en bewaren van deze prachtstukken. De tentoonstelling leidt de bezoeker cirkelsgewijs rond in de kunstkamer. Het parcours is chronologisch omdat de stijlontwikkeling en de kerkgeschiedenis op deze wijze gemakkelijk te overzien is. Deze ordening wordt slechts onderbroken door de stukken uit het begijnhof, die als één serie in de muurnissen gepresenteerd worden. Daardoor kan ook iets over de geschiedenis van het verzamelen in de 19 !: eeuw worden verteld. De vitrinekast in het transept is meer thematisch opgevat en gevuld met een aantal objecten die nauw aansluiten bij het beeld van Onze-Lieve-Vrouw: reliekhouder, scepter, kronen, insignes.
MFFSTFRATFIIFRS. FDFISMFFDCFIMTRA
BIBIiOnRAFIF - BUELENS R., Spitstechnologie en vakmanschap ten dienste van een
De zilverschat van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en van de begijnhofkerk is afkomstig uit vijf edelsmeedcentra: Aarschot, Antwerpen, Brussel, Leuven en Gent. Zilverwerk uit Antwerpen, de historische bakermat van hoogstaand zilverwerk tijdens de barok, is prominent aanwezig, maar er is ook ook Leuvens werk. Edelsmeden van Aarschot, die door het ontbreken van een ambachtelijke structuur in hun eigen stad, hun werk in Leuven moesten laten keuren, zijn eveneens vertegenwoordigd. Het boekbandbeslag van Sebastiaan Hombrouck en het kruisbeeld van Arnold Geurts geven een idee van deze productie. Met deze kunstkamer wordt een stuk Aarschotse kunstnijverheid voor het eerst ontsloten. De spectaculaire zonnemonstrans uit Brussel is niet tentoongesteld omdat deze momenteel in restauratie is. De kelk van Bourdon tenslotte weerspiegelt de laatste glansjaren van de neogotiek, voordat het Gents bedrijf zich associeert met het Brusselse huis Wolfers. Van dan af dooft de neogotiek langzaam uit ten voordele van de nieuwe stijlen.
EINDNOTEN (1) Het pronkstuk werd onlangs gerestaureerd door Patrick Storme en wordt thans voor de eerste keer tentoongesteld.
beveiligd kunstbezit. De vakafdeling beveiliging in M&L. nr.6, 2000, p. 28-29. - BUYLE M , onuitgegeven onderzoeksverslag, mei 2000. - Bourdon 1811-1967 (tzm.czx.). Zilvermuseum Sterckshof, Deurne, 2002. - BREUGELMANSJ., CEULEMANS J. en VAN HAESENDONCK C , De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Aarschot, Averbode, 1987. - CEULEMANS C. en GEUKENS B., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen. Kanton Aarschot. KIK, Brussel. 1978, p.18-23, 25-26, 30-31. - CROOY L. en F. L'orfevrene religieuse en Belgique depuis la fin du Xve sièclejusqu a la revolutionfranfatse.Brussel-Parijs, 1911, passim. - HOLEMANS F, De oprichting en de beginjaren van de confrerie van Sint-Rochus te Aarschot (1837-1850) in Het Oude Land van Aarschot, 1999, nr. 2, p. 72. - VAN DIEVOET W., Edelsmeden in Vlaams-Brabant, Leuven, 2000. - ID., Zilversmeden te Aarschot van 1750 tot 1868, in Het Oude Land van Aarschot, 2000. 1, p. 6-16.
Rob Buelens is verantwoordelijk voor de vakafdeling Beveiliging bij de Afdeling Monumenten en Landschappen. Chris Van Haesendonck is werkzaam op de administratie Cultuur van de Vlaamse Gemeenschap en aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (DKO) te Antwerpen.
SUMMARY An intriguing monument: the demesne of Heers In this article we present a historical estate that is well documented from both an iconographic and cartographic point of view: the castle of Heers with its farm and park is one of the many historical buildings in this rural community, named after the estate, consisting of 12 villages. Despite continuous inhabitation for more than 400 years, there have been only limited significant alterations: the double courtyard arrangement originating from the property's feudal era can still be easily recognized; the present property boundaries and the surface and land use are nearly identical to the 1830 - 1840 period; the external appearance of the castle and farm date back from the 16th-17th century; valuable alterations, including the interior, resulting from changing living patterns during the 18th century and the 1885 restoration, all largely preserved the authentic character. In the early 19th century however, the grounds were transformed into an early landscape park, turning the moats into a landscaped pond but keeping the 18th century open view to
The implantation in the dead angle of the area was character-
the north and the western spring fed ponds unaltered.
istic for the design. This impeded the air movements least of all
In the middle of the 19th century the 3 acre park with an
and allowed for future extension in all directions. The result-
interesting tree variety underwent some changes but unfor-
ing L-shaped plan grouped all services functionally around the
tunately today's condition is quite questionable and could not
central hall and the air traffic control tower. The architecture
be prevented by its "protected monument" status.
