MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN & A NOVEMBER-DECEMBER 2 0 0 9 A
!/6
TWEEMAANDELIJKS
>
\ \
i
fHp
458? j ? -
hydraulische kalkmortels, kailei en tadelaktbepieisrermg buitengevelisolatiesystemen LIMETIC; kalkverven CORICA silicaatverven CORISILK en KEK marmerafwerkingen MARMOLUX, CORISTIL en DECORLU! stucco venetiano PLASTELUX en VENESTUI
™«—
VIBE
M^ HtSfat-
Wr
^BB^
Arte Constructo bvb Moienberglei 18 - B-2627 Schelle - Belgiur +32 (0)3 880.73.73 - Fax +32 (0)3 880.73.7 •.arteconstructo.be - info@arteconstructo.b
mm
Tweemaandelijks tijdschrift van het Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfmied
28 jaargang november-december
MONUMENTEN, LANDSCHAPPEN EN ARCHEOLOGIE
Redactie Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel. 02-553 16 13 -Fax 02-553 16 05 E-mail: luc.tack@rwo.vlaanderen.be Voorzitter: Luc Tack Eindredactie: Marjan Buyle en Marcel M. Cells Fotografie: Oswald Pauwels Vormgeving en productie: Luc Tack Secretariaat: Diane Torbeyns
Cover. Zeppelin-Staaken RVI tijdens WO I (collectie Piel Steen)
Website: www.onroerenderfgoed.be
Internet
Abonnementsvoorwaarden 2009 België: 40 € (ook losse nummers verkrijgbaar voor 7 € ) . CJP'ers betalen: 28 € Buitenland: 65 €
Advertentiewerving J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: 050-34 86 27 - Gsm: 0496 90 60 19 Tel.: 050-36 25 89 - Fax: 050-37 33 64 E-mail: jancasier.brugge@telenet.be www.jancasier.be
Redactiecomité*
Druk Die Keure Kleine Pathoekeweg 3, 8000 Brugge Tel.: 050-47 12 72 - Fax: 050-34 37 68
Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Phoenix-gebouw, Koning Albert ll-laan 19 (bus 3), 1210 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 2008". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. E-mail: diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
Ere-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Jo De Schepper, Hedwig Van Den Bossche, Suzanne Van Aerschot Voorzitter: Luc Tack Kernredactie: Marjan Buyle, Marcel M. Cells, Luc Tack, Herman Van den Bossche, Peter Van den Hcve Redactie: Anna Bergmans, Jo Bracken, Marc De Borgher, Jos Gijselinck, Catheline Metdepenninghen, Dieter Nuytten, Greet Plomteux, Paul Van den Bremt, Christine Vanthillo, Linda Wylleman, Oswald Pauwels, Piet Geleyns
Agentschap R-0 Vlaanderen Onroerend erfgoed Luc Tack Phoenix-gebouw Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) 1210 BRUSSEL Tel.: 02-553 16 13 - Fax: 02-553 16 05
Zonder schriftelijke opzegging voor het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
' Het redactiecomité is samengesteld uit erfgoedconsulenten van het Agentschap R-0 Vlaanderen, Onroerend Erfgoed, en van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Verantwoordelijke uitgever
n h O IJXL Luchtvaartarclieologle versus archeologische erfgoedzorg in Vlaanderen Steven Mortier en Cynrik D e Decker
26
Restauratie en nieuwbouw i n het stadhuis van Menen Frederik Mahieu
37
Het Hollandcollege in Leuven: een boeiende geschiedenis van Uten Lieminghe over de Hollandse missie t o t Paridaens Dieter Nuytten
71
Summary
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde!
Restauratie en Monumentenzorg
Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten.
I
_Llltlil
Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals ornithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
k
/
Nu is er echter BIRDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
-
P.E.C, International n.v. Kleine Breedstraat 37, B-9100 St.-Niklaas Tel.: 03-776 84 39 - Fax: 03-777 35 09
MOREELS NV
p. Nijs
Specialiteit restauratie historische gebouwen & kerken
www.pnijs.be E3-LAAN 49 - 9800 Deinze TEL 09 386 07 63 - FAX 09 380 35 71 p.niis.nv@pandora.be
Natuur & kunstleien - pannen & asfalt
m
Dakwerken G. BOSCH
b.v.b.a.
Restauratie van glasramen van kerken en partikulieren Eigen ontwerpen 43 Jerusalemstraat 9420 E R P E - M E R E Tel. 053-84 83 70 • Fax 053-83 33 65 E-mail: Moreel2@telenet.be
Algemene Dak- & Restauratiewerken Aartrijkestraat 109 - 8820 Torhout Tel. 050-21 10 85 - Fax 050-22 06 17 GSM: 0485-02 00 50 E-mail: geert@bvbabosch.be Site: www.bvbabosch.be
Erkende aannemers onder nr. 24040 Reg. nr. 051511
Erkenning: Klasse 2 Ondercategorieën: D8 - Dl2 - Dl6 - D22 - D24
Archaeology of Conflict Heeft de traditionele wetenschappelijke archeologie haar grenzen bereikt of blijven nieuwe perspectieven zich openen? De vraag wordt met weinig omwegen gesteld door Steven Mortier en Cynrik Decker, in het licht van de recentste ontwikkelingen inzake 'luchtvaartarcheologie', lees: deze van vliegende toestellen - en hun bemanning - uit WO I en WO II. Een beschouwing over de ondraaglijke lichtheid van crash sites of: hoe de passie van 'amateurs' uitdraait op het 'inzicht' van erfgoedzorgers.
De realisatie kandideerde voor de Vlaamse Monumentenprijs 2008, maar moest de duimen leggen voor Jules Eggerickx's Villa l'Escale in De Panne en de blitse Antwerpse Ruien. De ingrijpende geschiktmaking van het stadhuis van Menen, tot voor kort een onontwarbaar kluwen van bouwonderdelen uit opeenvolgende periodes, scoort nochtans door zijn helder concept en compromisloze cohabitatie tussen erkend erfgoed en creatieve nieuwbouw. De bouwhistoricus gaf uitzonderlijk forfait, maar Frederik Mahieu pleit als architect met plaatsvervangend vuur voor deze in het genre voorbeeldige modelrealisatie.
Pulcheria, de Schone Lieve Vrouwe Slechts aan wie ziende blind is zal ontgaan met welke passie Dieter Nuytten, één van MftL's meest productieve auteurs, zich ditmaal toelegt op het Hollandcollege, de parel aan de kroon van de Leuvense universitaire colleges. Ontstaan uit het 16de-eeuwse domein Uten Lieminghe, bolwerk in de vroege 17de eeuw van Cornelius Jansenius en levenswerk van Fille de Notre-Dame Cicercule Paridaens, stichteres in 1805 van de gelijknamige school voor meisjes, wordt dit uitzonderlijk gaaf bewaard gebouwenensemble nochtans vooral gekenmerkt door het Lodewijk XV-decor van architect Jean-Antoine Hustin. Als jongste nieuwe gebruiker laat de Universiteit Leuven ongetwijfeld op termijn evenzeer haar eigen sporen na.
Steven Mortier en Cynrik De Decker
LUCHTVAARTARCHE0L0G1E VERSUS ARCHEOLOGISCHE EREGOEDZORG IN VLAANDEREN • Replica van de Voisin Farman I m het Koninklijk Museum van het Leger en de Rrijgsgeschiedems (foto 0. Pauwels)
Al een tijdlang
zijn er in Vlaanderen
personen
en verenigingen
actief die zich toeleggen
wat men noemt
lucht vaart
archeologie'.
Het zijn amateur-archeologen, luchtvaartfanaten ven onderzoek weerslag
te
20*
naar de
van de pijlsnelle
de luchtvaart
historici
die ondermeer uitvoeren
materiële
sites van deze toestellen
op de grote conflicten
van die tijd,
geen toeval.
Immers net in die periodes
te de luchtvaarttechnologie voorwaarts.
Bovendien
grote
is maak-
sprongen
werden tijdens WO II
van vliegtuigen vinden.
Dat daarbij
geen
de crash
Maar
ervaren
naar
restanten
wordt door als
gische erfgoedzorg
en praktijk.
geval?
be-
profes-
conflictueus
met de regels van de conventionele Maar
te
er
die zich nog in de bodem
Vooral dat laatste
het
-
zo precies mogelijk
ook gegraven
sionele archeologen
werkelijk
zeer veel
betoog.
trachten
en te inventariseren.
wordt natuurlijk
grotendeels
niet in het minst de Tweede Wereldoorlog,
lokaliseren
massaal
- en helaas ook mensenlevens
De luchtvaartarcheologen
van
doeleinden
en ingezet.
verloren gingen behoeft
tijdens de eerste helft van de zich
geproduceerd toestellen
en
voor militaire
doorgedre-
ontwikkeling
eeuw. Dat het onderzoek
toespitst
op
toestellen
archeolois dat
HISTORISCH KADER De geschiedenis van de luchtvaart begint in de 15 e eeuw met Leonardo Da Vinci. Hij schetste toestellen waarvan het de bedoeling was dat de mens er mee zou kunnen vliegen. Da Vinci zelf heeft een aantal pogingen gedaan om effectief te vliegen, maar het is hem nooit gelukt. In de 17 c eeuw ontwierp de Italiaanse jezuïet Francesco de Lana-terzi een luchtschip bestaande uit een zeilbootje waaraan vacuüm bollen werden bevestigd. Ook hier bleek de theorie te struikelen over de praktijk, maar de wetenschappelijk onderbouwde ideeën van Lana zouden later wel leiden tot de uitvinding van de luchtballon door de gebroeders Montgolfier. De gebroeders zelf maakten de eerste ballonvlucht in 1783. Het was toen nog meer dan een eeuw wachten op de eerste vlucht met een toestel dat zwaarder was dan lucht zelf. Het was in 1894 dat Otto Lilienthal er voor het eerst in slaagde te glijden op de lucht. Verder dan ongeveer 200 meter zouden hij en zijn navolgers echter niet komen. Lilienthal stierfin 1896 tijdens eens testvlucht. De gebroeders Wright maakten dankbaar gebruik van de kennis van Lilienthal en maakten verscheidene vluchten in zijn glijders, vooraleer zij besloten om in een zelf ontworpen, groter zweefvliegtuig een motor te plaatsen. De uitvinding van de benzinemotor lag mee aan de basis van deze evolutie. Tot dan toe kende men immers enkel stoommotoren en die waren veel te zwaar om in een vliegtoestel te worden gemonteerd. De eerste vlucht van de gebroeders Wright in 1903 duurde welgeteld 12 seconden en bracht hen 36 meter ver van de plaats waar ze waren opgestegen. Later die dag kwamen ze tot 800 meter met één minuut vliegtijd. Het waren tevens de eerste (historisch verifieerbare) 'gecontroleerde' vluchten. Dit wil zeggen dat een zekere controle kon worden uitgeoefend over het toestel door middel van besturingselementen. Met de korte vluchten van Santos D u m o n t in Frankrijk in 1906 doet de luchtvaart haar intrede in Europa. Het waren enkele Gentse luchtvaartenthousiasten die er in 1908 - 2008 was voor de Belgische luchtvaart een eeuwfeestjaar - voor zorgden dat er ook buiten de twee voornoemde landen gevlogen werd. O p 28 mei van dat jaar bracht Henri Farman de luchtvaart naar België, dat hiermee een voorsprong kreeg op bijvoorbeeld Duitsland, Nederland en zelfs Groot-Brittannië, landen die pas dit jaar hun luchtvaarteeuwfeest vieren. De aanloop naar en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een pijlsnelle evolutie
Spad Vil in het Koninklijk Museum
van de luchtvaart. In 1914 had de luchtvaart zich in nauwelijks tien jaar tijd tot een niet meer weg te denken element van de oorlogvoering ontwikkeld. Namen als Manfred von Richthofen (1) en Geotges Guynemer (2) werden gemeengoed en iconen van de krijgsgeschiedenis. Het was ook boven het Vlaamse front dat die evolutie grote sprongen maakte - in 1917 vertrokken van op Gentse vliegvelden enorme Duitse viermotorige bommenwerpers om boven Londen bommen van één ton te droppen. Sporadische resten van vliegveldarchitectuur en gedenktekens zijn al wat rest van het eerste luchtoorlogconflict dat van op honderden pistes en vliegvelden in onze provincies gevoerd werd (3). De weinige toestellen die uit die periode overblijven, worden vandaag gekoesterd. In het Brusselse luchtvaartmuseum staat één van de allermooiste collecties W O I-toestellen ter wereld. Dat in onze West-Vlaamse akkers nog heel wat restanten te vinden zijn van de honderden toestellen die er neerstortten, komt nu en dan aan de oppervlakte. Momenteel wordt onderzoek verricht naar een Zeppelin-Staaken-reuzenbommenwerper die in Poelkapelle neerstortte.
van het Leger en de Krijgsgeschiedenis (foto 0 . Pauwels)
• Reconstructietekening van een Zeppelin-Staaken RVI
mm (Tekening Piotr Lopawelski, Polish Aviation Museum Krakau)
M&L
Deze foto illustreert de constructie van vliegtuigen met een houten frame dat overtrokken werd met linnen met daarop een laag triplex aangebracht. Collectie Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedems (foto 0. Pauwels)
• Een Supermarine Spitfire m het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis (foto 0. Pauwels)
1VI&L
De vleugels van de eerste generatie vliegtuigen hadden een houten frame dat omspannen werd met linnen, dat op zijn beurt werd ingestreken met lak om het textiel winddicht te maken. Dit was veel lichter dan vleugels die geheel uit hout bestonden, maar ook veel kwetsbaarder. Een bijkomend nadeel was dat men op deze manier geen aërodynamische vormen kon creëren. De ontwikkeling van het monocoque-pnnc'ipe (4), of de zelfdragende romp, in 1916, bracht een revolutie in de luchtvaart, maar de techniek was vrij complex. In de jaren '20 daalde de prijs van aluminium (5), wat leidde tot de volgende grote stap voorwaarts in de
luchtvaartontwikkeling. Deze legering was eenvoudiger toe te passen dan het monocoque-procédé, en de mogelijkheden om aërodynamische vormen te ontwikkelen waren vanaf dan onbegrensd. Diverse legeringen werden ook aangewend voor de bouw van steeds krachtiger motoren die een almaar gunstiger verhouding gewicht/pk (tot meer dan 2000 pk) kenden. O p nauwelijks dertig jaar tijd had de vliegtuigontwikkeling reeds in 1940 zijn grootste sprongen genomen (6). Bij het uitbreken van W O II had de luchtvaart reeds definitief een belangrijke strategische rol veroverd. De Battle of Britain (7), een sleutelmoment in de geschiedenis van de 20 src eeuw, werd beslecht in de lucht. In de vijf daarop volgende jaren was België het luchtslagveld van Europa. Onze gewesten lagen pal onder de luchtroutes tussen Groot-Brittanië en het Reich. Het luchtoorloggebeuren was de enige strijd die ononderbroken verder gezet werd, nadat het Duitse leger in 1940 haar posities voor zowat vier jaar vastgelegd had. De Luftwaffe ontwikkelde ook boven België een ingenieus verdedigingssysteem. Met behulp van radar, een technologie die zich samen met radionavigade parallel aan de luchtvaart ontwikkelde, werd elke geallieerde 'bin-
EEN UNIEKE REUZENBOMMENWERPER IN POELKAPELLE In 1981 stootte landbouwer en toenmalige schepen van Poelkapelle Daniël Parrein bij het ploegen op de wrakstukken van een vliegtuig uit de Eerste Wereldoorlog. Bij een eerste inspectie van deze bodemrelicten door de auteur van deze tekst bleek dat het ging om een Duits toestel en niet om het vliegtuig van de Franse luchtheld Georges Guynemer (1), zoals aanvankelijk werd geopperd. Verder onderzoek na de vondst bracht geen opheldering en de stukken werden in bewaring genomen door Piet Steen, lid van het plaatselijke Georges Guynemer-herdenkingscomité. Bij een werkbezoek aan het Musée de l'Air et de l'Espace van Le Bourget bij Parijs, om de herdenking voor te bereiden van de negentigste verjaardag van Guynemers sneuvelen (1917), werd advies gevraagd aan de technici van de afdeling Memorial Flight, specialisten in het herstellen van historische vliegtuigen. Na onderzoek van de foto's van de brokstukken concludeerden zij dat het
zou kunnen gaan om een zware Duitse bommenwerper. Deze conclusie zou van doorslaggevend belang blijken voor het verdere onderzoek. Samen met het militair personeel van het Koninklijk museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis te Brussel werden de brokstukken vergeleken met een daar nog bewaarde Mercedes IVa motor uit een Gotha-bommenwerper. Enkele vastgestelde gelijkenissen stimuleerden het verdere onderzoek. Een naamplaatje met de naam 'Gustav Heyde-Dresden', een fabrikant van optisch materiaal, bracht de auteur op een dood spoor bij het Deutscbes Museum in Berlijn. Ook een ander type zware bommenwerper werd echter uitgerust met vier Mercedes IVa-motoren: het Zeppelin-Staaken RVI-toestel. Uit literatuuronderzoek bleek dat op 21 april 1918 een Zeppelin-Staaken zou neergestort zijn te Westrozebeke. De vindplaats van de wrakstukken bevindt zich op het grondgebied van Poelkapelle. Het was echter niet uitgesloten en zelfs aanneme-
Zeppelm-Staaken RVI tijdens WO I
(collEctie Piet Steen)
M&L
Een neergestorte Zeppelin-Staaken (collectie Piet Steen)
lijk dat het toch om de in de literatuur vermelde Zeppelin-Staaken ging, aangezien de wrakstukken werden aangetroffen op een luttele 100 meter verwijderd van de gemeentegrens met Westrozebeke. Na deze bevinding werden de Duitse slachtofferlijsten van de crash van 21 april 1918 geraadpleegd. Meer bepaald werd gespeurd naar gegevens over de Riesenflugzeug Abteilung 501, die opereerde vanuit het vliegveld van Scheldewindeke (2) bij Gent, waar het toestel voor het laatst was opgestegen. In het Air Museum in Krakau (Polen) bevindt zich de enige, tot nu toe gekende, bewaarde motorgondel van een Zeppelin-Staaken RVI. Vergelijking van technische plannen, foto's en fragmenten bevestigde het vermoeden van de auteur. De ingegraveerde kentekens tenslotte gaven de doorslag: de gevonden brokstukken in Poelkapelle waren onomstotelijk afkomstig van de in 1918 neergestorte Zeppelin-Staaken RVI R34/16 In de nacht van 20/21 april 1918 had de ZeppelinStaaken RVI R34/16 een bombardement uitgevoerd op Saint-Omer. Het doel was waarschijnlijk de hoofdbasis van de Royal Flying Corps (voorloper van de Royal Air Force). O p de terugweg werd het toestel bij het overvliegen van de frontlinie neergehaald, vermoedelijk door luchtafweergeschut of door Britse nachtjagers. De zeven bemanningsleden Hans Sturm, Johannes Leistner, Wilhelm Wiech, Hermann Böse, Peter Antoni, Gustav Kinzle en Martin Böhme sneuvelden. Vier bemanningsleden kregen uiteindelijk hun laatste rustplaats op het
M&L
Deutscher Soldatenjriedhoftt Vladslo. De stoffelijke overschotten van de drie anderen werden gerepatrieerd naar hun geboortestad om daar begraven te worden. De Zeppelin-Staaken RVI-toestellen waren, met een vleugelbreedte van 42,2 m, de grootste vliegtuigen uit de eerste wereldoorlog en blijven tot op heden één van de grootste houten vliegtuigen die ooit gebouwd werden. Hij had een bemanning tot 8 personen en kon tot 3,5 ton bommen vervoeren. Een opvallend kenmerk van dit toestel was dat ook de motorgondels tijdens de vlucht werden bemand. Een motorgondel had zowel een voor- als een achterpropeller. Daartussen was een zitplaats voorzien voor een monteur, die tijdens volle vlucht met een set gereedschap aan de slag moest, indien zich motorproblemen voordeden. Slechts 18 vliegtuigen van dit type werden er gemaakt, waarvan er 13 effectief aan het front werden ingezet. Slechts drie ervan werden door de geallieerden neergehaald. Ze bombardeerden Londen en Noord-Frankrijk. De ontdekking van dit unieke toestel kan een nieuw impuls geven aan het historisch onderzoek met betrekking tot de inzet van deze reuzenbommenwerpers tijdens de eerste wereldoorlog. Vermoedelijk bevinden zich nog andere restanten van de zeldzame reuzenbommenwerper, ondermeer één van de motorgondels, op de crash site in de
Gereedschap van
van de crash site te
een monteur van de Poelkapelle Zeppelin-Staaken RVI
(foto Piet Steen)
R34/16, afkomstig
bodem. Wat in de toekomst met de site zal gebeuren is nog niet duidelijk. Het belang van de vondst wordt aangetoond door de buitenlandse interesse. Het museum in Polen dat de enige andere bewaarde motorgondel van een zeppelin-staaken herbergt, bood spontaan zijn hulp aan bij een eventuele opgraving, terwijl een Duits museum de stukken al meteen opeiste, er van uitgaande dat Duitsland de rechtmatige eigenaar is van dit unieke stuk erfgoed. Een juridische interpretatie waar we het niet noodzakelijk mee eens hoeven te zijn. Piet Steen (Poelcapelle 1917 Association)
(1) Zie voetnoot 2 van de tekst van Mortier en De Decker. (2) Aanvankelijk stegen de zware bommenwerpers op vanaf de vliegvelden van Sint-Denijs-Westtem en Gontrode, eveneens in de omgeving van Gent gelegen. In 1917 werd hievoor speciaal het vliegveld van Scheldewindeke aangelegd.
nenvlieger' gedetecteerd en onderschept. De daaropvolgende luchtgevechten werden beslecht met een crash. Het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis beschikt over een databank van meer dan 4280 vliegtuigen die tijdens W O II boven België verloren gingen of neergehaald werden. Het gaat om 98 Belgische toestellen, 100 uit Frankrijk, 1515 uit Groot-Brittannië en de Commonwealth, 732 uit de Verenigde Staten en 1819 uit Duitsland. Van ongeveer 1000 toestellen is de locatie nog niet nader bepaald of ontbreken in de historische bronnen cruciale gegevens met betrekking tot de identificatie (8). De bezetter was er op uit om zoveel mogelijk informatie uit die crash sites te halen: bewapening, bepantsering, uitrusting, ... alles werd nauwgezet op fiches gezet en in Duitsland geïnventariseerd. Het gevolg was dat gevangengenomen geallieerde bemanningen tot hun stomme verbazing vaststelden dat de ondervrager aan de andere kant van de tafel minstens even goed op de hoogte was van de technische verwezenlijkingen dan zijzelf. Speciale Bergungskommando's recupereerden de wrakstukken en tonnen aluminium werden in de Bergungsbetriebe bij Parijs en Utrecht gerecycleerd om nieuwe toestellen te bouwen. Het opgraven van een dergelijk wrak was een job voor veelal Belgische arbeiders die met dit moeizame en soms weinig benijdenswaardige werk een stuiver bijverdienden, en hiermee de verplichte tewerkstelling in Duitsland ontliepen. Een vliegtuig dat algauw enkele tonnen woog en soms van op acht kilometer neerstortte, liet soms tot wel acht meter diepte sporen na in de grond. Tijdens de Koude Oorlog in de jaren '50 waren er speciale firma's actief die vliegtuigwrakken opgroeven. Het aluminium werd duur verkocht. Jammer genoeg werden zo heel wat sporen uitgewist die voor de luchtvaartonderzoeker van vandaag uitermate belangrijk zijn. Een vliegtuigcrash is immers altijd het begin van een lang verhaal van overlevenden, getuigen en nabestaanden, dat dikwijls al decennia bij de lokale bevolking tot de verbeelding spreekt. Nauwkeurig onderzoek kan leiden tot de identificatie van het toestel, dat gekoppeld aan archiefonderzoek leidt naar het verhaal van de bemanning en haar lot. De belangstelling voor 'luchtvaartarcheologie' groeide begin jaren '60. Toen reeds zochten Britse amateurarcheologen naar restanten van Spitfires, Hurricanes en Messerschmitts (9) die tijdens die zomer van 1940 in de krijtbodem van Zuid-Engeland
Een Liberator in de collectie van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis ((oio 0. Pauwels)
te pletter stortten. Er groeiden heuse musea rond waarin de luchtvaartoorlog op een totaal andere - en voor velen realistischere - manier belicht werd. Nederland maakte na de Tweede Wereldoorlog ook werk van de drooglegging van het IJsselmeer. Dit landschapselement was ooit een belangrijk navigatiepunt voor de geallieerde bemanningen op weg naar Duitsland. Tijdens het inpolderen verrezen soms haast volledige Flying Fortresses, Liberators en Lancasters (10) uit de modder. Het werd een job voor de Nederlandse bergingsdienst, maar de media-aandacht hierrond scherpte de belangstelling voor het luchtoorloggebeuren boven het Continent. Tijdens de jaren '70 gingen bij onze Noorderburen enthousiastelingen op zoek naar resten van vliegtuigwrakken, en evenals in Groot-Brittannië leidde dit tot lokale musea en collecties.
• ; van een P-47 Thunderbolt te Harlekerke in 2001 (foto BAHAAT)
M&L
Begin jaren '80 werden vooral in Belgisch Limburg de eerste onderzoeken verricht naar vliegtuigwrakken. De resultaten werden gekoesterd in private
collecties. Van onderzoek naar het luchtoorloggebeuren was nauwelijks sprake, maar ook hier werden de eerste stappen gezet. Toen in 1996 de Belgian Aviation History Association (BAHA) opgericht werd, besloot men op een structurele wijze, en in alle openheid, het onderzoek naar dit onderwerp meer vorm te geven. In 1997 werd uit een moeras bij Schendelbeke (Geraardsbergen) op aansturen van het Canadese Veterans Affairs een ,tt?/i/a;c-bommenwerper (11) geborgen. Drie tot dan vermiste vliegeniers kregen zo een definitieve rustplaats. De stukken van het toestel werden naar Canada verscheept en daar gebruikt bij de heropbouw van een Halifax. De zoektocht naar vermiste vliegeniers - in samenwerking met de bevoegde overheidsdiensten - trok heel wat aandacht, wat dan weer inspirerend werkte en het onderzoek verbreedde.
ZIJN NEERGESTORTE VLIEGTUIGEN ARCHEOLOGISCH ERFGOED? Het mag gerust gezegd dat de personen die zich als eersten in Vlaanderen bezig hielden met het opsporen en blootleggen van crashsites pioniers waren. Men zou kunnen opperen dat het om louter hobbyisten gaat, tuk op het verzamelen van artefacten. Misschien was dat in de vroege begindagen wel het geval, maar de diepgaande passie waarmee ze hun hobby beoefenden heeft uiteindelijk wel geleid tot een verbreding en structurering van het onderzoeksveld, én de opbouw van doorgedreven specialisatie en expertise inzake luchtvaartgeschiedenis die ontegensprekelijk onmisbaar zullen zijn voor het toekomstige beheer van dit relatief recente erfgoed. Indien de reguliere erfgoedzorg de hand in eigen boezem steekt, moet immers worden toegegeven dat tot in de eerste jaren van de IV^ eeuw nooit enige aandacht werd besteed aan dit thema. Deels is dat te verklaren doordat het thema vrij onbekend was in de verschillende vakgebieden waaraan de erfgoedzorg gelieerd is, maar dat is niet alles. In tegenstelling tot de ervaringsdeskundigen is het besef dat we hier te maken hebben met een waardevolle - maar fragiele - vorm van erfgoed in de professionele vakwereld, niet in het minst het archeologische werkveld, pas zeer recent ontkiemd. Tot enkele jaren geleden beschouwde men structuren, contexten en objecten die gerelateerd zijn aan de beide wereldoorlogen zelfs als een verstoring van het bodemarchief, eerder dan als een volwaardige component ervan. Als men ze aantrof bij het opgraven van meer 'klassieke' archeologische sites
werden ze meestal niet of slechts oppervlakkig gedocumenteerd. Conflictarcheologie, een term ontleend aan het Engelse Archaeology of Conflict, waar de luchtvaartarcheologie deel van uitmaakt, is in Vlaanderen een splinternieuw gegeven dat pas nu langzaam een plaats aan het veroveren is binnen het vakjargon en waarvan ook nu nog verschillende aspecten, zoals het onderzoek naar en beheer van historische slagvelden, op Vlaams niveau onderbelicht blijven. Maar crash sites zijn ook binnen het brede spectrum van de conflictarcheologie een beetje een geval apart. Zo zijn er heel wat vragen over methodologie van het opgraven, beheer en bewaring omdat de problematiek daaromtrent toch enigszins lijkt af te wijken van de huidige opvattingen rond archeologische erfgoedzorg. En zonder voorbarige conclusies te willen trekken lijkt het erop dat de problematiek wel eens van toepassing zou kunnen zijn op een aantal andere aspecten van het archeologiebeheer, of dat er op zijn minst parallellen zijn. Archeologische monumenten zijn decretaal gedefinieerd als "alle overblijfselen en voorwerpen of enig ander spoor van menselijk bestaan die getuigenis afleggen van tijdperken en beschavingen waarvoor opgravingen of vondsten een betekenisvolle bron van informatie zijn {XT). Maar wat betekent 'betekenisvol' en zijn neergestorte vliegtuigen dat dan ook? In deze tekst gaan we er van uit dat alles waaraan een zekere waarde wordt gehecht betekenisvol is. Wellicht de eerste vraag die zich bij erfgoedconsulenten en -onderzoekers opdringt is: Moeten, kunnen of 'willen' we neergestorte vliegtuigen wel als waardevol erfgoed beschouwen? In tegenstelling tot wat men vaak verondersteld, wordt archeologisch erfgoed niet gedefinieerd door de ouderdom dat het bezit. Van doorslaggevend belang is de informatiewaarde van sites, contexten of objecten, ongeacht de periode waaruit ze afkomstig zijn. Bovenstaande vraag zou dus als volgt moeten geformuleerd worden: betekent het onderzoek naar crashsites een meerwaarde voor het verhaal waaraan continu geschreven wordt en wat wij gemakshalve 'geschiedenis' noemen? Het antwoord is neen. Én ja. O p macroschaal is het antwoord: Neen, het onderzoek naar neergestorte vliegtuigen zal ons niet dwingen tot zelfs maar een geringe aanpassing van de geschiedenisboeken van onze onderwijsinstellingen. Maar als we dat als criterium zouden vooropstellen bij het definiëren van wat als waardevol
DE DORA VAN WAASMUNSTER In oktober 2004 slaagde de vzw Belgian Aviation History Association Archaeology Team (BAHAAT) er in om het wrak van één van de zeldzaamste en meest memorabele jachtvliegtuigen van de Tweede Wereldoorlog aan de oppervlakte te brengen. De opgraving kwam er na een tien jaar lang onderzoek in Britse en Duitse archieven, detectie en buurtonderzoek bij de omliggende woningen van het Sint Annabroek bij het Oost-Vlaamse Waasmunster. Eind 1944, toen de Luftwaffe op het einde van haat krachten was, organiseerde het opperbevel nog een laatste massale offensief in de hoop de geallieerde strijdkrachten een zware slag toe te brengen. De Duitse luchtmacht zette al haar jagers aan het westelijke front in om op de inmiddels bevrijde vliegvelden in België en Nederland met scheervluchtaanvallen zoveel mogelijk schade toe te brengen. O m de verrassing te vergroten werd de aanval uitgevoerd rond 9 uur 's ochtends, op Nieuwjaarsdag 1945. De meeste deelnemers van deze Unternehmen Bodenplatte waren te jong en te onervaren om
Een hét Wulf tijdens WO II (archief BAHMT)
dergelijke operatie over zo een grote afstand met succes af te ronden. De verliezen waren vanuit Duits standpunt gezien, verschrikkelijk. Een belangrijke rol hierin speelde de Poolse (1) Spitfirewing (2) die toevallig die nieuwjaarsochtend in de lucht hing en de Duitse formatie in de rug, langs boven aanviel. Vooral boven het Waasland kwam het tot een luchtgevecht zonder weerga. De Poolse Pilot Officer Dromlewicz (3) hing zo in de staart van FeldwebelVzwl Drutschmanns 'Weisse3'{A), een Focke Wulf 190 D-9 (5) (bijgenaamd 'Dora') van de 9.Staffel van het Jagdgeschwader 54 'Grünherz (6). De Duitser werd langs rechts aangevallen, de kogels sloegen in de staart en rechtervleugel. De lijnmotor van de Focke-Wulf sputterde zijn laatste adem uit. De toen 19-jarige Jozef De Munck was oorlogsvrijwilliger en was net thuis met verlof in Waasmunster. Hij herinnerde zich in 1996: "77;dens het geronk en gekletter snelde ik naar buiten. Van onder een appelaar zag ik wat er gaande was: de Spitfire had zijn brandstoftank afgeworpen en bestookte die Duitse jager. Deze kwam van over het vliegplein Waasmunster, scheerde over het dak van het
wapen. Iemand heeft hem dan op de buis van zijn •* üets naar de brug gebracht. Van daar trokken we sa- es wor J
& &
met
sezee
als doel zelfs
men naar het gemeentehuis. De piloot was doornat. ^ ^\mM fragmel,. Iemand reikte hem droog ondergoed aan, maar dit ten te recupereren weigerde hij aan te trekken. Ik gaf hem een sigaret. ' ' "English?" vroeg hij, en hij weigerde nogmaals. Uiteindelijk wilde hij wel een sigaret rollen. Ik vroeg hem vanwaar hij kwam. Hij zweeg even en antwoordde peinzend: "Met twee kon ik ze pakken, maar met z'n drieën waren ze te veel voor me", hij verwees naar het luchtgevecht." Paul Drutschmann keerde pas in 1948 terug uit krijgsgevangenschap. Hij overleed in 2000. (8)
De iange voorbereiding tot berging van Drutschmanns 'Weisse 3'
kasteel Blauw endaal, maar kon de salvo's van de Spitfire niet ontwijken. Van zodra hij geraakt was, trok de Duitse piloot zijn machine met een scherpe boog de lucht in. Op het hoogste punt gekomen, opende hij de cockpitkap en sprong hij er uit. Seconden later daalde hij aan zijn valscherm naar omlaag, zijn machine sloeg in een drassige weide in het Sint-Annabroek. De piloot plonsde in de Durme. Hij mocht zich gelukkig prijzen: het was laag water, anders was hij zeker verdronken." (7)
Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde de Intellligence — de kennis die men vergaart over ondermeer de technische verwezenlijkingen van de vijand - een grote rol. Elk vijandelijk vliegtuigwrak werd aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Maar uit de lijvige rapporten van de Britse Intelli^«c^-officieren (9) stelden we vast dat de Dora van Waasmunster in 1945 niet kon onderzocht worden. Het wrak was immers buried in marshy land. Het kostte al heel wat moeite om aan de hand van interviews met de schaarse ooggetuigen in de uitgestrekte landerijen de precieze crashlocatie te vinden. Uiteindelijk, in 1994, werden met een metaal- Reconstructie detector kleine fragmentjes van de Dora gevonden, van de 'Dora' van Waasmunster (foto BAHAAT)
De hoogte vanwaar Paul Drutschmann gesprongen was, was net voldoende om zijn valscherm even te openen zodat zijn val gebroken was. Jozef De Munck: " Hij waadde doorheen het slib naar de oever, zwaaiend met zijn revolver naar de omstanders. Intussen was de gemeentelijke politie aangekomen. Maar de piloot weigerde zich over te geven. Ikzelf had intussen mijn uniform aangetrokken. De piloot keek naar me. Ik kwam behoedzaam naderbij. Hij liet zijn pistool zakken. Hij had een mooi uniform aan. "Met jou wil ik meegaan, maar niet met die", en hij wees naar de politieagenten. Ik salueerde hem, en hij groette weer. Zwijgend gaf hij me zijn dienst-
1VI&L
Maar het zou nog eens tien jaar duren vooraleer de precieze spot gemarkeerd kon worden en op GPS vastgelegd. Intussen liet de kleinzoon van de piloot van zich horen. O p zondag 29 augustus 2004 was hij er bij toen het vliegtuig van zijn grootvader geborgen werd. Na het voorzichtig wegschrapen van de graszoden werd de cirkelvormige inslagkrater in de teelaarde merkbaar. Na het graven van een proefsleuf werd duidelijk in welke richting het toestel de grond indrong - een belangrijke indicatie om het spoor van de wrakdelen in de ondergrond te traceren. Een omvangrijk staartstuk en rompdelen wezen in de goede richting. De Dora was onder een relatief lage hoek de aarde in gedrongen. De houten schroefbladen werden meteen versplinterd, de Jumo-motor boorde zich in de zachte ondergrond, gevolgd door de cockpitsectie. Beide M G 131-kanonnen die boven op de motorkap stonden, tussen de motor en de cabine, ondergingen de extreme vertraging zodat ze uiteindelijk met de lopen omhoog teruggevonden werden. Nadat de staart verwijderd werd, greep de kraanarm voorzichtig rond de cockpitsectie. O o k de beide flanken van de ca-
Onderdelen van de 'Dora' worden gebruik! als model voor de reconstructie van een focke Wulf in de restauratie-ateliers van Eric Vormeieele (foto BAHAAT)
M&L
bine werden aangetroffen, met de motorsteunen er nog aan. Ze wezen in de richting van de motor, die losgerukt was. Het team begaf zich 's avonds naar een andere site om in alle rust alles schoon te maken. Het werd een hels en vuil karwei, met belangstelling gevolgd door Sebastian Drutschmann. Deze zou 's avonds weer richting Duitsland vertrekken. Het zeven, spoelen en wassen leverde uitermate interessante vondsten op. Zo zijn op het staartgedeelte duidelijk kogelinslagen te zien van de 303-munitie, afgevuurd door de Poolse Spitfires— Drutschmann werd van bovenrechts aangevallen. O o k de definitieve bevestiging dat we met de Drutschmann-machine bezig waren kwam hier boven: een paneel met daarop duidelijk een fragment van het in witte verf geschilderde cijfer 3. Met de vondst van de Weisse 3 had het BAHA Archaeology Team een unieke aanwinst op haar actief staan. Van de F W 190 D-9 werden er zowat 750 gebouwd — exacte cijfers zijn er niet voorhanden. Volgens een laatste telling blijven er daarvan nog drie over. O p zondag 12 september 2004 ondernam BAHAAT een poging om de Weisse 3 te reconstrueren. Het werd een van de boeiendste ondernemingen die BAHAAT ooit organiseerde. Het team legden alle stukken open zoals ze oorspronkelijk in de machine gezeten hadden. Het resultaat van deze gigantische puzzel was ronduit verbluffend - BAHAAT besefte nu dat ze een Focke-WulfD-S) van kop tot staart hadden, met belangrijke delen van de rechtervleugel - een aanwijzing dat bij het neerstorten dit deel het eerst in de grond verdween. Van de geborgen wrakdelen werd eveneens een kleurenstudie uitgevoerd. Daaruit bleek de haast waarmee de Duitse vliegtuigindustrie de machines moest afwerken - bepaalde delen van de rompbekleding waren nog in blank metaal en ontvingen nooit een beschildering. Opvallend was ook het feit dat bepaalde mechanische elementen nooit gesmeerd konden worden. Zo werden onderdelen van het landingsgestel volledig gesloten gebouwd, met de olie er in. Duitse ingenieurs hadden immers uitgemaakt dat in dat stadium van de oorlog de levensduur van een vliegtuig in tientallen, eerder dan in honderden, vlieguren berekend moest worden. Tijdig smeren zou dus niet nodig zijn...
