Uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2020/291
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 09 oktober 2020 diende xxx een verzoek in bij het kabinet van Vlaams minister Diependaele, Vlaams minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, waarbij werd verzocht om een afschrift te verlenen van de volgende documenten voor de periode 1 januari 2013 tot en met 09 oktober 2020:
“(…) alle documenten en correspondentie, in welke vorm ook (e-mails, brieven, notulen, beleidsdocumenten, geluids- en video-opnames, eventuele bijlagen, etc.), die kunnen beschouwd worden als milieu-informatie en/of energiebeleid en over de periode van 01/01/2013 tot en met 09/10/2020 uitgewisseld tussen het kabinet van de Vlaams Minister van Financiën (de huidige en zijn voorgangers) en: Ondernemingen waarvan duidelijk is of u bekend is dat zij deel uitmaken van Exxon Mobil Petroleum & Chemical en van Total Belgium; Fédération Belge de l'Automobile & du Cycle (FEBIAC Asbl); Belgische Federatie der Brandstoffenhandelaars (Brafco); Fédération Pétrolière Belge (FPB) ; Traxio ; De Minister-President van de Vlaamse Regering en zijn kabinet; De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme en zijn kabinet.” Het kabinet van Vlaams minister Diependaele heeft nagelaten om binnen de decretaal voorgeschreven termijn een beslissing te treffen.
www.vlaanderen.be
Op 5 november 2020 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen de ontstentenis van beslissing vanwege het kabinet van Vlaams minister Diependaele. Dit beroep werd geregistreerd op 9 november 2020. Ontvankelijkheid van het beroep Het oorspronkelijk verzoek dateert van 9 oktober 2020. Op de datum van het ingestelde beroep, was de in artikel II.43, §1, 2e lid van het Bestuursdecreet bepaalde beslissingstermijn van 20 kalenderdagen verstreken. In overeenstemming met artikel II.48, §1 van het Bestuursdecreet heeft de termijn om een beroep in te stellen, ingevolge het uitblijven van een tijdige beslissing, geen aanvang genomen. Het beroepschrift van 5 november 2020 werd tijdig ingediend en is bijgevolg ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Inhoud van het beroepschrift
xxx geeft aan dat ze geen antwoord heeft ontvangen binnen de decretale termijn van 20 kalenderdagen noch een bericht dat de termijn werd verlengd.
2. Toelichting door het kabinet van Vlaams minister Diependaele De beroepsinstantie nam op 25 november en 2 december 2020 contact op met het kabinet van Vlaams minister Diependaele om nadere toelichting te verkrijgen. Bij mailberichten van 30 november 2020 en 2 december 2020 werd nadere info ontvangen.
3. Standpunt van de beroepsinstantie De beroepsinstantie stelt vooreerst vast dat met het openbaarheidsverzoek d.d. 9 oktober 2020 een aantal documenten worden opgevraagd die dateren van vóór 2 oktober 2019 en dat het kabinet van minister Diependaele pas een overheidsinstantie is sinds 02/10/2019 (moment van de eedaflegging van de Vlaamse Regering). Hieromtrent is de beroepsinstantie van oordeel dat, gezien de vraagstelling van de beroeper effectief gericht is aan het kabinet van de heer Diependaele in zijn hoedanigheid van Vlaams minister van Financiën en gezien ook het voorwerp van de vraagstelling in de initiële vraagstelling in die zin wordt aangegeven: “Alle documenten en correspondentie, in welke vorm ook, (…) uitgewisseld tussen het kabinet van de Vlaams minister van Financiën (de huidige en zijn voorgangers)”, het inderdaad zo is dat de heer Diependaele pas sinds 02/10/2019 Vlaams minister van Financiën is, wat maakt dat er geen documenten tussen het kabinet van de heer Diependaele in die hoedanigheid, en de diverse bestemmelingen bestaan van vóór 02/10/2019. Het gaat aldus om documenten die zijn kabinet niet in het bezit heeft. Bijgevolg heeft het verzoek, in de mate dat het betrekking heeft op de tijdspanne van 1 januari 2013 tot 2 oktober 2019, betrekking op documenten die geen bestuursdocumenten zijn in de zin van het Bestuursdecreet. In artikel
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
pagina 2 van 7
