Skip to main content

Milieuhandhavingsrapport_2016.pdf

Page 1

Vlaanderen is ruimte & milieu

MILIEUHANDHAVINGSRAPPORT 2016


foto cover Š Laïla Macharis


VOORWOORD Voor u ligt reeds het achtste Milieu­hand­havings­rapport van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM). Ook het jaar 2016 is voorwerp van ons jaarlijks Milieu­hand­havings­rapport waarin een overzicht wordt gegeven van de handhavingsactiviteiten van de verschillende actoren gedurende het afgelopen jaar. Net als voorgaande jaren krijgt de lezer doorheen de verschillende hoofdstukken een gedetailleerde cijfermatige blik op het Vlaamse milieu­hand­havingslandschap in al haar facetten. Nieuw sinds dit jaar is dat de VHRM, naast de kwantitatieve weergave, ook enkele kwalitatieve verwezenlijkingen van een aantal actoren heeft uitgelicht met als doel de milieu­hand­havingspraktijk concreter te maken. Verder wordt in een nieuw hoofdstuk gerapporteerd over de diverse milieugerelateerde werkzaamheden die de VHRM in 2016 uitvoerde. Ik wens wederom al de responderende handhavingsactoren uitermate hartelijk te danken voor hun inzet, hun monitoring en hun rapportering. Een eerder spijtige kanttekening voor dit Milieu­hand­havings­rapport heeft te maken met de responsgraad van de gemeenten. Deze ligt beduidend lager dan voorgaande jaren, hetgeen de representativiteit van de cijfers helaas niet ten goede komt. De VHRM zal daarom evalueren wat de mogelijke oorzaken van deze dalende responsgraad zijn en zal dit waar mogelijk bijsturen. Voor volgende rapporten hoopt de VHRM alleszins de enthousiaste respons van de voorgaande jaren terug te vinden. Na het eerste Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2015 kan de Vlaamse Hoge Handhavingsraad dit jaar ook het tweede Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening aangaande 2016 presenteren, voorlopig nog in een afzonderlijk document. Op basis van de nulmeting die het eerste rapport was, kan in dit tweede rapport voor het eerst een vergelijkende analyse van de cijfers van het handhavingslandschap inzake Ruimtelijke Ordening gebeuren. Ook in 2016 werd voor de handhavingsactoren van de domeinen milieu en ruimtelijke ordening met succes een handhavingsnetwerkdag georganiseerd, die dit keer gericht was op het ‘Klantgericht Handhaven’. Toezichthouders van zowel milieu als ruimtelijke ordening kregen via een aantal actieve workshops diverse praktische tips die zij konden aanwenden in hun dagelijkse handhavingspraktijk. Deze netwerkdag, die beide werelden bijeenbrengt, zal zeker herhaling krijgen. Op 1 april 2017 ontstond, binnen het nieuwe beleidsdomein Omgeving, het departement Omgeving uit de fusie van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie met het departement Ruimte Vlaanderen. Dit bracht structurele veranderingen met zich mee voor enkele gewestelijke handhavingsactoren die sinds 2009 worden opgenomen in dit rapport. De nieuwe afdelingen zullen evenwel pas vanaf het volgend Milieu­hand­havings­rapport als dusdanig worden weergegeven gezien dit rapport betrekking heeft op de handhavingsactiviteiten in 2016.

Prof. Dr. Michael G. Faure LL.M. Voorzitter Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu


INHOUD 1 INLEIDING

7

1.1 Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid 1.2 Methodologie en relevantie Milieu­hand­havings­rapport 2016 1.2.1 Werkwijze 1.2.2 Structuur 1.2.3 Kanttekeningen 1.3 Milieuhandhavingsbeleid

7 9 9 10 11 12

2 EVALUATIE

15

2.1 Evaluatie van het gewestelijke handhavingsbeleid 2.1.1 Gewestelijke toezichthouders 2.1.2 Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken 2.2 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de politie 2.2.1 Algemeen 2.2.2 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Federale politie 2.2.3 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Lokale politie 2.3 Evaluatie van het gevoerde Lokale milieuhandhavingsbeleid 2.3.1 Provinciegouverneurs 2.3.2 Provinciale toezichthouders (toezicht binnen het Milieu­hand­havings­decreet) 2.3.3 Bevoegdheden provincies inzake onbevaarbare waterlopen (andere dan deze opgenomen in het ­Milieu­hand­havings­decreet) door aangeduide provinciale medewerkers (toezicht buiten het Milieu­hand­havings­decreet) 2.3.4 Vlaamse steden en gemeenten 2.3.5 Burgemeesters 2.3.6 Gemeentelijke toezichthouders 2.3.7 Intergemeentelijke verenigingen

15 15 16 22 22 23 25 30 30 31

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

EVALUATIE VAN DE INZET VAN DE AFZONDERLIJKE MILIEUHANDHAVINGSINSTRUMENTEN EN VEILIGHEIDSMAATREGELEN

Controles waar een overtreding werd vastgesteld Controles zonder verdere actie Controles waarvan het resultaat onbekend is Evaluatie van het instrument ‘raadgeving Evaluatie van het instrument ‘aanmaning’ Evaluatie van het instrument ‘verslag van vaststelling’ Evaluatie van het instrument ‘proces-verbaal’ Evaluatie van het instrument ‘bestuurlijke maatregelen’ en ‘beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen’ 3.8.1 Evaluatie van het instrument ‘Bestuurlijke maatregelen’ 3.8.2 Beroepen inzake bestuurlijke maatregelen 3.9 Evaluatie van het instrument ‘veiligheidsmaatregelen’ 3.10 Casus

32 33 34 39 47

51 52 54 56 58 60 62 64 66 66 70 73 76


4

EVALUATIE VAN HET VLAAMSE MILIEUSANCTIONERINGSBELEID

85

4.1 Evaluatie van het strafrechtelijk sanctioneringsbeleid 4.1.1 Instroom 4.1.2 Vooruitgangsstaat 4.1.3 Motieven tot seponeren 4.2 Evaluatie van het gevoerde sanctioneringsbeleid door de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie 4.2.1 Behandeling milieumisdrijven 4.2.2 Behandeling van milieu-inbreuken 4.3 Evaluatie van de rechtspraak van het Milieuhandhavingscollege 4.4 Evaluatie van het gevoerde sanctioneringsbeleid door de Vlaamse Landmaatschappij

87 90 95 103

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

121

5.1 Inspanningen 5.2 Instrumenten 5.3 Sanctionering 5.4 Aanbevelingen 5.4.1 Lokale toezichthouders 5.4.2 Risicogericht toezicht en programmatisch handhaven 5.4.3 Monitoring 5.4.4 Het niet-tijdig uitvoeren van bestuurlijke maatregelen 5.4.5 Milieuhandhaving als taak voor de politiediensten 5.4.6 Vaststelling sluikstorten

121 124 126 128 128 129 129 130 131 131

6

ACTIVITEITEN INZAKE MILIEU VAN DE VLAAMSE HOGE HANDHAVINGSRAAD VOOR RUIMTE EN MILIEU IN 2016

6.1 Natraject Handhavingsnetwerkdag 6.2 Studie informatie-uitwisseling 6.3 Workshop inzake Salduz 6.4 Congres Klantgericht handhaven 6.5 Opmaak Milieu­hand­havings­rapport 2015 6.6 Actualisatie Milieu­hand­havings­programma 2015-2019 6.7 Advisering 6.8 Integratie milieu en ruimtelijke ordening 6.9 Tools en leidraden voor de handhavers 6.10 Intergemeentelijke samenwerking 6.11 Monitoring 6.12 Internationale contacten 6.13 Communicatie, intern en extern

7 BIJLAGEN 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5

Verklarende woordenlijst – afkortingen Lijst van grafieken Lijst van tabellen Lijst van responderende gemeenten Lijst van responderende Politiezones

107 107 113 116 118

133 133 133 133 134 134 134 135 135 135 136 136 137 137

139 140 142 143 146 148

COLOFON 149


6

Š Viktor Hanacek


1 INLEIDING 1.1 DECREET VAN 5 APRIL 1995 HOUDENDE ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE MILIEUBELEID De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu (VHRM) vindt zijn ontstaansbasis terug in het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen” of1, kortweg het Milieu­hand­havings­decreet. De VHRM werd opgericht ter ondersteuning van het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering bij de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het milieu­hand­havingsbeleid. Met het oog op een doelmatige handhaving van de milieuwetgeving organiseert de VHRM dan ook het systematisch overleg met de milieu­hand­havingsactoren. Dit overleg kan uitmonden in afspraken tussen de verschillende actoren. Deze afspraken worden protocollen genoemd. De VHRM is de gangmaker voor zowel het voeren van overleg met milieu­hand­havingsactoren, als voor het voorbereiden en het afsluiten van de protocollen. In dit kader kan worden verwezen naar het eerste milieu­hand­havingsprotocol dat op 18 maart 2013 werd ondertekend door minister S­chauvliege en minister Turtelboom, zijnde de ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013’2.. Daarnaast werden er informeel diverse nota’s (‘Nota met aanbevelingen voor de verbalisant bij de opmaak van een PV in geval van milieumisdrijven’, ‘Nota draagwijdte recht op toegang van de toezichthouders’,…), sjablonen (‘Sjabloon bij het opleggen van een proces-verbaal bij de vaststelling van een milieumisdrijf, ‘Sjabloon bij het opstellen van een verslag van vaststelling bij de vaststelling van een milieu-inbreuk’,…), modelbrieven (‘Modelbrief voor het opstellen van een raadgeving’, ‘Modelbrief tot het opstellen van een aanmaning’,…) en leidraden (‘Leidraad tot het opstellen van een besluithoudende bestuurlijke maatregelen’, ‘Leidraad tot het opstellen van een besluit houdende veiligheidsmaatregelen’,…) opgesteld die via het privaat luik van de website van de VHRM op eenvoudige wijze beschikbaar zijn

1

voor de toezichthouders. Deze documenten worden veelvuldig geconsulteerd door de toezichthouders en worden binnen de werkgroepen van de VHRM waar nodig aangevuld of gewijzigd. De reden om veeleer van nota’s en modellen gebruik te maken dan van formele protocollen is dat deze laatste vele vormvereisten hebben (onder meer ondertekening door de betrokken ministers) terwijl met het alternatief de facto hetzelfde kan worden bereikt. Met de inwerkingtreding van (bepaalde artikelen van) het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning op 6 september 2014, werd de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving omgevormd tot de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, of kortweg de VHRM. De transitie van Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving naar de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu ging gepaard met de uitbreiding van de leden, vertegenwoordigers en plaatsvervangers van de VHRM met onder meer een ondervoorzitter deskundig op het vlak van de handhaving van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en leden en plaatsvervangers op voordracht van de beleidsraad van het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed en de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed. De samenstelling van de plenaire vergadering van de VHRM werd vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu3. De volledige en geactualiseerde samenstelling van de plenaire vergadering is terug te vinden op de website van de VHRM4. Naast een plenaire vergadering werkt de VHRM met een aantal werkgroepen om bijzondere vraagstukken te onderzoeken.

Publicatie Belgisch Staatblad 29 februari 2009

2 http://www.vhrm.be/protocollen-0/prioriteitennota 3

Publicatie Belgisch Staatsblad 4 november 2014

4 http://www.vhrm.be/leden

7


De VHRM dient een jaarlijks Milieu­ hand­ havings­ rapport en een vijfjaarlijks Milieu­ hand­ havings­ programma op te stellen.

Ordening vast en op 18 november 2015 verleende het Vlaamse Parlement haar goedkeuring. Beide documenten zijn terug te vinden op de website van de VHRM.7

Het Milieu­hand­havings­programma, dat voor het

eerst een tijdshorizon van vijf jaar heeft gekregen, bevat aanbevelingen voor de milieu­hand­having op basis van de analyse van de individuele programma’s van alle door het Milieu­hand­havings­ decreet gevatte actoren. Het Milieu­hand­havings­ programma 2015-2019 bevat daarnaast ook een strategisch en operationeel plan van de VHRM zelf en concrete beleidsaanbevelingen rond de thema’s water, afval en informatie-uitwisseling. Het Milieu­hand­havings­programma 2015-2019 is terug te vinden op website van de VHRM5 en wordt in de loop van 2017 geactualiseerd. Het Milieu­hand­havings­rapport bevat minstens

een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke milieu­ hand­ havingsbeleid; een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavings­ instrumenten; een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen; een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld milieumisdrijf; een overzicht en vergelijking van het door de gemeenten en provincies gevoerde milieu­hand­ havingsbeleid; een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend ter verbetering van de milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering; en aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het milieu­ hand­havingsbeleid. Deze Milieu­hand­havings­ rapporten 2009 tot en met 2015 zijn terug te vinden op de website van de VHRM6.

Tevens staat de VHRM in voor de opmaak van een jaarlijks Hand­havings­rapport Ruimtelijke Ordening, analoog aan het Milieu­ hand­ havings­ rapport. De VHRM heeft in 2016 een eerste Hand­havings­rapport Ruimtelijke Ordening opgemaakt over het jaar 2015. Dit rapport dient, met het oog op de volledige inwerkingtreding van het handhavingsdecreet omgevingsvergunning in 2018 en de wijzigingen die dit meebrengt in het handhavingsinstrumentarium, als nulmeting voor de toekomstige rapporteringen. De VHRM onderzoekt momenteel hoe er in de komende jaren een geïntegreerd Hand­havings­rapport kan worden opgesteld. Ook dit jaar zullen het Milieu­hand­ havings­ rapport 2016 en het Hand­ havings­ rapport Ruimtelijke Ordening 2016 nog verschijnen als twee aparte documenten.

Daarnaast staat de VHRM tevens in voor de coördinatie van de opmaak van een ontwerp Hand­ havings­ programma Ruimtelijke Ordening. Het ontwerp van het Hand­ havings­ programma Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd door de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu, werd op 31 maart 2015 overgemaakt aan het kabinet van minister ­Schauvliege. Op 17 juli 2015 stelde de Vlaamse Regering het Hand­ havings­ programma Ruimtelijke

5

http://www.vhrm.be/sites/default/files/MHP-16.1.10004_Milieuhandhavingsprogramma_geactualiseerde_versie_15122016_VHRM_website.pdf

6

http://www.vhrm.be/milieuhandhavingsrapport

7

http://www.vhrm.be/programma-ruimtelijke-ordening

8


1.2 METHODOLOGIE EN RELEVANTIE MILIEU­HAND­HAVINGS­RAPPORT 2016

1.2.1 Werkwijze Aan de hand van relevante, betrouwbare, cijfermatige en kwalitatieve gegevens is het opzet van het Milieu­hand­havings­rapport om een concreet beeld te geven van het milieu­hand­havingsbeleid dat in het Vlaamse Gewest werd uitgevoerd van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016. Om aan dit doel – en de decretaal bepaalde onderdelen – te voldoen, heeft de VHRM, analoog aan de opmaak van de vorige Milieu­hand­havings­rapporten, een bevragingsfiche opgesteld voor de milieu­hand­ havingsactoren, waarin telkens werd toegespitst op de verschillende opdrachten van deze actoren. Sinds 2015 ontvangen het merendeel van de actoren, in het kader van ‘radicaal digitaal’ (cfr. Regeerakkoord 201420198), een digitale bevragingsfiche. De volgende actoren werden op vlak van de handhaving van het milieurecht bevraagd over hun activiteiten tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016: de afdeling Milieu-inspectie van het departe-

ment Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-AMI); de afdeling Milieuvergunningen van het de-

partement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNEAMV); de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-AMMC); de afdeling Land- en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-ALBON); de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM); de Vlaamse Landmaatschappij (VLM); de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM); het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB); Waterwegen en Zeekanaal NV (AWZ); het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid (VAZG); het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV); NV De Scheepvaart; Het departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW);

de Vlaamse burgemeesters; de Vlaamse gemeenten; de intergemeentelijke verenigingen; de Vlaamse politiezones; de Federale politie; de Vlaamse provinciegouverneurs; de Vlaamse provinciale toezichthouders; het Milieuhandhavingscollege; de parketten.

Zoals aangegeven in bovenstaande lijst werden de intergemeentelijke verenigingen, actief inzake de handhaving van het milieurecht, eveneens bevraagd. Het Milieu­ hand­ havings­ decreet bepaalt immers dat gemeenten ervoor kunnen kiezen om via intergemeentelijke samenwerking beroep te doen op een toezichthouder. Er werd wederom gewerkt met een uniforme vragenlijst zodat vergelijkbare gegevens konden worden verkregen. Zo werd er onder meer gepeild naar het aantal toezichthouders binnen de organisatie, het aantal voltijdse equivalenten (VTE) door deze toezichthouder(s) besteed aan milieu­hand­havingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet en de ingezette VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieu­ hand­ havingstaken door niet-toezichthouders, het aantal uitgevoerde controles tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016, het aantal opgestelde aanvankelijke processen-verbaal, het aantal opgestelde verslagen van vaststelling en het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen. De sanctionerende instanties werden ook bevraagd naar hun werkzaamheden tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016. Op basis van de informatie, aangeleverd via de gestandaardiseerde fiches, zal een kwantitatief beeld worden geschetst van de activiteiten van de handhavingsactoren in 2016. Deze cijfergegevens worden, samen met een tekstuele toelichting, op een grafische wijze weergegeven in een grafiek of een tabel. Aangezien dit reeds het achtste milieu­hand­havings­ rapport is, zal – daar waar dit relevant en interessant is – een vergelijking worden gemaakt met de gegevens uit voorgaande Milieu­hand­havings­rapporten. Dit maakt het mogelijk een beeld te geven van de impact en uitvoering van het Milieu­hand­havings­decreet.

8 http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/het-regeerakkoord-van-de-vlaamse-regering-2014-2019

9


1.2.2 Structuur Decretaal werd duidelijk bepaald over welke onderwerpen er minimaal dient te worden gerapporteerd. De VHRM heeft de bevragingsfiches hier dan ook op afgestemd, al is er wel voor gekozen om een andere volgorde te hanteren dan in de opsomming in het Milieu­hand­havings­decreet. De focus van hoofdstuk 2 ligt voornamelijk op de inspanningen van de toezichthoudende instanties. Eerst wordt een evaluatie geboden van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde milieu­ hand­ havingsbeleid van de gewestelijke toezichthouders, de Federale politie, de Lokale politie en de handhavingsactiviteiten uitgevoerd op lokaal niveau door de provinciegouverneurs, de provinciale toezichthouders, de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen. Er zal een cijfermatig beeld worden geschetst van het aantal toezichthouders per organisatie, de ingezette VTE door deze toezichthouder(s) besteed aan milieu­hand­havingstaken in het kader van het Milieu­ hand­havings­decreet en de ingezette VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieu­ hand­havingstaken door niet-toezichthouders en het aantal controles uitgevoerd door deze toezichthouders in 2016. Dit maakt het eveneens mogelijk een beeld te verkrijgen van het aantal controles dat per toezichthouder werd uitgeoefend. Voor de Federale politie en de Lokale politie wordt het soort processen-verbaal dat werd opgesteld door de politiediensten inzake leefmilieu in 2016 besproken. Daarnaast wordt specifiek gekeken naar de proactieve controles uitgevoerd door de Federale politie in het kader van afvaltransporten en naar de activiteiten van de toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie. Aansluitend wordt het gevoerde lokale milieu­hand­havingsbeleid geëvalueerd. Bij het lokale milieu­hand­havingsbeleid wordt gewezen op de aanwezigheid van het aantal klasse 1, klasse 2 en klasse 3 inrichtingen op het grondgebied. Vervolgens worden de toezichtstaken uitgevoerd door de Vlaamse steden en gemeenten bestudeerd. Waar relevant, zal een vergelijking worden gemaakt met de gegevens uit de rapporten uit voorgaande jaren. In hoofdstuk 3 ligt de nadruk op het gebruik van de afzonderlijke milieu­hand­havingsinstrumenten door de verschillende milieu­hand­havingsactoren. Om het begrip ‘milieuhandhavingsinstrument’ duidelijk af te bakenen, werd er aan de hand van de parlementaire voorbereidingen van het Milieu­hand­havings­decreet een opsomming gemaakt van deze instrumenten. Op basis van deze opsomming werden de uniforme 10

bevragingsfiches opgesteld. Het betreft de volgende instrumenten: raadgevingen, aanmaningen, bestuurlijke maatregelen (regularisatiebevel, stakingsbevel, bestuursdwang of een combinatie), veiligheidsmaatregelen, bestuurlijke geldboeten (en voordeelontneming) en strafsancties. De bestuurlijke geldboeten, bestuurlijke transacties en de strafsancties zullen echter in een afzonderlijk hoofdstuk worden behandeld, namelijk hoofdstuk 4 ‘Evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde sanctioneringsbeleid’. Net zoals in de vorige Milieu­hand­havings­rapporten zullen de handhavingsinstrumenten worden afgewogen ten aanzien van het aantal uitgevoerde controles waar een overtreding werd vastgesteld en niet ten aanzien van het totaal aantal uitgevoerde controles. Verder zijn ook het proces-verbaal en het verslag van vaststelling opgenomen in deze specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke milieu­ hand­havingsinstrumenten. Nieuw in dit hoofdstuk is het onderdeel 3.10 Casus. De leden, vertegenwoordigers en plaatsvervangers van de VHRM werden gevraagd om voor dit Milieu­hand­havings­rapport cases aan te leveren die het cijfermatig beeld van de wijze waarop de instrumenten uit het Milieu­hand­havings­ decreet worden ingezet, aanvullen en zo de milieu­ hand­havingspraktijk concreter maken. Hoofdstuk 4 ‘Evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde sanctioneringsbeleid’ geeft vervolgens een overzicht van de opgelegde bestuurlijke en strafrechtelijke sancties door de Vlaamse Landmaatschappij (VLM en de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-AMMC). Ook wordt een overzicht geboden van de werkzaamheden van de parketten en het Milieuhandhavingscollege (MHHC). Er kunnen ook nog andere soorten boetes worden opgelegd, zoals de gemeentelijke administratieve sancties (GAS) en boetes in het kader van de heffingsplicht. Deze maken echter geen deel uit van het Milieu­ hand­ havings­ decreet en zullen bijgevolg niet verder worden besproken. In het besluit van dit rapport (hoofdstuk 5) wordt getracht een inventaris op te stellen van de inzichten die tijdens de handhaving werden verkregen en die kunnen worden aangewend ter verbetering van de milieuregelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering en aanbevelingen te formuleren voor de verdere ontwikkeling van het milieu­hand­havingsbeleid. Niet enkel de gegevens met betrekking tot 2016 worden gehanteerd om onderstaande evaluatie uit te


voeren, tevens zal – daar waar mogelijk en relevant – een vergelijking worden gemaakt met de gegevens van de voorgaande jaren. In het nieuwe hoofdstuk 6 rapporteert de VHRM over de eigen werkzaamheden in 2016 inzake milieugerelateerde aangelegenheden. Zowel in de plenaire vergadering als in de werkgroepen werden activiteiten verricht die de milieu­hand­having in het Vlaamse Gewest ten goede zouden kunnen komen. Deze activiteiten kunnen worden gekaderd in het strategische en operationele plan van de VHRM, maar kunnen tevens worden gerelateerd aan bepaalde aanbevelingen die de VHRM formuleerde in voorgaande Milieu­ hand­havings­rapporten en in het Milieu­hand­havings­ programma 2015-2019.

1.2.3 Kanttekeningen Het Milieu­ hand­ havings­ decreet bepaalt dat het Milieu­hand­havings­rapport onder meer een evaluatie dient te bevatten van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde gewestelijke milieu­hand­havingsbeleid, een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten en een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld misdrijf. Er kan hier echter geen sprake zijn van een evaluatie sensu stricto. Om werkelijk te onderzoeken hoe doeltreffend het milieu­ hand­ havingsbeleid is, is het noodzakelijk bepaalde beoordelingscriteria ex ante vast te leggen. Het feit dat dit het achtste Milieu­ hand­ havings­ rapport van de VHRM is, maakt het echter wel mogelijk een evaluatie te maken van de verdere implementatie van het Milieu­hand­havings­decreet en er kan een betere blik worden geworpen op de wijze waarop de handhavingsactoren de instrumenten die hen worden aangeboden in het Milieu­hand­havings­decreet hanteren. In tweede instantie dient gewezen te worden op het feit dat ook voor dit Milieu­hand­havings­rapport de responsgraad nog steeds geen 100% bedroeg. Hoewel de verschillende relevante actoren officieel werden aangeschreven en een medewerkingsverplichting bestaat voor de actoren die deel uitmaken van het Vlaamse Gewest, is er geen sprake van een volledige respons. Dit betekent dat de cijfergegevens niet geheel representatief zijn en de conclusies ook in dit licht dienen te worden gelezen. Waar de responsgraad de vorige jaren telkens toenam, moet de VHRM helaas vaststellen dat deze voor dit Milieu­ hand­ havings­ rapport bij de gemeenten beduidend lager ligt dan vorige jaren.

Zoals eerder in de beschrijving van de structuur werd aangegeven, worden de activiteiten van de toezichthouders van de Lokale politie besproken in een afzonderlijk hoofdstuk, volgend op de activiteiten van de Federale politie. Dit heeft te maken met het feit dat de Lokale politie onderscheiden taken heeft wat betreft de handhaving van de milieuwetgeving. Enerzijds zijn binnen sommige steden en gemeenten politiefunctionarissen aangesteld als toezichthouder binnen een politiezone. Anderzijds staat de Lokale politie in voor de basispolitiezorg en voert meer bepaald alle opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie uit op het grondgebied van de politiezone. In dat kader wordt uiteraard ook aan handhaving van de milieuwetgeving gedaan, al is het niet als toezichthouder in het kader van het Milieu­hand­havings­ decreet. Ook voor dit Milieu­hand­havings­rapport 2016 werden de korpschefs van de Vlaamse politiezones gevraagd enkel te rapporteren, indien er een toezichthouder werd aangesteld binnen de politiezone, over de activiteiten van deze toezichthouder(s). Dit onderdeel (2.2.3) dient dus gelezen te worden samen met de evaluatie van het gevoerde lokale milieu­ hand­havingsbeleid (2.3.6). Om de rapporteringslast niet nodeloos te verhogen, werd de bevragingsfiche slechts beperkt, gelet op wijzigingen in het instrumentarium, uitgebreid in vergelijking met de voorgaande jaren. Dit betekent echter dat enkel kan worden weergegeven wat de milieu­ hand­ havingsactoren en de toezichthouders hebben gedaan in 2016 op het vlak van controle en sanctionering, niet hoe en waarom ze dit hebben gedaan. Daar de bevraging cijfermatig was en geen contextgegevens werden opgevraagd, kan dit ruimte laten voor interpretatie. De leden, vertegenwoordigers en plaatsvervangers van de VHRM kregen echter wel de mogelijkheid, om na de verwerking van de gegevens, verdere inhoudelijk commentaar te geven en zo de uitkomsten in een breder kader te plaatsen. Ook dit achtste Milieu­hand­havings­rapport kent zijn grenzen, maar het vormt wel een volgende stap in de evaluatie van het milieu­hand­havingsbeleid in het Vlaamse Gewest en in de verdere implementatie van het Milieu­hand­havings­decreet in 2016. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu tracht met het Milieu­ hand­ havings­ rapport niet enkel een meerwaarde te bieden voor de beleidsmakers, maar tevens voor de handhavingsactoren zelf.

11


1.3 MILIEUHANDHAVINGSBELEID Het Regeerakkoord van de Vlaamse Regering 201420199 bevat de ambitie voor een efficiëntieverhoging bij, en meer samenwerking en afstemming tussen alle diensten die als taak hebben om Vlaamse regelgeving te handhaven en overtredingen te beteugelen. Er wordt gestreefd naar een stroom­ lijning van de procedures in de bestaande Vlaamse handhavingsregelingen.

Ook in de beleidsnota van Vlaams minister voor het algemeen regeringsbeleid Geert Bourgeois11 zijn aanknopingspunten met betrekking tot handhaving te vinden, meer bepaald in strategische doelstelling 1 “Een vlotte en betrouwbare dienstverlening voor de Vlaamse Regering, een innoverend procesmanagement voor de besluitvorming en uitwerking van de Vlaamse Justitie”.

Daarnaast geeft dit regeerakkoord aan dat in het kader van de modernisering van het instrumentarium en de creatie van een nog efficiëntere overheid, de beleidslijnen en –prioriteiten van de handhaving van de omgevingsvergunning worden uitgewerkt in het Hand­havings­programma en de instrumenten van bestuurlijke handhaving optimaal worden ingezet. Tevens wordt er gestreefd naar een oplossingsgerichte en klantvriendelijke omgevingsadministratie waarbij de administraties oplossingen aanreiken en faciliteren om een project vooruit te helpen en fungeren als een kenniscel die meewerkt aan het vormen van draagvlak, steeds met het oog op het algemeen belang. Ook op het vlak van handhaving dient de redelijkheid te primeren en staat oplossingsgerichtheid en klantvriendelijkheid centraal. Het decretaal kader waarbinnen gewerkt wordt, dient deze oplossingsgerichte manier van werken dan ook te ondersteunen.

Deze strategische doelstelling werd verder uitgewerkt in zes operationele doelstellingen waarvan er 2 rechtstreeks op het handhavingsbeleid betrekking hebben.

De VHRM heeft hierbij een belangrijke ondersteunende rol. Zowel de afstemming van het Milieu­ hand­havings­rapport met het Hand­havings­rapport Ruimtelijke ordening en de coördinerende rol van de raad bij de opmaak van het Hand­havings­programma Ruimtelijke ordening zijn een uitvoering van dit regeerakkoord. De beleidsnota omgeving 2014-2019 van Vlaams minister Joke ­Schauvliege10 legt strategische en operationele doelstellingen inzake milieu­hand­having vast waar de VHRM in belangrijke mate mee uitvoering aan kan geven. Specifiek voor handhaving is strategische doelstelling 3 “Eenvoudige en doeltreffende instrumenten” zoals verder geconcretiseerd in operationele doelstelling 14 “Verdere uitbouw gericht handhavingsbeleid” van belang.

9

http://ebl.vlaanderen.be/publications/documents/60797

10

http://ebl.vlaanderen.be/publications/documents/65581

11

http://ebl.vlaanderen.be/publications/documents/65542

12

Enerzijds wordt dit uitgewerkt in operationele doelstelling 1.4: Uitvoering van het samenwerkingsakkoord betreffende het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid voor een meer coherente ­vervolging van overtredingen: “Vlaanderen heeft heel wat bevoegdheden met strafrechtelijke aspecten, zoals leefmilieu, stedenbouw, werkgelegenheid, verkeers­ veiligheid, wapenhandel, jeugdbescherming en leerplicht. Ik zal het samenwerkingsakkoord betreffende het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid uitvoeren zodat overtredingen met betrekking tot Vlaamse bevoegdheden met strafrechtelijke aspecten op een meer coherente manier kunnen worden vervolgd. Na de zesde staatshervorming krijgt Vlaanderen meer instrumenten om de eigen regelgeving te handhaven en om een eigen vervolgingsbeleid te ontwikkelen. Ik zal de samenwerking met het College van Procureurs-generaal zo snel mogelijk opstarten. Ik zal de vergaderingen van het College van Procureurs-generaal actief bijwonen en erover waken dat de beleidsprioriteiten van de Vlaamse Regering zo snel mogelijk vertaald worden in richtlijnen voor het strafrechtelijk beleid. Ik hanteer daarbij als principe dat strafrechtelijke vervolging het best alleen gevraagd kan worden voor de meest strafwaardige overtredingen (strafrecht als ultimum remedium). Om de richtlijnen voor het strafrechtelijk beleid voor te bereiden is het belangrijk om vertegenwoordigers aan te wijzen in de verschillende thematische expertisenetwerken en in horizontale expertisenetwerken, zoals het strafrechtelijk beleid en de strafrechtspleging. Ik versterk de samenwerking met het federale niveau in het kader van het veiligheidsbeleid en lever een actieve bijdrage aan de Kadernota integrale veiligheid en het nationaal


veiligheidsplan. Dat alles wordt uitgevoerd in nauw overleg met mijn collega’s die bevoegd zijn voor de materies in kwestie. Daarom zal ik een coördinatiemechanisme opzetten bij de Vlaamse overheid. Dat orgaan heeft als opdracht het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid te ondersteunen. Via het positief injunctierecht kan Vlaanderen het openbaar ministerie bevelen om, in individuele gevallen, een dossier strafrechtelijk te vervolgen of om een rechtsmiddel aan te wenden. Ik zal dit positief injunctierecht op een verantwoorde wijze en in nauw overleg met de bevoegde ministers van de betrokken materies uitoefenen.”

bestaan voor ernstige inbreuken. Ik laat methodes om spontane naleving te verhogen inventariseren op basis van literatuur en bestaande praktijken. De inspectie- en handhavingsdiensten worden op een systematische en structurele wijze betrokken bij de opmaak en aanpassing van relevante wet- en regelgeving.” De VHRM zal, gelet op bovenstaand kader, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de uitvoering van zowel de beleidsnota van Vlaams minister van Omgeving, Natuur en Landbouw als de beleidsnota van Vlaams minister voor het algemeen regeringsbeleid.

Anderzijds zijn duidelijk aanknopingspunten vervat in operationele doelstelling 1.5 ‘Uitbouw van een Vlaams inspectie- en handhavingsbeleid’ door de versterking van de efficiëntie van en de afstemming tussen alle inspectie- en handhavingsdiensten en de stroomlijning van processen en procedures: “Ik zal de fundamenten leggen voor een Vlaams inspectie- en handhavingsbeleid, met dien verstande dat de afzonderlijke inspectiediensten zullen blijven bestaan. Daartoe voer ik de aanbevelingen uit van de thema-audit over handhaving van Audit Vlaanderen. Binnen de administratie is al een traject opgestart om aanbevelingen uit te werken over een beleidsdomeinoverschrijdend inspectie- en handhavings­ beleid. Ik onderzoek hoe de werkzaamheden van die werkgroep worden voortgezet om concrete voorstellen uit te werken voor efficiëntieverhoging en meer samenwerking en afstemming tussen alle inspectie en handhavingsdiensten. Het leidend principe daarbij is dat inspectie- en handhavingsdiensten in Vlaanderen moeten voldoen aan zes principes van goed toezicht: selectiviteit, slagvaardigheid, samenwerking, transparantie, professionaliteit en onafhankelijke werking. Ik zet ook een specifieke projectgroep aan het werk die zal onderzoeken hoe we de inspectieprocessen en procedures in de bestaande Vlaamse handhavings­ regelingen kunnen stroomlijnen. Voor de inspectie­processen denk ik bijvoorbeeld aan de duur en frequentie van controles, gemeenschappelijke controles door verschillende diensten en de beperking van de toezichtslasten. Ik streef er ook naar om een decreet voor bestuurlijke handhaving uit te werken dat de processen en procedures voor het opleggen van administratieve boetes en maatregelen stroomlijnt. Ik verhoog de klantvriendelijkheid van inspecties en verminder de toezichtslasten van gecontroleerden. Als tijdens een controle onregelmatigheden worden vastgesteld, geven inspectiediensten informatie aan de geïnspecteerde over hoe die alle verplichtingen kan nakomen. Sancties worden pas opgelegd als de overtreding blijft bestaan. De mogelijkheid voor onmiddellijke bestraffing blijft 13


14

Š Viktor Hanacek


2 EVALUATIE In dit hoofdstuk wordt een evaluatie van het Vlaamse milieu­hand­havingsbeleid van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 nagestreefd. Het betreft een rapportering inzake de handhavings- en toezichtsactiviteiten van de verschillende actoren, actief in het Vlaamse Gewest in 2016. Tevens zal – daar waar mogelijk en relevant – een vergelijking worden gemaakt met de gegevens die de VHRM heeft verzameld in voorgaande Milieu­hand­havings­rapporten.

2.1 EVALUATIE VAN HET GEWESTELIJKE HANDHAVINGSBELEID

2.1.1 Gewestelijke toezichthouders Het Milieu­hand­havings­decreet bepaalt in artikel 16.3.1 dat de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot de beleidsdomeinen Leefmilieu, Natuur en Energie, Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en Mobiliteit en Openbare Werken door de Vlaamse Regering kunnen worden aangewezen als toezichthouders. Het betreft de volgende handhavingsinstanties: de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE); de afdeling Milieu-inspectie van het departement LNE (LNE-AMI); de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE (LNE-AMV); de afdeling Land, Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het departement LNE (LNE-ALBON); de Vlaamse Landmaatschappij (VLM); de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM); het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid (VAZG); het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB); de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en Waterwegen en Zeekanaal (AWZ). In 2010, met het wijzigingsbesluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, konden het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV), de afdeling Maritieme toegang van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) en NV De Scheepvaart ook toezichthouders aanstellen. Artikel 16.3.2 van het Milieu­hand­havings­decreet bepaalt daarnaast dat enkel die personen kunnen worden aangesteld als toezichthouders die over de vereiste kwalificaties en eigenschappen beschikken om de toezichtsopdracht naar behoren in te vullen. De gewestelijke toezichthoudende instanties werden in de bevragingsfiche verzocht om het aantal toezichthouders, aangesteld door de Vlaamse Regering, aan te geven waarop zij in 2016 beroep konden doen. Tabel 1 geeft een beeld van het aantal toezichthouders dat door de gewestelijke handhavingsinstanties werd ingezet in 2016. Op basis van de gegevens uit het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2015 en het Milieu­ hand­havings­rapport 2014 werd het tevens mogelijk

een vergelijking te maken tussen het totaal aantal toezichthouders waarop beroep kon worden gedaan door de toezichthoudende instantie in 2014, in 2015 en in 2016.

AANTAL TOEZICHTHOUDERS GEWESTELIJKE HAND­ HAVINGSACTOR

2014

2015

2016

ALBON

15

13

13

AMI

114

117

107

AMV

84

84

84

ANB

162

162

150

AWZ

62

68

68

AWV

59

58

58

VAZG

/

18

18

De Scheepvaart

30

30

30

OVAM

112

112

159

VLM

42

45

39

VMM - Afdeling Operationeel Waterbeheer

8

VMM - Afdeling Rapportering Water

21

28

14

MOW - afdeling Maritieme toegang

9

13

11

Totaal

711

741

765

Tabel 1: Aantal toezichthouders per gewestelijke toezichthoudende instantie in 2014, 2015 en 2016

Om tabel 1 te kaderen, dienen in eerste instantie de volgende randbemerkingen te worden geformuleerd: In 2016 werd door de secretaris-generaal van het

departement Leefmilieu, Natuur en Energie geen toezicht uitgeoefend, aangezien er zich, net zoals in 2014 en 2015, ook in 2016 geen uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan waarin 15


diens bevoegdheid diende te worden aangewend. De secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie wordt dan ook niet opgenomen in de tabellen en grafieken. De OVAM deelt mee dat het hoger aantal toe-

zichthouders bij de OVAM volgende redenen heeft: het takenpakket van de toezichthouders is breed, er zijn geen bijkomende functies ingericht naar enkel toezicht; er is een interne reorganisatie gericht op doelgroepen waarbij de dossierbehandelaars vooral de opvolging doen van dossiers en daarom maar beperkt toezichtstaken moeten kunnen uitoefenen; de mogelijkheid om bij uitzonderlijke omstandigheden (crisissituaties) voldoende toezichthouders ter beschikking te hebben om op te treden.

Uit tabel 1 kan worden afgeleid dat in totaal 765 gewestelijke toezichthouders waren aangesteld in 2016. Dit is een verdere stijging ten opzichte van de 711 gewestelijke toezichthouders in 2014 en de 741 aangestelde gewestelijke toezichthouders in 2015. De stijging van 2016 ten opzichte van 2015 kan voornamelijk worden verklaard door het aantal toezichthouders van de OVAM, dat met 47 is gestegen ten opzichte van 2015 en te verklaren valt door bovenstaande kanttekening van de OVAM. Ook bij de VMM was er een toename van het aantal toezichthouders. Bij het ANB, de LNE-AMI en de VLM was er dan weer een lichte daling in het aantal toezichthouders. Uit de tabel blijkt – net zoals voorgaande jaren – de grote verscheidenheid aan entiteiten waarbinnen toezichthouders tewerkgesteld zijn, en de verschillen in aantallen toezichthouders per entiteit. Bij de opmaak van het Milieu­hand­havings­decreet was het opzet om de pakkans voor bepaalde misdrijven, zoals het achterlaten van afval, te vergroten door meer toezichthouders in te zetten, een aanpak die wordt omschreven als “veel ogen op het terrein”. Als gevolg daarvan werden ook buiten het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie, ambtenaren aangeduid om de afvalproblematiek te bestrijden.

16

2.1.2 Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken Net zoals reeds in vorige Milieu­ hand­ havings­ rapporten kon worden vastgesteld, verschilt de wijze waarop de gewestelijke handhavingsactoren hun handhavingsopdrachten organiseren sterk. Bepaalde handhavingsactoren hebben veel toezichthouders aangesteld, terwijl hun handhavingstaken of handhavingsbevoegdheden eerder beperkt zijn. Daarnaast zijn er instanties waar de toezichthouders (quasi) voltijds bezig zijn met het uitvoeren van milieu­hand­ havingstaken. Dit betekent dat het aangeven van het aantal toezichthouders geen volledig beeld geeft van de effectieve inzet met betrekking tot de handhavingstaken. De gewestelijke toezichthoudende instanties werden daarom wederom gevraagd aan te geven hoeveel voltijdse equivalenten (VTE) in 2016 werden ingezet voor handhavingstaken. Ondanks het feit dat het Milieu­hand­havings­decreet niet bepaalt hoeveel VTE aan handhavingstaken dient te worden besteed, kan de ingezette VTE een duidelijker en meer afgewogen beeld geven van de effectieve inspanningen op het vlak van milieu­hand­having. Tabel 2 geeft niet enkel een beeld van de totale tijdsbesteding aan milieu­hand­havingstaken van de gewestelijke toezichthouders – in VTE – in 2016 maar ook van het aantal ingezette VTE dat werd besteed aan administratieve ondersteuning van milieu­hand­ havingstaken door niet-toezichthouders. De administratieve ondersteuning van milieu­hand­havingstaken heeft betrekking op de tijdsbesteding in het kader van milieu­ hand­ havingsgerelateerde taken van niet-toezichthouders. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inbrengen van gegevens in het dossieropvolgingssysteem, beleidsmatige ondersteuning (opmaak rapporten en programma’s), zuiver administratieve taken (opstellen briefwisseling, organisatie controles), en juridische ondersteuning (uitwerken van interne richtlijnen voor de toezichthouders). Ter vergelijking worden deze gegevens inzake het totaal VTE besteed aan milieu­hand­havingstaken in 2015 en in 2014 weergegeven.


INSPANNINGEN

Totaal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOR

VTE besteed door toezichthouders aan milieuhandhavingstaken

VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieu­ hand­havingstaken door niet-toezichthouders

2014

2015

2016

2016

2016

ALBON

2,7

2,40

2,6

2,1

0,5

AMI

91,8

91,70

96,99

88,5

8,49

AMV

2

3,95

2,25

1,75

0,5

ANB

39,3

37,20

34,5

33,5

1

AWZ

0

0,01

0,01

0,01

0

AWV

1

1,00

1,2

1

0,2

VAZG

/

3,91

4,25

2,95

1,3

De Scheepvaart

/

1,10

1,1

1

0,1

9,9

8,90

10,15

7,1

3,05

27,42

30,95

33,3

33,3

0

0,60

0,6

0,3

0,3

OVAM VLM VMM - Afdeling Operationeel Waterbeheer

0,2

VMM - Afdeling Rapportering Water

0,4

MOW - afdeling Maritieme toegang

0

0,00

0

0

0

174,72

181,72

186,95

171,51

15,44

Totaal

Tabel 2: Inspanningen van de gewestelijke toezichthoudende instanties met betrekking tot milieu­hand­havingstaken in 2014, 2015 en 2016

Om de gegevens van 2016 te kaderen, dienen de volgende opmerkingen te worden geformuleerd: Het Agentschap Waterwegen en Zeekanaal deel-

de mee dat de uitgevoerde controles deel uitmaken van de dagelijkse opdracht van de toezichthouder in het kader van het toezicht op patrimonium/territorium van het agentschap. Derhalve is het moeilijk aan te geven hoeveel tijd (uitgedrukt in VTE) daadwerkelijk aan deze controles wordt besteed.

Met betrekking tot het totaal aantal VTE besteed aan milieu­ hand­ havingstaken door de gewestelijke toezichthoudende instanties kan een positieve evolutie worden vastgesteld. Zoals eerder aangeduid werden niet enkel meer toezichthouders aangesteld, ook werd er effectief meer VTE besteed aan milieu­ hand­ havingstaken door deze toezichthouders. Ten opzichte van 2015 werd in 2016 ongeveer 5 VTE meer besteed aan milieu­hand­havingstaken. Deze stijging van het aantal VTE is voornamelijk toe te schrijven aan de LNE-AMI, OVAM en de VLM. Net zoals voorgaande jaren kan voor 2016 echter worden vastgesteld dat een grote verscheidenheid bestaat tussen de verschillende gewestelijke toe-

zichtsactoren inzake het aantal ingezette VTE dat werd besteed aan handhavingstaken. Bepaalde actoren besteden een groot aantal VTE aan handhavingstaken terwijl andere milieu­hand­havingsactoren slechts een beperkt aantal VTE besteden aan milieu­ hand­havingstaken. Zo kan bijvoorbeeld worden opgemerkt dat meer dan de helft van het totaal aantal VTE besteed aan milieu­hand­havingstaken door gewestelijke handhavingsactoren werd besteed door de LNE-AMI, namelijk 96,99 VTE. Andere handhavingsactoren spendeerden zeer weinig, of zelfs geen, VTE aan milieu­hand­havingstaken, zoals de afdeling Maritieme Toegang van MOW of het AWZ. Zij konden in 2016 respectievelijk beroep doen op 13 en 68 gewestelijke toezichthouders en spendeerden respectievelijk 0 en 0,01 VTE aan milieu­hand­havingstaken. De reden is uiteraard dat milieu­hand­having niet tot hun prioritaire takenpakket behoort. Aantal controles Om de inspanningen op het vlak van de milieu­hand­ having van de gewestelijke toezichthoudende instanties beter te kunnen kaderen, werd gevraagd hoeveel milieu­hand­havingscontroles werden uitgevoerd door deze toezichthouders tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016. De definitie van controle luidt als volgt: “Een controle in het kader van milieu­hand­having is 17


het nagaan bij een rechtspersoon en/of een natuurlijke persoon die gehouden is aan wettelijke verplichtingen uit het milieurecht, of die rechtspersoon of natuurlijke persoon ook daadwerkelijk deze wettelijke verplichtingen naleeft”. 12 Tabel 3 geeft een overzicht van het totaal aantal uitgevoerde milieu­ hand­ havingscontroles door de toezichthouders in 2016. Ter vergelijking werd tevens het totaal aantal milieu­hand­havingscontroles uitgevoerd in 2015 en 2016 per gewestelijke toezichthoudende instantie weergegeven.

MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES GEWESTELIJKE ­HANDHAVINGSACTOR

2014

2015

2016

ALBON

272

231

211

AMI

11.964

13.305

11.050

AMV

949

1.764

1.316

ANB

9.087

9.531

7.355

AWZ

/

1

3

AWV

201

124

222

VAZG

/

4.585

7.317

De Scheepvaart

/

41

22

OVAM

402

3.323

378

VLM

4.658

4.687

5.231

33

52

VMM - Afdeling Operationeel Waterbeheer

/

VMM - Afdeling Rapportering Water

25

MOW - afdeling Maritieme ­toegang

0

0

2

Totaal

711

741

765

Tabel 3: Totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles door de toezichthouders in 2014, 2015 en 2016 13

Om tabel 3 te kaderen dienen volgende randbemerkingen te worden gegeven: Het Agentschap Waterwegen en Zeekanaal deel-

de mee dat de uitgevoerde controles deel uitmaken van de dagelijkse opdracht van de toezichthouder in het kader van het toezicht op patrimonium/territorium van het agentschap. Het VAZG deelde mee dat er bij het ingeven van de gegevens van 2015 werd vergeten om de waterkwaliteitscontroles van open zwemgelegenheden en waterrecreatie mee te tellen. Dit verklaart de verhoging van het aantal controles van ca 4585 naar 7300 in 2016. De LNE-AMV deelde mee dat de door haar opgegeven cijfers alle controles omvatten die werden opgestart én afgerond in 2016, en deze die werden opgestart in 2016, maar nog niet afgerond in 2016. De controles die in voorgaande jaren werden opgestart en pas in 2016 werden afgerond, werden niet opgenomen in de cijfers. Alle controles hadden betrekking op erkenningen.

In tabel 3 kan worden vastgesteld dat de gewestelijke toezichthouders in totaal 33.159 controles hebben uitgevoerd. Dit aantal is een daling ten opzichte van de 37.625 controles in 2015. Deze daling kan gedeeltelijk worden verklaard door het aantal controles dat door de OVAM werd waargenomen. In 2013 voerden zij 354 controles uit en in 2014 402. In 2015 nam dit aantal enorm toe en voerde de OVAM 3.323 controles uit. In 2016 werden dan weer slechts 378 controles uitgevoerd. Dit verschil tussen de cijfers voor en na 2015 is veroorzaakt door de ‘Integraal Milieujaar­ verslag’ (IMJV) -controles die uitgevoerd zijn door de OVAM. Elk oneven jaar is er een grote steekproef van bedrijven (ca 15.000 afvalproducenten) die via het IMJV moeten rapporteren over hun afvalcijfers van het vorig jaar. Elk even jaar is de steekproef van bedrijven kleiner (ca. 3.000 afvalproducenten). In de jaren met een grote steekproef zijn er veel bedrijven (2.000 à 3.000) die niet reageren op de uitnodiging die via het IMJV-loket van LNE verstuurd wordt. In de jaren met een kleine steekproef, zoals in 2016, is dit beperkter (ca. 50 à 100). Het zijn de bedrijven die niet reageren op de uitnodiging die vanuit de OVAM een aanmaning (in het kader van het Milieu­hand­havings­ decreet) krijgen om te rapporteren via het IMJV. Elk bedrijf dat zo een aanmaning krijgt, wordt door de

12

Het VHRM-glossarium is terug te vinden via het gesloten luik ‘voor de toezichthouder’ op de VHRM-website: http://www.vhrm.be/toezichthouders

13

2.771 controles werden uitgevoerd door de eigen toezichthouders en bij 552 controles, uitgevoerd door externe inspectiediensten, politie, douane, ... werd ondersteuning verleend door de OVAM.

18


OVAM als 1 controle geteld. In 2014 zijn er 15 aanmaningen verstuurd (jaar met kleine steekproef) en uiteindelijk 3 verslagen van vaststelling opgesteld. In 2015 zijn er 2.372 aanmaningen verstuurd (jaar met grote steekproef) en uiteindelijk 44 verslagen van vaststelling opgesteld. De opvolging van het IMJV en versturen van aanmaningen is zo veel mogelijk geautomatiseerd waardoor de tijdsbesteding niet significant groter wordt wanneer er meer aanmaningen moeten worden verstuurd. Daardoor is er ook niet veel verschil in het ingezette VTE-aantal tussen de verschillende jaren.

Nieuw sinds dit jaar is dat de gewestelijke toezichthouders ook werden bevraagd naar de aanleiding van de controles die zij uitvoerden. Grafiek 1 geeft voor elk van de handhavingsactoren de aanleiding van de door hun uitgevoerde controles weer. Uit de grafiek blijkt duidelijk dat bij de handhavingsactoren voor wie milieu­hand­having prioritair is de controles voornamelijk op eigen initiatief gebeuren. Bij de handhavingsactoren bij wie milieu­ hand­ having niet tot hun prioritaire takenpakket behoort, zoals het AWZ en NV de Scheepvaart, zijn de milieu­hand­havingscontroles dan weer nagenoeg allemaal onvoorzien gebeurd bij het uitvoeren van andere niet-handhavingsgerelateerde opdrachten. De VMM deelde mee dat zij geen aparte cijfers inzake de aard van de controle heeft opgelijst voor 2016.

Ook bij de LNE-AMI en de LNE-AMV kan een afname van het aantal uitgevoerde controles worden waargenomen in 2016 ten opzichte van 2015 en 2014.

22

25

52

2

5.006

DE SCHEEPVAART

303

22

VZAG

VMM

MOW

ALBON

AMI

AMV

ANB

AWZ

AWV

OVAM

203

50

1.253

104

2.466

76

7.317

5.805

3

211

1.212

8.560

146

24

261 36

Voor de meerderheid van de handhavingsactoren kon een stijging van het aantal uitgevoerde milieu­ hand­havingscontroles in 2016 ten opzichte van 2015 worden genoteerd.

VLM

Technische bijstand/ondersteuning geleverd bij een controle Onvoorziene milieuhandhavingscontroles bij het uitvoeren van andere niet-handhavingsgerelateerde opdrachten Controles op eigen initiatief Controles o.b.v. klachten en controles op stukken Totaal aantal controles zonder opsplitsing (enkel VMM)

Grafiek 1: Aanleiding uitgevoerde controles in 2016 per toezichthouder

19


431 107

4.079

Controles op eigen initiatief Controles o.b.v. klachten en controles op stukken 28.490

Onvoorziene milieuhandhavingscontroles bij het uitvoeren van andere niet-handhavingsgerelateerde opdrachten Technische bijstand/ondersteuning geleverd bij een controle

Grafiek 2: weergave totaal aantal controles opgesplitst volgens aanleiding (exclusief VMM)

Grafiek 2 geeft weer dat 86% van het totaal aantal van 33.159 milieu­ hand­ havingscontroles in 2016 op eigen initiatief gebeurde. Dit wijst op een hoge graad van programmatisch handhaven. 12% van de controles gebeurde op basis van klachten en controles op stukken. Net zoals bij het aantal aangestelde toezichthouders en de ingezette VTE besteed aan handhavingstaken, valt echter ook in 2016 een grote diversiteit op te merken tussen de verschillende gewestelijke toezichtinstanties in het aantal controles dat zij uitvoerden. In tabel 4 wordt niet enkel het aantal toezichthouders, het totaal ingezette VTE besteed aan handhavings­ taken14 en het aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de toezichthouders weergegeven, maar wordt tevens een afweging gemaakt door het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles te delen door het aantal toezichthouders om zo het gemiddeld aantal controles per toezichthouder voor te stellen. Omdat een controle vaak meer omvat dan enkel het effectief uitvoeren van de controle en het ter plaatse gaan, zal – om een meer evenwichtig beeld te verkrijgen – het aantal controles uitgevoerd door de toezichthouders gedeeld worden door het totaal ingezette VTE besteed aan handhavingstaken per gewestelijke instantie, om zo ook voor 2016 een gemiddeld aantal controles per VTE voor te stellen. Op die manier wordt ook rekening gehouden met de voorbereidingen van elke controle en de administratieve afhandeling. Ter vergelijking werd onderaan in de tabel het gemiddelde aantal controles per toezichthouder en het gemiddelde aantal controles per VTE in 2015 en 2014 opgenomen.

