Milieuhandhavingsrapport 2012 Afdeling Milieu-inspectie
MI • Milieuhandhavingsrapport 2012 van de afdeling Milieu-inspectie
lne
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Koning Albert II - laan 20 bus 8 - 1000 Brussel Telefoon: 02 553 80 11 - Fax: 02 553 80 05 - info@lne.be - www.lne.be
lne
Inleiding Inhoud
03 04
Deel 1 : De afdeling Milieu-inspectie
07
Deel 2 : Het jaar in cijfers
35
Deel 3 : Nieuwe uitdagingen
43
Bijlagen
91
Inleiding De afdeling Milieu-inspectie (MI) bericht jaarlijks in het milieuhandhavingsrapport over de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van haar milieu-inspecties. Dit rapport is daarmee uitgegroeid tot een belangrijke schakel bij de volledige implementatie van de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). Dat dit rapport noodzakelijk is, wordt al duidelijk in de omschrijving van het doel van de aanbeveling: er zouden milieu-inspecties in de lidstaten moeten worden uitgevoerd volgens minimumcriteria met betrekking tot de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en bekendmaking van de resultaten van de inspecties, om in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een meer consequente uitvoering en handhaving daarvan. De aanbeveling stelt bovendien dat de verslaggeving over inspectieactiviteiten een belangrijke manier is om, door middel van transparantie, de betrokkenheid van burgers, ngo’s en andere belanghebbenden bij de uitvoering van milieuwetgeving te garanderen. Ze vermeldt ook dat de verslaggeving toegankelijk moet worden gemaakt in overeenstemming met de Richtlijn betreffende de vrije toegang tot milieu-informatie.
Deel 1: De afdeling Milieu-inspectie Het milieuhandhavingsrapport start met een beschrijving van de organisatie en de werking van de afdeling Ên met een rapportering over de gebruikte middelen (personeel, budget ‌).
Deel 2: Het jaar 2012 van MI in cijfers Het tweede deel van dit rapport geeft een aantal cijfers over de werklast en de activiteiten van de afdeling. Alle milieu-inspecties worden uitgevoerd op basis van een milieu-inspectieplan. Dit planmatig werken is een basisbeginsel van de aanbeveling. Zo vermeldt de aanbeveling onder andere dat om de doeltreffendheid van het inspectiesysteem te garanderen, de lidstaten erop toe moeten zien dat milieuinspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Dit deel geeft een cijfermatig overzicht van de uitvoering en de resultaten van dit plan.
Deel 3: Nieuwe uitdagingen Het milieuhandhavingsrapport besluit met het voorstellen van de resultaten van het Milieu-inspectieplan van 2012, met name de resultaten van de acties en projecten per milieuaspect.
Inleiding -
3
Inhoud Inleiding
3
Deel 1: De afdeling Milieu-inspectie 7 Organisatie
9
Situering van MI 9 Opdracht 10 Bevoegdheden 11 Interne structuur 12
Werking
15
Strategische en operationele planning 15 Het milieu-inspectieplan (MIP) 17 Waarom een milieu-inspectieplan? 17 Doelstellingen van het MIP 17 Totstandkoming van een MIP 17 Het MIP 2011 18 Samenwerking en overleg 20 Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM) Samenwerking binnen de Vlaamse Overheid 21 Samenwerking met lokale overheden 22 Samenwerking met federale overheden 23 Internationale context 24 Integrale kwaliteitszorg 25 Kwaliteitshandboek 25 Vorming 25 MIDAS 25
Personeel en middelen
20
29
Personeel 29 Aanwending van kredieten 29 Laboratoriumkosten 29 Handhavingstudies 29 Overzicht van kosten m.b.t. labocontracten, handhavingsonder zoeken en kwaliteitssysteem 29
4
Deel 2: Het jaar 2012 van MI in cijfers 35 Algemene cijfers 37 Algemene gegevens 37 Gegevens externe oorsprong 37 Vergunningen 37 Klachten 37 Voorvallen 38 Parlementaire vragen 38 Activiteiten MI 38 Inspecties 38 Monsternames en metingen Processen-verbaal 40 Verslag en vaststelling 40 Maatregelen 41
38
Deel 3: Uitvoering van het MIP
43
Evaluatie van de uitvoering van het MIP 2012
45
Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging 45 Industrie Landbouw
45 47
Water 48
Controle op de zelfcontrole en op de verwijdering van micropolluenten bij RWZI’s 48 Controle van car- en truckwashes 52 Lozen van verontreinigd hemelwater 53 Lozen van koelwater 53 Ecotoxiciteit van bedrijfsafvalwater 54 Metalen in bedrijfsafvalwater 55 In kort bestek 56
Lucht 59
Geleide emissies 59 Diffuse emissies 63 Fugitieve emissies 64 Geur 66 Gefluoreerde ozonafbrekende stoffen en broeikasgassen – controle op koelinstallaties 68 5
Afval 70 Routinemonsternames afvalstoffen, bodem en grondwater Inspecties bij biogasinstallaties 71 Inspecties asbestketen 72 Dierlijke bijproducten 73 Ketenhandhaving afvalstoffen 75
70
Bodem & Grondwater 78
Algemeen 78 Controles op grondwaterwinningen 78 Controles op geothermische installaties
80
Geluid en Trillingen 82
Routinemetingen geluid en trillingen 82 Akoestische onderzoeken 82 Het gebruik van statistische niveaus als akoestische grootheden voor het specifieke geluid. 82 Het beoordelen van hinder door middel van ‘volledige akoestische onderzoeken’ 82 De meetplaatsen 82 De meetresultaten 83
GGO’s 84 Inspectiecampagne
84
EMS-meting 85
Inleiding 85 Verloop van een meting 85 Resultaten van de metingen 86
REACH 87
De verordening 87 Samenwerkingsverbanden 87 Inspectiecampagne 2012 87 Controles van de veiligheidsaspecten van koelinstallaties op ammoniak
Bijlagen
91
Contactpersonen binnen MI 91 Gebruikte afkortingen 92 Instanties 92 (Milieu) technische termen 92 Stoffen en parameters 93 Adressen 95
6
89
Deel1: De afdeling Milieu-inspectie
Organisatie In het Vlaamse Gewest is MI het belangrijkste handhavingsorgaan voor het toezicht op de naleving van de milieuhygiënewetgeving. Dit hoofdstuk start met de situering van MI binnen de Vlaamse Overheid en binnen het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE). Daarna wordt de aandacht volledig gericht op MI met een omschrijving van de opdracht en de bevoegdheden van de afdeling. De opdracht van MI is uitgebreid en vereist niet alleen ervaring op het terrein, maar ook kennis van zaken, planning en uniformiteit. Daarom is MI opgebouwd uit een dubbele structuur: naast de klassieke verticale structuur is ook een horizontale structuur aanwezig in de vorm van werkgroepen per milieucompartiment. Verder wordt de integrale kwaliteitszorg binnen MI nader toegelicht.
Sinds 1 april 2006, met de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB), maakt MI deel uit van het Departement LNE. De situering binnen het Departement LNE en de plaats van het departement binnen het
beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie worden gevisualiseerd in onderstaande organogrammen.
9
In uitvoering van het Milieuhandhavingsdecreet oefenen de toezichthouders van MI toezicht uit op de milieuhygiënewetgeving. Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege stelt in haar beleidsnota Leefmilieu en Natuur 2009-2014 dat MI zich voornamelijk moet toeleggen op inrichtingen met een grote milieurelevantie, zoals Seveso- en GPBV bedrijven en op het ketentoezicht op afvalstoffen. Dit, uitgebreid met het toezicht op de overige klasse 1-inrichtingen, is de kerntaak van MI. Handhaving vormt het sluitstuk van een goed milieubeleid. De geloofwaardigheid van dat beleid en het bereiken van effectieve milieuresultaten hangen immers af van de mate waarin en de manier waarop de milieuwetgeving wordt gehandhaafd. MI streeft voortdurend naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij wordt bijzondere aan10
dacht besteed aan een doelmatig, uniform en sturend optreden over heel Vlaanderen. MI wil tevens een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Naast MI zijn er nog vele andere actoren betrokken bij de handhaving van de milieuhygienewetgeving. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, moeten alle instanties constructief samenwerken. In het bijzonder moeten concurrerende bevoegdheden worden vermeden. MI is actief in het vormen van netwerken tussen de instanties. Daarnaast heeft MI ook de taak om internationale contacten te leggen en om actief in te spelen op internationale vernieuwingen en tendensen. Voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie heeft MI de opdracht om de Vlaamse minister te adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Hiertoe
koppelt MI over haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Tot slot heeft MI de opdracht haar optreden en aanpak op geregelde tijdstippen kenbaar te maken en toe te lichten. Met die transparantie beoogt MI een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor de handhaving te creëren en te behouden.
MI houdt toezicht op de volgende milieuhygienewetgevingen (of delen ervan) en hun uitvoeringsbesluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest:
-
-
-
- de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging; - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging; - de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder; - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer; - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, inzonderheid titel III van 19 april 1995 betreffende bedrijfsinterne milieuzorg, titel IV en titel XV; - het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken; - het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; - het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; - de verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen; - de verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor mense-
-
-
‐ ‐ -
lijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten; de verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 97/117/EEG; de verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad; de verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen; de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen; de verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en richtlijn 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie; de verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen, vermeld in bijlage III of IIIA bij verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is; Het mestdecreet van 22 december 2006; Het oppervlaktedelfstoffendecreet van 4 april 2003; Het decreet diepe ondergrond van 8 mei 2009; Het pesticidendecreet van 8 februari 2013; Verordening (EU) Nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten 11
metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad.
MI heeft in elke provincie een buitendienst. De buitendiensten staan in hoofdzaak in voor het uitvoeren van de inspecties, het nemen van maatregelen en de voortgangscontrole bij de saneringen van de gecontroleerde bedrijven. Hun ‘ervaring op het terrein’ wordt gebruikt als input voor de terugkoppeling naar de beleidsmakers. Daarnaast zijn er drie centrale diensten in Brussel. De medewerkers van de stafdienst werken rechtstreeks onder het afdelingshoofd. Zij zorgen voor de administratieve ondersteuning van de afdeling (personeel, logistiek, financiën en ICT). De dienst toezicht zwarerisicobedrijven heeft als belangrijkste taak de planmatige en systematische controle van Sevesobedrijven. Het hoofdbestuur stuurt de werking van de thematische werkgroepen. Via deze werkgroe-
12
pen waakt het over de planning, de diepgang, de uniforme uitvoering en de integratie van de handhavingscampagnes en ondersteunt het de toezichthouders. De thematische werkgroepen vormen de horizontale structuur binnen de afdeling. Zij staan garant voor een gecoördineerde en uniforme aanpak in het hele Vlaamse Gewest. In 2012 waren er zeven werkgroepen actief: - Afval (m.i.v. een Ketenteam, verantwoordelijk voor controle op de ophaling en vervoer van afvalstoffen); - Bodem en Grondwater; - Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (GPBV Industrie en GPBV Veeteelt); - Geluid en Trillingen; - Genetisch Gemodificeerde Organismen en pathogenen (GGO’s); - Lucht (m.i.v. Geur en Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen); - Water. Een werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van elke buitendienst en het hoofdbestuur. Deze laatsten fungeren als gangmaker.
13
Werking MI heeft midden de jaren ‘90 de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. Er werd vertrokken van de bestaansreden van MI: ‘het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen.’ De missie (waar staan we nu?) is een verdere uitdieping van die bestaansreden: ‘wij als afdeling Milieu-inspectie toetsen en bevorderen de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen.’ De visie geeft aan welke organisatie MI wil zijn: ‘de afdeling Milieu-inspectie wordt dé organisatie die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving.’ De afdeling Milieu-inspectie is dus steeds in beweging, in een voortdurend veranderingsproces verwikkeld. Om van de huidige toestand (missie) tot de gewenste situatie (visie) te komen, werd er een strategie uitgewerkt. De strategie van MI werd herzien naar aanleiding van de hervorming van de Vlaamse overheid in 2006. Binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) werden een aantal nieuwe bevoegdheden opgenomen, andere
werden afgestaan. Ook werd de organisatiestructuur grondig gewijzigd. Dit had tot gevolg dat de strategische doelstellingen en de visie van het departement moesten herzien worden. Ook de verschillende afdelingen moesten hun doelstellingen en kernactiviteiten herzien, omdat deze moeten bijdragen aan de strategische doelstellingen van het departement. Daarom heeft MI in de loop van 2007 nieuwe strategische en operationele doelstellingen en kernactiviteiten vastgelegd. Een aantal kernactiviteiten geven invulling aan de dagelijkse werking van MI, een aantal zijn verbonden met tijdelijke projecten op afdelingsniveau. De verdere optimalisatie van de structuur en de werking van MI worden hierdoor gestuurd. Jaarlijks wordt het Strategisch en Operationeel Plan (SOP) van MI herzien. Vooral de operationele doelstellingen worden jaarlijks geactualiseerd om veranderingen op korte termijn te sturen (1 à 3 jaar). Deze operationele doelstellingen, opgesteld voor de hele afdeling, worden op hun beurt in cascade doorvertaald naar persoonlijke doelstellingen die worden opgenomen in een persoonlijk planningsdocument voor alle personeelsleden. Het Strategisch en Operationeel Plan 2012 (SOP 2012) van MI gaat uit van drie strategische doelstellingen voor de afdeling: 1. Handhaving van de milieuhygiënewetgeving versterken voor een kwaliteitsvol leefmilieu 2. Actieve wisselwerking met andere milieu(handhavings)actoren intensifiëren 3. Versterken van de deskundigheid
15
De kernactiviteiten en hun onderliggende processen 1. Planmatig toezicht houden en maatregelen nemen 1.1. Opstellen van het milieu-inspectieplan (MIP) 1.2. Uitvoeren MIP (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles en eigen initiatief) 1.3. Implementeren van handhavingssystemen voor Seveso, GPBV en ketentoezicht afvalstromen 1.4. Implementeren van een permanentie- en responssysteem voor oproepen, meldingen van voorvallen (incl. milieuschadegevallen) en crisissen (incl. milieu-incidenten), voor wintersmogperiodes en voor ondersteuning van ketentoezicht afvaloverbrengingen 1.5. Optimaliseren van het milieuhandhavingsinstrumentarium 1.6. Uitbouwen en beheren van een geïntegreerd informatie- en dossierbeheersysteem 1.7. Administratief ondersteunen (secretariaat, personeel, logistiek, financiën, ICT) 2. Voortrekker zijn bij de beleidsvoorbereiding, -uitvoering en -evaluatie van de handhaving (toezicht houden en maatregelen nemen) van de milieuhygiënewetgeving 2.1. Overleggen/samenwerken op intra-, inter- en supragewestelijk niveau met andere milieu(handhavings)actoren 2.2. Uitdragen van handhaving naar overige handhavers in het Vlaamse Gewest 2.3. Meten, evalueren en rapporteren: uitdragen en toelichten van de handhavingsactiviteiten en -resultaten (o.a. milieuhandhavingsrapport) 2.4. Terugkoppelen van de ervaringen uit het veld naar de beleidsmakers 2.5. Proactief toetsen van de handhaafbaarheid en hanteerbaarheid van ontwerpregelgeving 2.6. Beleidsvoorbereiding: bijdragen aan het opstellen en omzetten van Europese regelgeving 3. Versterken van de deskundigheid 3.1. Organiseren en volgen van vorming en training 3.2. Opzoeken en verwerken van juridische, milieutechnische en beleidsinformatie 4. Versterken van de organisatiebeheersing van de afdeling
Aan de processen zijn operationele doelstellingen vastgehangen met tijdshorizon en prestatie-indicatoren voor opvolging of kwantificatie van de vooruitgang die geboekt wordt t.a.v. het gestelde doel. Voor 2012 werden onder meer volgende operationele doelstellingen vastgelegd: - Organiseren en volgen van vorming over administratief ketentoezicht afvalstromen en over projectmanagement; 16
- Opzetten van een GPBVhandhavingssysteem; - Optimaliseren van het permanentie- en responssysteem voor oproepen, meldingen van voorvallen i.f.v. het Milieuschadedecreet en uitbreiden ervan met het bestaande permanentiesysteem voor wintersmogperiodes en een nieuw systeem voor ondersteuning van ketentoezicht afvaloverbrengingen; - Uitbreiden van het milieuhandhavingsinstrumentarium met nevenstromen;
- Ontwikkelen van een nieuw ondersteunend ICT systeem voor het plannen, uitvoeren en volgen van het MIP; - Na gemotiveerde vraag bijstand verlenen aan gemeentelijke toezichthouders; - Op vraag van erkende instellingen in uitvoering van het MHD opleiding geven over de beginselen van de handhaving van de milieuhygiënewetgeving aan lokale toezichthouders in spe; - Bezorgen van een evaluatie MHD/B en een evaluatie MSD aan de minister; - Toetsen met terugkoppeling aan de beleidsmakers van ontwerpregelgeving; - Inhoudelijk bijdragen aan het ontwerp van de Seveso III-richtlijn en aan de omzetting ervan; - Inhoudelijk bijdragen aan de omzetting van de richtlijn Industriële Emissies; - Meewerken aan het opstellen van een actieplan met mijlpalen en tijdslimieten n.a.v. de audit door IAVA en aan het uitvoeren ervan.
MI pakt de handhaving van de milieuhygiënewetgeving op een planmatige wijze aan. In haar jaarlijks milieu-inspectieplan probeert MI al haar inspectieactiviteiten in kaart te brengen, te begroten en de personeelsinzet ervan te bepalen.
De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan, is ervoor te zorgen dat het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving. Dit gebeurt via jaarprogramma’s voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsacties worden gepland. Essentieel is dat alle handhavingsacties worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht.
Er is ook de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige en gecoördineerde handhaving. Van de lidstaten wordt verwacht dat alle milieu-inspectieactiviteiten vooraf worden gepland en dat dergelijke inspectieprogramma’s openbaar worden gemaakt.
De doelstellingen van het MIP bevinden zich op verschillende niveaus. Op het niveau van de organisatie heeft het plan een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale en sturende aanpak van de controles tot doel. Een tweede belangrijke doelstelling richt zich op de effectiviteit van de controles. Het plan voorziet in diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles bij klasse 1-inrichtingen die (potentieel) sterk milieubelastend zijn of die ernstige risico's voor de omgeving inhouden. Bij de selectie van de bedrijven of bedrijfssectoren wordt rekening gehouden met hun milieureputatie en -verleden. Het werkvolume en de werkdruk beheersen is een derde doelstelling in de jaarplanning. MI wordt immers geconfronteerd met een groot aantal en een grote diversiteit aan te controleren inrichtingen. Een goede jaarplanning moet prioriteiten leggen en daardoor helpen om het werkvolume en de werkdruk te beheersen.
Het jaarlijks MIP is het resultaat van intern overleg waarbij alle toezichthouders van MI hun voorstellen kunnen laten horen. MI peilt daarnaast ook naar prioritaire handhavingsnoden bij andere (milieu) handhavingsactoren. De verzamelde voorstellen worden geïnventariseerd en uitgediept. Daarna worden de handhavingsprioriteiten voor het komende jaar vastgelegd. Het hoofdbestuur werkt de voorstellen uit en begroot zowel de personeelsinzet als het budget. Hierbij worden een aantal beginselen van professioneel projectmanagement toegepast: 17
doelstellingen en verantwoordelijkheden worden duidelijk vastgelegd, mijlpalenplannen worden uitgetekend, criteria voor succes worden bepaald… Het MIP wordt daarna definitief aanvaard door de staf en ter goedkeuring voorgelegd aan de secretaris-generaal en de minister.
In het MIP 2012 zijn alle handhavingsactiviteiten van de afdeling opgenomen voor dat jaar. Heel wat inspectiecampagnes kaderen in of geven ondersteuning aan projecten van het ontwerp MINA-plan 4 of geven uitvoering aan regionale, nationale en internationale verplichtingen. Het MIP 2012 geeft daarnaast uitvoering aan de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur
18
2009-2014 van Vlaams minister voor Leefmilieu, Joke Schauvliege, door bijzondere aandacht te besteden aan twee specifieke doelgroepen nl. Sevesobedrijven enerzijds en GPBV-bedrijven anderzijds en door een flink deel van de beschikbare inspectietijd te voorzien voor ketentoezicht op afvalstoffen. Ook emissiegerichte inspecties en controle van zelfcontroleactiviteiten van de bedrijven worden onverminderd verdergezet in verschillende acties van het MIP 2012. Daarnaast is er in diverse acties ook aandacht voor andere accenten uit de Beleidsnota o.a. voor de fijn stof problematiek. Het MIP is raadpleegbaar op de website van MI: www.milieu-inspectie.be.
Overzicht van het MIP 2012 Aard
Thema Titel Water B&G
- Controle op de verwijdering van micropolluenten bij RWZI's - Controle van geothermische installaties - Controle op de sortering van bedrijfsafval
Projecten
- Controle op het wegtransport van afvalstromen Afval
- Controle op de uitvoer van afvalstoffen via zeehavens - Controles in het kader van ketentoezicht - Controle op de sector van afgedankte voertuigen - Controles op de asbestverwijderingsketen - Geïntegreerde controle van GPBV-landbouwbedrijven (varkens- en pluimveebedrijven)
GPBV REACH
- Geïntegreerde controle van GPBV-bedrijven hoofdzakelijk. uit de sectoren chemie en oppervlaktebehandeling van metalen - Controles op de naleving van REACH - Controle van RWZI's - Controles op vraag van VMM
Water
- Lozing van gevaarlijke stoffen - Controle van car- en truckwashes - Lozen van verontreinigd hemelwater - Lozen van koelwater - Lozing van gevaarlijke stoffen - Uitvoering van het Seveso II-inspectieprogramma
Veiligheid
- Controle van de veiligheidsaspecten bij koelinstallaties op ammoniak - Controle van de opslag van gassen in vaste houders
Geluid Acties
Specifieke handhavingscampagnes
- Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271
B&G
Afval
- Geluid- en trillingonderzoeken - Kwaliteitscontrole akoestische onderzoeken - Controle van grondwaterwinningen - Controle van de zelfcontrole grondwater - Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten - Inspecties verwerkers organisch-biologische afvalstoffen (OBA) en mest - Controle op het gebruik van gefluoreerde ozonafbrekende stoffen en broeikasgassen - Controle van de zelfcontrole lucht - Geuronderzoeken (Maasmechelen, Bavegem, Aarschot) - Fijn stof (PM10): aanpak van diffuse emissies in 'hot spot'-gebieden
Lucht
- Emissiemetingen bij biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties - Acties ter beperking van de emissie en de verspreiding van zware metalen naar de lucht - Leak Detection and Repair (LDAR) - Controle VOS-emissies bij solventverbruikende bedrijven - Damprecuperatie fase 2 - Evaluatie van de implementatie van de stappenplannen bij schrootverwerkende bedrijven
GGO
- Controle van ingeperkt gebruik bij inrichtingen
Water
- Routine- en ad hoc monsternames afvalwater
Geluid
Routine
Afval Lucht EMS
- Ad hoc geluids- en trillingsmetingen - Routine-monsternames afvalstoffen, bodem en grondwater - Routine-emissiemetingen lucht - Ad hoc immissiemetingen lucht - Breedbandmetingen van elektromagnetische straling van zendantennes - Controle van milieuvergunningen
Exploitatie
- Controle van de zelfcontrole (met uitzondering van projecten en acties) - Controles afvalverwerkende bedrijven - Controles asbest
Reactief
- Klachten - Voorvallen - Evaluatieverslag proefvergunning - Evaluatie werkplan + andere documenten - Rapportering 'kantschriften'
Voortgangscontrole (handhavingsinstrumentarium) Eigen initiatief
19
MI werkt samen met diverse instanties om te komen tot een optimale handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Hieronder worden slechts enkele specifieke onderwerpen beschreven, met de nadruk op samenwerking die een rechtstreekse impact heeft op de verdeling van toezichtstaken tussen MI en andere instanties en op de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen. Daarnaast ontvangt MI geregeld vragen om mee te werken aan de meest diverse overlegstructuren. MI neemt hieraan deel als er voldaan is aan een aantal randvoorwaarden. Zo moet natuurlijk steeds de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving zijn gewaarborgd. Bovendien kan de expertise van MI enkel worden gebruikt als dat een reële bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu en de regelgeving in het algemeen en de handhaving in het bijzonder.
Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement; - de VHRM stelt jaarlijks een milieuhandhavingsprogramma en een milieuhandhavingsrapport op; - de VHRM creëert een kader voor coördinatie van de milieuhandhaving door middel van het voeren van systematisch overleg en het voorbereiden, afsluiten en opvolgen van milieuhandhavingsprotocollen tussen de verschillende actoren bevoegd voor milieuhandhaving (onder meer de Vlaamse overheid, de federale en lokale politie, de parketten, de gemeenten en de provincies). Naast de plenaire vergadering werden binnen de VHRM vier werkgroepen opgericht om bij‐ zondere vraagstukken te onderzoeken. Deze werkgroepen zijn: “Vaststelling en Toezicht”, Bestuurlijke en Strafrechtelijke Sanctionering”, “Informatie-uitwisseling” en “Dataverzameling, Innovatie en Kennisopbouw”. Zowel in de plenaire vergadering als in de verschillende werkgroepen is MI vertegenwoordigd.
In het Milieuhandhavingsdecreet, dat vanaf 1 mei 2009 in werking is getreden, wordt de handhavingsregeling opgesplitst in twee grote delen: het beleid en de organisatie van de milieuhandhaving enerzijds, en het toezicht, de handhavingsinstrumenten en de veiligheidsmaatregelen anderzijds. In het onderdeel milieuhandhavingsbeleid wordt een centraal adviserende en beleidsondersteunende opdracht toegewezen aan de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving (VHRM). Het bijstaan van de Vlaamse Regering bij het toezicht op de coördinatie en de inhoudelijke vormgeving van het milieuhandhavingsbeleid vat de VHRM als volgt op: - de VHRM stelt krachtlijnen en prioriteiten van het handhavingsbeleid van het milieurecht voor en geeft advies over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de handhaving van het milieurecht aan de 20
Andere gesprekspartners van de VHRM zijn vertegenwoordigers van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer, de afdeling Milieuvergunningen, het Agentschap Natuur en Bos, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, de Vlaamse Milieumaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij, de MINA-raad, de SERV, de vzw Vereniging van Vlaamse Provincies, de vzw Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, het college van procureurs-generaal en de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken.
Afstemming monitorings- en handhavingstaken Op vraag van de beleidsraad van LNE hebben OVAM, VLM, VMM en MI in 2007 afspraken gemaakt over de overdracht van gegevens tussen de verschillende entiteiten, met het oog op een betere afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s. De beleidsraad keurde deze afspraken formeel goed. De uitwisseling van gegevens betreft onder meer: - het wederzijds doorgeven van suggesties voor jaar- en meetprogramma’s; - het onderling meedelen van vaststellingen die ressorteren onder de bevoegdheden van een andere entiteit of die een reactie vragen van een andere entiteit; - het doorgeven van dossiergebonden meetgegevens aan MI ter ondersteuning van vaststellingen die worden vermeld in een procesverbaal; - het onderling doorgeven van jaaroverzichten van metingen die kunnen gebruikt worden om prioriteiten te bepalen bij het opstellen van meet- en jaarplannen; - het melden aan elkaar van calamiteiten met aanzienlijke milieu-impact; - het melden van MI-vaststellingen inzake niet aan gebruikstoelatingen conforme producten bij bedrijven die afvoeren naar de landbouw aan VLM, OVAM en FAVV. Naast een algemene jaarlijkse evaluatie van deze samenwerkingsovereenkomst zijn er op regelmatige tijdstippen ook vergaderingen voorzien om concrete inhoudelijke punten te bespreken. Met de diensten van VMM die het watermeetnet opvolgen is er jaarlijks een centraal overleg op niveau van het hoofdbestuur en gebeurt er tweemaal per jaar een decentraal overleg op niveau van de buitendiensten. Op het decentraal overleg worden ook concrete probleemdossiers besproken. In 2012 vonden twee overlegvergaderingen plaats tussen MI en OVAM. Er werd samen met OVAM ook een workshop georganiseerd
voor een beperkte groep toezichthouders van MI, met de bedoeling de krachtlijnen van het nieuwe Materialendecreet en Vlarema te verduidelijken (o.a. het onderscheid afvalstof versus grondstof).
