:m
^ H H
^ , • * . _
—> I /^K?§K\ -
V
é
^!*&
BÜ^^^^
«
THIV
^A ƒ
'^^^^SSfc:
*wr
^
^ \ \
^^,
».
**«•»
' >
1 ,
•
rv
Vi
1
v .•f^'
LANDSCHAPPEN
IEI-JUNI 199
i
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (09) 222 22 39 - 222 20 48 / Fax (09) 220 27 75
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Afdeling Monumenten en Landschappen
MONUMENTEN
Afgiftekantoor: Brussel X
EN
LANDSCHAPPEN Redactie Afdeling Monumenten en Landschappen, Pers & Voorlichting. Zandstraal 3, 1000 Brussel. Tel.: (02) 209 27 37 - Fax: (02) 209 27 05. Eindredactie: M.M. Celis. Vormgeving en productie: L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Redactlecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans. J. Bracken, M. Buyle, M.M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, J. Gyselinck. A. Malliet, G. Plomteux, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthillo, L. Wylleman. Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050) 36 25 89 - Fax: (050) 37 33 64.
ISSN 0770-4948 •
15 jaargang Nr. 3 •
mei-juni 1996
Inhoud De vloeiweiden of watering te Lommel-Kolonie Hubert Bats Hout in dienst van de ideologie De restauratie van het meubilair van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek te Kortenbos Marjan Buyle, Christine Vanthillo en Hugo Vanden Borre
29
Het biechtgestoelte van de Antwerpse Sint-Pauluskerk Jan Van Damme
38
De luister van polychromie: twee eclectische salondecoraties te Brussel Anne de Bardzki m.m.v. Jo Braeken
50
Summary
63
M&L Binnenkrant Druk Die Keure Oude Gentweg 108,8000 Brugge Tel.: (050) 33 12 35 - Fax: (050) 34 37 68. Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack Zandstraat3, 1000 Brussel De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1996 België: 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen: 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 091-2206040-95 van Monumenten & Landschappen, Zandstraal 3, 1000 Brussel met vermelding "M&L-jaarabonnement 1996". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
Cover: Barokke biechtstoel in de lambrisering van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen, na de restauratie (foto O. Pauwels)
ff
Rempffers
Bouwchemie B«V»
Uw partner voor totale bouwbescherming Onze produkten vinden hun toepassing bij: restauratie, monumentenzorg, renovatie, onderhoud, nieuwbouw, ... • Funcosil Gevelrenovatie - zachte reiniging d.m.v. micronevelreinigen - steenverstevigers- en hydrofoberingsprodukten - anti-grafittisystemen - siliconenemulsie en silicaatverven • Funcosil natuursteen- en restauratiemortels • Aida Kiesol injectie optrekkend vocht, epoxy-injecties • Aidol houtbescherming en polymeerchemische balkkoprestauratie • Viscacid kunststofvloeren epoxy/polyurethaan • Betonreparatiesystemen mineraal/epoxy • Aida kelderafdichting binnen-Zbuitenzijde • Hulpstoffen voor beton en mortel • Invoerder sierpleisters Prolifix-Lafarge Industriepark 20 2220 HEIST-OP-DEN-BERG 161.(015)24 19 68 fax (015)24 28 60 Documentatie of gratis advies op aanvraag!
Kunstatelier
Gerard Thienpont bvba Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen Beeldhouwwerken • hout en steen Decoratieve schilderwerken Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilair
PRÖFIEL RESTAURATIE & MONUMENTENZORG
Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52
RESTAURATIE $ RENOVATIE van H O U T E N R A M E N . D E U R E N en andere konstrukties special teit: H O U T E N K O Z U N R A M E N ref: Begijnhof HOOSSTRATEN
Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)
(zie M$L-nov.-dec. 1995)
ONDERZOEK & BEHANDELING
VLEUGELS
V A N AERTSELAERSTRAAT 53> 2 3 2 2 HOOGSTRATEN Tel.: (OS) 314-4-7 SO Fax: (OS) 314-23 5 7
Lauwers M. Van Der Biest L. Vandenborre H. FAX
09/372 03/771 09/372 09/372
63 44 63 63
03 66 03 03
P. MUS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEEN KAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ E3-Laan 49 - 9800 DEINZE
Tel. : (09) 386 07 63 - 386 61 50 F a x : (09) 386 04 15
België's enigste, oudste en wereldbefaamde goudslager
AL. BUGGENHOUT BVBA BLADGOUD en accessoires voor het vergulden (mixtion, rode bolus, messen, borstels...) ARTIST OIL COLOURS SCHEVENINGEN Olieverven en pigmenten speciaal voor kunstschilders en restauraties Uitsluitend Groothandel. Voor informatie voor het adres van uw dichtstbijgelegen verkooppunt: VAN ARTEVELDESTRAAT139 - 1000 BRUSSEL Tel. 02/512 71 19 - Fax 02/502 14 55
IMPERPLEX De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mechelsestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23.98.25
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige SintRomboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Renofors-Bèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar
Kleine Breedstraat 33 - 9100 St.-Nlklaas
Ook sterk in: gevelreiniging - steenverharding vochtwering - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht - dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.
M&L
DE VLOEIWEIDEN OF WATERING TE LOMMEL-KOLONIE HUBERT BATS
Slotenstelsel in beheer door de Wielewaal (foto 0. Pauwels)
Omstreeks het midden van de 19de
bouwkundig te valoriseren. Erbarmelij-
eeuw ontwierpen de ingenieurs Magis,
ke levensomstandigheden, honger en
Kummer en Keelhoff, geïnspireerd door
ellende (1), vooral in het overbevolkte
reeds bestaande irrigatietechnieken in
West- en Oost-Vlaanderen, waren de
Noord-ltalië, een bevloeiingssysteem
directe drijfveren voor de Belgische
om de vrijwel vlakke, voedselarme, zure
regering om de Oost- en West-Vlaamse
en onvruchtbare heidegebieden in de
bevolking aan te zetten tot deelname
Limburgse en Antwerpse Kempen land-
aan de uitvoering van de projecten.
M&L
5
De'e realisaties werden mogelijk dankzij de sedert 1825 in gebruik genomen Zuid-Willemsvaart (2) en het Kempens kanaal van Bocholt tot Herentals. Deze werden onder het bewind van Leopold I (3) met spade en kruiwagen gegraven tussen 1843 en 1855. Het Koninklijk Besluit van 6 november 1847 legaliseerde de inschakeling van dit Kempens Kanaal in de ontginnings- en bevloeiingswerken.
Verspreiding van de vloeibeemden aan het Kempisch kanaal en de Zuid-Willemsvaart
• * »
Hun verspreiding bleef beperkt tot de onmiddellijke omgeving van deze waterwegen op het Kempens plateau en in de vlakte van Bocholt. Van Bocholt tot Geel werden in totaal 1929 ha heide ontgonnen en bevloeid met voedsel- en kalkrijk kanaal water, afkomstig van de Maas. De hogere ligging van de waterloop ten opzichte van de omgeving, vergemakkelijkte de bevloeiing. In de Provincie Limburg werden de volgende wateringen gerealiseerd: Lommei: - Watering ten zuiden van Stevensvennen (Noordwest Limburg); - Watering rond Gortendijk (Lommei-Kolonie); - Watering te Lommei-Bergeik. Neerpelt: - Watering langs de Bergeikse Dijk en aan de Verkeerde-Lieve-Heer; - Wateringen van Holen; - Wateringen te Sint-Huibrechts-Lille
„Postel
Maaseik: - Wateringen van Neeroeteren De in 1857 gegraven aftakkingen naar Turnhout en Leopoldsburg (Kanaal van Beverlo) maakten de aanleg van nog 783 ha vloeiweiden mogelijk. Het betreft onder meer de Stevensvennen te Lommei, de Maat, Rauw en Buitengoor te Mol en de Wateringen te Arendonk. Een aantal terreinen werden van water voorzien via aftakkingen van natuurlijke waterlopen. Zo werd in de Buitenheide te Achel water afgetapt van de Dommel. Aan de kluis te Achel werden de weiden bevloeid via de Prinsenloop. Een aantal bevloeiingssystemen zijn tot op heden min of meer bewaard gebleven. Zij genieten een internationale erkenning als uniek cultuurlandschap met een specifieke topografie, flora en fauna. De vloeiweiden te Lommei-Kolonie, met een uitzonderlijk grote oppervlakte van 230 ha, zijn vrijwel de enige watering in Noord-Limburg met nog intacte en perfect functionerende bevloeiingssystemen.
SITUERING - TOPOGRAFIE De watering te Lommei-Kolonie bevindt zich in het noordoosten van de Gemeente Lommei, tussen het kanaal Bocholt-Herentals en de Nederlandse grens.
/ „
/
„Hamont
/ ^ ^
"1 .Mol
1 ! 1 M M r T f 1_ 1 f J 11 M 1 f M'l
/ /# 1
y
oLommel
a
R
Neerpelt ' ^ St.HuibrechW
LilleS
/
%
K Bocholt\
Overpelt Bree ^ v
)
V \ 0
1 2
3 km
4
5
Maaseik»^/ Neeroeteren T
y^ggi
\
M&L
Uittreksel uit de topografische kaart vanhetN.G.I. Kaartbladen Lommel-Overpelt 17/3-4, uitgave 3-1989 en Mol-Neerpelt 9/7-8, Uitgave 2-1973, schaal 1/25.000
Het gebied behoort tot de landschappelijke eenheid van het Kempens plateau, meer bepaald tot de subeenheid "het industriegebied van LommelOverpelt". Deze subeenheid is een noordwestelijke uitloper van het Kempens plateau. De gemiddelde hoogte boven de zeespiegel bedraagt 40 m. Het reliëf - na nivellering - is vlak en zwak afbellend in noordelijke richting. Het niveauverschil in noord-zuidrichting bedraagt 4 m over een afstand van zowat 1800 m. Van oost naar west is dit verschil slechts lm over een afstand van ongeveer 1200 m.
GEOLOGIE De voor de vorming van het landschap relevante geologische formaties zijn pleistocene (4) dekzanden rustend op eveneens pleistocene Maasgrind- en zandafzettingen. Zodra de Maas - en aanvankelijk de Rijn - van de harde, stroomopwaarts gelegen, primaire gesteenten, terechtkwamen op de zachtere materialen, die gedurende het Mesozoïcum (5) en het Tertiair (6) over grote delen van Limburg door de zee afgezet werden, bouwden zij er een waaiervormig afzettingspatroon op. In een enorme vlakte werden aldus gedurende het Midden-Pleistoceen (ongeveer 800.000 tot 200.000 jaar geleden) tamelijk dikke
7
lagen grind en zand afgezet. De grindterrassen, in Belgisch en Nederlands Limburg en op het Kempens plateau, zijn dus beddingafzettingen gevormd gedurende de laatste 700.000 jaar door erosie van harde gesteenten in de bovenloop van de Maas en meegevoerd door de stroom. De afwisseling van glaciale en interglaciale perioden (7) tijdens het Pleistoceen had grote schommelingen in de erosiebasis van het toenmalige hydrografisch net tot gevolg. Sedimentatie- en erosieperioden volgden elkaar op. De dikte van het grindpakket in de watering bedraagt 1 tot 2 m. Tijdens de Würmijstijd die 10.000 jaar geleden eindigde, werden de fluviatiele (8) grind- en zandlagen in de Kempen volledig bedekt met een homogene laag niveo-eolische (9) fijne kwartsrijke, soms licht lemige dekzanden. De dikte bedraagt slechts 20 tot 125 cm in de vloeiweiden zodat tijdens het ploegen in blok I het grind vaak aan de oppervlakte gebracht wordt. Gedurende het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) werden plaatselijk door het opwaaien van de pleistocene dekzanden stuifzand- of landduinen gevormd. Eveneens tijdens het Holoceen werd in de beekdepressies alluvium (10) afgezet en trad er veenvorming op in de valleien met gering verval. Venig alluvium wordt aangetroffen langs de Kolkgracht in het westelijk deel van het landschap. Ten noorden van de lijn Neeroeteren-Bree-Lommel worden de kenmerken van het landschap sterk medebepaald door terreinverzakkingen langs verscheidene breuken, die zich op de zuidrand van de Slenk van Roermond, een deel van de grote Rijnslenk, situeren. Het tertiaire (11) substraat, Diestiaan zand, speelt geen rol bij de verdere beschrijving van het landschap daar het volledig bedekt is met grove fluviatiele sedimenten.
een dunne, harde, bruine tot zwartbruine aanrijkingshorizont. Uzeroerlagen komen praktisch overal in de vloeiweiden op geringe diepte voor. Bodemkundig behoort het landschap tot het zandgebied van Lommei en Neerpelt dat zich uitstrekt ten noorden van het Kempens kanaal Bocholt-Herentals. De bodemkaart van België, kaartblad Overpelt 32E & Neerpelt 19E, duidt de vloeiweiden overwegend aan als matig natte en natte zandgronden met duidelijke humus of/en ijzer B horizont en met een grindsubstraat beginnend op geringe of matige diepte (20-125 cm). Het profiel is een hydromorfe (12) tot sterk hydromorfe humus-ijzer podzol (13). Praktisch centraal in het gebied komt een vlek natte lemig-zandgrond met duidelijke humus of/en ijzer B horizont voor, eveneens met grindsubstraat beginnend op geringe of matige diepte (20-125 cm). De omgeving van de Kolkgracht onderscheidt zich pedologisch door de aanwezigheid van natte lemigzandgronden met diepe antropogene (14) humus A horizont, met grindsubstraat beginnend op geringe of matige diepte (20-125 cm) of met veensubstraat beginnend op geringe of matige diepte. Het profiel is een sterk hydromorfe plaggenbodem (15). Het humusgehalte van het plaggendek kan zeer hoog zijn ten gevolge van het veenachtig karakter van de humus. Onder invloed van de bevloeiingsperioden wisselt de grondwaterspiegel sterk, zelfs op de aangrenzende percelen. Daarna daalt de waterstand spectaculair op korte tijd. Vóór de bevloeiing was het landschap een vochtig heidegebied. Enkel het zuidelijk deel was begroeid met een droge heidevegetatie. Er werd in eerste instantie geopteerd voor bevloeiing omwille van de vruchtbare kalkrijke slibafzetting en niet omwille van een betere watervoorziening.
HYDROGRAFIE BODEM Vóór de aanleg van de vloeiweiden waren de dekzanden met relatief homogene samenstelling, arm aan verweerbare componenten en dus weinig vruchtbaar, in grote mate determinerend voor het uitzicht van het landschap: een uitgestrekte onbewoonde heidevlakte in het noordoosten van Lommei. In de zandgronden ontwikkelde zich een typische podzolbodem, met aan de top een dikke witgrijze uitgeloogde horizont, de loodzandlaag, rustend op
Het terrein wordt in het oosten gedraineerd door de Beekloop, waaraan ook de viskweekvijvers van de Liskes en van de Pastoorweijer gelegen zijn. De Elzenloop en de Kolkgracht ontwateren de vloeibeemden in het westen. Al deze waterlopen monden op Nederlands grondgebied uit in de Keersop, een bijbeek van de tot het Maasbekken behorende Dommel.
8 II M & L . ^
':'M
SSSte»-T^
<
Een typische podzolbodem, met aan de top een dikke witgrijze uitgeloogde TO^Ife^;^,. -ï." '''• ^ü^ ''Mf^f^m^^^^^Êm horizont, de loodzandlaag, rustend op een dunne, harde bruine tot zwart-
J^^v,^;;
S f f i S M ; 'V-
bruine aanrijkingshorizont (foto A. Mertens) y^jWÊfaMsO^ÊKü^y
MC. '4^-
v'rtitfjJa^t*'•. I^^TWIS^
' HkV -at]nj
•'éfc* ék '.^JI '^MVJA .,.• "'^rSHk
'TE-'"-
'
•
.
•
'
•
'
•*
.
1
••fTp;,
i^MrWl
Wws i
} <l£j
'.^
HISTORIEK
• Etablissement Géographique de Bruxelles fondé par Ph. Vandermaelen. Uittreksel uit de historische kaart van omstreeks 1850 kaartblad 4-11 schaal 1/20.000. Tot in de eerste helft van de 19de eeuw maakte het gebied deel uit van de Heuvelse heide, een uitgestrekt en onbewoond heidelandschap in het noordoosten van Lommei, dat een geheel vormde met de Nederlandse Maayer heide.
terugbetaald worden. Deze verkoop werd echter geen groot succes. Van de 29 loten werden er aanvankelijk slechts 14 verkocht. Drie aan de Belgische Staat, de latere gouvemementswatering in blok II, drie aan de Gemeente Lommei en acht kleinere aan particulieren. De vijftien overige loten, met een totale oppervlakte van 156 ha 98 are 65 ca, werden uiteindelijk op 31 oktober 1850 voor 37.923,24 fr. aangekocht door de tieren Van Put en David, handelaars te Antwerpen. In juni 1852 bracht de openbare verkoop van de eerste 94 kavels hooi, eigendom van bovenvermelde tieren, 3.347,5 fr. op. Ook elders bewezen winstgevende grasverkopen dat het systeem slaagde.
Tot in de eerste helft van de 19de eeuw maakte het gebied deel uit van de Heuvelse heide, een uitgestrekt en onbewoond heidelandschap in het noordoosten van Lommei, dat een geheel vormde met de Nederlandse Maayer heide.
1
j
r-*'*---.-.
1\> h\
De Luikersteenweg, een onder het bewind van Napoleon afgewerkte kasseiweg, was tot 1845 de enige verharde weg in de streek (16). Op 4 juni 1847 stelde de Gemeente Lommei ten noorden van dit Kempens kanaal een praktisch vlak en zwak naar het noorden afhellend terrein, met een oppervlakte van 230 ha, ter beschikking van de Belgische Staat voor de aanleg van vloeiweiden. De enige doelstelling was de productie van gras dankzij een ideale kunstmatige bevloeiing en een bodemverbetering door de afzetting van kalkrijke sublagen. Men opteerde voor voedzame en toch weinig eisende grasvariëteiten afkomstig uit de Alpenweiden. De volgende grondwerken werden door de overheid uitgevoerd: het nivelleren van het terrein, het aanleggen van de percelen in bevloeiingsbedden, het graven van het aanvoerkanaal vanaf het Kempens kanaal, - ook de spijssloot genaamd, en het graven van boven- of aanvoersloten, van onder- of afvoersloten en van bevloeiingsgreppels. De Belgische Staat bouwde eveneens de vereiste bruggen, dijken, waterkeringen of schutten en troggen (17). De werken, zuiver handenarbeid, werden reeds in 1848 voltooid. De kostprijs, 23.252 fr.. moest na de verkoop door de Gemeente aan de Staat
.„ \
,/'.- >C/> \
: *f rJ?' „./
\
/ ' *--/ * /\ *'*'* /Or \
•
***•*•••-.»
\\
»-
-•••...
\
: :, A
\
w7
\
Cs
7 & \
Ji
wA f
11 e u v e 1 s t'
i\
i'-A p;: r,
r^ r 1 fM ••''•
1
Vv^
'1n
:J
i'P
—-A'
jr
\
K5 ) • //
' \x
H e v d e \\
y ^
X
*r
X
\
\
\
M&L
Topografische kaart van de 2de helft van de 19de eeuw. Uitvergroting van de 20 staatsboerderijen, de kerk, de pastorie en het schooltje (foto A. Mertens)
Topografische kaart nr. 735 'Sengelbroeksche heide' vanl 898. Schaal 1/25.000. Vloeiweiden, landbouwkolonie en kanaal Bocholt-Herentals (foto A. Mertens)
Voormalige staatshoeven nrs. 9-1214 in 1970 (foto's A. Mertens)
Het Koninklijk Besluit van 21 november 1849 liet de Regering toe in de Kempen Rijkslandbouwkolonies op te richten. Omstreeks december 1849 verwierf de Belgische Staat 112 ha heidegronden die op de Heuvelse heide gelegen waren tussen de pas aangelegde vloeiweiden en de steenweg Luik - 's-Hertogenbosch. Deze oppervlakte zou hoofdzakelijk geschikt gemaakt worden voor de teelt van aardappelen, graan en voedergewassen, alsook voor de huisvesting van de kolonisten - vooral Oost- en WestVlaamse landbouwers. Aan weerszijden van een bevaarbaar irrigatiekanaaltje, in het verlengde van de "spijssloot" of "kleine
fossé", werden volgens plan op onderlinge afstand van 150 m 20 identieke en genummerde boerderijen gebouwd. De Staatshoeven hadden elk een voortuin met enkele paardekastanjes als toekomstige schaduwbomen en een waterput. De architectuur, hoge - vroeger witgekalkte - gevels, wijkt sterk af van de traditionele Kempense langgevelhoeve. In de omgeving van de kom waar de trekschuiten konden draaien, plantte men een kerk, een pastorie en een schooltje in. Het gehucht kreeg de naam Kolonie terwijl de parochie Heuvelse heide genoemd werd.
10
M&L
Bij elk pachthof hoorde een ontginbare oppervlakte van 4 ha heide. Eén ha hiervan werd door de goede zorgen van de Belgische overheid reeds ontgonnen om de kolonist te helpen tijdens de beslist moeilijke beginperiode (18). De te ontginnen gronden werden door de Staat eveneens voorzien van irrigatieslootjes en aan de noorden zuidkant afgezoomd met een strook naaldhoutbos ter bescherming tegen winderosie. Daarenboven kreeg elke pachter nog 1 ha grond in de gouvemementswatering. In 1851 werden de hoeven verhuurd. Na één maand waren ze reeds in pacht genomen. In tegenstelling tot het opgevatte plan werden niet alleen Oost- en West-Vlaamse, maar ook Antwerpse, Brabantse en Limburgse kolonisten als pachters aanvaard. De nieuwe parochie telde in 1851 ongeveer 120 kolonisten.
Vroegere staatsboerderij aangekocht door de gemeente Lommei (foto 0. Pauwels)
Tijdens het be vloeien bleek al vlug dat het waterdebiet van de spijssloot ontoereikend was om alle percelen in de vloeiweiden en de gronden rond de 20 hoeven tijdig van het nodige water te kunnen voorzien. De heren Van Put en David, samen met de Belgische Staat de voornaamste eigenaars in het landschap, lieten daarom in 1852 iets meer oostelijk de nu nog steeds functionerende grotere spijssloot graven, de zogenaamde "grote fossé". Reeds in 1853 kregen deze heren van de gemeente de toelating om de grote
spijssloot te verbreden tot 4 m en uit de diepen om aldus over nog meer irrigatiewater te kunnen beschikken. Op een tegenvoorstel van de heer Jozef Keelhoff, één van de hoofdbetrokkenen bij de uitbouw van de Lommelse Rijkslandbouwkolonie, om in plaats van de grote spijssloot te verbreden een andere, kortere spijssloot vanaf brug X te graven, werd niet ingegaan. Van de vroegere staatshoeven langs de huidige Koloniestraat, aangelegd op het later gedempte irrigatiekanaaltje, hebben er slechts enkele de tand des tijds getrotseerd. Vóór een aantal prijken nog witte paardekastanjes. Vanaf hun ontstaan in het midden van de 19de eeuw zijn de Rijkslandbouwkolonie en de vloeiweiden onafscheidelijk met elkaar verbonden geweest. De vloeiweiden waren uitermate belangrijk voor de leefbaarheid en de ontplooiing van de Rijkslandbouwkolonie. Gras vervulde, wegens gebrek aan meststoffen, een sleutelrol bij het begin van de heideontginning. Meer gras betekende een grotere veebezetting en dus meer stalmest, noodzakelijk om schrale heidegronden om te vormen tot vruchtbaar akkerland. Niettegenstaande de aanvankelijk winstgevende grasverkopen in de vloeiweiden bleven de beoogde resultaten in de kolonie achterwege door een samen-
M&L
Gerenoveerde vroegere staatsboerderij met paardekastanje (foto 0. Pauwels)
11
loop van omstandigheden (19). Indien niet de graswinning het door de Staat gestelde einddoel zou geweest zijn, maar het ontginnen van de heide dankzij de vloeiweiden, waren de slaagkansen van het project beslist veel groter geweest. Een aantal landbouwers stapten vroegtijdig uit het project. Reeds in 1860 was de overheid verplicht om de kolonie te verkopen. De heer Jozef Keelhoff (20) kocht zelf voor ongeveer 60.000 fr. de 20 hoeven en de 30 ha vloeiweiden van de Staat, de Gouvernementswatering (blok II). Tijdens de Keelhoffperiode waren de pachtvoorwaarden voor de boerderijen veel gematigder. De vloeiweiden leverden jaarlijks meer hooi en nagras en bezorgden de bewoners van de streek werk, vooral tijdens de zomerperiode. Het hooi werd in eerste instantie gebruikt als paardevoer. Belangrijke afnemers waren de dierentuin van Antwerpen en het Belgisch leger, voornamelijk voor de kazerne van Leopoldsburg en de militaire forten rond Antwerpen. De erfgenamen van de familie Keelhoff beheerden deze goederen tot in 1926, het jaar waarin zij alles openbaar verkochten. Hoeven en hooilanden werden afzonderlijk geveild en gekocht door mensen van de streek. De overige, nog steeds winstgevende vloeiweiden van Van Put en David waren ondertussen verkocht aan de Brusselse Graaf de Montalambert. Sedert het einde van de 19de eeuw waren de oevers van de aanvoer- en bevloeiingssloten, alsook de perceelsranden beplant met populieren. Houtproductie werd een tweede bron van inkomsten. Dit initiatief bewoog omstreeks 1928 de N.V. Union Allumettière (21) tot de aankoop van de vier aaneengesloten blokken (blok III, IV, V en VI). Deze onderneming beplantte omstreeks 1930 zijn percelen volledig met populieren. De smalle stroken, ook "de wallen" genaamd, tussen de percelen van blok IV en V werden met sparren beplant. Tot omstreeks 1950 werd het gras van de blokken III, IV, V en VI regelmatig gemaaid door landbouwers uit de omgeving. Jaarlijks kochten zij het hooi en de toemaat per kavel van het hoger vermelde bedrijf als wintervoer voor de dieren. De voornaamste oorzaken voor het geleidelijk verwaarlozen en verruigen van de graslanden waren de onmogelijkheid om de percelen machinaal te maaien ten gevolge van het microreliëf, de populierenaanplantingen, het onvoldoende drogen van het hooi onder de populierenbestanden, de opkomst van de kunst-
mest en het steeds duurder wordend en arbeidsintensief technisch onderhoud van het bevloeiingssysteem. De percelen werden tijdelijk nog begraasd. De inkomsten hieruit waren echter onvoldoende om de schade te compenseren die door het vee aan het bevloeiingssysteem werd berokkend. De natte tot zeer natte bodems leenden zich uitstekend voor populierenteelt. In 1963 besliste de N.V. Union Allumettière dan ook om in de Watering over te schakelen naar een nog intensievere populierenteelt met een optimale plantdichtheid van 160 bomen per ha. Daartoe schakelde men over op een meer aangepast bevloeiingssysteem (zie verder). Door het Instituut voor populierenteelt, gevestigd te Geraardsbergen, werden eveneens vanaf 1963 proefpercelen aangelegd (22). Sedert 1965 werd op de blokken III, IV, V en VI geen gras meer gewonnen en kon er dus zonder onderbreking vanaf half maart tot einde september bevloeid worden. Dit gewijzigde beheer leidde tot een verruiging van het terrein. De meeste percelen van blok III, V en VI werden beplant met zwarte els als onderbegroeiing. Zowel de verruiging als de beplanting met zwarte els deed de interesse van de jagers toenemen voor het gebied. Door hun tussenkomst werden in 1967 op blok III, IV, V en op de zogenaamde 3 ha respectievelijk 3, 6, 2 vijvers en 1 vijver aangelegd met een gemiddelde oppervlakte van 12 are voor het aantrekken van het waterwild.
12
De Spijssloot of Grote Fossé bij de kruising met de Grote Fosséstraat (foto 0. Pauwels)
M&L
Het op peil houden van de vijvers gebeurt eveneens met bevloeiingswater. De vijvers worden aan vissers verhuurd. Langs verscheidene ondersloten in blok III en IV werden, als experiment om de grachten open te houden, in 1972 wilgen geplant. In 1975 verkocht de N.V. Union Allumettière het meest oostelijk gelegen perceel in blok I, waarop zich de toen vervallen woning van de wateringbazen bevond en een perceel ten zuiden van de spijssloot, waarop vroeger de schuur van de watering stond, aan een particulier. De resterende oppervlakte van de zogenaamde Stekskenswatering, 161 ha 32 are, werd op 30 september 1976 terug aan de gemeente Lommei verkocht. Het betreft het aaneengesloten geheel gevormd door de blokken III, IV,V en VI, de lange smalle strook tussen het Kempens kanaal en blok II waarin de spijssloot uitgegraven werd, het meest oostelijk op blok II gelegen perceel en de 3 ha oostelijk tegen blok VI, volledig op Bergeyks - dus Nederlands - grondgebied gelegen (23). De blokken I en II kenden een totaal andere evolutie. In blok I werden nooit populieren geplant. Het bevloeiingssysteem werd er niet lang toegepast. Waarschijnlijk kon blok I onvoldoende met water rechtstreeks uit de spijssloot bevloeid worden wegens zijn te hoge ligging. Feit is dat deze percelen al vrij vlug met grove den beplant werden. Het bestand groeide opvallend sneller dan gemiddeld voor de Kempen. Omstreeks 1928 werden de percelen opnieuw genivelleerd, omgeploegd en afwisselend als weiland en akkerland gebruikt. Momenteel is blok I een vlak, open, akker- en weidegebied met her en der een solitaire eik. Blok II werd in 1926 in verschillende loten aan landbouwers verkocht met uitzondering van het eerste perceel dat reeds eigendom van de N.V. Union Allumettière was en later gemeenteëigendom werd. In dit blok bleven de oorspronkelijke kenmerken van de vloeiweiden het best bewaard. Slechts enkele percelen zijn nog met populieren beplant, andere werden genivelleerd of omgevormd tot akkerland. Verscheidene zijn nog steeds het oorspronkelijk open grasland zonder populieren. Dankzij de VZW De Wielewaal werd hier de draad met het verleden terug opgenomen en werd de oude cultuur in ere hersteld. Ongeveer 6 ha worden opnieuw volgens het originele systeem bevloeid, tweemaal per jaar gemaaid ofwel begraasd. Ze zijn dan ook floristisch en cultuurhistorisch het interessantst. Wegens het vroegtijdig falen van het Lommelse project werden andere geplande Rijkslandbouwkolonies
- onder andere te Mol en Arendonk - niet verder uitgebouwd en bleef de Kolonie te Lommei met zijn staatsvloeiweiden een unicum. Het idee van bewateren had echter vaste voet gekregen. Op tal van plaatsen verschenen wateringen in het Kempense landschap. Sommigen bleven tot op heden vrij ongeschonden bewaard. De meeste zijn echter momenteel sterk verruigd, beplant met populieren of bebost en de bevloeiing blijft er meestal achterwege.
HET OORSPRONKELIJKE BEVLOEIINGSSYSTEEM Constructie De watervoorziening gebeurde uitsluitend dankzij het verval van het terrein. Vandaar de noodzaak van grootschalige voorafgaandelijke nivelleringswerken. Op het geëgaliseerde terrein werden de vloeiweiden in - voorzover het landschap dit toelaat - zes parallelle blokken aangelegd. De nummering ervan wordt nog steeds ongewijzigd gebruikt. Zij vormden elk afzonderlijk een volledige bevloeiingseenheid, begrensd door dijken en sloten. De blokken I tot en met V zijn elk 300 m breed. Hun lengte bedraagt gemiddeld 1200 m. Enkel blok VI, dat zich gedeeltelijk op Nederlands grondgebied bevindt, heeft een afwijkende, bijna driehoekige vorm. Het eindigt puntvormig bij grenspaal 187. De grootste breedte aan de oostzijde bedraagt 400 m; de lengte ongeveer 1400 m. Het niveauverschil tussen blok I en blok VI bedraagt over een afstand van circa 1800 m slechts 4 m. Elk blok heeft over zijn totale lengte van 1200 m slechts een verval van 1 m. De aanvoer van voldoende kalk- en slibrijk Maaswater uit het kanaal Bocholt-Herentals wordt verzekerd door de zogenaamde spijssloot. Deze brede en diepe waterweg functioneert als navelstreng of levensader van de watering. Het bevloeiingswater werd en wordt nog steeds door de Dienst der Scheepvaart vrijgegeven tegen vergoeding. Ter hoogte van blok I kan het water uit de spijssloot opgevangen worden door het hoofdschut (24). Blok I ontving zijn bevloeiingswater echter rechtstreeks van de grote spijssloot vóór het hoofdschut. De andere blokken werden gevoed via een aanvoersloot die, vanaf het in het zuidoosten van blok I gebouwde hoofdschut, tevens de oostelijke begrenzing van de watering vormt. In het zuidoosten van ieder blok regelt een dam het watemiveau en de watertoevoer vanaf de aanvoersloot naar de bovensloot.
aafe^
tx.
. « ^
ü &
•. « S M f
Wil
Hi •
* ^ w
14
M&L
II J ;!iL!JL.nj a II ° B H H « H 1
B
i y_ B j
iiL
: 'end*fit»ot/e ^^='.
dhkA-w, T7\
r
lltr:
^
LA TTT XU
botintlooti»
- ~ endrrtlo*!)»