14

20

Tabel 4 geeft aan dat in 2016 gemiddeld 43 controles per toezichthouder werden uitgevoerd. Dit is een lichte daling ten opzichte van de 51 controles per toezichthouder in 2015 en vergelijkbaar met de 39 controles per toezichthouder in 2014. Zoals eerder aangegeven, was de daling van het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles voornamelijk toe te wijzen aan de OVAM, de LNE-AMI en de LNE-AMV. Indien dit gegeven wordt bekeken bij de verschillende gewestelijke toezichtinstanties afzonderlijk is dit beeld echter zeer gediversifieerd. Zo voerde een toezichthouder van het VAZG in 2016 gemiddeld niet minder dan 407 controles uit, terwijl dit aandeel bij bijvoorbeeld de VMM en het AWV respectievelijk 2 en 4 controles per toezichthouder bedroeg. Dit verschil zou kunnen worden verklaard door onder andere de aard van de uitgevoerde controles en door het feit dat voor bepaalde toezichthouders de handhaving van het milieurecht een vrijwel exclusieve taak vormt, terwijl voor andere toezichthouders de handhaving slechts een klein onderdeel uitmaakt van het takenpakket van de medewerker. Het gemiddeld aantal controles per VTE is het totaal aantal uitgevoerde controles afgewogen ten aanzien van het totale ingezette VTE dat werd besteed aan handhavingstaken. Dit gegeven vormt een correcter beeld van de inspanningen van de gewestelijke handhavingsactoren in 2016. Gemiddeld voerden de toezichthouders 177 controles uit per VTE. Dit is een stijging ten opzichte van de 158 milieuhandhavings­ controles per VTE in 2014 doch een daling ten opzichte van de 207 milieuhandhavingscontroles per VTE in

Het betreft hier zowel de ingezette VTE besteed door toezichthouders aan milieu­hand­havingstaken in het kader van het Milieu­ hand­ havings­ decreet als de ingezette VTE besteed aan administratieve ondersteuning van milieu­ hand­ havingstaken door niet-­ toezichthouders.


2015. Deze daling ten opzichte van 2015 kan worden verklaard door de afname in het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles. Voor bepaalde actoren vormt het gemiddelde aantal controles per VTE een fictief scenario aangezien er binnen hun organisatie niet meer dan 1 VTE werd besteed aan handhavingstaken. Dit is het geval bij het AWZ en de VMM en brengt dan ook mee dat het gemiddelde aantal controles per VTE hoger ligt dan het totaal aantal

door deze handhavingsactoren uitgevoerde milieu­ hand­havingscontroles in 2016. Het resultaat van deze door de gewestelijke handhavingsactoren uitgevoerde milieu­hand­havings­ controles zal aan bod komen in hoofdstuk 3 ‘Evaluatie van de inzet van de afzonderlijke milieuhandhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen’.

INSPANNINGEN M.B.T. HANDHAVINGSTAKEN Aantal toezicht­ houders

Totaal aantal VTE

Aantal milieuhand­ havingscontroles

Gemiddeld aantal controles per toezichthouder

Gemiddeld aantal controles per VTE

ALBON

13

2,6

211

16

81

AMI

107

96,99

11.050

103

114

AMV

84

2,25

1.316

16

585

ANB

150

34,5

7.355

49

213

AWZ

68

0,01

3

0

300

AWV

58

1,2

222

4

185

VAZG

18

4,25

7.317

407

1.722

De Scheepvaart

30

1,1

22

1

20

OVAM

159

10,15

378

2

37

VLM

39

33,3

5.231

134

157

VMM

28

0,6

52

2

87

MOW - afdeling Maritieme toegang

11

0

2

0

0

765

186.95

33.159

43

177

GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOR

Totaal

2014 2015

39

2014

158

51

2015

207

Tabel 4: Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken in 2016

21


2.2 EVALUATIE VAN HET GEVOERDE MILIEUHANDHAVINGSBELEID DOOR DE POLITIE 2.2.1 Algemeen De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu heeft voor de opmaak van dit Milieu­ hand­ havings­rapport wederom de Federale en de Lokale politie bevraagd in het kader van hun activiteiten betreffende milieuhandhaving. Zo werd onder meer gevraagd hoeveel processen-verbaal met betrekking tot milieumisdrijven in het Vlaamse Gewest werden opgesteld door de Federale politie en door de Lokale politie naar aanleiding van een vaststelling (op basis van een aangifte, klacht of een op heterdaad ontdekt misdrijf) tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016. Verder werd meer gedetailleerd gevraagd naar de specifieke activiteiten van de Federale politie in het kader van de milieuhandhaving en naar de activiteiten van de toezichthouders aangesteld binnen de Lokale politiezones.

Tabel 5 geeft een overzicht van het soort proces-verbaal dat werd opgesteld door de politiediensten inzake leefmilieu in 2016. De cijfers omvatten zowel de aanvankelijke processen-verbaal en de vereenvoudigde processen-­ verbaal15. Het feit dat hierin ook de vereenvoudigde processen-verbaal vervat zitten, geldt als verklaring voor het verschil tussen het aantal opgestelde processen-verbaal door de politiediensten en het aantal ontvangen dossiers – opgesteld door de politiediensten – bij de parketten (cf. hoofdstuk 4.1.). De cijfergegevens zijn afkomstig uit de Algemene Nationale Gegevensdatabank. De Algemene Nationale Gegevensbank (ANG) is het geheel van informatiesystemen van de geïntegreerde politie dat bestemd is om de opdrachten van gerechtelijke of bestuurlijke politie te ondersteunen, zodat er een maximaal gestructureerd en beveiligd informatiebeheer wordt gewaarborgd.16

PROCESSEN-VERBAAL LEEFMILIEUCRIMINALITEIT Eenheden TYPE FEIT

Federale Politie

Lokale Politie

Overige

Totaal

Afval door beroepspersoon

22

312

0

334

Afvaltransport

5

47

1

53

Afval: vergunning-erkenning

2

50

2

54

Afval door particulier

60

2.849

6

2.915

Luchtverontreiniging

9

98

8

115

Waterverontreiniging

14

142

2

158

Bodemverontreiniging

3

78

1

82

Leefmilieu: Geluidshinder

0

210

2

212

Belastingen-heffingen inzake leefmilieu

0

14

0

14

Leefmilieu flora fauna Vernietiging

0

231

0

231

Leefmilieu flora fauna Dierenwelzijn

3

906

3

912

Leefmilieu flora fauna Natuurbescherming

5

149

0

154

Leefmilieu flora fauna Vergunning erkenning

4

64

0

68

Overige Fenomenen gelinkt met leefmilieu

155

7.497

14

7.666

Totaal

282

12.647

39

12.968

Tabel 5: Processen-verbaal opgesteld door politiediensten inzake leefmilieucriminaliteit voor het jaar 2016 in het Vlaamse Gewest. Bron: ANG

15

Vereenvoudigde processen-verbaal worden voornamelijk opgesteld voor lichte feiten met bijvoorbeeld onbekende daders, die niet systematisch worden overgemaakt aan het parket.

16

Art. 44/7 Wet op het Politieambt.

22


In totaal werden door de politiediensten 12.968 processen-verbaal opgesteld in het Vlaamse Gewest in 2016. Iets meer dan 98% van deze processen-verbaal werd opgesteld door de Lokale politie en 2% door de Federale politie. Meer dan de helft, namelijk 59%, van de processen-verbaal had betrekking op ‘overige fenomenen gelinkt met leefmilieu’. Dit bevat onder meer feiten die niet vallen onder het Milieu­hand­havings­decreet, zoals overtredingen in het kader van vuurwerkzwendel. De tweede grootste categorie is ‘afval door particulier’. Deze categorie vertegenwoordigt 23% van het totaal aantal vastgestelde overtredingen.

van 117 personen van de Federale politie dat actief bezig is met milieuhandhaving zowel een overschatting als een onderschatting inhoudt. Het cijfer is immers een extractie uit de databank Leefmilieunetwerk. Niet alle personen opgenomen in deze databank zijn nog steeds actief bezig met milieuhandhaving. Anderzijds is het ook zo dat niet alle personen die zich binnen de Federale politie bezighouden met milieuhandhaving in dit netwerk zijn opgenomen. Het cijfer van 117 personen dient dus als indicatief te worden beschouwd.

2.2.2 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Federale politie

Meer nauwkeurig is het feit dat in 2016 binnen de Federale politie 38 VTE actief bezig waren met milieu­ handhaving in het Vlaamse Gewest. Dit betreft 6 VTE binnen de Dienst leefmilieu van de Directie bestrijding zware en georganiseerde criminaliteit (­DJSOC/Milieu), 15 VTE onderzoekscapaciteit binnen de Federale Gerechtelijke politie en 17 VTE fenomeencoördinatoren. Deze fenomeencoördinatoren bekijken het fenomeen leefmilieucriminaliteit en volgen dit op. In vergelijking met 2015 kan een stagnering worden vastgesteld van het aantal VTE dat actief bezig was met milieuhandhaving in het Vlaamse Gewest binnen de Federale politie. In 2014 bedroeg dit aantal nog 49 VTE. Het is voornamelijk de onderzoekscapaciteit die sindsdien sterk is afgenomen, namelijk van 31 VTE in 2014 naar 15 VTE in 2015 en 2016. Het aantal VTE fenomeencoördinatoren is daarentegen toegenomen, van 10 VTE in 2014 naar 17 VTE in 2015 en 2016.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu heeft ook voor het Milieu­hand­havings­rapport 2016 de Federale politie bevraagd naar zijn activiteiten in het kader van de milieuhandhaving. Er werd onder meer gevraagd hoeveel processen-verbaal in 2016 gevat werden in de ANG betreffende Leefmilieucriminaliteit waarbij de vaststellende eenheid een onderdeel uitmaakte van de Federale politie. Deze gegevens werden in 2.2.1 in tabel 5 voorgesteld. Daarnaast werd ook gevraagd hoeveel personen in 2016 binnen de Federale politie actief bezig waren met de handhaving van het milieurecht in het Vlaamse Gewest.

De Federale politie behandelt de bovenlokale fenomenen die beantwoorden aan de definitie van zware leefmilieucriminaliteit. Het betreft hier onder meer het herhaaldelijk systematisch handelen in strijd met de regelgeving en overige wettelijke bepalingen; een sterke verwevenheid met fraude; activiteiten die georganiseerd plaatsvinden, veelal in bedrijfsmatig verband; activiteiten met een bovenregionale spreiding en ­internationale vertakkingen; activiteiten die gericht zijn op aanzienlijk geldgewin; en bedrijvigheden met grote, vaak onherstelbare schade aan het leef­milieu en/of dreigend gevaar voor de volksgezondheid.

Binnen de Federale politie maakten er in 2016 117 personen deel uit van het Leefmilieunetwerk in Vlaanderen. Dit Leefmilieunetwerk heeft als opzet om informatie met betrekking tot leefmilieuschendingen uit te wisselen, om wederzijdse ondersteuning te leveren, om samen “best practices” te ontwikkelen en om grootschalige onderzoeken effectief en efficiënt uit te voeren. Binnen dit netwerk zijn er ook 201 leden van de Lokale politie actief. Het is echter zo dat het cijfer

In 2016 werden in totaal 287 processen-verbaal opgenomen in de Algemene Nationale Gegevensbank17 betreffende leefmilieucriminaliteit en dit enkel op het grondgebied van het Vlaamse Gewest en waarbij de vaststellende eenheid een onderdeel uitmaakte van de Federale politie. Dit houdt een sterke daling in van het aantal opgestelde processen-verbaal ten opzichte van 2015. In 2015 werden immers 439 processen-verbaal opgesteld. In 2014 waren dit er 354.

In vergelijking met de gegevens uit de Milieu­hand­ havings­rapporten van 2014 en 2015 kan een dalende tendens worden opgemerkt van het aantal opgestelde processen-verbaal, namelijk 15.303 in 2014, 13.373 in 2015 en 12.968 in 2016. De verhouding tussen de verbaliserende eenheid (Federale politie, Lokale politie en overige politiediensten) blijft echter nagenoeg gelijk, net als de verhoudingen tussen de verschillende types feiten.

17

Extractie juni 2017 – de cijfers ter zake zullen allicht hoger zijn aangezien de ANG en de databank ECO-formulieren dagelijks worden gevoed.

23


Het betreft hier meestal de meer complexe milieudossiers. De vaststellingen zijn het gevolg van een klacht of aangifte of een op heterdaad ontdekt misdrijf. Een aantal dossiers worden evenwel opgestart op basis van ingezamelde informatie (van administratieve, politionele of gerechtelijke aard). Deze processen-verbaal handelden niet alleen over milieumisdrijven, maar tevens over milieugerelateerde feiten. Proactieve controles in het kader van afval­ transporten op het grondgebied van het Vlaamse gewest Naast bovenstaande reactieve controles voerde de Federale politie in 2016 ook 497 proactieve controles uit in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. De gedaalde onderzoekcapaciteit in VTE laat zich dus uiteindelijk ook voelen in de uitgevoerde proactieve controles. In 2015 vond nog een stijging van het aantal proactieve controles plaats van 531 in 2014 naar 595 in 2015, waar er nu een sterke daling is naar 497 controles. Er werd binnen de Federale politie voor gekozen om die afvalstoffen aan te pakken die een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid of voor het leef­ milieu en die grote (illegale) winsten genereren. Deze focus op controles van de afval­transporten door de Federale politie is gerelateerd aan het Nationaal Veiligheidsplan 2016-201918 waarin de Federale Regering heeft beslist om onder meer de afvalfraude als prioritair te beschouwen. Er dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers inzake afvaltransporten enkel deze afvaltransporten zijn opgenomen waarvan een ECO-formulier is opgemaakt en verstuurd naar de centrale dienst DJSOC/Leefmilieu. Dus de controles van afvaltransporten waarvoor geen ECO-formulier werd opgesteld of overgemaakt, zijn niet terug te vinden in deze cijfers, waardoor dit een onderschatting zal zijn. Grafiek 3 geeft een overzicht van de resultaten van de 497 controles die in 2016 door de Federale politie werden uitgevoerd in verband met afvaltransporten. Het feit dat de personele capaciteit van de terreineenheden van de politie zwaar werd gehypothekeerd door de bijkomende inzet voor terrorisme­ bestrijding in de loop van 2016, heeft alleszins het aantal uitgevoerde afvaltransportcontroles ernstig gereduceerd.

500

474

450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 Er werd geen ­overtreding ­vastgesteld

11

12

Er werd een ­overtreding vastgesteld en een proces-verbaal opgesteld

Er werd alsnog een overtreding ­vastgesteld na terugkoppeling met de bevoegde ­administratie

Grafiek 3: Proactieve controles (gemeld via het opstellen van een ECO-formulier) uitgevoerd door Federale politie in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in 2016

Bij 474 controles werd geen overtreding vastgesteld. Bij 11 controles werd een overtreding vastgesteld en onmiddellijk een proces-verbaal opgesteld op het moment van het invullen van het ECO-formulier19.. Het is mogelijk dat naderhand, nadat de gegevens werden gecontroleerd door de administratie, er alsnog overtredingen werden vastgesteld. Momenteel werden hierdoor 12 extra inbreuken vastgesteld. Dit werd in grafiek 3 opgenomen als ‘Er werd alsnog een overtreding vastgesteld na terugkoppeling met de bevoegde administratie’. Na het opstellen wordt het ECO-formulier inzake afval overgemaakt aan de dienst Leefmilieu van de Federale Gerechtelijke politie voor verdere analyse. Inzake afvaltransporten kan nog worden meegedeeld dat ook de Lokale politie ter zake controles uitvoerde in 2016. Er werden in 2016 215 afvaltransportcontroles uitgevoerd door de Lokale politie. Dit is een verdere daling ten opzichte van de 451 controles in 2014 en de 238 die in 2015 werden uitgevoerd. Bij 195 controles die in 2016 werden uitgevoerd werd geen overtreding vastgesteld. Er werden 14 processen-verbaal opgesteld op het moment van het invullen van het ECO-formulier. Er werden alsnog 6 extra overtredingen vastgesteld na controle door de administraties. Ook de gegevens in grafiek 3 kunnen een onderschatting, zijn, gelet op het feit dat in de cijfers inzake afvaltransporten enkel deze afvaltransporten zijn opgenomen waarvan een ECO-formulier is opgemaakt en verstuurd naar de cen-

18 http://www.politie.be/files/fed/files/ORG/INT/NVP2016-2019.pdf 19

24

Ter gelegenheid van elke controle van een afvaltransport (inclusief mest) stelt de politieambtenaar een document op, genaamd ECO-formulier afval (EFA). Dit document laat toe om een gedeelte van een afvalstroom zichtbaar te maken.


trale dienst DJSOC/Leefmilieu. Zoals eerder reeds meegedeeld zijn de controles van afvaltransporten waarvan geen ECO-formulier is opgesteld of overgemaakt niet terug te vinden in deze cijfers.

250

200

195

150

100

50 14 0 Er werd geen ­overtreding ­vastgesteld

Er werd een ­overtreding vastgesteld en een proces-verbaal opgesteld

6 Er werd alsnog ­ een overtreding vastgesteld na terugkoppeling met de bevoegde ­administratie

Grafiek 4: Proactieve controles (gemeld via het opstellen van een ECO-formulier) uitgevoerd door de Lokale politie in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in 2016

2.2.3 Evaluatie van het gevoerde milieuhandhavingsbeleid door de Lokale politie In het algemene deel (2.2.1) inzake de politiediensten werden de processen-verbaal gevat die door de Lokale politie en de Federale politie werden opgesteld in 2016 aangaande een bepaald milieuthema. De activiteiten van de toezichthouders van de Lokale politie worden echter besproken in dit hoofdstuk, volgend op de activiteiten van de Federale politie. Dit heeft te maken met het feit dat de Lokale politie onderscheiden taken heeft wat betreft de handhaving van de milieuwetgeving. Enerzijds zijn binnen sommige steden en gemeenten politiefunctionarissen aangesteld als toezichthouder binnen een politiezone. Anderzijds staat de Lokale politie in voor de basispolitiezorg en voert zij meer bepaald alle opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie uit die nodig zijn voor het controleren van lokale gebeurtenissen en fenomenen die zich voordoen op het grondgebied van de politiezone, evenals het vervullen van sommige politieopdrachten van federale aard. In dat kader wordt uiteraard ook aan handhaving van de milieuwetgeving gedaan, al zij het niet als toezichthouder in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet. Binnen diverse politiezones kunnen immers gespecialiseerde milieucellen worden opgericht of wordt ervoor

gekozen om één of meerdere medewerkers te laten specialiseren in milieugerelateerde onderwerpen. Dit zijn dan niet altijd medewerkers die zijn aangesteld als toezichthouder; zij kunnen ook functioneren enkel als officier of agent van de gerechtelijke politie. Daarnaast dient te worden vermeld dat in 2016 201 personen van de Lokale politie deel uitmaakten van het Leefmilieunetwerk zoals dit eerder werd beschreven in het onderdeel over de Federale politie. Ook voor dit Milieu­hand­havings­rapport werd aan de korpschefs van de Vlaamse politiezones gevraagd enkel te rapporteren, indien er een toezichthouder werd aangesteld binnen de politiezone, over de activiteiten van deze toezichthouder(s). Dit onderdeel dient best te worden gelezen parallel met de evaluatie van het gevoerde lokale milieuhand­ havingsbeleid (2.3). Naast het aanstellen van een gemeentelijke toezichthouder binnen het eigen personeelsbestand of door een intergemeentelijke vereniging, kan er – eventueel via een samenwerkingsovereenkomst – voor worden gekozen om de gemeentelijke milieuhandhaving vorm te geven door het aanstellen van toezichthouders bij de Lokale politie. De toezichthouders van de Lokale politie hebben, net zoals de lokale toezichthouders aangesteld binnen de gemeente zelf of binnen een intergemeentelijke vereniging, de opdracht om in inrichtingen die in de indelingslijst bij het VLAREM I, in het vrije veld en in de niet ingedeelde inrichtingen het toezicht uit te oefenen op de volgende wetgeving: titel III van het DABM de wet Luchtverontreiniging; de wet Oppervlaktewateren, wat de lozing van

afvalwater en de opsporing van elke vorm van waterverontreiniging betreft; de wet Geluidshinder; artikel 11, 12, 13, 23, 25, § 1, artikel 39 en 40 van het Materialendecreet; het Grondwaterdecreet; het Milieuvergunningendecreet; het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan; de uitvoeringsbesluiten van de wetten en decreten, vermeld in punt 1° tot en met 7°; hoofdstuk 6.3 van deel 6 van titel II van het ­VLAREM; verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaagafbrekende stoffen; verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide pro25


ducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002; verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigde stoffen en tot wijziging van richtlijn 97/117/EEG; verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; het Pesticidendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan; verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.

De lokale toezichthouder kan eveneens in inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het VLAREM zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1 – binnen het kader van de bovenvermelde wetten, decreten en verordeningen – vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarnemingen en zaken onderzoeken zoals vermeld in artikel 16.3.14 van het Milieu­ hand­havings­decreet. Vergelijkbaar met de bevraging van de gemeentelijke toezichthouders (zie 2.3.5) werd in de bevraging van de politiezones gevraagd naar het aantal inwoners in de politiezone, het feit of de politiezone al dan niet beroep kan doen op een aangestelde toezichthouder, het aantal toezichthouders, de tijdsbesteding en de aanmelding van de toezichthouders en het aantal uitgevoerde controles en vaststellingen met daaraan gekoppeld het resultaat van de uitgevoerde controles. Het resultaat van de uitgevoerde controles zal worden besproken in hoofdstuk 3 ‘Evaluatie van de inzet van de afzonderlijke milieuhandhavings­ instrumenten en veiligheidsmaatregelen’. In dit onderdeel zal worden gefocust op de responsgraad, het aantal aangestelde toezichthouders bij de Lokale politiezones en de aanmelding bij de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, gemiddelde tijdsbesteding van deze toezichthouders, het aantal uitgevoerde controles naar aanleiding van klachten en het aantal controles uitgevoerd op eigen initiatief, het gemiddeld aantal controles per toezichthouder en het gemiddeld aantal controles per VTE. Daar waar relevant zal een vergelijking worden gemaakt met voorgaande jaren aan de hand van de vorige Milieu­hand­havings­rapporten.

20

26

Respons van de Lokale politie op de bevraging Analoog met de vorige Milieu­hand­havings­rapporten, werd er gekozen voor een indeling op basis van het inwonersaantal in de politiezone. Dit maakt dat 5 klassen van politiezones zullen worden gehanteerd. INKLEDINGSKLASSEN Aantal politiezones in de desbetreffende klasse

Aantal r­ esponderende politiezones per klasse in 2016

≤ 24.999

7

3

25.000 - 49.999

63

45

50.000 - 74.999

23

13

75.000 - 99.999

10

5

≥ 100.000

8

6

Totaal

111

72

2015

114

70

2014

116

97

POLITIEZONES

Tabel 6: Inkledingsklassen van de Vlaamse Politiezones inclusief het aantal politiezones per klasse en aantal respondenten per klasse

De VHRM heeft een ingevulde bevragingsfiche mogen ontvangen van 72 van de 111 politiezones20 in het Vlaamse Gewest. Dit komt neer op een responsgraad van 65%. Dit is gelijkaardig aan de responsgraad van 2015 en ligt dus nog steeds beduidend lager dan de responsgraad van het Milieu­hand­havings­rapport 2013 en het Milieu­hand­havings­rapport 2014 die respectievelijk 81% en 83% bedroeg. Deze daling zou wellicht kunnen worden verklaard door het feit dat de VHRM voor de Milieu­hand­havings­rapporten 2015 en 2016 de handhavingsactoren op digitale wijze heeft bevraagd. Aanstelling en tijdsbesteding van toezicht­ houders bij de Lokale politie Artikel 16§1 van het besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, kortweg het Milieuhandhavingsbesluit, bepaalt dat gemeenten beroep moeten kunnen doen op minstens 1 toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone.

Het aantal politiezones daalde in 2016 gelet op het fusioneren van een aantal politiezones.


Een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig titel I van het VLAREM of meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is, moet minstens een beroep kunnen doen op twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van politiezones, hetzij intergemeentelijke verenigingen.

Het totaal aantal aangestelde toezichthouders van de Lokale politie – verspreid over deze politiezones die effectief minimum één toezichthouder hadden aangesteld – bedroeg in 2016 36, hetgeen neerkomt op bijna 1,71 toezichthouders per politiezone. Voor 2014 bedroeg deze verhouding 1,84 toezichthouders per politiezone en voor 2015 werd 1,88 toezichthouders per politiezone berekend. Voor 2016 moet met 36 aangestelde toezichthouders een sterk dalend aantal toezichthouders worden vastgesteld, ten opzichte van de 60 aangestelde toezichthouders in 2015 en de 59 aangestelde toezichthouders in 2014.

Omdat de mogelijkheid dus bestaat om toezichthouders aan te stellen binnen de politiezones werden al de politiezones in het Vlaams Gewest gevraagd of er al dan niet een toezichthouder werd aangesteld binnen hun politiezone, hoeveel toezichthouders werden aangesteld en hoeveel tijd deze besteedden in 2016 aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet. De tabel 7 geeft een algemeen overzicht.

Ondanks het feit dat het aantal toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie sterk is afgenomen in 2016, kan slechts een lichte daling van het aantal VTE gespendeerd aan milieuhandhavingstaken binnen de responderende politiezones worden vastgesteld ten opzichte van 2015. In 2015 werd iets meer dan 26 VTE besteed aan milieuhandhavingstaken binnen de politiezones, in 2016 25,5 VTE. Dit resulteert, ondanks het lager aantal toezichthouders aangesteld binnen de lokale politiezones, in een toename van de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan milieuhandhavingstaken in 2016 ten opzichte van 2015. In 2015 bedroeg deze 0,44 VTE. In 2016 steeg dit tot 0,71 VTE. Algemeen kan worden gesteld dat de gemiddelde toezichthouder van de lokale politie 3/4 van zijn werktijd bezig is met milieu­ handhavingstaken.

Uit tabel 7 kan worden afgeleid dat 21 van de 72 ­responderende politiezones beroep kon doen op een toezichthouder aangesteld binnen het eigen korps in 2016. Dit komt neer op 29% van het totaal aantal responderende politiezones. Dit is een duidelijke daling ten opzichte van 2015, toen bijna 46% van de responderende politiezones beroep konden doen op een toezichthouder en gaat onder het niveau van 2014 toen 33% beroep kon doen op een toezichthouder.

AANSTELLING TOEZICHTHOUDERS EN INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN ≤ 24.999

25.000 49.999

50.000 74.999

75.000 99.999

≥ 100.000

Totaal 2016

Totaal 2015

Totaal 2014

Response

3

45

13

5

6

72

70

97

Politiezone met aangestelde toezichthouder

0

13

4

3

1

21

32

32

Politiezone zonder aangestelde toezichthouder

3

32

9

2

5

51

38

65

Aantal aangestelde toezichthouders

0

19

10

5

2

36

60

59

Gemiddeld aantal toezicht­houders per politiezone

0

1,46

2,5

1,67

2

1,71

2

2

Totale tijdsbesteding aan milieu­ handhavingstaken (VTE)

0,00

4,50

10,31

4,70

6,00

25,51

26,36

27,69

waarvan VTE door de toezichthouder besteed aan milieu­handhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet

0,00

4,10

5,90

3,70

5,00

18,70

21,9

22,74

waarvan VTE besteed aan administratieve onderteuning van milieuhandhavingstaken door niet-toezichthouders

0,00

0,40

4,41

1,00

1,00

6,81

4,46

4,95

Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan ­milieuhandhavingstaken (VTE)

0,00

0,24

1,03

0,94

3,00

0,71

0,44

0,47

0

0

0

0

0

0

39

5

Politiezone zonder inzicht in tijdsbesteding toezichthouders

Tabel 7: Overzicht van de aanstelling van toezichthouders bij de lokale politie en de inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken in 2016 (per inwonersaantal)

27


Zowel in 2014, 2015 als in 2016 werd steeds ongeveer 80% van deze VTE besteed door toezichthouders aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­ hand­ havings­ decreet, terwijl minder dan 20% werd besteed aan administratieve ondersteuning door ­ niet-toezichthouders.

milieu­­hand­havingscontroles per klasse van politiezones weergegeven, maar ook het gemiddelde aantal milieu­handhavingscontroles per toezichthouder en het gemiddelde aantal controles per VTE. In de bevraging werd daarom expliciet gevraagd naar het aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet, uitgevoerd door de toezichthouders van de politiezone tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016.

De gemiddelde tijdsbesteding21 per toezichthouder van de Lokale politie aan milieuhandhavingstaken – hier wordt de VTE besteed aan administratieve ondersteuning mee in opgenomen – bedroeg in 2014 0,47 VTE, in 2015 0,44 VTE en in 2016 0,71 VTE. Aangezien er in 2016 gemiddeld 1,71 toezichthouders zijn per politiezone met een aangestelde toezichthouder, was er een gemiddelde tijdsinzet22 van 1,21 VTE aan handhavingstaken in de politiezones die een toezichthouder hebben aangesteld binnen het eigen korps. Voor 2014 bedroeg deze verhouding 0,86 VTE en in 2015 0,83 VTE.

Tabel 8 geeft h ­ iervan een overzicht. Tevens wordt een vergelijking met 2015 en 2014 op basis van de cijfergegevens uit voorgaande Milieu­ hand­ havings­ rapporten geboden. In 2016 werden door de 36 aangestelde toezichthouders bij de Lokale politie 3.550 milieu­hand­havingscontroles uitgevoerd. In 2015 werden 5.661 milieu­ hand­ havings­ controles uitgevoerd door 60 toezichthouders van de Lokale politie en in 2014 4.900 controles door 59 toezichthouders. Dit betekent dat, ondanks een gelijkaardige responsgraad ten opzichte van vorig jaar, het aantal toezichthouders en bijgevolg het totaal aantal controles die deze toezichthouders uitvoerden gevoelig daalde.

Milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de toezichthouders van de Lokale politie Om een inzicht te krijgen in de activiteiten van de toezichthouders aangesteld bij de Lokale politie wordt in tabel 8 het totaal aantal uitgevoerde INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES ≤ 24.999

25.000 49.999

50.000 74.999

75.000 99.999

≥ 100.000

Totaal

Response

3

45

13

5

6

72

Aantal aangestelde toezichthouders

0

19

10

5

2

36

Aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles

0

468

188

1739

1.155

3550

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per ­toezichthouder

0

25

19

348

578

99

2015

5

22

61

303

322

94

2014

4

104

44

9

178

83

Gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan ­toezichtstaken (VTE)

0,00

0,24

1,03

0,94

3,00

0,71

2015

0,02

0,57

0,31

0,53

1,00

0,44

2014

0,72

5,79

2,29

2,25

14,83

1,41

0

104

18

370

193

139

2015

250

38

198

570

322

215

2014

104

311

89

17

214

177

Gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per VTE

Tabel 8: Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de toezichthouders van de Lokale politie in 2016

21

De gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder is het totaal aantal opgegeven VTE besteed aan milieuhandhavingstaken, gedeeld door het totaal aantal opgegeven aangestelde toezichthouders.

22

Deze tijdsinzet wordt berekend door de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken te vermenigvuldigen met het gemiddelde aantal toezichthouders per politie (die ook effectief een toezichthouder aanstelden). Op die manier kan een beeld worden gegeven van het gemiddelde ingezette VTE dat wordt besteed aan milieuhandhavingstaken binnen een politiezone die ook effectief één of meerdere toezichthouders hebben aangesteld.

28


Het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder bedroeg in 2014 83 en in 2015 94. In 2016 steeg dit naar een gemiddelde van 99 milieu­hand­ havingscontroles per toezichthouder. De aangestelde toezichthouders van de responderende politiezones hebben gemiddeld gezien dus meer controles uitgevoerd, maar in absoluut aantal is het aantal controles met 37% gedaald ten opzichte van 2015.

het uitoefenen van andere, niet aan handhaving gerelateerde, werkzaamheden en het aantal controles waarbij fysieke bijstand werd geleverd aan andere handhavingsdiensten in 2016. Op basis van grafiek 5 kan worden geconcludeerd dat het gros van de milieu­hand­havingscontroles gebeurde op basis van klachten rechtstreeks bij de politie, nl. 77%. 11% van de controles werd onvoorzien uitgevoerd tijdens het uitoefenen van andere, niet aan handhaving gerelateerde werkzaamheden en 6% van het totaal aantal controles gebeurde op eigen initiatief. Binnen de verschillende categorieën van politiezones liggen de verhoudingen als volgt. In de kleinste categorie van politiezones werden door de respondenten geen milieu­ hand­havingscontroles uitgevoerd. In de categorie van politiezones met een inwonersaantal tussen 25.000 en 49.999 werd 16% van de controles uitgevoerd op eigen initiatief. In de derde categorie van politiezones alsook in de vierde categorie werd respectievelijk slechts 4% en 2% van de controles uitgevoerd op eigen initiatief. De hoofdmoot van het aantal controles werd, zoals vermeld, in de responderende politiezones dan ook op basis van klachten rechtstreeks bij de politie uitgevoerd. In voormelde derde en vierde categorie van politiezones werd respectievelijk 67% en 96% van de controles reactief uitgevoerd. In de derde categorie van politiezones werd 22% van de controles onvoorzien uitgevoerd.

Net zoals in de vorige rapporten kan ook voor 2016 worden vastgesteld dat er een groot verschil bestaat tussen de verschillende klassen van politiezones. In de kleinste klasse van politiezones ligt het gemiddeld aantal controles per toezichthouder op 0, terwijl in de grootste klasse van politiezones een toezichthouder gemiddeld 578 milieu­hand­havingscontroles uitvoerde in 2016. Over de verschillende klassen van politiezones heen bedroeg het gemiddelde aantal controles per VTE in 2016 139 controles. Dit vormt een daling ten opzichte van de 215 controles per VTE in 2015 en de 177 milieu­hand­ havingscontroles per VTE in 2014. Grafiek 5 geeft een overzicht, per klasse, van het aantal milieuhandhavingscontroles dat werd uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen, het aantal controles dat werd uitgevoerd op eigen initiatief, bijvoorbeeld in het kader van een geplande milieu­hand­ havingscampagne, alsook – nieuw sinds dit jaar23 – het aantal controles dat onvoorzien werd uitgevoerd tijdens

1400

1200

1166

1113

1000

800

600

400

381

337

200

126

75 0

0

0

0

≤ 24.999

9

0

47

25.000 - 49.999

Onvoorziene milieuhandhavingscontroles bij het uitvoeren van andere niet-handhavingsgerelateerde opdrachten Controles op eigen initiatief

36

15

50.000 - 74.999

11

71

75.000 - 99.999

121 23

9

10

≤ 100.000

Controles o.b.v. klachten en controles op stukken Totaal aantal controles zonder opsplitsing (enkel VMM)

Grafiek 5: Aantal en soort milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in het kader van het Milieuhandhavingsdecreet door toezichthouders van de Lokale politie in 2016 23

Althans wat de rapportage betreft.

29


2.3 EVALUATIE VAN HET GEVOERDE LOKALE MILIEUHANDHAVINGSBELEID

2.3.1 Provinciegouverneurs De bevoegdheden van de provinciegouverneurs van de 5 Vlaamse provincies werden in het Milieu­ hand­havings­decreet zeer duidelijk afgebakend. Zij zijn meer bepaald bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en/of veiligheidsmaat­ ­ regelen in het kader van:

Voor dit Milieu­hand­havings­rapport mocht de VHRM antwoord ontvangen van alle provinciegouverneurs. De provinciegouverneurs gaven allen aan geen vragen/verzoeken te hebben ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen in 2016. Ook werden er geen bestuurlijke maatregelen opgelegd in 2016 door de provinciegouverneurs.

de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van

de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; de artikelen 4 (exploitatie zonder vergunning) en 22 (exploitatie klasse 2 en 3 in strijd met vergunningsvoorwaarden) van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.

Er werd de provinciegouverneurs gevraagd een overzicht te geven van de vragen/verzoeken die zij ontvingen betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen in 2016 alsook het aantal effectief opgelegde bestuurlijke maatregelen naar aanleiding van deze vragen/verzoeken. Daarnaast werd gevraagd aan te geven hoeveel vragen de provinciegouverneur heeft ontvangen betreffende het opleggen van veiligheidsmaatregelen en hoeveel veiligheidsmaatregelen effectief werden opgelegd. Bestuurlijke maatregelen De provinciegouverneur kan worden gevraagd of verzocht om bestuurlijke maatregelen op te leggen. Onder vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, worden de vragen van toezichthouders aan de provinciegouverneur tot het treffen van bestuurlijke maatregelen verstaan. Bestuurlijke maatregelen kunnen daarentegen ook het onderwerp zijn van een verzoek om oplegging door personen die rechtstreeks nadeel lijden van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, personen die een belang hebben bij de beteugeling van die milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf, en rechtspersonen bedoeld in de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Dit verzoek moet gebeuren via aangetekende brief aan personen bevoegd voor het opleggen van bestuurlijke maatregelen en bij voldoende gemotiveerd verzoek dat aannemelijk maakt dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is en volgens een strikte procedure met korte termijnen. 30

De vorige Milieu­hand­havings­rapporten lieten eveneens zien dat deze mogelijkheden, zowel het stellen van de vragen/verzoeken tot het opleggen van ­bestuurlijke maatregelen als het effectief opleggen van bestuurlijke maatregelen door de provinciegouverneurs, nauwelijks worden benut. Sinds de ­inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet ontvingen de responderende provinciegouverneurs in totaal amper 14 verzoeken/vragen met het oog op het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Daarnaast kan worden meegedeeld dat enkel in 2011 de provinciegouverneur van Limburg 1 bestuurlijke maatregel oplegde in de vorm van een bestuursdwang waarbij feitelijk werd opgetreden tegen het vastgestelde milieumisdrijf of de milieu-inbreuk. Er kan worden geconcludeerd dat het instrument “vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen” gericht aan de provinciegouverneur en het effectief opleggen ervan weinig tot niet wordt gebruikt. Dit kan eventueel verklaard worden doordat de toezichthouders – al dan niet gewestelijk of lokaal – beter aangewezen zijn om zelf bestuurlijke maatregelen op te leggen, aangezien de toezichthouders in alle onafhankelijkheid en neutraliteit (cf. artikel 16.3.3 van het Milieu­hand­havings­ decreet) en met de nodige expertise, kwalificaties en eigenschappen (cf. artikel 16.3.2. van het Milieu­hand­ havings­decreet) te werk kunnen gaan in plaats van hiertoe een vraag in te dienen bij de provinciegouverneur. Een mogelijk andere of aanvullende verklaring zou kunnen zijn dat derden, die verzoeken kunnen indienen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen bij de provinciegouverneur, niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheid en er in eerste instantie voor kiezen om de milieudienst van de gemeenten of de Lokale politie te contacteren (eerstelijnsbehandeling) om zo bij de toezichthouder te komen. Een andere oorzaak kan worden gezocht in het gebrek aan capaciteit, ondersteuning, omkadering of ervaring bij de gouverneurs om de nieuwe bevoegdheden in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet effectief uit


te oefenen. Dit betekent dat er eventueel voor werd gekozen om de toezichthouders zelf de bestuurlijke maatregelen te laten opleggen. Veiligheidsmaatregelen Artikel 16.7.1 van het Milieu­hand­havings­decreet bepaalt dat veiligheidsmaatregelen maatregelen zijn waarbij onder meer de provinciegouverneur alle handelingen kan stellen of opleggen die onder de gegeven omstandigheden nodig worden geacht om een aanzienlijk risico voor mens of leefmilieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. De provinciegouverneurs – en ook de burgemeesters – kunnen de veiligheidsmaatregelen ambtshalve nemen of op vraag van een toezichthouder. Daarom werd aan de provinciegouverneurs gevraagd hoeveel vragen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen werden ­ingediend en hoeveel veiligheidsmaatregelen effectief werden opgelegd door de provinciegouverneur.

hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; de uitvoeringsbesluiten van de wet en het decreet, vermeld in punt 1° en 2°, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; afdeling II van hoofdstuk III van titel I van het decreet Integraal Waterbeleid en artikel 62 en 70 van het decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen.

De provinciale toezichthouders geluid zijn bevoegd om toezicht uit te oefenen op de volgende regelgeving: de wet Geluidshinder en de uitvoeringsbeslui-

Er werd in 2016 1 veiligheidsmaatregel opgelegd door de provinciegouverneur van de Provincie Antwerpen, op vraag/verzoek van een gewestelijke toezichthouder.

2.3.2 Provinciale toezichthouders (toezicht binnen het Milieu­hand­havings­decreet) Artikel 16.3.1, §1, 2° van het DABM bepaalt dat personeelsleden van de provincie aangewezen kunnen worden als toezichthouder door de deputatie. Het betreft hier de zogenaamde provinciale toezichthouders. Met het oog op deze bepaling achtte de VHRM het aangewezen om de griffiers van de vijf Vlaamse provincies te bevragen naar de aanstelling van deze toezichthouders en de inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken. De provinciale toezichthouders zijn bevoegd om toezicht uit te oefenen op de volgende regelgeving: artikel 2 van de wet Oppervlaktewateren, wat

betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; de uitvoeringsbesluiten van de wet en het decreet, vermeld in punt 1° en 2°, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en

ten ervan; het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, wat de geluidsaspecten betreft voor de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het VLAREM zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 2 en 3. Bij de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het VLAREM zijn ingedeeld als ­inrichtingen van klasse 1, kunnen ze, binnen het kader van deze wetten, decreten en hun uit­ voerings­besluiten, wat de geluidsaspecten ­betreft, vast­ stellingen doen op basis van zintuiglijke ­waarneming en ­zaken onderzoeken als vermeld in artikel 16.3.14 van het Milieu­hand­havings­decreet.

In het kader van de bevraging voor dit Milieu­hand­ havings­rapport mocht de VHRM antwoord ontvangen van de vijf provincies inzake de provinciale toezichthouders en hun activiteiten in 2016. De provincies Limburg, Vlaams-Brabant, en West-Vlaanderen deelden mee dat er geen toezichthouders zijn aangesteld volgens het Milieu­ hand­ havings­decreet. Enkel de provincie Antwerpen en de provincie Oost-Vlaanderen konden in 2016 beroep doen op provinciale toezichthouders, meer specifiek op respectievelijk 14 en 1 provinciale toezichthouders, allen aangemeld bij LNE-AMV. Er werd in totaal 0,6 VTE besteed aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet door de toezichthouders in de provincie Antwerpen. Daarnaast werd in deze provincie ook 0,5 VTE besteed aan de administratieve ondersteuning van milieu­ hand­ 31


havingstaken door niet-toezichthouders. De toezichthouder van de provincie Oost-Vlaanderen spendeerde in 2016 0,05 VTE aan milieuhandhavingstaken. In 2016 werden in de provincie Antwerpen 14 milieu­ hand­ havingscontroles uitgevoerd naar aanleiding van een klacht of melding en 16 controles werden onvoorzien ter plaatse uitgevoerd tijdens de uitoefening van andere, niet aan handhaving gerelateerde, werkzaamheden. Er werden geen controles op eigen initiatief uitgevoerd. Bij 20 controles werd een overtreding vastgesteld en bij 12 controles werd een aanmaning geformuleerd. Tevens werden er 2 prioritaire processen-verbaal24 opgesteld. De provinciale toezichthouder van de provincie Oost-Vlaanderen voerde in 2016 3 controles uit naar aanleiding van een klacht of melding en 26 controles werden onvoorzien ter plaatse uitgevoerd tijdens de uitoefening van andere, niet aan handhaving gerelateerde, werkzaamheden. Er werden geen controles uitgevoerd op eigen initiatief. Bij 9 controles werd een overtreding vastgesteld en bij 9 controles werd een aanmaning geformuleerd.

2.3.3 Bevoegdheden provincies inzake onbevaarbare waterlopen (andere dan deze opgenomen in het ­ Milieu­hand­havings­decreet) door aangeduide provinciale medewerkers (toezicht buiten het Milieu­hand­ havings­decreet)25 Naast de taken van de provincies met betrekking tot het Milieu­hand­havings­decreet dient rekening te worden gehouden met hun verantwoordelijkheid als waterloopbeheerder. In dit kader beschikt de provincie eveneens over een toezichtsfunctie op wetgeving die niet werd opgenomen in titel XVI van het Milieu­ hand­ havings­ decreet, maar waarvoor per provincie voor de uitvoering van deze toezichtsfunctie provinciale medewerkers werden aangeduid, namelijk:

Tot voor kort was het beheer van de onbevaarbare waterlopen in Vlaanderen erg versnipperd. In 2014 heeft de Vlaamse regering de wet op de onbevaarbare waterlopen zo aangepast, dat waterloopbeheerders in wederzijds overleg de categorie van een waterloop kunnen wijzigen om op die manier het beheer efficiënt te organiseren. Met het oog op een efficiënter beheer van de onbevaarbare waterlopen – doelstelling doorbraak 63 van de interne staatshervorming – vond intensief overleg plaats tussen provincies, gemeenten, polder en wateringen en Vlaams Gewest. Het resultaat daarvan was dat de meeste gemeenten het beheer van hun derde categorie waterlopen in 2014 aan de provincies hebben overgedragen. Deze overdracht heeft ook tot gevolg dat het aantal aangestelde provinciale medewerkers die het beheer van en rond de waterlopen opvolgen werd uitgebreid. Provincies werken via de eigen websites aan een informatiekanaal om de burgers te informeren en te sensibiliseren omtrent de regelgeving, rechten en plichten in verband met de onbevaarbare waterlopen. Anderzijds koppelen ze hieraan een meldpunt waar meldingen kunnen worden ingediend. Dit zijn enkele belangrijke aandachtspunten in het kader van toezicht onder zowel de wet onbevaarbare waterlopen als het Milieu­hand­havings­decreet: geen grasmaaisel of snoeiafval op de oevers

leggen; oevers zelf niet versterken; niet zomaar overwelven van de waterloop; niet zomaar ophogen langs de waterloop; respecteer de afstandsregels bij bouwwerken langs de waterloop; niet sluikstorten; gebruik geen pesticiden binnen de 5 meter van de waterloop.

de wet van 28 december 1967 op de onbevaar-

bare waterlopen; het koninklijk besluit van 5 augustus 1970 hou-

dende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen.

De provinciale medewerkerswater sensibiliseren tijdens terreinbezoeken de burgers betreffende deze aandachtspunten.

24

Met prioritaire processen-verbaal worden deze processen-verbaal bedoeld voor de vaststellingen van misdrijven opgenomen in het protocol ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013’ http://www.vhrm.be/documenten/milieuhandhavingsprotocollen/1ondertekening-nota.pdf

25

Hoewel deze bevoegdheden niet zijn opgenomen in het Milieuhadhavingsdecreet, werd binnen de VHRM besloten dat het nuttig is deze bevoegdheden kort te bespreken in het Milieuhandhavingsrapport.

32


Grafiek 6 geeft een beeld van het aantal provinciale medewerkers-water en het aantal VTE dat zij besteedden aan controles inzake onbevaarbare waterlopen.

8 7

2,5 1,5 0,4 Limburg

0

1

0

VlaamsBrabant

Antwerpen

OostVlaanderen

in strijd met de milieuvoorwaarden; er een overtreding is van artikel 62 van het

­Bodemdecreet.

De tweede gemeentelijke actor – de gemeentelijke toezichthouder – kreeg, dezelfde toezichtsopdrachten als de toezichthouders van de Lokale politie en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen (zie 2.2.3).

13

12

een inrichting van klasse 3 wordt geëxploiteerd

WestVlaanderen

Provinciale medewerkers aangeduid voor controles inzake onbevaarbare waterlopen VTE besteed aan controles inzake onbevaarbare waterlopen door aangeduide provinciale medewerkers

Grafiek 6: Aantal provinciale medewerkers water en het aantal VTE dat zij besteedden aan controles inzake onbevaarbare waterlopen

2.3.4 Vlaamse steden en gemeenten Net zoals bij de voorgaande handhavingsactoren wordt, uitgaande van de opdrachten betreffende­ toezicht door de Vlaamse steden en ­ gemeenten, getracht een inzicht te geven in de door hen ­ ­geleverde inspanningen op het vlak van lokale milieu­ handhaving. Vergelijkbaar met de Vlaamse provincies is de toezichtsopdracht van de Vlaamse steden en gemeenten tweeledig. Deze tweedeling uit zich in de praktijk door het feit dat het Milieu­hand­havings­decreet handhavingsopdrachten voorziet voor twee gemeentelijke actoren: de burgemeester en de gemeentelijke toezichthouder.

Met betrekking tot de organisatie van het gemeentelijke toezicht, via gemeentelijke toezichthouders, toezichthouders van de Lokale politie en toezichthouders aangesteld bij intergemeentelijke verenigingen, dient te worden meegedeeld dat de cijfers uit grafiek 7, net zoals de gegevens in 2.2.3, schematisch worden voorgesteld. In de praktijk zijn verschillende manieren om handhaving te organiseren mogelijk. Zo kan het zijn dat de gemeente een protocol met de politiezone heeft afgesloten waarbij de gemeentelijke milieudienst klachten behandelt, raadgevingen en aanmaningen formuleert en (de toezichthouder binnen) de lokale politie de processen-verbaal opstelt, al dan niet na voorbereiding van de milieuambtenaar. Verschillende andere samenwerkingen tussen de ­gemeente en bijvoorbeeld de intergemeentelijke vereniging zijn ook mogelijk. Bij het lezen en interpreteren van de gegevens uitbgrafiek 7 is het dus ­belangrijk dat mee in gedachte wordt gehouden dat in een r­ apport zoals dit – gelet op de grote hoeveelheid aan informatie – enkel algemene weergaven kunnen ­worden geboden, maar dat de handhavingspraktijk complexer is en er verschillende vormen van organisatie mogelijk zijn

De bevoegdheden van de burgemeesters van de 308 Vlaamse steden en gemeenten worden in het Milieu­ hand­ havings­ decreet zeer duidelijk afgebakend. De burgemeesters zijn meer bepaald bevoegd voor het opleggen van veiligheidsmaatregelen en bestuurlijke maatregelen wanneer: er een overtreding is van artikel 2, of van hoofd-

stuk IIter van de wet Oppervlaktewateren; er een overtreding is van artikel 12, §1 van het

Materialendecreet; vergunningsplichtige inrichting zonder ­vergunning wordt geëxploiteerd; een inrichting van klasse 2 wordt geëxploiteerd in strijd met de vergunningsvoorwaarden; een

33


Respons 80%

74%

70% 60%

60%

54%

62%

63%

25.000 - 29.000

30.000 - 74.999

59%

53%

50% 40%

42%

30% 20% 10% 0% ≤ 4.999

5.000 - 9.999

10.000 - 14.999

15.000 - 19.999

20.000 - 24.999

≥ 75.000

Grafiek 7: Responsgraad van de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten per klasse van gemeenten in percentages

2.3.5 Burgemeesters De bevraging van de burgemeesters van de steden en gemeenten in het Vlaamse Gewest liep – net zoals voorgaande jaren – voor dit milieuhand­ havings­rapport analoog met de bevraging van de gemeentelijke toezichthouder(s). De burgemeesters werden gevraagd te rapporteren over hun activiteiten in het kader van het opleggen van bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in 2016.

Onder de term “vraag tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen” behoren de vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen van gewestelijke toezichthouders, gemeentelijke toezichthouders, toezichthouders van de Lokale politie, provinciegouverneurs, … aan de bevoegde personen zoals bedoeld in artikel 16.4.6 van het Milieu­hand­havings­decreet tot het treffen van bestuurlijke maatregelen, zoals de burgemeester.

De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu mocht van 182 burgemeesters in het Vlaamse Gewest (van het totaal van 308) een antwoord ontvangen. Dit vertegenwoordigt een responsgraad van 59%. De VHRM kende sinds het eerste Milieu­hand­ havings­rapport (MHR2009) steeds een stijgende responsgraad die in 2016 echter sterk terugvalt. Waar deze responsgraad voor het MHR2009 nog 60% bedroeg, steeg deze geleidelijk naar 79% in 2015 om in 2016 terug onder het niveau van 2009 te duiken. De grootte van de responsgraad is gerelateerd aan de representativiteit van de gegevens in de Milieu­hand­ havings­rapporten en de correctheid van het beeld dat kan worden gegeven van de verschillende facetten van het lokale milieuhandhavingslandschap.

Bestuurlijke maatregelen kunnen eveneens volgen na een verzoek tot oplegging door personen die rechtstreeks nadeel lijden van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, door personen die een belang hebben bij de beteugeling van die milieu-inbreuk of dat milieumisdrijf, en door rechtspersonen bedoeld in de wet betreffende het vorderingsrecht aangaande de bescherming van het leefmilieu.

Bestuurlijke maatregelen

De grafiek toont aan dat 18 van de in totaal 182 responderende burgemeesters een vraag/verzoek hebben ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen in 2016. Dit komt neer op 10% van de responderende burgemeesters. Tevens kan op basis van grafiek 8 worden vastgesteld dat 26 burgemeesters in 2016 bestuurlijke maatregelen hebben opgelegd. Dit komt neer op 14,3% van de responderende burgemeesters. Ten opzichte van 2015 vormt dit een lichte daling. Toen ontving nog 16,8% van de responderende burgemeesters een verzoek/vraag tot

Zoals reeds aangehaald, beschikken de burgemeesters in het Vlaamse Gewest over de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen op te leggen. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend naar aanleiding van een vraag of een verzoek hiertoe. De burgemeesters kunnen echter ook ambtshalve bestuurlijke maatregelen nemen.

34

Grafiek 8 geeft een overzicht van het aantal responderende burgemeesters die een vraag/verzoek tot het nemen van bestuurlijke maatregelen hebben ontvangen en het aantal responderende burgemeesters die effectief een bestuurlijke maatregel hebben opgelegd in 2016.


7 6

6 5

5

5

6

5

4

4

4 3

3

2

2 1

1 0

0

1

1 0

0

≤ 4.999

1

5.000 - 9.999

10.000 - 14.999

15.000 - 19.999

Aantal burgemeesters dat in 2016 een vraag/verzoek ontving tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen

20.000 - 24.999

25.000 - 29.000

30.000 - 74.999

≥ 75.000

Aantal burgemeesters dat bestuurlijke maatregelen oplegde in 2016

Grafiek 8: Aantal responderende burgemeesters die een vraag/verzoek hebben ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en het aantal responderende burgemeesters die bestuurlijke maatregelen hebben opgelegd in 2016

het opleggen van bestuurlijke maatregelen en legde 17,2% van de responderende burgemeesters bestuurlijke maatregelen op.

In totaal ontvingen de burgemeesters in 2016 samen 24 vragen/verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Meer dan de helft, namelijk 58%, van deze 24 vragen/verzoeken, waren verzoeken door derden. Daarnaast werd 20,8% van het totaal aantal vragen/verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen gesteld door de gemeentelijke toezichthouders.

In tabel 9 wordt een overzicht gegeven van het aantal vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen dat de burgemeesters hebben ontvangen van de verschillende handhavingsactoren en het aantal verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen dat door derden bij de burgemeesters werd ingediend.

BESTUURLIJKE MAATREGELEN Vragen/verzoeken ontvangen door de burgemeester betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, gesteld door: gewestelijke toezicht­ houders

gemeentelijke toezicht­ houders

intergemeentelijke ­vereniging

politiezone

provinciale toezicht­ houders

verzoeken gesteld door derden

Totaal

≤ 4.999

0

0

0

0

0

0

0

5.000 - 9.999

0

2

0

0

0

6

8

10.000 - 14.999

0

0

0

2

0

4

6

15.000 - 19.999

0

0

0

0

0

2

2

20.000 - 24.999

1

1

1

0

0

0

3

25.000 - 29.000

0

0

0

0

0

0

0

30.000 - 74.999

0

1

0

1

0

2

4

≥ 75.000

0

1

0

0

0

0

1

Totaal

1

5

1

3

0

14

24

in 2015

6

45

2

4

1

65

123

INWONERSAANTAL

Tabel 9: Aantal vragen en verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen ontvangen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

35


In vergelijking met de voorgaande jaren vormen deze 24 vragen/verzoeken een sterke daling ten opzichte van de 123 verzoeken in 2015. De dalende lijn van het aantal vragen/verzoeken – in 2013 waren er 286 vragen/verzoeken en in 2014 193 – wordt hiermee in 2016 versneld verdergezet.