Medewerking aan regelgevende initiatieven Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdracht van MI. Een van de manieren waarop MI die opdracht probeert te vervullen, is door medewerking te verlenen aan regelgevende initiatieven en zich zo indirect in te schakelen in de beleidscyclus. Op 1 mei 2009 traden het Milieuhandhavingsdecreet en de daarbij horende uitvoeringsbesluiten in werking. Tot de totstandkoming hiervan leverde MI een grote bijdrage. Sindsdien heeft MI met betrekking tot ontwerpteksten tot wijziging van het Milieuhandhavingsdecreet of -besluit telkens haar opmerkingen geformuleerd of zelf voorstellen tot aanpassingen aangereikt. De ontwerpteksten worden besproken in de LNE-werkgroep Milieuhandhaving, waar MI deel van uitmaakt samen met de andere afdelingen van LNE met handhavingsbevoegdheden en enkele agentschappen van het beleidsdomen. De LNE-werkgroep Milieuhandhaving, die wordt voorgezeten door AMMC, heeft als opdracht praktische vragen te bespreken over de toepassing en interpretatie van het Milieuhandhavingsdecreet en –besluit en de coördinatie en evaluatie van mogelijke wijzigingen aan de regelgeving. Ook aan het nieuwe Materialendecreet en het Vlarema (Vlaams Materialenbesluit) verleende MI de nodige medewerking, o.a. door de ontwerpteksten te toetsen inzake handhaafbaarheid en hanteerbaarheid. Wat Vlarem betreft werden, zoals de voorbije jaren, de ontwerpwijzigingen van de Vlaremwetgeving aan MI ter evaluatie voorgelegd. Ten slotte formuleerde MI vanuit haar ervaring als handhaver opmerkingen op de voorbereidende teksten rond de invoering van de omge-
21
vingsvergunning en de permanente milieuvergunning.
Het Milieuhandhavingsdecreet en de daarbij horende uitvoeringsbesluiten wijzen het toezicht op en de handhaving van de milieuhygienewetgeving bij klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten toe aan lokale overheden. Hiertoe kunnen gemeentelijke toezichthouders aangeduid worden, maar het is ook mogelijk om toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en toezichthouders van politiezones aan te duiden. Indien nodig kunnen deze toezichthouders ook bij klasse 1-bedrijven vaststellingen doen op basis van zintuiglijke waarneming en zaken onderzoeken zoals nader bepaald in het decreet. De lokale toezichthouders moeten een bekwaamheidsbewijs behalen; dat bekwaamheidsbewijs wordt hen uitgereikt nadat ze de opleiding milieutoezichthouder hebben gevolgd en ze geslaagd zijn voor de bijhorende bekwaamheidsproef. Het Milieuhandhavingsdecreet voorziet dat elke gemeente beroep moet kunnen doen op minstens één toezichthouder (uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van het decreet) en dat grotere gemeenten (met meer dan driehonderd klasse 2-inrichtingen of met meer dan 30.000 inwoners als het aantal inrichtingen onvoldoende gekend is) minstens beroep moeten kunnen doen op twee toezichthouders (uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van het decreet). De gemeente kan zich hiervoor op verschillende manieren organiseren; zo kan zij één of meerdere toezichthouders aanstellen, een beroep doen op toezichthouders die zijn aangesteld binnen een politiezone of een intergemeentelijke vereniging of opteren voor een combinatie van de twee vorige opties. Ondertussen hebben de meeste Vlaamse gemeenten een overeenkomst gesloten met de Vlaamse overheid. Deze Samenwerkingsover22
eenkomst 2008-2013 is een vrijwillige overeenkomst die een gemeente afsluit met de Vlaamse overheid op vlak van milieu, waarbij zij in ruil voor het uitvoeren van een aantal acties financiële en inhoudelijke ondersteuning krijgt van de Vlaamse Overheid. Deze acties impliceren o.a. het instellen van een centraal meldpunt voor milieuklachten, een systematisch overleg tussen verschillende diensten die belast zijn met de handhaving van milieuhinder en de behandeling van klachten (in de eerste plaats overleg tussen de milieudienst en de politiedienst en/of politiezone) en zowel proactieve als reactieve controles uitvoeren op de klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten. Een dergelijke overeenkomst laat MI toe haar volle aandacht te richten op klasse 1inrichtingen. In het bijzonder worden milieuklachten die MI ontvangt over klasse 2- en 3-inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen en vrijevelddelicten onmiddellijk naar de lokale toezichthouder doorgestuurd; ook klachten over klasse 1inrichtingen die bij MI niet gekend zijn, worden voor vooronderzoek doorgestuurd naar de lokale toezichthouder. Slechts bij uitzondering wanneer zware hinder plaatsvindt (vb. als de gezondheid van omwonenden in het gedrang kan komen, als er aanwijzingen zijn dat er schadelijke stoffen in de voedselketen kunnen terechtkomen, als er schade wordt toegebracht aan mens en/of het leefmilieu,…) én er kan aangetoond worden dat de lokale toezichthouder in gebreke blijft in klasse 2- en 3inrichtingen, niet-ingedeelde inrichtingen of vrijevelddelicten, zal MI hier zelf optreden. De milieuklachten die MI ontvangt over klasse 1-bedrijven behandelt MI zelf. Deze wijze van behandelen van milieuklachten werd vastgelegd in een interne onderrichting voor alle toezichthouders van MI. Een ander aspect in de samenwerking met lokale overheden betreft het verlenen van bijstand door MI aan lokale toezichthouders op basis van gemotiveerde verzoeken. Dit kan gebeuren door het leveren van technische assistentie, zoals bv. het uitvoeren van ge-
luidsmetingen met geavanceerde meetapparatuur in omstandigheden waar dit vereist is, maar de bijstand kan ook de vorm aannemen van een overleg met de lokale overheid over het correct opleggen en uitschrijven van bestuurlijke maatregelen of veiligheidsmaatregelen.
Gerechtelijke instanties Op het niveau van de buitendiensten onderhoudt MI individuele contacten met parketmagistraten. Deze contacten hebben tot doel om via overleg en communicatie te komen tot een efficiënte behandeling van processenverbaal. In bepaalde gevallen werd MI gevraagd om technische expertise te verlenen. De invulling van deze samenwerking kan verschillen van buitendienst tot buitendienst en van parket tot parket, maar algemeen kan gesteld worden dat er met alle parketten een vrij goed overleg plaatsvond. MI bood opnieuw stageplaatsen aan voor gerechtelijke stagiairs. Tijdens hun stage voor de functies van parketmagistraat of rechter moeten zij een tijd doorbrengen bij een aantal externe diensten. Gewoonlijk valt de keuze op strafinrichtingen, politiediensten en juridische diensten, maar ook minder voor de hand liggende diensten zoals MI zijn mogelijk. In 2012 kozen twee gerechtelijk stagiairs om een deel van hun stage bij MI te doorlopen in de buitendiensten Antwerpen en Limburg. Zo konden ze kennismaken met de inspecties op het terrein. Tijdens die inspecties kwamen allerlei aspecten aan bod, zoals monsternames, geluidsmetingen, controles van afvaltransporten, het opstellen van processen-verbaal, het geven van aanmaningen en het opleggen van bestuurlijke maatregelen. Ook de controle van de vergunningstoestand van een bedrijf en de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden en klachtenbehandeling kwamen aan bod.
Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen FAVV en MI werken vooral samen op het gebied van de dierlijke bijproducten, waar voedselketen en afvalverwerking elkaar gevaarlijk dicht naderen. De strenge Europese regelgeving hierover benadrukt trouwens de goede samenwerking tussen de verschillende bevoegde overheden. De samenwerking is sinds 2005 geformaliseerd in een Commissie Dierlijke Bijproducten waarin alle betrokken overheden in België elkaar ontmoeten om knelpunten en beleidsevoluties en -suggesties te bespreken en ervaringen uit te wisselen. De Commissie koppelt verder terug over de bevindingen van de Werkgroep Dierlijke Bijproducten van de Europese Commissie, bespreekt de aanpassing van nieuwe Europese en lokale regelgeving over dierlijke bijproducten, overlegt over praktische knelpunten bij de implementatie van de verordening en bereidt inspecties door het Europese Food and Veterinary Office voor. Zo vond er in april een Europese inspectie plaats om na te gaan hoe de Europese regelgeving met betrekking tot dierlijke bijproducten geïmplementeerd is in de Belgische industrie. De commissie werd in 2012 zes keer samengeroepen.
Samenwerking rond afvaltransporten. MI voert sinds april 2006 controles uit op afvaltransporten in de zeehavens en langs de openbare weg, meestal in samenwerking met de politie. Deze samenwerking wordt jaarlijks geëvalueerd in een overleg met politie, Federale Leefmilieu-inspectie (FLI) en OVAM. Het Vlaamse gewest gaf in 2009 de aanzet tot de herziening van het oude samenwerkingsakkoord in/uit/doorvoer van afvalstoffen uit 1994. Het geactualiseerde samenwerkingsakkoord werd op 20 mei 2011 ondertekend door alle bevoegde federale en gewestelijke ministers. Het proces van de parlementaire goedkeuring werd echter in 2012 bevroren naar aanleiding van de zesde staatshervorming die voor een regionalisering van de controle op de doorvoer van afvalstoffen moet zorgen. De 23
groep van onderhandelaars blijft ondertussen driemaandelijks samenkomen voor de bespreking van praktische problemen met de uitvoering van de EVOA. MI bleef ook actief in het Project Afvalfraude Antwerpen, een samenwerkingsverband tussen parket, politie, douane, de Havenkapiteinsdienst, OVAM, FLI en MI rond de controles op de uitvoer van afval via de haven van Antwerpen. MI doet ook mee aan een gelijkaardig samenwerkingsproject voor de haven van Zeebrugge.
IMPEL Het voormalige informele IMPEL-netwerk (dat al opgericht werd in 1992) werd in 2008 omgevormd tot de internationale vzw “Netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving” (in het Engels: European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, of kortweg IMPEL). In 2012 telde de organisatie 47 leden uit 33 landen. Tot de leden behoren de milieuoverheden van de lidstaten van de Europese Unie (momenteel 27 landen), alsook Kroatië, Turkije, de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, IJsland, Zwitserland en Noorwegen. IMPEL heeft sinds zijn oprichting een grote bekendheid verworven en werd intussen formeel erkend in het Zesde Leefmilieuactieprogramma én in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieuinspecties in de lidstaten. Het blijft een organisatie waarin de leden informatie kunnen delen, problemen kunnen bespreken en elkaar praktisch advies kunnen bieden. Op die manier kan belangrijke kennis worden opgedaan en kunnen de beste praktijken op het gebied van inspectie, toezicht en handhaving worden uitgewisseld. Om de uitwisseling van praktijkkennis tussen de milieu-instanties te faciliteren, werden 24
werkgroepen of clusters opgericht. Momenteel zijn er twee clusters: “Verbeteren van vergunningsverlening, inspectie en handhaving” en “Grensoverschrijdend transport van afvalstoffen”. Meer informatie over IMPEL vindt u op de volgende website: http://ec.europa.eu/environment/impel/
IMPEL-TFS en andere internationale samenwerking rond afvaltransporten IMPEL-TFS (Transfrontier Shipments of Waste) is de cluster van IMPEL die werkt rond grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen. De kernactiviteiten van TFS zijn gezamenlijke handhavingsprojecten en de uitwisseling van kennis en ervaring met de handhaving van de EVOA-verordening. In het kader van het TFS Enforcement Actions III Project nam MI deel aan twee Europese controlemaanden, waarbij gegevens over uitgevoerde controles worden uitgewisseld. MI is ook lid geworden van het Seaport Environmental Security Network (SESN), een wereldwijd netwerk van inspectiediensten die havencontroles uitvoeren op grensoverschrijdende afvaltransporten, opgericht in de schoot van INECE (International Network for Environmental Compliance and Enforcement). Evaluatiemissie van FVO van de controle op dierlijke bijproducten. Het Europese Food and Veterinary Office (FVO) voerde van 17 tot 26 april 2012 een inspectiemissie uit om te controleren of de Europese gezondheidsvoorschriften inzake dierlijke bijproducten correct geïmplementeerd worden in België. De evaluatie omvatte voornamelijk bepalingen van de Europese Verordening 1069/2009 en 142/2011 die betrekking hebben op dierlijke bijproducten in de keten van de organische meststofproductie, in het bijzonder de meststoffen die verwerkte dierlijke eiwitten en vleesbeendermeel bevatten. De inspectiemissie resulteerde in een aantal aanbevelingen voor MI. Het FVO zal de
inspanningen die MI levert n.a.v. haar aanbevelingen in de toekomst evalueren. Samenwerking met Frankrijk Er wordt op geregelde basis contact onderhouden met de DREAL (Franse milieuinspectie) die de milieuvergunningen van de Franse bedrijven controleert. Dit maakt een soepel en informeel overleg mogelijk over zowel de milieuregelgeving als de controles in de bedrijven. Zo krijgt MI een beter beeld op de problematiek (en oplossingen) van grensoverschrijdende PCB- en dioxinevervuiling in de regio Menen waar een schrootverwerkend bedrijf aan beide zijden van de landsgrens een vestiging heeft met identiek dezelfde activiteiten. Op 5 april 2012 vond een vergadering plaats in de kantoren van de DREAL in Rijsel over de PCB problematiek. Er werden afspraken gemaakt om gezamenlijke metingen te doen op de Vlaamse en Franse shredder van het schrootverwerkend bedrijf. Door een defect aan de shredder in Frankrijk gingen de gezamenlijke metingen uiteindelijk toch niet door.
De Vlaamse Overheid streeft naar een zo goed mogelijke uitbouw van haar dienstverlening. Dit veronderstelt een organisatiecultuur waarin een permanente zorg voor kwaliteit en kwaliteitsverbetering centraal staat.
Kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen. In 2012 werd het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen volledig geactualiseerd. Deze actualisatie was noodzakelijk door de herziening van de monsternemingsprocedures in het Compendium voor Afvalstoffen (CMA) en het Wateranalysecompendium (WAC). Er werd rekening gehouden met de beperkingen in tijd en materieel eigen aan de inspectietaak.
De toezichthouders kregen tijdens een tweedaagse opleidingssessie de nieuwe procedures toegelicht en konden ze inoefenen in de praktijk. Voor de bemonstering van afvalwater werden de volgende procedures uitgeschreven: nemen van schepmonsters of (tijds- of debietsproportionele) mengmonsters, het gebruik van recipiënten en conserveringsmiddelen, de meting ter plaatse van pH en temperatuur, de bepaling van het debiet bij een controle-inrichting, de bemonstering van water aan een kraan en de bemonstering van oppervlaktewater door middel van een schepmonster. De procedures voor afvalstoffen omvatten, naast een aantal algemene principes, ook aparte procedures voor de bemonstering van specifieke afvalstromen: poeder- en korrelvormige vaste afvalstoffen, vloeibare en viskeuze afvalstoffen, funderings- of verhardingslagen en een procedure i.v.m. de monstervoorbehandeling ter plaatse voor de analyse van asbest. Het geactualiseerde kwaliteitshandboek werd geïmplementeerd op 1 januari 2013.
Om efficiënt en effectief te kunnen handhaven, is niet alleen een grondige kennis van de wetgeving nodig. Ook wetenschappelijke en technische kennis over de verschillende aspecten van milieuhygiëne zijn onontbeerlijk. De toezichthouders en administratieve personeelsleden van de afdeling volgen daarom regelmatig opleidingen, zowel over reglementering als over inhoudelijke onderwerpen.
De basis van gerichte en efficiënte handhaving is kennis en informatie. MI gebruikt sedert begin 2000 een toepassing waarin alle informatie, die ze verzamelt bij het uitvoeren van haar toezichtstaak, bijgehouden wordt. Op die manier wordt het mogelijk om 25
efficiënt en snel te rapporteren over handhavingsactiviteiten en om deze informatie te gebruiken bij de planning van controleactiviteiten. Deze toepassing werd ontwikkeld binnen de afdeling zelf en heeft gedurende jaren haar nut bewezen. Door de steeds sneller veranderende wetgeving en bijkomende bevoegdheden voor de afdeling, zag MI zich in 2010 gedwongen om, samen met de afdeling Centraal Databeheer van het Departement LNE, te starten met de ontwikkeling van een volledig nieuwe toepassing: MIDAS. Deze nieuwe toepassing zal ervoor zorgen dat alle toezichthouders hun activiteiten kunnen
26
plannen en registreren en dat ze daarnaast de voortgang van dossiers kunnen volgen. Ze moet toelaten om met correcte gegevens te kunnen rapporteren over uitgevoerde controles, vastgestelde tekortkomingen en de resultaten van toegepaste handhavingsinstrumenten. Bij het ontwerpen en ontwikkelen van MIDAS wordt voortdurend rekening gehouden met uitwisselbaarheid van gegevens met toepassingen van andere actoren die actief zijn op gebied van milieuhygiëne.
27
Personeel en middelen In dit deel wordt een overzicht gegeven van de personele en financiële middelen die de afdeling ter beschikking heeft om haar opdracht uit te voeren. Aantal personeelsleden A2A Afdelingshoofd en Stafdienst Hoofdbestuur Toezicht zwarerisicobedrijven Buitendienst Antwerpen Buitendienst Limburg Buitendienst Oost-Vlaanderen Buitendienst Vlaams-Brabant Buitendienst West-Vlaanderen Totaal Aantal beschikbare VTE
A2
1 1 1 1
A1 2 10 13 11 9 10 6 11
B2
1 1 1
B1
3 4 5 5
C2
C1
2
1
2 1 1
2 4 1 2 2
D2
1 1
D1
Totaal
1 1
6 11 14 20 18 20 16 14
1
3
72
3
17
6
12
2
2
118
1,0
3,0
68,8
3,0
16,3
4,5
10,2
2,0
2,0
110
Ter ondersteuning van haar sleutelproces 'Inspecteren en maatregelen nemen' sluit MI overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies. Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en bodem, afvalstoffen, meststoffen en grondwater anderzijds werden per provincie overeenkomsten afgesloten. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties werd met twee laboratoria een contract afgesloten. Naast deze overeenkomsten werden nog enkele overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers.
In bepaalde omstandigheden worden noodzakelijk bijkomende studies uitbesteed aan gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kunnen bijvoorbeeld niet-courante analyses worden uitgevoerd of kan de milieu-impact van een specifiek bedrijf worden onderzocht. De studies worden uitgevoerd ter advisering en ter voorlichting van MI. Naast studies die specifiek gericht zijn op één of meerdere bedrijven, werden ook een aantal algemene handhavingsstudies uitgevoerd.
Het totale beschikbare vastleggingskrediet voor 2012 bedroeg € 1.905.000 waarvan 99,15% werd vastgelegd. Het ordonnanceringskrediet bedroeg € 3.001.000 en werd voor 74,8 % uitbetaald. 29
overzicht van kosten labocontract afvalwater, koelwater en oppervlaktewater labocontract afvalstoffen, meststoffen en grondwater labocontract luchtemissiemetingen kosten handhavingsonderzoek totaal
Vastgelegd bedrag in euro 681.440 356.529 430.877 419.871 1.888.717
Werkingsmiddelen De toezichthouders van MI beschikken over heel wat middelen om hun taken efficiënt en effectief uit te voeren. Bij de voorbereiding van een inspectie kunnen toezichthouders gebruik maken van het papieren dossier dat op elke buitendienst aanwezig is. Daarnaast hebben ze toegang tot diverse andere documenten (door informatie op te vragen bij andere entiteiten en/of databanken via internet te raadplegen): integraal milieujaarverslag, milieueffectrapporten, veiligheidsrapporten, decretale milieuaudits, meldingen van afvoer van afvalstoffen, meetresultaten allerhande, … Elke dienst heeft bovendien een beperkte bibliotheek met publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en een overzicht van de evolutie in de gebruikte technieken en in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving. Daarnaast gebruiken de toezichthouders een elektronisch dossieropvolgingssysteem, waarmee op een eenvoudige manier een overzicht kan bekomen worden van de verschillende documenten die bij MI aanwezig zijn over het betrokken bedrijf. Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de toezichthouders van MI over heel wat materieel en over dienstwagens die speciaal
30
werden uitgerust. In elke dienstwagen is een scheidingswand aangebracht zodat propere en mogelijk gecontamineerde items gescheiden kunnen vervoerd worden. Bovendien is elke dienstwagen voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker kunnen vervoerd worden tussen de plaats van monstername en het laboratorium. Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken de toezichthouders onder meer over pH- en temperatuurmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters en PAK-markers. MI zorgt voor het onderhoud en de ijking van deze toestellen. Om bepaalde situaties vast te leggen is in elke dienstwagen ook een fototoestel aanwezig. Ook voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de toezichthouders over een grote hoeveelheid materieel. Bovendien is er een grote aandacht voor de persoonlijke bescherming tijdens de inspecties: ook hiervoor zijn tal van beschermingsmiddelen, waaronder ook diverse meettoestellen ter beschikking. Om de goede werking van de afdeling te waarborgen beschikt MI over een aantal kredieten waarmee zij haar aankopen en de vorming van haar personeel kan financieren. overzicht van de benutte kredieten vorming personeelsleden aankoop kantoormateriaal aankoop documentatie aankoop tickets online (NMBS) aankoop veiligheidskledij specifieke uitgaven eigen aan de afdeling
Bedrag in euro 21.960 26.730 9.507 16.911 8.306 61.451
Afdelingshoofd en stafdienst v.l.n.r.: Hedwig Stylemans, Tanja Verschaeren Daisy Van Calster, Veerle Janssens, Paul Van Gijseg-hem, Jos Tits
Hoofdbestuur
Personeel en middelen
- 31
Toezicht zwarerisicobedrijven v.l.n.r.: Wilfried Van den Acker, Inge Dils, Leentje Timmerman, Gwenny Vanhaecke, Ingrid Roels, Christophe De Pauw, Wilfried Biesemans, André Goossens, Christel Gernay, Nele Loos, Inge Delvaux
Buitendienst Limburg Zittend v.l.n.r.: Irène Poelmans, Peter Brien, (†)Johan Ballings, Kaat Vanmeeren, Peggy Cloostermans Staand v.l.n.r.: Erwin Brouwers, Filip Moers, Tom Maes, Guido Gerits, Liesbet Rommens, Josée Van-thienen, Jan De Paep, Peter Schoups, Sybille Vanderhenst, Tom Nuyts, Rudi Rademaekers, Freddy Noels. (ontbreekt: Ann Janssens)
32 -
Personeel en middelen
Buitendienst Antwerpen v.l.n.r.: Ann Van Deun, Jos Moeskops, Monique Dirickx, Michael Allison, Lief Mannaerts, Anja Van der Auwera, Anne Colman, Linda Van Geystelen, An Swinnen, Els De Jonghe, Wim Vermetten, Veerle Wiercx, An Van Steenbergen, Joke Valckx, Jan Valckx, Hendrik Meuleman, Diane Haelwaters, Ilse Colman. (ontbreken: Ann Devisschere, Hilde Slosse, Chris Tackaert)
Buitendienst Oost-Vlaanderen v.l.n.r.: Gert Govaerts, Lieve Joos, Wilfried Van Vaerenbergh, Greetje De Wandeler, Peter De Neve, Marian Lagrou, Peter Permanne, Els Van Bever, Luc Verhaeven, Carine Baert, Frans Van der Cruysse, Eric Ryckaert, Peter Wesemael, Greta De Maesschalck, Frank Verslype, Myriam Macharis, Steven Overmeire, Carmen Bauwens
Personeel en middelen
- 33
Buitendienst Vlaams-Brabant v.l.n.r.: Robert Dupont, Eric Van Gijseghem, Mathy De Preter, Kathleen Dethier, Christiane Renquin, Koen Mandonx, Marc Vanthienen, Carine Holsbeekx, Christophe Bervoets, Theo Strobbe, Tina Poels, Philippe Verbecq, Patrick Bergen (ontbreken: Mia Moens, Gert Van de Cauter, Dirk Crivits)
Buitendienst West-Vlaanderen v.l.n.r.: Roland Loontiens, Wim Delaere, Philip Tanghe, Karel Vandamme, Lieve Martens, Koen Mergaert, Tinne Soetens, Geert Van Landschoot, Joke Lahousse, Marc De Vos, Marc Sevenant, Robrecht Pillen, Danny Deygers, Nele Vanassche
34 -
Personeel en middelen
Deel 2: Het jaar 2012 in cijfers
Milieu-inspectieplan 2007
- 19
Algemene cijfers Dit deel stelt de activiteiten van de afdeling voor aan de hand van een aantal cijfers. Deze cijfers geven nooit een volledig beeld van de activiteiten van MI, maar kunnen in een aantal gevallen wel een goede aanwijzing zijn voor tendensen of evoluties. Cijfers geven ook basisinformatie voor de planning en evaluatie van het MIP.