follows the rules of international modernism: white walls, bal-
The required investments to preserve the property have obvious
anced volumes, horizontal windows, a sober and functionalist
consequences for its future destiny. The high risk that in the
interior.
future it may not be occupied by one single family is a threat
Most of the airports dating from this period, were damaged
to its authenticity. Those responsible for the care of monu-
during the Second World War, and were replaced in the post-
ments and sites face the well-known dilemma: inactivity will
war period. The Deurne airport is a rare survivor. Since the
inevitably result in a slow decay of the castle and the park
1970's a few minor changes were made, that can easily be
whereas restoration for reuse and a new function may save the
corrected. A thorough modernisation of the airport following
buildings, but most likely at the cost of authenticity.
a master plan of Baumschlager, Eberle & Grassmann is put forward today.
Beauty of Dynamo and Sunbeam. The airport of Deurne, forgotten pioneer The airport of Deurne belongs to the group of urban airports of the second generation, set up during the 1930's in the most important European cities as a network for expanding civil
A technique of "derestoration". The application on two baroque confessional boxes in the Saint Loup church in Namur
aviation. The terminal, for which a contest had been organised in 1929,
Repairing inadequate earlier restorations, with an ill-chosen
met the most progressive standards for aviation architecture at
word often referred to as "derestoration", is for most restorers
that time. The designer, the then 28 year old architect Stanislas
an unrewarding task. Often these unique works of art have
Jasinski, who would play a prominent role in Belgian avant
been irreversibly damaged. The stripping of wooden furniture
garde, was awarded only the second prize, ex aequo with Victor
with alkaline salts (sodium hydroxide, better known as caustic
Bourgeois and after the winning duo Van Riel-Janssens, but
soda) is just one of these detestable treatments resulting in
the task got eventually assigned to him after intervention of
irreversible degradarion. This article aims to present a fairly
aviation experts.
simple restoration technique to eliminate these unwanted
M&L
As for the finishing, a protective layer based on extremely diluted varnish gum was applied. This unfiltered varnish gum contains wax in a natural grade of about 5 %, which was slightly raised. Another name for this varnish is marine, a product which can even be applied on a polished surface and the adhesive force of which is much stronger than with common varnish gum. This marine can be coloured quite accurately, thanks to the use of alcohol tints which can be spread by airbrush.
A treasure-chamber within a monument. A permanent exposition room for the silver treasure of Our Lady's collegiate church in Aarschot products of earlier treatments. This trial treatment was carried
1V1&L
out in the Saint Loup church of Namur on two confessional
In Our Lady's church in Aarschot, a separate space was
boxes, the carving of which shows a remarkable resemblance
arranged by the Office of Monuments and Sites, Department
with the one of Our Lady's basilica in Kortenbos, which was
of Security (Rob Buelens) in cooperation with the Department
treated in a previous edition of M&L (nr. 3, 1996).
of Conservation (Marjan Buyle) as a permanent exposition
The job consisted of the recovery of two confessional boxes
room for the silver treasure of this collegiate church. Some
which had been kept in a Bruges workshop for over 20 years.
preliminary examinations on site have been done in order to
They had previously been restored with little consideration for
investigate about the original plastering and colouring of the
reversibility, following the accepted methods of that time:
walls and the vault. After the restoration of the room, Chris
stripping by means of caustic salts and reconstruction of
Van Haesendonck has presented a selection from rhe church's
missing parts. The alkali salt crystals further penetrated the oak
collection counting some 200 pieces of precious metal. The
wood's micropores, thus continuing its destructive work for
exposition is aiming at an audience eager to learn about the
years. This results in large wood pores, cracks and characteris-
rich, historically grown and dynamic collection of one of our
tic dark stripes. The wood was then waxed in thick layers of
wealthier collegiate churches.
dark wax with the addition of silicones.
A Gothic vault key, carefully worked pouring and drinking
In order to remove this wax without letting it penetrate deep-
utensils, two tazzas, threedimensional Baroque carving, a few
er into the wood, the decision was made, following numerous
decorative Roccoco objects and a Neo-Gothic chalice are the
tests, to use steam without any other solvents or detergents.
showpieces of this exhibition, presented in the proper environ-
The wax is not dissolved but softened. The reaction of water
ment and ambience of the pieces. Quite a lot of these works
with the softened wax results in a whitish emulsion which does
have never been shown before, thus setting a number of new
not penetrate into the wood and can be washed off with pure
standards. The treasure-chamber is the first real opportunity to
water. Once cleaned, the wood was progressively dried. In
fully expose the wealth of this church in its natural environ-
the course of this treatment the wood is only superficially
ment and in professional conditions. The installation of a trea-
moistened, the proof of which is that in the process not one
sure chamber within a monument sets a new trend in visibility
single glued part has come off.
and accessibility.