In tabel 10 wordt een overzicht gegeven van het aantal bestuurlijke maatregelen dat de burgemeesters hebben opgelegd in 2016. Tevens wordt aangegeven welke soort bestuurlijke maatregelen werden opgelegd en het aantal van deze opgelegde bestuurlijke maatregelen dat niet binnen de opgelegde termijn werd uitgevoerd.

De burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten werden niet enkel gevraagd aan te geven hoeveel verzoeken en vragen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen zij hebben ontvangen, maar ook hoeveel bestuurlijke maatregelen zij effectief hebben opgelegd in dat jaar en welk soort bestuurlijke maatregelen het betrof.

Tabel 10 toont aan dat in 2016 in totaal 55 bestuurlijke maatregelen werden opgelegd door de burgemeesters. Dit is een significante daling ten opzichte van de 144 bestuurlijke maatregelen die door de burgemeesters werden opgelegd in 2016. De verklaring hiervoor ligt mogelijk – en minstens deels – bij de lagere responsgraad. Het gemiddeld aantal bestuurlijke maatregelen per burgemeester bedroeg 2,1 in 2016 ten opzichte van 3,4 in 2015.

De mogelijke bestuurlijke maatregelen die kunnen worden opgelegd, zijn: bevel tot staking: dit is een bevel van de be-

Net zoals in 2015, betrof het merendeel van de in 2016 opgelegde bestuurlijke maatregelen bevelen tot regularisatie. De verhouding voor 2016 van 62% valt te vergelijken met deze van 2014 die bijna 63% bedroeg. In 2015 was deze verhouding gestegen tot 78% van de in totaal opgelegde bestuurlijke maatregelen. Daarnaast was in 2016 18% van het totaal aantal bestuurlijke maatregelen een bevel tot staking en bijna 11% bestuursdwang.

voegde toezichthouder aan de vermoedelijke overtreder om bepaalde activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te staken; bevel tot regularisatie: dit is een bevel van de bevoegde toezichthouder aan de vermoedelijke overtreder om bepaalde maatregelen te nemen met de bedoeling een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf te beëindigen, zijn gevolgen ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen; bestuursdwang: hier treedt de bevoegde toezichthouder zelf feitelijk op tegen de vastgestelde milieu-inbreuk en het milieumisdrijf; of een combinatie van deze.

BESTUURLIJKE MAATREGELEN Bestuurlijke maatregelen opgelegd door de burgemeester

Bestuursdwang

Combinatie (staking, ­regularisatie, bestuursdwang)

Totaal

Het was niet mogelijk de maatregel ­binnen de opgelegde termijn uit te voeren

0

0

0

0

0

1

7

1

2

11

2

10.000 - 14.999

3

4

0

1

8

1

15.000 - 19.999

0

1

0

0

1

0

20.000 - 24.999

3

10

1

0

14

3

25.000 - 29.000

0

0

3

0

3

0

30.000 - 74.999

1

9

1

1

12

4

≥ 75.000

2

3

0

1

6

0

Totaal

10

34

6

5

55

10

in 2015

16

122

11

5

144

8

Bevel tot ­staking

Bevel tot r­ egularisatie

≤ 4.999

0

5.000 - 9.999

INWONERSAANTAL

Tabel 10: Aantal en soort opgelegde bestuurlijke maatregelen door de burgemeester van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

36


Veiligheidsmaatregelen Naast het opleggen van bestuurlijke maatregelen zijn de burgemeesters ook bevoegd voor het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de personen, vermeld in artikel 16.4.6, waaronder de burgemeester, alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Veiligheidsmaatregelen kunnen strekken tot onder meer (artikel 16.7.2 van het Milieu­hand­havings­decreet):

Tabel 11 geeft een overzicht van het aantal burgemeesters dat een vraag ontving tot het opleggen van een veiligheidsmaatregel en het aantal burgemeesters dat effectief een veiligheidsmaatregel heeft opgelegd in 2016 al dan niet op basis van een vraag of op eigen initiatief. Tabel 11 geeft aan dat 4 van de 182 responderende burgemeesters een vraag hebben ontvangen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Dit komt neer op 2% van het totaal aantal responderende burgemeesters. In 2015 ontving 4% van de responderende burgemeesters een vraag tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen.

de stopzetting of uitvoering van werkzaamhe-

den, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn; het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren; het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen.

Het aantal burgemeesters dat effectief een veiligheidsmaatregel oplegde, naar aanleiding van een vraag hiertoe of ambtshalve, ligt iets hoger en bedraagt 4% van het totaal aantal responderende burgemeesters. In 2015 legde 6% van het totaal aantal responderende burgemeesters een veiligheidsmaatregel op.

VEILIGHEIDSMAATREGELEN Aantal burgemeesters dat in 2016 een vraag/verzoek ontving tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen

Aantal burgemeesters dat veiligheidsmaatregelen oplegde in 2016

≤ 4.999

0

0

5.000 - 9.999

1

1

10.000 - 14.999

1

1

15.000 - 19.999

0

2

20.000 - 24.999

0

1

25.000 - 29.000

0

0

30.000 - 74.999

1

2

≥ 75.000

1

1

Totaal

4

8

in 2015

10

14

INWONERSAANTAL

Tabel 11: Aantal responderende burgemeesters die een vraag hebben ontvangen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen en het aantal responderende burgemeesters die veiligheidsmaatregelen hebben opgelegd in 2016

37


VEILIGHEIDSMAATREGELEN Vragen/verzoeken ontvangen door de burgemeester betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, gesteld door: gewestelijke toezichthouders

gemeentelijke toezichthouders

intergemeentelijke vereniging

Politiezone

provinciale toezichthouders

Totaal

≤ 4.999

0

0

0

0

0

0

5.000 - 9.999

0

1

0

0

0

1

10.000 - 14.999

0

1

1

0

0

2

15.000 - 19.999

0

0

0

0

0

0

20.000 - 24.999

0

0

0

0

0

0

25.000 - 29.000

0

0

0

0

0

0

30.000 - 74.999

0

3

0

0

0

3

≼ 75.000

0

1

0

0

0

1

Totaal

0

6

1

0

0

7

in 2015

0

9

0

3

0

12

INWONERSAANTAL

Tabel 12: Aantal vragen betreffende het opleggen van veiligheidsmaatregelen ontvangen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

De burgemeesters kunnen ambtshalve veiligheidsmaatregelen opleggen, maar kunnen dit ook op basis van een vraag van een toezichthouder. Tabel 12 geeft een overzicht van het aantal vragen dat werd ingediend bij de burgemeesters in 2016 in de verschillende klassen van steden en gemeenten en welke toezichthouders deze vraag stelden. De 4 burgemeesters die in 2016 een vraag ontvingen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen, ontvingen samen in totaal 7 van deze vragen, afkomstig van gemeentelijke toezichthouders of toezichthouders van een Intergemeentelijke vereniging. Het merendeel, namelijk 86%, werd gesteld door de gemeentelijke toezichthouders. Deze 7 vragen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen vormen een verdere daling ten opzichte van

38

de 12 vragen in 2015, de 26 vragen in 2014, de 38 vragen in 2013 en de 33 vragen die in 2012 werden gesteld aan de burgemeesters. De burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten werden niet enkel gevraagd aan te geven hoeveel vragen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen zij in 2016 hebben ontvangen, maar ook hoeveel veiligheidsmaatregelen effectief werden opgelegd in dat jaar en welk soort veiligheidsmaatregel het betrof. Tabel 13 geeft een overzicht van het aantal effectief opgelegde veiligheidsmaatregelen door de burgemeesters en van de soort veiligheidsmaatregel die werd opgelegd. De VHRM heeft ook gevraagd, analoog aan de vraag bij de bestuurlijke maatregelen, of het mogelijk was om de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren.


VEILIGHEIDSMAATREGELEN

de stopzetting of uitvoering van de werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn

een verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt

de gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting

het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren

het niet betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen

combinatie van voorgaande maatregelen

andere dan voorgaande maatregelen

Totaal

het was niet mogelijk de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren

Veiligheidsmaatregelen opgelegd door de burgemeester

≤ 4.999

0

0

0

0

0

0

0

0

0

5.000 - 9.999

0

0

0

1

0

0

0

1

0

10.000 - 14.999

1

1

1

1

1

1

1

7

0

15.000 - 19.999

1

0

0

0

0

0

2

3

0

20.000 - 24.999

0

0

0

1

1

1

0

3

0

25.000 - 29.000

0

0

0

0

0

0

0

0

0

30.000 - 74.999

2

1

1

0

0

0

2

6

0

≼ 75.000

0

0

0

0

0

1

1

2

0

Totaal

4

2

2

3

2

3

6

22

0

in 2015

7

3

3

4

8

5

2

32

4

INWONERSAANTAL

Tabel 13: Aantal en soort opgelegde veiligheidsmaatregelen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

Net zoals het aantal vragen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen daalde in 2016 ten opzichte van de voorgaande jaren, daalde ook het effectief aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen in 2016. Opnieuw dient voor de cijfers van 2016 te worden gewezen op de lagere responsgraad. In 2015 werden door 14 burgemeesters in totaal 32 veiligheidsmaatregelen opgelegd. In 2016 werden door 8 burgemeesters in totaal 22 veiligheidsmaatregelen opgelegd. Het gemiddeld aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen per burgemeester bedroeg 2,75 in 2016 ten opzichte van 2,29 in 2015. Er kan een positieve daling worden vastgesteld van het aantal veiligheidsmaatregelen dat niet binnen de opgelegde termijn werd uitgevoerd. In 2015 bedroeg deze verhouding 13% en in 2016 werd elke veiligheidsmaatregel tijdig uitgevoerd. 18% van de in 2016 opgelegde veiligheidsmaatregelen had betrekking op de stopzetting of de uitvoering van de werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ofwel ogenblikkelijk ofwel binnen een bepaalde termijn. In 13,6% van de gevallen betrof de veiligheidsmaatregel het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken met inbegrip van afvalstoffen en dieren. Het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen

werd in 2016 3 keer opgelegd als veiligheidsmaatregel, hetgeen neerkomt op 13,6%.

2.3.6 Gemeentelijke toezichthouders Om een inzicht te krijgen in de organisatie en inspanningen betreffende de lokale milieuhandhaving werden de 308 Vlaamse steden en gemeenten via een digitale bevragingsfiche gevraagd om informatie aan te leveren, onder meer inzake de aanstelling van toezichthouders, de organisatie van het toezicht in de gemeente, het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles alsook het resultaat van deze controles. De resultaten van de milieuhandhavingscontroles worden besproken in hoofdstuk 3, waarbij een evaluatie per handhavingsinstrument hierin een inzicht zal bieden. In dit hoofdstuk wordt getracht een beeld te schetsen van de respons van de gemeenten op de vragenlijst van de VHRM; het aantal hinderlijke inrichtingen klasse 1, klasse 2 en klasse 3; de organisatie van toezicht in de steden en gemeenten; het aantal aangestelde lokale toezichthouders; de aanstelling en tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken; en het aantal uitgevoerde controles per klasse van gemeente en per toezichthouder en per VTE in 2016. 39


Respons GEMEENTEN Aantal gemeenten

Aantal Responderende gemeenten

≤ 4.999

13

5

5.000 - 9.999

70

36

10.000 - 14.999

83

51

15.000 - 19.999

51

26

20.000 - 24.999

31

25

25.000 - 29.000

15

8

30.000 - 74.999

37

25

≥ 75.000

8

6

308

182

INWONERSAANTAL

Totaal

Tabel 14: Aantal responderende gemeenten per klasse ten opzichte van het totaal aantal gemeenten per klasse in 2016

Tabel 14 toont aan dat – analoog met de responsgraad van de burgemeesters – 182 gemeenten de bevragingsfiche van de VHRM hebben ingevuld. Dit komt neer op een responsgraad van 59% van het totaal aantal gemeenten in het Vlaamse Gewest. Ook hier dient de voormelde breuk met voorgaande jaren vastgesteld te worden daar de responsgraad in 2016 beduidend lager is. In 2015 bedroeg deze nog 79%, in 2014 78%. Het beeld van alle facetten van het lokale milieuhandhavingslandschap wordt hierdoor minder representatief dan voorgaande jaren. Hinderlijke inrichtingen per gemeente Aan de steden en gemeenten werd gevraagd hoeveel vergunde inrichtingen van klasse 1, 2 en 3 volgens bijlage I van titel I van het VLAREM op hun grondgebied zijn gevestigd, alsook een schatting van het totaal aantal niet-vergunde hinderlijke inrichtingen in hun stad/gemeente in 2016. Het doel van deze vraag was een inzicht te verkrijgen in het aantal hinderlijke inrichtingen per gemeente, aangezien voor het opstellen van een degelijk inspectieplan en voor een inschatting en evaluatie van de inspanningen op het vlak van milieutoezicht dit inzicht onontbeerlijk is. Daarnaast geldt het aantal hinderlijke inrichtingen, klasse 2, als criterium voor het bepalen van het aantal toezichthouders waarop een gemeente beroep moet kunnen doen. Om verwarring te voorkomen, werd het begrip niet-vergunde hinderlijke inrichting als volgt gedefinieerd: het betreft hier die inrichtingen die op basis van het VLAREM zouden kunnen geclassificeerd worden als zijnde een klasse 1, klasse 2 of klasse 3 inrichting, maar nog niet werden vergund.

40

In de volgende tabel werd voor 2016 het totaal aantal hinderlijke inrichtingen van de klasse 1, 2 en 3 opgenomen alsook het geschat aantal niet-vergunde hinderlijke inrichtingen. De tabel geeft daarnaast een gemiddeld aantal hinderlijke inrichtingen per indelingsklasse weer en het aantal gemeenten dat geen zicht heeft op het aantal hinderlijke, dan wel niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied. Niet alleen voor de planning van de eigen milieu­ hand­havingsinspanningen, maar ook om te voldoen aan wettelijke en decretale verplichtingen is het voor steden en gemeenten uitermate belangrijk een inzicht te hebben in het aantal inrichtingen op hun grondgebied. Zoals reeds eerder aangehaald, dienen gemeenten met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 sinds 1 mei 2011 een beroep te kunnen doen op twee toezichthouders. Dit wordt verder ­besproken in het kader van het ‘aantal aangestelde lokale toezichthouders’.


HINDERLIJKE INRICHTINGEN Niet-vergunde ­inrichtingen

Gemiddeld aantal per gemeente

Aantal gemeenten dat aantal klasse 1-inrichtingen niet kent

Totaal aantal volgens bevraging

Gemiddeld aantal per gemeente

Aantal gemeenten dat aantal klasse 2-inrichtingen niet kent

Totaal aantal volgens bevraging

Gemiddeld aantal per gemeente

Aantal gemeenten dat aantal klasse 3-inrichtingen niet kent

Totaal aantal volgens bevraging

Gemiddeld aantal per gemeente

Aantal gemeenten dat aantal niet-vergunde inrichtingen niet kent of aangaf dat er geen niet-vergunnende inrichtingen waren

Klasse 3-inrichtingen

Totaal aantal volgens bevraging

Klasse 2-inrichtingen

Aantal respondenten per inwonersklasse

Klasse 1-inrichtingen

≤ 4.999

5

44

9

0

196

39

0

536

134

1

31

6

0

5.000 - 9.999

36

830

28

6

3.101

107

7

8.779

314

8

311

16

16

10.000 - 14.999

51

2.200

54

10

6.201

151

10

15.354

427

15

402

15

24

15.000 - 19.999

26

1.216

55

4

3.197

145

4

8.766

487

8

357

24

11

20.000 - 24.999

25

1.710

71

1

5.150

215

1

15.917

663

1

210

19

14

25.000 - 29.000

8

602

75

0

1.357

170

0

3.812

545

1

240

60

4

30.000 - 74.999

25

2.306

115

5

6.784

339

5

35.061

1.845

6

327

33

15

≥ 75.000

6

966

242

2

2.670

668

2

13.598

3.400

2

5.037

1.259

2

182

9.874

64

28

28.656

187

29

101.823

727

42

6.915

72

86

INWONERS­ AANTAL

Totaal

Tabel 15: Aantal hinderlijke inrichtingen per klasse van gemeenten in 2016

Uit tabel 15 blijkt dat in 2016 154 van de in totaal 182 responderende gemeenten in totaal 9.874 klasse 1-inrichtingen hadden op hun grondgebied. 28 gemeenten gaven daarentegen te kennen geen zicht te hebben op het aantal klasse 1-inrichtingen op hun grondgebied. Dit betekent dat op basis van de respons een gemeente in het Vlaamse Gewest gemiddeld 64 klasse 1-inrichtingen heeft. Indien echter wordt gekeken naar de verschillende inwonersklassen afzonderlijk is dit gemiddelde veel gedifferentieerder. De gemeenten in de kleinste inwonersklasse hebben gemiddeld maar bijna 9 klasse 1-inrichtingen, terwijl dit bij de steden in de grootste inwonersklasse stijgt tot 242 klasse 1-inrichtingen. Inzake de klasse 2-inrichtingen kan worden vastgesteld dat 153 van de 182 responderende gemeenten samen 28.656 klasse 2-inrichtingen op hun grondgebied hadden, hetgeen neerkomt op gemiddeld 187 klasse 2-inrichtingen per gemeente. Ook hier verschilt het

beeld echter sterk van zodra naar de verschillende inwonersklassen wordt gekeken. De kleinste gemeenten hadden gemiddeld 39 klasse 2-inrichtingen en de grootste gemiddeld niet minder dan 668. Net zoals bij de klasse 1-inrichtingen, neemt globaal gezien het aantal klasse 2-inrichtingen toe naarmate het aantal inwoners stijgt. Ook inzake de klasse 2-inrichtingen gaven 29 gemeenten te kennen dit aantal niet te kennen. Met betrekking tot de klasse 3-inrichtingen kan worden vastgesteld dat het aantal gemeenten dat geen zicht heeft op het aantal klasse 3-inrichtingen op hun grondgebied hoger is dan bij de klasse 1 en klasse 2 en neer komt op 23% van het aantal responderende gemeenten. In 2016 hadden de andere 140 gemeenten samen 101.823 klasse 3-inrichtingen op hun grondgebied, hetgeen neerkomt op 727 per gemeente. Een opvallend gegeven is dat niet minder dan 96 van de responderende gemeenten aangaf kennis te heb41


ben van in totaal 6.915 niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied. Het betreft hier zoals eerder aangehaald de inrichtingen die op basis van het VLAREM geclassificeerd kunnen worden als een klasse 1, klasse 2 of klasse 3 inrichting, maar nog niet werden vergund. Dit komt neer op een gemiddelde van meer dan 72 hinderlijke en vergunningsplichtige inrichtingen per gemeente die eigenlijk niet legitiem uitgebaat worden aangezien (nog) geen vergunning werd afgeleverd of er nog geen melding werd gedaan (klasse 3-inrichtingen). De overige 86 responderende gemeenten gaven aan het aantal niet-vergunde inrichtingen niet te kennen of geen niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied te hebben. Deze gegevens liggen in dezelfde lijn ten opzichte van 2015. Voor 2015 gaven 160 van de in totaal 235 responderende gemeenten aan 9.176 niet-vergunde inrichtingen te kennen op hun grondgebied, hetgeen neerkomt op gemiddeld 57 hinderlijke en vergunningsplichtige inrichtingen per gemeente die niet legitiem werden uitgebaat. Het lijkt dan zeer logisch dat wederom wordt aanbevolen dat deze gemeenten hun handhavingsfocus ook leggen op deze niet-vergunde hinderlijke inrichtingen. Deze gemeenten hebben immers kennis van overtredingen ten aanzien van de milieuwetgeving en bijgevolg zou mogen worden verwacht dat zij ter zake actie ondernemen. Aantal lokale toezichthouders Artikel 16§1 van het Besluit van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bepaalt dat gemeenten binnen één jaar na de inwerkingtreding van voormeld besluit, dit was op 1 mei 2010, beroep moeten kunnen doen op minstens 1 toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone. Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, dit was 1 mei 2011, moet een gemeente met meer dan driehonderd inrichtingen van klasse 2 overeenkomstig titel I van het VLAREM, of met meer dan dertigduizend inwoners indien het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is, een beroep kunnen doen op twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones. Aan de hand van de verzamelde gegevens kan worden geanalyseerd in welke mate de gemeenten in het Vlaamse Gewest in 2016 voldeden

26

42

aan deze bepalingen van het Milieu­ hand­ havings­ decreet inzake de aanstelling van de toezichthouders. In de volgende tabellen wordt aangegeven – zowel aan de hand van het aantal hinderlijke klasse 2 inrichtingen als aan de hand van het aantal inwoners – in welke mate de gemeenten beroep konden doen op voldoende toezichthouders in 2016. AANSTELLING LOKALE TOEZICHTHOUDERS aantal gemeenten zonder toezicht­ houders

met 1 toezichthouder

met ≥ 2 toezichthouders

>300 hinderlijke inrichtingen in klasse 2

1

7

22

<300 hinderlijke inrichtingen in klasse 2

15

57

51

geen zicht op aantal hinderlijke inrichtingen

2

12

15

Totaal

18

76

88

Tabel 16: Aanstelling lokale toezichthouders aan de hand van het aantal hinderlijke inrichtingen in 2016

Indien het aantal hinderlijke inrichtingen wordt genomen als maatstaf voor het bepalen van het aantal toezichthouders waarop een gemeente beroep moet kunnen doen – al dan niet aangesteld binnen de eigen gemeente, een intergemeentelijke vereniging, of een politiezone – valt aan de hand van tabel 16 te concluderen dat minimum 25 en maximum26 37 van de responderende gemeenten geen beroep konden doen op voldoende toezichthouders. Dit komt neer op minimum 14% en maximum 20% van het totaal aantal responderende gemeenten. In vergelijking met voorgaande jaren is dit een terugval. In 2015 bedroegen deze verhoudingen immers minimum 7% en maximum 8% en in 2014 minimum 6,5% en maximum 10,5%. Indien het aantal hinderlijke klasse 2 inrichtingen niet exact of onvoldoende is gekend, kan het aantal toezichthouders waarop een gemeente beroep moet kunnen doen ook worden bepaald aan de hand van het inwonersaantal. Tabel 16 geeft deze situatie weer. Zodra een gemeente meer dan 30.000 inwoners heeft, dient deze gemeente beroep te kunnen doen op minstens 2 toezichthouders.

Rekening houdend met die 12 gemeenten die beroep konden doen op één toezichthouder en die geen zicht hebben op het aantal hinderlijke inrichtingen op hun grondgebied. Dit zijn er potentieel meer dan 300, waardoor ze beroep zouden moeten kunnen doen op 2 toezichthouders in plaats van één.


AANSTELLING LOKALE TOEZICHTHOUDERS aantal gemeenten zonder toezicht­ houders

met ≥ 2 toezichthouders

met 1 toezichthouder

≤ 4.999

3

2

0

5.000 - 9.999

2

22

12

10.000 - 14.999

9

23

19

15.000 - 19.999

1

14

11

20.000 - 24.999

3

8

14

25.000 - 29.000

0

3

5

30.000 - 74.999

0

4

21

≥ 75.000

0

0

6

Totaal

18

76

88

Aanstelling en tijdsbesteding gemeentelijke toezichthouders Aan de gemeenten en steden in het Vlaamse Gewest werd gevraagd hoeveel toezichthouders werden aangesteld binnen de eigen gemeente in 2016, hoeveel VTE deze hadden besteed aan milieuhand­havings­ taken en hoeveel VTE werd besteed binnen de eigen gemeente aan administratieve ondersteuning in het kader van de milieuhandhavingstaken door niet-­ toezichthouders. Tabel 18 geeft een overzicht van de aanstelling en tijdsbesteding van de gemeentelijke toezichthouders per klasse van gemeente in 2016.

Tabel 17: Aanstelling lokale toezichthouders aan de hand van het aantal inwoners in 2016

Net zoals in de vorige tabel, kan in tabel 17 worden vastgesteld dat 18 responderende gemeenten in 2016 nog geen beroep konden doen op een toezichthouder. Dit is bijna 10 % van het totaal aantal responderende gemeenten. Dit is een negatieve evolutie ten opzichte van 2015, toen 6% van de responderende gemeenten nog geen beroep kon doen op een toezichthouder. Indien het inwonersaantal als criterium wordt gebruikt voor het bepalen van het wettelijk bepaald aantal toezichthouders, zouden alle gemeenten met meer dan 30.000 inwoners beroep moeten kunnen doen op minstens 2 toezichthouders. Tabel 17 geeft aan dat binnen de tweede grootste klasse (de gemeenten met een inwonersaantal van 30.000 – 74.999 inwoners), 4 gemeenten in 2016 beroep konden doen op slechts één toezichthouder. Dit betekent dat 2% van de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners in 2016 nog niet voldeed aan de bepaling dat beroep moet kunnen worden gedaan op minstens 2 toezichthouders. In 2015 bedroeg dit percentage iets meer dan 1%. Daarnaast kan worden vastgesteld dat 14 andere gemeenten geen beroep konden doen op een toezichthouder. Dit betekent dat in totaal 22 gemeenten nog niet voldeden aan de bepalingen van het Milieu­ hand­havings­decreet in 2016, hetgeen neerkomt op 12% van het totaal aantal responderende gemeenten. Dit is een negatieve evolutie ten opzichte van de 7% in 2014.

43


Gemeente met aangestelde gemeentelijke toezichthouder

Gemeenten zonder aangestelde toezichthouder

Totaal aantal aangestelde ­gemeentelijke toezichthouders

Gemiddeld aantal toezicht­ houders per gemeente

≤ 4.999

5

1

3

1

1,00

5.000 9.999

36

26

2

27

1,04

3,57

10.000 14.999

51

32

9

37

1,16

15.000 19.999

26

19

1

23

20.000 24.999

25

19

3

25.000 29.000

8

7

30.000 74.999

25

≥ 75.000

admnistratieve ondersteuning van milieu­ handhavingstaken door niet-toezichthouders

Gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (VTE)

in 2015

door toezichthouders aan milieuhand­ havingstaken in het kader van het Milieu­ hand­havings­decreet

Totaal

Tijdsbesteding aan toezichtstaken (VTE)

Totaal VTE

INWONERSAANTAL

Respons

AANSTELLING EN TIJDSBESTEDING

0,002

0,002

0

0,00

2,63

0,94

4

2,62

1,38

0,11

1,21

2,64

1,59

1,05

0,11

26

1,37

4,22

3,31

0,91

0,16

0

10

1,43

1,28

1,07

0,21

0,13

22

0

37

1,68

8,06

6,42

1,64

0,22

6

6

0

30

5,00

15

11,05

3,95

0,50

182

132

18

191

1,45

38,77

28,69

10,08

0,20

244

189

14

263

1,39

58,43

42,26

16,17

0,22

0,13

Tabel 18: Aanstelling en tijdsbesteding van de gemeentelijke toezichthouders per klasse van gemeenten in 2016

In totaal waren 191 gemeentelijke toezichthouders aangesteld in 132 gemeenten met een aangestelde gemeentelijke toezichthouder in 2016. Dit komt neer op een gemiddelde van 1,45 gemeentelijke toezichthouder per gemeente met een aangestelde gemeentelijke toezichthouder.

werd in totaal 38,77 VTE aan milieuhandhavingstaken besteed, waarvan ongeveer 74% door toezichthouders aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet en ongeveer 26% aan administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken door niet-toezichthouders.

Het gemiddelde van 1,45 gemeentelijke toezichthouders per gemeente met een aangestelde toezichthouder verschilt echter sterk zodra de verschillende klassen van gemeenten worden bekeken. In de kleinste klasse bedraagt het gemiddelde aantal toezichthouders per gemeente amper 1 terwijl dit gemiddelde in de grootste steden stijgt tot 5. Hieruit kan worden afgeleid dat hoe groter het inwonersaantal is, hoe meer toezichthouders werden aangesteld binnen de gemeenten.

De gemiddelde tijdsbesteding27 per gemeentelijke toezichthouder aan milieuhandhavingstaken – hier wordt de VTE besteed aan administratieve ondersteuning mee in opgenomen – bedroeg in 2016 0,20 VTE. Dit betekent dat de gemiddelde gemeentelijke toezichthouder voor 1/5 wordt ingezet voor het uitvoeren van milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet. Aangezien er gemiddeld 1,45 toezichthouders zijn per gemeente, was er een gemiddelde tijdsinzet 28 van 0,29 VTE aan handhavingstaken per gemeente die beroep kon doen op een toezichthouder.

Binnen de 132 gemeenten die in 2016 beroep konden doen op in totaal 191 gemeentelijke toezichthouders,

27

De gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder is het totaal aantal opgegeven VTE besteed aan milieuhandhavingstaken, gedeeld door het totaal aantal opgegeven aangestelde toezichthouders.

28

Deze tijdsinzet wordt berekend door de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder aan toezichtstaken te vermenigvuldigen met het gemiddelde aantal gemeentelijke toezichthouders per gemeente die ook effectief beroep konden doen op een toezichthouder. Op die manier kan een beeld worden gegeven van het gemiddelde ingezette VTE dat werd besteed aan milieuhandhavingstaken binnen een gemeente die ook effectief één of meerdere toezichthouders hadden aangesteld.

44


Indien naar de verschillende klassen van gemeenten afzonderlijk wordt gekeken, kan, zoals in voorgaande rapporten, een grote diversiteit worden vastgesteld, zowel met betrekking tot de gemiddelde tijdsbesteding aan milieuhandhavingstaken als inzake de tijdsinzet. In 2016 bedroeg de gemiddelde tijdsbesteding per gemeentelijke toezichthouder aan milieuhandhavingstaken 0,20 VTE. In de grootste gemeenten (klasse van gemeenten met meer dan 75.000 inwoners) besteedde de toezichthouder gemiddeld 50% van zijn tijd aan milieuhandhavingstaken en bedroeg de gemiddelde tijdsinzet van deze gemeenten aan milieuhandhavingstaken in totaal 2,5 VTE. Zowel de gemiddelde tijdsbesteding per gemeentelijke toezichthouder als de tijdsinzet per gemeente neemt echter sterk af naarmate het aantal inwoners daalt.

instrumenten in hoofdstuk 3. In tabel 19 wordt de totale tijdsbesteding aan milieuhandhavingstaken door de gemeenten in rekening gebracht, dus zowel de ingezette VTE besteed aan handhavingstaken door de gemeentelijke toezichthouders als de VTE besteed aan administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken. Dit heeft als doel een vollediger beeld te geven van de uitvoering van een controle. Deze tabel geeft aan dat de 191 gemeentelijke toezichthouders – die in totaal 38,77 VTE besteedden aan milieuhandhavingstaken – in 2016 samen 3.561 milieu­ hand­ havingscontroles uitvoerden. Dit komt neer op een gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles van 19 per toezichthouder en een gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles van bijna 92 per VTE. Dit betekent dat indien elke toezichthouder zich voltijds kon focussen op milieuhandhavingstaken in totaal 17.805 milieuhandhavingscontroles zouden worden uitgevoerd door de 191 aangestelde gemeentelijke toezichthouders. Doordat de toezichthouders gemiddeld slechts 1/5 van hun tijd kunnen besteden aan handhavingstaken, werden in totaal maar 3.561 controles uitgevoerd. Deze gegevens zouden het mogelijk maken om te pleiten voor een aanpassing van het Milieu­hand­havings­decreet en het Milieu­hand­ havings­ besluit in die zin dat niet het aantal toezichthouders per gemeente wordt bepaald, maar wel de ingezette VTE dat besteed dient te worden aan handhavingstaken.

Milieuhandhavingscontroles Om een inzicht te krijgen in de activiteiten van de gemeentelijke toezichthouders in 2016 wordt in tabel 19 het totaal aantal uitgevoerde milieuhand­ havingscontroles per klasse van gemeenten weergegeven. Daarnaast worden de tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken in VTE, het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder en het gemiddeld aantal milieu­­hand­ havingscontroles per VTE weergegeven. De resultaten van deze controles worden vervolgens besproken bij de evaluatie van de individuele handhavings­

Aantal aangestelde toezichthouders per gemeente

Totale tijdsbesteding milieu­hand­havings­ taken in VTE

Aantal uitgevoerde milieuhandhavings­ controles

Gemiddeld aantal milieu­handhavings­ controles per toezichthouder

Gemiddelde tijdsbesteding van de toezichthouders aan toezichtstaken (VTE)

Gemiddeld aantal milieuhandhavings­ controles per VTE

≤ 4.999

5

1

0,002

0

0

0,00

0

5.000 - 9.999

36

27

3,57

283

10

0,13

79

10.000 - 14.999

51

37

4

417

11

0,11

104

15.000 - 19.999

26

23

2,64

310

13

0,11

117

20.000 - 24.999

25

26

4,22

276

11

0,16

65

25.000 - 29.000

8

10

1,28

143

14

0,13

112

30.000 - 74.999

25

37

8,06

856

23

0,22

106

≥ 75.000

6

30

15

1.276

43

0,50

85

Totaal

182

191

38,77

3.561

19

0,20

92

in 2015

244

263

58,43

5.097

19

0,22

87

INWONERSAANTAL

Respons

INSPANNINGEN M.B.T. MILIEUHANDHAVINGSTAKEN

Tabel 19: Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken door gemeentelijke toezichthouders per klasse van gemeenten in 2016

45


MILIEUHANDHAVINGSCONTROLES Totaal aantal uit­ gevoerde milieuhandhavingscontroles

Aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd op eigen initiatief

Aantal milieuhand­ havingscontroles naar aanleiding van klachten en meldingen

Aantal milieuhandhavingscontroles op vraag van een andere overheidsinstantie

Aantal milieuhandhavingscontroles op vraag van de politiezone

0

0

0

0

0

5.000 - 9.999

283

28

218

17

20

10.000 - 14.999

417

159

221

19

18

15.000 - 19.999

310

98

195

7

10

20.000 - 24.999

276

69

179

14

14

25.000 - 29.000

143

31

101

8

3

30.000 - 74.999

856

192

583

34

47

≥ 75.000

1.276

387

869

12

8

Totaal

3.561

964

2.366

111

120

in 2015

5097

1329

3768

/

/

INWONERS­ AANTAL ≤ 4.999

Tabel 20: Aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door gemeentelijke toezichthouders in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet, naar aanleiding van klachten en meldingen en op basis van eigen initiatief in 2016

Indien naar het aantal uitgevoerde milieu­ hand­ havingscontroles, het gemiddelde aantal milieu­ hand­ havingscontroles per toezichthouder en het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per VTE wordt gekeken per categorie van gemeenten kan een gevarieerd beeld worden vastgesteld. Bij alle categorieën ligt het gemiddelde aantal milieu­ hand­havingscontroles per VTE steeds hoger dan het gemiddelde aantal controles per toezichthouder. Dit heeft te maken met het feit dat de aangestelde toezichthouders slechts een beperkt aandeel van hun tijd besteedden aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet. De gemeenten werden voor 2016 gevraagd aan te geven hoeveel milieuhandhavingscontroles werden uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen en hoeveel milieuhandhavingscontroles werden uitgevoerd op eigen initiatief, bijvoorbeeld op basis van een Milieu­ hand­ havings­ programma. Dit wordt weergegeven in de tabel 20. In 2016 werden in totaal 3.561 milieu­ hand­ havingscontroles uitgevoerd door de gemeentelijke toezichthouders. Bijna 66% van deze controles werden uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen en ongeveer 25% van deze controles waren

46

proactieve controles, uitgevoerd op basis van eigen initiatief, eventueel in het kader van geplande acties of een Milieu­hand­havings­programma. De verhouding van het aantal controles uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen ten opzichte van de controles uitgevoerd op eigen initiatief bedroeg in 2015 74% ten opzichte van 25% en in 2014 69% ten opzichte van 31%. Er kan dus worden vastgesteld dat het procentuele aandeel van de proactieve controles ongeveer gelijk blijft en er in grote mate reactief wordt gewerkt door de gemeentelijke toezichthouders. In grafieken 9 en 10 wordt een overzicht gegeven van het gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per gemeentelijke toezichthouder en het gemiddelde aantal controles per VTE voor 2014, 2015 en 2016. Net zoals bij de gewestelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie, heeft het totale ingezette VTE betrekking op de ingezette VTE die werden besteed door de toezichthouder aan milieu­hand­havingstaken in het kader van het Milieu­ hand­havings­decreet en de ingezette VTE die werden besteed aan administratieve ondersteuning van de milieuhandhavingstaken. Op die manier wordt rekening gehouden met de verschillende tijdsgerelateerde facetten van de toezichtsopdrachten.


50 46 46

45

43

40 35 30 25

24

20

18 18 15 15

15 10

6

5 0

8

11

10

13

12

14

13

11

14

23 18 19 19

16

6

2

1

0 ≤ 4.999

2014

5.000 - 9.999 2015

10.000 - 14.999

15.000 - 19.999

20.000 - 24.999

25.000 - 29.000

30.000 - 74.999

≥ 75.000

Totaal

2016

Grafiek 9: Gemiddelde aantal controles per gemeentelijke toezichthouder

250

200

200

150 117 97

100 69 50

117 104

106 95

79

81

79

50

112

105

73

65

47

82

87 92

87 85 71

45

36

26

0

0

≤ 4.999 2014

5.000 - 9.999 2015

10.000 - 14.999

15.000 - 19.999

20.000 - 24.999

25.000 - 29.000

30.000 - 74.999

≥ 75.000

Totaal

2016

Grafiek 10: Gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per VTE

Grafiek 10 toont een fluctuerend karakter van het gemiddelde aantal milieuhandhavings­controles per VTE de afgelopen jaren, en dit zowel voor het totaal als voor de verschillende klassen van gemeenten. Enkel in de klasse van gemeenten met een inwonersaantal van 25.000-29.000 stijgt het gemiddelde aantal controles per VTE spectaculair ten opzichte van vorige jaren.

2.3.7 Intergemeentelijke verenigingen Het Milieu­hand­havings­decreet schept in artikel 16.3.1, §1, 4° de mogelijkheid om personeelsleden van een intergemeentelijke vereniging aan te wijzen als toezichthouder. Een dergelijke toezichthouder kan enkel toezicht uitoefenen in de gemeenten die behoren tot de intergemeentelijke vereniging. Volgens artikel 16 §2 van het Milieuhandhavingsbesluit moet elke intergemeentelijke vereniging die toezichthouders aanwijst, minstens twee toezichthouders aanwijzen per begonnen schijf van vijf gemeenten die voor het volledige pakket van toezichttaken een beroep doen op de toezichthouders van de intergemeentelijke vereniging. Sinds de inwerkingtreding van het Milieu­ hand­ havings­ decreet in 2009 neemt de rol van de intergemeentelijke verengingen in het milieu­ hand­ havingslandschap steeds toe. Er zijn immers een 47


aantal voordelen bij de organisatie van het toezicht op de milieuwetgeving in het kader van een intergemeentelijke vereniging. Zo kan het voor kleinere gemeenten interessant zijn om zich op een dergelijke wijze te organiseren. De aanduiding van een intergemeentelijke toezichthouder zou kunnen leiden tot een schaalvergroting op vlak van expertise en ruimtelijke inzetbaarheid van de toezichthouder. Gezien momenteel de functie van toezichthouder geen voltijdse equivalent dient te bedragen en de functie in de kleinere gemeenten veelal wordt gecombineerd met andere taken, kan door de aanstelling van een voltijds equivalent binnen een intergemeentelijke vereniging de deskundigheid en expertise van deze toezichthouder enkel worden vergroot. Daarnaast kan het opportuun zijn dat meerdere toezichthouders worden aangesteld binnen een intergemeentelijke vereniging zodat de toezichthouders geen controles meer dienen uit te voeren binnen de eigen gemeente. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu acht het dan ook belangrijk de activiteiten van deze intergemeentelijke verenigingen in kaart te brengen en heeft daarom die intergemeentelijke verengingen digitaal bevraagd waarvan is geweten dat zij zich rond milieuhandhaving hebben georganiseerd of aan het organiseren zijn. De VHRM mocht voor dit Milieu­hand­havings­rapport van vijf intergemeentelijke verenigingen een ingevulde bevragingsfiche ontvangen. Vier van deze vijf intergemeentelijke verenigingen had minstens één toezichthouder aangesteld binnen hun vereniging. De activiteiten inzake milieuhandhaving van deze vier intergemeentelijke verenigingen met een aangestelde toezichthouder zullen in dit onderdeel worden besproken. Een eerste intergemeentelijke vereniging biedt ondersteuning inzake milieuhandhaving aan 16 gemeenten. In 2016 waren 5 toezichthouders aangesteld binnen deze intergemeentelijke vereniging en werd 1 VTE aan milieuhandhaving besteed door deze toezichthouders. Daarnaast werd voor 0,4 VTE administratieve ondersteuning inzake milieuhandhaving door niet-toezichthouders geboden. Er werden 70 controles uitgevoerd. Tijdens deze controles werden 18 raadgevingen geformuleerd en werden 31 overtredingen vastgesteld. Ten aanzien van deze overtredingen werden 18 aanmaningen geformuleerd, 8 prioritaire processen-verbaal en 3 niet-prioritaire procesen-verbaal opgesteld. Er werd 1 bestuurlijke maatregel onder de vorm van bestuursdwang opgelegd, alsook werden 2 veiligheidsmaatregelen in kader van ver48

vuiling door asbesthoudende materialen opgelegd via een schrijven door de burgemeester. Een tweede intergemeentelijke vereniging biedt ondersteuning aan 27 gemeenten. Er waren in 2016 3 toezichthouders aangesteld die samen 1,40 VTE besteedden aan milieuhandhavingstaken. Verder werd in 0,1 VTE administratieve ondersteuning door niet-toezichthouders voorzien. Er werden 86 controles uitgevoerd, allemaal op vraag van een andere overheidsinstantie. Daarbij werd 1 raadgeving geformuleerd en werden geen overtredingen vastgesteld en evenmin aanmaningen, noch processen-verbaal opgesteld. Een derde intergemeentelijke vereniging biedt ondersteuning aan 5 gemeenten. In 2016 was er 1 intergemeentelijke toezichthouder aangesteld die 0,1 VTE besteedde aan milieuhandhavingstaken. Er werd geen VTE administratieve ondersteuning voorzien. Er werden in totaal 40 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in 2016, allemaal op vraag van een andere overheidsinstantie. Tijdens deze controles werden geen raadgevingen geformuleerd en 30 overtredingen vastgesteld. In 5 gevallen werd er geen verder actie ondernomen ten aanzien van de vastgestelde overtreding; er werden 20 aanmaningen geformuleerd en geen processen-verbaal opgesteld. Een vierde intergemeentelijke vereniging biedt ondersteuning aan 14 gemeenten. In 2016 waren er 6 toezichthouders aangesteld binnen deze intergemeentelijke vereniging die 0,1 VTE besteedden aan milieu­hand­havingstaken. Verder werd in 1 VTE administratieve ondersteuning door niet-toezichthouders voorzien. Er werden 11 controles uitgevoerd, ­allemaal op vraag van een andere overheidsinstantie. Er werden in 2016 geen raadgevingen geformuleerd naar aanleiding van de uitgevoerde milieu­ hand­ havingscontroles. Tevens werden 16 overtredingen vastgesteld tijdens deze controles. Ten aanzien van de vastgestelde overtredingen werden 4 aanmaningen geformuleerd en werden 9 prioritaire processen-verbaal opgesteld. Er werd 1 bestuurlijke maatregel opgelegd onder de vorm van een bevel tot regularisatie.


49

Š Viktor Hanacek


50

Š Viktor Hanacek


3 EVALUATIE VAN DE INZET VAN DE AFZONDERLIJKE MILIEUHANDHAVINGSINSTRUMENTEN EN VEILIGHEIDS­ MAATREGELEN Waar in het voorgaande hoofdstuk werd uitgegaan van de individuele handhavingsactoren en hun inspanningen in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet, staat in dit hoofdstuk het milieuhandhavingsinstrumentarium centraal. De bedoeling is een inzicht te verkrijgen in het gebruik van alle middelen die de handhavingsactoren kregen om hun doelstellingen te bereiken. In dit rapport wordt een beeld gegeven van het totaal aantal controles ten opzichte van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld. Dit maakt het mogelijk om uitspraken te doen over de nalevingsgraad en het gericht handhaven door de actoren. Daarnaast worden de handhavingsinstrumenten in dit rapport afgewogen ten opzichte van het aantal uitgevoerde handhavingscontroles waar een overtreding werd vastgesteld. Er werd geopteerd voor deze afweging omdat de meeste instrumenten die worden geëvalueerd, kunnen worden ingezet bij de vaststelling van een overtreding. Gelijklopend met het hoofdstuk 2 ‘Evaluatie van het gewestelijke milieuhandhavingsbeleid’ wordt voor de evaluatie van de individuele handhavingsinstrumenten, zijnde de raadgeving; de aanmaning; het verslag van vaststelling; het proces-verbaal en de bestuurlijke maatregelen, uitgegaan van de informatie verkregen van de handhavingsactoren. Het gebruik van deze cijfers impliceert dat alle eerder geformuleerde kanttekeningen en opmerkingen ook hier van toepassing zijn. In het vorige hoofdstuk werden de toezichthouders van de Lokale politie en de gemeentelijke toezichthouders opgedeeld in verschillende klassen op basis van het inwonersaantal. In dit hoofdstuk worden de toezichthouders van de Lokale politie enerzijds en de gemeentelijke toezichthouders anderzijds opgenomen als één actor, naast de verschillende gewestelijke actoren.

51


3.1 CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD Om een correcte evaluatie van de milieu­ hand­ havingsinstrumenten uit te voeren, dienen de juiste parameters met elkaar te worden vergeleken. In tabel 21 wordt het totaal aantal uitgevoerde controles in 2016 opgesplitst in het aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’ en het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’. Aangezien een instrument enkel kan worden gebruikt bij het vaststellen van een milieumisdrijf of een milieu-inbreuk zal het aantal keren dat het werd toegepast, worden afgewogen ten aanzien van het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’. De uitzondering hierop is het instrument ‘raadgeving’.

De raadgeving is in principe enkel toepasbaar als er een milieumisdrijf of milieu-inbreuk dreigt op te treden, maar er nog geen overtreding werd vastgesteld. Tabel 21 geeft per handhavingsactor een overzicht van het totaal aantal uitgevoerde milieu­hand­ havingscontroles, het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld en het aantal controles waar wel een overtreding werd vastgesteld in 2016. Om de gegevens van tabel 21 te kaderen of te interpreteren, dient de volgende opmerking in acht te worden genomen:

CONTROLES WAAR EEN OVERTREDING WERD VASTGESTELD Totaal aantal controles

Aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld

% aandeel in 2016

Aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld

% aandeel in 2016

211

182

86%

29

14%

AMI

11.050

10.558

96%

492

4%

AMV

1.316

927

70%

389

30%

ANB

7.355

5.677

77%

1.678

23%

AWZ

3

0

99%

3

100%

AWV

222

12

5%

210

95%

VAZG

7.317

6.626

91%

691

9%

22

0

0%

22

100%

OVAM

378

143

38%

235

62%

VLM

5.231

4.743

91%

488

9%

VMM

52

0

0%

52

100%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

0

0%

2

100%

Provinciale toezichthouders

67

38

57%

29

43%

Gemeentelijke toezichthouders

3.561

1.893

53%

1.668

47%

Toezichthouders Lokale Politie

3.550

2.781

78%

769

22%

Totaal

40.337

33.580

83%

6.757

17%

HANDHAVINGSACTOR ALBON

De Scheepvaart

Tabel 21: Vergelijking van het aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’ met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’ in 2016

52


De LNE-AMI geeft aan dat met betrekking tot één

overtreding meerdere controles kunnen gebeuren, zowel controles vóór de effectieve vaststelling van de overtreding als controles na de vaststelling van de overtreding. De eerste controles zijn controles waarin meerdere vaststellingen worden gedaan die uiteindelijk leiden tot het besluit dat een overtreding heeft plaatsgevonden. De laatste controles worden door de afdeling Milieu-­ inspectie voortgangscontroles genoemd. Zij hebben tot doel de remediëring of de terugkeer naar conformiteit te bekomen. Om geen dubbeltellingen van de overtredingen te hebben, heeft de afdeling in haar rapportering een overtreding aan één en slechts één controle gekoppeld en niet aan de voorafgaande controles of de voortgangscontroles die er ook mee verbonden zijn. Doordat er echter ook voorafgaande controles en voortgangscontroles zijn, bestaat er in de feiten een één-op-veel-relatie (één overtreding voor meerdere controles). Anderzijds kunnen er tijdens één controle (of een groep van controles) ook meerdere overtredingen worden vastgesteld. In het kader van haar programmatische en risicogebaseerde aanpak voert de LNE-AMI immers uitgebreide controles uit waarin de naleving van tal van milieuvoorschriften wordt geëvalueerd. Ook daardoor ontstaat er een afwijking op de één-op-één-relatie. Het cijfer van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld is voor de LNE-AMI een overschatting. De voorafgaande controles en de voortgangscontroles zijn immers inbegrepen in dat aantal, terwijl die controles toch verbonden zijn met een overtreding. De OVAM geeft, gelijkaardig aan de opmerking van LNE-AMI, aan dat heel wat bedrijven meermaals worden bezocht om na te gaan of een aanmaning of bestuurlijke maatregel werd opgevolgd.

Een eerste vaststelling die op basis van tabel 21 kan worden gemaakt is het feit dat in 2016 in totaal 40.337 milieuhandhavingscontroles werden uitgevoerd door de gewestelijke toezichthouders, de provinciale toezichthouders, de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie. Dit is een daling ten opzichte van 2015 toen 48.419 controles werden uitgevoerd, doch het aantal blijft nog boven het niveau van 2014 toen 36.921 milieuhandhavingscontroles werden uitgevoerd. Bij nagenoeg alle actoren, zoals ook blijkt uit hoofdstuk 2.1.2, is een daling van het aantal uitgevoerde milieu­hand­ havingscontroles merkbaar. Enkel bij VAZG steeg het aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles: van 4.585 in 2015 naar 7.317 in 2016.

Met betrekking tot de verhouding tussen het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld en het aantal controles waar wel een overtreding werd vastgesteld, kan worden geconcludeerd dat bij 33.580 controles van de in totaal 40.337 uitgevoerde milieu­hand­havingscontroles geen overtreding werd vastgesteld, hetgeen neerkomt op 83%, terwijl 6.757 controles, ofwel 17%, wel een overtreding werd vastgesteld. Ondanks de afname in het aantal milieu­ hand­havingscontroles verschilt deze verhouding niet sterk met deze in 2015 toen bij 77% van het totaal aantal uitgevoerde milieu­hand­havingscontroles geen overtreding werd vastgesteld en bij 23% wel. Ook in 2014 ging het om gelijkaardige cijfers, bij 73% van de controles werd toen geen overtreding vastgesteld, bij 27% wel. In 2013 en 2012 bedroeg deze verhouding echter nog 63% en 37%, in 2011 68% ten opzichte van 32% en in 2010 67% ten opzichte van 33%. Dit betekent dat het gegeven dat bij ongeveer 1/3 van de milieu­ hand­ havingscontroles een overtreding werd vastgesteld, is veranderd naar een overtreding bij minder dan 1/5 van de milieu­hand­havingscontroles. Dit verhoogde percentage van controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld zou eventueel kunnen wijzen op een verhoogde nalevingsgraad of een gebrek aan risicogerichte benadering en doelgericht toezicht. Indien naar de verschillende handhavingsactoren wordt gekeken, kan een divers beeld worden vastgesteld. Bepaalde actoren laten een hoog percentage van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld optekenen; dat kan erop wijzen dat deze actoren zeer gericht handhaven, maar kan ook wijzen op een lage nalevingsgraad. Bij andere actoren daarentegen ligt het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld laag. Het al dan niet meer of minder handhaven naar aanleiding van klachten en meldingen zou hier potentieel een rol kunnen spelen. Opvallend is echter dat slechts bij minder dan 1/5 van de controles uitgevoerd door de toezichthouders van de Lokale politie een overtreding werd vastgesteld. In 2015 werd nog bij 33% van de controles een overtreding vastgesteld en in 2014 zelfs bij 67% van de controles.

53


3.2 CONTROLES ZONDER VERDERE ACTIE In de bevraging van de milieu­ hand­ havingsactoren werd gevraagd naar het aantal uitgevoerde controles waarbij een overtreding – milieu-inbreuk dan wel milieumisdrijf – ten aanzien van de milieuwetgeving werd vastgesteld in 2016, maar waarbij echter geen actie werd ondernomen. Tabel 22 geeft het aantal ‘controles zonder verdere actie’ weer in verhouding tot het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’ door de handhavingsactor in 2016. Bijkomend werd ook het procentueel aandeel van deze ‘controles zonder verdere actie’ weergegeven in 2015 en in 2014. Om de gegevens van tabel 22 te kaderen of te interpreteren, dient de volgende opmerking in acht te worden genomen: De LNE-AMV deelt mee dat het bij de 2 controles

waarbij geen actie werd ondernomen op basis van de vastgestelde overtredingen, dossiers betreffen waarbij er onvoldoende bewijzen waren, het anonieme klachten betroffen of er geen toestemming was van de klager om verdere gegevens in aanmerking te nemen. De VMM deelt mee dat in de regel verdere actie niet wordt ondernomen door de VMM maar door andere toezichthouders die erbij worden geroepen.

54

Tabel 22 geeft aan dat bij 5% van het totaal aantal van 6.757 uitgevoerde milieu­ hand­ havingscontroles waar een overtreding werd vastgesteld geen verdere actie werd ondernomen ten aanzien van de vastgestelde overtreding. Dit is een lichte terugval ten opzichte van de 2% in 2015, doch nog steeds onder het niveau van 9% en 15% in respectievelijk 2014 en 2013. Deze evolutie van de laatste jaren kan als positief worden beschouwd. Dit toont aan dat steeds meer vastgestelde overtredingen een (al dan niet passend) gevolg krijgen door middel van het gebruik van het instrumentarium dat het Milieu­hand­havings­decreet de toezichthouders biedt. Dit zou er op kunnen wijzen dat de toezichthouders steeds meer vertrouwd geraken met het gebruik van dit instrumentarium. Op basis van de gegevens in tabel 22 kan worden vastgesteld dat het voornamelijk de lokale toezichthouders en het VAZG zijn die de laatste jaren geen verdere actie ondernamen ten aanzien van bepaalde vastgestelde overtredingen. Een mogelijke verklaring voor dergelijke controles zonder verdere actie zou echter kunnen zijn dat de vastgestelde overtredingen milieu-inbreuken zijn, en dat het Milieu­hand­havings­ decreet de toezichthouders de vrijheid geeft om in dat geval wel of geen verslag van vaststelling op te maken.


CONTROLES ZONDER VERDERE ACTIE Aantal controles waar een over­ treding werd vastgesteld

Aantal controles zonder verdere actie

% aandeel in 2016

% aandeel in 2015

% aandeel in 2014

ALBON

29

0

0%

0%

0%

AMI

492

0

0%

0%

0%

AMV

389

2

1%

15%

8%

ANB

1.678

0

0%

0%

0%

AWZ

3

1

33%

0%

/

AWV

210

0

0%

0%

0%

VAZG

691

197

29%

0%

/

De Scheepvaart

22

0

0%

0%

/

OVAM

235

0

0%

0%

0%

VLM

488

0

0%

0%

0%

VMM

52

0

0%

0%

0%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

0

0%

0%

0%

Provinciale toezichthouders

29

6

21%

71%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

1.668

87

5%

13%

5%

Toezichthouders Lokale Politie

769

30

4%

0%

23%

6.757

323

5%

2%

9%

HANDHAVINGSACTOR

Totaal

Tabel 22: Aantal ‘Controles zonder verdere actie’ afgewogen ten aanzien van het aantal ‘controles’ waar een overtreding werd vastgesteld’ in 2014, 2015 en 2016.