De Focke-Wulf- waarschijnlijk het meest treffende reliek van de Poolse luchtslag van op Sint-DenijsWestrem, staat nu te kijk in het Museum 'For Freedom in Ramskapelle. De wrakdelen van Waasmunster bieden een schat aan informatie, aangezien er weinig bekend is over dit type vliegtuig. Zorgvuldig gerestaureerde delen dienen als patroon voor replica's die dan op hun beurt aangewend worden voor de reconstructie van een Focke-Wulf 190 D in de ateliers van Eric Vormezeele (10) te Brasschaat. Het originele serienummerplaatje werd overgebracht naar het reconstructietoestel, en de restaurateurs maken zich sterk dat 'de identiteit' van de Weisse 3 ooit terug zal vliegen. O p die manier wordt het erfgoed terug 'echt' levendig gemaakt.
Display in het voor-
erfgoed mag of moet beschouwd worden, dan komt zowat de hele onroerend erfgoedzorg op de helling te staan.
malige museum Broken Wings te Erembodegem. Een deel van de collectie werd over-
Cynrik
De
Decker
(1) In de Royal Air Force dienden duizenden vliegeniers die afkomstig waren uit de door de Duitsers bezette gebieden. De grootste groep waren de Polen. De Poolse 131 Wing-ms op dat moment op Sint-Denijs-Westrem gestationeerd. (2) Een U^'n^was in de Royal Air Force (doorgaans) een verzameling van 3 Squadrons, die elk tien a vijftien vliegtuigen telden. (3) Combat Report via Wojcek Gadowksi - correspondentie familie Dromlewicz, 2004. (4) In de Luftwaffe kreeg elk toestel binnen de eenheid een cijfer en een kleur toegewezen, die op de romp geschilderd werd. De toestellen van de 9.Staffel hadden een wit cijfer. (5) Van de Focke-Wulf 190 A werden er meer dan 20 000 stuks gebouwd, en het was na de fameuze Messerschmitt Bf 109 het voornaamse Duitse jachttoestel. Dit A-model was uitgerust met een radiaalmotor. Tijdens de tweede helft van 1944 kwam een totaal nieuwe D-versie aan het front, die evenwel met een uitetst krachtige lijnmotor was uitgerust. Dit type opereerde uitstekend op gtote hoogte, en zou de geallieerde bommenwerpers het hoofd bieden. (6) Een Jagdgeschwader ("jachteskader") was een grote eenheid jachtvliegtuigen binnen de Luftwaffe, die onderverdeeld werd in (doorgaans) 4 Gruppen, die op hun beurt nog eens elk 4 Staffeln telden. Een Staffel telde tien a vijftien machines. (7) Interview met auteur, 1996. (8) Correspondentie familie Drutschmann, 2004. (9) National Archives, Kew, AIR 40. (10) BAHAAT-lid en hoeder van één van de belangrijkste luchtvaartcollecties in Europa.
De grote verdienste van de erfgoedzorg situeert zich immers op microschaal: "Lespetites histoires de l'histoire". Het is uit de kleine en minder bekende kantjes van de geschiedenis, uit het verleden om de hoek dat dreigt vergeten te worden, dat de erfgoedzorg haar grootste kracht puurt, en de meeste interesse opwekt bij de bevolking. Crash sites mogen dan wel afkomstig zijn van een historisch goed gedocumenteerde periode, ze getuigen toch van een niet te onderschatten betekenis op het vlak van herinnering, herdenking en culturele waarde. Het 'levende geheugen' raakt bovendien stilaan vervlogen. Mensen die het zelf hebben meegemaakt, en de herinnering mee in stand houden, worden steeds schaarser.
gebracht naar het for Freedom Museum in Ramskapelle-Knokke
Crash sites kunnen ook gegevens bevatten over zowel de omstandigheden van de crash als over het toestel zelf. Informatie die niet is neergeschreven in de annalen van de geschiedenis of de tand des tijds niet heeft doorstaan. Het kan daarbij gaan om zaken die op het eerste zicht weinig belangwekkend lijken: informatie m.b.t. fabricageprocessen, gebruikte materialen, interieurafwerking, aanpassingen en zelfs het schilderwerk. De ogenschijnlijke banalireit van dergelijke gegevens neemt af als je weet dat veel tentoongestelde toestellen in musea zwaar gerestaureerd zijn, of dat het latere modellen betreft, die zijn aangepast om te tonen hoe het originele oorlogsvliegtuig er zou hebben 'kunnen' uitgezien. O p die manier vormen crashsires een uniek archief van de pijlsnelle evolurie van de luchtvaarttechnologie voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.
1V1&L
Naast contemporaine historische gegevens, ooggetuigenverslagen en getuigenissen van piloten en/of bemanning die de crash overleefden, kunnen restanten van neergestorte vliegtuigen aldus bijdragen aan de reconstructie en het begrijpen van dit aspect van ons verleden (13).
speelt in de belevingswaarde van het onroerend erfgoed. Daarnaast pleit ook het wetenschappelijke principe van de archeologische reserve' voor een verregaande conservering in situ, uitgaande van de veronderstelling dat toekomstige generaties over meer geavanceerde onderzoekstechnieken zullen beschikken.
HET CREDO VAN DF ARrHEQLOGISCHE ERFGQFDZORfi
Bijgevolg is opgraven volgens de huidige beheersvisie enkel wenselijk indien een duurzaam behoud in de bodem niet gegarandeerd kan worden. Bijna uitsluitend gaat het dan om archeologisch erfgoed dat direct bedreigd wordt door werkzaamheden zoals de aanleg van industrieterreinen, realisaties van verkavelingen, infrastructuurwerken enz. Het aanwezige archeologische erfgoed wordt dan voorafgaand aan de werken opgegraven en uitvoerig gedocumenteerd. O p die manier wordt de informatiewaarde die zich in de bodem bevindt, vertaald naar een behoud ex situ en ontsloten voor verder onderzoek en presentatie aan het (brede) publiek. Men spreekt in dat geval vaak van de zogenaamde 'gedocumenteerde vernieling', een omschrijving waarin zich vooral de pejoratieve connotaties aan de term 'opgraving' manifesteren.
De gehele archeologische erfgoedzorg is gestoeld op de aanname dat archeologische sites nergens beter kunnen bewaard worden dan in de bodem {in situ). Zowel in de Vlaamse beleidsvisie als in de Europese conventie met betrekking tot archeologisch erfgoed (14) gaat men er van uit dat duurzame bewaring het beste wordt gerealiseerd door behoud van de archeologische waarden in de bodem. In dit beginsel gaat men eigenlijk al voorbij aan de meest brede betekenis van archeologisch erfgoed zoals omschreven in het archeologiedecreet. Structuur wordt immers boven inhoud geplaatst en context boven voorwerp, en dit terwijl deze aspecten zowel in het juridische kader als in een wetenschappelijke vraagstelling evenwaardig en complementair aan elkaar zijn. Ook andere factoren spelen mee in het streven naar een maximaal behoud in situ. Zo wordt er veel belang gehecht aan de fysieke verbondenheid van het gebeuren met de locatie waar het heeft plaatsgevonden, een factor die zeker ook een grote rol
De teelaarde wordt
Bevcren-aan-de-IJzer
verwilderd op de
(foto Groep Huyghe-
Archeoloog Jan
Spitfire XII bloot
crash site van een
Decuypere)
Decorte legt een
(foto Groep Huyghe-
boordkanon van de
Oecuypere)
Spitfire XII te
M&L
O p zich is de prioriteit die gegeven wordt aan bedreigd archeologisch erfgoed binnen de huidige maatschappelijke ontwikkelingen zeer verdedigbaar. De concrete, ruimtelijk af te bakenen bedreigingen van dit erfgoed op korte en middellange termijn zijn immers legio, en het is vanzelfsprekend dat bedreigde sites voorrang krijgen op
onbedreigde. Vooral vanuit de hoek van de amateurarcheologen wordt wel eens de vraag gesteld of de natuurlijke degradatie van archeologische sporen, structuren en voorwerpen in de bodem kan worden ingeroepen als verantwoording voor een opgraving. Het antwoord hierop is negatief: degradatie van bodemrelicten doorheen de tijd is eigen aan het bodemarchief. Zelfs na millennia te zijn blootgesteld aan natuurlijke afbraak- en stabilisatieprocessen laten ze nog een spoor na dat door archeologen kan herkend en tot zekere hoogte kan geïnterpreteerd worden. Dit is een nobele houding die een logisch gevolg is van al het bovenstaande maar die tegelijk een beetje haaks staat op het primaire uitgangspunt, namelijk dat ondergronds erfgoed nergens beter kan bewaard worden dan in de bodem zelf. Dit betekent niet dat het credo van de archeologische erfgoedzorg zomaar overboord mag worden gegooid, maar wel dat er in sommige gevallen genuanceerd mag worden. En dat geldt zeker voor het onderzoek naar crashsites.
•* Luchtvaartarcheologen passen "reversed engmeermf
het vliegtuig of onderdelen van het vliegtuig, verwerven ze kennis over de technologie ervan (foto BAHAAT)
DE ENE SITE IS DE ANDERE NIET De stelling dat archeologisch erfgoed nergens beter wordt bewaard dan in de bodem zelf klopt maar ten dele. In feite is het een extrapolatie van ideale bewaringsomstandigheden, zoals ze 'kunnen' voorkomen in de bodem naar het volledige bodemarchief. In werkelijkheid varieert de bewaringsgraad sterk van plaats tot plaats en dit onder invloed van een aantal factoren zoals diepte, bodemtype, waterhuishouding, evenals de aard en samenstelling van het archeologische erfgoed zelf. Maar zoals hoger gesteld, wordt natuurlijke degradatie als zijnde inherent aan de bodem beschouwd. Voor archeologen is dat gegeven ook niet zó dramatisch. De natuurlijke degradatie in de bodem is een stabilisatieproces dat vertraagt naarmate het vordert. Zo kunnen archeologische sporen voor het geoefende oog nog duizenden jaren zichtbaar blijven in bodem. Na verloop van eeuwen kan men paalgaten, grachten, kuilen, waterputten en dergelijke meer herkennen aan de verkleuringen die ze in de bodem hebben nagelaten. Deze sporen tonen als het ware een negatiefbeeld van de gebruiks- en bewoningsgeschiedenis van een omgeving. Een geschiedenis die op die manier in meerdere of mindere mate kan worden gereconstrueerd, ook al zijn de materiële resten grotendeels verdwenen. In dat opzicht verdient de pejoratieve connotatie 'gedocumenteerde destructie' bij het woord 'opgraving' de positieve connotatie 'immateriële reconstructie' als tegengewicht.
toe. Door het
reconstrueren van
De beschrijving van het wettelijke en beheersmatige kader is noodzakelijk om de specifieke problematiek van de zorg en het beheer van crashsites ten volle te bevatten. O p een aantal vlakken passen deze sites immers niet helemaal in het (onvolledige) plaatje van de huidige beheersvisies. Het meest wezenlijke onderscheid tussen de zogenaamde crash sites en de meer 'conventionele' archeologische sites is de locatie waar ze zich respectievelijk bevinden. In het verleden was het landschap immers bepalend voor de keuze van inplanting van bepaalde sites of het uitvoeren van bepaalde activiteiten. De aanwezigheid van sporen die wijzen op metallurgie in (voorheen) bosrijke gebieden waar ijzererts aanwezig is, bijvoorbeeld, is geen toeval, om de eenvoudige reden dat de benodigde grondstoffen er binnen handbereik lagen. Dergelijke sites zijn interessant omdat ze door die bewuste keuze van inplanting kunnen bestudeerd worden in relatie tot hun landschappelijke context. Het is evident dat er in het geval van crash sites geen sprake kan zijn van een bewuste keuze van inplanting. Een vliegtuig dat neerstort heeft behalve de impact zelf geen interactieve band met het landschap.
OPGRAVING SPITFIRE MK.XII MB800 EB-B (4lSquadron) IN BEVEREN-AAN-DE-IJZER O p zondag 5 juli 2009 werd het wrak van een zeldzame Spitfire Mk.XII MB800 in een crash site te Beveren-aan-de-IJzer geborgen door Groep Huyghe-Decuypere in samenwerking met professionele archeologen. Aanleiding voor de opgraving was de directe bedreiging van de site door landinrichtingswerken met de aanleg van ondermeer een poel. De opgraving gebeurde in samenwerking met het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Archeoloog Jan Decorte van Archeo? nam op vrijwillige basis de leiding van de opgraving op zich. Dit was meteen de eerste bergingsoperatie na de ondertekening van het protocol tussen luchtvaartarcheologieverenigingen en de Vlaamse gemeenschap op 29 juni 2009.
Een afbeelding van een Spil XII EB-B in september 1944 ( © fit. Lt. Robert E. Anderson, via Doug Eishburn)
IVI&L
Historiek O p zondag 19 september 1943 escorteerden Spitfires van het 4 l c en 9 1 c Squadron (Royal Air Force) een 70-tal Amerikaanse bommenwerpers van de 386e en 387e Bomb Group die het vliegveld van Lille-Nord (Bondues) gingen bestoken. Tijdens deze missie werd de formatie aangevallen door Duitse jagers. In het daaropvolgende luchtgevecht werd één Messerschmitt Bfl09G-6 neergehaald.
•4 Flight Sergeant Stan May (@ Dan Johnson via Steve Brew)
maar ook beide Squadrons verloren elk één jager. De Spitfire Mk.XII MB800 EB-B, 41 Squadron) crashte in de IJzervlakte langs de Lindestraat in Beveren-IJzer. De Australische piloot, Flight Sergeant Sun May, kon tijdig het toestel verlaten. Met de hulp van lokale burgers en verzetslieden kon hij uit Duitse handen blijven, tijdelijk onderduiken in Oostvleteren en via de Comète-ontsnappingslijn (1) weer Engeland bereiken.
Vooronderzoek Interviews met getuigen van de crash leverden al heel wat informatie op m.b.t. de locatie van de crash site. Voorafgaand aan de effectieve opgraving kon de site precies bepaald worden d.m.v. oppervlaktedetectie. Vermoedelijk was de site reeds na de crash door een Duits Bergungskommando bezocht, maar in archieven werd geen bergingsrapport teruggevonden waardoor de omvang van wat eventueel al geborgen was niet kon worden ingeschat.
De opgraving De opgraving gebeurde volgens de voorschriften en richtlijnen van het bergingsdraaiboek dat tot stand kwam tijdens de overlegrondes tussen het Agent-
schap R-O Vlaanderen, het V I O E en luchtvaartarcheologieverenigingen, en dat eveneens werd geïmplementeerd in het protocol 'luchtvaartarcheologie in Vlaanderen'. Na het aanbrengen en afgrenzen van de voorgeschreven perimeters volgde de briefing. Daarna werd de ploeglaag voorzichtig en ordelijk verwijderd. De ploeglaag en de blootgelegde strook werden zowel onderzocht op oppervlaktesporen van het vliegtuig als op eventuele oudere archeologische relicten. Daarna werd het diepere graafwerk aangevat: beetje per beetje werden lagen weggeschept en kwamen de eerste fragmenten van het vliegtuigwrak boven: geoxideerd aluminium, enkele grotere stukken aluminium, bakeliet, sluiting van de brandstoftanks, elektrische bedrading, enz. Verscheidene projectielen uit één van de twee boordkanonnen werden geconcentreerd aangetroffen en heel voorzichtig verwijderd. O p deze plaats was er duidelijk één van de vleugels relatief horizontaal ingeslagen. De projectielen zouden later door D O V O opgehaald worden. Al vroeg kwamen fragmenten van de motorsectie boven, wat meteen duidelijk maakte dat het bovenhalen van de volledige
fragmenten van de Spitfire Hk. XII (foto Groep HuygheDecuypere)
1VI&L
zowel in het verleden als nu zijn concrete gevolgen had bij bergingspogingen, wat omvang en diepte betreft. Ook al beschikken we niet over een Duits bergingsrapport, toch kunnen we - na de berging — vermoeden dat het voor de bezetters niet zo moeilijk moet geweest zijn om in de elf oorlogsmaanden die hen nog restten, het gros van het wrak te bergen. Kort voor de berging kregen de onderzoekers de mededeling dat iemand nog het achterwiel van het toestel bezat. Verder onderzoek zal mogelijk uitmaken of het om het (intrekbare) achterwiel van Stan May's Spitfire gaat.
A Fragment van de
motor dat bevestig- Griffon-motor (2) niet meer mogelijk zou zijn. Het de dat men een fragment waarop de naam 'Griffon' werd gegraaan P|t|re veerd, bevestigde dan wel weer dat we wel degelijk het opgraven was
_
0
t>
/
(foto Groep Huyghe- 0 P e e n Spitfire Mk.XII aan het graven waren, want Decuypere) dit type was uitgerust met Rolls-Royce Griffon III of IV twaalfcilinder motoren. Deze krachtiger motoren stelde de SpitfireMk.XIIs in staat hun specifieke taak te realiseren: het snel onderscheppen op lage hoogte van de Duitse Focke-Wulf 190. Van dit type Spitfire werden er gedurende W O II slechts 100 geproduceerd. Er kwamen ook stukken van één of meer houten schroefbladen boven, en één van de boordkanonnen. Na deze vondst bleek al snel dat er noch grotere noch kleinere relevante wrakstukken meer aanwezig waren. Er werd nog een tijd nauwgezet en gericht maar beperkt gedetecteerd en gegraven, maar rond de middag werd na gezamenlijk overleg besloten om met de opgraving te stoppen.
Eerste besluiten De positie en de heel beperkte omvang van de aangetroffen stukken komen verrassend goed overeen met de getuigenis die de Australische piloot, Flight Sergeant Stan May, in zijn rapport liet neerschrijven na zijn terugkeer in Engeland. Daarin staat te lezen dat hij, na met zijn valscherm neergekomen te zijn, naar zijn Spitfire was teruggelopen om het in brand te steken. Maar omdat hij zijn vliegtuig in omgekeerde positie en half verzonken in de bodem aantrof, met reeds een menigte mensen er rond, besloot hij het ongemoeid te laten. Deze laatste zin suggereert dat het toestel hard en zijdelings insloeg, en relatief ondiep in de grond bleef steken, wat
1VI&L
De omvang van de geborgen stukken is beperkt, maar elk geborgen onderdeel — hoe gefragmenteerd ook - is luchtvaarthistorisch waardevol, omdat het om een zeldzame Spitfire Mk.XII gaat. Door deze opgraving konden we bovendien bevestigen dat het wel degelijk om de Spitfire gaat die op 19 september 1943 crashte langs de Lindestraat. De berging blijft daarnaast ook waardevol omwille van het menselijk verhaal achter deze relicten, op zijn minst voor de plaatselijke bevolking die betrokken was bij de redding van de piloot. Stan May's eerste helper, André Waeles, werd later door de Duitsers opgepakt en gedeporteerd naar Duitsland. Gelukkig overleefde hij de kampen. Intussen zijn de voornaamste wrakstukken van de berging schoongemaakt en liggen ze in een conservatievriendelijke omgeving te wachten op de voor volgend jaar geplande tentoonstelling. Nadien zullen de meest relevante stukken permanent te zien zijn in het museum van de Flanders Aviation Society in Wevelgem. In de nabije toekomst zal de Vlaamse Landmaatschappij een infobord plaatsen over het natuurdomein waarin de berging plaatsvond. Daarop zal ook het verhaal van de Spitfire een plaats vinden (2).
Dirk Decuypere (Medevoorzitter Groep-Huyghe Decuypere)
(1) De Comète-ontsnappingslijn was actief vanaf 1941 tot aan de bevrijding. Ze liep vanuit België over Frankrijk naar Spanje. Langs deze lijn werden 706 piloten overgebracht. Comète telde ongeveer 2000 verzetslieden. Door infiltratie van collaborateurs werden 800 van hen aangehouden. 216 overleefden de oorlog niet. (2) Een verslag van de opgraving, staat te lezen op de Website van Hangar Flying (www.hangarflying.be), onder het artikel 'Eerste berging na protocol'.
Er is ook geen sprake van structuur, van doelbewust uitgegraven sporen die samen een geheel vormen. Het uitzicht van een erf bijvoorbeeld varieert van periode tot periode en regio tot regio maar er zijn wel altijd een aantal basiskenmerken waaraan archeologen kunnen herkennen dat het om een erf gaat: de aanwezigheid van (al dan niet omringende) grachten, waterputten, woongebouw, schuurtjes, stallingen, drinkpoelen voor vee, etc. In geval van crash sites gaat het om een object, namelijk het vliegtuig. Het object maakt met andere woorden geen deel uit van de site, noch van een bepaalde context binnen de site, het object is de site. O p zich verklaart dit echter nog niet waarom het principe behoud in situ niet van toepassing zou zijn op de crash sites.
METAAL IS NIET IJZERSTERK
Restanten van een geborgen vliegtuig
Zoals eerder vermeld is de bewaringsgraad in de bodem afhankelijk van een aantal factoren: bodemtype, weerstand, homogeniteit, waterhuishouding, chemische samenstelling van het grondwater, bacteriologische activiteiten en de aard en samenstelling van de artefacten zelf. In zandgronden met een lage pH-waarde zal het natuurlijke stabilisatieproces sneller verlopen dan in pakweg kleigronden. Artefacten in een permanent vochtige, anaerobe omgeving zullen langer bewaard blijven evenals in extreem droge situaties. Die problematiek van verschillende bewaringsomstandigheden doorheen het bodemspectrum is eigen aan de archeologie. Het wordt geaccepteerd dat arte- en ecofacten degenereren in de bodem. In de archeologische wetenschap situeert de vraagstelling zich immers niet zozeer rond de objecten, maar wel rond de context waarvan ze deel uitmaken, en de studie van die materiële context wordt op zijn beurt dan weer vertaald naar het ruimere historische kader. Vanuit dit archeologische oogpunt bekeken, heeft in het geval van crash sites enkel nog het object, i.e. het vliegtuigwrak, enige informatie te bieden. Met het verdwijnen van het object, gaat m.a.w. ook alle informatie van de site verloren.
Luchtvaartarcheologen in zowel binnen- als buitenland beweren dat de wrakken in de bodem zéér snel corroderen, en dat de staat waarin ze heden ten dage wrakken aantreffen in véél slechtere staat zou zijn dan 15 tot 20 jaar geleden (15). Recente publicaties in zowel de vakliteratuur als daarbuiten tonen aan dat zij wel eens gelijk zouden kunnen hebben. De eerste onderzoeken die daar op wezen werden
in het voormalige museum Broken Wings (foto BAHAAT)
Deel van de collectie van BAHAAT tentoongesteld in het Koninklijk Museum voor het Leger en de krijgsgeschiedenis (foto 0. Pauwcis)
uitgevoerd in Noord-Europa. Door vergelijking van bronzen artefacten uit oude opgravingen (tot 100 jaar geleden) met identieke, contemporaine artefacten uit recente opgravingen kwam men tot de conclusie dat de geconserveerde artefacten van de oude opgravingen in een veel betere staat waren dan die afkomstig van recente opgravingen. Studies uit andere delen van Europa hebben deze resultaten inmiddels bevestigd. Als mogelijke oorzaken worden, naast de natuurlijke varianten, ondermeer de milieu- en bodemverontreiniging aangewezen (16). De samenstelling van de vliegtuigen is eveneens problematisch. Niet alleen werden de gebruikte metalen reeds zwaar aangetast door de impact van de crash, waardoor corrosie sneller kan intreden op de beschadigde en gefragmenteerde delen, aluminium heeft ook de eigenschap dat het in combinatie met andere metalen zeer snel corrodeert, ondanks het feit dat het op zich een vrij hoge weerstand heeft tegen corrosie (17). Aluminiumlegeringen en polymeren vormen een aanzienlijk bestanddeel binnen de crash sites. Ook de aanwezigheid van
1VI&L
polluanten, zoals de brandstof van het vliegtuig, kan mogelijk een nefaste invloed uitoefenen op het natuurlijke degradatieproces. In feite worden alle nefaste invloeden op de bewaringsgraad van de bodem in crash sites geconcentreerd in de inslagkrater van het vliegtuig. Hierdoor kan een microomgeving ontstaan waarin het degradatieproces nog sneller verloopt dan in de omringende bodem. Voor de crash sites is dit nog niet wetenschappelijk bewezen, wel kunnen parallellen gevonden worden in publicaties over metaalconservatie in andere archeologische contexten (18). Bij conventionele archeologische sites kan je altijd nog informatie halen uit de contexten en de site als geheel. Als de site bestaat uit één, grotendeels uit aluminiumlegeringen en andere metalen vervaardigd artefact, dan ontstaat er een probleem, en dit op zowel beheersmatig als historisch/wetenschappelijk vlak.
LEVENDE GETUIGEN Behalve de snelle degradatie van de vliegtuigwrakken en het daarmee gepaard gaande informatieverlies, is er nog een bron van informatie die snel slinkt, namelijk levende getuigen. Voor de lokalisatie van wrakken in de bodem nemen de luchtvaartarcheologen interviews af van alle nog levende getuigen van de crash. De precieze locatie van de crash site kan op basis van historische bronnen (als die al voorhanden zijn) vrijwel nooit precies achterhaald worden. Meestal wordt vermeld boven welk grondgebied ongeveer het vliegtuig geraakt werd, maar de eigenlijke crash kan ettelijke kilometers ver verwijderd
• Luftwaffe-piloot Paul Honlf stortte In januari 1944 neer met zi|n Messerschmm Bf 109 G-6 'Weisse lO' In de buurt van
Demze (Archief BAHAAT)
zijn. Dankzij de getuigenissen van mensen die het vliegtuig zagen neerkomen kunnen de luchtvaartarcheologen hun zoekperimeter beperken, en met bijkomende terreinprospectie een onderzoeksgebied afbakenen. Als er dan effectief wordt overgegaan tot een opgraving kan ook de aanwezigheid van nog levende piloten of bemanning van cruciaal belang zijn. Ondanks de doorgedreven expertise en bronnenkennis van de luchtvaartarcheologen, kunnen overlevenden over kennis beschikken die een hulp betekent bij zowel het opgraven zelf als bij de interpretatie van kenmerken van het toestel die behalve bij de piloten zelf bij niemand bekend zijn, en die niet werden vermeld in de geschreven bronnen. Bij de reconstructie van een Duits gevechtstoestel troffen de amateuronderzoekers in de cockpit naast de zitplaats van de piloot twee haakjes aan. De functie daarvan was hen een raadsel, en de geschreven bronnen boden geen antwoord. Het was de overlevende piloot zelf die hen het antwoord gaf. Rond de haakjes werd een touw bevestigd dat diende om verwonde ledematen af te binden. O p zich is dat misschien niet zo belangrijk, maar we mogen niet vergeten dat de geschiedenis niet alleen het verhaal is van de mensheid maar ook een verhaal van mensen. Voor een piloot kon dat stukje touw het verschil betekenen tussen leven en dood. Zonder die piloot was deze informatie, hoe futiel ze ook mag lijken, nooit achterhaald. De Tweede Wereldoorlog ligt ondertussen meer dan zestig jaar achter ons en getuigen die ons dergelijke kennis kunnen verschaffen worden schaars.
T Paul Hönle wordt
Duitse militaire
met militaire eer
kerkhof te Lommei
begraven op het
(foto BAHAAT)
REPATRIËRING FN HFRDFNKINfi Helaas zijn er zeer veel piloten en bemanningsleden die hun laatste vlucht niet meer kunnen navertellen. De levensverwachting van gevechtspiloten en -bemanning tijdens zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog was bijzonder laag. Velen gingen met hun toestel ten onder. Velen onder hen zijn nog steeds 'vermist'. Behalve hun interesse voor de technologische aspecten van de luchtvaartontwikkeling, worden luchtvaartarcheologen ook gedreven door de wens van vele nabestaanden om de gesneuvelden een waardige rustplaats te bezorgen. Hierbij dient terdege rekening te worden gehouden met de internationale regelgeving (19). In verschillende Europese landen springt men daar echter op verschillende manieren mee om. In het Verenigd Koninkrijk worden crash sites waar nog stoffelijke resten aanwezig zijn beschouwd als oorlogsgraven waar onder geen beding mag aan geraakt worden, zelfs niet op verzoek van nabestaanden. Elke aanvraag dienaangaande wordt door het Britse ministerie van defensie categoriek geweigerd. Nederland heeft zich er dan weer toe verbonden om 'vermiste' vliegeniers een menswaardig graf te schenken, maar bij de beslissing tot het bergen van vliegtuigwrakken kunnen ook zaken van algemeen belang spelen zoals volksgezondheid en openbare orde. De internationale regelgeving hieromtrent is niet geïmplementeerd in Belgische wetten. In geval van repatriëring van gesneuvelde soldaten volstaat in principe de goedkeuring van de nabestaanden of het land van herkomst en de overdracht van de stoffelijke resten aan de dienst oorlogsgraven van het ministerie van defensie. Niettemin blijft het al of niet bergen van stoffelijke resten van gesneuvelde soldaten in zowel binnen- als buitenland voor de nodige controverse zorgen (20). Het blijft dan ook een problematiek die met de nodige voorzichtigheid en tact dient te worden benaderd.
METHODOLOGIE Een crash site kent geen complexe verticale en/of horizontale stratigrafie zoals dat bij andere archeologische sites meestal wel het geval is. Hoewel uiterste zorgvuldigheid bij het opgraven van vliegtuigwrakken geboden is, niet in het minst omwille van de eventuele aanwezigheid van munitie, explosieven of stoffelijke resten van vliegeniers, heeft een strikte toepassing van de regels van de kunst (die in Vlaanderen overigens nog niet werden gestandaardiseerd, noch geïmplementeerd) weinig zin. Bovendien kan
de vraag gesteld w o r d e n of de toepassing ervan een
informatieve meerwaarde betekent voor het onderzoek. Het zou immers een hele dure operatie worden, waarvan de kosten niet per sé in verhouding staan tot de resultaten. Het meticuleus opgraven of bergen van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog, zoals dat in Nederland gebeurt, loopt al gauw op tot enkele honderdduizenden euro (21). Zonder afbreuk te doen aan de uiterste zorgvuldigheid waarmee onze noorderburen te werk gaan, moet echter gesteld dat de inzet van omvangrijke middelen en technieken in Nederland op het vlak van informatievergaring niet noodzakelijk een meerwaarde heeft ten aanzien van bergingen in Vlaanderen, waar men een zo groot mogelijke nauwkeurigheid nastreeft, maar dan met beperktere middelen (22).
Opmeting van het boordkanon van de Spitfire XII te Beveren-aan-de-IJzer (foto Groep Huyghe-Decuypere)
Dit betekent echter niet dat er geen ruimte zou zijn voor verbetering. In Beveren-aan-de-IJzer (WestVlaanderen, zie ook kadertekst) werd voor het eerst een vliegtuigwrak opgegraven onder leiding van een professionele archeoloog in samenwerking met een vereniging van luchtvaartenthousiastelingen. De opgraving werd eveneens begeleid door archeologen van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). Uit de eerste bevindingen van de archeologen blijkt dat op methodologisch vlak hier en daar wel kan worden bijgestuurd. Daarom zal door het VIOE, in samenwerking met de verenigingen voor luchtvaartarcheologie, op een nog te selecteren crash site een modelopgraving worden uitgevoerd, vertrekkende vanuit een aantal specifieke vraagstellingen met betrekking tot het beheer van crash sites en de methodologie van het opgraven.
M&L
wordt dit initiatief fel toegejuicht. Als gespreks- en beheerpartner inzake het luchtvaartpatrimonium zal de koepelorganisatie van onmisbare waarde zijn. Een dergelijk zelfregulerend orgaan kan ook fungeren als filter en kwaliteitslabel tussen de bevoegde overheidsdiensten en het brede maatschappelijke veld van (amateur)luchtvaartonderzoekers.
EEN AANGEPASTE VISIE
Luchtfoto van de berging van de Spitfire in Beverenijzer (foto Groep HuygheDecuypere)
PROTOCOL LUCHTVAARTARCHEOLOGIE IN VLAANDEREN De professionele archeologische wereld staat eerder wantrouwig ten opzichte van de activiteiten van de (amateur)luchtvaartarcheologen. Professionele archeologen zijn immers aan een zeer strenge regelgeving onderworpen, terwijl de luchtvaartarcheologen ogenschijnlijk hun zin kunnen doen. Niets is minder waar. Crash sites worden zowel op juridisch, beheersmatig als wetenschappelijk vlak als volwaardig archeologisch erfgoed beschouwd, zij het dan met de nodige nuances wat betreft de beheersmatige en wetenschappelijke aspecten (cf. supra). Tussen het Agentschap Ruimtelijke ordening en Onroerend erfgoed Vlaanderen en enkele luchtvaartarcheologieverenigingen werd een protocol opgesteld dat terdege rekening houdt met het archeologiedecreet maar ook tegemoet komt aan het specifieke karakter van crash sites. In het protocol werden afspraken opgenomen met betrekking tot inventarisatie, voorwaarden voor het verkrijgen van een opgravingvergunning, deontologie en handhaving. Niet iedereen die actief is op het veld van de luchtvaartarcheologie werd (of wou) betrokken worden bij de opstelling en de ondertekening van het protocol, maar het is een stap in de goede richting. Er zijn nu plannen om naar het voorbeeld van de British Aviation Archaeology Council (BAAC) een koepelvereniging op te richten (23). Deze vereniging zou zich niet alleen richten op luchtvaartarcheologie, maar op de luchtvaartgeschiedenis en -patrimonium in zijn geheel. Vanuit de overheid
M&L
Meer nog dan een aangepast beheer is een aangepaste visie vereist. Echt rationele argumenten om voor dit type sites te pleiten voor een behoud in situ lijken er niet te zijn. Deze op behoud gerichte maatregel zou integendeel wel eens kunnen leiden tot onherroepelijk verlies van vitale informatie, niet alleen met betrekking tot de historische en archeologische vraagstelling, maar ook, en zeker niet minder belangrijk, met betrekking tot identificatie van wrakken en vermiste vliegeniers. We kunnen best aannemen dat toekomstige generaties over betere onderzoekstechnieken zullen beschikken, maar in geval van recente archeologische sites, en zeker in geval van crash sites moet de vraag gesteld worden of men met die geavanceerde technieken nog dezelfde hoeveelheid informatie zal kunnen extraheren, als vandaag met onze 'primitieve' onderzoekstechnieken. Voor crash sites evenwel lijkt opgraven in de meeste gevallen de meest aangewezen beheersmaatregel te zijn. English Heritage, die voor haar Monuments Protection Programme een studie uitvoerde met betrekking tot de inventarisatie, beheer en onderzoek van crash sites, kwam eerder al tot dezelfde conclusie. (24)
Steven Mortier is als erfgoedconsulent archeologie verbonden aan het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed Vlaanderen. Cynrik De Decker is voorzitter van de Belgian Aviation History Association — Archaeological Team en publicist rond luchtvaartgeschiedenis.