Beschikken over juiste gegevens van de hinderlijke inrichtingen in Vlaanderen en hun milieuvergunningen is essentieel voor een doeltreffende handhaving. MI verzamelt haar gegevens van deze bedrijven in een databank. Deze gegevens vormen de basis om de activiteiten van de afdeling doeltreffend te kunnen plannen. overzicht aantal bedrijven klasse 1
24.682
klasse 2
50.174
klasse 3
4.474
niet ingedeeld
3.401
totaal
82.731
MI ontvangt elk jaar heel wat milieuklachten. Niet alle klachten hiervan zijn voor MI bestemd. Klachten over klasse 1 inrichtingen worden door MI behandeld, evenals klachten over klasse 2 en klasse 3 inrichtingen die zware hinder veroorzaken. Op de website van MI wordt beschreven welke klachten MI wel of niet behandelt (http://www.lne.be/organisatie/structuur/afde ling-milieu-inspectie/taken). overzicht klachten per klasse
overzicht aantal seveso bedrijven hoge drempel
ten aangaande milieuvergunningsaanvragen en bodemsaneringsprojecten.
aantal klachten
150
lage drempel
128
totaal
278
aantal betrokken bedrijven of locaties
klasse 1
1.280
481
klasse 2
132
98
klasse 3
24
20
139
88
1.575
687
niet ingedeelde inrichting totaal
klachten per milieucompartiment overzicht besluiten over klasse 1 bedrijven
geur
nieuwe exploitaties
geluid
530
exploitatie
397
780
lucht
186
2.249
afval
182
lozing
180
hermachtigingen verandering of uitbreiding totaal geweigerde vergunningen eerste aanleg
362 1.107
186
definitieve weigeringen
31
proefvergunningen
53
MI ontvangt een heleboel informatie van buitenaf. Zo krijgt ze een afschrift van alle beslui-
bodem en grondwater
1.151
47
mest
21
veiligheid
23
licht
20
totaal aantal klachten
2.737
aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
2.714
37Â Â
len van de vraag en het meedelen van het ontwerp van antwoord. Alle exploitanten hebben de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risico’s voor en de gevolgen van voorvallen. Dat betekent onder andere dat zij de noodzakelijke interventiemiddelen moeten voorzien. Bij hinder, schade of gevaar daartoe moeten ze onmiddellijk alle nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen. Eventueel opgetreden verontreiniging moeten zij op verantwoorde wijze ongedaan maken. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat ze schade berokkenen aan de mensen of het milieu in de omgeving van het bedrijf. Naast de zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitanten: ze moeten de voorvallen en de genomen maatregelen melden bij de burgemeester en MI. Als er een voorval heeft plaatsgevonden, zal MI, als dat relevant is, er zich van vergewissen of inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen werden getroffen. De exploitanten moeten niet alleen voorvallen in de strikte zin melden. Ook als zuiveringstechnische voorzieningen uitvallen en als emissie- of immissienormen overschreden worden, moeten de toezichthouders op de hoogte gebracht worden.
behandelde parlementaire vragen aantal schriftelijke vragen
16
aantal interpellaties
0
aantal vragen om uitleg
3
Inspecties op het terrein vormen de basis van het toezicht. Naast routinecontroles wordt een groot deel van de inspecties uitgevoerd in het kader van een gecoördineerd project, na klachten of als voortgangscontrole van een eerder optreden. Het grootste aantal inspecties wordt uitgevoerd tijdens de normale werkuren. Aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts en tijdens het weekend geïnspecteerd, aangezien milieuvervuiling geen ‘nine to five’aangelegenheid is. Toezichthouders stellen na iedere inspectie een verslag op. overzicht van het aantal uitgevoerde inspecties en gecontroleerde bedrijven aantal uitgevoerde inspecties
11.909
- tijdens de diensturen
7.460
- 's avonds
2.445
- 's ochtends
1.285
- weekend / feestdagen aantal gecontroleerde bedrijven
719 4.598
melding van voorvallen aantal meldingen
1.634
MI geeft elk jaar heel wat input bij het beantwoorden van diverse vragen vanuit het Vlaams Parlement. Het betreft hierbij schriftelijke vragen, vragen om uitleg en interpellaties. Meestal zijn daarvoor geen bijkomende inspecties nodig : de dossiers zijn bij MI goed bekend en er is weinig tijd beschikbaar tussen het stel-
38
Een toezichthouder kan veel vaststellen met de eigen zintuigen, maar dikwijls is het toch noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging of nietconformiteit met de regelgeving te bepalen. Ook in 2012 werden heel wat monsters genomen. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende
parameters, betekent dit dat er vele duizenden analyses werden uitgevoerd. overzicht van het aantal monsternames afval bodem grondwater water
631 9 10 1.959
Monsternames afvalwater De routinemonsternames van afvalwater worden steeds op voorhand gepland. MI stelt elk jaar een planning op voor de in het volgend jaar uit te voeren afvalwatercontroles. Er wordt gewerkt met een basisfrequentie. Dit is de minimale frequentie waarmee een bedrijf wordt gecontroleerd. De basisfrequentie is afhankelijk van het geloosde debiet, de bestemming van de lozing (riool of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke stoffen in het effluent. De basisfrequentie kan worden aangepast in functie van de voorgeschiedenis van het bedrijf en de beschikbare personele en budgettaire middelen bij de afdeling. Er zijn twee soorten controles. Enerzijds zijn er de steekproeven, waarbij tijdens een (onaangekondigde) controle een schepstaal van het geloosde afvalwater genomen wordt. Dit resulteert in een momentopname van de kwaliteit van het op dat moment geloosde afvalwater. Anderzijds zijn er de uitgebreide controles, waarbij een erkend laboratorium een monsternametoestel plaatst in opdracht van MI en zo gedurende enkele dagen tot weken de lozing volgt. resultaten afvalwatercontroles
Monsternames afvalstoffen, bodem en grondwater Sinds 2007 hanteert MI een richtfrequentietabel waarin wordt vastgelegd waar en hoe dikwijls afvalstoffen worden bemonsterd, rekening houdend met het beschikbare budget en de beschikbare toezichthouders. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalproducerende en afvalverwerkende bedrijven en bij producenten van secundaire grondstoffen. Een gedeelte van het budget wordt voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet-geplande situaties.
Metingen lucht en geluid Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal uitgevoerde metingen in 2012. overzicht van het aantal routinemetingen Lucht
128
Geluid
93
Controles van koelinstallaties MI controleert jaarlijks de exploitatie van koelinstallaties in bedrijven. Voorkomen en beperken van lekken aan koelinstallaties is belangrijk voor zowel de bescherming van de stratosferische ozonlaag als de bestrijding van het broeikaseffect.
overzicht geteste koelinstallaties Aantal geteste installaties
Lekkende installaties (%)
Totaal aantal gevonden lekken
R22
35
76
57
R507 + R507a
16
13
2
R404a
40
40
19
Koelmiddel
gecontroleerde bedrijven
799
R134a
17
12
2
- met steekproef
617
R407 + R407c
7
0
0
- met uitgebreide controle
166
aantal monsters bedrijven één of meermaals in overtreding
1.959 98
39
Uitvoering van het Seveso IIinspectieprogramma Bij de uitvoering van het Seveso IIinspectieprogramma schonken de veertien toezichthouders van Toezicht zwarerisicobedrijven in 2012 veel aandacht aan de wijze waarop de Sevesobedrijven hun veiligheidsbeheersysteem uitwerken en implementeren op het gebied van interne noodplanning en operationele handelingen. Ook het vaststellen en uitvoeren van het preventiebeleid inzake zware ongevallen kwam in een groot aantal inspecties aan bod. Ruim de helft van de controles bevatte ook de voortgangscontrole van de tijdige en effectieve uitvoering van de corrigerende acties een thema. Meer toelichting bij het Seveso IIhandhavingsysteem van de afdeling Milieuinspectie is te vinden op www.lne.be/themas/handhaving/afdelingmilieu-inspectie/preventie-zware-ongevallen
verder een onderscheid tussen het ontbreken van een (volledige) vergunning en het nietnaleven van de voorwaarden. In de onderstaande tabel is de som van de laatste drie rijen daarom groter dan het getal in de eerste rij. Sinds de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest op 30 mei 2000 werd goedgekeurd door de Commissie Vervolgingsbeleid (verder prioriteitennota genoemd), kan MI in een proces-verbaal melding maken van het prioritaire karakter van een overtreding volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen. aanvankelijke processen-verbaal totaal aantal aantal prioritaire processen-verbaal
Aantal gecontroleerde hogedrempelinrichtingen Percentage gecontroleerde hogedrempelinrichtingen Aantal gecontroleerde lagedrempelinrichtingen Percentage gecontroleerde lagedrempelinrichtingen Aantal gecontroleerde niet-Seveso-inrichtingen
138 92% 105 82% 10
Totaal aantal gecontroleerde inrichtingen
253
Aantal controles bij hogedrempelinrichtingen
230
Aantal controles bij lagedrempelinrichtingen
120
Aantal controles bij niet-Seveso-inrichtingen
13
Totaal aantal Sevesocontroles
363
Een aanvankelijk proces-verbaal wordt opgesteld na de vaststelling van een milieumisdrijf en wordt verstuurd naar de procureur des Konings. In één proces-verbaal kunnen verschillende overtredingen worden opgenomen. Bij het overzicht van de opgestelde processenverbaal wordt er een onderscheid gemaakt tussen schendingen van het Milieuvergunningsdecreet en schendingen van andere wetgeving. Het Milieuvergunningsdecreet maakt 40
214
aantal niet-prioritaire processen-verbaal
237
wegens geen of gedeeltelijke vergunning
184
wegens niet naleven voorwaarden
312
andere wetgeving
Uitvoering van het Seveso IIinspectieprogramma
451
46
Naast de aanvankelijke processen-verbaal worden ook heel wat navolgende processenverbaal opgesteld. Daarmee worden aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings bezorgd. Dat gebeurt op eigen initiatief van MI of na een verzoek van het parket. Zo worden gegevens verstrekt over de bestuurlijke voortgangscontrole door MI, wordt een verklaring van de vermoedelijke overtreder doorgestuurd of wordt gemeld dat feiten opnieuw werden vastgesteld. Als het bedrijf na een aanmaning van MI aan alle voorschriften voldoet, wordt dat eveneens gemeld. navolgende processen-verbaal totaal aantal
349
Een verslag van vaststelling kan worden opgesteld na de vaststelling van een milieu-inbreuk. Een milieu-inbreuk is een gedraging in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van titel XVI van het decreet
van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (het Milieuhandhavingsdecreet). Die gedraging: - betreft exclusief een schending van administratieve verplichtingen zoals bepaald in de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid; - betreft geen emissies als vermeld in artikel 16.6.2; - betreft niet het achterlaten, beheren of overbrengen van afvalstoffen als vermeld in artikel 16.6.3; - veroorzaakt geen gezondheidsschade of dood; - kan niet strafrechtelijk worden bestraft overeenkomstig de bepalingen van deze titel; - moet opgenomen zijn in een lijst, te bepalen door de Vlaamse Regering.
staat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een aanmaning bestaat in de meeste gevallen uit verschillende deelaanmaningen, die tegen verschillende data moeten uitgevoerd worden. Pas als alle deelaanmaningen zijn uitgevoerd, registreert MI dat de sanering is uitgevoerd. raadgevingen en aanmaningen zonder proces verbaal gesaneerd
898 1025
na proces verbaal
364
gesaneerd
344
Bestuurlijke maatregelen Sinds het nieuwe milieuhandhavingsdecreet van kracht is, kunnen de toezichthouders van MI bestuurlijke maatregelen opleggen wanneer zij een milieumisdrijf of een milieuinbreuk vaststellen.
Verslagen van vaststelling totaal aantal
3
overzicht bestuurlijke maatregelen bevel tot staking bevel tot regularisatie
Op 1 mei 2009 trad het nieuwe milieuhandhavingsdecreet in werking. Dit heeft een belangrijke invloed op de manier waarop MI dossiers afhandelt die na een aanmaning een verdere behandeling vragen. Raadgevingen en aanmaningen Als MI bij een inspectie geen overtredingen vaststelt maar aanwijzingen heeft dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan, bijvoorbeeld omdat nieuwe of aangepaste wetgeving in voege zal treden of omdat de toezichthouders vanuit hun expertise oordelen dat installaties zouden kunnen falen, dan kan een raadgeving aan de exploitant worden verstuurd om ervoor te zorgen dat conformiteit met de wetgeving continu wordt verzekerd. Stelt MI evenwel overtredingen vast, dan wordt de exploitant steeds aangemaand om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Gewoonlijk vol-
bestuursdwang combinatie van bovenstaande bestuurlijke maatregelen
6 15 0 3
Veiligheidsmaatregelen Veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen waarbij de toezichthouders alle handelingen kunnen stellen of opleggen die zij onder de gegeven omstandigheden nodig achten om een aanzienlijk risico voor mens of milieu uit te schakelen, tot een aanvaardbaar niveau in te perken of te stabiliseren. Ook de veiligheidsmaatregel is een nieuw instrument dat sinds 1 mei 2009 ter beschikking staat van de toezichthouder.
41Â Â
overzicht veiligheidsmaatregelen stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten, ogenblikkelijk of binnen een bepaalde termijn verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, containers, terreinen en alles wat zich daarin of daarop bevindt gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting het nemen, bewaren of verwijderen van daarvoor vatbare zaken, met inbegrip van afvalstoffen en dieren het niet betreden of het verlaten van bepaalde gebieden, terreinen, gebouwen of wegen?
Voorstellen tot schorsing en/of opheffing vergunning Als een exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningendecreet en zijn uitvoe-
42Â Â
0
0
ringsbesluiten of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan de bevoegde overheid de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen of de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Dat alles kan gebeuren op voorstel van een toezichthouder.
0
0 0
voorstellen tot schorsing of opheffing van de vergunning aantal voorstellen
1
aantal geschorst
0
aantal nog in behandeling
1
aantal niet ingewilligd
0
Deel 3: Uitvoering van het MIP
Routinecontroles
- 23
Evaluatie van de uitvoering van het MIP 2012
De GPBV-richtlijn (96/61/EG, in 2008 vervangen door de gecodificeerde versie 2008/1/EG) heeft een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu tot doel en wenst dit doel te bereiken via ‘geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging’ (GPBV) bij de potentieel meest verontreinigende installaties. Het gaat hierbij zowel om zware industrie zoals productie van elektriciteit, afvalverbranding, ferro- en non-ferro-industrie en chemische industrie als om grote varkens- en kippenkwekerijen. Cruciaal voor het bereiken van de doelstelling is de rol van de milieuvergunning: de vergunning moet alle milieucompartimenten integreren, gericht zijn op preventie en gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken (BBT) zoals vooropgesteld in de sectorale Europese BREF-studies (BAT Reference Documents). De lidstaten moesten de richtlijn uiterlijk tegen eind oktober 1999 toepassen voor nieuwe GPBV-installaties en tegen eind oktober 2007 voor bestaande. Dit betekent in concreto dat de vergunningverlenende overheid voor eind oktober 2007 alle milieuvergunningen van GPBV-installaties moest toetsen aan de GPBV-richtlijn en de BREF-studies en, indien nodig, aanpassen. Bovendien moesten alle GPBV-bedrijven tegen die datum hun GPBV-installaties exploiteren volgens de bepalingen van de GPBV-richtlijn en de relevante BREF-studie. MI moet hierop toezien.
Uitvoering van GPBV-controles MI vulde deze taak in door de uitvoering van meerdaagse diepgaande geïntegreerde controles, de zogenaamde GPBV-controles. In tegenstelling tot de traditionele aanpak bij mono- of multidisciplinaire controles worden bij deze controles alle milieucompartimenten tegelijk beschouwd en leggen de toezichthouders naast de klassieke aanpak van de bestrijding van verontreiniging een nieuwe klemtoon op preventie. Bovendien worden tijdens een GPBV-controle naast de gangbare thema’s ook nieuwe items aangesneden. Voorbeelden hiervan zijn de controles van het milieuzorgsysteem en van het rationeel gebruik van grondstoffen en energie en de toetsing aan milieukwaliteitsdoelstellingen. Uiteraard staat ook de BBTtoets aan de BREF-studie bij deze controle op het programma. Sinds 2004 voert MI GPBV-controles uit, in eerste instantie bij chemiebedrijven. In 2006 werd een handleiding voor GPBV-controles bij galvanobedrijven opgesteld en werden ook galvanobedrijven gecontroleerd. In 2007 onderzocht MI de haalbaarheid en opportuniteit van GPBV-controles bij landbouwbedrijven. Dit leidde tot het opstellen van een aangepaste handleiding en de start van deze controles in 2008. Gelet op het grote verschil tussen enerzijds de industriële GPBV-bedrijven en anderzijds de GPBV-landbouwbedrijven, worden de controles gecoördineerd door 2 aparte werkgroepen. 45
In 2012 voerde de werkgroep GPBV industrie een geïntegreerde GPBV-controle uit bij een chemiebedrijf en vier bij galvanobedrijven. Deze controles resulteerden in 5 aanmaningen en 2 raadgevingen. Er werden geen vragen gesteld aan de collega’s van de afdeling Milieuvergunningen tot aanvulling of aanpassing van de vergunningsvoorwaarden. De toezichthouders stelden van elke controle een uitgebreid evaluatieverslag op. Het aantal geïntegreerde controles bij industriële GPBV-installaties was in 2012 de helft van het jaarlijks aantal in de vorige jaren. De reden is dat de werkgroep GPBV-industrie in 2012 veel tijd investeerde in het opzetten van een GPBV-handhavingssysteem. Dit plannings- en programmasysteem voor controles bij GPBV-installaties moet, conform de bepalingen voor milieu-inspecties in de richtlijn Industriële Emissies, de opvolger van de GPBVrichtlijn, operationeel zijn vanaf 2013.
De richtlijn Industriële Emissies De Europese Commissie startte in 2005 met de herziening van de GPBV-richtlijn. Men stelde daarbij ondermeer vast dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten bij de naleving van de wetgeving en dat deze leiden tot een suboptimaal milieubeschermingsniveau en een verstoring van de interne markt. Deze herziening resulteerde op 24 november 2010 in een nieuwe Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)”. Dit voorstel herwerkt en integreert zeven bestaande richtlijnen: de GPBV-richtlijn, de richtlijn grote stookinstallaties, de richtlijn afvalverbranding, de richtlijn solventemissies en drie richtlijnen over titaandioxide. De nieuwe richtlijn moet leiden tot beduidende voordelen voor het leefmilieu en voor de menselijke gezondheid doordat schadelijke industriële emissies gereduceerd worden, voornamelijk door een betere toepassing van 46
de beste beschikbare technieken. Voorts voert de richtlijn nieuwe verplichtingen in voor de controle van GPBV-bedrijven: alle lidstaten moeten een systeem van milieu-inspecties opzetten, een GPBV-handhavingssysteem. Er moet voor alle GPBV-installaties een inspectieplan zijn en op basis van deze plannen moet een inspectieprogramma opgesteld worden. Het voorstel bevat daarbij ook bepalingen inzake de minimale inspectiefrequentie bij GPBV-installaties, de verplichting tot het uitvoeren van routine-inspecties en niet-routineinspecties en de bekendmaking van de resultaten van uitgevoerde milieu-inspecties. De Europese lidstaten kregen tot 7 januari 2013 de tijd om de bepalingen van de nieuwe richtlijn op te nemen in hun nationale regelgeving. MI was op verschillende niveaus actief betrokken bij de besprekingen die hebben geleid tot de teksten voor de nieuwe richtlijn en leverde heel wat inbreng hiertoe.
Opstellen van een GPBVhandhavingssysteem Om tijdig tegemoet te komen aan de eisen die de nieuwe richtlijn aan de lidstaten oplegt in verband met het opstellen van een inspectieplan, startte MI al in 2009 met de aanzet tot het opzetten van een planmatig en gecoördineerd toezichts- en handhavingssysteem voor GPBV-bedrijven in het Vlaamse Gewest. Artikel 23 van de richtlijn bepaalt dat daarbij ‘het volledig spectrum van relevante milieueffecten’ moet worden onderzocht. In 2009 gaf MI de opdracht aan VITO om per rubriek van GPBV-bedrijven de relevante milieuaspecten te identificeren en te waarderen. De volgende jaren werden de resultaten van deze studie voor het opstellen van een milieuinspectieprogramma voor GPBV-bedrijven onderzocht op hun bruikbaarheid. Deze denkoefening, gecombineerd met voorbeelden van andere handhavingssystemen en met ontwikkelingen binnen IMPEL in het kader van de richtlijn, leidde in 2012 tot het opzetten van een scoresysteem voor GPBV-installaties als
eerste stap in de opmaak van een GPBVhandhavingssysteem. Het scoresysteem is een instrument voor risicoanalyse waarbij een systematische evaluatie van de milieurisico’s van de GPBV-installaties leidt tot een risicoscore per installatie. Het GPBVhandhavingssysteem moet onder meer de frequentie vastleggen waarmee de GPBVinstallaties zullen worden bezocht. De periode tussen twee inspectiebezoeken moet worden gebaseerd op de risicoscores van de installaties. De richtlijn bepaalt dat die periode voor installaties die de grootste risico’s inhouden maximaal één jaar mag bedragen, voor andere installaties maximaal drie jaar.
Algemeen De geïntegreerde controles bij GPBVlandbouwbedrijven (intensieve varkens- en pluimveehouderij) zijn erop gericht om naast de vergunningstoestand, ook het duurzaam gebruik en preventie van emissies per milieucompartiment na te gaan. De naleving van specifieke bepalingen van de Europese BREF en Vlaamse BBT en de sectorale wetgeving worden tijdens de controles met een uitgebreide handleiding gezamenlijk gecontroleerd. Resultaten van de controles In 2012 werden 25 GPBV-landbouwbedrijven aan een uitgebreide geïntegreerde controle onderworpen, waaronder 14 kippenbedrijven en 11 varkensbedrijven. Een overzicht van het percentage van bedrijven met vastgestelde gebreken per gecontroleerd onderdeel is weergegeven in het kolomdiagram op de volgende bladzijde. De meest vastgestelde gebreken tijdens deze controles waren gerelateerd aan de vergunningstoestand (88%). MI stelde bij de helft van de gecontroleerde bedrijven de aanwezigheid van niet- of onvoldoende vergunde activiteiten vast. Het ontbreken van een brandweerverslag, de periodieke milieuaudit, een milieuzorgsysteem, een volledig IMJV of het niet voldoen aan de verplichtingen inzake het
groenscherm zijn tevens hieraan verbonden vaak voorkomende gebreken. De grondwaterwinning vertoonde bij 84% van de gecontroleerde bedrijven mankementen. Bij 12 gecontroleerde bedrijven was de afwerking van de grondwaterwinning niet conform de wettelijke bepalingen. Ontbrekende of niet correct herijkte debietmeters, mogelijke aftakkingen voor de debietmeters en ontbrekende registers werden ook herhaaldelijk vastgesteld. M.b.t. de opslagtanks werden bij 68% van de gecontroleerde bedrijven gebreken geconstateerd. Het betrof hier voornamelijk het niet tijdig (her)keuren of het incorrect buiten gebruik stellen, het ontbreken van een inkuiping of een vloeistofdichte afwerking van de tankpiste. In het compartiment afval werden bij 24% van de gecontroleerde bedrijven tekortkomingen vastgesteld. Ze hadden betrekking op het niet tijdig of correct afvoeren van afvalstoffen (vb. krengen) of het ontbreken van een afvalstoffenregister. M.b.t. de periodieke bodemonderzoeken of het opstellen van een nutriëntenbalans werden bij de gecontroleerde bedrijven in 2012 geen tekortkomingen vastgesteld. Bij 3 bedrijven werd via een afzonderlijk contract het ammoniakverwijderingsrendement van het luchtwassysteem op de stal uitgebreid nagemeten door VITO. Gelet op de omvang en nodige voorbereiding voor deze metingen bleek het onmogelijk om deze onaangekondigd uit te laten voeren. Het rendement van de op deze manier gecontroleerde luchtwassers voldeed aan de 70%-norm. Via indicatieve rendementsmetingen met draagbare elektronische ammoniakmeters, die voor controles snel, regelmatig en onaangekondigd kunnen worden ingezet werden echter wel onvolkomenheden vastgesteld. MI maande 20% van de gecontroleerde bedrijven aan om maatregelen te nemen zodanig dat het verplichte verwijderingsrendement van de luchtwassers zou worden gehaald. Op basis van de controles bij GPBVlandbouwbedrijven in 2012 stelde MI 23 aanmaningen, 2 raadgevingen en 4 processenverbaal op. 47
GPBV-landbouw: vastgestelde gebreken in 2012 100 90 80
percentage bedrijven
70 60 50 40 30 20 10 0
De werkgroep Water bundelt de handhavingsexpertise in verband met alle afvalwaterstromen. In 2012 ging de aandacht, naast de klassieke routinemonsternames, voornamelijk naar de controle van de lozing van RWZI's, de controle op het lozen van verontreinigd hemelwater, de controle op het lozen van koelwater, de controle op de ecotoxiciteit van afvalwaters, controles in de sector van de caren truckwashes en de controle op een pakket van 22 metalen in alle bedrijfsafvalwaters van voornamelijk klasse 1 inrichtingen.
48
Controle van de zelfcontrole Jaarlijks bezorgt de NV Aquafin de zelfcontrolegegevens van alle RWZI’s aan MI, die controleert of alle metingen zijn uitgevoerd en of de zuiveringsrendementen bij elke installatie zijn behaald. In 2012 voerde MI bij 3 RWZI’s, waarvan één met een verwerkingscapaciteit tussen 200010000 IE (RWZI 1), één met een verwerkingscapaciteit tussen 10.000-100.000 IE (RWZI 2) en één met een verwerkingscapaciteit
>100.000 IE (RWZI 3), gedurende 12 maanden monsternames uit om begin 2013 een controle van de zelfcontrole te kunnen uitvoeren. MI vergeleek de eigen analysegegevens met deze van de NV Aquafin. Maandelijks (of tweemaal per maand voor de grootste RWZI) werd er op elke geselecteerde RWZI een monster genomen van zowel influent als effluent. Hierbij werd rekening gehouden met de Vlarem II- voorwaarden voor debiets- of tijdsevenredige mengmonsters op RWZI’s (op vaste plaatsen in inlaat en uitlaat). De monsters werden geanalyseerd op de zelfcontroleparameters zoals die in de Vlaremwetgeving zijn opgenomen. Een vergelijking van de resultaten toont aan dat voor de kleinste RWZI de rendementen die door de NV Aquafin worden gerapporteerd gunstiger zijn dan deze berekend door MI, maar dat de zelfcontrolegegevens en verwijderingsrendementen wel voldoen aan de normen. De concentraties gemeten in het influent voor o.a. BZV en CZV liggen over de ganse periode hoger bij de metingen gerapporteerd door NV Aquafin en leveren daardoor hogere verwijderingspercentages. De effluentgegevens zijn vergelijkbaar. Voor de middelgrote RWZI liggen de berekende verwijderingspercentages dichter bij elkaar, maar zijn ze opnieuw gunstiger in de rapportering van de NV Aquafin. Voor de grootste RWZI zit er een gelijkaardige trend in de resultaten. Alle verwijderingspercentages worden gehaald. Voor CZV is het rendement zelfs veel hoger dan in de vergunning opgenomen (93% rendement versus 75 % volgens norm). MI besluit hieruit dat de drie RWZI’s voldoen aan de voorwaarden van de zelfcontrole volgens de Vlaremwetgeving en binnen de normering blijven. MI zal nagaan waarom de door de NV Aquafin gerapporteerde influentconcentraties over het algemeen hoger liggen.
Verwijdering van micropolluenten De RWZI’s zijn ontworpen om het grootste gedeelte van de organische belasting te verwijderen. Van een aantal micropolluenten is bekend dat ze, zelfs in zeer lage concentraties, een grote invloed hebben op de ecologie van het watersysteem. MI controleerde tijdens een meetcampagne van 12 maanden in hoeverre deze RWZI’s de micropolluenten uit het huishoudelijke afvalwater of bedrijfsafvalwater zuiveren. Voor de campagne maakte MI een selectie van enkele micropolluenten die kunnen voorkomen in het afvalwater van voornamelijk huishoudens en ook van ziekenhuizen. De drie groepen van micropolluenten die MI liet analyseren in zowel influent als effluent van 3 RWZI’s zijn de ‘hormonen’,’drugs- en geneesmiddelen’ en ‘contrastvloeistoffen’. De campagne werd uitgevoerd bij dezelfde 3 RWZI’s als hierboven beschreven. Bij RWZI 1 en 2 werden maandelijks 1 monster van het influent en 1 monster van het effluent geanalyseerd. Bij RWZI 3 nam MI 2 keer per maand monsters van influent en effluent. Volgende tabellen geven een overzicht van de resultaten van de campagne voor de drie RWZI’s. Omdat de aanvoer van ongezuiverd afvalwater voor de drie RWZI’s verschillend is, zijn de resultaten apart weergegeven. Voor elke stof die MI liet analyseren is in de opeenvolgende kolommen de detectielimiet (DL) gegeven, het aantal keer dat de stof boven de DL werd waargenomen in het influent, het aantal keer dat de stof nog in het effluent aanwezig was boven de DL en het minimale zuiveringsrendement (waar in kolom B een nul staat, is het zuiveringsrendement gelegen tussen de waarde in kolom C en 100%). De laatste kolom geeft de hoogst gemeten waarde in het influent aan op 12 analyses bij RWZI 1, op 12 analyses bij RWZI 2 en op 24 analyses bij RWZI 3.
49
Legende: A: aantal maal de stof gemeten boven de DL in influent B: aantal maal de stof gemeten boven de DL in effluent C: Zuiveringsrendement (%): berekend t.o.v DL minimaal zuiveringsrendement D: de hoogste concentratie gemeten in het influent (ng/l)
Hormonen A stoffenlijst
B
C
DL (ng/L)
D
A
B
RWZI 1
C
D
A
B
RWZI 2
C
D
RWZI 3
17alfa-estradiol
10,00
0
0
nvt
< 10,00
1
0
73%
37
4
0
51%
39
17beta-estradiol
10,00
2
0
41%
25
5
0 52%
39
11
0
45%
71
ethinylestradiol
10,00
3
2
-39%
1831
2
1
56%
137
4
3
-20%
1300
estrone
10,00
11
1
59%
76
11
0 70%
58
20
1
59%
145
testosterone
10,00
2
0
50%
64
7
0
67%
84
13
0
57%
59
androstenedione
10,00
3
0
44%
21
8
0
77%
200
8
3
32%
58
androsterone
10,00
4
3
40%
153
8
4
82%
368
20
6
81%
330
norethindrone
10,00
0
0
nvt
<10,00
1
0
79%
48
0
0
levonorgestrel
10,00
2
0
45%
23
2
0 80%
145
3
0
74%
209
progesterone
10,00
1
1
nvt
12
0
0
<10
1
0
17%
32
nvt
0% <10,00
contrastvloeistoffen
stoffenlijst
DL (ng/L)
RWZI 1
RWZI 2
RWZI 3
Iopamidol
100
1
0
52%
210
7
5 14%
687
12
7
Iopromide
100
8
6
39%
11284
10
5986
22
17
48%
1880
Diatrizoate
100
1
0
47%
79
1
11 36% 2 29%
631
11
9
-10%
1877
Iothalamic acid
100
0
0
nvt
<100
0
0
nvt
<100
1
0
nvt
105
Ioxithalamic acid
100
3
5
20%
384
8
8 32%
4680
14
14
4%
2550
Iomeprol
100
5
6
46%
2480
11
11 37%
9620
22
19
50
51% 39639
28% 25603
GENEESMIDDELEN, DRUGS en andere
stoffenlijst
DL (ng/L)
RWZI 1
RWZI 2
RWZI 3
Amphetamine
50
0
0
nvt
<50
6
0
42%
190
4
0
42%
140
Atenolol
50
12
11
65%
1283
11
11
2%
2320
24
23
22%
1059
benzoylecgonine
50
9
4
54%
520
10
4
67%
1699
22
3
68%
965
bromazepam
50
0
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
1
0
12%
57
cafeïne
50
12 12
88%
39050
11
11
96% 41006
23
16
carbamazepime
50
4
7
-25%
406
11
12
-42%
719
21
24
cocaine
50
2
0
48%
238
2
0
52%
105
2
codeine
50
5
2
16%
168
8
11
-66%
377
4
diazepam
50
0
1
-28%
<50
1
1
-22%
56
0
EDDP
50
0
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
ephedrine
50
8
0
63%
735
11
1
68%
lorazepam
50
9 10
-42%
999
9
10
MDMA
50
0
0
nvt
<50
2
methamphetamine
50
0
0
nvt
<50
morphine
50
6
0
36%
nicotine
50
8
0
81%
oxazepam
50
6
6
-50%
paracetamol
50
7
1
propanolol
50
8
tramadol
50
zolpidem
50
0
ketoprofen
50
fenazon
97% 71035 -83%
4072
0
48%
330
21
-54%
828
1
-28%
<50
3
5
-24%
89
540
19
0
72%
403
-90%
3988
13
21
-69%
7105
1
7%
65
3
6
-30%
182
0
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
224
5
0
56%
282
12
0
45%
252
3363
9
4
92%
3630
21
4
93%
7390
175
6
7
27%
217
15
15
27%
665
92%
5950
9
0
97%
9850
22
3
11
-43%
243
5
11
552
11
22
10 12
-12%
428
9
-61% 12 227%
410
22
23
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
10
7
31%
560
9
5
45%
511
22
18
42%
706
50
0
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
0
0
nvt
<50
sulfamethoxazole
50
6
5
6%
274
8
8
-13%
258
22
21
0%
967
trimethoprim
50
1
0
95%
1090
2
0
53%
1090
13
18
-73%
286
metronidazole
50
1
0
55%
110
0
0
nvt
129
4
1
35%
248
ofloxacin
50
8
9
-8%
385
5
3
139
20
23
-8%
8854
roxithyromycine
50
0
0
nvt
<50
0
9% 1 526%
<50
0
0
nvt
<50
metformin
50
12
1
79%
489
12
0
86%
906
24
3
85%
1689
methadone
50
0
0
nvt
<50
1
0
264
0
1
50
11 12
-78%
220
9
508
16
22
nvt 158%
<50
metoprolol
81% 12 190%
91% 11600 316% 871 241% 1027
1035
Uit deze resultaten kan men afleiden dat: - de hormonen in verhouding tot de contrastvloeistoffen en geneesmiddelen in lagere concentraties aanwezig zijn. - een aantal stoffen zoals estrone, iopromide, iomeprol, atenolol, benzoylecgonine, cafeïne, carbamazepime, ephedrine, nicotine, paracetamol, tramadol, ketoprofen, sulfamethoxazole, ofloxacin, metformin en metoprolol bijna in elk monster van het in-
fluent aanwezig zijn. Op de 2 grootste RWZI’s is er een belangrijke bijdrage van ziekenhuisafvalwater en de maximale concentratie van een aantal stoffen in het influent ligt beduidend hoger dan bij de kleinste RWZI waar bijna uitsluitend huishoudens bijdragen aan het influent. - de stoffen 17 alfa-estradiol, norethindrone, progesterone, iothalamic acid, amphetamine, bromazepam, cocaïne, diazepam, 51
EDDP, MDMA, methamphetamine, zolpidem, fenazon, metronidazole, roxithyomycine en methadone (bijna) niet of in veel lagere concentraties in het influent worden gemeten. De meeste van deze stoffen worden goed verwijderd door de RWZI. - de meeste contraststoffen niet of moeilijk worden verwijderd door de huidige RWZI’s. Dit geldt ook voor ethinylestradiol, carbamazepime, lorazepam, oxazepam, propanolol, tramadol, sulfamethoxazole, ofloxacin en metoprolol waar er zowel in influent als effluent gelijkaardige concentraties voorkomen. Dit doet vermoeden dat de organismen in de zuivering geen impact hebben op deze moleculen. Een aantal van de gecontroleerde stoffen zijn duidelijk nog aanwezig in het geloosde afvalwater. Volgens de Vlaremwetgeving moet voor alle gevaarlijke stoffen die geloosd worden in detecteerbare hoeveelheden (= rapportagegrens) een norm zijn opgenomen in de lozingsvergunning van het bedrijf. Het verwijderen of vermijden van deze stoffen in het effluent komt eerst aan de orde. Uit recente nieuwsbrieven van de NV Aquafin is duidelijk dat het onderzoek naar het verwijderen van deze micropolluenten nog loopt. MI zal erop toezien dat de NV Aquafin de nodige maatregelen neemt, o.a. door een optimalisatie van het zuiveringsproces, om deze stoffen alsnog te verwijderen. Als daarna nog micropolluenten in meetbare concentraties voorkomen in het effluent moet de lozingsvergunning van de RWZI’s worden aangepast. Ook sanering aan de bron is een mogelijkheid, maar dit is een maatschappelijk verhaal.
MI nam deze campagne op in haar planning naar aanleiding van de nieuwe sectorale voorwaarden voor car- en truckwashbedrijven opgenomen in Vlarem II op 1 januari 2012. De nieuwe sectorale voorwaarden, afgestemd op de BBT, gelden pas vanaf 1 januari 2015. In de nieuwe sectorale voorwaarden zijn normen opgenomen voor pH, temperatuur, zwe52
vende stoffen, bezinkbare stoffen, perchloorethyleen extraheerbare apolaire stoffen, detergenten, olie en vet, BZV, CZV, fosfor, stikstof en voor de metalen koper, lood, zink, chroom en nikkel bij lozing op oppervlaktewater. Voor rioollozers zijn normen voorzien voor pH, temperatuur, zwevende stoffen, petroleumether extraheerbare stoffen, olie en vet, en voor de metalen koper, lood, zink, chroom en nikkel. MI controleerde 15 bedrijven (waarvan 14 bedrijven lozen op riool) op de toepassing van de BBT en vergeleek de resultaten van 17 schepmonsters bij 11 van hen met de lozingsvergunningen en de nieuwe sectorale voorwaarden die vanaf 2015 van toepassing zullen zijn. Wat de toepassing van BBT betreft, stelt MI vast dat bij bijna alle bedrijven de verontreinigde afvalwaters, voor ze geloosd worden, worden verzameld en afgevoerd naar een bezink- en koolwaterstofverwijderingsinstallatie, maar dat het toezicht en het laten reinigen van de koolwaterstofverwijderingsinstallatie bij enkele van hen beter opgevolgd moet worden. Enkele exploitanten moesten een rioleringsplan opmaken en aan MI bezorgen omdat het niet duidelijk is of alle afvalwaters van de site in het bezinkingsbekken terechtkomen en over de KWS-afscheider gaan voor de lozing. De meeste bedrijven lieten de bedrijfsafvalstoffen ophalen door een daartoe erkende overbrenger, inspecteerden om de drie maanden de afscheider en hielden van die inspecties een logboek bij. MI maande enkele car- en truckwashes aan om zich met de huidige en nieuwe Vlarem-voorwaarden in regel te stellen en stelde 1 illegale grondwaterwinning vast. Het beperken van het vers waterverbruik bij carwashes tot maximaal 80 liter per voertuig en 70% hergebruik bij bus-of truckwashes lukt in slechts de helft van de inrichtingen. Hier is voor de bedrijven zeker nog milieuwinst te boeken. De geloosde debieten van de gecontroleerde bedrijven liggen voor de meeste bedrijven in de buurt van 2 m3/u à 5 m3/u met enkele uitschieters tot 10 en 23 m3/u. Bij vier bedrijven voldeden de schepmonsters niet aan de lo-
zingsvoorwaarden (vergunnings- of sectorale). MI verbaliseerde 1 bedrijf en maande 3 bedrijven aan om zich in regel te stellen tegen 2015.
Art. 5.2.1.7. §4 van de algemene bepalingen van Vlarem II die van toepassing zijn op de inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen vermeldt het volgende: ‘De afwatering van de gebouwen, de installatie en het terrein wordt zó uitgevoerd dat de verontreiniging van het hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het niet verontreinigd hemelwater kan afvloeien of worden weggepompt. Niet verontreinigd hemelwater mag in geen geval gemengd worden met ander nog te behandelen afvalwater. Waar mogelijk wordt het hemelwater gebruikt voor de waterbevoorrading van de inrichting. Het opgevangen hemelwater wordt daartoe gestockeerd. Overtollig hemelwater wordt geloosd in oppervlaktewater. De lozing in riool kan slechts worden aanvaard indien geen lozing in oppervlaktewater mogelijk is en op voorwaarde dat het in de milieuvergunning is toegelaten’. Art. 5.2.1.7. § 5 bepaalt: ‘Verontreinigd hemelwater moet worden opgevangen en behandeld zoals het overige afvalwater van de inrichting’. Paragraaf 1 van hetzelfde artikel vermeldt dat de afvalstoffen niet buiten de daartoe bestemde behandelings- en opslagruimte mogen worden opgeslagen. MI controleerde het geloosde afvalwater of potentieel verontreinigd hemelwater op de aanwezigheid van onder andere BZV, CZV, zwevende stoffen, bezinkbare stoffen, totaal stikstof, totaal fosfor, pakket van 22 metalen en PER extraheerbare apolaire stoffen bij 22 bedrijven. De afgevoerde debieten variëren sterk en zijn erg afhankelijk van de oppervlakte van het terrein. De gecontroleerde bedrijven zijn actief in de ruime sector van de afvalverwerking (of recyclage) en andere sectoren zoals tankopslag, non ferro, betonproductie, vergisting, containerdienst, houtverwerking… De focus van de campagne lag bij bedrijven waar het
geloosde afvalwater voornamelijk afkomstig is van potentieel verontreinigd hemelwater en terecht komt in oppervlaktewater. Monsters konden enkel genomen worden na een (hevige) regenbui. Waar mogelijk nam MI meerdere monsters gespreid over het ganse jaar. Bij 8 van de 22 bedrijven stelde MI problemen vast. Vaak was de concentratie van een aantal metalen in het afvalwater hoger dan het voorgeschreven indelingscriterium (milieukwaliteitsnorm voor bedrijfsafvalwater). Ook de concentratie aan PAK’s, CZV, totaal fosfor, pH, zwevende stoffen, BZV en PER extraheerbare apolaire stoffen was in enkele gevallen te hoog. Naar aanleiding van de processen-verbaal (4) en aanmaningen (8) opgesteld door MI startten enkele bedrijven met de heraanleg van hun terrein (voorzien van opvangbekken) of met het plaatsen van een waterzuivering.
Open en gesloten industriële koelsystemen veroorzaken emissies naar het oppervlaktewater doordat onder andere additieven aan het koelwater zijn toegevoegd, uit de lucht afkomstige stoffen via de koeltoren in het koelwater terechtkomen, corrosieproducten ontstaan door corrosie van de koelsysteemapparatuur, proceschemicaliën en hun reactieproducten in het koelwater terecht komen en samen met het koelwater worden geloosd De BREF over ‘industriële koelsystemen’ lijst de stoffen op die de industrie gebruikt om koelwater te behandelen in open en gesloten recirculatiesystemen. Door het niet-toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) voor industriële koelingssystemen kunnen in het te lozen koelwater mogelijk stoffen aanwezig zijn die niet meer zijn toegelaten zoals bv. chroomhoudende stoffen, kwikhoudende stoffen, organometalen en mercaptobenzothiazole. Bij de routinemonsternames besteedde MI extra aandacht aan de bemonstering van afvalwater dat geloosd wordt op oppervlaktewa53
ter (rivier of kanaal) en dat voornamelijk bestaat uit koelwater. MI controleerde zowel het opgenomen water als het geloosde koelwater op de algemene voorwaarden van Vlarem (o.a. opgeloste zuurstof, pH en temperatuur), MAK’s, vluchtige organische halogeenverbindingen (VOX), 22 metalen, CZV, BZV, chloride, bromide, totaal stikstof en totaal fosfor. In totaal werden 17 bedrijven gecontroleerd waarvan 16 ‘continu’ koelwater lozen en 1 in batch. De debieten variëren van ongeveer 100 m3/u tot meer dan 5000 m3/u. Bij 4 bedrijven werden overschrijdingen vastgesteld, onder andere voor de parameters temperatuur, koper, nikkel, PAK’s, MAK’s en DPS (difenylsulfon). MI trof geen van de verboden stoffen uit de BREF aan. MI maande deze 4 bedrijven aan om de nodige maatregelen te treffen en maakte PV op voor 2 van hen. 1 van de 4 bedrijven gebruikt een biocide dat niet op de Belgische markt mag worden verkocht. Hierover nam MI contact op met de bevoegde federale overheidsdienst.
De Kaderrichtlijn Water legt op dat de milieudoelstellingen voor oppervlaktewater betrekking moeten hebben op de chemische en de ecologische toestand of potentieel en voor grondwater op de kwantitatieve en de chemische toestand. Het bestaande beoordelingskader werd uitgebreid en een aantal bestaande normen werden aangepast. In dit kader is door VITO in samenwerking met VMM, Ugent en Lisec een methode uitgewerkt voor de ecotoxicologische beoordeling van de afvalwaterkwaliteit. In een aantal milieuvergunningen is als bijzondere voorwaarde opgenomen dat een ecotoxiciteitsstudie moet worden uitgevoerd op het geloosde afvalwater. Ecotoxiciteitstesten zijn relevant voor het diepgaander karakteriseren van complexe afvalwaters en meten meer rechtstreeks de mogelijke schadelijke gevolgen voor het aquatische milieu. Hierbij worden 4 soorten organismen blootgesteld aan een verdunningsreeks van het afvalwater. Als een afvalwater acuut 54
toxisch is, zal dit resulteren in een concentratie- afhankelijke sterfte van de organismen. Als meetpunt wordt de concentratie bepaald die 50% sterfte veroorzaakt . De ernst van de effecten wordt dan uitgedrukt in toxische eenheden (TU): dit is een maat voor de verdunning die nodig is om 50% sterfte te veroorzaken. Zo zal afvalwater met een toxiciteit van 10 TU 50% sterfte veroorzaken wanneer het 10 x verdund wordt. Hoe hoger het aantal TU, hoe meer acuut toxisch het afvalwater is. De toxiciteit van het afvalwater wordt uitgedrukt in 4 categorieën, nl. niet acuut toxisch (< 1 TU), weinig acuut toxisch (1-10 TU), acuut toxisch (10-100 TU) en hoge acute toxiciteit (> 100 TU). MI liet bedrijfsafvalwater van 10 bedrijven testen op de 4 organismen: Vibrio fischerie (zoutwater bacterie die spontaan licht geeft; 30 min. blootstelling; inhibitie van de lichtintensiteit), Pseudokirchneriella subcapitata (eencellige groene microalgen; 72 h blootstelling, inhibitie van de groeisnelheid), Daphnia Magna (watervlo; 48 h blootstelling, sterfte), Oncorhynchus mykiss (forel; 96 h blootstelling, sterfte). Een randvoorwaarde bij 3 van de organismen is het zoutgehalte van het bedrijfsafvalwater. Een hoog zoutgehalte veroorzaakt op zich namelijk al acute toxiciteit in vis, alg en watervlo. Alleen de test met Vibrio fischerie levert dan extra informatie op over de acute toxiciteit door andere componenten dan zout in het afvalwater. De gecontroleerde bedrijven zijn actief in de sectoren chemie (5 bedrijven), afvalverwerking/tankcleaning (3 bedrijven), voeding (1 bedrijf) en papier (1 bedijf). Bij de helft van de bedrijven is een ecotoxiciteitsstudie als bijzondere voorwaarde in de milieuvergunning opgelegd. Bij deze bedrijven werd nagegaan of de studie, uitgevoerd door het bedrijf, gelijkaardige resultaten oplevert als deze onaangekon‐ digde controletesten. De 5 andere bedrijven zijn geselecteerd op basis van hun type afvalwater of de complexiteit ervan of omdat MI er regelmatig normoverschrijdingen vaststelt. Alle gecontroleerde bedrijfsafvalwaters leverden resultaten op in de categorieën ‘niet
acuut toxisch’ en ‘weinig acuut toxisch’. Deze resultaten zijn vergelijkbaar met eerdere uitgevoerde analyses in Vlaanderen in de periode 2011 - 2012. TU <1 Verdeling van resultaten van de MI campagne 2012 Procentuele verdeling van de resultaten van de MI campagne 2012 Procentuele verdeling van de resultaten van labostudies in de periode 2011-2012 (gegevens VITO)
In de volgende tabel worden alle resultaten weergegeven per toxiciteitseenheid en vergeleken met resultaten van andere studies.
1-2
2-5
5-10
>10
22
9
5
4
0
58%
20%
12%
10%
0%
62%
21%
12%
4%
1%
Eind 2010 paste de Vlaamse Regering de lijst van stoffen en hun bijhorende milieukwaliteitsnorm aan. Voor bedrijfsafvalwater werd de term ‘indelingscriterium GS’ (IGS) in het leven geroepen in plaats van de vroegere milieukwaliteitsnorm. Het IGS geeft voor elke gevaarlijke stof uit de lijst van bijlage 2.3.1. van Vlarem II (een 200-tal stoffen) aan vanaf welke concentratie het afvalwater moet worden beschouwd als ‘bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen’. Dit wil zeggen dat vanaf die concentratie het bedrijf een vergunning nodig heeft voor het lozen van die bepaalde stof. Bij sommige van de gevaarlijke stoffen ligt het IGS lager dan de rapporteringsgrens (RG) (boven die concentratie is de stof kwantificeerbaar in het afvalwater) en zal deze laatste als concentratie gelden vanaf wanneer een parameter moet zijn opgenomen in de vergunning. Omdat in de lijst van bijlage 2.3.1. voor een groot aantal stoffen een indelingscriterium was opgenomen waar er voordien geen milieukwaliteitsnorm was, kregen de bedrijven via een overgangsmaatregel 6 maanden de tijd om hun lozingsvergunning te laten aanpassen (tot medio 2011). MI nam in de planning van 2012 op dat er bij elke eerste monstername een analyse zou gebeuren op alle metalen die in bijlage 2.3.1. zijn opgenomen. Het gaat om een reeks van 22 metalen nl. antimoon, arseen, barium, beryllium, boor, cadmium, chroom, kobalt, koper,
kwik, lood, molybdeen, nikkel, seleen, tellurium, thallium, tin, titaan, uranium, vanadium, zilver en zink. Lood en nikkel behoren tot de lijst van prioritaire stoffen, kwik en cadmium zijn prioritair gevaarlijke stoffen. In de bijgevoegde tabel is aangegeven hoeveel analyses MI liet uitvoeren per metaal. Bij de beoordeling van de analyseresultaten bracht MI de meetonzekerheid, zoals die is opgenomen in bijlage 4.2.5.2. van Vlarem II, in rekening. Voor elk metaal is het IGS en de bijhorende RG aangegeven en in een volgende kolom het aantal analyses (percentage tussen haakjes) waarbij een overschrijding werd vastgesteld. Bij elke overschrijding werd nagegaan of de parameter was opgenomen in de lozingsvergunning en of aan de lozingsvoorwaarde werd voldaan. In totaal verbaliseerde MI een 60-tal bedrijven, maande een 50-tal bedrijven schriftelijk aan om zich in regel te stellen en legde 2 bestuurlijke maatregelen op. MI zal de bedrijven waar in 2012 een overschrijding van het IGS of de norm werd vastgesteld in 2013 nauwgezet blijven opvolgen.
55
antimoon - totaal arseen - totaal barium - totaal beryllium - totaal boor - totaal cadmium - totaal chroom - totaal chroom 6+ kobalt - totaal koper - totaal kwik - totaal lood - totaal molybdeen - totaal nikkel - totaal seleen - totaal telluur - totaal thallium - totaal tin - totaal titaan - totaal uranium - totaal vanadium - totaal zilver - totaal zink - totaal
totaal aantal analyses
IGS (RG) (μg/l)
aantal overschrijdingen van IGS (of RG)
vergund en de gemeten concentratie (conc. min fout) beneden de norm (%)
niet vergund (%)
norm vergunning overschreden (%)
1072 1196 1047 989 1154 1254 1281 202 1113 1334 587 1282 1080 1298 1058 1005 1005 1031 1049 997 1061 1174 1373
100 (20) 5 (15) 70 (10) 0,1 (-) 700 (200) 0,8 (2) (10) 50 (10) 0,6 (10) 50 (25) 0,3 (0,25) 50 (25) 350 (20) 30 (10) 3 (5) 100 (-) 0,2 (-) 40 (40) 100 (20) 1 (-) 5 (-) 0,4 (10) 200 (25)
20 (1,9 %) 41 (3,4%) 138 (13,2%) 3 (0,3%) 241 (20,9%) 40 (3,2%) 68 (5,3%) 7 (3,5%) 80 (7,2%) 196 (15%) 24 (4,1%) 44 (3,4%) 28 (2,6%) 160 (12,3%) 56 (5,3%) 1 (0,1%) 8 (0,8%) 30 (2,9%) 70 (6,7%) 11 (1,1%) 110 (10,4%) 14 (1,2%) 259 (18,9%)
1,8 2,5 7,2 0,1 15,6 1,4 4,2 2,5 4,7 10,6 2,4 2,0 2,1 10,1 3,0 0,0 0,2 1,5 1,8 0,2 3,0 0,9% 13,3%
0,1 0,9 5,7 0,2 4,9 1,2 0,7 0,5 2,3 2,8 1,4 0,9 0,5 1,9 2,2 0,1 0,6 1,2 4,5 0,9 7,3 0,3% 4,1%
0 0 0,3 0 0,4 0,6 0,4 0,5 0,2 1,3 0,3 0,5 0 0,3 0,1 0 0 0,3 0,4 0,0 0,1 0,0% 1,5%
De resultaten van de campagne leren dat: - ook voor de metalen waar voorheen al een milieukwaliteitsnorm bestond (koper, lood, zink, chroom, nikkel, arseen, ijzer, mangaan, selenium, barium, cadmium, kwik), en waar MI in 2007 en 2008 al een campagne rond voerde, nog heel wat lozingsvergunningen ontoereikend zijn. Waarschijnlijk hebben de bedrijven te weinig rekening gehouden met het feit dat een aantal IGS strenger zijn dan de vroegere MKN. - een aantal metalen bijna niet in bedrijfsafvalwater voorkomen zoals beryllium, telluur, thallium, uranium en zilver. - de overschrijding van het IGS voor titaan vooral te wijten is aan het voorkomen van TiO2, wat volgens de beschikbare literatuur niet als gevaarlijk wordt beschouwd. MI heeft hiermee rekening gehouden bij de beoordeling van de resultaten. - het voorkomen van vanadium in het afvalwater te wijten zou kunnen zijn aan het gebruik van FeCl3 dosering in de waterzuivering. 56
- de concentratie aan boor in meer dan 20% van de monsternames boven het IGS zit. Dat o.a. grondwater een bron is van boor en dat boor zeer moeilijk te verwijderen is met de huidige BBT-waterzuiveringstechnieken.
Controles op vraag van VMM In 2012 voerde MI op vraag van VMM controles uit bij 81 bedrijven. Meestal zijn deze bedrijven al opgenomen in de planning van de routinemonsternames en plant MI een of meerdere extra controles naar aanleiding van de specifieke vaststellingen van VMM. Dit kan gaan over opmerkingen over de meetconstructie, lozingen met een negatieve impact op het ontvangende oppervlaktewater en vragen bij de naleving van de lozingsvoorwaarden.
Camera-inspecties van riolering In 2012 liet MI op of rond vier bedrijven een rioolcamera-inspectie van de riolering uitvoeren. Voedingsbedrijven onder Richtlijn 91/271/EEG. Sinds 2001 volgt MI de lozingssituatie bij de voedingsbedrijven die meer dan 4000 IE lozen nauwgezet op gezien hun grote impact op het watersysteem bij een eventuele calamiteit en het feit dat de helft van deze bedrijven onder de GPBV-richtlijn valt. Bij de 85 betrokken bedrijven liet MI in totaal 220 monsters (twee of drie monsters per bedrijf) analyseren. Bij een vijfde van de monsters stelde MI één of meer overschrijdingen vast van de lozingsnormen. De resultaten tonen aan dat er geen verdere verbetering is en dat regelmatige controle en handhaving nodig blijft. Lozing van gevaarlijke stoffen MI zette de acties rond broomvlamvertragers, perfluortensiden, dioxines en furanen in 2012
verder. De voorbije jaren is er heel wat gesaneerd en waar nodig genormeerd via de wetgeving of de vergunning. In aparte campagnes controleerde MI de lozing van 20 bedrijven op broomvlamvertragers, 35 bedrijven op perfluortensiden en 12 bedrijven op dioxinen en furanen. De gecontroleerde bedrijven voor perfluortensiden en dioxinen en furanen loosden alle conform de lozingsvergunning of de sectorale voorwaarden. De resultaten van de broomvlamvertragers tonen aan dat de traditionele brandvertragers nog zelden boven de norm worden geloosd. De volgende jaren zal MI de focus verschuiven van de ‘traditionele’ brandvertragers naar de ‘nieuwe’ brandvertragers. Het kwantitatief bepalen van enkele van deze ‘nieuwe’ stoffen in het afvalwater blijkt momenteel het grootste struikelblok. De resultaten van de campagne van 2012 tonen aan dat tetrabroombenzoaat vier keer is gedetecteerd boven de bepalingsgrens, bis (2-ethyl-1-hexyl) tetrabroomftalaat en BDE 183 slechts één keer.
Sanering van de lozing van bedrijfsafvalwater van een bedrijf voor productie van huishoudproducten Het bedrijf in kwestie produceert huishoudelijke reinigingsmiddelen (detergenten, allesreinigers en gerelateerde producten). Hiervoor beschikt het over productie‐ en opslaginstallaties. Eén van de productielijnen levert pro‐ ducten op basis van natriumhypochloriet (javel). Het bedrijfsafvalwater bestaat hoofdzakelijk uit spoelwater, omdat na elke batch de mengkuipen, buffertanks en afvullijnen moeten gereinigd worden. Er wordt dagelijks circa 100 m³ bedrijfsafvalwater geloosd, na zuivering in een biologische waterzuiveringsinstallatie. Het afvalwa‐ ter heeft een verblijftijd van circa 2 weken in die WZI. Voorlopig is de lozing nog aangesloten op de RWZI van Aquafin. In augustus 2008 werd het volledige bedrijf hervergund en werd op vraag van het bedrijf een lozingsnorm (van 25 µg/l) voor chloroform (=trichloormethaan) ingevoerd als bijkomende bijzondere voorwaarde. Voorheen was er geen norm hiervoor opgenomen in de lozingsvergunning, en de sectorale lozingsnormen van bijlage 5.3.2.56 van Vlarem II voorzien evenmin in een specifieke emissiegrenswaarde voor deze parameter. Chloroform wordt in het productieproces niet gebruikt, maar ontstaat waarschijnlijk in de waterzuivering door de reactie van or‐ ganische verbindingen met het natriumhypochloriet. MI controleert deze lozing minstens jaarlijks. Bij de staalnames door MI in mei en augustus 2011 werd de lo‐ zingsnorm voor chloroform gerespecteerd. Eind 2011 werd echter vastgesteld dat het chloroform‐gehalte in het effluent de norm overschreed met een factor 3. Aangezien chloroform een prioritaire stof is, waarvoor conform het decreet Integraal Waterbeleid maatregelen moeten getroffen voor een progressieve vermindering in de oppervlaktewateren, heeft MI deze lozing nader onderzocht. Het bedrijf werd aangemaand om: ‐ de mogelijke oorzaken van deze overschrijding te onderzoeken, ‐ saneringsmaatregelen te nemen
57
‐
de chloroform‐concentratie in het effluent wekelijks te laten analyseren.
Het bedrijf heeft deze problematiek direct ten gronde aangepakt. Er waren enkele hypothesen voor de aanwe‐ zigheid van het chloroform, o.a. het gebruik (en navolgende lozing) van deze stof in het eigen laboratorium. Maar dat bleek al snel een foute hypothese. De lange verblijftijd van het afvalwater in de biologie bemoeilijkte wel het onderzoek, want het resultaat van een maatregel kon slechts na 3 weken gemeten en beoordeeld wor‐ den. Een end‐of‐pipe techniek toepassen werd al snel als mogelijke oplossing verlaten, gezien het grote debiet en de geringe te verwijderen vuilvracht aan chloroform. Uiteindelijk werd beslist het afvalwater van de 1e spoeling (dus de sterkst met javel verontreinigde stroom) een tijdje op te vangen en het effect daarvan op de lozingsconcentraties te monitoren. Toen bleek al snel dat deze stroom aan de bron van het probleem lag. Maar deze stroom permanent opvangen en afvoeren was financieel niet haalbaar. Een verbeterteam werd opgericht om de grootste javel‐verliesposten te identificeren en maatregelen voor te stellen om de spoelverliezen tussen 2 producties en de overgangsverliezen tussen 2 afvullingen sterk terug te dringen, dit door aanpassingen in de sturing van de spoelingen en door wijzigingen in de herwerkingssystemen. Bij dit alles werd uiteraard ook het aspect “productkwaliteit” geëvalueerd, gezien te allen tijde een kwalitatief product moet kunnen geleverd worden.
Het verbeterteam slaagde erin door aanpassingen in de productie, spoeling en herverwerking het javel‐verlies terug te dringen van 20 ton naar 0.8 ton afgewerkt bleekwater per maand (0,8% naar 0,03%). Hierdoor werd de instroom van javel naar de biologische WZI gereduceerd en werd vastgesteld dat ook de effluentconcentraties evenredig daalden. Zowel de metingen van het bedrijf in het kader van de (opgelegde) zelfcontrole als de me‐ tingen van MI in de 2e helft van 2012 toonden aan dat de uitgevoerde maatregelen het nodige resultaat ople‐ veren. Deze bronmaatregel heeft er niet enkel voor gezorgd dat de lozingsnormen worden gerespecteerd en er dus milieuwinst is opgeleverd, maar ook dat er significant minder grondstof verspild wordt, wat een permanente kostenbesparing van grootteorde +/‐ 3.000 €/maand heeft opgebracht. Een mooi voorbeeld van een win‐win‐verhaal. De manier waarop het bedrijf deze problematiek heeft aange‐ pakt, toont aan dat het heeft gehandeld volgens de filosofie van zijn (ISO14001‐gecertificeerd) milieuzorgsys‐ teem.
58
In het milieuthema “lucht” wordt een onderscheid gemaakt tussen drie types emissies naar de omgevingslucht naargelang de wijze waarop deze emissies gebeuren: geleide, diffuse en fugitieve emissies. Bedrijven lozen stoffen in de lucht die ontstaan tijdens verbrandingsprocessen of productieprocessen. Die verbrandingsgassen of procesgassen worden opgevangen en via leidingen naar een zuiveringsinstallatie gestuurd. De uitstoot naar de lucht gebeurt via welgekende punten zoals een schoorsteen. Dit worden 'geleide' emissies genoemd. Daarnaast kunnen heel wat polluenten naar de lucht ontsnappen zonder een welgekend en goed beheerd emissiepunt te passeren, denk maar aan opwaaiend materiaal van opslaghopen of stuivende componenten die ontstaan bij mechanische verkleiningsprocessen. Deze emissies via ongecontroleerde verplaatsing door de lucht worden 'diffuus' genoemd. Het gaat hierbij voornamelijk om (fijn) stof en polluenten die vastzitten op dat stof o.a. zware metalen, dioxinen en furanen, PCB’s,… 'Fugitieve' emisies ten slotte zijn emissies die de lucht ingaan via ongewilde vervluchtiging. Het gaat hierbij dus om stoffen met een lage dampspanning, de Vluchtige Organische Stoffen (VOS). Ze ontsnappen bij activiteiten die solventen gebruiken, uit pompen, flenzen, verbindingsstukken,… van leidingen in productieprocessen met VOS, bij het overtanken van bv. benzine van een schip naar een opslagtank en verder naar een tankwagen en in benzinestations aan de pomp. Het gedeelte ‘Lucht’ van dit milieuhandhavingsrapport geeft de resultaten van de acties van MI in 2012 voor de drie types emissies. Het milieuthema “lucht” hecht verder bijzondere aandacht aan emissies die hinderlijke geuren ver-
oorzaken. Een laatste deel onder het gedeelte “lucht” van dit rapport geeft aan welke acties MI in 2012 ondernam om onaanvaardbare geurhinder te bestrijden. Tenslotte besteedt het milieuthema “lucht” ook aandacht aan mondiale lucht gerelateerde problemen nl. de kwetsbaarheid van de ozonlaag en de opwarming van de aarde.
Routine-emissiemetingen lucht In september 2008 sloot MI een contract af met een laboratorium erkend in de discipline lucht voor het uitvoeren van emissiemetingen op de schoorstenen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties. Aangezien dit contract werd afgesloten voor een periode van één jaar met de mogelijkheid om deze opdracht aaneensluitend drie keer met één jaar te verlengen, werden de emissiemetingen in 2012 dus tijdens de derde en laatste verlenging uitgevoerd. De emissiemetingen werden, net zoals de voorbije jaren, ingedeeld in twee percelen waarbij het eerste perceel specifiek gericht is op de uitvoering van emissiemetingen bij installaties met een potentieel beduidende dioxine-uitstoot. Het tweede perceel omvat een basismeting die aangevuld kan worden met vijf type-metingen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de parameters die in deze pakketten zijn opgenomen. Op vraag van MI kunnen er per pakket extra parameters worden gemeten. Bij iedere meting worden de referentieparameters rookgasdebiet, temperatuur, druk, O2-gehalte, CO2gehalte en H2O-gehalte bepaald.
59
Overzicht van mogelijke emissiemetingen Perceel I Verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen een significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is. Post 1 - Stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC, Hg - Metalen in de stoffractie - Metalen in gasvormige toestand - Dioxinen en furanen Post 2 - Stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC, Hg - Dioxinen en furanen Perceel II Verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen geen significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is. Post 1 Grote verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties - Stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC, Hg - Metalen in de stoffractie - Metalen in gasvormige toestand Post 2 Installaties met potentieel significante emissies van verzurende verbindingen - Stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, TOC Post 3 Verbrandingsinstallaties gevoed met biomassa en naverbrandingsinstallaties Stof, CO, SO2, NOx, HCl, TOC Post 4
Installaties met potentieel significante emissies van vluchtige organische stoffen - TOC - Aromatische koolwaterstoffen - Ketonen - Esters - Alifatische halogeenkoolwaterstoffen
Dankzij het afsluiten van dergelijke contracten heeft MI de mogelijkheid om op eenvoudig verzoek emissiemetingen uit te voeren daar waar zij dit nodig acht. Hierdoor kan bovendien snel en gevat worden gereageerd op acute situaties. Onderstaande tabel en figuur geven een indruk van het aantal en de aard van emissiemetingen die MI in het kader van de derde verlenging van dit contract in 2012 heeft laten uitvoeren. In navolging van de voorgaande jaren is in 2012 opnieuw bijzondere aandacht gegaan naar de uitstoot van biomassaafvalverbrandingsinstallaties. Verder werden
60Â Â
ook nog emissiemetingen uitgevoerd bij ferroen non-ferrobedrijven, shredders, crematoria, steenbakkerijen, chemiebedrijven, elektriciteitscentrales en afvalverbrandingsinstallaties. Overzicht van het aantal gecontroleerde installaties in 2012 Perceel I 64 Perceel II 68 Totaal 132
Aandeel van de verschillende parameterpakketten gebruikt voor de luchtemissiemetingen op perceel I en II in 2012 Perceel II post 4 16%
Perceel I post 1 41%
Perceel II post 3 21%
Perceel II post 2 8%
Perceel II post 1 8%
Onderstaande tabel geeft voor de belangrijkste parameters een overzicht van het aantal beduidende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden dat bij het uitvoeren van deze
Perceel I post 2 6%
emissiemetingen in 2012 werd vastgesteld. Er werden voornamelijk overschrijdingen van de emissiegrenswaarden voor de parameters stof, CO en dioxinen en furanen genoteerd.
Overzicht van het aantal overschrijdingen van de emissiegrenswaarden per verontreinigende stof Parameter Perceel I Perceel II Totaal Stof 3 6 9 CO 10 3 13 SO2 0 0 0 NOx 1 0 1 KWS 2 3 5 HCl 1 0 1 HF 0 0 0 Metalen 1 0 1 Hg 1 0 1 Dioxinen en furanen 8 n.v.t. 8 voldoen aan de emissiegrenswaarden. Als de Bij installaties waar via de emissiemetingen emissiegrenswaarden in belangrijke mate of werd vastgesteld dat de emissiegrenswaarden herhaaldelijk werden overschreden legde MI niet werden nageleefd, stelde MI een proceseen bestuurlijke maatregel op (regularisatieverbaal op en werden de nodige aanmaningen bevel of stakingsbevel). gegeven om maatregelen te nemen om te 61
Controle op de zelfcontrole lucht De controle van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht is hoofdzakelijk gebaseerd op de uitvoering van het Vlarem IIprogramma inzake zelfcontrole. Deze controle kan, naargelang het geval, bestaan uit continue metingen met vast opgestelde meetapparatuur, puntmetingen door een erkend laboratorium of door het bedrijf zelf of door het toepassen van een aantal alternatieve bepalingswijzen (berekeningen, massabalansen, …). De praktijk wijst uit dat een geregelde controle van deze zelfcontrole belangrijk is om de bedrijven ertoe aan te zetten hun emissies met de vereiste frequentie en de vereiste nauwkeurigheid te blijven bepalen. In overeenstemming met het compendium lucht wordt bij de schouwen met een diameter groter dan 1,1 meter nagegaan of er een homogeniteitsbepaling is gebeurd in het geval éénpuntsmetingen worden uitgevoerd voor gasvormige componenten. MI voerde in 2012 de controle van de zelfcontrole lucht uit bij installaties van o.a. steenbakkerijen (27), crematoria (8), gieterijen en smelterijen (24), asfaltcentrales (15) en biomassa-afvalverbranders en spaanplaatbedrijven (samen 117). In het kader van deze handhavingsactie stelde MI 9 processenverbaal op en gaf ze 9 aanmaningen. Emissiemetingen bij biomassaafvalverbrandingsinstallaties MI heeft tijdens de meetcampagnes, uitgevoerd in de periode 2006-2011 bij biomassaafvalverbrandingsinstallaties, heel wat overschrijdingen van de emissiegrenswaarden en het niet-naleven van de zelfcontrolemeetverplichtingen vastgesteld. In 2012 liet MI opnieuw meetcampagnes uitvoeren door een erkend laboratorium in de discipline lucht bij 40 installaties, rekening houdend met een in 2010 geactualiseerde interne onderrichting. Simultaan met de luchtemissiemetingen werd standaard een houtafvalmonster geanalyseerd en controleerde MI of de exploitanten van deze installaties de zelfcontroleverplichtingen nageleefd hadden. MI stelde bij 21 van de 40 installaties (52.5%) vast dat de emissiegrens62
waarde voor één of meerdere parameters werd overschreden. Het grootste aantal overschrijdingen werd vastgesteld voor de parameters CO (11), dioxinen en furanen (8) en stof (6). De resultaten van de meetcampagne tonen aan dat bij 11 installaties (27,5%) houtafval werd verbrand dat niet voldeed aan de samenstellingscriteria van art.5.2.3bis.4.14.§1 van Vlarem II voor niet verontreinigd behandeld houtafval. Bij 10 van de 40 installaties (25%) werden er geen, onvolledige of niet het vereiste aantal zelfcontrolemetingen op de rookgasemissies uitgevoerd. Bij deze handhavingsactie stelde MI 18 processen-verbaal op en gaf zij 19 aanmaningen. Aan één bedrijf werd een bestuurlijke maatregel opgelegd. Uit de reeds uitgevoerde meetcampagnes valt op dat de oorsprong van de concentraties aan verontreinigende stoffen in de rookgassen van biomassa-afvalverbrandingsinstallaties niet altijd eenduidig af te leiden is. Toch kan er geconcludeerd worden dat de concentraties van de polluenten in belangrijke mate afhankelijk zijn van de brandstofkwaliteit, het verbrandingsproces en de aanwezigheid van een of meerdere performante rookgasreinigingstechnieken. Overschrijdingen samenstellingstellingsvoorwaarden houtafval A-waarde B-waarde As 3 1 Cu 0 1 Pb 1 2 Cr 1 0 F 2 1 Cl 4 0 PCP 1 0 B-a-P 1 0 Totaal 11 5
Overzicht van het aantal overschrijdingen van de emissiegrenswaarden per verontreinigende stof bij biomassa-afvalverbrandingsinstallaties Parameter Perceel I Perceel II Totaal Stof 3 3 6 CO 8 3 11 SO2 0 0 0 NOx 1 0 1 KWS 1 0 1 HCl 0 0 0 HF 0 0 0 Metalen 0 0 0 Hg 0 0 0 Dioxinen en furanen 8 n.v.t. 8
Fijn stof is naast ozon momenteel één van de belangrijkste veroorzakers van luchtvervuiling, zeker in het Vlaams Gewest. Inademing van fijn stof, de PM10-fractie (en vooral PM2,5) in zwevend stof in de lucht heeft dermate nadelige effecten op de gezondheid dat een Vlaming hierdoor naar schatting ongeveer 15 levensmaanden inboet. De aanpak van fijn stof staat centraal in het Europees beleid tegen luchtverontreiniging dat normen voor PM2,5 vastlegde in richtlijn 2008/50. Vlaanderen slaagt erin deze normen te respecteren. Naast de normen voor PM2,5 zijn in richtlijn 1999/30/EG ook normen bepaald voor PM10, die opgenomen zijn in Vlarem II en reeds gelden sinds 2005. De jaargemiddelde norm bedraagt 40 μg/m³; de daggemiddelde norm van 50 μg/m³ mag maximaal 35 keer op een jaar worden overschreden. De voorbije jaren werden op heel wat Vlaamse meetposten te veel overschrijdingen van de EU-daggrenswaarden vastgesteld. Als gevolg hiervan werden diverse actieplannen opgesteld en goedgekeurd, waaronder in 2007 het ‘Actieplan aanpak fijn stof in industriële hotspotzones’ voor de Gentse kanaalzone, Ruisbroek, Roeselare en Oostrozebeke. Voorafgaand aan dit actieplan werd in 2006 een studie uitgevoerd naar de redenen van overschrijding in
deze zones, en mogelijke bijkomende maatregelen. MI is betrokken bij de uitvoering van tal van actiepunten uit het actieplan. In 2008 werd er een gelijkaardig actieplan goedgekeurd voor de haven van Antwerpen. Dankzij een daling van de algemene PM10achtergrondconcentratie en de uitvoering van de diverse actieplannen zijn de PM10concentraties op de diverse locaties gedaald. Toch worden de PM10 daggrenswaarden op heel wat plaatsen nog overschreden. De Europese Commissie heeft aan Vlaanderen geen uitstel verleend voor het behalen van de luchtkwaliteitsnormen voor PM10 en heeft een inbreukprocedure opgestart voor de luchtkwaliteitszones met meetpunten in overschrijding. In 2012 schreef VITO een studie uit om de oorzaken van de overschrijdingen in de hotspotzones verder te analyseren en een evaluatie uit te voeren van de meetpunten in overschrijding te Vilvoorde en te Zwevegem, zones die nog geen deel uitmaakten van eerder onderzoek en nog niet aan bod kwamen in eerdere actieplannen. MI pakt de afgelopen jaren de industriële PM10emissies aan door tal van bedrijven in hotspotzones stofactieplannen op te leggen. Hierin moesten de bedrijven specifieke maatregelen opnemen en uitvoeren om onder meer diffuse emissies te bestrijden. Indien nodig stelde MI in een gemotiveerd verzoek aan de vergun63
ningverlenende overheid voor om specifieke bijzondere voorwaarden in de milieuvergunning te laten opnemen. De uitvoering van deze voorwaarden door de bedrijven werd achteraf door MI gecontroleerd. Het opleggen van de stofactieplannen en het toezien op de correcte uitvoering ervan vormde ook in 2012 de hoeksteen van de inspanningen van MI voor de bestrijding van fijn stof bij industriële inrichtingen. MI controleerde een aantal prioritaire bedrijven op de implementatie van Vlarem-, vergunnings- en BBT-maatregelen ter beperking van stofemissies, controleerde de uitvoering van reeds opgelegde maatregelen en bepaalde nog verder op te leggen stofmaatregelen en/of voor te stellen bijzondere voorwaarden. Een belangrijk knelpunt in de handhaving wanneer het gaat over diffuse emissies van fijn stof, is het relatief beperkte reglementair kader waarover MI beschikt. Om de wetgeving op dit vlak te verbeteren is sinds geruime tijd een initiatief aan de gang waarbij diverse overheidsdiensten en industriële sectoren betrokken zijn. MI was hierin als rechtstreeks betrokken partij mee actief door inhoudelijke bijdragen te leveren op basis van terreinervaring. De nieuwe wetgeving wordt opgenomen in Vlarem en treedt in 2013 in voege. Naast de bestrijding van fijn stof in de hotspotzones schenkt MI ook de nodige aandacht aan de verspreiding van zware metalen naar de lucht via zwevend en neervallend stof. De opname van zware metalen in het organisme gebeurt via ademhaling en voeding. Zware metalen zijn schadelijk voor de gezondheid. De inspanningen die MI en de industrie tot hiertoe deden, hebben geleid tot een positieve evolutie in de meetresultaten, maar inspanningen blijven noodzakelijk, zeker met het oog op een verstrenging van diverse normen eind 2012.
64
Controle VOS-emissies bij solventverbruikende bedrijven Activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen (zoals drukkerijen, textiel…) moeten voldoen aan specifieke emissiegrenswaarden of aan de eisen van een equivalent reductieprogramma (Vlarem II, Hoofdstuk 5.59). Deze bedrijven moeten jaarlijks een solventboekhouding of ‘VOS-document’ opmaken. Deze solventboekhouding moet informatie verschaffen over het gebruik van organische oplosmiddelen door het bedrijf. Uit het document moet duidelijk zijn of de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn, gerespecteerd worden. In 2012 werd bij een tiental bedrijven uit verschillende sectoren de solventboekhouding gecontroleerd. Er werd nagegaan of een solventboekhouding werd opgemaakt, of die de nodige informatie bevatte en of de wettelijke vereisten voor het uitvoeren van emissiemetingen en de emissiegrenswaarden nageleefd werden. In het kader van deze handhavingsactie stelde MI 1 proces-verbaal op en gaf 6 aanmaningen. Er werd een proces-verbaal opgesteld voor het niet-naleven van de emissiemeetverplichting en het ontbreken van een duidelijke solventboekhouding. Er werden aanmaningen verstuurd omwille van diverse vastgestelde tekortkomingen in de solventboekhouding zoals het overschrijden van het vergund solventgebruik. Damprecuperatie fase 2 Bij tankstations met een benzinedoorzet van meer dan 100 m³ per jaar moet bij de benzineverdeelpompen een damprecuperatiesysteem fase 2 aanwezig zijn. Het damprecuperatiesysteem fase 2 zorgt ervoor dat bij het tanken de dampen terug naar de opslagtank gezogen worden en niet worden geëmitteerd. In 2012 werd bij 142 tankstations de werking van het damprecuperatiesysteem fase 2 getest met behulp van een sneltester. Deze sneltester wordt vóór het tanken op het vulpistool ge-
plaatst en produceert tijdens het tanken een fluittoon wanneer het damprecuperatiesysteem correct werkt. Uit de controles bleek dat bij 15 procent van de tankstations het damprecuperatiesysteem fase 2 niet naar behoren werkte. Deze bedrijven werden aangemaand om een goede wer-
king van het damprecuperatiesysteem fase 2 te verzekeren. Er werd doorgaans nadien een nieuwe controle uitgevoerd door MI om na te gaan of het damprecuperatiesysteem effectief werd hersteld.
Diffuse emissies In 2005 toonde een reeks meetresultaten van VMM hoge concentraties aan nikkel en chroom in zwevend stof (PM10) aan in de omgevingslucht ter hoogte van een staalbedrijf. Datzelfde jaar legde een Europese Richtlijn voor nikkel in PM10-stof in de omgevingslucht een streefwaarde vast van 20 ng/m³, geldig vanaf 31 december 2012. Er werd vastgesteld dat deze streefwaarde voor nikkel ruim overschreden werd. MI startte toen een uitgebreid onderzoek bij bedrijven in de buurt van de VMM-meetposten die de oorzaak konden zijn van deze verhoogde waarden. Hierbij werd in de eerste plaats de bijdrage van het nabijgelegen staalbedrijf onderzocht, maar ook andere potentiële bronnen in de omgeving werden gescreend. Het onderzoek van MI omvatte een controle van de zelfcontrolemetingen die een aantal bedrijven moesten uitvoeren, aangevuld met eigen emissiemetingen door een erkend labo, in opdracht van MI. Zowel bij de controle van de zelfcontrole als bij de emissiemetingen die MI zelf liet uitvoeren werden geen normoverschrijdingen van stof of stofvormige zware metalen vastgesteld. Uit onderzoek van de emissiegegevens van de verschillende bedrijven en uit evaluatie van de pollutierozen van de meetstations van VMM bleek ondertussen dat de prioritaire aandacht inzake zware metalen naar het staalbedrijf moest gaan. MI vroeg aan het bedrijf om een actieplan op te stellen om met de beste beschikbare technieken de geleide en diffuse emissies te voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Een modelleringsstudie, die het bedrijf liet uitvoeren door een erkend deskundige lucht, wees toen uit dat vooral diffuse emissies zouden bijdragen tot de gemeten concentraties van nikkel in de omgevingslucht. Op basis van deze conclusie werden in het voorgestelde actieplan de significante diffuse stofbronnen in kaart gebracht en mogelijke saneringsmaatregelen bepaald. Vervolgens nam het bedrijf verschillende technische en organisatorische maatregelen om de verspreiding van diffuse emissies te beperken, met in 2008 de volledige overkapping van de slakkenbox als belangrijkste realisatie. De uitgevoerde maatregelen leidden tot een daling van de concentratie aan nikkel in de omgevingslucht, maar de Europese streefwaarde van 20 ng/m³ werd in een aantal meetposten rondom het bedrijf nog steeds niet gehaald. Ondertussen werd deze Europese streefwaarde voor nikkel ook opgenomen in de Vlarem II-wetgeving, samen met de streefwaarden voor cadmium, arseen en benzo-a-pyreen. Om de haalbaarheid van een verdere sanering te onderzoeken deed het staalbedrijf een beroep op de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO). De studie van VITO focuste zich op een bronnenonderzoek op het bedrijfsterrein inzake uitstoot van nikkel en chroom, waarbij naast de gekende bronnen ook gezocht werd naar nog onbekende bronnen, zowel geleid als diffuus. Naast het in kaart brengen van emissies en immissies beoogde de studie het bepalen van bijkomende maatregelen om de nikkel- en chroomconcentraties in de omgevingslucht te verminderen. In 2010 werd deze VITO-studie afgerond. Deze studie nuanceerde een aantal vroegere bevindingen door te stellen dat de bijdrage van diffuse emissies door wegwaai van materiaal eerder een beperkte bijdrage levert tot de gemeten immissieconcentraties ter hoogte van de meetposten. Er werd aangetoond dat er nog andere fenomenen zijn die een belangrijke rol spelen om die immissiesituatie te kunnen verklaren, zoals het fenomeen van ‘building downwash’, een verstoring van de verspreiding van emissies door de invloed van gebouwen, waardoor op kortere afstand hogere concentraties worden gegenereerd. Uit een BBT toetsing bleek dat de gekende geleide emissies bij het staalbedrijf daar ruimschoots aan voldoen, en bijgevolg geen reductiepotentieel meer hebben. Op basis van verder bronnenonderzoek en berekeningen formuleerde VITO toch twee saneringsmaatregelen waardoor het bedrijf zijn milieu-impact verder kon reduceren, namelijk een verhoging van de schouw van de continu-gieterij (omwille van het vastgestelde building-downwash effect), en de vervanging van luchtkoeling door waterkoeling bij de beits- en uitgloeilijn. Volgens de VITO-studie zou de uitvoering van deze maatregelen moeten leiden tot een verdere daling van de concentraties van nikkel en chroom in de omgevingslucht.
65
Het staalbedrijf voerde een investeringsprogramma uit waarbij de twee voorgestelde saneringsmaatregelen volgens een strikte planning werden uitgevoerd. Begin 2012 waren alle aanpassingen technisch gerealiseerd en konden ze procesmatig in gebruik genomen worden. De nieuwe emissiepunten werden voorzien van een continue stofmonitoring, die in het bedrijf ook al toegepast werd bij enkele andere geleide bronnen. Emissiemetingen, zowel deze uitgevoerd in het kader van zelfcontrole als de metingen die MI zelf liet uitvoeren, toonden aan dat voldaan werd aan de opgelegde emissiegrenswaarden. Maar de belangrijkste vaststelling was dat in de loop van 2012 de nikkel- en chroomwaarden in de omgevingslucht verder daalden, zodat eind 2012 kon geconcludeerd worden dat dat de gemeten nikkelconcentratie in de omgevingslucht – als jaargemiddelde waarde – in al de meetposten voldoet aan de Europese streefwaarde van 20 ng/m³.
Geurhinder is één van de vaakst voorkomende klachten waarmee de afdeling Milieu-inspectie geconfronteerd wordt. Om de milieuinspecteur te wapenen om deze specifieke reactieve controles zo goed mogelijk uit te voeren beschikt de toezichthouder over de handleiding voor de aanpak van geurklachten en -problemen. Soms is het voor een milieu-inspecteur niet simpel om op basis van eenvoudige sensorische vaststellingen, zoals beschreven in de handleiding, de geurhinder duidelijk in kaart te brengen. Daarom beschikt MI ook over de mogelijkheid om geuronderzoeken door erkende deskundigen te laten uitvoeren. Redenen om voor een geuronderzoek te kiezen zijn
o.a. bedrijven met eenzelfde geurkarakteristiek, bedrijven die de geurproblematiek niet willen onderkennen of zelfs grofweg ontkennen… In 2012 werden drie geuronderzoeken opgestart waarvan er één ook afgerond werd in 2012. De resultaten van de overige twee zijn eind 2012 nog niet gekend. In Maasmechelen werd de geursituatie rondom het industrieterrein Oude Bunders in kaart gebracht. In Aarschot wordt de hinder die ervaren wordt van een zwembadproducent opgetekend. En in Sint-Lievens-Houtem wordt nagegaan welke bijdrage de geur van een verwerker van dierlijk afval heeft op het hindergevoel in de omgeving.
Geuronderzoek op en rond het industrieterrein Oude Bunders in Maasmechelen. Omdat de omwonenden van het industrieterrein Oude Bunders in Maasmechelen verschillende klachten over geurhinder indienden, voerde VITO in opdracht van MI in de periode van april 2012 tot november 2012 een omgevingsonderzoek uit voor dit industrieterrein. Bedoeling was om een duidelijk beeld te krijgen van de relevante geurveroorzakende bedrijven op het industrieterrein en de geurimpact van deze bedrijven op de omgeving in kaart te brengen. Het omgevingsonderzoek omvatte het bijhouden van een geurdagboek door een aantal omwonenden, een telefonisch leefomgevingsonderzoek en een snuffelcampagne met daaraan gekoppeld dispersieberekeningen. Het onderzoek werd in de eerste plaats uitgevoerd rondom de bedrijven zelf: een kippenslachterij, een kaasverwerkend bedrijf, een vleesverwerkend bedrijf, een kippenbouillonfabrikant en een industriële bakkerij.
Omgevingsonderzoek Tijdens de periode van 22 mei tot 27 augustus 2012 vulden 56 vrijwilligers uit de verschillende woonwijken rondom het industrieterrein een geurdagboek in. Hierin noteerden ze drie keer per dag hun bevindingen i.v.m. de waargenomen geuren (aard van de geur, intensiteit, hinderlijkheid, bron,…). In totaal werden 11 070 waarnemingen uitgevoerd. Bij 1 331 van deze waarnemingen (12 %) werden één of meerdere geuren waargenomen. Bij 732 waarnemingen (6,6 %) was de geur afkomstig van één of meerdere van de beschouwde bedrijven op het industrieterrein. Bij deze waarnemingen werd de geur van de kippenslachterij, die om-
66
schreven werd als rot vlees, slachtafval,… als voornaamste bron 510 keer genoteerd. De wafelgeur van de bakkerij en de kaasgeur werden respectievelijk 248 keer en 53 keer genoteerd. In juni 2012 werden in de omgeving van het industrieterrein telefonische enquêtes uitgevoerd. Daarin werd bij de omwonenden gepeild naar het hindergevoel over een langere periode (1 jaar). De enquête was opgevat als een opiniepeiling naar de relatie van de bevolking met de leefomgeving. Om getrouwe en spontane antwoorden te krijgen, bleef het onderwerp van de enquête verborgen en werden ook vragen gesteld i.v.m. andere mogelijke bronnen van hinder, zoals lawaai, stof,… In totaal werden 530 enquêtes afgenomen en verwerkt. 136 respondenten beweerden het laatste jaar een geur waargenomen te hebben die mogelijk afkomstig was van één van de bedrijven uit de industriezone. Hiervan vermeldden 92 personen de kippenslachterij als bron, 55 personen de industriële bakkerij en 47 personen het kaasverwerkend bedrijf. Andere bedrijven werden door de respondenten niet vermeld. Net zoals de dagboekhouders vonden de respondenten van de telefonische enquêtes de geur van de kippenslachterij het meest en de geur van de bakkerij het minst hinderlijk. Op basis van de resultaten van de enquêtes werden hinderprofielen opgesteld die het percentage gehinderden weergeven in functie van de afstand tot de bedrijven. In de periode van 18 juni tot 18 oktober 2012 werden 16 snuffelploegmetingen uitgevoerd. Tijdens iedere meting werden de geurpluimen van de verschillende bedrijven op een kaart opgetekend en werden gegevens genoteerd i.v.m. de aard, de intensiteit, de aangenaamheid en de hinderlijkheid van de waargenomen geuren. Uit de resultaten van de snuffelploegmetingen blijkt dat de geur van de kippenslachterij en de geur van de bakkerij het meest frequent en het verst waarneembaar zijn. Beide geuren werden bij alle snuffelploegmetingen waargenomen. De kaasgeur werd iets minder frequent waargenomen; deze geur werd bij 14 van de 16 metingen vastgesteld. De gemiddelde maximale waarnemingsafstand bedroeg ruim 1.000 m.
Geuremissies berekenen en de impact op de omgeving bepalen Het kwantificeren van de geuremissie van de verschillende bedrijven gebeurde door middel van achterwaartse modellering op basis van de resultaten van de snuffelploegmetingen. Voor de verschillende bedrijven werd door middel van lange termijnverspreidingsberekeningen de impact op de omgeving bepaald. Door een koppeling te maken tussen de resultaten van verspreidingsberekeningen en deze van de telefonische hinderenquêtes werd vervolgens een lokaal aanvaardbaarheidscriterium afgeleid, dat weergeeft vanaf welke geurconcentratie (ernstige) geurhinder kan optreden. Uit de toetsing van de resultaten aan de aanvaardbaarheidscriteria blijkt dat de kippenslachterij onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de omwonenden, voornamelijk in de wijk ten noorden van het industrieterrein en ter hoogte van de aan het industrieterrein aangrenzende straten. Het kaasverwerkend bedrijf kan vooral in de wijk ten noorden van het industrieterrein onaanvaardbare geurhinder veroorzaken voor een aantal omwonenden. De bakkerij veroorzaakt bij de huidige werkingsomstandigheden geen onaanvaardbare geurhinder.
Aanbevelingen uit de studie Uit de resultaten van de verschillende onderdelen van het onderzoek blijkt dat de kippenslachterij de belangrijkste geurbron is op het industrieterrein en dat dit bedrijf onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de omwonenden: de waarnemingsfrequenties en de hinderpercentages die uit de geurdagboeken en de telefonische enquêtes verkregen werden, zijn vergelijkbaar met deze bij andere bedrijven of industriezones waar geurproblemen waren. Ttijdens de snuffelploegmetingen werd de geur van het bedrijf tot op grote afstand waargenomen en de berekende immissie-concentraties waren ter hoogte van de omliggende wijken (beduidend) hoger dan het aanvaardbaarheidscriterium. Aangezien uit de waarnemingen blijkt dat de belangrijkste geuremissies ontstaan ter hoogte van het bufferbekken en het restengebouw, zijn deze geurbronnen prioritair bij het doorvoeren van geurreducerende maatregelen. Het kaasverwerkend bedrijf blijkt zowel volgens de waarnemingsfrequentie als volgens de waarnemingsafstand, de hinderlijkheid van de geur en de berekende immissieconcentraties een minder belangrijke bron te zijn. De geuren van de overige bedrijven zijn ofwel niet onaangenaam genoeg om als hinderlijk beschouwd te worden door de omgeving ofwel dragen ze minder ver.
67
Handhaving Nadat de studie werd gefinaliseerd eind 2012 ging MI hiermee aan de slag. In een proces-verbaal werd het parket op de hoogte gesteld van de geurhinder die de kippenslachterij in de omgeving veroorzaakt. Daarnaast werd de studie ook toegelicht aan het bedrijf en werd het bedrijf aangemaand om de nodige maatregelen te nemen om de geurhinder te reduceren. Hoewel het bedrijf in eerste instantie moeilijk kon aanvaarden dat het de enige veroorzaker van geurhinder is op het bedrijventerrein, geeft het nu aan volgende maatregelen te zullen doorvoeren in de loop van 2013: vooraleer het afvalwater in het open bufferbekken terecht zal komen, zal het bedrijf het vet afvangen met behulp van een vetafscheider en meer zuurstof in dit bufferbekken aanbrengen. Dit moet ervoor zorgen dat er minder geurende componenten gecreëerd worden in het bufferbekken. Daarnaast geeft het bedrijf ook aan dat het het restengebouw, waar o.a. veren, de vetafscheider en ander geurend afval wordt opgeslagen, zal afzuigen. Deze lucht zal met een behandelende techniek geurvrij gemaakt worden.
geen logboek aanwezig. Bij de controle op lekken bleek dat 37% van de onderzochte installaties niet lekdicht was. MI controleert jaarlijks de exploitatie van koelinstallaties in bedrijven. Voorkomen en beperken van lekken aan koelinstallaties is belangrijk voor zowel de bescherming van de stratosferische ozonlaag als de bestrijding van het broeikaseffect. De milieurelevantie is niet alleen ten aanzien van de oudere koelgassen (HCFK’s) zeer groot, maar ook ten aanzien van de recentere en meest gebruikte koelgassen (HFK’s) omwille van het vermogen tot opwarmen van de aarde (GWP dat 140 tot 3800 keer groter is dan dat van CO2). Terwijl de toezichthouder de logboeken, instructiekaarten, periodieke lekdichtheidstesten en de certificering van het koeltechnisch bedrijf controleert op volledigheid en correctheid, onderzoekt een (gecertificeerd) koeltechnicus één of meerdere koelinstallaties op de aanwezigheid van lekken. Zo werden in 2012 54 bedrijven bezocht en 154 installaties gecontroleerd op lekken. Dit resulteerde in 11 raadgevingen, 29 aanmaningen, 3 verslagen van vaststelling en 6 processen-verbaal. Een niet aanwezig of niet volledig/correct ingevuld logboek bleek een veel voorkomend probleem te zijn. Zo bleek bij 29% van de onderzochte installaties het logboek niet volledig/correct ingevuld en bij 13% bleek zelfs 68
De meest voorkomende koelmiddelen in de onderzocht installaties zijn R22 (HCFK), R404a, R507, R134a, R507/R507c (zie grafiek). Sinds januari 2010 mag er geen nieuw geproduceerd HCFK gebruikt worden voor bijvullingen van koelinstallaties. Vanaf januari 2015 mag er ook geen gerecycleerd of geregenereerd HCFK gebruikt worden voor bijvullingen van koelinstallaties. MI stelde in de afgelopen jaren een duidelijke daling vast van het gebruik van R22 (HCFK). Toch maakt nog steeds 27 % van de onderzochte installaties gebruik van R22. De daling van R22 gaat blijkbaar wel gepaard met een stijging van het gebruik van koelmiddelen met een hoog GWP nl. R404a en R507 (beiden GWP > 3000). R404a wordt zelfs het meest voorkomend koelmiddel (30%). Koelinstallaties met koelmiddel R404A en R507 vertegenwoordigen samen 42% van de onderzochte koelinstallaties.
Gebruikte koelmiddelen % installaties met koelmiddel Rxxx 60 50 40
2008
30
2009
20
2010
10
2011
0
2012
Controle van koelinstallaties In december 2009 werden de koelinstallaties van een slachthuis gecontroleerd. Het bedrijf beschikte over vijf installaties gevuld met het koelgas R22, twee met R507 en één met R404a. Op basis van de logboeken kon MI vaststellen dat er lekverliezen van meer dan 100% waren op een of meerdere installaties. Omdat de logboeken niet volledig werden bijgehouden konden niet alle bijvullingen aan een specifieke koelinstallatie worden gekoppeld. Het bedrijf werd geverbaliseerd en aangemaand om de lekverliezen te beperken tot 5% en de logboeken correct bij te houden. Bij een nieuwe controle in september 2012 werden de logboeken van de koelinstallaties nogmaals gecontroleerd. Ditmaal werd vastgesteld dat de logboeken beter werden bijgehouden en dat vijf installaties nog steeds een lekverlies van meer dan 5% hadden, waarvan twee zelfs met een lekverlies van meer dan 150%. Het bedrijf werd nogmaals geverbaliseerd en aangemaand om de logboeken correct bij te houden, de lekverliezen te beperken tot 5% en de installaties waar dit niet mogelijk bleek buiten dienst te stellen. Bij een voortgangscontrole enkele maanden later bleek dat het bedrijf een nieuwe koeltechnicus had aangesteld om de koelinstallaties grondig te onderzoeken op lekken, deze volledig te reviseren en om te bouwen van R22 (HCFK) naar R427a (HFK). Tevens zouden enkele installaties uitgebreid worden waardoor andere installaties buiten dienst genomen kunnen worden. Op basis van de logboeken kon alvast worden vastgesteld dat het aantal en de hoeveelheid van de bijvullingen sterk verminderd is.
69
In het milieuthema afval wordt er een onderscheid gemaakt tussen controles op afvalstoffen bij ingedeelde inrichtingen en controles van bewegende afvalstoffenstromen. In 2012 ging de aandacht, naast de vele routinemonsternamecampagnes en analyses van afvalstoffen maar ook van bodem en grondwater, naar specifieke controleacties op sortering van bedrijfsafvalstoffen, op de sector van afgedankte voertuigen, bij biogasinstallaties en van de asbestketen. Daarnaast werd er toezicht georganiseerd op een specifieke afvalstoffenstroom, nl. dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn en waarop een aparte Europese verordening van toepassing is. In het kader van het ketentoezicht op afvalstromen werden in 2012 opnieuw havencontroles, wegcontroles en controles op illegale grensoverschrijdende afvaltransporten uitgevoerd. Er waren ook specifieke controles van overbrengingen van olie-watermengsels.
MI hanteert een richtfrequentietabel waarin wordt vastgelegd waar en hoe dikwijls afvalstoffen worden bemonsterd, rekening houdend met het beschikbare budget. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalproducerende en -verwerkende bedrijven en bij producenten van secundaire grondstoffen. Een gedeelte van het budget wordt voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet-geplande situaties. De redenen om over te gaan tot bemonstering zijn van uiteenlopende aard. Bij afvalverwerkende bedrijven worden binnenkomende par-
70
tijen afvalstoffen bemonsterd om na te gaan of ze voldoen aan de aanvaardingscriteria. Behandelde afvalstromen die een tweede leven tegemoet gaan als grondstof, worden bemonsterd om te controleren of de samenstelling ervan voldoet aan de voorgeschreven normen. Partijen uitgegraven bodem in grondreinigingsbedrijven of in tussentijdse opslagplaatsen en opvulgronden bij groeven en graverijen worden bemonsterd en geanalyseerd om de legaliteit van de bestemming ervan te controleren. Niet-geïdentificeerde recipiënten op een bedrijf worden bemonsterd om na te gaan of de inhoud ervan geen gevaarlijke afvalstoffen bevat. Bij klachten over stofneerslag van een bedrijf worden de afgezette deeltjes bemonsterd om de schadelijkheid ervan te controleren. Bij eindproducten van verwerkers van dierlijke afvalstoffen wordt de microbiële zuiverheid gecontroleerd. Naast de routinemonsternames neemt MI ook monsters bij de uitvoering van gecoördineerde projecten en acties. Toezichthouders hebben de mogelijkheid om één of meerdere analysepakketten aan te vragen voor een monster. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om voor elk individueel monster specifieke parameters te laten analyseren. Als zeer specifieke, gevaarlijke of grote aantallen monsters moeten worden genomen, kunnen toezichthouders hiervoor een beroep doen op de MIlabocontractant. In de periode 1 januari 2012 tot 31 december 2012 werden in totaal 676 monsters van afval, bodem en grondwater geanalyseerd aan een totale kostprijs van 340.699 euro.
Verdeling van de 676 geanalyseerde monsters in 2012
Verdeling van de geanalyseerde monsters
grondwater 3%
dierlijke bijproducten 17%
secundaire grondstoffen 40%
afvalstoffen 24%
bodem 16%
MI blijft net als de voorbije jaren aandacht hebben voor biogasinstallaties op het Vlaamse grondgebied. Deze installaties verwerken dierlijke mest, energieteelten en organischbiologische afvalstoffen door vergisting. De uitgegiste fractie, het digestaat, komt al dan niet rechtstreeks op landbouwgrond terecht als bodemverbeteraar. In het verleden zijn schadelijke afvalstromen al clandestien mee verwerkt tot organische bodemverbeteraars. Het opmengen van afvalstromen die in feite niet in aanmerking komen voor toepassing in of als secundaire grondstof, heeft in enkele gevallen tot contaminatie van landbouwgronden geleid, met grote economische schade tot gevolg. MI wil met blijvende aandacht voor deze sector waken over de correcte uitvoering van de vele mestverwerkingsprojecten bij landbouwers. Omdat energieteelten meer en meer worden ingezet als biobrandstof stijgt de prijs ervan en loopt de mestverwerkingskost op. Dit zou kunnen leiden tot de verwerking van goedkopere organisch-biologische afvalstoffen (OBA) van slechte kwaliteit. Een streng toezicht is hier aangewezen.
Vijf biogasinstallaties met een vergunde verwerkingscapaciteit van 27.000 tot 65.000 ton per jaar én een toeleverancier (een erkend overbrenger voor afvalstoffen) voor deze installaties werden gecontroleerd. Toezichthouders gingen na of de verwerking van mest, dierlijke bijproducten en OBA tot secundaire grondstof (als meststof of bodemverbeterend middel) er correct verliep. Tijdens de bedrijfsinspecties onderzochten ze of de aanwezige afvalstoffen aan de invoerzijde voldeden aan de aanvaardingscriteria van de milieuvergunningen en -erkenningen en het goedgekeurde werkplan. Aan de uitvoerzijde werd gecontroleerd of het eindproduct voldeed aan alle toepasselijke VLAREA-bepalingen en tot slot onderwierpen de toezichthouders ook de verplicht bij te houden registers aan een kritisch onderzoek. Stromen die vermoedens van onregelmatigheden deden rijzen en waarover de exploitant onvoldoende informatie kon verschaffen, werden verder onderzocht. In totaal werden 5 monsters genomen, 2 van aangevoerde afvalstromen en 3 van het verwerkte digestaat. De gecontroleerde bedrijven worden grosso modo zonder veel hinder uitgebaat. Van twee 71
bedrijven ontvangt MI toch nog geregeld geurklachten. Eén exploitant schoot schromelijk tekort bij de controle van de aangevoerde stromen. Transportdocumenten waren wel aanwezig, maar zeer onvolledig of onjuist ingevuld en niet ondertekend. Sommige aangevoerde en verwerkte stromen mochten daar helemaal niet toekomen. Van een aantal afvalstromen uit het buitenland ontbraken correcte vervoersdocumenten. Naar aanleiding van onduidelijkheid op enkele vervoersdocumenten startte MI ook enkele onderzoeken naar de herkomst van aangevoerde afvalstromen. De toezichthouder verbaliseerde deze exploitant voor de vastgestelde overtredingen. Uit een registercontrole bij de gecontroleerde toeleverancier bleek dat een niet verwaarloosbaar aantal bij de biogasinstallaties geregistreerde afvaltransporten ontbraken in zijn overbrengingsregister. De traceerbaarheid van afvalstoffen komt op die manier in het gedrang waardoor de herkomst van de afvalstromen moeilijk te bepalen is. Daarom verbaliseerde de toezichthouder de toeleverancier voor de vastgestelde overtredingen.
Omdat de asbestproblematiek een maatschappelijk gevoelig thema is, voerde MI in 2010 een project uit waarbij de asbestverwijderingsketen van dichterbij werd bekeken. De actoren in de asbestverwijderingsketen zijn de particuliere en professionele sloopwerven, de zeef- en breekinstallaties voor puin en uitgegraven bodem, de containerparken, de asfalten betoncentrales, de containerbedrijven, de sorteerbedrijven, de stortplaatsen en de locaties waar puin wordt toegepast als bouwstof. Na een intensieve bemonsteringsinspanning van gerecycleerde puingranulaten bij 52 puinbrekers in 2010 controleerde MI in 2011 25 containerparken, 15 grondreinigingscentra en tussentijdse opslagplaatsen voor uitgegraven bodem (TOP’s), 11 exploitaties van aannemers en 7 sloopwerven. 72
In 2012 werd de bruikbaarheid van de weigeringsregisters bij breekinstallaties nagegaan bij het traceren van de geweigerde partijen. Verwerkers van afvalstoffen zijn bij wet verplicht om de aangevoerde afvalstoffen die worden geweigerd, te registreren. Op enkele uitzonderingen na beschikken de exploitanten van breekinstallaties over een weigeringsregister. Wie er niet over beschikt, beweert de geweigerde vrachten gewoon terug te sturen zonder meer, meestal uit een ongegronde vrees voor represailles door de geweigerde die mogelijk aan een inspectie zou worden onderworpen als diens naam wordt teruggevonden in een register. Uit de vaststellingen blijkt dat jaarlijks slechts 1 tot 6 aangevoerde partijen worden ingeschreven in het weigeringsregister. In meer dan de helft van de gevallen worden partijen geweigerd omdat er duidelijk hechtgebonden asbestafval aanwezig is in het aangevoerde puin. Ook de aanwezigheid van andere materialen (cellenbeton, hout, kunststof, spoorwegballast, …) kan een weigeringsgrond zijn. Enkele van de geweigerde partijen die konden worden getraceerd, bleken achteraf bij een andere exploitant te zijn aangeboden. Slechts in één dossier kon worden aangetoond dat hier geen voorafgaande sorteerhandeling werd op uitgevoerd. Dikwijls is het achteraf niet meer vast te stellen of de aangevoerde partij wel degelijk asbestafval bevatte of niet. Uit de vaststellingen blijkt ook dat de weigeringsregisters dikwijls ‘incidenten’ bevatten. Dit zijn de partijen die in het kader van een COPRO-controle worden bemonsterd en een te hoog gehalte aan asbest blijken te bevatten. Die partijen worden dan voor verwerking in een vergunde inrichting afgevoerd. COPRO is een organisatie die kwaliteitslabels toekent aan puin dat aan bepaalde eisen voldoet. De meeste exploitanten communiceren duidelijk aan hun klanten dat het aangeboden afval geen asbestafval mag bevatten, maar geven toe dat partijen asbesthoudend afval vaak onbewust toch worden aanvaard omdat bij de
visuele controle op de weegbrug – en zelfs bij het ontladen van de vrachtwagen – niet altijd duidelijk is of er al dan niet stukken asbesthoudende afvalstoffen aanwezig zijn tussen het puin. Als dit wel het geval blijkt te zijn, sorteert de exploitant de stukken hechtgebonden asbestafval manueel uit en verzamelt ze in een big bag in een speciaal daartoe bestemde container zodat het asbestafval toch veilig kan worden afgevoerd. Algemeen kunnen we besluiten dat het weigeringsregister een goed beeld geeft over de ingangscontrole die een exploitant van een breekinstallatie uitvoert, en meteen dus ook een indicatie van de zorg waarmee hij zijn bedrijf uitbaat. Een weigeringsregister waar geen gegevens zijn ingevuld, roept natuurlijk vragen op…
Sinds maart 2011 bepalen de verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en verordening (EU) nr. 142/2011 op welke manier we moeten omspringen met dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie. Deze wetgeving is in eerste instantie vooral bedoeld om consumenten te beschermen via bepalingen die risico’s in de voedselketen moeten beperken. De term 'dierlijke bijproducten' slaat op alle producten die van dierlijke oorsprong zijn en die niet bedoeld zijn voor menselijke consumptie: slachtafval, keukenafval, met pcb’s verontreinigd vet, huiden voor lederproductie, kadavers, gelatine, farmaceutische producten, jachttrofeeën en nog zoveel meer. De regelgeving rond dergelijke producten heeft betrekking op het omgaan met afval, productnormering, het beschermen van de volksgezondheid en diergezondheid, … een brede waaier aan bevoegdheden die in het federale België verdeeld zijn over de federale en de gewestelijke overheden. De overeenkomst van 28 oktober 2005 bakent de taken van alle instanties af. Ze beoogt een maximale samenwerking tussen de respectieve overheden omdat bij dierlijke bijproducten de afval-
keten en de voedselketen zeer nauw naast elkaar kunnen lopen. De overeenkomst bepaalt onder meer dat elke betrokken instantie (dus ook MI) jaarlijks een controleprogramma moet organiseren voor bedrijven die dierlijke bijproducten voortbrengen, ophalen, vervoeren, opslaan, gebruiken of verwerken. De lijst van actoren die vallen onder de verordening en die moeten worden geïnspecteerd is lang. Daarom heeft MI een inventarisatieonderzoek laten uitvoeren. Het onderzoek rangschikt de actoren op basis van een aantal criteria voor het bepalen van een inspectiefrequentie. Onder meer de omvang van de bedrijven en de aard, de verscheidenheid en het risico van de voortgebrachte dierlijke bijproducten spelen daarin een rol. Geïnspecteerde bedrijven MI onderscheidt in haar controles van dierlijke bijproducten drie verschillende types van bedrijven. De eerste groep zijn de bedrijven die volgens de verordening over een schriftelijke erkenning moeten beschikken om bepaalde activiteiten te mogen uitvoeren. MI heeft een veertigtal van dergelijke bedrijven gecontroleerd in 2012. De tweede en moeilijkst te inspecteren groep zijn de ophalers van dierlijk afval, die in het Vlaamse Gewest eveneens over een erkenning moeten beschikken. MI controleerde in 2012 een zestal ophalers. De derde en – met haar meer dan 2.000 bedrijven – omvangrijkste groep zijn de bedrijven die dierlijke bijproducten produceren. Het zijn bijvoorbeeld slachthuizen, uitsnijderijen, verwerkers van eieren, allerhande bedrijven die te maken hebben met vlees of vis, meststofproducenten, verkooppunten van hoeveproducten en industriële melkbedrijven. In totaal werden in 2012 in deze groep een zestigtal bedrijven geselecteerd voor inspectie. De erkenningen van de eerste groep bedrijven waarbij MI inspectietaken uitvoert, worden verleend door OVAM of VLM. MI houdt toezicht op de naleving van voorwaarden die aan deze erkenningen zijn verbonden. Onder deze 73
groep bedrijven vallen de bedrijven die dierlijke bijproducten opslaan of hanteren. Het betreft hier zowel het tijdelijk opslaan en het uitvoeren van kleine bewerkingen zoals onder andere invriezen, versnijden of verpakken van onverwerkte dierlijke bijproducten als van verwerkte dierlijke bijproducten. Verwerkte producten worden aangevoerd van de verwerkingsbedrijven waar ze volgens een wel beschreven verwerkingsmethode zijn behandeld. Deze verwerkingsmethodes hebben tot doel de microbiologische risico’s van de dierlijke bijproducten te beperken en ze daardoor geschikt te maken voor allerlei toepassingen, gaande van tussenproducten voor de productie van meststoffen tot voeder voor gezelschapsdieren. Een specifieke groep van bedrijven zijn de composteerinstallaties en de vergistingsinstallaties waar dierlijke bijproducten worden omgezet tot compost of methaan. Daarnaast kunnen dierlijke bijproducten in daartoe erkende inrichtingen ook worden verwerkt tot organische meststoffen en bodemverbeteraars. Tot slot kunnen dierlijke bijproducten worden verbrand in een verbrandingsof een meeverbrandingsinstallatie. Tot de laatste groep behoren niet enkel de gekende afvalverbrandingsovens, maar ook de dierencrematoria. FVO missie Het Europese Food and Veterinary Office (FVO) voerde van 17 tot 26 april 2012 een inspectiemissie uit om te controleren of de Europese gezondheidsvoorschriften inzake dierlijke bijproducten correct geïmplementeerd worden in België. De evaluatie omvatte voornamelijk bepalingen van de Europese Verordeningen 1069/2009 en 142/2011 die betrekking hebben op dierlijke bijproducten in de keten van de organische meststofproductie, in het bijzonder de meststoffen die verwerkte dierlijke eiwitten en vleesbeendermeel bevatten. MI begeleidde de Europese inspecteurs bij de controle van zes bedrijven in het Vlaams Gewest die onder het toezicht van MI vallen. Het FVO voerde ook een audit uit in de buitendiensten van MI te Brugge en Antwerpen 74
om op die manier de werking en organisatie van de afdeling na te gaan m.b.t. het toezicht in het kader van de Europese Verordening 1069/2009. De conclusies van de missie waren dat het FVO algemeen gezien tevreden was met de implementatie van de betrokken Europese wetgeving in het Vlaams Gewest. Er werden echter werkpunten aangestipt. Eén daarvan was de nood aan intensiever toezicht op het gebruik van de merkstof glyceroltriheptanoaat (GTH) bij verwerkers van dierlijke bijproducten. Deze merker laat toe om verderop in de keten minder risicovol materiaal te onderscheiden van risicovoller materiaal. De wetgeving bepaalt niet alleen bij welke dierlijke bijproducten deze stof moet gebruikt worden, maar legt ook een minimumconcentratie op en vereist dat de operatoren erop toezien dat deze minimumconcentratie gehaald wordt. Om invulling te geven aan deze opmerking besteedde de afdeling extra aandacht aan deze problematiek. Zo verduidelijkte ze de documentatie die de toezichthouders gebruiken voor het uitvoeren van dergelijke controles en werd dit controlepunt extra in de aandacht geplaatst. Het FVO zal de inspanningen die geleverd werden n.a.v. haar aanbevelingen in de toekomst evalueren. Ervaringen en vaststellingen De inspecties bij de betrokken bedrijven in 2012 resulteerden in 1 proces-verbaal. 11 exploitanten kregen aanmaningen om binnen de gestelde termijnen bepaalde acties te ondernemen om de regelgeving, vastgelegd in de verordeningen 1069/2009 en 142/2011, na te leven. Europa legt een aantal verregaande maatregelen op om te voorkomen dat afval bij toeval een verkeerde richting uitgaat. Zo moeten de afvalrecipiënten worden voorzien van eenvoudige labels die aangeven welk soort afval ze bevatten: categorie 3-, categorie 2- of categorie 1-afval; en daarnaast ook voorgeschreven waarschuwingszinnen zoals ‘niet voor menselijke consumptie’, ‘niet voor dierlijke consumptie’ of ‘uitsluitend geschikt voor verwijdering’. MI heeft heel wat gevallen vastge-
steld waarbij deze identificatie niet of onnauwkeurig gebeurde. Een ander belangrijk element in de regelgeving over dierlijke bijproducten is het zogenaamde handelsdocument, een transportdocument dat volgens een welbepaald model moet worden opgesteld. Hoewel het gebruik van dit document al enkele jaren opgelegd is, blijft het moeilijk om het gebruik ervan voldoende ingang te doen vinden. MI zette zowel ophalers als exploitanten ertoe aan de correcte documenten te gebruiken. Een grote bezorgdheid in de regelgeving over dierlijke bijproducten is de hygiëne bij verschillende (voornamelijk erkende) inrichtingen. Heel wat bedrijven moeten daarom duidelijk onderscheid maken tussen een reine en een onreine zone. Ze moeten maatregelen nemen om herbesmetting van verwerkte producten door contact met het onverwerkte materiaal te voorkomen. De bedrijven moeten er ook voor zorgen dat de voertuigen die de onverwerkte dierlijke bijproducten aanbrengen worden gereinigd en ontsmet. MI heeft in 2012 bij 19 Vlaamse verwerkers van dierlijke bijproducten het resultaat van het verwerkingsproces gecontroleerd door monsters van de dierlijke bijproducten die het verwerkingsproces hadden doorlopen te laten nemen en analyseren. In totaal werden een honderdtal monsters genomen. Elk monster bestond uit 5 deelmonsters waarop de voorgeschreven microbiële analyses werden uitgevoerd. De monsters worden zowel getest op de aanwezigheid van Salmonella als getoetst aan de norm voor Enterobacteriaceae. Omdat er verschillende autoriteiten betrokken zijn bij het verlenen van erkenningen en de handhaving van deze regelgeving voerde MI doorlopend overleg met OVAM, VLM en FAVV over de interpretatie van de bepalingen van de verordening. Dit overleg gebeurde formeel op de Commissie Dierlijke Bijproducten, maar zeer vaak ook telefonisch en per e-mail. Een vlot overleg tussen alle instanties is onontbeerlijk om te vermijden dat de sector met verschillende standpunten wordt geconfronteerd.
Algemeen Sinds MI in mei 2006 de de handhaving van een groot deel van de afvalstoffenwetgeving van OVAM heeft overgenomen, vult zij het ketentoezicht in op twee manieren: door transportcontroles langs de openbare weg en in de zeehavens, en door projecten die gericht zijn op specifieke afvalstromen. Naast deze geplande controles reageert MI ook op meldingen van douane, politie en andere inspectie-entiteiten, i.v.m. al dan niet illegale afvaltransporten. Wegcontroles Tijdens de 23 wegcontroles die MI organiseerde samen met de politiediensten werden meer dan 250 transporten gecontroleerd die onder Vlaamse bevoegdheid vallen. Een opvallende trend is het dalende percentage overtredingen: waar dit normaal schommelt rond de 25% van de gecontroleerde transporten, is dit de afgelopen twee jaar gezakt naar 15%. Het is onduidelijk of dit het gevolg is van een betere naleving van de wetgeving of van een niet optimale keuze van de controlelocaties. Het is ook mogelijk dat beide factoren samen hierbij een rol spelen. Het is alleszins een positieve evolutie dat blijkbaar bij hoe langer hoe meer transporten het nodige identificatieformulier aanwezig is. MI zal bij toekomstige controles nauwgezetter nagaan of de gegevens op de transportdocumenten correct zijn en of die overeenkomen met de afvalstoffenregisters van de betrokken bedrijven. Havencontroles De controles op de export van afvalstoffen vinden plaats in de havens van Zeebrugge en Antwerpen. MI baseert zich voor de selectie van verdachte containers vooral op papieren douane-aangiftes en boekingslijsten van schepen. Deze informatie is echter weinig gedetailleerd, zodat een gerichte selectie moeilijk is. Daarom werkt MI sinds 2010 samen met de douane om risicoprofielen uit te werken voor hun geïnformatiseerde selectiesysteem (SEDA). Op basis van afgesproken criteria ge75
nereert SEDA “hits” van verdachte transporten die vervolgens voor controle worden doorgegeven aan de douaneverificateurs op de terminals. In bepaalde gevallen neemt de verificateur contact op met de milieu-administraties, o.a. MI, voor technische bijstand. Deze manier van werken bleek in 2010-2011 veel efficiënter dan de klassieke havencontroles die MI uitvoert, met een hoog percentage vastgestelde illegale transporten (tot 25%) tot gevolg. In 2012 viel het aantal meldingen door de douane sterk terug, waardoor er ook minder illegale transporten werden tegengehouden in de havens (ca. 18% illegaal van de 139 gecontroleerde partijen van Vlaamse oorsprong). De criteria om verdachte transporten te selecteren werden onlangs herzien en de meldingen worden strikter opgevolgd, zodat het aantal meldingen van verdachte transporten in 2013 vermoedelijk opnieuw zal stijgen. Inhoudelijk zien we de laatste jaren de volgende trends: het aantal vastgestelde illegale transporten naar “perifere” Aziatische bestemmingen zoals Thailand, Filippijnen, Maleisië, Pakistan … blijft stijgen (daar waar China en Hong Kong vroeger de belangrijkste bestemmingen waren), en het aantal tegengehouden transporten met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) met bestemming Afrika blijft gelijk t.o.v. 2011, maar hier gaat het telkens over zeer kleine partijen van enkele slechte afgedankte toestellen. Illegale grensoverschrijdende transporten Het aantal vastgestelde illegale transporten dat jaarlijks aan de Europese Commissie gemeld wordt door het Vlaamse Gewest blijft status quo. Dit gaat over transporten die vanuit Vlaanderen naar een ander land vertrekken, of die in Vlaanderen ingevoerd worden. Het aantal dossiers dat door MI gestart werd na een melding van een buitenlandse overheid (meestal export die de grens al gepasseerd is), is in 2012 sterk gestegen. Voor een deel is dit te verklaren doordat sommige overheden (zoals de Nederlandse) stelselmatiger hun vaststellingen van illegale transporten doorgeven 76
aan MI. Anderzijds blijkt uit recente ervaring van de inspectiediensten van verscheidene Europese lidstaten dat verschillende Aziatische landen (China, Indonesië …) de controles op de invoer van Europees afval aan het opdrijven en verscherpen zijn. Deze evolutie is belangrijk omdat er volgens de EVOA een terugnameplicht geldt voor illegale zendingen. Die plicht rust in de eerste plaats op de betrokken bedrijven, maar bij insolvabiliteit van deze bedrijven zijn de overheden van het land van verzending hiervoor verantwoordelijk (i.c. de Europese lidstaat). Controle op de sortering van bedrijfsafvalstoffen Recycleerbare en gevaarlijke afvalstoffen moeten gescheiden ingezameld en verwerkt worden. Dit principe bestaat al lang, en wordt voor huishoudelijke afvalstoffen uitgebreid gecontroleerd. In de komende jaren zal er echter meer en meer aandacht gaan naar de sortering van gemengd stedelijk afval van bedrijfsoorsprong, vooral door bijkomende bepalingen in het Materialendecreet en het VLAREMA. De inspecties van MI bij klasse I-bedrijven houden gelijke tred met de continue bijsturing van deze regelgeving. In 2012 heeft MI verbrandingsverboden (o.a. voor recycleerbare afvalstoffen) gecontroleerd bij vier verbrandingsovens. Daarbij werden voornamelijk problemen vastgesteld op gebied van intern toezicht bij de aanvaarding van partijen afval. Tegelijkertijd werden ook transportcontroles uitgevoerd op de export van gemengd stedelijk afval, maar die bleken minder succesvol te zijn om illegale transporten te onderscheppen. In het najaar werd dan gestart met de controles van sorteerinrichtingen die zullen lopen tot medio 2013. Daarna worden de controles opnieuw aangepast aan de wetgeving die in juli 2013 van kracht zal worden. Controle op de sector van afgedankte voertuigen Sinds 2011 controleert MI depollutiecentra van afgedankte voertuigen in de Rand rond Brussel. Deze controles worden meestal samen met OVAM, de politie en de milieuambtenaar
uitgevoerd. In 2012 werden er 9 inspecties uitgevoerd bij 7 bedrijven. Eén bedrijf werd geverbaliseerd voor de exploitatie van een niet-erkend depollutiecentrum, een ander bedrijf werd aangemaand om zich in regel te stellen met de VLAREM-regelgeving. Controles van overbrengingen van oliewatermengsels Brandstoffen voor de zeevaart (bunkerolie) lenen zich door hun uitzicht en gevarieerde samenstelling voor het wegmengen van afvalstoffen zoals residu(en) uit de (petro)chemische industrie. In 2011 controleerde MI tijdens de inspectie van drie havenontvangstinstallaties de verwerkingstechnieken en aanvaardingscriteria. In 2012 werd verder onder-
zocht hoe de controle op illegale verwijdering van afvalstoffen door opmenging in bunkerolie kon verbeterd worden. In dat kader werden in de Antwerpse haven in 2012 twee dossiers opgevolgd van partijen bunkerolie die opnieuw gelost werden (gedebunkerd), waarbij één PV moest opgesteld worden. Hiervoor werkte MI samen met de Scheepvaartpolitie en met de Nederlandse autoriteiten in het kader van hun actie “Zwarte stromen”. In 2013 wordt deze samenwerking nog uitgebreid, met meer focus op debunkeringen en de analyse van verdachte scheepsbrandstoffen in een gespecialiseerd laboratorium.
77
De controles gericht op de bescherming van de bodem, ondergrond en grondwater, worden binnen MI gecoĂśrdineerd door de werkgroep Bodem & Grondwater. Het controleren van grondwaterwinningen in Vlaanderen maakte in 2012 de hoofdmoot uit van de activiteiten van de werkgroep. Deze controles gebeurden zowel actief bij de bedrijven op het terrein als administratief (controle van de zelfcontrole). Naast de controle op grondwaterwinningen werd in 2012 een nieuw project opgestart, nl. de controle van geothermische installaties, met specifieke aandacht voor de aanleg ervan.
In 2012 werd bij 23 bedrijven die beschikken over een grondwaterwinning door middel van een checklist nagegaan of de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden voor de grondwaterwinning al dan niet nageleefd werden. Dat was ongeveer een halvering van het aantal controles van de voorgaande jaren. Zowel de uitrusting en onderhoud van de putten zelf als de daarbij horende meetverplichtingen (debiet, waterpeil, waterkwaliteit), de registers en het correct afsluiten van verlaten winningen kwamen hierbij aan bod.
78Â Â
Daarnaast werden 20 bedrijven onderworpen aan een administratieve controle (controle op de zelfcontrole) van de registers. Hierbij werden de liggingsplannen van de putten, ijking van de debietmeters, grondwateranalyses en de debiets- en peilregistratie van de afgelopen jaren bij de exploitanten opgevraagd en nagekeken. Wanneer hieruit grote tekorten of onduidelijkheden bleken werden ze mee opgenomen in de planning voor een uitgebreidere terreincontrole. De opvolging van de grondwaterwinning door de exploitanten laat nog vaak te wensen over. Een overzicht van het percentage bedrijven met vastgestelde gebreken gerelateerd aan de grondwaterwinning in 2012 en de evolutie hiervan sinds 2005 is weergegeven in het onderstaande kolomdiagram.
percentage bedrijven
Â
0
10
20
30
40
50
60
70
80
90
100
vastgestelde gebreken Jaartal 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 Totaal
Aantal bedrijven P/A519 Aantal bedrijven A522 74 63 56 49 25 48 24 46 20 44 20 23 20 403 109
79Â
2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012
Hieruit blijkt dat in 2012 bij ca. 71% van de gecontroleerde bedrijven één of meerdere gebreken werden vastgesteld. Een percentage dat hoog blijft, maar in de loop der jaren toch een dalende trend vertoont. Voornamelijk de gebrekkige putafwerking (60%), het niet correct uitvoeren van grondwateranalyses (32%) en het niet correct afdichten van verlaten grondwaterwinningen (20%) vallen in 2012 op als concrete gebreken. Wat betreft grondwaterkwantiteit waren er in 2012 vaak gebreken bij de (ijking van) debietmeters (56%), de registratie van de gemeten debieten (44%), het ontbreken van een duidelijke boorstaat (36%), het niet aanwezig zijn van voldoende peilputten (36%), de registratie van de gemeten peilen (36%) en het niet of onvoldoende vergund zijn van de grondwaterwinning (40%). Het correcte beheer van de grondwaterwinning bij de gecontroleerde bedrijven moest aldus regelmatig verduidelijkt worden aan de exploitanten en nadien verbeterd. In 2012 werden er in het kader van deze gerichte controles 25 aanmaningen, 2 raadgevingen en 5 processen-verbaal opgesteld.
Door de opmars en promotie van ‘groene energie’van is het aantal geothermische installaties in Vlaanderen de laatste jaren sterk gestegen. Dit geldt zowel voor de open systemen (koude-warmte-opslag of KWO) als de gesloten systemen (boorgatenergieopslag of BEO). Deze toename is zowel vast te stellen voor kleinschalige particuliere toepassingen als bij bedrijven voor verwarming en/of koelingstoepassingen. Om de kwantiteit en de kwaliteit
80
van het grondwater te waarborgen was het relevant om deze inrichtingen apart en meer in detail op terrein te controleren, dit zowel tijdens de installatie (boringen) als de exploitatie. Daarom startte de werkgroep een nieuw project op. Dit werd in de beginfase (2 dossiers per buitendienst) bewust eerder beperkt gehouden om concrete ervaring op te doen en een eerste overzicht van de terreinsituatie te verkrijgen. Sinds 2012 werd bijkomende sectorale wetgeving van kracht op deze installaties (met soms overgangsbepalingen tot 2015) zodat deze ook op terrein kon worden afgetoetst. Effectieve trends zijn er door de recente invoering en beperkte omvang van dit project nog niet af te lijnen. Hierover zal in de navolgende jaren uitgebreider worden gerapporteerd. Er is op terrein wel een grote variatie qua gebruikte werkmethodes, –materiaal en rapportering, vastgesteld. De nieuwe sectorale wetgeving was nog niet volledig gekend of werd verschillend geïnterpreteerd. Er was vaak meer verduidelijking en meer uitgebreide rapportering van de gebruikte technieken en materialen nodig. De nodige documentatie hiervan ontbrak regelmatig op het terrein. De nieuwe verplichting om de toezichthoudende overheid uiterlijk 2 dagen op voorhand te verwittigen van de start van de boorwerkzaamheden is tevens nog niet ingeburgerd. De controlemogelijkheid tijdens de aanleg (die voor dit project essentieel is) werd hierdoor bemoeilijkt. In 2012 werden er in het kader van deze gerichte controles 3 aanmaningen, 2 raadgevingen en 1 proces-verbaal opgesteld.
Erkenningsprocedure voor boorfirma’s Uit de controles op grondwaterwinningen blijkt al jaren dat veel van de vastgestelde gebreken gerelateerd zijn aan een gebrekkige aanleg, onderhoud of opvolging van de grondwaterwinning. Op basis van deze terreinervaring heeft MI in haar milieuhandhavingsrapport 2009 gesuggereerd om een erkenningsprocedure en –handhaving voor boorfirma’s uit te werken. Ook voor recentere technologieën, zoals grote geothermische installaties, waar het rendement op lange termijn voor de exploitant rechtstreeks verbonden is aan de kwaliteit van de boorwerkzaamheden op het terrein, is deze erkenning een must. BEO-velden worden vaak aangelegd onder nieuwe bedrijfsgebouwen en moeten minstens voor de levensduur van dat gebouw meegaan. In tegenstelling tot grondwaterwinningen kunnen deze niet ‘eenvoudig’ afgedicht en opnieuw geboord worden bij problemen. In opdracht van de minister werd de erkenningsprocedure voor boorfirma’s uitgewerkt door de VMM. MI verleende vanuit de werkgroep Bodem & Grondwater hieraan actief haar medewerking op basis van haar jarenlange terreinervaring in deze sector. Vanaf 2015 zullen boorwerkzaamheden in Vlaanderen enkel nog kunnen worden uitgevoerd door erkende boorfirma’s. Zo zal in de toekomst de bron van veel gebreken beter kunnen worden aangepakt. Het percentage vastgestelde tekortkomingen op het terrein zal hierdoor verder kunnen dalen, wat zowel de exploitanten als de bescherming van het grondwater en de ondergrond ten goede komt. De verdere uitwerking van een efficiënte en performante handhaving op deze erkenning op het terrein blijft echter noodzakelijk voor deze specifieke erkenning ten einde een kwalitatieve uitvoering en onderhoud van boringen op langere termijn te garanderen. Gebreken in de putconstructie bij grondwaterwinningen zijn immers vaak enkel vast te stellen tijdens de boorwerkzaamheden, aangezien na de afwerking alleen de putkelder en het bovenste deel van de putconstructie effectief toegankelijk en visueel controleerbaar zijn.
81
De werkgroep Geluid en Trillingen behandelde in 2012 zoals gebruikelijk klachten over geluid en trillingen, en akoestische onderzoeken door erkende milieudeskundigen.
De metingen worden georganiseerd naar aanleiding van klachten. In 2012 ontving MI 530 klachten over geluids- of trillingshinder. Voor de afhandeling van dergelijke klachten beschikt MI over een aantal gespecialiseerde toezichthouders en over moderne meetapparatuur. Een geluidsmeter meet steeds een totaal niveau. Dat betekent dat niet alleen het gezochte specifieke geluid wordt gemeten, maar ook alle stoorgeluiden. Om het specifieke geluid te kunnen beoordelen moeten die niveaus uit elkaar gehouden worden. Dat is niet altijd een eenvoudige opgave. En bij de behandeling van klachten over trillingen kan het nog ingewikkelder worden. In 2012 voerde MI 93 geluids- en trillingsmetingen uit. Daarbij moet worden opgemerkt dat een geluidsmeting verschillende uren kan duren. Een beperkt akoestisch onderzoek dat door MI wordt uitgevoerd, kan verschillende geluidsmetingen omvatten.
Bij akoestische onderzoeken blijven twee problemen opduiken: het gebruik van statistische parameters en het beoordelen van geluidshinder door middel van volledige akoestische onderzoeken.
De akoestische grootheid die hinder karakteriseert en aan de norm voor het specifiek geluid is gekoppeld, is niet gedefinieerd in Vlarem. Ten onrechte wordt daarom soms een statistisch niveau als maat voor de hinder genomen. Het statistisch niveau LA50,T bijvoorbeeld geeft 82
het geluidsniveau dat gedurende 50 % van de tijd overschreden wordt. Het geeft echter geen enkele informatie over de manier waarop dat niveau wordt overschreden, dus ook niet over maximale geluiden. Het zijn net die pieken die de grootste hinder veroorzaken. Daarom is het noodzakelijk om bij gebruik van statistische niveaus tegelijk ook meetresultaten te rapporteren die informatie geven over maximale geluidswaarden.
Vlarem II kent twee soorten akoestische onderzoeken, het ‘beperkt’ (BAO) en het ‘volledig’ (VAO) akoestisch onderzoek. Het BAO wordt door de toezichthouder uitsluitend uitgevoerd voor de beoordeling van hinder. In die zin is het beperkt. Het VAO wordt gebruikt bij vergunningsverlening en beleidsbepaling. Soms wordt het, ten onrechte, ook uitgevoerd voor het beoordelen van hinder. Het VAO moet voldoen aan de bepalingen van bijlage 4.5.1 van Vlarem II, maar de werkwijze die in de bijlage wordt beschreven, is in veel gevallen niet geschikt om geluidshinder te beoordelen. Als een deskundige toch de opdracht krijgt om hinder te onderzoeken via een VAO, dan mag hij zich niet beperken tot de werkwijze van bijlage 4.5.1, maar moet hij deze werkwijze op verantwoorde wijze aanvullen zoals hierna beschreven.
Volgens bijlage 4.5.1 moet gemeten worden op minder dan 200 m van de inrichting in de nabijheid van bewoonde gebouwen, als die er zijn. De richtwaarden van hoofdstuk 4.5 ‘Beheersing van geluidshinder’ van Vlarem II gelden echter in open lucht, dus overal waar hinder kan optreden, bijvoorbeeld aan scholen, hospitalen, tuinen,… Als een VAO gebruikt wordt om hinder te beoordelen, moet er dus niet enkel gemeten worden in de omgeving van bewoonde gebouwen, maar ook op plaat-
sen waar er geluidsklachten zijn en waar de hinder of de overschrijding van de normen het hoogst is.
Het VAO vindt zijn oorsprong in de jaren tachtig, nog vóór Vlarem II van kracht werd. Het is dan ook geschreven voor de apparatuur van toen, wat blijkt uit de te meten akoestische grootheden: LAeq,1u; LA5,1u; LA50,1u en LA95,1u. Een uur meten levert dus slechts vier getallen op. Van die vier zullen er meestal twee be-
paald worden door stoorgeluiden (verkeer, hondengeblaf,…) en dus onbruikbaar zijn. Die grootheden laten niet toe om vast te stellen of er – meestal hinderlijk – tonaal geluid is. Wellicht kan evenmin vastgesteld worden of de richtwaarden van bijlage 4.5.5 van Vlarem II al dan niet overschreden worden. De wetgeving stelt dat het omgevingsgeluid moet gemeten worden als LAeq,1s. Zo moet dat geluid dan ook in de rapporten worden weergegeven.
Klacht over trillingshinder in 2012 Sedert enige tijd ontving MI klachten over trillingshinder veroorzaakt door een bedrijf voor de verwerking van afvalstoffen. De hinder werd aangegeven door het personeel van een kantoorgebouw van een aanpalend bedrijf. Ter ondersteuning van haar inspectieopdracht gaf de afdeling Milieu-inspectie aan een erkend deskundige geluid en trillingen de opdracht een diepgaand onderzoek uit te voeren. Enerzijds was er een trillingsmonitoring van het gemiddeld trillingsniveau in de kantoorvertrekken en anderzijds gebeurde er een identificatie van de trillingsbronnen in de omgeving die verantwoordelijk geacht zouden kunnen worden voor de trillingen in het kantoorgebouw. Gezien de afwezigheid van Vlaamse of Belgische normering werd een meetmethode en een toetsing uitgevoerd zoals beschreven in de Duitse DIN 4150, waarin richtwaarden voor enerzijds trillingshinder voor personen (deel 2) en anderzijds schade aan de structurele integriteit van gebouwen (deel 3) worden vermeld. De norm wordt volgens erkend deskundigen geluid en trillingen algemeen aanvaard voor de beoordeling van trillingshinder. Uit simultane trillingsmetingen op het bedrijfsterrein van de afvalverwerker en in het kantoorgebouw van de klager werd een ontegensprekelijk verband gelegd tussen activiteiten op het bedrijfsterrein en de trillingen die gemeten werden in het kantoorgebouw. Tevens werd door de erkend deskundige vastgesteld dat het afvalverwerkende bedrijf niet voldeed aan de Beste Beschikbare Techniek om de hinder naar de buurt te voorkomen. Naar aanleiding van deze vaststellingen stelde MI een proces-verbaal op en maande zij het bedrijf aan om de bevindingen uit de studie ter harte te nemen en de nodige maatregelen te treffen. Het afvalverwerkende bedrijf volgt momenteel o.m. de verhoogde periodiciteit van uitlijnen van haar breekinstallatie strikt op en klachten van de werknemers van het aanpalend bedrijf zijn tot nu toe uitgebleven.
83
Het manipuleren van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) en pathogene organismen kan bepaalde risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich meebrengen. De term ggo’s is een verzamelnaam voor micro-organismen (bv. bacteriën en virussen), planten en dieren waarvan het genetisch materiaal (DNA) op kunstmatige wijze wordt gemanipuleerd. Pathogene organismen zijn micro-organismen die een ziekte kunnen verwekken bij mensen, dieren of planten. De wetgeving omtrent ingeperkt gebruik van dergelijke organismen komt erop neer dat een inrichting, die ggo’s of pathogene organismen aanmaakt of onderzoekt, een risicoanalyse moet maken van haar activiteiten. Op basis van die risicoanalyse wordt het bedrijf ingedeeld in een van de vier risicoklassen. Aan elk risiconiveau zijn een aantal maatregelen verbonden om te verhinderen dat mens en leefmilieu worden blootgesteld aan die organismen. Naarmate het risiconiveau stijgt, zijn er meer en meer stringente inperkingsmaatregelen vereist.
In navolging van voorgaande inspectiecampagnes werd in eerste instantie gecontroleerd bij 8 inrichtingen waarvan MI een vergunning en een toelating heeft met betrekking tot het ingeperkt gebruik van ggo’s en pathogene organismen. Volgende aspecten werden bij een inspectie nagegaan: - zijn alle afzonderlijke activiteiten vergund en toegelaten? - is er een juiste inschatting van het risiconiveau? - worden de inperkingsmaatregelen opgelegd in de milieuwetgeving of de toelating correct toegepast? - neemt de gebruiker alle nodige maatregelen om schadelijke gevolgen voor de men 84
selijke gezondheid en het leefmilieu te voorkomen? Bij 4 van de 8 bedrijven stelde MI tekortkomingen vast op de geldende inperkingsmaatregelen zonder dat er rechtstreeks gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu was. MI maande de exploitanten aan alle verplichtingen na te komen. Vaak voorkomende tekortkomingen waren o.a.: het niet correct opslaan van het risicohoudend medisch afval (RMA), het niet valideren van desinfectiemethoden, het onvoldoende beschikken over vereiste procedures, het niet correct gebruiken van de recipiënten voorzien voor RMA, afwezigheid van registers met alle organismen, geen verplichte controle uitgevoerd van de microbiële veiligheidskast… In een tweede deel van de inspectiecampagne werden 16 inrichtingen gecontroleerd die vermoedelijk activiteiten uitvoeren met ggo’s of pathogene organismen, maar die hiervoor geen toelating, noch een milieuvergunning hebben aangevraagd. In 2011 bleek bij controle van een dierengeneeskundige praktijk dat die eigenlijk een toelating nodig had voor het werken met pathogene organismen en hiervan niet op de hoogte was. Vermits dit een sector was waar MI in eerste instantie niet verwacht had dat er microbiologische testen werden uitgevoerd, werd deze sector in 2012 met verhoogde aandacht gecontroleerd. Van de 16 gecontroleerde bedrijven bleek er geen enkele met pathogene organismen of met ggo’s te werken. Hieruit besloot MI dat de dierenartsenpraktijk waar wel microbiologische tests worden uitgevoerd een uitzondering is. In 2013 worden de ggo-controles verdergezet, maar beperkt tot de inperkingsmaatregelen bij gekende inrichtingen.
Hoewel de normen voor niet-ioniserende elektromagnetische golven in hoofdstuk 6 van Vlarem II voor niet-ingedeelde inrichtingen werden ingeschreven, werd het toezicht op deze materie toch toegewezen aan een gecentraliseerde dienst, namelijk MI. Het toezicht en de handhaving op elektromagnetische straling (EMS) werd in het najaar van 2011 toegevoegd in het Milieuhandhavingsdecreet en exclusief toegewezen aan MI. MI heeft ervoor gekozen om in eerste instantie deze metingen enkel reactief, dus op vraag van ongeruste burgers, uit te voeren in verblijfplaatsen. De beweegredenen hiervoor zijn enerzijds dat MI de impact op haar personeelsinzet wou beperken en anderzijds dat de milieu-impact van zendantennes beperkt blijft.
Elke ongeruste burger kan online een meting aanvragen via www.lne.be/zendantennes. Vervolgens wordt gecontroleerd of de aanvraag ontvankelijk is. Als de verblijfplaats van de aanvrager verder dan 150 meter verwijderd ligt van de dichtstbijzijnde zendantenne, dan wordt de burger geïnformeerd dat een meting in zijn woning niet zinvol is. Het is volgens theoretische berekeningen immers niet mogelijk dat een gsm-mast op afstanden hoger dan 150 meter de Vlaamse norm per antenne kan overschrijden. Is de ingeschatte afstand lager dan 150 meter, dan wordt de aanvraag opgenomen in een databank en wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gebracht. Alle toezichthouders hebben toegang tot deze databank en kunnen metingen inplannen, rekening houdend met het tijdstip van de aanvragen. Vaak worden de metingen per regio gegroepeerd. Elke aanvrager wordt individueel opgebeld om de meting in te plannen. Om een meting te kunnen uitvoeren moet iemand aanwezig zijn en daarom wordt uit praktische overwegingen het gros
van de metingen ’s avonds en in het weekend uitgevoerd. In een eerste stadium wordt een indicatieve meting uitgevoerd van de elektrische veldsterkte (in V/m) van alle mogelijke zendantennes (ook mobiele zoals bv. een gsmtoestel en vaste die niet onder de norm per antenne vallen worden gemeten). Hiervoor gebruikt MI het eenvoudigere en goedkopere breedbandmeettoestel. Zoals de naam al doet vermoeden meet MI alle elektrische velden samen over een brede frequentieband: 3Mhz-18Ghz (ruimer dan de wetgeving door een beperking van het toestel). MI beoogt met deze meting geen exacte beoordeling of de individuele norm per antenne is overschreden, maar een inschatting of deze kan overschreden worden door één zendantenne. Hiervoor doet de toezichthouder van MI eerst een rondgang door de woning van de aanvrager met de meter in de hand. Vervolgens pikt hij er één of twee plaatsen uit waar de hoogste waarden werden waargenomen. De meting bepaalt, zoals de wetgeving voorschrijft, het gemiddelde over een periode van 6 minuten. Om te beoordelen of de norm kan overschreden zijn, wordt intern binnen MI een richtwaarde van 2V/m gehanteerd. Is de gemeten gemiddelde waarde lager dan 2 V/m, dan kan met zekerheid gesteld worden dat de Vlaamse norm voor een individuele zendantenne niet wordt overschreden. Is de gemiddelde waarde hoger dan 2 V/m dan is een bijkomende smalbandmeting noodzakelijk om uitsluitsel te geven of de norm wordt overschreden. MI kan hierbij een beroep doen op de technische kennis en de materiële middelen van het BIPT, dat in opdracht, een tweede meting uitvoert. Bij een smalbandmeting worden de elektrische veldsterktes per frequentie gemeten en kan bepaald worden of een zendantenne, die uitzendt bij één specifieke frequentie, de Vlaamse norm al dan niet overschrijdt. Bij overschrijding maant MI de exploitant van de zendantenne aan om binnen een redelij85
ke termijn zijn installatie aan te passen zodat de norm niet meer overschreden wordt.
gemaand hun installaties aan te passen. Alle aangeschreven operatoren hebben gevolg gegeven aan de aanmaning door de betrokken antenne uit te schakelen of door het vermogen van de antenne te verminderen.
In 2012 heeft MI 165 breedbandmetingen uitgevoerd. Bijna alle gerapporteerde over 6minuten uitgemiddelde metingen lagen lager dan de door MI gehanteerde richtwaarde van 2 V/m. MI heeft daarom slechts in drie gevallen het BIPT ingeschakeld om een smalbandmeting uit te voeren. Bij twee van deze metingen werd de norm overschreden en werden de betrokken operator(en) aan-
De belangrijkste motivatie van MI om deze metingen te blijven uitvoeren, is dat zij wenst rekening te houden met de blijvende ongerustheid bij de bevolking over een niettastbaar onderwerp zoals elektromagnetische straling. Daarnaast wil MI uiteraard de gemeten overschrijdingen van de norm aanpakken.
86Â Â
Sinds 1 juni 2007 is de Europese verordening 1907/2006, gekend onder de naam REACHverordening, van toepassing. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van CHemische stoffen. Deze verordening heeft als doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en leefmilieu te waarborgen. Tegelijkertijd moet de REACH-verordening innovatie stimuleren en het concurrentievermogen van Europa bevorderen. Nieuw in deze wetgeving is dat de bewijslast verplaatst wordt van de overheden naar de bedrijven. Alle chemische stoffen, hetzij als zodanig, hetzij in een mengsel gebruikt, moeten geregistreerd worden bij het Europees Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA). De fabrikanten of importeurs van deze stoffen registreren een stof door het indienen van een dossier bij ECHA. Het bedrijf moet in dit dossier de fysische en chemische eigenschappen van de stof opnemen, de risico’s identificeren en maatregelen aangeven om deze risico’s te beperken. ECHA evalueert deze dossiers samen met de overheden van de lidstaten. Zij kunnen dan stoffen op de autorisatielijst of op de beperkingenlijst plaatsen. Het betreft stoffen waarover geoordeeld wordt dat ze schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Wanneer een stof op deze autorisatielijst komt, kan een bedrijf deze stof enkel gebruiken of op de markt brengen als het hier een toelating voor heeft. Wanneer een stof op de beperkingslijst terechtkomt, wordt het gebruik of het op de markt brengen voor bepaalde toepassingen ervan beperkt.
Op Europees niveau werd, bij het inwerkingtreden van de REACH-verordening, het ECHAFORUM opgericht, met een vertegenwoordiger van elke lidstaat. Eén van de voornaamste taken van het ECHA-FORUM is geharmoniseerde handhavingsprojecten en gezamenlijke
inspecties voorstellen, coördineren en beoordelen. Zijn eerste gecoördineerde uitvoeringsproject, REACH-ENFORCE-1 (REF-1) richtte zich op verplichtingen ten aanzien van registratie en informatie-uitwisseling in de toeleveringsketen, voor fabrikanten en importeurs van stoffen als zodanig of in mengsels. De uitvoering ervan startte in 2009. In een tweede gecoördineerd handhavingsproject (REF-2), dat startte in 2011, stond de naleving van voorschriften van de REACH- en CLPverordening voor downstream-gebruikers centraal. In hetzelfde jaar startte ook de voorbereiding van een derde gecoördineerd handhavingsproject (REF-3). Dat richt zich op de naleving van registratieverplichtingen door fabrikanten en importeurs van chemicaliën, met bijzondere aandacht voor samenwerking met douane. De uitvoering is gepland voor 2013. In België werd een Forum Nationaal (FN) opgericht om het overleg over toezicht en handhaving tussen de verschillende bevoegde handhavingsdiensten te bevorderen. In dit FN zetelt een vertegenwoordiger van alle voor toezicht en handhaving bevoegde inspectiediensten. Ook MI is lid van dit forum. In het FN werd afgesproken dat België, op enkele uitzonderingen na, zou deelnemen aan alle door het ECHA-Forum voorgestelde gecoordineerde inspectiecampagnes. Om de toezichtlast op de bedrijven te verminderen, kwamen de bevoegde inspectiediensten overeen om de controles gezamenlijk uit te voeren. Voor alle REF-inspecties gaat in principe een toezichthouder van het betreffende gewest op inspectie samen met een inspecteur van de Federale Leefmilieu Inspectie. Soms worden deze vergezeld door een inspecteur Toezicht en Welzijn op het Werk.
De REF-2 campagne bestond uit 3 fases: de voorbereidende fase, de operationele fase en de rapporteringsfase. In de voorbereidende 87
fase stelde het ECHA-FORUM een handleiding op en gaf het de nationale coördinatoren duiding. In de operationele fase werden de inspecties uitgevoerd in de deelnemende landen. In België gebeurde dit van eind 2011 tot begin 2012. In de rapporteringsfase verzamelden de nationale coördinatoren de bevindingen van hun inspectiediensten en rapporteerden ze aan een bijzondere werkgroep van het ECHAFORUM. REF-2 focust zich op downstreamgebruikers (DU’s). Dit zijn personen die een stof gebruiken - hetzij als zodanig hetzij in een mengsel - bij hun industriële of beroepsactiviteiten. Meer specifiek werd gekozen voor die DU’s die mengsels formuleren (bv. verven, schoonmaakmiddelen, smeermiddelen, …). De campagne bestond uit toezicht op de naleving van REACH-verplichtingen door de DU’s, en waar nodig het afdwingen ervan. Zo werd nagegaan of de nodige informatie werd doorgegeven binnen de toeleveringsketen. Hiervoor werd o.a. gekeken naar de veiligheidsinformatiebladen. Aangezien DU's ook fabrikanten of importeurs van chemische stoffen kunnen zijn, werd ook de naleving op de registratieverplichtingen nagegaan. MI heeft aan 23 inspecties deelgenomen in het kader van REF2. Uit deze REF-2-campagne blijkt dat het doorgeven van informatie binnen de toeleveringsketen niet altijd vlot verloopt. Zo zijn DU’s vaak niet op de hoogte van de registratiestatus van een door hen gebruikte stof.
88
Sommigen willen gebruik maken van de registratievrijstelling voor polymeren, maar het toetsen of hun product beantwoordt aan de REACH-definitie van een polymeer is niet zo evident. Anderen willen gebruik maken van de lichtere registratievereisten voor geïsoleerde tussenproducten. Ze moeten hiervoor onder meer kunnen aantonen dat hun product vervaardigd wordt onder ‘strikt gecontroleerde voorwaarden’ die moeten voorkomen dat het product in het leefmilieu terechtkomt. Maar objectief verifiëren of hun product vervaardigd wordt onder voldoende ‘strikt gecontroleerde voorwaarden’ blijkt in de praktijk niet zo vanzelfsprekend te zijn. In 2012 heeft MI een test REF-3 campagne zoals overeengekomen binnen het Belgische FN- opgevolgd met het oog op stoffen onderworpen aan bv. REACH Annex XVIIrestricties. Bijzondere aandacht ging in België naar de uitvoerbaarheid van de controle op de invoer van chemische stoffen in nauwe samenwerking met de douane, ook ter beoordeling van wat het ECHA-Forum voorstelt. Een uitgebreide en complexe Europese wetgeving zoals de REACH-verordening vereist een geharmoniseerde aanpak over alle lidstaten en zeker ook binnen België. MI zal daarom haar inspectiecampagnes blijven afstellen op de aanbevelingen van het ECHA-FORUM.
Koelinstallaties met ammoniak als koelmedium worden gebruikt in bedrijven en inrichtingen van uiteenlopende sectoren, vooral de voedingssector (groenteverwerkers, bakkerijen, veilingen, zuivelfabrieken, fruitsapproducten, brouwerijen, …) en de recreatieve sector (ijsbanen en skipistes). Maar ook in de chemische industrie zijn dergelijke koelinstallaties in gebruik. Voor een veilige exploitatie van koelinstallaties op ammoniak moeten in de eerste plaats incidenten met vrijzetting van ammoniak vermeden worden en moeten bouw en onderhoud van dergelijke installaties goed opgevolgd worden. Tweede belangrijke aandachtspunt is de controle op het bestaan van een noodplan dat met dergelijk ongevalsscenario rekening houdt en dat geactualiseerd en ingeoefend is. Gezien het belang van deze installaties op het vlak van omgevingsveiligheid vond MI een georganiseerde toezichtscampagne wenselijk om een veilige bedrijfsvoering in deze installaties te garanderen. Daarom ontwikkelde en testte MI in 2010 een leidraad voor systematische inspecties van dergelijke installaties. De leidraad voorziet de controle van de toepasselijke milieuvoorwaarden uit Vlarem II, de toetsing van de installatie aan de normen en codes van goede praktijk terzake en de evaluatie van de organisatorische maatregelen op het vlak van noodplanning. Verschillende incidenten toonden immers aan dat bij vrijzettingen aanzienlijke gevolgen (doden en gewonden) kunnen optreden tot op grote afstanden. Dit is ook te zien in de noodplanningszones van Sevesobedrijven voor de scenario’s met ammoniak. Ammoniak is een giftig gas. Blootstelling gedurende 15 minuten aan 3.500 ppm is dodelijk, 5.000 ppm is fataal
binnen enkele minuten. In besloten ruimten kan ammoniak een explosieve atmosfeer doen ontstaan. Er is ook een groot risico op brandwonden door de lage temperatuur en het bijtend karakter voor ogen en luchtwegen. In 2011 voerde MI inspecties uit in bedrijven uit de voedingssector en de recreatieve sector. In 2012 werd de actie verder gezet in dezelfde sectoren. In de periode 2010-2012 controleerden de toezichthouders van MI 27 koelinstallaties m.b.v. de leidraad en stelden daarbij onder meer vast dat in veel installaties vaak ammoniak bijgevuld moet worden. Volgens sommige installateurs is het bijvullen van een ammoniakinstallatie doorsneepraktijk omdat ammoniak degenereert naar stikstof. Andere installateurs spreken dit dan weer tegen. Een ruime meerderheid van de bedrijven laat de periodieke, planmatige inspecties door een koeltechnicus uitvoeren. Het aanleveren van actuele documentatie over de bouw en de staat van onderhoud vormde vaak een pijnpunt. In sommige gevallen moest nog een nood- en interventieplan op basis van een risicostudie opgemaakt worden. De interventiemiddelen (bijvoorbeeld de geforceerde evacuatie van vrijzettingen met extractieventilatoren of het aanleggen van een watergordijn) en detectiemiddelen (bijvoorbeeld draagbare of vaste ammoniakdetectoren) zijn niet gespecificeerd in Vlarem II. Het bepalen en het aanbrengen van de nodige interventiemiddelen moet wel gebeuren in overleg met de plaatselijke brandweer. Gezien de grote potentiële impact bij incidenten blijft MI ook in 2013 systematische controles uitvoeren. In de selectie zijn ook zogenaamde GPBV-bedrijven opgenomen.
89
Bijlagen Inhoudelijke ondersteuning Stafdienst
Diensthoofd
Hoofdbestuur
Martine Blondeel
Toezicht zwarerisicobedrijven Inge Delvaux
BD AntAntwerpen Linda Van Geystelen
BD Limburg
BD OostVlaanderen
BD VlaamsBrabant
BD WestVlaanderen
Freddy Noels
Greta De Maesschalck
Marc Vanthienen
Roland Loontiens
Peter Brien
Gert Govaerts
Robert Dupont
Marc Sevenant
Tom Nuyts
Steven Overmeire
Patrick Bergen
Koen Mergaert
Kaat Vanmeeren
Jozef Algoet
Mathy De Preter
Danny Deygers
Liesbet Rommens Rudi Rademaekers Jan De Paep
Frans Van der Cruyssen
Christophe Bervoets
Danny Deygers
Wilfried Van Vaerenbergh
Dirk Crivits
Robrecht Pillen
Peter Schoups
Peter Wesemael
Eric Van Gijseghem
Geert Van Landschoot
Afval Michael Allison An Van Steenbergen Wim Vermetten Patrick Bergen Tom Nuyts
- afval
Hans Delcourt
- ketenteam
Bart Palmans
- back-up ketenteam
Bart Palmans
- dierlijke bijproducten
Roel Vaneerdeweg
Anne Colman
Water
Rita Van Ham
Ann Van Deun
- lucht – emissies
Karel Debeuf Rafael De Sousa
Jos Moeskops Ann Devisschere
- lucht – immissie
Roel Vaneerdeweg
- ozonafbrekende stoffen - broeikasgassen
Krista Thomas
Els De Jonghe
Peter Brien
Frans Van der Cruyssen
- VOS
Krista Thomas
Jos Moeskops
Liesbet Rommens
Frank Verslype
- geur
Geert Keppens
Jos Moeskops
Martine Blondeel
Anja Van der Auwera
Lucht
Geert Van Landschoot Karel Vandamme Nele Vanassche
Peter Wesemael
Mathy De Preter Eric Van Gijseghem Eric Van Gijseghem
Frank Verslype
Katleen Dethier
Wim Delaere
Lieve Joos
Patrick Bergen Christophe Bervoets
Tine Soetens
Marian Lagrou
Tina Poels
Koen Mergaert
Tina Poels
Tine Soetens
Koen Mandonx
Marc De Vos
Geert Van Landschoot
GPBV - industrie
- landbouw
Genetisch gemodificeerde organismen Bodem en grondwater Geluid
Jeroen November
Anne Colman
Geert Keppens
An Swinnen
Jeroen November
Hendrik Meulemans Lief Mannaerts
Paul Cuypers
(Omgevings)veiligheid
Tom Maes Tom Maes Tom Nuyts Peggy Cloostermans Sybille Vanderhenst Tom Maes
Greta De Maesschalck Frans Van der Cruyssen
heel de dienst
91
ANB BIPT COPRO DREAL ECHA EEG EG FAVV FLI FN FVO INBO IMPEL IMPEL-TFS LHRMG LNE MI MINA OESO OVAM SERV TZR VEA VHRM VITO VLM VMM VREG
Agentschap voor Natuur en Bos Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie Organisatie die kwaliteitslabels toekent aan afbraakpuin (COntrole van PROducten) Les Directions Régionales de l'Environnement, de l'Aménagement et du Logement (Frankrijk) Europees Agentschap voor Chemische stoffen (REACH) Europese Economische Gemeenschap Europese Gemeenschap Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federale Leefmilieu-Inspectie Forum Nationaal (REACH) (European) Food and Veterinary Office Instituut voor Natuur en Bosonderzoek European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law Trans-Frontier Shipments of waste Afdeling Lucht, Hinder, Risico, Milieu en Gezondheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Milieu- en Natuurraad Vlaanderen Organistaie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen Dienst Toezicht Zwarerisicobedrijven Vlaams Energieagentschap Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt
AEEA BAO BAT BBT BEO BREF CLP CMA DL EMS EVOA GGO GHz GPBV GWP IAVA ICT IE IGS IMJV
Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten Beperkt Akoestisch Onderzoek Best Available Techniques Best Beschikbare Technieken BoorgatenEnergieOpslag BAT Reference Document Classification, Labelling and Packaging CoMpendium voor Afvalstoffen DetectieLimiet ElektroMagnetische Straling Europese verordening overbrenging afvalstoffen Genetisch Gemodificeerde Organismen Gigahertz Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging Global Warming Potential Audit Vlaanderen Informatie en Communicatie Technologie InwonerEquivalent Indelingscriterium Gevaarlijke Stoffen Integraal MilieuJaarVerslag
92
KWO KWS MHz MHB MHD MIDAS MIP MKN MSD OBA PM10
SOF SOP TOP TU V/m VAO VLAREA VLAREM VLAREMA VTE VVV WAC
Koude-Warmte-Opslag Koolwaterstoffen Megahertz Milieuhandhavingsbesluit Milieuhandhavingsdecreet Milieu-Inspectie Data Systeem Milieu-Inspectieplan Milieukwaliteitsnorm Milieuschadedecreet Organisch-Biologische Afvalstoffen (particulate matter) fractie van het fijn stof in de lucht met een waarvan de deeltjes een aerodynamische diameter van kleiner dan 10 micrometer Proces-Verbaal Registration, Evaluation, Authorisation and Restriction of Chemical substances REACH-Enforce-1 (gecoördineerd uitvoeringsproject voor REACH) Rapporteringsgrens Risico houdend Medisch Afval RioolWaterZuiveringsInstallatie Geïnformatiseerd selectiesysteem van de douane bij het contoleren van containers in de havens Solar Occultation Flux Strategisch en Operationeel Plan Tussentijdse OpslagPlaats (voor uitgegraven bodem) Toxische eenheid Volt per meter Volledig Akoestisch Onderzoek Vlaams Reglement voor Afvalvoorkoming en -beheer Vlaams Reglement over de Milieuvergunning Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen VolTijds Equivalent Verslag Van Vaststelling WaterAnalyseCompendium
BDE183 BZV CO Cr Cu CZV DPS EDDP HCFK HCl HF HFK Hg MDMA N Ni NOx P PAK Pb PCB
Octabromodifenyl ether Biochemisch Zuurstofverbruik Koolstofmonoxide Chroom Koper Chemisch Zuurstofverbruik Difenylsulfon 2-ethylidene-1,5-dimethyl-3,3-diphenylpyrrolidine (metaboliet van methadon) Chloorfluorkoolwaterstoffen Waterstofchloride Waterstoffluoride Fluorkoolwaterstoffen Kwik 3,4-methyleendioxymethamfetamine Stikstof Nikkel Stikstofoxiden Fosfor PolyAromatische Koolwaterstoffen Lood Polychloorbifenyl
PV REACH REF-1 RG RMA RWZI SEDA
93
PER pH SO2 TOC VOS Zn
94
Perchloorethyleen zuurtegraad zwaveldioxide Totaal Organisch koolstof Vluchtige Organische Stoffen Zink
Afdelingshoofd en Stafdienst Paul Van Gijseghem, diensthoofd, belast met de leiding van de afdeling Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be
Buitendienst Limburg diensthoofd: Freddy Noels Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt Tel.: 011-74 26 00 Fax: 011-74 26 29 e-mail: milieu-inspectie.lim@lne.vlaanderen.be
Hoofdbestuur diensthoofd: Martine Blondeel Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie.hb@lne.vlaanderen.be
Buitendienst Oost-Vlaanderen diensthoofd: Greta De Maesschalck Apostelhuizen 26k 9000 Gent Tel.: 09-235 58 50 Fax: 09-235 58 79 e-mail: milieu-inspectie.ovl@lne.vlaanderen.be
Toezicht zwarerisicobedrijven diensthoofd: Inge Delvaux Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 03 54 Fax: 02-553 81 96 e-mail: milieu-inspectie.tzr@lne.vlaanderen.be
Buitendienst Vlaams-Brabant diensthoofd: Marc Vanthienen Diestsepoort 6 bus 71 3000 Leuven Tel.: 016-66 60 70 Fax: 016-66 60 75 e-mail: milieu-inspectie.vbr@lne.vlaanderen.be
Buitendienst Antwerpen diensthoofd: Linda Van Geystelen Lange Kievitstraat 111-113 bus 62 2018 Antwerpen Tel.: 03-224 64 25 Fax: 03-224 64 28 e-mail: milieu-inspectie.ant@lne.vlaanderen.be
Buitendienst West-Vlaanderen diensthoofd: Roland Loontiens Koning Albert I-laan 1/2 8200 Brugge Tel.: 050-24 79 60 Fax: 050-24 79 65 e-mail: milieu-inspectie.wvl@lne.vlaanderen.be
95Â Â
Uitgave Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Verantwoordelijke uitgever ir. Paul Van Gijseghem directeur-ingenieur / diensthoofd Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Eindredactie Jos Tits Depotnummer: D/2014/3241/090
Dit rapport is ook beschikbaar op www.milieu-inspectie.be Vlaamse Overheid
96