55


3.3 CONTROLES WAARVAN HET RESULTAAT ONBEKEND IS Aan de hand van de bevraging van de milieu­hand­ havingsactoren werd onderzocht bij hoeveel controles het resultaat onbekend was in 2016. Dit werd gedaan door het verschil te berekenen tussen enerzijds het totaal aantal uitgevoerde controles en anderzijds het aantal controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld, het aantal controles waarbij geen actie werd ondernomen ten aanzien van de vastgestelde overtreding, het aantal raadgevingen, het aantal aanmaningen, het aantal verslagen van vaststelling en het aantal processen-verbaal. Het betreft hier dus steeds een minimumaantal, aangezien meerdere instrumenten kunnen worden gebruikt tijdens één controle. In tabel 23 wordt het aantal ‘controles waarvan het resultaat onbekend is’ geplaatst in verhouding tot het totaal aantal milieu­ hand­ havingscontroles uitgevoerd door de handhavingsactor. Bijkomend werd ook het procentueel aandeel van deze ‘controles waarvan het resultaat onbekend is’ in 2015 en in 2014 weergegeven. De OVAM deelt mee dat veel controles tussen-

tijdse herhalingscontroles zijn waarbij er mogelijks nog altijd overtredingen worden vastgesteld, maar hiervoor niet altijd opnieuw een aanmaning of bestuurlijke maatregel wordt opgelegd (daar deze nog lopende is).

56

Tabel 23 geeft aan dat bij 4 milieu­hand­havingsactoren het resultaat van een deel van de controles onbekend is, namelijk bij de AMV, de OVAM, de VLM en bij de VMM. Bij minimum 359 van de in totaal 40.337 uitgevoerde milieu­hand­havingscontroles was het resultaat in 2016 onbekend. Dit komt neer op minder dan 1% van het totaal aantal controles. Dit is een bevestiging van het cijfer van 2015 dat een daling inhield in vergelijking met 2014. Toen was het resultaat immers 5% van de in totaal 36.921 uitgevoerde milieu­ hand­havingscontroles onbekend en kwam dit voor bij zes handhavingsactoren. Het resultaat van 2014 was op zijn beurt een daling ten opzichte van 2013 toen deze verhouding 11,5% bedroeg en dit voor kwam bij de helft van de toen responderende handhavingsactoren. Deze verbetering van de afgelopen jaren zou kunnen wijzen op een betere monitoring. Een goede monitoring is cruciaal voor het efficiënt opstellen van het Milieu­hand­havings­rapport. Er dient zoveel als mogelijk te worden gewerkt met volledige en accurate data. Iedere controle waarvan het resultaat onbekend is, betekent immers dat slechts een onvolledige evaluatie kan worden gemaakt van de desbetreffende actoren en het volledige instrumentarium.


CONTROLES WAARVAN HET RESULTAAT ONBEKEND IS Totaal aantal controles

Aantal controles waarvan het resultaat onbekend is

% aandeel in 2016

% aandeel in 2015

% aandeel in 2014

211

0

0%

0%

0%

AMI

11.050

0

0%

0%

0%

AMV

1.316

263

20%

0%

11%

ANB

7.355

0

0%

0%

0%

AWZ

3

0

0%

0%

/

AWV

222

0

0%

0%

45%

VAZG

7.317

0

0%

0%

/

De Scheepvaart

22

0

0%

0%

/

OVAM

378

26

7%

17%

0%

VLM

5.231

37

1%

1%

10%

VMM

52

33

63%

0%

96%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

0

0%

0%

0%

Provinciale toezichthouders

67

0

0%

14%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

3.561

0

0%

0%

1%

Toezichthouders Lokale Politie

3.550

0

0%

0%

21%

Totaal

40.337

359

1%

1%

5%

HANDHAVINGSACTOR ALBON

Tabel 23: Aantal controles waarvan het resultaat onbekend is in 2016 en procentuele verhouding ten aanzien van het totaal aantal uitgevoerde milieu­hand­havingscontroles in 2016, 2015 en 2014

57


3.4 EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘RAADGEVING In artikel 16.3.22 van het DABM wordt het instrument ‘raadgeving’ als volgt omschreven: “Als toezichthouders vaststellen dat een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen”.

het gebruik van bijvoorbeeld een aanmaning, verslag van vaststelling of proces-verbaal, ook een raadgeving wordt geformuleerd tijdens diezelfde controle voor een mogelijke toekomstige overtreding. Tevens kunnen raadgevingen ook enkel mondeling gebeuren en daarom niet worden geregistreerd. Een procentuele onderschatting van het aantal geformuleerde raadgevingen ten aanzien van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld valt dus niet uit te sluiten.

Aangezien de ‘raadgeving’ een van de preventieve instrumenten is en dus enkel kan worden gehanteerd in het geval er geen misdrijf of inbreuk werd vastgesteld, werd het aantal raadgevingen afgewogen ten opzichte van het aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld. Bij de interpretatie van de gegevens uit tabel 24 dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat tijdens een controle een overtreding kan worden vastgesteld en dat naast

Tabel 24 geeft een overzicht van het gebruik van het instrument ‘raadgeving’ door de verschillende toezichthoudende actoren in 2016. Bijkomend werd ook het procentueel aandeel van het gebruik van dit instrument in 2015 en in 2014 weergegeven.

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT 'RAADGEVING' Aantal controles waar geen overtreding werd vastgesteld

Aantal raad­ gevingen door toezichthouder

% aandeel in 2016

% aandeel in 2015

% aandeel in 2014

182

23

13%

8%

4%

AMI

10.558

208

2%

1%

1%

AMV

927

19

2%

1%

4%

ANB

5.677

43

1%

0%

0%

AWZ

0

0

0%

0%

/

AWV

12

0

0%

0%

0%

VAZG

6.626

3.385

51%

7%

/

0

2

0%

0%

/

143

0

0%

0%

81%

VLM

4.743

11

0%

0%

1%

VMM

0

1

0%

0%

0%

MOW - afdeling Maritieme toegang

0

0

0%

0%

0%

Provinciale toezichthouders

38

0

0%

0%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

1.893

1.171

62%

84%

84%

Toezichthouders Lokale Politie

2.781

1.436

52%

65%

18%

33.580

6.299

19%

14%

7%

HANDHAVINGSACTOR ALBON

De Scheepvaart OVAM

Totaal

Tabel 24: Aantal ‘raadgevingen’ gehanteerd door de toezichthouders ten aanzien van het totaal aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’

58


Om de gegevens van tabel 24 te kaderen of te interpreteren, dient de volgende opmerking in acht te worden genomen:

Voor de gewestelijke toezichthoudende instanties kunnen twee opvallende vaststellingen worden gedaan:

De VLM gaf aan 11 raadgevingen te hebben ge-

De OVAM gebruikte in 2014 het instrument van

formuleerd in 2016. Vaak worden raadgevingen door de inspecteurs niet ingevoerd daar deze gegeven worden wanneer er geen inbreuk heeft plaatsgevonden, of indien ze niet bevoegd zijn voor het optreden tegen de vastgestelde inbreuk. Soms staat een raadgeving samen met een aanmaning opgelijst en wordt enkel de aanmaning ingevoerd in het opvolgsysteem. Mondelinge raadgevingen worden niet bijgehouden door de VLM.

de raadgeving nog bij 4/5 van het totaal aantal controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld, terwijl het instrument in 2016 en 2015 in het geheel niet meer werd gebruikt door de toezichthouders van de OVAM. De cijfers van VMM en De Scheepvaart tonen expliciet aan dat het instrument van de raadgeving ook wordt gehanteerd bij die controles waarbij wel een overtreding werd vastgesteld (zie eerder). De VMM en De Scheepvaart rapporteerden immers geen enkele controle waarbij geen overtreding werd vastgesteld. De toezichthouders van VMM en De Scheepvaart formuleerden dus respectievelijk 1 en 2 raadgevingen bij controles waar een overtreding werd vastgesteld, in combinatie met het gebruik van andere instrumenten zoals aanmaningen en processen-verbaal (zie 3.5 en 3.6).

Tabel 24 geeft aan dat in totaal 6.299 raadgevingen werden geformuleerd bij een totaal van 33.580 controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld. Dit komt neer op 19%. In 2015 werd bij 14% van het totaal aantal uitgevoerde controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld een raadgeving geformuleerd, in 2014 was dit 7%. Deze stijging is voornamelijk toe te schrijven aan de toename van het aantal raadgevingen (absolute aantal en procentuele verhouding ten opzichte van het aantal controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld) bij de toezichthouders van de VAZG. In 2016 werden 3.385 raadgevingen geformuleerd bij 6.626 controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld, hetgeen betekent dat bij meer dan de helft van het aantal controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld de toezichthouders van de VAZG preventief te werk gingen door raadgevingen te formuleren om zo een dreigende milieu-inbreuk of een milieumisdrijf te voorkomen. Net zoals voorgaande jaren kan ook bij de Lokale politie en bij de gemeentelijke toezichthouders een hoog percentage raadgevingen worden opgemerkt ten aanzien van de controles waarbij geen overtredingen werden vastgesteld. Dit betekent dat ook voor 2016 de gegevens een onderscheid laten zien tussen de gewestelijke toezichthoudende instanties enerzijds en de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie anderzijds. De gewestelijke toezichthoudende instanties – met uitzondering van het VAZG – hanteren het instrument raadgeving beduidend minder dan de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie.

59


3.5 EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘AANMANING’ Ook voor het instrument ‘aanmaning’ kan in het DABM een duidelijke omschrijving worden gevonden. Artikel 16.3.27 DABM vermeldt: “Als toezichthouders bij de uitvoering van hun toezichtsopdracht een ­milieu-inbreuk of een milieumisdrijf vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om deze milieu-inbreuk of dat milieu­misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.” De toezichthouder kan er bijgevolg voor kiezen om het instrument van de aanmaning al dan niet in te zetten.

Om de gegevens te kaderen dient met de volgende opmerking rekening te worden gehouden:

In tabel 25 worden de cijfers weergegeven betreffende het gebruik van het instrument ‘aanmaning’ ten opzichte van het totaal aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld in 2016, verkregen van de verschillende milieu­ hand­ havingsactoren. Deze procentuele verhouding wordt eveneens ter vergelijking weergegeven voor 2015 en 2014.

Tabel 25 geeft aan dat in 2016 de aanmaning een veel gebruikt instrument was. Bij net geen 3/5 van alle controles waar een overtreding werd vastgesteld, werd een aanmaning geformuleerd. Dit is weliswaar een daling ten opzichte de 81% van het gebruik van het instrument in 2015, maar ligt nog steeds ruim boven de verhouding in 2014 en 2013, toen deze verhouding respectievelijk 47% en 30% bedroeg.

De LNE-AMI voegt inzake het aantal aanmanin-

gen dat zij rapporteerde dezelfde kanttekening toe als diegene met betrekking tot het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld zoals aangegeven bij 3.1 Controles waar een overtreding werd vastgesteld. Ook de OVAM herhaalt hier de kanttekening die zij maakte bij 3.1 Controles waar een overtreding werd vastgesteld.

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘AANMANING’ Aantal controles waar een over­ treding werd vastgesteld

Aantal aan­ maningen door toezichthouders

% aandeel in 2016

% aandeel in 2015

% aandeel in 2014

ALBON

29

29

100%

100%

110%

AMI

492

448

91%

300%

339%

AMV

389

101

26%

83%

32%

ANB

1.678

962

57%

60%

57%

AWZ

3

2

67%

100%

/

AWV

210

0

0%

0%

0%

VAZG

691

494

71%

100%

/

De Scheepvaart

22

2

9%

100%

/

OVAM

235

184

78%

77%

58%

VLM

488

284

58%

45%

27%

VMM

52

18

35%

100%

0%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

1

50%

0%

0%

Provinciale toezichthouders

29

21

72%

70%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

1.668

1.050

63%

68%

39%

Toezichthouders Lokale Politie

769

328

43%

69%

14%

6.757

3.924

58%

81%

47%

HANDHAVINGSACTOR

Totaal

Tabel 25: Aantal aanmaningen geformuleerd door toezichthouders ten aanzien van het totaal ‘aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld’

60


Daarnaast tonen de gegevens van tabel 25 dat elke actor die controles uitvoerde waarbij een overtreding werd vastgesteld, behoudens het AWV, gebruik maakte van het instrument van de aanmaning en dat het gebruik van het instrument de laatste jaren bij sommige actoren redelijk stabiel blijf (OVAM, de gemeentelijke toezichthouders) en bij een aantal actoren fors daalde (toezichthouders van de Lokale politie, de LNE-AMV, de VMM â&#x20AC;Ś). Bij elke actor, behoudens het AWV, werd het instrument bij minstens 50% van het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld gehanteerd. Heel wat actoren hanteerden het instrument zelfs bij elke overtreding waarbij een overtreding werd vastgesteld. Vooruitlopend op de cijfergegevens in de volgende hoofdstukken blijkt zelfs dat verschillende actoren de voorkeur geven aan het formuleren van een aanmaning ten aanzien van een vastgestelde overtreding eerder dan de opmaak van een proces-verbaal of de opmaak van een verslag van vaststelling ten aanzien van de overtreding. Zo kan bijvoorbeeld bij de LNE-ALBON worden vastgesteld dat bij 29 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld, 29 aanmaningen werden geformuleerd, geen verslag van vaststelling en 1 enkel proces-verbaal. Ook de toezichthouders van het VAZG formuleerden 494 aanmaningen bij 691 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld. Er werden echter geen verslagen van vaststelling noch processen-verbaal opgesteld. Door de toezichthouders van de OVAM werden 184 aanmaningen geformuleerd bij 235 controles waarbij een overtreding werd vastgesteld, maar werden slechts 1 verslag van vastelling en 24 processen-verbaal opgesteld.

61


3.6 EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘VERSLAG VAN VASTSTELLING’ Het ‘verslag van vaststelling’ is een handhavingsinstrument dat samen met de inwerkingtreding van het Milieu­ hand­ havings­ decreet op 1 mei 2009 het levenslicht zag. Een van de belangrijke wijzigingen van het Milieu­ hand­ havings­ decreet is namelijk de depenalisering van bepaalde schendingen op de milieuregelgeving, met een beperkte weerslag op het leefmilieu, op basis van een aantal cumulatieve criteria waaraan deze inbreuken dienen te voldoen. Dit resulteerde in een lijst, opgenomen in de verschillende bijlagen bij het Besluit van 12 december 2008, van gedragingen die als milieu-inbreuk worden gekwalificeerd. Deze gedragingen zijn dus niet langer strafbaar. Het verslag van vaststelling is het instrument om milieu-inbreuken te melden, zodat ze vervolgens uitsluitend bestuurlijk kunnen worden gesanctioneerd. De toezichthouder kan een dergelijk verslag van vaststelling opstellen, maar is daartoe niet verplicht. De toezichthouder beschikt hierbij over een discretionaire bevoegdheid en kan dus zelf oordelen over de wenselijkheid van het gebruik ervan.

In tabel 26 wordt het aantal ­opgestelde verslagen van vaststelling door de individuele handhavingsactoren weergegeven in vergelijking met het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld in 2016. Deze procentuele verhouding wordt eveneens ter vergelijking weergegeven voor 2015 en 2014. De opmerking dient te worden gemaakt dat het ‘verslag van vaststelling’ een instrument is dat door de toezichthouder wordt aangewend bij de vaststelling van een milieu-inbreuk. Het cijfer waarmee het instrument vergeleken wordt, betreft het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld, zowel milieumisdrijven als milieu-inbreuken. De gegevens uit tabel 26 geven dus geen beeld van het aantal keer dat een milieu-inbreuk werd vastgesteld en het aantal keer dat hiervoor een verslag van vaststelling werd opgesteld.

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘VERSLAG VAN VASTSTELLING’ Aantal controles waar een over­ treding werd vastgesteld

Aantal verslagen van vaststelling door toezichthouders

% aandeel in 2016

% aandeel in 2015

% aandeel in 2014

ALBON

29

0

0%

2%

0%

AMI

492

14

3%

2%

4%

AMV

389

2

1%

3%

0%

ANB

1.678

89

5%

4%

1%

AWZ

3

0

0%

0%

/

AWV

210

0

0%

0%

0%

VAZG

691

0

0%

0%

/

De Scheepvaart

22

0

0%

0%

/

OVAM

235

1

0%

1%

2%

VLM

488

6

1%

0%

0%

VMM

52

0

0%

0%

0%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

0

0%

0%

0%

Provinciale toezichthouders

29

0

0%

0%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

1.668

18

1,08%

1,64%

0%

Toezichthouders Lokale Politie

769

84

10,92%

0,65%

0%

6.757

214

3%

2%

1%

HANDHAVINGSACTOR

Totaal

Tabel 26: Aantal ‘verslagen van vaststelling’ opgesteld door de toezichthouders ten opzichte van het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

62


In vergelijking met de andere instrumenten kan ook voor 2016 algemeen worden vastgesteld dat het instrument verslag van vaststelling niet vaak wordt gebruikt. Al kan echter wel een heel lichte stijging worden waargenomen in het gebruik in 2016 ten opzichte van 2015, respectievelijk 3% en 2%. Deze lichte stijging van het aantal verslagen van vaststelling kan worden verklaard door de toename in gebruik door die handhavingsactoren die in voorgaande jaren ook reeds gebruik maakten van het instrument, hetgeen betekent dat zij die het verslag van vaststelling reeds inzetten tegen de vastgestelde milieu-inbreuken, dit ook steeds meer gaan doen. Daarnaast zou de toename kunnen worden verklaard door het feit dat meerdere schendingen werden gedepenaliseerd.

de prioriteit in andere sectoren waarbij de overtredingen enkel in een proces-verbaal konden worden opgenomen.

Zoals eerder aangehaald indiceert de toename van het aantal verslagen van vaststelling niet per se dat het aantal milieu-inbreuken dat werd vastgesteld in 2016 ook zou zijn gestegen. De toezichthouders kunnen immers zelf beslissen of al dan niet een verslag van vaststelling wordt opgesteld voor de vastgestelde milieu-inbreuk. Vooruitlopend op de cijfergegevens in het volgende hoofdstuk, kan ook voor 2016 â&#x20AC;&#x201C; net zoals in de vorige rapporten â&#x20AC;&#x201C; een discrepantie worden vastgesteld in het aantal door de toezichthoudende instanties opgestelde en meegedeelde aantal verslagen van vaststelling en het aantal verslagen van vaststelling dat ook effectief werd overgemaakt aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-AMMC). De gemeentelijke toezichthouders stelden samen in 2016 in totaal 18 verslagen van vaststelling op, terwijl de LNE-AMMC aangaf slechts 5 verslagen van vaststelling te hebben ontvangen van gemeentelijke toezichthouders. Ook de toezichthouders van de Lokale politie deelden mee in totaal 84 verslagen van vaststelling te hebben opgesteld, terwijl de LNE-AMMC er van hen slechts 4 heeft ontvangen. Bij de gewestelijke toezichthouders wordt in 2016 geen discrepantie vastgesteld. Er werden 112 verslagen van vaststelling opmaakten in 2016. De LNE-AMMC deelde mee 122 verslagen van vaststelling te hebben ontvangen van deze toezichthoudende instanties. De daling van het aantal gewestelijke verslagen van vaststelling in 2016 ten opzichte van 2015 kan toegeschreven worden aan de OVAM, die in 2015 46 verslagen van vastelling opstelde ten opzichte van 1 in 2016. De OVAM verklaart dat de reden hiervoor is dat niet bij alle soort overtredingen een verslag van vaststelling kan opgesteld worden. In 2015 lag de prioriteit van OVAM deels bij een soort controles waarbij een aantal administratieve overtredingen in een verslag van vaststelling konden worden opgenomen. In 2016 lag 63


3.7 EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘PROCES-VERBAAL’ Waar een milieu-inbreuk kan worden vastgesteld door middel van een verslag van vaststelling, dienen de toezichthouders een proces-verbaal te gebruiken voor het melden van milieumisdrijven aan het parket. In tabel 27 kan een overzicht van de opgestelde aanvankelijke processen-verbaal in 2016 per handhavingsactor worden gevonden ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld. Deze procentuele verhouding wordt eveneens ter vergelijking weergegeven voor 2015 en 2014.

een overtreding werd vastgesteld kan het immers gaan over milieumisdrijven en milieu-inbreuken. Bij 2.317 van de in totaal 6.757 controles waar een overtreding werd vastgesteld, werd een proces-verbaal opgesteld in 2016. Dit komt neer op een procentuele verhouding van 34%. In vergelijking met 2015 kan een procentuele stijging van het aantal controles waarbij een proces-verbaal werd opgesteld worden opgemerkt, ondanks het feit dat in absolute aantallen het aantal opgestelde processen-verbaal wel is gedaald van 2.890 in 2015 naar 2.317 in 2016. Dit kan worden verklaard door het feit dat het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld van 11.196 in 2015 daalde naar 6.758 in 2016, zijnde 40%, terwijl het absolute aantal processen-verbaal slechts met 20% afnam ten opzichte van 2015.

Net zoals bij de bespreking van het instrument ‘verslag van vaststelling’, geldt ook hier weer de beperking van de cijfergegevens. De afweging van het aantal opgestelde processen-verbaal ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, geeft geen volledig feilloos beeld over de vaststellingsgraad van de milieumisdrijven. Bij het aantal controles waar

EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT 'PROCES-VERBAAL' aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld

ALBON

% aandeel in 2015 % aandeel niet-­ prioritaire prioritaire PV’s pv’s

Prioritair

% aandeel prioritaire PV’s

NietPrioritair

29

0

0%

1

3%

AMI

492

177

36%

322

AMV

389

2

1%

ANB

1.678

299

AWZ

3

AWV

% aandeel in 2014

niet-­ prioritaire pv’s

prioritaire pv’s

niet-­ prioritaire pv’s

0%

0%

0%

0%

65%

43%

57%

38%

62%

0

0%

23%

0%

4%

0%

18%

328

20%

13%

23%

19%

24%

1

33%

0

0%

0%

0%

/

/

210

0

0%

210

100%

0%

100%

0%

55%

VAZG

691

0

0%

0

0%

0%

0%

/

/

De Scheepvaart

22

20

91%

0

0%

100%

0%

/

/

OVAM

235

15

6%

9

4%

0%

1%

3%

18%

VLM

488

147

30%

3

1%

39%

0%

20%

1%

VMM

52

0

0%

0

0%

13%

0%

0%

4%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

1

50%

0

0%

0%

0%

0%

0%

Provinciale toezicht­ houders

29

2

7%

0

0%

5%

0%

200%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

1.668

152

9%

181

11%

9%

9%

4%

5%

Toezichthouders Lokale Politie

769

238

31%

209

27%

26%

19%

22%

9%

6.757

1.054

16%

1.263

19%

13%

13%

16%

13%

HANDHAVINGSACTOR

Totaal

Tabel 27: Aantal ‘processen-verbaal’ opgesteld door de toezichthouders ten opzichte van het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

64


De gegevens uit tabel 27 wijzen, net zoals in de voorgaande rapporten, op de bestaande pragmatische benadering van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat bij het vaststellen van een misdrijf een proces-verbaal dient te worden opgesteld en dat dit proces-verbaal dient te worden overgemaakt aan de Procureur des Konings. Rekening houdend met de beperking van de cijfergegevens en het feit dat de vastgestelde overtredingen ook milieu-inbreuken zouden kunnen zijn, kan worden vastgesteld dat het merendeel van de handhavingsactoren ook andere instrumenten, zoals reeds aangetoond in het onderdeel inzake de aanmaningen, dan het proces-verbaal hanteert om het beoogde doel te behalen, zonder dat hierbij steeds het strafrechtelijke spoor dient te worden geïnitieerd. Het feit dat bij de meeste handhavingsactoren er geen één-op-éénrelatie bestaat tussen het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld en het aantal opgestelde processen-verbaal wijst hierop.

processen-verbaal opgesteld voor milieumisdrijven opgenomen in de prioriteitennota worden betiteld als ‘prioritair proces-verbaal’. De VHRM heeft voor de bevraging voor dit Milieu­ hand­ havings­ rapport 2016 dan ook gevraagd een opsplitsing te maken tussen het aantal prioritaire en niet-prioritaire processen-verbaal. Volgende grafiek geeft – naast de cijfers in tabel 27 - deze verhouding weer. Grafiek 11 toont een verhouding, ten opzichte van het totaal aantal processen-verbaal opgesteld in 2016, van 45% prioritaire processen-verbaal ten opzichte 55% niet-prioritaire processen-verbaal. In 2015 en 2014 was deze verhouding respectievelijk 49% en 55%. Er kan dus over het algemeen worden gesteld dat ongeveer de helft van de opgestelde processen-verbaal als prioritair in het kader van de Prioriteitennota worden gecategoriseerd door de toezichthouders. Er is echter een onderscheid te merken tussen de verschillende handhavingsactoren. Bepaalde actoren stellen (bijna) enkel prioritaire processen-verbaal op, zoals bijvoorbeeld de VLM, De Scheepvaart en de OVAM. Andere actoren daarentegen stellen voornamelijk niet-prioritaire processen-verbaal op, zoals bijvoorbeeld het AWV, of stellen zowel prioritaire en niet-prioritaire processen-verbaal op.

181

209

322

328

In maart 2013 werd het protocol ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaams Gewest’ ondertekend door de minister van Leefmilieu en de minister van Justitie. In dit protocol worden de prioriteiten vastgesteld in het kader van toezicht en vervolging zodat beide op elkaar kunnen worden afgestemd. In dit protocol werd eveneens besproken dat

2

1 ALBON

Prioritair

AMI

AMV

1 ANB

AWZ

AWV

0

20

9

VZAG

DE SCHEEPVAART

OVAM

0

15 VLM

VMM

1

238

152

299

177

210

299

3

2

Provinciale GemeenMOW telijke afdeling toezichtMaritieme houders toezichthouders toegang

Toezichthouders Lokale Politie

Niet-Prioritair

Grafiek 11: Verhouding prioritaire en niet-prioritaire processen-verbaal in 2016

65


3.8 EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘BESTUURLIJKE MAATREGELEN’ EN ‘BEROEPEN TEGEN BESLUITEN HOUDENDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN’

3.8.1 Evaluatie van het instrument ‘Bestuurlijke maatregelen’ De artikelen 16.4.2 tot en met 16.4.18quater van titel XVI van het DABM regelen de oplegging, de opheffing, de uitvoering, het beroep en het verzoek tot de oplegging van bestuurlijke maatregelen, alsook de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke dwangsom voor het geval de bestuurlijke maatregelen niet of niet tijdig worden uitgevoerd. Op het beroep tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen wordt verder ingegaan in het hoofdstuk 3.8.2.

In 2016 werden in totaal 380 bestuurlijke maatregelen opgelegd door de toezichthouders. Dit is een daling ten opzichte van de 585 bestuurlijke maatregelen die in 2015 werden opgelegd en de 447 bestuurlijke maatregelen opgelegd in 2014. Procentueel gezien, ten opzichte van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, bleef het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen ongeveer gelijk in de afgelopen jaren.

Volgens artikel 16.4.7 van het DABM kunnen bestuurlijke maatregelen de vorm aannemen van:

Tabel 28 toont aan, net zoals voorgaande jaren, dat niet alle handhavingsactoren gebruik maken van het instrument van de bestuurlijke maatregelen. Het merendeel van het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen werd opgelegd door het ANB, namelijk 58%, gevolgd door de gemeentelijke toezichthouders die 29% van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen oplegde in 2016.

een bevel om maatregelen te nemen om de

milieu-­ inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen (regularisatiebevel) ; een bevel om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen (stakingsbevel); een feitelijke handeling van de personen, vermeld in artikel 16.4.6, op kosten van degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen werden opgelegd, om de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling ervan te voorkomen (bestuursdwang); een combinatie van deze maatregelen.

De toezichthouder, de burgemeester en de provincie-­ gouverneur hebben bijgevolg de keuze om het instrument van de bestuurlijke maatregel al dan ­ niet in te zetten in een concrete situatie. Het regularisatie­ bevel heeft dezelfde finaliteit als de aanmaning; toezichthouders kunnen kiezen welk instrument het meest gepast is. Bij de keuze van het instrument moet conform art. 16.4.4 van het DABM, het proportiona­liteitsbeginsel worden gerespecteerd. In de tabel 28 wordt een overzicht gegeven van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld per handhavingsactor in 2016. Deze procentuele verhouding wordt eveneens ter vergelijking weergegeven voor 2015 en 2014. 66


EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘BESTUURLIJKE MAATREGELEN’ EN ‘BEROEPEN TEGEN BESLUITEN HOUDENDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN’ aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld

aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen door toezichthouders

% aandeel in 2016

% aandeel in 2015

% aandeel in 2014

ALBON

29

0

0%

0%

0%

AMI

492

15

3%

4%

4%

AMV

389

0

0%

0%

0%

ANB

1.678

219

13%

11%

9%

AWZ

3

0

0%

0%

/

AWV

210

0

0%

0%

0%

VAZG

691

0

0%

0%

/

De Scheepvaart

22

2

9%

100%

/

OVAM

235

11

5%

1%

6%

VLM

488

6

1%

2%

1%

VMM

52

0

0%

4%

0%

MOW - afdeling Maritieme toegang

2

0

0%

0%

0%

Provinciale toezichthouders

29

0

0%

0%

0%

Gemeentelijke toezichthouders

1.668

111

7%

8%

6%

Toezichthouders Lokale Politie

769

16

2%

4%

2%

Totaal

6.757

380

6%

5%

5%

in 2015

11.196

585

5%

GEWESTELIJKE HANDHAVINGSACTOR

Tabel 28: Aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld in 2014, 2015 en 2016

In tabel 31 wordt een overzicht gegeven van het aandeel van de verschillende soorten bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen per handhavingsactor in 2016. Daarnaast werd ook in de bevraging voor dit Milieu­ hand­ havings­ rapport een vraag opgenomen inzake het aantal bestuurlijke maatregelen dat werd opgelegd naar aanleiding van een verzoek. Artikel 16.4.18. van titel XVI van het DABM geeft aan dat personen die voldoen aan één van de volgende omschrijvingen een verzoek kunnen indienen tot een bestuurlijke maatregel: natuurlijke personen en rechtspersonen die

rechtstreeks nadeel lijden als gevolg van de ­milieu-inbreuk of het milieumisdrijf; natuurlijke personen en rechtspersonen die een belang hebben bij de beteugeling van de ­milieu-inbreuk of het milieumisdrijf; rechtspersonen in de zin van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu.

Ieder verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel moet gericht zijn aan personen bevoegd voor de implementatie ervan. Artikel 16.4.6. titel XVI van het DABM bepaalt dat toezichthouders, voor de milieuwetgeving waarop hun toezichtsopdracht betrekking heeft; de gouverneur van een provincie of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering; en de burgemeester of zijn plaatsvervanger, voor de milieu-inbreuken of milieumisdrijven aangewezen door de Vlaamse Regering, allen gemachtigd zijn verzoeken te beantwoorden met het opleggen van een bestuurlijke maatregel. In tabel 29 wordt daarom – naast het soort bestuurlijke maatregelen – het aantal bestuurlijke maatregelen weergegeven dat werd opgelegd naar aanleiding van een verzoek. Teneinde inzicht te verkrijgen in het aandeel van bestuurlijke maatregelen dat niet binnen de opgelegde termijn werd uitgevoerd, werd bij de verschillende actoren ook voor dit Milieu­hand­havings­rapport naar dit aantal gevraagd. Deze worden eveneens in tabel 29 weergegeven samen met de verschillende vormen van de opgelegde bestuurlijke maatregelen. 67


Sinds 2014 kunnen de gewestelijke toezichthouders samen met bestuurlijke maatregelen een bestuurlijke dwangsom opleggen voor het geval dat de bestuurlijke maatregelen niet of niet tijdig worden uitgevoerd. De gewestelijke toezichthouders werden dan ook ge-

vraagd in hoeveel gevallen de opgelegde bestuurlijke maatregelen werden gekoppeld aan een bestuurlijke dwangsom en in hoeveel gevallen deze bestuurlijke dwangsom ook effectief werd ingevorderd. Tabel 29 geeft dit weer.

In hoeveel gevallen werd deze bestuurlijke dwangsom ­ingevorderd?

#

%

#

%

#

%

#

%

#

%

#

#

ALBON

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

AMI

3

20%

9

60%

0

0%

3

20%

0

0%

0

0%

0

0

AMV

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

ANB

9

4%

137

63%

59

27%

14

6%

1

0%

10

5%

1

0

AWZ

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

AWV

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

VAZG

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

De Scheepvaart

0

0%

2

100%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

OVAM

3

27%

8

73%

0

0%

0

0%

0

0%

6

55%

0

0

VLM

0

0%

2

33%

0

0%

4

67%

0

0%

1

17%

0

0

VMM

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

MOW - afdeling ­Maritieme toegang

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0

Provinciale toezichthouders

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

0

0%

/

/

Gemeentelijke toezichthouders

29

26%

64

58%

6

5%

12

11%

2

2%

20

18%

/

/

Toezichthouders ­Lokale Politie

5

31%

8

50%

1

6%

2

13%

4

25%

1

6%

/

/

Totaal

49

13%

230

61%

66

17%

35

9%

7

2%

38

10%

1

0

2015

97

17%

258

44%

131

22%

99

17%

55

9%

134

23%

4

1

2014

81

18%

282

63%

29

6%

55

12%

18

4%

68

15%

/

/

68

Opgelegd n.a.v. een verzoek

Bestuursdwang

Stakingsbevel

Tabel 29: Aard van de opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2016

Het was niet mogelijk de BM binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren

%

Combinatie van vermelde bestuurlijke maatregelen

#

Regularisatiebevel

GEWESTELIJKE HANDHAVINGS­ FACTOR

In hoeveel gevallen werd de opgelegde bestuurlijke ­maatregelen gekoppeld aan een bestuurlijke dwangsom?

AARD OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN


Om de gegevens van tabel 29 te kaderen of te interpreteren, dienen volgende opmerkingen in acht te worden genomen: De LNE-AMV deelt mee dat het aantal meege-

deelde bestuurlijke maatregelen betrekking heeft op de controles die werden opgestart en afgerond in 2016. De LNE-AMI gaf aan dat het voor hen niet mogelijk was een duidelijk antwoord te geven op de vraag in hoeveel gevallen het niet mogelijk was de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. Het treffen/uitvoeren van bestuurlijke maatregelen loopt niet altijd gelijk met de kalenderjaren. Een bestuurlijke maatregel bestaat dikwijls uit verschillende door het bedrijf te ondernemen acties die niet allemaal tegelijk uitgevoerd (kunnen) worden; ook kunnen niet alle maatregelen direct na het verlopen van de termijn worden gecontroleerd, etc. Hierdoor is hierover duidelijk en juist rapporteren door de LNE-AMI niet mogelijk en verkoos deze afdeling ervoor deze vraag niet te beantwoorden.

Tabel 29 geeft aan dat het merendeel van de in totaal 380 opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2016 regularisatiebevelen waren, namelijk 61% van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen. Ook in de voorgaande jaren was dit de meest gehanteerde vorm van bestuurlijke maatregelen. In 2015 maakte dit immers 44% en in 2014 63% van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen regularisatiebevelen uit. In 2016 nam de bestuurlijke maatregel 66 keer de vorm aan van bestuursdwang, hetgeen betekent dat 17% van het totaal aantal bestuurlijke maatregelen bestuursdwang inhield. Dit is –in absolute aantallen – een sterke daling van het aantal keer dat de bestuurlijke maatregel de vorm aannam van bestuursdwang ten opzichte van 2015 toen deze vorm 131 keer werd gehanteerd. In 2014 werd deze vorm slechts 29 keer gehanteerd.

aanleiding van een verzoek. Dit is een daling ten opzichte van 9% in 2015 en 4% in 2014. De gegevens uit tabel 29 tonen aan dat het bij 38 van de in totaal 380 opgelegde bestuurlijke maatregelen niet mogelijk was deze binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. Dit komt neer op 10%, hetgeen een daling vormt van deze verhouding ten opzichte van 2015 en 2014. In 2015 was het immers niet mogelijk om bij 23% van de in totaal opgelegde bestuurlijke maatregelen deze binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren en in 2014 bedroeg dit 15%. Deze cijfers lijken er op te wijzen dat de bestuurlijke maatregelen het laatste jaar gemakkelijker werden uitgevoerd. Een noodzakelijke voorwaarde voor de effectiviteit van een bestuurlijke maatregel is dat deze ook binnen een opgelegde termijn wordt uitgevoerd. Uitstel van deze maatregel kan leiden tot grotere schade en verhoogde risico’s. Het instrument ‘bestuurlijke dwangsom’ kan een oplossing bieden om bijkomende druk uit te oefenen bij die bestuurlijke maatregelen die niet tijdig worden uitgevoerd. In 2016 werd slechts 1 bestuurlijke dwangsom gekoppeld aan een bestuurlijke maatregel. In dat ene geval werd de bestuurlijke dwangsom niet effectief ingevorderd. Net als voorgaande jaren heeft enkel het ANB in 2016 gebruik gemaakt van het instrument van de bestuurlijke dwangsom. Het instrument van de bestuurlijke dwangsom kan enkel worden gehanteerd door de gewestelijke toezichthouders. Uit de gegevens van tabel 29 blijkt dat ongeveer 1/10 van de bestuurlijke maatregelen opgelegd door de toezichthouders van Lokale politie en door de gemeentelijke toezichthouders niet binnen de opgelegde termijn wordt uitgevoerd. Op basis van deze gegevens zou kunnen worden aanbevolen dat ook de lokale toezichthouders gebruik zouden moeten kunnen maken van dit nieuwe instrument van de dwangsom.

In 2016 werden in totaal 49 stakingsbevelen opgelegd, hetgeen 13% van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen vertegenwoordigt. In 2015 werd deze vorm nog 97 keer gehanteerd, hetgeen neerkwam op 17% van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen. In 2014 bedroeg deze verhouding 18%. Ongeveer 2% van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen werd in 2016 opgelegd naar

69


3.8.2 Beroepen inzake bestuurlijke maatregelen Aantal ingediende beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen en tegen de ­ bestuurlijke dwangsom en de beslissingen ter zake. Artikel 16.4.17 van het DABM bepaalt dat degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen, met inbegrip van de desgevallend opgelegde bestuurlijke dwangsom, werden opgelegd bij de minister in beroep kan gaan tegen een besluit houdende bestuurlijke maatregelen, met inbegrip van de desgevallend opgelegde bestuurlijke dwangsom. De beroepsindiener kan ook beroep indienen tegen de bestuurlijke dwangsom alleen. Het beroepschrift dient hiervoor binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving van het besluit houdende bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsom te worden ingediend bij de minister, per adres van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (LNE-AMMC). In 2016 werden 33 beroepen bij de minister ingediend betreffende besluiten houdende bestuur­ lijke maatregelen. Er werden in 2016 geen beroepen ingediend tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen die gekoppeld waren aan een bestuurlijke dwangsom noch tegen bestuurlijke dwangsommen afzonderlijk. Van de 31 ingediende ontvankelijke beroepen in 2016 hadden 16 dossiers betrekking op milieuhygiëne en 17 op milieubeheer.

De LNE-AMMC staat in voor de voorbereiding van het beroepsdossier, dat wil zeggen dat de LNE-AMMC de ontvankelijkheid onderzoekt, desgevallend een hoorzitting organiseert en een advies aan de minister formuleert. Bij de cijfers, verkregen via de bevraging van de LNE-AMMC, werd meegedeeld dat 2 beroepen onontvankelijk en 31 ontvankelijk werden verklaard. Na ontvangst van het beroep dient de minister binnen een termijn van 90 dagen een uitspraak te doen over de ontvankelijk verklaarde beroepen. Op voorwaarde dat hiervan kennis wordt gegeven aan de beroepsindiener, alsook aan de persoon die de bestuurlijke maatregel heeft opgelegd, kan de minister die termijn eenmalig verlengen met 90 dagen. Aangezien de bestuurlijke maatregelen vervallen bij gebrek aan een tijdige beslissing, is het van belang dat de uitspraak van de minister binnen de decretaal voorziene termijn valt. Tabel 30 geeft een overzicht van de uitspraak van de minister ten aanzien van de ontvankelijk verklaarde beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen in 2016, 2015 en 2014. Tabel 30 geeft aan dat in 2016 binnen de decretaal voorziene termijn uitspraak werd gedaan over 26 ontvankelijke beroepen. Voor de andere 5 beroepsdossiers was de termijn waarbinnen de minister uitspraak moest doen op het moment van de rapportering nog niet verstreken.

UITSPRAAK MINISTER T.A.V. ONTVANKELIJK VERKLAARDE BEROEPEN TEGEN BESLUITEN HOUDENDE ­BESTUURLIJKE MAATREGELEN

2016

2015

2014

Totaal aantal ontvankelijke beroepen

31

39

52

Uitspraak minister binnen decretaal voorziene termijn

26

36

45

Aantal keer dat de minister om verlenging van de termijn heeft gevraagd

2

Aantal dossiers waarin de minister nog geen uitspraak heeft gedaan omdat termijn nog liep ten tijde van de rapportering

5

3

7

Aantal beroepen volledig gegrond verklaard

3

5

14

Aantal beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard

9

9

12

Aantal beroepen ongegrond verklaard

9

15

15

Aantal beroepen zonder voorwerp verklaard

5

7

4

Tabel 30: Vergelijking tussen de uitspraak van de minister ten aanzien van de ontvankelijk verklaarde beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen in 2016, 2015 en 2014

70


Het merendeel van de uitspraken van de minister in 2016, namelijk 35%, hield een ongegrondverklaring van het beroep in, terwijl eveneens 35% gedeeltelijk en slechts 12% volledig gegrondverklaringen waren. Daarnaast verklaarde 19% van de uitspraken van de minister het beroep zonder voorwerp 29 In 2015 en 2014 hielden de uitspraken van de minister respectievelijk in 14% en 31% een volledige gegrondheidsverklaring in, in 25% en in 27% een gedeeltelijke gegrondheidsverklaring, en in 42% en 33% een ongegrondheidsverklaring in. Daarnaast was respectievelijk 19% en 9% van de uitspraken van de minister een zonder voorwerpsverklaring. Er kan worden vastgesteld dat de afgelopen jaren het merendeel van de uitspraken van de minister ten aanzien van de ontvankelijke beroepen houdende bestuurlijke maatregelen een ongegrondheidsverklaring inhield.

Uit tabel 32 kan – anders dan vorige jaren – worden afgelezen dat in 2016 voornamelijk ten aanzien van de stakingsbevelen in beroep werd gegaan. Zo werd 24 keer in beroep gegaan ten aanzien van de in ­totaal 230 in 2016 opgelegde regularisatiebevelen. Aantal ingediende beroepen tegen geweigerde verzoeken houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen en de beslissingen ter zake Artikel 16.4.18 §4 van het Milieu­hand­havings­decreet bepaalt dat tegen de weigering om een bestuurlijke maatregel op te leggen beroep kan worden ingediend bij de minister. Binnen een termijn van zestig dagen na de ontvangst van het beroep doet de minister erover uitspraak. De LNE-AMMC adviseert de minister bij deze beroepen.

In tabel 31 wordt procentueel het aantal beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen weergegeven ten aanzien van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen van die aard, dit zowel voor 2016 als voor 2015 en 2014. BEROEPEN TEGEN BESLUITEN HOUDENDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN T.A.V. OPGELEGDE BESTUURLIJKE MAATREGELEN AARD

2016

2015

2014

Stakingsbevel

14,29%

5%

15%

Regularisatiebevel

10,43%

12%

16%

Bestuursdwang

1,52%

2%

10%

Combinatie van voormelde bestuurlijke maatregelen

2,86%

4%

0%

In hoeveel gevallen werd er een bestuurlijke dwangsom aan gekoppeld?

0,26%

/

/

Aantal beroepen met betrekking op milieuhygiëne

16

Aantal beroepen met betrekking op milieubeheer

17

Tabel 31: Procentueel aandeel van het aantal beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen per aard in 2016, 2015 en 2014

29

Het verschil tussen een onontvankelijk beroep en een beroep zonder voorwerp kan met een paar voorbeelden worden geïllustreerd. Een onontvankelijk beroep voldoet niet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor het beroep. Bijvoorbeeld: de beroepstermijnen werden niet gerespecteerd of er werd geen kopie van de bestreden beslissing aan het beroepsdossier toegevoegd. Beroepen zonder voorwerp verklaard zijn bijvoorbeeld de beroepen waarbij de bestuurlijke maatregel werd opgeheven door de toezichthouder zélf, nadat aan alle voorwaarden - vervat in het besluit houdende bestuurlijke maatregelen werd voldaan door de overtreder. Het voorwerp van het beroep verdwijnt, doordat de overtreder zich in regel stelt, maar nadat het beroep werd ontvankelijk verklaard.

71


Tabel 32 geeft een overzicht van het aantal ingediende beroepen tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. De tabel geeft aan dat in 2016 11 beroepen, allemaal met betrekking tot milieuhygiëne, werden ingediend tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Dit is een stijging ten opzichte van 2015 en 2014 toen respectievelijk 5 en 10 dergelijke beroepen werden ingediend.

82% van de in 2016 ingediende beroepen werd ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat twee beroepen onontvankelijk werden verklaard. Drie van de negen ontvankelijke beroepen werden gegrond verklaard en 3 beroepen werden ongegrond verklaard. Bij 7 van de ontvankelijke beroepen werd de beslissing genomen binnen de decretaal voorziene termijn van 60 dagen.

AANTAL INGEDIENDE BEROEPEN TEGEN GEWEIGERDE VERZOEKEN TOT HET OPLEGGEN VAN ­BESTUURLIJKE MAATREGELEN 2016

2015

2014

Totaal beroepen tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen

11

5

10

Aantal beroepen ontvankelijk verklaard

9

3

8

Aantal beroepen volledig gegrond verklaard

3

2

0

Aantal beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard

0

/

0

Aantal beroepen ongegrond verklaard

3

1

5

Aantal beroepen zonder voorwerp verklaard

2

0

1

Beroepen waarbij er een beslissing werd genomen binnen de decretaal voorziene termijn van 60 dagen

7

3

7

Beroepen waarbij nog geen uitspraak werd gedaan omdat de termijn nog loopt (ook al is dit een termijn van orde)

0

/

/

Aantal beroepen met betrekking op milieuhygiëne

11

/

/

Aantal beroepen met betrekking op milieubeheer

0

/

/

Tabel 32: Aantal ingediende beroepen tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen in 2016, 2015 en 2014

72


3.9 EVALUATIE VAN HET INSTRUMENT ‘VEILIGHEIDSMAATREGELEN’ In het hoofdstuk VII van titel XVI van het DABM wordt onder meer de procedure besproken voor het nemen van veiligheidsmaatregelen ten aanzien van de personen verantwoordelijk voor het aanzienlijke risico, evenals de opheffing van de veiligheidsmaatregelen. Voor een beter begrip van de cijfergegevens uit tabel 33 en de bijhorende evaluatie worden de artikelen 16.7.1 en 16.7.2 van het Milieu­hand­havings­decreet hieronder weergegeven. Artikel 16.7.1 definieert het instrument ‘Veiligheidsmaatregelen’ als: “Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de personen, vermeld in §1, alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren.” Het volgende artikel, artikel 16.7.2, bepaalt dat veiligheidsmaatregelen onder meer kunnen strekken tot: de stopzetting of uitvoering van werkzaamhe-

den, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn; het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt; de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting; het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren; het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen.

stuurlijke geldboete vormen, noch een strafsanctie. Hoewel het beperkende maatregelen zijn, veronderstellen ze geen fout in hoofde van de persoon tot wie ze gericht zijn en hebben ze evenmin tot doel te bestraffen. Wat bij een veiligheidsmaatregel primeert, is het algemeen belang waaronder de vrijwaring van de openbare gezondheid, orde, rust en veiligheid30. Omdat veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgelegd door onder meer toezichthouders zoals beschreven in het Milieu­ hand­ havings­ decreet, worden ze toch opgenomen als instrumentarium in dit hoofdstuk. Het is echter niet de bedoeling om het aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen af te wegen ten aanzien van het totaal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles zoals dit bij de vorige instrumenten wel het geval was. Er zal enkel worden onderzocht hoeveel en welke veiligheidsmaatregelen door welke actoren werden genomen. Tabel 33 geeft voor 2016 een overzicht van het aantal en het soort opgelegde veiligheidsmaatregelen, onderverdeeld per milieu­hand­havingsactor. Er werd de toezichthoudende instanties ook gevraagd het aantal veiligheidsmaatregelen aan te geven waarvan het niet mogelijk was de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. Het resultaat werd opgenomen in tabel 32. Tevens geeft deze tabel het totaal aantal veiligheidsmaatregelen, per actor, weer voor 2015 en 2014. De veiligheidsmaatregelen die werden opgelegd door de gouverneurs en de burgemeesters werden reeds apart besproken in respectievelijk hoofdstuk 2.3.1 en 2.3.4.

Het treffen van een veiligheidsmaatregel is dus een bestuurshandeling waarvoor de toezichthouders, de burgemeesters en de provinciegouverneurs beschikken over een discretionaire bevoegdheid. In tegenstelling tot het toezicht en het in dit hoofdstuk besproken handhavingsinstrumentarium staat het gebruik van veiligheidsmaatregelen buiten het handhavingsproces. Veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgelegd als er sprake is van een aanzienlijk risico voor de mens of het leefmilieu. Dit betekent dat de veiligheidsmaatregelen een geheel aparte categorie vormen binnen het Milieu­ hand­ havings­ decreet, waardoor ze noch een bestuurlijke maatregel of be-

30

Memorie van Toelichting, Parlementaire handelingen, Zitting 2006-2007, 13 juni 2007, stuk 1249 (2006-2007)- nr. 1, p.12 en p.15.

73


het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, ­installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt de hele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, ­terreinen, gebouwen of wegen Andere Combinatie Totaal 2016 Totaal 2015 Totaal 2014 Het was niet mogelijk de veiligheidsmaatregelen binnen de ­opgelegde termijn te doen uitvoeren

HANDHAVINGSACTOR Stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten

VEILIGHEIDSMAATREGELEN

ALBON 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

AMI 0 1 0 0 0 0 0 1 1 2 0

AMV 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

ANB 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

AWZ 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

AWV 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

VAZG 29 0 0 0 0 0 0 29 0 / 0

De Scheepvaart 2 0 0 2 0 0 0 4 41 21 0

OVAM 0 0 0 0 0 0 0 0 16 0 0

VLM 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0

VMM 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

MOW - afdeling Maritieme toegang 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Provinciale toezichthouders 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Gemeentelijke toezichthouders 13 3 0 7 3 2 1 29 29 53 1

Toezichthouders Lokale Politie 14 0 0 3 0 0 0 17 42 21 0

Totaal 58 4 0 12 3 2 1 80 130 97 1

in 2015 97 13

Tabel 33: Aard van de opgelegde veiligheidsmaatregelen

74


Om de gegevens in tabel 33 te kaderen of te interpreteren, dient volgende opmerking in acht te worden genomen:

In 2015 werd nog 7% en in 2014 nog 13% van het totaal aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen niet binnen de opgelegde termijn uitgevoerd.

Â&#x201E; De LNE-AMI gaf aan dat het niet mogelijk was

een duidelijk antwoord te geven op de vraag in hoeveel gevallen het niet mogelijk was de maatregel binnen de opgelegde termijn te doen uitvoeren. Het treffen/uitvoeren van veiligheidsmaatregelen loopt niet altijd gelijk met de kalenderjaren. Een veiligheidsmaatregel bestaat dikwijls uit verschillende door het bedrijf te ondernemen acties die niet allemaal tegelijk in orde gebracht (kunnen) worden; ook kunnen niet alle maatregelen direct na het verlopen van de termijn worden gecontroleerd, etc. Hierdoor is hierover duidelijk en juist rapporteren voor de LNE-AMI niet mogelijk en wenst de LNE-AMI hiervoor geen getal op te geven.

In 2016 werden in totaal 80 veiligheidsmaatregelen opgelegd. Dit is een daling ten opzichte van de 130 veiligheidsmaatregelen opgelegd in 2015 en de 97 veiligheidsmaatregelen opgelegd in 2014. Het merendeel, namelijk 36% van het totaal aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen, wordt, net zoals de vorige jaren, opgelegd door de gemeentelijke toezichthouders. Ook de VAZG heeft in 2016 36% van het totaal aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen opgelegd. Bij de toezichthouders van De Scheepvaart is er significante daling naar 4 opgelegde veiligheidsmaatregelen ten opzichte van 2015, toen nog 41 veiligheidsmaatregelen werden opgelegd. De toezichthouders van de Lokale politie hebben in 2016 17 veiligheidsmaatregelen opgelegd. Naast het VAZG hebben slechts twee gewestelijke toezichtsinstanties in 2016 veiligheidsmaatregelen opgelegd, namelijk de De Scheepvaart en de LNE-AMI. In 12 van de in totaal 80 opgelegde maatregelen nam de veiligheidsmaatregel de vorm aan van het meenemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren, in bijna 73% een stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten en in 4% van de gevallen betrof de veiligheidsmaatregel het niet-betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen. De gegevens tonen aan dat in 2016 slechts 1% van het totaal aantal opgelegde veiligheidsmaatregelen niet binnen de opgelegde termijn werd uitgevoerd.

75


3.10 CASUS Voorgaande onderdelen gaven een cijfermatig beeld van de wijze waarop de instrumenten uit het Milieu­ hand­havings­decreet werden ingezet. Om een voorstelling te maken van de wijze waarop in de praktijk en op het veld milieuhandhavingscontroles worden uitgevoerd en de verschillende instrumenten worden gehanteerd, werden de leden, vertegenwoordigers en

plaatsvervangers van de VHRM gevraagd om voor dit Milieu­hand­havings­rapport cases aan te leveren die de milieuhandhavingspraktijk concreter maken voor de lezer. Hieronder worden een aantal praktijkvoorbeelden van de OVAM, de Federale politie en de VLM weergegeven.

1. OVAM Een gemeente had samen met de politie controles uitgevoerd in een bepaald bedrijf dat afgedankte voertuigen demonteerde voor de recuperatie van tweedehands-onderdelen. Er werden aanmaningen geformuleerd en er werd een proces-verbaal opgesteld. De exploitant bleef echter deze activiteiten verderzetten. In juni 2016 voerde de OVAM samen met de gemeente een controle uit bij dit bedrijf; Er waren 85 afgedankte voertuigen aanwezig op het terrein. Het bedrijf beschikte niet over een erkenning als centrum voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen. Het bedrijf had geen milieuvergunning en talrijke Vlarem-voorwaarden werden niet nageleefd (o.a. opslag van afgedankte voertuigen op een vloeistofdichte vloer). Er werd een proces-verbaal opgesteld en een bestuurlijke maatregel opgelegd (o.a. afvoeren afgedankte voertuigen naar een erkend centrum). In het najaar werd er een opvolgingscontrole uitgevoerd: op een paar na werden alle afgedankte voertuigen afgevoerd. Mede door samen een uitgebreide controle te doen (noteren van alle aanwezige wagens en onderzoeken of deze als afgedankt voertuig in aanmerking komen) is de exploitant wel tot actie over gegaan. Een vergunning werd aangevraagd en verkregen. De procedure om tot een erkenning te komen ( met o.a. vooraf een keuring door onafhankelijke keuringsinstelling) is nog lopende. Omdat deze procedure nog lopende is, werd de bestuurlijke maatregel nog niet opgeheven. Het opgestelde proces-verbaal werd door het parket overgemaakt aan de AMMC met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Het dossier is in behandeling bij de AMMC.