^5r
=-^i_
in
1-2 Totale bevloeiing via boven- en onderzoeven Elk blok wordt over zijn totale lengte begrensd door een boven- en een ondersloot, die aan de hoogste en de laagste zijde van het blok gelegen zijn. Loodrecht op iedere bovensloot werden tientallen kleinere bovensloten gegraven, telkens op de kam van elk bevloeiingsperceel. Vanuit elk bovenslootje vertrekken, eveneens 3 4 loodrecht hierop, blind eindigende greppels of bovenzoeven. Zij bevinden zich, zoals de bovenslootjes, telkens op de kam van een bevloeiingsbed. Het toestromende water vult de bovenzoeven tot ze bijna overlopen. Terwijl het kalk- en slibrijke water door het maaiveld vloeit en de graszoden en oppervlakkige bodemlagen doordrenkt, wordt het gefilterd zodat de voedende bestanddelen zich in de percelen opstapelen. Uiteindelijk vangen de eveneens blind eindigende en lager gelegen onderzoeven, die de begrenzing van de bedden vormen, het water opnieuw op. Via onderslootjes die de bevloeiingspercelen begrenzen en nog lager gelegen ondersloten bereikt het water de afvoersloot aan de westkant van de vloeiweiden. 3-4 Bevloeiing volgens een vereenvoudigd infiltratiesysteem Evenwijdig met en aan weerszijden van het centraal op ieder bevloeiingsperceel gegraven bovenslootje werden nieuwe bovenslootjes uitgediept. De drie bovenslootjes werden op de kop van het perceel met elkaar verbonden. Over hun gehele lengte, een 300 meter, hield men ze door middel van een aantal dammen constant maximaal vol water om een optimale bodemverzadiging met water te realiseren. De onderslootjes die de bevloeiingspercelen begrenzen, uitgegraven ten behoeve van bevloeiing door totale infiltratie, werden opnieuw functioneel voor de opvang en de afvoer van het bevloeiingswater. Het systeem vergt een geringer onderhoud dan het oorspronkelijke. De sloten kunnen immers machinaal gezuiverd worden met tractor en greppelfrees. Nadelen zijn de geringere filtering van het water op het maaiveld, de geringere slibafzetting en dus beperktere bodemverrijking. 1
2
Elk blok wordt over zijn totale lengte begrensd door een boven- en een ondersloot, die aan de hoogste en de laagste zijde van het blok gelegen zijn. Loodrecht op iedere bovensloot werden tientallen kleinere bovensloten gegraven, telkens op de kam van elk bevloeiingsperceel. Vanuit elk bovenslootje vertrekken, eveneens loodrecht hierop, blind eindigende greppels of bovenzoeven. Zij bevinden zich, zoals de bovenslootjes, telkens op de kam van een bevloeiingsbed. Het aantal bedden is voor ieder bevloeiingsperceel verschillend (25).
voedende bestanddelen zich in de percelen opstapelen. Uiteindelijk vangen de eveneens blind eindigende en lager gelegen onderzoeven, die de begrenzing van de bedden vormen, het water opnieuw op. Via onderslootjes die de bevloeiingspercelen begrenzen en nog lager gelegen ondersloten bereikt het water de afvoersloot aan de westkant van de vloeiweiden. Het bevloeiingswater in de bovensloten noemt men "bovenwater", het gefilterde water in de ondersloten "onderwater".
Het achtereenvolgens via spijssloot, aanvoersloot, bovensloten en bovenslootjes toestromende water vult de bovenzoeven tot ze bijna overlopen. Terwijl het kalk- en slibrijke water door het maaiveld vloeit en de graszoden en oppervlakkige bodemlagen doordrenkt, wordt het gefilterd zodat de
Het niveauverschil liet toe om het onderwater afkomstig van blokken II en III nogmaals te gebruiken om de blokken V en VI respectievelijk gedeeltelijk en praktisch helemaal te bevloeien. Westelijk van blok V ving men daartoe dit water terug op in de bovensloten van blokken V en VI.
M&L
•
15
vier dagen bevloeid. Een blok werd in 32 dagenafgewerkt. Het geheel kon op deze wijze maximaal driemaal per jaar bevloeid worden. De eerste bevloeiingscyclus duurde van midden oktober tot midden februari. Tijdens het vullen met water of "inzetten" van de bedden werden telkens de lekken, veroorzaakt door onder andere mollepijpen, opgespoord en hersteld. Vanaf midden februari tot 1 mei bevloeide men een tweede maal. Gedurende de maand mei werd er gehooid en kon er derhalve niet geïrrigeerd worden. Tussen 1 juni en 15 augustus zetten de waterbazen tenslotte een derde cyclus in. Hierop volgde een tweede maaibeurt: de toemaat. Het seizoen werd afgesloten met een tot half oktober durende onderhoudsbeurt.
levtaeiingssloten
Dijken en wegen i
ffi/ktgrens
Schematische werking van het bevloeiingssysteem, geïllustreerd aan de hand van de situatie in LommelKolonie. De watervoorziening gebeurde uitsluitend dankzij het verval van het terrein. Op het geëgaliseerde terrein werden de vloeiweiden in zes parallelle blokken aangelegd die elk afzonderlijk een volledige bevloeiingseenheid vormen begrensd door dijken en sloten. De aanvoer van kalk- en slibrijk water wordt verzekerd door de spijssloot, de navelstreng of levensader van de watering. In het zuidoosten van ieder blok regelt een dam het waterniveau en de watertoevoer.
a s o Grenspaal
Boventlofen >{ Brug
: Onterslclen -
•.;•.'.•
Oennenbv
Sfroomnchfing
Langs de noordzijde verlaat het onderwater de vloeiweiden via de Beekloop. Ongeveer 500 m stroomafwaarts op Nederlands grondgebied (Bergeyk) bevoorraadt deze het 32 ha grote viskweekvijvergebied De Liskes met zeer helder water. Gebruik en onderhoud Twee waterbazen waren verantwoordelijk voor de regeling van het systeem. Eén woonde in het thans gerestaureerde en als bezoekerscentrum ingerichte wateringhuis, dat zich in het zuidoosten van blok III bevindt. Een tweede was gehuisvest in het ondertussen verdwenen wateringhuis in het noordwesten van blok VI, bij grenspaal 187. Hun enige taak was het verzorgen van het vereiste waterdebiet in het sloten- en zoevenstelsel door middel van het hoofdschut en de talrijke, over de vloeiweiden verspreide, schutten en dammen. Telkens na vier dagen sloten de waterbazen, soms geholpen door enkele arbeiders, de verbindingen tussen de bovensloot en de bovenslootjes van een vijftal bevloeide percelen. Gelijktijdig werden de verbindingen tussen de bovensloot en de bovenslootjes van de volgende vijf te bevloeien percelen geopend. Dit zogenaamde "verzetten " van het water naar de volgende percelen, of eventueel naar een volgend blok, gebeurde volgens een vast patroon voor de 120 percelen. Per blok werd er achtmaal gedurende
Een tiental vaste werklieden onderhielden bestendig de watering. Zij beschikten over een eigen gespan en voerlui. Naast het onderhouden en herstellen van bruggen, dijken, schutten en dammen behoorden het maaien en slibruimen van de sloten en het zoeven (26) tot de hoofdactiviteiten. Jaarlijks moesten ongeveer 30 km bovenslootjes, 60 km onderslootjes, 250 km boven en 250 km onderzoeven beheerd worden. Om de zoeven uit te diepen maakten de werklieden aanvankelijk gebruik van een speciale spade, de "vapeur". Later werd deze vervangen door een zoefploeg. De zoefkanten stak men regelmatig met een zoefmes af. Manuele graswinning met de zeis, eventueel gevolgd door nabeweiding, was de enige productiemogelijkheid. Het delicate bevloeiingssysteem en het microreliëf maakten ploegen en het gebruik van de maaibalk onmogelijk. Het hooi werd los opgestapeld in een grote open schuur waarin het tijdens de winter door middel van handpersen werd samengeperst tot pakken van 45 tot 50 kg. Platte schuiten vervoerden deze pakken via de Grote Spijssloot naar een loods aan het nabijgelegen Kempens kanaal van waaruit wekelijks een lading per schip naar Antwerpen vertrok. De spoorwegverbinding Lommei-Antwerpen nam eveneens een deel van het transport voor haar rekening. In de bloeiperiode die duurde tot omstreeks 1925 zouden tijdens het hoogseizoen tot 200 mensen in de vloeiweiden gewerkt hebben. Het nagras of toemaat werd per kavel (27) via een notaris aan de meest biedende plaatselijke landbouwer verkocht. Alle uitbetalingen gebeurden in het huis van de watering, tevens een herberg, dat zich in de zuidoosthoek van blok I bevond.
16
M&L
I
2
3
4
5 1. De Spijssloot of Grote Fossé leidt het water naar de vloeiweiden (foto A. Mertens) 2. De Spijssloot of Grote Fossé ter hoogte van blok I (foto A. Mertens) 3-4. Een perceel tijdens de bevloeiing (foto A. Mertens) 5. Een van de talrijke, over de vloeiweiden verspreide schutten (foto 0. Pauwels)
M&L
Aftapping van kanaalwater in de Spijssloot (foto 0. Pauwels)
Het hoofdschut (de prisendeau) aan het einde van de grote Spijssloot (foto 0. Pauwels)
17
M&L
BEVLOEIING VOLGENS EEN VEREENVOUDIGD INFILTRATIESYSTEEM De accentverschuiving van graswinning naar populierenteelt leidde tot het verval van het uitgekiende bevloeiingssysteem. Aan- en afvoersloten slibden dicht, het zoevenstelsel verdween geleidelijk bij gebrek aan onderhoud en de graslandpercelen verruigden. Uiteindelijk werd het in 1963 op blokken II, III en VI en in 1964 op blokken IV en V vervangen door een vereenvoudigd infiltratiesysteem. Constructie Evenwijdig met en aan weerszijden van het centraal op ieder bevloeiingsperceel gegraven bovenslootje werden nieuwe bovenslootjes uitgediept. De drie bovenslootjes werden op de kop van het perceel met elkaar verbonden. Over hun gehele lengte, een 300 m, hield men ze door middel van een aantal dammen constant maximaal vol water om een optimale bodemverzadiging met water te realiseren. De onderslootjes die de bevloeiingspercelen begrenzen, uitgegraven ten behoeve van bevloeiing door totale infiltratie, werden opnieuw functioneel voor de opvang en de afvoer van het bevloeiingswater. Regeling, gebruik en onderhoud Met dit systeem werden gemiddeld gelijktijdig een tiental percelen met water gevoed gedurende één week. De volgorde van bevloeiing wordt bepaald door enkele praktische omstandigheden. Zo dienden de blokken III en VI, en gedeeltelijk ook blok V gelijktijdig bevloeid te worden omdat het onderwater van blok III opnieuw aangewend werd om, via bovensloten, blok VI en gedeeltelijk blok V te bevloeien. Het systeem vergt een geringer onderhoud dan het oorspronkelijke. De sloten kunnen immers machinaal gezuiverd worden met tractor en greppelfrees. Nadelen zijn de geringere filtering van het water op het maaiveld, de geringere slibafzetting en dus beperktere bodemverrijking.
WATERKWALITEIT Het Kempens kanaal Bocholt-Herentals en bijgevolg de watering worden van water voorzien afkomstig van de Maas bij Luik. Het Maaswater is rijk aan mineralen, vooral calcium en magnesium, dankzij de doortocht langs de harde kalkgesteenten in Wallonië en Noord-Frankrijk. Daarnaast bevat het water ook tal van andere mineralen en uiterst fijne kleideeltjes(<20 pm) in oplossing.
worden. In tegenstelling tot de afgezette sliblaag houden zandgronden in veel mindere mate voedingsstoffen en mineralen vast. De voor de vegetatie noodzakelijke mineralen. Ca en Mg, spoelen er snel uit en de bodem blijft arm (29). Watermonsters genomen in de ondersloten van de verschillende blokken worden gekenmerkt door een hogere zuurtegraad en een daling van de Ca-concentratie. De vrij hoge concentratie aan nitraat en fosfaat in het slootwater wordt veroorzaakt door de landbouw in de omgeving. In tegenstelling tot het kanaalwater is het sediment van de spijssloot en van de andere onderzochte sloten sterk gecontamineerd door zink, cadmium, koper en lood. De belendende percelen zijn weinig gecontamineerd. Men heeft kunnen afleiden dat de metaalcontaminatie veroorzaakt wordt door de inspoeling van zwaar met zinkassen vervuilde bodemdeeltjes, afkomstig van de wegverharding. De metalen aanwezig in de assen zijn praktisch onoplosbaar in water. De gecontamineerde bodemdeeltjes slaan neer in het beekslib.
VEGETATIE
Een bovensloot (foto 0. Pauwels)
Een ondersloot (foto 0. Pauwels)
Bovensloot op blok II (foto O. Pauwels)
De bodem en het oppervlaktewater van LommeiKolonie werden in 1988 door het LISEC chemisch onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat de pH in de aan- en afvoersloten schommelt tussen 7,5 en 8,2 (28) terwijl de pH van de Kempense bodem en beken ongeveer 5 bedraagt. De analyseresultaten van de aanvoersloten tonen ook een duidelijke toename van de concentratie aan Ca2+, Mg2+ Na+, Cl" en HCCV in vergelijking met normale Kempense waarden. De chemische samenstelling van het water in de aanvoersloten is vergelijkbaar met Haspengouwse situaties. Na elke bevloeiing en filtering door de graszoden blijft een minuscuul dunne grijsachtige kalkrijke sliblaag op de bodem liggen. De bezonken negatief geladen kleimineralen vormen samen met de positieve calcium- en magnesiumdeeltjes en de humuspartikeltjes een zogenaamde colloïdale oplossing. Kenmerkend hiervoor is dat de voor planten noodzakelijke voedingsstoffen en mineralen vastgehouden en slechts langzaam afgegeven worden zodat ze in grote mate door de (gras)vegetatie opgenomen
De oorspronkelijke heidevegetatie met onder andere Struikheide, Gewone dophei. Ronde zonnedauw, Veenpluis, Wilde gagel, enz., verdween onder invloed van de bevloeiing praktisch volledig in het beschouwde landschap. Biotopen zoals bevloeiingssloten met mineralenrijk water, eutrofe vijvers, met slib verrijkte akkers en
"Het schut van vier" ter bevloeiing van blok IV (foto 0. Pauwels)
weilanden, populierenaanplantingen met kruidenrijke onderbegroeiing, en struwelen, loofbomen langs de sloten, elzen-, wilgen- en gemengde loofbosaanplantingen, alsook naaldhoutaanplantingen kwamen in de plaats. Dankzij het alomtegenwoordige water heerst er in de watering een gunstig microklimaat. Vroege najaarsen late voorjaarsvorst zijn minder frequent. Zowel voorjaarsbloeiers als Bonte krokus. Speenkruid, Klein hoefblad. Groot hoefblad, Dotterbloem, Echte sleutelbloem en Slanke sleutelbloem, als najaarsbloeiers als Gewone smeerwortel en Herfsttijloos zijn talrijk aanwezig. De vloeiweiden werden ingezaaid met weinig eisen stellende, Midden-Europese grassoorten, afkomstig uit de Alpenweiden. Bonte krokus. Geoorde zuring, Slangelook, Weideklokje, Bergklokje, Bosooievaarsbek en Oeverdistel zijn voor het Kempens fytogeografisch district zeer zeldzame soorten. Het zijn relicten van de destijds ingevoerde vegetatie. Vooral kenmerkend voor de minder soortenrijke beweide en bevloeide graslanden onder populier is Bonte krokus, een sedert minder dan honderd jaar ingeburgerde adventief uit de bergstreken van Zuiden Midden-Europa. In de watering groeien naast Midden-Europese soorten ook planten die kenmerkend zijn voor de Maasvallei, het Brabants district (30) en het Ardens district (31). Vermeldenswaardig zijn: Kalmoes, Knolboterbloem, Gewone vogelmelk, Herfsttijloos, Poelruit en Kleine pimpernel voor de Maasvallei, Moesdistel, Slanke sleutelbloem, Zwartblauwe rapunzel, Grote keverorchis, Blaassilene en Beemdooievaarsbek voor het Brabants en het Ardens district. Dankzij de jarenlange regelmatige bevloeiing met kalkrijk Maaswater vestigden en handhaafden zich een aantal kalkminnende planten in de vloeiweiden, die anders nooit in de arme Kempense zandgronden tot ontwikkeling zouden komen. Vermeld worden: Beemdkroon, Gulden sleutelbloem, Herfsttijloos, Blaassilene en Akkerboterbloem. De aanwezigheid van de Grote keverorchis duidt op een mineraalrijke bodem. Op de oevers van de boven- en ondersloten, waarop regelmatig kalkrijk slib, afkomstig van het onderhoud van de sloten,
M&L
]
2
3
A
21
1. Pijlkruid op de modderbodem van de tot 1.20 meter diepe bovensloten (foto A. Mertens) 3. Bonte krokus, een relict van de omstreeks 1850 ingevoerde vegetatie ui de Alpenweiden (foto A. Mertens)
gedeponeerd werd, bloeien onder andere Kleine watereppe en Groot moerasscherm. Ook Vierdelig tandzaad, Koninginnekruid, Waterpeper, Wolfspoot en Geoord helmkruid groeien op de slibafzetting op de oevers. Op de modderbodem van de tot 1,20 m diepe bovensloten met traag stromend regelmatig door schutten opgestuwd, alkalisch (pH 8,25) water, troebel en grijskleurig wegens de hoge calciumconcentratie groeien: Gele plomp. Grote egelskop, Kalmoes, Gele lis, Pijlkruid, Grof hoornblad, Zwanebloem en Grote waterweegbree. In het ondiepe (circa 20-30 cm) helderder en sneller stromende, zuurstofrijkere water van de ondersloten komt Beekpunge voor, een plant kenmerkend voor bronnen en kwelgebieden, maar zeldzaam voor het Kempens district (32). Men treft er ook de Slanke waterkers aan die zwak zuur water verkiest.
2. Gele plomp, een typische piant in de diepere sloten met traag stromend water (foto A. Mertens) 4. Witte narcis, een relict van de omstreeks 1850 ingevoerde vegetatie uit de Alpenweiden (foto A. Mertens)
Andere in de ondersloten voorkomende planten zijn Gele waterkers, Watermunt, Waterereprijs, Moerasvergeet-mij-nietje en Gewoon sterrekroos. De pH van het water in de ondersloten schommelt tussen 6,85 en 6,95. In de afvoersloten vinden we tevens een meer streekeigen vegetatie met Groot moerasscherm. Kleine watereppe en Beekpunge. In de visvijvers komt Witte waterlelie en Veenwortel voor. Langs de oevers treft men Riet, Gele lis en Grote lisdodde aan. Blok I is in gebruik als akkerland. De graslanden in blok I zijn in tegenstelling tot deze van blok II niet permanent. Zij worden regelmatig omgezet in akkerland en omgekeerd. Vegetatiekundig zijn zij derhalve weinig interessant, vergeleken met de permanente graslanden van blok II.
22
M&L
In blok II worden de volgende voor de Kempen zeldzame soorten gevonden: Grote pimpernel, Slanke sleutelbloem, Grote bevernel en Weideklokje. Voor de Kempense graslanden zeldzame kalkminnende planten zijn Gulden sleutelbloem, Zwartblauwe rapunzel en Beemdkroon. Nergens in de watering is de verscheidenheid aan plantesoorten op relatief kleine oppervlakte zo groot als op de originele vloeiweidepercelen van blok II zonder of met weinig populierenaanplantingen.
Populierenaanplantingen zijn de grootste blikvangers In de watering (foto 0. Pauwels)
Sedert de aanleg van de vloeiweiden en dit tot op heden werden enkele hooilanden praktisch ononderbroken bevloeid, twee maal per jaar gemaaid en daarna eventueel nog nabeweid. De vegetatie op deze percelen kan plantensociologisch gerekend worden tot het Glanshaver-verbond. Westhoff beschrijft de synoecologie van dit verbond als volgt: "Bemeste graslanden op vochtige, voed-
Het niet zo talrijk voorkomen van de Herfsttijloos op de percelen van blok II, in vergelijking met de naburige, gedurende jaren verwaarloosde wateringen, kan wellicht verklaard worden door de giftigheid van de plant voor het vee. De plant werd er om deze reden regelmatig door de mensen uit het hooiland verwijderd. Hetzelfde gebeurde met Kraailook wegens zijn negatieve invloed op de geur en de smaak van boter. Op de drie aaneensluitende percelen ten westen van het door de Wielewaal beheerde terrein werden proefpercelen voor populieren aangelegd door het Rijksstation voor populierenteelt. Door het dichte populierenbestand zijn deze percelen niet meer geschikt als hooiland. Ze worden reeds jaren als weiland gebruikt. Het grachtensysteem is grotendeels dichtgeslibd en/of dichtgetrapt door het grazende vee. Hierdoor vloeit het regenwater niet meer af, komen de laagste delen gedurende regenrijke perioden onder water te staan en verzuurt de bodem. Populierenaanplantingen zijn de grootste blikvangers in de watering. De uitgestrekte aanplantingen in blokken III tot en met VI werden per blok met een tussenpauze van enkele jaren uitgevoerd, zodat het geheel geenszins een monotoon karakter heeft. Naast de reeds eerder vermelde Bonte krokus komen in beweide populierenaanplantingen de volgende voor het Kempens district vrij zeldzame tot zeer zeldzame planten voor: Gewone vogelmelk. Knolsteenbeek, Zwartblauwe rapunzel en de kalkminnende Knolboterbloem. De kruidenvegetatie verarmt evenredig met de leeftijd van de populieren, onder andere ten gevolge van de toenemende concurrentie met de populieren voor voedingsstoffen en licht. In de schrale kruidlaag kan men de volgende voor de Kempen zeldzame vochtminnende onderbegroeiing aantreffen: Moesdistel, Addertong en Grote keverorchis. Meer algemene vochtminnende soorten zijn Bereklauw, Zevenblad, Watermunt en Hondsdraf. Behalve populieren werd ook naaldhout aangeplant voor de houtproductie. Het betreft Sitkaspar, Reuzenzilverspar en Fijnspar.
selrijke bodem, vooral op leem-, klei- en zavelgronden. Regelmatig beweid of minstens tweemaal per jaar gemaaid. De kruidlaag telt een relatief hoog percentage Fabaceae". Lebrun onderscheidt in de Glanshaver-associatie nog een onderassociatie, namelijk Colchicetosum Lebrun, typisch voor graslanden bevloeid met kalkrijk water. De differentiërende plantensoorten zijn naast Herfsttij loos, Fluitekruid, hygrofielen (33) zoals Moerasspirea, en Kruipend zenegroen en enkele kalkplanten die op de betrokken percelen talrijk voorkomen.
Het westelijk deel van blok III en het noordwestelijk deel van blok IV is bebost met Zomereik, Japanse lork, Amerikaanse vogelkers, Sporkehout, Hazelaar, Gewone vlier. Gewone es en Wilg. De gevolgen van de bevloeiing, die er waarschijnlijk niet lang toegepast werd, zijn praktisch niet meer te merken. Het massaal voorkomen van Grote brandnetel in de onderbegroeiing van de elzenaanplantingen op blokken III, IV en V duidt op een stikstofrijke bodem.
M&L
23
Het stopzetten van de bevloeiing leidt eveneens geleidelijk aan tot een opnieuw verzuren van de bodem en tot het verschijnen van plantensoorten, kenmerkend voor vochtige en onbemeste Kempense hooilanden op zwak zure voedselarme veengrond of op venige zandgrond. Vermeldenswaardig zijn: Gevlekte orchis, Blauwe zegge. Addertong, Kale vrouwenmantel. Blauwe knoop, Snavelzegge, Zwarte zegge. Wilde gagel, Pijpestrotje, Steenanjer en Echt duizendguldenkruid. Het achterwege blijven van de graswinning leidde tot het verschijnen van verruigingsindicatoren als Echte valeriaan. Moerasspirea, Veldlathyrus en Grote brandnetel, de dominerende soort onder de populierenaanplantingen.
van grote delen van de oorspronkelijke graslanden met struweel- en bosvorming en niet in het minst de populierenaanplantingen doorsneden door afwateringsgrachten, liggen aan de basis van het avifaunistisch belang van de vloeiweiden. De broedvogelatlas van Limburg vermeldt het voorkomen van de volgende zeldzame kensoorten voor populierenaanplantingen: blauwe reiger, buizerd, boomvalk, grauwe klauwier, roek en nachtegaal.
Het in onbruik geraken van de graswinning leidde gedurende de laatste decennia tot een sterke ontwikkeling van de heester- en struweelbegroeiing op de slootranden. Geleidelijk ontstonden smalle loofbosstroken waarin naast de hogervermelde houtige gewassen ook nog voorkomen: Gelderse roos. Framboos, Hondsroos, Zwarte bes, Hulst, Ratelpopulier, Sleedoom, Wilde lijsterbes, Eénstijlige meidoom, Hop, Wilde kamperfoelie. Bitterzoet, Kleefkruid, Glad walstro en talrijke braamsoorten. De talrijke dijken zijn begroeid met algemeen voorkomende tredplanten zoals Grote weegbree, Kruipend zenegroen, Zilverschoon, Schijfkamille en Hondsdraf. Op de niet belopen delen van de bermen vindt men Penningkruid, Smeerwortel, Peen, Look-zonderlook. Harig wilgeroosje. Gewone hennepnetel. Boerenwormkruid. Bijvoet, Sint-Janskruid en het voor de Kempen zeldzame Heelblaadje. In de nabijheid van het wateringshuis op blok III werden de volgende bomen aangeplant: Japanse lork, Larix kaempferi. Grove den, Servische spar, Reuzenzilverspar, Berk, Treurwilg en een Beukenhaag. Langs de Koloniestraat bevinden zich nog enkele van de paardekastanjes, die bij de oprichting van de kolome voor elke hoeve aangeplant werden.
FAUNA De uitgestrektheid van het landschap, de afwezigheid van bewoning, de verscheidenheid in de vegetatie, het voorkomen van voor het Kempens fytogeografisch district vreemde plantengemeenschappen onder invloed van de bevloeiing, de verruiging
Een zeldzame kensoort voor weidevogelgebieden is de rietgors. De roodborsttapuit is een zeldzame kensoort voor de talrijke lineaire landschapselementen in de wateringen. Een onderzoek naar de macro-invertebraten (door B. Neven verbonden aan het L1SEC) in Lommel-Kolonie en in de wateringen te Neeroeteren bracht het volgende aan het licht. Door het hoge kalkgehalte van het water vindt men er veel schaaldieren, slakken en mosselen. Dit heeft buiten het kalkgehalte in het water ook te maken met het grote voedselaanbod in de sloten.
24
M&L
1. Kalmoes 2. Herfsttijloos
3. Gulden sleutelbloem 4. Beemdkroon
5. Weideklokjes
Kalkminnende planten handhaven zich dankzij de bevloeiing met kalkrijk Maaswater (foto's A. Mertens)
BEHEER Op 30 september 1976 werd de watering aangekocht door de Gemeente Lommei met de bedoeling een mogelijke verkaveling te verhinderen. De populierenteelt werd verdergezet en vanaf 31 december 1976 toevertrouwd aan het toenmalige Bestuur Waters en Bossen. Het Rijksstation voor populierenteelt adviseert bij de beplanting en verricht er onderzoek. De Gemeente zelf verzorgt met twee werklui het normale onderhoud in de Watering. Op 17 mei 1977 werd een Adviesraad Watering opgericht met de volgende samenstelling: een afvaardiging van het Schepencollege, van het Bestuur
Waters en Bossen, de Gemeentelijke beplantingsdienst, het personeel van de watering, de V.V.V., de Noord-Limburgse natuurgidsen, de Wielewaal, de Wandelvereniging De Teuten, de jachtpachters en de huurders van de visvijvers. De Noord-Limburgse Wielewaalafdeling startte in december 1977 met het beheer van 2 ha vloei weiden in blok II op de oorspronkelijke wijze, mede dankzij de kennis en de kunde van het Wateringpersoneel. Momenteel beheert deze natuurvereniging 6 ha vloeiweiden op de oorspronkelijke wijze. Het oude wateringhuis op blok III werd ingericht als bezoekerscentrum. Gezien het kwetsbare karakter van het bevloeiingssysteem is de toegang tot de
>/
TT^m
leWy
26
Het uitdiepen van het centrale bevloeiingsslootje op een perceel in blok II tijdens de winter door Wielewaalleden (foto A. Mertens)
Met een "vapeur" of zoefspade worden de boven- en onderzoeven tijdens de winter telkens opnieuw hersteld (foto A. Mertens)
Een "vapeur" of zoefspade wordt gebruikt om de boven-en onderzoeven tijdens de winter terug uit te diepen (foto A. Mertens)
Het zogenaamde 'inzetten' van de bovenzoeven (foto A. Mertens)
M&L
watering niet vrij. Er kan elke eerste zondag van de maand gewandeld worden op de dijken. Groepswandelingen onder leiding van een natuurgids zijn mogelijk, behalve gedurende de maand mei (broedseizoen) en moeten aangevraagd worden op het V.V.V. secretariaat. Er is vismogelijkheid in de spijssloot vanaf het kanaal en in de aanvoersloot tot aan het Wateringhuis op blok III. Ten behoeve van de visvangst werd de spijssloot en de aanvoersloot die ten oosten van de watering stroomt door middel van een graafmachine uitgediept en van pootvis voorzien. De doorgang voor volwassen vissen tussen het Maas-Scheldekanaal en de spijssloot wordt verhinderd door een vastgemetseld traliewerk. Aldus is de visserijwetgeving niet meer van toepassing op het hengelwater van de Gemeentewatering en gelden enkel Gemeentelijke voorschriften en vergunningen. Een aantal vijvers in het gebied worden ten behoeve van de visserij verpacht aan de meestbiedende. Op 1 januari 1978 werden de jachtrechten bij wijze van proef voor 9 jaar verpacht. Met het College van Burgemeester en Schepenen wordt elk jaar een overeenkomst gesloten om gedurende 12 dagen te jagen. Er is een verbod op het gebruik van gifeieren en chemische stoffen.
BESLUIT Slechts een beperkt aantal bevloeiingssystemen zijn tot op heden min of meer bewaard gebleven. Hun verspreiding is beperkt tot de onmiddellijke omgeving van de Zuid-Willemsvaart en het Kempens kanaal respectievelijk in de vlakte van Bocholt en op het Kempens plateau. Zij kunnen dus als uniek op Europees vlak beschouwd worden. Deze cultuurlandschappen zijn een getuige van de erbarmelijke levensomstandigheden in Vlaanderen omstreeks het midden van de 19de eeuw. De wateringen werden toen, naar het voorbeeld van reeds bestaande irrigatiesystemen in Noord-Italië, aangelegd om de vrijwel vlakke, voedselarme, zure en onvruchtbare heidegebieden in de Limburgse en Antwerpse Kempen landbouwkundig te valoriseren. Nooit voordien had de mens zo fundamenteel, doch niet destructief ingegrepen in het Kempense landschap. Momenteel genieten de vloeiweiden een internationale erkenning omwille van hun cultuurhistorisch, natuurwetenschappelijk en esthetisch belang. De vloeiweiden te Lommei-Kolonie, met een uitzonderlijk grote oppervlakte van 230 ha, is vrijwel de
'
-
SffcÈ;
Vvi. $
•
m&M
M&L
27
enige watering in Noord-Limburg waarin de twee bevloeiingssystemen - namelijk het oorspronkelijke totale bevloeiingssysteem via boven- en onderzoeven en het latere vereenvoudigde bevloeiingssysteem door infiltratie, samen aangetroffen en in stand gehouden worden dankzij een intensief onderhoud. Door de jarenlange bevloeiing met kalkrijk en matig voedselrijk Maaswater vestigden en handhaafden zich in de watering een aantal zeldzame kalkminnende planten die anders nooit in de arme Kempense zandgronden tot ontwikkeling zouden komen. De wisselwerking tussen de oorspronkelijke zure Kempense zandbodem, en de bevloeiing met het kalkrijke Maaswater resulteert in een grote diversiteit aan plantensoorten. Een 200-tal van de hier aanwezige planten komen in België niet algemeen meer voor. Meerdere zijn vrij zeldzaam. De vegetatie van de vloeiweiden is zelfs uniek voor geheel West-Europa. In het wateringhuis woonde destijds de waterbaas die met een tiental werklui instond voor het onderhoud van de bevloeiingsgrachten en die ook de bevloeiing van de graslanden regelde. Momenteel is het een natuurinfocentrum.
In de watering komen voor het Kempens fytogeografisch district zeer zeldzame plantensoorten voor, relicten van het inzaaien met Midden-Europese grassoorten, afkomstig uit de Alpenweiden tijdens de aanleg van de vloeiweiden.
De esthetische waarde van het landschap wordt bepaald door het contrast met de omgeving waarin vooral uitgestrekte compartimenten heide, bos, bewoning en industrie voorkomen. Ingevolge het gewestplan Neerpelt-Bree (34) hebben de Wateringen een bestemming deels als natuurgebied, deels als agrarisch gebied en deels als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Op basis van het Gewestplan alleen kan men echter het behoud van de specifieke waarden van dit landschap niet voldoende verzekeren. Er is nood aan specifieke erfdienstbaarheden en een financiële stimulans om het zeer arbeidsintensieve onderhoud van het grachtensysteem te bestendigen. Een volledige reconstructie van het oorspronkelijke bevloeiingssysteem zou de instandhouding betekenen van honderden kilometer sloten naast het onderhouden en herstellen van bruggen, dijken, schutten en dammen. Een bescherming van de vloeiweiden als landschap gekoppeld aan een beheersplan met financiële tegemoetkoming van de Vlaamse regering (35) biedt momenteel de beste garantie voor het behoud van dit unieke en grotendeels intact bewaarde relict uit het verleden.
EINDNOTEN
Eveneens typisch is de aanwezigheid van planten die kenmerkend zijn voor de Maasvallei, Haspengouw en de Ardennen en die meegevoerd werden via het Maaswater.
(1) Ten gevolge van mislukte aardappeloogsten in 1846 en 1847 en de kwijnende textielnijverheid die grotendeels naar Verviers overgebracht werd (2) Verbinding tussen Maastricht, Weert, Helmond en 's-Hertogenbosch (3) Het eerste opzet van de regering was een waterweg tot stand te brengen tussen de Antwerpse haven en de Luikse industriegebieden, via de toen reeds bestaande Zuid-Willemsvaart. Een bijkomende reden zou van strategische aard geweest zijn; namelijk de bescherming van België in het noordoosten door middel van een waterlijn. De militaire domeinen te Leopoldsburg, Helehteren, Turnhout, Brasschaat... werden met dezelfde bedoeling opgericht (4) Pleistoceen: geologische periode ongeveer 3-0,01 miljoen jaar geleden (5) Mesozoïcum; geologische periode ook het secundair tijdperk genoemd, ongeveer 248-65 miljoen jaar geleden (6| Tertiair: geologische periode ongeveer 65-3 miljoen jaar geleden. (7) Glaciale en interglaciale perioden: Ijstijden en warmere perioden tussen de ijstijden 18) Fluviatiel: door stromend water gevormd (9) Niveo-eolisch: door de wind meegevoerd en afkomstig van morenen (gletsjerpuin) van de Scandinavische gletsjers (10) Alluvium: Afzetting van grond van variërende korrelgrootte in valleien door overstromende rivieren (11) Tertiair: geologische periode die duurde van 65 tot 2,5 miljoen jaar geleden (12) Hydromorf: door water gevormde (13) Podzol: bodem gekenmerkt door de aanwezigheid van een witgrijs of asgrijs gekleurde uitspoelingshorizont en een direct daaronder liggende, met organische stof verrijkte donkerbruin gekleurde aanrijkingshorizont (14) Antropogeen: van menselijke oorsprong: door de mens teweeggebracht (15) Plaggen: verwijderen van de bovengrondse biomassa
M&L
(16) Deze verbindingsweg tussen Luik en 's-Hertogenbosch via Hasselt werd vooral door postkoetsen en trekkende legereenheden gedurende het Franse en Hollandse bewind gebruikt (17) Trog: houten bekisting om een sloot over een andere sloot te leiden (18) Met ontginnen wordt bedoeld: het diep omploegen, bodemverbetering met mest, kalk en asse en voor de helft inzaaien met winterrogge (19) Vermeld worden de geringe belangstelling in landbouwmiddens voor het project, strenge pachtcontracten, kapitaalsgebrek om onder andere het nodige vee aan te schaffen, het niet vertrouwd zijn van de meeste pachters met de bodem (in akkers omgezette heidegebieden), te kleine bedrijven waarop slechts I ha vloeiweide per pachter door de overheid ter beschikking gesteld werd (20) De familie Keelhoff (oorspronkelijk Kehlhoff geschreven) is van Duitse oorsprong (Manheim) en vestigde zich in 1753 te Neerharen bij Lanaken. Jozef Flora Keelhoff (zoon van notaris Keelhoff), werd er geboren op 10 september 1818. Hij slaagde te Brussel voor een bijzondere jury met grote onderscheiding als ingenieur van Bruggen en Wegen. Behaalde internationale onderscheidingen zowel te Wenen als te Parijs, onder andere in 1856 met zijn Traite de I 'irrigation des prairies. Aldus werd hij gepromoveerd tot hoofddirecteur van de ontginningswerken voor de provincies Limburg en Antwerpen. Toen hij de landbouwkolonie kocht had hij zich reeds te Neerpelt gevestigd. Hij overleed er op 25 november 1891 (21) Een dochteronderneming van Union Match die haar zetel in Zweden heeft. Voor de oorlog van 1914-1918 breidde dit bedrijf uit en ging naast lucifers ook onder andere hardboard en vezelplaten produceren (22) Het Instituut voor populierenteelt was oorspronkelijk verbonden aan de N.V. Union Allumettière. In 1975 werd het een Rijksstation voor Populierenteelt. Sedert 13 maart 1991 is het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer een wetenschappelijke instelling verbonden aan de Administratie Milieu, Natuur en Landinrichting (23) Ten gevolge van een grondruil tussen Nederland en België werd de oude landsgrens, die zich vroeger langs de weg ten noorden van de watering bevond, verlegd. Aldus bevindt het noordelijk deel van blok VI en de 3 ha zich in Nederland (24) De plaatselijke bewoners noemen het hoofdschut "de prisendeau" afgeleid van het Franse "prise d'eau" dat watervang betekent (25) Hun aantal werd wellicht medebepaald door het bestaande reliëf bij de aanleg (26) Het zoeven is het zuiveren en terug op gepaste diepte brengen van de blind eindigende greppels of zoeven. (27) Een kavel is 1/4 van een perceel (28) Een hogere pH verzekert een goed functionerende mineralencyclus, d.w.z. de omzetting van organische stoffen in mineralen, onder invloed van bacteriën (29) Ca en Mg zijn belangrijke elementen voor de groei van de plant Ca is o.a. belangrijk bij de celdeling, de vorming van celwanden en de pH-regulatie. Mg is essentieel bij de vorming van bladgroen (30) Het Brabants district bestrijkt een uitgestrekt oppervlak dat bedekt is met een bijna ononderbroken lösslaag waarin kalk en krijtformaties opduiken tussen Luik en Maastricht, in het bekken van Bergen en in de omgeving van Doornik (De Langhe J.E.e.a., 1988) (31) Het Maasdistrict, in het noorden ongeveer door het Samber- en Maasdal begrensd, bestrijkt gebieden met dagzomende Siluur-, Devoon- en Karboonlagen (De Langhe J.E. e.a., 1988) (32) Het Kempens district bestrijkt een gebied dat met kwartair zand bedekt is, gelegen in het noorden van België en in de Nederlandse provincie Noord-Brabant (De Langhe J.E. e.a., 1988)
(33) Hygrofiel: vochtminnend. Bij voorkeur onder vochtige omstandigheden groeiend. (34) Gewestplan Neerpelt-Bree, 2de druk, Kaartblad Overpelt 17/4, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, AROHM, Afdeling Ruimtelijke Ordening. (35) Decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen.
BIBLIOGRAFIE ANTROP M. & VAN DAMME S., Landschapszorg in Vlaanderen. Onderzoek naar criteria en wenselijkheden voor een ruimtelijk beleid met betrekking tot cultuurhistorische en esthetische waarden van de landschappen in Vlaanderen, R.U.G., Gent, 1995. BAEYENS L. (1975), Bodemkaart van België, Centrum voor bodemkartering, Kaartblad Overpelt 32E & Neerpelt 19E en Verklarende tekst bij het kaartblad. BAEYENS L. (1974), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Lommei 32W en Verklarende tekst bij het kaartblad. BERTEN R.. Limburgse plantenatlas, Provincie Limburg-Culturele aangelegenheden, 1993. BOITEN M., De vloeiweiden van Lommel-Kolonie, in Natura Limburg, nr. 104, 1981, p. 453-461. DE LANGHE J.E. e.a., Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatojyten). Meise, 1988, Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België. DEVILLERS P. e.a., Atlas van de Belgische broedvogels, Brussel, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, 1988. GABRIELS J., STEVENS J., VAN SANDEN P.. Broedvogelatlas van Limburg, Licona, Lisec, Provincie Limburg, 1994. HERMANS P., De Wateringen, in Natuur en Flora in Limburg, 1990, p. 149-155. MERTENS A. & SIMONS L, De vloeiweiden te Lommel-Kolonie, V.Z.W. Stichting Limburgs Landschap, 1982. TRAETS J., (1969), Vegetatiekaart van België, Centrum voor plantensociologische "Kartering van België, Kaartblad Lommei 32W en Verklarende tekst bij het kaartblad. WESTHOFF V. & DEN HELD A.J., Plantengemeenschappen in Nederland, B.V.W.J. Thieme & Cie-Zutphen, 1975.
Hubert Bats is Adjunct van de Directeur voor de Afdeling ROHM-Limburg.
M&L
29
HOUT IN DIENST VAN DE IDEOLOGIE DE RESTAURATIE VAN HET MEUBILAIR VAN DE ONZE-LIEVE-VROUWEBASILIEK TE KORTENBOS MARJAN BUYLE, CHRISTINE VANTHILLO EN HUGO VANDEN BORRE
Een biechtstoel in de lambrisering van de basiliek te Kortenbos (foto 0. Pauwels)
Het interieur van de Onze-LieveVrouwebasiliek te Kortenbos werd zopas gerestaureerd. Na de schilderwerken en het plaatsen van een vloerverwarming was het rijke kerkmeubilair aan de beurt: het hoogaltaar en de zijaltaren, de lambrisering met Ingebouwde biechtstoelen, de preekstoel, de communiebank.
EEN BAROK INTERIEUR Op de bochtige weg van Sint-Truiden naar Hasselt staat men plots oog in oog met een monumentale basiliek, veel groter dan men in zo'n kleine landelijke gemeente zou verwachten. Dit bedehuis, gebouwd tussen 1641 en 1648 onder impuls van de premonstratenzerabdij van Averbode, staat volgens de overlevering op de plaats van de eikenboom, waaraan in 1636 een klein Mariabeeldje was opgehangen. De massale toeloop van bedevaarders verantwoordde de bouw van deze grote kerk, waarvan ook het
30
M&L
J^HW*
*
«
*
=
•
•
«
^m^. •*N^f
De barokke OnzeLieve-Vrouwebasiliek te Kortenbos (foto 0. Pauwels)
Insectenaantasting en verwering van de trede (foto H. Vanden Borre.
interieur met prachtig barok meubilair versierd werd. Deze binnenaankleding ademt de triomferende sfeer van de contrareformatie, die de aanvallen van de protestanten niet enkel in geleerde traktaten, maar ook in woord (predicatie) en beeld wilde bestrijden. De barok, die de nieuwe stijl belichaamde, legde expliciet de klemtoon op alles wat de reformatie in twijfel trok : de sacramenten, de heiligenverering en de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw.
DE BIECHTSTOELEN Veel onderdelen van het houtwerk zijn losgekomen (foto H. Vanden Borre)
Vermits de reformatie maar twee sacramenten erkende, namelijk het doopsel en de eucharistie, legt de contrareformatie de nadruk op de andere sacramen-
ten en dan vooral de biecht en de communie. We zien dan ook in deze periode een ware proliferatie van prachtig uitgewerkte en triomfantelijke biechtstoelen en communiebanken. Tot in de 16de eeuw bestond de biechtstoel als meubel niet. De biechteling knielde gewoon bij een priester neer. Enkele jaren na het beëindigen van het Concilie van Trente (1545-1563) publiceerde Carolus Borromeus, de later heilige verklaarde aartsbisschop van Milaan, een aantal richtlijnen waaruit de biechtstoel, zoals we hem nu kennen, zal ontstaan. Na een afscheidingswand tussen de gelovige en de biechtvader en een centrale plaatsing in de kerk, worden er al vlug ook een dak, een deurtje en een ganse decoratieve aankleding toegevoegd. De versiering werd fantasierijk uitgewerkt: friezen, cartouches, medaillons, guirlandes en levensgrote beelden, meestal bekende boetedoeners uit het oude en het nieuwe testament en allegorische figuren met hun attributen : geloof, hoop, liefde, berouw en boetvaardigheid. In Kortenbos werden de biechtstoelen verwerkt in een lambrisering, die voorzien is van banken voor de wachtende gelovigen. Op die manier ontstond een doorlopende reeks biechtstoelen, gevormd in een afwisselend ritme van volplastische beelden en de meer vlakke wandbeschotten (1). Elke biechtstoel bestaat uit drie nissen, waarvan de middenste licht vooruitspringt en met een deurtje afgesloten is. Links en rechts kunnen de biechtelingen plaatsnemen. Een zwaar versierde kroonlijst en een uitbundige bovenbekroning werken het geheel af. Opvallend is de veelvuldige aanwezigheid van panelen met opgelijmd schuin verstekwerk, dat telkens opnieuw andere ingewikkelde motieven toont. De acht oorspronkelijke biechtstoelen met hun lambrisering, uitgevoerd door Antoon Bayens uit Mechelen in 1651, werden enkele jaren later aangevuld met twee bijkomende biechtstoelen in de pseudo-dwarsbeuk en met nogmaals twee stoelen
M&L
31
vermelden we zijn altaren in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Aarschot, de Sint-Sulpitiuskerk te Diest, twee altaren voor de abdij van Averbode en de SintGummaruskerk van Lier. Grafmonumenten van zijn hand zijn terug te vinden in de Antwerpse kathedraal en in de Sint-Catharinakerk te Hoogstraten. Als materiaal gebruikte Scheemaeckers bij voorkeur marmer of gemarmerd hout om een indruk van kostbaarheid te scheppen. Hij heeft vooral gewerkt in het hertogdom Brabant. Deze opdracht voor Kortenbos is blijkbaar zijn enige in het voormalig prinsbisdom Luik. Het was overigens zijn laatste werk, want hij overleed enkele maanden vóór de inwijding van het altaar in 1714. Het altaar is een monumentaal bouwwerk, dat het ganse koor in beslag neemt, tot zelfs de deuren naar de sacristie toe. Het is een zogenaamd portiekaltaar, een type dat 'klassiek' was in de barok. De architectonische bovenbouw met zuilen, kapitelen, kroonlijsten, fronton en guirlandes vormt de omlijsting voor het schilderij en het beeldsnijwerk.
Elk paneel in opgelijmd verstekwerk is verschillend (foto M. Buyle)
achteraan in de kerk van het einde van de 18de eeuw. Het geheel werd afgewerkt met een aansluitende wandbekleding op de westmuur in 1936, met bazuinblazende engelen en een kroning van Maria boven het ingangsportaal. Dat de beeldsnijder Antoon Bayens niet eigenhandig elke versiering heeft gesneden, ligt voor de hand. Bij nauwkeurig toekijken zijn er grote kwaliteitsverschillen in de verschillende decoratieve elementen te bespeuren. Verbluffend virtuoos snijwerk, zoals bijvoorbeeld op de smalle friezen van de kroonlijst is afgewisseld met degelijk en verdienstelijk vakwerk, vermoedelijk van de medewerkers uit zijn atelier.
HET HOOGALTAAR Ook de heiligenverering werd door de protestanten bekritiseerd, en dan vooral de legendarische heiligen en de verregaande devotie tot Maria. Als antwoord hierop verschijnt er rond het minuscule miraculeus Onze-Lieve-Vrouwbeeldje een prachtig gepolychromeerd hoogaltaar, dat het werk is van Peeter Scheemaeckers uit Antwerpen. Deze kunstenaar, die geboren werd in 1652, werd van jongs af aan opgeleid in het vak en werd opgenomen in de Sint-Lucasgilde, waar hij later ook zelf leerlingen opleidde. Hij kreeg tal van opdrachten voor altaren, doksalen, koorbanken en kerkportalen. Als meest bekende
Het contract werd ondertekend in 1710. In de kerkrekeningen van de abdij van Averbode, langs waar hij waarschijnlijk de opdracht kreeg, staan zelfs de kosten vermeld die de abdij maakte om hem een paspoort te bezorgen zodat hij naar het 'buitenland', het prinsbisdom Luik kon reizen. Peeter Scheemaeckers maakte van dit altaar eerst een ontwerptekening en vervolgens een maquette in potaarde. In zijn Antwerps atelier vervaardigde hij de beelden, de engelen en de decoratieve versieringselementen. Wanneer, meestal om financiële redenen, het altaar niet in marmer kon gemaakt worden, werd het achteraf toch 'in de marmer gezet'. Dit was echter het werk voor een andere vakman, in dit geval de schilder J.B. Neckers, die ook de twee altaren voor de abdijkerk van Averbode gepolychromeerd had. Ook de constructie zélf van het altaar werd niet door Scheemaeckers uitgevoerd, maar door een plaatselijke schrijnwerker, uit hout dat geleverd werd door abt Maurus van der Heyden van de Sint-Truidense abdij. Het altaar is een drieledige, halfronde portiek, bestaande uit een vlakke hoofdportiek en twee halfronde zijportieken. Het benedengedeelte bestaat uit dubbele voetstukken, waarin de deuren naar de sacristie verwerkt zijn. De onderste voetstukken zijn versierd met schelpmotieven en guirlandes. De bovenste bestaan uit vierkante vlakken waaruit twee voluten naar beneden lopen tot bij twee wapenschilden. Links het wapen van abt Stefaan van der
32
M&L
Steghen, een schild met gouden dwarsbalk, beladen met een hart tussen twee rozen van dezelfde kleur. Rechts het wapen van Jacobus Eyben, Norbertijn te Averbode en pastoor van Zutendaal: gevierendeeld schild op eerste en vierde kwartier van sabel (zwart) een raap van zilver, bebladerd van sinopel (groen); op het tweede en derde kwartier van goud vier lelies, twee aan twee; over alles heen een schildhart van lazuur (blauw) met een zwaan van zilver. Een derde ongeïdentificeerd wapenschild met een krans van zeven rozen is aan het vorige bevestigd. Deze Jacobus Eyben moet een rijk man geweest zijn: hij heeft niet enkel het Sint-Jan-de-Doperaltaar geschonken aan Averbode, maar is vermoedelijk ook de schenker van dit altaar. Boven de voetstukken staan drie gesloten portieken. In het midden een schilderij van Gaspard de Crayer met de voorstelling van Sint-Norbertus die knielt voor de troon met Onze-Lieve-Vrouw en het kind.
1. Kapiteel van het hoogaltaar tijdens de fixering van de vergulding (foto H. Vanden Borre) 2. Hetzelfde kapiteel na de behandeling (foto H. Vanden Borre) 3. Cartouche met engelen van het hoogaltaar. De rechterengel is herschilderd in kaolin (foto H. Vanden Borre)
om voor de zieken en noodlijdenden ten beste te spreken. Het schilderij dateert van 1662 en was vroeger opgenomen in een voorlopig opgesteld portiekaltaar. De zijportieken zijn twee halfronde nissen waarin de levensgrote beelden van de heilige Jozef en Norbertus op een decoratief voetstuk met twee cherubhoofdjes.
DE RESTAURATIE VAN HET HOOGALTAAR Het imponerende gepolychromeerde hoofdaltaar domineert de barokke kerkruimte. In 1710 werd het huidige altaar, volgens het volksgeloof, opgericht op de plaats waar ooit de eik stond waaraan het miraculeuze beeldje van Onze-Lieve-Vrouw was opgehangen. Deze kleine sculptuur neemt in het concept van het altaar een centrale plaats in, boven het schilderij van Gaspard de Crayer.
M L BINNENKRANT Nr. 79 Bijlage bij M&L 15/3 mei-juni 1996 Lochristi, Denen 61
Destelbergen, Aelmeersstraat 7
M8cL
Beschefmingen IN 1995 BESCHERMDE MONUMENTEN, STADSEN DORPSGEZICHTEN IN DE PROVINCIE OOSTVLAANDEREN In 1995 heeft de bevoegde Vlaamse minister de definitieve beschermingsbesluiten ondertekend voor 157 monumenten en 38 dorps- en stadsgezichten. Alle dossiers werden door de cel Monumenten en Landschappen OostVlaanderen opgesteld en afgehandeld volgens de procedure voorzien in het decreet van 3 maart 1976. Er werden nog geen definitieve beschermingen getroffen volgens de op 22 februari 1995 gewijzigde procedure. AALTER: Schoenberg 11, Hoeve Schoonberge Monument, 10 november 1995. Hoeve met in U-vorm geplaatste losse bestanddelen. Vermoedelijk gebouwd kort voor 1770, uitgebreid en aangepast in de 19de eeuw. Getuige van de heerlijkheid van Schoonberge, opklimmend tot de 12de eeuw. Centraal ingeplant boerenhuis en imponerende bedrijfsgebouwen waaronder een zeldzaam mestvaaltgebouwtje en koepelvormig gemetst hondenhok, dwarsschuur, stallen en bakhuis. BRAKEL (Zegelsem): H. Teirlinckstraat, Haaghoek, Sint-Usmarusstraat, kasseiwegen Monument, 30 maart 1995. Deel van de 25 beschermde kasseiwegen, in totaal 26,75 km, kenmerkend voor het landschap van de Vlaamse Ardennen. De kasseiwegen vormen een belangrijke en langdurige fase in de evolutie van de wegenbouw. Buggenhout, Maricolleweg 42
BUGGENHOUT: Maricolleweg 42, Verhaeverts stede Monument (woning en omwalling) en dorpsgezicht (tuin binnen omwalting en paardestallen), 12 april 1995. Monumentale woning in traditionele bak- en zandsteenbouw, daterend van 1660 met een bewaarde 17de-eeuwse omwalling. Oorspronkelijk eigendom van de abdij van Affligem.
DEINZE (Astene): Astenedreef, Gampelaeredreef 27-29, Parijsestraat 34 en 36 Monument (dreef, de omwalling en plaats van de voormalige motte en het neerhof van het Goed te Gampelaere, Gampelaeredreef 27-29, de omwalling en de ijskelder van het voormalige kasteel van Astene, Parijsestraat 34, het woonhuis van het Goed te Breeschoot Parijsestraat 36), 17 oktober 1995. De dominante dubbele lindendreef kwam tot stand tussen 1775-1822 als verbinding tussen de twee historisch belangrijke sites. Het Goed fe Gampelaere klimt op tot de 14de15de eeuw en bevat de archeologische sporen van het opper- en neerhof van de heerlijkheid Gampelaere. De ijskelder van het voormalige kasteeldomein is een overblijfsel van de midden 19de-eeuwse parkaanleg. Het woonhuis Goed te Breeschoot is een voormalige kasteelhoeve opklimmend tot de 16de eeuw, met bewaarde sporen van leembouw en versteende vakwerkbouw. DEINZE (Bachte-Maria-Leerne): Ooidonkdreef - Hooidreef, Kasteeldomein Ooidonk Monument (kasteeldomein Ooidonk met uitzondering van de reeds beschermde delen - Ooidonkdreef, omgrachting (vijver en erekoer), tuin, ijskelder, beukendreef, moestuin, Engelse tuin, grachtensysteem, vroegere aanhorigheden, kasteelgoed met dreven, beek en deel Maaigemdijk enz.), 10 november 1995. Deze elementen maken integrerend deel uit van het kasteeldomein Ooidonk en vormen een cultuurhistorische entiteit binnen het ruimer landschappelijk waardevol gebied van de Leiemeersen. Het betreft de dubbele omgrachting rondom de waterburcht die ouder is dan de gebouwen. De toegangsdreef, voor de eerste maal aangeplant in 1567. Het kasteel-
bos met drevenpatroon, minstens teruggaand tot de 17de eeuw. De vroeg 19de-eeuwse Engelse pittoreske tuin rond het tuinpaviljoen. De moestuin en verschillende hoeven. DENDERMONDE: Dijkstraat 91-93, Koninklijke Academie Monument (voorbouw en voorgevel), 8 maart 1995. Functioneel gebouw, opgetrokken met een betonskeletstructuur in 1924-28, naar het ontwerp van stadsarchitect Fernand De Ruddere. De voorbouw vertoont invloed van de functionalistische richting en van de romantischdecoratieve tendens binnen de architectuur van het Interbellum. DESTELBERGEN (Heusden): Aelmeersstraat en omgeving Dorpsgezicht, 5 december 1995. Landelijk gebied met een oude dreef nl. Aelmeersstraat, gelegen tussen de linker Schelde-oever en het dorpscentrum van Heusden. Bestaande uit verscheidene aanpalende kasteeldomeinen waarvan de beboomde parken landschappelijk het geheel domineren en afgewisseld worden met enkele tussenliggende boerenerven en landhuizen met hovingen. Omgeving van voornamelijk 19deeeuwse kastelen die ontstaan zijn uit oudere typische "huizen van plaisance" nabij de Schelde en welke als site met walgrachten doorgaans hun oorsprong vonden in de late middeleeuwen. Beeldbepalend in dit omvangrijk dorpsgezicht zijn: - Aelmeersstraat 2, Villa Les Goëlands in cottagestijl daterend van ca. 1912 en gebouwd voor ridder van Tieghem de ten Berghe. - Aelmeersstraat 5, Voormalig speelhuis bij kasteel Ocket. Pittoresk huisje in cottagestijl daterend uit het einde van de 19de eeuw. - Aelmeersstraat 7, kasteel Ocket. Kasteel met 18de-eeuwse kern, aangepast in het tweede kwart van de
M8d
3
19de eeuw in neoclassicistische stijl met empire-inslag. - Aelmeersstraat 9, landelijke woning vermoedelijk daterend uit het begin van de 20ste eeuw, met 19de-eeuws bijgebouw. Oorspronkelijk afhankelijk van kasteel Ocket. - Meersstraat, sokkelkapelletje toegewijd aan Onze-Lleve-Vrouw St. Pierre opgericht in opdracht van mevrouw DeWilde-Dutryin1932. - Meersstraat 31, kasteel De Wilde of Buitenhof, kasteel met kern uit de eerste helft van de 18de eeuw. Door cementfabrikant A. Dutry-Massy in het begin van de 20ste eeuw vergroot en aangepast, nogmaals vergroot in 1932. - Meersstraat 36-37-39, pittoresk ensemble van eenvoudige landhuizen. Eertijds voormalige paardestallen, koetshuizen en personeelswoningen bij kasteel Ocket en daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw. Rond 1900 aangepast tot de huidige woningen. - Meersstraat 46, kasteel De Vos. Voormalig kasteel Soupart of kasteel Klaverken. Neoclassicistische villa naar ontwerp van architect A. Pauli, daterend van 1876 ter vervanging van een maison de plaisance. Het domein bevat nog een merkwaardige watertoren in eclectische stijl daterend van circa 1876 en een serre. - Meersstraat 48-50, Voormalig koetshuis met stallingen vermoedelijk opklimmend tot de 17de of 18de eeuw, op het einde van de 19de eeuw aangepast tot twee woningen. - Steenakkerstraat 9,19de-eeuws dwarsschuurtje en stallen. - Steenakkerstraat 15, hoeve met losse bestanddelen daterend van ca. 1875. - Steenakkerstraat 17-23, oorspronkelijk omgrachte site opklimmend tot de 13de eeuw. Bestaande uit de voormalige 18de-eeuwse dwarsschuur, aangepast tot twee woningen (nrs. 17-19); een villa met eclectische inslag date-
rend van ca. 1894 (nr. 21) en de voormalige eind 19de-eeuwse hovenierswoning (nr. 23). - Steenakkerstraat 25, afhangen van het voormalige Goed ten Durpe, momenteel hoeve die mogelijk opklimt tot de 18de eeuw. - Steenakkerstraat 27, sober landelijk herenhuis daterend uit het tweede kwart van de 19de eeuw, vergroot in het begin van de 20ste eeuw. - Veerdreef 11, voormalige brugdraaierswoning gebouwd in 1909 bij de thans verdwenen draaibrug van 1869 over de Schelde.
teert van 1653. Nr. 9 kan model staan voor een doorsneeboerenhuisje uit de 18de of begin 19de eeuw. Beide woningen bewaren de oorspronkelijke binnenindeling en de voornaamste interieurelementen nl. schouw, tegelvloeren en houten zolderingen met kinder- en moerbalken.
DESTELBERGEN (Heusden): Aelmeersstraat 1-3, voormalige kasteelhoeve van kasteel Ocket Monument (gelegen in dorpsgezicht Aelmeersstraat en omgeving), 5 december 1995. Neogotische kasteelhoeve met een gesloten rechthoekige binnenkeer, daterend van ca. 1875 en gebouwd voor de toenmalige eigenaar van het kasteel Ocket advocaat E. Delecourt.
DESTELBERGEN (Heusden): Veerdreef 4, kasteel Stas de Richelle met hovenierswoning en koetshuls Monument (gelegen in dorpsgezicht Aelmeersstraat en omgeving), 5 december 1995. Kasteel met een 18de-eeuwse kern, vergroot rond het midden van de 19de eeuw, waardoor het een neoclassicistisch uitzicht kreeg. De hovenierswoning dateert in oorsprong uit de 18de eeuw en heeft het uitzicht van een tuinpaviljoen. Het koetshuis - oorspronkelijk oranjerie - dateert uit de eerste helft van de 19de eeuw. Vermoedelijk werd het rond 1900 aangepast tot koetshuis.
DESTELBERGEN (Heusden): Hoorlingstraat, kapelletje van het Klaverken Monument (gelegen in dorpsgezicht Aelmeersstraat en omgeving), 5 december 1995. Neogotische wegkapel toegewijd aan de Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, palend aan het park van kasteel De Vos (Meersstraat nr. 46). Opgetrokken in 1855 door de toenmalige eigenares van kasteel de Vos namelijk jonkvrouw Félicie Frangoise d'Hoop de Synghem.
EVERGEM: Dorpsplein, parochiekerk Sint-Christoffel Monument, 7juni 1995. Driebeukige transeptloze classicistische hallenkerk gebouwd naar ontwerp van architect Frangois Drieghe tussen 1785 en 1790, ter vervanging van de oude kerk die in 1783 afbrandde. Harmonieus en stijlvol interieur met bijzondere aandacht voor ruimteopbouw en lichtinval. Gestoffeerd met 18de- en voornamelijk 19de-eeuws kwaliteitsvol meubilair, schilderijen en beeldhouwwerk.
DESTELBERGEN (Heusden): Steenakkerstraat 9-11, boerenhuis en huis zogenaamd tolhuis Monument (gelegen in dorpsgezicht Aelmeersstraat en omgeving), 5 december 1995. Twee aanpalende woningen in traditionele hoevestijl waarvan nr. 11 da-
EVERGEM: Eindeken 21, dekenij Monument (dekenij) en dorpsgezicht (ommuurde tuin met vijver), 12 april 1995. Monumentaal herenhuis gebouwd in 1786 voor pastoor L. Driege in opdracht van prins Lobkowitz, bisschop van Gent en graaf van Evergem.
M&L
4 gebruik als gemeentehuis. Sierlijke ingangspartij en Lodewijk XVI-schouw in de gelagzaal. EVERGEM (Ertvelde): Pastorijstraat 3, pastorie Monument (pastorie) en dorpsgezicht (tuin en afsluitende hekken), 12 april 1995. Classicistisch herenhuis daterend van 1778, opgetrokken onder pastoor de Smet. Grondig gerestaureerd in 197681. De tuin is voorzien van een grote vijver, grachten en afsluitende hekken en inrijhek.
Evergem (Ertvelde) Pastorie
Verbouwd in aangepaste stijl door J. Dauchotin1849. EVERGEM (Ertvelde): Hoge Avrijestraat, Goed terAvrije Monument (Hoge Avrijestraat 2, boerenhuis en walgrachten) en dorpsgezicht (domein van Hoge Avrijestraat 2 en 3), 10 november 1995. Omwalde hoeve met vijver, oorspronkelijk zetel van de gelijknamige heerlijkheid afhangende van de graaf van Vlaanderen en gesticht in 1227. Eertijds bestond het goed uit een opper- en neerhof omsloten door een meerdelig grachtenstelsel. Het huidige boerenhuis is ontstaan in verschillende fasen. Het linkergedeelte dateert van 1771 en hierbij sluit een vermoedelijk 17de-eeuws "hooghutë aan. Onder de 19de-eeuwse bedrijfsgebouwen zien we een dwarsschuur gedateerd 1889. Hoeve Hoge Avrijestraat 3 behoorde vanouds tot dezelfde familie als het "Goed terAvrije' en is een typische hoeve van het open type met losstaande elementen, waarvan het boerenhuis vermoedelijk dateert uit het einde van de 18de eeuw. De dwarsschuur werd opgetrokken in 1890 en gelijkt sterk op deze van het "Goed ter Avrije".
Evergem (Sleidinge) Veldhoek 34
EVERGEM (Ertvelde): Marktplein 2, voormalig gemeentehuis Monument, 7 juni 1995. Neoclassicistisch gebouw opgericht in 1870 naar ontwerp van architect E. de Perre-Montigny als gemeentehuis, schoolgebouw en onderwijzerswoning. EVERGEM (Ertvelde): Marktplein 4, café Oud Gemeentehuis Monument, 7 juni 1995. 18de-eeuws burgerhuis, met een voorgevel aangepast in de 19de of 20ste eeuw. Tussen 1840 en 1870 in
EVERGEM (Sleidinge): Sleidingedorp, parochiekerk Sint-Joris Monument, 7 juni 1995. Driebeukige hallenkerk opklimmend tot 1260-1280. Rond 1549 werd het koor verbreed en het schip werd na de brand van 1662 heropgebouwd. Tijdens de 18de eeuw werd de traptoren toegevoegd (1715), de barokke gewelven aangepast (1720), een naaldspits aangebracht (1740), nieuwe portalen in de zijgevels en doksaal geplaatst (1747). Na de sloping van het koor werd in 1774 het schip verlengd met vier traveeën en werd een nieuw koor en sacristie toegevoegd. De doopkapel dateert van 1813. Het meubilair dateert grotendeels uit de 19de eeuw. EVERGEM (Sleidinge): Sleidinge-dorp 43, pastorie Monument (pastorie) en dorpsgezicht (tuin, tuinmuur, toegangspoort), 12 april 1995. Herenhuis opgetrokken rond 1791 in opdracht van pastoor Judocus De Wulf, met typerende laat-classicistische gevelordonnantie en bewaarde interieurelementen. De woning is gelegen in een tuin met afsluitende tuinmuur en imposante toegangspoort in classicistische stijl.
witgeschilderd poortgebouw dateren uit de 17de eeuw. De hoeve is gelegen in een vrij open landschappelijk gebied met een agrarische woonkern vermeld vanaf 1418. Reeds in de 18de eeuw was het een dichtbebouwde landelijke bewoningskern met als belangrijk element de monumentale hoeve Veldhoek 34. De omgeving van de hoeve vormt de dichte concentratie van typische kleine 19de-eeuwse eenvoudige landbouwbedrijfjes (nrs. 24,26,28 en 30), waarvan nr. 26 nog een zichtbare oudere kern vertoont. GAVERE (Vurste): Leenstraat 31-35, kasteel Borgwal Monument (kasteel met bijgebouwen, ommuurd park en spiegelvijver), 9 juni 1995. Waterkasteel met 18de-eeuwse kern, aangepast in het midden van de 19de eeuw. Het interieur bevat onder meer een bewaarde hal, trappenhuis, huiskapel en bovenkamer met schilderingen op doek. Uitgebreid met een merkwaardige eclectische vleugel waarin de z.g. "Grote zaal' in een Italianiserende, neogotische en neoromaans geïnspireerde stijl met een bewaard neoclassicistisch interieur. Het kasteeldomein omvat de monumentale toegangspoort, staatsieplein en neerhof aangelegd vóór het kasteel met karakteristieke opstelling in Uvorm. Daarnaast vermelden we de 19de-eeuwse duiventoren, de spiegelvijver met gemetste kaaimuren deel uitmakend van de strakke 18de-eeuwse tuinaanleg, de neogotische kapel daterend van 1877, de omheiningsmuur, het park met dreven, vijvers, fonteinen, brugjes, bronnen, fabriekjes, ijskelder met bekronend Chinees paviljoen. Getuigen van een tuinaanleg uit het einde van de 18de eeuw met strak aangelegde vijvers en dreven in de geest van de klassieke
EVERGEM (Sleidinge): Veldhoek 34, hoeve Monument (woonhuis, bakhuis en inrijhek, omgrachtingen en populierendreef) en dorpsgezicht (hoeve met onmiddellijke omgeving), 10 november 1995. Een populierendreef leidt naar het meervoudig omgrachte erf van de 17de-eeuwse hoeve met losstaande bestanddelen. Boerenhuis in traditionele bak- en zandsteenbouw gedateerd 1687 met bewaarde interieurelementen. Het bakhuis van het samengestelde type alsook het bakstenen
B I N N E N K R A N T
M8d 5 Gent, Apotheekstraat 5
tuinarchitectuur van Le Notre, aangepast in het begin van de 19de eeuw in romantische geest. GENT: Apotheekstraat 5 Hospitaalstraat 13 en J. Kluyskensstraat 29, Rommelaere-instituut voor bacteriologie, Apotheekstraat 1, fysiologisch instituut Monument, 8 maart 1995. Twee instituten van het Bijloke hospitaal ontworpen door ingenieur architect Louis Cloquet (1849-1920) en gerealiseerd tussen 1898 en 1905 in opdracht van de Gentse Rijksuniversiteit. Zeer decoratief architecturaal ensemble in neogotische stijl, namelijk een subtiele mengeling van Brabants en Vlaams getinte neogotiek met kleurig en gevarieerd materiaalgebruik. De inrichting gebeurde in samenwerking met de directeurs van de instituten en deze inrichting bleef nagenoeg intact bewaard met merkwaardige laboratoria, practicumzalen, auditoria, bibliotheek met ijzeren galerij enz. Het Rommelaere-instituut was het eerste en toen modernste wetenschappelijk instituut. GENT: Brusselsepoortstraat, pomp van 't Zand Monument, 16 mei 1995. Waterput met militaire praalpomp van 1835-36 naar ontwerp van architect Louis Roelandt en uitgevoerd in arduin door beeldhouwer Ph. Parmentier. Ontworpen als hulde aan ons pas opgerichte koninkrijk. GENT: Gasmeterlaan 107, twee telescopische natte gashouders van 1880 Monument, 7juni 1995. Enige nog overblijvende en tevens oudste gashouders die vanaf 1880 in het Vlaams gewest voor de publieke gasdistributie hebben gefunctioneerd. GENT: Goudstraat 31, basisschool Sint-Lievens. voormalige feestzaal Monument (centrale gedeelte van de basisschool met de voormalige feestzaal) en stadsgezicht (basisschool met inbegrip van de speelplaats), 5 april 1995. Voormalige rijkversierde feestzaal van de Koninklijke Kruisboogvereniging Nemrod ingericht in 1852 in eclectische stijl naar ontwerp van architect M.H. Martens; de decoratie werd toevertrouwd aan F. Delanier. Oorspronkelijk deel uitmakend van een suikerraffinaderij. Deze werd opgericht vóór 1785 en de fabrieks-
gebouwen daterend van 1807 zijn nog duidelijk herkenbaar in de huidige gebouwen. In deze suikerraffinaderij werd de basisschool ondergebracht vanaf 1870. GENT: Groendreef 51, fabriek vuurvaste materialen Sugg & C/e later Colpaert Monument (nl. de vier ovens, de noordoostelijke bewerkingshal, de buitenmuur van de zuidwestelijke bewerkingshal), 29 mei 1995. In 1854 werd door Albert Keller gestart met een fabriek voor de aanmaak van retorten (vuurvaste cilindervormige elementen, gebruikt in de lichtgasindustrie). Hiervoor verbouwde hij een loods van 1854 en liet hij een fabriekshal oprichten met een gemengde houten en ijzeren dakstructuur, de gevel aan de Groendreef kreeg drie boogvormige blindnissen. Een afsluitmuur aan de Groendreef werd opgetrokken in 1858. Het bedrijf werd overgenomen door J. Sugg en C°, Produits Réfractaires et Céramiques en in 1865 vergroot met een tweede identieke fabriekshal. Het bedrijf bevat onder meer vier oorspronkelijke halfronde gegroepeerde koepelovens met vierkante schoorstenen, behorend tot de oudste van Vlaanderen. GENT: Groentenmarkt Stadsgezicht, 9 juni 1995. Oudste marktplein in het centrum van de Gentse portus. Vanaf de middeleeuwen had het plein een belangrijke handelsfunctie als vismarkt en het deed ook dienst als executieplaats.
De huidige bebouwing dateert van de 15de tot de 19de eeuw. GENT: Groentenmarkt, empirepomp Monument (gelegen in stadsgezicht Groentenmarkt), 9 juni 1995. Pomp aangelegd als openbare fontein in 1812, naar het ontwerp van P. de Broe en opgetrokken door J.B. van de Capelle. GENT: Groentenmarkt 3, handelshuis Monument (gelegen in stadsgezicht Groentenmarkt), 9 juni 1995. Huis "A la demie lune, Vve TierenteynVerlent', winkelhuis met Romaanse kelder en voorgevel met pui daterend van 1855. Zeer merkwaardige winkelinrichting daterend van 1885 aangebracht voor de mostaardfabriek en specerijenwinkel van Tierenteyn. GENT: Groentenmarkt 14, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Groentenmarkt), 9 juni 1995. Voormalig Gildehuis der Visverkopers opgetrokken in 1506, de huidige deuromlijsting dateert uit de 18de eeuw. GENT: Groentenmarkt 17-18, handelshuis Monument (gelegen in stadsgezicht Groentenmarkt), 9 juni 1995. Handelshuis en oud graanpakhuis genaamd De Grote Sfeur daterend van 1663-67. Huis met trapgevel, bewaarde kelder en bij het interieur tevens nog sporen van de oorspronkelijke houtbouw.
B I N N E N K R A N T
M&L 6 GENT: Julius De Vigneplein, badhuis Van Eyck Monument, 5 april 1995. Oudste nog bestaande Belgische badhuls met overdekt zwembad, gebouwd in 1886 naar het ontwerp van architect E. De Vlgne en Ingenieur E. Zollikofer. Met behoud van de hoofdstructuur werd het Interieur gemoderniseerd In 1932.
Gent, Koningin Maria Hendrikapiein 2
GENT: Keizer Karelstraat 75, huis Lousbergs-de Hemptinne Monument (herenhuis met neogotische annexe en kapei), 18 oktober 1995. Voorname neoclassicistische stadswoning gebouwd In opdracht van katoenfabrikant Ferdinand Lousbergs naar het ontwerp van architect-aannemer Louis Eyckens In de periode 1842-1848. Ingericht en uitgebreid door de familie de Hemptinne rond 1863 met onder meer een annexe en kapel in neogotische stijl naar het ontwerp van architect Jean Béthune. Het Imponerende Interieur is overwegend Ingericht onder leiding van de Gentse decorateur L. Thienpont In Second Empirestijl met vele reminiscenties aan de renaissance, de Franse barok en de Lodewijkstijlen.
GENT: Koningin Astridlaan/ Blankenbergestraat, ensemble van hulzen Stadsgezicht, 8 juni 1995. Ensemble gevormd door de hulzen gelegen Koningin Astridlaan 36,38, 76, 98-102,108-112, en Blankenbergestraat 72. Eenheidsbebouwing ontworpen door architect Charles Van Drlessche in 1907 In opdracht van eenzelfde eigenaar J. Flamme en uitgevoerd In een eclectische stijl eigen aan de architect. De overige woningen sluiten qua vormgeving en kleurgebruik goed aan bij het ensemble en zijn medebepalend voor dit stadsgezicht uit het begin van de 20ste eeuw. GENT: Koningin Astridlaan 36, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Koningin Astridlaan), 8 juni 1995. Eclectisch rijhuis beïnvloed door de Normandische cottagestijl met ArtNouveau-inslag. Daterend van 1907 en ontworpen door architect Charles Van Drlessche In een ensemble van zeven woningen. GENT: Koningin Astridlaan 38, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Koningin Astridlaan), 8 juni 1995.
GENT: Koningin Astridlaan 78, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Koningin Astridlaan), 8 juni 1995. GENT: Koningin Astridlaan 78, woning Monument (gevels en bedaking), (gelegen In stadsgezicht Koningin Astridlaan), 8 juni 1995. GENT: Koningin Maria Hendrikapiein, Sint-Pletersstation Monument (station met Inbegrip van de reizigers- en goederentunnel tot aan de Sint-Denijslaan), 10 november 1995 Eclectisch op het nationaal verleden geïnspireerde architectuur, opgetrokken tussen 1908 en 1912 naar ontwerp van ingenieur-architect Louis Cloquet. De plattegrond beantwoordt aan Cloquets algemeen stationsconcept namelijk een lang gebouw met centrale hal, wachtzalen en buffet, circulatiegang achteraan en tegenover de Ingang een relzigerstunnel naar de verschillende perrons. Kleurrijk interieur In verschillende marmersoorten en muurschilderingen en sgraffitopanelen met voorstellingen van de Belgische steden.
M&L GENT: Koningin Maria Hendrikaplein, aangeplante leilinden Monument, 10 november 1995. Pleinaanleg van 1922 met gekandelaberde en in de vorm van een plat loverdak geknipte leiplatanen, aangeplant in twee concentrische cirkels.
Gent, Prinses Clementinalaan 86
GENT: Koningin Maria Hendrikaplein, voormalig hotel Flandria Palace Monument, 10 november 1995. Imposant hotel, naar ontwerp van architect J. Van den Hende, in de traditie van de "Beaux-Arts", met gestilleerde motieven en late Art Nouveaureminiscenties. Gerealiseerd in 1912 met het oog op de wereldtentoonstelling van 1913. De lagere zijvleugels in de Prinses Clementinalaan en Koningin Astridlaan werd ca. 1925 gesloopt. GENT: Koophandelsplein 20-22, posterijen - vredegerecht en politierechtbank Monument (gevels en bedaking), 18 mei 1995. Neoclassicistisch gebouw daterend van 1913 naar ontwerp van de stadsarchitect Charles van Rysselberghe. Het gebouw vormt een homogeen geheel met het aanpalende operagebouw. GENT: Koophandelsplein 23, gerechtshof Monument (gerechtshof met omgevend parkje met inbegrip van het straatmeubilair, hekwerk, kaaimuren en het standbeeld van H. Metdepenningenj, 18 mei 1995. Gerechtshof gebouwd in 1836-46 naar ontwerp van architect Louis Roelandt, op de plaats van het vroegere recollettenklooster gesloopt in 1789. Belangrijk voorbeeld van de neoclassicistische architectuur geïnspireerd op de Florentijnse renaissance. Het gerechtshof en zijn onmiddellijke omgeving vormen een stedebouwkundig geheel aan de samenvloeiing van Lele en Ketelvest, en bestaat uit een 19de-eeuwse square - met een ijzeren afsluiting en hek - rondom het bronzen standbeeld van H. Metdepenningen van 1886 door JulienDillens. GENT: Kortemunt 5, winkelhuis Monument (gelegen in stadsgezicht Groentenmarkt), 9 juni 1995. Klokgevel in rococostijl daterend van 1746, met behouden winkelinterieur daterend van 1941.
GENT: Nieuwe Vaart • Roggestraat, voormalige katoenspinnerij en ververij La nouvelle Orleans Monument, 3 januari 1995. Opgericht in 1896, in 1899 uitgebreid met een gebouwencomplex van vier bouwlagen voor de self-acting spinnerij van het Manchestertype. Onder leiding van S. Detaeye & Cle werd in 1905 een nieuwe spinnerij toegevoegd. De kantoorgebouwen in neoVlaamse renaissancestijl dateren van 1907 en de markante vierkante traptoren werd verhoogd in 1908. Het voormalige katoenmagazijn dateert van 1912. De vernieuwde katoenmagazijnen bevatten een bewaarde paardestal en de fabrieksschouw werd opgetrokken in 1947.
Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Art Nouveau-woning genaamd Villa Elisabeth ontworpen door architect L. De Keyser in 1909. Geglazuurd parement met kleurrijke faiencetableaus.
GENT: Prinses Clementinalaan Stadsgezicht, 10 november 1995. Belangrijke beboomde verbindingsstraat aangelegd rond 1905 in het nieuwe stationskwartier, met een vrij homogeen geheel van burgerwoningen met bewaarde voortuintjes uit de eerste helft van de 20ste eeuw met voornamelijk Art Nouveau-inslag. Naast woningen in Art Nouveau-stijl merken we eenvoudiger rijhuizen met geglazuurde parementen verlevendigd met kleurige banden, erkers en sporadisch een faiencetegeltableau. Ook de architectuur uit de Art Deco en de Nieuwe Zakelijkheid aansluitend bij de Amsterdamse school zijn vertegenwoordigd. GENT: Prinses Clementinalaan 20, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Art Nouveau-woning daterend van 1909 opgetrokken als eigen woning van architect U. Grommen. Opmerkelijk faienceparement verrijkt met arduin en kleurrijke gestilleerde florale motieven in de fries en tegeltableaus. GENT: Prinses Clementinalaan 53, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Art Nouveau-woning genaamd Villa Clementine ontworpen door architect L. De Keyser in 1907. Geglazuurd parement met verwerking van faiencetegeltableaus. GENT: Prinses Clementinalaan 86, woning
GENT: Prinses Clementinalaan 122, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Rijhuis naar ontwerp van architect Fil. Bilsen, in Nieuwe Zakelijkheid aansluitend bij de Amsterdamse school en daterend van 1925. GENT: Prinses Clementinalaan 123, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Art Nouveau-woning met geglazuurd parement en faiencetegeltableaus, daterend van 1908. GENT: Prinses Clementinalaan 125127, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan),
B I N N E N K R A N T
M8d
8 10 november 1995. Art Nouveau-woning opgetrokken in 1908 samen met nr. 123. Geglazuurd parement, faiencetegeltableaus en slanke erker met bekronend balkon.
f
GENT: Prinses Clementlnalaan 173, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Art Nouveau-woning met geglazuurd parement, opgetrokken als eigen woning van architect Edgard Van Hoecke-Delmarle en daterend van 1911. GENT: Prinses Clementinalaan 175, woning Monument (gelegen in stadsgezicht Prinses Clementinalaan), 10 november 1995. Voormalig woonhuis en burelen van architect F. Dierkens daterend van 1914. Natuurstenen gevel met Art Nouveau getinte mozaïekfries onder de kroonlijst. GENT: Rabotstraat 9, Eiisabethhuis en achterbouw Monument (gevels en bedakingen met inbegrip van het achtergebouw deels behorend bij Sint-Elisabethplein 14), 12 april 1995. Herenwoning in Lodewijk XlV-stijl met 16de-eeuwse kern en vermoedelijk wederopgebouwd rond 1729. Achterbouw in bak- en zandsteen daterend uit het begin van de 17de eeuw. Tussen 1765 en 1794 gebruikt als refugehuis van de Geraardsbergse Sint-Adriaansabdij. Hierna kwam het in bezit van het aanpalende Sint-Elisabethbegijnhof en van 1874 tot 1932 deed het dienst als pastorie, thans parochiehuis. GENT: Schouwburgstraat 3, operagebouw Monument, 18 mei 1995. Monumentaal neoclassicistisch theatergebouw van 1837-1840 naar ontwerp van architect Louis Roelandt. Uitzonderlijk rijk interieur waar zowel de operazaal, foyer, balzaal en concertzaal gedecoreerd werden onder leiding van de Parijse kunstenaars-decorateurs J. Philastre en Ch. Cambon. GENT: Sint-Theresiastraat 1-3, voormalige katholieke jongensschool Monument, 16 mei 1995.
m
9
-ffl—
.ffl •
:
"f^P
•pip* ; T s *' i t ó '
• ' M•
j.^TR. -'^yy^ ', I •
IBxia \ ' i • & L .
f?
lUsn
•k
1
inn *
fl
^S9k
' • - '
•
,
,
,
f
^"
:
k
Mm
\
f, f' '
' «
\ ' .
(
| . Hl., }
^
»
m\
f
School gebouwd in 1911 in sobere neogotische baksteenarchitectuur naar het ontwerp van bouwmeester Fr. Van Hove. GENT: Tuinwijklaan 83, boerenhuis Monument en stadsgezicht (omhaagd binnenerf), 5 april 1995. Langgestrekt hoevetje bestaande uit een woon- en stalgedeelte, karakteristiek voor de regionalistische landelijke architectuur uit het einde van de 18de begin 19de eeuw. Het omhaagde binnenerf omvat de voormalige bedrijfsgebouwen, en een bloemen- en moestuintje. Getuige van de oorspronkelijke landelijke bebouwing van de SintPieters-Aaigemwijk te midden van de thans verstedelijkte context. GENT: Universiteitstraat 4, rechtsfaculteit Monument (gebouwen gelegen rondom een vierkant binnenplein), 18 mei 1995.
Gebouwen van oud Jezuïetenklooster, verbouwd en uitgebreid tot faculteitsgebouw in een strakke neoclassicistische stijl naar ontwerp van architect Louis Roelandt tussen 1819 en 1826. GENT: Vogelenzang 1-2-3 en 4, voormalige vlasspinnerij "La Linière Gantoise" Monument (directeurswoning, bedrijfspand, gietijzeren hekken en bij de woning aansluitend bedrijfspand), 18 oktober 1995. De enige bewaard gebleven 19deeeuwse bedrijfsgebouwen van de vlasspinnerij ' l a Linière Gantoise' opgericht in 1838 als eerste mechanische vlasspinnerij van België en zodus een belangrijke getuige van de vermaarde Gentse textielindustrie. Eenvoudige constructie aansluitend bij de directeurswoning en een opvallend fabrieksgebouw. Industrieel erfgoed in eclectische stijl refererend naar de
B I N N E N K R A N T
9
Engelse Tudorstijl. Neoclassicistische luxueuze woning van de textielfabrikant gebouwd naast zijn vlasspinnerij in 1864 naar een ontwerp van 1862 van architect Guislain-Claude. Opmerkelijk interieur met uitzonderlijk rijkbewerkte plafonds en lambriseringen in stucwerk. GENT: Vogelenzang 22, huis Voortman Monument (huis) en stadsgezicht (tuin en bijgebouwen), 18 oktober 1995. Herenhuis in Emplrestijl, opgetrokken in 1816 naar het ontwerp daterend van 1810 van architect Jean Baptiste Pisson. Gelegen naast de katoenfabriek van de opdrachtgevers de familie Voortman. Rijk gestoffeerd interieur in Emplrestijl met een opmerkelijke vestibule, wenteltrap en gewelfschildering, ontvangstkamer en salon. De woning bevindt zich in een ruime landschapstuin met vijver en aanhorlgheden waaronder een wagenhuis. GENT: Volderstraat 5-7, achterbouw, deel van voormalig Jezuïetenklooster Monument, 12 april 1995. Als zuidvleugel van de kleine pandgang vormde dit de verbinding tussen de kerk, klooster en school van het Jezuïetenklooster. Vermoedelijk opgetrokken tussen 1623 en 1633 in traditionele bak- en zandsteenstijl. Het interieur behield de 17de-eeuwse stucgewelven, het trappenhuis, haarden en deuromlijstingen.
GENT (Sint-Denijs-Westrem): Putstraat 28, kasteel Puttenhove Monument, 10 november 1995. Neoclassicistisch kasteel gebouwd op de vermoedelijk laatmiddeleeuwse site met walgracht en op de plaats van een vroeger waterkasteel waarvan de geschiedenis teruggaat tot de 15de eeuw. Het waterkasteel werd in 1840 verbouwd in neoclassicistische stijl naar het ontwerp van de bekende Gentse architect Louis Minard. Belangrijk interieur met hergebruik van 17de-eeuwse elementen en met onder meer het kunstkabinet in Vlaamse barokstijl met goudlederbehang uit het begin van de 18de eeuw. GENT (Zwijnaarde): GrotesteenwegZuid 22, kasteel "de Klosse" Monument (kasteel met vierkante gracht en inbegrip van haar oevers, boogbruggen, ijzeren brugleuningen en toegangshek), 10 november 1995. Neoclassicistisch kasteeltje gebouwd in 1847 naar het ontwerp van architect Louis Minard, op de plaats van een hoeve en "speeftof/e" waarvan de omgrachte site bewaard bleef. De oorspronkelijke site van de hoeve gelegen binnen een vierkante omgrachting klimt op tot de late middeleeuwen. Hierover bevinden zich bruggen waarvan onder meer één met datering 1878.
GENT: Volderstraat, aula van de universiteit Monument, 18 mei 1995. Neoclassicistisch gebouw opgetrokken op de gronden van het voormalige Jezuïetencollege tussen 1819 en 1826 naar het ontwerp van architect Louis Roelandt, volgens een rationeel ontwerpsysteem. Uniek document van de 19de-eeuwse interieurkunst met rijkversierde vestibule, trappenhuis en cirkelvormige vergaderzaal.
GENT (Zwijnaarde): Heistraat 16, Predikherenhof Monument (gevels en bedaking van het kasteeltje, deel van de gracht met haar oevers en vijver), 10 november 1995. Kasteeltje gebouwd in 1909 naar hel ontwerp van de Gentse architect Valentin Vaerwyck in een opmerkelijke neorococostijl geïnspireerd op de rococogevel van de Hoofdwacht op de Gentse Kouter. Van de voormalige site met hoeve en speelhof resteert de rechthoekige omgrachting, mogelijk opklimmend tot de late middeleeuwen. Oorspronkelijk bezit van de paters Predikheren van Gent.
GENT (Gentbrugge): Henrl Pirennelaan 68, huis Vermaerke Monument, 3 januari 1995. Intact bewaarde rijwoning in Nieuwe Zakelijkheid ontworpen in 1938 door architect Gaston Eysselinck (19071953). Rationele en functionele benadering van de rijwoning met het situeren van de woongedeelten aan de tuinzijde. Hierdoor wordt het visueel contact met de straat tot het minimum herleid.
GENT (Zwijnaarde): Rljvisschestraat 3, Kasteel Rijvissche Monument (kasteel met dubbele vierkante grachtengordel met hun oevers, de wal, de binnengracht omheen het kasteel, de centrale woonzone van het neerhof en de toegangsweg en omlopende weg van het kasteel), 10 november 1995. Versterkte adellijke woning met deels bewaard middeleeuws verdedigings-
systeem, toegangspoort met twee torentjes en muur met weergang opklimmend tot de 14de-15de eeuw, 16de-eeuwse woonvleugel en een aangebouwde 18de-eeuwse sobere classicistische L-vormige vleugel. Uniek voorbeeld van een middeleeuwse "r/ngwa/s/te" opklimmend tot de 11de-12de eeuw en bestaande uit twee parallelle grachten met ertussen een brede aarden wal en een centrale woonzone met neerhof. De binnengracht omgeeft de adellijke woonzone. GERAARDSBERGEN: Oudenbergstraat en De muur, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. Zie Brakel GERAARDSBERGEN (Moerbeke): Bosberg, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. HERZELE: Groenlaan, beboomde Groenlaan Monument (de zone tussen de twee bomenrijen vermeerderd met een zone van 7 meter te rekenen vanaf het middenpunt van het grondvlak van de stam van de bomen, te meten naarde buitenzijde van het plein en haaks op de straatrichting), 29 mei 1995. Op de middenberm van dit langgerekte dorpsplein staan twee rijen gekandelaarde platanen van ca. 80 tot 90 jaar oud. Deze Groenlaan is een voorbeeld van een pleindorp met een uniforme beplanting. HOREBEKE (Sint-Komelius-Horebeke): Haaghoek, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. KLUISBERGEN (Kwaremont): "Oude Kwaremont" Broektestraat, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. KLUISBERGEN (Kwaremont): Ommegangstraat, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. KLUISBERGEN (Kwaremont): Patersbergstraat "Paterberg", kasseiweg. Monument, 30 maart 1995. KLUISBERGEN (Kwaremont): Schilderstraat, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. KNESSELARE: Langedonkstraat 8, hoeve Monument (woonhuis) en dorpsgezicht (hoeve met omhaagd voorerf en
B I N N E N K R A N T
M8d
10
boomgaard), 10 november 1995. Hoeve met losstaande bestanddelen met boerenhuis opklimmend tot de 17de eeuw, kenmerkend voor de Vlaamse zandstreek met witgekalkte gevels, houten kruiskozijnen, korfboogpoortje en behouden interieur met een 1629 gedateerde balk. 19de-eeuws bedrijfsgebouw met open wagenhuis, schuur en stallen en afzonderlijk bakhuis van het samengestelde type. Erf met hoogstammige fruitbomen en een ijzeren toegangshek. KRUIBEKE (Bazel): Lange Gaanweg z.n., het stoompompstation van het Bazel- en het Rupelmondebroek Monument, 7 juni 1995. Restant van een stoompompinstallatie opgericht in 1889 onder het dijkgraafschap van burggraaf Vilain Xllil, naar ontwerp van ir. Korevaar uit Delft. Getuige van de wijze waarop de polders met stoomgemalen werden drooggehouden, en van de inrichting van het "Basel- en Rupelmondebroek'. KRUISHOUTEM (Nokere): Nokerdorpsstraat, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. KRUISHOUTEM (Wannegem-Lede): Huisepontweg, kasseiweg Monument, 30 maart 1995.
KRUISHOUTEM (Wannegem-Lede): Wannegemdorp, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. LAARNE: Brandemansstraat 26, Aumansmolen nl. molenromp met elektromechanische maalderij Monument (molenromp met elektromechanische maalderij met inbegrip van alle gaande werk en van het bijgebouw met de elektrische aandrijving, de overbrenging en de slijpsteen) en dorpsgezicht (onmiddellijke omgeving met molenerfen molenaarswoning), 29 mei 1995. Intacte mechanische maalderij die rond de eeuwwisseling werd ondergebracht in een vroeg 19de-eeuwse stenen windmolen. Later werd dit gereduceerd tot een molenromp. De elektrische inrichting dateert van vóór de Tweede Wereldoorlog en omvat een interessant voorbeeld van snelheidsreductie door middel van een uitgebreid riemenstelsel. LAARNE: Kapellestraat, Berlindekapel Monument, 18 oktober 1995. Landelijke wegkapel toegewijd aan O.-L-Vrouw en opgericht in 1670. Het huidige uitzicht van de kapel wordt bepaald door de uitbreiding van 1774.
Monument (huis) en dorpsgezicht (domein en bijgebouw), 18 oktober 1995. 18de-eeuws traditioneel boerenhuis met rieten bedaking en rondboogdeur in een zandstenen omlijsting met het jaartal 1753. Het erf behield de voornaamste bestanddelen van zijn oorspronkelijke omgeving, namelijk het omgrachte boerenerf en het bedrijfsgebouw. LAARNE (Kalken): Schriekstraat 70, hoeve Monument (boerenhuis) en dorpsgezicht (hoeve), 18 oktober 1995. Voormalige hoeve met losse bestanddelen waarvan het boerenhuis met bewaard volume en binnenindeling dateert van 1732. Het erf vertoont bedrijfsgebouwen uit het eind van de 19de eeuw, een herkenbare moestuin en een bewaarde boomgaard. LAARNE (Kalken): Vromondstraat 4, huis met voormalige koetshuizen Monument, 18 oktober 1995. Vrijstaand neoclassicistisch herenhuis uit 1854, gelegen in de dorpskern. In de voortuin werden gelijkaardige evenwijdig gelegen koetshuizen gebouwd zodat het geheel een symmetrische opzet kreeg.
LAARNE: Lagen Heirweg 9, hoeve Kattenheye of voormalig goed ten Catteneye Monument (toegangspoort en walgrachten), 18 oktober 1995. Het Goed ten Cattenaye is een historische pachthoeve met gedeeltelijk bewaarde walgrachten die vermoedelijk werden aangelegd in de 15de eeuw. De site is een voorbeeld van een typisch laatmiddeleeuws bewoningspatroon dat zijn oorspronkelijke functie van landbouwuitbating zonder onderbreking tot op heden behield. De toegangspoort, mogelijk opklimmend tot de 16de eeuw, is van het type van het alleenstaand overzolderd poortgebouw dat enkel voorkwam bij aanzienlijke boerenhoven.
LOCHRISTI: Antwerpse Steenweg 25-27, villa Paula Monument, 5 december 1995. Imposante eclectische tweegezinswoning met kasteelallure. Opgetrokken in 1906 naar ontwerp van architect Jan Rooms, in opdracht van de gebroeders Van Acker, bloemisten.
LAARNE: Steentjesstraat 3, Café Den Hert Monument, 18 oktober 1995. Voorbeeld van een kleine dorpsherberg uit het einde van de 18de eeuw. De woning vertoont typische karakteristieken van de landelijke OostVlaamse woningbouw uit die periode.
LOCHRISTI: Dorp-West 52, gemeentehuis Monument, 18 oktober 1995. Voormalig herenhuis uit het midden van de 18de eeuw. Opvallende classicistische voorgevel met elementen ontleend aan de Lodewijk XV- en de Lodewijk XVI-stijlen. Het interieur bewaart nog waardevolle oorspronkelijke elementen.
ft LAARNE (Kalken): Scheestraat 41, huis van het Ruytenshof
LOCHRISTI: Denen 61, woning Monument, 5 december 1995. Voormalige woning van het tuinbouwbedrijf A.G. Van Damme. Alleenstaande landelijke woning naar het ontwerp van architect Emile De Nil, in Nieuwe Zakelijkheid en daterend van 1936. Opvallende constructie met contrasterende bouwvolumes en kleurrijk bouwmateriaal.
Vraag met deze kaart uw gratis proefnummer aan !
MONUMENTEN en LANDSCHAPPEN Twreraaandelijks lijdschrift van hel Ministerie van de Vlaamse (iemeenschap Afdeling Monumenten & Landschappen
Het meest leesbare en best geïllustreerde tijdschrift over monumenten en landschappen in Vlaanderen en Brussel.
Ja, graag ontvang ik mijn gratis proefnummer van :
Plak hier uw postzegel
ML MONUMENTEN en LANDSCHAPPEN
M&L Naam
m /v
1000 Brussel
Adres
Postcode
Telefoon
Zandstraat 3
Plaats
1
M&L
ii
LOCHRISTI: Dorp-West 57-59, villa's Van der Linden Monument, 5 december 1995. Dubbele rijwoning in art decostijl van ca. 1925 naar ontwerp van architect Felix Bilsen. LOCHRISTI: Dorp-West 146-148, villa Braeckman Monument (villa) en dorpsgezicht (tuin en toegangshek, de voormalige conciërgewoning en de O.-L-Vrouwekapel), 5 december 1995. Villa in eclectische stijl met horlogetoren, daterend van 1903 naar ontwerp van architect Jan Rooms. In de tuin bevindt zich een bijgebouw in aanverwante stijl, oorspronkelijk gebouwd als conciërgewoning en een eenvoudige neogotische wegkapel opgericht rond 1913. LOCHRISTI: Kasteeldreef 31, Stationsstraat 103,105 en 107, kasteel Rozelaar en omgeving Dorpsgezicht (park van kasteel Rozelaar, de bijgebouwen en de voormalige kasteelhoeve, de kasteeldreven gevormd door Kasteeldreef en Rozelaredreef), 17 oktober 1995. Voormalig neerhof van het laatmiddeleeuwse kasteel. Oorspronkelijk buitenverblijf van de Gentse Sint-Baafsabdij en later van de bisschoppen van Gent. Het ruime neerhof omvat de vroegere bijgebouwen opklimmend tot de tweede helft van de 18de eeuw, en de kasteelhoeve met gebouwen vanaf de 16de-17de eeuw tot de 19de eeuw. Deze bijgebouwen zijn gelegen naast de westelijke toegangspoort naar het kasteelpark. De Kasteeldreef en de Rozelaredreef vormen intrinsieke bestanddelen van de omgeving van kasteel Rozelaar. LOCHRISTI: Kasteeldreef 31, kasteel Rozelaar Monument (kasteel Rozelaar met walgrachten, schiereiland met versterkte poort en site van het vroeger waterkasteel), (gelegen in het dorpsgezicht kasteel Rozelaar), 17 oktober 1995. Een site met walgrachten werd vermoedelijk opgericht in de 13de eeuw als landbouwuitbatingscentrum door de Gentse Sint-Baafsabdij. Nog in de tweede helft van de 13de eeuw werd het omgevormd tot kasteel met ringgracht en aanvankelijk buitenverblijf van de abt van de Sint-Baafsabdij. Nadien buitenverblijf van de bisschoppen van Gent. Het kasteel werd verwoest tijdens de Franse Revolutie, enkel een toegangspoort geflankeerd
door ronde torens bleef bewaard. Het huidige kasteel was oorspronkelijk opgericht in 1782-83 als paardenstallen met serre en oranjerie naar het ontwerp van architect F. Drieghe in opdracht van Prins Lobkowitz. A. De Cock liet naar ontwerp van architect Louis Minard in 1833 het gebouw aanpassen tot buitenplaats in neoclassicistische stijl. Het interieur bevat onder meer muurschilderingen in empirestijl met trompe-l'oeil-effecten. LOCHRISTI: Stationsstraat 107, voormalige kasteelhoeve Monument (boerenhuis), (gelegen in dorpsgezicht kasteel Rozelaar), 17 oktober 1995. Voormalige kasteelhoeve bij kasteel Rozelaar. Hoeve met losse bestanddelen met boerenhuis opklimmend tot de 16de-17de eeuw, bakhuis minstens opklimmend tot de 18de eeuw, en een lange bedrijfsvleugel met dwarsschuur en stallen daterend van 1844. LOCHRISTI (Beervelde): Beerveldedorp 71,73,75,77 en Toverstraat 3,4,5, kasteel van Beervelde Monument (park, bijgebouwen en de keldergangen met muurschilderingen), 12 april 1995. Graaf Charles de Kerchove de Denterghem liet in 1870 de gebouwen van de buitenplaats Hoog/rof slopen en een nieuw kasteel in eclectische stijl bouwen in 1870-73 naar ontwerp van ingenieur-architect Th. Bureau. Terzelfder tijd liet hij een nieuw park aanleggen in gemengde stijl, namelijk gedeeltelijk formeel en gedeeltelijk landschappelijk, door de befaamde tuinarchitect Louis Fuchs. Het kasteel werd in 1948 gesloopt en vervangen door de huidige constructie met behoud van de funderingen, de toegangstrappen en het terras van het oude kasteel. In de keldergangen bevindt zich de unieke collectieve realisatie uit 1966-67 van de gerenommeerde kunstenaars Roger Raveel, Raoul De Keyser, Etienne Elias en Reinier Lucassen. Het kasteeldomein bevat twee monumentale portierswoningen (nrs. 71 en 77), gelegen naast het centrale toegangshek. Het U-vormig complex (BeerveldeDorp 73 en Toverstraat 3,4,5), zg. "Ie Taudtë', oorspronkelijk een modelhoeve met personeelswoning, paardenstallen, koestallen en koetshuizen in eclectische stijl met gotische inslag en refererend aan de middeleeuwse stadsversterkingen. Verder in het park een monumentale pergola met neo-
classicistisch tuinpaviljoen, een ommuurde moestuin met serres en stookhuisje, ijskelder, en vijf gietijzeren bruggen. LOCHRISTI (Beervelde): Rietveldstraat 2, boerenhuis en hoeve Monument (boerenhuis) en dorpsgezicht (overige hoevegebouwen en erf), 17 oktober 1995. Representatief 17de-eeuws OostVlaams boerenhuis met bewaarde interieurelementen. Het erf bevat een boomgaard en een 19de-eeuws bedrijfsgebouw waarin dwarsschuur, stallen en wagenhuis. LOCHRISTI (Zaffelare): Persijzerstraat 47, Hef motje Monument (site met walgrachten en singel, toegangsdreef, voormalig boerenhuis met woontoren) en dorpsgezicht (motje en omgeving), 5 december 1995. Het "motje" oi "steentjesgoed" \s een site met walgrachten van laatmiddeleeuwse oorsprong, reeds vermeld in 1281 als eigendom van de Gentse Sint-Pietersabdij. In de 17de eeuw omvatte de site een opper- en neerhof, deels met een dubbele omgrachting. Thans ligt achter een rechte toegangsdreef het omgrachte domein van het overblijfsel van een landelijk herenverblijf, met kleine vierkante woontoren of donjon die minstens dateert uit de 13de eeuw, en waartegen een 17de-eeuwse boerenwoning werd aangebouwd. De aanleg en structuur tekent zich scherp af in het landschap door de bijbehorende boom- en hakhoutaanplanting. LOCHRISTI (Zaffelare): Windgat 11, hoeve Rosengoed Monument (site met walgrachten, boerenhuis, hoevepoort en bedrijfsgebouwen met uitzondering van de recente constructies), 5 december 1995. Omgrachte hoeve met losse bestanddelen. Site met walgrachten bekend sinds het einde van de 13de eeuw en voormalige heerlijkheid met lage justitie en leen van de Gentse SintPietersabdij. Het grachtenpatroon illustreert de verdeling in een opperen neerhof. Boerenwoning van 1617, en een aangebouwd vroeger buitenverblijf van de heer daterend van 1750. Monumentale hoevepoort, bedrijfsgebouw met dwarsschuur, wagenhuis en stallen minstens opklimmend tot het begin van de 19de eeuw, en verder nog een afzonderlijk stalge-
B I N N E N K R A N T
M&L
12
bouw. In de noordoosthoek ligt het min of meer rechthoekig omgrachte en thans verlaten vroegere hoofdhof, waarop in de 13de en 14de eeuw het stenen herenverblijf stond van de Gentse familie Volkers uten Rosen. LOCHRISTI (Zaffelare): Zaffelare-Dorp 83, pastorie Monument (pastorie, pastorietuin met poortgebouw, brug en resten van walgrachten), 5 december 1995. De site met walgrachten bestaand uit een opper- en neerhof klimt in oorsprong minstens op tot de 13de eeuw en hoorde toe aan de Gentse SintPietersabdij. Sobere landelijke pastorie waarvan het huidige voorkomen bepaald wordt door de herstellingen van 1790. Interieur met nog diverse 18de-eeuwse elementen in Lodewijk XVI-stijl. Domein met een gemetste boogbrug van 1743, een poortgebouw van 1769 en resten van walgrachten die het vroegere opperhof met pastorie afbakenden.
Tussen 1920 en 1930 opgetrokken arbeiderswijk naar ontwerp van de Franse architect Henri Jaquelin, in opdracht van de textielnijveraar Fernand Hanus en zijn opvolgers. Centraal gelegen neoromaanse kerk van 1922-26 omgeven door een omgekeerd U-vormige lus waarin een schooltje, directeurswoning, een klooster, de pastorie en een tweede schooltje. Twee groepen van vier dubbelwoningen aan de straatzijde. Pittoreske gebouwen met z.g. 'Normandische' stijlinslag. LOKEREN (Eksaarde): Ramstraat, Kruiskapel Monument (gelegen in dorpsgezicht Kruiskapel), 5 december 1995. Eénbeukige bedevaartskapel met driezijdige absis, opgericht door Philip Lanchals en zijn echtgenote in 1626 op de plaats waar in 1317 miraculeuze kruisen werden gevonden.
LOKEREN: Grote Markt 48, salon Sint-Lodewijkscollege Monument, 8 september 1995 (uitbreiding van de bescherming van 30 januari 1947 die zich beperkte tot de voorgevel). Intact bewaard salon in Lodewijk XVIstijl, daterend uit het derde kwart van de 18de eeuw met een classicistische schilderijenreeks met de voorstelling van jachttaferelen.
LOKEREN (Eksaarde): Ramstraat, omgeving Kruiskapel Dorpsgezicht (onmiddellijke omgeving van de kapel nl. dreef naar de Ramstraat met de ommegangkapellen, het statiekruis en de z.g. "Kruisput"), 5 december 1995. Bedevaartskapel ingeplant in een landelijke omgeving. Óp het voorplein van de kapel bevinden zich een waterput en een zandstenen kruis. Een rode beukendreef verbindt de kapel met de Ramstraat.
LOKEREN: Oudenbos, F. Hanusdreef, Fernand Hanuswijk Monument (H. Pauluskerk, Hanusdreef 27) en dorpsgezicht (wijk), 9 maart 1995.
LOKEREN (Eksaarde): Ramstraat en Oosteindeken, de ommegangkapelletjes Dorpsgezicht, 5 december 1995. De ommegang verbindt de kerk met
de vindplaats van de miraculeuze kruisen. De huidige veertien neogotische kruiswegkapelletjes werden geplaatst in 1877. LOKEREN (Eksaarde): Dorp, driehoekig dorpsplein Dorpsgezicht, 5 december 1995. Typische dries rondom de parochiekerk. Nagenoeg driehoekige dries met gras bezaaid en beplant met enkele bomen. De eerste statie van de ommegang bevindt zich ten noordoosten van de dries. LOVENDEGEM: Appensvoordestraat 71, 71a, 73, kasteel Diepenbroeck Monument (kasteel met inbegrip van het omgrachte park met vijvers, de oranjerie en het toegangshek), 5 december 1995. Kasteeltje in een decoratieve empirestijl opgetrokken rond 1804 op de plaats, en met behoud van de kelders, van een rond 1743 verbouwd of wederopgebouwd buitengoed. Oorspronkelijk zetel van het leen Diepenbroeck, een achterleen van de heerlijkheid Lovendegem en reeds vermeld in 1421. Gelegen op een terp in een park in landschapsstijl aangelegd in 1804. Volledig omgracht park met vijver, toegangshek in empirestijl vernieuwd in 1922. LOVENDEGEM (Vinderhoute): Kasteellaan 44-46, Meirestraat 2 en Sint-Annadreef 4, kasteel van Vinderhoute Monument (kasteel met inbegrip van de onmiddellijke omgeving), 10 november 1995. Kasteel rond 1544 gesloopt en
Lokeren, Frenand Hanusdreef
B I N N E N K R A N T
13
vervangen door het huidige, doch L-vormig kasteel. In 1840 gedeeltelijk verbouwd en herleid tot een rechthoekig gebouw. Eenvoudig bouwwerk uit bak- en zandsteen met een 16deeeuwse traptoren. Ten westen van het kasteel een dienstgebouw namelijk voormalige oranjerie, koetshuis en woning, opklimmend tot de 16de eeuw en aangepast in het midden van de 19de eeuw. Omgracht park toegankelijk via een ijzeren hek aan arduinen pijlers, en via een stenen walbrug bereikt men het door walgrachten en gebouwen omsloten binnenhof. Domein en omliggende meersen gelegen aan de Oude Kale, thans Brugse Vaart, voorzien van een eikendreef. Kasteellaan, naar het nabijgelegen dorpscentrum. De recentere beukendreef leidt naar het Sint-Annakapelletje. LOVENDEGEM (Vinderhoute): Vredesdreef 22, herenhuis Monument (woning en inrijhek) en dorpsgezicht (omringende tuin), 5 december 1995. Neoclassicistisch herenhuis daterend van ca. 1870, gelegen binnen een ruime tuin met een gietijzeren toegangshek. MAARKEDAL (Etikhove): Donderij, Etikhoveplein, Etikhovestraat, Gieterijstraat, Hof te Fiennestraat, Mariaborrestraat, Stationsstraat, Steenbeekdries, Taaienberg, kasseiwegen Monument, 30 maart 1995.
de L-vormige vleugel van de retoricaafdeling, de gloriëtte aan de Collegebaan, het herdenkingsmonument in de voortuin, de hoofdvleugel van de schoolboerderij met de aangebouwde serre), 3 januari 1995. Oorspronkelijk Augustijnenklooster waarvan nog gedeelten bewaard bleven alsook de IBde-eeuwse gloriëtte. Het neoclassicistisch hoofdgebouw van de kostschool dateert van 185056 en werd opgetrokken naar ontwerp van architect L. Pavot. Dit hoofdgebouw behield de oorspronkelijke bestemming en uitzicht met onder meer collegekapel, slaapzalen, refter, bibliotheek, handels- en industriemuseum, het etnografisch museum. De L-vormige vleugel van de retoricaafdeling dateert van ca. 1880. In de voortuin bevindt zich het herdenkingsmonument met borstbeeld van de stichter van het college kanunnik Van Crombrugghe door beeldhouwer J. Vits daterend van 1912. De schoolboerderij heeft een aangebouwde merkwaardige serre. MOERBEKE-WAAS: Lindeplaats 10, watertoren met inwendige uitrusting Monument, 10 november 1995. Niet-industriële watertoren opgetrokken naast de Meervaart. Oorspronkelijk behorend bij Kasteel Lippens en gelijktijdig met het kasteel gebouwd rond 1879. Vierkante bakstenen watertoren van het "donjontorentype", aanvankelijk beschreven als "stoomwaterophijscher".
MELLE: Brusselse Steenweg 190, kasteel De Potter d'lndoye Monument (kasteel) en dorpsgezicht (uitbreiding van de bescherming tot het volledige park), 24 oktober 1995. De toegangspoort, koetshuis, gloriëtte en paardenstallen zijn beschermd als monument en het park als dorpsgezicht bij ministerieel besluit van 12 oktober 1994. De huidige bescherming omvat het kasteel in neotraditionele stijl daterend van 1897 naar ontwerp van architect Jozef de Waele, opgetrokken ter vervanging van het oude waterkasteel. Het hoge schilddak werd in 1947 verwijderd. De parkuitbreiding betreft gronden die rond 1900 bij de oude kasteelsite werden gevoegd en toen opgenomen werden in de parkaanleg.
NEVELE: Cyriel Buyssestraat 44, herenwoning Monument (huis met uitsluiting van latere aanbouwsels, hek, tuinmuren) en dorpsgezicht (herenhuis, omgevende tuin met Poekebeek en dienstwoning Kerrebroek 2), 5 december 1995. Neoclassicistisch bepleisterd herenhuis gebouwd in 1852 door de bouwkundige Philippe Beaufort in opdracht van A. Blomme-Penneman. Interessante inplanting in het perspectief van de hoofdstraat en op de splitsing van twee invalswegen naar de dorpskern. Gelegen in een landschapstuin met de overbrugde Poekebeek, afgesloten met ijzeren hek en tuinmuren.
MELLE: Brusselse Steenweg 459, college van de paters Jozefieten Monument (hoofdgebouw met aansluitende vleugels rond de binnenkeer en
NEVELE (Merendree): Alsemweg 11 en 12, en Biezestraat 27 en 28 Dorpsgezicht (onmiddellijke omgeving van de hoeven), 5 december 1995.
Bachtenbulken is een vrij goed bewaarde en historisch-landschappelijk waardevolle omgeving met rurale bebouwing gelegen in de overgangszone van het bulkenlandschap en het micro-open-field landschap. De rurale bebouwing is ingeplant in de overgangszone tussen beide landschapsvormen en is representatief voor de regionale landelijke architectuur en illustreert tevens de diversiteit in de hoevebouw uit de 18de en de 19de eeuw. NEVELE (Merendree): Alsemberg 11, hoeve Monument (gelegen in dorpsgezicht Bachtenbulken, cf. nr. 127), 5 december 1995. Voormalig boerenarbeidershuis met aangebouwd stalletje daterend uit het einde van de 18de of het begin van de 19de eeuw. NEVELE (Merendree): Alsemberg 12, hoeve Monument (woonhuis, schuur en bakhuis), (gelegen in dorpsgezicht Bachtenbulken, cf. nr. 127), 5 december 1995. 18de-eeuwse hoeve met losstaande bestanddelen gegroepeerd binnen een boomgaard afgesloten met een meidoornhaag en een ijzeren toegangshek. Boerenhuis in traditionele bak- en zandsteenarchitectuur met stenen kruiskozijnen. Ruime bedrijfsgebouwen nl. een dwarsschuur en bakhuis van het samengestelde type. NEVELE (Merendree): Biezestraat, dries z.g. driesselken Monument (dnes) en dorpsgezicht (onmiddellijke omgeving), 5 december 1995. Typische dries-kouter associatie uit de vroege middeleeuwen. Kleine driehoekige dries met drinkpoel, in de 17de en 18de eeuw gekend als Overpoucke Driesschelken, omgeven door een concentratie van landelijke kleinschalige bebouwing in de buurt van de alluviale vlakte van de Kale. NEVELE (Merendree): Biezestraat 27, hoeve Monument (woonhuis, dwarsschuur en bakhuis), (gelegen in dorpsgezicht Bachtenbulken, cf. nr. 127), 5 december 1995. Typische Oost-Vlaamse hoeve met losse en haaks op de straat ingeplante bestanddelen. Boerenhuis in een typische baksteenstijl uit de eerste helft van de 19de eeuw, ter vervan-
B I N N E N K R A N T
14
1 qinq van een ouder huis. Parrallel gelegen dwarsschuur en bakhuis van het tweeledige type. NEVELE (Merendree): Biezestraat 28, voormalige brouwerij Colle De Buck Monument (woonhuis en bedrijfsgebouwen), (gelegen in dorpsgezicht Bachtenbulken, cf. nr. 127), 5 december 1995. De brouwerij Colle opgericht in 1858 en stopgezet in 1928 omvat een brouwerswoning met aanleunend bedrijfsgebouw en ruime dwarsschuur met stallen. Tegen het brouwershuis bevindt zich een kapel opgericht in 1940. Hef erf is afgesloten met ijzeren hekken. OUDENAARDE (Eine): Doorn, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. OUDENAARDE (Ename): dorpskern Dorpsgezicht (gedeelte van de as Oudenaarde - Aalst nl. Abdijstraat en Martijn van Torhoutstraat, het site van de voormalige Sint-Salvatorabdij, Beaucarnestraat, Enameplein, Paardemarktstraat en Lijnwaadmarkt), 8 maart 1995. Ename was in oorsprong een handelsnederzetting, haven en vesting en later vestiging van de Sint-Salvatorsabdij. Het dorpscentrum ontwikkelde zich langsheen de baan Oudenaarde Aalst en de haakse verbinding met de dorpen Mater en Volkegem. Op de snijpunt van deze assen ontstonden de beplante driesen nl. de markt (Enameplein en Beaucarnestraat), met in het verlengde de kleinere Lijnwaadmarkt. Reeds in de tweede helft van de 19de eeuw was de bebouwing uitgegroeid tot lintbebouwing. Huidige bebouwing hoofdzakelijk bestaande uit woningen van een of anderhalve bouwlaag, alsook meer prestigieuze woningen van twee bouwlagen waarvan een aantal met kenmerken van de rococostijl. Buiten de voorgestelde monumenten en de reeds beschermde gebouwen zijn volgende gebouwen beeldbepalend; - Abdijsteeg z.nr., 2 en 4, met 19deeeuwse arbeiderswoningen. - Abdijstraat 13-15,19de-eeuwse woningen. - Abdijstraat 36, woning in art decostijl van ca. 1930. - Beaucarnestraat 3-5-7,19de-eeuwse arbeiderswoningen. - Beaucarneplein 13, dorpswoning met
•
18de-eeuwse kern, in de 20ste eeuw gebruikt als gemeentehuis. - Beaucarnestraat 15, voormalige onderwijzerswoning in neo-traditionele stijl opgericht in 1928, met 18de-eeuwsekern. - Enameplein 12,18de-eeuwse woning, aangepast in de 19de eeuw. - Enameplein 14,18de eeuwse kern. verhoogd in de tweede helft van de 19de eeuw. - Lijnwaadmarkt 43-45-47, dorpswoningen opklimmend tot 18debegin 19de eeuw. - Paardemarkt 35, voormalig café daterend van 1899. - Paardemarkt 39-41,19de-eeuwse dorpswoningen. - Paardemarkt 59, begin 19de-eeuwse dorpswoning. - Sint-Laurentiusstraat 1-3,19deeeuwse arbeiderswoningen. - Sint-Salvatorstraat 2-4, dorpswoningen uit het einde van de 19de of begin 20ste eeuw. - Wallestraat 161, voormalige hofstede en herberg met oudere kern en 19de-eeuws uitzicht. - Zwijndries 55-57 en 59, woningen opklimmend tot het begin van de 19de eeuw. OUDENAARDE (Ename): Abdijstraat 32-34, woningen Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Woningen met deur in rococostijl. Kern uit de tweede helft van de 18de eeuw, gewijzigd en verbouwd in het begin van de 19de en de 20ste eeuw. OUDENAARDE (Ename): Abdijstraat 33, woning Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. 19de-eeuwse woning in classicistische stijl met een minstens laat 18de-eeuwse kern. Beraapte voorgevel met mooie voordeur voorzien van een bovenlicht en arduinen omlijsting. OUDENAARDE (Ename): Abdijstraat 38, woning Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Dubbelhuis uit de eerste helft van de 19de eeuw. Benedenvensters gevat tussen pilasters, bij de bovenverdieping medaillons met omkranste vrouwenhoofdjes in reliëf. OUDENAARDE (Ename): Beaucarnestraat 9, herenwoning Monument (bedaking), (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern),
>
• 8 maart 1995. j Uitbreiding van de bescherming van de herenwoning, opklimmend tot de 1 eerste helft van de 18de eeuw. In 1748 aangekocht door J. Beaucarne die het in 1751 liet verbouwen. Rond 1800 of in de eerste helft van de j 19de eeuw uitgebreid. OUDENAARDE (Ename): Enameplein, openbare pomp Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Achtzijdig hardstenen omhulsel van een armpomp met een piramidale bekroning en bolornament, mogelijk daterend uit het einde van de 18de eeuw.
| j
OUDENAARDE (Ename): Enameplein 18, pastorie Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. In 1628 aangekocht als pastorie door de proost van de abdij van Ename. Mogelijk werd deze woning herbouwd rond 1690-1694. In 1768 herbouwd en j verhoogd met een verdieping. Op het einde van de jaren 1920, alsook in 1958 hersteld. Voornamelijk bewaarde 1 18de-eeuwse interieurelementen op de bovenverdieping. OUDENAARDE (Ename): Lijnwaadmarkt, openbare pomp Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Gietijzeren openbare armpomp met een hardstenen waterbekken uit de 19de eeuw. OUDENAARDE (Ename): Lijnwaadmarkt 20, woning Monument (uitbreiding van de bescherming tot alle gevels, de bedaking en de annexen), (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Voormalig huis Beemaert daterend uit het begin van de 19de eeuw. Vroegere site van een grote hofstede Hof Horie en van een waterpoel. Gerenoveerd, aangepast en uitgebreid vanaf 1993 in functie van de inrichting van het provinciaal historisch en archeologisch museum van Ename.
\ \ j j ! j
j
OUDENAARDE (Ename): Lijnwaadmarkt 22,24,26 en 28, woningen Monument (gevels en bedaking), (gelegen binnen dorpsgezicht dorps\ kern), 8 maart 1995. Eenheidsbebouwing van vier huisjes j van anderhalve bouwlaag, opklimmend tot de eerste helft van de 19de eeuw en aangepast rond 1900.
B 1 N N E N K R A fsl T
M&L
is OUDENAARDE (Ename): Lijnwaadmarkt 34, voormalig industrieel gebouw Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Voormalig industrieel gebouw behorend bij een brouwerij en azijnfabriek. Vermoedelijk betreft het een gebouw aangepast in de tweede helft van de 19de eeuw.
vernieuwd in de late middeleeuwen tot een ruimer kloostercomplex. Tot in de 18de eeuw werd het klooster uitgebreid en hersteld. Deze werken waren ondermeer het gevolg van militaire acties en van een ontmanteling. Na verkoop in 1797 werd het volledige klooster gesloopt. De 18de-eeuwse abdijtuinmuur en een vermoedelijke rest van het tuinpaviljoen bleven bewaard.
SINT-LIEVENS-HOUTEM (Letterhoutem): Letterhoutemdorp 2, Sint-Pietershof Monument en dorpsgezicht (onmiddellijke omgeving), 3 januari 1995. Voormalig pachthof van de Sint-Pietersabdij te Gent en reeds vermeld in de 13de eeuw. Gesloten hoeve met witgeschilderde bakstenen gebouwen, daterend uit de tweede helft van de 18de eeuw.
OUDENAARDE (Ename, Mater, Volkegem): Beaucarnestraat, Zwijndries, Kattenberg, Holleweg, Ruiterstraat, K. Martelstraat, Matersplein, Kerkgate, kasseiwegen Monument, 30 maart 1995. OUDENAARDE (Melden): Steengat Koppenberg, kasseiweg Monument, 30 maart 1995.
STEKENE: Dorpsstraat 1, gemeentehuis Monument (hoofdgebouw en aanpalende travee in de Stationstraat), 12 april 1995. Neogotisch gemeentehuis van 188385 naar ontwerp van architect E. De Perre - Montigny. Baksteenarchitectuur met centrale belforttoren en een zogenaamde "Brugse travee-indeling".
RONSE: Oude straat Oude Kruisberg, kasseiweg Monument, 30 maart 1995.
WAARSCHOOT: Hogevoorde 17, voormalig pachthof "Het Grote Goed te Voorde"
OUDENAARDE (Ename): Martijn van Torhoutstraat 184-186, woningen Monument (gevels en bedaking), (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Voormalig café z.g. "stadhuis en vroeger gebruikt als gemeentehuis. Mogelijk opgericht op de plaats waar voorheen de vierschaar gevestigd was. Momenteel twee rijhuizen daterend uit de tweede helft van de 18de eeuw.
St.-Lievens-Houtem St.-Pietershof
OUDENAARDE (Ename): Martijn van Torhoutstraat 190, herenwoning Monument (uitbreiding tot alle gevels, de bedaking en inrijpoort), (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. De zusters van Barmhartigheid betrokken in 1889 deze bepleisterde herenwoning in rococostijl, daterend uit het midden van de 18de eeuw. Mooie deur met sterk uitgewerkte tussendorpel. De aansluitende inrijpoort is bekroond met een driehoekig fronton. OUDENAARDE (Ename): Sint-Salvatorsstraat, archeologisch park van Ename Monument (gelegen binnen dorpsgezicht dorpskern), 8 maart 1995. Opgravingsterrein van de site van de middeleeuwse prestedelijke.nederzetting of portus en van de Sint-Salvatorsabdij. De portus of handelsnederzetting met prestedelijk karakter kende een bloeiperiode van ca. 974 tot 1050. Na de inname van de burcht verdween de portus rond 1050. De portuskerk bleef gebruikt als abdijkerk bij het nieuw opgerichte benedictijnenklooster en maakte in 1139 plaats voor de nieuwe abdijkerk. De abdij werd op het territorium van de vroegere burcht opgericht in 1063-1070 op initiatief van graaf Boudewijn V met steun van Arnulf van Oudenaarde. Het llde-eeuwse kloosterpand werd vermoedelijk nog in de 12de eeuw vervangen en nogmaals
SINT-LIEVENS-HOUTEM, Kapellekouter, Sint-Llvinuskapel Monument en dorpsgezicht (bijhorend perceel), 24 november 1995. Eénbeukige kapel met driezijdige absis ontstaan in de 14de of 15de eeuw. Vermoedelijk ingrijpend gerestaureerd in 1640. Het interieur werd in 1702 gemoderniseerd en in 18981899 werd de kapel gerestaureerd en met een travee vergroot. Deze vergroting ging gepaard met de afbraak van de westgevel. In 1990 volgde een uitgebreide restauratie.
Monument (omgrachte site met woonhuis en schuur), 10 november 1995. Deze omgrachte landbouwnederzetting klimt op tot de middeleeuwen en was oorspronkelijk afhankelijk van de armendis van de Sint-Jacobskerk te Gent. Het huidige woonhuis dateert uit het einde van de 18de eeuw en bezit een behouden interieur. De langsschuur met duiventil dateert van 1761. WAARSCHOOT: Kapellestraat 33, voormalige priorij O.-L.-Vrouw Ten Hove Monument (voormalige priorij met grachten en voormalig priorshuis).
B I N N E N K R A N T
M&L Waarschoot, Kerkstraat 2-4
i6 10 november 1995. Archeologische site van de voormalige Cisterciënzerpriorij van Waarschoot gesticht in 1444, waarvan het vervallen priorshuis nog bewaard blijft. Dit merkwaardig gebouw dateert nog gedeeltelijk uit de 15de eeuw en vertoont verbouwingen die tot in de 18de eeuw te situeren zijn. WAARSCHOOT: Kerkstraat 2, herenhuis Monument, 10 november 1995. Neoclassicistisch herenhuis met oudere kern, in 1876 verhoogd en voorzien van de huidige voorgevel. Laat 19deeeuws interieur met gaaf bewaarde neoclassicistische stucwerkdecoratie. WAARSCHOOT: Kerkstraat 4, burgerhuis Monument, 10 november 1995. Neoclassicistisch 19de-eeuws burgerhuis met oudere kern. Stijlvol interieur uit de eerste helft van de 19de eeuw. WAARSCHOOT: Stuiver 44, Goed ten Zoetendale Monument (goed en toegangsdreef), 10 november 1995. In oorsprong middeleeuwse stichting van de Maldegemse Abdij van Zoetendale. Momenteel typisch boerenburgerhuis met stedelijke allures daterend van 1872, meteen imposante beukendreef. WEITEREN: Van Cromphoutstraat en Kattestraat, fontein en kruisbeeld Monument (fontein, Van Cromphoutstraat 26 zij- en achtergevels, bedaking en kruis met Christusbeeld en luifel) en dorpsgezicht (tuin van de dekenij met muur en fonteinportiek), 3 januari 1995. De tuin van de pastorie en de bron die de fontein in de Van Cromphoutstraat van water voorziet worden in de eerste helft van de 17de eeuw vermeld. In de tweede helft van de 18de eeuw werd het water van de bron naar de plaats van de huidige fontein geleid. De huidige portiek en pomp dateren uit het begin van de 19de eeuw. Het Christusbeeld aan het houten kruis werd vermeld in de 18de eeuw. ZOMERGEM: Bosstraat 9, "Goed ten Rapenburg" of "Rapenburghoeve Monument (goed met beboomde toegangsdreef, walgrachten, erf met toegangspoort, boerenhuis, bakhuis, schuur en oude stallen die uitzien op het binnenerl), 10 november 1995.
Het "Goecf van Rapenburcf heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontginning van de streek. In oorsprong middeleeuwse site, gesticht in de 13de eeuw, met walgrachten van het samengestelde type met een grote hofstede en aansluitend klein voormalig opperhof. Grote hoeve met losse bestanddelen rondom een rechthoekig binnenerf, en een merkwaardige toegangspoort. Hoevegebouwen rond 1700 grotendeels vernieuwd of gerenoveerd. Inwendig is het boerenhuis 1700 gedateerd, en uitwendig 1721 door middel van een cartouche. ZOMERGEM: Langeboeken 2, woning Monument, 10 november 1995. Oorspronkelijk tweegezinswoning voor boerenarbeiders, gedateerd 1762 op een versierde moerbalk. Het is een zeldzaam geworden voorbeeld van de 18de-eeuwse regionale landelijke architectuur. Het draagt de typische karakteristieken van de doorsneeboerenhuizen zoals houten kruiskozijnen met kleine roedenverdeling en luiken, deuromlijstingen, en bewaarde interieurelementen. ZOMERGEM: dorpscentrum Dorpsgezicht (omgeving van de SintMartinuskerk, gemeentehuis, dekenij en de dorpspomp met aanpalende wanden van de Markt, Maarten Steyaertplein en van een deel van de Dekenijstraat (nrs. 2,4, 6, 7, 8 en de ommuurde tuin van de dekenij nr. 10)), 10 november 1995. Historisch centrum met nog architectuurhistorisch interessante bebouwing en omgeving van de voornaamste historische gebouwen. Ovale markt, waar vijf straten samenkomen, met in
het midden de beschermde Sint-Martinuskerk. Markt omgeven door 19deeeuwse burgerwoningen en burgerhuizen uit de jaren 1920 in wederopbouwstijl. De aansluitende brede vroegere Dorpsstraat, heden Maarten Steyaertplein, vertoont een ensemble van typische grote burgerhuizen in eclectische stijl, waarvan twee daterend van 1887. De ommuurde tuin van de beschermde dekenij kenmerkt zich als een beboomde tuin met vijver in landschapsstijl, en door een gedeeltelijk geometrische aanleg met tuinpaviljoen. Tegenover de dekenij ligt het voormalig brouwershuis, een eclectisch herenhuis daterend van 1922 met een kleurrijke voorgevel. De diepe beboomde tuin bevat overblijvende bijgebouwen van de brouwerij daterend uit het begin van de 19de eeuw. ZOMERGEM: Markt 1, gemeentehuis Monument (gelegen in dorpsgezicht, cf. nr. 162), 10 november 1995. Gemeentehuis in neotraditionele stijl opgericht in 1923 naar het ontwerp van 1920 van de Gentse architect Valentin Vaerwyck. Geïnspireerd op de 17de-eeuwse bak- en zandsteenarchitectuur, aansluitend bij het regionalisme van de wederopbouw. ZOMERGEM: Maarten Steyaertplein, dorpspomp met beeld Monument (gelegen in dorpsgezicht, cf.nr. 162), 10 november 1995. Monumentale openbare arduinen pomp opgericht in 1863 door bouwmeester Edm. Paternotte. Tevens herdenkingsmonument voor Maarten Steyaert (1647-1701), teoloog en primus van de Leuvense universiteit.
B I N N E N K R A N T
M8cL
17
ZOMERGEM: Stoktevijver 95, woonhuis en schuur Monument (woonhuis en schuur) en dorpsgezicht (hoeve), 10 november 1995. Hoeve met losse bestanddelen waarvan het boerenhuis met zekerheid opklimt tot de 18de eeuw, en de bedrijfsgebouwen dateren uit de 19de eeuw. De hoeve behield het begraasde erf met boomgaard, het omhaagd voorerf en de ronde hekpijlers. ZOTTEGEM: G. Schockaertstraat 7, fabrieksgebouw "sanitary underwear company SA" Monument (hoofdgebouw, octogonale fabrieksschouw, een lancashire scheepsstoomketel Uslnes de Jumet uit 1909), 3 januari 1995. Eén van de eerste betonconstructies, en tevens één van de eerste fabrieksgebouwen waarbij de betonstructuur als onverbloemd architecturaal gegeven zichtbaar is. Opgetrokken in 1909 naar ontwerp van ir. De Puyseleere. ZOTTEGEM (Strijpen): Beislovenstraat / Meersstraat, Wijk Beisloven Dorpsgezicht (site met woonhuis en voormalig molenhuis van de voormalige kasteelhoeve, platform nabij de oude kasteelhoeve met inbegrip van de "keldef in de zuidelijke flank, gebied tussen de oude loop van de Bettelhovebeek en de gekalibreerde waterloop), 8 september 1995. Overblijfsel van de verblijfplaats van de heren van Benselhove met de gesloten hoeve, ruïne van een watermolen, het terrein waar zich de molenvijver bevond en het platform waarin een gemetselde overwelfde "kelder"'\s ingegraven. ZOTTEGEM (Velzeke): Paddestraat, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. ZULTE (Olsene): Grote Steenweg 21,19-23,19a en 23, Terwallenstraat 1, kasteel van Olsene Monument (kasteel Grote Steenweg 19-23, ereplein, boogbrug, cirkelvormige walgracht, aansluitende serpentinevijver, omlopende omgrachting, toegangshek met twee paviljoenen Grote Steenweg 19a en 23, kasteeldreef, ijskelder) en dorpsgezicht (kasteel met omgracht park en aanhorigheden Grote Steenweg 19 tot 23 en de hoeven Terwallenstraat 1 en Grote Steenweg 17), 10 november 1995. Waterkasteel gebouwd in 1854 op de oude omgrachte motte en funderingen
van het voormalige 'Hof ter Walleri', zetel van de dorpsheerlijkheid van Olsene waarvan de geschiedenis teruggaat tot het einde van de 11de eeuw. Opgetrokken in een neogotische en op de Vlaamse renaissance geïnspireerde baksteenarchitctuur naar ontwerp van architect Louis Minard in opdracht van Polldoor Fiers de Raveschoot. Bij de heropbouw van het kasteel werd ook het park uitgebreid in het zuiden en heraangelegd in landschapsstijl, de walgracht werd verbonden met een nieuwe vijver en nieuwe dienstgebouwen werden opgericht. De rechthoekige omgrachting werd uitgebreid en omheen het hele kasteeldomein aangelegd. Het neerhof en de dienstgebouwen werden vernieuwd rond 1860 en ook herhaaldelijk aangepast, en omvat onder meer een ijskelder uit het midden van de 19de eeuw. Imposante toegang gerealiseerd op het einde van de 18de of het begin van de 19de eeuw in neoclassicistische stijl. Eiken- en beukendreef minstens daterend uit het midden van de 18de eeuw. ZULTE (Olsene): Grote Steenweg 17, hoeve Dorpsgezicht (bij kasteel van Olsene, cf. nr. 169), 10 november 1995. Semi-gesloten hoeve opklimmend tot de tweede helft van de 18de eeuw, met losstaand woonhuis daterend uit de 18de eeuw en 19de-eeuwse in L-vorm geplaatste bedrijfsgebouwen met midden op het erf een uniek rosmolengebouwtje dat mogelijk werd opgericht rond 1848. ZULTE (Olsene): Terwallenstraat 1, hoeve Dorpsgezicht (bij kasteel van Olsene, cf. nr. 169), 10 november 1995. Woning met aangebouwde L-vormige stallen opklimmend tot de 18de eeuw, Ingebouwd tussen de stallen van de hoeve Grote Steenweg 17. ZWALM (Dikkele): Brouwerijstraat, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. ZWALM (Sint-Denijs-Boekel): Molenberg, kasseiweg Monument, 30 maart 1995. Linda Wylleman
Buitenkrant DE RIJWONING IN VLAANDEREN In het jongste nummer van het tijdschrift Vlaanderen houdt Marc Dubois een pleidooi voor de rijwoning als een alternatief voor de vrijstaande eengezinswoning. Het structuurplan Vlaanderen stelt ons voor een fundamentele keus, zo meent hij, voor het soort woningtype dat wij in Vlaanderen kunnen en willen realiseren in de toekomst. "Wie door Vlaanderen rijdt, kan zijn ogen nauwelijks geloven: overal heeft de verkavelingswoede toegeslagen... . De vraag hoe lang wij dit opsouperen (van open ruimte) kunnen volhouden, wordt al te vaak ontweken en doorgeschoven naar de toekomst... Vlaanderen is op amper vijftig jaar ingrijpend van uitzicht veranderd". Tegen het jaar 2007 zullen 400.000 nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd. Bij een gemiddelde kavelgrootte van 596 m2 zou daarvoor in totaal 57.000 ha open ruimte worden ingepalmd. Dit betekent een uitbreiding van 45 % van de residentiële oppervlakte. Zo wordt duidelijk dat deze suburbanisatie niet langer houdbaar Is. Het structuurplan Vlaanderen streeft naar een "duurzame ruimtelijke ontwikkeling" óoor "gedeconcentreerde bundeling". Daarbij worden quota geformuleerd, waarbij er voor de uitbreiding van het woningbestand een verhouding van 60 % woningen in stedelijke en 40 % woningen in niet-stedelijke gebieden zal worden nagestreefd. Met dit gegeven ligt het voor de hand de vraag te stellen naar het woningtype dat we kiezen voor de toekomst. "Hef oudste type is de rijwoning, de individuele woning tussen twee mandelige muren, een woning met een verticale opbouw. Gedurende eeuwen hebben wij onze steden uitgebreid op deze wijze, van de kleine arbeiderswoning tot en met de ruim bemeten woning voor de gegoede burgerij". In een eerste bijdrage haalt Jos Vandenbreeden het Van Eetveldehuis van Victor Horta als een paradepaard van
B I N N E N K R A N T
M&L
18
stal. Het illustreert dat de rijwoning ook (kunst)geschiedenis gemaakt heeft: de art nouveau. Hij stelt dat deze woning het gedurfdste en ook het vooruitstrevendste ontwerp is dat Horta heeft gerealiseerd. Het is alleszins een sprekend voorbeeld. De uitdaging om licht en ruimte te scheppen tussen twee scheidingsmuren ligt aan de oorsprong van Horta's vernieuwende architectuur. Marc Dubois schetst een beeld van de evolutie van de rijwoning en begint met enkele 19de-eeuwse woningen. Gezien de omvang van de 19deeeuwse stadsuitbreidingen rond onze middeleeuwse stadskernen lijkt dit gedeelte wat povertjes. Voor wetenschappelijk onderzoek is dit braakliggend terrein. Werd het stedelijk woonhuis uit de 19de eeuw en ouder bij ons al eens in kaart gebracht? Met het oog op het geplande stadsherstel en de gewenste herwaardering van de 19de-eeuwse gordels zou dit toch wel nuttig kunnen zijn. Ook het interbellum heeft enkele merkwaardige rijwoningen opgeleverd. Ontwerpen van Eduard Van Steenbergen, Walter Vanden Broeck, Jean Jacobs, Louis-Herman De Koninck, Geo Bontinck worden besproken. Ook de woning Guiette, eigenlijk een driegevelwoning, ontbreekt niet in dit overzicht. Le Corbusier omschrijft dit ontwerp van hem als "une solution foute particuliere imposée par les lotissements belges caractérlsés par une dimension de 6 m de fagade et une tres grande profondeur". En ook dit lijkt me een gegeven dat nog niet bestudeerd werd. Is onze ruimtelijke ordening anders omdat onze landmeters en notarissen een middeleeuwse vorm van parcellering handhaven?
Hoewel de rijwoning, volgens Dubois, na 1945 in de verdrukking komt hebben verschillende architecten toch nog boeiende oplossingen bedacht. Daarbij valt op dat in de jaren '60 de auto steevast een plaats krijgt in de woning en dit de plattegrond herschikt. Ontwerpen van Luc Schuiten, Jan Tange, Eric Balliu en Johan Baele, Johan Raman en Fritz Schaffrath, Lou Jansen, Paul Neefs, Georges Baines, Jo Crepain, Walter Steenhoudt en Bert Robaye, Stéphane Beel, Frank Verplanken, Mauro Poponcini en Patrick Lootens, Werner Van Dermeersch, Martine De Maeseneer en Dirk Van den Brande, Bob Van Reeth en Charles Vandenhove worden hier aan een breed publiek voorgesteld. Stuk voor stuk zijn het interessante oplossingen, die de grote potenties van dit woningtype moeten duidelijk maken. Voor de achitectuurkenner brengt vooral de tweede bijdrage van Dubois over de vrijwel onbekende rijwoningen van Gaston Eysselinck iets nieuws. Maar na al dat fraais bekruipt je het gevoel dat dit nobele streven om de rijwoning nieuw leven in te blazen toch niet de oplossing biedt. Je stelt je de vraag of ons landje er niet vooral anders zou uitgezien hebben indien al deze ontwerpers hun energie niet slechts tussen twee scheimuren, maar op een ruimer woningbouwproject of een stedebouwkundig plan zouden hebben kunnen botvieren. Het is toch zo futiel, deze pareltjes, die men alleen gewapend met een architectuurgids kan vinden. Het knapste werk van Eysselinck siert de kaft en dit alleen omdat men er nog een oude foto van heeft kunnen vinden. In de huidige toestand is het onherkenbaar. Het moeizame zoeken naar vernieuwende woonkwaliteiten is op deze manier een werk van Sisyfus. Dubois stelt in zijn betoog nogmaals dat de uitgesproken voorkeur van de Vlaming voor de vrijstaande woning omgeven door groen vanuit historisch perspectief te verklaren is. Liberaal beleid van stedebouwkundig 'laisser faire' tezamen met een uitgesproken katholiek beleid dat het eigen woningbezit stimuleert, zou de historische verklaring zijn voor de legendarische 'baksteen in de maag' waarmee de Vlaming zou geboren zijn. In een recent artikel in het tijdschrift Planologisch Nieuws corrigeert Pascal de Decker dit beeld. Hoewel het beleid
van premies, goedkope leningen, fiscale kortingen, sociale kavels en dergelijke resulteert in een cocktail van eigendomsondersteunende maatregelen, toch meent hij dat het hoge percentage huiseigenaars (70 %) eerder het gevolg is van een nonbeleid. Onze overheden hebben - in tegenstelling tot vele ons omringende landen - nagelaten door een degelijk huisvestingsbeleid een valabel alternatief te bieden. De sociale huursector (5 %) is te klein om een rol te spelen en de vrijgelaten particuliere huursector (25 a 30 %) is evenmin een stabiele optie. Het is omdat hij geen andere keus heeft, dat de Vlaming zijn eigen nestje bouwt, dat hij zich afhankelijk maakt van de bank, dat hij zich beperkt in zijn professionele mobiliteit en dat hij lange afstanden pendelt. (Pascal De Decker, De ideologie van de baksteen, in Planologisch Nieuws, 15dejaargang,nr. 4/1995). Vlaanderen is dus lelijk volgebouwd mede omdat de overheid nooit een huisvestingsbeleid van enige betekenis heeft ontwikkeld. En dan te denken dat indien ze dit zou gedaan hebben door de hier geroemde architecten een project te laten ontwerpen, ze dan tegelijk ook een architectuurbeleid zou gehad hebben. In dit licht kan je een pleidooi voor de rijwoning slechts relativeren. Waar we werkelijk nood aan hebben Is een overheidsbeleid dat kwaliteitsvolle huisvestingsprojecten realiseert, die een waardevol alternatief bieden voor het eigen huisje bouwen. Laten we hopen dat door het Structuurplan Vlaanderen, voor de levenden onder de ontwerpers nog niet alle hoop verloren is en dat er in de nabije toekomst knappe wooncomplexen van hun hand mogen worden opgetrokken, waar het goed en begeerlijk om wonen is. Pas nadat de overheid respect toont voor talentvolle ontwerpers, mag je dit van de burger verwachten. Het goede voorbeeld wordt echter weerom gegeven door particulieren met een collectief woningproject in Kessel-Lo dat in een laatste bijdrage van Marc Martens het themanummer afsluit. Ondertussen bouwen promoters her en der residentiële appartementscomplexen met reuze-villa-allures in het groen. En wie durft daar met het structuurplan Vlaanderen tégen te zijn. Anne Malliet
B I N N E N K R A N T
19
De rijwoning in Vlaanderen in Tijdschrift Vlaanderen, jg. 45, nr. 1, januari-februari 1996. Te bestellen Vlaanderen, t.a.v. A. Van Daele, Tel. 050/40.21.22 Llndenlaan18te8700Tielt
ARCHIEF EN MUSEUM VAN HET VLAAMS LEVEN TE BRUSSEL Op maandag 22 april 1996 heropende het Archief en Museum van het Vlaams Leven te Brussel zijn deuren. De ruimtes werden volledig gerenoveerd en vernieuwd. Hierbij werd veel aandacht besteed aan het behouden of opnieuw reconstrueren van de oorspronkelijke architectuur. In de nieuwe ruimte brengt het AMVB de permanente tentoonstelling Waams leven te Brussel in de 19de en 20ste eeuw. In de marmeren zaal zullen tijdelijke tentoonstellingen worden georganiseerd. In een aparte leeszaal kan de geïnteresseerde vorser rustig opzoekingen doen. Naar aanleiding van de heropening brengt het AMVB een brochure uit met een overzicht van bijna 20 jaar werking, een beeld van wat men in het AMVB kan vinden en een historiek van het gebouw. Deze brochure wordt gratis aangeboden bij een eerste bezoek. In de permanente tentoonstelling vindt de bezoeker een overzicht van verdwenen en nog bestaande Vlaamse verenigingen in Brussel. Ruime aandacht wordt besteed aan toneelverenigingen en gouwbonden. Deze zorgden ervoor dat het Nederlands op het einde van de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw werd behouden. Daarnaast aandacht voor studentenen jongerenverenigingen, dans- en muziekafdelingen, seniorenwerking enzovoort. Enkele belangrijke figuren worden onder de spots geplaatst. Door de kleine ruimte is het niet mogelijk alle verenigingen en personen aan bod te laten komen. Daarom zullen er regelmatig stukken worden vervangen. Dit heeft het voordeel dat de permanente tentoonstelling niet te eeuwigen dage vastgeroest zit. In de nieuwe ruimte is een rusthoek voorzien. Hier kan de bezoeker even uitblazen en kijken naar video's en programma's in verband met Brussel.
AMVB Visverkopersstraat 13 bus 1,1000 Brussel-Tel. 02/512.42.81 Fax 02/502.83.21 Van 1 april tot 30 september Maandag, woensdag, donderdag, vrijdag en zaterdag van 10 tot 18 uur. Elke eerste woensdag van de maand van 10 tot 20 uur Gesloten op dinsdag, zon- en feestdagen. Raadplegen van het archief op zaterdag is alleen mogelijk na voorafgaande afspraak. Van 1 oktober tot 31 maart Maandag tot en met vrijdag van 10 tot 18 uur. Elke eerste woensdag van de maand van 10 tot 20 uur. Gesloten op zaterdag, zon- en feestdagen. De toegang is gratis. Geleide groepsbezoeken (betalend) kunnen ook buiten de normale openingsuren.
ARCHEOLOGIE EN MONUMENTENZORG BINNEN HANDBEREIK. EEN ORIGINELE VAKANTIEFORMULE VOOR JONGEREN In de vijf Vlaamse provincies organiseert Jeugd en Kultureel Erfgoed Vlaanderen tijdens de zomermaanden vakantiekampen voor jongeren vanaf 16jaar.
site door middel van archeologische methodes. Op uitnodiging van de vzw Roosendael organiseert Jeugd en Kultureel Erfgoed dit jaar een prospectie- en monumentenkamp op het domein van de voormalige cisterciënzerinnenabdij van Roosendael (Sint-KatelijneWaver). (Muur)archeologisch onderzoek, confrontatie met iconografie en oude beschrijvingen moeten toelaten een beeld te vormen van deze eens zo luxueuze residenties. Daarnaast verleent Jeugd en Kultureel Erfgoed voor de zesde maal zijn medewerking aan het project van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium te Ename (nabij Oudenaarde). Hier zal dit jaar vooral de nadruk gelegd worden op het opgraven van een vroegmiddeleeuwse haven- en handelsnederzetting naast het verder ontsluiten van de latere benedictijnenabdij. In de middeleeuwse burchtruïne Pietersheim (Lanaken) worden Europese studenten of jonge afgestudeerden uitgenodigd om gedurende twee weken een cultuurhistorisch concept te realiseren voor de totale kasteelsite. Daarnaast gaat de aandacht vooral naar de conservering van de opgegraven muurresten en poorttoren. Met de internationale uitwisseling van jongeren behoudt Pietersheim ook dit jaar zijn Europees karakter.
Tijdens twaalfdaagse opgravingskampen krijgen de deelnemers de gelegenheid onder deskundige begeleiding creatief mee te werken aan alle facetten van het archeologisch onderzoek en conservering van enkele van de talrijke historische sites die Vlaanderen rijk is. Aan de hand van uitleg te velde, plaatselijke streekverkenning, uitstappen, lezingen en dergelijke meer wordt bovendien rijkelijk tekst en toelichting verschaft. Op het programma staan vijf kampsessies: Op de grens van de gemeente Alsemberg en Dworp ligt één van de mooiste industrieel-archeologische sites van Brabant: cfe papier- en kartonfabriek Winderickx. Jeugd en Kultureel Erfgoed begeleidde in 1994 de tweede fase van de restauratiewerken en zal deze zomer verdergaan in de erkenning van de
B I N N E N K R A N T
:>
er sessie worden maximum twintig jongeren toegelaten. Wie meer wil weten, kan contact opnemen met het secretariaat van Jeugd en Kultureel Erfgoed, K. Van Lotharingenstraat 23 te 3000 Leuven, Tel. 016/22.64.82 ook faxnummer.
M&L CITAAT
1. De bezoeker moet zijn rang en titels achterlaten aan de ingang; hetzelfde geldt voor zijn hoed en vooral voor zijn degen. 2. De aanspraken op een voorkeurbehandeling wegens hoge geboorte, trots of andere gelijkaardige gevoelens moeten eveneens bij de ingangspoort worden achtergelaten. 3. Wees opgewekt maar breek of beschadig niets. 4. Zit of blijf rechtop staan, doe wat U goed acht maar tracht niet op te vallen. 5. Spreek met mate en niet te veel zodat U de andere aanwezigen niet stoort. 6. Discussieer, maar zonder U kwaad of druk te maken. 7. Vermijd te zuchten of te geeuwen om de anderen niet zenuwachtig te maken of te hinderen. 8. Eet rustig en met smaak; drink met mate zodat iedereen nog te been is bij het buitengaan. 9. Laat alle twisten achterwege. Wat langs het ene oor binnenkwam moet er weer uit zijn langs het andere vooraleer U buitengaat. 10. Indien iemand zich volgens het getuigenis van andere personen niet zou gehouden hebben aan dit reglement, moet hij voor elke gemaakte fout een glas koud water drinken (dit geldt ook voor de dames) en daarenboven zal hij hardop een volledige bladzijde voorlezen uit Télémachide van Trédiakosky. Wie op één avond drie artikels van dit reglement zou overtreden moet bij wijze van straf zes regels vanbuiten leren van ditzelfde Télémachide. Wie dit laatste artikel 10 niet naleeft mag hier in de toekomst niet meer binnen. Reglement van toepassing op diegenen aan wie Catharina de Grote (1729-1796), keizerin van Rusland, de eer had verleend de door haar gestichte Ermitage te bezoeken. •
M&L
33
Het hoogaltaar (zonder schilderij) en een gedeelte van de lambrisering (foto 0. Pauwels)
Vóór de aanvang van de restauratiewerken werd een polychromie-onderzoek uitgevoerd. De afwerking van de muren rond het altaar werd eveneens onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat de polychromie van het altaar voor het grootste deel van het oppervlak ongewijzigd gebleven is. Het wapenschild in de bekroning van het altaar kreeg evenwel een nieuw kleurenpalet. De met bladzilver afgewerkte engelen, die rond het miraculeuze beeld opgesteld zijn, werden in 1910 overschilderd met een zilververf en later nogmaals overschilderd met een moderne witte eindlaag. Het goud op de kapitelen, de decoratie van de deuren en de gedeelten op en rond het sacramentshuis werden hernomen. Het sacramentshuis zelf werd verbouwd, waardoor het nu ruim 40 cm hoger komt te staan dan in het oorspronkelijk concept voorzien was. De verbouwing was nodig om een tabernakel in te brengen, maar verstoort de leesbaarheid van het altaarschilderij. De bloemen- en
vruchtenslingers ernaast werden tijdens dezelfde verbouwingswerkzaamheden aan de nieuwe situatie aangepast. De treden voor de kandelaars op de altaartafel werden zeer ondeskundig omgebouwd om een bronzen tekstpaneel te kunnen integreren, dat afkomstig was van een 19de-eeuws erealtaar vóór het miraculeuze Onze-Lieve-Vrouwebeeldje. De muren werden in een latere fase afgebikt en herpleisterd, zodat we de oorspronkelijke context onmogelijk kunnen reconstrueren. Wegens gebrek aan gegevens kon het vroeg 18deeeuwse kerkinterieur niet gereconstrueerd worden en was het bijgevolg weinig relevant om de originele polychromie van de overschilderde delen van het altaar terug vrij te leggen ofte reconstrueren. De bestaande polychromie werd dus geconserveerd en gerestaureerd. Deze restauratieaanpak is praktisch dezelfde als deze van een gepolychromeerd beeld uit dezelfde periode van het altaar.
34
Ontbrekende profiellijsten werden met witte kleefband aangeduid (foto M. Buyle)
Detail van een biechtstoel (foto M. Buyle)
M&L
Na het altaar volledig luchtdicht te hebben ingepakt, werd het door een bevoegde firma begast met methylbromide, om de biologische aantasting (vooral houtworm) te bestrijden. Vermolmde onderdelen, vooral de constructieve en de gesculpteerde stukken, werden verhard met paraloid B72 opgelost in paraxyleen. Het volledige oppervlak werd gefixeerd met een washarsmengsel en gereinigd met white spirit. Van de marmerschildering en de vergulde delen werd de vergeelde vernis afgenomen. De matte onbeschermde witte verf van de beelden kon zeer moeilijk zuiver gemaakt worden. Alle lacunes in de verf werden gekit met een krijt-, lijm- en oliemengsel. Open voegen, verstekken en kleine ontbrekende delen werden gedicht en aangevuld met een modelleerpasta op basis van epoxy. De marmerschildering en de vergulding werden geretoucheerd met een acrylmedium, paraloid B72, in ethylalcohol en kleurvaste pigmenten. De witte beelden werden herschilderd met kaolin (zonder pigmenten) in een mager paraloidmengsel in etylalcohol. Het totale project heeft ongeveer 3500 manuren werk gevraagd. De twee zijaltaren werden op een gelijkaardige manier aangepakt. De huidige polychromie van de beide altaren is een overschildering die vermoedelijk uit het midden van de vorige eeuw dateert. Oorspronkelijk waren de altaren zwart met zwartmarmeren panelen en vergulde ornamenten. In tegenstelling tot de lichte constructie uit den en lindenhout van het hoofdaltaar, werd hier op een massievere wijze eikenhout toegepast. Deze zijaltaren kunnen gedateerd worden in het midden van de 17de eeuw.
Door ondeskundige reiniging waren het oppervlak en de kleur van het hout beschadigd (foto H. Vanden Borre)
DE CONSERVERING VAN DE BAROKKE LAMBRISERING EN DE BIECHTSTOELEN De conservering van de ongepolychromeerde barokke lambrisering, waarin de biechtstoelen zijn verwerkt, werd uitgevoerd door de conserveringsploeg van de Afdeling Monumenten en Landschappen in samenwerking met een tiental vrijwilligers van Kortenbos en omstreken (2). Voor deze formule werd gekozen om verschillende redenen: enkele jaren geleden was een dergelijke werkwijze al eens uitgeprobeerd op kleinere schaal, namelijk voor de behandeling van het laatgotisch koorgestoelte in de Sint-Gertrudiskerk te Leuven (3). Bovendien vinden we het belangrijk om de mensen op deze manier terug in contact te brengen met hun erfgoed en ze, ook na het beëindigen van de werken, een bepaalde verantwoordelijkheid te geven voor het eenvoudig onderhoud en het nazicht op de goede conservering
in de toekomst, bijvoorbeeld door het leren herkennen en signaleren van een nieuwe houtwormaantasting en dergelijke. Zelfs het ogenschijnlijk simpel onderhoud van ongepolychromeerd houtwerk kan niet eender hoe worden aangepakt. Tijdens plaatsbezoeken in kerken en andere monumenten zien we vaak de resultaten van ondeskundige behandelingen, en dan vooral het gebruik van verkeerde en onaangepaste producten. Ook in Kortenbos werd met de beste bedoelingen de lambrisering enkele jaren geleden gereinigd met
M&L
35
Het reinigen van de biechtstoelen. Losgekomen onderdelen werden van lijmresten ontdaan en opnieuw verlijmd (foto M. Buyle)
Een muziekspelende putto op de lambriseringsfries (foto M. Buyle)
warm water en soda. Dit agressieve reinigingsmiddel heeft het houtwerk op verschillende plaatsen beschadigd en verkleurd. Verkeerd uitgevoerde onderhoudswerken brengen vaak meer schade toe dan een gebrek aan onderhoud. Het is absoluut noodzakelijk om zelfs voor beperkte ingrepen van dagelijks onderhoud op voorhand advies te vragen aan deskundige instanties, in plaats van deze te contacteren als het 'kwaad' geschied is. Voor de behandeling van de lambrisering werden de taken aldus verdeeld: de conserveringsploeg stond in voor het vooronderzoek (toestand van het houtwerk en de afwerkingslagen, proeven met reinigingsmiddelen, proeven met afwerkingslagen), het opnieuw lijmen van afgebroken stukken en de dagelijkse coördinatie en uitvoering van de werken. De trede van een 'travee' van de lambrisering werd gedemonteerd om de toestand van de constructieve onderdelen van het hout na te kijken. Er werd vast-
gesteld dat de vloer niet doorliep onder het houtwerk, maar dat deze rustte op een bed van zand, waarin blijkbaar een hoeveelheid kalk werd vermengd. Constructief was het geheel nog in goede staat, op enkele delen minderwaardig hout na die door de houtworm waren aangetast. Na reinigingsproeven met white spirit, aceton, mechanische middelen als staalwol nr. 000 en schuursponsjes bleek het eenvoudige white spirit het beste resultaat te geven. Er werd uiteraard ook rekening gehouden met de lage toxiciteit van het product. De basisreiniging met white spirit moest op sommige plaatsen met hardnekkige vervuiling worden aangevuld door licht opschuren met fijne staalwol. De vroegere reiniging van een gedeelte van het houtwerk met soda had de oorspronkelijke kleurtint van het hout aangetast. Om terug een eenheid te bekomen werd na de reiniging het hout gekleurd met een kleurmiddel op waterbasis in de lichtste tint van eik. Voor de uiteindelijke afwerkingslaag werden proeven gedaan met paralloid a 10% in paraxyleen en met wasbeits in een lichte tint van eik, maar het resultaat was niet bevredigend. Vermits deze lambrisering in de loop van haar geschiedenis altijd gevernist en niet geboend was, werd uiteindelijk gekozen voor een schellak-vernis, die aan het geheel een mooie, vrij verzadigde glans verleent. Deze historische vernis wordt al eeuwenlang gebruikt voor de afwerking van meubels en muziekinstrumenten. De voordelen van de schellak-vernis zijn : eenvoudig aan te brengen, zeer goed reversibel, een gesloten oppervlak zelfs bij een dunne laagdikte, de kleurwarmte en de schakering in tinten, relatief goedkoop, niet toxisch en duurzaam. Als - relatieve - nadelen worden genoemd: zijn lange uithardingstijd; zijn aantasting op lange termijn door UV-straling, hetgeen gedeeltelijk door de filterende werking van glas-in-lood wordt ondervangen; de kleurverandering na de droging, hetgeen voorafgaandelijke proeven nodig maakt (4). Als uiteindelijke verhouding werden één deel opgeloste schellak (a 15 % in ethylalcohol) vermengd met twee delen ethylalcohol en 10 % diacetonalcohol op dit geheel, om de droging enigzins te vertragen en het product beter verwerkbaar en vloeibaarder te houden. Omdat deze vernis niet goed bestand is tegen krassen en intensief gebruik, werd de trede na kleuring ingeboend met kleurloze bijenwas met 10 % camaubawas voor de stevigheid. De behandeling van de trede zal in de loop van de volgende jaren moeten herhaald worden. Losgekomen delen werden opnieuw verlijmd met polyvinylacetaat. De aangetaste delen, vooral op de boven- en achterzijde werden behandeld met een insecticide-fungicide op basis van permethrine en azaconazole en in de voorkant van de trede werden
36
De lambrisering met biechtstoelen na de behandeling (foto 0. Pauwels)
De biechtstoel in het pseudo-transept na de behandeling (foto 0. Pauwels) •• Gedeelte van de barokke lambrisering (foto 0. Pauwels)
Getorste zuil met dieren en fantasiefiguren (foto 0. Pauwels)
M&L
elke halve meter gaten geboord van 18 millimeter om verluchting toe te laten en het risico van nieuwe aantasting te verkleinen. De werkwijze werd bewust eenvoudig gehouden. Aan de vrijwilligers werd gevraagd om tijdens de reiniging op twee zaken te letten: losgekomen delen enerzijds en actieve houtwormaantasting anderzijds. Deze werden respectievelijk aangeduid met strookjes witte en rode kleefband op de betreffende onderdelen, om ze nadien te kunnen behandelen. Het vroeg een vrij intensieve aandacht en een dagelijkse aanwezigheid van de conserveringsploeg op de werf om de reiniging door de verschillende personen eenvormig te laten verlopen. Ditzelfde gold nog meer voor het kleuren en het vernissen, en moest regelmatig bijgestuurd worden. De inzet en het enthousiasme van de tien vrijwilligers maakten veel goed en het resultaat is op alle gebied geslaagd te noemen.
EINDNOTEN (1) SCHEELEN W., De barokke biechtstoelen van de Onze-LieveVrouwebasiliek, in Kortenbos vroeger en nu. Bijdragen tot de geschiedenis en de heemkunde, Kortenbos, 1993. VANTHILLO C, Het hoogaltaar van de basiliek van Kortenbos door de Antwerpse beeldhouwer Peeter Scheemaeckers (16521714), in Kortenbos vroeger en nu. Bijdragen tot de geschiedenis en de heemkunde, Kortenbos, 1993. ZADAJACZ-HASTENRATH S., Das Beichtgestühl der Antwerpener St. Pauluskirche und der Barockbeichtstuhl in den südlichen Niederlanden (Monographien van het Nationaal Centrum voor de plastische kunsten van de XVlde en XW/demw, 3), Brussel, 1970. (2) De restauratie van het hoofdaltaar werd uitgevoerd door Hugo vanden Borre en zijn medewerkers. De biechtstoelen, lambrisering, preekstoel, communiebank en koordoksaal werden behandeld door de conserveringploeg van de Afdeling Monumenten en Landschappen. De restauratie van sommige constructieve onderdelen werd dan weer door Hugo vanden Borre voltooid. Het werk werd tot een goed einde gebracht dankzij de inzet van de collega's van de conserveringsploeg Els Jacobs en Philippe Schurmans en de volgehouden inspanning gedurende bijna drie maanden van de vrijwilligers van Kortenbos, die wij langs deze weg hartelijk bedanken: Maria Appelthans, Maria Cremers, Madeleine Cremers, Jos Meubis, Jean Overath, Michel Segers, Edgard Smets, Maria Strauven, Julia Vanroye en Elvire Vavedin. (3) Cfr. SMEYERS M. en BUYLE M„ De koorbanken van de SintGeertruikerk te Leuven, inM & L, jg. 10, nr. 3,1991, p. 41-58. (4) Uitgangspunten bij het gebruik van synthetische materialen voor conservering en restauratie: verstevigen, lijmen, vernissen (CL Themadag, nr. 19), Amsterdam, 1991, p. 97-100. Vademecum voor de bescherming en het onderhoud van het artistiek patrimonium (Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, XXI), Brussel, 1986-87, p. 58-62.
Marjan Buyle en Christine Vanthillo zijn inspecteurs bij de Afdeling Monumenten en Landschappen. Hugo vanden Borre is zelfstandig restaurateur.
38
M&L
HET BIECHTGESTOELTE VAN DE ANTWERPSE SINT-PAULUSKERK JAN VAN DAMME
Cartouche noordzijde met Christusmonogram omgeven door een rozenkrans gedragen door twee engeltjes. Onder de rozenkrans hangt het Jeruzalemkruis (foto 0. Pauwels)
Het biechtgestoelte van de Antwerpse
tegenover elkaar afgewogen en argu-
Sint-Pauluskerk maakte in het verleden
menten voor een datering bij elkaar
reeds het onderwerp uit van meerdere
gesprokkeld. De meeste studies
waardevolle en soms lijvige studies (1).
situeren zich bovendien in het kunst-
Het belang van deze monumentale
historische discours en zijn niet opge-
biechtstoelenreeks verantwoordt deze
maakt met het oog op een restauratie.
omvang, maar is omgekeerd evenredig
Daarom werden de biechtstoelen in het
aan het erg beperkt aantal
kader van de aan de gang zijnde
onomstotelijk vaststaande gegevens
restauratiewerken in de Sint-Pauluskerk
omtrent datering en auteurschap.
opnieuw aan een onderzoek onder-
Verschillende toeschrijvingen werden
worpen.
M&L
Biechtstoel met engelen en de heilige Magdalena. Tezamen met Petrus van dezelfde biechtstoel onderscheiden ze zich in stijl en kwaliteit van de overige grote beelden en behoren wellicht niet tot het oorspronkelijk bestand (foto 0. Pauwels)
Het gerestaureerde interieur van de Sint-Pauluskerk te Antwerpen (foto 0. Pauwels)
39
ft Let onderzoek naar de biechtstoelen van de SintPauluskerk wordt bemoeilijkt door de omstandigheid dat de kloosterarchieven tijdens de Franse Revolutie zo goed als volledig verdwenen (2). De enkele rekenboeken van de broederschappen die in de SintPauluskerk onderdak hadden gevonden geven geen enkele aanwijziging. Als datum post quem voor het tot stand komen van het ensemble mag 1636 vooropgesteld worden. Een geschilderd binnenzicht van de kerk uit dat jaar toont nog een oudere reeks biechtstoelen. Meerdere auteurs dateren die oudere reeds circa 1617, maar ook daarvoor zijn tot nu toe geen concrete aanwijzingen gevonden. Met de interpretatie van het binnenzicht moet overigens voorzichtig worden omgesprongen. Het toont onder meer bij het hoogkoor een doksaal dat er in 1636 onmogelijk gestaan kan hebben. Pas in 1654-1655 zou er onder leiding van Peeter Verbrugghen een doksaal opgetrokken worden (3). Na de ontdekking van een document uit het archief van de Tumhoutse Sint-Pieterskerk waaruit bleek dat het plaatselijk kerkbestuur het oude gestoelte in 1659 van de Antwerpse Dominicanen overnam, stelde A. Jansen een datering in de jaren 1657-1659 voor. Hij ging ervan uit dat het oude ensemble van de hand werd gedaan toen het nieuwe was afgewerkt (4). Met deze datering past het gestoelte perfect in de typologische evolutie van de barokbiechtstoel. De rode draad door die evolutie is het steeds toenemend belang van figuratief snijwerk, vertrekkende in de late 16de eeuw als decoratie van het schrijnwerk en eindigend in het begin van de 18de eeuw wanneer de schrijnwerker een vaak verwaarloosbare rol gaat spelen bij het ontwerpen en uitvoeren van kerkmeubilair. Deze evolutie is gemakkelijk te schetsen aan de hand van enkele voorbeelden. Zo vertoonde de oude biechtstoelenreeks in de Sint-Pauluskerk (circa 1617 ?) nauwelijks figuratief snijwerk, evenmin als die van de nu verdwenen Sint-Walburgiskerk (circa 1635). De vroegere biechtstoelen van de Sint-Caroluskerk daarentegen (circa 1636) droegen vooraan als posten voor de middelste beschotten engelen als hermenfiguren, net zoals die van de Antwerpse SintMichielsabdij (circa 1640). In de Sint-Pauluskerk dragen zowel de middelste als de buitenste beschotten levensgrote beelden (5).
Aangenomen dat het werk inderdaad uit de late jaren vijftig dateert blijft de vraag naar het auteurschap. De ontraadseling ervan dient uit te gaan van de toen geldende ambachtsreglementen. De gildeverordeningen statueren namelijk dat dergelijk werk enkel aangenomen mocht worden, niet door een beeldsnijder, maar door een schrijnwerker. Uit de praktijk blijkt
h^f
• '###
Het interieur van de Sint-Pauluskerk op een schilderij van 1636, Rijksmuseum Amsterdam (foto Rijksmuseum)
dat die vervolgens in onderaanneming beeldsnijders engageerde (6). Aan belangrijke opdrachten werkten dan meerdere beeldsnijders mee. Bekende voorbeelden zijn het gestoelte van de Zoete Naem in de SintPauluskerk (1635-1641), van de schrijnwerker Jan de Jupploye (1576/1577-1640) en de beeldsnijders Karel van de Wouwer (1590-1654/1655) en Erasmus (? -1640) en Artus I Quellin (1609-1668), of het gestoelte voor de Gentse Sint-Pietersabdij dat dezelfde De Jupploye in 1638-1639 aannam te maken en waarvoor hij een beroep deed op de medewerking van nogmaals Artus I Quellin, Adriaan Dembri, Gillis Herri en de Gentenaars E. Van Zijpe en F. van Peperzeele (7). Samen met het groeiende aandeel van het beeldhouwwerk in het kerkmeubilair zal ook de rol van de beeldsnijder als contractant toenemen, maar pas vanaf de jaren zeventig zal die soms als ontwerper en aannemer van dergelijk werk optreden. Nog in 1671-1672 was de schrijnwerker Octavio Herri aannemer van het bijzonder rijk gesculpteerde koorgestoelte van de abdij van Averbode. Het beeldsnijwerk wordt toegeschreven aan de Quellins, Peeter II Verbruggen (circa 1640-1691) en Lode wijk Willemsens (1630-1702) (8). Wie op zoek gaat naar de auteur voor het biechtgestoelte van de Sint-Pauluskerk moet bijgevolg in de eerste plaats zoeken naar een schrijnwerkatelier en vervolgens naar de verschillende beeldsnijders met wie dan kan samengewerkt hebben. Als schrijnwerker komt vooral Octavio Herri (1614-1693) in aanmerking. Hij was
de zoon van de schrijnwerker Jan Herri en Elisabeth van Ommen, kleinzoon van de bekende antijksnijder en schrijnwerker Otmaer van Ommen en neef van de eerder genoemde Jan de Jupploye. Zoals Jan de Jupploye het drukbeklante atelier van zijn schoonvader overnam na diens op rust gaan, volgde Octavio zijn oom op als belangrijkste aannemer van houten kerkmeubilair te Antwerpen. Wat de grotere opdrachten, zoals die in de Sint-Pauluskerk betreft kan zelfs van een feitelijke quasi-monopoliepositie gesproken worden. Octavio Herri werkte het bij het overlijden van De Jupploye nog niet voltooide gestoelte van de Gentse Sint-Pietersabdij verder af en leverde later onder meer het koorgestoelte van de Antwerpse Sint-Jacobskerk (1658-1671) en het gestoelte van de abdij van Averbode (1671-1673). Toch moet rekening gehouden worden met de steeds groter wordende concurrentie. Zo komt bijvoorbeeld ook de schrijnwerker Michiel Bourgeois - nog een oom van Octavi Herri gehuwd met Marie van Ommen - in aanmerking als aannemer. Misschien moet er zelfs naar twee schrijnwerkateliers uitgekeken worden. Argument daarvoor is dat niet enkel stijlverschillen in de sculptuur van de noordelijke tegenover de zuidelijke reeks te onderscheiden zijn, maar dat ook een aantal details in de compositie van het wandbeschot verschillen. Zo het systeem volgens hetwelk de geometrische cartouches in de lambrisering elkaar opvolgen. In de zuidelijke reeks wisselen hun vormen af volgens het schema A-B-C-B-A/D/A-
M&L
41
Otmaar I van Ommen Schrijnwerk en antijksnijder 1540-1632
Elisabeth x Jan Herri Schrijnwerker 1576-1638
Otmaar II Schrijnwerker 1594-?
Rachel x Jan de Jupploye Schrijnwerker 7-1640
Octavio Schrijnwerker 1614-1693
Gillis Beeldsnijder 1616-?
Franchois Schrijnwerker 1619-?
B-C-B-A/D. In de noordelijke reeks wordt daarentegen een schema aangehouden met een drieledige module en een grotere variatie aan vormen: A-B-A/C-D-C/A-B-A/E-F-E. Beide genoemde ateliers werkten meermaals samen met leden van de familie Quellin-Verbrugghen. Bourgeois werkte met Erasmus I Quellin aan de preekstoel van het Sint-Elisabethgasthuis (1635). Artus I Quellin verzorgde het snijwerk voor zijn lessenaars en banken in de Onze-Lieve-Vrouwekerk (1642). Peeter I Verbruggen leverde ook het beeld-
Catharina x Adriaen Dembri Beeldsnijder
Marie x Michiel Bourgeois Schrijnwerker
snijwerk voor Bourgeois' orgelkast in dezelfde kerk (1657-1659) (9). Voorbeelden van samenwerking tussen Octavio Herri en deze ateliers werden reeds hoger aangehaald. Het lijkt dus voor de hand te liggen om de auteurs van het beeldsnijwerk aan deze biechtstoelen in hun kring te zoeken. Bijkomend argument is het feit dat een aantal reliëfs in het beschot van de biechtstoelen gesneden werden naar ontwerp van Erasmus II Quellin (10). Circa 1774 schreef de doorgaans goed ingelichte Jacob Van der Sanden, secretaris van de Antwerpsche Academie, het biechtgestoelte in de Predikherenkerk
Erasmus I Quellin Antijksnijder 1584-1640 i
Erasmus II Schilder 1607-1678
Artus I Beeldhouwer 1609-1668 i
Jan-Erasmus Schilder 1634-1662
Artus II Beeldhouwer 1626-1700
i
Hubertus Graveur 1619-1687
Cornelia x Peeter I Verbruggen Beeldhouwer 1615-1686
h Peeter n Beeldhouwer 1648-1691
Catharina x F. De Jaggere Beeldhouwer tl663 i
Hendrik-Frans Beeldhouwer 1654-1724
42 •
M&L
I = gevleugelde engeienhoofden II = halfslijfse engelen III = arend
Tekening biechtgestoelte noord (tekening R. Steenmeijer)
trouwens toe aan Peeter I Verbruggen (1615-1686). J. Gabriels meende echter dat het werk ongetwijfeld ontstaan was in samenwerking met diens schoonvader Artus Quellin de Oude (11). Zij baseerde zich voor deze toeschrijving vooral op het feit dat twee paneeltjes in biechtstoelen in de Antwerpse SintJacobskerk, toegeschreven aan Quellin, identiek zijn aan twee reliëfs in het biechtgestoelte van de Dominicanen. De toeschrijving van de biechtstoelen in de Sint-Jacobskerk steunt echter evenmin op archivalia en is zeer twijfelachtig. De bedoelde paneeltjes zijn alleszins van beduidend mindere kwaliteit dan hun tegenpolen in de Sint-Pauluskerk (12). Artus 1 Quellin werkte bovendien van 1650 tot 1664 in Amsterdam aan het nieuwe stadhuis. Het staat vast dat hij daar nog wel bestellingen vanuit de Scheldestad bleef aanvaarden (13), maar een project van de omvang als dat in de Antwerpse Dominicanenkerk was allicht niet met het werk in Amsterdam te combineren (14). De naam van Peeter I Verbrugghen moet dus alleszins als mogelijk auteur weerhouden blijven. Wanneer Gabriels echter een gedeeld auteurschap voorstelde dan was dat vooral omdat zij terecht verschillende handen had herkend in de bijna levensgrote engelen- en heiligenbeelden in de noordelijke en die aan de zuidelijke beuk. De beelden aan de noordkant beschouwde ze als superieur. Op louter chronologische gronden komt behalve Peeter 1 Verbrugghen vooral Artus 11 Quellin (1626-1700) als auteur in aanmerking. Artus II was van 1652 tot 1654 medewerker in Amsterdam maar keerde daarna
naar de Scheldestad terug. Voor het meer decoratieve snijwerk, waarin eveneens meerdere handen te onderscheiden zijn, deden deze meesters waarschijnlijk een beroep op ateliermedewerkers. Tot voor kort werd aangenomen dat het biechtgestoelte zijn geschiedenis met weinig verbouwingen en veranderingen had doorstaan. Eerder was reeds opgemerkt dat de laatste travee noord en zuid aan de westkant tegen de portalen naar de Veemarkt en het kloosterpand toe ooit ingekort werden en dat er zich in de lambrisering net voor het bidgestoelte aan de zuidzijde een bouwnaad voordeed. Hernieuwd onderzoek vóór en tijdens de demontage van het biechtgestoelte leerde echter dat de veranderingen die in de loop van die tijd werden aangebracht veel ingrijpender waren. Zo werd duidelijk dat ook het kleine bidgestoelte in de noordelijke beuk niet tot het oorspronkelijke bestand behoort. Het verbergt een vroegere doorgang vanuit de kerk naar het aanpalende kloosterpand op dezelfde wijze als dat aan de zuidzijde een portaal naar het voormalige kerkhof afdekt. Ze werden opgebouwd uit 19de-eeuws schrijnwerk en beeldsnijwerk en herbruik van oudere beeldhouwfragmenten die te dateren zijn in de 17de en de vroege 18de eeuw. De herbruik van fragmenten die schijnbaar wel tot het oorspronkelijke bestand behoorden doen de vraag rijzen of de lambrisering, die nu aan de westzijde tegen de vermelde portalen ophoudt, aanvankelijk niet verderliep tegen de westgevel van de kerk.
M&L
Tekening biechtgestoelte zuid (tekening R. Steenmeijer) I gevleugelde engelenhoofden jfse engelen III arend
•
43
op dezelfde wijze als dat nu nog het geval is bijvoorbeeld in de Antwerpse Sint-Carolus Borromeuskerk. Op die plaats werd circa 1720 een nieuwe biechtstoel geplaatst (15), wat misschien de aanleiding was om met recupereerbare onderdelen de beide lambriseringen verder oostwaarts aan te werken. Misschien was dat ook het ogenblik waarop de zitbanken, die oorspronkelijk de verschillende biechtstoelen met elkaar verbonden, verwijderd werden. Hun vroegere aanwezigheid wordt verraden door de aftekening ervan op de buitenste dwarsbeschotten van de biechtstoelen. In de kleine bidgestoelten waarvan reeds meermaals sprake, bleven deze zitbanken overigens nog gedeeltelijk bewaard. Het wegnemen ervan was bovendien aanleiding tot de vervanging van het grootste deel van de bospanelen in het onderste register van de lambrisering door opgenagelde triplexplaten. Enkel tussen de dwarsbeschotten, dat wil zeggen binnen de biechtstoelen, bleef de oorspronkelijke situatie bewaard. Merkwaardigerwijs vertoont één beschot geen aftekening van een bank. Daardoor ontstaat het vermoeden dat het zich ooit op een andere plaats bevond, bijvoorbeeld aan het portaal naar de kloosteromgang, waar de bank zich niet voortzette. Het bewuste fragment bevindt zich nu echter op een andere plaats. Zulks veronderstelt dat het gestoelte ooit ten minste gedeeltelijk gedemonteerd werd en foutief terug in elkaar gezet. Bovendien ontbreken de beschotten die het gestoelte op identieke wijze aan het andere portaal of aan de oostzijde van de beide
beuken afgesloten hebben. De beschotten die zich vandaag op die plaatsen bevinden moeten bijgevolg afkomstig zijn van ondertussen verdwenen biechtstoelen. De veronderstelling dat het gestoelte ooit meer dan tien biechtstoelen telde wordt gesterkt door de aanwezigheid van 17de-eeuwse fragmenten in de uitlenging van de lambrisering oostwaarts. We mogen daarom veronderstellen dat tegen de westzijde van de kerk niet enkel de lambrisering verderliep, maar dat er ook aan weerszijden van het hoofdportaal een biechtstoel was ingewerkt of dat er zich ter hoogte van de huidige bidgestoelten nog een biechtstoel bevond. Bij de demontage van het gestoelte naar aanleiding van de restauratie bleek ten overvloede dat het geheel ooit eerder zowat volledig uit elkaar was genomen. Verscheidene regels van de dragende structuur werden ooit vervangen. Dat bij het terug in elkaar zetten van het biechtgestoelte heel wat beeldsnijwerk van plaats verhuisde was reeds eerder bij de analyse van de iconografische schema's gebleken. Boven de platte pilasters in de lambrisering tussen de biechtstoelen in bevinden zich in de meeste gevallen gevleugelde engelenhoofden. Boven de buitenste wangen van de biechtstoelen treffen we daarentegen halfslijfse engelenfiguren aan en boven twee van de tien biechtstoelen is dat schema verstoord. De beelden van Petrus en Magdalena aan één daarvan wijken bovendien zowel kwalitatief als stilis-
44
M&L
Detail van de lambrisering met putti en Christusmonogram (foto 0. Pauwels)
M&L
Biechtstoel aan de zuidzijde: Johannes evangelist, engel met Veronicadoek, engel met kruisopschrift INRI, Barbara (foto 0. Pauwels)
Biechtstoel zuidzijde: Thomas van Aquino (dominicaans theoloog), engel met gebedsboek, engel met paternoster en Agnes van Montepulciano (foto 0. Pauwels)
45
46
Putti met leeuw op de horizontale fries (copyright vzw SintPaulusvrienden)
Magazijn BTA met beeldhouwwerk in restauratie (foto 0. Pauwels)
M&L
tisch zodanig af van de rest van de reeks dat vermoed kan worden dat ze niet tot het oorspronkelijke bestand behoren. Ook in de rest van het iconografische programma doen zich samenhangen voor die op het verplaatsen van beeldsnijwerk schijnen te wijzen. In de meest oostelijke biechtstoel van de zuidzijde bevinden zich in de gebeeldhouwde fries van oost naar west voorstellingen van de Heilige Thomas van Aquino, de Heilige Katharina van Siëna en de Heilige Dominicus, respectievelijk de eerste grote theoloog van de Dominicanen, de stichters van de Dominicanessen en de stichter van de Dominikanerorde. De grote beelden voor de buitenste wangen van deze biechtstoel stellen weerom de Heilige Dominicus en de Heilige Katharina voor. Midden boven de biechtstoel, onder de fries ziet men de voorstelling van God de Vader. De iconografie van deze biechtstoel zou alleszins aan samenhang winnen wanneer beide heiligen in de fries zich boven de respectievelijke grote beelden zouden bevinden en de theoloog in hun midden boven de figuur van God de Vader. Bij de demontage bleken bovendien heel wat beeldhouwfragmenten op de rugzijde een met de guts gestoken nummering te dragen. De nummervolgorde is vandaag evenwel grondig verstoord. De deurtjes aan de biechtstoelen dateren uit de 19de eeuw. De datering van al deze veranderingen en aanpassingen is niet eenvoudig. Het dichtmetselen van de doorgang in de zuiderbeuk naar het voormalige kerkhof kan gelden als een datum post quem voor een eerste verbouwing, maar is zelf moeilijk te dateren. Het gebeurde ten laatste circa 1679 bij de aanleg van de Calvarieberg (16). Een tweede mogelijke datum voor het verlengen van de lambrisering is circa 1720 bij de realisatie van de zogenaamde Kerricxbiechtstoel, nu opgesteld in de kapel van de Zoete Naam, maar tot circa 1833 tegen de westgevel van de kerk. We veronderstellen in dat geval dat het biechtgestoelte aanvankelijk tegen die gevel verderliep. Een aantal sculptuurfragmenten in de toegevoegde onderdelen verwijzen inderdaad naar de vroege 18de eeuw, maar de vraag stelt zich dan waarom ze slechts zo fragmentair zijn en er niet een volledige lambrisering is aangezet. 19de-eeuwse fragmenten zijn in de meerderheid en houden vermoedelijk verband met de ingrijpende verbouwingen in de kerk circa 1833. Het kerkinterieur werd toen volledig gereorganiseerd met het oog op de ingebruikname van de oude kloosterkerk als parochiekerk ter vervanging van de afgebroken Sint-Walburgis (17). De uiterst slechte toestand waarin het biechtgestoelte zich tot voor kort bevond was evenwel minder te
wijten aan de verbouwingen die het in de loop der tijd onderging dan wel aan gebrekkig onderhoud in recenter tijden. Belangrijkste boosdoener was de noodlottige brand die in de nacht van 2 op 3 april 1968 het dak van de kerk verwoestte (18). Het bluswater in de kerk trok na de ramp vlug weg, maar het gebouw kreeg slechts een voorlopige bedaking die na korte tijd reeds veel te wensen overliet. Op een nieuw en degelijk dak heeft de Sint-Pauluskerk precies twintig jaar moeten wachten. Zijn voorlopige voorganger lekte ondertussen als een zeef en na een forse regenbui liep in de kerk meerdere dagen lang het water over de muren, altaren en gestoelten naar beneden, zichtbare sporen nalatend. Kort na de brand werden de muren onderaan wel onder druk geïmpregneerd tegen zwamaantasting en werd achter de lambrisering met de lans een zwamwerend en insectendodend middel verstoven. Dit alles heeft evenwel niet kunnen verhinderen dat het hout op meerdere plaatsen, en dan vooral aan de westzijde van de zuiderbeuk, zwaar beschadigd was door zwamculturen en populaties van de kleine en grote klopkever. Kapitale delen van de houtconstructie, regelwerk en panelen waren zo goed als weggerot. De schade aan het rijke beeldhouwwerk van dit
M&L
47
gestoelte bleek ook na grondig nazicht beperkt. Enkele grote beelden in de noorderbeuk waren overlangs gebarsten maar werden ondertussen gelijmd. In de kroonlijst zijn enkele beschadigingen van de sculptuur te betreuren. Uitgaande van deze gegevens werd een restauratieoptie voorgesteld die terdege rekening hield met het feit dat de restauratie deel uitmaakt van de totale restauratie van de kerk. De opties moesten bijgevolg passen in de bredere opzet, dit wil zeggen de mogelijkheden en moeilijkheden van de rest van het meubilair in rekening brengen en zinvol zijn voor de biechtstoelen op zich. Belangrijke karakteristiek van het bedehuis was dat het, ontstaan als kloosterkerk, sinds de vroege 19de eeuw dienst doet als parochiekerk en dat een aantal verbouwingen in die periode nog steeds het huidige beeld van de kerk bepalen. Globale optie was daarom de structuur van de 19deeeuwse parochiekerk te bewaren. Het had dus weinig zin om het biechtgestoelte een 'archeologische' restauratie te laten ondergaan en verbouwingen, al dan niet uit de 19de eeuw ongedaan te maken of verdwenen elementen te reconstrueren. Het historisch onderzoek leverde daarvoor te weinig zeker-
Vrf^
•x^'
3 l
m
v ^
M&L
Zwamaantasting van het hout (foto Verstraete & Van Hecke)
Biechtstoel met Petrus, engelen en Magdalena (foto 0. Pauwels)
49
(4) JANSEN A., Ontstaan en evolutie van de biechtstoelen, in Tijdschrift voor geschiedenis en folklore, 14, 1951, p. 20. (5) Voor een meer gedetailleerd overzicht van deze evolutie zie VAN DAMME J., Bijdrage tot de studie van de Antwerpse schrijnwerkers, hun ambacht en hun werk tijdens het corporatief stelsel (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), Leuven, 1985, d.l,p. 52-54. (6) VAN DAMME J„ o.c, dl. 1, p. 39 en volgende. (71 VAN DAMME J., Het gestoelte van de Zoete Naem Jezus en zijn voorgangers, in Sint-Paulus-info, 43, 1990, p. 666-672. (8) LEFEVRE P., Textes concernant l'histoire artistique de l 'abbaye d A verbode aux XVlle et XVllle siècle (suite), in Belgisch tijdschrift voor oudheidkunde en kunstgeschiedenis, 6, p. 333-334, (9) VAN DAMME J. Bijdrage tol de studie van de Antwerpse schrijnwerkers, hun ambacht en hun werk tijdens het corporatief stelsel, (onuitgegeven licentiaatsverhandeling), Leuven, 1985,dl.2,p. 167, m e n 184. (10) DE COO J.. Ontraadseling van baroksculptuur in de Sinl-Pauluskerk te Antwerpen, in Jaarboek van hel Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, 1965, p. 223-242. (11) GABRIELS 1, Anus Quellien de Oude, Antwerpen, 1930, p, 200. (12) De toeschrijving werd door de meeste auteurs kritiekloos overgenomen uit VAN LER1US T., Notice des ceuvres d'art de t'église paroissiale et ci-devant insigne collegiale de Saint-Jaci?He.s a Amws, Borgerhout, 1855, p. 102-105, 132-133 en 144. heden op. Uiteindelijk werd besloten het huidige (13) VAN DE VELDE C, Rubens, de gebroeders Quellin en de bestand aan schrijn- en beeldsnijwerk maximaal te beelden van Sint-lgnatius en Sint-Franciscus in het koor van de Jezuïetenkerk te Antwerpen, in Rubens and his Circle, Antwerbehouden. Voor wat het schrijnwerk betreft diende pen, 1986, p. 297-306 en NEURDENBURG A., De zeventienechter noodzakelijkerwijze overgegaan te worden tot de-eeuwse beeldhouwkunst in de noordelijke Nederlanden. belangrijke vervangingen. Van gesculpteerde onderHendrik de Keyset, Artus Quelllnus, Rombout Verhulst en tijdgenoten, Amsterdam, 1948, p. 174. delen werd aan de achterzijde waar nodig het aange( I 4 l GABRIELS L.C., dateerde het biechtgestoelte dan ook in de taste hout verwijderd en vervangen. Het snijwerk jaren 1640-1645. een datering die stilistisch onhoudbaar is. zelf werd in al zijn details minutieus vervolledigd. (15) VAN DAMME }.,De biechtstoel in de kapel van de Zoete Naam Jezus In de Antwerpse Sint-Pauluskerk, in Sint-PaulusDaarnaast werden een aantal preventieve maatregein/b, 41,1989, p. 618-625. len genomen om nieuwe beschadigingen te voor(16) Recent onderzoek van de afwerkingslagen op de invulling schijnen erop te wijzen dat die reeds in de 16de eeuw plaatskomen. had, misschien naar aanleiding van de inrichting van deze plaats tot kapel voor het edelsmedenambacht {rapport Van den Borre-Lauwers). EINDNOTEN (17) VAN DAMME J., Van kloosterkerk tol parochiekerk, in SintPaulus-info, 50,1991, p, 832-839. (IX) Voor een uitgebreid relaas van de brand door een nauw (1) ZAJADCZ-HASTENRATH S., Das Beichtgestühl der Antwerpener St. Pauluskirche und der Barockbeichtstuhl in den betrokken getuige zie BAUDOUIN F., 'Eeuwen leven voort!' Südlichen Niederlanden. (Monographien van het Nationaal in De Sint-Pauluskerk te Antwerpen. Herinneringsalbum over Centrum voor Plastische Kunsten van de XVIde en de brand in 1968, Antwerpen, 1988. XVIIde eeuw, 3), Brussel, 1970 (2) PRIMS F., De Antwerpsche Predikheeren en hun Archief, in Antwerpsch archievenblad. 2e r., 3, 1928, p. 55-64. (3) PERSOONS G., Sehastiaen de Neve 's communiebank uit 16551657, in Sinl-Pauluskerk te Antwerpen, Antwerpen, 1981, p. 9 Jan Van Damme is kunsthistoricus. en 14-15. Het doksaal werd in 1833 afgebroken.
50
M&L
DE LUISTER VAN POLYCHROMIE: TWEE ECLECTISCHE SALONDECORATIES TE BRUSSEL ANNE DE BARDSKI m.m.v. JO BRAEKEN
Salon Fischer. Detail van een deurpaneel met portretbuste in 16de-eeuws kostuum (foto M.M. Cells)
De neoclassicistische huizen aan de
Onderzoek naar de afwerking van
Wolvengracht 34 en 36 te Brussel,
oude interieurs is geen gemakkelijke
bewaren op de eerste verdieping aan
taak, want voor burgerlijke en privé-
de straatzijde interessante getuigen
gebouwen zijn de voor historische stu-
van 19de-eeuwse binnenhuisaan-
die beschikbare documenten schaars.
kleding.
Voor de salons aan de Wolvengracht
Het eerste salon heeft een beschilde-
bleek de raadpleging van het stads-
ring in schildpadimitatie en een alle-
archief van Brussel interessant,
gorische voorstelling op het plafond.
gecombineerd met opzoekingen in de
Het tweede heeft een stucdecoratie in
notariële akten; deze zijn voornamelijk
hoogreliëf in de kleuren wit en goud.
verhelderend op het ogenblik dat
Een deuropening die later, vermoede-
gebouwen van eigenaar veranderen.
lijk rond 1897 werd aangebracht, verbindt beide vertrekken.
M&L
Ontwerp van het huis Wielmaecker door Joseph Segers, uit 1847 (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 11435)
Opmeting van de patriciërswoning uit 1713, die bij de bouw van het huis Wielmaecker verdween (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 11435)
Plattegrond van de bel-etage van het huis Wielmaecker, vóór de verbouwing van 1930. Het salon bevindt zich rechts aan de straatzijde (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 36368,36319)
51
HET HUIS WIELMAECKER Op het perceel met huisnummer 34 aan de Wolvengracht bevindt zich tijdens de 18de eeuw een kleine patriciërswoning waarvan de plattegrond- en geveltekening bewaard bleven (1). De gevel is gemarkeerd door een inrijpoort in Louis XV-stijl die toegang verleent tot een langwerpige binnenkeer met aan weerszijden bebouwing. Aan de straatzijde bestaat ze uit een eenvoudig volume met jaartal 1713. Bij het begin van de 19de eeuw is dit huis in het bezit van Balthazar Bourgeois, een jurist die het van zijn ouders erfde. Eerst woont hij er zelf, naderhand verhuurt hij het. Als laatste in de reeks huurders is Louis Deman (2) vermeld, handelaar in meubilair en kunstvoorwerpen. In 1847 tenslotte verkoopt hij het huis aan Charles Wielmaecker, kurkhandelaar (3). Geboren te Brugge in 1795 huwt deze de dochter (4) van een Brusselse wijnhandelaar. Hij behoort tot de hogere burgerij en is lid van La Loyauté, een vereniging van Brusselse notabelen, waarbij ook Balthazar Bourgeois aangesloten is. Mogelijk kenden ze elkaar langs deze weg (5). Op 26 november 1847 ondertekenen Bourgeois en Wielmaecker voor notaris De Doncker de overdrachtsakte van het huis (huidig nummer 34) aan de
POE-MILR
E-Tfl^e
tl'36
Wolvengracht. Al voordien, in de maand augustus, had de nieuwe eigenaar een verbouwingsaanvraag bij de gemeente ingediend (6). De opmetingstekening van de bestaande gevel en het nieuwe ontwerp zijn gesigneerd J. Segers. Deze bouwmeester voorziet een huis van drie bouwlagen en vier traveeën met bossagewerk op de gelijkvloerse verdieping, een balkon met balusters op de bel-etage en een inrijpoort naar een grote, achterliggende binnenplaats met ruimte voor bijgebouwen. Na het overlijden van Charles Wielmaecker in 1850 (7) blijven zijn weduwe en zijn zoon aan de Wolvengracht wonen. Edouard Wielmaecker, geboren in
52
M&L
PWI Tjcjde
jinnci /IJ Ie
- . (il»'.
L»&,4-^.cg^JtaMpiAlll^liiniiuWl
fe
Huis Wielmaecker, Wolvengracht 34, en huis Fischer, Wolvengracht 36 (foto 0. Pauwels)
Gevelopstand van het huis Fischer met de in 1898 door Jeanne Luig verbouwde pui (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 11428)
1821, staat in de handelsjaarboeken vermeld als handelaar eerst in kurk, nadien in kasjmieren sjaals en uiteindelijk als industrieel en directeur van de papierfabrieken in Namen (8). Op 27 oktober 1880 wordt het huis door notaris Van Bevere openbaar verkocht. Edouard Wielmaecker verblijft op dat ogenblik te Parijs, waar hij in 1888 ook overlijdt (9). Bij de verkoop is het goed beschreven als een "hel hotel" met "au rez-de-chaussée antichambre, salon, salie a manger, office et dégagement, plusieurs salons et chambres a chacun des deux étages" waarboven mansardekamers en zolders; de kelderverdieping bevat verder een portiersverblijf, een ruime keuken, voorraadkamer, waskelder en wijnkelders. Achteraan bevinden zich een paardenstal, wagenhuis en zadelkamer met bovenverdieping en zolder. Het huis is modern uitgerust met "cabinets a l'anglaise", is aangesloten op de gasleiding en is verzekerd van een "concession perpétuelle " van stadswater (10). De nieuwe eigenaar is Jeanne Luig, handelaarster en van Pruisische afkomst. Jammer genoeg geeft de verkoopakte niet de minste
d,
I) 11!' |J,.r
•
MttM
aanduiding of de uitmonstering die we nu kennen op dat moment al bestaat. Alleen een vergelijking met het buurhuis laat ons besluiten dat dit al het geval moet zijn. Jeanne Luig, die voordien in dienst was bij een kanthandelaar afkomstig van haar geboortestreek, richt in het huis aan de Wolvengracht haar eigen kantatelier in. Ze bouwt in 1887 op de binnenkoer een beglaasde gaanderij die het voorhuis rechtstreeks verbindt met het bijgebouw, waar ze haar atelier onderbrengt (11). Na de Eerste Wereldoorlog ondergaat het huis weer veranderingen. Men verplaatst de hoofdtrap en doorbreekt de straatgevel op het gelijkvloers met brede puien in functie van de nieuwe bestemming als drankhuis onder de naam Prince de Galles (12). Later nog, en tot voor kort, was daar de boekhandel Castaigne gehuisvest.
HET HUIS FISCHER Op de hoek van de Wolvengracht en de Zilverstraat is van het einde van de 17de eeuw af een kroeg of
M&L
53
herberg gelegen met de naam Croix Blanche (13). Vermoedelijk rond 1767 palmt de uitbater ook het huis in met het huidig nummer 36 (14). Het hotel "l'un des plus anciens de la ville, dans une des plus belles et des plus favorables situations ", naar een verkoopsbericht (15) in 1843, was naderhand Hotel d'Angleterre gaan heten. Het wordt verkaveld en door notaris Jacobs verkocht op 13 oktober 1843 (16). Plafond van het salon Wielmaecker. De gemaroefleerde schilderingen rond de centrale rozet stellen allegorieën van de kunsten voor (foto 0. Pauwels
Edouard Fischer verwerft het huis met het huidig nummer 36, terwijl het hoekperceel (met de Zilverstraat) gekocht wordt door een vereniging van notarissen die er een openbare verkoopszaal wil in onderbrengen (17). De aanwinst van Fischer staat beschreven als "une partie dudit hotel composée également de différentes chambres (...)de deux
4^
cours avec citerne, laverie et autres dépendances ", naast een paardenstal en wagenhuis aan de Zilverstraat (18). Voor het huis Fischer is geen bouwaanvraag bewaard gebleven. Dankzij een schets van het kadaster weten we wel dat het volledig nieuw werd gebouwd in de jaren 1843-1845 (19). Edouard Fischer, geboren te Brussel in het jaar VII (1807), behoort tot een gegoede familie met belangen in de industriële wereld (20). Zijn vader is geboortig van Fleurus, zijn moeder van Mons. Zijn broer Firmin Fischer is spoorwegingenieur en brengt het in 1861 tot gemeenteraadslid van Brussel (21). Edouard zelf vindt men vanaf 1840 vermeld in het jaarboek der vrijmetselaars. Hij staat geboekstaafd als verificateur bij het Ministerie van Oorlog en als afgevaardigde van de loge van het Groot Oosten La Bonne Amitié in Namen (22). Rond 1842 woont hij
«ifr^/
^s^afe^togi^D
'l/--:7
r
r
.>I|S1|I'!|1.| MllülP fil
: **»?* •
•BBBBMBBBSS^^^^v:
•
I >|%k Vv
f
54
M&L
JOSEPH SEGERS 1813-1890 Leven en werk van deze architect, ontwerper van het huis nummer 34 aan de Wolvengracht, zijn niet al te best gedocumenteerd. Hij is op 13 juni 1813 in Lebbeke geboren als Joseph Van Boxelaer "genaamd Segers" en op 22 december 1866 wordt hem toegestaan uitsluitend dit laatste patroniem te gebruiken (1). Naar alle waarschijnlijkheid liep hij in zijn jeugd school aan de Academie voor Schone Kunsten te Brussel. In de jaren 1840 was hij tenminste één van de eerste voorzitters van de Sociélé Palladia, een vereniging van studenten architectuur aan deze academie, een voorloper van de huidige Société Centrale d'Architecture de Belgique (2).
*
y
Verder staat vast dat Segers verschillende opbrengsthuizen ontwerpt in het Brusselse stadscentrum (3) en dat hij eveneens werkzaam is in Sint-Joost-ten-Noode, gemeente waar hij op wisselende adressen verblijft (4). Zo is onder meer een tekening bewaard van de gevel die Segers tekende voor het huis van de schilder Madou, aan de Grensstraat in deze gemeente (5). Zoals voor het huis Wielmaecker aan de Wolvengracht, blijft Segers voor deze architectuur trouw aan het neoclassicisme. In 1846 tekent hij de plannen voor een bazar "in de genre van het Parijse Palais-Royal", maar in werkelijkheid eerder een gewaagde combinatie van een phalanstère en een winkelgalerij. De initiatiefnemer van dit project, Franjois Jalheau, heeft het in La Revue Démocratique over de gemeenschappelijke keukens, over het verwarmen van de circulatiegalerijen in de winter, over de kinderkribben en bewaarscholen die het mogelijk moeten maken dat moeders zich ofwel een lucratieve bezigheid ofwel gewoon rust kunnen veroorloven; in de kelders zullen stoommachines energie produceren voor alle bewoners en men verkoopt ook beweging (mouvement) zoals men vandaag licht verkoopt; via mechanische systemen, voorlopers van de lift, zullen bezoekers de salons op de hoogste verdieping bereiken, die voorzien zijn van terrassen met uitzicht op de binnentuin met zijn fonteinen - ingenieur Le Hardy de Beaulieu belooft waterstralen van 120 voet hoog -, en tenten die voor een riant karakter en een nagenoeg Oosterse charme zullen zorgen (6). •
<StL.,
In 1866-1867 bouwt Joseph Segers het Molièretheater aan de Bolwerkstraat te Eisene met bijhorend café-restaurant, stapelhuis voor decors, en artiestenloges. De geveltekening is nu meer dan
1
vroeger eclectisch beïnvloed (7), Hetzelfde kan gezegd worden van een ander werk van zijn hand, de in 1874 ontworpen school in de Vaartstraat, op dat moment één der belangrijkste schoolgebouwen in de stad. De gevel is van bak- en natuursteen en de smalle speelplaats heeft rondom lopende gaanderijen (8). Verder heeft Joseph Segers zich ook beziggehouden met stedebouwkundige problemen: zo zijn van hem twee plannen bewaard over de onderlinge verbinding van de verschillende stadswijken (9).
2
3
1. Ontwerp van het hoekcomplex Grétrystraat 55-55A/Kleerkopersstraat 23-31 uit 1857 (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 11653) 2. Ontwerp van het hoekcomplex Arenbergstraat 2/Warmaesberg 1-3 uit 1859, waarvan het hoekpand zelf reeds in 1875 werd gesloopt en wederopgebouwd (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 6660) 3. Ontwerp van twee gesloopte panden in de Broekstraat uit 1848 (Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 15624)
M&L
55
Zijn zoon Guillaume en zijn schoonzoon Edouard Parys waren eveneens architect; Guillaume Segers, geboren in oktober 1849 was één der stichtende leden van de Société Centrale d'Architecture de Belgique (\Q).
in Brussel, Arenbergstraat 11 (23) en is van dan af rentenier. Naast logebroeder is Fischer ook nog aangesloten bij de Cercle artistique et littéraire, bij de Société de la Loyauté en bij meerdere filantropische kringen (24). In 1872 zit hij de Opperste Raad van België voor, maar datzelfde jaar bezwijkt ook hij aan een slepende ziekte. Hij wordt begraven in Mons (25).
EINDNOTEN
(1) SAB, petitieregister van 1866, nr. 10 (2) L'Emulation, 1890, kol. 52. Zie ook Statuts d'une société fondée Ie Ier janvier 1841 par les élèves de la classe de composition d'architecture de l'Académie royale des Beaux-Arts de Bruxelles sous la denomination de Société Palladia, Bruxelles, 1844. (3) Broekstraat, Greepstraat, Grétrystraat en Adolph Maxlaan, zie ook index in Bouwen door de eeuwen heen in Brussel, deel 1 C, Liège, 1994. (4) Joseph Segers woont volgens gegevens in de Almanach du Commerce, in 1851 in de Middaglijnstraat nr. 30, in 1873 in de Tweekerkenstraat nr. 20 (nadien gewijzigd in 22). In de bevolkingsregisters staat hij voor 1846 vermeld als verblijvend in nr. 22 Jozef II-straai. en tenslotte bij de geboorte van zijn dochter (SAB, 1858, nr. 1899) woont hij op nr. 19 in dezelfde straat, nog steeds in Sint-Joost-ten-Noode. (5) Gemeentenarchief Sint-Joost-ten-Noode, TP nr. 48,1847. (6) JALHEAU F., Un Palais Royal a Bruxelles, overdruk uit La Revue Démocratique, Brussel, 1846. (7) ARB, Handgeschreven inventaris, nr. 7873 en 7652,1 tot 11. Een beschrijving van het theater vindt men in Guide Emmanuel, 1877, Olla Podrida Bruxelloise, premier service, Brussel, s.d. (8) NARJOUX F., Les écoles publiques, construction et installation en Belgique et en Hollande, Paris, 1878. Met dank aan Jo Braeken voor deze bibliografische inlichting. (9) SAB, pp. 680 en 694. (10) MART1NY V.G., La Société Centrale dArchitecture de Belgique depuis safondation, in Cahiers Bruxellois, XV11, 1972, Brussel, 1973.
Firmin Fischer erft het huis aan de Wolvengracht maar stelt het op 29 oktober 1872 openbaar te koop bij notaris Grosemans. De familie Van Vreckom wordt de nieuwe eigenaar (26). Het verkoopbericht beschrijft het meubilair (27): salon- en slaapkamermeubels in zijde en fluweel, spiegels, klokken, luchters, meubels van mahonie, beddegoed, tapijten, piano, brandkast, marmeren beeldjes, drie rijtuigen en ongeveer 2000 flessen wijn van diverse soorten. In het lastenboek van de verkoop anderzijds is er sprake van een rentenierswoning (...) met inrijpoort, bevattende twee verdiepingen, zolders en mansardekamers, een souterrain; hebbende een binnenplaats, tuin en een gebouw met bovenverdiepingen eveneens met een inrijpoort langs de Zilverstraat; paardenstallen, wagenhuizen in een achtergelegen gebouw alsook nog een ander gebouw links van de gezegde binnenplaats, bevattende een vertrek dienstig als bibliotheek en een kamer erboven. Het vermeldt bovendien dat alle spiegels die het huis verfraaien, behalve die op de penanten, de beeldjes in de nissen en vazen op de overloop van de trap van de eerste bovenverdieping (...) alsook alle haarden en de bibliotheek eigendom blijven van de verkoper (28). De verkoopberichten expliciteren verder nog dat het huis op de eerste verdieping een rijk gedecoreerd salon bezit evenals een gebeeldhouwde houten trap (29). De kopers bewonen het huis evenwel niet zelf. In 1873 geven ze architect Adolphe Samyn de opdracht een éénlaags gebouw dienstig als bureau te bouwen op de binnenplaats van het huis. Maar in december 1880 al wordt het gebouw opnieuw openbaar te koop aangeboden (30). Jeanne Luig zal dit pand verwerven, maar pas in 1897, met de bedoeling haar ernaast gelegen kantatelier uit te breiden. In 1898 verhoogt zij het huis met één bouwlaag en verbreedt ze het om zodoende het achterhuis van nummer 34 te bereiken. We veronderstellen dat ook de hoger vermelde verbindingsdeur tussen beide salons bij die gelegenheid werd gestoken (31).
56
M&L
Salon Wielmaecker. De kleurstelling met schildpad-, ebbenhout- en messingimitatie is geïnspireerd op Boullemarquettenewerk (foto 0. Pauwels)
het decor van twee salons op de bel-etage van beide panden, die met hun uitbundige ornamentatie een ander tijdperk lijken aan te kondigen. Het Wieimaecker-salon heeft een polychrome kleurstelling met rood en zwart als dominanten, geïnspireerd op Boulle-marquetteriewerk. De met behangpapier beklede panelen die de wanden ritmeren en de vakken die de zolder indelen, zijn afgeboord met omlijstingen in schildpadimitatie, nog benadrukt met profielen in nagebootst ebbenhout en messing. Onder de plafondlijst loopt een fries van vergulde putti, de armpjes gekruist, die als consoles dienst doen. De gordijnroeden en de omlijstingen van de penantspiegels tussen de vensters zijn versierd met zware vergulde bloemen. Het medaillon in het midden van de zoldering wordt gedragen door vrouwelijke meerminnen. Het is rondom geflankeerd door zolderstukken van gemaroefleerd doek met afbeeldingen van bloemruikers afgewisseld met voorstellingen van de allegorieën der kunsten. Een overdaad aan kleine figuurtjes versiert de deur- en vensterklinken en ook de balusters van de eretrap.
DE SALONS
Salon Fischer. Neo-renaissancerolwerk bevolkt door putti, maskers en medaillons (foto O. Pauwels)
Ondanks veranderingswerken in de jaren '20 bezit het huis Wielmaecker aan de Wolvengracht 34 nog een vrij evenwichtige neoclassicistische voorgevel en een fraaie inrijpoort. Het buurhuis Fischer op nr. 36 daarentegen zijn de opeenvolgende wijzigingen zowel uitwendig als inwendig goed aan te zien, en de verhoging van het volume heeft ook de gevel ingrijpend aangetast. Het gedepouilleerde karakter van deze nog ten volle neoclassicistische gevelarchitectuur contrasteert met
Het Fischer-salon is verfraaid met gestuct reliëfwerk in een heldere kleurstelling van overheersend wit en goud. De deuren gehoogd met moulures en bustes in neorenaissancetaal zijn bekroond met putti. Ze dragen attributen die traditioneel geassocieerd zijn met de vrijmetselarij: T-lat, winkelhaak, hamer en kompas. Ook het motief van de pelikaan die zijn jongen voedt verwijst allicht in dezelfde richting, meer bepaald de graad van rozekruiser (32). Kariatiden met gekruiste armen flankeren de muurpanelen en de spiegels en in de bekronende wapenschilden prijkt de letter F. Ook in dit salon is de plafondlijst geritmeerd door consoles in de vorm van putti. Het plafond zelf is van reliëfs voorzien: opengesneden granaatappels, vrouwenhoofdjes, kinderfiguurtjes met wijnranken. De schouw is imposant en van witte marmer, geschraagd door twee figuurtjes, het ene met een vogel in de hand, het tweede met bloemen, en versierd met groteske maskers op het entablement.
DATERING Hoe goed we gedocumenteerd zijn over de opeenvolgende eigenaars en de bouwgeschiedenis van beide panden, zo weinig laten diezelfde bronnen los over de ontstaansgeschiedenis van de twee salons. De ma^nnieke attributen en de aanwezigheid van de letter F in het tweede salon wijzen ongetwijfeld in de richting van Edouard Fischer, en maken dus
58
Plafond in het salon van het hotel Goethals, door Jean Pierre Cluysenaar uit 1847, versierd met verwante neorenaissancearabesken (CastermansA., Parallèle des maisons, Dl. 2, pi. 67)
M&L
een datering tussen 1843 en 1872 mogelijk. Voor het eerste salon ontbreekt zelfs een dergelijke aanwijzing. In het algemeen is de kennis over met name het privé-interieur in België uit de jaren 1830-1870, periode die samenvalt met de regering van Leopold I, nog zeer gering. In het architectuuronderzoek rond dit tijdvak eisen het beginnende eclectisme en de vroege neogotiek, die zich in hoofdzaak in de openbare en de religieuze architectuur manifesteren, nog de meeste aandacht op. De privé-architectuur lijkt op schaarse uitzonderingen na langere tijd voort te bouwen op het doorlevende neoclassicisme. Dat deze vaststelling wordt ingegeven door de aanblik van een uniforme, tot volledige stadskwartieren strekkende gevelarchitectuur, wordt ook door de twee panden aan de Wolvengracht uiterlijk niet tegengesproken. Eerder zeldzaam - zeker in stedelijk milieu - zijn de woonhuizen die de nieuwe modes, zij het neogotiek, neorenaissance of Louis-Philippe, ook doortrekken tot de fa9ade. Dergelijke fiorituren lijken voorbehouden voor buitenhuizen, dienstge-
bouwen en vermakelijkheden op het platteland, die een pittoreske tot zelfs exotische noot minder schuwen. De studie van het privé-burgermansinterieur - minder toegankelijk, sterker aan modes onderhevig en al bij al minder spectaculair - blijft voor deze periode wat ten achter op de 'grote' architectuur. In dezelfde zin zijn de historische bronnen met betrekking tot deze thematiek eerder zeldzaam. Afgezien van de aan de neogotische beweging gelieerde periodieken vormt het Journal de l'architecture et des arts relatifs a la construction, later herdoopt tot Journal beige de l'architecture et de la science des constructions, dat van 1848 tot 1856 verschijnt, het enige Belgische architectuurtijdschrift uit die periode. Het stelt zijn kolommen echter zelden of nooit open voor interieurdecoratie, een opmerking die zeker in de beginjaren evenzeer geldt voor het toonaangevende Franse tijdschrift Revue générale de Varchitecture et des travaux publics, dat van 1840 tot 1890 wordt uitgegeven door César
M&L
59
, * ' l . l i . i . i . li ' » - . ^ i . < . ' . »••.
> ' . » i H . i . i i . l . i < 8 , i . v » , « . i . ' • • • •., Vl»lftlSS. 1 *Hi-g<Hi.i > <i^.liaiiH».
• I »'l KI «• M « H «I! 1' 1 « , !• • 1.- .
Vergelijkbare putticonsoles in de bibliotheek van hetzelfde hotel Goethals (Castermans A., Parallèle des maisons, Dl. 2, pi. 82bis)
Daly. Het Duitse Architectonisches Skizzenbuch daarentegen, een periodieke uitgave uit 1852-1887 die vanaf 1860 ook in Franse vertaling verschijnt als L'Architecture allemande, toont in bonte kleurlitho's veelvuldig eigentijdse interieurs. Een gelukkige uitzondering vormt de Parallèle des maisons de Bruxelles et des principales villes de la Belgique construites depuis 1830jusqu'a nos jours door Auguste Castermans, dat van 1852 tot 1865 in afleveringen verschijnt bij E. Noblet te Luik. Naar het voorbeeld van gelijkaardige Franse publicaties zoals de Parallèle des Maisons de Paris construites depuis 1830jusqu'a nos jours door Victor Calliat uit 1850, presenteert Castermans een gevarieerd overzicht van in hoofdzaak de privé-architectuur van zijn generatie, als manifestatie van de eigenheid van de 'Belgische' architectuurschool. Naast eigen ontwerpen van Castermans vinden we de namen terug van onder meer Jean Pierre Cluysenaar, L. Demany, Louis Roelandt, Pieter Dens, Hendrik Beyaert, Lambert Blandot en Fernand Hompus.
Gevels en interieurs krijgen hier een gelijke behandeling, met opstanden en een keur aan detailtekeningen. Men zou een parallel kunnen trekken tussen het salon van het huis Fischer en het luxueuze interieur van het aan de nieuwe boulevards gelegen hotel Goethals in Brussel, dat Jean Pierre Cluysenaar in 1847 realiseerde, en door Castermans uitvoerig werd gepubliceerd. Daar ook trof men onder de plafondlijst een gelijkaardige fries van putti aan en een schouw die deze van de Wolvengracht oproept (33). Helaas is het hotel Goethals verdwenen en daarbij dus ook het studiemateriaal dat een grondiger vergelijking had mogelijk gemaakt. Maar ook andere, vermoedelijk toch min of meer gelijktijdige voorbeelden uit Castermans, zowel zijn eigen ontwerpen voor een woning te Luik, als woningontwerpen van A. Thiron, L. Demany en G. Umé van wie ook de Luikse Société Littéraire is opgenomen, tonen een nauwe verwantschap met het Fischer-salon. Telkens wordt de decoratie gekenmerkt door een zelfde hybriede combinatie van onorthodoxe neorenaissan-
M&L
^
&?«
•
m •
«
Bgr^g^^g C i g r - r r ^ gp
M&L
61
Salon Fischer. Marmeren schouw met putti, rankwerk en maskerkop in neorenaissancestijl (foto 0 . Pauwels). Auguste Castermans' Parallels des maisons... levert tal van vergelijkbare tot nauw verwante voorbeelden van ornamentiek. De opstand van een slaapkamer in J.P. Cluysenaar's hotel Goethals toont een putti-fries die zowel in het Fischer- als in het Wielmaeckersalon in verwante vorm voorkomt (Castermans, o.c. Dl. 2, pi. 84). Deurbekroningen en een schouw van een Luikse woning door L. Demany zijn vergelijkbaar met deze van het Fischer-salon (Castermans, o.c. Dl. 1, pi. 68)
ce-ornamenten, met de speelse lichtheid van arabesken, eigen aan de Louis-Philippe-stijlperiode. Deze worden bevolkt door een overdaad aan putti, maskerkoppen, medaillons en portretbustes in 16deeeuws kostuum. Met een gevoel voor 'horror vacui' worden schouwen, deurpanelen, lijstwerk en plafond overdekt door in elkaar grijpende decoratieve patronen. Typisch is de nadrukkelijke, geometrische compartimentering van de plafonds rond een rijker uitgewerkt middendeel. Argumenten genoeg die ons toelaten de decoratie van het Fischer-salon alleszins op stilistische gronden in diezelfde jaren 1840 bouwperiode van Wolvengracht 36 - of toch kort daarna te dateren. Het salon van het huis Wielmaecker vertoont voor wat de ornamentiek van het stucwerk betreft, nauwelijks afwijkingen met het Fischer-salon en de aangehaalde voorbeelden uit Castermans en dit tot in de details, wat een gelijkaardige datering toelaat. Enigszins misleidend is hier wellicht de zo typerende.
M&L
somptueuze kleurstelling en met name de 'Boulle'imitatie. Deze lijkt eerder te behoren tot de latere stijlperiode van het Second Empire, te dateren in de jaren 1860, doch dit is slechts een veronderstelling. Hetzelfde geldt voor de gemaroufleerde schilderingen. Vergelijking met interieurvoorbeelden uit César Daly's L'architecture privée au XlXe siècle sous Napoléon III. Nouvelles maisons de Paris et des environs, dat vanaf 1864 in drie reeksen met in totaal acht volumes werd gepubliceerd, wijst nochtans in dezelfde richting.
(6) (7) (8)
(9)
(10) (11) (12) (13)
BESLUIT
(14) (15)
Tot nog toe kon geen van beide salons aan een nauwkeurig onderzoek naar materiaalgebruik of techniek worden onderworpen, onontbeerlijk om het ensemble behoorlijk te duiden, laat staan om de ontwerpers of uitvoerders te detecteren. Daarnaast dringt zich een vergelijkende studie op met andere, bij voorkeur dateerbare 19de-eeuwse interieurs in het Brusselse of elders, niet alleen om deze twee voorbeelden met enige precisie te situeren, maar vooral om in bredere zin onze kennis over de interieurkunst uit deze periode bij te stellen en te vervolledigen. Zolang blijven dergelijke decoraties van herenhuizen met teloorgang bedreigd. Onbekend maakt onbemind. De salons Fischer en Wielmaecker aan de Wolvengracht zijn een goed voorbeeld van een blijkbaar bij toeval haast ongeschonden interieurensemble uit het tijdvak van Leopold I. In elk geval zijn ze een kostbare bron voor de iconografie en de decoratietechniek in die jaren. Dit artikel wil geenszins uitsluitsel geven over de interieurkunst uit deze periode. Ook voor een voldragen kunsthistorische situering waren de onderzoeksmogelijkheden ter plaatse te beperkt, en is in bredere zin de stand van het onderzoek naar deze materie te weinig gevorderd. Een signalement is het wel, een oproep tot inventarisatie van de burgerlijke binnenhuisarchitectuur uit het midden van de 19de eeuw des te meer.
(16) (17)
(18) (19) (20)
(21) (22) (23) (24) (25)
(26)
(27)
(28)
(29)
EINDNOTEN (1)
(2) (3) (4) (5)
Stadsarchief Brussel (SAB), Openbare Werken (OW) 11435, 1847 en de verkoopakte Algemeen Rijksarchief Brussel (ARB), Notariaat, notaris De Doncker, 1847, inventaris 256. SAB, Bevolkingsregisters. Het huis draagt nummer 653 van Sectie V tot in 1813, en daarna nummer 662; in 1842 wordt het nummer 50. ARB, Notariaat, notaris De Doncker, 1847, inventaris 256. L 'indicaleur beige ou guide commercial et industriel pour l'année 1840. Brussel, 1840 vermeldt zijn beroep. SAB, Geboorteakte jaar VI, nr. 1579. Bourgeois is lid sedert 1811 en Wielmaecker vanaf 1834. Zie Assemblee extraordinaire de la Société de la Loyauté du
(30) (31) (32) (33)
20 mai 1819 pour son installation dans son nouveau local dit "Maison du Roi", Brussel, 1819 en Reglement de la Société de la loyauté. Brussel, s.d. Zie eindnoot I. Overlijdensakte, SAB, nr. 266,1850. SAB, Geboorteakte, 1821, nr. 1638. Bevolkingsregisters 1866, nr. 48 nadien 30 van de Wolvengracht, en Almanak du commerce et de l 'industrie, Brussel, 1851. SAB, Bevolkingsregister 1876, Wolvengracht nr. 30, nadien 34, vermeldt zijn dood op 27 april 1888 in Parijs, XVIde arrondissement. Hypotheekbureau, nr. 25,27 oktober 1880. SAB, dossier OW, 1878. SAB, dossier OW, 36368,1930 en 36319, 1930. Cijnsboek van 1681, geciteerd door A. HENNE en A. WAUTERS, Histoire de la vitte de Bruxelles, deel IV, Brussel, 1969 (heruitgave van het origineel van 1845). ARB, Notariaat, notaris Cheval, 1816, inventaris 38. Verkoopsaankondiging in L'Indépendance beige, 30, oktober 1843. Hypotheekbureau, 7 december 1843, deel 1081, nr. 2. Oprichting van de Vereniging op 29 december 1843 voor notaris Coppijn; ARB, Notariaat, notaris Coppijn, 1843, inventaris 330. Zie eindnoot 16. Kadaster 1845 schets 5, en 1848 schets 5. Zijn geboorteakte jaar VII, nr. 511 in SAB. Voor de financiële situatie van de familie, zie de minuten van notaris De Doncker, ARB. Bulletin communal de Bruxelles, 1861, p. 3, zitting van 1 januari 1861. Amuaire magomique du Grand Orient de Belgique pour /'a/mee 5840, Brussel, 1840. SAB, Bevolkingsregister 1842. Cercle artistique et littéraire, Statuts, règlements, liste de membres effectifs,BTüise\, 1849. Bulletin des travaux du Suprème Conseil de Belgique, 18721873, zitting van 30 oktober 1872; Bulletin des travaux du suprème Conseil de Belgique, 1909, nr. 53. necrologie in L'lndépendace beige, 25 augustus 1872. Meester Lefèbre, huidig bewaarder van de minuten van notaris Grosemans bezorgde een afschrift met plan, waarvoor we hem hier ten zeerste danken. L'Indépendance beige, 17 november 1872: "meubles de salon et de chamhre a coucher, en soie et velours, glaces, pendules, lustres, meubles en acajou, literies, tapis, piano, coffre-fort, statuttes en marbre" en ook "trois voitures et environ 2000 bouteilles de vin divers". Hypotheekbureau, deel 3655, nr. 3, dd. 22 november 1872: "maison de rentier.... avec entree cochère, composée de deux étages surmontés de greniers et mansardes, avec souterrains; ayant cour, jardin, et batiment a étages, également avec entree cochère donnant vers la rue d'Argent; écuries, remises dans un arrière-bdtiment, ainsi qu'un autre batiment a gauche dans la dite cour, comprenant une pièce d l'usage de bihliothèque surmontée d'une chambre" en verder "toutes les glaces ornant la propriété sauf celles formant trumeaux, les statuettes dans les niches et autres vases au palier de l 'escalier au premier étage... ainsi que tous les foyers et la bihliothèque". "Salon richement décoré au premier étage" en "escalier en bois sculpté". Het bericht verscheen in L'Indépendance beige, dd. 20 oktober 1872, Feuille générale d'Avis et d'Annonces dd. 15 oktober 1872 en in Journal de la Belgique dd. 27 oktober 1872. In verband met Samyns opdracht: SAB, dossier OW 6684, 1873; voor zijn biografie zie L'Emulation, 1903, kol. 12. SAB.OW 11428,1898. LIGOU D., Dictionnaire universel de la franc-mapmnerie, deel II, 1974. Zie ook J.A.L., Physionomie de quetques maisons particulières, l'Hötel Goethals, in La Renaissance, Chroniques des arts etdelalittérature,]a.at%3.ng 12, 1850.
M&L
63
SUMMARY THE WATERING MEADOWS OF LOMMELKOLONIE Around the 1850's, a number of engineers, inspired by existing irrigation techniques in Northern Italy, designed an irrigation system with a view to improve agriculture in the heathland of the Campines in the provinces of Antwerp and Limburg. This is a practically flat area with an acidulous, barren soil. The projects became possible thanks to the Zuid-Willems canal, put into use as of 1825, and the Campines Canal from Bocholt to Herentals, started in 1843 and finished in 1855.
Thanks to years of irrigation with calciferous, moderately rich Meuse water, a number of rare plants, typical for a limy soil, appeared and prospered in these meadows, plants which otherwise would never have grown in the barren sandy soils of the Campines. The interaction between the original, acidulous Campines sandy soil and the watering with the calciferous Meuse water resulted in a great variety of plants. Of all plants which can be found here, some 200 are no longer widespread in Belgium and several others are quite rare. The vegetation of these meadows is even unique in the whole of Western Europe.
The irrigated meadows were limited to the immediate environment of these waterways on the Campines plateau and the plains near Bocholt. In Europe, they are unique in their kind.
In these meadows plants can be found which are extremely rare for the Campines phytogeographic district, survivals of the sowing of Central European grass species, originating from the Alps, during the planning of the meadows.
Some watering systems have been more or less preserved until now. As a cultured landscape they are internationally acknowledged for their unique topography, flora and fauna.
Evenly remarkable is the presence of plants which are typical of the Meuse valley, the Haspengouw region and the Ardennes, and which were transported here with the Meuse water.
The watering meadows in Lommel-Kolonie, exceptionally vast with a surface of 230 ha, is practically the only one in Northern Limburg where the two irrigation systems, i.e. the original total watering and the more recent, simplified system based on infiltration, are preserved alongside each other, thanks to a quite intensive maintenance.
The aesthetical value of the landscape is determined by the contrasting environment where mainly large areas of heathland, forests, habitation and industry alternate.
This cultured landscape is a witness of the tough living conditions in Flanders in het middle of the 19th century. Never before had the landscape of the Campines been altered so drastically, yet not destructively.
Colofon bij artikel "De luister van polychromie : twee eclectische salondecoraties te Brussel, onderaan pg. 62.
Anne de Bardzki is kunsthistorica, afgestudeerd aan de Ecole du Louvre. Momenteel volgt zij het postgraduaat Monumentenzorg aan het Center for the Conservation of Historie Towns and Buildings R. Lemaire, K.U. Leuven. Vertaling Chris De Maegd, Afdeling Monumenten en Landschappen. Jo Braeken is kunsthistoricus en wetenschappelijk medewerker aan de Afdeling Monumenten en Landschappen.
Auteurs:
Anne-Marie Delepiere en Suzanne Van Aerschot-Van Haeverbeeck Claude Delacroix-Vandalle en Pierre-Louis Laget Foto's:
Oswald Pauwels Philippe Dapvril, Olivier Marlard en Pierre Thibaut
Formaat 29,7 x 21 cm 128 pagina's op kunstdrukpapier 135 gr, kleurendruk Algemene historisch-geografische inleiding met 29 afbeeldingen, vergelijkend beeldgedeelte met 219 illustraties. Plaatsnamenregister en overzichtskaart prijs: 950,- bfr.
Verkrijgbaar: Afdeling Monumenten en Landschappen Pers en Voorlichting Zandstraal 3-1000 Brussel - Tel. (02)209 27 36 - Fax (02)209 27 05 Rekeningnummer 091-2206040-95 Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap AROHM, Afdeling Monumenten en Landschappen D/1995/3241/65 ISBN 2-908271-17-6 Dit werk verschijnt gelijklopend in het Frans met dezelfde illustraties en titel: Flandre, entre Yser et canal de Furnes (Images du Patrimoine, ISSN 0299-1020), Inventaire General Spadem 1995)
1
n
1"