I.4, 3° Bestuursdecreet wordt de term “bestuursdocumenten” immers gedefinieerd als: “alle informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie”. De beroepsinstantie stelt bijkomend vast, op basis van informatie ontvangen in het dossier van de beroepsinstantie OVB/2020/266, dat het kabinet van minister Diependaele aan de beroepsinstantie bij mail van 19 oktober 2020 heeft meegedeeld dat het kabinet evenmin in het bezit is van documenten die van vóór 02/10/2019 dateren omdat er geen overdracht is geweest van het vorige kabinet. Het beroep is bijgevolg, in de mate dat het betrekking heeft op documenten in de tijdspanne van 1 januari 2013 tot 2 oktober 2019, ongegrond. In het dossier OVB/2020/222 heeft de beroepsinstantie reeds vastgesteld dat uit de ingewonnen informatie volgt dat er geen correspondentie is geweest tussen het kabinet van minister Diependaele en Exxon, Total, Brafco en FPB in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 juli 2020. In de toelichting aan de beroepsinstantie van respectievelijk 30 november 2020 en 2 december 2020 heeft het kabinet van minister Diependaele aan de beroepsinstantie meegedeeld dat het kabinet niet beschikt over bestuursdocumenten uitgewisseld tussen het kabinet en Exxon, Total, Brafco en FPB in de tijdspanne 27/7/2020-09/10/2020 en in de tijdspanne 01/10/2019-01/03/2020. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het recht op openbaarheid kan aldus maar uitgeoefend worden voor zover het gaat om informatie die gematerialiseerd werd op een drager. In casu wordt evenwel vastgesteld dat het kabinet van Vlaams minister Diependaele niet in het bezit is van de gevraagde documenten. Er kan dan ook geen afschrift van worden verleend. Het beroep is bijgevolg, wat betreft de bestuursdocumenten uitgewisseld tussen het kabinet van minister Diependaele en Exxon, Total, Brafco en FPB, in de tijdspanne 01/10/2019 en 09/10/2020, ongegrond. In de toelichting aan de beroepsinstantie d.d. 30 november 2020 heeft het kabinet aangegeven dat het kabinet niet beschikt over bestuursdocumenten uitgewisseld tussen het kabinet en Traxio in de tijdspanne 27/7/2020-09/10/2020. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Het recht op openbaarheid kan aldus maar uitgeoefend worden voor zover het gaat om informatie die gematerialiseerd werd op een drager. In casu wordt evenwel vastgesteld dat het kabinet van Vlaams minister Diependaele niet in het bezit is van de gevraagde documenten. Er kan dan ook geen afschrift van worden verleend. Het beroep is bijgevolg, wat betreft de bestuursdocumenten uitgewisseld tussen het kabinet van minister Diependaele en Traxio, voor wat de tijdspanne 27/7/2020-09/10/2020 betreft, ongegrond. De beroepsinstantie werd in kennis gesteld van het feit dat door het kabinet van Vlaams minister Diependaele aan de beroeper alsnog op 3 december 2020 de hierna vermelde documenten werden toegestuurd, mits weglating van een aantal persoonsgegevens, in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet: - Mailverkeer met bijlage tussen het kabinet van Vlaams minister Diependaele en Traxio d.d. 6 en 7 april 2020; - Mailverkeer tussen het kabinet van Vlaams minister Diependaele en FEBIAC., met de twee bijhorende bijlagen De beroepsinstantie heeft een afschrift ontvangen van de mail d.d. 3 december 2020 waarmee de voormelde documenten werden bezorgd aan de beroeper. De beroepsinstantie stelt dan ook vast dat het ingestelde
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
pagina 3 van 7
beroep, wat betreft de op 3 december 2020 openbaar gemaakte bestuursdocumenten, als zonder voorwerp moet worden beschouwd. Door het kabinet van Vlaams minister Diependaele werd aan beroeper meegedeeld dat de namen van de natuurlijke personen in het mailverkeer m.b.t. FEBIAC en Traxio onherkenbaar werden gemaakt. Hiervoor werd verwezen naar de toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. De beroepsinstantie sluit zich aan bij die zienswijze. Voormeld decreetartikel bepaalt dat een verzoek tot openbaarmaking moet worden afgewezen indien de openbaarmaking afbreuk zou doen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hoewel het hier om een absolute uitzonderingsgrond gaat, waardoor er geen belangenafweging moet plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, vertoont de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond niettemin een relatief aspect. De decreetgever is weliswaar van oordeel dat er geen afweging vereist is met het openbaar belang dat met de openbaarheid is gediend (wat nogmaals uitdrukkelijk werd bevestigd in een recent arrest van de Raad van State, RvS, arrest nr. 243.607 van 7 februari 2019, TBP 2019/6, 339: “Zoals reeds overwogen, moet er geen belangenafweging plaatsvinden tussen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang met het belang van de openbaarheid, en de weigering tot openbaarmaking moet niet door deze belangenafweging worden gemotiveerd.”), maar wijst er desondanks op dat telkens en in concreto geoordeeld moet worden of er al dan niet een inbreuk is gepleegd op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vlaams Parlement, Parl. St. 2017-2018, nr. 1656/1, blz.58). Artikel 22 van de Grondwet waarborgt uitdrukkelijk het recht op eerbiediging van het privéleven, net zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dit doet. De bedoeling en het fundamentele uitgangspunt van de in artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet bedoelde uitzonderingsgrond bestaat er precies in om het aan iedereen toegekende grondwettelijke recht op de eerbiediging van zijn privéleven te beschermen. De beroepsinstantie merkt op dat bij het onderzoek naar de uitzonderingsgrond met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van informatie in een bestuursdocument die op de persoonlijke levenssfeer betrekking heeft. De namen van de natuurlijke personen die vermeld worden in het opgevraagde mailverkeer, behoren ontegensprekelijk tot het privéleven van de betrokkenen en het privéleven vormt de kern van de persoonlijke levenssfeer (F. SCHRAM, Het decreet openbaarheid van bestuur. Een juridische analyse in historisch perspectief, Brugge, Vanden Broele, 247; Concl. Adv.Gen. bij HvJ 8 april 2014, nr. C-293/12, Digital Rights Ireland Ltd, nr. 61). Het openbaar maken van deze gegevens (de namen van natuurlijke personen) heeft aldus betrekking op de kern van een belang – het door artikel 22 van de Grondwet en het door artikel 8 EVRM aan eenieder toegekende recht op eerbiediging van zijn privéleven – dat de uitzonderingsgrond uit artikel II.34, 2°, van het Bestuursdecreet wenst te beschermen tegen de openbaarheid van bestuur (RvS, nr. 234.609 dd. 2 mei 2016). De beroepsinstantie is dan ook van oordeel dat de mededeling van de namen van de natuurlijke personen uit het mailverkeer afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die natuurlijke personen en dat deze gegevens dan ook moeten worden afgeschermd in toepassing van artikel II.34, 2° van het Bestuursdecreet. Artikel II.50, §1, derde lid van het Bestuursdecreet laat toe aan de beroepsinstantie om aan de betrokken natuurlijke personen om toestemming te vragen voor het openbaar maken van hun namen en adresgegevens. Bij gebrek aan gegevens van deze natuurlijke personen heeft de beroepsinstantie in casu deze personen niet gecontacteerd.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
pagina 4 van 7
De beroepsinstantie moet dan ook vaststellen dat het ingestelde beroep als ongegrond moet worden beschouwd, wat betreft de op 3 december 2020 onleesbaar gemaakte informatie (de namen van natuurlijke personen) in het mailverkeer tussen het kabinet van Vlaams minister Diependaele enerzijds en FEBIAC en Traxio anderzijds. Bijkomend dient ook vastgesteld te worden dat, zoals blijkt uit het dossier OVB/2020/222, bij mailbericht d.d. 14 september 2020 het mailverkeer tussen het kabinet van Vlaams minister Diependaele en FEBIAC, met twee bijhorende bijlagen, reeds aan de beroeper werd bezorgd, zodat, wat deze documenten betreft, het beroep eveneens als zonder voorwerp moet worden beschouwd Het kabinet heeft tevens aan de beroepsinstantie meegedeeld dat het kabinet voor het overige geen bestuursdocumenten heeft uitgewisseld met Traxio. Evenmin wordt door het kabinet aangegeven dat er andere bestuursdocumenten, dan diegene die aan de beroeper werden bezorgd bij mailberichten d.d. 14 september en 3 december 2020, beschikbaar zijn in de gevraagde tijdspanne. Zo wordt ook in het mailbericht van 3 december 2020 aan de beroeper meegedeeld: “U heeft nu een compleet beeld van al onze
contacten met Febiac, zowel voor wat betreft de correspondentie, als de uitgewisselde bestuursdocumenten.” Er kan dan ook geen afschrift ervan worden verleend. Het beroep is daaromtrent bijgevolg ongegrond.
In de toelichting aan de beroepsinstantie van 30 november 2020 geeft het kabinet aan dat “Voor wat betreft alle documenten en correspondentie met de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme en de leden van haar kabinet, oordelen we dat het verzoek van xxx onredelijk is. Wat ons betreft is de vraag te omslachtig en te generiek geformuleerd waardoor de kwantiteit van het aantal documenten en de correspondentie van en tussen al de betrokken kabinetsleden veel te groot is om te gaan screenen op de eventuele mogelijke toepassing van wettelijke en decretale uitzonderingsgronden. We hebben hiervoor gewoonweg te weinig mankracht.”. In de bijkomende
toelichting d.d. 2 december 2020 deelt het kabinet mee dat dezelfde redenering gevolgd wordt voor wat betreft de uitgewisselde bestuursdocumenten met de minister-president van de Vlaamse Regering en zijn kabinet en vervolgt: “Ook voor wat betreft het volume aan bestuursdocumenten dat we uitgewisseld hebben met de minister-president, oordelen we dat de vraag van xxx onredelijk is.”. De beroepsinstantie stelt vast dat het kabinet, wat de tijdsperiode 2 oktober 2019 tot en met 9 oktober 2020 betreft, voor wat betreft de bestuursdocumenten uitgewisseld tussen het kabinet van minister Diependaele en de minister-president van de Vlaamse Regering en zijn kabinet enerzijds en de Vlaamse minister van Justitie, Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme anderzijds, impliciet beroep doet op de uitzonderingsgrond vermeld in artikel II.33, 1° Bestuursdecreet. Volgens artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet kan een overheidsinstantie een openbaarheidsverzoek afwijzen wanneer de aanvraag kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42. Hierbij dient de beroepsinstantie alvast op te merken dat het kabinet geen verzoek tot herformulering heeft gedaan aan de beroeper, wat nochtans voorzien wordt in artikel II.33, 1° Bestuursdecreet. De beroepsinstantie is hieromtrent van oordeel dat het verzuim om met de aanvrager in dialoog te treden, in casu, gelet op de concrete omstandigheden, geen sanctie moet opleveren. De afwezigheid van een dergelijk verzoek tot herformulering van de aanvraag is in casu geen grond voor de beroepsinstantie om het beroep in te willigen en de openbaarmaking waartegen een uitzonderingsgrond zich verzet, te bevelen. De beroepsinstantie dient vast te stellen dat de scope zowel wat betreft de periode als het onderwerp, veel ruimer is dan het verzoek van de beroeper zoals behandeld in het dossier OVB/2020/266. De beroepsinstantie stelt immers vast dat met dit nieuwe verzoek wordt gevraagd naar een afschrift van alle
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
pagina 5 van 7
documenten en correspondentie, in welke vorm ook (e-mails, brieven, notulen, beleidsdocumenten, geluidsen video-opnames, eventuele bijlagen, etc.) die kunnen beschouwd worden als milieu-informatie en/of energiebeleid. Bij het vorige verzoek d.d. 26 augustus 2020 (dossier OVB/2020/266) werd de scope nog “beperkt” tot een opsomming van 19 thema’s, terwijl nu met het nieuwe openbaarheidsverzoek wordt gevraagd naar “alle documenten en correspondentie die kunnen beschouwd worden als milieu-informatie en/of energiebeleid”, zonder enige beperking qua thema of onderwerp. Op grond van de ontvangen toelichting van het kabinet Diependaele, kan de beroepsinstantie wel inzien dat het voldoen aan het huidig verzoek van de beroeper, gelet op de omvang ervan en de nodige tijdsbesteding hieraan, een significante impact heeft. Er kan voor de beroepsinstantie dan ook geen twijfel over bestaan dat het zeer zeker een enorm intensief en tijdrovend werk zou zijn om - gezien de scope van het verzoek: de verwijzing naar alle documenten en correspondentie die kunnen beschouwd worden als milieu-informatie en/of energiebeleid in het openbaarheidsverzoek en de tijdsperiode waarop het verzoek betrekking heeft - de wellicht grote hoeveelheid aan documenten te verzamelen door de kabinetsmedewerkers (naast de minister bestaat het kabinet uit 25 medewerkers, inclusief chauffeurs, bode, receptionisten en keukenpersoneel) en dan nog eens te gaan screenen op de eventuele mogelijke toepassing van wettelijke en decretale uitzonderingsgronden Een grondige en gedetailleerde screening van een grote hoeveelheid aan documenten is hier aan de orde. De beroepsinstantie sluit zich hierbij ook aan bij de toelichting van het kabinet zoals hierboven geformuleerd. Gezien de diverse bevoegdheden en de daarmee gepaard gaande opdrachten en taken van het kabinet van minister Diependaele, alsook gezien de uitdagingen die de huidige gezondheidscrisis met zich meebrengt, is het duidelijk dat het kabinet over te weinig mankracht beschikt om het werk voor deze screeningsopdracht uit te voeren. In casu wijst de beroepsinstantie dan ook op het kennelijk onredelijk karakter van dit onderdeel van dit openbaarheidsverzoek. Het voorwerp is dan ook dermate omvangrijk – zoals hierboven weergegeven - dat de aanvraag als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd, omdat het verzamelen en de screening van al die documenten met het oog op de eventuele mogelijke toepassing van wettelijke en decretale uitzonderingsgronden een enorm en overdreven tijdrovend werk zou inhouden voor de betrokken instantie. Artikel II.40, §3 van het Bestuursdecreet bepaalt dat een verzoeker in principe geen belang hoeft aan te tonen om de openbaarheid van bestuursdocumenten te verkrijgen. Dit betekent evenwel niet dat er geen redelijk belang aanwezig moet zijn: het uitoefenen van een recht zonder enig aantoonbaar redelijk en voldoende belang kan als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Het komt een overheidsinstantie of de beroepsinstantie in principe niet toe om de motieven van de aanvragen of van de beroepen te onderzoeken. Dit kan echter geen vrijgeleide zijn om een dermate grote hoeveelheid documenten aan te vragen, waardoor een onredelijke werkoverlast ontstaat voor de instantie en waardoor de normale werking ervan in het gedrang komt. Het grondwettelijke recht op openbaarheid van bestuur is een instrument dat de burgers moet toelaten controle uit te oefenen op het handelen van het bestuur. Het moet de burgers in staat stellen de rechtmatigheid van het overheidsoptreden te beoordelen en met kennis van zaken te beslissen of er grond bestaat dat optreden in rechte aan te vechten. De beroepers hebben aldus het volste recht gebruik te maken van de openbaarheid van bestuur om het doen en laten van bepaalde bestuursinstanties betreffende aangelegenheden die ze zich ter harte hebben genomen, na te gaan. Zij zijn er echter niet van ontslagen om hun rechten op redelijke en zorgvuldige wijze uit te oefenen. Het belang dat de beroepers bij de uitoefening van hun rechten hebben, moet in redelijke verhouding staan met de gevolgen voor de werking van de diverse bestuursinstanties. De beroepsinstantie stelt vast dat dit onderdeel van het
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
pagina 6 van 7
openbaarheidsverzoek in casu evenwel een al te ruime omvang heeft. Het voorwerp is dermate omvangrijk en de toetsing van alle documenten aan de uitzonderingsgronden is zo tijdrovend, dat deze aanvraag dan ook als kennelijk onredelijk moet worden beschouwd. Na billijke afweging van ieders belangen, komt de beroepsinstantie, gelet op wat hiervoor werd uiteengezet, dan ook tot de conclusie dat dit onderdeel van het openbaarheidsverzoek moet worden afgewezen in toepassing van artikel II.33, 1° van het Bestuursdecreet. Het voordeel van de informatie die beroeper bekomt weegt kennelijk niet op tegen de last die het inwilligen van deze omvangrijke aanvraag inzake openbaarheid van bestuur zou veroorzaken voor de betrokken instantie (kabinet van minister Diependaele). Om deze redenen wordt het beroep, in de mate dat het betrekking heeft op de bestuursdocumenten uitgewisseld tussen het kabinet van minister Diependaele en de minister-president van de Vlaamse Regering en zijn kabinet enerzijds en de Vlaamse minister van Justitie, Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme anderzijds, voor de tijdsperiode 2 oktober 2019 tot en met 9 oktober 2020 eveneens als ongegrond beschouwd. Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 5 november 2020 tegen de ontstentenis van beslissing vanwege het kabinet van Vlaams minister Diependaele wordt als ontvankelijk doch deels zonder voorwerp, deels ongegrond beschouwd. Brussel, 4 december 2020 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2020/291
pagina 7 van 7