VOOR

76

NA


VOOR

NA

Eind 2014 werd nogmaals door de OVAM een bedrijf gecontroleerd met een opslag van meer dan 300 afgedankte voertuigen. De afgedankte voertuigen werden gedemonteerd voor de recuperatie van tweedehands-onderdelen. Het bedrijf beschikte niet over een erkenning als centrum voor depollutie, demontage en vernietiging van afgedankte voertuigen. Dit werd nooit aangevraagd. Het bedrijf had tevens geen milieuvergunning (in het verleden heeft het bedrijf een vergunning aangevraagd, maar deze werd geweigerd) en talrijke Vlarem-voorwaarden werden niet nageleefd (o.a. opslag van afgedankte voertuigen op een vloeistofdichte vloer). Er werd een proces-verbaal opgesteld en een bestuurlijke maatregel opgelegd (o.a. afvoeren afgedankte voertuigen naar een erkend centrum). Bij een opvolgingscontrole in oktober 2016 werd vastgesteld dat alle afgedankte voertuigen werden afgevoerd. Het door de OVAM opgestelde proces-verbaal heeft geleid tot een rechtszaak. Het bedrijf werd veroordeeld tot het opruimen en het betalen van een geldboete. De bestuurlijke maatregel werd nog niet opgeheven om dat nog niet alle bepalingen werden uitgevoerd. Casus en fotoâ&#x20AC;&#x2122;s aangeleverd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

VOOR

NA

77


In oktober 2015 voerde de OVAM een controle uit bij een bedrijf waarbij 42 afgedankte voertuigen aangetroffen werden. Door het bedrijf werden de Vlarem-voorwaarden niet nageleefd (o.a. opslag van afgedankte voertuigen op een vloeistofdichte vloer). Het bedrijf werd aangemaand om alle afgedankte voertuigen af te voeren, oldtimers overdekt op te slaan, auto- en carrosserie-onderdelen, vaten met vloeistoffen, afvalbanden en afgedankte batterijen correct op te slaan of af te voeren. Bij een opvolgingscontrole in maart 2016 werd vastgesteld dat alle afgedankte voertuigen werden afgevoerd en alle opgelegde bepalingen in de aanmaning werden nageleefd. Casus en fotoâ&#x20AC;&#x2122;s aangeleverd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

VOOR

NA

VOOR

NA

In augustus 2016 voerden de toezichthouders van de OVAM een controle uit bij een bedrijf waar 11 afgedankte voertuigen aangetroffen werden. Het bedrijf was verhuisd maar had verzuimd om op te ruimen op de locatie. Door het bedrijf werden meerdere Vlarem-voorwaarden niet nageleefd. Het bedrijf werd aangemaand om alle afgedankte voertuigen af te voeren, oldtimers correct op te slaan, auto- en carrosserie-onderdelen, vaten met vloeistoffen en afvalbanden correct op te slaan. Eind oktober 2016 werd vastgesteld dat alle afgedankte voertuigen werden afgevoerd en alle opgelegde bepalingen in de aanmaning correct werden uitgevoerd. Casus en fotoâ&#x20AC;&#x2122;s aangeleverd door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

78


VOOR

NA

VOOR

NA

2. Federale politie Succesvolle projectmatige aanpak in een multidisciplinaire context gecoördineerd vanuit de centrale dienst “Milieucriminaliteit” van de Federale Gerechtelijke Politie (FGP/DJSOC) Vanuit het Gewestelijk Agentschap ‘Net Brussel” kreeg de centrale dienst “Milieucriminaliteit” informatie over bedrijven die tweedehandse wagens (wrakken) versturen naar Afrika met bijladingen. Deze bedrijven verlieten Brussel naar de Vlaamse rand omdat hun illegale activiteit was gedetecteerd en aangepakt. Deze informatie werd door de centrale dienst Milieucriminaliteit van de Federale Gerechtelijke politie veredeld met bestuurlijke gegevens vanuit gewestelijk (de OVAM en de AMI) en gemeentelijk (milieuambtenaar en stedenbouwkundige dienst) niveau en vervat in een politioneel dossier. Als een onderdeel van het “Kanaalplan” (waarin ook aandacht is voor de illegale economie) werd het dossier doorgenomen met de Lokale politie (Vilvoorde-Machelen) en de milieumagistrate van het parket Asse-Halle-Vilvoorde. Een multidisciplinaire controleactie vond uiteindelijk plaats op 14 juni 2016. Op één locatie werden verschillende bedrijven gecontroleerd o.l.v. de milieumagistrate. Naast de Lokale en de Federale politie namen gemeentelijke toezichthouders, leden van de RSZ en de FOD Economie en Financiën deel. Het geheel resulteerde in strafrechtelijke vaststellingen m.b.t. het ontbreken van milieu en stedenbouwkundige vergunningen, de illegale opslag van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval, de aanwezigheid van voertuigwrakken. Bijkomend werden de nodige bestuurlijke maatregelen getroffen en besliste de burgemeester van Vilvoorde om de site te verzegelen.

79


Deze succesvolle multidisciplinaire tussenkomst te Vilvoorde zette de politiezone Dilbeek aan om op gelijkaardige wijze te gaan optreden. Alle coördinerende en ondersteunende diensten gaven present en een tussenkomst op één locatie waar 9 bedrijven “illegaal” actief waren (autowrakken en bijlading, verwerking van textielafval en afval in het algemeen), resulteerde opnieuw in een effectieve en efficiënte afhandeling via een opsporingsonderzoek en adequate bestuurlijke maatregelen. Cases en foto’s aangeleverd door centrale dienst Milieucriminaliteit van de Federale Gerechtelijke politie

3. VLM Sinds 2014 worden de terreincontroles van de bemestingspraktijken door de dienst Handhaving van de Mestbank gebiedsgerichter ingezet in gebieden waar nog een overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter wordt vastgesteld. De terreincontroles krijgen de noemer “VODKA-actie”, staande voor Verantwoord Omgaan met Dierlijke mest, Kunstmest en Andere meststoffen. Hierbij wordt er gecontroleerd of er geen overbemesting plaatsvindt, of de mest emissiearm aangewend wordt, of de uitrijregeling en de afstandsregels tot de waterloop gerespecteerd worden, of er geen mest opgebracht wordt op drassige of bevroren grond, en of de opslag op de kopakker correct gebeurt. Daarnaast worden in de afstroomgebieden van een selectie van MAP-meetpunten waar nog een overschrijding van de drempelwaarde van 50 mg nitraat per liter wordt vastgesteld, omgevingscontroles uitgevoerd op landbouwbedrijven om de risico’s op nutriëntenverliezen uit de mestopslag aan te pakken. Hieronder worden 5 voorbeelden van saneringen van mestopslagen en één voorbeeld van aanpassingen uitgevoerd aan de opslag van groenteresten weergeven. Via de vaststellingen en het optreden van de VLM zijn de nodige saneringen en investeringen uitgevoerd zodat nutrientenverliezen naar het oppervlaktewater zijn vermeden.

80


Cases en fotoâ&#x20AC;&#x2122;s aangeleverd door de Vlaamse Landmaatschappij VOOR

NA

81


VOOR

82

NA


83

© Laïla Macharis


84

© An Stas


4 EVALUATIE VAN HET VLAAMSE MILIEUSANCTIONERINGS­ BELEID Door de toevoeging van een titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen” aan het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) werd een kader gecreëerd waardoor, naast een strafrechtelijke sanctionering, ook bestuurlijk sanctionerend kan worden opgetreden aan de hand van alternatieve en exclusieve bestuurlijke geldboetes, al dan niet met een voordeelontneming31. Daartoe werd een onderscheid gemaakt tussen milieumisdrijven en milieu-inbreuken. Deze laatste zijn eerder lichte schendingen met een beperkte impact op de mens of het milieu, en zijn limitatief opgesomd door de Vlaamse Regering in de bijlagen bij het uitvoeringsbesluit van het Milieu­hand­havings­decreet32. Deze milieu-inbreuken kunnen niet strafrechtelijk worden gesanctioneerd, maar ze kunnen wel gesanctioneerd worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete door de gewestelijke entiteit die met dat doel werd opgericht, met name de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-AMMC). Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan daarentegen uitsluitend worden opgelegd voor milieumisdrijven. In principe kunnen dergelijke delicten strafrechtelijk worden behandeld, maar wanneer de procureur des Konings beslist om ze niet strafrechtelijk te behandelen en dit tijdig laat weten aan de LNE-AMMC, kan het milieumisdrijf door de LNE-AMMC worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete. De afweging door de procureur des Konings om het dossier al dan niet strafrechtelijk te behandelen gebeurt aan de hand van de ‘Sorteernota’. De Sorteernota van het Openbaar Ministerie heeft als doel, op basis van onder andere het maatschappelijk belang, een aantal technisch-juridische, rechtseconomische, criminologische en praktische overwegingen, te bepalen welke dossiers door de parketten zelf strafrechtelijk zullen worden behandeld en welke dossiers zullen worden overgemaakt aan de LNE-AMMC m.o.o. bestuurlijke beboeting, zodat ieder proces-verbaal een gepast gevolg krijgen. Een toezichthouder kan een verslag van vaststelling opstellen bij de vaststelling van een milieu-inbreuk. Dit verslag van vaststelling wordt onmiddellijk naar de LNE-AMMC verzonden. De LNE-AMMC kan een exclusieve geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, opleggen. Na de ontvangst van het verslag van vaststelling kan de LNE-AMMC binnen een termijn van 60 dagen de vermoedelijke overtreder op de hoogte brengen van het voornemen een exclusieve bestuurlijke geldboete op te leggen (al dan niet met een voordeelontneming). Binnen een termijn van 90 dagen na de kennisgeving van het bericht beslist de LNE-AMMC over het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. Binnen de tien dagen dient de vermoedelijke overtreder op de hoogte te worden gesteld van deze beslissing. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf bezorgt de verbalisant onmiddellijk een proces-verbaal aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd. Samen met het proces-verbaal dient een schriftelijk verzoek verzonden te worden waarin de procureur des Konings wordt gevraagd zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf. De procureur des Konings beschikt hiervoor over 180 dagen vanaf de ontvangst van het proces-verbaal. Voor die periode verstreken is, kan de periode gemotiveerd eenmalig worden verlengd met een aanvullende periode van maximaal 180 dagen. De LNE-AMMC wordt van deze verlenging op de hoogte gebracht. Zowel een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling van een milieumisdrijf als het nalaten van de procureur des Konings om tijdig zijn beslissing mee te delen aan de LNE-AMMC, sluiten het opleggen van een bestuurlijke geldboete door de LNE-AMMC uit. Indien de procureur des Konings de LNE-AMMC tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, moet de LNE-AMMC de procedure voor de eventuele oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete opstarten. Na ontvangst van deze beslissing brengt de LNE-AMMC de vermoedelijke overtreder binnen een termijn van 30 dagen op de hoogte van het voornemen om een alternatieve geldboete op te leggen (al dan niet vergezeld van een voordeelontneming). De LNE-AMMC heeft vervolgens 180 dagen om te beslissen

31

Een voordeelontneming is een sanctie waarbij een overtreder verplicht wordt een al dan niet geschat geldbedrag te betalen ter waarde van het brutovermogensvoordeel dat uit de milieu-inbreuk of het milieumisdrijf is verkregen (zoals gedefinieerd in het VHRM-glossarium).

32

Het criterium ‘administratieve verplichting’ werd geschrapt met het oog op een verdere depenalisering van bepaalde schendingen van het milieurecht (aanpassing Milieu­hand­havings­decreet 2013).

85


of er een alternatieve bestuurlijke geldboete (al dan niet vergezeld van een voordeelontneming) wordt opgelegd. Binnen de tien dagen dient de vermoedelijke overtreder op de hoogte te worden gesteld van deze beslissing. Tegen de beslissingen van de LNE-AMMC – zowel bij alternatieve als bij exclusieve bestuurlijke geldboetes – kan beroep worden ingesteld bij het Milieuhandhavingscollege. In 2012 werd de bestuurlijke transactie geïntroduceerd met het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur33, waarvan de procedure in werking is getreden op 23 augustus 2012. Bij besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2012 werden de modaliteiten van de bestuurlijke transactie uitgewerkt34. Sinds 2012 kan de LNE-AMMC voor het opleggen van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete voor bepaalde “eenvoudigere dossiers” inzake milieumisdrijven of milieu-inbreuken met een beperkte weerslag op het leefmilieu een voorstel tot betaling van een geldsom doen. Hiertoe dienen echter wel steeds de feiten onmiskenbaar vast te staan in hoofde van de overtreder. Indien de overtreder niet tijdig deze soort “minnelijke schikking” betaalt, wordt alsnog de gewone beboetingsprocedure hervat. Dit instrument is vooral gericht op de kleine milieu- en hinder­ delicten die een beperkte impact op het leefmilieu hebben, maar die maatschappelijk gezien storend zijn. Voor een milieumisdrijf kan de bestuurlijke transactie niet meer bedragen dan 2.000 euro, voor een milieu-inbreuk is dat maximaal 500 euro. De Vlaamse Landmaatschappij kon reeds voor het Milieu­hand­havings­decreet zelf administratieve geldboetes opleggen voor de inbreuken opgenomen in artikel 63 van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Mestdecreet). Het decreet bepaalt aan wie de boete kan worden opgelegd en hoeveel de boete bedraagt. Voor ernstige overtredingen, opgenomen in artikel 71 van datzelfde decreet, kon de Vlaamse Landmaatschappij reeds een proces-verbaal opstellen met mogelijke strafrechtelijke vervolging door de procureur des Konings als consequentie. In dit luik, waarin er een evaluatie zal gebeuren van het Vlaamse sanctioneringsbeleid in 2016, zal er dus niet enkel worden gekeken naar de werkzaamheden van de parketten, maar ook naar deze van de LNE-AMMC, het Milieuhandhavingscollege en deze van de Vlaamse Landmaatschappij.

33

Publicatie Belgisch Staatsblad: 22 mei 2012.

34

BVR 6 juli 2012, B.S. 13 augustus 2012

86


4.1 EVALUATIE VAN HET STRAFRECHTELIJK SANCTIONERINGSBELEID Zoals hierboven reeds werd aangegeven bezorgt de verbalisant bij de vaststelling van een milieumisdrijf onmiddellijk een proces-verbaal aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het milieumisdrijf is gepleegd. In dit Milieu­hand­havings­ rapport is het daarom van belang om een evaluatie te maken van het strafrechtelijk sanctioneringsbeleid in 2016. De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu heeft zich dan ook gericht tot het College van procureurs-generaal met onder meer de vraag hoeveel dossiers er werden aangeleverd aan de parketten van het Vlaamse Gewest en op welke wijze deze dossiers werden behandeld. Net als bij de andere handhavingsactoren werd ook aan de parketten gevraagd hoeveel VTE in 2016 werden ingezet voor milieuhandhavingstaken. Tabel 34 geeft het aantal VTE voor parketmagistraten milieu weer: VTE PARKETMAGISTRATEN MILIEU Antwerpen

VTE 2

Limburg

0,8

Halle-Vilvoorde

0,2

Leuven

0,5

Oost-Vlaanderen

1,7

West-Vlaanderen

0,9

TOTAAL

6,1

Tabel 34: Aantal VTE parketmagistraten milieu

De parketten laten inzake tabel 34 opmerken dat elke parketmagistraat, verantwoordelijk voor de behandeling van strafzaken milieu en ruimtelijke ordening, tevens belast is met meerdere andere taken in het kader van de dienstregeling. Dit ruime(re) takenpakkket, samen met de afwezigheid van een specifiek daartoe ontwikkelde werklastmeting, verklaart waarom het niet mogelijk is om het aantal VTE milieu en ruimtelijke ordening 100% accuraat te berekenen. De meegedeelde VTE-cijfers zijn bijgevolg schattingen. Voordat de overige cijfergegevens kunnen worden besproken, dienen ook in dit Milieu­hand­havings­rapport

35

eerst enkele andere kanttekeningen betreffende de data te worden geformuleerd. De cijfers zijn afkomstig uit een centrale databank van het College van Procureurs-generaal. Deze databank is enkel gebaseerd op de registraties door de correctionele afdelingen van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg en bevat geen gegevens over het aantal door de parketten-generaal behandelde milieuzaken en de door de politieparketten behandelde zaken, gerelateerd aan milieu 35. De VHRM heeft cijfergegevens opgevraagd met betrekking tot het milieuhandhavingsniveau in Vlaanderen. De ontvangen cijfergegevens handelen dus enkel over de dossiers behandeld door de Vlaamse parketten. De gegevens worden nu op basis van het nieuw gerechtelijke landschap gepresenteerd, doch om de vergelijkbaarheid met de gegevens van de voorgaande jaren te behouden, worden de gegevens zowel op arrondissementeel als op afdelingsniveau gepresenteerd waar van toepassing. De aangeleverde cijfergegevens baseren zich op de laatste gegevensextractie van 10 januari 2017. Alle gegevens die betrekking hebben op de vooruitgangsstaat van een dossier zijn dus beperkt tot de toestand op die extractiedatum. Er dient op te worden gewezen dat het in feite nog te vroeg is om op basis van de gegevensextractie d.d. 10 januari 2017 al conclusies te trekken over de mate waarin de afhandelingspraktijk verschilt voor de zaken geregistreerd in 2016. De cijfergegevens zijn slechts indicatief, aangezien de vooruitgangsstaat van deze zaken nog geëvolueerd kan zijn na de extractiedatum. Toch zal er worden getracht reeds enkele tendensen te onderscheiden. Aan de zaken die op het parket toekomen, wordt door het Openbaar Ministerie een voornaamste tenlastelegging en eventueel één of meerdere bijkomende tenlasteleggingscodes (preventiecodes) toegekend. Er moet in elk geval aan de zaak een voornaamste tenlasteleggingscode worden toegekend op het ogenblijk dat deze in het geïnformatiseerd systeem van de parketten wordt ingevoerd. Deze registratie van bijkomende tenlasteleggingscodes gebeurt echter niet overal; sommige parketten registreren deze niet.

Er dient te worden opgemerkt dat enkele zaken met betrekking tot het milieubeheerrecht onder de bevoegdheid vallen van de politieparketten en de politierechtbanken (bv. de processen-verbaal opgesteld inzake schendingen van de boswetgeving of de visserijwetgeving, zelfs al worden de schendingen als een wanbedrijf beschouwd). Deze milieuzaken zijn dan ook niet allemaal gevat in de opgenomen cijfergegevens.

87


Onderstaande statistieken zijn gebaseerd op alle zaken waarin minstens één van de volgende tenlasteleggingscodes zoals gebruikt door de parketten werd geregistreerd, met door de VHRM voorgestelde onderverdeling per thema (milieubeheerrecht, afval, mest, vergunning en emissies)36. Milieubeheerrecht: 63A - Jacht 63B - Visvangst 63M - Bosdecreet 63N - Conventie van Washington -

beschermde diersoorten, planten en ivoor 64J - Decreet op het natuurbehoud en na-

tuurlijk milieu, met inbegrip van verbod van en vergunningsplicht voor wijziging van vegetaties en kleine landschapselementen Afval37 : 64E - Sluikstorten 64F - Beheer van afvalstoffen 64L - Invoer en doorvoer van afvalstoffen (W 09.07.1984) Mest: 63I - Meststoffen 63O - Mestdecreet Vergunning: 64D - Commodo-Incommodo (milieuvergunning) 64H - Exploitatie van een inrichting zonder vergunning 64I - Niet naleven VLAREM wetgeving Lucht/water/bodem/geluid (emissies): 64A - Lucht- en waterverontreiniging 64B - Kooloxyde (CO) 64C - Geluidshinder, decibels in stedelijke omgeving (K.B. 24.2.77) 64G - Illegale waterwinning

64M - Oppervlaktewaterverontreiniging 64N - Grondwaterverontreiniging

Wanneer meer dan één van de geselecteerde codes voorkomt in eenzelfde zaak, wordt deze zaak in de gegevens gepresenteerd op basis van de voornaamste van die geselecteerde tenlasteleggingen. Zaken die op het moment van de gegevensextractie nog niet in hun totaliteit op het parket beland zijn, worden niet mee verrekend. Concreet handelt het hier over de ‘vereenvoudigde processen-verbaal op listing’38 en de ‘nog lopende autonome politionele opsporingsonderzoeken’. In de meeste parketten worden de door de politiediensten opgestelde vereenvoudigde processen-verbaal immers niet in het systeem geregistreerd. Er werd dan ook geen rekening mee gehouden in onderstaande cijfers (in tegenstelling tot de gegevens afkomstig uit de ANG en gepresenteerd in 2.2.1). Indien het proces-verbaal echter alsnog werd opgevraagd door het parket, wordt hiermee wel rekening gehouden. Er dient in het algemeen rekening mee te worden gehouden dat sommige milieumisdrijven die in een klassiek proces-verbaal aan de parketten werden overgemaakt niet in de statistieken voorkomen omdat er bijvoorbeeld een ander primair misdrijf in de zaak is (bijvoorbeeld diefstal), waardoor het m ­ ilieu-aspect niet in het systeem wordt geregistreerd, of omdat nieuwe feiten vaak in gegroepeerde aanvankelijke processen-verbaal worden gegoten indien een onderzoek werd opgestart (bijvoorbeeld één aanvankelijk proces-verbaal met opgave van 5 nieuwe feiten van sluikstorten) waardoor een onderschatting van het fenomeen milieucriminaliteit ontstaat. Het dient dus te worden benadrukt dat de cijfergegevens enkel een

36

Er dient opgemerkt te worden dat in de uiteindelijke selectie ook zaken opgenomen zitten die qua inbreuk niet stricto sensu onder het Milieu­hand­havings­decreet vallen. Voorts dient te worden opgemerkt dat de onder code “63N” geregistreerde zaken een gewestelijke bevoegdheid betreffen behalve in-, uit- en doorvoer van uitheemse plant- en diersoorten wat een federale bevoegdheid is. Ter verduidelijking van bovenstaande gegevens dient te worden meegedeeld dat de code 63N (Conventie van Washington – beschermde diersoorten, planten en ivoor) strikt genomen niet valt onder milieubeheer aangezien milieubeheerrecht in het Milieuhandhavingsbesluit wordt gedefinieerd als het geheel van rechtsregels die gericht zijn op het beheer van het leefmilieu en de natuur, enerzijds, en het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, anderzijds, meer bepaald de regelgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, 2°, 3°, 4°, 7°, 14°, 15° en 16°, van het Milieu­hand­havings­decreet. Tenslotte valt op te merken dat bovenop de zaken m.b.t. het mestdecreet (code 63O) eveneens de zaken met code “63I – Meststoffen” geselecteerd werden, dit laatste omdat de kans reëel is dat een deel van de door de parketadministratie met code 63I geregistreerde zaken in de praktijk inbreuken betreft die gewestelijk opgevolgd worden. Terwijl de bewuste keuze om een vrij ruime selectie te maken ertoe geleid kan hebben dat een aantal zaken misschien onterecht geteld wordt in deze bijdrage aan het Milieu­hand­havings­rapport, is het eveneens zo dat er geen specifieke tenlasteleggingscode bestaat voor andere inbreuken die zowel federale als gewestelijke materie kunnen betreffen (we denken hierbij bijvoorbeeld aan inbreuken m.b.t. bepaalde productnormen).

37

De overtredingen inzake het bodemdecreet kennen geen afzonderlijke tenlasteleggingscode (cijfer en letter) en ressorteren dan ook onder de tenlasteleggingscode ‘Afval’.

38

Een vereenvoudigd proces-verbaal houdt in dat de belangrijkste gegevens van welbepaalde lichte wetsovertredingen worden geregistreerd op een elektronische drager. De politie beperkt zich tot eventuele summiere onderzoeksdaden of opsporingsberichten. Op die manier wordt de instroom van overbodige stukken op het parket beperkt.

88


beeld geven van het aantal zaken met betrekking tot milieucriminaliteit dat volgens de registraties in het systeem door de correctionele parketten wordt behandeld, en dus geen indicatie zijn van de omvang van het crimineel fenomeen. Ook de invoering van de gemeentelijke administratieve sancties voor kleine vormen van overlast heeft een impact op de instroom van milieuzaken bij de parketten. Er werd tevens gevraagd om, analoog aan de bevraging van de toezichthoudende instanties, een onderscheid te maken tussen prioritaire39 processen-verbaal en niet-prioritaire processen-verbaal om zo een analyse te kunnen maken van de uitvoering van de ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013’. Er werd echter aangegeven dat ingaan op deze vraag de creatie van specifieke codes veronderstelt hetgeen technische aanpassingen en nieuwe registratierichtlijnen met zich meebrengt. De gegevensbank van het College van Procureurs-generaal laat tot op heden niet toe om binnen de geselecteerde zaken een onderscheid te maken tussen prioritaire en niet-prioritaire dossiers. Er werd echter aangegeven dat ter zake naar een oplossing wordt gezocht. Verder kan in dit onderdeel nog worden gewezen op de verschillende parketsamenwerkingsverbanden (PSV’s). Binnen het rechtsgebied Gent bestaat er sedert 1 januari 2008 in West-Vlaanderen een samenwerkingsverband tussen de voormalige parketten (momenteel afdelingen) van Ieper en Kortrijk. Zaken met betrekking tot gespecialiseerde materies worden er door één van beide afdelingen/parketten behandeld. Voor deze analyse is dit relevant aangezien het voormalig parket van Kortrijk instaat voor de behandeling van alle in Ieper binnengekomen zaken met betrekking tot de tenlasteleggingscodes 63A, 63N, 63O, 64A, 64D, 64F, 64G, 64H, 64I, 64J, 64L, 64M, en 64N. Sinds 1 november 2010 kende dit samenwerkingsverband tevens een uitbreiding naar de volledige provincie West-Vlaanderen, met als gevolg dat alle zaken van de voormalige arrondissementen Ieper, Brugge en Veurne met de reeds opgesomde tenlasteleggingscodes door het voormalige parket (huidige afdeling) van Kortrijk worden behandeld. De zogenaamde leefbaarheidsdelicten (tenlasteleggingscodes 63B, 63K, 63M, 64B, 64C, en 64E) worden sinds 1 juni 2015 exclusief behandeld door (afdeling) Kortrijk. Bij het lezen van onderstaande cijfers dient dus onthouden te worden dat een deel van de beslissingen in West-Vlaanderen werden genomen door

magistraten verbonden aan het voormalige Kortrijkse parket (huidige afdeling Kortrijk). Vanaf 1 december 2011 werd ook op Oost-Vlaams niveau een gelijksoortig samenwerkingsverband opgestart waarbij het de gespecialiseerde magistraten verbonden aan het (voormalige) Gentse parket zijn die instaan voor de behandeling van deze dossiers. Bij het lezen van onderstaande cijfers dient dus te worden onthouden dat een deel van de beslissingen in de Oost-Vlaamse afdelingen/parketten werden genomen door magistraten verbonden aan de huidige Gentse afdeling van het parket van Oost-Vlaanderen. Binnen het rechtsgebied Antwerpen is onder andere voor de behandeling van milieudossiers sedert 1 januari 2011 een samenwerkingsverband tussen de voormalige parketten (momenteel afdelingen) van Mechelen en Turnhout operationeel geworden. Alle dossiers ‘milieuhygiëne’ (tenlasteleggingscodes 64C, 64E, 64F, 64H, 64I, 64J, 64M, 64N en 63O) enerzijds en ‘fauna en flora’ (tenlasteleggingscodes 63A, 63B, 63C40, 63M en 63N) anderzijds die sedert die datum binnenkwamen in Mechelen worden ter behandeling overgemaakt aan de gespecialiseerde magistraten verbonden aan het voormalige parket (huidige afdeling) van Turnhout. De teleenheid bij de tabellen is telkens gelijk aan een zaak. Elke zaak komt overeen met één uniek notitienummer. Een zaak kan uiteraard betrekking hebben op meerdere verdachten en/of meerdere misdrijven. Een relatief groot aantal zaken wordt vanwege territoriale redenen ter beschikking gesteld aan een ander parket. Aangezien een indicatie van de instroom bij de parketten wordt gegeven en een ter beschikking gestelde zaak in een groot aantal gevallen binnen de referentieperiode zowel instroomde op het parket van herkomst als op het parket van bestemming, worden zowel het origineel notitienummer als het notitienummer van de terbeschikkingstelling opgenomen in de cijfergegevens. De gepresenteerde parketstatistieken betreffen geen criminaliteits- of feitenstatistieken en mogen dus ook niet aldus worden geïnterpreteerd. In eerste instantie zal een beeld worden gegeven van de instroom van dossiers bij de parketten in 2016. Dit zal gebeuren op basis van de geselecteerde tenlasteleggingscodes, en indien mogelijk op basis van de verbaliserende overheid. Vervolgens zal worden gekeken naar de laatste vooruitgangsstaat (d.d. 10 januari 2017) van de dossiers ontvangen door de parketten in 2016, waarna dieper zal worden ingegaan op de

39

Met prioritaire dossiers worden deze processen-verbaal bedoeld voor vaststellingen van misdrijven opgenomen in het protocol ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013’.

40

De dossiers met tenlasteleggingscode 63C dierenbescherming worden niet opgenomen in onderstaande cijfers.

89


motieven tot seponering van de dossiers die onder milieu­ hand­ having vallen. Er dient te worden herhaald dat, doordat de peildatum van deze gegevens 10 januari 2017 is, het belangrijk is om enige relativering en nuancering te hanteren bij de interpretatie van de data van de vooruitgangsstaat van de zaken. De gegevens en percentages ter zake hebben enkel en alleen betrekking op de situatie d.d. 10 januari 2017 en vormen niet de definitieve status van een zaak. Er kunnen bijgevolg enkel tendensen worden vastgesteld en dus zeker nog geen definitieve conclusies worden getrokken.

4.1.1 Instroom Grafiek 12 geeft het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ weer dat werd geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016 en dit per verbaliserende overheid, onderverdeeld in vier verschillende klassen, namelijk algemene politie; inspectiediensten; klachten en burgerlijke partijstellingen; en andere zendingen.41 39

1.782

132

4.589

2.636

Algemene politie Inspectiediensten Klachten & BP-stellingen Andere zendingen

Grafiek 12: Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest in

In totaal hebben de parketten in 2016 4.589 zaken met betrekking tot milieu ontvangen, waarvan 57% - oftewel 2.636 zaken – afkomstig van de algemene politie en 39% - ofwel 1.782 zaken – afkomstig van de inspectiediensten. De rubriek algemene politie omvat zowel de Lokale als de Federale politiediensten. De inspectiediensten daarentegen zijn de administratieve diensten met beperkte verbaliserende bevoegdheid, zoals de gewestelijke milieuadministraties (toezichthouders). Een klein gedeelte van het totaal aantal ontvangen zaken, namelijk bijna 3% ofwel 132 zaken, waren ‘andere zendingen’. Dit zijn zendingen van andere parketten (ter beschikking stellingen) en rechtbanken, ook van andere secties van hetzelfde parket, van buitenlandse parketten/rechtbanken en van de rechtbanken van hetzelfde gerechtelijke arrondissement die aanleiding geven tot de creatie van een nieuwe zaak. Deze categorie is tevens een restcategorie voor alle zaken die niet in één van de andere drie rubrieken konden worden ondergebracht. Ook de dossiers ontvangen van de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen vallen onder deze categorie. Daarnaast hadden 39 zaken – oftewel 0,85% – betrekking op klachten en burgerlijke partijstellingen. Hierbij gaat het om klachten van particulieren, evenals klachten van gerechtsdeurwaarders of van particuliere organisaties en burgerlijke partijstellingen. Meer dan de helft van de dossiers die de parketten hebben ontvangen in 2016, werd opgesteld door de algemene politie. In hoofdstuk 2 werd reeds aangegeven dat de algemene politie in 2016 12.375 processen-verbaal opstelde met betrekking tot milieu. Aangezien dit aantal niet enkel de aanvankelijke, maar tevens de vereenvoudigde processen-verbaal bevat, kan het verschil met het aantal dossiers dat de parketten hebben ontvangen in 2016 worden verklaard. Er moet worden opgemerkt dat hier geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de processen-verbaal opgesteld door de Lokale politie in hun algemene vaststellingsbevoegdheid enerzijds en processen-verbaal opgesteld door toezichthouders bij de Lokale politie anderzijds.

2016 per verbaliserende overheid - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal

41

90

Op basis van de gegevens uit het Milieuhandhavingsrapport 2015 en het Milieuhandhavingsrapport 2014 kan in tabel 34 een vergelijking worden gemaakt tussen het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ dat werd geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest en dit per verbaliserende overheid in 2016, 2015 en in 2014.

De dossiers die geregistreerd worden bij het parket van de politierechtbanken worden niet gevat in de verstrekte cijfergegevens.


ZAKEN MILIEUHANDHAVING GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN BIJ DE PARKETTEN PER VERBALISERENDE OVERHEID

2016

2015

2014

n

%

n

%

n

%

algemene politie

2.636

57,44

3.014

60,04

3.187

63

inspectiediensten

1.782

38,83

1.851

36,87

1.678

33

klachten & BP-stellingen

39

0,85

40

0,8

45

1

andere zendingen

132

2,88

115

2,29

138

3

4.589

100

5.020

100

5.048

100

TOTAAL

Tabel 35: Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest in 2016, 2014 en 2013 per verbaliserende overheid - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal

Tabel 35 geeft aan dat in 2015 en 2014 het aantal dossiers dat werd geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest min of meer stabiel was, maar dat het aantal dossiers in 2016 met een kleine 10% gedaald is. Deze afname kan voor 2016 voornamelijk worden verklaard door de afname in het aantal dossiers opgesteld door de algemene politie, niet enkel in absolute aantallen, maar ook in het aandeel van deze dossiers in het totaal aantal geregistreerde dossiers. Het aandeel van de dossiers overgemaakt door de Inspectiediensten nam in 2016 licht af ten opzichte van 2015 maar bleef nog boven het niveau van 2014. In 2003 werd een technische werkgroep opgericht binnen de Commissie Vervolgingsbeleid 42 met als doel de verbetering van de herkenbaarheid van de door de milieudiensten van het Vlaamse Gewest aan de parketten bezorgde dossiers. De enige code die toen op het niveau van de milieudiensten van het Vlaamse Gewest was voorzien, was M2. Er werd echter beslist om vanaf 1 januari 2005 gebruik te maken van specifieke codes binnen de notitienummers die door de milieudiensten aan de parketten werden bezorgd. De volgende codes werden toegewezen:

H1 : afdeling Milieu-inspectie - LNE-AMI H2: ANB43 H4 : Water – VMM H5 : Mestbank – VLM H6 : OVAM H7 : overige 44

Door het gebruik van deze specifieke notitienummers werd het mogelijk om grafiek 11 te maken waarin een verdere onderverdeling wordt gemaakt van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die werden geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016, in 2015 en in 2014 per Vlaamse milieuhandhavingsdienst. Het maakt duidelijk hoeveel zaken er werden aangeleverd door welke Vlaamse milieudienst als verbaliserende overheid.

42

De Commissie Vervolgingsbeleid is de voorganger van de VHRM en had als doelstelling een werkplatform te zijn inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening op gewestelijk niveau waar prioriteiten werden vastgelegd en afspraken werden gemaakt tussen het ambtelijk niveau en de parketten. De Commissie Vervolgingsbeleid had echter geen wettelijk verankerd kader, in tegenstelling tot de VHRM.

43

Tot 2008 werden de codes H2/H3 gebruikt door de rechtsvoorgangers van het ANB (afdeling Bos en Groen resp. afdeling Natuur). Sindsdien gebruikt het ANB enkel nog de code H2.

44

Onder H7 zouden in grote mate processen-verbaal afkomstig van de ‘Administratie Wegen en Verkeer’ en de ‘Administratie Waterwegen en Zeewezen’ teruggevonden kunnen worden. Aangezien de kans bestond dat deze diensten gewijzigd zouden worden zonder dat er toen reeds een duidelijk zicht was op de precieze aard van die verandering, werd ervoor gekozen om beiden gebruik te laten maken van de code H7. De ‘Administratie Wegen en Verkeer’ zou desgevallend geen gebruik meer maken van de code ‘WG’ die voor hen reeds voorheen voorbehouden werd. [De administratie Waterwegen en Zeewezen is een term van voor Beter Bestuurlijk Beleid. Momenteel zijn dit de volgende agentschappen: Waterwegen en Zeekanaal, de Scheepvaart, Maritieme Dienstverlening en Kust.]

91


194 26

149

1.234

497

368

AMI - H1 ANB - H2/H3 VLM - H5 OVAM - H6 Overige - H 7

Grafiek 13: Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016 - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal

In totaal werden door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016 1.234 zaken geregistreerd afkomstig van de Vlaamse inspectiediensten die bovenstaande codes hanteerden. Het merendeel, namelijk 40%, van deze zaken is afkomstig van de LNE-AMI. Ook het ANB vertegenwoordigt een aanzienlijk aandeel van het totaal aantal zaken afkomstig van de Vlaamse inspectiediensten, namelijk 30%. De OVAM en de VLM staan respectievelijk in voor een aandeel van 2% en 12%. In vergelijking met het hoofdstuk ‘Evaluatie van het instrument proces-verbaal’ kunnen een aantal verschillen worden opgemerkt tussen het aantal door de gewestelijke handhavingsactoren opgegeven opgestelde processen-verbaal en het aantal dat de correctionele afdelingen bij de parketten van het Vlaams Gewest ontvingen. Zo gaf het ANB aan dat in 2016 627 aanvankelijke processen-verbaal werden opgesteld, al ontvingen de parketten er in 2016 slechts 368. Dit valt te verklaren door het feit dat dit agentschap ook processen-verbaal opstelt die door politieparketten worden behandeld. Ook door de LNE-AMI en de VLM werd een hoger aantal opgestelde processen-verbaal opgegeven, respectievelijk 499 en 150, dan door de parketten werd ontvangen, respectievelijk 497 en 149 in 2016. De andere gewestelijke toezichthoudende

92

instanties gaven aan samen in totaal 259 processen-verbaal te hebben opgesteld in 2016, terwijl de parketten onder de noemer “overig” slechts 194 dossiers hebben ontvangen. De cijfers van de parketten vormen wellicht een onderschatting, daar niet alle Vlaamse milieuadministraties op de hoogte blijken te zijn van de mogelijkheid een specifieke code te gebruiken. Bepaalde dossiers komen dan ook op een niet-identificeerbare manier terecht in bovenstaande cijfergegevens. De VHRM formuleert daarom wederom, met het oog op een correcte dataverzameling en rapportering, de aanbeveling dat de verschillende milieuadministraties consequent gebruik maken van deze codes. Het verschil in cijfers van de LNE-AMI, de VLM en de OVAM (en toezichthouders zonder specifieke code) en de parketten kan ook te wijten zijn aan het feit dat het parket het aanvankelijke proces-verbaal niet inboekt als een nieuw dossier. De code H7 wordt niet of nauwelijks gebruikt omdat het onduidelijk is wat er onder wordt verstaan en er geen zekerheid is of er wel een proces-verbaal-register bestaat. Ze komen terecht onder de noemer ‘overig’. Op basis van de gegevens van het Milieu­hand­havings­ rapport 2015 en het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2014 wordt in tabel 35 een vergelijking gemaakt tussen het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016, 2015 en in 2014 weer te geven. Het aantal dossiers dat de parketten in 2016 heeft ontvangen van de verschillende Vlaamse milieudiensten is afgenomen ten opzichte van 2015 tot net ­onder het niveau van 2014. Ten opzichte van 2015 daalde het aantal dossiers immers met 11% in 2016. Deze afname in 2016 kan voornamelijk worden toe­ gekend aan de daling van het aantal dossiers afkomstig van het ANB. Er werd reeds een overzicht geboden van de verschillende tenlasteleggingscodes die bij de registratie van de zaken ‘Milieuhandhaving’ worden gehanteerd. Dit maakt het ook voor 2016 weer mogelijk om in volgende grafieken en tabellen een overzicht te geven van het aandeel van elke tenlasteleggingscode in het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ dat werd geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016.


ZAKEN MILIEUHANDHAVING VAN VLAAMSE MILIEUDIENSTEN GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN BIJ DE PARKETTEN 2016

2015

2014

n

%

n

%

n

%

AMI - H1

497

40,28

527

38,22

470

37,63

ANB - H2/H3

368

29,82

552

40,03

410

32,38

VMM - H4

-

-

1

0,07

/

/

VLM - H5

149

12,07

179

12,98

196

15,69

OVAM - H6

26

2,11

37

2,68

61

4,88

Overige - H7

194

15,72

83

6,02

112

8,97

1.234

100

1.379

100

1.249

100,00

Totaal

Tabel 36: Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016, 2014 en 2013 - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal

Grafiek 14 geeft de percentages van het aantal zaken geregistreerd met de tenlasteleggingscodes onder de noemers van afval; mest; vergunning; lucht/water/ bodem/geluid (emissies); en milieubeheerrecht ten opzichte van het totaal aantal zaken geregistreerd met een van deze tenlasteleggingscodes in 2016, namelijk 4.589 dossiers.

14,56

11,03

48,22

22,31

3,88 Milieubeheerrecht Lucht / water / bodem / geluid (emissies) Vergunning Mest Afval

Grafiek 14: Procentuele verhouding van de zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams Gewest, per voornaamste tenlasteleggingscode van zaken in 2016 - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal

Meer dan 48% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse gewest in 2016 had een voornaamste tenlasteleggingscode kaderend binnen het thema afval. Het betrof 2.213

dossiers. Zaken in verband met emissies en milieubeheerrecht vertegenwoordigden respectievelijk ongeveer 11% en 15% van het totaal aantal zaken van 2016, oftewel respectievelijk 506 en 668 dossiers. Daarnaast hadden 1.024 zaken, oftewel meer dan 22%, betrekking op vergunning en 178 zaken, iets minder dan 4% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’, hadden in 2016 betrekking op mest. In tabel 37 wordt niet enkel een verdere onderverdeling gemaakt van de voornaamste tenlasteleggingscodes van milieubeheerrecht, emissies, vergunning, mest en afval, maar wordt tevens op basis van de gegevens uit het Milieu­hand­havings­rapport 2015 en het Milieu­hand­havings­rapport 2014 een vergelijking gemaakt tussen 2016, 2015 en 2014. Zoals reeds werd aangehaald, heeft het grootste aandeel van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd bij de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2016 – net zoals voorgaande jaren – betrekking op afval, namelijk meer dan 48%. Tabel 36 geeft aan dat binnen het thema afval de meeste dossiers werden geregistreerd onder de tenlasteleggingscode 64E. Deze 1.621 dossiers hadden allen betrekking op sluikstorten. Deze dossiers inzake sluikstorten vormen niet enkel het grootste deel binnen het thema afval (73%), maar tevens binnen het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten in 2016. 35% van al de dossiers in 2016 had betrekking op sluikstorten. Deze tendens was ook zichtbaar in het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2015 en het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2014 toen eveneens ongeveer 35% van het totaal aantal dossiers betrekking had op sluikstorten.

93


ZAKEN MILIEUHANDHAVING GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE AFDELINGEN VAN DE ­PARKETTEN PER TENLASTENLEGGINGSCODE 2016

n

n

n

63A - Jacht

88

1,92

118

141

63B - Visvangst

189

4,12

296

178

63M - Bosdecreet

125

2,72

97

112

63N - Beschermde diersoorten, planten en ivoor (conventie van Washington, 9 maart 1973)

94

2,05

98

105

64J - Vlaams decreet betreffende het natuurbehoud en natuurlijk milieu (21 oktober 1997)

172

3,75

250

203

Totaal rubriek

668

14,56

859

739

64A - Lucht- en waterverontreiniging

148

3,23

194

160

4

0,09

4

3

138

3,01

177

193

1

0,02

-

-

64M - Oppervlaktewaterverontreiniging

152

3,31

168

216

64N - Grondwaterverontreiniging

63

1,37

68

104

Totaal rubriek

506

11,03

611

676

64D - Commodo - incommodo (milieuvergunning)

219

4,77

138

96

64H - Exploitatie van een inrichting zonder vergunning

138

3,01

222

290

64I - Niet naleven Vlarem-wetgeving

667

14,53

712

613

1.024

22,31

1072

999

63I - Meststoffen

42

0,92

49

67

63O - Mestdecreet

136

2,96

165

165

Totaal rubriek

178

3,88

214

232

64E - Sluikstorten

1.621

35,32

1740

1779

64F - Beheer van afvalstoffen

534

11,64

466

529

64L - Invoer en doorvoer van afvalstoffen (wet 12 mei 2011)

58

1,26

58

94

2.213

48,22

2264

2402

4.589

100

5020

5048

64B - Koolstofmonoxyde (CO) Lucht/water/ bodem/geluid (emissies)

Vergunning

64C - Geluidsnormen in stedelijke omgeving (KB 24 februari 1977) 64G - Illegale waterwinning

Totaal rubriek

Mest

Afval

2014

%

Milieubeheerrecht

2015

Totaal rubriek Totaal

Tabel 37: Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams Gewest, per ­voornaamste tenlasteleggingscode van zaken in 2016, 2015 en 2014 - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal

Zowel in 2014 als in 2015 en 2016 maakten de zaken met de tenlasteleggingscodes 63I ‘Meststoffen’ en 63O ‘Mestdecreet’ slechts een klein deel uit van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest, namelijk respectievelijk 5%, 4% en 4%. Dit zou kunnen worden verklaard door het feit dat de Vlaamse Landmaatschappij de schendingen in het kader van het Mestdecreet gedeeltelijk zelf bestuurlijk kan beboeten sinds 2006 (vide infra). Tabel 37 toont een afname van 22% van het absolute aantal dossiers inzake geluidsnormen in stedelijke om94

geving (tenlasteleggingscode 64C) in 2016 ten opzichte van 2015. Deze dalende lijn zet zich al voort sinds 2013. Ook de procentuele verhouding ten opzichte van het totaal aantal geregistreerde dossiers neemt af sinds 2013. In 2013 had nog 6% van het totaal aantal geregistreerde dossiers betrekking op geluidsnormen in stedelijke omgeving. Dit percentage nam af in 2014 tot 4%, in 2015 bedroeg dit 3,5% en in 2016 daalde het naar 3%. Deze afname zou mogelijks kunnen worden verklaard door de GAS-reglementen in de gemeenten en steden waarin geluidsoverlast vaak is opgenomen, door de gewijzigde geluidsnormering van het VLAREM of door de handhavingsproblemen bij de nieuwe geluidsregels.


4.1.2 Vooruitgangsstaat

Naast een vergelijking van de absolute cijfers is het tevens mogelijk een procentuele vergelijking te maken van het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest, per voornaamste tenlasteleggingscodes in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016. Grafiek 13 geeft hiervan een overzicht.

Naast de instroom van de zaken ‘Milieuhandhaving’ was het voor dit Milieu­hand­havings­rapport wederom ook mogelijk cijfergegevens te krijgen over de vooruitgangsstaat van de zaken ‘Milieuhandhaving’ voor de bestudeerde periode. Er dient echter wederom te worden gewezen op het feit dat de gegevensextractie dateert van 10 januari 2017. Dit betekent dat er eigenlijk nog geen definitieve conclusies kunnen worden getrokken inzake de afhandelingspraktijk van de dossiers. Daarnaast dient er te worden gewezen op het feit dat in de meeste gevallen de volledige termijn van 360 dagen wordt benut om te streven naar algemene regularisatie. Gevolg hiervan is dat er heel weinig zaken binnen het jaar worden gedagvaard en de cijfergegevens van grafiek 15 dus enigszins een vertekend beeld opleveren. Er zal echter worden getracht een aantal tendensen te beschrijven.

Grafiek 15 toont aan dat sinds de inwerkingtreding van het Milieu­ hand­ havings­ decreet in 2009 steeds meer dan 40% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest betrekking hebben op afval. Een trend die zich grafisch laat weergeven is de constante daling van het procentuele aandeel van de dossiers met betrekking tot lucht/water/bodem/geluid (emissies) en het aanhoudend stijgende procentuele aandeel van de dossiers met betrekking tot vergunningen.

Milieubeheerrecht

2016

Lucht / water / bodem / geluid (emissies)

2015

Vergunning

2014

Mest

2013

Afval

2012 2011 2010 2009

43% 42,12% 44,49% 44,19% 43,93%

14,56% 17,11% 14,64% 15,73% 16,25% 16,86% 15,06% 13,07%

11,03% 12,17% 13,39% 16,21% 18,24% 19,79%

47,58%

24,08%

45,10%

28,22%

48,22%

2,84%

22,31%

5,10%

21,35%

4,08%

19,79%

2,99%

19,87%

4,26%

18,32%

4,60%

14,78%

4,26%

13,63%

3,88%

12,87%

Grafiek 15: Procentueel aandeel zaken milieuhandhaving geregistreerd met tenlasteleggingscodes - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal - statistisch analisten

95


De classificatie gebeurde op basis van volgende vooruitgangsstaten: VOORONDERZOEK De zaken die nog in vooronderzoek waren op 10 januari 2017.

NIET-GEMEENTELIJKE ADMINISTRATIEVE SANCTIE Deze rubriek omvat de zaken die op 10 januari 2017 werden overgemaakt aan een overheidsdienst45 met het oog op een eventuele niet-gemeentelijke administratieve sanctie. MINNELIJKE SCHIKKING

SEINING VAN DE DADER Deze rubriek omvat de zaken waarin op 10 januari 2017 een verdachte het voorwerp uitmaakt van een seining. Zolang de verdachte niet wordt aangetroffen, zal deze vooruitgangsstaat van toepassing blijven. ZONDER GEVOLG / SEPONERING Met een zondergevolgstelling of seponering wordt voorlopig afgezien van verdere vervolging en wordt het vooronderzoek beëindigd. De beslissing om zonder gevolg te stellen is in principe altijd voorlopig. Zolang de strafvordering niet vervalt, kan de zaak worden heropend. TER BESCHIKKING Deze rubriek omvat de zaken die op 10 januari 2017 ter beschikking waren gesteld aan een ander parket of andere (gerechtelijke) instanties. Voor zover ze niet terugkeren naar het parket van oorsprong, blijven ter beschikking gestelde zaken hier in deze vooruitgangsstaat. Voor het parket van oorsprong kunnen zij dus als afgesloten worden beschouwd. Zij worden onder een ander notitienummer heropend bij het parket van bestemming.

In de categorie minnelijke schikking bevinden zich de zaken waarin een minnelijke schikking werd voorgesteld, de zaken waarin een minnelijke schikking nog niet (volledig) werd betaald, de zaken die werden afgesloten door de betaling van de minnelijke schikking en waar de strafvordering vervalt en ten slotte de zaken waarin de minnelijke schikking werd geweigerd, maar die sindsdien nog niet zijn overgegaan naar een volgende vooruitgangsstaat. BEMIDDELING IN STRAFZAKEN De rubriek bemiddeling in strafzaken omvat de zaken waarin het Openbaar Ministerie beslist heeft een procedure van bemiddeling in strafzaken aan de betrokken partijen voor te stellen. In deze categorie bevinden zich de zaken waarin een bemiddeling in strafzaken werd voorgesteld en waarin voor de betrokken partijen nog een beslissing moet worden genomen, de zaken die werden afgesloten door het slagen van de bemiddeling in strafzaken en waar de strafvordering vervalt en ten slotte de zaken waarin de dader niet aan de vereiste voorwaarden heeft voldaan, maar die sindsdien nog niet zijn overgegaan naar een volgende vooruitgangsstaat. ONDERZOEK

PRETORIAANSE PROBATIE Deze rubriek omvat de zaken die op 10 januari 2017 (nog) geen strafrechtelijk gevolg hebben gekregen op voorwaarde dat bepaalde door het parket opgelegde maatregelen werden nageleefd.

De rubriek onderzoek bevat de zaken die in gerechtelijk onderzoek werden gesteld en die nog niet werden vastgesteld voor de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging. DAGVAARDING & VERDER

GEMEENTELIJKE ADMINISTRATIEVE SANCTIE Deze rubriek omvat de zaken die op 10 januari 2017 werden overgemaakt aan een overheidsdienst met het oog op een eventuele gemeentelijke administratieve sanctie.

45

96

Deze rubriek omvat de zaken waarin een dagvaarding of een daaropvolgende beslissing werd genomen. Het gaat om zaken waarin een dagvaarding, een vaststelling voor de correctionele rechtbank, een vonnis, een verzet, een beroep, enz. voorkomt.

In het kader van het Milieu­hand­havings­decreet zijn dit de LNE-AMMC en de VLM-Mestbank.


ONBEKEND/ERROR Deze rubriek omvat de zaken waarvoor de vooruitgangsstaat niet achterhaald kon worden. Vaak gaat het om gevoegde zaken waarbij de registraties niet toelaten om te achterhalen wat de vooruitgangsstaat is van de zaak waaraan er gevoegd werd. Ten gevolge van de inwerkingtreding van de omzendbrief COL 16/2014 worden beslissingen die vroeger als een zondergevolgstelling werden gesteld nu als een aparte afsluitende beslissing opgenomen in de cijfers uit tabel 38. Het betreft de (nieuwe) vooruitgangs­ staten ‘seining van de dader’, ‘pretoriaanse probatie’, en ‘(gemeentelijke) administratieve sanctie’. In de voorgaande Milieu­hand­havings­rapporten werd tevens gerapporteerd over de vooruitgangsstaat ‘Raadkamer’. Deze rubriek bevat zaken vanaf de fase van de regeling van de rechtspleging tot op het moment dat er een eventuele vaststelling voor de correctionele rechtbank is. Zaken waarin wordt afgezien van verdere vervolging, bleven deze vooruitgangsstaat behouden. Vanaf 2015 werd deze vooruitgangsstaat niet meer weergegeven in de cijfergegevens aangeleverd door de parketten. Tabel 38 geeft een beeld van de laatste vooruitgangsstaat d.d. 10 januari 2017 voor de zaken ‘Milieuhandhaving’, geregistreerd bij de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2016. Zowel het totaal van de zaken in Vlaanderen wordt weergegeven, als de zaken per parket. Daarnaast wordt het procentueel aandeel van de verschillende vooruitgangsstaten ten aanzien van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ weergegeven en dit zowel voor 2016, 2015 als voor 2014, zodat een vergelijking ter zake kan gemaakt worden. Bij het lezen van tabel 38 dient rekening te worden gehouden met de bestaande parketsamenwerkingsverbanden (zie 4.1).

97


45

116

43

356

154

149

53

290

145

91

33

21

TONGEREN

PARKET HALLE-VILVOORDE

PARKET LEUVEN

PARKET OOST-VLAANDEREN

GENT

DENDERMONDE

OUDENAARDE

PARKET WEST-VLAANDEREN

BRUGGE

KORTRIJK

IEPER

VEURNE

vooronderzoek

27,24

28,73

27,48

20,19

26,19

26,45

34,04

29

24,88

26,05

24,21

25,05

18,61

30,13

13,68

14,06

13,85

37,41

43,21

38,15

38,78

%

40

63

.

.

4

1

5

3

23

19

45

4

1

.

1

1

2

3

2

7

0,80

1,37

.

.

1,16

0,23

0,5

1,41

4,02

2,99

3,17

1,73

0,26

.

0,39

0,17

0,7

1,85

0,39

0,72

%

Seining van de dader

n

zonder gevolg

2.785

1.371

1.089

25

26

84

61

196

68

131

174

373

53

95

68

91

159

79

43

91

213

n

55,17

27,31

23,73

24,04

20,63

24,42

14,32

19,6

31,92

22,9

27,36

26,25

22,94

24,68

20,67

35,55

27,18

27,62

26,54

17,53

22,03

% 1,96

%

409

215

114

.