EINDNOTEN (1) Manfred Albrecht Freiherr von Richthofen (1892-1918) was tijdens WO I bekend onder de naam Der Rote Baron. Van 1916 tot 1918 behaalde hij niet minder dan 80 overwinningen, waardoor hij de beroemdste gevechtspiioot van zijn tijd werd. Op
21 april 1918, amper één dag na zijn laatste overwinning, werd
(2)
hogere snelheid, meer hoogte en een groter laadvermogen dan
en stortte neer. Het verlies van Der Rote Baron was een zware
de B-17 te bewerkstelligen. In tegenstelling tot de B-17, kreeg
opdoffer voor het moreel van de Duitse troepen.
deze bommenwerper de weinig geruststellende bijnaam 'De Vlie-
Georges Guynemer (1894-1917). Franse gevechtspiloot die tij-
gende Doodskist'. De Avro Lancaster was een Britse zware vier-
dens WO I 53 overwinningen behaalde en daardoor in Frankrijk
mototige bommenwerper. Een aangepaste variant verwierf faam
de bijnaam Guynemer Ie chevalier de l'air kreeg. Op 11 septembet
rijdens 'Operatie Chastise' op 17 mei 1943. Daatbij wetden spe-
keert hij niet terug van een vlucht. Uit de getuigenis van een
ciaal ontworpen stuitetbommen gebtuikt om Duitse dammen te
Duits piloot zou blijken dat Guynemer neerstortte te Poelkapelle
bombatdeten. Het RAF eskader dat de aanval uitvoerde kreeg de
tussen de Duitse en Britse linies in. Een Duitse patrouille zou
bijnaam Dam Busters.
hem hebben aangetroffen met een kogel in het hoofd. Omdat het
(11) Handley Page Halifax. Zware viermototige bommenwerper van
te gevaarlijk was kon het lichaam niet geborgen worden. Aange-
Britse makelij. Hij was in gebruik bij verschillende geallieerde
nomen wordt dat een Britse artilleriebeschieting kort daarop alle
luchtmachten, maat op de RAF na was de Royal Canadian Air
sporen van de crash zou hebben uitgewist. De oorzaak van de
Force (RCAF) de grootste afnemer.
crash en het verdwijnen van Georges Guynemer en zijn toestel is
(3)
(12) Het decteet van 30 juni 1993 houdende beschetming van het
tot op vandaag in raadsels gehuld.
archeologisch patrimonium, gewijzigd bij decreten van 18 mei
VAN HUMBEEK E, Gids voor het Belgisch Luchtvaartpatrimo-
1999, 28 febtuati 2003 en 10 maart 2006 (Belgisch Staatsblad
nium, Erembodegem, 2007. (4)
B-24 Liberatorwerd haastig ontworpen om een groter bereik, een
hij tijdens de achtervolging van een Brits toestel dodelijk geraakt
15.09.1993, 08.06.1999, 24.03.2003 en 07.06.2006)
Monocoque is samengesteld uit 'mono' (het Griekse woord voor
(13) HOLYOAK V, Military Aircraft Crash Sites. Archaeological
enkel) en 'coque' (het Franse woord voor schaal). Het is een con-
guidance on their significance and future management, English
structietechniek, waarbij de dragende constructie wordt gevormd door de schaal, ofwel de buitenhuid, zonder inwendige versterkingen. Een ei is hiervan een goed voorbeeld uit de natuur. De dragende huid voor de consttuctie van vliegtuigen, werd verkregen door het plooien en walsen van de gelakte huid.
Hetitage, Londen, 2002. (14) Conventie van La Valetta - Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch etfgoed. www.onroerenderfgoed.be (15) SAUNDERS A., Corroded in Action, in British archaeology, nr. 75, 2004, p. 14-15.
(5) Aluminium was reeds in de oudheid bekend, maar pas sinds
(16) FJAESTAD M., ULLEN I., NORD A G . , TRONNER K.,
1886 was de elektrochemische productie van het metaal op grote
BORG G.C. en SANDBERG M., Are recently excavated bronze
schaal mogelijk. Daarvoor had aluminium dezelfde waarde als
artifacts more deteriorated than earlierfinds?(Metal 98, Proceedings
(6)
(7)
zilver.
of the international conference on metals conservation), Draguig-
Enkel nog de ontwikkeling van de straalmotor op het einde van
nan-Figanières, 1998, p. 71-79; GALLIANO E, GERWIN W.
de Tweede Weteldoorlog en de verbetering daarvan in de naoor-
en MENZEL K., Monitoring of metal corrosion and soil solution at
logse periode, en de introductie van composietmaterialen zou
two excavated sites and in the laboratory (Metal 98, Proceedings of
leiden tot het vliegtuig zoals we het vandaag kennen.
the international conference on metals conservation), Draguignan-
De Slag om Engeland' begon op 10 juli 1940 en eindigde op
Figanières,1998, p. 87-89.
30 oktober van datzelfde jaar. In die luttele maanden wetden
(17) www.corrosionsource.com
meer dan 3400 toestellen geraakt, en sneuvelden meer dan 3000
(18) WAGNER D.H.J., KROPP M., FISCHER W R . en KARS H.,
piloten en bemanning.
A systematic approach to the evaluation of the corrosion load of ar-
(8)
www.klm-mra.be
chaeological metal objects (Metal 98, Proceedings of the interna-
(9)
De Supermarine Spitfire is een jachtvliegtuig dat, in verschillende
tional conference on metals conservation), Draguignan-Figanières,
typevarianten, doorheen de hele oorlog werd gebruikt, voorna-
1998, p. 81-86.
melijk door de RAF. Het vliegtuig verwierf grote faam tijdens de
(19) Aanvullend Protocol bij de Conventies van Geneve van 12 au-
Battle of Britain, net als de Hawker Hurricane, een andere RAF
gustus 1949 inzake de bescherming van de slachtoffets van inter-
jager die in 1942 als eerste geallieerde toestel uitgerust werd met lucht-giondraketten. De Messerschmitt Bf 109 yin de Luftwaffe was zowat de tegenhanger van de Spitfire en diens grote rivaal
nationale gewapende conflicten, attikel 34. (20) HOLYOAKV., Who owns our dead^'m British archaeology, nr.75, 2004, p. 10-14
tijdens de Battle of Britain. De Messerschmitt kreeg zijn vuurdoop
(21) Een goed, overzichtelijk verslag van een Nederlandse berging kan
in de Spaanse burgeroorlog, voor de Luftwaffe een gedroomde
gevonden worden op de website www.wierden.nl van de gemeen-
kans om haar gevechtsvliegtuigen uit te testen. (10) De Flying Fortress was een Amerikaanse viermototige strategische
te Wietden. (22) DE DECKER C , Luchtvaartarcheologie in België. Speuren naar
bommenwerper van Boeing (B-17), die wegens zijn zware be-
relieken uit de luchtvaartgeschiedenis (België in oorlog speciaal), vo-
wapening de bijnaam 'Vliegend Fort' kreeg. Mitrailleurs op de
lume 4, 2001.
neus, dubbele achter de vleugels in de romp, onder de romp, boven de romp en in de staart, maakten van deze bommenwerper een lastige en uiterst weerbare prooi voor jagers. De Amerikaanse
(23) HOLYOAK V., Airfields as batllefields, aircraft as an archaeological resource, in BAR International Series, nr. 958, p 253-264. (24) Zie voetnoot 13.
Frederik
Mahieu
RESTAURATIE EN NIEUWBOUW IN HET STADHUIS VAN MENEN
• De centrale ontvangsthal (foto 0. Pauwels)
Dat kwalitatieve
eigentijdse
monumentenzorg te zijn, bewijst
geen tegengesteiden
hoeven stadhuis
omgang
wenbestand. beknellend
spreekt
getuigt
maar eerder
vertrekbasis.
Uit het
de wens van de architecten structuren
mogelijk
te herstellen
radicaal
eigentijdse
Precies omdat mawensen
en hieraan een bouwfase
toe te
de door eigentijdse
noodzakelijke
ingrepen
als
hedendaagse ontstaat
steeds op een heel
wijze werden
een boeiend
contrast:
vormgegeven, de
historische
hun g e n i u s loei en winnen
nog aan kracht door de compromisloos daagse
en kwalitatieve
die er subtiel
de dialoog
nieuwe mee
heden-
ontwerpkeuzes, aangaan.
ontwerp
om de
te behouden,
torisch gebouwenbestand
ruimtes behouden
gebou-
werd niet als een
keurslijf ervaren,
oorspronkelijke
van een
met het historisch
Dit gegeven
een waardevolle
en
het recent afgewerkte
van Menen. Het ontwerp respectvolle
architectuur
SITUERING
waar nieuwe, voegen.
programop het his-
Wat heden bekend staat als 'het stadhuis van Menen' is eigenlijk een complex van verschillende gebouwen, met elk hun eigen bouwgeschiedenis. Ze gingen op een bepaald moment deel uitmaken van een administratief complex, dat uiteindelijk het volle-
Het Landhuys met
Het Mcnense stad-
weefsel
huis als bouwblok
(tekening
rechts het belfort
binnen het stads-
noA-architecten)
(foto 0. Pauwels)
•
dige bouwblok van circa 40 bij 40 meter begrepen tussen Grote Markt en Groentenmarkt zou omvatten. Grosso modo omvat dit bouwblok volgende delen: het belfort, een 18 c -eeuws 'Landhuys', een 19 c -eeuws bouwdeel, 20 sre -eeuwse toevoegingen en een ondergrondse schuilkelder onder de Grote Markt.
Een reconstructie-
eeuwse deel met
tekening van het
winkelwonmgen.
plan begane grond
secretariswoning en
in 1840: het belfort,
commissariswoning
het l8"-ccuws
en de stadswaag
Landhuys en het
(tekening B Delaey)
net opgerichte 1 9 * -
Het belfort werd gebouwd vanaf 1574 en daarna in verschillende bouwcampagnes tussen 1610 en 1829 verhoogd. De restauratie van het belfort maakte geen deel uit van deze opdracht. Momenteel is wel een restauratieontwerp voor dit gebouw in opmaak. Het van 1782 daterende Landhuys is opgevat als een hoofdvleugel, met belangrijkste gevel gericht naar de Grote Markt, en aan de achterzijde twee dwarsvleugels, waarvan de ene de zijwand van het bouwblok aanzet en de andere hieraan evenwijdig op enige afstand van het belfort werd gebouwd. Beide vleugels omsluiten een binnenplaats, de zogenaamde 'bogenkoer', die met een muur wordt afgesloten van de rest van het bouwblok. Deze 18 e -eeuwse stadhuisvleugel is drie bouwlagen onder zadeldak hoog. In 1838 werd overgegaan tot het herbouwen van de stadswaag en de overige gebouwen binnen het vierkante bouwblok, met uitzondering van het Landhuys en belfort: vijf winkel-woningen van twee bouwlagen onder zadeldak langs de lepersestraat, twee ruime woningen (voor stadssecretaris en commissaris) aan de Groentenmarkt en aansluitend op de 18 '-eeuwse stadhuisvleugel de stadswaag met stapelruimte.
r.rocntenmarkl
. M KM \ k K \ V i \
rOMMISSARlSWOMNl.
M&L
DE BESCHERMING Grole Markt
Het Menense stadhuis werd, samen met het stadhuis van Torhout, als monument beschermd door de Duitse bezetter, bij besluit van de SecretarisGeneraal van het Ministerie van Openbaar Onderwijs op 29 november 1943. Onmiddellijk na de terugkeer van de regering in 1944 werd het beschermingsbesluit, net zoals alle tijdens de oorlog door de bezetter uitgevaardigde besluiten, nietig verklaard. Bij besluit van de Regent werd op 9 februari 1946 een nieuw beschermingsbesluit uitgevaardigd. Dit besluit stipuleerde expliciet dat het beschermingsbesluit indertijd (in 1943) was opgemaakt volgens de procedure zoals voorzien in de wet van 7 augustus 1931 en dat er geen andere reden was om de bescherming op te heffen dan het feit dan het besluit onder toezicht van de bezetter was uitgevaardigd. Bijgevolg werd het oorspronkelijke beschermingsbesluit voor het stadhuis (net zoals voor de andere monumenten in een gelijkaardige situatie) ongewijzigd bekrachtigd.
A De begane grond
1VI&L
i| e opmaa van Q n c [ e r j g G r o t e Markt ten slotte bevindt zich noe de bouwnistonsche . . . . n • i een studie in 2001 wellicht tijdens het interbellum in gewapend (tekening B. Delaey) beton gebouwde schuilkelder. Deze schuilkelder, die vroeger ook rechtstreeks toegankelijk was van op de markt, kan nu nog slechts bereikt worden via een gang die in de kelders van het stadhuis uitgeeft. Naast deze essentiële delen van het bouwblok, werden in de loop der jaren her en der ingrijpende verbouwingen uitgevoerd, bijgebouwen opgetrokken, binnenkoeren overdekt, en volgens de nood van het moment aanpassingen uitgevoerd, waardoor een bijna onontwarbaar kluwen van gebouwen, kamers en gangen was ontstaan. Hoewel in het verleden reeds restauratiecampagnes waren uitgevoerd, drong in het laatste kwart van de 20 ste eeuw het besef door dat een grondige verbouwing van het complex noodzakelijk werd. Een laatste bouwcampagne is te dateren tussen 1978 en 1981. De voorgestelde werken werden slechts heel beperkt gerealiseerd (1). In 1998 stemde de Menense gemeenteraad in met de plannen voor de herinrichting van het stadhuis, naar ontwerp van architect Valeer Vuylsteke (Architecten Bureau Menen bvba). Van toen af werd de toenmalige Afdeling Monumenten en Landschappen (2) bij de besprekingen betrokken.
De kadastrale secties die volgens dit besluit werden beschermd omvatten slechts een gedeelte van het volledige bouwblok, met name die delen die in 1943 als stadhuis in gebruik waren: het 18 ^eeuwse deel, belfort, stadswaag en het eerste woonhuis palend aan het belfort in de leperstraat. Niet beschermd waren bijgevolg de overige delen van het 19 e -eeuwse bouwblok: vier huizen in de leperstraat en de woningen van de commissaris en de stadssecretaris (3). De afbakening van de bescherming was met andere woorden bepaald door een feitelijke juridische toestand (het al dan niet deel uitmaken van het administratief stadhuiscomplex), in plaats van op grond van bouwhistorische criteria (slechts één van de vijf identieke woningen was beschermd, de monumentale vleugel aan de Groentenmarkt was niet beschermd). Deze toenmalige juridische toestand was ondertussen echter volledig gewijzigd: het volledige bouwblok bood ondertussen onderdak aan stedelijke administraties.
EEN NIEUWE START De grote complexiteit van samenstellende bouwdelen maakte de lezing van de nog aanwezige historische structuren en waardevolle elementen in het stadhuiscomplex tot een erg moeilijke opgave. Dit
bemoeilijkte ook het ontwerp voor de renovatie van het stadhuis, waar de wens om tot een functioneel stadhuis te komen moeilijk verzoenbaar leek met het behoud en herstel van de erfgoedwaarde van het monument. Het resulteerde in veel correspondentie tussen architecten en de Afdeling monumenten en landschappen, waarbij de plannen telkenmale dienden te worden aangepast. Hoewel uiteindelijk toch een bouwvergunning kon worden afgeleverd (met een reeks bindende voorwaarden met het oog op het behoud van erfgoedwaarden), en de opdracht zelfs werd aanbesteed, besliste het Menense College van Burgemeester en Schepenen uiteindelijk de opdracht stop te zetten, en met een schone lei te herbeginnen. O p 25 januari 2001 vond een startvergadering plaats met de toenmalige Vlaamse Bouwmeester Bob Van Reeth, de Afdeling monumenten en landschappen en het Menense College, met de bedoeling de projectomschrijving op te maken in het kader van de 'Open oproep' van de Bouwmeester. Omdat in dergelijk monumentaal complex een goede projectomschrijving noodzakelijkerwijze mee bepaald wordt door de in het monument onderkende erfgoedwaarden, werd de noodzaak aangevoeld voor een historisch vooronderzoek. Doel van dergelijk onderzoek is inzicht te krijgen in de bouwgeschiedenis van het stadhuiscomplex en het uitwerken van een bouwhistorische waardestelling van de onderdelen ter ondersteuning van de opties voor de restauratie, verbouwing en nieuwbouw. Dit onderzoek, bestaande uit een deel historisch onderzoek, een bouwhistorisch onderzoek in situ en een synthesenota met waardestelling werd uiteindelijk uitbesteed aan architect-restaurateur Benoit Delaey uit Brugge. Het onderzoek werd in de loop van 2001 uitgevoerd, en tijdens een overlegvergadering op 25 september 2001 voorgesteld. Het bouwhistorisch onderzoek werd ter beschikking gesteld van de vijf ontwerpbureaus die in het kader van de 'Open oproep' door de Vlaamse Bouwmeester werden geselecteerd: Samyn en partners, Groep Planning, Rapp & Scheulen, Lieven Achtergael en noA.architecten. Tegelijkertijd besliste het Menense College de herdefiniëring van de bescherming aan te vragen "/'« het perspectief van de mogelijke renovatie, restauratie en nieuwbouw' (4). Het onderzoek resulteerde in het ministerieel besluit van 20 januari 2003, waarbij de bescherming van het stadhuis uitgebreid werd tot het volledige bouwblok met inbegrip van de in 1943 gebouwde schuilkelder onder de Grote Markt.
Fotomontage door noA.architecten van
HET ONTWERP VAN noA.ARCHITECTFN
het binnengebied van het bouwblok bij de aanvang van de werken
In 2002 werd de opdracht voor restauratie, renovatie en nieuwbouw van het stadhuiscomplex toegewezen aan noA.architecten (An Fonteyne, Jitse van den Berg en Philippe Viérin). Het architectenbureau wist de jury te overtuigen door een intelligente lezing van het historisch gegroeide stadhuis te koppelen aan een functioneel ontwerp voor een eigentijds stadhuis. Een eerste ingreep bestond in het wegnemen van de ad-hoc ingrepen die geen waardevolle bijdrage leverden aan het geheel. Zo goed als alle 20 ste eeuwse toevoegingen werden verwijderd. Het uitzuiveren en opschonen van de gebouwen herstelde de leesbaarheid van de oorspronkelijke gebouwen. O m tot een functioneel stadhuis te komen, moest daarnaast de circulatie binnen het gebouw fundamenteel herdacht worden. Het was de uitdrukkelijke bedoeling een logische interne ontsluiting tot stand te brengen. Hierbij moest een oplossing gevonden worden voor de verschillende verdiepingshoogtes van de twee grote volumes: het 18 eeeuwse Landhuys en de 19 e -eeuwse gebouwen. De eveneens 19 '-eeuwse stadswaag, in het historisch onderzoek aangeduid met 'neutrale monumentwaarde,' bleek quasi onmogelijk aansluitbaar op de overige gebouwen en werd gesloopt. Het behoud van de hoofdtoegang van het vernieuwde stadhuiscomplex via de historische toegang bleek niet alleen om historische redenen een erg gelukkige keuze: op een heel logische manier wordt de bezoeker doorheen de doorrit van het oude Landhuys naar de 18 c -eeuwse 'bogenkoer' geleid. Deze bogenkoer, eertijds toegang gevend tot de stallen en koetsgebouwen, en na vele 20 ! ' te -eeuwse verminkingen nu opnieuw in zijn volle waarde
M&L
De herstelde bogenkoer. als centrale ontvangsthal voor het nieuwe stadhuis (foto 0. Pauwels)
• De nieuw ingebrachte staalstructuur die als een buitenkamer een binnentuin omsluit, en de circulatie tussen de verschillende bouwdelen mogelijk maakt (foto 0. Pauwels)
hersteld, herbergt vandaag de meest bevraagde stedelijke diensten met een uitgesproken baliefunctie. De bogenkoer sluit aan op een nieuw ingebrachte structuur, die zich op de plaats van de vroegere tuinen en koeren van de woningen bevindt. Dit duidelijk als eigentijdse toevoeging leesbare object is opgebouwd uit stalen kokerprofielen met glazen
invulling. Het omsluit een nieuwe binnentuin, en lost op een bijna vanzelfsprekende manier het verschil in vloerhoogte tussen het 18 -eeuwse pand en de 19 c -eeuwse vierkantsvleugels op. Door het bewust positioneren van de hoogtesprong vertaalt de nieuwe structuur het karakter van de twee gebouwen. De structuur is opgevat als een buitenka-
De nieuwe raadzaal
mer, met hoge transparante wanden, waardoor de bezoeker zich op elk moment weet te oriënteren in het bouwblok. Het effect van de buitenkamer wordt nog versterkt door het ophangen van drie grote buitenluchters die de volledige circulatieruimte verlichten. Twee verdiepingen boven de bogenkoer werd een tweede nieuwe structuur ingebracht. Een betonnen tafel, op ranke kolommen onafhankelijk van de oorspronkelijke buitengevels van het Landhuys geplaatst, biedt onderdak aan de nieuwe raadzaal. De expressieve balkenstructuur van dit object is uitgewerkt als een zonnekruis, waardoor in het midden van het plateau een uitsparing kon worden gemaakt, waarlangs het daglicht binnenvalt tot in de bogenkoer. Vanuit de nieuwe raadzaal biedt de opening bovendien een prachtig uitzicht op het belfort.
RESTAURATIEAANPAK Voor noA.architecten roept het omgaan met een historisch gebouw, dat nog slechts fragmentair aanwezig is en waarvan de oorspronkelijke opbouw slechts kan worden achterhaald door een diepgaande bouwhistorische studie, enkele fundamentele
•0
i
2
3
Het ontwerp van
Het ontwerp
Het ontwerp van
noA.architecten:
van noA.architecten:
noA.architecten:
grondplan begane
grondplan + 1
grondplan + 2
grond
(tekening noA)
(tekening noA)
(tekening noA)
op de tweede verdieping, in een nieuw volume geplaatst boven de bogenkoer (foto 0. Pauwels)
werden ontworpen doet het gevaar ontstaan dat de nieuwe programmatorische eisen de reeds aangetaste erfgoedwaarden verder in de verdrukking brengen. Nochtans blijft in zo'n gebouwen een 'genius loei' bewaard, die niet zonder meer in een nieuwbouw kan worden opgeroepen. De fundamentele vraag waarop het ontwerp een antwoord moest bieden was dan ook op welke wijze om te gaan met deze historische gelaagdheid en hoe, niettegenstaande het radicale ontwerp, toch de ziel van de plek te vrijwaren. De zeggingskracht van de historische architectuur opwaarderen was hierbij essentieel: door gericht herstel en wegnemen van storende ingrepen de leesbaarheid van de gebouwen vergroten, en ze opnieuw betekenis geven. Deze aanpak spreekt uit enkele fundamentele opties: in het Landhuys werden de oorspronkelijke raamopeningen in de buitengevels rond de bogenkoer opnieuw hersteld en met houten schrijnwerk ingevuld. Ook het strakke gevelritme van de vroegere achtergevels van de 19 c -eeuwse vierkantsvleugels werd hersteld. O p de bogenkoer werden de bewaarde relicten minitieus gerestaureerd en werden de verdwenen delen opnieuw gereconstrueerd. De schaars bewaarde oorspronkelijke elementen, zoals één oorspronkelijk bewaard kapiteel van een pilaster, of de afwerking met dagstreep van het voegwerk werden hernomen. De doorbreking van de vroeger gesloten achterwand van de bogenkoer, een met schijnbogen geritmeerde vroegere afsluitmuur, werd opengemaakt waarbij in de detaillering van de kolommen het onderscheid tussen de oorspronkelijke delen en nieuwe perforaties duidelijk afleesbaar blijft.
• De gevel in de Poststraat, vóór de werken: de zijgevel van de commissariswoning, de later gesloopte waag en de zi|gevel van het Landhiiys (foto F. Mahieu)
• De monumentale gevel aan de Groentenmarkt (foto F. Hahieu
• Zicht op de bogenkoer, na de ontmantelmgswerken (foto F. Mahieu)
vragen op. De gebouwen hebben elk op zich een eigen karakter: ze waren uitdrukking van het historisch bouwprogramma dat eraan ten grondslag ligt, en zijn opgetrokken volgens de toen gangbare bouwtradities en bouwstijl. Het invullen van dit soort gebouwen met een bestemming en ruimteverdeling waarvoor ze niet
Dit laatste illustreert ook de manier waarop de architecten bewust omgaan met de relatie oud en nieuw. Het spanningsveld tussen behouden, oorspronkelijke delen en nieuw ontworpen elementen wordt opgezocht: Liever dan het contrast uit te buiten -wat snel iets oppervlakkigs heeft- wordt behendig gebalanceerd tussen contrast, affirmatie of inpassing van het nieuwe. Het resulteert in een subtiel verschil, waarbij het algemeen beeld van het gebouw van op een zekere afstand als een geheel wordt ervaren. Pas bij het naderbij komen worden de verschillen duidelijk. Dit onderscheid kan zich uiten in een verschillende materialiteit, bouwtechniek e.a. Deze aanpak wordt ook duidelijk in de buitengevels van het bouwblok. De gevels van alle bewaarde bouwdelen werden nauwgezet gerestaureerd. Alle gevels in baksteen en bepleistering werden opnieuw
•4 De gerestaureerde gevels aan de Groentenmarkt en de Poststraat (foto 0. Pauwels)
Geveltekening van
geverfd in een kleur die aansluiting zoekt bij de kleur van de Lediaanse zandsteen van de gevel aan de Grote Markt. Door die ingreep wordt niet alleen het historische beeld van de neoclassicistische, bepleisterde eenheidsarchitectuur van de 19 e -eeuwse vleugels teruggebracht, maar wordt ook de kracht van het geïsoleerde bouwblok, gelegen tussen de twee marktpleinen als een eenheid versterkt.
het stadhuis langs de Poststraat, met het nieuwe volume gevoegd tussen de 18"- en l^'-eeuwse stadhuisvleugel (tekening noA)
Dichterbij worden de hedendaagse ingrepen zichtbaar. Zo wordt het nieuwe geveldeel ter plaatse van de vroegere stadswaag geritmeerd door de afwisseling van geprefabriceerde panelen in sierbeton en glazen invullingen. Deze nieuwe gevel is uitgevoerd in dezelfde kleur als de historische gevels waarop hij aansluit. De gevelarchitectuur van het gebouw veruitwendigt daarenboven op precieze wijze het niveauverschil tussen beide vleugels, waartussen deze nieuwbouw de verbindende schakel vormt. Ook in de leperstraat zien we iets soortgelijks: van de vijf vroegere winkelhuizen bleef slechts één, laat 19 e -eeuwse winkelpui bewaard. De overige benedengevels waren al diverse malen verbouwd, waarbij elke eenheid verloren ging. De architecten restaureerden de bewaarde winkelpui, en ontwierpen voor de overige gevels een winkelpui binnen dezelfde dimensies, maar toch uitgesproken hedendaags.
IMIl
De vroegere winkelwoningen langs de leperstraat. Toestand bij de aanvang van de restauratiewerken (foto F. Hahieu)
M&L
^M
*^^B "WÊ/gÊi
-«mi
>«av
«^m*
^u
Hk
^^H
••
1782 illustreren dit op ondubbelzinnige wijze: hoge representatieve ruimtes, geritmeerd door venstertraveeën, en aangekleed met lambriseringen, grote schouwmantels, stucplafonds e.a. ontsloten via een ruime doorrit, langsgang en een monumentale traphal. Helaas bleef bij de aanvang van de restauratie zo goed als niets over van deze historische aankleding: de bewaarde hoofdtrap, een rvv aantal bewaarde stucplafonds (gelukkig gespaard gebleven van de moderniseringsdrang doordat ze boven verlaagde plafonds waren weggeborgen), een enkele paneeldeur en resten van een schouwtje. De historische indeling van het gebouw bleef echter wel bewaard. De architecten onderkenden in deze architectuur terecht het passend kader om de representatieve functies van het nieuwe stadhuis onder te brengen. Ook de nieuwe raadzaal, waarvan hoger sprake, werd mee hierom tussen dit bouwdeel gepositioneerd.
ii ii ii ii ii ii n n ii ii ii M
De gerestaureerde winkelwonlngen, met de bewaarde Iaat-l9d'-eeuwse winkelpui en de nieuw vormgegeven puien (foto 0. Pauwels)
Een zelfde ontwerpmethodiek werd gebruikt voor het interieur. Tijdens de ontmantelingswerken werd vastgesteld dat een aantal historische verbindingen waren dichtgemetseld. Voor zover dit binnen het ontwerp mogelijk was, werden die oorspronkelijke deuropeningen opnieuw vrijgemaakt en de recentere gedicht. O m de eigenheid van beide bouwvleugels nog te versterken, en niettegenstaande het zo goed als volledig ontbreken van bewaard oorspronkelijk schrijnwerk, werd in alle oorspronkelijke deuropeningen geopteerd voor een historisch deurtype: een 18 ''-eeuws deurtype en deurlijst in het Landhuys, een 19 c -eeuws in de andere vleugel. Op die manier herkreeg het interieur iets van zijn verdwenen luister. Waar nieuwe verbindingen werden ingebracht koos men consequent voor een eigentijds antwoord: in enfilade geschikte muurdoorbrekingen tussen de verschillende winkelhuizen, of vlak in het muurwerk ingepaste vluchtdeuren.
HISTORISCHE KARAKTERISTIEKEN EN ACTUEEL GEBRUIK Het 18 L-eeuws Landhuys getuigt in zijn architectuur van de belangrijke representatieve functie waarvoor het werd opgericht. Met zijn monumentale classicistische natuurstenen gevel, bekroond met een beeldengroep die het Menense wapen^ schild omvat en aangebouwd tegen het historische De monumentale belfort, symbool van de stedelijke autonomie, dotrapzaal van het m i n e e r t h e t d e G r o t e M a r k t i stadhuis, op de i • i i • • • eerste verdieping Dit decorum vertaalt zich ook in interieur. De (foto 0. Pauwels) bewaarde ontwerpplannen van het gebouw uit
1VI&L
Het 19'''-eeuws gebouwenbestand is heel anders van karakter: een typische neoclassicistische eenheidsarchitectuur bood onderdak aan een zevental woningen: vijf winkelwonlngen in de leperstraat en twee ruimere woningen op de Groentenmarkt. Deze oorspronkelijke structuur, gekenmerkt door afzonderlijke panden die door dwars op de gevel geplaatste deelmuren van elkaar zijn gescheiden, was nog goed herkenbaar. En hoewel ook hier interieurelementen en oorspronkelijke aankleding veelal niet meer aanwezig waren, was de opbouw van de panden in kamers nog aanwezig. Dit deel van het bouwblok werd dan ook gekenmerkt door een grote huiselijkheid: alles ademde de sfeer uit van een gebouw dat vroeger bewoond werd. De schaal van de raamopeningen verhoudt zich rechtstreeks tot de kamers, is typisch voor huisvertrekken en staat in sterk contrast met het monumentale totaalbeeld van de gevel aan de Groentenmarkt. Die huiselijkheid lijkt op het eerste zicht moeilijk verzoenbaar met het beeld van een goed functionerend, logisch gestructureerd administratief gebouw. Hier lag de uitdaging voor de architecten die ervoor opteerden in dit bouwdeel de stedelijke administraties onder te brengen. Het invullen van deze woon- en slaapkamers met kantoorfuncties creëert immers een eigenaardig contrast. De architecten verkozen dit nog te versterken, wat leidt tot een kantoorruimte die de klassieke kantoorsfeer kan ontwijken en profiteert van de vertrouwde atmosfeer van de woning. Bij de inrichting opteerden ze daarom voor huiselijke referenties: nieuwe cementtegelvloeren in een nieuw ontworpen patroon op het gelijkvloers, op een balkenlaag
Boven de weggeno-
WERFGENERIEK STADHUIS MENEN
men verlaagde plafonds en achter
- Bouwheer: Stadsbestuur Menen - Ontwerpers: noA.architecten (Brussel/ Brugge): An Fonteyne, Jitse van den Berg, Philippe Viérin - projectmedewerkers Tim Wallyn, Danny Dezutter, Gert Somers, Simon Vermote, Stijn Thomas, Kim Pecheur - Begeleiding: Vlaamse Overheid, Agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed WestVlaanderen: Frederik Mahieu - Aannemer: Hoofdaannemer Groep Monument Ingelmunster - Kostprijs: 4.681.000 euro, waarvan \.424.738 euro excl. B T W betoelaagbaar. - Betoelaging: Vlaamse Overheid: 6 0 % , Provincie West-Vlaanderen: 2 0 % - Periode, ontwerp 2002-2003, realisatie 2004- 2007
later ingebrachte wanden werden resten teruggevonden van de vroegere interieurafwerking van het Landhuys. Deze restanten werden hersteld en behouden, en geïntegreerd in de voor het overige hedendaags ingerichte reprcsentatieruimtes (foto F. Mahieu)
geplaatste plankenvloeren op de verdieping. O p de begane grond vinden we referenties naar de vroegere winkelfunctie: houten toonbanken, belettering op het glas van de bovenlichten e.a. Het door Benott Van Innis speciaal voor het stadhuis ontworpen behangpapier, in subtiele zwartwit schakeringen en het gekozen meubilair versterken nog deze burgerlijk-huiselijke sfeer.
Frederik Mahieu is architect en Msc. in conservation. Hij is erfgoedconsulent bij het agentschap R-O Vlaanderen, Onroerend Erfgoed in West- Vlaanderen.
EINDNOTEN (1) Zie DELAEY B., Stadhuis Menen, bouwhistorisch onderzoek (niet gepubliceerd), Brugge, 2001. Archief Onroerend Erfgoed, agentschap R-O Vlaanderen, afdeling West-Vlaanderen. (2) Het huidige Agentschap Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erf-
BESLUIT
goed Vlaanderen, entiteit Onroerend Erfgoed. (3) Brief d.d. 16 december 1998 van Veerle Meul, Afdeling Monu-
NoA.architecten is erin geslaagd op een poëtische manier het collectieve geheugen van de plek vast te houden. Een door ondoordachte en ad-hoc verbouwingen onherkenbaar getransformeerd gebouw, werd door het vakmanschap, het geduld en de fijnzinnige ontwerpbeslissingen van de architecten herschapen in een nieuw stadhuis dat zijn positie als belangrijkste gebouw van de stad waarmaakt. De erfoedwaarden die in het gebouw sluimerend aanwezig waren, werden hierbij naar waarde geschat en, meer nog, als een troef benut. Hierdoor beschikt Menen vandaag over een intelligent hersteld historisch stadhuis, dat bovendien beantwoordt aan de vele eisen die een eigentijds bestuurlijk apparaat aan zijn onderkomen en de uitstraling daarvan stelt (5).
menten en Landschappen aan CBS Menen. Archief Onroerend Erfgoed, agentschap R-O Vlaanderen, afdeling R-O West-Vlaanderen; DELAEY B., o.c, p. 49. (4) Brief d.d. 5 november 2001 van CBS Menen aan de Afdeling Monumenten en Landschappen. Archief Onroerend Erfgoed, Agentschap R-O Vlaanderen, afdeling R-O West-Vlaanderen. (5) Naar STUHLMACHER, Mechtild in Jaarboek Architectuur Vlaanderen, 2006-2007.
Nr. 158 Bijlage bij MetL 28/6 nov.-dec. 2009
Door de Vlaamse Regering verleende en erkende wapens
B I N N E ^ K R A N T
Literatuur Jo Bracken
•"l
DF KFU7F VAN MRL
Bauhaus A Conceptual Model Annemarie Jaeggi (red.) Ostfildem, Hatje Cantz Verlag, 2009, 376 p., ISBN 978-3-7757-2415-9 Catalogus van de overzichtstentoonstelling gewijd aan het Bauhaus (Berlijn en New-York, 2009-2010), georganiseerd naar aanleiding van de 905te verjaardag van de stichting, door de drie instellingen die het erfgoed bewaren: het Bauhaus-Archiv in Berlijn, de Stiftung Bauhaus Dessau en het Bauhaus-Museum der Klassik Stiftung Weimar. Het Bauhaus werd in 1919 gesticht in Weimar als een interdisciplinaire school voor kunst, architectuur, design en theater, verhuisde in 1925 naar Dessau, en sloot in 1933 zijn deuren in Berlijn. Tijdens de amper veertien jaar van zijn bestaan, een geschiedenis die niet toevallig samenvalt met deze van de Weimarrepubliek, volgden er hooguit 1250 studenten onderricht. Het Nationaal Socialisme stelde abrupt een einde aan dit progressieve onderwijsmodel, en verdreef zijn belangrijkste protagonisten, waaronder de vroegere directeurs Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe naar de Verenigde Staten. Het Bauhaus maakte van bij zijn stichting demonstratief aanspraak op een toekomstgericht potentieel, met het vermogen de maatschappij te veranderen. Onder dit label mengde het zich ook
bauhaus a conceptual model
1V1&L
r
onophoudelijk in het publieke debat, met manifesten en publicaties, tentoonstellingen en festivals. De nieuwe school in Dessau gold internationaal als het prototype van functionalistische architectuur, en door zijn wereldbefaamd professorenkorps als het centrum van de avant-garde. Al tijdens de jaren 1920 werd Bauhaus synoniem van modern, een reputatie die nog onverminderd voortduurt. Het fraai vormgegeven en overvloedig geïllustreerde boek onderwerpt de geschiedenis en de invloed van de school aan een hernieuwd onderzoek en evaluatie. Hiertoe wordt een chronologisch geordende selectie van 68 hoogtepunten die het Bauhaus voortbracht op het vlak van kunst, architectuur, design, typografie en fotografie, grondig geanalyseerd en becommentarieerd. Korte essays bieden een overzicht van de geschiedenis en de ontwikkeling van het onderwijsmodel, en gaan onder meer in op de receptie, de internationalisering en de Nazi-oppositie.
Die Architekten Brüder Heinz und Bode Rasch Ein Beitrag zur Architekturgeschichte der zwanziger Jahre Annette Ludwig Tubingen, Wasmuth Verlag, 2009, 372 p., ISBN 978-3-8030-0690-5 Monografie met oeuvrecatalogus gewijd van de gebroeders Heinz (1902-1996) en Bodo Rasch (19031995), architecten die tot de pioniers van de vroege Duitse avant-garde worden gerekend. De vooruitziende,
maar intussen lang vergeten bouwprojecten die zij in de latere jaren 1920 aan het papier toevertrouwden, doorstaan moeiteloos de vergelijking met het beste wat het Russische constructivisme in dezelfde periode voortbracht. Toch werd hun werk nooit eerder ten gronde bestudeerd. Als jonge modernisten verbonden de gebroeders Rasch zich in 1926 tot een Arbeitsgemelnschaft, die echter al in 1930 opnieuw werd ontbonden. Hun activiteiten beperkten zich niet enkel tot de architectuur, beiden waren ook actief op het vlak van industrieel design, grafiek en typografie. Op de Werkbundtentoonstelling van 1927, de legendarische WeiBenhofsiedlung in hun woonplaats Stuttgart, waren de gebroeders Rasch present als meubel- en interieurontwerpers. Daarnaast publiceerden zij enkele boeken die een grote internationale verspreiding kenden, zoals Wie bauen uit 1927 een jaar later gevolgd door Wie bauen 2 over industriële bouwtechnieken, en Der Stuhl uit eveneens uit 1928. In deze periode leverden zij een belangrijke bijdrage aan het hoogbouwdebat met de ontwikkeling van het zogenaamde Hangehaus, het prototype van een torengebouw met een centrale kern en glazen vliesgevels, destijds een utopisch model voor de 'megapolis', in de naoorlogse periode een veralgemeend bouwprincipe. Ondanks een verbluffend oeuvre op papier, wisten de gebroeders Rasch slechts een handvol gebouwen te realiseren, vooral dan nog in de naoorlogse periode. De studie biedt een overzicht van hun leven en werk van beide architecten binnen de context van de Weimar-republiek, gebaseerd op diepgaande bronnenstudie, waaronder briefwisseling met Ludwig Mies van der Rohe, Walter Gropius, Bruno Taut en Willi Baumeister.
The Rhetoric of Modernism Le Corbusier as a Lecturer Tim Benton Basel, Birkhauser, 2009, 248 p., ISBN 978-3-7643-8944-4 De betekenis van Le Corbusier (18871965) ligt evenzeer in de wijze waarop hij zijn ideeën communiceerde,
B 1 N N E N K R A N T
P.J.H. Cuypers en het gotisch rationalisme Architectonisch denken, ontwerpen en uitgevoerde gebouwen 1845-1878 Aart Oxenaar Rotterdam, NAi Uitgevers, 2009, 668 p., ISBN 978-90-5662-624-2
als in de gebouwen die hij ontwierp en bouwde. Gedurende 40 jaar, vanaf 1924 tot zijn overlijden, gaf de architect op regelmatige basis over de gehele wereld lezingen, die de loop van de moderne architectuur hielpen wijzigen. In 1951 beweerde Le Corbusier: "Ik bereidde mijn lezingen nooit voor... improvisatie is een prachtig iets: ik teken, en als je tegelijkertijd tekent en spreekt, creëer je iets nieuws. En mijn gehele theorie - mijn introspectie en retrospectie over het fenomeen architectuur en stedenbouw - komt voort uit mijn improvisatie en het tekenen tijdens deze lezingen." Deze studie schetst de oorsprong van deze loopbaan als voordrachtgever, en onderzoekt op welke wijze Le Corbusier zich bediende van logica en retoriek om zijn argumenten te ondersteunen. Het staat vast dat Le Corbusier generatie na generatie niet alleen een grote aantallen toehoorders aantrok voor zijn lezingen, maar hen ook urenlang met zijn discours wist te boeien. Van dit onderdeel van zijn activiteiten zijn niet alleen honderden pagina's notities, maar ook talrijke schetsen, lijsten en slides, een aantal van de grote tekeningen die hij tijdens het spreken maakte, en vele persknipsels bewaard. Sommige van de lezingen werden genotuleerd, van enkele latere bestaan geluidsopnamen. Het beeld dat de redenaar Le Corbusier in de jaren 1920 ook oproept is dat van een open en kwetsbaar man, die bereid is het leed van zijn nederlagen en de woede over zijn tegenstand met zijn publiek te delen. Het boek toont Le Corbusier in actie, op een wijze die de lectuur van geschriften niet vermag.
Studie op basis van historisch bronnenonderzoek naar het architectonisch denken, de ontwerpen en uitgevoerde werken van de Nederlandse architect P.J.H. Cuypers (1827-1921), van de aanvang van zijn architectuurstudie in Antwerpen in 1845, tot aan het afronden van de ontwerpen voor zijn belangrijkste werken in Amsterdam in 1878: zes kerken, een eigen bouwproject in de Vondelstraat, het Centraal Station en het Rijksmuseum. Uitgangspunt voor het onderzoek vormden zijn bewaard gebleven schetsen en tekeningen, zijn uitgevoerde ontwerpen, zijn correspondentie, zijn geschriften en zijn bibliotheek. Zijn denken en werken worden systematisch en chronologisch met elkaar in verband gebracht, en in de context geplaatst van de internationale neogotische beweging en de theoretische debatten die daar werden gevoerd. Centraal daarbij staat ontwikkeling van een archeologisch zuivere neogotiek, via een gotisch eclecticisme naar het ontwikkelen van eigen, eclectische stijlvormen gebaseerd op een 'logische' of'rationele' ontwerpmethode ontleend aan de gotiek. In Cuypers'jonge jaren was vooral het
gedachtegoed van A.W.N. Pugin en de High Victorian Architects in Engeland van betekenis, een rol die vanaf de tweede helft van de jaren vijftig werd overgenomen door E.E. Violletle-Duc in Frankrijk. Onder druk van de veranderende condities waaronder architectuur werd geproduceerd in de opkomende moderne stad, maakte Cuypers omstreeks 1860-1865 een belangrijke omslag door. Hij nam afstand van het binnen de internationale neogotische beweging gangbare kopiisme, waarbij gewerkt werd naar middeleeuwse modellen, en sloeg een nieuwe, eigen weg in. Hij ontwikkelde een ontwerpmethode en een architectuurtaai die het mogelijk maakten flexibel in te spelen op het gegeven programma, de locatie en de stedenbouwkundige context. Cuypers hanteerde als uitgangspunt 'waarheid' in materiaalgebruik en constructie, en zette gaandeweg een reeks compositorische middelen in om de architectuur optimaal te doen 'spreken' voor de beschouwer. Om het effect van zijn gebouwen te optimaliseren, probeerde hij herhaaldelijk de stedenbouwkundige ontwikkelingen en de vormgeving van de openbare ruimte naar zijn hand te zetten, met name in Amsterdam.
Het gekwetste gewest Archievengids van de wederopbouwarchitectuur in de Westhoek Sofie De Caigny, Annelies Anseeuw, Annelies Nevejans en Ellen Van Impe (red.) Antwerpen, VAi/CVAa, 2009, 304 p., ISBN 9789080778702 Als derde deel in de reeks Focus Architectuur wordt door het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven de schijnwerper gericht op het erfgoed van de wederopbouw in de Westhoek, een unieke regio in Vlaanderen op het vlak van architectuur en stedenbouw. De grootschalige verwoesting door de Eerste Wereldoorlog en de gigantische wederopbouw achteraf bepalen tot op vandaag het uitzicht van de streek. Tot nu toe werd de geschiedenis van de wederopbouw vooral bestudeerd aan de hand van
B l l ^ l M E l M K R A N T
HET GEKWETSTE GEWEST ARCHIEVENGIDS VAN DE WEDEROPBOUWARCHITECTUUR IN DE WESTHOEK
bronnenmateriaal afkomstig uit het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten, het centrale overheidsorgaan opgericht om de wederopbouw te coördineren. Het poject Resurgam in 1985, een overzichtstentoonstelling gepaard met een publicatie, was in dit opzicht baanbrekend. Pas in meer recente publicaties werd ook lokaal bewaard bronnenmateriaal aangeboord, waardoor met mondjesmaat nieuwe inzichten ontstonden over de veelzijdigheid van de onderneming. Dit leverde informatie op de lokale perceptie en de moeilijkheden van de wederopbouw, maar ook over de reële bouwpraktijk die de Westhoek zijn homogene uitzicht gaf. De Archievengids van de wederopbouwarchitectuur in de Westhoek is bedoeld als een werkinstrument dat een zo breed mogelijke waaier van wederopbouwarchieven uit alle bestuursniveaus op een overzichtelijke manier samenbrengt, inclusief het private archief- en documentatiemateriaal. Geografisch beperkt de gids zich tot de huidige 17 Westhoekgemeenten, chronologisch wordt de periode afgebakend van de Wapenstilstand in 1918 tot de opheffing van de Dienst der Verwoeste Gewesten in 1926. Het boek is opgebouwd volgens de betrokken archiefvormers met een onderscheid tussen de private en de publiekrechterlijke. Zo komen eerst de wederopbouwarchitecten aan bod, waarvan een twintigtal archieven werden teruggevonden. Hierop volgen onder meer de aannemers, de private bouwheren zoals kloosters, scholen.
sociale huisvestingsmaatschappijen en ondersteunende organisaties. Een tweede deel groepeert de overheidsinstellingen, zoals gemeenten, OCMW's, kerkfabrieken en de centrale overheid. Van elk opgenomen archief wordt de archiefvormer, de aard, geschiedenis en omvang besproken, met informatie over de bewaarplaats en de mate van ontsluiting.
Bouwen aan wederopbouw 1914/2050 Architectuur in de Westhoek Jeroen Cornilly, Sofie De Caigny, Dominiek Dendooven, Chris Vandewalle, Katrien Vandermarliere en Eva Wuyts (red.) leper, Antwerpen, Erfgoedcel leper/ C07,VAi/CVAa, 2009, 216p., ISBN 9789077025048 Studie over de geschiedenis van de wederopbouw in de Westhoek, bekeken vanuit het standpunt van zij die deze operatie op het terrein verwezenlijkten: bewoners, lokale politici, plannenmakers, architecten, sociale organisaties en aannemers. Na de Eerste Wereldoorlog kwam in de Westhoek een nooit geziene bouwactiviteit op gang. Van puin ruimen tot de aanleg van nieuwe infrastructuur en landbouwgronden, het bouwen van boerderijen, burger- en arbeiderswoningen, nieuwe publieke gebouwen: hele dorpen en stadsdelen moesten uit het niets herbouwd worden. In zes historische essays, ruim geïllustreerd met plannen, foto's en brieven, wordt
de geschiedenis van deze unieke operatie in beeld gebracht. In deze zin vormt het boek een boeiend tweeluik met de hierboven besproken Archievengids van de wederopbouwarchitectuur in de Westhoek. Eerst wordt het wedervaren van de bewoners belicht die naar de Westhoek terugkeerden of na de wapenstilstand naar dit ivasfe/ond trokken. De penibele positie van de burgemeesters van de regio tussen de bewoners en de hogere overheid staat centraal in een tweede hoofdstuk. Vervolgens wordt beschreven hoe het terrein letterlijk 'geëffend' werd voor de eigenlijke wederopbouw en het herstel van de landbouw. Het vierde hoofdstuk behandelt de plaats en de rol van de architect in het wederopbouwproces, wie zij waren en welke opvattingen over architectuur zij aanhingen. Aan de hand van de ontstaansgeschiedenis van de sociale huisvestingsmaatschappijen en het aandeel van de Belgische Boerenbond wordt vervolgens de rol het middenveld geanalyseerd. Het zesde hoofdstuk tenslotte is gewijd aan de beroepsgroep die maar al te vaak uit het oog wordt verloren, de aannemers. Vandaag, negentig jaar later komt de materiële erfenis van de wederopbouw onder druk komt te staan door hergebruik of afbraak. De hedendaagse omgang met de wederopbouwarchitectuur wordt geïllustreerd aan de hand van zes praktijkvoorbeelden van renovatie, herbestemming of ruimtelijke ontwikkeling, waarin op inspirerende wijze een nieuwe betekenis aan dit erfgoed wordt gegeven.
Vooralle reacties: '"^-f.BraekenOrwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheekvan het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
B l l ^ N E N K R A N T
Muziek
Michel
Lemmens
\ FIFMISH ORGAN TRFASURF. V O I U M F «: HFT BREMSFR- FN HFT lORFT-QRGEL IN DF ON7FIIFVF-VROUWKAPEL VAN HET CENTRUM FI7FNVELD IN ANTWERPEN. PHRISTOPHF BIIRSFNS. ORGEL De vzw Hef Orge/ \n Vlaanderen werd in 1990 opgericht met als doel het bevorderen van de orgelcultuur in Vlaanderen. Ze wil niet alleen de historische orgels meer bekendheid geven bij het grote publiek, maar de hele orgelcultuur van Vlaanderen in de kijker brengen, zich hierbij richtend tot zowel amateurs als professionelen. De vzw is op verschillende 'orgelfronten' actief, met onder meer de organisatie van Orgel op Open Monumentendag, de Vlaamse Orgeldagen en het Trefconcert voor orgelleerlingen. Daarnaast behoort ook het uitbrengen van een Informatieblad en een Orgelmailkrant tot het vaste takenpakket. In 2004 werd een eigen CD-label Vision/A/r opgericht, waarin de reeks Flemish Organ Treasures wordt uitgegeven, dit alles in samenwerking met Radio Klara en de Vlaamse Gemeenschap.
Voor het achtste volume werd een beroep gedaan op de nog jonge Vlaamse organist Christophe Bursens, die studeerde te Leuven (Lemmensinstituut) en te Amsterdam (Sweelinck Conservatorium). Hij bespeelt de twee orgels in de kapel van het Centrum Elzenveld te Antwerpen, tevens de thuisbasis van Hef Orgel in Vlaanderen. Het orgelrestauratieproject in het Centrum Elzenveld werd in 2007 voltooid door La Manufacture d'Orgues Thomas uit Francorchamps naar de plannen van het ontwerpcollectief Spectrum te Hasselt. Het orgel werd in 1675 vervaardigd als een tweeklaviersinstrument door
Flemish Organ Treasure, volume 8 Het Bremser- en het Loret-orgel in Onze-Lieve-Vrouwkapel van het Centrum Elzenveld in Antwerpen CHRISTOPHE BURSENS, orgel
HetlS-gel IN
meester Blasius Bremser uit Mechelen. De orgelkast is van de hand van Gisbertus Cosijns, deken van de Antwerpse beeldsnijdersgilde, en werd afgewerkt met beelden en decoraties van Peeter Verbruggen de Oude en van Peter Meeus. Nadat reeds in vroegere tijden enkele transformaties werden uitgevoerd volgde in 1844 een drastische ombouw door orgelmaker Francis-Bernard Loret uit Mechelen. Diens ingrepen getuigden van weinig respect voor het oorspronkelijke instrument en orgelmeubel, en leidden tot een hybride orgel, dat door een gebrek aan logische binding tussen kast en instrument nauwelijks naar behoren kon onderhouden worden. Vandaar dat tijdens de ontwerpfase besloten werd het Bremser-orgel compromisloos te reconstrueren naar zijn oorspronkelijke toestand en de Loret-delen eruit te lichten en te herbestemmen op een andere locatie in dezelfde kapel, voorzien van een nieuwe orgelkast. Zo bleef het Bremser-orgel gehandhaafd op het inkomportaal en werd het Loret-gegeven ondergebracht aan de koorzijde van een gaanderij tussen schip en koor. Dat dit een terechte restauratieoptie
VLA* W W * E N
was blijkt nu onder meer uit deze CD-opname. Door de reconstructie van het orgel naar zijn oorspronkelijke toestand wordt voor het eerst in Vlaanderen het klankbeeld van de 17dt-eeuwse orgelmakersfamilie Bremser terug opgeroepen. Ook wordt het orgellandschap van AntwerpenStad voor het eerst sinds eeuwen opnieuw verrijkt met een pur sang 17de-eeuws orgel, klinkend in de middentoon. Bovendien komt ook het Loret-gegeven veel sterker uit deze restauratie, en kunnen we in de Elzenveldkapel kennis maken met één van de weinige bewaarde Loret-orgels uit diens eerste stijlperiode. Christophe Bursens demonstreert op overtuigende wijze de grote mogelijkheden tot kleurschakering op het Bremser-orgel. Zelfs registercombinaties die op het eerste zicht ongewoon zijn komen hier als vanzelfsprekend tot klinken. De bijzonder enge pijpmensuraties zijn hieraan wellicht niet vreemd. Christophe Bursens brengt een bloemlezing ten gehore van laat 16 dc - en 17de-eeuwse orgelmuziek uit Italië, Spanje, de Nederlanden, Duitsland en Engeland, met werk van
A/I&L
B I N N E M K R A I M T
Claudio Merulo, Giovanni De Macque, Giovanni Gabrieli, Girolamo Frescobaldi, Pablo Bruna, Jan Pieterszoon Sweelinck, Heinrich Scheidemann, William Byrd, John Bull en Henry Purcell. Al van bij de eerste tonen van het openingsstuk van Claudio Merulo worden we gecharmeerd door het stralende en boventoonrijke plenum. In de daarop volgende Consonanze stravagantevan Giovanni De Macque, opgevat als een harmonisch labyrint, smaken we de prachtige gefluteerde prestantklank. De fluiten van het Bremser-orgel vallen op door hun frisse aanspraak. Het plenum is stralend en rijk aan boventonen. De Trompet heeft met haar enge mensuur en kleurrijke sonoriteit een geheel eigen karakter, en de Cromhoren heeft, ondanks zijn enge bekers, toch een volle klank. Op het Loret-orgel koos Christophe Bursens een thema met variaties van Justin Heinrich Knecht, een compositie die nog reminiscenties oproept aan Joseph Haydn. Daarbij wordt duidelijk dat dit vroege orgel van Loret, met zijn belijnde en heldere klank, nog een classicistisch klankidioom bezit, en dit in tegenstelling tot de latere romantische werkstukken van Loret, waar we tot nog toe meer mee vertrouwd waren. De combinatie van deze prachtige orgels met het boeiende orgelspel van Christophe Bursens resulteert zondermeer in een kwalitatieve CD, die niet zou mogen ontbreken in de collectie van iedere ware liefhebber van het Vlaamse historische orgel.
Bestellen: Het Orgel in Vlaanderen. Centrum Elzenveld, Lange Gasthuisstraat 45, 2000 Antwerpen. Tel 03/202.77.06 Fax 03/202 77 00 E-mail: info@orgelinvlaanderen.be Kostprijs, verzending inclusief: Binnenland: 14 € (11 € voorleden OIV) Buitenland: 18,5 € Bankrekening: 779-5929312-27
1VI&L
Inventaris
VIOE — Team bouwkundig
erfgoed
DF IIWFNTARIS VAN HPT ROUWKUNDIfi
ER£ÜÜ£D JURIDISCH VASTGESTELD
Op 14 september 2009 is de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed voor Vlaanderen vastgesteld. Door het vaststellingsbesluit is er voor het eerst een eenduidige en overzichtelijke lijst bepaald van het in Vlaanderen gebouwde patrimonium met erfgoedwaarde. In deze lijst zijn ongeveer 66.000 zowel beschermde als nietbeschermde gebouwen opgenomen. Historiek: Van boek naar databank In 1965 wordt gestart met een eerste fase in de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed, onder leiding van prof. R.M. Lemaire. De bedoeling is een inventaris op te maken die moet beantwoorden aan de noden van een nog uit te tekenen monumentenbeleid. Het project krijgt de naam Bouwen door de Eeuwen Heen. De op elkaar volgende Belgische en Vlaamse administraties die de monumentenzorg onder hun bevoegdheid hebben, werken steeds verder aan de inventarisatie. Onder redactie van Suzanne Van Aerschot worden 55 boekdelen in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen gepubliceerd. Sinds 2001 is voor West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant de publicatie verder gezet met aparte bundels per gemeente waarvan er ondertussen een veertigtal zijn verschenen. In het midden van de jaren 1990 neemt de Afdeling Monumenten en Landschappen het initiatief om de inventarisgegevens uit de reeks te ontsluiten via een online databank. De databank vormt een identieke weergave van de publicatiereeks: de teksten worden exhaustief ingescand. Bij de oprichting van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed in
Brugge, Wijngaardstraat, fontein
2004, worden de inventaris van het bouwkundig erfgoed en de vaststelling ervan, expliciet vermeld in het oprichtingsbesluit. In samenspraak met het Agentschap R-0 Vlaanderen, werkt het VIOE prioritair aan het beheer en de optimalisatie van de bestaande databank terwijl het Agentschap R-0 Vlaanderen de geografische inventarisatie in Oost- en West-Vlaanderen afwerkt. Vanaf 2004 zet het VIOE mensen en middelen in op de ontwikkeling van een nieuw databanksysteem. Er werd in eigen huis een systeem ontwikkeld om het beheer van adressen en statussen van gebouwen mogelijk te maken. In 2005 werd een grootschalige adrescontrole en georeferentie van alle geïnventariseerde erfgoed gestart. Tegelijkertijd werd het fotomateriaal op de databank tegen een verhoogd tempo aangevuld en werd de databank op basis van thematischtypologische thesauri ontsloten. Op 24 mei 2009 werd de totaal vernieuwde databank http://inventaris.vioe.be aan het publiek voorgesteld. Een efficiënt beheer van deze databank is enkel mogelijk mits de hulp van externen. Lokale besturen, erfgoedverenigingen en betrokken particulieren kunnen onderbouwde informatie leveren over sloop, inhoudelijke aanpassingen, verbouwingen enz. Wekelijks worden met het online contactformulier op de inventariswebsite tientallen aanvullingen gesignaleerd.
B 1 M 1 M E N K R A 1 \ T
Inventarisatie en beleid Uit deze monumentale wetenschappelijke inventaris is de lijst afgeleid die door het vaststellingsbesluit van 14september 2009 juridisch is vastgesteld. Het vaststellen betekent een reeds lang gevraagde erkenning van deze inventaris als beleidsinstrument. Deze beleidsdoelstelling was vertaald in de decreet- en regelgeving betreffende onroerend erfgoed, maar is pas nu in uitvoering gebracht. Hedendaagse IT-technologie maakte deze stap haalbaar en beheersbaar. Het belangrijkste juridische bezwaar dat de vaststelling al die jaren tegenhield, was de veroudering van de administratieve gegevens van de opgenomen panden: adressen werden nooit systematisch geactualiseerd, er werd niet bijgehouden wat werd gesloopt. Om deze vereiste administratieve actualisering te realiseren, werd vanaf 2004 ingezet op de ontwikkeling van een nieuw databanksysteem.
De rechtsgevolgen De vastgestelde inventaris is in de vorm van een beveiligd digitaal bestand voor iedereen beschikbaar op http://inventaris.vioe.be/dibe/ rechtsgevolgen. Bij de eerste vaststelling van 2009 zijn ongeveer 66.000 relicten opgenomen in deze lijst. Het verschil met de ruim 72.000 relicten die te vinden zijn in de databank van de inventaris is te verklaren doordat enkel het gebouwd erfgoed dat bewaard én gelokaliseerd is, kan worden vastgesteld. Het VIOE zal jaarlijks een actuele lijst van de inventaris van het bouwkundig erfgoed vaststellen en publiceren. De lijst is geordend per gemeente. Van de erfgoedobjecten die erop voorkomen is het type en een nummer opgenomen, alsook een korte beschrijving, het adres en de coördinaten. Via de combinatie van het relicttype (R = relict, G = bouwkundig geheel) met het identificatienummer kan men in de databank van de wetenschappelijke inventaris alle beschikbare informatie consulteren, zoals een beschrijving, typering en foto's.
Een tweede bezwaar dat meermaals tegen de vaststelling werd ingeroepen, was het ontbreken van een homogene en gebiedsdekkende inventaris voor heel Vlaanderen. Ondertussen is echter het besef gekomen dat deze ongelijkheid steeds aanwezig zal blijven, en dat bij een inventaris van een dergelijke omvang nooit een afgerond homogeen geheel kan bekomen worden. Bijkomende inventarisatie en inhoudelijke aanvulling blijven steeds nodig.
De vaststelling heeft vooral gevolgen voor het niet-beschermde bouwkundig erfgoed. Dankzij de vaststelling worden vijf wettelijke bepalingen in de regelgeving over onroerend erfgoed, ruimtelijke ordening, wonen en energieprestaties geactiveerd. Vroeger waren die 'slapend' bij gebrek aan een vastgestelde lijst. Het gaat om uitzon-
Herk-de-Stad, Dorpsstraat 8, kerk
Herk-de-Stad, Ekerstraat 4-8, hoeve
deringsmaatregelen ten gunste van gebouwen uit de bouwkundige inventaris, met als doel ze zoveel mogelijk te vrijwaren. 1° Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, art. 12/2 Dit decreet bepaalt dat een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van als bouwkundig erfgoed geïnventariseerde constructies slechts kan worden afgeleverd na een algemene onroerenderfgoedtoets. Dit geldt enkel voor constructies uit de vastgestelde inventaris die niet zijn opgenomen in de lijst van het beschermd erfgoed. Voor beschermd erfgoed gelden andere regels. Het uitvoeringsbesluit over de algemene onroerend erfgoedtoets is in voorbereiding. 2° Besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, art. 3, 5°a) en art. 3, 8°, b) Dit besluit bepaalt dat er altijd een stedenbouwkundige vergunning nodig is voor het plaatsen van fotovoltaïsche zonnepanelen en/of zonneboilers op een plat dak en fotovoltaïsche zonnepanelen en/of zonneboilers geïntegreerd in het hellende dakvlak op gebouwen opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed; en voor de afbraak van gebouwen of
B I N N E ^ K R A N T
volgen. Het staat andere overheden of administraties echter vrij om hun adviezen te baseren op de informatie die beschikbaar is via de inventaris. Vanuit andere beleidsvelden of overheden kan men zich op de inventaris baseren om het bouwkundig erfgoed via een aantal specifieke maatregelen te waarderen. De stad Brugge baseert zich bijvoorbeeld met de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van 15 juni 2006 op het bouwen, verkavelen en op de beplantingen (B.S.Bjuli 2006) op de inventaris om het bouwkundig erfgoed binnen de gemeentegrenzen zo goed mogelijk te behouden.
Sint-Pieters-Leeuw, Zeypestraat, grot
Turnhout, Warondestraat 103 A, watertoren
4° Decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en t o t invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet, art. 7, 1° Er worden in dit decreet vrijstellingen of afwijkingen op de EPB-eisen voorzien voor gebouwen opgenomen in de vastgestelde inventaris.
constructies die opgenomen zijn in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. De erfgoedwaarde van deze panden moet worden afgewogen in de motivatie voor het al dan niet toekennen van deze vergunning. 3° Besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevrcemde functiewijzigingen, art. 10 Dit besluit regelt de toelaatbare functiewijzigingen voor gebouwen gelegen buiten de geëigende bestemmingszone. De regeling speelt op een positieve wijze in op de problematiek van de zonevreemdheid door functiewijzigingen vlotter mogelijk te maken voor zonevreemde gebouwen die onder meer voorkomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed.
5° Besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten, art. 7 Dit besluit betekent dat de '800/o-reger niet geldt voor gebouwen die opgenomen zijn in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. De '800/o regel' houdt in dat een renovatie van een gebouw maximum 80% mag kosten van de prijs voor een nieuwbouw van dezelfde omvang. Als de kostprijs hoger ligt dan die 80%, wordt er normaal overgegaan tot sloop en nieuwbouw. De opname van een pand of een constructie in de vastgestelde inventaris van het Bouwkundig Erfgoed heeft op het Vlaamse beleidsniveau enkel bovenstaande juridische ge-
Beschermd versus niet-beschermd Alle erfgoedobjecten die in de vastgestelde inventaris zijn opgenomen, genieten een vorm van vrijwaring voor de toekomst. Toch is er een onderscheid tussen het beschermd en het niet-beschermd bouwkundig erfgoed dat in de lijst is vastgesteld. Voor het niet-beschermd patrimonium opgenomen in de zopas vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed gelden enkel de hierboven vermelde juridische bepalingen. Voor beschermde monumenten gelden zowel de rechtsgevolgen van de bescherming, zoals bepaald in het monumentendecreet als die van de vastgestelde inventaris.
B 1 N N E 1 M K R A N T
Beschermingen
Peter Van denn Hove nMHMHHMl
ARCHEOLOGISCHE BESCHERMING VOOR DF Q.LV.-BASILIEK VAN TONGEREN Op 16 oktober 2009 ondertekende minister Geert Bourgeois een ministerieel besluit waardoor de archeologische zone Basiliek O.L.V.- Geboorte en omgeving te Tongeren op het ontwerp van lijst komt te staan van voor bescherming vatbare archeologische zones. De procedure voor de bescherming van deze uitermate belangrijke archeologische site werd daarmee ingezet. Onder en rond de Basiliek van Tongeren zijn al enkele decennia archeologisch waarnemingen en opgravingen aan de gang, met vooral de laatste jaren erg spectaculaire en belangrijke wetenschappelijke resultaten. Het opstarten van een archeologische bescherming kon dan ook niet uitblijven. In samenwerking met het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed werd door het Agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed een beschermingsdossier opgesteld en aan minister Geert Bourgeois voorgelegd. Het algemeen belang dat deze bescherming verantwoordt werd daarbij als volgt gemotiveerd: "De ondergrond onder en rond de O.L.V.- Basiliek van Tongeren herbergt naast sporen van een luxueuze Romeinse stadswoning (daterend uit de 2 * en 3 * eeuw na Chr.) met zekerheid één van de oudste bisschopskerken van West-Europa (daterend uit de 4dc eeuw na Chr). De ganse zone is zonder twijfel één van de belangrijkste archeologische sites in Europa voor wat betreft onze kennis over de ontwikkeling en de verdere evolutie van het eerste christendom in Europa. Het is een periode waarover bijzonder weinig is gekend en ook de materiële resten erg schaars zijn. De chronologische continuïteit in
M&L
B l l V J N E N K R A N T
de stratigrafie van restanten van kerkgebouwen in het opgegraven areaal bewijst dat de ganse zone sinds de 4de eeuw onafgebroken als cultusplaats fungeerde en zo een unieke en uitstekend bewaarde getuigenis is van de continue overgang van de Romeinse naar de middeleeuwse periode. De site is dan ook een belangrijke archeologische zone en dient behouden te worden als een getuige enerzijds en met het oog op toekomstig onderzoek anderzijds." De inschrijving op het ontwerp van lijst is gedurende één jaar van kracht. In die periode dient een administratieve procedure te worden doorlopen. Pas daarna kan de site een definitief beschermd statuut krijgen.
KCML
- de heer Andries Van den Abeele, Wollestraat 13/1, 8000 Brugge
Marcel M. Celts
KPNINKMIKF COMMISSIF VOOR MONUMFNTFN FN I ANDSCHAPPEN
Art. 3. Tot ondervoorzitster van de Eerste afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - mevrouw Linda Van Santvoort, Vredelaan 69, 1982 Weerde
In uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 betreffende de samenstelling, de organisatie, de bevoegdheden en de werking van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest, werd deze na een eerste termijn van vier jaar in juni jongstleden opnieuw samengesteld. Hierbij volgt de integrale tekst van het ministerieel besluit.
Art. 4. Tot ondervoorzitter van de Tweede afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - de heer Mare Antrop, Beekstraat 29, 9920 Lovendegem
Bij ministerieel besluit van 16 juni 2009 is de samenstelling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest vastgesteld:
- de heer Luc Bauters, Pastoriestraat 67, 9800 Deinze
Artikel 1. § 1. Eervol ontslag wordt verleend aan de voorzitter, ondervoorzitters, leden, secretaris en adjunct-secretarissen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest. § 2. Worden gemachtigd tot het voeren van de titel "Erelid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest": de heer Frank Becuwe mevrouw Annick Boesmans de heer Jean Bourgeois de heer Guido De Dijn de heer Guy Luyts mevrouw Marleen Martens mevrouw Leen Meganck de heer Hans Mestdagh de heer Paul Van den Bremt de heer Rudy Van Hove Art. 2. Tot voorzitter van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd:
Art. 5. Tot ondervoorzitter van de Derde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd:
Art. 6. Tot ondervoorzitter van de Vierde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - de heer Mark Fierlafijn, Dennenlei 35, 2900 Schoten Art. 7. Tot ondervoorzitter van de Vijfde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - de heer André Vandewalle, Ter Zwanekerke 60, 8200 Brugge Art. 8. § 1. Tot lid van de Eerste afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen worden benoemd: - mevrouw Inge Bertels, Italiëlei 29 bus 6.1, 2000 Antwerpen - de heer Joost Caen, Hertendreef 6, 2900 Schoten - mevrouw Mimi De Bruyn, Ferdinand Cosemansstraat 87, 2600 Berchem - mevrouw Ingrid Desmedt, Heidestraat 118, 3590 Diepenbeek - mevrouw Anne Mie Draye, Winkelsesteenweg 80, 3020 Herent - mevrouw Michèle Eeman, Sint-
B 1 N N E N K R A N T
Gommarusstraat 47, 2800 Mechden - de heer Edgard Goedleven, Oude Bertembosstraat 7, 3060 Bertem
(Sint-Michiels) - mevrouw Beatrijs Hillewaert, Vulderstraat 88, 8000 Brugge
- de heer Marcel M. Cells, Krankenstraat 3, 2800 Mechelen
- de heer Adriaan Linters, Vredelaan 72, 8500 Kortrijk
- mevrouw Marie- Christine Laleman, Koning Leopold II laan nr98 E, 9000 Gent
Art. 10. Tot adjunct-secretaris van de Tweede afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - de heer Mare De Borgher, Kruisveld 83, 2890 Sint-Amands
- de heer Jo Rombouts, Jemappesstraat 4, 9000 Gent - de heer Rutger Steenmeyer, Kleine Pieter Potstraat 21, 2000 Antwerpen - de heer Willem Supply, Wervikstraat 65, 8980 Beselare - de heer Maurice Timperman, Bloemenlaan 18, 8630Veurne - de heer Koen Van De Vreken, Brouwerijstraat 6, 9031 Drongen - de heer Luc Verpoest, Bankstraat 60, 3000 Leuven § 2. Tot lid van de Tweede afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest worden benoemd: - mevrouw Cécile Baeteman, Beernaertstraat 8, 1170 Brussel - de heer Godfried Bekaert, Mimosastraat 157, 9000 Gent - de heer Frank Gelaude, Nieuwpoort 6, 9000 Gent - mevrouw Marie-Christine Gottigny, Oudenaardseweg 135, 9790 Wortegem-Petegem - mevrouw Antoinette Timmermans, Beukenlaan 49, 1653 Dworp - De heer Jan Van den Berghe, Jef Buyckxstraat 92, 2300 Turnhout - de heer Antoon Verhoeve, Bergstraat 17A, 9921 Vinderhoute - de heer André Verstraeten, Waasmunsterbaan 124 A, 9160 Lokeren - de heer Luc Vervoort, Penitentienenstraat 51, 3000 Leuven - mevrouw Katty Wouters, Molenstraat 54, 3010 Kessel-Lo § 3. Tot lid van de Derde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest worden benoemd: - de heer Philippe Crombé, Eendenweg 3, 9860 Oosterzele - mevrouw Marjolein Deceuninck, Schipstraat 12, 9559 Sint-LievensEsse - mevrouw Hadewijch Degryse, Bankstraat 31, 3000 Leuven - De heer Patrick Degryse, Rijselstraat 42 82, 8200 Brugge
- de heer Bart Robberechts, Nobelberg 29A, 3220 Holsbeek - de heer Dries Thys, Goudenregenstraat 3, 9000 Gent - de heer Luc Van Impe, Schapenstraat 67, 3000 Leuven - de heer Philippe Van Peer, Honsdonkstraat 97, 3120 Tremelo § 4. Tot lid van de Vierde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest worden benoemd: - de heer Peter Braem, Bosduifstraat 22, 2018 Antwerpen - mevrouw Rita Jalon, Fortlaan 41, 2070 Zwijndrecht - de heer Jean-Marc Kets, Lange Lozannastraat 129 bus 8, 2018 Antwerpen - de heer Willem Lanszweert, Krombekestraat 3, 8691 Stavele - de heer Philippe Monsieur, Witte Burg 70, 8670 Koksijde - de heer Cees Rademakers, Strengen 18 bus 5, 2170 Merksem § 5. Tot lid van de Vijfde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest worden benoemd: - de heer Jozef Dauwe, Gentsesteenweg 120, 9200 Dendermonde - de heer Luc Duerloo, Kerkstraat 36, 2060 Antwerpen - de heer Erik Houtman, Anton Van de Veldelaan 20, 2900, Schoten - mevrouw Véronique Lambert, Grondwetlaan 30, 9040 SintAmandsberg - mevrouw Monique Van Melkebeek, Kriekerijstraat 20, 9040 Sint-Amandsberg - de heer Jean-Jacques van Ormelingen. De Brocquevillelaan 115 bus 1, 1200 Brussel Art. 9. Tot secretaris van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd:
Art. 11. Tot adjunct-secretaris van de Derde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - de heer Peter Van den Hove, IJzerstraat 12, 2800 Mechelen Art. 12. Tot adjunct-secretaris van de Vierde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - mevrouw Gudrun Van Branden, Vrijheidsplein 14, 9160 Lokeren Art. 13. Tot adjunct-secretaris van de Vijfde afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest wordt benoemd: - de heer Patrick van Waterschoot, Gebroeders Van Tiltstraat 43, 3220 Holsbeek Art. 14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juni 2009.
Patrick van Waterschoot
l A A R I I I K S F UITRFIKING VAN WAPFNBRIFVFN
INJHET KASTEEL VAN GAASRFFK Sinds het bestaan van het decreet van 3 februari 1998 is het voor privépersonen en instellingen mogelijk om officieel een wapen toegekend te krijgen. De Vlaamse regering verleent dit recht op advies van de Vlaamse Heraldische Raad (de 5de afdeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest).
I
B 1 1 M 1 \ E N K R A N T
Eenmaal per jaar, bij voorkeur op de vooravond van de Vlaamse feestdag, worden de wapenbrieven uitgereikt. Tot hiertoe was het steeds de bevoegde minister die de wapenbrieven aan de begunstigden uitreikte in het hotel Errera, de ambtswoning van de Vlaamse minister-president. In 2009 werd van deze traditie afgeweken. In juli dit jaar was het hotel Errera immers het decor voor de aan de gang zijnde regeringsonderhandelingen. Er werd een waardige vervanglocatie gevonden in Gaasbeek. Het kasteel van Gaasbeek, sinds 1980 eigendom van de Vlaamse Overheid, vormde dit jaar het schitterende kader voor de jaarlijkse plechtigheid. De genodigden hadden vooraf de gelegenheid om een kort geleid bezoek aan het kasteel te brengen. De gidsen vertelden hen de geschiedenis van het kasteel en van de familie Arconati Visconti. De plechtigheid zelf vond plaats in de ridderzaal. De wanden van deze imposante neogotische zaal is volledig beschilderd met taferelen uit de bewogen geschiedenis van het kasteel. Op de wandschilderingen, maar ook in de glas-in-loodramen, zijn meermaals
wapens van vroegere bewoners van het kasteel afgebeeld. Voorzitter André Vandewalle benadrukte in zijn toespraak dat het uitsluitend om burgerlijke wapens en niet om adellijke wapens gaat. Burgerlijke wapens en wapens van instellingen hebben een eeuwenoud bestaansrecht. Het erkennen of toekennen van een wapen is een volstrekt vrijwillige actie die ingaat op de wens van personen, instellingen en verenigingen om, los van enige snoeverij of elitarisme, een identiteit uit te drukken, een bewustzijn te behoren tot een groep, een gemeenschap of een familie. Dat dit gebeurt met een traditionele vormentaal en met eeuwenoude kleuren en symbolen, onderstreept de gehechtheid van de Vlamingen aan hun roofs en aan de waarden die de vorige generaties ons hebben doorgegeven. Heraldiek is een stuk immaterieel erfgoed dat eeuwenlang in Vlaanderen leefde en nu heropleeft. Door het voeren van een wapen benadrukt de drager op een symbolische wijze zijn identiteit, maar ook zijn verbondenheid met familie en leefwereld.
De voorbije jaren was het steeds de heer Dirk Van Mechelen, Viceministerpresident van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening die de begunstigden hun wapenbrief overhandigde. De minister achtte het in juli evenwel niet opportuun om, gelet op de nakende regeringswissel, nog publiek op te treden en had zich verontschuldigd. De honneurs werden waargenomen door de heer Gilbert Kolacny, administrateur-generaal van het Agentschap RO-Vlaanderen. In zijn toespraak dankte de heer Kolacny de voorzitter en de leden van de Vlaamse Heraldische Raad voor hun onafhankelijke en kritische benadering van de aanvragen voor privéwapens. De administrateur-generaal feliciteerde alle aanvragers met hun wapenbrief en ging over tot de uitreiking, terwijl Raadslid J. Dauwe, in de kledij van 'Vlaams wapenheraut' lezing gaf van de blazoenering (of heraldische beschrijving) van elk wapen. De families Piet Jaspaert, Guido Vlieghe, Georges Van Walleghem, Michel De Westelinck, Ivan Van Cauwen-
1 B I N N E N K R A N T
berghe, Philippe Pille, Giinther Polfliet, Pieter en Hendrik Donche, Gunter Van Haut, Paul De Witte, Marcel en Luc Le Moine, Paul Van den Heuvel, Herman Lenaers, Erik Jong, mevrouw Nicole Fraters evenals de vzw Koninklijke en Prinselijke Hoofdgilde Sint Joris Stalen Boog uit Brugge voeren voortaan een door de Vlaamse regering erkend wapen. Na het poseren voor de groepsfoto werd een receptie aangeboden op het binnenplein van het kasteel. De wapens staan afgebeeld op de cover van deze Binnenkrant. Ze zijn ook terug te vinden in het wapenregister: www.erfgoed.net/heraldiek/
Tentoonstelling
Persbericht
HFT nMHFI7FN VAN DE MAAN SPIFfiFI VAN DF TANGDYNASTIE In 618 besteeg Gaozu, de eerste keizer van de Tang-dynastie, de drakentroon en begonnen China's Gouden Eeuwen, een lange periode van bijna driehonderd jaar tot 907 waarin handel, kunsten en wetenschappen bloeiden als nooit tevoren. De hoofdstad Chang'an (het huidige Xi'an in de centraal gelegen provincie Shaanxi) werd het diplomatieke, economische en culturele centrum van de toenmalige Aziatische wereld. De stad telde meer dan een miljoen inwoners en als begin- en eindpunt van de legendarische zijderoute trok ze handelaars, gezanten en geleerden aan uit vele verre landen. Aan het hof leefden roemruchte keizers en betoverende concubines een leven vol rijkdom en kunstzinnige verfijning. China's meest geliefde dichters
schreven hun onvergetelijke verzen. Monniken trokken naar India op zoek naar heilige geschriften en zorgden voor een onvergelijkelijke bloei van het boeddhisme. De titel van de tentoonstelling verwijst naar één van de beroemdste Tang-dichters, Li Bai, en het maanthema komt in de hele tentoonstelling terug, zowel in het gedeelte over het wereldlijke hofleven als in het gedeelte over het geestelijke leven. De Chinezen zien de maan immers als spiegel van de zon, als yin tegenover yang, als droom en bezinning tegenover werkelijkheid, als de schaduw van het hiernamaals tegenover de realiteit van het heden, ontastbaar, maar toch erg aanwezig. Het is dan ook door een traditionele maanpoort dat de fascinerende wereld van het rijke hofleven betreden wordt. Citaten van de grootste dichters van de Tang begeleiden de bezoeker op een literaire wandeling langs de vele facetten van de toenmalige cultuur. In de Chinese tuinarchitectuur was het gebruikelijk om op de muren gekalligrafeerde verzen en wijze uitspraken aan te brengen. Niet zelden handelden deze over het bewonderen van de volle maan, waarbij reflectie over het leven en harmonie met de natuur centraal stonden. De eerder genoemde 8$te-eeuwse dichter Li Bai wou dat alles tijdens een heldere maannacht vanop een bootje bezingen, maar toen hij het schijnsel van de maan in het water wou omarmen, werd deze omhelzing hem fataal. Terracotta beelden van hofdames, elegante danseresjes en muzikanten en statige ambtenaren bevolken de weelderige tuin van de Tang. Hun sieraden uit goud en zilver, hun verfijnde kleding en ingewikkelde kapsels met kostbare haarpinnen, hun opvallende make-up, poederdoosjes en bronzen spiegels spreken tot ieders verbeelding. Andere gebruiksvoorwerpen, waaronder ook de bekende keramiek met zowel witte als driekleurige glazuren vervolledigen de evocatie van het toenmalige leven. De expressieve beelden van buitenlandse gezan-
ten en kooplui met hun volle baarden, opvallende neuzen en expressieve ogen getuigen van het kosmopolitische karakter van het wereldrijk China tijdens de periode toen in onze streken Karel de Grote op de troon zat. In het tweede deel van de tentoonstelling gaat bijzondere aandacht naar de boeddhistische sculpturen en bronzen, die het rijke gedachtegoed van het hoogtepunt van boeddhistische kunst in China illustreren. Hier staat de ronde maan voor het hoogste spirituele principe van de leegte van het bestaan, tegelijk echter ook voor de volledigheid van de verlichting van alle levende wezens. In het spoor van de karavanen kwam de leer van Boeddha uit Indië en Centraal-Azië rond het begin van onze jaartelling in China aan. Onder het vroege Tangbewind had het een eigen Chinees karakter verworven en ontwikkelden zich ook specifieke scholen die onder andere de nadruk legden op de figuur van de bodhisattva of het verlichtingswezen. Tot op de dag van vandaag blijft de bodhisattva Guanyin één van de populairste en meest geliefde beschermende godheden, de verpersoonlijking van groot mede-
M&L
B 1 N N E 1 M K R A N T
dogen en de macht om kinderzegen te schenken. Ook het esoterische boeddhisme kwam tijdens de Tangdynastie tot bloei en kende een in China nadien nooit meer geëvenaarde veelzijdige iconografie, met naast de serene boeddhafiguren ook talrijke toornige godheden en woest uitziende hemelvorsten en poortwachters. Het Bureau voor Culturele Erfstukken van de provincie Shaanxi leent uitzonderlijk een prachtige selectie van voorwerpen uit de Tang-dynastie aan Antwerpen uit. Deze zijn afkomstig van het Shaanxi History Museum, het Zhaoling Museum met objecten uit de necropolis van de grote tweede Tangkeizer Taizong (reg. 626-649) en het Beilin Museum voor het merendeel van de boeddhistische stukken.
Praktisch: Van 19 december 2009 tot 14 maart 1010 in het Provinciehuis Antwerpen, Koningin Elisabethlei 22, 2018 Antwerpen. Open van dinsdag tot en met zondag van 10u tot 17u. Info en reservatie: 03/338 95 8 www.tangexpo.be
Varia
Forum voor Erfgoedverenigingen vzw Erfgoedhuis Den Wolsack Oude Beurs 27, 2000 Antwerpen T: 03/212 29 60, F: 03/212 29 61 info@forumerfgoedverenigingen.be www.forumerfgoedverenigingen.be
Persbericht
FORUM VOOR ERFGOEDVERENIGINGEN Forum voor Erfgoedverenigingen vzw staat voor de ruimte waarin mensen en verenigingen elkaar ontmoeten en ideeën en ervaringen uitwisselen. Steunend op een netwerk van momenteel 265 erfgoedverenigingen in Vlaanderen en Brussel richt het FORUM zich op de zorg voor onroerend erfgoed, met name monumenten, landschappen, archeologie en mobiel erfgoed met een tijdelijk onroerend karakter zoals varend, rollend, rijdend, vliegend erfgoed en erfgoed van vermaak. Het verlenen van allerlei diensten en het vormen van een intermediair tussen de erfgoedverenigingen en overheden staan hierbij centraal. Kortom, zoekt u de weg in de complexe wetgeving rond monumenten, landschappen of archeologie? Zoekt uw vereniging steun voor een project rond erfgoed? Heeft u vragen over het financieren van uw erfgoedprojecten en het verzekeren van een monument? Wenst u ervaringen uit te wisselen of samen te werken met andere erfgoedverenigingen? Hiervoor kan u steeds bij het Forum voor Erfgoedverenigingen terechtl
1V1&L
Persbericht
OPEN IDEEENWEDSTRIID 'RENAAT BRAFM igin-^nin' Deze wedstrijd is een openbare ideeenwedstrijd over het patrimonium van Renaat Braem. Ze spitst zich toe op de herbestemming van de directeurswoning met stookruimte op het Antwerpse Kiel. Deze uitzonderlijke collectieve woningbouw dateert van 1951-1954 en 1956-1958 en is één van de meest vooruitstrevende ontwerpen van Renaat Braem. De ideeënwedstrijd is het startpunt van een groot Renaat Braem project dat plaatsvindt in het najaar van 2010. Het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) en het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) willen met dit evenement de hedendaagse betekenis van de figuur Renaat Braem en de erfenis van het modernistische patrimonium van de jaren 1950 en 1960 onder de aandacht brengen. De wedstrijd wordt officieel gelanceerd in oktober 2009.
B 1 N N E N K R A N T
De ideeënwedstrijd is een gezamenlijk initiatief van de stadsbouwmeester van Stad Antwerpen, Woonhaven, het VAi en het CVAa. Voor de opdracht werd beroep gedaan op de archieven van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE). Concrete informatie omtrent de wedstrijd verschijnt in oktober op de website van www.vai.be en www.cvaa.be.
Marjan Buy Ie
CQLLOQUIUMVERSLAG Het internationaal BRK-APROA/VIOE colloquium op 19 en 20 november 2009 was een groot succes. Het werd voor de eerste keer georganiseerd met het VIOE als volwaardige partner. Een tweehonderdtal deelnemers uit de verschillende sectoren van de erfgoedzorg, dus zowel uitvoerende conservators-restaurateurs als onderzoekers, erfgoedconsulenten, gemeentelijke en provinciale erfgoeddiensten, eigenaars en beheerders, monumentenwachters en andere geïnteresseerden luisterden twee dagen lang naar boeiende lezingen en gaven - ongezouten - hun mening tijdens de geanimeerde discussierondes. Het samenbrengen van mensen uit deze diverse sectoren bleek voor de deelnemers zeer verhelderend en er werd met interesse en respect geluisterd naar eikaars meningen: de mensen uit de praktijk en de mensen uit de verschillende erfgoeddiensten. Na een welkomstwoord door Sonja
Vanblaere, administrateur-generaal van het VIOE en door Pierre Masson en Els Malyster, respectievelijk voorzitter en ondervoorzitter van de BRK-APROA (Beroepsvereniging voor ConservatorsRestaurateurs van Kunstvoorwerpen) werden volgende lezingen gegeven: Salvador Muoz-Vias (Universidad Politecnica de Valencia), Whose decision? Making choices in conservation; Marjan Buyle (VIOE, BRK-APROA), De decoratie van het /8<,ceeuwse salon a I'italienne in het paviljoen De Notelaer in Hingene. Een waaier van mogelijke restauratieopties; Muriel Prieur (APROA-BRK), La restauration de la Vierge Consolatrix Afflictorum de l'église Notre-Dame de Luxembourg et la reflexion sur la croyance; Peter De Groof (KIK-IRPA), De verweven overwegingen bij de conservatie van textiel; Bernard Delmotte (BRK-APROA, Artesis Hogeschool Antwerpen), Proefrestauratie van de sgraffito's van Cauchie in Eeklo; Michael van Gompen, Muriel Prieur, Derk Stomps, Bob van Wely, Charles Indekeu, L'horloge musicale Roentgen-Kinzing-Weyl et la collection grand-ducale du Luxembourg; Anne van Grevenstein (University of Amsterdam), The conservation of the interior of De Haar Castle: a multidisciplinary approach; Veerle Meul (Monumentenwacht Vlaanderen), Behoud van de betekenis van ensembles. 'Coup de theatre' in Varallo (Italië): een participatief en transparant besluitvormingstraject voor de conservering van een uniek werelderfgoedensemble; Framboise Rosier et Hélène Dubois (IRPA-KIK), Leportrait de Nicolaes Van Bambeeck, un traitement mürement réfléchi; Charles Indekeu en Georges Dewispelaere (Artesis Hogeschool Antwerpen, Ensav La Cambre Brussel), Minimal-moderate intervention. Analyse en kritische evaluatie van een conceptvorming; Marleen Martens (VIOE), Reflex of reflectie in de archeologische monumentenzorg in Vlaanderen; Isabel le Brajer (National Museum of Denmark), The camouflage technique for retouching wall paintings: striving for authenticity or verisimilitude?; Johan Grootaers, Koerswijzigingen tijdens de uitvoering: de rol van de vooronderzoeker; Marie Postec (APROA-BRK),
Repeints ou surpeints? Reconnoitre la retouche de Tartiste; Carola Van den Wijngaert (BRK-APROA), Voorde eeuwigheid?Focus op religieus erfgoed; Vincent Cattersel, Charles Indekeu, Isabelle Leirens (Artesis Hogeschool Antwerpen), De ontsluiting van een renaissance loggia toegeschreven aan Pieter Coecke van Aelst. Het colloquium werd afgesloten met een heldere synthese door Catheline Périer-D'leteren van de ULB. Ze vatte de belangrijkste denkpisten en nieuwe ideeën nog eens samen. Het congresdiner in het voormalig Huis CohnDonnay, thans het restaurant De Ultieme Hallucinatie aan de Koningstraat gaf de sprekers en de medewerkers, waaronder de talrijke vertalers, de gelegenheid om dit gebeuren feestelijk af te sluiten. Alle lezingen en ook de afsluitende synthese worden gepubliceerd in de Postprints. De postprints van de vier vorige congressen zijn nog steeds verkrijgbaar.
De BRK-APROA Postprints, nr. 4, Reflex of reflectie. Actoren en besluitvorming in de conservatie-restauratie/Réflexe ou reflexion? Les acteurs et le processus décisionnel dans la conservationresfouraf/on, verschijnen in de lente van 2010. De vorige Postprints over Lijmen en adhesieven (2002), Vernissen (2004), Lacunes in de conservatierestauratie (2006) en De mythe van de retour a l'origine. Authenticiteit en interpretatie in de conservatie-restauratie (2008) zijn nog steeds verkrijgbaar. Info: Marjan Buyle, VIOE, Koning Albert ll-laan 19, 1210 Brussel, marieanne.buyle@rwo.vlaanderen.be
1VI&L
MaL
citaat
"Nous avons l'habitude, quand nous nous promenons en ville, ou quand nos affaires nous y appel lent, de trap regarder les vivants, les gens qui passent; n'est-il pas vrai que, en general, nos contemporains sont tres dédaignables? II faudrait regarder un peu plus les morts, c'est-a-dire les personnages de bronze ou de marbre qui se dressentsur les piédestaux de nos places publiques ou animent les frontons de nos monuments. Par leurs bouches muettes, c'est toute l'histoire de notre sculpture qui por/e, et les écouter en les admirant est une grande legon qu'on reqoit..."
Sander Pierron, La Sculpture en Bdgique 1830-1930, Editions d'ArtJos. Vermaut, Paris-Bruxelles-Courtrai, 1932, p. 22.
'Wij hebben de gewoonte, wanneer wij door de stad kuieren, of wanneer onze zaken ons daarheen roepen, om teveel naar de levenden, de mensen die langslopen, te kijken; is het niet zo dat, over het algemeen, onze tijdgenoten zeer te versmaden zijn? Men zou wat meer naar de doden moeten kijken, te weten de bronzen of marmeren personages die opgesteld staan op de sokkels van onze openbare pleinen of de frontons van onze monumenten opfleuren. Door hun stille monden, is het de hele geschiedenis van onze beeldhouwkunst die spreekt, en naar hen luisteren met bewondering is een grote les die we krijgen ...'
Dieter
Nuytten
HET HOLLANDCOLLEGE IN LEUVEN: EEN BOEIENDE GESCHIEDENIS VAN VTEN LIEMINGHE OVER DE HOLLANDSE MISSIE TOT PAR1DAENS • Interieur van de kapel van het Hollandcollege (foto 0. Pauwels)
De recente verkoop van een deel van het Paridaemimtituut Universiteit
aan de
Katholieke
Leuven, samen met de recente
bescherming
van het voormalig
Hollandcollege
(1) en een historische studie aan het post graduaat
monumentenzorg
zijn de aanleiding
tot dit artikel,
op één van de best bewaarde universitaire
te Antwerpen dat
ingaat
IS^-eeuwse
colleges te Leuven en, bij
ding, van het land (3).
{2),
uitbrei-
Het Hollandcollege huisvestte tot voor kort het klooster van Paridaens. Deze school, die de naam draagt van de stichteres die begin 19 e eeuw in het door de Franse revolutie afgeschafte Hollandcollege een internaat voor meisjes opende, groeide uit tot een bloeiende instelling in het centrum van de stad. Het Hollandcollege zelf werd bij de stichting in 1617 ingericht in het 16 e -eeuwse patriciërshuis Uten Lieminghe. Het onderging in 1754-1757 een uitbreiding en modernisering naar de smaak van de tijd, ontworpen door architect Hustin, en later in functie van de noden van het klooster. De relic-
ten van Uten Lieminghe, de architectuur van het Hollandcollege met zijn schitterende rococokapel, de aanwezigheid in de tuin van een restant van de Leuvense stadsmuur met de reeds vroeger als monument beschermde Janseniustoren, de smaakvolle 19 c -eeuwse aanpassingen aan het gebruik als klooster en niet in het minst de ongemeen goed bewaarde interieurs overspannen enkele eeuwen en laten een blik toe in een interessant en rijk verleden. De nieuwe eigenaar zal het complex een andere bestemming geven en op een andere manier gebruiken. Zo'n verschuiving heeft consequenties, onder meer voor het veilig stellen van de authenticiteitwaarde en de materiële waarde die hier, onder meer door de kwaliteit van heet opmerkelijke en zeer homogene interieur, in hoge mate aanwezig zijn. Een bewoning door zusters verschilt nu eenmaal van het gebruik door een administratie.
DE UNIVERSITAIRE COLLEGES IN LEUVEN Aansluitend op de stichting van de Leuvense universiteit in 1425 worden vanaf de 15 IC eeuw, verspreid over de stad, diverse colleges opgericht die in eerste instantie bedoeld zijn om de huisvesting en het levensonderhoud van minder gegoede studenten te verzekeren. Voortgaande op het doel van hun stichting, de aard van de initiatiefnemer en/of de herkomst van de erin ondergebrachte studentenpopulatie, worden drie soorten colleges te Leuven onderscheiden (4). Het initiatief gaat meestal uit van private weldoeners die een woning en de nodige geldmiddelen ter beschikking stellen aan, bij voorkeur, familieleden en stads- of streekgenoten. Zo stichtte Pieter van Daele aan de Naamsestraat het nog steeds bestaande van Daelecollege. Naast deze private initiatieven zijn er ook de stichtingen
Zicht op Leuven
Damiaanplem, met
vanuit het
achteraan de
barokke SintMichielskerk op,
Hollandcollege.
Smt-Antoniuskapel
op één der hoogste
Vooraan de binnen-
en links de tuin en
punten van de
koer van het
kapel van het Iers
binnenstad
college, de poort-
College. Aan de
(foto's D. Nuytten)
vleugel en het
einder doemt de
van kloosterorden, bestemd voor hun medebroeders die aan de universiteit studeren, zoals het College van Premonstreit (voor de norbertijnen) ook aan de Naamsestraat. Als derde categorie zijn er de zogenaamde seminariecolleges die instaan voor de vorming van katholieke priesters, die uitgezonden worden naar protestantse streken met het oog op bekeringen. Tot deze kleine groep behoren het Hollandcollege, het er tegenover gelegen Iers college en het op het hoogste punt van de Naamsestraat gelegen College van de Hogen Heuvel, respectievelijk gesticht in 1617, 1607 en 1673. In deze colleges, die vrijwel als een kloostergemeenschap zijn georganiseerd, wordt in principe niet gedoceerd, maar ligt de klemtoon op al dan niet begeleide zelfstudie. De meeste colleges beschikken dan ook over een eigen kapel en een goed uitgeruste bibliotheek. Tijdens het Oostenrijks Bewind in de 18 c eeuw heerst er een economisch en financieel voorspoedig klimaat, waardoor veel colleges tot soms luxueuze residenties konden worden verbouwd of vernieuwd. Deze economische expansie volgt op een lange periode van stagnatie of zelfs teruggang (1650-1730). Ze komt vooral grootgrondbezitters ten goede en daartoe behoren ook de Leuvense colleges (5). De stabilisatie of zelfs de toename van de pacht- en huurprijzen zorgen voor een financieel gunstig klimaat voor deze klasse en dat wordt nog versterkt door het zogenaamde Amortisatiedecreet van keizerin Maria-Theresia uit 1753. Daarin wordt een einde gesteld aan de uitbreiding van het grondbezit van de zogenaamde Dodehand-instellingen (6). Dit leidt ertoe dat niet alleen de kerkelijke instituten, maar ook de colleges massaal investeren in de verfraaiing en uitbreiding
van hun gebouwenpatrimonium. Dat de ionen en prijzen van bouwmaterialen sinds de 16 c eeuw nauwelijks zijn gestegen, vormt een bijkomende stimulans. Voor de colleges speelt ook nog de specifieke factor mee dat de gebouwen lange tijd verwaarloosd zijn en in een slechte staat verkeren en dat in die periode de Oostenrijkse overheid onderwijshervormingen doorvoert. Aan het begin van de 18 t e eeuw heeft de universiteit immers op wetenschappelijk gebied een dieptepunt bereikt, omdat het star vasthouden aan het middeleeuwse scholastische programma tot stagnatie heeft geleid tot een achteruitgang van het peil van onderwijs en wetenschap. De hervorming van de Artes faculteit, waar voortaan ook moderne natuurwetenschappen worden gedoceerd, bezorgt de universiteit een nieuw elan, dat zich weerspiegelt in de monumentale architectuur van de 18 ceeuwse colleges. Geheel volgens de tijdsgeest wordt voor de heropgebouwde colleges meestal geopteerd voor een U-vormige, rechthoekige of vierkante planopzet. De bouwkundige bloei is echter van korte duur. Door de Franse Revolutie en in het kader van een algemene reorganisatie van het onderwijs op het einde van de 18 e eeuw, worden de 45 Leuvense colleges opgeheven. Sommige worden ingeschakeld voor openbaar nut en aan het stadsbestuur toegewezen. De meeste collegegebouwen worden echter openbaar verkocht en komen in privé-handen terecht. Vele colleges zijn in de loop der tijd afgebroken. Van de overblijvende zijn later een groot aantal in gebruik genomen door de Leuvense universiteit, via aankoop of erfpachtformules. Vandaag zijn er in het historische stadscentrum nog een 27-tal colleges bewaard, hetzij in een min of meer verbouwde toestand, hetzij in zuivere relictvorm. Het interieur van vele toen nog niet als monument beschermde colleges werd door de universiteit gemoderniseerd en aangepast aan de toenmalige noden der tijd in de jaren 1960 en 1970 waarbij de historische elementen en aankledingen vaak jammer genoeg verloren zijn gegaan. Het Hollandcollege, dat privébezit bleef, is vandaag zonder twijfel het best bewaarde van alle.
DE STICHTING VAN KATHOLIEKE COLLEGES UIT HET NOORDEN In de 16 e eeuw leiden de opeenvolgende en langdurige godsdienstoorlogen, ook de Tachtigjarige
Oorlog genoemd, er toe dat de cultureel en economisch welvarende Lage Landen gesplitst worden in een noordelijke en een zuidelijk deel, waarmee de centralisatiepogingen van zowel de Bourgondische hertogen als van hun erfopvolger Keizer Karel V teniet worden gedaan. Na de val van Antwerpen in 1585 is de scheiding van de Nederlanden tussen Noord en Zuid immers de facto definitief, al wordt alles officieel pas veel later bezegeld met het Vredesverdrag van Munster in 1648. In de Noordelijke Nederlanden ontstaat een onafhankelijke, overwegend protestantse staat, de Republiek der Verenigde Nederlanden die de kern en voorloper vormt van het huidige Nederland. De Zuidelijke Nederlanden blijven onder Spaans gezag en worden systematisch uitgebouwd tot een bolwerk van het katholicisme. Toch blijft ook in het Noorden een aanzienlijke katholieke minderheid bestaan en in min of meerdere mate gedoogd. Dit is vooral het geval in de zogenaamde Generaliteitslanden, waaronder het huidige Zeeuws-Vlaanderen, NoordBrabant en delen van Nederlands Limburg. Deze gebieden worden pas in 1648 definitief door de Zuidelijke aan de Noordelijke Nederlanden overgedragen en van dan af vanuit Amsterdam bestuurd als bezet gebied, waarbij niet wordt nagelaten bezettingsgarnizoenen in te richten ter bevestiging en ondersteuning van het noordelijke bestuurlijke gezag.
Desondanks blijven deze zuidelijke provincies van de Noordelijke Nederlanden verder sterk op de Zuidelijke Nederlanden georiënteerd. Ook in het kerngebied van de Noordelijke Nederlanden, met name de overwegend protestantse Zeven Provinciën (Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre, Overijssel, Friesland en Groningen) blijft een katholieke minderheid bestaan. De nieuwe universiteiten in Leiden, Utrecht en Groningen zijn volledig protestants georiënteerd, zodat katholieke studenten die priester willen worden, naar het buitenland dienen uit te wijken. Leuven herbergt de dichtstbijzijnde katholieke universiteit en wordt op die manier haast als vanzelfsprekend een belangrijk opleidingscentrum voor de katholieke geestelijkheid uit de protestantse Republiek. O m deze studenten te huisvesten ontstaan aparte colleges of studiehuizen, zoals het verdwenen Willibrorduscollege dat was bestemd voor het bisdom s-Hertogenbosch dat het oosten van de provincie Noord-Brabant omvatte. Een ander voorbeeld is het College van de Hogen Heuvel voor het aartsbisdom Utrecht, dat heel het oostelijke deel van de Verenigde Provinciën opvangt.
STICHTING VAN HET HQLLANDCnilFGE IN 1B17 Ook voor het bisdom Haarlem, dat overeenkwam met het gewest Holland en de huidige Nederlandse provincies Noord- en Zuid-Holland omvat, wordt een college ingericht. Al in 1583 hadden Sasbold Vosmeer, apostolisch vicaris van de Hollandse Missie, en Adelbert Eggius, vicaris-generaal van Haarlem, te Keulen een gemeenschapshuis opgericht voor Hollandse priesterstudenten in de vakgebieden filosofie en theologie. Het doel van deze nieuwe collegestichting is om een degelijke schare katholieke priesters te vormen met het oog op apostolaat in de Nederlandse protestantse bisdommen Haarlem en Utrecht, die van dan af onder een zeer protestants georiënteerd bestuur waren komen te staan. Onenigheid tussen de verantwoordelijken van beide voormelde bisdommen, heeft in 1617 tot gevolg dat er voortaan geen gezamenlijk college meer wordt ingericht, maar één voor elk bisdom afzonderlijk. In Leuven wordt daarom een afzonderlijk college opgericht, exclusief bestemd voor de opleiding van de clerus voor het bisdom Haarlem, dat het gewest Holland bestreek (de huidige Nederlandse provincies Noord- en Zuid-Holland). Dat verklaart de beide benamingen van de nieuwe stichting: College van Haarlem of Hollandcollege, dat ondergebracht wordt in het bestaande huis Uten Lieminghe (7).
O p de kenmerken van dit gebouw wordt verderop in deze bijdrage dieper ingegaan. De meer recente en volkse benamingen van het Haarlem of Hollandcollege, te weten College van de Schone Lieve Vrouwe of Pulcheria (8) verwijzen respectievelijk naar het Mariabeeldje in de gevel van het huidige gebouw en naar de Latijnse inscriptie uit 1757 "Collegium Hollandicum Divae Pulcheriae Sacrum Renovat. Anno 7 / 5 / ' in een nis boven de nieuwe ingangspoort (9). Het is evenwel niet uit te sluiten dat deze benaming al voordien bestond en wellicht verwees naar het beeldje in de gevel van het oude huis Uten Lieminghe, dat werd behouden in de latere verbouwingen ervan.
HET 1fiDE-EEUWSF fiOFD UTEN LIEMINGHE Als Rovenius, de opvolger van Vosmeer, het zeer voorname patriciërshuis aankoopt om er het nieuwe Hollandcollege in onder te brengen, is het goed al uitgegroeid tot een omvangrijk complex in de binnenstad dat zijn naam kreeg van de voormalige vooraanstaande Leuvense patriciërsfamilie Uten Lieminghe. Volgens sommige auteurs was het graaf Van den Berghe, lid van het geslacht Uten Lieminghe, die hier in 1511 een residentie bouwde op zijn uitgestrekt domein grenzend aan de Varkensmarkt (het huidige Pater Damiaanplein) en de Broekstraat (de huidige Janseniusstraat) en rei-
T
1VI&L
Detail van het
Varkensmark t;
(BRAUN G. &
Besdirpinghe van
stadsplan Lovonium
de oude 1 2 * -
HOGENBERG F.,
alk de Neder
Bmbanücarum
eeuwse stadswal en
üvitotes Orbis
Landen ondersins
Detail van het
markt: de oude
duidelijk
Belgicoe Regiae et
urbtum caput van
de bedding van de
Terrarum, Keulen,
ghenoemt Neder
stadsplan van
12 '-eeuwse
weergegeven
foederatoe,
Duytslondt,
Amsterdam, 1649)
T
Jacob van Deventer
Dijle zijn tevens
1581. hier in de
Leuven van Bleau
stadswal en de
(BLEAU ]., Novum
uit Q . I S 8 I .
duidelijk
verkleinde versie uit Antwerpen, 1612)
uit ca. 1649 met
bedding van de
ac Magnum
Centraal de
weergegeven
GUICCIARDINI L,
centraal de Varkens-
jle zijn tevens
Theotrum ürbium
kend tot aan de 12 c -eeuwse stadsomwalling en de rivier Dijle. Volgens andere auteurs liet Graaf Van den Berghe geen volledig nieuw complex optrekken, maar enkel een nieuwe voorgevel oprichten voor een bestaand gebouw (10). Restanten van het herenhuis Uten Lieminghe vormen tot vandaag de oudste kern van het Hollandcollege. Tot het begin van de 17 e eeuw blijft het goed in handen van de familie Van den Berghe. O p 27 mei 1610 verkoopt Gerard de Villers, dokter in de medicijnen en docent aan de universiteit, het domein aan Jan Maes, heer van Houbertinge. Hij treedt daarbij op in naam van de eigenares Philippa de Luyminghe, dochter en erfgename van Jonker Anthonis Uten Lieminghe en Florence de Glymes (11). In de verkoopakte staat het goed omschreven als "een huis met tuinen, stallingen en aanhorigheden gelegen in de stad Leuven op de Beestenmarku genaamd de Schone Lieve Vrouwe; welk huis toegekomen is aan dame Philippa na de dood van de edele heer Anthius van Luyminghe, baron van Wange etc." (12) Kort nadien komt het in handen van Louis Van den Tympel, burgemeester van Leuven. Zijn naam wordt vermeld in een document uit 1615, het oudste gekende archiefstuk betreffende het Hollandcollege, waarin men verneemt hoe hij als laatste eigenaar van het Hof Uten Lieminghe octroi] of toestemming krijgt om samen met enkele buren de Brandgang van de Varkensmarkt naar de Dijle, met een poort af te sluiten (13). De poort werd later meermaals vernieuwd, onder meer in 1706 en 1773. De huidige poort is nog veel recenter en de Brandgang vormt tot op vandaag nog steeds de grens tussen het huidige Sint-Pieterscollege en het voormalige Hollandcollege en zijn tuin.
BOUWHISTORISCHF GFTDIfiFN VAN UTEN LIEMINGHE In de huidige gebouwen van het Hollandcollege zijn nog altijd elementen van het patriciërshuis aan te wijzen, bijvoorbeeld in het deel rechts van de toegangspoort uit 1757 die uitgeeft op het Pater Damiaanplein, de opvolger van de Varkensmarkt (14). Tot op heden verwijzen de voorgevel met kruisvensters, de aanwezige kelders en de bakstenen zijgevel met ijzerzandstenen plint en sporen van vroegere kruiskozijnen in de vensteropeningen naar de voormalige patriciërswoning.
De plelngeveli van
De huidige voorgevel van het Hollandcollege bevat nog steeds een statig deel dat helemaal in witte Gobertangesteen is opgetrokken en dat naar alle waarschijnlijkheid een overblijfsel is van het herenhuis Uten Lieminghe. Het gevelvlak bevat vier kruisvensters, waarvan de kruiskozijnen in blauwe hardsteen van recentere datum zijn (15). Deze kruisvensters hebben geprofileerde dagkanten, uitgevoerd in dezelfde zandhoudende kalksteen als de rest van het gevelparament. In de beide vensters op de gelijkvloerse verdieping zijn dievenijzers geplaatst in elk van de vier lichten. De vensters op de verdieping zijn dichtgemaakt en beschilderd met een glas-in-lood imitatieschildering, die de verdeling van de gelijkvloerse vensters herneemt. Waarschijnlijk zijn beide vensters dichtgemaakt op het ogenblik dat erachter op de verdieping de rococokapel wordt ingericht (zie verder). Tijdens de 18 "-eeuwse verbouwingscampagne worden de oorspronkelijke twee bouwlagen verhoogd met een bijkomende verdieping, waarbij het nodig was om de witstenen voorgevel eveneens te verhogen. Dit gebeurde in baksteenmetselwerk, dat van een be-
het Hollandcollege. gezien vanaf het Damiaanplein, voorheen SlntAntoniusplem en Varkensmarkt geheten (© KIKIRPA nr. al 13091, foto H. Hoste, datum opname onbekend)
M&L
pleistering voorzien is om visueel aan te sluiten bij het witstenen parament (16). Ook de kelders onder dit bouwdeel behoren nog tot het patriciërshuis, evenals de bakstenen zijgevel met de ijzerzandstenen plint en de sporen van vroegere kruiskozijnen in latere vensteropeningen. Het oudste gedeelte van deze zijgevel aan de Brandgang vertoont eveneens interessante bouwsporen van de oudste bouwfazen, zoals een later met baksteenmetselwerk dichtgemaakte deuropening in een kalkzandstenen omlijsting. Het eerste deel van de zijgevel (aan de pleinzijde) bevat verder een grotendeels verweerde natuurstenen plint, die qua vorm en detaillering vermoedelijk teruggaat tot de 16 c eeuw. De plintband is uitgevoerd in Gobertangesteen terwijl de rest van de plint van ijzerzandsteen is. Deze plint loopt vanaf de hoek aan het Damiaanplein tot op ongeveer drie kwart van de totale lengte van de gevel. Waar de plint stopt, loopt een duidelijke bouwnaad in het metselwerk over de volledige hoogte van de gelijkvloerse en eerste verdieping. De ingewerkte negblokken in deze bouwnaad zijn goed herkenbaar en vormden voorheen de hoek van het patriciërshuis. Het laatste stuk van de gevel(aan de tuinzijde) heeft een anders gedetailleerde plint die hoger is en volledig uit kalksteen bestaat. Dit deel is dan ook later aan het oude huis toegevoegd. Dit wordt bevestigd op het kelderniveau. Het oudste bouwdeel aan de pleinzijde is volledig onderkelderd, het recentere deel aan de tuinzijde niet, en de scheiding tussen ^ beide ligt precies ter hoogte van de vermelde bouwHonumentale naad in de zijgevel. mkompoort van het Hollandcollege in Lodewiik XV-stlll
IANSENIUS. FFRSTE PRESIDENT ""87584, VAN HET HQIIANDCOUEGE
(©KIKIRPA fotograaf onbekend, opname uit 1945)
De eerste president van het nieuwe college, van 1617 tot in 1624, is priester en theoloog Cornelius Jansen of Jansenius (Acquoy 28 oktober 1585 - Leuven 6 mei 1638), die theologie studeerde aan de universiteiten van Leuven, Parijs en Bayonne. Cornelius Jansenius is de grondlegger van de naar hem genoemde geloofsleer van de predestinatie, die de katholieke universiteit nog jarenlang zal bezighouden. In 1636 wordt Jansenius door de Spaanse koning benoemd tot bisschop van leper, waar hij in 1638 overlijdt aan de pest. In zijn werk Augustinus, sive doctrina Sti. Augustini de humanae naturae sanitate, aegritudine, medicina etc., dat postuum te Leuven uitgegeven wordt in 1640, concludeert hij dat
de menselijke natuur ten gronde slecht is en plaatst hij de vrije wil van de mens in het kader van de zogeheten predestinatieleer. Deze leer stelt dat de gelovige zijn zielenheil niet zomaar op eigen kracht en initiatief kan bekomen door bijvoorbeeld het stellen van goede daden, omdat het verwerven van zielenheil volledig in de handen ligt van God. De predestinatieleer staat daarmee lijnrecht tegenover de toen in de schoot van de Kerk gangbare opvattingen van het Concilie van Trente, geformuleerd in 1545, 1551 en 1563 onder initiatief en voogdij van de pausen Paulus III, Julius III en Pius IV. Hoewel, mede door de inzet van de strijdvaardige jezuïeten Jansenius' boek al in 1642 wordt veroordeeld, blijven enkele bisschoppen de stellingen ervan toch verdedigen. Het Franse cisterciënzerklooster Port-Royal-des-Champs ten zuiden van Parijs, wordt een belangrijk theologisch centrum van de jansenisten. In 1653 veroordelen de pausen Innocentius X en Alexander VII enkele jansenistische leerstellingen als calvinistisch en bijgevolg als ketters. Daarmee was het dispuut echter niet voorbij en volgelingen van Jansenius hebben via de herhaaldelijke heruitgave van zijn boek lange tijd bijgedragen aan het voortbestaan van het jansenisme. De strijd om de veroordeling van de jansenistische leerstellingen duurt tot in de 18 c eeuw, vooral omdat leden van het Franse episcopaat vatbaar blijken voor het jansenisme, waarbij ook kerkpolitieke redenen een rol spelen. Dit in wezen scholastische
dispuut heeft namelijk ook politieke wortels: in Frankrijk is het jansenisme gericht tegen de centralistische politiek van koning Lodewijk XIV en in de Zuidelijke Nederlanden tegen de Spaanse koning Karel VI die dan onder de invloed van de jezuïetenorde staat.
•
A
De Janscnmstoren
Gravure met
De bakstenen toren
gezien vanaf de
weergave van de
is gebouwd op de
torenzljde met
Jansemustoren en
romaans resten van
rechls een legen de
het ertegenaan
de l2"-ceuwsc
romaanse stadsmuur
gebouwde huis,
waterpoort in witte
aangebouwde serre.
gezien vanaf de
natuursteen
toestand vóór de
Dijle, toestand op
(uit VAN EVEN,
restauratie van de
het einde van de
of).dt, 1895, p. 107)
toren in 1987
i f eeuw.
(prentkaart, pnvécollectie)
Zicht op het aan de tuin van het
(© I
Jansemustoren
Hollandcollege,
nr. bl66996,
aangebouwde huis,
toestand vóór de
opname uit 1957)
gezien vanaf de
restauratie in 1987
Ook te Leuven was het jansenisme sterk aanwezig. De theologische faculteit van de universiteit van Leuven is een eeuw lang in de ban van de jansenistische strijd, die pas in 1713 officieel wordt afgesloten met de pauselijke bul Unigenitus van Clemens XI waatin de jansenistische moraal wordt veroordeeld. In de omgeving van Leuven bleek verder vooral de nabijgelegen abdij van Vlierbeek een steunpunt van het jansenisme met een hoogtepunt in het begin van de 18 c eeuw, als met name de toenmalige abt Pieter Paradaens (1655-1728) een gedreven jansenist blijkt en de abdij de een spil wordt in het Europese jansenisme. Omdat Paradaens beschouwd wordt als een bedreiging voor de kerkelijke eenheid in de Zuidelijke Nederlanden, sturen paus Benedictus XIII en Karel VI gezamenlijk de gezagstrouwe bisschop van Antwerpen met een gewapende garde naar de abdij: de abt wordt gevangen genomen en naar de abdij van Gembloers overgebracht, waar hij in 1728 overlijdt (17). Het door Rovenius voor het inrichten van het Hollandcollege verworven terrein strekte zich uit tot aan de Dijle, waar zich ter plaatse van de krui-
•4 Zicht op de Janseniustoren en het ertegenaan gebouwde huis. gezien vanaf de andere Dijleoever, toestand vóór de restauratie in 1987 (© KIKIRPA nr. al 13094, foto H. Hoste, datum opname onbekend)
M&L
sing met de eerste, 12 L-eeuwse romaanse stadsmuur een waterpoort met twee torens bevond. De waterpoort is gebouwd net stroomafwaarts van de splitsing van de rivier in twee armen. In 1618 liet Jansenius één van de beide torens verbouwen om hier een studeer- en slaapvertrek in te richten. Zo gaf hij zijn naam aan de Janseniustoren, die al in 1964 als monument werd beschermd en in 1987 een restauratie en een uitbreiding onderging voor het gebruik door de school (18). Dit gebouw is oorspronkelijk voorzien van een studeer- en slaapvertrek, en werd gebouwd boven op de onderbouw van de oude stadstoren (19).
HET HQLLANDCQLLEGE EN DE MODERNISERING DOOR HUSTIN Tot halfweg de 18 c eeuw worden er geen verbouwingen gesignaleerd in of aan het Hollandcollege. Maar in 1754-1757 volgt een grootschalige bouwcampagne waardoor het 16 c -eeuwse Hof Uten Lieminghe geïncorporeerd wordt in een veel grotere moderne nieuwbouw. Het jaartal 1757 in de hierboven al vermelde inscriptie boven de nieuwe toegangspoort verwijst er naar. De campagne was mogelijk omdat het Hollandcollege dankzij de talrijke schenkingen was uitgegroeid tot één van de rijkste en meest prestigieuze van de universiteit, wat door de mooie nieuwbouw wordt bevestigd.
De ontwerper is de toen in Leuven toonaangevende architect Jacques-Antoine Hustin (1709-1787), die verschillende min of meer grootschalige projecten voor de universiteit op zijn naam heeft staan. Daartoe behoren onder meer het Anatomisch Amfitheater uit 1744 aan de Minderbroederstraat (20), het Sint-Annacollege uit 1755 aan de Naamsestraat (21) en het ondertussen sterk verbouwde SintIvocollege uit 1775 aan de Vanderkelenstraat (22). De nieuwbouw van Hustin bestaat uit een poortgebouw en drie even hoge, maar niet even lange vleugels rond een gekasseide binnenkoer. Die beschrijft een vierkant met een afgesnuite hoek, gevormd door de hoge muur langs de Broekstraat (nu Janseniusstraat). Daardoor zijn de vleugels op de zuid- en oostzijde korter. Het poortgebouw staat in de oostvleugel naast het oude huis Uten Lieminghe in de noordoostelijke hoek. Achter de middelste westelijke vleugel strekt zich de ruime tuin uit met achteraan bij de Dijle de Janseniustoren. Het nieuwe poortgebouw aan het plein is uitgevoerd in een monumentale Lodewijk XV-stijl. Het geeft toegang tot de binnenkoer via de bepleisterde
De koergevel van
üeve-Vrouwebeeld
van het Holland-
en de uitzonderlijke
college (lumvleugel);
zonnewijzer
centraal het door
(foto D. Nuytten)
een baldakijn
Ferranskaart (1777) van het centrum van Leuven: centraal het Damiaanplein (Varkensmarkt) met links daarvan de nieuwe kwadratische gebouwen van het Hollandcollege, er onder het Iers College en rechts de Sint-Antomuskapcl
beschutte Onze-
de westelijke vleugel
mt
doorgang, die afgewerkt is met een stucplafond voorzien van aan de hoeken afgerond lijstwerk met rocaillemotieven. De brede steekboogvormige portiek op het plein is omlijst met blauwe hardsteen met een geprofileerd kwarthol beloop op neuten en wordt geflankeerd door composietpilasters met verdiepte schachten die het brede gelede hoofdgestel met driehoekig fronton dragen. Centraal in de gevel, boven de decoratieve sluitsteen en tussen twee rocaillemotieven, prijkt de cartouche met de reeds vermelde inscriptie C O L L E G I U M / HOLLANDICUM/DIVAE PULCHERIAE/SAC R U M / RENOVATUM A N N O 1757 (Hollands College aan de heilige Pulcheria gewijd, vernieuwd in het jaar 1757) (23). De houten poort heeft nog haar origineel beslag evenals de fraai gesculpteerde 18 c -eeuwse makelaar die een Maria-ten-Hemelopneming voorstelt. Links van de poort verwijzen sporen van een negblokomlijsting naar een oudere, nu dichtgemetselde deuropening. De poort aan de keerzijde heeft een sobere, geprofileerde steekboogvormige omlijsting van hardsteen met een Lodewijk XV-sluitsteen. De beglaasde houten poortvleugels met decoratieve roedenverdeling zijn een toevoeging die dateert uit de tijd van latere, 19 c -eeuwse verbouwingswerken (zie verder). De koergevels van de woonvleugels vertonen een harmonisch en strak architecturaal geheel met een opvallend decoratief materiaalgebruik van vlakken
De gevels rond de bmnenkoer van het Hollandcollege met hun kenmerkende platteband omlijstingen (© KIKIRPA nr. a87589, fotograaf onbekend, opname uit 1945)
in rode bakstenen en banden in witte natuursteen. Dit netwerk van over het gevelvlak doorgetrokken 'platteband-omlijstingen is opgetrokken rondom de hoge rechthoekige vensters, waardoor een zeer ritmische gevelgeleding ontstaat. Deze traveematige geleding zet zich door in de dakverdieping met zijn architecturaal uitgewerkte houten dakvensters die afgewerkt zijn met een driehoekige fronton en flankerende voluten. H u n naar boven toe verjongende ordonnantie zorgt voor een verticale ritmiek. In de noordelijke vleugel is het ritme van de ramen en dus de homogene behandeling van de gevels verbroken door de nu zes (voorheen drie) hoge vensters van de collegekapel, die zich op de eerste verdieping bevindt. Hoe de afwerking van de gevels oorspronkelijk was, is niet bekend bij gebrek aan doorgedreven materiaaltechnisch onderzoek. De twee toegangen tot de gebouwen vanaf de binnenkoer liggen in de zuidwestelijke en noordwestelijke hoek en zijn voorzien van een omlijsting in Lodewijk XV-stijl in Belgische blauwe hardsteen. De noordwestelijke toegang lag volgens het opmetingsplan van 1811 (zie hiervoor de betreffende kadertekst) oorspronkelijk in het midden van de noordelijke vleugel, maar hij werd in 1875 verplaatst naar de hoek met de westelijke vleugel. Het is een schouderboogvormige deur met twee houten vleugels, een tussendorpel en een bovenlicht met de initialen MA in fijn bewerkt smeedijzer, het geheel gevat in een rechthoekige omlijsting van met rocaille- en régencemotieven versierde pilasters. De deur in de hoek van de zuidelijke vleugel is een smallere, geklampte vleugeldeur in een schouderboogvormige omlijsting met een kwartholle profilering, een licht gebogen druiplijst en een zware rocaillesluitsteen.
Zicht op de in 1873-1875 naarde noordwestelijke hoek van de binnenkoer verplaatste vroegere centrale toegang tot de noordelijke (hoofd-)vleugel van het Hollandcollege (foto D. Nuytten)
De binnenkoer is thans gekasseid en dit zou best al van in de 18 e eeuw zo geweest kunnen zijn. Een document uit 1790 vermeldt immers het uitvoeren van bestratingswerken met kasseien aan één van
M&L
• De uitzonderlijk gaaf bewaarde. vermoedelijk uit de 18* eeuw stammende zonnewijzer (foto D. Nuytten)
Onze-Lievc-Vrouwe-
•4 Zicht op de
de ontvangstruimten
koergevel van de
en op de verdieping
noordelijke vleugel.
de (vergrootte)
de belangrijkste
collegekapel
vleugel van het
(foto D. Nuytten)
beeld op de bmnenkoer (foto D. Nuytten)
Hollandcollege, met op het gelijkvloers
de koeren van het complex "aen den caseyer voor het laeten caseyen de plaets voor de latrienen (24). Daarnaast is er ook sprake van "aen den caseyer in het opmaeken van den aria twee kaeren a 1,,11,,2 item nog 900 cassay a 16stuyvers' (25). Verder is de binnenkeer uitgerust met elementen die zowel tot de collegetijd als uit de kloosterperiode behoren. Zo is tegen de zuidoost georiënteerde koergevel van de westvleugel (de tuinvleugel) een goed bewaarde en uiterst zeldzame 18 ^-eeuwse zonnewijzer aan-
M&L
gebracht. In 1834 werd tegen dezelfde gevel net onder de zonnewijzer een houten baldakijn geplaatst ter bescherming van een ouder (18 cc -eeuws of nog ouder?) gepolychromeerd houten Mariabeeld in een hardstenen nis met pilasters en een fronton. Tegen de straatmuur leunt een oude waterpomp aan en centraal op de gekasseide koer is er een bloem- en grasperk aangelegd rondom een beeld van de aartsengel Michaël met de draak op een zuilsokkel met Korinthisch kapiteel. Hustin opteerde voor een duidelijk verschil in de behandeling van de gevels op de koer en die van de straat- en pleinzijde, waar het karakteristieke netwerkdecor van de koergevels ontbreekt. Er is met andere woorden een duidelijk verschil gemaakt tussen de sobere naar de stad en de tuin gerichte buitengevels enetzijds en de eigen atmosfeer van de naar binnen gerichte koergevels. In het sobere beeld
Een blik doorheen de kapeldeuren in het rococo en neorococo interieur van de kapel van het Hollandcollege, huidige toestand (foto 0. Pauwels)
van de naar het Damiaanplein gerichte bakstenen stadgevel is de behouden natuurstenen gevel van Uten Lieminghe een opvallend rijke uitzondering. Of de 18 c -eeuwse gevels van het Hollandcollege eertijds al dan niet een afwerking hadden om het geheel te egaliseren en te laten harmoniëren met de witstenen gevel van het herenhuis Uten Lieminghe, dan wel dat het zichtbare bakstenen metselwerk steeds zichtbaar was om een kleurrijke contrastwering te hebben tussen het baksteenrood en de natuurstenen delen, zal verder materieel technisch onderzoek moeten uitwijzen. In de minst zichtbare gevel aan de Brandgang zijn alleen de drie oostelijke hoge kapelvensters nog de oorspronkelijke van 1757 aangezien de drie andere uit 1873 dateren en de beluikte rechthoekige vensters van de gelijkvloerse verdieping uit 1857. Het is deze gevel waarin de hoger vermelde bouwsporen van het 16 e -eeuwse herenhuis Uten Lieminghe te zien zijn. Ook in de tuingevel van de westelijke vleugel ontbreekt het decoratieve handwerk dat de koergevels zo opmerkelijk maakt. In tegenstelling met elders zijn de rechthoekige vensters niet met natuursteen omlijst, maar gevat in bepleisterde en beschilderde imitatie bandomlijstingen (in de 19 ^ eeuw gedeeltelijk voorzien van hardstenen lekdrempels). Dat
verschil onderstreept nogmaals de wil van de ontwerper om aan de binnenkoer een heel eigen, ander architecturaal karakter te geven dan de naar buiten eekeetde gevels.
DE KAPEL EN HET INTERIEUR VAN HET HOLLANDCOLLEGE De gave, uitbundig gedecoreerde en fraaie kapel in rococostijl die de bovenverdieping van de noordelijke vleugel beslaat, is ongetwijfeld het paradepaardje van het voormalig Hollandcollege, al is het aandeel van het 19 c -eeuwse Paridaensinstituut in het uiteindelijke resultaat niet gering. Haar grote homogeniteit is namelijk bedrieglijk, want ze kwam tot stand in twee bouwfasen: de eerste uit 1754-1757, is te danken aan bouwmeester JacquesAntoine Hustin, de tweede uit 1873-1875, aan architect Edouard Lavergne (1815-1878). Deze was leerling en medewerker van de meer bekende bouwmeester Tilman Francois Suys (1783-1861) en had in 1849 een aanstelling gekregen als stadsarchitect in Leuven, waar hij de plannen tekende voor onder meer het stadstheater en de in de jaren 1970 jammer genoeg gesloopte neogotische SintJozefkerk (26). Lavergne speelde in zijn functie als
• Zicht op het koor van de kapel van het Hollandcollege, [oen nog m gebruik als kloosterkapel met de nu verdwenen I9d'-eeuwse
ÏÏJÊ
Jt
(?) Iichtarmaturen, het verdwenen rococo altaar en de heiligenbeelden (© KIKIRPA nr. a87i00. fotograaf onbekend, opname uit 1945)
• Zicht op het westdoxaal van de kapel van het Hollandcollege, toen nog in gebruik als kloosterkapel, met de nu verdwenen l9*-eeuwse (?) hchtarmaturen
mMÉm M m ö*4 •.
^MMffttl"'
H^SBH
stadsarchitect in de periode 1849-1877 een grote rol in de architecturale en stedenbouwkundige ontwikkelingen van Leuven. Zoals duidelijk blijkt uit de geveltekening bij het opmetingsplan van 1811 (zie verder en ook kadertekst), was de kapel van Hustin slechts drie traveeën lang (27). Bij de verlenging met nog eens drie traveeën werd consequent geopteerd voor een rigoureuze eenheid van stijl die opmerkelijk is en meer dan geslaagd. Stilistisch sluiten de twee bouwfasen daardoor naadloos op elkaar aan, zodat slechts een wetend en nauwlettend oog een naad opmerkt in bijvoorbeeld de lambrisering en een stijlverschil ziet in de reeks schilderijen. Hier zijn rococo en neorococo aan elkaar gelijk. De op zich eenvoudige ruimte met vlakke zoldering, halfronde apsis ten oosten en een doksaal ten westen is gevuld met een opmerkelijk uitbundige en overdadig gedecoreerde rococo-interieur, een unicum in Leuven.
(© KIKIRPA nr. a8760l, fotograaf onbekend, opname uit 1945)
Zicht op de koorzijde van de collegekapel met de concaaf-convcx golvende achterwand en de koepelbekroning met geschilderde sterrenhemel, huidige toestand (foto 0. Pauwels)
Een rechthoekige voorhal gaat sedert de 19 e -eeuwse vergrotingswerken de kapel vooraf. Ze is even rijk
^ ^ • Zicht op het
zijn op zolder van
vroegere
het college
oorspronkelijke
opgeslagen
rococo altaar van
(© KIKIRPA
de kapel van het
nr. 1)165882.
Hollandcollege:
fotograaf onbekend,
delen van dit altaar
opname uit I9S6)
opgevat als de kapel zelf: een parketvloer, een houten lambrisering, een gestuct plafond met Lodewijk XV-decor en twee medaillonvormige houten reliekhouders tegen de wand. De vleugeldeuren naar de kapel bezitten gesneden voorstellingen van het Lam Gods en een kelk met druiventrossen, symbolen van de eucharistie, en voorstellingen van Christus aan het kruis in hun geajoureerd sopraporta.
• Zicht op het goed
De éénbeukige kapel is gestoffeerd met schilderijen van de Leuvense kunstenaar Pieter-Jozef Verhaghen (1728-1811), die in vergulde omlijstingen de muurpenanten tussen de kapelramen bekleden. De 19 '-eeuwse geschilderde figuratieve brandglasramen werden tijdens de tweede wereldoorlog onherstelbaar beschadigd en zijn vervangen door de huidige eenvoudige glas-in-loodramen. Het vlakke stucplafond is met gouden biezen opgehoogd en het eikenhouten meubilair - ondermeer de dubbele rij bidbanken, de bidstoelen en de in de lambrizering van de zijwanden ingewerkte biechtstoelen - gaat door de aangehouden stijl volledig op in het rococo interieur, waarmee het een geheel vormt. De kapel eindigt op een concaaf-convex golvende achterwand, op theatrale wijze geaccentueerd door gemarmerde composietpilasters. Een geschilderde Maria-ten-Hemelopneming hing voorheen boven het altaar tot het in de nadagen van Vaticanum II (het tweede Vaticaans Concilie) werd verwijderd.
De apsis is voorzien van een schilderij met een Maria-ten-Hemelopneming onder een pseudokoepelbekroning met een geschilderde sterrenhemel en een duif als voorstelling van de Heilige Geest. Het geheel is frontaal afgewerkt met een gesneden baldakijn met opschrift Altare Privilegiatum quotidianum Perpetuum. De vleugeldeuren aan weerszijde hebben voorstellingen in halfreliëf van de eucharistische Christus en de Goede Herder en zijn bekroond met een sopraporta. Ze verbergen een trap (links) of leiden naar de sacristie (rechts, boven de poortdoorgang).
bewaarde A.-F. Van Peteghem-orgel van de collegekapel, in een orgelkast van Joannes Wauters uit 1773 (foto 0. Pauwels, huidige toestand)
Zoals de zijwanden is ook de westwand gelambrizeerd. Het orgeldoksaal is voorzien van een Lodewijk XIV-balustrade, een sierlijke houten drapering en twee met festoenen omkranste gesneden medaillons van de apostelen Petrus en Paulus. Het fraaie en 1773 gedateerde orgel (met nog 28 tinnen pijpen) werd door A.-F. Van Peteghem gebouwd in een orgelkast van meester-schrijnwerker-beeldhouwer Joannes Wauters. De kapel is nog een tweede
M&L
• Zicht op een met stuc bezet plafond met centraal
klein orgeltje van de Brusselse orgelbouwer Pierre Schyven (1872) rijk dat achteraan op het doksaal staat opgesteld.
bloemmotief in het Hollandcollege (foto D. Nuytten)
• De I9d'-eeuwse kloosterbibhotheek in het Hollandcollege, ïóór de ontruiming en recente verkoop van het gebouw, de aankleding van de ruimte is l8*-eeuwse rococo terwijl het bibliotheekmeubilair vermoedelijk I9d'-eeuwse neorococo is (© RIKIRPA
Het interieur in de woonvleugels, hoewel niet zo uitbundig gedecoreerd als deze kapel, vertoont dezelfde verfijnde kwaliteitsafwerking in Lodewijk XV-stijl. De hele binneninrichting, of ze nu in de 18 tL of 19 e eeuw tot stand kwam, vertoont een hoge graad van ambachtelijk kunnen: monumentale trappen, gestucte plafonds, houten of natuurstenen vloeren, schouwboezems en marmeren schouwen, eiken deuren met hun oorspronkelijk beslag en geheng, en niet in het minst de intact bewaarde vermoedelijk 19 c -eeuwse bibliotheekinrichting. Deze bibliotheek, grenzend aan de voorhal van de kapel, bezit zelfs nog een uniek exemplaar van een 19 IC eeuwse gietijzeren kachel met geëmailleerde deuren. Dit ongemeen gaaf bewaarde voorbeeld van interieurkunst, met de kapel en de bibliotheek als toppers in het homogene geheel, maakt het Hollandcollege tot een belangrijk, uniek maar ook zeer kwetsbaar monument. Het vormt een opmerkelijk voorbeeld van 'verlichte' interieurkunst, waarbij in een doelbewust streven naar algehele harmonie de elegantie van het 18 e -eeuwse geheel te allen tijde werd aangehouden tijdens de 19 c -eeuwse transformaties.
nr.bl 65894, fotograaf onbekend, opname uit 1956)
DE TUIN VAN HET HOL! ANDCOI I FGF
Marmeren schouw en geschilderd schouwmantelstuk m de kloosterbibhotheek (foto D. Nuytten)
Als Rovenius in 1617 Uten Lieminghe verwerft, hoort er een uitgestrekt, driehoekig terrein bij, met als grenzen de Dijle ten westen, de huidige Janseniusstraat (vroeger Broekstraat) ten zuiden en de Brandgang naar de Dijle ten noorden. Het Hollandcollege beschikt dus van bij de aanvang en tot op het einde over een uitgestrekte stadstuin. Archieven met de inkomsten en uitgaven geven een inzicht in de aanleg (28). De tuin was ommuurd zoals blijkt uiteen document van 5 juni 1730 waarin herstellingswerken worden vermeld aen het maecken van diverse kaffbiren in de heucken en reparatien aan de muren van den hof {29). Er wordt zaad aangekocht en in de tuin worden onder meer vruchten gekweekt voor de verkoop. In de uitgestrekte moestuin treft men sla, ajuin, asperge, spinazie, rammenas (een soort zwarte radijs), koolzaad, erwt, rode kool, bonen, andijvie, peterselie, kervel, schorseneer en bloemkool aan. Er was eveneens een wijngaard {verjus, her groene sap van druiven, was een courante drank), er groeiden jasmijnbomen en in januari 1734 wordt er zelfs betaald voor de levering van vijf palmbomen.
DE PLATTEGROND VAN HET HOLLANDCOLLEGE IN 1810 Voor de openbare verkoop van het Hollandcollege in 1810, de Napoleontische periode, werd een affiche gemaakt die een goed beeld geeft van de situatie (52). In de beschrijving schemert een duidelijke appreciatie door voor het complex, zelfs rekening gehouden met het mogelijke 'verkoopspraatje'-karakter van het document. We citeren de meest relevante passages uit de Franse originele tekst op de affiche en leveren er een toelichting en duiding bij (53). Het college wordt gesitueerd, de totale oppervlakte wordt gegeven en de lengte van de gevels rond de binnenkoer wordt vermeld. De geciteerde tweede poort in de Broekstraat is de toegang tot het erf met de nutsgebouwen. Met d'un gout moderne vjerA toen bedoeld dat de gebouwen zijn opgetrokken in een stijl die toen nog steeds als hedendaags werd beschouwd, hoewel meer dan een halve eeuw geleden opgetrokken. " Ce ci-devant college est situé sur la place SaintAntoine et sur une superficie de 53 ares 48 centiares, [...] ila deuxgrandesportes-cochères, l'une sur ladite Place, l'autre sur la rue du Marais. Il consiste: en un grand carré de Bdtiments neufs, d'un gout moderne, d'une grande solidité, construits en briques etpierres de taille, et couverts en ardoises. Les trois grands cótés de ce carré sont a trois étages, très-élevés, savoir un rez-de-chaussée, un premier, un second, et un troisième étage, partie en chambres mansardes, partie en greniers et doubles greniers; Ie quatriéme coté est compose d'un rez-de-chaussée fort élevé, et de chambres mansardes au-dessus [...]
de 18 e eeuw. Uiteraard ontbreekt de collegekapel niet, die appreciërend beschreven wordt als "volledig ingericht en uitmuntend gelambriseerd". O p vallend is het gebruik van de meervoudsvorm voor de keukens, salons, eetzalen, bibliotheken. Daarnaast worden de slaapkamers en de dienstvertrekken vermeld. Vijftig van al deze ruimten bezitten een open haard, meerdere schouwmantels zijn van marmer, alle plafonds zijn gestuct {plafonné h la moderne) en de vloeren vervaardigd uit eerste keus dennenhout. Het is duidelijk dat een 18 e -eeuws college functioneert als een onafhankelijk en zelfstandig geheel, dat aan de inwonende studenten binnenshuis onderdak, maaltijden, studie en studiemateriaal, gebed en ontspanning aanreikt. "Dans ces batiments se trouvent les cuisines, salons, salles h manger, salie d'études, bibliothéques, chapelle entièrement garnie et supérieurement boisée, chambres a coucher et autres dépendances; parmi lesquellesplaces ily en a cinquante avec cheminées, dont plusieurs cheminées sont en marbre; les plus petites places sont de quinze pieds quarrés. Toutes les places sont plafonnées a la moderne; toutes depuis et y compris le rez-de-chaussée et k l'exception des cuisines et vestibules, sont planchées en bois de sapin de Hollande de premier choix et meilleur que des planches neuves; toutes les places sont garnies et ornées des choses relatives a leur destination; [...]»
Le Premier Grand Coté est de la longueur de 116 pieds et de la largeur de 30 pieds; le Second de la longueur de 86pieds et de la largeur de 27pieds; le Troisième de la longueur de 83 pieds et de largeur de 26pieds et le Quatriéme de la longueur de 59 pieds et de la largeur de 22 pieds; f...]»
De interne circulatie wordt verzekerd door twee trapzalen die alle verdiepingen verbinden. Daarnaast zijn er enkele kleinere diensttrapjes die bepaalde niveaus onderling met elkaar verbinden. Het interne circulatieschema van door gangen verbonden trapzalen en, vooral, de distributie van de ruimten wordt als "volgens een goed plan" aangeduid omdat het gebaseerd is op een plan dat de volledige verdiepingsoppervlakte ontsluit via grote en helder verlichte kruisingen van distributiestromen en een logische opeenvolging van ruimten, alles d'un gout moderne.
De opsomming van de ruimten en functies geeft een duidelijk beeld van het reilen en zeilen van een voornaam universitair college op het einde van
«Deux grands escaliers principaux règnent dans toute la hauteur des bdtiments; il y a en outre plusieurs petits escaliers, appelés escaliers dérobés.
1VI&L
La distribution intérieure est faite sur un bon plan, des corridors, régnant et chaque étage tout-au-tour des bdtiments, et biens éclairées par de grandes croisées d'un gout moderne [...] Et les bAtiments sont tellement isolés des propriétés voisines quils ne sont masqués dans aucune exposition et ne sont assujettis h aucunes servitudes [...] De bouwkundige constructie is stevig en blijkt in erg goede toestand van bewaring te verkeren zodat moderniseringswerken overbodig zijn zo de nieuwe eigenaar het pand wenst te bewonen. De opsomming van de materialen en hun kwaliteiten is een suggestie dat ze eventueel door de koper apart als bouwmateriaal kunnen verhandeld worden, wat inderdaad frequent gebeurde na de openbare verkoop van grote gebouwcomplexen in de nasleep van de Franse Revolutie. «Les murs sont de l'épaisseur de deux pieds, les gites de cinq pouces carrés, les poutres d'une force proportionnelle; la charpente des toits tres forte; enfin tous les matériaux sont aussi bons que neufs et les croisées et les portes d'une proportion et d'une forme moderne, peuvent être employees partout ailleurs [...] Le tout est maintenant en si bon état d'entretien quil ne reste aucunes dépenses utiles a faire pour l'habitation. " O p de geplaveide binnenkoer bevinden zich een aantal waterpompen, gevoed door regenwater en door grondwater. O p het gevels van het opmetingsplan (zie kadertekst) staat inderdaad centraal een pomp tegen de gevel getekend, net onder de zonnewijzer. De deugdelijkheid van de kelders wordt onderlijnd. "Le milieu du carré de ces b&timents est d'une grande cour bien pavée, ily a un nombre de pompes, tant a l'eau de pluie qua l'eau de source, suffisantpour le service de la maison, ainsi que de grandes caves tres propres, carlées et bien terrassées." De dienstgebouwen liggen rond een eigen binnenkoer met een inrijpoort aan de Broekstraat en ze omvatten een paardenstal, een ruim koetshuis met voorraadzolders, een tuinmanshuisje van twee vertrekken en een zolder, en bergplaatsen.
« une arrière cour, ayant une entree particuliere par une porte cochère sur la rue du Marais dans laquelle cour se trouve une écurie, grandes remises pour voitures, avec greniers aux fourrages au-dessus; une maison de jardinier, composée de deux places basses et greniers au-dessus, et des hangars. » Bij het college hoort een grote tuin, bestaande uit twee delen, met name een nutstuin, waarin fruitbomen (een boomgaard) zijn aangepland, en een lusttuin die in Engelse stijl is ingericht en waarin een toen blijkbaar erg geapprecieerd eigentijds paviljoentje is gebouwd. Dit paviljoentje bestaat vandaag niet meer, maar de architectuur van de gevel ervan is gekend dankzij een geveltekening op het opmetingsplan, waarop straks verderop in deze bijdrage wordt ingegaan (zie volgende kadertekst). Met een aanleg in de nieuwe Engelse stijl, wordt bedoeld dat er geen broderieparterres en strakke lineaire paden meer zijn, maar in de plaats daarvan niet in strak geometrische vormen gesnoeide struiken in combinatie met kronkelende tuinpaden. Beide tuinen, zowel de nutstuin als de zogenaamde Engelse tuin, zijn volledig ommuurd. " un grand jardin, garni d'arbres fruitiers de la meilleure espèce, entouré de murs et au milieu duquel se trouve un jolie pavilion refermant un salon un autre jardin, disposé a l'anglaise, entouré de murs" Tenslotte volgt de vermelding van het huis bij de Dijle en de bewoonbare Janseniustoren die er ten zuiden tegen aanleunt. De Janseniustoren is bereikbaar via de grote tuin of via de Brandgang die uitgeeft op het huidige Pater Damiaanplein. De toren sluit daarmee als een soott folie aan op de Engelse tuin, geheel in de geest van deze vorm van tuinkunst, waarbij romantische ruïnes als decoratieve elementen in de tuin worden ingebracht. "un Grand Batiment de la longueur de 53 pieds et de la largeur de 23 pieds, compose d'un rez de-chaussée, adossé a la rivière la Dyle, et flanqué au midi d'une tour habitable, surnommé la « Tour de Jansenius » auquel bdtiment on peut arriver, ou par l'intérieur du grand jardin et de l'arrière cour, oupar une ruelle donnant sur la place Saint-Antoine. "
Spreekt uit bovenstaande dan een grotendeels utilitair karakter, toch wijzen de aankoop van ongeblusten calck voor de figuren in de Ao/op 13 april 1733, en van een karre root sant voor de hof op 12 mei 1733 er op dat op het terrein ook een zone als lusttuin is aangelegd (30). Het is mogelijk dat dergelijk gekleurd materiaal gebruikt werd in broderieparterres tussen de door gesnoeide buxus gevormde figuren of broderie. In de zomer van 1732 wordt een nieuwe houten hofpoort aangebracht. De draei/Vr wordt vergoed voor de bollen van de hofpoort tn een jaar later, in april 1733 wordt ze voorzien van twee muurkens (aan weerszijde?) om ten slotte het volgende jaar in mei geschilderd te worden (31). De 18 ^-eeuwse tuin bezit ook een vijvertje, volgens de vermelding op 21 mei 1735 over &e. permissie door de Rentmeester van de Coning gegeven van de huys van de vyver met een arkske te mogen verleggen van de voorgaende vyver op de plaets daer sy nu is (32). Mag het arkske uit deze beschrijving begrepen worden als een brugje boven de vijver? Dit vijvertje is nu verdwenen, maar het heeft mogelijks tot ver in de 19 (; eeuw bestaan want het verschijnt nog op een lithografie uit het einde van de 19 e eeuw (33). Ook op de schets van Helleputte uit 1885 is een vijver in de tuin te zien (34).
OPHEFFING EN VFRKQQP TIJDENS DE FRANSE REVOLUTIE
overheidsdienst Régie des Domaines die er haar Administration Centrale du Département de la Dyle onderbrengt. Van 1799 tot 1806 vindt het Bureau du Prytanée francais er onderdak. Dit bureau is een republikeinse instelling (die niet alleen in Leuven bestond) waar jonge mannen en kinderen, vooral jongens, onderdak en opvoeding wordt verschaft. De jongsten krijgen onderricht ter plaatse, de ouderen volgen onderwijs aan de centrale scholen of aan de universitaire instellingen. Vaak gaat het om kinderen van gesneuvelde militairen van het Franse Leger die voorbereid worden op de Ecole spéciale impériale militaire in Fontainebleau. O m dat de toenmalige rector van het college, Willem van Leempoel, zijn steun aan de Franse Revolutie had uitgesproken, wordt het college gespaard van de onmiddellijke verkoop en mogelijke vernieling. Van Leempoel wordt aangesteld als beheerder van de opgedoekte universiteit en kan blijven wonen in 'zijn' college. Zo is ook het hele interieur doorheen de Revolutie intact kunnen blijven, totdat in 1810 vanuit Parijs wordt geordonneerd dat Van Leempoel het college dient te verlaten en het gebouw uiteindelijk vooralsnog openbaar zal worden verkocht, om langs een omweg terecht te komen bij een eigenaar die het interieur gelukkig naar waarde wist te appreciëren (zie verder). Dankzij deze gelukkige samenloop van omstandigheden, is het 18 '-eeuwse interieur van het Hollandcollege tot op heden grotendeels bewaard.
•00 I Marmeren schouw en geschilderd schouwmantelstuk in de ontvangstkamers van de noordelijke vleugel (foto D. Nuytten) 2. Marmeren schouw en geschilderd schouwmantelstuk In de ontvangstkamers van de noordeli|ke vleugel (foto D. Nuytten) 3 Marmeren schouw
De opheffing van de universiteit in 1797 betekent het einde van het Hollandcollege, dat door de Franse bezetter overgedragen wordt aan de
Op 14 november 1810 volgt de openbare verkoop in twee loten van het domein dat samen met de ommuurde tuin een oppervlakte beslaat van 53 a en
en gestucte rococo schouwmantel in de ontvangstkamers van de noordelijke vleugel (foto D. Nuytten)
A Gevel van het tuinpavil|oent|e van het Hollandcollege HI 1811: detail van het opmetmgsplan van Hum (RULeuven, collectie Hollandcollege, inv.nr. 009985)
Plan van de turn in
Plattegrond van het gelijkvloers van het Hollandcollege in 1811: detail van het opmetingsplan van Hum (KULeuven, collectie Hollandcollege, inv.nr.009985)
48 ca. Het eerste lot omvat de gebouwen, het tweede de tuin. Als voorbereiding daarop werd er een affiche gemaakt (zie kadertekst) (35). De gebouwen komen in het bezit van de Fransman F. Huin, die op dat ogenblik ontvanger was voor het Prytanée frangais in het Departement van de Dijle. De tuinen worden aangekocht door groothandelaar M.-J. Van Gindertaelen uit het nabijgelegen Wilsele, nu een deelgemeente van Leuven. Huin laat in 1811 een opmetingsplan tekenen dat samen met de verkoopsaffiche een gedetailleerd beeld geeft van het Hollandcollege. Voor de huidige kennis over het college zijn beide documenten van cruciaal belang,
Hum. Rechts is de
paviljoentje. De tuin
(KULeuven, collectie
Engelse stijl van het plattegrond van de
wordt bovenaan
Hollandcollege,
Hollandcollege in
hegrensd door de
inv.nr. 009985)
Janseniustoren
1811: detail van het weergegeven, links
I2dl-eeuwse
opmetingsplan van
stadsmuur
van het tum-
en worden verder in deze bijdrage uitgebreid behandeld (zie hiervoor de betreffende kaderteksten). De welstand van het te koop gestelde Hollandcollege, onder meer geëtaleerd in de uitvoerige beschrijving van het interieur, spreekt duidelijk uit de verkoopaffiche. Het complex omvat keukens, salons, eetkamers, studeerkamers, bibliotheken, een kapel die volledig versierd is met voortreffelijk houtsnijwerk, meerdere slaapkamers en andere vertrekken. Vijftig daarvan bezitten schouwen met een open haard (teken van comfort), dikwijls van marmer (teken van luxe). O p de westvleugel sluit een grote, ommuurde en in vierkante percelen opgedeelde fruit- en groententuin aan, met daarin een centraal gelegen elegant tuinpaviljoen. Een groot deel van de ommuring bestaat uit de toen nog over de hele lengte van het perceel aanwezige voormalige 12' c -eeuwse romaanse stadsmuur van de oudste stadskern. De meest westelijke zijde van de tuin, in de in het noordwesten gelegen smalle punt van het terrein, is aangelegd in de toen zeer vooruitstrevende Engelse stijl met als zichtpunt en blikvanger de Janseniustoren en het daaraan aangebouwde huis bij de Dijle. Ten zuiden van de voormalige collegegebouwen en toegankelijk via een poort in de Broekstraat (onlangs tot Janseniusstraat herdoopt), bevinden zich de rond een eigen binnenkeer gegroepeerde en deels tegen de oude stadswal aangebouwde nutsgebouwen: de paardenstallen, de remises, de hooizolders en de tuinierswoning. Deze gebouwen.
M&L
HET OPMETINGSPLAN VAN 1811 Het origineel werd lang verloren gewaand tot het recent (2008) door de nieuwe eigenaar in het Hollandcollege teruggevonden werd (54). Het is een opmeting van de gebouwen en gronden, opgesteld op verzoek van de nieuwe eigenaar, de heer Huin. De landmeter werkte er aan van 13 tot 26 oktober 1811, zoals wordt meegedeeld in de cartouche, die ook de ligging van het college beschrijft. Het document is grafisch verzorgd en het vult de informatie van de affiche van 1810 mooi aan (zie vorige kadertekst). Het plan schetst een beeld van de oorspronkelijke ruimteverdeling in het Hollandcollege hoogst waarschijnlijk zoals die al in de late 18 e eeuw was. In de legende, die we hierna weergeven en van commentaar voorzien, wordt ook voor elk gelijkvloers vertrek het toenmalige gebruik opgegeven.
De cartouche " L'an mille huit-cent & onze du 13 au 26 octobre a la requète de Monsieur Huin, j'ai mesure et dressé ce plan géomêtral du cedevant College d'hollande separé par Ie mur de l'ancien rampart, situé Marché aux bêtes a louvain, departement de la Dyle, tenant comme ils sant designé dans ce plan, dont Ie contenus est Cin-
quante trois ares, 47 Centiares et 51 centimetres, y compris la moitié de la ruelle, et du mur du rampart, ce qui fait en mesure un journal et soixante quatre verges la [onleesbaar] a 20 pieds de louvain1.
De legende /. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 1516. 17. 18. 19.
vestibule avec entresol chambre avec entresol parte d'entree parloir chambre sur exhaussée vestibule corridor salie a manger grande salie corridor relaverie grande cuisine sallon chambre salie vestibule corridor chambre chambre h alcove
20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34.
cabinet de toilette vestibule logement du portier grande cour arriere cour parte charretiere petite cour fasse au fumier écurie remises maisan grandjardin potager pavilion remises "belguet"anglais (sic)
35. allee 36. 37. 38.
chambre cave tour de "jeanderius" (sic)
Opmelingsplan van Huin (KULeuven. collectie Hollandcollege, inv.nr. 009985)
1VI&L
Belguet moet gelezen worden als bosquet anglais, de gebruikelijke benaming voor een parterre in niet geometrische stijl (met snelle, korte bochten in de kronkelpaadjes), toen de Engelse naast de Franse stijl soms in dezelfde tuin voorkwam, dit is in de periode tussen het einde van de 18 t c en begin van de 19 e eeuw. Het streepje boven de 'u', met de functie van een umlaut'm het Duits komt frequent voor in handgeschreven 18 e -eeuwse Franse teksten om duidelijk te maken dat het geen 'n' was (55).
Commentaar Het betreft een opmetingsplan van de gebouwen en gronden, opgemaakt in opdracht van de nieuwe eigenaar na de openbare verkoop. Het plan schetst een goed beeld van de oorspronkelijke ruimteverdeling van het interieur van het Hollandcollege op het ogenblik van opmaak van het plan, zijnde 1811. Dankzij de op het plan aangebrachte en hierboven weergegeven legende is de toenmalige functie van elk lokaal op de gelijkvloerse verdieping vandaag gekend en kunnen we, uitgaande van de veronderstelling dat er in de revolutionaire periode geen grote veranderingen aan het gebouw hebben plaatsgehad, enig inzicht verwerven in het functioneren van een universitair college op het einde van de 18' c eeuw. Uit het plan en de bijhorende legende is op te maken dat de kamers aan pleinzijde in het oude herenhuis Uten Lieminghe van tussenverdiepen zijn voorzien, die inderdaad vandaag nog steeds aanwezig zijn. Een grote barokke trapzaal met drievleugelige steektrap bevindt zich centraal in de vleugel van het vroegere herenhuis. De vleugels van de trap volgen de wanden van de ruimte en laten het centrale deel volledig vrij zoals dat hoorde. De trapzaal is rechtstreeks toegankelijk vanuit de binnenkoer via een brede deur, vermoedelijk de toenmalige hoofdtoegang tot het gebouwencomplex. De vier kamers tussen de pleingevel en de trapzaal dienen alle als vestibule en parloir en dienen vermoedelijk als overgangs-, doorloop- en ontvangstruimten tussen de koetsdoorgang (porte d'entréé) en de trapzaal. De belangrijkste ruimten van het Hollandcollege bevinden zich in het nieuwe, achterste deel van deze vleugel dat omstreeks 1757 aan het voormalige herenhuis Uten Lieminghe is aangebouwd: de eetzaal {salie a manger) en de grote zaal {grande
salie), beide langs een gang {corridor) gelegen die in verbinding staat zowel met de voormelde trapzaal als met de aanpalende, haakse vleugel. De grote zaal heeft een volledig opengewerkte zijde naar de tuin toe, alsook een rechtstreekse toegang naar de tuin via een trapbordes. O p de in een inzet op het plan weergegeven geveltekening van de tuinfa^ade is deze toegang eveneens getekend. Tussen de grote zaal en de belangrijkste ruimten van de tuinvleugel, de tweede vleugel van het complex, bevinden zich nog twee dienstvertrekken; de dienstrap met de waszaal en een kleine gang die uitgeeft op de salon en een kamer, de centrale ruimten van deze vleugel. Geen van beide heeft echter een toegang naar de tuin: de fysieke verbinding tussen het gebouwencomplex en haar tuin gebeurt dus exclusief via de voormelde grote salon. Centraal in de derde vleugel, die haaks op de tuinvleugel staat en daarmee dus opnieuw evenwijdig is aan de vleugel die het vroegere herenhuis Uten Lieminghe omvat, bevindt zich een tweede grote trapzaal met vestibule. Deze is opnieuw rechtstreeks toegankelijk vanuit de binnenkoer via een deur. De trapzaal bevat een trap die mogelijks nog meer prestigieus is uitgewerkt dan de eerste voormelde trap en centraal in de ruimte aanvang neemt. Achter en in aansluiting met de trap bevindt zich een gang waarlangs enkele dienstruimten zijn ingeplant: een chambre, een chambre a alcove en een cabinet de toilette. Omwille van de ligging van de Broekstraat, is deze vleugel aanzienlijk korter dan zijn evenknie aan de andere zijde van de binnenkoer. In het poortgebouw aan het huidige Damiaanplein zijn een diensttrap en de vertrekken van de huisbewaarder, het logement du portier ingebracht. De bijgebouwen langsheen de Broekstraat bevatten de paardenstallen {icurievasx. twee paardenboxen), het koetshuis {remise) en een afzonderlijk maar niet nader omschreven huis {maisori), alles georganiseerd rond een functionele koer, die met de straat in verbinding staat via een koetspoort {parte charretière). Dit huis is tegen de vroegere 12 -eeuwse stadsmuur aangebouwd. Langsheen de volledige lengte van de stadsmuur zijn in de grote tuin bergruimten voorzien {remises).
Binnenkoergevels van het Hollandcollege in 1811: detail van het opmetingsplan van Huin (KÜLeuven, collectie Hollandcollege, inv.nr. 0Ü998S)
i f Ml 111 i l l f 111 r r ^i 1 1 | [|||
nodig voor de dagdagelijkse functionering van het college, moeten al in de collegetijd bestaan hebben. Verderop in deze bijdrage zal de inrichting van de gebouwen en van de tuin op het perceel van naderbij belicht worden. O p het opmetingsplan van 1811 (zie kadertekst) zijn de één bouwlaag hoge poortvleugel, de drie elk drie bouwlagen hoge collegevleugels en de door deze vier vleugels afgebakende binnenkoer met de dooi het bochtige verloop van de Broekstraat afgesnuite zuidoostelijke hoek te herkennen zoals ze grotendeels ook vandaag nog bestaan (36). Van op de binnenkoer wordt het complex ontsloten door twee toegangen, in de zuidwestelijke hoek en in het midden van de noordelijke vleugel zoals hoger beschreven; er was nog geen poort in de noordwestelijke hoek, aangezien het verplaatsen naar deze hoek van de centrale toegang tot de noordelijke vleugel pas in de 19 IC eeuw gebeurde. In de volgende paragraaf zal dieper ingegaan worden op de dispositie en functie van de ruimten, zoals aangeduid op het plan.
ii ii i fi Ii
van het gebouw ter wille van de nakende verkoop wordt gegeven en waaruit, zelfs rekening houdend dat het is het opgesteld uit verkoopsdoeleinden, een duidelijke appreciatie voor het complex doorschijnt. Het tweede is het opmetingsplan van de gebouwen en gronden, besteld door de dan nieuwe eigenaar Huin en dat een goed beeld schetst van de oorspronkelijke ruimteverdeling van het interieur (38). Het plan is gedateerd 1811, waarbij de laat 18 '-eeuwse functie van elk lokaal op de gelijkvloerse verdieping via een legende is benoemd (zie ook kadertekst) (39).
Detail van de trappaal van de rococotrap uit de zuidelijke vleugel van het Holland(foto D. Nuytten)
DE AFFICHE VAN 1R10 EN DE OPMETING VAN 1811 In de 19 e en 20 ste eeuw heeft het college meerdere wijzigingen van de interne ruimten ondergaan zodat de huidige toestand op bepaalde plaatsen afwijkt van de oorspronkelijke. De twee documenten uit het begin van de 19 e eeuw, opgemaakt naar aanleiding van de openbare verkoop ten tijde van de Franse overheersing, geven een goed beeld van deze oorspronkelijke situatie (37). Het eerste is de verkoopsaffiche uit 1810, waarin een beschrijving
M&L
O p het plan is te zien hoe het Hollandcollege is opgetrokken rondom een aan de straat gelegen binnenkoer. Achter de gebouwen bevindt zich een grote tuin. Rondom de koer vormen de drie hoofdvleugels een harmonisch en strak architecturaal geheel, dat van de straat wordt gescheiden door een lagere vierde vleugel, die het poortgebouw bevat. De noordelijke vleugel was de belangrijkste en was door het centraal geplaatste trappenhuis in twee functionele zones verdeeld. De toegang — allicht de hoofdtoegang - gebeurt centraal in de vleugel vanaf de binnenkoer via een brede deur die opent op de ruime trapzaal waar de tegen de wanden gebouwde drievoudige bordestrap de ruimte vrij laat. Rechts van deze trapzaal ligt het geïntegreerde Huis Uten Lieminghe (in de oostelijke hoek), dat fungeert als een overgangsruimte tussen binnen en buiten, als een doorloop tussen de inkom en de trapzaal. In deze ruimte werd de bezoeker opgevangen vooraleer hem echt toegang tot het gebouw werd verleend. Deze zone telt vier vertrekken waarvan er twee (de kleine vestibule en een kamer) een tussenniveau of entresol bezitten, zoals dat vandaag nog steeds het geval is en vroeger wel meer voorkwam.
lick op de inkompoon van het Iers College aan het Damiaanplein, het eerste onderkomen van Paridaens (foto 0. Nuytten)
Het linkerdeel (westen) van de noordelijke vleugel is de belangrijkste zone van het college, bestemd voor ontvangst en samenkomst. De eetzaal en de grote zaal liggen allebei aan de gang die de verbinding maakt tussen de trapzaal en de westelijke vleugel. De grote zaal is open op de tuin, die dankzij een trapbordes rechtstreekse toegankelijk is, zoals op de geveltekening van deze vleugel is getekend. Tussen deze grote zaal en de belangrijkste ruimten van de westelijke vleugel, bevinden zich twee dienstvertrekken: de diensttrap met de waszaal en een kleine gang naar de salon en de kamer. Deze twee vertrekken nemen de centrale ruimten in deze vleugel in, maar hebben geen toegang naar de tuin, die dus vanuit het gebouw enkel bereikbaar is via de grote zaal. De derde, zuidelijke vleugel bezit een tweede ruime of trapzaal, die, net als de centrale vestibule van de noordvleugel, eveneens rechtstreeks vanuit de binnenkoer toegankelijk is. De trap zelf zet in het midden van de ruimte aan en straalt zodoende nog meer theatraliteit en prestige uit. Achter de trap en er op aansluitend wordt een gang gesignaleerd waarlangs enkele dienstruimten zijn gelegen: een kamer, een alkoofkamer en een toiletruimte. De vierde vleugel bevat het poortgebouw aan het plein (de Verckensmerct of Marché aux bêtes, later
Smt-Antomusplein, nu Pater Damiaanplein) herbergt de vertrekken van de huisbewaarder en een diensttrap. De bijgebouwen langsheen de Broekstraat {rue du Marais, nu Janseniusstraat) bevatten de paardenstal voor twee paarden, het koetshuis en een afzonderlijk maar niet nader omschreven huis waarvan we dankzij de affiche van 1810 weten dat het een tuinmanshuis was. Deze gebouwen zijn georganiseerd rond een tweede, meer functionele binnenkoer, die met de straat in verbinding staat via een koetspoort. In het verlengde van het tuinmanshuis, sluit een laag en langgerekt volume aan, dat verschillende bergruimtes bevat. Deze constructies, met name het tuinmanshuis en de langgerekte remise, zijn tegen de vroegere 12 L-eeuwse stadsmuur aangebouwd. Dit lange deel van de 12 'eeuwse stadsmuur, dat toen duidelijk nog bestond en als afbakening diende over de volledige lengte van de eigendom, is later afgebroken tot op de heden bewaarde kleine muurrest naast de Janseniustoren na. De afbraak geschiedde allicht ten behoeve van de stelselmatige uitbreiding van het Hollandcollege als Paridaensinstituut in de 19 e en 20 stc eeuw, waarop hierna verder wordt ingegaan. De verdere lotgevallen van het Hollandcollege vallen vanaf 1812 samen met deze van Cicercule Paridaens (1769-1792), een ondernemend burgermeisje uit de stad Mons.
DE OPRICHTING VAN HET PARIDAFNSINSTITUUT IN HFT IERS CQI LEGF Cicercule Paridaens was in 1792 ingetreden in het klooster van de Filles de Notre-Dame in Mons, maar na de opheffing van het klooster in 1796 belandt ze na allerlei omzwervingen in Leuven (40). In 1805 slaagt ze erin om daar met toestemming van de aartsbisschop en onder de hoede en begeleiding van een kleine groep religieuzen een meisjesinternaat en -school te openen in het voormalig Iers College, vlak tegenover het oude Hollandcollege aan de overzijde van de Broekstraat (Janseniusstraat). Het gebouwencomplex van het Iers Pastoraal College dateert van kort na 1617 en was in oorsprong en tot vóór de Franse Revolutie een seminariecollege dat instond voor de vorming van katholieke Ierse missiepriesters voor de zending naar streken die onder protestants bewind staan, in casu Engeland, en waar men vanuit Ierland bekeringswerk wenst te leveren. De Spaanse koning Filips III steunde de franciscanen bij de oprichting van hun Leuvens college, op 3 april 1607 bij pauselijke stichtingsbul (Paulus V). Eerst betrokken de minderbroeders een huis bij de Sint-Antoniuskapel aan de Verckensmerckt, later bij de Sint-Jacobskerk, aan de andere zijde van de stad. In 1616 verhuisden zij opnieuw naar de Verckensmerckt, kochten er een domein en bouwden een kapel, gewijd aan de Heilige Antonius van Padua: op 9 mei 1617 legden de aartshertogen Albrecht en Isabella de eerste steen, die thans bij de ingangsdeur van het college is ingemetseld (41). Later volgde een klooster met vier vleugels rond een tuin. Boven de toegangspoort prijkt het opschrift "D.O.M. Collegium S. Antonii Paduani, Anno 1607" (42).
minderbroeders slaagden erin om het goed terug te kopen en er tot 1822 te blijven, maar dienden daarna te vetrekken. In 1922 kwam het klooster terug in hun handen en doet van dan af dienst als studentenhuis voor Ierse filosofie- en theologiestudenten aan de Leuvense universiteit. Bijkomend werd in 1983 het 'Leuvens Instituut voor Ierland in Europa' gesticht en in de gebouwen ondergebracht, die daartoe ingrijpend werden aangepast (43). De Ierse broeders verhuurden een deel van hun na de Revolutie te groot geworden complex aan de school van Cicercule Paridaens die hier uiteindelijk slechts een relatief korte periode onderdak vond. Hoewel het gebouwencomplex van het Iers College met zijn vier kloostervleugels, ruime kapel en gastenvleugel op zich voldoende groot was, werd al gauw uitgekeken naar een ruimer onderkomen: vermoedelijk konden hier slechts enkele lokalen ter beschikking gesteld of verhuurd worden aan de nog prille kloostercommunauteit en haar steeds populairder wordende onderwijsinstelling en was uitbreiding binnen het complex niet mogelijk. Er zou op zoek gegaan worden naar een grotere huisvesting, via een tussenpersoon omdat voor de oprichting van de Belgische Staat in 1830 het bestaan en de rechten van katholieke kloosterordes nog sterk beteugeld was. Door het recht op de vrijheid van vereniging die in de nieuwe Belgische grondwet
Zicht in de Broekstraat (nu Jansenlusstraat) met rechts het Hollandcollege en links het Iers College.
Het Iers College diende daarnaast tevens als klooster van de Ierse franciscanen (minderbroeders), die vandaag nog steeds een klein deel van de gebouwen bewonen. Het college was het een voornaam filosofisch-theologisch centrum, waar onder meer een eigen drukpers was ondergebracht. Met de door de Leuvense franciscanen ontwikkelde drukfont voor het schrijven van het Iers {Gaelic), is de eerste Ierse catechismus en het eerste woordenboek van de Ierse taal gedrukt. Het gebouwencomplex neemt daarmee een uitzonderlijke plaats in binnen de Ierse nationale geschiedenis. Tijdens de Franse Revolutie werd het klooster opgeheven en werden de voormalige kloostergebouwen verkocht. Eén van de vleugels werd als gevolg daarvan afgebroken en de andere vleugels werden sterk verbouwd. De
Achteraan zijn nieuwe gebouwen van het Pandaensinstituut in aanbouw (© KIKIRPA nr. a8758!, fotograaf onbekend, opname uit 1945)
mÊBKÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊ^
••
A De porloir van hel
oudste deel van het
Zicht op het
klooster van de
complex, het
interieur van de
Hollandcollege
Congregatie van de
vroegere herenhuis
kloosterbibliotheek
(prentkaart,
Dochters van Maria
Uten Liemmghe
van de Congregatie
privécollectie)
in het Holland-
(prentkaart,
van de Dochters
college, in het
pnvécollectie)
staat ingeschreven, kon juffrouw Paridaens later, in 1835, haar gemeenschap ais congregatie laten erkennen en er de eerste overste van worden.
•
VERHUIS NAAR HET HOLLANDCOLLEGE
Ferrariskaart van Wilsele bi) Leuven, met aanduiding van de kwadratische opret van het Bleydenbergkasteel; links daarvan de
De eerste behuizing in het Iers College was ai gauw te krap en er werd gezocht naar een ruimere locatie. In 1812 worden de gebouwen van het valk tegenover het Iers College gelegen voormalige Hollandcollege verworven door de Naamse advocaat
Vaart van Leuven naar Mechelen
'tt/eniK
M&L
van Maria in het
de Laittre, die bevriend was met priester Devenise, de voormalige president van het College van Mons. Deze laatste was ook de geestelijke raadgever van Cicercule Paridaens. Vanaf 1812 wordt een nieuw onderkomen voor de jonge kloostergemeenschap gevonden in het immer nog zeer stijlvolle Hollandcollege, dat door de Laittre aan Paridaens wordt verhuurd, onder de voorwaarde dat ze zelf in zal staan voor de eventuele verbouwingskosten voor haar school en de belofte het geheel binnen de dertig jaar aan te kopen. Conform hieraan wordt op 3 april 1835 de pas het vorige jaar opgerichte congregatie van Cicercule Paridaens officieel eigenaar van de gebouwen van het oude Hollandcollege. Het tuinperceel met de Janseniustoren was eerder al, sedert 24 februari 1819, verworven. O p 12 juli 1812 opent het Paridaensinstituut haar deuren in het heringerichte Hollandcollege als school voor een gemengd leerlingenpubliek van arme en welstellende meisjes. Het is geen exclusief internaat meer en externe leerlingen zijn voortaan ook toegelaten, zowel betalende als niet-betalende, maar wel in strikt gescheiden groepen. O p 12 juli 1812 begon het betalende externaat voor meisjes uit de gegoede klasse. In 1818 telde de school 50 pensionaires, 30 betalende externen en 40 nietbetalende. De kinderen kregen godsdienst, lezen, schrijven, Franse taal en spelling, rekenen, geschiedenis aardrijkskunde en allerlei soorten handwerk. Onder het Hollands bestuur van het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden werd vanaf 1824 ook Nederlands gegeven (44).
De kleine communauteit van religieuzen, die van bij de aanvang instaat voor de spirituele begeleiding van het schoolgebeuren, wordt door aartsbisschop Englebert Strerckx op 2 juli 1834 plechtig als congregatie opgericht onder de benaming Filles de Marie (later Dochters van Maria) met als belangrijkste doelstelling het verstrekken van christelijk geïnspireerd onderricht aan meisjes. Cicercule Paridaens is er de eerste overste van, onder de naam Soeur Marie-Thérèse. Deze Congregatie van de Dochters van Maria kent in de 19 e eeuw slechts een in vergelijking met gelijkaardige stichtingen relatief langzame en beperkte uitbreiding met het Miniemeninstituut ook in Leuven (Diestsestraat) in 1841, het Sint-Jozefinstituut te Antwerpen (Sint-Jozefstraat) in 1862 en het Bleydenberginstituut te Wilsele in 1879. O p 18 december 1773 kocht de Leuvense professor in het burgerlijk recht Dominique J.H. Nelis (1738-1828) het kasteel van Bleydenberg en na zijn dood in 1829 verkocht zijn dochter het goed aan Cicercule Paridaens (1769-1838). Het tijdens de Franse Revolutie zwaar gehavende goed bestond op dat moment uit een oud kasteel met paardenstal, schuur, bijgebouwen, tuin, boomgaarden, lanen, weiland en bos, samen 7 bunder groot. Het kasteel werd gedeeltelijk afgebroken en heringericht tot klooster zodat het domein voortaan dienst kan doen als buitengoed voor de in de stad verblijvende zusters. In 1879 volgde de oprichting van een lagere meisjesschool op de site, waartoe het kasteel wordt uitgebreid. Na verloop van tijd voldeed de oude huiskapel van het kasteel niet langer en in 1898 werd een ruimere kapel opgetrokken door bouwmeester Pieter Langerock 45). Het Miniemeninstituut in het centrum van Leuven bestaat nog steeds en ook de schoolgebouwen in het vroegere Bleydenbergkasteel in Wilsele zijn, zij het met grondige verbouwingen, voor een groot deel behouden, al dreigt op korte termijn het slopen ervan (46).
Ook in Beaumont in de omgeving van Charleroi wordt een school opgericht, het nog steeds bestaande Institut Paridaens Notre Dame du Bon Acc««7 (Onze-Lieve-Vrouw van de Goede Ontvangst) (47). In 1913 gaat men overzee met missieactiviteiten en stichtingen in Haïti, die nog bestaan en welvarend zijn. Er worden hiertoe verschillende zusterinstellingen opgericht en de meeste leden alsook de algemene overste van de congregatie zijn werkzaam in de in totaal 26 scholen aan de overkant van de Atlantische Oceaan: in Haïti, de Dominicaanse Republiek, New York en Canada met zo'n 135 geprofeste zusters en een twintigtal zusters met tijdelijke geloften, novicen en postulanten.
Door een snel toenemende schoolpopulatie en een verruiming van het onderwijsaanbod vanaf de tweede helft van de 19 c eeuw, wordt de uitbreiding van de schoolgebouwen op de site van het oude Hollandcollege onvermijdelijk. Vanaf 1835 gebeurt het onderwijs al in nieuwe gebouwen, zodat het oude Hollandcollege voortaan enkel voor het klooster en het noviciaat is bestemd. Maar ook daar dringen zich verbouwingen op.
DF igPE-EEÜWSF VFRBOUWINGEIM VAN HFT KLOOSTFR Gelijklopend aan de 19 e -eeuwse expansie ondergaan de voormalige gebouwen van het Hollandcollege zelf ook diverse verbouwingen en aanpassingen. De eerste verbouwingscampagne, in de periode 1855-1857, situeert zich voornamelijk in de noordelijke vleugel (48). In de hoek komt er een kleine portiersloge die uitgeeft op de ingangspoort en zicht heeft op het plein, met er naast een ontvangstruimte voor werklui. Verder worden er drie spreekkamers ingericht die verlicht worden via vensters op de Brandgang. Ze zijn toegankelijk via een lange gang, parallel met de gevel op de binnenkoer, die vertrekt in de in 1873 vanuit het midden van de vleugel naar hier verplaatste traphal in de noordwestelijke hoek (zie hoger). Het is een brede, majesteitelijke gang met een brede plankenvloer, ramen aan de koerzijde en beglaasde deuren naar de parloirs, een situatie die nog steeds bestaat. De meest tot de verbeelding sprekende aanpassing van het 18 ^eeuwse interieur van het Hollandcollege aan de nieuwe functie als klooster voor de Congregatie, situeert zich ter hoogte van de bestaande rococo-kapel, op de eerste verdieping van de noordelijke vleugel. In 1860 wordt de wel erg kleine sacristie vergroot en omdat ze slechts toegankelijk
•4 Zicht op de noordelijke kapelwand waarvan hel linkerdeel, met ondermeer de geïntegreerde biechtstoelen. in neorococo stijl naadloos aansluit op het rococo origineel (foto 0. Pauwels. huidige toestand)
1
i ' 'ir
1
;":^S
1 r
im m
BTW''
lï
Zicht op de westelijke zijde van de
T
M&L
collegekapel met
Zicht op de
aangebouwd, alsook
later, in 1963, het
tumgevcl van het
een zuilengaanderi)
rechterdeel
•
Hollandcollege,
(1880-1882):
(© KIKIRPA
Het vroegere
l9'-eeuwse
waartegen
in 1936 werd het
nr. hl65846,
museum van het
uitbreiding
omstreeks 1875 een
linkerdeel van de
fotograaf onbekend.
Pandaensinstituut,
(prentkaart,
nieuwe wasserij is
gaanderij gedicht en
opname uit 1956)
gehuisvest in de
pnvècollectie
het orgeldoksaal, huidige toestand (foto 0. Pauwels)
was via de deur rechts van het altaar, wordt de bereikbaarheid verbeterd. Daartoe wordt de poortvleugel met een halve bouwlaag verhoogd, een venster tot deur vergroot en een nieuwe trap geplaatst. Zo kan de celebrerende priester rechtstreeks vanuit de binnenkeer de sacristie en de kapel bereiken en blijft het klooster afgescheiden voor buitenstaanders omdat hier een 'slot' of verboden zone voor niet kloosterlingen gold. Mogelijk was dit al een voorbereiding op de vergroting van de kapel die in 1873-1875 werd gerealiseerd (zie hoger) wanneer de kapel, in westelijke richting naar ontwerp van de Leuvense stadsarchitect Edouard Lavergne (18151878) tot twee maal de oorspronkelijke lengte wordt vergroot met drie traveeën die volledig in eenheid van stijl worden gekopieerd van de al bestaande traveeën van de originele rococokapel. O p deze wijze ontstaat een gaaf geheel in volmaakte 18 ^eeuwse rococostijl, dat tot de dag van vandaag intact bewaard is gebleven.
A Gravure met
Hollandcollege met
de Jansemustoren.
maatvoering van
axonometrische
daarachter de
Links van het
het college zijn
weergave van hei
collegetum in
Hollandcollege de
aangehouden
Pandaensinstituut in
Engelse stijl,
I9d,-eeuwse
(uit VAN EVEN,
de 19* eeuw:
het tuinpaviljoen en
uithreiding waarvoor
op.cil, 1895, |j.63l)
vooraan rechts het
helemaal achterin
de gabaneten en
•4
Het gevolg van de uitbreiding van de kapel was de verplaatsing van de monumentale trap van de derde travee in de noordervleugel naar de noordwestelijke hoek. De Lodewijk XV-trappaal werd zorgvuldig gedemonteerd en hergebruikt, maar de eikenhouten bordestrap, die nu de beide vleugels bedient, werd vernieuwd. De nieuwe, ruime traphal werd verrijkt met een lambrisering met trompe-l'oeil motieven in imitatie-eik, en dateert dus uit 1873-1875. Deze nieuwe traphal nam de plaats in van de oude wasserij en dus was er een nieuwe nodig die gebouwd werd tegen de tuingevel van de westelijke vleugel, in de vorm van een beglaasde, onregelmatige zeshoek, bekroond met het pittoresk torentje, in de volksmond Chinees torentje geheten. Het torentje is nu geschilderd in contrasterende witte en blauwe stroken wat aan de tuingevel een frivool accent verleent, duidelijk zichtbaar vanuit de tuin. Het torentje herbergt een smalle houten spiltrap. In 1880-1882 wordt aan weerszijden van deze toevoeging een hardstenen gaanderij opgetrokken met geprofileerde rondbogen op Toscaanse zuilen, aanvankelijk volledig open op de tuin. Ze vormde een elegante en aangename overgang naar tuin via twee brede afdalende steektrappen. In 1936 werd een eerste deel van de gaanderij echter gedicht met beglaasd schrijnwerk om de aanpalende refter uit te breiden, en hetzelfde gebeurde in 1963 met het overblijvende deel. Ook hier werd opnieuw voor homogeniteit gekozen en de verbouwing gebeurde dus met dezelfde vorm en materialen als in 1936.
Zicht op de speelplaats tussen de I9d'-eeuwsc vleugels van het Pandaensinstituut: de bomen zijn intussen verdwenen (prentkaart, pnvécollectie)
DF 19DF-FEUWSF SCHOOIGFBOUWEN Door een snel toenemende schoolpopulatie en een verruiming van het onderwijsaanbod, wordt een uitbreiding van het bestaande complex onvermijdelijk en in wordt 1835 begin gemaakt met de snelle expansie van het gebouwencomplex: de schoolactiviteiten worden in nieuwe gebouwen gehuisvest zodat in de 18 '-eeuwse collegegebouwen voortaan enkel het klooster en noviciaat van de Congregatie zijn ondergebracht. Deze nieuwbouw respecteert echter in grote mate het bestaande Hollandcollege, dat door de 19 e -eeuwse architecten als uitgangspunt genomen wordt voor de stapsgewijze uitbreidingen (49). Pas met de verhoging van deze vleugels en met de bouw van nieuwe blokken in de 20 st ' : eeuw wordt van dit principe afgeweken: de nieuwbouw wordt pal in de tuin ingeplant en consumeert zo grote voorheen vrije oppervlakken. Als gevolg daarvan is op de site vandaag nauwelijks nog vrije
M&L
De huidige tuin van
aangebouwde
'chinees torentje':
toegevoegde galerij
Zicht op de vleugel
het Hollandcollege;
het Hollandcollege,
gaanderij (1880-
rechts de eerste
ïan Langerock
van 1835 en de
achteraan één van
opgetrokken
met links de
1882) met de serre
I9d'-eeuwse (1835)
(foto 0. Pauwels)
galeri| van 1909
de lO'^eeuwse
(foto D. Nuytten)
I8d'-eeuwse
van de wasserij
uitbreiding met de
(Langerock) vanuit
schoolgebouwen die
tumgevel en
(1873-1875) en het in 1909
ruimte over en dient voor speelruimte uitgeweken te worden naar de andere Dijieoever. • Zicht op de aanbouwen uit 1909 van Langerock aan de vleugel uit 1835: het sanitair blok en de galeri] hebben duidelijk stablhteitsproblemen gekend, gezien de betonnen
O p de kwadraatstructuur van het in het Hollandcollege ondergebrachte klooster, sluiten drie in Uvorm opgestelde 19 e -eeuwse klasvleugels aan. De noordelijke en oostelijke vleugels kwamen tot stand in 1835, de zuidelijke in 1873, de jaren waarin ook aan de noordelijke collegevleugel gewerkt werd. De nieuwe schoolgebouwen zijn opgetrokken in classicistische stijl, met sobere gevels in rode baksteen en
In de tuin zijn
enkele accenten in natuursteen. De nieuwbouw ligt aan een speelplaats bevloerd met mooi verweerde bakstenen en was voorheen beschaduwd door (kastanje?)bomen. De noordervleugel, waarvan het schilddak aan beide zijden voorzien is van een reeks houten dakkapellen met fronton, telt drie bouwlagen van nu elf (vroeger zeven ) traveeën. Deze vleugel heeft ten westen een halfronde beëindiging en werd in 1835 als internaat opgetrokken. De gedenkplaat van de
steunconstructles (foto D. Nuytten;
De blnnenkoer van het I9d'-eeuwse scholencomplex. Oorspronkelijk waren de vleugels alle even hoog als het Hollandcollege (drie bouwlagen): de vierde en vijfde bouwlaag zijn latere toevoegingen (foto D. Nuytten)
M&L
Zicht in de feestzaal
de uitbraak van het
Zicht op de gang
de gedenkplaat
uit ca. 1835, met de podium achteraan
van het eerste
van de eerste
vier zwartmarmeren
(prentkaart,
verdiep van de
steenlegging
zuilen; toestand vóór
privécollectie)
normaalschoolvleugel
(prentkaart,
uit 1873 met rechts
privécollectie)
eerste steenlegging door de vicaris-generaal van het bisdom, Vanderlinden, is in de tuingevel ingemetseld, onder een Sint-Jozefsbeeld in een rondboognis van hardsteen en marmer. De strak-functionele gevelordonnantie wordt bepaald dooi registers van hoge, rechthoekige vensters met hardstenen dorpels, boekblokken van natuursteen en houten schrijnwerk met de typerende kleine roeden verdeling. O p de gevel aan de tuinzijde en tet hoogte van de eerste verdieping steekt een ftaai gedetailleerde en vrijwel volledig beglaasde houten buitengalerij uit. Deze ranke galerij, met een wit-blauwe tegelvloer en originele houten kapstokjes, bedient de aangrenzende klaslokalen, terwijl een houten bordestrap aan het uiteinde voor de verticale circulatie zorgt. Ze rust op opengewerkte schoorstukken van gietijzeren en op slanke betonnen pijlertjes, maar deze laatste moeten toegevoegd zijn omwille van de stabiliteit, ter versteviging van de oorspronkelijke gietijzeren kolommen. Zoals de twee laatste traveeen en de hoektravee is de galerij een latere toevoeging uit 1909, ontworpen door de Leuvense architect Pierre Langerock (1859-1923). Deze was lang medewerker geweest van de meer bekende neogotische architect Joris Helleputte (1852-1925), tot hij in 1889 een eigen bureau opzette, dat uiteenlopende opdrachten, ook voot kerkrestauraties uitvoerde (50). Zijn functie als officieel architect van het bisdom Mechelen zal niet vreemd zijn geweest aan de opdracht voor Paridaens. De uitbreiding voorzag volgens de plannen in een speelzaal, een slaapzaal en het sanitair, dat ondergebracht is in een vierkante, torenvormige uitbouw met afgeschuinde hoeken onder een tentdak.
De haakse oostelijke vleugel heeft een geringe breedte van vijf traveeën die bepaald wordt door het schuinlopende ttacé van de toenmalige Broekstraat en zelf de vorm van de speelplaats determineert. De voorgevel kijkt uit op deze speelplaats, de achtergevel op een door de straatmuur begrensde driehoekige koer. Uit de vrijwel identieke, sobere gevelopbouw mag afgeleid worden dat hij even oud is als de internaatsvleugel. De centrale deur in de voorgevel is voorafgegaan door enkele treden en de bewaarde schoolbel ernaast is niet zonder belang voor haar betekenis: ze biedt met één blik een totaal
Zicht op de vleugel van de normaalschool uit 1873 met de imposante bakstenen rondbooggaanderij. Oorspronkelijk drie bouwlagen hoog zoals het Hollandcollege: de bovenste verdieping werd later toegevoegd (foto D. Nuytten)
ONSTUIMIGE SEMINARISTEN EN VERLIEFDE MEISJESHARTEN De hoge bakstenen gevels rond de binnenkoer van het Hollandcollege mogen er streng bij staan, toch bevatten ze bij nader toezien een zeer menselijk detail. O p de onderste geveldelen, tot op een hoogte die voor een gewone sterveling zonder technische hulpmiddelen nog net bereikbaar is, zijn de bakstenen bezaaid met ingekerfde inscripties. Sommige bevatten enkel een jaartal (van het verblijf van de auteur?), waarbij vooral '1758' vaak voorkomt. Men kan enkel gissen naar de aanleiding: een groep baldadige seminaristen die hun individualiteit wensten bevestigd zien in de zachte baksteen van hun college? O f een seminarist met een uitgesproken ontwikkeld besef van tijd en vergankelijkheid? Mogelijks kan het in verband gezien worden met de bouwtijd van het college (1754-1754) en de daarop volgende eerste lichting Hollandse studenten die in 1758 worden ontvangen.
Naast de vele jaartallen komen op de bakstenen gevelpagina's ook ontelbare gekraste initialen voor, van recentere datum en vaak vergezeld van hét teken bij uitstek van één der oudste en meest bandeloze der menselijke emoties: verliefdheid. Ook binnen de hoge en strenge muren van het 19 -eeuwse meisjesinternaat laat de liefde zich niet beteugelen en blijken de muren bezaaid met ingegrifte hartjes. De auteur van deze bijdrage verheugt zich nu al in zijn heugelijke taak om, vanuit zijn bevoegdheid bij Onroerend Erfgoed, tijdens toekomstige restauratiewerken deze onmiskenbaar sentimentele getuigen van verliefde meisjeshartjes heldhaftig te vrijwaren. Of hoe monumentenzorg ook waakt over sporen van menselijke emoties ... " Wie zijn sporen uitwist, verdwaalt", zei Lucebert.
overzicht op de speelplaats. De ruime zaal op het gelijkvloers, oorspronkelijk bestemd als feestzaal, is nu een schoolrefter. O m een nieuwe schooltoegang vanuit de Broekstraat te creëren diende nog niet zo lang geleden de achterzijde van de zaal spijtig genoeg uitgebroken te worden en door nieuwe deuren vervangen. Het hoger gelegen feestzaalpodium met de halfronde achterwand in de vorm van een absis, was eerder al verwijderd. Gelukkig bleef de aankleding van de zaal met de classicistische stijl
van de mooie ruimte en haar homogeniteit behouden: een parketvloer in visgraat, een houten lambrisering deels met ingebouwde zitbanken, houten binnenluiken en vier zwartmarmeren zuilen op polygonale sokkels die een deels gecaissoneerd en deels met medaillons opgehoogd stucplafond schragen. In de medaillons zijn ondermeer een Maria monogram en het jaar 1805 uitgewerkt (het stichtingsjaar van het Paridaensinstituut), aangebracht naar aanleiding van de honderste verjaardag
Ingegrifte inscripties in de bakstenen van het Mollandcollege: de datum'1758' komt veelvuldig voor (foto D. Nuytten)
Ingegrifte inscripties in de bakstenen van het Hollandcollege: het verliefde hartje duikt frequent op (foto 0. Nuytten
1VI&L
Oe eetzaal van het Pandaensinstituiit (premkaart, pnvécollectie)
van de stichting. Oorspronkelijk telde deze vleugel slechts één niveau, maar later werd er een bouwlaag en een mansardeverdieping aan toegevoegd. Daar situeren zich de klaslokalen met parketvloeren die via beglaasde dubbele deuren uitgeven op de brede gangDe derde vleugel die de speelplaats op de zuidzijde begrenst, werd als normaalschool gebouwd. De gedenkplaat op de eerste verdieping herinnert aan de eerste steenlegging op 15 april 1873 door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Delcour. Het gebouw telt twaalf traveeën en was van bij de aanvang drie bouwlagen hoog. De gevel heeft opnieuw een strakke klassieke opstand waarin de imposante rondboogarcade op de begane grond een opvallende rol speelt. De arcade is uitgewerkt met bakstenen zuilen op hoge octogonale sokkels in blauwe hardsteen. Ook de kapitelen zijn uit dit materiaal en vangen de geprofileerde en met sluitsteen opgehoogde rondbogen op. Deze open gebleven galerij dient een dubbele functie: ze ontsluit niet alleen alle klassen op het gelijkvloers maar biedt bij regenweer ook beschutting tijdens de speeltijd. De oorspronkelijke houten zoldering is later vervangen door een afdekking in beton. De circulatie op de verdiepingen wordt verzekerd door een brede op de speelplaats uitgevende gang, een organisatie die ook in de voormalige collegegebouwen voorkomt. Sommige ruimten bewaren nog hun fraai gestucte
plafonds, soms zelfs met lijstwerk en bladdecoratie die een duidelijke en bewuste stilistische verwantschap vertonen met de afwerking in het 18 ^eeuwse Hollandcollege.
BESCHERMING EN VERKOOP De twee herkenbare, waardevolle historische delen van Paridaens — het 18 ^eeuwse Hollandcollege met haar gekasseide binnenkoer en het 19 (:-eeuwse schoolcomplex rond zijn betegelde speelplaats - zijn allebei belangrijke en waardevolle monumenten. Bleek men in de 19 c eeuw enig belang te hechten aan kwaliteit en verfijning in de architectuur, in de stoffering van de ruimten, in de afwerking en in de materiaalkeuze van de gebouwen in aansluiting met het bestaande 18 '-eeuwse Hollandcollege, dan blijkt dit minder van belang in de recentere gebouwen op het terrein van de school. Grootschalige nieuwbouwblokken planten zich volledig vrij in op de site van de tuin, die daardoor zeer sterk in oppervlakte wordt gereduceerd. De samenleving, de inrichting van het onderwijs en de financiering ervan zijn fundamenteel veranderd in de loop van de 20SK eeuw, wat als reden kan worden ingeroepen voor de op louter functionaliteit gerichte architectuur van deze latere realisaties, een tijdskenmerk waar Paridaens trouwens niet alleen mee staat. Gelukkig genoeg hebben de meest recente ingrepen
aan het Hollandcollege zelf zich in de 20 stc -eeuw in hoofdzaak tot onderhouds- en herstellingswerken beperkt Tijdens de laatste decennia hebben de zusters, die zoals in de andere religieuze instellingen hun aantal zienderogen zagen slinken, zich geleidelijk uit de school en haar beheer teruggetrokken en sinds 1 september 2001 zijn de school en het klooster van elkaar gescheiden. De zusters trokken zich terug in het Hollandcollege en het schoolbestuur verwierf de erfpacht van alle overige gebouwen. Anno 2005 vierde Paridaens zijn tweehonderdjarig bestaan als één van de oudste congregationele meisjesscholen van België. In 2006 werd een mogelijke bescherming van Hollandcollege samen met de meest markante 19 c -eeuwse uitbreidingen als monument onderzocht, op aansturen van de zusters in het licht van de nakende verkoop ervan. Redenen voor een bescherming zijn legio (51). De historische binnenstad van Leuven heeft zwaar te lijden gehad onder de Eerste Wereldoorlog, waardoor het bouwkundig erfgoed van vóór de brand van 1914 vandaag zeldzaam is in vergelijking met andere historische steden in de Nederlanden. Dit op zich is een goede reden om er zeer zuinig mee om te springen, wat nog steeds geen evidentie is. De stad kent sinds een tiental jaren een grote bouwdynamiek en de stedelijke overheid stimuleert investeringen, vernieuwbouw en stadsvernieuwing. Een statuut als beschermd monument biedt daarbij garanties op behoud en integratie. Toen de verkoop van het Hollandcollege werd aangekondigd en bouwontwikkelaars hun interesse voor de site betoonden, besloot de Vlaamse Overheid over te gaan tot opname op de lijst van beschermde monumenten om het opmerkelijke complex voor sloop te vrijwaren en de erfgoedwaarden voor het nageslacht te bewaren via een herbestemming. Samen met het Hollandcollege zijn de belangrijkste delen van het Paridaensinstituut in de bescherming opgenomen. Het college met zijn embryonaal bewaarde, ommuurde tuin en zijn rijk rococo en neorococo interieur, vormt ongetwijfeld het meest markante en gaafst bewaarde 18 e -eeuwse universiteitscollege van Leuven. Het interieur van de bibliotheek en de fraaie rococokapel zijn ondertussen uniek binnen de Leuvense context, waar door de eeuwen heen veel oorspronkelijke interieurs verloren zijn gegaan. Omwille van zijn historische gelaagdheid en connotaties, vormt het college een markant tijdsdocument te meer daar het omwille
van zijn opvallende gaafheid zowel qua typologie, structurele opbouw, ordonnantie als interieurafwerking, een uniek en representatief voorbeeld vormt van een 18 e -eeuws universiteitscollege. O p 21 december 2006 werd het Hollandcollege en de 19 e -eeuwse uitbreidingen bij ministerieel besluit als monument en dorpsgezicht beschermd. In 2007 volgde de verkoop.
EEN VERBORGEN PARFI Met zijn opvallende gaafheid, de gewilde homogeniteit van zijn latere in- en uitbreidingen (op de 20 ste -eeuwse realisaties na!) en zijn uitstekende bewaringstoestand, toont het Hollandcollege mooi aan — en tegelijk is het een pleidooi daarvoor - dat wie in de omgang met een historisch gebouw de zorg en het respect bij het gebruik, het onderhoud en de eventuele aanpassingen laat primeren, het ook de grootste kans biedt om het de tand des tijds goed te doorstaan. Het is een illustratie van een meer dan twee eeuwen volgehouden respect voor traditie en gebruik, waarbij noodzakelijke aanpassingen gebeurden door enerzijds zeer behoudzaam in het interieur van het gebouw in te grijpen zonder het te verminken en anderzijds naast het gebouw bij te bouwen in een stijl die perfect aan het bestaande aansloot, met behoud van ontwerpkorrels als verdiepingshoogte, ritmering, materiaalgebruik en maatvoering in plaats van het simpelweg te slopen en te vervangen, zoals dat vandaag de dag gemakshalve al te ras wordt gedaan. De 19 ^eeuwse opdrachtgevers en hun architecten stelden zich bewonderenswaardig ondergeschikt op aan het bestaande en hebben getracht om geest en sfeer ervan te respecteren. De gebruikers hebben hun gebouw twee eeuwen lang gekoesterd en zorgvuldig behoed voor verval, zonder ophef en misbaar.
Helemaal in diezelfde geest bleef de hoge Lodewijk XVI poort van het Hollandcollege al die tijd discreet gesloten voor buitenstaanders en bewaarde daarmee haar geheim en schoonheid, zoals een oester haar parel. Maar de meedogenloze moderniteit bereikte ook het college en momenteel staat de integrale herbestemming ter discussie. O p de nieuwe eigenaar rust de zware verantwoordelijkheid het voorbeeld na te volgen van zijn voorgangers en even zorgvuldig, behoed- en behoudzaam om te gaan met het oude college.
(12) VAN EVEN E., op.cit.; p. 597: „me matsen avec des jardinages, estableries et les appartenances, située en la ville de Louvain, sur Ie
Dieter Nuytten zorg, Agentschap
is erfgoedconsulent R-0
Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven-
Vlaanderen,
monumentenOnroerend
regioverantwoordelijke
Vilvoorde
Merchet des bestes, appelée la belle Nostre-Dame, laquelle maisons est dévolu sur dame Philippa par l'obits et trépas de feu noble homme seigneur Antoine de Luyminghe, baron de Wange, ... » (13) Rijksarchief Leuven (RAL), Oude Universiteit, 3887. Deze poort werd nadien verschillende malen vernieuwd, in 1706 en 1773 zodat de huidige poort van recentere datum is. (14) Het plein dankt zijn naam aan pater Damiaan die intrad in het Leuvense klooster van de Picpussen, waarvan de aan Sint-Anto-
FINDNOTEN
nius gewijde kapel aan het andere einde van het plein ligt. Het plein heette voordien dan ook ook Sint-Antoniusplein. Het
(1)
PAESMANS G., Leuven, Pater Damiaanplein 9. het vm. Hollands College, thans Paridaensinstituut (onuitgegeven beschermingsdossier), Archiefdienst Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed, Leuven.
(2)
(3)
(16) Het lijkt om een soort cementering te gaan, waarin schijnvoegen zijn getrokken. Dergelijke bepleistering was eerder gebruikelijk
Monumenten- en Landschapszorg), Antwerpen, 2004.
in de 19 c of vroege 20!I1 eeuw. Hoe het bovenste geveldeel in de
Met dank aan Prof. Jan Roegiers (KUL), Anne Verbrugge (Dienst
18 c eeuw was afgewerkt, is vandaag niet geweten.
(9)
Bouwgeschiedenis en restauratie van het voormalige Gastenkwartier van de Abdijsite van Vlierbeek te Kessel-Lo, in M&L (Monumenten,
18 c-eeuwse toestand van het gebouw. Dank ook aan Chris De
Landschappen & Archeologie), jg. 26, nr. 6, 2007, p. 6-29.
Maegd voor inhoudelijk nazicht en redactie van deze bijdrage.
(8)
(17) NUYTTEN D. m.m.v. DE CLERCQ L. en STEVENS P.,
januari 2009 en voor het aanreiken van informatie omtrent de
(4) PAESMANS G., De llT-eeuwse universitaire colleges te Leuven,
(7)
eens in Gobertangesteen uitgevoerd.
daensinstituut. Pater Damiaanplein, Leuven, (onuitg. practicum
Kunstpatrimonium, KUL) en Suzanne Van Aerschot (Agent-
(6)
genoeg verkocht en volledig gesloopt. (15) De oorspronkelijke kruiskozijnen waren toen vermoedelijk even-
OOMEN E. en THOMAS H., Het Hollandcollege thans Pari-
schap OE) voet het verhelderende gezamenlijke plaatsbezoek in
(5)
klooster van de Picpussen zijde Ramberg werd onlangs spijtig
(18) Zie hierover DE MAEGD C , op.cit., p. 12-32. (19) Het gebouw is sinds 2001 in erfpacht overgedragen van de con-
in M&L (Monumenten & Landschappen), jg. 11, nr. 4, 1992,
gregatie van Maria aan de scholenkoepel vzw Katholieke Scholen
p. 23-33.
aan de Dijle, waarvan het Paridaensinstituut een onderdeel van
CAUDRON J., Het Villerscollege in zijn bouwhistorische context,
uitmaakt, samen met het Sint-Pieterscollege en het Drievuldig-
in VAN BUYTEN L. e.a., Het Villerscollege te Leuven. Geschiede-
heidscollege. Het gebouw, dat in gebruik is als kantoorgebouw
nis, restauratie, bestemming, Brussel, 2002, p. 24-41.
voor de scholenkoepel, werd grondig gerestaureerd in 1987 en
Met inkomsten uit De Dode Handv/orden opbrengsten bedoeld
maakt momenteel opnieuw onderdeel uit van een restauratiedos-
uit bezittingen van kerkgenootschappen of charitatieve instellin-
sier waarbij de Dijle-oevers worden versterkt ter bescherming van
gen zoals armen- en weeshuizen. Verhuur van (kerkelijke) gebou-
het gebouw en zijn funderingen tegen het uitwassen ten gevolge
wen en gronden leveren huur en pacht op, spaargelden en belegd
van de stroming van de rivier.
vermogen brengen rente en dividend op. Geld dat kerkgenoot-
(20) Het anatomisch amfitheater, waar vroeger dissecties voor de stu-
schappen of instellingen ontvangen uit giften en collecten wordt
denten in de medicijnen werden uitgevoerd, is beschermd bij
levend geld genoemd.
ministerieel besluit van 8 juli 1999. VAN ROY D., Leuven, Min-
Zoals gebruikelijk bestaan er verschillende varianten voor de
derbroederstraat, het voormalig anatomisch theater, de toegangspoort
schrijfwijze, die we tot deze vorm uniformiseren.
tot de voormalige botansiche tuin, het voormalig huis Van Ophem
Het Pulcheria stelt een syntactisch probleem, aangezien geen
en het voormalig beeldhouwersatelier Frans Vermeylen, (onuitg. be-
Heilige Pulcheria bestaat. Omdat een andere naam voor dit col-
schermingsdossier, 1 september 1998), Archiefdienst Vlaamse
lege Collegium Pulchrae Mariae is, kan het een schrijffout zijn,
Overheid, Onroerend Erfgoed, Leuven.
tenzij het een samentrekking is van het Latijnse pulcher (fraai,
(21) Het Sint-Annacollege, dat in de jaren 1980 tot 1990 de dienst
mooi, schoon), dat in de vrouwelijke nominatieve vorm pulchra
Onroerend Erfgoed herbergde (toen Bestuur Monumenten en
wordt, en Maria.
Landschappen), werd beschermd bij ministerieel besluit van
DE MAEGD C , De Janseniustoren te Leuven in M&L (Monu-
8 december 2000.
menten & Landschappen), jg. 6, nr. 2, 1987, p. 15.
(22) Het Sint-Ivocollege, dat zwaar te leiden had tijdens de Tweede
(10) HUYBENSG., Leuven. Het Pater Damiaanplein in de kijker naar
Wereldoorlog en tot voor kort de Stedelijke Academie herbergde,
aanleiding van de zaligverklaring van Pater Damiaan, Leuven,
maakt nu deel uit van het pas uitgebreide en heropende Stedelijk
1994, p. 13-31.
Museum Vander Kelen-Mertens, nu herdoopt als 'M'.
(11) VAN EVEN E., Louvain dans Ie passé et dans Ie présent, Leuven,
(23) LEMAIRE R.M. (red.) Bouwen door de eeuwen heen: inventaris
1895 (2001), p. 597-598. Philippa de Luyminghe was gehuwd
van het cultuurbezit in Belgié. Vol. 1: provincie Brabant, arrondis-
met Frans Van der Gracht, heer van Wange en Willebringen.
sement Leuven, Luik, 1971, p. 249.
(24) Rijksarchief Leuven, OUL, 3967 r 365. De tekst vermeldt ook
en uitbreiden. Het complex ondergaat daartoe momenteel op-
"aen den caseyer voor het keten caseyen de plaets voor de latrie-
nieuw een grondige renovatie uit hoofde van de ambitieuze rol
nen als wanneer den put gesuyvert !i" Wat met dit laatste bedoeld
van de instelling als vertegenwoordiger van de staat letland bin-
wotdt is momenteel niet duidelijk.
nen de Europese Unie. De gebouwen en terreinen zijn niet wettelijk als monument beschermd.
(25) Rijksarchief Leuven, OUL, 3967 P 366.
(26) Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, (44) DE MEYER M., Korte historiek van het Paridaensinstituut 1805Brussel, 2003, p. 390 (Lavergne); 526 (Suys). (27) Zie het verder besproken opmetingsplan van 1811.
2005, (onuitg.nota), Leuven, 2005. (45) De kapel werd beschermd bij ministerieel besluit op 21 december 2006. Beschermingsdossier: PAESMANS G., Leuven (Wil-
(28) We baseren ons voor deze paragraaf op de studie van Hans
sele), Albert Woutersstraat 15, de kapel van Bleydenberg, (onuitg.
Thomas in: OOMEN E. en THOMAS H., op.cit., p. 20-22.
dossier), 2005-2006, Archiefdienst Vlaamse Overheid, Onroe-
(29) Rijksarchief Leuven, OUL, nr. 3889. Zie OOMEN E. en
rend Erfgoed, Leuven.
THOMAS H., «/..«>., p. 21. (30) Rijksarchief Leuven, OUL, nr. 3965, P 175 tot 178 v" en P 218
(46) De huidige Bleydenbergschool plant het slopen van het complex
(1731-1734). Zie OOMEN E. en THOMAS H., op.cit., p. 21.
(op de beschermde neogotische kapel na) en vervanging door
(31) Rijksarchief Leuven, OUL, nr. 3965, P 176-177 en 218 r0. Zie
nieuwbouw. In de loop van de 20* eeuw onderging het complex diverse functionele aanpassingen en verbouwingen zodat vooral
OOMEN E. en THOMAS H., op.cit., p. 21.
de vierkante opstelling en een monumentale, 18 '-eeuwse trap
(32) Rijksarchief Leuven, OUL, nr, 3890. Zie OOMEN E. en
nog naar het oude kasteel verwijzen.
THOMAS H., 0/..0V., p. 21. (33) DE MAEGD C , op.cit., p. 15.
(47) Het park van het voormalige kasteel van Beaumont, toebehorend aan de congregatie Dochters van Maria, werd op 22 september
(34) Centrale Bibliotheek KUL. Tabularium, Fonds R. Lemaire, Paridaensmstituut, nr. 1275/16/10 (1885). Zie ook MAES,
1997 tot natuutreservaat verklaard door de Waalse overheid: in
op.ctt, p. 109. Rijksarchief Leuven, OUL, nr. 3965, P 176-177
het park zijn de kelders van het kasteel bewaard.
en 218 r0. Zie OOMEN E. en THOMAS H., op.cit.. p. 22.
(48) SAL, Modern Archief, 71020 (1909); SAL, Kaarten en Plannen,
(35) Leuven, Universiteitsbibliotheek, Tabularium, Archief, Affiche
primitief kadasterplan 1813-1819/1825; SAL, Kaarten en Plan-
401 (1810).
nen, kadasterplan 1850; Prentenkabinet Stedelijk Museum, het Paridaensinstituut in vogelperspectief, G. Welis, na 1895.
(36) Koninklijk Instituut voet het Kunstpatrimonium (KIK) clichénummer A 78137 (objectnummer 11.7334), Plattegrond 1811,
(49) SAL, Modern Archief, 71020 (1909), SAL, Kaarten en Plannen:
een opname van het plan in zwart wit uit 1945. Dit plan werd na
primitief kadasterplan 1813-1819/1825; SAL, Kaarten en Plan-
de verkoop van het Hollandcollege teruggevonden in het gebouw.
nen, kadastetplan 1850; Prentenkabinet Stedelijk Museum, Het Paridaensinstituut in vogelperspectief, na 1895, G. Welis.
(37) Leuven, Universiteitsbibliotheek, Tabularium, Archief, Affiche 401 (1810). Een vermelding van de verkoopsaffiche is reeds ge-
(50) Hij was lang medewetket geweest van de meer bekende neogo-
geven in DE MAEGD C., op.cit., p. 19.
tieker Joris Helleputte (1852-1925), tot hij in 1889 een eigen bureau opzette, dat uiteenlopende opdrachten, ook voor kerkres-
(38) Dit plan werd reeds vermeld in DE MAEGD C , op.cit., p.U-lH. (39) Het verloren gewaande originele plan uit 1811 werd recent
tauraties uitvoerde. Zie VAN LOO A. (red.). Repertorium van de
teruggevonden in het gebouw na de vetkoop ervan door de con-
Architectuur in België van 1830 tot heden. Brussel, 2003, p. 387.
gregatie aan de KUL eind 2008. We wensen hierbij Prof. Jan
(51) PAESMANSG., Leuven. PaterDamiaanplein9. hetvm. Hollands
Roegiers en Anne Verbrugge van de dienst Kunstpatrimonium
College, thans Paridaensinstituut (onuitg. bcschermingsdossier)
van de Universiteit van Leuven te bedanken voot het ter beschik-
Archiefdienst Vlaamse Overheid, Onroerend Erfgoed, Leuven.
king stellen van het plan in functie van voorliggend artikel. Een
(52) Leuven, Universiteitsbibliotheek, Tabularium, Archief, Affiche
duiding van het plan door dr. ir. atch. Dirk Van De Vijver zal
401 (1810). De affiche is reeds vermeld in DE MAEGD C ,
worden opgenomen in het ter voorbereiding zijnde Festschrift dit in het najaar zal verschijnen ter gelegenheid van het emeritaat
op.cit.. p. 19. (53) De volledige tekst is weergegeven in VAN EVEN, op.cit., p. 630-
van Prof. Roegiers.
631.
(40) ANONIEM, Cicercule Paridaens. Mire Marie Thér'ese. Stichtster (54) We bedanken Prof. Jan Roegiers en Anne Verbrugge van de dienst der Filles de Marie, Leuven, 1907; RENOTTE Sr. M.F.Y., Pari-
Kunstpatrimonium van de Universiteit van Leuven om ons dit
daens 1805-1980, z.p., z.d., p. 3-5.
document voor dit artikel te hebben ter beschikking gesteld. Het plan zal tevens onderwerp uitmaken van een gepland artikel van
(41) LEMAIRE R.M. (red.). Bouwen door de eeuwen heen: inventaris van het cultuurbezit in België. Vol.l: provincie Brabant, arrondis-
dr. ir. arch. Dirk Van De Vijver in het kader van een te verschijnen
sement Leuven, Luik, 1971, p. 234.
Festschrift (Liber Amicorum) ter ere van het emeritaat van Prof.
(42) DOM is de geijkte afkorting van de Latijnse spreuk Deo Optimo Maximo: aan God, de Opperste en de Grootste. (43) Het grootste deel van het gebouwencomplex wordt momenteel gebruikt door het Leuvens Instituut voor Ierland in Europa die de bestaande infrastructuur opnieuw grondig wil moderniseren
Roegiers. We kijken vol verwachting uit naat dit artikel, dat mee zal bijdragen aan een correcte waardestelling van het interieur van het Hollandcollege. (55) Met dank aan tuinkunsthistorica Chris De Maegd voor deze mededelingen.
SUMMARY Aviation archaeology versus heritage management For almost two decades persons and associations in Flanders have been active in the field of aviation history and archaeology. Their research is mainly focused on the world conflicts from the 20th century. It is in those periods that aviation technology made large leaps forward. Moreover, during W O II planes were produced on a formerly unseen scale and were used massively in battle. Amateur researchers try to localise planes that were lost as accurately as possible and have been building an inventory of crash sites. But they also excavate remainders of planes that still lie in the soil. From the point of view of professional archaeologists this is not in accordance with archaeological management and practice. O n the other hand the regular heritage institutions have never shown any interest for this particular aspect of our past. T h e question rises whether we should consider and treat crash sites as archaeological heritage or not. The 20th century and W O II in particular, is a well documented period of which we seemingly know everything. Will researching and excavating these crash sites force our history books to be rewritten? It probably won't. T h e larger merit of heritage care situates itself on micro scale. It's the past around the corner, the little stories of history that are about to be forgotten, from which heritage care gathers its strength, and arouses most interest among the people. Crash sites have significance for remembrance, commemoration, their cultural value as historic artefacts and the information they contain about both the circumstances of the loss and of the aircraft itself. Crash sites may on occasion also contain human remains, giving them additional value and status as sacred sites and war graves. Therefore crash sites are considered to be archaeological sites. But within the broad spectrum of heritage management in Flanders they're a bit of an awkward case. There are a lot of questions about conservation, management and excavation that remain unanswered. However an adapted management seems to be required. Seemingly there are no rational arguments for in-situ conservation. This measure was established to protect archaeological sites and their inherent information. But applied to crash sites it could in fact lead to the irrevocable loss of vital information, which holds the key to identification of lost planes and aircrew still missing. This measure of in-situ conservation should be replaced with striving towards optimal conservation, and needs to be questioned case by case. For most crash sites excavating seems to be appropriate. Between the Agency for Town and Country Planning and Immovable Heritage and some aviation archaeology associations a protocol was established that properly takes into account the archaeology decree but also approaches to the specific character and needs of crash sites. In the protocol appointments were incorporated concerning inventory, conditions for obtaining an excavation license and deontology. Some associations now plan to establish an
umbrella organisation, much like the British Aviation Archaeology Council (BAAC). This association would not only aim at aviation archaeology, but at aviation history and - patrimony in general. The government welcomes this initiative warmly. Hopefully in the nearby future this umbrella organisation will operate as a valuable partner in managing aviation heritage and become a quality guarantee for research and excavation of crash sites.
The Town Hall o f Menen T h e recently finished Menen town hall proves that sound contemporary architecture and monument care are not necessarily incompatible. The design shows respect for the historical building heritage: an 18th century representative building around an open courtyard, and a major 19th century addition, completing the building complex, together with the historical belfry. With this design the architects wished to preserve the original structures, to repair where possible and to add a radically modern building phase. The modern requirements necessitated very contemporary modifications of the historical buildings. Precisely because these modifications were done in such a modern way, an interesting contrast was created: the historical buildings and elements preserve their "genius loci" and still gain in power due to the subtle interaction with uncompromising modern and sound new options in design. A building which had been unrecognizably transformed by ill-considered and ad hoc transformations, was reshaped with craftsmanship, patience and delicate design options by the architects, into a new town hall which fully earns its position as the town's principal building T h e heritage values inherent to this building were hereby rightly valued, what's more, they've become its trumps. This makes that Menen now disposes of an intelligently restored historical town hall, which on top of that meets the many needs of a modern administration for its accommodation as well as its appearance.
M&L
for the Harlem diocese. Two other but similar colleges in Leuven were the now disappeared Willibrordus College (diocese of 's-Hertogenbosch) and the Hoge Heuvel ("High Hill") Co//^f (archbishopric Utrecht).
The Holland College T h e historical centre of Leuven has heavily suffered from World War I which makes the architectural heritage dating from prior to 1914 rather rare in comparison with other historical cities of the Low Countries. This in itself is a good reason for taking good care of it, not an easy matter in the actual dynamics of major buildings and investments. Fortunately a listing for protection by the higher authorities provides a safeguard for conservation and integration. W h e n the sale of the former Holland College was announced and property developers showed interest for the site, the Flemish Government decided to list it as a protected monument with a view to prevent its demolition and to preserve its heritage values for future generations through a new purpose of this building, the second one in the history of the building in its present form. Until its recent sale, the College was part of a large complex of school buildings from the Paridaens Institute. Together with some 19th century buildings, it was part of a valuable centre of historical buildings. Another name for the Holland College was the Harlem College, since it used to be an education centre in philosophy and theology for priests from the Harlem diocese (the former region called Holland, the actual Dutch provinces North- and South-Holland). T h e college was founded in 1617 in order to form a legion of catholic priests for an apostolate in the northern part of the Low Countries. Since the actual separation of the pluralist Low Countries (1 585) these parts (the centre of the present country Holland) were becoming more and more protestant, while the South (throughout the centuries reduced to what is now Belgium) became more catholic. For the latter the Catholic University of Leuven more or less automatically became a major education centre for the catholic clergy. In order to accommodate the students , Colleges or study houses were founded: the Holland College was meant
T h e Holland College was established in the Uten Lieminghe mansion dating from 1511, a prestigious and large complex in the city centre. From its foundation until 1624, Cornelius Jansenius(l5&'i-\G'5&), thefounder of the religious doctrine of the same name, was the president of he Holland College. In 1618 he built the Jansenius tower in the back of the college garden on the foundations of one of the towers of the 12th century water gate on the Dyle river. Numerous donations from the Harlem diocese made the Holland College grow into one of the richest and most prestigious of the entire Leuven University. In 1754-1757 Uten Lieminghe is built out to the monumental building around the courtyard as we know it today. T h e design was done by the Leuven architect Jacques-Antoine Hustin (1709-1787). T h e remains of the old mansion are still clearly recognizable. T h e College, with its embryonically preserved walled garden and its rich rococo and neorococo interior, is without doubt the most remarkable and best preserved 18' century university college in Leuven. T h e library's interior and the magnificent rococo chapel have in the meantime become unique in Leuven, where many of the original college interiors were lost throughout the centuries. Because of its historical stratification and connotations, the College is a remarkable time document whereas the striking integrity concerning typology, structural design, ordinance and interior finishing, make it a unique and representative example of an 18' century university college.
T h e Holland College was suppressed during the French Revolution and later sold by auction. T h e new owners, the Sisters of the Daughters of Mary's Congregation have carefully kept it from decay. This is proof of how meticulous and respectful use and care of an historical building is the best way of withstanding the centuries. T h e College's high Louis XVI gate stayed closed for a long time, thus keeping its secret like an oyster holds its pearl. But modern times have also reached this complex, and a new purpose is actually being discussed. T h e new owner will bear the heavy responsibility of taking care of the building just as carefully and cautiously as his predecessors.
I IIP