2

15

4

21

8,1

4,28

2,48

.

1,59

4,36

0,94

2,1

1,41

2,62

15 3

1,73

2,04

5,19

2,86

4,26

3,13

3,76

3,85

2,47

0,77

ter beschikking 11

29

12

11

14

8

22

11

4

4

19

n

28

46

.

.

1

.

1

1

1

1

3

.

1

6

16

22

8

5

6

19

0,56

1

.

.

0,29

.

0,1

0,47

0,17

0,16

0,21

.

0,26

1,82

6,25

3,76

2,8

3,09

1,16

1,96

%

pretoriaanse probatie n

39

14

.

.

1

.

1

.

.

.

.

.

1

10

.

10

.

1

1

2

0,78

0,31

.

.

0,29

.

0,1

.

.

.

.

.

0,26

3,04

.

1,71

.

0,62

0,19

0,21

%

gemeentelijke administratieve sanctie n

53,85

51,59

41,86

48,12

47

38,5

43,36

36,48

39,55

32,03

30,91

47,11

32,42

40,68

26,92

18,52

28,9

26,58

1.541

30,70

1.720 37,48

56

65

144

205

470

82

248

232

562

74

119

155

83

238

77

30

150

257

%

niet-gemeentelijke administratieve sanctie n

2

.

.

.

.

.

.

.

.

.

2

.

.

.

.

.

.

.

.

0,04

.

.

.

.

.

.

.

.

.

0,87

.

.

.

.

.

.

.

.

%

administratieve sanctie (niet gepreciseerd) n

255

205

125

1

.

2

3

6

1

1

1

3

29

26

18

11

29

2

1

29

32

n

minnelijke schikking 5,05

4,08

2,72

0,96

.

0,58

0,7

0,6

0,47

0,17

0,16

0,21

12,55

6,75

5,47

4,3

4,96

0,7

0,62

5,59

3,31

%

27

5

4

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

2

2

4

.

.

.

.

n

0,53

0,1

0,09

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

0,61

0,78

0,68

.

.

.

.

%

25

10

14

.

.

1

2

3

1

1

1

3

1

2

.

.

.

.

1

4

5

n

0,5

0,2

0,31

.

.

0,29

0,47

0,3

0,47

0,17

0,16

0,21

0,43

0,52

.

.

.

.

0,62

0,77

0,52

%

11

1

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

1

.

1

n

raadkamer 0,22

0,02

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

0,62

.

0,1

%

106

123

135

1

.

1

5

7

1

3

43

47

13

13

11

8

19

.

2

34

36

n

2,1

2,45

2,94

0,96

.

0,29

1,17

0,7

0,47

0,52

6,76

3,31

5,63

3,38

3,34

3,13

3,25

.

1,23

6,55

3,72

%

dagvaarding & verder

Tabel 38: Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten van het Vlaamse Gewest in 2016, al dan niet via voeging aan een moederzaak, per gerechtelijk arrondissement

1.375

36

HASSELT

Vlaanderen 2014

81

PARKET LIMBURG

1.442

107

TURNHOUT

Vlaanderen 2015

70

MECHELEN

1.261

198

ANTWERPEN

Vlaanderen 2016

375

n

PARKET ANTWERPEN

bemiddeling in SZ

ZAKEN MILIEUHANDHAVING GEREGISTREERD DOOR DE CORRECTIONELE PARKETTEN PER GERECHTELIJK ARRONDISSEMENT

onderzoek

98 55

1

1

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

1

.

1

1,09

0,02

0,02

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

0,62

.

0,1

%

Onbekend /error n

5.048

5.020

4.589

104

126

344

426

1000

213

572

636

1421

231

385

329

256

585

286

162

519

967

n

TOTAAL


Op basis van de gegevens in tabel 38 kan worden vastgesteld dat meer dan 27% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten van het Vlaamse Gewest zich d.d. 10 januari 2017 nog in vooronderzoek bevonden. Dit is vergelijkbaar met 2015 en 2014. Met betrekking tot het procentuele aandeel van het aantal dossiers dat op de extractiedatum reeds zonder gevolg werd gesteld (24%) kan een lichte daling worden vastgesteld ten opzichte van 2015. In 2014 was nog 55% van het totaal aantal dossiers inzake Milieuhandhaving zonder gevolg gesteld op de extractiedatum. Deze daling valt echter te verklaren door het feit dat ‘seining van de dader’, ‘pretoriaanse probatie’, ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ in de rapporteringen vóór 2015 deel uitmaakten van de vooruitgangsstaat ‘zonder gevolg’, terwijl vanaf de rapportering inzake 2015 deze soort beslissingen als afzonderlijke vooruitgangsstaten worden weergegeven. Indien deze zaken samen zouden worden geteld en zouden worden toegevoegd aan de dossiers die zonder gevolg werden gesteld (classificatie van 2015), zouden in totaal 3.046 dossiers zonder gevolg zijn gesteld in 2016 op de extractiedatum, hetgeen ongeveer gelijk is aan het aantal van 2015 maar ten opzichte van 2014 en 2013 zowel een stijging is van de absolute aantallen als een procentuele stijging uitmaakt ten opzichte van het totaal aantal geregistreerde dossiers. Meer dan 66% van het aantal dossiers in 2016 werd op de extractiedatum dan immers reeds zonder gevolg gesteld46. In het volgende onderdeel ‘Motieven tot seponeren’ zal dieper worden ingegaan op de redenen van deze zondergevolgstellingen. Het aantal dossiers dat op de extractiedatum ter beschikking gesteld is, is sterk afgenomen ten opzichte van 2015 en 2014. Dit zijn dossiers die ter beschikking werden gesteld aan een ander parket of een andere (gerechtelijke) instantie. In bepaalde afdelingen werd deze vooruitgangsstaat ook gegeven aan dossiers die werden overgemaakt aan gemeenten of de LNE-AMMC met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie. Met betrekking tot het aantal minnelijke schikkingen kan eveneens een lichte daling worden vastgesteld in 2016 ten opzichte van 2015 en 2014. Het aantal dossiers waarin reeds een minnelijke schikking werd voorgesteld op de extractiedatum bedroeg in 2016 2,7% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’, terwijl dit de jaren ervoor nog 4 à 5% was.

46

Zowel in absolute cijfers als in het procentuele aandeel ten opzichte van het totaal aantal zaken, kan een lichte stijging worden vastgesteld van de zaken die reeds op de extractiedatum gedagvaard waren. Op 10 januari 2016 waren dit 123 zaken, 2,45% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’. Op 10 januari 2017 waren dit 135 zaken, ofwel 2,94% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’. In 2014 was 2,1% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ reeds gedagvaard op de extractiedatum. Zoals reeds aangegeven vormen ‘seining van de dader’, ‘pretoriaanse probatie’, ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ voor een eerste keer afzonderlijke vooruitgangsstaten. Voorheen werden deze dossiers opgenomen onder de vooruitgangsstaat ‘zonder gevolg’ en werden deze in detail besproken in het onderdeel 4.1.3 ‘Motieven tot seponeren’. Eén van de redenen waarom specifiek werd ingezoomd op deze motieven tot seponeren in de Milieu­ hand­havings­rapporten is het feit dat de parketten de mogelijkheid hebben om dossier over te maken aan de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE-AMMC) met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Dit gegeven wordt nu reeds weergegeven in tabel 38 onder de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’. In 2016 werden 1.720 dossiers overgemaakt aan de bevoegde overheidsdienst met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie, hetgeen betekent dat niet minder dan 37% van het totaal aantal geregistreerde dossiers ‘Milieuhandhaving’ op de extractiedatum reeds werden overgemaakt voor het opleggen van een administratieve sanctie. Tabel 39 geeft deze cijfergegevens weer sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingsdecreet in 2009. Voor 2016 wordt, voor de vergelijkbaarheid van de gegevens, zowel de dossiers die zich op datum van de extractiedatum in vooruitgangsstaat ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ als in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ bevonden samengeteld. In voorgaande rapporteringen bevonden deze dossiers zich immers samen onder ‘dossiers geseponeerd met het oog op een administratieve geldboete.

Indien de categoriën worden opgeteld zoals de rapportering van 2014.

99


GESEPONEERDE DOSSIERS 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

aantal dossiers geseponeerd met het oog op een administratieve geldboete (t.e.m. 2014) / met vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ (2015)

299

975

1.536

1.384

1.248

1.128

1.580

1.736

% aandeel dossiers geseponeerd met het oog op het opleggen van een administratieve geldboete t.o.v. het aantal geregistreerde zaken (t.e.m. 2015) / met vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’, ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘administratieve sanctie niet gepreciseerd’ (2016)

9,89

15,31

25,6

27,56

27

22,34

31,47%

37,83%

Tabel 39: Dossiers geseponeerd met het oog op het opleggen van een administratieve geldboete (t.e.m. 2014)/ met vooruitgangsstaat ‘niet-­ gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ (2016) / sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­ decreet

Tabel 39 geeft aan dat 1.736 dossiers, oftewel 37,83 % van het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieu­ handhaving’ op de extractiedatum reeds werden overgemaakt aan de bevoegde instantie voor het opleggen van een administratieve sanctie. Hieronder vallen onder meer de gemeentelijke administratieve sancties en de alternatieve bestuurlijke geldboeten van de LNE-AMMC. Dit is een stijging ten opzichte van 2015. In 2015 werden immers 1.580 dossiers geseponeerd met het oog op het opleggen van een administratieve geldboete, oftewel 31,47% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de parketten in 201547.

In grafiek 16 wordt een beeld geschetst per vooruitgangsstaat van het aandeel van de verschillende rubrieken van tenlasteleggingscodes (afval, mest, vergunning, emissies en milieubeheer) in 2016. De zaken afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer werden afgemeten aan een op honderd gestelde referentiewaarde zijnde een bepaalde vooruitgangsstaat (vooronderzoek, seining van de dader, zonder gevolg, ter beschikking, pretoriaanse probatie, gemeentelijke administratieve sanctie, niet-gemeentelijke administratieve sanctie, minnelijke schikking, bemiddeling in strafzaken, onderzoek, dagvaarding en verder, onbekend/error).

Uit tabel 39 kan worden afgeleid dat het aantal dossiers dat werd geseponeerd met oog op het opleggen van een administratieve geldboete gestaag toenam tot in 2011, maar daarna steeds geleidelijk terug afnam om terug fors te stijgen in 2015 en 2016. Ook procentueel gezien was deze afname merkbaar in 2014, om sinds 2015 terug sterk toe te nemen. In 2016 werd immers bijna 4/10 van het totaal aantal geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ op de extractiedatum reeds overgemaakt aan de bevoegde overheidsinstantie met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie, het hoogste percentage sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet.

47

100

Dit is een onderschatting, verwijzend naar vaststelling pagina hierboven dat bepaalde afdeligen de vooruitgangssttaat “ter beschikking stellen” gebruiken om dossiers door te sturen aan de AMMC/de gemeente.


In de vooruitgangsstaat vooronderzoek vindt men naast afvaldossiers ook procentueel het grootste deel van de dossiers inzake vergunningen terug waarvan het vooronderzoek niet binnen het jaar is afgesloten. In deze dossiers wordt aan de overtreder doorgaans nog wat tijd gegeven om de toestand te regulariseren, wat maakt dat het nemen van een richtinggevende beslissing (dagvaarding, minnelijke schikking, sepot) in deze zaken doorgaans langer duurt. Ook had meer dan 1/3 van de dossiers die zich op de extractiedatum in de vooruitgangsstaat pretoriaanse probatie bevond, betrekking op vergunningen. Dit zijn dossiers die (nog) geen strafrechtelijk gevolg gekregen hebben op voorwaarde dat bepaalde door het parket opgelegde maatregelen werden nageleefd. vergunningen, emissies en milieubeheer) - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal - statistisch analisten

Grafiek 16: Vooruitgangsstaten dd. 10 januari 2017 van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2016 per aandeel rubriek van tenlastelegging (afval, mest,

Vooronderzoek

Seining van de dader

Zonder gevolg

Ter beschikking

Pretoriaanse probatie

Gemeentelijke Niet-gemeentelij- Administratieve administratieve ke administratie- sanctie (niet gepreciseerd) ve sanctie sanctie

Minnelijke schikking

Bemiddeling in S2

Onderzoek

Raadkamer

Dagvaarding & Onbekend/error verder

Afval

Mest

Vergunning

Lucht / water / bodem / geluid (emissies)

Milieubeheerrecht

Het is niet opmerkelijk dat het merendeel van de dossiers in bijna alle vooruitgangsstaten – seining van de dader, pretoriaanse probatie, gemeentelijke administratieve sanctie, minnelijke schikking – in 2016 betrekking had op afval aangezien het merendeel van de geregistreerde zaken ‘Milieuhandhaving’ betrekking had op afval.

101

0,05% 2,58% 1,95% 5,93% 3,42% 0,05% 0,23% 0,90% 0,20% 0,20% 0,18% 2,10% 2,96% 1,56% 0,56% 3,57% 0,30% 37,28% 22,33% 32,81%

46,56%

0,59% 0,10% 0,15% 0,59% 0,88% 0,56% 1,45% 4,04% 5,73% 1,66% 1,69% 1,72% 2,81%

30,68% 12,60% 16,62%

32,61%

2,62% 0,29% 0,30% 18,54% 19,02% 27,10% 29,64%

46,48%

75,84%


Tabel 40 toont aan dat in 2016 2,58% van het totaal aantal zaken met betrekking tot afval d.d. 10 januari 2017 werd gedagvaard. In vergelijking met 2015 is dit een lichte daling, vergelijkbaar met 2014. Het procentuele aandeel zondergevolgstellingen met betrekking tot afval steeg daarentegen in 2016 ten opzichte van 2015 en 2014. In 2016 waren procentueel gezien even weinig zaken met betrekking tot afval ter beschikking gesteld op de extractiedatum ten opzichte van 2015.

gevolg omvat seining van de dader, zonder gevolg, pretoriaanse probatie, GAS en niet-GAS

Tabel 40. Procentuele vergelijking tussen de gegevens van 2016, 2015 en 2014 per tenlasteleggingscode en de vooruitgangsstaat waarin de zaken in de tenlasteleggingscodes zich op de extractiedatum bevonden. Zonder

1,21% 0 0,05% 2,41% 3,49 2,58% 0,22 5,91% 1,72% 21,6

Afval

19,02%

20,40% 72,62%

67,98

59,33%

1,72

9,53%

3,57%

4,77

0,23%

0,22

1,12%

0,05%

0,08%

1,72% 0 0,00% 0,43% 0 0,00% 0 0,00% 2,59% 1,69% 18,22 18,54%

Mest

19,83%

79,21%

78,98

71,12%

1,87

4,31%

0,56%

0,93

0,00%

0

0,00%

0,00%

1,20% 0 0,00% 1,10% 2,71 3,42% 0,40% 0,00% 5,62% 1,66% 52,52 46,48%

Vergunning

48,55%

46,68%

38,99

41,74%

3,17

2,70%

1,56%

2,52

0,20%

0

0,00%

0,09

0,74% 0 0,00% 2,66% 1,47 5,93% 6,95% 5,73% 27,33 29,64%

Emissies

25,59%

55,53%

58,76

56,66%

4,58

5,62%

2,96%

7,2

0,20%

0

0,65 0,00% 0,00%

1,04%

0,68% 0,12 0,00% 2,44% 0,7 1,95% 2,98% 4,04% 21,42

Milieubeheerrecht

27,10%

24,49%

63,92%

62,17

53,45%

12,81

14,21%

2,10%

2,79

0,90%

0

0 0,00% 0,00%

1,62%

2014 2015 2016 2014 2015 2016 2014 2016 2015

2016

2014

2016

2015

2014

2015

2014

2016

2015

2016

2015

2014

2015

2014

2016

onbekend / error dagvaarding & verder onderzoek bemiddeling in SZ minnelijke schikking ter beschikking zonder gevolg* vooronderzoek

PROCENTUELE VERGELIJKING ZAKEN MILIEUHANDHAVING - PER TENLASTELEGGINGSCODE EN VOORUITGANGSTAAT 102

Tabel 40 geeft een procentuele vergelijking tussen de gegevens van 2016, 2015 en 2014 per tenlasteleggingscode en de vooruitgangsstaat waarin de zaken in de tenlasteleggingscodes zich op de extractiedatum bevonden. De vooruitgangsstaten (vooronderzoek, zonder gevolg, ter beschikking, minnelijke schikking, bemiddeling in strafzaken, onderzoek, raadkamer, dagvaarding en verder, onbekend/error) werden afgemeten aan een op honderd gestelde referentiewaarde zijnde een bepaalde rubriek van tenlasteleggingscode. Om een vergelijking mogelijk te maken tussen 2016 en de voorgaande jaren, worden de nieuwe vooruitgangsstaten ‘seining van de dader’, pretoriaanse probatie’, ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ opgenomen onder de vooruitgangsstaat ‘zonder gevolg’ zoals dit het geval was in de rapporteringen van 2015, 2014 en 2013.

Met betrekking tot de zaken met als thema mest kan worden vastgesteld dat, net zoals in 2015 en 2014, in 2016 d.d. 10 januari 2017 het merendeel, namelijk 79%, zonder gevolg werd gesteld en bijna 1/5 zich nog in vooronderzoek bevond. Op de extractiedatum werd – net als in 2015 – nog geen enkele zaak gedagvaard en bij slechts 0,56% van de dossiers bevond zich in de vooruitgangsstaat minnelijke schikking. Dit is een daling ten opzichte van 2015 en 2014. Voor de zaken met betrekking tot vergunningen kan een lichte stijging worden vastgesteld van het procentuele aandeel zaken dat op de extractiedatum reeds zonder gevolg werd gesteld in 2016. Het aandeel van de zaken dat zich op de extractiedatum nog in vooronderzoek bevond, daalde daarentegen ten opzichte van 2015 en 2014. Er kan een lichte stijging worden opgemerkt van het aantal zaken dat in 2016 reeds werd gedagvaard op de extractiedatum ten opzichte van 2015 en 2014. Voor de zaken met betrekking tot emissies werd op de extractiedatum bij minder dan 3% een minnelijke schikking voorgesteld. Dit is minder dan de voorgaande jaren. Daarnaast werd meer dan de helft van zaken, net zoals in 2014 en 2013, met betrekking tot emissies op de extractiedatum reeds zonder gevolg gesteld.


Met betrekking tot de zaken betreffende milieubeheer kan worden vastgesteld dat net geen 64% oftewel 426 zaken, d.d. 10 januari 2017, reeds zonder gevolg werd gesteld. Dit vormt een stijging ten opzichte van 2015 en 2014. Het aandeel zaken met betrekking tot milieubeheer in 2016 dat reeds gedagvaard werd op de extractiedatum, namelijk 1,95%, steeg ten opzichte van de 0,70% in 2015 tot net onder de 2,44% in 2014.

4.1.3 Motieven tot seponeren In het vorige onderdeel met betrekking tot de vooruitgangsstaat van de zaken ‘Milieuhandhaving’ werd vastgesteld dat d.d. 10 januari 2017 reeds 24% zonder gevolg werd gesteld door de parketten in het Vlaamse Gewest. Er werden echter ook voor de opmaak van dit Milieu­hand­havings­rapport cijfers ter beschikking gesteld van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu die een verder inzicht geven in de zaken die zonder gevolg werden gesteld. Bij de zaken die zonder gevolg werden gesteld is het immers van belang om rekening te houden met het motief tot seponeren. Het Wetboek van strafvordering, artikel 28 quater al. 1, ingevoegd door de wet van 12 maart 1998, legt aan de procureur des Konings de verplichting op zijn beslissingen te motiveren. De parketten beschikken over een verfijnde lijst van motieven ‘zonder gevolgstelling’ die uniform is voor het hele land en geformaliseerd is als gevolg van de Franchimonthervorming. De rubrieken zijn weergegeven in bijlage 1 van de omzendbrief COL16/2014 van het College van procureurs-generaal betreffende de toepassing van de wet van 12 maart 1998. De inwerkingtreding van COL 16/2014 bracht ook enkele nieuwe motieven met zich mee, waarvan ‘ne bis in idem’ en ‘voorrang aan de burgerlijke afhandeling’ in de gegevens van tabel 41 voorkomen.

In deze cijfergegevens werd volgende classificatie aangehouden: Opportuniteitssepot: beperkte maatschappelijke weerslag toestand geregulariseerd misdrijf van relationele aard nadeel gering redelijke termijn overschreden afwezigheid van voorgaanden toevallige feiten met oorzaak wanverhouding strafvordering – maat-

schappelijke verstoring houding van het slachtoffer vergoeding van het slachtoffer te weinig recherchecapaciteit andere prioriteiten voorrang aan de burgerlijke afhandeling Technisch sepot: geen misdrijf onvoldoende bewijzen verjaring overlijden van de dader kracht van gewijsde ne bis in idem dader(s) onbekend

Zoals reeds eerder aangegeven vallen de dossiers die in voorgaande rapporteringen werden weergegeven als ‘sepot omwille van andere redenen’ (administratieve geldboete’, ‘pretoriaanse probatie’ en ‘seining van de dader’) voor 2016, naar aanleiding van de COL 16/2014, onder afzonderlijke vooruitgangsstaten ‘pretoriaanse probatie’, ‘seining van de dader’, ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ zoals deze reeds in het onderdeel 4.1.2 werden besproken. Deze dossiers zullen dan ook niet meer worden besproken in dit onderdeel. In tabel 41 wordt een beeld gegeven van het soort ‘zonder gevolgstelling’ (opportuniteitssepot en technisch sepot) dat werd aangegeven door de verschillende parketten in het Vlaamse Gewest ten aanzien van de zaken ‘Milieuhandhaving’ die zich in de vooruitgangsstaat ‘zonder gevolgstelling’ bevonden d.d. 10 januari 2017.

103


MOTIEVEN TOT SEPONERING PER PARKET (EN AFDELING) Sepot van technische aard

Sepot om opportuniteitsredenen

n

%

n

%

n

%

n

%

ANTWERPEN

52

57,14

39

42,86

.

.

91

100

MECHELEN

32

74,42

11

25,58

.

.

43

100

TURNHOUT

56

70,89

22

27,85

1

1,27

79

100

Totaal rubriek

140

65,73

72

33,8

1

0,47

213

100

HASSELT

69

75,82

22

24,18

.

.

91

100

TONGEREN

55

80,88

13

19,12

.

.

68

100

Totaal rubriek

124

77,99

35

22,01

.

.

159

100

HALLE-VILVOORDE

66

69,47

29

30,53

.

.

95

100

LEUVEN

29

54,72

24

45,28

.

.

53

100

GENT

138

79,31

36

20,69

.

.

174

100

DENDERMONDE

104

79,39

27

20,61

.

.

131

100

OUDENAARDE

55

80,88

13

19,12

.

.

68

100

Totaal rubriek

297

79,62

76

20,38

.

.

373

100

BRUGGE

58

95,08

3

4,92

.

.

61

100

KORTRIJK

76

90,48

8

9,52

.

.

84

100

IEPER

25

96,15

1

3,85

.

.

26

100

VEURNE

25

100

.

.

.

.

25

100

Totaal rubriek

184

93,88

12

6,12

.

.

196

100

840

77,13

248

22,77

1

0,09

1.089

100

ANTWERPEN

LIMBURG

OOST-VLAANDEREN

WEST-VLAANDEREN

TOTAAL

Onbekend/error

TOTAAL

Tabel 41: Motieven tot seponering voor de op 10 januari 2017 zonder gevolg staande zaken ‘Milieuhandhaving’ binnengekomen in 2016 al dan niet via voeging aan een moederzaak, per parket (en afdeling) Bron: gegevensbank van het College van Procureurs-generaal - statistisch analisten

Tabel 41 geeft aan dat 1.089 van de in totaal 4.589 door parketten ontvangen zaken ‘Milieuhandhaving’ d.d. 10 januari 2017 reeds waren geseponeerd. Dit komt neer op bijna 24% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving. Van deze 1.089 zaken werd 22,77% geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen en 77,13% omwille van technische redenen. Op basis van de cijfers uit het Milieu­hand­havings­rapport 2015 kan worden berekend dat in 2015 d.d. de extractiedatum 29% van de 1.371 geseponeerde zaken zonder gevolg werd gesteld omwille van opportuniteitsredenen en 71% omwille van technische redenen. In 2014 bedroeg deze verhouding 33% en 67% voor de toen 1.591 geseponeerde zaken. Om deze vergelijking te kunnen maken, houden deze sepot-cijfers voor 2014 geen rekening met de dossiers die geseponeerd werden om ‘andere reden’, zijnde administratieve geldboete, pretoriaanse probatie en seining van de dader. Zoals reeds eerder aangegeven vormen deze onderverdelingen sinds de rapporteringen voor 2015 afzonderlijke vooruitgangsstaten en werden deze behandeld in 4.1.2. 104

In tabel 42 worden de motieven tot seponeren weergegeven per rubriek van de tenlasteleggingscodes (afval, mest, vergunning, emissies en milieubeheer) voor 2016. Dit maakt het mogelijk om onder meer een beeld te vormen van welk soort zaken om welke redenen worden geseponeerd. Zoals reeds aangehaald werd 24% van het aantal geseponeerde zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2016 d.d. de extractiedatum geseponeerd. Dit komt neer op niet minder dan bijna 1/5 van het totaal aantal in 2016 geregistreerde zaken. Het merendeel, namelijk 840 zaken, werd geseponeerd wegens een technische reden. Meer dan 58% van deze 840 zaken werd geseponeerd vanwege onvoldoende bewijzen, bijna 23% omdat de daders onbekend waren en 16,5% omdat er geen misdrijf had plaatsgevonden.


MOTIEVEN TOT SEPONERING PER RUBRIEK VAN TENLASTELEGGINGSCODES

Milieubeheersrecht

Lucht/water/ bodem/geluid (emissies)

Vergunning

Mest

Afval

TOTAAL

n

%

n

%

n

%

n

%

n

%

n

%

Sepot van technische aard

75

67,57

115

69,7

92

71,32

4

80

554

81,59

840

77,13

geen misdrijf

11

9,91

32

19,39

46

35,66

1

20

63

9,28

153

14,05

onvoldoende bewijzen

35

31,53

45

27,27

42

32,56

2

40

366

53,9

490

45

verval van strafvordering

.

.

2

1,21

2

1,55

.

.

.

.

4

0,37

overlijden van de dader

.

.

2

1,21

2

1,55

.

.

.

.

4

0,37

niet-toelaatbaarheid van de strafvordering

.

.

1

0,61

.

.

.

.

1

0,15

2

0,18

kracht van gewijsde

.

.

1

0,61

.

.

.

.

.

.

1

0,09

strafuitsluitende verschoningsgrond

.

.

.

.

.

.

.

.

1

0,15

1

0,09

dader(s) onbekend

29

26,13

35

21,21

2

1,55

1

20

124

18,26

191

17,54

Sepot om opportuniteitsredenen

36

32,43

49

29,7

37

28,68

1

20

125

18,41

248

22,77

motieven eigen aan de aard van de feiten

7

6,31

13

7,88

17

13,18

1

20

36

5,3

74

6,8

beperkte maatschappelijke weerslag

3

2,7

1

0,61

.

.

.

.

6

0,88

10

0,92

toestand geregulariseerd

3

2,7

12

7,27

17

13,18

1

20

29

4,27

62

5,69

nadeel gering

.

.

.

.

.

.

.

.

1

0,15

1

0,09

redelijke termijn overschreden

1

0,9

.

.

.

.

.

.

.

.

1

0,09

motieven eigen aan de persoon van de dader of van slachtoffer

22

19,82

18

10,91

7

5,43

.

.

70

10,31

117

10,74

afwezigheid van voorgaanden

13

11,71

7

4,24

.

.

.

.

19

2,8

39

3,58

toevallige feiten met oorzaak

4

3,6

6

3,64

4

3,1

.

.

14

2,06

28

2,57

jeugdige leeftijd

.

.

1

0,61

.

.

.

.

1

0,15

2

0,18

wanverhouding strafvord.-maatsch. verstoring

4

3,6

4

2,42

3

2,33

.

.

21

3,09

32

2,94

houding van het slachtoffer

1

0,9

.

.

.

.

.

.

2

0,29

3

0,28

vergoeding van het slachtoffer

.

.

.

.

.

.

.

.

13

1,91

13

1,19

beleid

7

6,31

18

10,91

13

10,08

.

.

19

2,8

57

5,23

te weinig recherche-capaciteit

2

1,8

.

.

.

.

.

.

8

1,18

10

0,92

andere prioriteiten

4

3,6

4

2,42

8

6,2

.

.

3

0,44

19

1,74

voorrang aan de burgerlijke afhandeling

1

0,9

14

8,48

5

3,88

.

.

8

1,18

28

2,57

Onbekend/error

.

.

1

0,61

.

.

.

.

.

.

1

0,09

111

100

165

100

129

100

5

100

679

100

1.089

100

TOTAAL

Tabel 42: Motieven tot seponering voor de op 10 januari 2017 zonder gevolg staande zaken ‘Milieuhandhaving’ binnengekomen in 2016 al dan niet via voeging aan een moederzaak, per rubriek van tenlasteleggingscodes - Bron: gegevensbank van het College van Procureurs generaal statistisch analisten

In het kader van de opportuniteitsreden tot seponeren kunnen verschillende motieven aangehaald worden. De motieven eigen aan de aard van de feiten kan bijvoorbeeld de beperkte maatschappelijke weerslag van de zaak zijn, maar ook bijvoorbeeld het feit dat de toestand werd geregulariseerd, het nadeel te gering was, of omdat de redelijke termijn over-

schreden was. In totaal werden in 2016 74 zaken geseponeerd omwille van redenen eigen aan de aard van de feiten, waarvan 62 zaken omdat de toestand werd geregulariseerd. Daarnaast werden 117 zaken geseponeerd wegens motieven eigen aan de persoon van de dader. Dit kan onder meer betrekking hebben op afwezigheid van voorgaanden, toevallige feiten met 105


oorzaak of het feit dat een wanverhouding bestaat tussen de strafvordering en de maatschappelijke verstoring, de houding van het slachtoffer of op de vergoeding van het slachtoffer. Tevens werden d.d. 10 januari 2017 57 zaken geseponeerd wegens opportuniteitsredenen gerelateerd aan het beleid. Dit kan betrekking hebben op te weinig recherchecapaciteit, of omdat er voorrang werd verleend aan de burgerlijke afhandeling of omdat andere prioriteiten werden gesteld binnen het parket. In totaal werden 248, ofwel bijna 5,4% van het totaal aantal zaken ‘Milieu­ hand­having’ dat in 2016 werd geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest, d.d. de extractiedatum reeds geseponeerd op basis van opportuniteitsredenen. Indien naar de verschillende thema’s wordt gekeken, kan worden vastgesteld dat 111 zaken met betrekking tot milieubeheerrecht reeds werden geseponeerd op de extractiedatum. Dit komt neer op 16,6% van het totaal aantal geregistreerde zaken inzake milieu­ beheerrecht. Analoog de algemene verhouding, kan worden vastgesteld dat bijna 68% werd geseponeerd om technische redenen, en dit voornamelijk omdat er onvoldoende bewijzen aanwezig waren, en iets meer dan 32% om opportuniteitsredenen, en dit voornamelijk om beleidsredenen. Met betrekking tot de dossiers inzake emissies kan worden vastgesteld dat ongeveer 69,7% van de in totaal 165 geseponeerde zaken, geseponeerd werd omwille van technische redenen. Meer specifiek kan worden vastgesteld dat meer dan 27% werd geseponeerd omdat er onvoldoende bewijs was. In totaal werden 129 van de 1.024 zaken met betrekking tot vergunningen geseponeerd. Dit komt neer op 12,6%. Bij sepots in vergunningsdossiers werd het merendeel, namelijk 35,66%, geseponeerd omdat er geen misdrijf was. Daarnaast werd 37% geseponeerd om opportuniteitsredenen. Van de reeds 5 geseponeerde dossiers d.d. de extractiedatum inzake mest werden een aanzienlijk aandeel van de dossiers, namelijk 80%, geseponeerd om technische redenen. Daarnaast werd 1/5 van de dossiers geseponeerd om opportuniteitsredenen. Op de extractiedatum werd reeds 30,7% van het totaal aantal geregistreerde zaken met betrekking tot afval geseponeerd. Meer dan de helft, namelijk 54,9%, van deze geseponeerde dossiers werd zonder gevolg gesteld omdat er onvoldoende bewijzen waren.

106


4.2 EVALUATIE VAN HET GEVOERDE SANCTIONERINGSBELEID DOOR DE AFDELING MILIEUHANDHAVING, MILIEUSCHADE EN CRISISBEHEER VAN HET DEPARTEMENT LEEFMILIEU, NATUUR EN ENERGIE Het DABM bepaalt dat de exclusieve en alternatieve bestuurlijke geldboetes worden opgelegd door de gewestelijke entiteit aangewezen door de Vlaamse Regering, nl. de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement LNE (LNE-AMMC). In 2012 werd, naast de exclusieve en de alternatieve bestuurlijke geldboete, tevens een nieuw instrument geïntroduceerd, namelijk de bestuurlijke transactie. Deze bestuurlijke transactie kan beschouwd worden als een vorm van ‘minnelijke schikking’ die de LNE-AMMC kan voorstellen voor bepaalde dossiers (zowel inzake milieumisdrijven als milieu-inbreuken). Gezien de rol die voor deze afdeling is weggelegd, werd de LNE-AMMC ook voor het Milieu­hand­havings­rapport 2016 bevraagd over haar activiteiten in het kader van de milieuhandhaving.

4.2.1 Behandeling milieumisdrijven In het kader van de behandeling van milieumisdrijven door de LNE-AMMC in 2016 werd gevraagd hoeveel processen-verbaal de LNE-AMMC kreeg doorgestuurd tussen 1 januari 2016 en 31 december 2016 en van welk parket. Dit wordt weergegeven in tabel 43. Tevens wordt een onderscheid gemaakt tussen het aantal prioritaire en niet-prioritaire processen-verbaal. Het zijn de verbalisanten die op basis van de ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013’ deze classificatie geven aan hun proces-verbaal. Bij het lezen van de cijfergegevens uit tabel 43 dient tevens rekening te worden gehouden met de invloed van de parketsamenwerkingsverbanden. Teneinde de leesbaarheid van de volgende tabbellen te bevorderen worden de aantallen processen-verbaal die de LNE-AMMC ontving per samenwerkingsverband weergegeven voor zover een dergelijk samenwerkingsverband bestaat48.

PROCESSEN-VERBAAL ONTVANGEN DOOR DE LNE-AMMC Priori­ taire PV’s

Parket Oost-Vlaanderen

Nietpriori­ taire PV’s

Totaal

Dendermonde Gent

46

669

715

81

527

608

11

244

255

Hasselt

22

108

130

Tongeren

26

77

103

Leuven

5

57

62

Halle-Vilvoorde

10

108

118

Totaal

201

1.790

1.991

Oudenaarde Brugge

Ieper Parket West-Vlaanderen Kortrijk Veurne Parket Antwerpen Parket Limburg

Antwerpen Mechelen Turnhout

Tabel 43: Processen-verbaal ontvangen door de LNE-AMMC van het departement LNE van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2016

Tabel 43 geeft aan dat de LNE-AMMC in 2016 in totaal 1.991 processen-verbaal heeft ontvangen van de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete49. Dit is een lichte stijging ten opzichte van de 1.932 processen-verbaal die de LNE-AMMC heeft ontvangen in 2015. Sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet in 2009 is het aantal dossiers dat de LNE-AMMC heeft ontvangen steeds toegenomen. In 2009 ontving de LNE-AMMC 304 dossiers (het lage aantal is te verklaren door het feit dat het Milieu­hand­havings­decreet pas in mei 2009 in werking is getreden). Het aantal dossiers steeg sterk in 2010 en 2011, namelijk respectievelijk naar 1.100 dossiers en 1.597 dossiers. Dit cijfer bleef aanvankelijk grotendeels stabiel met 1.545 dossiers in 2012 en 1.594 dossiers in 2013, maar steeg verder sinds 2014.

48

Volgende afdelingen maken deel uit van een parketsamenwerkingsverband: de afdelingen Dendermonde, Gent en Oudenaar; de afdelingen Brugge, Ieper, Kortrijk en Veurne; en de afdelingen Antwerpen, Mechelen en Turnhout.

49

Het betreft het aantal processen-verbaal dat de AMMC in 2016 heeft ontvangen. Er dient rekening mee te worden gehouden dat een deel van deze processen-verbaal werd opgesteld in 2015 en eventueel ook processen-verbaal die werden opgesteld in 2014, maar waarvan de Procureurs des Konings in 2016 beslisten deze dossiers door te sturen naar de AMMC met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete.

107


Het merendeel van de dossiers door de LNE-AMMC ontvangen in 2016 waren niet-prioritaire processen-verbaal50, namelijk bijna 89,6%. Uit onderdeel 3.7 bleek dat 45% van de door de toezichthouders opgestelde processen-verbaal in 2016 prioritaire processen-verbaal waren51. Tabel 44 geeft niet enkel het aantal dossiers weer dat de LNE-AMMC heeft ontvangen van de parketten in 2016, maar tevens wordt het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ weergegeven dat door de (correctionele afdelingen van de) parketten in het Vlaamse Gewest werd geregistreerd in 2016. Dit maakt het mogelijk om het percentage te berekenen van het aandeel van de dossiers dat door elk parket of parketsamenwerkingsverband wordt bezorgd aan de LNE-AMMC. Hierbij dient te worden opgemerkt dat niet alle processen-verbaal die in 2016 geregistreerd werden door de parketten ook in 2016 werden behandeld. Het parket beschikt namelijk over een termijn van 180 dagen (eenmalig verlengbaar met 180

dagen) om te beslissen om het dossier al dan niet te bezorgen aan de LNE-AMMC. Op basis van de gegevens in tabel 44 kan worden vastgesteld dat de LNE-AMMC in 2016 gemiddeld 43,39% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd bij de parketten in 2016 heeft ontvangen. Het parket West-Vlaanderen registreerde in 2016 in totaal 1.000 dossiers inzake ‘Milieuhandhaving. De LNE-AMMC ontving via het samenwerkingsverband van de verschillende afdelingen van het parket van West-Vlaanderen samen in totaal 608 dossiers. Dit betekent dat ongeveer 60,8% van de dossiers geregistreerd bij het parket van West-Vlaanderen d.d. de extractiedatum reeds werd overgemaakt aan de LNE-AMMC met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. Voor het parket van Antwerpen komt deze verhouding neer op 26% en voor het parket Limburg op 39,8%. Tabel 44 toont voor de parketten Leuven en Halle-Vilvoorde een verhouding van respectievelijk 26,84% en 30,65%.

PROCENTUEEL AANDEEL PROCESSEN-VERBAAL ONTVANGEN DOOR DE PARKETTEN PV’s ontvangen door AMMC van de parketten

Aantal zaken ‘milieuhand­ having’ geregistreerd door het correctioneel parket

% aandeel van de PV’s doorgestuurd aan AMMC

715

1421

50,32%

608

1000

60,80%

255

967

26,03%

Hasselt

130

256

50,78%

Tongeren

103

329

31,31%

Leuven

62

231

26,84%

Halle-Vilvoorde

118

385

30,65%

1.991

4.589

43,39%

Dendermonde Parket Oost-Vlaanderen

Gent Oudenaarde Brugge

Parket West-Vlaanderen

Ieper Kortrijk Veurne Antwerpen

Parket Antwerpen

Mechelen Turnhout

Parket Limburg

Totaal

Tabel 44: Procentueel aandeel van processen-verbaal ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest in 2016, bezorgd aan AMMC

50

Met niet-prioritaire processen-verbaal worden deze processen-verbaal bedoeld door verbalisanten aangeduid als vaststellingen van misdrijven die niet opgenomen zijn in het protocol ‘Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013’

51

De AMMC telt bij de “niet-prioritaire processen-verbaal” al diegenen die niet werden aangeduid als “prioritair”. Uit de cijfers in dit rapport blijkt dat de politie dit niet of minimaal invult: zij maakt nauwelijks prioritaire pv’s op of duidt dit niet aan. Zo ontstaat de scheeftrekking dat er schijnbaar bijna de helft prioritaire pv’s worden opgesteld (maar dat dit cijfer enkel over toezichthouders gaat) en 90% van de door AMMC ontvangen dossiers niet-prioritair zijn (terwijl de verbalisanten meer zijn dan toezichthouders). De percentages zijn dus niet volledig vergelijkbaar.

108


Algemeen kan worden gesteld dat de LNE-AMMC in 2016 steeds minimum 1/4 van het totaal aantal dossiers inzake ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de parketten ontving met het oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete.

een bestuurlijke geldboete, terwijl andere parketten slechts in beperkte mate gebruik maken van deze mogelijkheid. Deze verschuivingen en regionale verschillen kunnen echter deels worden verklaard door, zoals reeds eerder toegelicht, de bestaande parketsamenwerkingsverbanden en het feit dat de voorgaande jaren werden weergegeven volgens de afdeling die het dossier aan de LNE-AMMC bezorgd heeft en niet de afdeling van het parket waarin het proces-verbaal is opgesteld.

Op basis van de vorige Milieu­hand­havings­rapporten worden deze cijfergegevens sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet per parket weergegeven in tabel 4552.

KANTTEKENING

Algemeen kan worden vastgesteld dat het procentuele aandeel van het aantal dossiers dat werd overgemaakt aan de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet in 2009 gestaag steeg, behoudens een kleine daling in 2014.

De gegevens in tabel 45 inzake het aantal dossiers bezorgd door de parketten en ontvangen door de LNE-AMMC zijn gebaseerd op de cijfers die de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu mocht ontvangen van de LNE-AMMC. Indien dit wordt vergeleken, op basis van de cijfergegevens die de VHRM mocht ontvangen van de parketten, met de zaken die zich op de extractiedatum in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ bevonden, kan een discrepantie worden vastgesteld. De volgende grafiek geeft dit weer.

Tevens wijst tabel 45 op blijvende regionale verschillen in het procentuele aandeel processen-verbaal dat wordt doorgestuurd naar de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet. Zo zijn er afdelingen die meer dan de helft van de processen-verbaal die zij registreren overmaken aan de LNE-AMMC met het oog op het opleggen van

PROCENTUEEL AANDEEL DOSSIERS DOORGESTUURD AAN LNE-AMMC % aandeel van de PV’s doorgestuurd aan AMMC 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Dendermonde

19,24%

34,28%

49,18%

37,39%

28,42%

39,62%

16,98%

Gent

13,55%

17,43%

35,61%

50,73%

52,74%

53,60%

66,58%

Oudenaarde

5,21%

3,90%

6,75%

6,30%

7,86%

2,84%

6,27%

Brugge

9,09%

12,60%

12,41%

21,68%

30,04%

33,11%

9,44%

Ieper

6,80%

15,93%

15,76%

17,50%

19,02%

9,45%

1,76%

Kortrijk

18,29%

20,35%

42,65%

60,10%

77,88%

81,71%

102,90%

Veurne

4,55%

15,38%

14,68%

4,96%

21,71%

49,54%

13,64%

Antwerpen

6,80%

12,55%

25,25%

11,68%

18,62%

21,33%

34,90%

Mechelen

4,81%

9,39%

18,00%

14,58%

26,42%

10,42%

12,56%

Turnhout

16,03%

25,61%

32,08%

29,92%

49,32%

41,24%

55,31%

Hasselt

1,88%

2,79%

7,76%

18,21%

37,10%

19,56%

32,13%

50,78%

Tongeren

3,95%

20,29%

19,45%

32,30%

26,16%

19,51%

26,61%

31,31%

Leuven

5,59%

14,47%

15,93%

24,57%

25,86%

23,40%

25,43%

26,84%

Brussel

1,32%

10,85%

17,22%

34,75%

24,85%

5,35%

/

/

/

/

/

/

/

/

44,23%

30,65%

10,06%

17,28%

26,61%

30,77%

34,49%

33,54%

38,49%

43,39%

Parket Oost-­ Vlaanderen

Parket West-­ Vlaanderen

Parket Antwerpen

Parket Limburg

Halle-Vilvoorde Totaal

2016

50,32%

60,80%

26,03%

Tabel 45: Procentueel aandeel van de dossiers doorgestuurd aan de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet in 2009

52

Met uitzondering van de gegevens voor 2016, die per parketsamenwerkingsverband worden weergegeven zo er een bestaat.

109


Aantal zaken betreffende milieumisdrijven ontvangen door de afdeling AMMC Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2016 door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams gewest, geseponeerd omwille van ‘andere reden’

1991 1722

715

562

608 470

Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen

191

180

Antwerpen

64

77

Turnhout

130

83

Hasselt

103

155

Tongeren

62

76

Leuven

118

119

HalleVilvoorde

Totaal

Grafiek 17: Aantal zaken betreffende milieumisdrijven ontvangen door de LNE-AMMC en het aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd in 2016 door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams gewest, in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’

Grafiek 17 toont aan dat de LNE-AMMC 269 dossiers meer heeft ontvangen dan het aantal dat zich op de extractiedatum bij de parketten reeds in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ bevond, hetgeen reeds een overschatting is van het aantal dossiers dat wordt overgemaakt aan de LNE-AMMC met het oog op het opleggen van een administratieve geldboete, gelet op het aandeel dossiers dat wordt overgemaakt aan de Mestbank met het oog op het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat de extractiedatum bij de parketten en de LNE-AMMC niet exact op dezelfde dag was. Dit onevenwicht kan worden vastgesteld bij de verschillende parketten. Zo bevonden zich in het parket van Oost-Vlaanderen op de extractiedatum 562 dossiers in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’, terwijl de LNE-AMMC aangaf in 2016 715 dossiers van dit parket te hebben ontvangen. Voor het parket van West-Vlaanderen komt deze verhouding neer op 265 dossiers met vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ en 608 dossiers ontvangen door de LNE-AMMC. Voor het parket van Antwerpen betreft het over 207 dossiers met vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ en 216 dossiers ontvangen door de LNE-AMMC van dit parket en voor het parket van Limburg is deze verhouding 238 dossiers ten opzichte van 233 dossiers ontvangen door de LNE-AMMC in 2016. Uit grafiek 17 kan worden afgeleid dat de LNE-AMMC respectievelijk 14 dossiers en 1 dossier minder heeft ontvangen in 2016 van de parketten

110

van Leuven en Halle-Vilvoorde dan het aantal dossiers dat zich op de extractiedatum in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ bevond. Gelet op deze ruis in de gegevensverzameling zal de analyse van dit onderdeel worden gebaseerd op de cijfers die de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu heeft ontvangen van de LNE-AMMC. Analoog met de vorige Milieu­hand­havings­rapporten worden meer specifieke gegevens opgenomen inzake de herkomst en het thema van de dossiers die werden bezorgd aan de LNE-AMMC. Zo geeft tabel 44 het aantal dossiers weer dat de LNE-AMMC heeft ontvangen van de parketten, opgemaakt door de verschillende handhavingsactoren, namelijk het Agentschap Wegen en Verkeer, de Federale politie, de Lokale politie, de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders, de LNE-AMI, de provinciale toezichthouders, de bijzondere veldwachters, de LNE-AMI, het ANB, de OVAM, de VMM en de VLM. 44% van de processen-verbaal die de LNE-AMMC heeft ontvangen in 2016 werd opgesteld door de Lokale politie. In absolute cijfers ging het om 876 processen-verbaal. Daarnaast kan op basis van tabel 46 worden vastgesteld dat 16,3% van de ontvangen ­processen-verbaal werd opgesteld door het Agentschap voor Natuur en Bos en 15,7% door de toezichthouders van de AMI.


PROCENTUEEL AANDEEL PROCESSEN-VERBAAL ONTVANGEN DOOR DE LNE-AMMC PV door AMMC in 2016 ontvangen Prioritair

%

Niet-prioritair

%

Agentschap Wegen en Verkeer

3

1,49%

88

4,92%

Federale politie

0

0,00%

39

2,18%

Lokale politie

17

8,46%

859

47,99%

Gemeentelijke toezichthouders

9

4,48%

113

6,31%

Intergemeentelijke toezichthouders

1

0,50%

7

0,39%

Provinciale toezichthouders

0

0,00%

0

0,00%

LNE - AMI

40

19,90%

273

15,25%

LNE - AMV

1

0,50%

1

0,06%

ANB

61

30,35%

264

14,75%

Bijzondere veldwachters

5

2,49%

66

3,69%

OVAM

1

0,50%

7

0,39%

VLM

63

31,34%

69

3,85%

VMM

0

0,00%

0

0,00%

LNE - ALBON

0

0,00%

1

0,06%

Agentschap de scheepvaart

0

0,00%

1

0,06%

Inspectie Cites

0

0,00%

1

0,06%

Agentschap Zorg en Gezondheid

0

0,00%

0

0,00%

departement MOW

0

0,00%

0

0,00%

Agentschap Maritieme dienstverlening en Kust

0

0,00%

0

0,00%

Agentschap Waterwegen en Zeekanaal

0

0,00%

0

0,00%

NMBS securail

0

0,00%

1

0,06%

201

100%

1.790

100%

HANDHAVINGSACTOR

Totaal

Tabel 46: Procentueel aandeel van de processen-verbaal ontvangen door de LNE-AMMC in 2016, per handhavingsactor

vangen in 2016. Hierbij worden dezelfde thema’s gehanteerd als deze bij de evaluatie van het sanctioneringsbeleid van de parketten.

ALTERNATIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETES PV door AMMC in 2016 ontvangen Prioritair

%

Niet-prioritair

%

Milieubeheer

66

32,84%

363

20,28%

Lucht, Water, Bodem en ­Geluid

29

14,43%

272

15,20%

Vergunning

29

14,43%

252

14,08%

Mest

61

30,35%

75

4,19%

Afval

16

7,96%

828

46,26%

Totaal

201

100%

1.790

100%

MILIEUTHEMA’S

Tabel 47: Procentueel aandeel van de processen-verbaal ontvangen door LNE-AMMC in 2016, per milieuthema

In tabel 47 wordt een overzicht gegeven van de thema’s van de dossiers die de LNE-AMMC heeft ont-

Tabel 47 toont aan dat 42% van de dossiers betrekking had op afval. Daarnaast kan worden vastgesteld dat meer dan 1/5 van de dossiers die de LNE-AMMC in 2016 heeft ontvangen betrekking had op milieubeheer, 15% had betrekking op emissies, 14% op vergunningen en 7% op mest. Tabel 46 geeft een overzicht van het aantal en de soort beslissingen die de LNE-AMMC in 2016 nam in het kader van de alternatieve bestuurlijke geldboete. Zoals hoger reeds aangehaald heeft de LNE-AMMC sinds september 2012 de mogelijkheid om voor bepaalde milieumisdrijven een bestuurlijke transactie voor te stellen. Deze bestuurlijke transactie kan beschouwd worden als een vorm van bestuurlijke minnelijke schikking, aangezien na betaling van het voor 111


ALTERNATIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETEN

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

PV’s ontvangen door AMMC van de parketten

304

1.100

1.597

1.545

1.594

1.693

1.932

1.991

Behandeling/afhandeling dossiers in het kader van alternatieve bestuurlijke geldboete

5

219

378

1.442

1.543

1.737

2.234

2.297

Beslissing hield geen geldboete in

0

6

40

402

258

231

348

371

Beslissing hield een geldboete in

0

151

279

1.040

966

848

1.356

1.083

(Voorgestelde en) bestuurlijke transactie werd betaald

/

/

/

7

311

658

Het proces-verbaal viel niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM

5

62

59

0

8

0

(912)

530

(1.056)

/

843 /

Tabel 48: Beslissingen genomen in het kader van alternatieve bestuurlijke geldboeten door de LNE-AMMC

Voor 2016 kan worden vastgesteld dat de LNE-AMMC 1.991 dossiers heeft ontvangen en 2.297 dossiers heeft afgehandeld. Dit betekent dat in 2016 ook (en zelfs vooral) in dossiers van voorgaande jaren een beslissing werd genomen. Er werden 1.083 alternatieve bestuurlijke geldboetes opgelegd. In 371 dossiers werd beslist om geen geldboete op te leggen. Daarnaast werden 1.056 bestuurlijke transacties voorgesteld en werden er 843 betaald. In de 1.083 beslissingen die een geldboete inhielden, zitten tevens de boetes vervat die werden opgelegd nadat niet werd ingegaan op het bestuurlijke transactievoorstel. In het algemeen heeft de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­ hand­ havings­ decreet in mei 2009 in totaal 11.756 processen-verbaal ontvangen van de parketten. De LNE-AMMC heeft tussen 1 mei 2009 en 31 december 2016 een beslissing genomen in 83,8% van deze 11.756 dossiers. Er werden in deze periode 5.483 alternatieve bestuurlijke geldboetes opgelegd. Daarnaast werd in 1.790 dossiers beslist geen boete op te leggen of werd vastgesteld dat het proces-verbaal niet onder het toepassingsgebied van het Milieu­hand­havings­decreet viel.

112

32

Aantal met voordeel-ontneming

26

29 180

2

181

270 66

Tabel 48 geeft naast de gegevens voor 2016, ook de beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van de alternatieve bestuurlijke geldboeten weer sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet.

Aantal zonder voordeel-ontneming

297

gestelde bedrag de boeteprocedure vervalt. Wanneer de overtreder echter niet wenst in te gaan op het voorstel van bestuurlijke transactie, wordt door de LNE-AMMC de procedure voor het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete hervat. De VHRM heeft de LNE-AMMC dan ook gevraagd, net zoals in 2015, aan te geven hoeveel van dergelijke bestuurlijke transacties werden voorgesteld in 2016.

Milieubeheer

Lucht, Water, Vergunningen Bodem en Geluid

Mest

Afval

Grafiek 18: Kader waarbinnen alternatieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd door AMMC in 2016, zonder en met voordeelontneming

Uit grafiek 18 blijkt dat bij 89 van de in totaal 1.083 in 2016 opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboetes een voordeelontneming werd opgelegd. Dit komt neer op 8%. Van de 329 boetebeslissingen inzake milieubeheer, gingen 32 alternatieve geldboetes gepaard met een voordeelontneming. Bij de boetes in het kader van emissies werd aan 26 van 207 geldboetes een voordeelontneming gekoppeld. Procentueel gezien ging de voordeelontneming het meest gepaard met de boetes inzake vergunningen, namelijk bijna 14% van het totaal aantal boetes inzake vergunningen. Daarentegen kan worden vastgesteld dat – net zoals in 2015 – in 2016 bij geen enkele alternatieve bestuurlijke geldboete inzake mest een voordeelontneming werd opgelegd.


607

458

241

208 129 53

Milieubeheer

35

Emissies

26

119

Kader waarbinnen de bestuurlijke transactie werd voorgesteld in 2016

23

Vergunningen

Kader waarbinnen de bestuurlijke transactie werd betaald in 2016 Mest

Afval

Grafiek 19: Kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werd voorgesteld en betaald, per milieuthema

Bij 30% van de in 2016 genomen boetebeslissingen had het proces-verbaal betrekking op afval. Ongeveer 16% had betrekking op milieubeheer. 22% van de in 2016 opgelegde alternatieve geldboetes had betrekking op emissies en 8% op mest. Tevens had bijna 1/5 van de boetebeslissingen betrekking op dossiers inzake vergunningen. In grafiek 19 wordt het kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werden voorgesteld in 2016 en het kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werden betaald in 2016 weergegeven.53 Grafiek 19 geeft aan dat de LNE-AMMC in 2016 in totaal 1.086 bestuurlijke transacties voorstelde en dat bij meer dan de helft van deze voorstellen, namelijk 56%, het dossier betrekking had op afval. Daarnaast had bij 22% van de voorstellen het dossier betrekking op milieubeheer en meer dan 10% van de dossiers had betrekking op mest. Daarnaast kan op basis van de grafiek worden vastgesteld dat in 2016 in totaal 843 keer werd ingegaan op het voorstel tot betaling in het kader van de procedure van de bestuurlijke transactie. Daar de betalingstermijn voor een bestuurlijke transactie 3 maanden bedraagt, werden bestuurlijke transacties die voorgesteld werden in 2015 pas betaald in 2016. Er kan echter, gelet op deze betalingstermijnen, op basis van tabel 48 geen één-op-één relatie worden gemaakt tussen de voorstellen en de effectief betaalde bestuurlijke transacties. De LNE-AMMC geeft aan dat de algemene betalingsrespons van de voorgestelde bestuurlijke transacties in 2016 77,6% bedroeg. De betalingsgraad is wel afhankelijk van het thema. Zo bedraagt de betalingsgraad voor emissies slechts 66% terwijl er in 92% van de mestdossiers ingegaan

53

wordt op de bestuurlijke transactie.

4.2.2 Behandeling van milieu-inbreuken De LNE-AMMC werd in het kader van de behandeling van milieu-inbreuken gevraagd aan te geven hoeveel verslagen van vaststelling zij ontving in 2016, door wie deze werden opgesteld en in welk kader deze verslagen van vaststelling werden opgesteld en beboet. Er werd meegedeeld door de LNE-AMMC dat in 2016 in totaal 131 verslagen van vaststelling – in het kader van vastgestelde milieu-inbreuken – werden ontvangen. 93% van deze verslagen van vaststelling werden opgesteld door gewestelijke toezichthouders. Er werden er immers 92 overgemaakt aan de LNE-AMMC door het ANB, 6 door de OVAM, 16 door de LNE-AMI, 6 door de VLM en 2 door de LNE-AMV. Daarnaast werden 5 verslagen van vaststelling opgesteld door gemeentelijke toezichthouders en 4 door toezichthouders van de Lokale politie. In het onderdeel ‘Evaluatie van het instrument verslag van vaststelling’ wordt gerapporteerd over het gebruik van het instrument door de toezichthouders. Om die reden werd dan ook aan de verschillende toezichthouders gevraagd hoeveel verslagen van vaststelling zij hadden opgesteld in 2016. Deze aantallen verschillen van de aantallen die de LNE-AMMC heeft ontvangen in 2016. In totaal deelden de toezichthoudende instanties mee 214 verslagen van vaststelling te hebben opgesteld, terwijl de LNE-AMMC er in 2016 131 heeft ontvangen. De responderende gemeentelijke toezichthouders gaven aan in totaal 18 verslagen van vaststelling te hebben opgesteld, terwijl de LNE-AMMC in 2016 slechts 5 verslagen van vaststelling heeft ontvan-

Een deel van de in 2016 voorgestelde bestuurlijke transacties zullen worden betaald in 2017. Daarnaast werd er in 2016 ingegaan op bestuurlijke transacties die waren voorgesteld in 2015. De koppeling is dus niet 100% gelet op betalingstermijn van 3 maanden.

113


gen van deze handhavingsactor. De toezichthouders van de Lokale politie rapporteerden 12 verslagen van vaststelling te hebben opgesteld, terwijl de LNE-AMMC slechts de helft heeft ontvangen. Daarnaast kan anderzijds worden vastgesteld dat de responderende gewestelijke toezichthouders 112 verslagen van vaststelling opstelden in 2016, terwijl de LNE-AMMC 124 verslagen van vaststelling heeft ontvangen.

hand­havings­rapporten is het mogelijk een overzicht te bieden van de beslissingen genomen door de LNE-AMMC in het kader van exclusieve bestuurlijke geldboeten en de ontvangen verslagen sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet. Ook kan een beeld worden geboden van de behandeling van milieu-inbreuken door de LNE-AMMC. Tabel 50 geeft deze vergelijking weer.

De LNE-AMMC werd gevraagd aan te geven in welk kader de verslagen van vaststelling werden opgesteld in 2016. Tabel 49 geeft dit weer.

Tabel 50 toont aan dat de LNE-AMMC in 2016 in totaal 131 verslagen van vaststelling heeft ontvangen en 100 beslissingen nam in het kader van vastgestelde milieu-­inbreuken. In 32% van deze beslissingen werd een exclusieve bestuurlijke geldboete opgelegd, terwijl in 6 dossiers werd beslist geen geldboete op te leggen. Daarnaast werden 92 bestuurlijke transacties voorgesteld en werden er 62 betaald. In de 32 beslissingen die een geldboete inhielden, zitten tevens de boetes vervat die werden opgelegd nadat niet werd ingegaan op het bestuurlijke transactievoorstel.

VERSLAGEN VAN VASTSTELLING Milieubeheer

92

Emissies

13

Vergunningen

19

Mest

6

Afval

1

In totaal heeft de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet in mei 2009 tot 31 december 2016 528 verslagen van vaststelling ontvangen. Reeds in 81% van de gevallen werd een beslissing genomen in die periode. Zo werd in 263 dossiers een exclusieve bestuurlijke geldboete opgelegd, hetgeen neerkomt op 50% van het totaal aantal beslissingen, en werd in 36 dossiers beslist geen bestuurlijke geldboete op te leggen of werd vastgesteld dat het verslag van vaststelling niet onder het toepassingsgebied viel van het Milieu­hand­havings­ decreet. Tevens kan worden vastgesteld dat 129 dossiers werden afgehandeld met de verkorte procedure, namelijk de bestuurlijke transactie.

Tabel 49: Verslagen van vaststelling ontvangen door de LNE-­ AMMC, per onderwerp, in 2016

Tabel 49 toont aan dat 70% van het totaal aantal verslagen van vaststelling handelde over milieubeheer en 14,5% over vergunningen. Daarnaast handelde 10% van de 131 ontvangen verslagen van vaststelling over emissies en slechts 0,01% over afval. Er werd de LNE-AMMC gevraagd aan te geven welke beslissingen in 2016 werden genomen ten aanzien van ontvangen verslagen van vaststelling. Tabel 48 geeft een overzicht van de in 2016 genomen beslissingen in het kader van de exclusieve bestuurlijke geldboeten. Op basis van de gegevens van de ­vorige Milieu­

BESLISSINGEN I.H.K.V. EXCLUSIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETEN

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verslag van Vaststelling ontvangen door AMMC

18

38

18

47

89

50

137

131

Behandeling/afhandeling dossiers in het kader van Exclusieve bestuurlijke geldboete

4

13

36

52

65

31

127

100

Beslissing hield geen geldboete in

1

0

2

3

0

4

10

6

Beslissing hield een geldboete in

3

5

32

49

54

20

68

32

(Voorgestelde en) bestuurlijke ­transactie werd betaald

/

/

/

0

11

7

Verslag van Vaststelling viel niet onder het toepassingsgebied van titel XVI van het DABM

0

8

2

0

0

0

Tabel 50: Beslissingen genomen in het kader van exclusieve bestuurlijke geldboeten door AMMC

114

(65)

49 /

(92)

62 /


In tabel 51 wordt het kader waarbinnen de geldboetes werden opgelegd door de LNE-AMMC in 2016 weergegeven.

dossiers inzake vergunningen. Daarnaast had 6% van de dossiers betrekking op emissies en 9% op afval. In grafiek 20 wordt het kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werden voorgesteld in 2016 en het kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werden betaald in 2016 weergegeven.54

KADER WAARBINNEN EEN EXCLUSIEVE BESTUURLIJKE GELDBOETE WERD OPGELEGD Aantal ­dossiers zonder voordeel-­ ontneming:

Aantal dossiers met voordeel-­ ontneming:

Milieubeheer

19

0

Emissies

2

0

Vergunningen

9

1

Mest

0

0

Afval

1

0

Grafiek 20 geeft aan dat de LNE-AMMC in 2016 in totaal 92 bestuurlijke transacties voorstelde en dat bij 79% van deze voorstellen het dossier betrekking had op milieubeheer. Daarnaast had bij 11% van de voorstellen het dossier betrekking op emissies en 10% van de dossiers had betrekking op vergunningen. Op basis van de grafiek kan tevens worden vastgesteld dat in 2016 in totaal 62 keer werd ingegaan op het voorstel tot betaling in het kader van de procedure van de bestuurlijke transactie. Daar de betalingstermijn voor een bestuurlijke transactie 3 maanden bedraagt, werden bestuurlijke transacties die voorgesteld werden in 2015 pas betaald in 2016. Er kan echter, gelet op deze betalingstermijnen, op basis van de grafiek geen één-op-één relatie worden gemaakt tussen de voorstellen en de effectief betaalde bestuurlijke transacties.

Tabel 51: Kader waarbinnen een exclusieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd

Tabel 51 geeft aan dat nauwelijks 1 dossier van de in 2016 opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboeten gepaard ging met een voordeelontneming, en dat bij een dossier inzake vergunningen. Daarnaast kan worden vastgesteld dat meer dan helft van de dossiers waarin een exclusieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd, betrekking had op milieubeheer, 28% op

73

46

9

8

10

Kader waarbinnen de bestuurlijke transactie werd voorgesteld in 2016

8 0

Milieubeheer

Emissies

Vergunningen

0 Mest

0

0

Kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werden betaald in 2016

Afval

Grafiek 20: Kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werd voorgesteld en betaald, per milieuthema

54

Een deel van de in 2016 voorgestelde bestuurlijke transacties zullen worden betaald in 2017. Daarnaast werd er in 2016 ingegaan op bestuurlijke transacties die waren voorgesteldin 2015. De koppeling is dus niet 100% gelet op betalingstermijn van 3 maanden.

115


4.3 EVALUATIE VAN DE RECHTSPRAAK VAN HET MILIEUHANDHAVINGSCOLLEGE Het Milieuhandhavingscollege (MHHC) is een onafhankelijk administratief rechtscollege dat werd opgericht naar aanleiding van artikel 16.4.19 van het DABM. Het doet uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (LNE-AMMC) houdende de oplegging van een alternatieve of exclusieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, die werden genomen na de vaststelling van een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf. De beslissingen die het Milieuhandhavingscollege kan nemen, zijn opgenomen in artikel 16.4.19, §3, van het Milieu­hand­havings­decreet: het Milieuhandhavingscollege is niet bevoegd

om het beroep te behandelen, in welk geval het beslist tot afwijzing van het beroep; het beroep is onontvankelijk. Ook in dit geval beslist het Milieuhandhavingscollege tot een afwijzing van het beroep zonder tot een behandeling ten gronde te kunnen overgaan; het beroep is ongegrond. Het Milieuhandhavings­ college beslist in dit geval eveneens tot een ­afwijzing van het beroep, evenwel na de behandeling ten gronde ervan. Deze beslissing houdt een bevestiging in van de bestreden beboetingsbeslissing op het beroepen aspect; het beroep is gegrond. In dit geval vernietigt het Milieuhandhavingscollege de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk, in welk geval (in regel) de LNE-AMMC een nieuwe beslissing kan nemen, behoudens in die gevallen waarin zij niet of niet meer bevoegd is. Het Milieuhandhavingscollege kan evenwel ook zelf een beslissing nemen over het bedrag van de geldboete en, in voorkomend geval, de voordeelontneming, en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt.

Ook het Milieuhandhavingscollege werd bevraagd door de VHRM naar zijn activiteiten in 2016. Er werd gevraagd naar het aantal ontvangen beroepen tegen beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van zowel milieumisdrijven als milieu-inbreuken. Tevens werd gevraagd hoe deze beroepen werden behandeld. Tabel 52 geeft de activiteiten van het Milieuhandhavingscollege in 2016 weer met betrekking tot de ingediende beroepen tegen beslissingen van de LNE-AMMC.

116

In het vorige onderdeel werd aangegeven dat de LNE-AMMC in 2016 1.083 alternatieve bestuurlijke geldboeten heeft opgelegd. In tabel 52 kan worden vastgesteld dat het Milieuhandhavingscollege in 2016 138 beroepen heeft ontvangen ten aanzien van de beslissingen van de LNE-AMMC met betrekking tot de opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboeten. Dit houdt dus in dat tegen bijna 13% van de beslissingen van de LNE-AMMC een beroep werd ingediend. Er is echter geen sluitende één-op-één relatie. Dit percentage kan immers niet exact worden weergegeven aangezien de overtreder over een termijn van 30 dagen beschikt, die ingaat op de dag die volgt op de kennisgeving van de beslissing van de LNE-AMMC, om een beroep in te dienen bij het Milieuhandhavingscollege. Dit betekent dat eventueel nog een beroep zou kunnen zijn ingediend tegen die beslissingen van de LNE-AMMC genomen in de laatste dertig dagen van 2016. Dit wordt op zijn beurt wellicht weer geneutraliseerd door het feit dat de beroepen ontvangen in 2016 ook nog betrekking kunnen hebben op beslissingen genomen in de laatste dertig dagen van 2015. In vergelijking met 2015 en 2014 kan worden vastgesteld dat het “beroepspercentage” ten aanzien van de beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van de alternatieve bestuurlijke geldboeten ongeveer stabiel is gebleven. In het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2015 bedroeg de verhouding immers 11% en in 2014 12%. Indien wordt gekeken naar de periode sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingscollege tot en met 2016 kan een beroepspercentage iets meer dan 10% worden vastgesteld aangezien bij het Milieuhandhavingscollege in totaal 602 beroepen werden geregistreerd en de LNE-AMMC in die periode in totaal 5.725 alternatieve bestuurlijke geldboetes had opgelegd. Tabel 52 geeft onder meer aan dat het Milieuhandhavingscollege in 2016 140 beroepen registreerde en in 2016 in totaal 133 arresten werden geveld. Van het totaal aantal ingediende beroepen ten aanzien van de opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboeten werd 18% onontvankelijk verklaard, bijna 36% van de beroepen werd ongegrond verklaard met bevestiging van de boete zoals opgelegd door de LNE-AMMC en 9% van de ingediende beroepen werd geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard met de vermindering of de vernietiging van de boete als gevolg. Bij 4% van de arresten in 2016 werd een tussenarrest geveld in 2016.


In totaal ontving het Milieuhandhavingscollege sinds zijn inwerkingtreding tot en met 2016 602 beroepen ten aanzien van alternatieve bestuurlijke geldboetes opgelegd door de LNE-AMMC en werden in diezelfde periode 456 (tussentijdse) beslissingen genomen, hetgeen neerkomt op bijna 76%. In het kader van de door de LNE-AMMC opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboeten in 2016, geeft tabel 50 een “beroepsgraad” weer van slechts minimaal 6%. In het vorige onderdeel werd namelijk aangegeven dat de LNE-AMMC in 2016 32 exclusieve bestuurlijke geldboetes heeft opgelegd, terwijl het Milieuhandhavingscollege in 2016 2 beroepen ontving in het kader van exclusieve bestuurlijke geldboeten. Er is echter geen sluitende één-op-één relatie. Het percentage van de beroepsgraad kan immers verschillen aangezien de overtreder een termijn heeft van 30 dagen, die ingaat op de dag die volgt op de kennisgeving van de beslissing van de LNE-AMMC, om een beroep in te dienen bij het Milieuhandhavingscollege. Dit betekent dat eventueel nog een beroep zou kunnen zijn ingediend tegen die beslissingen van de LNE-AMMC genomen in de laatste dertig dagen van 2016. In het Milieu­hand­havings­rapport 2015 werd aangegeven dat het Milieuhandhavingscollege in 2015 1 beroep ontving tegen beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van milieu-inbreuken. De LNE-AMMC heeft in 2015 68 exclusieve bestuurlijke geldboetes

opgelegd. Dit betekent dat de “beroepsgraad” in 2015 slechts 1% bedroeg. In 2014 werden 20 exclusieve bestuurlijke geldboetes opgelegd door de LNE-AMMC en werden 8 beroepen ingediend bij het Milieuhandhavingscollege, hetgeen een beroepsgraad betekent van 40%. Indien wordt gekeken naar de periode sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingscollege tot en met 2016 kan een beroepspercentage van minder dan 11% worden vastgesteld aangezien bij het Milieuhandhavingscollege in totaal 28 beroepen werden geregistreerd en de LNE-AMMC in die periode in totaal 263 exclusieve bestuurlijke geldboetes had opgelegd. Tabel 50 geeft aan dat het Milieuhandhavingscollege in 2016 2 beroepen ontving ten aanzien van de opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboeten en in 2016 4 beslissingen nam ter zake. Er werd één beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, met vermindering/ kwijtschelding van de boete, verklaard en er werd 1 tussentijds arrest geveld. In totaal ontving het Milieuhandhavingscollege sinds zijn inwerkingtreding tot en met 2016 28 beroepen ten aanzien van exclusieve bestuurlijke geldboetes opgelegd door de LNE-AMMC en werden in diezelfde periode 26 (tussentijdse) beslissingen genomen, hetgeen neerkomt op bijna 93% van het totaal aantal beroepen.

BEROEPEN EN ARRESTEN I.H.K.V. MILIEUMISDRIJVEN EN MILIEU-INBREUKEN BEROEPEN

Milieumisdrijven

Milieu-inbreuken

Totaal

138

2

140

Milieumisdrijven

Milieu-inbreuken

Totaal

Beroep onontvankelijk (na vereenvoudigde procedure)

23

2

25

Beroep ongegrond, boete bevestigd

49

1

50

Beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, met vermindering/kwijtschelding boete

13

-

13

Beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, beslissing AMMC vernietigd zonder meer

17

-

17

Inwilliging afstand van beroep

3

-

3

Beroep zonder voorwerp verklaard

20

-

20

Tussenarrest

4

1

5

129

4

133

Ontvangen in 2016 ARRESTEN

Totaal

Tabel 52: Ontvangen beroepen tegen beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van milieumisdrijven en milieu-inbreuken door het Milieuhandhavingscollege in 2016 en de resultaten van de behandeling ervan

117


4.4 EVALUATIE VAN HET GEVOERDE SANCTIONERINGSBELEID DOOR DE VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ Niet alleen de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (LNE-AMMC) kan bestuurlijke geldboetes opleggen. De Vlaamse Landmaatschappij heeft reeds met de inwerkingtreding van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen - algemeen bekend als het Mestdecreet - de bevoegdheid gekregen om bestuurlijke geldboetes op te leggen. Het Mestdecreet bepaalt in artikel 63 limitatief voor welke inbreuken door de VLM administratieve geldboetes kunnen worden opgelegd. In dit artikel zijn tevens de berekeningen van de boetebedragen vermeld. Artikel 71 van voornoemd decreet bepaalt vervolgens voor welke inbreuken er een proces-verbaal dient te worden opgesteld. De administratieve geldboetes kunnen betrekking hebben op volgende inbreuken: balans stikstof en fosfaat; overbemesting perceel; meer dieren dan nutriëntenemissierechten; niet bewezen mestafzet; melding en afmelding vervoer; laattijdige melding vervoer; vervoer zonder bewijs van verzending of overhandiging burenregeling; niet afsluiten of melden van een burenregeling; transporten zonder juist of onvolledig mestafzetdocument; het niet-opstellen van een inscharingscontract verzuim aangifteplicht; foutieve aangifte; niet bijhouden register; nutriëntenbalansen niet ter inzage; vervoer zonder verplichte documenten; verzet gebruik Sanitel; niet of niet-correct gebruik AGR-GPS; mestverwerkingsplicht en verwerking 25% NER; mestuitscheidingsbalansen: ter inzage en bij aangifte; vervoer erkende verzenders: melding of afmelding; vervoer erkende verzenders: zonder verzenddocument; nitraatresidu in risicogebied: overschrijding; nitraatresidu in risicogebied: verzet staalnames en nitraatresidu (zowel in als buiten risicogebied): teeltplan en bemestingsplan/register; het niet of niet correct laten uitvoeren van nitraatresidubepalingen of het niet naleven van de opgelegde maatregelen; een burenregeling uitvoeren waarbij het trekkend voertuig geen eigendom is van de aanbieder of de afnemer van de mest; en een burenregeling uitvoeren zonder het vervoer tijdig te melden aan de Mestbank. De Vlaamse Landmaatschappij werd daarom niet enkel bevraagd naar het aantal milieu­ hand­ havingscontroles dat werd uitgevoerd in 2016 en welk gevolg werd gegeven aan deze controles, zoals omschreven in de hoofdstukken 2 en 3, maar tevens 118

werd gevraagd hoeveel bestuurlijke geldboetes VLM heeft opgelegd in het kader van de door de VLM opgestelde inspectieverslagen en voor welke inbreuken. Tabel 53 geeft het aantal terreinvaststellingen en het aantal bestuurlijke boetes opgelegd door de VLM in 2016 weer. In tabel 53 wordt weergegeven dat de VLM in 2016 2.664 boetes heeft opgelegd naar aanleiding van 72 terreinvaststellingen. Het verschil tussen het aantal op het terrein vastgestelde inbreuken en het aantal opgelegde boetes is afkomstig door de termijn voor oplegging van de boetes. Niet voor alle vaststellingen van 2016 werd de boete ook in 2016 opgelegd. De opgelegde boetes in 2016 kunnen nog betrekking hebben op vaststellingen van de voorgaande jaren en anderzijds kan het dat vaststellingen in 2016 pas in 2017 werden beboet. Daarnaast zijn de opgelegde boetes in 2016 afkomstig van zowel overtredingen vastgesteld op het terrein als van administratieve controles. Dit betekent dat een deel van de boetes administratief werd opgelegd naar aanleiding van de controle van de databank en deze ook niet worden weerspiegeld in het aantal terreinvaststellingen. Een beperkt aantal boetes van vaststellingen uit het jaar 2016 werden nog niet effectief opgelegd en werden dus nog niet meegeteld in de rapportage. In tabel 51 wordt onder meer aangegeven dat 28% van het totaal aantal opgelegde boetes werd opgelegd omwille van het verzuimen aan de aangifteplicht en 5% omwille van het niet-voldoen aan de mestverwerkingsplicht.


ADMINISTRATIEVE BOETES EN TERREINVASTSTELLINGEN DOOR VLM IN 2016 OPGELEGD VOLGENS DE BEPALINGEN OPGENOMEN IN HET MESTDECREET Aantal terreinvaststellingen

Aantal boetes

Bestuurlijke boetes opgelegd door de VLM volgens de bepalingen opgenomen in het Mestdecreet betreffende:

72

2.664

63 § 3 de overbemesting van een perceel

0

6

63 § 10 de laattijdige namelding van vervoer

0

1

63 § 11 het vervoeren zonder bewijs van verzending of overhandiging burenregeling

0

1

63 § 15 een foutieve aangifte

0

2

63 § 16 het niet bijhouden van het register

0

1

63 § 18 het vervoer zonder verplichte documenten

0

2

63 § 20 het niet of niet-correct gebruik van AGR-GPS

0

4

63 § 32 voormelding van het uitvoeren van een burenregeling

0

2

63 § 1 Balans stikstof en fosfaat

0

37

63 § 3 Voldoen aan de mestverwerkingsplicht

0

138

63 § 5 Overbemesting van een perceel (percelen met een nul bemestingsbeperking of het opbrengen van een dubbele hoeveelheid dan decretaal toegelaten)

8

8

63 § 6 Verzuim of foutief indienen van de aangifte

1

749

63 § 9 Mitraatresidubepaling niet of niet correct laten uitvoeren

0

97

63 § 10 Het niet uivoeren van opgelegde maatregelen volgens het Mestdecreet

2

2

63 §12 2° Foutief of niet na- of afmelden van een transport door de erkende mestvoerder

11

9

63 § 12 3° Foutief of niet na- of afmelden door de erkend verzender

0

1

63 § 12 5° De burenregeling foutief of niet na- of afmelden

1

0

63 § 12 6° Transport van meststoffen zonder opmaak documenten door de mestvoerder

7

3

63 § 12 7° Het niet opmaken van de burenregeling

8

12

63 § 12 9° De aanbieder of afnemer van mest die behoorde te weten dat de vereiste documenten niet werden opgemaakt

8

12

63 § 12 10° Geen of niet correct gebruik van AGR-GPS

11

10

63 § 12 12° De aanbieder of afnemer van mest die een bepaalde methode diende te gebruiken om de mestsamenstelling te bepalen en deze niet heeft gebruikt

0

1

63 § 12 13° De mestvoerder die behoorde te weten dat de mestsamenstelling niet volgens de correcte methode bepaald werd

3

3

63 § 12 14° De aanbieder of afnemer die mest transporteert met een niet-geldige analyse

6

3

63 § 13 Lichte overtredingen i.v.m. transportdocumenten

6

5

Tabel 53: Aantal en aard van de bestuurlijke geldboetes opgelegd door de Vlaamse Landmaatschappij

119


120

Š Viktor Hanacek


5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN In dit onderdeel zal een overzicht worden geboden van de conclusies inzake de evaluatie van het uitgevoerde milieu­hand­havingsbeleid inzake het gebruik van het instrumentarium en inzake het sanctioneringsbeleid in 2016. Vervolgens zullen in dit onderdeel, op basis van de geformuleerde conclusies en inzichten, aanbevelingen worden geformuleerd voor de verdere ontwikkeling van het milieuhandhavingsbeleid.

5.1 INSPANNINGEN Gewestelijke toezichthouders Op basis van de gegevens uit het tweede hoofdstuk kan worden geconcludeerd dat in 2016 in totaal 765 gewestelijke toezichthouders waren aangesteld. Dit aantal is een stijging ten opzichte van de 741 en 711 aangestelde gewestelijke toezichthouders in respectievelijk 2015 en 2014. In totaal werd in 2016 186,95 VTE besteed aan milieuhandhavingstaken door de gewestelijke toezichthoudende instanties, waarvan 171,51 door de toezichthouders en 15,44 VTE door niet-toezichthouders aan administratieve ondersteuning. In 2015 bedroeg het totaal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken door de toezichthoudende instanties nog 181,72 VTE en in 2014 174,72 VTE. Dus niet enkel het aantal toezichthouders nam toe in 2016, ook de tijdbesteding aan milieu­ hand­ havingstaken. Anderzijds kon worden vastgesteld dat het aantal uitgevoerde milieu­hand­ havingscontroles door deze gewestelijke toezichthouders is afgenomen in 2016 ten opzichte van 2015. In 2016 werden immers in totaal 33.159 controles uitgevoerd door de gewestelijke toezichthouders, terwijl dit aantal in 2015 37.625 bedroeg. Deze ogenschijnlijk sterke daling – die nog een steeds ruim boven de 27.558 controles in 2014 ligt – in het aantal uitgevoerde controles is er ondanks de toename van het aantal aangestelde toezichthouders en het aantal VTE besteed aan handhavingstaken. De daling valt voornamelijk te verklaren door het aantal ‘Integraal Milieu­ jaar­ verslag’-controles dat door de OVAM werd waargenomen. Er kan voor 2016 ook een daling worden vastgesteld van het gemiddelde aantal controles per toezichthouder en het gemiddelde aantal controles per VTE. Het gemiddelde aantal controles per toezichthouder bedroeg in 2013 40, in 2014 39 en in 2015 steeg dit naar gemiddeld 51 milieu­hand­havingscontroles per toezichthouder. In 2016 daalde dit met 43 controles terug tot net boven het niveau van 2013. Het gemiddelde aantal controles per VTE bedroeg in 2013 175, in 2014 158, in 2015 207 en in 2016 177.

Met betrekking tot de inspanningen die door de gewestelijke toezichthoudende instanties werden geleverd, kan aldus, gelet op de stijging in het aantal aangestelde gewestelijke toezichthouders en het aantal VTE besteed aan handhavingstaken een positieve evolutie worden vastgesteld in 2016. De daling van het aantal uitgevoerde milieu­hand­havingscontroles ten opzichte van 2015 wordt nagenoeg volledig verklaard doordat OVAM in 2016, zoals gepland, minder controles uitvoerde. Lokale en Federale politie De gegevens inzake de politie, lokaal en federaal, tonen aan dat in 2016 in totaal 12.968 processen-verbaal werden opgesteld inzake milieu in het Vlaamse Gewest. Ongeveer 98% van deze processen-verbaal werd opgesteld door de Lokale politie en 2% door de Federale politie. Meer dan 22% van deze processen-verbaal had betrekking op ‘afval door particulieren’. In 2015 werden in totaal nog 13.373 processen-verbaal opgesteld door de politiediensten. De Federale politie heeft in 2016, in het kader van het Nationaal Veiligheidsplan 2016-2019, 497 proactieve controles uitgevoerd in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Dit is een daling ten opzichte van de 595 proactieve controles uitgevoerd in 2015. Met betrekking tot de Lokale politie leren de gegevens uit hoofdstuk 2 dat in 2016 slechts 29% van de 72 responderende politiezones beroep kon doen op een toezichthouder aangesteld binnen het eigen korps. Dit is een daling ten opzichte van 2015 toen bijna 46% van de 70 responderende politiezones beroep konden doen op minstens één toezichthouder in het eigen korps. Deze daling wordt mogelijks verklaard door een daling van het aantal aangestelde toezichthouders in de klasse met 50.000-74.999 inwoners. In deze klasse viel het aantal aangestelde toezichthouders terug van 25 naar 10, hetgeen een daling met 60% uitmaakt. Zowel het totaal aantal toezichthouders binnen de politiezones daalde het afgelopen jaar, ook het gemiddelde aantal toezicht121


houders per politiezone met minimum één toezichthouder nam in 2016 af ten opzichte van 2015 en 2014. In 2014 bedroeg deze verhouding 1,84, in 2015 1,88 en in 2016 1,71. Het aantal VTE besteed aan milieu­ hand­havingstaken door deze toezichthouders nam desondanks slechts licht af in 2016, namelijk 25,5 VTE, ten opzichte van 2015, toen 26 VTE werd besteed aan milieu­hand­havingstaken, hetgeen echter wel nog steeds een daling betekent ten opzichte van de 28 VTE besteed in 2014. Dit betekent dat ook de gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder de afgelopen jaren licht fluctuerend is, maar algemeen kan worden gesteld dat de gemiddelde toezichthouder van de lokale politie minstens halftijds – tot in 2016 zelfs 71% van zijn tijd – bezig is met milieu­hand­ havingstaken. Voor 2016 kon daarnaast een gemiddelde tijdsinzet worden berekend van 1,21 VTE aan milieu­hand­havingstaken in de politiezones die een toezichthouders hebben aangesteld binnen het eigen korps. In 2014 bedroeg de gemiddelde tijdsinzet 0,86 VTE en in 2015 0,83 VTE. In 2016 werden in totaal 3.550 milieu­ hand­ havingscontroles uitgevoerd – waarvan 77% uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen – door de 36 toezichthouders aangesteld binnen de lokale responderende politiezones. Dit is een daling ten opzichte van de 5.661 controles, uitgevoerd door 60 toezichthouders in 2015 en de 4.900 milieu­hand­ havingscontroles uitgevoerd door 59 toezichthouders in 2014. De daling in het aantal controles in 2016 ten opzichte van 2015 ligt voornamelijk in de klasse met 50.000-74.999 inwoners, waarin zoals eerder vermeld 60% minder toezichthouders waren aangesteld. In deze klasse daalde het aantal uitgevoerde controles van 1.531 in 2015 naar slechts 188 in 2016. Het gemiddelde aantal milieu­hand­havingscontroles per toezichthouder steeg tot 99 controles in 2016, terwijl dit er in 2014 83 en in 2015 94 waren. De aangestelde toezichthouders van de responderende politiezones hebben gemiddeld gezien dus meer controles uitgevoerd, maar in absoluut aantal is het aantal controles met 37% gedaald ten opzichte van 2015. Tevens daalde het gemiddelde aantal controles per VTE van 177 in 2014, naar 215 in 2015 tot 139 milieu­hand­havingscontroles per VTE in 2016. In vergelijking met de gewestelijke toezichthouders en de gemeentelijke toezichthouders (zie verder), kan bij de toezichthouders van de Lokale politie het hoogst aantal controles per toezichthouder en de hoogste gemiddelde tijdsbesteding per toezichthouder worden vastgesteld.

122

Provincies Inzake de activiteiten van de provinciegouverneurs met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen kan worden geconcludeerd dat de provinciegouverneurs in 2016 nauwelijks vragen/verzoeken hebben ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen noch hebben de provinciegouverneurs ambtshalve bestuurlijke maatregelen opgelegd. Slechts één provincie­ gouverneur, deze van de provincie Antwerpen, ontving vragen of verzoeken tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen. Er werd in 2016 1 veiligheidsmaatregel genomen of opgelegd door de provinciegouverneur van de Provincie Antwerpen. Slechts twee van de vijf provincies hadden in 2016 samen 15 aangestelde provinciale toezichthouders. Er werd binnen deze twee provincies in totaal 1,1 VTE besteed aan milieuhandhavingstaken in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet. Er werden in totaal 59 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de provinciale toezichthouders. Gemeenten Net zoals de provinciegouverneurs hebben de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten bevoegdheden inzake bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaatregelen in het kader van het Milieu­ hand­havings­decreet. In 2016 heeft slechts 10% van de 182 responderende burgemeesters een verzoek of een vraag ontvangen tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Een gelijkaardig percentage, namelijk 14,3%, kon worden berekend voor het aantal burgemeesters dat ook effectief een bestuurlijke maatregel heeft opgelegd in 2016. In totaal ontvingen de responderende burgemeesters samen 24 vragen/verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Dit is een sterke daling ten opzichte van de vorige jaren, zo werden in 2015 en 2014 nog respectievelijk 123 en 193 vragen/verzoeken ontvangen. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de responsgraad, die voor 2016 slechts 59% bedraagt ten opzichte van 79% voor 2015 en 79% voor 2014. Daarnaast wordt in het tweede hoofdstuk weergegeven dat in totaal 55 bestuurlijke maatregelen werden opgelegd door de burgemeesters. Ook dit is een sterke daling ten opzichte van 2015, waarbij opnieuw moet worden verwezen naar de lage responsgraad voor 2016. Het merendeel, namelijk 62%, van de in 2016 opgelegde bestuurlijke maatregelen waren bevelen tot regularisatie. Inzake de veiligheidsmaatregelen kon worden vastgesteld dat slechts 2% van de responderende burgemeesters in 2016 samen 7 vragen hadden ontvangen tot het opleggen van een veiligheidsmaatregel. Daarnaast


heeft 4% van de responderende burgemeesters ook effectief een veiligheidsmaatregel opgelegd in 2016. In totaal werden er 22 veiligheidsmaatregelen opgelegd door de burgemeesters. Met betrekking tot de hinderlijke inrichtingen in de Vlaamse steden en gemeenten tonen de gegevens in hoofdstuk 2 aan dat in 2016 154 van de in totaal 182 responderende gemeenten samen 9.874 klasse 1-inrichtingen en 28.656 klassen 2-inrichtingen hadden op hun grondgebied. De overige 29 gemeenten deelden mee geen zicht te hebben op het aantal klasse 1-inrichtingen en klasse 2-inrichtingen op hun grondgebied. Het aantal gemeenten dat geen zicht heeft op het aantal klasse 3-inrichtingen ligt iets hoger, met name 23% van de in totaal 182 responderende gemeenten. In 2016 hadden de andere 140 gemeenten samen 101.823 klasse 3-inrichtingen op hun grondgebied. Daarnaast kon worden vastgesteld dat niet minder dan 96 van de responderende gemeenten aangaf kennis te hebben van niet minder dan in totaal 6.915 niet-vergunde, maar vergunnings- of meldingsplichtige, inrichtingen. In 2015 bedroeg dit aantal 9.176 en in 2014 2.847. De overige 86 gemeenten gaven aan het aantal niet-vergunde inrichtingen niet te kennen of geen niet-vergunde inrichtingen op hun grondgebied te hebben. De gegevens inzake het aantal hinderlijke klasse 2-inrichtingen lieten het toe te berekenen of de gemeenten al dan niet voldeden aan de bepalingen in het Milieu­hand­havings­decreet inzake het aanstellen van een minimum aantal toezichthouders binnen de eigen gemeente, de politiezone of/en de intergemeentelijke verenigingen. Er kan worden geconcludeerd dat minimum 14% en maximum 20% van de responderende gemeenten geen beroep konden doen op voldoende toezichthouders in 2016. Achtien van de 182 responderende gemeenten kon in 2016 zelfs helemaal geen beroep doen op een toezichthouder. Indien het aantal hinderlijke inrichtingen niet exact of onvoldoende is gekend, kan het aantal toezichthouders waarop een gemeente beroep moet kunnen doen ook worden bepaald aan de hand van het inwonersaantal. Indien dit criterium wordt gehanteerd, kan eveneens worden vastgesteld dat 2% van de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners in 2016 nog niet voldeed aan de bepalingen ter zake in het Milieu­hand­havings­decreet.

ten zonder gemeentelijke toezichthouder. Ten opzichte van 2015 kan zowel een daling van het aantal toezichthouders worden vastgesteld als een daling van het totaal aantal VTE besteed aan milieuhandhavingstaken worden vastgesteld. De gemiddelde tijdsbesteding per gemeentelijke toezichthouder aan milieuhandhavingstaken in 2016 bedroeg 0,20 VTE, hetgeen betekent dat de gemiddelde toezichthouder voor 20% wordt ingezet voor het uitvoeren van milieu­hand­havingstaken. In 2015 bedroeg de gemiddelde tijdsbesteding 0,22 VTE per toezichthouder en in 2014 nog 0,25 VTE per toezichthouder. Ter vergelijking kan worden meegedeeld dat in 2016 de gemiddelde tijdsbesteding van de gewestelijke toezichthouder 0,24 VTE bedraagt en deze van de toezichthouder van de Lokale politie 0,71 VTE. In 2016 werden in totaal 3.561 milieu­ hand­ havingscontroles – waarvan bijna 66% uitgevoerd naar aanleiding van klachten en meldingen – uitgevoerd door de 191 gemeentelijke toezichthouders. Dit is een daling ten opzichte van de 5.661 controles, uitgevoerd door 263 toezichthouders in 2015. De eerder vermelde kanttekening inzake de responsgraad geldt ook hier. De gegevens inzake het aantal controles werden 2016 aangereikt door 182 responderende gemeenten, terwijl deze voor 2015 gebaseerd zijn op 255 responderende gemeenten. Het gemiddeld aantal milieuhandhavingscontroles per toezichthouder was 18 controles in 2014 en bleef met 19 controles per toezichthouder in 2016 gelijk op het niveau van 2015. Tevens steeg het gemiddelde aantal controles per VTE van 87 controles in 2015 tot 92 controles per VTE in 2016. In 2014 bedroeg dit 81 controles per VTE. Met betrekking tot de organisatie van milieuhandhaving binnen intergemeentelijke verenigingen kon worden vastgesteld dat in 2016 62 gemeenten, al dan niet gedeeltelijk, beroep deden op 4 intergemeentelijke verenigingen voor de organisatie van hun milieu­ hand­having. Dit betekent dat 20% van het totaal aantal Vlaamse steden en gemeenten op één of andere manier beroep doet op een intergemeentelijke vereniging met betrekking tot de handhaving van de milieuregelgeving op hun grondgebied. Binnen deze 4 intergemeentelijke verenigingen waren in totaal samen 15 toezichthouders aangesteld en werd in totaal 4,01 VTE besteed aan milieu­ hand­ havingstaken. Er werden door deze toezichthouders 207 milieu­hand­ havingscontroles uitgevoerd.

Aangaande de gemeentelijke toezichthouders kon worden vastgesteld dat in totaal 191 gemeentelijke toezichthouders waren aangesteld in 2016 binnen 132 gemeenten met enkel gemeentelijke toezichthouders die samen in totaal 38,77 VTE hebben besteed aan milieuhandhavingstaken. Er waren 18 gemeen123


5.2 INSTRUMENTEN Het derde hoofdstuk van dit Milieu­ hand­ havings­ rapport handelt over de inzet van de afzonderlijke milieu­hand­havingsinstrumenten in 2016. Controles en overtredingen In 2016 werden in totaal 40.337 milieu­ hand­ havingscontroles uitgevoerd door de gewestelijke toezichthouders, de provinciale toezichthouders, de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie. Dit is een daling ten opzichte van de 48.419 milieuhandhavingscontroles uitgevoerd in 2015, doch het aantal blijft nog boven het niveau van 2014 toen 36.921 milieu­ hand­ havingscontroles werden uitgevoerd. Bij 83% van de uitgevoerde milieu­ hand­ havingscontroles werd geen overtreding vastgesteld. Bij slechts 6.757 controles werd wel een overtreding vastgesteld. Het zijn voornamelijk de gemeentelijke toezichthouders die controles uitvoeren waarbij een overtreding werd vastgesteld. Bij bijna de helft van alle controles die worden uitgevoerd door de gemeentelijke toezichthouders werd een overtreding vastgesteld. Bij de toezichthouders van de Lokale politie bedraagt deze verhouding slechts 1 op 5, ondanks het feit dat 77% van de controles werd uitgevoerd op basis van klachten en meldingen. Bij slechts 13% van de controles uitgevoerd door de gewestelijke toezichthouders werd een overtreding vastgesteld. In 2015 werd bij 77% van het totaal aantal uitgevoerde controles geen overtreding vastgesteld. In 2014 was dit 73% en in 2013 en 2012 slechts 63% van het totaal aantal uitgevoerde controles. Dit betekent dat het gegeven dat bij ongeveer 33% van de milieu­ hand­ havingscontroles een overtreding werd vastgesteld, is veranderd naar de vaststelling van een overtreding van minder dan 20% van de milieu­ hand­havingscontroles. Er vinden de laatste jaren dus steeds minder controles plaats waarbij een overtreding wordt vastgesteld. Deze verandering zou kunnen wijzen op een verhoogde nalevingsgraad of op een gebrek aan een risicogerichte benadering. Bij 5% van de in totaal 6.757 controles waar een overtreding werd vastgesteld, werd geen verdere actie ondernomen ten aanzien van de vastgestelde overtreding. Dit is een lichte terugval ten opzichte van de 2% in 2015, doch nog steeds een verbetering ten opzichte van de gegevens van het Milieu­hand­havings­ rapport 2014 en 2013, toen nog bij respectievelijk 9% en 15% van de controles waar een overtreding werd vastgesteld geen verdere actie werd ondernomen ten 124

aanzien van de vastgestelde overtreding. Net zoals in 2015 was van slechts 1% van de in totaal 40.337 uitgevoerde milieuhandhavingscontroles in 2016 het resultaat onbekend. Dit is een daling ten opzichte van 2014 en 2013, toen deze verhouding respectievelijk 5% en 11,5% bedroeg. Deze daling wijst op een aanhoudende verbetering in de monitoring bij de toezichthoudende instanties. Raadgevingen en aanmaningen In 2016 werden in totaal 6.299 raadgevingen geformuleerd bij een totaal van 33.580 controles waarbij geen overtreding werd vastgesteld. Dit komt neer op 19%. In 2014 bedroeg deze verhouding 7% (in totaal 1.895 aanmaningen) en in 2015 14% (in totaal 5.152 aanmaningen). Net zoals voorgaande jaren gebruikten de gewestelijke toezichthoudende instanties, met uitzondering van het VAZG, het instrument raadgeving beduidend minder dan de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de Lokale politie. Het instrument aanmaning was ook in 2016 een veel gebruikt instrument. Bij 58% van alle controles waar een overtreding werd vastgesteld, werd een aanmaning geformuleerd. In totaal werden in 2016 niet minder dan 3.924 aanmaningen geformuleerd tijdens 6.757 controles waar een overtreding werd vastgesteld. In 2015 en 2014 bedroeg deze verhouding respectievelijk 81% en 47%. Ten opzichte van 2015 betekent dit een ruime daling van het procentuele aandeel van de aanmaningen ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, doch het aandeel blijft nog boven het niveau van 2014. Verslagen van vaststelling en processen-verbaal In vergelijking met de andere instrumenten kan algemeen worden vastgesteld dat het instrument verslag van vaststelling in 2016, net zoals voorgaande jaren, niet vaak wordt gebruikt. Er werden in totaal 214 verslagen van vaststelling opgesteld. Dit is echter wel een verdere toename ten opzichte van de 59 en 199 verslagen van vaststelling die respectievelijk in 2015 en 2014 werden opgesteld door de toezichthoudende instanties. De procentuele verhouding van het gebruik van het instrument ten aanzien van het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld, is sinds 2014 elk jaar met 1% gestegen en bedroeg in 2016 3%.


Bij 2.317 van de in totaal 6.757 controles waar een overtreding werd vastgesteld, werd een proces-verbaal opgesteld in 2016. Dit komt neer op een procentuele verhouding van 34%. In vergelijking met de procentuele verhouding van 26% in 2015 kan een procentuele stijging van het aantal controles waarbij een proces-verbaal werd opgesteld worden opgemerkt, ondanks het feit dat in absolute aantallen het aantal opgestelde processen-verbaal wel is gedaald van 2.890 in 2015 naar 2.317 in 2016. Dit kan worden verklaard door het feit dat het aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld van 11.196 in 2015 daalde naar 6.757 in 2016, zijnde 40% minder, terwijl het absolute aantal processen-verbaal slechts met 20% afnam ten opzichte van 2015. In 2014 werd bij 28% van het totaal aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld een proces-verbaal opgesteld ofwel 2.796 processen-verbaal op een totaal van 9.986 controles. Met betrekking tot het gebruik van het instrument proces-verbaal kan voor 2016 tevens worden vastgesteld dat 45%55 van de opgestelde processen-verbaal prioritaire processen-verbaal waren in het kader van de ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest’. Bestuurlijke maatregelen en veiligheidsmaat­ regelen In 2016 werden in totaal 380 bestuurlijke maatregelen opgelegd door de toezichthouders. Dit is een daling ten opzichte van de 585 bestuurlijke maatregelen opgelegd in 2015 en de 447 bestuurlijke maatregelen opgelegd in 2014. Procentueel gezien, ten opzichte van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld, blijft het aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen echter min of meer hetzelfde. In 2016 bedroeg deze verhouding 6%, in 2015 en 2014 5%. Daarnaast kon worden vastgesteld dat 10% van de opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2016 niet binnen de opgelegde termijn werden uitgevoerd. In 2015 bedroeg dit percentage nog 23% en in 2014 15%. Deze cijfers lijken erop te wijzen dat de bestuurlijke maatregelen het laatste jaar beter werden uitgevoerd. De gewestelijke toezichthouders hebben de mogelijkheid om de opgelegde bestuurlijke maatregelen te combineren met een bestuurlijke dwangsom. In 2016 werd dit instrument 1 keer gehanteerd door één actor, namelijk het ANB. De bestuurlijke dwangsom werd niet effectief ingevorderd.

betreffende besluiten houdende bestuurlijke maatregelen. Dit is een daling ten opzichte van de 43 beroepen die in 2015 werden ingediend en duikt onder het niveau aantal van de 38 beroepen die werden ingediend in 2013. De beroepsgraad bedroeg in 2016 9%. 31 van de 33 in 2016 ingediende beroepen werden ontvankelijk verklaard. Bij 26 van deze beroepen werd binnen de termijn uitspraak gedaan. Bij de overige 5 dossiers was de termijn waarbinnen de minister uitspraak moet doen nog niet verstreken op het moment van de rapportering. 35% van de uitspraken waren ongegrond verklaringen van het beroep, 35% van de uitspraken waren gedeeltelijke gegrond verklaringen en 12% volledige gegrondverklaringen. 19% van de beroepen werd zonder voorwerp verklaard. In 2016 werden 11 beroepen ingediend tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen. In 2015 en 2014 waren dit er nog respectievelijk 5 en 10. Van de in 2016 ingediende beroepen werden er 9 ontvankelijk verklaard waarvan er 3 gegrond en 3 beroepen ongegrond werden verklaard. In 2016 werden 80 veiligheidsmaatregelen opgelegd. Dit is een stijging ten opzichte van de 130 en de 97 veiligheidsmaatregelen die respectievelijk in 2015 en 2014 werden opgelegd. Het merendeel van de veiligheidsmaatregelen wordt opgelegd door de gemeentelijke toezichthouders.

In 2016 werden 33 beroepen bij de minister ingediend

55

Dit cijfer vormt enigszins een vertekend beeld, gelet op het feit dat sommige diensten effectief prioritaire processen-verbaal opstellen maar deze alzo niet benoemen. Er kan worden aangenomen dat het aandeel prioritaire processen-verbaal ten aanzien van het aandeel niet-prioritaire processen-verbaal in de realiteit hoger is.

125


5.3 SANCTIONERING In het onderdeel aangaande strafrechtelijke sanctionering in 2016 kan in hoofdstuk 4 worden vastgesteld dat 4.589 zaken ‘Milieuhandhaving’ werden geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest. 57% van deze zaken waren afkomstig van de algemene politie en 39% van de inspectiediensten. In 2015 werden er in totaal 5.020 zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd en in 2014 5.048. Meer dan 48%, oftewel 2.213 zaken, van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse gewest in 2016 had een voornaamste tenlasteleggingscode kaderend binnen het thema afval. Zaken in verband met emissies en milieubeheerrecht vertegenwoordigden respectievelijk 11% en 15% van het totaal aantal zaken van 2016. Daarnaast had 22% betrekking op vergunning en iets minder dan 4% op mest. Deze verhoudingen zijn min of meer gelijklopend met deze uit het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2015 en het Milieu­hand­havings­rapport 2014. In 2016 hadden 1.621 dossiers betrekking op sluikstorten. Dit betekent dat een aanzienlijk deel van het totaal aantal dossiers geregistreerd bij de correctionele afdelingen van de parketten in het Vlaamse Gewest betrekking had op sluikstorten, namelijk bijna 35%. Deze tendens kan ook worden vastgesteld in de ­vorige Milieu­hand­havings­rapporten. Tevens kan in hoofdstuk 4 worden vastgesteld dat meer dan 27% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten van het Vlaamse Gewest zich op de extractiedatum nog in vooronderzoek bevonden. Daarnaast werd reeds 24% zonder gevolg gesteld (seponering omwille van opportuniteitsredenen of technische redenen), in 2,7% werd een minnelijke schikking voorgesteld en 2,94% van het totaal aantal zaken was op de extractiedatum reeds gedagvaard. Verder was op de extractiedatum reeds 38% van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ overgemaakt aan de bevoegde dienst met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie. Het percentage van het totaal aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ dat werd overgemaakt aan de bevoegde dienst met het oog op opleggen van een administratieve sanctie is sterk gestegen sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet. In 2009 bedroeg dit percentage bijna 10%, in 2010 15%, in 2011 26%, in 2012 28%, in 2013 27%, in 2014 22%, in 2015 31% en in 2016 dus 38%. 126

Aangaande de motieven tot seponeren kan worden vastgesteld dat van de 1.089 zaken ‘Milieuhandhaving’ die op de extractiedatum reeds werden geseponeerd, 23% werd geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen. Daarnaast werd 77% geseponeerd omwille van technische redenen. In 2015 werd d.d. de extractiedatum 29% geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen en 71% omwille van technische redenen. In 2014 bedroeg deze verhouding 33% en 67%. Dit toont aan dat er steeds minder wordt geseponeerd omwille van opportuniteitsredenen. Inzake de bestuurlijke sanctionering kan in hoofdstuk 4 worden vastgesteld dat de LNE-AMMC in 2016 1.991 processen-verbaal heeft ontvangen van de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaamse Gewest met oog op het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete. In 2014 en 2015 werden respectievelijk 1.693 en 1.932 processen-verbaal ontvangen. Dit aantal is sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet blijven toenemen, al kunnen er nog steeds verschillen worden opgemerkt tussen de verschillende afdelingen van de parketten in het procentuele aandeel processen-verbaal ten aanzien van het totaal aantal geregistreerde zaken dat wordt overgemaakt aan de LNE-AMMC. 44% van de dossiers die in 2016 werden overgemaakt aan de LNE-AMMC waren processen-verbaal opgesteld door de Lokale politie. Daarnaast kon worden vastgesteld dat 46% betrekking had op afval. De LNE-AMMC heeft in 2016 2.297 door de parketten overgemaakte dossiers afgehandeld. In 1.083 van deze dossiers werd een alternatieve bestuurlijke geldboete opgelegd. In 371 dossiers werd beslist geen geldboete op te leggen en in 1.056 dossiers werd een bestuurlijke transactie voorgesteld. 843 voorstellen tot transactie werden in 2016 betaald. Bij 89 van de in totaal 1.083 opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboetes werd een voordeelontneming opgelegd. In het algemeen heeft de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­ hand­ havings­ decreet in mei 2009 in totaal 11.756 processen-verbaal ontvangen van de parketten. De LNE-AMMC heeft tussen 1 mei 2009 en 31 december 2016 een beslissing genomen in 83,8% van deze 11.756 dossiers. Er werden in deze periode 5.483 alternatieve bestuurlijke geldboetes opgelegd. Daarnaast werd in 1.790 dossiers beslist geen boete op te leggen of werd vastgesteld dat het proces-verbaal niet onder het toepassingsgebied van het Milieu­hand­havings­decreet viel. Daarnaast heeft de LNE-AMMC in 2016 131 verslagen


van vaststelling ontvangen met het oog op het opleggen van een exclusieve bestuurlijke geldboete voor de vastgestelde milieu-inbreuk. Het merendeel van deze verslagen van vaststelling, namelijk meer dan 93%, werd opgesteld door gewestelijke toezichthouders. Tevens kon worden vastgesteld dat 70% van deze verslagen van vaststelling handelde over milieubeheer en 14,5% over vergunningen. De LNE-AMMC heeft in 2016 100 beslissingen genomen in het kader van vastgestelde milieu-inbreuken. In bijna 32% van deze beslissingen werd een exclusieve bestuurlijke geldboete opgelegd, terwijl in 6 dossiers werd beslist geen geldboete op te leggen. Daarnaast werden 92 bestuurlijke transacties voorgesteld. In 2016 werden 62 voorstellen tot transactie werden betaald. Bij nauwelijks 1 dossier van de in totaal 32 opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboetes werd tevens een voordeelontneming opgelegd. In 2016 werd tegen 140 van de 1.083 door de LNE-AMMC opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboetes beroep aangetekend bij het Milieuhandhavingscollege, wat overeenkomt met een beroepspercentage van 13%. In vergelijking met 2015 en 2014 kan worden vastgesteld dat het beroepspercentage ten aanzien van de beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van de alternatieve bestuurlijke geldboeten ongeveer stabiel is gebleven. In het Milieu­hand­havings­rapport 2015 bedroeg de verhouding immers 11% en in 2014 12%. Het Milieuhandhavingscollege heeft in 2016 in totaal 133 arresten geveld aangaande de beroepen ingediend tegen door de LNE-AMMC opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboeten. 18% van de beroepen werd onontvankelijk verklaard, bijna 36% van de beroepen werd ongegrond verklaard en 9% van de ingediende beroepen werd geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard met de vermindering of de vernietiging van de boete als gevolg. Bij 4% van de arresten in 2016 werd een tussenarrest geveld in 2016. Indien wordt gekeken naar de periode sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingscollege tot en met 2016 kan een beroepspercentage van iets meer dan 10% worden vastgesteld aangezien bij het Milieuhandhavingscollege in totaal 602 beroepen werden geregistreerd en de LNE-AMMC in die periode in totaal 5.725 alternatieve bestuurlijke geldboetes heeft opgelegd. In diezelfde periode werden 456 (tussentijdse) beslissingen genomen door het Milieuhandhavingscollege, hetgeen neerkomt op bijna 76% van de geregistreerde beroepen.

2016 4 beslissingen genomen door het Milieuhandhavingscollege. Er werden door de LNE-AMMC 32 exclusieve bestuurlijke geldboetes opgelegd, zodat de beroepsgraad 6% bedraagt. Er werd één beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard met vermindering of kwijtschelding van de boete en er werd 1 tussentijds arrest geveld. In 2015 ontving het Milieuhandhavingscollege 1 beroep op een totaal van 68 opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboetes van de LNE-AMMC in het kader van milieu-inbreuken. Dit betekent dat de “beroepsgraad” in 2015 slechts 1% bedroeg. In 2014 werden 20 exclusieve bestuurlijke geldboetes opgelegd door de LNE-AMMC en werden 8 beroepen ingediend bij het Milieuhandhavingscollege, hetgeen een beroepsgraad betekent van 40%. Indien wordt gekeken naar de periode sinds de inwerkingtreding van het Milieuhandhavingscollege tot en met 2016 kan een beroepspercentage van minder dan 11% worden vastgesteld aangezien bij het Milieuhandhavingscollege in totaal 28 beroepen werden geregistreerd en de LNE-AMMC in die periode in totaal 263 exclusieve bestuurlijke geldboetes had opgelegd. In totaal ontving het Milieuhandhavingscollege sinds zijn inwerkingtreding tot en met 2016 28 beroepen ten aanzien van exclusieve bestuurlijke geldboetes opgelegd door de LNE-AMMC en werden in diezelfde periode 26 (tussentijdse) beslissingen genomen, hetgeen neerkomt op bijna 93% van het totaal aantal beroepen. Betreffende de bevoegdheid van de VLM tot het opleggen van administratieve geldboetes in 2016 kon in het laatste deel van hoofdstuk 4 worden vastgesteld dat 72 terreinvaststellingen hadden plaatsgevonden en er 2.664 boetes werden opgelegd.

Aangaande de door de LNE-AMMC opgelegde exclusieve bestuurlijke geldboetes ontving het Milieuhandhavingscollege 2 beroepen in 2016 en werden er in 127


5.4 AANBEVELINGEN Onderstaande aanbevelingen worden geformuleerd op basis van de vaststellingen gemaakt in dit Milieu­ hand­ havings­ rapport en ter optimalisatie van het milieuhandhavingsbeleid. Een aantal van deze aanbevelingen werden reeds geformuleerd in de vorige Milieu­hand­havings­rapporten, maar zijn nog steeds, gelet op de cijfergegevens aangaande 2016, actueel en worden daarom hernomen.

5.4.1 Lokale toezichthouders

jaren – responderende gemeenten zijn die geen beroep kunnen doen op een/voldoende aangestelde toezichthouder(s). In 2016 was dit het geval voor minimum 14% en maximum 20% van het aantal responderende gemeenten. In 2015 en 2014 bedroegen deze verhoudingen respectievelijk minimum 7% en maximum 8% en minimum 6,5% en maximum 10,5%. Er wordt daarom wederom aanbevolen dat ook deze gemeenten zich conformeren aan de bepalingen van het Milieu­hand­havings­decreet.

Het Milieu­hand­havings­decreet bevat bepalingen inzake de organisatie van de lokale handhaving en de aanstelling van lokale toezichthouders en provinciale toezichthouders. De cijfergegevens in dit Milieu­hand­ havings­rapport geven, net zoals in de voorgaande rapporten, aanleiding tot het formuleren van aanbevelingen ter optimalisatie van de lokale milieuhandhaving.

2. Aanstelling provinciale toezichthouders

Algemeen dient vooreerst volgende opmerking te worden gemaakt inzake de responsgraad voor 2016. De VHRM mocht van 182 burgemeesters en gemeenten in het Vlaamse Gewest (van het totaal van 308) een antwoord ontvangen. Dit vertegenwoordigt een responsgraad van 59%. De VHRM kende sinds het eerste Milieu­hand­havings­rapport (MHR2009) steeds een stijgende responsgraad die in 2016 echter sterk terugvalt. Waar deze responsgraad voor het MHR2009 nog 60% bedroeg, steeg deze geleidelijk naar 79% in 2016 om in 2016 terug onder het niveau van 2009 te duiken. De grootte van de responsgraad is gerelateerd aan de representativiteit van de gegevens in de Milieu­hand­havings­rapporten en de correctheid van het beeld dat kan worden gegeven van de verschillende facetten van het lokale milieu­hand­ havingslandschap.

3. Toezichthouders uitdrukken in VTE

Met het oog op een zo goed mogelijke representativiteit hoopt de VHRM voor volgende rapporten dan ook de responsgraad op te krikken tot boven het niveau van voor 2016. Er wordt door de VHRM onderzocht hoe dit kan worden bewerkstelligd. 1. Aanstelling lokale toezichthouder De gemeenten hebben de mogelijkheid om toezichthouders aan te stellen binnen hun eigen gemeenten, maar kunnen er daarnaast voor kiezen om beroep te doen op een toezichthouder aangesteld binnen een intergemeentelijke vereniging of binnen hun lokale politiezone. De jaarlijkse bevraging heeft aangetoond dat er nog steeds – in 2016 nog meer dan voorgaande 128

Slechts twee van de vijf Vlaamse provincies hebben provinciale toezichthouders aangesteld. Dit is ongewijzigd sinds 2015. Er wordt dan ook opnieuw aanbevolen dat de provincies die nog geen provinciale toezichthouders hebben aangeduid conform het Milieu­hand­havings­decreet dit alsnog doen.

Ook uit de cijfergegevens van dit Milieu­hand­havings­ rapport blijkt, net zoals voorgaande jaren, dat de aangestelde toezichthouders slechts een beperkt deel van hun tijd kunnen besteden aan milieuhandhavingstaken. De gewestelijke toezichthouder kon in 2016 gemiddeld 0,24 VTE besteden aan milieuhandhavingstaken, de gemeentelijke toezichthouder 0,20 VTE. De toezichthouders van de Lokale politie konden in 2016 0,71 VTE. besteden aan milieu­hand­ havingstaken. In 2015 en 2014 bedroegen deze cijfers respectievelijk 0,24 VTE voor de gewestelijke toezichthouder, 0,22 VTE en 0,25 VTE voor de gemeentelijke toezichthouder en 0,44 VTE en 0,47 VTE voor de lokale politie. Het feit dat de aangestelde toezichthouder niet voltijds bezig kan zijn met milieu­hand­ havingstaken heeft uiteraard ook invloed op het aantal controles dat kan worden uitgevoerd. Het verdient daarom wederom aanbeveling dat het verplicht aantal toezichthouders per gemeente voortaan niet meer in aantal wordt uitgedrukt in het Milieu­hand­ havings­ decreet en Milieuhandhavingsbesluit, maar wel in VTE dat besteed kan worden aan handhavingstaken. Anders zou immers het risico kunnen bestaan dat op papier wel lokale toezichthouders zijn aangesteld maar dat die de facto relatief weinig tijd aan handhavingstaken kunnen besteden. Een dergelijke benadering zou een aanpassing van de regelgeving vereisen en zou kunnen worden gekoppeld aan een nader uit te werken subsidieregeling waarvoor reeds een decretale basis werd voorzien in het Milieu­ hand­havings­decreet (art. 16.3.4).


4. Intergemeentelijke samenwerking bevorderen Op basis van de gegevens aangeleverd door de responderende intergemeentelijke verenigingen kon worden berekend dat in 2016 20% van het totaal aantal Vlaamse steden en gemeenten op één of andere manier beroep doet op een intergemeentelijke vereniging met betrekking tot de handhaving van de milieuregelgeving op hun grondgebied. Dit is een lichte stijging ten opzichte van het percentage van 17% in 2015. Samenwerking via een intergemeentelijke vereniging kan schaalvoordelen generen en onder meer door specialisatie een hoger niveau van deskundigheid garanderen. Er wordt dan ook opnieuw aanbevolen dat de mogelijkheden tot intergemeentelijke samenwerking verder worden onderzocht.

5.4.2 Risicogericht toezicht en programmatisch handhaven Het risicogericht toezicht en het programmatisch handhaven hebben als doel om de financiële middelen zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten zodat het hoogste milieurendement kan worden behaald. Dit betekent onder meer dat handhaving vooral daar dient te worden ingezet waar het nalevingsgedrag laag is en waar de milieuschade bij een schending relatief groot of zelfs onherstelbaar zou kunnen zijn. Dat pleit er derhalve voor om bij handhavingsactiviteiten niet alleen reactief te handhaven (naar aanleiding van klachten), maar om ook op eigen initiatief van de toezichthoudende instantie, bijvoorbeeld op basis van een risicoanalyse een programma te ontwikkelen waarbij de handhavingsactiviteiten worden georganiseerd op basis van de verwachte risico’s en de daaraan gekoppelde mogelijke milieuwinsten die daarbij kunnen worden gerealiseerd. 5. Focus op risicogericht toezicht In hoofdstuk 3 kon worden vastgesteld dat bij 83% van de in totaal 40.337 door de toezichthouders uitgevoerde milieuhandhavingscontroles in 2016 geen overtreding werd vastgesteld. Sinds 2012, toen bij 63% van de controles geen overtreding werd vastgesteld, betekent dit dat bij ongeveer 1 op 3 van de milieuhandhavingscontroles een overtreding werd vastgesteld doorheen de jaren is veranderd naar de vaststelling van een overtreding bij minder dan 1 op 5 milieuhandhavingscontroles. Niettegenstaande het feit dat deze dalende verhouding zou kunnen wijzen op een hoge nalevingsgraad en dat de aanwezigheid op het terrein van de toezichthouders ook zelf een effect heeft op het naleefgedrag, kan dit hoge percentage van controles waarbij geen overtreding kon

worden vastgesteld ook wijzen op een gebrek aan risicogerichte benadering en een gebrek aan doelgericht toezicht. Om de beperkte middelen zo efficiënt en effectief mogelijk in te zetten, wordt dan ook aanbevolen dat toezichthoudende instanties (nog meer) inzetten op een risicogerichte benadering. 6. Belang van programmatisch handhaven Het is belangrijk een evenwicht te vinden tussen het programmatisch en reactief (naar aanleiding van klachten en meldingen) toezicht. Bij gebrek aan voldoende middelen ontstaat het gevaar dat enkel nog reactief kan worden gehandhaafd. Daarnaast dient de tendens tot risicogericht handhaven, die reeds werd ingezet bij vele toezichthoudende instanties, te worden ondersteund. Deze aanbeveling blijft ook in 2016 staande. 7. Focus op aanpak niet-vergunde inrichtingen Voor 2015 gaven 160 van de in totaal 235 responderende gemeenten aan 9.176 niet-vergunde inrichtingen te kennen op hun grondgebied. De aangeleverde gegevens toonden aan dat ook in 2016 binnen 96 van de 182 responderende gemeenten een totaal van niet minder dan 6.915 hinderlijke maar (geheel of gedeeltelijke) niet-vergunde/gemelde inrichtingen actief waren. Het betreft hier inrichtingen die op basis van het VLAREM geclassificeerd kunnen worden als zijnde een klasse 1, klasse 2 of klasse 3 inrichting, maar nog niet werden vergund en dus niet legitiem werden uitgebaat. Deze gemeenten hebben kennis van overtredingen ten aanzien van de milieuwetgeving. Er wordt dan ook, wederom, aanbevolen om de inspanningen daarop primair te richten. De vergunnings- of meldingsplicht is immers de hoeksteen van het bestuurlijke milieurecht omdat via de vergunning of melding ook voorwaarden kunnen worden opgelegd met het oog op de verbetering van de milieukwaliteit en de beperking van de hinder.

5.4.3 Monitoring Een goede monitoring is noodzakelijk voor de organisatie van de handhaving. Niet alleen in het kader van een risicogerichte en programmatisch handhaving, maar tevens ook in het belang van een behoorlijke rapportering en opvolging. Op basis van de gegevens in dit Milieu­hand­havings­rapport worden dan ook de volgende aanbevelingen geformuleerd. 8. Kennis hinderlijke inrichtingen Een essentiële voorwaarde voor een programmatische milieuhandhaving is dat er voldoende en accu129


rate informatie ter beschikking is inzake de inrichtingen op het eigen grondgebied. Uit de aangeleverde cijfers voor 2016 blijkt opnieuw dat een aantal gemeenten nog geen zicht heeft op het aantal klasse 1 (28 van de 182 responderende gemeenten), klasse 2 (29 van de 182 responderende gemeenten) en klasse 3 inrichtingen (42 van de responderende gemeenten) op hun grondgebied. Dit blijkt reeds verschillende jaren een pijnpunt te zijn. Hetzelfde geldt evenzeer voor de gewestelijke overheid. Ook dit jaar dient de aanbeveling te worden hernomen om (op lokaal niveau) het aantal vergunnings- of meldingsplichtige inrichtingen in kaart te brengen.

baal werden behandeld, en hierover terugkoppelen met de toezichthouders. Uit de aangeleverde cijfers gegevens blijkt – net als voorgaande jaren – dat niet alle betrokken actoren een classificatie van het proces-verbaal als zijnde prioritair of niet opmaken of de gegevens classificatie niet verder invoeren in het eigen opvolgingssysteem. Dit maakt het dan ook niet mogelijk de uitvoering van de prioriteitennota op afdoende wijze te evalueren. Er wordt dan ook opnieuw aanbevolen dat alle betrokken handhavingsactoren instaan voor een correcte uitvoering en opvolging van de Prioriteitennota. 11. Volledige monitoring en rapportering

Met het oog op de declassering van de klasse 1-inrichtingen vanaf 23 februari 2017 en de verschuiving van het toezicht op deze inrichtingen van gewestelijk naar lokaal niveau, wordt kennis van de vergunnings- of meldingsplichtigen bovendien nog noodzakelijker. 9. Gebruik specifiek H-codes Op basis van een vergelijking tussen de cijfers aangeleverd door de verschillende gewestelijke toezichthoudende instanties en de cijfergegevens aangeleverd door de parketten kon – net als voorgaande jaren – worden vastgesteld dat niet steeds gebruik wordt gemaakt van de specifieke H-codes binnen de notitienummers door de gewestelijke toezichthoudende instanties. Bepaalde dossiers komen dan ook op een niet-identificeerbare manier terecht in de cijfer­ gegevens van de parketten. Er wordt dan ook aanbevolen, met het oog op een correcte data­ verzameling en rapportering, dat de verschillende milieu-administraties consequent gebruik maken ­ van deze codes. 10. Opvolging Prioriteitennota In de schoot van de VHRM kwam het protocol “Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest” tot stand met als doel om aan te geven welke schendingen door een toezichthouder als prioritair worden beschouwd. De inhoud van het protocol strekt ertoe dat vooral die als prioritair aangegeven schendingen een passend gevolg krijgen, hetzij via strafrechtelijke afhandeling, hetzij minstens via bestuurlijke sanctionering. Het is uiteraard van belang om inzicht te kunnen krijgen in de uitvoering van deze prioriteitennota. Dit veronderstelt enerzijds dat alle toezichthouders bij een schending aangeven of het opgestelde proces-verbaal al dan niet prioritair is, maar tevens dat vervolgens de sanctionerende instanties ook aangeven op welke wijze deze als prioritair beschouwde processen-ver130

Een blijvende aanbeveling is dat wordt onderzocht in welke mate het mogelijk is dat elke handhavingsactor instaat voor een volledige monitoring (intern) en rapportering (intern en naar derden toe, o.a. de VHRM), met name de monitoring van de inzet van elk instrument, maar ook dat telkens wordt nagegaan en gemonitord in welke mate de non-conformiteit is hersteld en wanneer het handhavingsproces is afgelopen. Een dergelijke monitoring geeft een beeld van de inzet en effectiviteit van de instrumenten.

5.4.4 Het niet-tijdig uitvoeren van bestuurlijke maatregelen Wanneer bestuurlijke maatregelen worden opgelegd, is het de bedoeling dat een illegale situatie binnen de opgelegde termijn wordt beëindigd. In 2016 werd 10% van de opgelegde bestuurlijke maatregelen niet uitgevoerd binnen de door de toezichthouder opgelegde termijn. Hoewel dit al een verbetering uitmaakt ten opzichte van 2015, toen bijna 25% van de opgelegde bestuurlijke maatregelen niet werd uitgevoerd binnen de door de toezichthouder opgelegde termijn, blijft dit aandeel van 10% onwenselijk. Het kan enerzijds het gezag van de bestuurlijke overheid dat de maatregelen heeft opgelegd ondermijnen, maar anderzijds leidt dit ook tot voortduren van een illegale toestand. Er wordt derhalve opnieuw aanbevolen dat de bevoegde instantie de beschikbare instrumenten aanwendt om het tijdig naleven van een opgelegde bestuurlijke maatregel ook af te dwingen. Hiertoe kan de toezichthouder o.a. gebruik maken van de bestuursdwang, waarbij de toezichthouder zelf het herstel bewerkstelligt en de kosten recupereert van de overtreder. De gewestelijke toezichthouder kan tevens gebruik maken van het instrument bestuurlijke dwangsom, dat aan de bestuurlijke maatregel wordt gekoppeld. Tenslotte kan de toezichthouder ook een proces-verbaal opstellen bij niet-uitvoering van een bestuurlijke maatregel. In


dergelijke gevallen wordt aanbevolen dat de Procureur des Konings dergelijke misdrijven strafrechtelijk zou vervolgen voor de correctionele rechtbank om een duidelijk signaal naar hardleerse overtreders te sturen. Zoals aangegeven heeft de gewestelijke toezichthouder het instrument bestuurlijke dwangsom als spreekwoordelijke stok achter de deur. De lokale toezichthouders kunnen voorlopig nog geen gebruik maken van dit instrument. Echter, ongeveer 18% van de door de gemeentelijke toezichthouders en 6% van de door de toezichthouders van de Lokale politie opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2016 werd niet tijdig uitgevoerd. In het Milieu­ hand­ havings­ rapport 2015 werd daarom aanbevolen dat het instrument bestuurlijke dwangsom ter beschikking wordt gesteld van alle toezichthouders.

het Vlaamse Gewest betrekking op sluikstorten. Dit zijn vaak dossiers die ook kunnen worden gekaderd als lokale overlast en die dus bij voorkeur worden afgehandeld op lokaal vlak, door een GAS-boete. De reden dat deze toch worden bezorgd aan het parket en desgevallend aan de LNE-AMMC voor bestuurlijke beboeting, is dat niet alle gemeenten (dergelijke) overlastbepalingen in hun politiereglement invoeren, maar ook dat de inbreuk niet op basis van het GAS-reglement wordt geverbaliseerd. Het is dan ook aan te bevelen dat gemeenten bepalingen ter vaststelling en verbalisering van sluikstorten opnemen in hun GAS-reglementen. Zoals in het Milieu­ hand­ havings­rapport 2015 werd aanbevolen, werd in 2016 begonnen met het onderzoek op welke wijze deze overtredingen, indien opgenomen in GAS-reglementen, ook kunnen worden vastgesteld en geverbaliseerd door gewestelijke toezichthouders.

Ook op basis van de cijfers in dit rapport blijft deze aanbeveling staande. Er kan echter worden meegedeeld dat deze aanbeveling werd opgenomen in de evaluatie van de bestuurlijke dwangsommen binnen het Vlaams milieuhandhavingsbeleid, zoals deze werd meegedeeld aan de Vlaamse Regering op 27 januari 2017.

5.4.5 Milieuhandhaving als taak voor de politiediensten Ook op basis van dit Milieu­hand­havings­rapport kan worden vastgesteld dat milieuhandhaving en –toezicht niet enkel een bevoegdheid is die wordt omarmd door onder meer de gewestelijke instanties en de gemeenten, ook de politiediensten vervullen een belangrijke taak inzake milieuhandhaving. Naast de activiteiten van de Federale politie betreffende de proactieve controles in het kader van afvaltransporten, worden, zoals blijkt uit hoofdstuk 2, heel wat controles inzake milieu uitgevoerd en processen-verbaal opgesteld door de algemene politiediensten. Ook aangaande de aangestelde lokale toezichthouders binnen de politiediensten kunnen heel wat inspanningen worden vastgesteld. Er wordt dan ook, net als vorig jaar, aanbevolen dat de politiediensten deze taak kunnen/zullen blijven uitoefenen.

5.4.6 Vaststelling sluikstorten Net zoals voorgaande jaren blijkt uit de cijfers van de parketten dat sluikstorten de meest vastgestelde overtreding is in het Vlaamse Gewest. Zowel in 2014, 2015 als 2016 heeft immers 35% van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de parketten in 131


132

Š Viktor Hanacek


6 ACTIVITEITEN INZAKE MILIEU VAN DE VLAAMSE HOGE HANDHAVINGSRAAD VOOR RUIMTE EN MILIEU IN 2016 De Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu wenst in dit laatste, nieuwe, hoofdstuk te rapporteren over de eigen werkzaamheden in 2016 inzake milieugerelateerde aangelegenheden. Zowel in de plenaire vergadering als in de werkgroepen werden activiteiten verricht die de milieuhandhaving in het Vlaamse Gewest ten goede zouden kunnen komen. De activiteiten kunnen uiteraard worden gekaderd in het strategische en operationele plan van de VHRM, maar kunnen tevens worden gerelateerd aan bepaalde aanbevelingen die de VHRM formuleerde in voorgaande Milieu­hand­havings­rapporten en in het Milieu­hand­havings­programma 2015-2019.

6.1 NATRAJECT HANDHAVINGSNETWERKDAG De VHRM organiseerde eind 2015 een handhavingsnetwerkdag voor de handhavers ruimtelijke ordening en de handhavers milieu. De resultaten van deze netwerkdag werden binnen de VHRM besproken en geanalyseerd. Vervolgens werd er teruggekoppeld met

de deelnemers van de netwerkdag, werd informatie verspreid over opleidingsdagen, en werd een testmogelijkheid georganiseerd voor www.milieuhandhaving.be (een wegwijswebsite voor milieuklachten) m.o.o. het optimaliseren van de website.

6.2 STUDIE INFORMATIE-UITWISSELING Het Milieu­hand­havings­programma 2015-2019 focuste onder meer op het belang van informatie-uitwisseling tussen de handhavingsactoren. In het programma werd gewezen op de noodzaak om een kader te creëren waarbij informatie tussen de verschillende diensten vlot opvraagbaar is. In 2016 is de VHRM dan ook gestart met de uitbesteding van een studie naar de mogelijkheden en de optimalisatie van informatie-uitwisseling in het kader van omgevingshandhaving. Het opzet van de studie is onder meer het in kaart brengen en zicht krijgen op het regelgevend kader ter zake en op de informatiestromen die tussen de handhavende overheden mogen/ moeten ontstaan. Er dient onderzocht te worden welke beperkingen er bestaan om tot een meer efficiënte informatie-uitwisseling over te gaan. Eenmaal deze beperkingen bekend zijn, dienen oplossingen te worden geformuleerd, hetzij via het volgen van specifieke proce-

dures voorzien in de regelgeving, hetzij via (realistische) voorstellen tot aanpassing van bepaalde regels, hetzij via opmaak van sjablonen/modelformulieren, … Ter voorbereiding van de uitbesteding werd een lijst opgemaakt van de verschillende informatienoden bij de handhavers. Deze studie werd onder de vorm van een overheidsopdracht uitbesteed aan de Universiteit Hasselt in 2017 en zal in de loop van 2017 worden afgerond. Het resultaat van de studie dient een overzicht te creëren van de juridische mogelijkheden en de beperkingen van informatiedeling in de gegeven context, alsook praktische tools te laten ontwikkelen om vlotte informatie-uitwisseling mogelijk te maken.

6.3 WORKSHOP INZAKE SALDUZ In januari 2016 organiseerde de VHRM voor de handhavingsactoren een workshop inzake Salduz. De Salduz-rechtspraak van 27 maart 2008 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en zijn vervolgrechtspraak heeft onmiskenbaar stof doen opwaaien in politiekringen, de magistratuur en bij de toezichthouders. Intussen werden de Salduz-verplichtingen nog verbreed op Europees vlak. De Europese Richtlijn

2013/48/EU diende namelijk uiterlijk op 27 november 2016 te worden omgezet naar Belgisch recht. De VHRM achtte het daarom dan ook aangewezen om in een praktijkgerichte en participatieve workshop stil te staan bij dit thema. In de workshop werden een reeks praktijkervaringen, standpunten en toekomstvisies verzameld vanuit de invalshoek handhaving ruimtelijke ordening en leefmilieu. 133


6.4 CONGRES KLANTGERICHT HANDHAVEN De VHRM heeft op 22 november 2016 haar najaarscongres ‘klantgericht handhaven’ georganiseerd te Mechelen voor 150 handhavers in het Vlaamse Gewest. Het opzet van dit congres was om een interactieve studiedag te organiseren met de klemtoon op praktijkgerichte ondersteuning voor de toezichthouders en handhavers, aan de hand van verschillende workshops inzake klantgerichtheid. De deelnemer had keuze uit de volgende workshops: Omgaan met agressie - Agressie op de werk-

vloer: verbaal en/of lichamelijke communicatie ontdekken. Wanneer u slecht nieuws moet melden, kan het wel eens zijn dat een gesprek minder respectvol verloopt. Bij het omgaan met agressieve personen is het echter belangrijk om verdere escalatie van de situatie te vermijden. In deze workshop geeft de spreker een inleiding tot het thema. Door middel van simulaties met een acteur worden cases besproken. Gedragscode voor handhavers - Is het zinvol een gedragscode te hebben en wat houdt een gedragscode in? Kan ik bijvoorbeeld cadeaus aannemen of moet ik een tas koffie weigeren? In kleine groepen wordt er gewerkt rond een bepaald thema. Interculturele communicatie - Als handhaver komt u tijdens uw bezoeken aan particulieren en bedrijven in contact met de diversiteit in onze

maatschappij. Hoe gaat u om met deze diversiteit? Hoe maak ik duidelijk dat men zich dient te houden aan de wetgeving? In deze workshop krijgt u nuttige informatie om specifieke situaties te kaderen en constructief aan te pakken. Klare taal - Als handhaver heeft u vaak contact met de burger en bedrijven. Dit kan gaan over adviesverlening via de telefoon of het brengen van slechte boodschappen zoals bij een overtreding of bij een controle op het terrein waarbij u de burger of het bedrijf moet aanmanen om zich in regel te stellen met de wetgeving. Het is ook mogelijk dat u de burger moet teleurstellen als een bedrijf (waarover de burger een klacht had) toch voldoet aan alle voorwaarden, of indien u het bedrijf een langere termijn gunt om zich in regel te stellen. In deze workshop krijgt u praktische tips aangereikt in het geven van boodschappen.

Daarnaast werd doorheen de studiedag een beurs georganiseerd waar de handhaver de verschillende opleidingsinstituten en hun aanbod konden leren kennen. Ook in navolging van deze studiedag werd beslist dat VHRM verdere actie zal ondernemen ter ondersteuning van de verschillende actoren in het handhavingslandschap, meer bepaald de opmaak van een gedragscode voor de handhavers in 2017.

6.5 OPMAAK MILIEU­HAND­HAVINGS­RAPPORT 2015 De VHRM staat in nauw contact met de verschillende handhavingsactoren in het kader van de opmaak van de Hand­havings­rapporten. De VHRM heeft namelijk ook in 2016 alle handhavingsactoren digitaal bevraagd in het kader van de opmaak van het Milieu­ hand­havings­rapport. Op basis van de bekomen cijfergegevens stelde het permanent secretariaat van de VHRM een ontwerp op dat vervolgens werd besproken en aangepast door de plenaire vergadering van de VHRM. Op deze manier

brengt de VHRM het uitgevoerde handhavingsbeleid in beeld en wordt het geëvalueerd. Tevens werden, net zoals in dit Milieu­hand­havings­rapport, beleidsaanbevelingen geformuleerd. Het Milieu­hand­havings­rapport 2015 werd op 7 oktober 2016 meegedeeld aan de Vlaamse Regering. In 2016 werd tevens de bevraging voor de opmaak van dit Milieu­hand­havings­rapport besproken en uitgebreid ten aanzien van voorgaande jaren.

6.6 ACTUALISATIE MILIEU­HAND­HAVINGS­PROGRAMMA 2015-2019 Het Milieu­hand­havings­programma 2015-2019 werd in juli 2015 goedgekeurd door de VHRM. Het programma werd op 22 april 2016 goedgekeurd door de Vlaamse 134

Regering onder de voorwaarde dat de VHRM het programma zou actualiseren.


In 2016 heeft de VHRM zich dan ook gebogen over deze actualisering, met de focus op omgevingshandhaving, risicogerichte handhaving, ruime informatiedeling en het toezicht op klasse 2 inrichtingen. Methodologisch werd er voor gekozen om geen nieuwe bevraging te organiseren bij de handhavingsactoren, maar de originele tekst te actualiseren zonder de individuele programma’s te wijzigingen. De actualisatie heeft zich voornamelijk voltrokken door de toevoeging van een nieuw onderdeel ‘Beleidsaanbevelingen met betrekking tot het ruimere handhavingslandschap’ hetgeen de volgende punten behandelt:

Risicogericht toezicht Uitwerking kwaliteitsvol toezicht op klasse 2

bedrijven Afstemming tussen de programma’s en activiteiten van de handhavingsactoren Afstemming van het handhavingssysteem voor de omgevingsvergunning op het systeem van de evaluatie van de vergunning

De door de VHRM goedgekeurde geactualiseerde versie werd 15 december 2016 overgemaakt aan het kabinet van minister ­Schauvliege.

6.7 ADVISERING De VHRM wenst onder meer door het formuleren van adviezen over aangelegenheden die betrekking hebben op de handhaving van de milieuregelgeving de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement te ondersteuning. Advies geluidsnormen

Naar aanleiding van de studie inzake geluidsnormen, uitbesteed en begeleid door het departement LNE, en de studiedag ‘Geluidsnormen voor muziekactiviteiten – 3 jaar later’ ontving de VHRM in 2016 een formele advies vraag inzake de evaluatie van de geluidsnormen voor muziek ontvangen van het kabinet van minister ­Schauvliege. Het advies werd binnen de VHRM voorbereid door een expertengroep.

Advies prioriteiten in de strafrechtelijke vervol-

ging De VHRM werd in 2016 door het kabinet van minister ­Schauvliege, in het kader van het project ‘Coördinatie Vlaamse Handhaving’ dat werd opgezet door minister-president Bourgeois, gevraagd de schendingen die bij voorkeur strafrechtelijk dienen te worden vervolgd inzake leefmilieu op te sommen. Een van de doelstellingen van het project is immers te onderzoeken van de prioriteiten dienen te zijn in de strafrechtelijke vervolging.

6.8 INTEGRATIE MILIEU EN RUIMTELIJKE ORDENING Er werd een voorstel uitgewerkt voor de bepaling van verdere prioriteiten, op het raakvlak milieu en ruimtelijke ordening, zoals dit werd bepaald in het Hand­ havings­programma Ruimtelijke Ordening. Deze prioriteiten werden voorgesteld aan minister ­Schauvliege. Daarnaast was ook in 2016 de werkgroep Milieu en Ruimtelijk Ordening van de VHRM actief, rond de verde-

re integratie van milieu en ruimtelijke ordening. Op die manier tracht de VHRM een forum aan te bieden om het milieuhandhavingsbeleid en het handhavingsbeleid ruimtelijke ordening op elkaar af te stemmen in het kader van het omgevingsbeleid. Deze werkgroep heeft tevens de opmaak van het eerste Handhavingsrapport Ruimtelijke Ordening 2015 begeleid ter voorbereiding van de bespreking ervan in de plenaire vergaderingen.

6.9 TOOLS EN LEIDRADEN VOOR DE HANDHAVERS De VHRM werkt, naast de decretaal bepaalde activiteiten, aan leidraden en tools om de praktijk van het handhaven te ondersteunen. Het resultaat van

deze werkzaamheden is, van zodra afgerond, terug te vinden op de website van de VHRM. Daarnaast onderzoekt de VHRM bepaalde vraagstukken, proble135


matieken en belemmeringen die zich demonstreren in de handhavingspraktijk. Op deze manier probeert de VHRM een groter draagvlak te creëren voor de handhaving.

Nota aangaande de reikwijdte van het recht op

toezicht; Nota aangaande de draagwijdte van het recht

op bijstand van de politie; Onderzoek naar de verhouding tussen toezicht-

Onderstaande opsomming toont de analyses en de tools die in 2016 werden opgesteld. Leidraad tot het opstellen van een verzoek tot

het bekomen van een toegangsmachtiging in het kader van art. 16.3.12 van het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid; Leidraad tot het opstellen van een toestemmingsformulier van de bewoner in het kader van art. 16.3.12 van het decreet algemene bepalingen inzake milieubeleid; Nota aangaande de voorwaarden om bewoonde lokalen te mogen betreden;

houders – AGP/OGP; Onderzoek naar aanpak problematiek inzake

het terugvorderen van kosten bij de ruiming van waterlopen; Onderzoek aangaande de vaststelling van sluikstorten door gewestelijke toezichthouders en problematiek die ontstaat in het kader van de GAS-reglementen in de gemeenten; Input voor het registratiedocument Handhaving Proper West-Vlaanderen inzake de aanpak van sluikstorten, opgemaakt door de provincie West-Vlaanderen.

6.10 INTERGEMEENTELIJKE SAMENWERKING De VHRM formuleert reeds een aantal jaren in het Milieu­ hand­ havings­ rapport de aanbeveling dat intergemeentelijke samenwerking inzake milieu­hand­ having, waar mogelijk, bevordert dient te worden. In 2016 besliste de VHRM dan ook om te onderzoeken op welke wijze de VHRM zelf uitvoering zou kunnen geven aan deze aanbeveling en welke rol de VHRM zou kunnen spelen voor de intergemeentelijke verenigingen. Hiertoe werd Vlinter, het samenwerkingsver-

band van de elf Vlaamse intergemeentelijke verenigingen voor streekontwikkeling en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, uitgenodigd voor een overleg in de kader van een themavergadering. Het feit dat Vlinter reeds fungeert als overlegplatform voor de intergemeentelijke verenigingen maakt dat de VHRM als overlegforum weinig extra meerwaarde kan bieden voor de intergemeentelijke verenigingen.

6.11 MONITORING Ook in 2016 werd binnen de VHRM regelmatig de vraag gesteld naar de mogelijkheid om de registratie bij de parketten verder af te stemmen op het Milieu­ hand­ havings­ decreet en het Vlaamse milieu­ hand­ havingslandschap (zoals bijvoorbeeld de registratie van prioritaire en niet-prioritaire processen-verbaal in het kader van de Prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse Gewest 2013 en de opmaak van een aparte betichtingscode voor het niet uitvoeren van bestuurlijke maatregelen. In 2016 werd, naar aanleiding van het eindrapport ‘Administratieve interacties tussen de Vlaamse Overheid en gemeentebesturen van de werkvloer bekeken.’ en de opmerking ‘voorzie een koppeling met bestaande lokale systemen voor de uitwisseling van informatie’, een registratieformulier/sjabloon ontwikkeld. Het vormt een dynamisch sjabloon (Excel-file) dat de actoren die worden bevraagd in het kader 136

van het Milieu­ hand­ havings­ rapport facultatief kunnen gebruiken voor het registeren van de gegevens die jaarlijks door de VHRM zullen worden bevraagd. Dit kan het monitoren, registeren en het rapporteren eenvoudiger en overzichtelijker maken voor de bevraagden. Het is een tool die de VHRM zal aanbieden aan de bevraagden. Op die manier wenst de VHRM, zoals onder meer werd aanbevolen in het Milieu­ hand­havings­rapport 2015, zelf bij te dragen aan de verdere uitbouw van een goede monitoring en volledige rapportering.


6.12 INTERNATIONALE CONTACTEN De VHRM volgde ook in 2016 de ontwikkelingen op in het buitenlandse handhavingslandschap.

Action to Fight Environmental Crime (EFFACE) georganiseerd.

Op 17 en 18 februari 2016 werd, in samenwerking met de VHRM, de slotconferentie ‘Combatting Environmental Crime: Priorities and Opportunities for further EU Action’ van het project European Union

Daarnaast bleef de VHRM ook in 2016 in het Europese netwerk IMPEL (European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law)

6.13 COMMUNICATIE, INTERN EN EXTERN Tijdens de plenaire vergaderingen en in de werkgroepvergaderingen fungeerde de VHRM ook in 2016 als overlegforum waar aan gedachtewisseling, kennisdeling, kennisoverdracht en uitwisseling van informatie werd gedaan. Zo werd onder meer geregeld gerapporteerd over de stand van zaken aangaande de werkgroep Vervolgingsbeleid, de Kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan, het project Coördinatie Vlaamse Handhaving, internationale aangelegenheden (INECE, IMPEL, EnviCrimeNet, INTERPOL, …), interne activiteiten en afspraken van de leden, vertegenwoordigers en plaatsvervangers van de VHRM, de verschillende aanpak in handhaving en sanctionering, toezicht in het Havengebied, toezicht gedeclasseerde klasse 2 inrichtingen, evaluatie van de bestuurlijke dwangsom, …

De VHRM werd gevraagd een presentatie te geven op de studiedag ‘Is groen een taak voor blauw” van het Centrum voor politiestudies. Tijdens deze presentie werd de belangrijke rol van de politie in het handhavingslandschap aangetoond aan de hand van de cijfers uit de Milieu­hand­havings­rapporten. Ook op deze manier beoogt de VHRM een groter draagvlak te creëren voor de handhaving.

137


138

© Laïla Macharis


7 BIJLAGEN Verklarende woordenlijst – afkortingen Lijst van grafieken Lijst van tabellen Lijst van responderende gemeenten Lijst van responderende Politiezones

139


7.1 VERKLARENDE WOORDENLIJST â&#x20AC;&#x201C; AFKORTINGEN /

Niet beschikbaar

AGR-GPS

Elk transportmiddel dat door een erkende mestvoerder Klasse B of klasse C ingezet wordt voor het vervoer van dierlijke mest of andere meststoffen, moet op elk moment AGR-GPS compatibel zijn. Die AGR-GPS-compatibiliteit houdt in dat elk erkend transportmiddel moet beschikken over AGR-GPS-apparatuur, die deel uitmaakt van een operationeel AGR-GPS-systeem. Bovendien moeten de signalen uitgestuurd door die apparatuur via een computerserver, beheerd door een GPS-dienstverlener, rechtstreeks en onmiddellijk verstuurd worden naar de Mestbank.

ALBON

Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond en Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

AMI

Afdeling Milieu-inspectie van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

AMMC

Afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

AMV

Afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

ANB

Agentschap voor Natuur en Bos

ANG

Algemene Nationale Gegevensdatabank

AWV

Agentschap Wegen en Verkeer

AWZ

Afdeling Waterwegen en Zeekanaal NV

B.S.

Belgisch Staatsblad

DABM

Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

ECO-formulier Vattingsdocument dat bij een afvaltransportcontrole door de politie wordt ingevuld en overgezonden voor centrale vatting aan de centrale dienst Leefmilieu. De gegevens worden, naast de punctuele controle, gebruikt voor het uitvoeren van operationele en strategische analyses. GAS

Gemeentelijke Administratieve Sanctie

MHHC

Milieuhandhavingscollege

MHR

Milieuhandhavingsrapport

MOW

Departement Mobiliteit en Openbare Werken

OVAM

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

PIVO

Provinciaal Instituut voor Vorming en Opleiding

PV

Proces-verbaal

REA/TPI

Nationaal informaticaprogramma voor de rechtbanken van eerste aanleg met applicaties voor de correctionele parketten en hun griffies, jeugdparketten en hun griffies, burgerlijke griffies

SG

Secretaris-generaal van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie

140


VAZG

Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid

VHRM

Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu

VLM

Vlaamse Landmaatschappij

VMM

Vlaamse Milieumaatschappij

VTE

Voltijdse equivalenten

VVP

Vereniging van Vlaamse Provincies

VVSG

Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten

141


7.2 LIJST VAN GRAFIEKEN Grafiek 1

Aanleiding uitgevoerde controles in 2016 per toezichthouder

Grafiek 2

weergave totaal aantal controles opgesplitst volgens aanleiding (exclusief VMM)

Grafiek 3

Proactieve controles (gemeld via het opstellen van een ECO-formulier) uitgevoerd door Federale politie in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in 2016

Grafiek 4

Proactieve controles (gemeld via het opstellen van een ECO-formulier) uitgevoerd door de Lokale politie in het kader van afvaltransporten op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in 2016

Grafiek 5

Aantal en soort milieuhandhavingscontroles

Grafiek 6

Aantal provinciale medewerkers-water en het aantal VTE dat zij besteedden aan controles inzake onbevaarbare waterlopen

Grafiek 7

Responsgraad van de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten per klasse van gemeenten in percentages

Grafiek 8

Aantal responderende burgemeesters die een vraag/verzoek hebben ontvangen tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en het aantal responderende burgemeesters die bestuurlijke maatregelen hebben opgelegd in 2016

Grafiek 9

Gemiddelde aantal controles per gemeentelijke toezichthouder

Grafiek 10

Gemiddelde aantal milieuhandhavingscontroles per VTE

Grafiek 11

Verhouding prioritaire en niet-prioritaire processen-verbaal in 2016

Grafiek 12

Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest in 2016 per verbaliserende overheid

Grafiek 13

Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016

Grafiek 14

Procentuele verhouding van de zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams Gewest, per voornaamste tenlasteleggingscode van zaken in 2016

Grafiek 15

Procentueel aandeel zaken milieuhandhaving geregistreerd met tenlasteleggingscodes

Grafiek 16

Vooruitgangsstaten dd. 10 januari 2017 van de zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten in het Vlaamse Gewest in 2016 per aandeel rubriek van tenlastelegging (afval, mest, vergunningen, emissies en milieubeheer)

Grafiek 17

Aantal zaken betreffende milieumisdrijven ontvangen door de LNE-AMMC en het aantal zaken ‘Milieu­handhaving’ geregistreerd in 2016 door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams gewest, in de vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie

Grafiek 18

Kader waarbinnen alternatieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd door AMMC in 2016, zonder en met voordeelontneming

Grafiek 19

Kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werd voorgesteld en betaald, per milieuthema

Grafiek 20

Kader waarbinnen de bestuurlijke transacties werd voorgesteld en betaald, per milieuthema

142


7.3 LIJST VAN TABELLEN Tabel 1

Aantal toezichthouders per gewestelijke toezichthoudende instantie in 2014, 2015 en 2016

Tabel 2

Inspanningen van de gewestelijke toezichthoudende instanties met betrekking tot milieuhandhavingstaken in 2014, 2015 en 2016

Tabel 3

Totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles door de toezichthouders in 2014, 2015 en 2016

Tabel 4

Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken in 2016

Tabel 5

Processen-verbaal opgesteld door politiediensten inzake leefmilieucriminaliteit voor het jaar 2016 in het Vlaamse Gewest

Tabel 6

Inkledingsklassen van de Vlaamse Politiezones inclusief het aantal politiezones per klasse en aantal respondenten per klasse

Tabel 7

Overzicht van de aanstelling van toezichthouders bij de lokale politie en de inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken in 2016 (per inwonersaantal)

Tabel 8

Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door de toezichthouders van de Lokale politie in 2016

Tabel 9

Aantal vragen en verzoeken betreffende het opleggen van bestuurlijke maatregelen ontvangen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

Tabel 10

Aantal en soort opgelegde bestuurlijke maatregelen door de burgemeester van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

Tabel 11

Aantal responderende burgemeesters die een vraag hebben ontvangen tot het opleggen van veiligheidsmaatregelen en het aantal responderende burgemeesters die veiligheidsmaatregelen hebben opgelegd in 2016

Tabel 12

Aantal vragen betreffende het opleggen van veiligheidsmaatregelen ontvangen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

Tabel 13

Aantal en soort opgelegde veiligheidsmaatregelen door de burgemeesters van de Vlaamse steden en gemeenten in 2016

Tabel 14

Aantal responderende gemeenten per klasse ten opzichte van het totaal aantal gemeenten per klasse in 2016.

Tabel 15

Aantal hinderlijke inrichtingen per klasse van gemeenten in 2016

Tabel 16

Aanstelling lokale toezichthouders aan de hand van het aantal hinderlijke inrichtingen in 2016

Tabel 17

Aanstelling lokale toezichthouders aan de hand van het aantal inwoners in 2016

Tabel 18

Aanstelling en tijdsbesteding van de gemeentelijke toezichthouders per klasse van gemeenten in 2016

Tabel 19

Inspanningen met betrekking tot milieuhandhavingstaken door gemeentelijke toezichthouders per klasse van gemeenten in 2016

143


Tabel 20

Aantal milieuhandhavingscontroles uitgevoerd door gemeentelijke toezichthouders in het kader van het Milieu­hand­havings­decreet, naar aanleiding van klachten en meldingen en op basis van eigen initiatief in 2016

Tabel 21

Vergelijking van het aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’ met het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’ in 2016

Tabel 22

Aantal ‘Controles zonder verdere actie’ afgewogen ten aanzien van het aantal ‘controles’ waar een overtreding werd vastgesteld’ in 2014, 2015 en 2016

Tabel 23

Aantal controles waarvan het resultaat onbekend is in 2016 en procentuele verhouding ten aanzien van het totaal aantal uitgevoerde milieuhandhavingscontroles in 2016, 2015 en 2014

Tabel 24

Aantal ‘raadgevingen’ gehanteerd door de toezichthouders ten aanzien van het totaal aantal ‘controles waar geen overtreding werd vastgesteld’

Tabel 25

Aantal aanmaningen geformuleerd door toezichthouders ten aanzien van het totaal ‘aantal controles waarbij een overtreding werd vastgesteld’

Tabel 26

Aantal ‘verslagen van vaststelling’ opgesteld door de toezichthouders ten opzichte van het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Tabel 27

Aantal ‘processen-verbaal’ opgesteld door de toezichthouders ten opzichte van het aantal ‘controles waar een overtreding werd vastgesteld’

Tabel 28

Aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het aantal controles waar een overtreding werd vastgesteld in 2014, 2015 en 2016

Tabel 29

Aard van de opgelegde bestuurlijke maatregelen in 2016

Tabel 30

Vergelijking tussen de uitspraak van de minister ten aanzien van de ontvankelijk verklaarde beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen in 2016, 2015 en 2014

Tabel 31

Procentueel aandeel van het aantal beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen ten aanzien van het totaal aantal opgelegde bestuurlijke maatregelen per aard in 2016, 2015 en 2014

Tabel 32

Aantal ingediende beroepen tegen geweigerde verzoeken tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen in 2016, 2015 en 2014

Tabel 33

Aard van de opgelegde veiligheidsmaatregelen

Tabel 34

Aantal VTE parketmagistraten milieu

Tabel 35

Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaams Gewest in 2016, 2014 en 2013 per verbaliserende overheid

Tabel 36

Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ afkomstig van de Vlaamse milieudiensten zoals geregistreerd door de correctionele afdelingen bij de parketten in het Vlaamse Gewest in 2016, 2014 en 2013

Tabel 37

Aantal zaken ‘milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele afdelingen van de parketten van het Vlaams Gewest, per voornaamste tenlasteleggingscode van zaken in 2016, 2015 en 2014

Tabel 38

Aantal zaken ‘Milieuhandhaving’ geregistreerd door de correctionele parketten van het Vlaamse Gewest in 2016, al dan niet via voeging aan een moederzaak, per gerechtelijk arrondissement

144


Tabel 39

Dossiers geseponeerd met het oog op het opleggen van een administratieve geldboete (t.e.m. 2014)/ met vooruitgangsstaat ‘niet-gemeentelijke administratieve sanctie’ en ‘gemeentelijke administratieve sanctie’ (2016) / sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet

Tabel 40

Procentuele vergelijking tussen de gegevens van 2016, 2015 en 2014 per tenlasteleggingscode en de vooruitgangsstaat waarin de zaken in de tenlasteleggingscodes zich op de extractiedatum bevonden. Zonder gevolg omvat seining van de dader, zonder gevolg, pretoriaanse probatie, GAS en niet-GAS

Tabel 41

Motieven tot seponering voor de op 10 januari 2017 zonder gevolg staande zaken ‘Milieuhandhaving’ binnengekomen in 2016 al dan niet via voeging aan een moederzaak, per parket (en afdeling)

Tabel 42

Motieven tot seponering voor de op 10 januari 2017 zonder gevolg staande zaken ‘Milieuhandhaving’ innengekomen in 2016 al dan niet via voeging aan een moederzaak, per rubriek van tenlasteleggingscodes

Tabel 43

Processen-verbaal ontvangen door de LNE-AMMC van het departement LNE van de parketten van het Vlaamse Gewest in 2016

Tabel 44

Procentueel aandeel van processen-verbaal ontvangen door de parketten van het Vlaamse Gewest in 2016, bezorgd aan AMMC

Tabel 45

Procentueel aandeel van de dossiers doorgestuurd aan de LNE-AMMC sinds de inwerkingtreding van het Milieu­hand­havings­decreet in 2009

Tabel 46

Procentueel aandeel van de processen-verbaal ontvangen door de LNE-AMMC in 2016, per handhavingsactor

Tabel 47

Procentueel aandeel van de processen-verbaal ontvangen door LNE-AMMC in 2016, per milieuthema

Tabel 48

Beslissingen genomen in het kader van alternatieve bestuurlijke geldboeten door de LNE-AMMC

Tabel 49

Verslagen van vaststelling ontvangen door de LNE-AMMC, per onderwerp, in 2016

Tabel 50

Beslissingen genomen in het kader van exclusieve bestuurlijke geldboeten door AMMC

Tabel 51

Kader waarbinnen een exclusieve bestuurlijke geldboete werd opgelegd

Tabel 52

Ontvangen beroepen tegen beslissingen van de LNE-AMMC in het kader van milieumisdrijven en milieu-inbreuken door het Milieuhandhavingscollege in 2016 en de resultaten van de behandeling ervan

Tabel 53

Aantal en aard van de bestuurlijke geldboetes opgelegd door de Vlaamse Landmaatschappij

145


7.4 LIJST VAN RESPONDERENDE GEMEENTEN Aalst

Borgloon

Gavere

Herselt

Kontich

Aalter

Boutersem

Geel

Herzele

Kortemark

Affligem

Bredene

Geetbets

Heusden-Zolder

Kraainem

Alken

Brugge

Genk

Heuvelland

Kruibeke

Antwerpen

Buggenhout

Gent

Holsbeek

Laakdal

Anzegem

Damme

Gingelom

Hoogstraten

Laarne

Ardooie

De Pinte

Gistel

Horebeke

Lanaken

As

Deerlijk

Gooik

Houthulst

Landen

Assenede

Deinze

Haacht

Hove

Langemark-Poelkapelle

Balen

Dendermonde

Halle

Huldenberg

Lebbeke

Beerse

Destelbergen

Hamme

Hulshout

Lennik

Beersel

Diepenbeek

Hamont-Achel

Ichtegem

Leopoldsburg

Begijnendijk

Diest

Harelbeke

Ingelmunster

Leuven

Bekkevoort

Diksmuide

Hechtel-Eksel

Izegem

Lier

Beringen

Dilsen-Stokkem

Heers

Jabbeke

Lille

Berlare

Drogenbos

Heist-op-den-Berg

Kapellen

Lokeren

Bertem

Duffel

Hemiksem

Kapelle-op-den-Bos

Londerzeel

Bever

Edegem

Herentals

Kasterlee

Lovendegem

Bilzen

Eeklo

Herenthout

Knesselare

Lubbeek

Blankenberge

Evergem

Herk-de-Stad

Knokke-Heist

Lummen

Bonheiden

Galmaarden

Herne

Koksijde

Maarkedal

146


Machelen

Olen

Sint-Lievens-Houtem

Zandhoven

Malle

Oostkamp

Sint-Niklaas

Zaventem

Mechelen

Oostrozebeke

Sint-Truiden

Zele

Meerhout

Opglabbeek

Staden

Zelzate

Meeuwen-Gruitrode

Opwijk

Steenokkerzeel

Zingem

Menen

Oudenaarde

Stekene

Zoersel

Merchtem

Overijse

Tervuren

Zomergem

Merelbeke

Poperinge

Tessenderlo

Zonhoven

Merksplas

Putte

Tongeren

Zonnebeke

Mesen

Puurs

Torhout

Zoutleeuw

Meulebeke

Ranst

Turnhout

Zuienkerke

Middelkerke

Rijkevorsel

Veurne

Zwalm

Mol

Roeselare

Vilvoorde

Zwevegem

Moorslede

Ronse

Voeren

Zwijndrecht

Mortsel

Roosdaal

Vosselaar

Nevele

Schelle

Waregem

Niel

Scherpenheuvel-Zichem

Wellen

Nieuwerkerken

Sint-Amands

Wetteren

Nieuwpoort

Sint-Genesius-Rode

Wielsbeke

Nijlen

Sint-Katelijne-Waver

Willebroek

Ninove

Sint-Laureins

Wortegem-Petegem

147


7.5 LIJST VAN RESPONDERENDE POLITIEZONES Politiezone Aalst

Politiezone Kruibeke/Temse

Politiezone Antwerpen

Politiezone Leuven

Politiezone Assenede/Evergem

Politiezone Lier

Politiezone Balen/Dessel/Mol

Politiezone LOWAZONE

Politiezone Berlaar/Nijlen

Politiezone Maasland

Politiezone Berlare/Zele

Politiezone Mechelen/Willebroek

Politiezone Bierbeek/Boutersem/Holsbeek/Lubbeek

Politiezone Meetjesland-Centrum

Politiezone Bilzen/Hoeselt/Riemst

Politiezone Middelkerke

Politiezone Blankenberge/Zuienkerke

Politiezone Midlim

Politiezone Bredene/De Haan

Politiezone MIDOW

Politiezone BRT

Politiezone MINOS

Politiezone Brugge

Politiezone Neteland

Politiezone Damme/Knokke-Heist

Politiezone Ninove

Politiezone Deinze/Zulte

Politiezone Noord

Politiezone Demerdal - DSZ

Politiezone Noorderkempen

Politiezone Denderleeuw/Haaltert

Politiezone Noordoost-Limburg

Politiezone Dendermonde

Politiezone Pajottenland

Politiezone Dijleland

Politiezone Puyenbroeck

Politiezone Druivenstreek

Politiezone Regio Tielt

Politiezone Erpe-Mere/Lede

Politiezone Regio Turnhout

Politiezone Gavers

Politiezone RODE

Politiezone Geel, Laakdal, Meerhout

Politiezone Ronse

Politiezone Gent

Politiezone Rupel

Politiezone Geraardsbergen/Lierde

Politiezone Schelde-Leie

Politiezone Grens

Politiezone Sint-Niklaas

Politiezone Hageland

Politiezone Tienen/Hoegaarden

Politiezone Hamont-Achel/Neerpelt/Overpelt (HANO)

Politiezone Tongeren/Herstappe

Politiezone HERKO

Politiezone Vlaamse Ardennen

Politiezone Het Houtsche

Politiezone Voorkempen

Politiezone Kanton Borgloon

Politiezone Westkust

Politiezone KASTZE

Politiezone Wetteren/Laarne/Wichelen

Politiezone KEMPEN N-O

Politiezone WOKRA

Politiezone Klein Brabant

Politiezone ZARA

Politiezone K-L-M

Politiezone Zennevallei

Politiezone Kouter

Politiezone Zuiderkempen

148


COLOFON Uitgave september 2017

VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Prof. Dr. Michael G. Faure LL.M. Voorzitter van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Koning Albert II-laan 20 bus 15 1000 Brussel

REDACTIE An Stas, Michaël Van den Berge en Laïla Macharis Permanent secretariaat van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu

LAY-OUT The Oval Office Mechelsesteenweg 271 b10.1 2018 Antwerpen

FOTO’S: Laïla Macharis, VHRM An Stas, VHRM Viktor Hanacek, picjumbo.com Jan Lamberts, ANB

DEPOTNUMMER D/2017/3241/216

Dit rapport is beschikbaar op de website van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu: www.vhrm.be

Overname wordt verwelkomd, mits bronvermelding

149


150

© Jan Lamberts


VLAAMSE HOGE HANDHAVINGSRAAD VOOR RUIMTE EN MILIEU Koning Albert II-laan 20 bus 15 1000 BRUSSEL www.vhrm.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook