Skip to main content

Milieuhandhavingsrapport_ 2007.pdf

Page 1

Milieuhandhavingsrapport 2007 Afdeling Milieu-inspectie

MI •

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Voorwoord

03

Inleiding

07

Inhoud

08

Organisatie

11

Personeel, vorming en middelen

19

Milieu-inspectieplan 2007

29

Specifieke handhavingscampagnes

33

Routinecontroles

63

Reactieve controles

75

Voortgangscontrole en eigen initiatief

85

Straf- en administratiefrechtelijk optreden

91

Samenwerking en overleg

101

Internationale context

109

Bijlagen

117


Voorwoord Het Milieuhandhavingsrapport 2007 heeft, zoals de vorige jaren, de intentie om de lezer uitvoerig te informeren over de invulling van de haar opgelegde en van de eigen doelstellingen van de afdeling Milieu-inspectie. Naar aanleiding van de herziening van de GPBV (IPPC)-richtlijn, door de Europese Commissie opgestart in 2006, en mede rekening houdend met de ervaring van de afdeling Milieuinspectie met haar inspectiepraxis van deze inrichtingen, werd besloten om in 2007 de functie van staflid GPBV te creëren. Het ‘Ketenteam’,dat door de afdeling Milieu-inspectie opgericht werd naar aanleiding van de haar toevertrouwde opdracht in het ketentoezicht afvalstoffen sinds de implementatie van ‘Beter Bestuurlijk Beleid’, is op kruissnelheid gekomen en levert uitmuntend werk. 2007 stond, net als de vorige jaren, in het teken van de uitvoering van het ambitieuze MIP (Milieu-inspectieplan). Met dit elfde plan wordt een geïntegreerde en multidisciplinaire aanpak van de milieuproblematiek tot doel gesteld en wordt bewust de voorkeur gegeven aan een gecoördineerd optreden en maximale samenwerking met andere (handhavings)actoren, boven ad hoc toevalstreffers. Uit de lectuur van de volgende bladzijden zal u dan ook kunnen opmaken of de bovenstaande aanpak tot positieve resultaten leidt, dan wel invulling geeft aan het voortdurend streven van de afdeling Milieu-inspectie naar een hoger niveau van efficiënt en effectief handhaven van de milieuwetgeving. In het bijzonder vestigen we hier graag uw aandacht op volgende items: - een diepgaande inspectie-actie bij 35 bedrijven die afvalstoffen verwerken, toonde aan dat de geldende regelgeving door een belangrijk aantal van hen onvoldoende nageleefd wordt. Een streng toezicht dringt zich dan ook op. - een grootscheepse controle bij 45 biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties in de winter 2006-2007 leidde tot de conclusie dat slechts 1 op 4 van deze installaties volledig conform de geldende normeringen en meetverplichtingen geëxploiteerd worden. Eenzelfde controle bij 27 installaties in de winter 2007-2008 leverde een even zorgwekkend beeld op. De afdeling Milieu-inspectie koppelde dan ook zijn ervaring uit het veld terug aan het beleid en zal niet nalaten om verdere handhavingsacties uit te voeren in de toekomst.

3


- ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen zijn sedert meerdere jaren een belangrijk aandachtspunt. Koelinstallaties worden dan ook verder intensief gecontroleerd op koelgaslekken. Jammer genoeg moet worden vastgesteld dat ook in 2007 nagenoeg 61% van de onderzochte installaties niet lekdicht waren.Een verbetering in vergelijking met de vorige jaren is dan ook nog niet aan de orde. Verdere handhavingsacties zijn dan hier ook noodzakelijk. - De twee meetcampagnes voor PFT’s (perfluortensiden) in het afvalwater van afvalverwerkende bedrijven, enkele textielbedrijven en chromeerders - in navolging van het in 2006 in Duitsland vastgestelde milieuschandaal - leverden alvast in ongeveer 1 op de 3 waterstalen de aanwezigheid op van meer dan 20µg/l aan perfluorverbindingen. De afdeling Milieu-inspectie heeft dan ook in dit dossier zijn bevindingen overgemaakt aan het beleid. - In dit rapport wordt tevens in extenso uitgeweid over enkele belangwekkende voorbeelden van handhaving, die geplaatst worden onder de noemer ‘voortgangscontrole en eigen initiatief van de toezichthoudende ambtenaar’ en dus buiten de geplande inspectieactiviteiten vallen. Wij durven te verwachten dat bovenstaande u zal stimuleren tot een aandachtige lezing van dit rapport en u ervan zal overtuigen dat een correcte en professionele handhaving van de milieuwetgeving, door een overheidsorgaan als de afdeling Milieu-inspectie, het onontbeerlijke sluitstuk is van een resultaatgericht leefmilieubeleid.

Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd

4


Inleiding De afdeling Milieu-inspectie (MI) bericht jaarlijks in het milieuhandhavingsrapport over de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van haar milieu-inspecties. Dit rapport is daarmee uitgegroeid tot een belangrijke schakel bij de volledige implementatie van de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). Dat dit rapport noodzakelijk is, wordt al duidelijk in de omschrijving van het doel van de aanbeveling: er zouden milieu-inspecties in de lidstaten moeten worden uitgevoerd volgens minimumcriteria met betrekking tot de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en bekendmaking van de resultaten van de inspecties, om in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een meer consequente uitvoering en handhaving daarvan. De aanbeveling stelt bovendien dat de verslaggeving over inspectieactiviteiten een belangrijke manier is om, door middel van transparantie, de betrokkenheid van burgers, ngo’s en andere belanghebbenden bij de uitvoering van milieuwetgeving te garanderen. Er wordt tevens vermeld dat de verslaggeving toegankelijk moet worden gemaakt overeenkomstig de Richtlijn inzake de vrije toegang tot milieu-informatie. Dit milieuhandhavingsrapport probeert zo goed mogelijk de indeling van de aanbeveling te volgen en bestaat daarom uit drie grote delen.

Deel 1: organisatie van de afdeling en de daarbij gebruikte middelen Het milieuhandhavingsrapport start met een beschrijving van de organisatie van de afdeling (hoofdstuk 1) én met een rapportering over de gebruikte middelen (personeel, budget, …) (hoofdstuk 2).

Deel 2: uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van de milieu-inspecties Alle milieu-inspecties worden uitgevoerd op basis van een milieu-inspectieplan. Dit planmatig werken is een basisbeginsel van de aanbeveling. Zo vermeldt de aanbeveling onder andere dat om de doeltreffendheid van het inspectiesysteem te garanderen, de lidstaten erop toe moeten zien dat milieuinspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Eerst wordt in hoofdstuk 3 aangegeven hoe er jaarlijks een milieu-inspectieplan wordt opgesteld en hoe dat in overeenstemming is met de definities van de indeling van milieu-inspecties in deel II en met de principes over het opstellen van milieu-inspectieplannen in deel IV van de aanbeveling. Daarna wordt voor elk onderdeel van het milieu-inspectieplan gerapporteerd over de uitvoering, de voortgangscontrole en de resultaten. Die onderdelen zijn: - specifieke handhavingscampagnes (hoofdstuk 4); - routinecontroles (hoofdstuk 5); - reactieve controles (hoofdstuk 6); - eigen initiatief en voortgangscontrole (hoofdstuk 7). Hoofdstuk 8 sluit dit deel af met een rapportering over de strafrechtelijke en administratiefrechtelijke afhandeling van alle controles.

Deel 3: samenwerking en overleg Het milieuhandhavingsrapport besluit met een overzicht van de intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking. Het hoofdstuk ‘Samenwerking en overleg’ spitst zich toe op de diverse samenwerkingsverbanden binnen de landsgrenzen en het hoofdstuk ‘Internationale context’ geeft een overzicht van de diverse contacten op Europees niveau en soms ver daarbuiten.

7


Inhoud Voorwoord 3 Inleiding 7

1

Organisatie

11

Situering van MI 11 Opdracht 12 Interne structuur 12 Bevoegdheden 14 Beleid en strategie 15 Openbaarheid van bestuur 16 Integrale kwaliteitszorg 16

2

Personeel, vorming en middelen

Personeel 19 Vormingsactiviteiten 24 Werkingsmiddelen 25 Aanwending van de kredieten

3

26

Milieu-inspectieplan 2007

Doelstellingen van het MIP 29 Totstandkoming van het MIP 2007 Inhoud van het MIP 2007 30

4

19

29

29

Specifieke handhavingscampagnes

33

Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (GPBV) Zwarerisicobedrijven 35 Afval en Ketentoezicht 38 Bodem en Grondwater 43 Geluid en Trillingen 45 GGO’s 45 Lucht 47 Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen 53 Water 55

5

Routinecontroles

Routinemonsternames 63 Routinemetingen 66 Routinecontroles exploitatie

8

-

Titel vh hoofdstuk

63 69

33


6

Reactieve controles

75

Klachten 75 Meldingen van voorvallen 79 Evaluatieverslagen 80 Kantschriften 80 Evaluatie werkplannen 81 Vragen vanuit het Vlaams Parlement Hoog toezicht 83 Draaiboek wintersmog 83

7

81

Voortgangscontrole en eigen initiatief

85

Voortgangscontrole van een dossier 85 Eigen initiatief 85 Enkele voorbeelden van MI-handhaving 86

8

Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden

Inspecteren 91 Processen-verbaal 92 Maatregelen nemen 93 Strafrechtelijke afhandeling

9

98

Samenwerking en overleg

101

101

Samenwerking met gemeentelijke Vlarem-toezichthoudende ambtenaren Samenwerking met de gerechtelijke instanties 102 Samenwerking in het kader van de veiligheid van de voedselketen 103 Samenwerking met OVAM 103 Afstemming monitorings- en handhavingstaken 104 Samenwerking rond afvaltransporten 104 Samenwerking met de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s Samenwerking met andere gewesten 105 Beleid 105

10 Internationale context IMPEL Andere

11

91

104

109

109 113

Bijlagen

117

Contactpersonen binnen MI 117 MI in de pers 118 Contactpersonen samenwerking, overleg en regelgevende initiatieven Gebruikte afkortingen 121 Adressen 123

120

Titel vh hoofdstuk

-

9


Organisatie Binnen het Vlaamse Gewest is MI hĂŠt handhavingsorgaan van de milieuhygiĂŤnewetgeving. Dit hoofdstuk start daarom met de situering van MI binnen de Vlaamse Overheid. Daarna wordt de aandacht volledig gericht op MI met een omschrijving van de opdracht, de bevoegdheden en de werking van de afdeling. MI vangt de omvangrijke opdracht en de veelheid en de complexiteit van de regelgeving op door een dubbele interne structuur: naast de klassieke verticale structuur is ook een horizontale structuur opgezet in de vorm van werkgroepen per milieucompartiment. Verder in dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het beleid en de strategie van MI en van het permanent streven naar kwaliteitsborging en -verbetering.

Situering van MI Sinds 1 april 2006, met de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) maakt MI deel uit van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE).

De situering binnen het departement LNE en de plaats van het departement binnen het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie worden gevisualiseerd in de organogrammen.

Organisatie

- 11


Opdracht

Interne structuur

In het kader van het Milieuvergunningsdecreet en Vlarem I oefenen de toezichthoudende ambtenaren van MI toezicht uit op de hinderlijke inrichtingen van klasse 1 en hoog toezicht op de inrichtingen van klasse 2 en 3. Die bevoegdheid wordt nog aangevuld met toezichtsbevoegdheden uit meerdere aanverwante milieuhygiënewetgevingen, zoals het toezicht op afvalstromen.

Het Hoofdbestuur vervult een sturende en ondersteunende taak en waakt over de planning, de diepgang, de uniforme uitvoering, de afstemming en de integratie van de handhavingscampagnes. Het Hoofdbestuur is ook verantwoordelijk voor de voorbereiding, de formulering en de evaluatie van het handhavingsbeleid. De buitendiensten staan in hoofdzaak in voor de inspecties, het nemen van de maatregelen en de verdere voortgangscontrole van de bedrijfsdossiers, en verzekeren de coördinatie van een aantal activiteiten. Belangrijk is ook de terugkoppeling van de ervaringen op het terrein. De belangrijkste taak van Toezicht zwarerisicobedrijven is de planmatige en systematische controle van de zogenaamde Sevesobedrijven. Een aantal stafmedewerkers staan in voor de administratieve ondersteuning van de afdeling (personeel, logistiek, financiën, ICT) en voor de coördinatie van het GPBV-kernteam.

MI streeft voortdurend naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan een doelmatig, deskundig, uniform, geïntegreerd en sturend optreden over heel Vlaanderen en wil MI een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Het hoog toezicht wordt op die manier niet enkel casueel maar ook systematisch ingevuld. Naast MI zijn er ook vele andere actoren betrokken bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving, o.a. de burgemeesters, de politiediensten en de gerechtelijke instanties. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, moeten die instanties constructief samenwerken. MI is actief in het vormen van netwerken tussen deze instanties. Daarnaast heeft MI ook de taak om internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan internationale vernieuwingen en tendensen. Voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie heeft MI de opdracht om de Vlaamse minister van Leefmilieu te adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Daarvoor koppelt MI haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Tot slot heeft MI de opdracht haar optreden en aanpak op geregelde tijdstippen kenbaar te maken en toe te lichten. Met die transparantie beoogt MI een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor de handhaving te creëren en te behouden.

12 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Daarnaast is er nog de horizontale structuur die bestaat uit werkgroepen per milieucompartiment. De werkgroepwerking moet garant staan voor een gecoördineerde en uniforme aanpak in het hele Vlaamse Gewest. Eind 2007 waren er zeven werkgroepen actief: Afval (m.i.v. een Ketenteam, verantwoordelijk voor controle op de ophaling en vervoer van afvalstoffen), Bodem en Grondwater, Geluid en Trillingen, Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s), Lucht, Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen en Water. Een werkgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de buitendiensten en één of twee vertegenwoordigers van het Hoofdbestuur, die fungeren als gangmaker. Een GPBV-kernteam bundelt de expertise bij de uitvoering van GPBV-controles.


Organisatie

- 13


Bevoegdheden MI houdt toezicht op de volgende milieuhygiĂŤnewetgevingen (of delen ervan) die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest: - het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad, 17 september 1985) en de uitvoeringsbesluiten Vlarem I van 6 februari 1991 en Vlarem II van 1 augustus 1995; - het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Belgisch Staatsblad, 3 juni 1995), inzonderheid titel III van 19 april 1995 betreffende bedrijfsinterne milieuzorg (Belgisch Staatsblad, 4 juli 1995); - het decreet van 2 juli 1981, gewijzigd bij het decreet van 20 april 1994, betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (Belgisch Staatsblad, 29 april 1994) (de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval is opgeheven voor het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 1 en 7) en het uitvoeringsbesluit Vlarea van 5 december 2003; - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer (Belgisch Staatsblad, 5 juni 1984); - het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (Belgisch Staatsblad, 29 april 1995) en het uitvoeringsbesluit Vlarebo van 5 maart 1996; sinds 1 juni 2008 vervangen door het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Belgisch Staatsblad, 22 januari 2007) en het uitvoeringsbesluit Vlarebo van 14 december 2007; - het decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen van 22/12/2006 (Belgisch Staatsblad, 29 december 2006); - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging (Belgisch Staatsblad, 14 januari 1965); - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Belgisch Staatsblad, 1 mei 1971);

14 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

- de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder (Belgisch Staatsblad, 14 september 1974) en het koninklijk besluit van 24 februari 1977 betreffende elektronisch versterkte muziek (Belgisch Staatsblad, 26 april 1977); - de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende straling, infrasonen en ultrasonen (Belgisch Staatsblad, 26 november 1985); - het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Belgisch Staatsblad, 16 juni 2001); - de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (Publicatieblad van de Europese Unie, L 30, 6 februari 1993); - de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen (Publicatieblad van de Europese EU, L 190, 14 juni 2006) - de Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (Publicatieblad van de Europese Unie, L 244, 29 september 2000); - de Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Publicatieblad van de Europese Unie, L 273, 10 oktober 2002); - de Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 97/117/EEG (Publicatieblad van de Europese Unie, L 158, 30 april 2004).


Beleid en strategie MI heeft al enkele jaren de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. De verdere optimalisatie van de structuur en de werking van MI worden daardoor gestuurd. Er werd vertrokken van de bestaansreden van MI: het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen. De missie (waar staan we nu?) is een verdere uitdieping van die bestaansreden: wij als afdeling Milieu-inspectie toetsen en bevorderen de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen. Wij doen dit door toezicht te houden, ambtshalve controles uit te voeren, opsporingen te doen, maatregelen te nemen, de handhaving van het milieuhygiënebeleid uit te dragen naar gemeenten, provincies en andere handhavingsactoren, alsook door bij te dragen tot beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van onze ervaringen vanuit het veld, en een actieve inzet in het Europees IMPEL-milieuhandhavingsnetwerk. Om aan te geven hoe de medewerkers zich willen gedragen, werden volgende waarden vastgelegd. Wij willen loyale, ondernemende en tevreden medewerkers zijn die dicht staan bij de klant en duidelijk maken wat ze doen, vlot inzetbaar en aanspreekbaar zijn, snel, dynamisch en realistisch op uitdagingen ingaan, resultaatgericht en geïntegreerd samenwerken, door onze visie, creativiteit en deskundigheid een stap voor blijven, steeds willen verbeteren en houden van onze job, een gezonde ecologische reflex hebben, en een correcte handhavingsreflex vertonen. De visie geeft aan welke organisatie MI wil zijn: de afdeling Milieu-inspectie wordt dé organisatie die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving. Om van de huidige toestand (missie) naar de gewenste situatie (visie) te komen, zijn een aantal strategische acties nodig. MI heeft de volgende kritische succesfacto-

ren geïdentificeerd om die overgang succesvol te laten verlopen. MI wil een bedrijfscultuur van voortdurende verbetering creëren waarin iedereen achter de visie, missie en waarden staat en ze ook uitdraagt, samenwerkt en aantoont dat onze organisatie meer is dan de som van de samenstellende delen. Een bedrijfscultuur ook waar iedereen samenwerkt met alle actoren op internationaal, Europees, federaal, gewestelijk en lokaal vlak, de integratie van het milieu en de coherentie van de milieuzorg in de andere beleidssectoren nastreeft, zich gewaardeerd voelt en initiatieven neemt, beschikt over de juiste en relevante informatie, zich permanent en doelgericht bijschoolt, de middelen doelmatig inzet, en de regelgeving op een correcte wijze uitvoert. De handhaving als onontbeerlijke schakel in de reguleringsketen moet voldoende sterk zijn. Daarom moet een eenvormige en geïntegreerde milieuhygiënewetgeving met goede technische normen voorhanden zijn. De vergunningverlener moet de regelgeving correct en volledig implementeren met als resultaat hanteerbare en inzichtelijke vergunningen. De complementariteit tussen de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving moet worden gerealiseerd, en er moet gestart worden met het opstellen en de implementatie van een handhavingsstrategie. Wat de handhaving zelf betreft, moet de maatschappelijke en politieke legitimatie voldoende groot zijn. Binnen de administratie moet handhaving naast en niet onder beleidsvoorbereiding en/of -uitvoering staan, waardoor de slagkracht, autonomie en onafhankelijkheid van MI in het algemeen en de toezichthoudende ambtenaar in het bijzonder worden gevrijwaard. De strategische doelstellingen (op lange termijn) van MI bestaan uit inspecteren, maatregelen nemen, beleidsuitvoering, -formulering en -evaluatie, actieve inzet in het Europees IMPEL-handhavingsnetwerk en permanente vorming. Op basis van die strategische doelstellingen en de jaarlijkse doelstellingen van het departement worden elk jaar operationele doelstellingen (op korte termijn) opgesteld voor de hele afdeling. Die worden op hun beurt in cascade doorvertaald naar persoonlijke doelstellingen die worden opgenomen in een persoonlijk planningsdocument voor alle personeelsleden.

Organisatie

- 15


Om al die doelstellingen te realiseren geeft MI uitvoering aan zes directe processen. Het omvangrijkste proces is het sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’. Het is onderverdeeld in zeven deelprocessen. Dat proces werd volledig in kaart gebracht en voorzien van een procedurehandboek. Lijst van de directe processen Proces

Beschrijving

P01

Inspecteren en maatregelen nemen

P01.1

- Dossiervoorbereiding

P01.2

- Verplaatsing + vaststellingen op het terrein

P01.3

- Inspectieverslag + beoordeling vaststellingen

P01.4

- Verslaggeving aan Openbaar Ministerie

P01.5

- Maatregelen nemen overeenkomstig het MI-instrumentarium

P01.6

- Rapportering (intern/extern)

P01.7

- Dossieropvolgingssysteem

P02

Milieu-inspectieprogramma (MIP)

P03

Opdrachten aan externe deskundigen

P04

Beleidsformulering en -evaluatie

P05

Uitdragen handhaving milieuhygiënewetgeving naar gemeen-

ten, provincies en andere handhavingsactoren

P06

Intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking met

andere (milieu)actoren

In de loop van 2007 werden nieuwe strategische en operationele doelstellingen, kernactiviteiten en een personeelsplan uitgewerkt voor de afdeling. Die zullen vanaf 2008 de structuur en de werking van MI sturen.

Openbaarheid van bestuur Het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur (van kracht sedert 1 juli 2004) zet de toegang van de burger tot milieu-informatie, zoals vastgelegd in het Verdrag van Aarhus, om in Vlaamse regelgeving. Een besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2005 vult het decreet verder aan en regelt de actieve verspreiding van milieu-informatie door de overheid. Dit besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2005 en trad in werking op 1 januari 2006. MI verzorgt zowel de actieve verspreiding van milieu-informatie, via de publicatie van een milieu-inspectieplan en een milieuhandhavingsrapport, maar geeft ook invulling aan de bepalingen in verband met de passieve openbaarheid van bestuur. Elke administratieve overheid is immers verplicht om aan iedereen die erom verzoekt de gewenste bestuursdocumenten (op enkele uitzonderin-

16 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

gen na, zoals een proces-verbaal van overtreding) openbaar te maken. Aanvragen tot openbaarmaking moeten schriftelijk worden ingediend bij de administratieve overheid die over de bestuursdocumenten beschikt. Ook bestuursdocumenten over milieu-informatie vallen onder die bepalingen. In de loop van het werkjaar 2007 ontving MI 20 schriftelijke aanvragen tot openbaarmaking van bestuursdocumenten uit milieudossiers. 15 vragen werden ingewilligd, 5 niet omdat het ging over documenten die deel uitmaken van het strafdossier. In het kader van de wetgeving op de overheidsopdrachten ontving MI in 2007 eveneens een aanvraag voor het verkrijgen van de gemotiveerde toewijzingsbeslissing bij de gunning van een overheidsopdracht. Deze aanvraag werd ingewilligd.

Integrale kwaliteitszorg De Vlaamse Overheid streeft voortdurend naar een zo goed mogelijke uitbouw van haar dienstverlening. Dit veronderstelt een organisatiecultuur waarin een permanente zorg voor kwaliteit en kwaliteitsverbetering centraal staat.

Afhandeling van vaststellingen Al bij het opstellen van de staalkaart van de afdeling werd het belangrijkste proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ in kaart gebracht en voorzien van een eerste procedurehandboek. In de loop van de voorbije jaren werden bijkomende documenten aangemaakt, zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratiefrechtelijke afhandeling van vaststellingen. Het handhavingsinstrumentarium geeft de algemene principes van het optreden van MI aan en visualiseert in diverse stroomschema’s hoe er in elke fase van een dossier opgetreden wordt. De Code van goede praktijk voor het proces-verbaal beschrijft in detail hoe een aanvankelijk of navolgend proces-verbaal moet opgesteld worden en heeft als doel te komen tot een kwaliteitsverbetering en een grotere uniformiteit van de processen-verbaal van MI. De ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid Milieurecht in het Vlaamse gewest’ die op 30 mei 2000 door de Commissie Vervolgingsbeleid werd goedgekeurd, werd erin geïmplementeerd.


Kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen

De Code van goede praktijk voor de administratiefrechtelijke afhandeling legt de vorm en de inhoud vast van de documenten die in de stroomschema’s van het handhavingsinstrumentarium voorkomen (van het inspectieverslag over de aanmaning en de dwangmaatregel tot het voorstel voor de schorsing of opheffing van een vergunning).

Eén van de vele facetten binnen het deelproces ‘Vaststellingen op het terrein’ is het uitvoeren van monsternames en metingen. In 2001 werd gestart met het opstellen van een kwaliteitshandboek voor deze monsternames en metingen.

Het handhavingsinstrumentarium en de beide codes van goede praktijk worden door MI beschouwd als een kwaliteitshandboek. Ze worden dagelijks door de toezichthoudende ambtenaren gebruikt bij de afhandeling van vastgestelde inbreuken en bij het nemen van maatregelen. De diensthoofden en het afdelingshoofd zijn daarbij aangewezen als kwaliteitsverantwoordelijken.

MI-onderrichtingen MI gebruikt ook interne onderrichtingen om de kwaliteit en/of de uniformiteit bij het uitvoeren van inspecties en bij de beoordeling van vaststellingen te verhogen. Een overzicht van de in 2007 opgestelde onderrichtingen is gegeven in de bijgaande tabel.

Voor afvalwater werden vier procedures uitgeschreven voor de monstername van water met schepmonsters of (tijds- of debietsproportionele) mengmonsters, het gebruik van recipiënten en conserveringsmiddelen, de meting ter plaatse van pH en temperatuur, en de meting ter plaatse van het debiet. Daarnaast werd ook een werkvoorschrift voor de pH-meter opgesteld. Voor afvalstoffen werden ook procedures voor de bemonstering uitgewerkt. Dit omvat naast een algemene procedure ook drie procedures voor de bemonstering van specifieke afvalstromen: poeder- en korrelvormige vaste afvalstoffen, afval aanvaard op stortplaatsen en vloeibare en viskeuze afvalstoffen. Dit kwaliteitshandboek wordt volledig geïmplementeerd sinds 1 juni 2004. In 2007 liet MI opnieuw een interne audit uitvoeren om de implementatie van de procedures voor monstername en meting te volgen. De resterende aandachtspunten werden omgezet in een actieplan dat door alle toezichthoudende ambtenaren werd toegepast.

Lijst van de MI-onderrichtingen in 2007 Nummer

Datum

Onderwerp

MI 2007/01

8 februari

Codering van handhavingsactiviteiten en identificatie van monsters en metingen

MI 2007/02

2 april

Controles op verboden bestrijdingsmiddelen

MI 2007/03

23 maart

Langdurige geluids- en trillingsmetingen

MI 2007/04

29 maart

Beoordeling van de analyseresultaten gerapporteerd binnen het bestek LNE/MI/2006/Afval

MI 2007/05

27 april

Controles bij biomassa-afvalverbrandingsinstallaties met een vermogen ≤ 5 MW

MI 2007/06

26 juni

Langdurige geluids- en trillingsmetingen

MI 2007/07

25 juni

Kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen: aanpassing van de procedures

MI 2007/08

21 december

Onderrichting MI 2007/08 in verband met toepassing ‘Draaiboek wintersmogperiodes’

Organisatie

- 17


Personeel, vorming en middelen In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het personeel van MI. Eind 2007 telde de afdeling telde 123 personeelsleden. Verder in dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de inspanningen voor de voortdurende vorming van de medewerkers, een overzicht van de diverse werkingsmiddelen en een overzicht van de aanwending van de kredieten beschikt.

Personeel Eind 2007 telde MI 123 personeelsleden, één minder dan eind 2006. Het aantal VTE steeg met 0,1 eenheden naar 115,2. Bij het berekenen van het aantal VTE werd rekening gehouden met loopbaanonderbreking en andere vormen van deeltijds werken. De ambtenaren van de niveaus A en B zijn toezichthoudende ambtenaren (92,9 VTE). De ambtenaren van de niveaus C en D hebben een ondersteunende administratieve functie (22,3 VTE). De cijfers zijn een weergave van de situatie op 31 december 2007.

Aantal personeelsleden A2A Afdelingshoofd en Stafdienst

A2

1

A1

B2

B1

Hoofdbestuur

D2

D1

Totaal

2

1

1

7 8

14

Buitendienst Antwerpen

14

1

10,5

1

10

1

5

Buitendienst Vlaams-Brabant

6

1

5

Buitendienst West-Vlaanderen

13

Buitendienst Limburg

6,5

9

Buitendienst Oost-Vlaanderen

Aantal beschikbare VTE’s

C1

8

Toezicht zwarerisicobedrijven

Totaal aantal personeelsleden

C2

2

1

4

1 4

1

21

2

20

1

1

18

2

2

16

1

1

1

3

18

1

2

72,5

2

21,5

3

10

2

9

123

1,0

2,0

69,2

2,0

18,7

3,0

9,3

2,0

8,0

115,2

Personeel, vorming en middelen

- 19


Afdelingshoofd en Stafdienst • V.l.n.r.: Peter Schryvers, Daisy Van Calster, Jos Tits, Robert Baert, Hedwig Stylemans, Chris Van Baelen. Ontbreken: Guy Corbeel, Tanja Verschaeren.

Hoofdbestuur • V.l.n.r.: Bart Palmans, Geert Keppens, Martine Blondeel, Hans Delcourt, Koen Mergaert, Rita Van Ham, Jeroen November, Paul Cuypers.

20 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Toezicht zwarerisicobedrijven • V.l.n.r.: Marc Van Kerckvoorde, Christel Gernay, Inge Dils, Jo De Baerdemaeker, André Goossens, Leentje Timmerman, Wilfried Van den Acker, Ingrid Roels, Nele Loos, Gwenny Vanhaecke, Inge Delvaux, Christof De Pauw, Wilfried Biesemans, Philip Tanghe.

Buitendienst Antwerpen • Staand v.l.n.r.: Jan Valckx, Ann Van Deun, Wim Vermetten, Monique Dirickx, Anja Van der Auwera, Michael Allison, Diane Haelwaeters, Jos Moeskops, Hendrik Meulemans. Zittend vooraan v.l.n.r.: Chris Tackaert, Anne Colman, Ludo Segers. Zittend midden v.l.n.r.: Hilde Slosse, Els De Jonghe, Veerle Wiercx. Ontbreken: Ilse Colman, Ann Devisschere, Lief Mannaerts, An Swinnen, Linda Van Geystelen, An Van Steenbergen.

Personeel, vorming en middelen

- 21


Buitendienst Limburg • V.l.n.r.: Peter Brien, Irène Poelmans, Peter Schoups, Jan De Paep, Tom Nuyts, Peggy Cloostermans, Tom Maes, Johan Ballings, Sybille Vanderhenst, Josée Vanthienen, Rudi Rademaekers, Rachelle Bervoets, Freddy Noels. Ontbreken: Guido Gerits, Ann Janssens, Filip Moers, Kaat Vanmeeren.

Buitendienst Oost-Vlaanderen • Vooraan v.l.n.r.: Wilfried Van Vaerenbergh, Dony Vandormael, Peter Wesemael, Greet De Wandeler, Jef Algoet, Paul Van Gijseghem, Gert Govaerts. Midden v.l.n.r.: Peter Permanne, Eric Ryckaert, Luc Verhaeven, Carine Baert, Myriam Macharis, Els Van Bever, Carmen Bauwens. Boven v.l.n.r.: Steven Overmeire, Lieve Joos, Marian Lagrou, Greta De Maesschalck, Frans Van der Cruyssen, Frank Verslype.

22 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Buitendienst Vlaams-Brabant • Vooraan v.l.n.r.: Koen Van Overtveld, Marc Vanthienen, Mia Moens, Carine Holsbeekx, Dirk Crivits, Liesbet Rommens, Gert Van de Cauter, Philippe Verbecq, Tina Poels, Robert Dupont, Christiane Reinquin. Achteraan v.l.n.r.: Theo Strobbe, Koen Mandonx, Mathy De Preter, Eric Van Gijseghem, Christophe Bervoets, Patrick Bergen.

Buitendienst West-Vlaanderen • V.l.n.r.: Danny Deygers, Karel Vandamme, Wim Delaere, Marc Sevenant, Henri Trypsteen, Roland Loontiens, Geert Van Landschoot, Georges Van de Walle, Marc De Vos, Robrecht Pillen, Joke Lahousse, Johan Corveleyn, Jeannine Tassyns, Godelieve Martens, Peter De Neve, Karel Debeuf. Ontbreken: Guido Gheysen, Liliane Glibert, Godelieve Lust.

Personeel, vorming en middelen

- 23


Vormingsactiviteiten In 2007 organiseerde MI een interne opleiding ‘Milieuzorgsystemen’. Naast een praktijkvoorbeeld over de implementatie van een milieuzorgsysteem in een bedrijf, gaf een auditor een toelichting over het auditeren en het inspecteren van een milieuzorgsysteem. Diverse MI-medewerkers namen deel aan sessies van de basisopleiding Milieurecht van de Hoge Raad van Justitie. Hierin kwamen onder andere het internationaal en Europees milieubeleid, het vervolgingsbeleid inzake milieu, de verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel en het gebruik van dwangsommen aan bod. Op 5 april vond in Brussel de zesde MI-jaarvergadering plaats. Deze jaarvergadering is opgevat als een vormingsactiviteit voor alle personeelsleden van MI. Daarenboven biedt het een uitgelezen mogelijkheid om in een ontspannen sfeer contacten te leggen tussen collega’s, ervaringen uit te wisselen en de groepsgeest te bevorderen. Voor het educatieve gedeelte werd gekozen voor een bezoek aan het Vlaams Parlement. Na de rondleiding met bijhorende toelichting en het slotwoord van het afdelingshoofd werd de jaarvergadering afgesloten met een etentje en een gezellig samenzijn. De medewerkers van MI maken ook gebruik van het vormingsaanbod van de Vlaamse overheid. Vaak is het deelnemen aan een dergelijke opleiding een ontwikkelingsgerichte jaarafspraak voor het personeelslid. Informaticaopleidingen komen daarbij frequent voor, maar ook andere vormingssessies worden gevolgd (PLOEG-opleidingen, opleidingen voor stagiairs, …). Daarnaast namen heel wat personeelsleden deel aan externe studiedagen of symposia, zowel in het binnenland als buiten de grenzen. Het doel daarbij is de evolutie binnen de betrokken milieusector op de voet te volgen en daarna de informatie binnen MI te verspreiden zodat de toezichthoudende ambtenaren er gebruik van kunnen maken bij de uitvoering van hun diverse opdrachten. MI gaat geregeld in op externe vragen om haar expertise ter beschikking te stellen en informatie te verstrekken. Hierna volgt een overzicht van de voordrachten en lessen die toezichthoudende ambtenaren van MI in 2007 gegeven hebben.

foto: Tijdens de zesde MI-jaarvergadering was er een bezoek aan het Vlaams Parlement

24 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Algemene werking - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding milieucoördinator type B, georganiseerd door Syntra in Hasselt; - ‘Het milieuhygiënebeleid in Vlaanderen’, lezing in het kader van de opleiding milieucoördinator niveau A, georganiseerd door Lucina in Lubbeek; - ‘De afdeling MI/Administratiefrechtelijke handhaving/ Uitvoeren van technische controles’, lezing in het kader van de Vlaremopleiding, georganiseerd door de OostVlaamse Bestuursacademie; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding van milieucoördinatoren textielindustrie, georganiseerd door Centexbel in Gent; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding van de politie, georganiseerd door de politie in Zeebrugge; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding van milieucoördinatoren, georganiseerd door ARION in Nazareth; - ‘Werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding van milieucoördinatoren niveau A, georganiseerd door EHSAL in Brussel; - ‘Werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de basisopleiding milieubeheer, georganiseerd door SGS in Antwerpen; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding van milieucoördinatoren, georganiseerd door KULAK Kortrijk.

Specifieke handhavingsexpertise - ‘Toezicht en sancties milieuvergunningsdecreet’, georganiseerd door OVO, opleidingsinstituut provincie Antwerpen in Antwerpen; - ‘Handhaving van de Sevesoregelgeving’, lezing in het kader van een studienamiddag, georganiseerd door BRAFCO in Kontich; - ‘Tankkeuringen: vaststellingen en valkuilen’, lezing in het kader van studienamiddagen, georganiseerd door VOKA en Esher in Vilvoorde en Zwijnaarde; - ‘Verordening 1013/2006: Aandachtspunten tijdens transportcontroles’, opleiding voor de politiediensten, georganiseerd door de dienst Leefmilieu van de Federale Politie in Brussel, Antwerpen en Gent; - ‘Het Seveso II-inspectiesysteem’, lezing in het kader van het forum van lagedrempelbedrijven, georganiseerd door de dienst Veiligheidsrapportering in Affligem; - ‘Administratiefrechtelijke aspecten van Vlarem’, lezing in het kader van de Vlaremopleiding, georganiseerd door het Provinciaal Instituut voor Vorming en


Opleiding (PIVO) van de provincieVlaams-Brabant en het PLOT/Provinciale Bestuursschool van de provincie Limburg, in Leuven; - Handhaving bij de lozing van gevaarlijke stoffen, lezing in het kader van een studienamiddag over ‘Probleemcomponenten in afvalwater’, georganiseerd door VITO in Mol; - Handhaving bij de lozing van gevaarlijke stoffen, lezing in het kader van een studienamiddag over ‘Lozen van metalen in het afvalwater’, georganiseerd door AGORIA in Brussel.

Internationale deelnames

kan bekomen worden van de verschillende documenten die bij MI aanwezig zijn over het betrokken bedrijf. Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de toezichthoudende ambtenaren van MI over heel wat materieel en over dienstwagens die speciaal werden uitgerust. In elke dienstwagen is een scheidingswand aangebracht zodat propere en mogelijk gecontamineerde items gescheiden kunnen vervoerd worden. Bovendien is elke dienstwagen voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker kunnen vervoerd worden tussen de plaats van monstername en het laboratorium.

- ‘Rupture of an (atmospheric) crude oil storage tank’, lezing in het kader van de Impel conference ’Lessons learnt from accidents’ in Parijs.

Om de goede werking van de afdeling te waarborgen beschikt MI over een aantal kredieten die haar in de mogelijkheid stellen de noodzakelijke aankopen te realiseren.

Werkingsmiddelen

Onder de noemer ‘algemene werkingskosten’ besteedde MI in 2007 een bedrag van 151.864,88 euro aan het onderhoud, het brandstofverbruik, de herstellingskosten en het leasen van dienstwagens.

De toezichthoudende ambtenaren van MI beschikken over heel wat middelen om hun taken efficiënt en effectief uit te voeren. Bij de voorbereiding van een inspectie kan een toezichthoudend ambtenaar gebruik maken van het papieren dossier dat op elke buitendienst aanwezig is. Daarin wordt alle informatie over een bedrijf verzameld. Daarnaast hebben ze toegang tot diverse andere documenten (door raadpleging van informatie bij andere entiteiten en/ of door raadpleging van databanken via internet): integraal milieujaarverslag, milieu-effectrapporten, veiligheidsrapporten, decretale milieu-audits, meldingen van afvoer van afvalstoffen, meetresultaten allerhande, … . Elke dienst beschikt bovendien over een beperkte bibliotheek met publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en boeken die het mogelijk maken om de evolutie in de gebruikte technieken en in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen. Daarnaast gebruiken de toezichthoudende ambtenaren steeds meer het elektronisch dossieropvolgingssysteem van MI, waarmee op een eenvoudige manier een overzicht

Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken de toezichthoudende ambtenaren ondermeer over pH- en temperatuurmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters en PAK-markers. MI zorgt voor het onderhoud en desgevallend de ijking van deze toestellen. Om bepaalde situaties vast te leggen beschikt elke dienstwagen ook over een fototoestel. Ook voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de toezichthoudende ambtenaren over een grote hoeveelheid materieel. Bovendien is er een grote aandacht voor de persoonlijke bescherming tijdens de inspecties: ook hiervoor beschikt MI over tal van beschermingsmiddelen, waaronder ook diverse meettoestellen. Bovendien beschikt elkeen over een GSM om, indien nodig, dadelijk hulp te roepen. Bij ‘specifieke werkingskosten’ gebruikte MI 116.404,24 euro voor: - abonnementen op publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en de aankoop van boeken

Personeel, vorming en middelen

- 25


die noodzakelijk zijn om de evoluties in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen; - aankoop, abonnementen en gesprekskosten van de GSM-toestellen; - onderhoud en ijking van inspectiematerieel; - veiligheidsuitrusting van de dienstwagens voor de bescherming van de toezichthoudende ambtenaren; - aankoop van beschermkledij voor de toezichthoudende ambtenaren MI besteedde in 2007 een bedrag van 69.047,63 euro voor de aankoop van duurzaam materieel: toebehoren voor de geluids- en trillingsmeters, meteostation, gasdedectieapparatuur, pH-meters, …. MI verving in 2007 twee wagens, die bij een ongeval onbruikbaar werden. De nieuwe dienstwagens werden uitgebouwd volgens de normen van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen. Aankoop en uitrusting van de dienstwagens bedroeg 27.807,28 euro.

Aanwending van de kredieten Laboratoriumkosten Ter ondersteuning van haar sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ sluit MI overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies. Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en afvalstoffen, bodem, grondwater en meststoffen anderzijds werden per provincie overeenkomsten afgesloten. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties sloot MI met twee laboratoria een contract af. Naast de hierboven vermelde algemene overeenkomsten werden nog overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers.

Overzicht van de laboratoriumkosten (bedrag in euro) Afvalwater, koelwater en oppervlaktewater Perceel Antwerpen

186.144,11

Perceel Limburg

122.752,99

Perceel Oost-Vlaanderen

213.185,29

Perceel Vlaams-Brabant

111.722,34

Perceel West-Vlaanderen

161.011,75

Totaal

794.816,48

Afvalstoffen, bodem, grondwater en meststoffen Perceel Antwerpen

106.413,75

Perceel Limburg

103.992,54

Perceel Oost-Vlaanderen Perceel Vlaams-Brabant

118.717,82 77.647,21

Perceel West-Vlaanderen

100.623,90

Totaal

507.395,22

Luchtemissiemetingen Ad hoc emissiemetingen lucht perceel I

230.477,70

Ad hoc emissiemetingen lucht perceel II

88.888,02

Emissiemetingen te Antwerpen, Evergem, Genk, Wetteren en Wuustwezel

50.529,60

Totaal

369.895,32

Specifieke dossiers Bepaling VOS in de grafische sector Bemonstering en analyse gehalogeneerde koolwaterstoffen

7.307,92

Beproeven koelinstallaties

39.779,36

Broomhoudende vlamvertragers en perfluortensiden in bedrijfsafvalwaters en slibs

76.101,74

Dioxinen en furanen in afvalwater

5.352,62

Uitvoeren debietsmetingen bij grondwaterwinningen Totaal Algemeen Totaal

26 -

45.217,70

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

24.838,28 198.597,62 1.870.704,64


Specifieke handhavingsonderzoeken In bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk bijkomende onderzoeken te laten verrichten door gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kunnen bijvoorbeeld niet-courante analyses worden uitgevoerd of kan de milieu-impact van een specifiek bedrijf worden onderzocht. De onderzoeken worden uitgevoerd ter advisering en ter voorlichting van MI. Laboratorium- en onderzoekskosten worden vastgelegd op ĂŠĂŠn begrotingsartikel namelijk 16111262. Het totale beschikbare vastleggingskrediet voor 2006 bedroeg 2.279.000 euro en werd voor 88% vastgelegd. Het ordonnanceringskrediet bedroeg 2.313.000 euro en werd voor 83% uitbetaald.

Overzicht van de specifieke handhavingsonderzoeken (bedrag in euro) Geuronderzoeken Omgevingsonderzoek naar de geurhinder te Rollegem

46.355,10

Totaal

46.355,10

Veiligheidsonderzoeken Veiligheidsonderzoek te Vilvoorde

10.449,05

Onderzoek van een specifieke situatie: tankopslag van gevaarlijke stoffen

59.979,70

Totaal

70.428,75

Camera-onderzoeken Camera-onderzoek te Ingelmunster

1.424,17

Camera-onderzoek te Torhout/Izegem

1.875,50

Camera-onderzoek te Aartselaar

605,00

Camera-onderzoek te Izegem

977,68

Totaal

4.882,35

Geluids- en trillingsonderzoeken Geluidsonderzoek te Lanaken

Totaal

6.292,00 6.292,00

Algemene handhavingsstudies Audit van het MI-kwaliteitshandboek

13.032,91

Expertise bij de beoordeling van tweedehandsvoertuigen

605,00

Totaal

Algemeen Totaal

13.637,91 141.596,11

Personeel, vorming en middelen

- 27


Milieu-inspectieplan 2007 Het milieu-inspectieplan (MIP) 2007 is het elfde jaarplan van MI. Het planmatig uitvoeren van controles is voor MI een basiskeuze, die invloed heeft op de hele werking en organisatiestructuur van de afdeling. Het MIP schetst het kader waarbinnen MI opereert en licht de opties en de randvoorwaarden van het plan toe. Het hoofdbestanddeel is een bundeling van de controles voor een volledig werkjaar. De opzet van dit jaarplan is heel ruim: het omvat alle activiteiten van de afdeling die kaderen in het proces “Inspecteren en maatregelen nemen”, verder handhavingsactiviteiten genoemd. Op die manier probeert MI haar aanpak af te stemmen op de Europese vereisten inzake inspectie van risicovolle en sterk milieubelastende bedrijven. Alzo vormt het MIP de basis voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid, dat moet leiden tot een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu.

Doelstellingen van het MIP MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. In haar milieu-inspectieplan probeert MI al haar inspectieactiviteiten in kaart te brengen en te begroten qua budget en personeelsinzet. Daarvoor heeft ze verschillende redenen. De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan, is ervoor te zorgen dat het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving. Uitwerking kan via jaarplannen voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsactiviteiten worden gepland. Essentieel is dat alle handhavingsactiviteiten worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht. Er is ook de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige en gecoördineerde handhaving. Die trend werd in 2001 bevestigd in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). In de aanbeveling gaat veel aandacht naar het opstellen van milieu-inspectieplannen door de lidstaten, waaruit moet blijken dat alle milieuinspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. De

meeste van de in de aanbeveling opgesomde richtlijnen inzake milieu-inspectieplannen worden in het MIP toegepast. Het plan draagt eveneens bij tot de realisatie van de strategische doelstellingen van de afdeling, en tot het in de praktijk brengen van haar visie: “De afdeling Milieu-inspectie wordt dé organisatie die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving”. De opzet van het jaarplan is heel ruim: het omvat alle activiteiten van de afdeling die kaderen in het proces “Inspecteren en maatregelen nemen” en in veruit de meeste activiteiten van de overige directe processen die sterk verbonden zijn met dat proces, zoals het voorbereiden, gunnen en volgen van overheidsopdrachten, de beleidsformulering en –evaluatie, het uitdragen van de handhaving naar de lokale overheden en de intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking met andere (milieu)actoren. De doelstellingen van het MIP bevinden zich op verschillende niveaus. Op het niveau van de organisatie heeft het plan een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale en sturende aanpak van de controles tot doel.

Milieu-inspectieplan 2007

- 29


Een tweede belangrijke doelstelling richt zich op het vlak van de effectiviteit van de controles. Het plan voorziet in diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles bij klasse 1-inrichtingen die (potentieel) sterk milieubelastend zijn of die ernstige risico’s voor de omgeving inhouden. Bij de selectie van de bedrijven of bedrijfssectoren wordt rekening gehouden met hun milieureputatie en -verleden. De beheersing van het werkvolume en de werkdruk is een derde belangrijke doelstelling voor het opmaken van een jaarplan. MI wordt immers geconfronteerd met een groot aantal en een grote diversiteit aan te controleren inrichtingen. Een goed jaarplan moet prioriteiten leggen en daardoor helpen om het werkvolume en de werkdruk te beheersen. Tegelijk moet het ook flexibel zijn: als er zich crisissen voordoen, er andere incidentele inspecties nodig zijn, of als vernieuwde (politieke) inzichten dringende actie noodzakelijk maken, betekent dat automatisch dat andere (minder-prioritaire) activiteiten uit het MIP niet kunnen worden uitgevoerd. Het MIP 2007 is, net als de voorgaande jaarplannen, een zeer ambitieus en maximalistisch ingevuld jaarplan dat wordt beschouwd als een uitdaging voor de ganse afdeling. Door de uitvoering ervan worden heel wat belangrijke milieutechnische saneringen verwezenlijkt, of minstens dichterbij gebracht.

Totstandkoming van het MIP 2007 Het MIP 2007 was het resultaat van intensief intern overleg waarbij alle toezichthoudende ambtenaren van MI hun stem konden laten horen. MI peilde ook bij de Vlaamse minister en bij externe (handhavings)instanties (VVSG, afdeling Toezicht Volksgezondheid, OVAM, VLM, FAVV, VMM, afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu en Gezondheid en afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen) naar prioritaire handhavingsnoden. De verzamelde voorstellen werden geïnventariseerd en uitgediept. Tijdens een planningsseminarie werden alle voorstellen uitgebreid besproken en werden de handhavingsprioriteiten voor 2007 vastgelegd. Na het planningsseminarie werkte het Hoofdbestuur de voorstellen verder uit en begrootte zowel de personeelsinzet als het budget. Hierbij werden een aantal beginselen van professioneel projectmanagement toegepast: doelstellingen en verantwoordelijkheden werden duidelijk vastgelegd, mijlpalenplannen werden uitgetekend, criteria voor succes werden bepaald, … . Het MIP werd daarna

30 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

definitief aanvaard door de staf en ter goedkeuring voorgelegd aan de secretaris-generaal en de minister. In het MIP 2007 werd eveneens invulling gegeven aan het beleid van de minister van Leefmilieu. Er werd immers extra aandacht besteed aan een aantal punten uit de Beleidsbrief Leefmilieu en Natuur 2007 van de minister en daarnaast ook aan een aantal expliciete accenten die de minister wilde leggen. Zo bevatte het MIP 2007, naast de geplande GPBV-controles in de chemie- en de galvanosector, ook controles van milieuvergunningen, die aangepast zijn in het kader van de GPBV-richtlijn. Ook werd er extra aandacht besteed aan de controle van de zelfcontrole. Verder werd een samenwerkingsproject met de lokale overheden gepland waarin de handhaving van de integrale milieuvoorwaarden aan bod kwam. Het MIP 2007 gaf ook een verdere invulling aan de herstructurering van de afdeling na de BBB-reorganisatie. De activiteiten van de nieuwe dienst, Toezicht zwarerisicobedrijven, borgden de planmatige en systematische controle van de Sevesobedrijven. De nieuwe taken van het ketentoezicht op de afvalstoffen werden eveneens op structurele wijze geïntegreerd in het MIP 2007.

Inhoud van het MIP 2007 Het eerste deel van het MIP 2007 bestaat uit een toelichting waarin het kader wordt geschetst waarbinnen MI haar jaarplan heeft opgesteld en omvat onder andere een beschrijving van haar kerntaken, een toelichting over haar interne organisatie, een omschrijving van alle soorten handhavingsactiviteiten (specifieke handhavingscampagnes, routinecontroles, reactieve controles, voortgangscontroles, controles uit eigen initiatief), een inschatting van de beschikbare tijd, … . Een tweede deel omvat de gedetailleerde beschrijving aan de hand van fiches van alle specifieke handhavingscampagnes en een aantal routine-activiteiten, die verdere verduidelijking vergen. In deze fiches wordt meer uitgediept wat de noodzaak of milieurelevantie, de doelstellingen, het benodigde budget, de personeelsinzet en de begin- en streefdatum van de omschreven handhavingsactiviteit is. Ook worden de verantwoordelijkheden voor de uitvoering ervan vastgelegd. Tenslotte worden alle handhavingsactiviteiten die opgenomen werden in het MIP 2007 gebundeld in een overzichtelijke tabel. Op de volgende bladzijde wordt een extract (zonder budget en tijdsinschatting) weergegeven.


Milieu-inspectieplan 2007

- 31


Specifieke handhavingscampagnes De specifieke handhavingscampagnes zijn de inspectieactiviteiten die op een geplande en gecoördineerde manier worden uitgevoerd. Die campagnes worden in het MIP onderverdeeld in projecten, acties, handhavingsonderzoeken en verdere afhandeling van de specifieke handhavingscampagnes van de voorbije jaren. Dit hoofdstuk rapporteert over de activiteiten per thema.

Geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (GPBV) De GPBV-richtlijn (96/61/EG) heeft een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu tot doel en wenst dit doel te bereiken via ‘geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging’ (GPBV) bij de potentieel meest verontreinigende installaties. Het gaat hierbij zowel om zware industrie zoals productie van elektriciteit, afvalverbranding, ferro- en non-ferro-industrie en chemische industrie als om grote varkens- en kippenkwekerijen. Cruciaal voor het bereiken van de doelstelling is de rol van de milieuvergunning: de vergunning moet alle milieucompartimenten integreren, gericht zijn op preventie en gebaseerd zijn op de beste beschikbare technieken (BBT) zoals vooropgesteld in de sectorale Europese BREF-studies (BAT Reference Documents). De Lidstaten moesten de richtlijn uiterlijk tegen eind oktober 1999 toepassen voor nieuwe GPBV-installaties en tegen eind oktober 2007 voor bestaande. Dit betekent in concreto dat de vergunningverlenende overheid voor eind oktober 2007 alle milieuvergunningen van GPBV-installaties moest toetsen aan de GPBV-richtlijn en de BREF-studies en, indien nodig, laten aanpassen. Bovendien moesten alle GPBV-bedrijven tegen die datum hun GPBV-installaties exploiteren volgens de bepalingen van de GPBV-richtlijn en de relevante BREF-studie. MI moet hierop toezien.

Uitvoering van GPBV-controles MI vult deze nieuwe taak in eerste instantie in door de introductie van een nieuw soort bedrijfscontrole: een meerdaagse diepgaande geïntegreerde controle, de zogenaamde GPBV-controle, waarbij een multidisciplinair team, in tegenstelling tot de traditionele aanpak bij mono- of multidisciplinaire controles, alle milieucompartimenten tegelijk beschouwt en naast de klassieke aanpak van bestrijding van verontreiniging een nieuwe klemtoon legt op preventie. Bovendien worden tijdens een GPBVcontrole naast de gangbare thema’s ook nieuwe items aangesneden. Voorbeelden hiervan zijn de controles van het milieumanagementsysteem en het rationeel gebruik van grondstoffen en energie en de toetsing aan milieukwaliteitsdoelstellingen. Uiteraard staat ook de BBT-toets aan de BREF-studie bij deze controle op het programma. Voor deze specifieke inspectietaak heeft MI een GPBVwerkgroep opgericht. Deze werkgroep bestond uit één vertegenwoordiger uit elke buitendienst, de gangmakers van de diverse thematische werkgroepen en het toenmalig diensthoofd van het Hoofdbestuur. Het is de taak van het werkgroeplid om voor elke GPBV-controle een multidisciplinair team samen te stellen, de controle te organiseren en een evaluatieverslag van deze controle op te stellen. Sinds 2004 voert MI jaarlijks gemiddeld 10 diepgaande GPBV-controles uit, in hoofdzaak in de chemiesector, in mindere mate in de galvanosector. Ook in 2007 werden 9 dergelijke controles uitgevoerd: 6 bij chemiebedrijven en 3 bij galvanobedrijven. Deze controles resulteerden in 4 processen-verbaal, 8 aanmaningen, 8 raadgevingen en 2 vragen aan de collega’s van de afdeling Milieuvergun-

Specifieke handhavingscampagnes

- 33


ningen tot aanvulling of aanpassing van de vergunningsvoorwaarden. Van elke controle werd een uitgebreid evaluatieverslag opgesteld. Deze verslagen werden ook bezorgd aan de afdeling Milieuvergunningen, zodat zij deze informatie konden gebruiken bij het toetsen van de vergunning. Zo werd overbevraging van de betrokken bedrijven voorkomen.

Herziening van de GPBV-richtlijn In 2006 kwamen de eerste signalen dat de Europese Commissie de GPBV-richtlijn zou herzien. De redenen voor deze herziening waren ondermeer: - het afstemmen van enkele belangrijke Europese richtlijnen met de GPBV-richtlijn; - het verminderen van administratieve lasten voor de GPBV-bedrijven; - het systematiseren van de controle op de naleving van de GPBV-richtlijn. Dit laatste zal in de toekomst mogelijks gebeuren door het invoeren van een verplichting tot opmaak van inspectieplannen voor GPBV-bedrijven en via het opleggen van een minimale inspectiefrequentie. MI deed naar aanleiding van dit nieuws in 2007 een zelfonderzoek over haar inspectie-aanpak bij GPBV-bedrijven. Dit onderzoek kaderde in een bevraging vanuit de Europese Commissie naar de implementatie van de handhavingsaspecten van de GPBV-richtlijn in de verschillende lidstaten, een bevraging waar MI actief aan meewerkte in samenwerking met de Europese Commissie en enkele andere lidstaten. Dit zelfonderzoek resulteerde in de vaststelling dat MI jaarlijks, naast de tien diepgaande geïntegreerde GPBV-controles in de chemie- en de galvanosector, ongeveer 2.000 klassieke controles uitvoert bij GPBV-bedrijven, waarvan ongeveer 500 geplande monsternames en metingen en ongeveer 500 geplande thematische controles in het kader van het jaarlijks Milieu-inspectieplan (MIP). De overige 1.000 controles zijn reactieve controles, routinecontroles of voortgangscontroles. Daartegenover staan jaarlijks ongeveer 9.000 controles bij niet-GPBV-bedrijven. Een andere belangrijke vaststelling was dat het merendeel van deze controles gebeurde bij de 600 GPBV-bedrijven in de industrie. Dit terwijl er in Vlaanderen ook 600 GPBV-bedrijven in de landbouwsector zijn.

34 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Naar aanleiding van bovenvermelde bevindingen nam MI in 2007 twee belangrijke beslissingen inzake haar inspectie-aanpak bij GPBV-bedrijven: ten eerste werd intern de functie van staflid GPBV gecreëerd om tegemoet te komen aan de huidige en toekomstige eisen van de GPBVrichtlijn inzake inspectie en zo een handhavingssystematiek voor GPBV-bedrijven op te zetten, te implementeren en te optimaliseren. Daarnaast bezon MI zich in 2007 over de haalbaarheid en opportuniteit van GPBV-controles in de landbouwsector en maakte ze een handleiding op voor het uitvoeren van deze controles. De GPBV-controles bij varkens- en kippenkwekerijen zullen in 2008 effectief starten, naast de ondertussen gangbare GPBV-controles bij de chemie- en de galvanosector.

Zwarerisicobedrijven Het grootste deel van de activiteiten in verband met omgevingsveiligheid stond in 2007 in het teken van de preventie van zware ongevallen.

Uitvoering van het Samenwerkingsakkoord Op 26 juni 2001 werd het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn (verder kortweg Samenwerkingsakkoord) van kracht. Daarmee werd in belangrijke mate de omzetting van de zogenaamde Seveso II-richtlijn gerealiseerd. Het doel van die richtlijn is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Omdat volgens de Europese Unie verschillen in de regelingen voor inspecties door de bevoegde autoriteiten tot verschillende beschermingsniveaus kunnen leiden, stelt de richtlijn ook hoge eisen aan de inspectie door de overheid. Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de richtlijn naar de Belgische situatie met gedeelde bevoegdheden voor de federale staat (arbeidsbescherming) en de gewesten (bescherming van de omgeving, mens én milieu). Per gewest werd een inspectieteam opgericht met alle betrokken inspectiediensten, op basis van gelijkwaardigheid en met behoud van alle bevoegdheden. Op die manier zijn er per gewest twee inspectiediensten bevoegd voor een bepaalde inrichting: de gewestelijke milieu-inspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst die bevoegd is voor de bescherming van de werknemers.


De belangrijkste taak van het inspectieteam is de uitbouw van een inspectiesysteem dat voldoet aan de gestelde eisen: een inspectieprogramma voor álle Seveso II-inrichtingen, een rapport van elke inspectie en terugkoppeling naar de bedrijfsleiding. De inspectieteams hebben ook taken inzake ongevallenonderzoek, de rapportering daarvan aan de Europese Commissie en het opleggen van een exploitatieverbod volgens bestaande regelgeving als blijkt dat de exploitant duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor mens en milieu te beperken. Twee reeksen van drempelwaarden voor tien categorieën van gevaarlijke stoffen en voor een aantal benoemde stoffen bakenen het toepassingsgebied van het Samenwerkingsakkoord af. Daardoor ontstaan drie groepen van bedrijven: - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden beneden de eerste drempel, de zogenaamde drempel 0-inrichtingen: deze bedrijven vallen niet onder het toepassingsgebied; - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden tussen de eerste en de tweede drempel, de zogenaamde lagedrempelinrichtingen of drempel 1-inrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal verplichtingen, zoals kennisgeving, algemene zorg- en aantoonplicht en preventiebeleid zware ongevallen; - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden boven de tweede drempel, de zogenaamde hogedrempelinrichtingen of drempel 2-inrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal extra voorschriften, zoals veiligheidsrapport en veiligheidsbeheersysteem. Door de hoge industrialisatiegraad telt Vlaanderen een groot aantal Sevesobedrijven. Bovendien is dat aantal variabel, bijvoorbeeld door wijzigingen van bedrijfsstructuren of van de aanwezige gevaarlijke stoffen. In de loop van 2007 werd bovendien een wijziging van het toepassingsgebied van kracht. Doordat een aantal drempels gevoelig verlaagden, wordt een significante toename van het aantal Sevesobedrijven verwacht.

Seveso II-inspectieprogramma Opmaak van het inspectieprogramma Jaarlijks wordt in onderling overleg door de Seveso-inspecteurs van beide bevoegde inspectiediensten een ontwerpinspectieprogramma opgesteld voor het volgende werkjaar. Daarbij worden het doel en de reikwijdte van de inspecties vastgelegd, net zoals de inspectiedienst die belast is met de inspecties. Zowel gezamenlijke inspecties als controles door één inspectiedienst zijn mogelijk. Het is van groot belang dat het doel en de reikwijdte van de inspecties goed worden vastgelegd. De inspecties moeten immers door onderzoek van de bedrijfsinterne systemen een totaalbeeld geven van de risico’s van de bedrijfsactiviteiten en de beheersing ervan. Met de beschikbare inspectiecapaciteit is het echter niet mogelijk per inspectie voldoende tijd te voorzien om alle bedrijfsinterne systemen te onderzoeken en dat totaalbeeld te verkrijgen. Daarom worden voor elke inspectie doel en reikwijdte vastgelegd, en wordt een deelaspect gecontroleerd. In de loop der jaren wordt door de uitvoering van de jaarprogramma’s het totaalbeeld verkregen. Voor de inhoudelijke afbakening (doel en reikwijdte) van de inspecties zijn negen inspectietypes gedefinieerd. Inhoudelijke afbakening : negen inspectietypes Inspectietype

Omschrijving

Controle van de Sevesostatus

- Nagaan of bedrijf onder toepassingsgebied valt - Afstemming vergunningstoestand op reële toestand

Initiële controle

- Toelichting bij het Samenwerkingsakkoord - Eventueel controle van de Sevesostatus - Controle belangrijkste voorwaarden i.v.m. omgevingsveiligheid - Controle stand preventiebeleid en veiligheidsrapport

Controle van technische maatregelen

- Evaluatie van de bedrijfsinterne systemen - Toetsing aan vereisten (wettelijk, ervaringsgegevens, bedrijfsspecifiek)

Controle van organisatorische systemen en van het beheersysteem Verificatie veiligheidsrapport (VR)

- Controle van de getrouwheid van de informatie in het VR

Onderzoek van specifieke risico’s

- Diepteonderzoek van een of meer systemen

Veiligheidsonderzoek

- Opdracht aan deskundige: beoordeling van de getroffen en de nodige maatregelen voor omschreven problematiek

Ongevalsonderzoek

- Systematische oorzaken- en gevolgenanalyse - Bepaling van aanvullende maatregelen (herstel, voorkoming herhaling)

Voortgangscontrole

- Toetsing naleving gegeven onderrichtingen

Specifieke handhavingscampagnes

- 35


Bij het vastleggen van het inspectieprogramma per bedrijf wordt rekening gehouden met de beschikbare gegevens: vergunningen, kennisgeving, veiligheidsrapporten, gegevens uit eerdere inspecties, milieu- en veiligheidstechnische voorgeschiedenis, belangrijke wijzigingen, voorvallen in het betrokken bedrijf of in vergelijkbare bedrijven. Er wordt over gewaakt dat de verschillende bedrijfsinterne systemen aan bod komen (technisch, organisatorisch, beheer). Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de installaties met het grootste risico, aan de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en aan de verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding. Een belangrijk kenmerk van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: als de actualiteit dat vereist (wijzigingen, voorvallen, nieuwe inzichten …) wordt het programma aangepast. Uitvoering van het inspectieprogramma Voor de voorbereiding en uitvoering van de geprogrammeerde (gezamenlijke) inspecties maken de betrokken toezichthoudende ambtenaren de nodige concrete afspraken. Ook de MI-dossierhouders worden uitgenodigd voor de inspecties. In 2007 voerden de veertien toezichthoudende ambtenaren van de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven van MI 271 inspecties in 224 bedrijven uit, het merendeel daarvan samen met de federale collega’s van de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s. Meer concreet betekenen die cijfers dat MI in 2007 bij 67 % van de bekende lagedrempelinrichtingen en bij 95 % van de bekende hogedrempelinrichtingen een deelaspect van de veiligheidsproblematiek onderzocht.

36 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Bij het aantal inspecties moeten een aantal kanttekeningen worden geplaatst. Eén inspectie kan bestaan uit verschillende inspectietypes. Zo kan bijvoorbeeld een onderzoek van een specifiek risico worden gecombineerd met de voortgangscontrole van de actieplannen naar aanleiding van eerdere controles. Eén inspectie kan eveneens gespreid zijn over verschillende dagen. Inspectietypes als ‘controle van organisatorische systemen’ en ‘veiligheidsonderzoek’ omvatten een dusdanig diepgaand onderzoek dat er heel wat tijd voor vereist is. Controles door Toezicht zwarerisicobedrijven Aantal gecontroleerde hogedrempelinrichtingen

109

Aantal gecontroleerde lagedrempelinrichtingen

98

Aantal gecontroleerde drempel 0-inrichtingen

17

Totaal aantal gecontroleerde inrichtingen

224

Aantal uitgevoerde inspecties

271

Als principe geldt dat er na elke inspectie vanwege de inspectiediensten een handhavingsbrief vertrekt naar het bedrijf. Voor MI kan het daarbij gaan om raadgevingen en aanmaningen, zowel op basis van het Samenwerkingsakkoord als op basis van het Milieuvergunningsdecreet, afhankelijk van de problematiek en van de effectiviteit van de handhaving. De verdeling van de inspecties over de verschillende inspectietypes wordt in bijgaande grafiek weergegeven. Duiding bij de afbakening van de inspectietypes vindt u in een bovenstaande tabel.


De meest opvallende vaststelling is het zeer grote aantal voortgangscontroles. Bij 148 inspecties in 133 bedrijven was de voortgangscontrole van de openstaande actiepunten een belangrijk thema. Die constatering illustreert treffend het belang dat MI hecht aan voortgangscontrole. Ook het vermelden waard is het grote belang dat werd gegeven aan de controle van organisatorische systemen. Uit een analyse van de zware ongevallen die werden gemeld aan de Europese Commissie is immers gebleken dat het merendeel ervan het gevolg is van beheerstechnische en organisatorische tekortkomingen. Goede organisatorische systemen zijn onontbeerlijk voor de beheersing van de risico’s van zware ongevallen. Net als de voorbije jaren is het opvallend dat nog steeds lang niet alle bedrijven erin slagen een goed gedocumenteerde risicostudie uit te voeren waarin de risico’s van zware ongevallen op een systematische manier worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd. Ook stellen de exploitanten nog in te veel gevallen actieplannen op zonder streefdata of verantwoordelijken, of respecteren ze de vooropgestelde uitvoeringstermijnen voor de acties niet. Verdere inventarisatie van de Sevesobedrijven en de bepaling van de Sevesostatus bleven belangrijk in 2007, en naar aanleiding van het nieuwe toepassingsgebied werden verschillende initiële controles gedaan. Daarbij werd grote aandacht besteed aan ecotoxische producten, aangezien steeds meer bestaande producten worden ingedeeld als ecotoxisch (bv. biociden) en aangezien door de wijziging van het Samenwerkingsakkoord de drempels voor de ecotoxische stoffen verlaagd werden.

Scheepsverlading van benzine In de voorbije jaren stelden inspectiediensten bij de toepassing van de checklist ‘Ontvlambare vloeistoffen’ bij verschillende bedrijven vast dat bij scheepsverlading van benzine doorgaans onvoldoende maatregelen aanwezig waren om bij noodsituaties de verlading snel te kunnen stoppen en lekken te beperken. Daarom startte het inspectieteam een inspectiecampagne rond dit thema. In de periode april-september 2007 gingen Seveso-inspecteurs bij de betrokken bedrijven na in hoeverre die gevolg gegeven hadden aan een informatienota van de Seveso-inspectiediensten over de opslag en verlading van ontvlambare vloeistoffen. Deze nota beschrijft voor tien gevarenvelden de maatregelen die de bevoegde inspectiediensten verwachten om de betrokken risico’s afdoende te beheersen. De inspectiediensten stelden de nota in april 2007 ter beschikking en vroegen in de begeleidende brief aan de bedrijven om: - te evalueren of deze maatregelen voorzien waren in hun installatie; - indien dit niet het geval was, te argumenteren dat de aanwezige maatregelen een evenwaardig hoog beschermingsniveau garandeerden of een corrigerend actieplan op te stellen. Na de inspectie maanden de inspectiediensten de bedrijven aan een actieplan in te dienen met concrete uitvoeringstermijnen. De goede uitvoering van de actieplannen wordt momenteel verder gecontroleerd door de inspectiediensten.

Specifieke handhavingscampagnes

- 37


Afval en Ketentoezicht Sinds de doorvoering van de operatie Beter Bestuurlijk Beleid speelt MI nu ook een sleutelrol in het ketentoezicht op de afvalstoffen. De afdeling reageerde daarop met de oprichting van een ‘ketenteam’ dat zich onder meer toespitst op afvaltransportcontroles langs de weg en in de zeehavens. In het kader van het ketentoezicht kunnen toezichthoudende ambtenaren provinciegrensoverschrijdend werken. De activiteiten van het ketenteam en van de werkgroep Afval sluiten heel nauw bij elkaar aan. In 2007 liepen er projecten voor de controle van het wegtransport van afvalstoffen, de controle op uitgevoerde afvalstromen via zeehavens en de inspectie van ketendossiers. Daarnaast liepen er acties in het kader van dierlijke bijproducten en afvalverwerkende bedrijven.

Controles bij verwerkers van afvalstoffen De overbrenging en verwerking van afvalstoffen is een substantiële kost voor producenten, overbrengers en verwerkers van die afvalstoffen. Het risico is reëel dat om economische redenen afvalstoffen onzorgvuldig of illegaal worden verwijderd. Dit kan leiden tot milieuhinder of -schade, tot illegaal verkregen vermogensvoordeel of tot ontduiking van heffingen op de verwijdering van afvalstoffen. Sinds enkele jaren plant MI jaarlijks doorgedreven controles bij afvalverwerkende bedrijven om de naleving van de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet en het Afvalstoffendecreet te inspecteren, met de volgende klemtonen: een grondige inspectie van de naleving van de rubriek 2-voorwaarden, het nagaan van de volledigheid en doeltreffendheid van het goedgekeurde werkplan, een uitgebreide bevraging over de aanvaardingsprocedure van de afvalstromen, een doeltreffende controle op de registratie en de traceerbaarheid van de aangeboden en afgevoerde afvalstoffen en tenslotte de controle op verdunning/menging van de afvalstoffen. In 2007 zette MI het project verder met de inspectie van 35 bedrijven. Hieronder bevonden zich twaalf bedrijven die schroot en/of voertuigwrakken verwerken, vijf bedrijven voor de opslag en de sortering of de behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen, negen verwerkers van bouw- en slooppuin, twee grondreinigingscentra, een

38 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

havenontvangstinstallatie en zes bedrijven voor de verwerking van specifieke afvalstromen (verfresten, houtafval, bodemas, lompen, papier en banden). Alle bedrijven beschikken over een milieuvergunning, maar vier ervan zijn nog een bron van grote hinder voor de omwonenden. Meestal gaat het om geur- en stofhinder. Stofhinder kan worden voorkomen door de aanleg van een (verplicht) groenscherm rond het bedrijf. Een groenscherm bestaat uit een zone van minstens 5 meter breedte met streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. Bij 51% van de bedrijven was dit groenscherm niet of onvolledig aanwezig. Afvalverwerkende bedrijven moeten beschikken over een milieucoördinator die onder meer als taak heeft te waken over de naleving van de milieuregelgeving en tekortkomingen te rapporteren aan de bedrijfsleiding. Jaarlijks moet deze persoon een verslag opstellen. In drie bedrijven is er geen milieucoördinator aangesteld, in tien bedrijven kon het jaarlijkse verslag niet worden getoond. Werkplan Vlarem II verplicht bij elke afvalverwerkende activiteit het opstellen van een ‘werkplan’. De inhoud van het werkplan is bepaald in de wetgeving. Een richtlijn voor het opstellen ervan staat ter beschikking van de exploitanten op de MI-website. Van de 35 geïnspecteerde bedrijven konden acht exploitanten geen werkplan voorleggen en beschikten er 21 over een door MI goedgekeurd werkplan. In elf gevallen stemde de inhoud van het document niet meer overeen met de toestand op het terrein of was het inhoudelijk te beperkt. In zes dossiers bestond er wel een document dat om uiteenlopende redenen echter nog niet was goedgekeurd door MI. In 54% van de bedrijven was de infrastructuur (uithangbord, omheining, poort,…) niet helemaal uitgevoerd zoals de regelgeving het voorschrijft. Controle op de aangevoerde afvalstoffen Vooraleer een exploitant beslist om een partij afvalstoffen te aanvaarden, moet hij genoeg informatie verzamelen om zich ervan te vergewissen dat hij vergund is om de aangeboden afvalstof te verwerken en dat in zijn bedrijf de technische middelen voorhanden zijn om ze te kunnen verwerken. In acht dossiers oordeelde de toezichthoudend ambtenaar dat de exploitant over onvoldoende informatie beschikte over de aangevoerde afvalstoffen. De aanvoer van afvalstoffen mag slechts gebeuren onder toezicht van de exploitant zelf of iemand die hij daartoe aanstelt. In vier dossiers had de exploitant de naam van zijn afgevaardigde niet doorgegeven aan MI. De vrachtwagens moeten steeds passeren over een weegbrug met


automatische registratie tussen 7 uur en 19 uur. Een weegbrug is een vrij dure investering maar is een belangrijke schakel in de traceerbaarheid van de afvalstoffen. In drie van de 35 bedrijven was geen weegbrug geïnstalleerd zonder dat hiervoor een afwijking werd verleend in de milieuvergunning. Acht bedrijven voerden afvalstoffen aan of af buiten de toegelaten uren. Eens op het terrein moet de exploitant beslissen of de aangevoerde afvalstoffen kunnen worden aanvaard. 22 van de 35 bedrijven konden formele aanvaardingsprocedures voorleggen. Dergelijke procedures moeten beschrijven waar de afvalstoffen in ontvangst worden genomen, welke controles erop gebeuren vooraleer wordt beslist of ze al dan niet worden aanvaard en hoe wordt omgesprongen met geweigerde partijen. In acht gevallen werden bedrijven technisch onvoldoende uitgerust bevonden om bepaalde aanvaarde afvalstoffen te verwerken. Slechts in één bedrijf werden meer afvalstoffen aangetroffen dan was toegelaten in de milieuvergunning. Traceerbaarheid van de verwerkte afvalstoffen Eén van de belangrijke bezorgdheden van de overheid is dat afvalstoffen op een correcte en veilige manier worden verwerkt. Een afvalstof moet kunnen worden gevolgd van bij de plaats van de productie tot op de plaats waar ze wordt verwerkt, hetzij verwijderd, hetzij nuttig toegepast. De verwerkingsbedrijven die werden gecontroleerd, moeten beschikken over een voortdurend geactualiseerd verwerkingsregister met de afvalpartijen die op het bedrijf werden aanvaard. De helft van de bedrijven beschikt over een register op computer. Drie bedrijven beschikten niet over een register. In 72 % van de bedrijven werd het register – zoals wettelijk bepaald – dagelijks aangevuld. Slechts 13 bedrijven konden een register voorleggen met alle noodzakeVolledigheid van de gecontroleerde registers Gegevens in verband met de aangevoerde afvalstof bij de 35 gecontroleerde bedrijven

Aantal bedrijven waar dit gegeven niet werd geregistreerd

Aard en samenstelling + EURAL-code

15 (43 %)

Datum en uur van aanvoer

10 (29 %)

Adres van de producent van de afvalstof

10 (29 %)

Eventuele weigering van de partij + reden van de weigering

10 (29 %)

Lokalisatie van de opslag op het terrein

9 (26 %)

Verwerkingswijze van de afvalstof

9 (26 %)

Opmerkingen, storingen, metingen

8 (23 %)

Adres van de vervoerder van de afvalstof

8 (23 %)

Hoeveelheid

6 (17 %)

lijke gegevens. Onderstaande tabel vermeldt welke gegevens het register moet bevatten en in hoeveel gevallen de registers onvolledig waren. Nog steeds blijken de EURAL-codes, die al sinds 1 januari 2002 worden gebruikt, onvoldoende ingeburgerd te zijn. In veel gevallen worden de EURAL-codes (al dan niet bewust) niet correct toegekend. Om de traceerbaarheid van de afvalstoffen na te gaan werd de exploitanten gevraagd om enkele steekproefsgewijs aangeduide afvalstoffen die op het terrein aanwezig waren, terug te vinden in het register. 60% van de exploitanten was in staat om de partijen op terrein terug te vinden in het register. Bedrijven waar partijen afval worden samengevoegd tot grotere partijen vooraleer ze worden verwerkt, konden slechts bij uitzondering voorleggen uit welke aangevoerde partijen de samengevoegde partij bestond. Afvalstoffen die het bedrijf opnieuw verlaten als afvalstof, moeten opnieuw worden geregistreerd. Dit register mag bestaan uit een verzameling identificatieformulieren. Identificatieformulieren zijn documenten die elk afvaltransport moeten vergezellen. Het afvoerregister kon niet worden voorgelegd in vijf dossiers. Het algemeen verbod op de verbranding van afvalstoffen werd, op één bedrijf na, overal gerespecteerd. Er werden op de bedrijfsterreinen nergens verbrandingsresten aangetroffen die konden wijzen op de illegale verbranding van afvalstoffen. De meeste afvalstoffen van de gecontroleerde bedrijven worden verwerkt in België. 18 verwerkers voeren afvalstoffen uit. Een van de algemene Europese principes in de afvalstoffenregelgeving bestaat erin dat iedere lidstaat zoveel mogelijk zelf instaat voor de verwijdering van haar afvalstoffen. Om hierop enige controle te verwerven moet er, afhankelijk van de aard van de afvalstof en de bestemming ervan, vóór de overbrenging van de afvalstoffen over de grenzen een administratieve procedure worden doorlopen. Tegen deze procedure werden drie onregelmatigheden vastgesteld. In het kader van deze actie werden acht bedrijven geverbaliseerd, twee raadgevingen gegeven en 29 aanmaningen verstuurd.

Specifieke handhavingscampagnes

- 39


Controles in het kader van de overeenkomst dierlijke bijproducten De verantwoordelijkheden die de Europese Verordening (EG) Nr. 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie oplegt aan de lidstaten van de Europese Unie, vallen in het federale België gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de gewesten, gedeeltelijk is de bevoegdheid federaal. De taken voor de federale staat en de gewesten worden afgebakend in het samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2005. Slachthuizen MI voert al enkele jaren een aantal zeer specifieke inspecties uit bij alle 88 haar bekende Vlaamse klasse 1slachthuizen en 38 klasse 2-slachthuizen. Ze zijn gericht op de wijze waarop de verschillende stromen dierlijke bijproducten die ontstaan in een slachthuis worden verzameld, opgeslagen en afgevoerd. In 33 slachthuizen werden runderen of kalveren geslacht, in 17 schapen of geiten, in 27 varkens, in 52 pluimvee en in 9 konijnen. Naar aanleiding van meer dan 500 inspecties over 4 jaar werden in totaal 39 processen-verbaal geschreven en 192 aanmaningen gegeven. Van de initieel gecontroleerde lijst met slachthuizen vinden in 28 ervan (meestal kleinere inrichtingen waar slechts af en toe werd geslacht) geen slachtactiviteiten meer plaats. Voor twee onvergunde pluimveeslachthuizen werd de burgemeester gevraagd om op te treden. Eén van beide slachthuizen is intussen vergund. Twee pluimveeslachthuizen beperken hun slachtactiviteiten tot 100 kippen per dag – een niet-ingedeelde activiteit – en 1 slachthuis beperkt zich nu tot het uitvoeren van rituele slachtingen – een klasse 3-activiteit volgens de milieuvergunningsregelgeving. Vlarem II verplicht nog steeds het gekoeld opslaan van de meeste dierlijke bijproducten in afwachting van hun ophaling. Slechts in de helft van de bezochte slachthuizen kon worden vastgesteld dat de gekoelde opslag helemaal in orde was. Eind 2007 waren in 26 dossiers nog niet alle dierlijke bijproducten gekoeld opgeslagen. Vijf exploitanten hadden daarvoor een afwijking gekregen via de milieuvergunning, twee wachten nog op een uitspraak van de minister op een afwijkingsaanvraag. In 12 slachthuizen wordt gewerkt aan een oplossing om de koeling van de dierlijke bijproducten te realiseren (bouwvergunningen zijn aangevraagd, bestellingen zijn geplaatst, aanpassings-

40 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

werken zijn in uitvoering). Blijven nog enkele slachthuizen over waarvoor de investeringskost te groot lijkt te zijn of die om markteconomische redenen bepaalde stromen niet willen koelen. Een voorbeeld hiervan is het darmslijm en -vet, dat vrijkomt bij de reiniging van varkensdarmen. Deze stroom wordt bij sommige slachthuizen behandeld met een bewaarmiddel en afgevoerd naar een farmaceutisch bedrijf dat er nog bepaalde eiwitten uit recupereert. Zeven exploitanten geven nog steeds geen gevolg aan de expliciete Vlarem-voorwaarde om deze stroom gekoeld op te slaan. Een andere probleemstroom is de pluimenopslag (niet gekoeld in 18 pluimveeslachthuizen). In 57 slachthuizen worden dierlijke bijproducten in gesloten silo’s of tanks opgeslagen. Meestal gaat het om bloed (54), darmslijm (15) of de inhoud van het maagdarmkanaal (25). Klasse 2 slachthuizen beschikken niet over silo’s. Om al dan niet toevallige vermenging te voorkomen van dierlijke bijproducten die tot verschillende categorieën behoren, moeten alle recipiënten duurzaam geïdentificeerd zijn. In 30% van de slachthuizen zijn niet alle recipiënten geïdentificeerd. Vooral de open bakken waarin dagelijks slachtafval wordt verzameld, zijn dikwijls niet voorzien van een duurzaam opschrift zodat aangebrachte aanduidingen na enkele wasbeurten verdwijnen. Eind 2007 blijven 20 hoofdzakelijk klasse 1 slachthuizen problemen hebben met de identificatie van de recipiënten waarin ze slachtafval opvangen. Een volgend aandachtspunt is de kleuring van het categorie 1-materiaal (voornamelijk Gespecificeerd RisicoMateriaal of GRM, dat aanleiding kan geven tot de ziekte van Creutzfeldt-Jacob) met een oplossing van methyleenblauw. De GRM-kleuring in de 33 slachthuizen waar runderen of geiten worden geslacht, gebeurt nooit in het slachthuis zelf vanwege het grote gevaar voor contaminatie van vlees dat bestemd is voor menselijke consumptie. Twee knelpunten doken op. Enerzijds gebeurt de kleuring van GRM in bakken meestal met behulp van een handsproeier waardoor enkel de bovenlaag blauw gekleurd wordt. Het al dan niet besproeien van het GRM hangt heel sterk af van de inzet van de werknemer die het GRM naar het afvallokaal brengt. Anderzijds vraagt de kleuring van GRM in silo’s een technische ingreep die bij sommige slachthuizen wel, bij andere niet is uitgevoerd. In elk geval bevestigt de belangrijkste verwerker van cate-


gorie 1-materiaal dat het aangevoerde materiaal slechts zelden gekleurd aankomt op zijn verwerkingsinstallatie. Het verplicht reinigen en ontsmetten na elk gebruik blijkt, voor wat de open bakken betreft, vooral een kwestie van discipline te zijn. Het reinigen en ontsmetten van silo’s blijft bij 8 slachthuizen een probleem. Bloedtanks worden zelden ontsmet. Vlarem II maakt van de afvoer van destructiemateriaal (dit is categorie 1- en 2-materiaal) nog steeds een dagelijkse verplichting. In 63 slachthuizen gebeurt dat ook zo. In 15% van de klasse 1 en 80% van de klasse 2 slachthuizen wordt het afval niet dagelijks afgevoerd omwille van de kleinschaligheid of de lage afvalproductie. Het Besluit Dierlijk Afval laat een tweewekelijkse ophaling toe. De afstemming tussen beide regelgevingen gebeurt bij de lopende Vlaremaanpassing. Voor zover MI bekend, worden alle dierlijke bijproducten afgevoerd naar bestemmingen die daarvoor vergund en erkend zijn. In alle slachthuizen werd een register bijgehouden. Bij enkele slachthuizen was het register onvolledig. Het doen naleven van de regelgeving over de correcte verzameling, opslag en afvoer bij slachthuizen vraagt een intensieve en continue handhaving. In het bijzonder om de exploitant te herinneren aan het gebruik van de juiste containers, het aanbrengen van de juiste opschriften op de containers, de permanente zorg voor de reiniging en ontsmetting van de gebruikte recipiënten, het gekoeld opslaan van alle dierlijke bijproducten en het kleuren van het GRM. Verwerkers van dierlijke bijproducten MI heeft in 2007 bij 14 Vlaamse verwerkers van dierlijke bijproducten het verwerkingsproces gecontroleerd. Eén van de verwerkers diende zijn acceptatievoorwaarden aan te scherpen omdat het aangevoerde materiaal teveel plastiek en verpakkingsmateriaal bevatte. Er werden in totaal 88 monsters genomen van de eindproducten bij de verwerkers van dierlijk afval. Elk monster bestaat uit vijf deelmonsters waarop de voorgeschreven microbiële analyses worden uitgevoerd. Bij 2 monsters van twee verschillende bedrijven werd een Salmonella-contaminatie aangetroffen. De opstoot van Salmonella anatum die vorig jaar werd vastgesteld, heeft zich niet voortgezet in 2007. De helft van de verwerkers veroorzaakt nog steeds van tijd tot tijd geuroverlast in de buurt.

Havencontroles De uitvoer van afvalstoffen naar derde-wereldlanden wordt geregeld in de Europese Verordening 259/93 be-

treffende de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen in, naar en uit de Europese Unie, en sinds 12 juli 2007 door de Verordening 1013/2006 (EVOA). Dit betekent dat uitvoerders van afval rekening moeten houden met een aantal verplichtingen, gaande van een eenvoudige informatieplicht of een specifieke toelating (“kennisgeving”) voor de meeste groene-lijstafvalstoffen, tot een volledig uitvoerverbod voor gevaarlijk afval. De controle op de uitvoer van afval gebeurt onder meer aan de grenzen van de Europese Unie, met name op de uitvoer van afval in zeecontainers via de twee belangrijkste Vlaamse havens (Antwerpen en Zeebrugge). De toezichthoudende ambtenaren moeten uit het gigantische aantal containers dat via de havens verscheept wordt, net dié containers proberen te selecteren die problematische afvalstoffen bevatten. De gegevens die vermeld staan op douanedocumenten helpen bij deze selectie. De verdachte containers worden vervolgens op de kaai geopend. Indien blijkt dat de lading, de bestemming of de wijze van verwerking niet in orde zijn, dan blokkeert de Scheepvaartpolitie de hele partij en begint MI aan een onderzoek. Dit houdt meestal in dat MI de containers terugstuurt naar de plaats van lading en vervolgens grondig uitzoekt wie verantwoordelijk was voor deze illegale zending. In 2007 voerde MI twintig routine-havencontroles uit, waarvan negen in de Antwerpse haven en elf in Zeebrugge. Naast deze georganiseerde, geplande controles verleende MI ook geregeld technische assistentie in dossiers waarbij Scheepvaartpolitie, douane of Federale Leefmilieu-inspectie zelf verdachte containers hadden geselecteerd. Vaststellingen MI inspecteerde in 2007 in totaal 190 containerpartijen. Een eerste schifting wees uit dat 109 daarvan afkomstig waren uit andere gewesten of lidstaten. Deze dossiers werden, afhankelijk van de herkomst van het afval, overgemaakt aan de Brusselse, Waalse of federale collega’s. De 81 partijen afkomstig uit Vlaanderen waren goed voor 170 containers of 4.054 ton afval. De meest geïnspecteerde afvalstoffen van Vlaamse herkomst waren ferro- en non-ferroschroot (43), kunststof (12) en papier (6). In 16 van de 81 gevallen bleek de containerinhoud niet uit afval te bestaan, maar uit nieuwe producten. Het aantal illegale transporten is gezakt t.o.v.

Specifieke handhavingscampagnes

- 41


2006: 12% van de gecontroleerde zendingen uit Vlaanderen was verboden of beschikte niet over een (correcte) kennisgeving. Het probleem situeert zich vooral bij schrootpartijen die onvoldoende gesorteerd zijn. Voor de partijen waar enkel voldaan moest worden aan de informatieplicht, kon 11% van de exporteurs geen correct ingevuld document voorleggen. Het gros van de gecontroleerde partijen, afkomstig uit Vlaanderen, werd uitgevoerd naar China (47) en India (18). Uitvoer van voertuigwrakken Jaarlijks worden naar schatting 400.000 Europese tweedehandsvoertuigen via de Belgische havens naar derdewereldlanden geëxporteerd. Een fractie van deze voertuigen wordt beschouwd als wrak en valt dus onder de exportban die geldt voor alle gevaarlijke afvalstoffen naar niet-OESO-landen. MI voerde in 2007 één gerichte controle uit op een Antwerpse autoterminal. Hierbij werden 1.500 tweedehandsvoertuigen gescreend. Deze screening leidde tot een selectie van tien voertuigen die grondig onderzocht werden door een erkend autodeskundige. Deze expert besloot in drie gevallen dat het voertuig als ‘wrak’ geklasseerd moest worden, omdat het onmogelijk was om het nog te herstellen tot een veilig en rijwaardig voertuig. De analyse van deze controledag deed MI ertoe besluiten dat de handhaving van deze uitvoerstroom door zelf fysieke inspecties van de individuele voertuigen te doen,

42 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

bijzonder tijdrovend is en het resultaat slechts een druppel op een hete plaat. MI pleit er dan ook voor dat dergelijke voertuigen vergezeld zouden gaan van een ‘rijwaardigheidsattest’ of ‘pre-export-keuringsattest’. Een steekproefsgewijze controle van deze documenten zou veel efficiënter zijn en een groter percentage van het uitgevoerde aantal voertuigen kunnen bestrijken.

Wegcontroles Afvalstoffen moeten op elk ogenblik traceerbaar zijn. Wanneer een vrachtwagen geladen met afvalstoffen onderweg wordt gecontroleerd moet het voor de toezichthouder onmiddellijk duidelijk zijn waar het afval vandaan komt, waar het zal verwerkt worden en, belangrijker nog, wat de juiste inhoud van de lading is. In 2007 heeft MI samen met de politiediensten 19 wegcontroles uitgevoerd. Enkele van deze wegcontroles waren verspreid over verschillende dagen en op verspreide locaties. In totaal controleerde MI op die manier 330 vrachtwagens, waarvan 158 met afval geladen waren. De meest gecontroleerde afvalstromen waren schroot, gemengd bedrijfsafval, bouw- en sloopafval, organisch-biologisch afval, kunststof- en houtafval. Het gros van deze afvaltransporten was nationaal, alhoewel opvallend veel internationale transporten gecontroleerd werden (26%). Bij 22% van de gecontroleerde afvaltransporten stelde MI een overtreding vast op de afvalstoffenwetgeving.


Keteninspecties Indien inspecties tijdens wegtransportcontroles, havencontroles of uitgevoerde bedrijfscontroles vermoedens van illegale afvalstoffentrafieken doen rijzen, kan een toezichthoudend ambtenaar het zinvol achten om over te gaan tot ketentoezicht om na te gaan waar de afvalstroom in kwestie is geproduceerd, of de afvalstroom traceerbaar is, of ze legaal is opgeslagen, vervoerd en verwerkt.

Bodem en Grondwater De werkgroep Bodem en Grondwater coĂśrdineert binnen MI de activiteiten rond de controles op grondwaterwinningen en het bestrijden van bodem- en grondwaterverontreiniging. In 2007 omvatte dit onder meer een nieuw project voor de controle van mestopslagplaatsen en het verderzetten van de controles van grondwaterwinningen bij diverse bedrijven.

Controle van grondwaterwinningen

Kleine vaststellingen van onregelmatigheden kunnen echter ook leiden tot uitgebreide ketenonderzoeken met tientallen bedrijfsinspecties, waarbij een volledige afvalstroom en zijn vertakkingen wordt uitgepluisd door toezichthouders in verschillende buitendiensten. Voorbeelden van grote ketendossiers in 2007 waren het onderzoek naar de afvoer van bouw- en sloopafval dat besmet was door een leeggelopen PCB-transformator en het onderzoek naar de afvoer van een grote partij lijmafval naar verschillende niet-toegelaten bestemmingen.

Zowel de industrie en de landbouw als de drinkwatermaatschappijen en de huishoudens pompen grote hoeveelheden grondwater op. Het duurzaam omspringen met de grondwaterreserves is zeer belangrijk. Daarom zette MI het in 2005 opgestarte project verder, waarbij de grondwaterwinningen van 56 bedrijven uit verschillende sectoren aan een grondige controle werden onderworpen. Om deze bedrijven te selecteren, gebruikte MI de volgende criteria: - grondwaterwinningen met een groot debiet, ook deze van de drinkwatermaatschappijen; - mogelijks als klasse 1-ingedeelde grondwaterwinningen die slechts als klasse 2 vergund zijn; - bedrijven of sectoren met een twijfelachtige reputatie wat de winning van grondwater betreft; - bedrijven die grondwater winnen in overgeĂŤxploiteerde watervoerende lagen. De inspecties werden uitgevoerd aan de hand van een voor dit project opgestelde checklist.

In het kader van ketentoezicht voerde MI in 2007 28 inspecties uit bij producenten van afval, 56 bij overbrengers of vervoerders en 56 bij afvalverwerkers.

Tijdens de controle was er aandacht voor de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater. Naast het opgepompte volume en de vergunningstoestand controleerde MI ook

Deze ketenonderzoeken kunnen beperkt blijven tot een enkele inspectie bij een bedrijf. Dit gebeurde in 2007 bijvoorbeeld bij de terugzending van illegale partijen, het natrekken van niet-erkende afvaloverbrengers of het meer routinematige toezicht op de bewegingen van problematische afvalpartijen zoals elektroschroot.

Specifieke handhavingscampagnes

- 43


het gebruik van het grondwater, de administratieve verplichtingen zoals debietregistratie en peilregistratie, de bijzondere voorwaarden, het herboren of wijzigen van bestaande putten, de buiten dienst gestelde grondwaterwinningen en de uitrusting van de peilput en de boorput. Hierbij werden peilmetingen uitgevoerd en er werden monsters van het grondwater genomen. Bij twaalf bedrijven werden in opdracht van MI debietmetingen uitgevoerd met behulp van een draagbare ultrasone debietmeter. Wat de kwantiteit van het opgepompte grondwater betreft, liet de debietmeting en debietregistratie bij heel wat bedrijven te wensen over. Zes bedrijven pompten een te hoog debiet op, bij negen waren de debietmeters niet correct geĂŻnstalleerd en 24 bedrijven beschikten niet over een correct geijkte debietmeter. Wat de peilmetingen en peilregistratie betreft, waren er heel wat tekortkomingen. 21 bedrijven beschikten niet over het verplichte aantal peilputten en twaalf voerden te weinig of onvolledige peilmetingen uit. De zelfcontrole van de exploitant op de kwaliteit van het grondwater vertoonde eveneens tekortkomingen. Zo stelde MI bij negen bedrijven vast dat zij te weinig of onvolledige analyses van het grondwater lieten uitvoeren en bij drie bedrijven werd gepompt onder het toelaatbaar afpompingsniveau. Bij 19 bedrijven waren de putten onvoldoende afgewerkt. Bij tien bedrijven waren de oude putten niet correct buiten dienst gesteld. Tot slot beschikte een bedrijf over een niet volledig vergunde grondwaterwinning. In het totaal verbaliseerde MI acht bedrijven. 43 van de 56 gecontroleerde bedrijven werden door MI aangemaand om de vastgestelde tekortkomingen te saneren. Drie bedrijven ontvingen een raadgeving. Daarnaast werd bij 25 bedrijven de debietregistratie opgevraagd ter controle van de zelfcontrole. Dit resulteerde in meerdere inspecties en de opmaak van aanmaningen en processen-verbaal wegens het niet in het bezit zijn van een ijkingsattest voor de debietmeters of voor het teveel oppompen van grondwater.

44 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Controle van mestopslagplaatsen Bij tien landbouwbedrijven werd de constructie en de exploitatie van de mestopslagplaatsen getoetst aan de Vlarem II-voorwaarden met betrekking tot de bescherming van de bodem en het grondwater. Prioritair zijn bedrijven gekozen met mestkelders, gelegen in kwetsbare gebieden of nitraatgevoelige gebieden. Deze bedrijven dienden volgens art. 5.9.7.1. van Vlarem II te beschikken over waarnemingsbuizen of peilputten. De zelfcontroleverplichtingen met betrekking tot de waarnemingsbuizen en bijhorende analyses werden gecontroleerd. Bij acht bedrijven werden de peilputten bemonsterd door MI. Twee bedrijven werden aangemaand om peilputten te plaatsen. Bij een eerste voorlopige evaluatie van het project bleek dat er bij enkele bedrijven overschrijdingen van de milieukwaliteitsnormen zijn voor enkele parameters. Het project wordt vervolgd in 2008 en er wordt werk gemaakt van de beoordeling van de analyseresultaten in overleg met interne en externe diensten.

Geluid en Trillingen De werkgroep behandelde in 2007 zoals gebruikelijk een aantal klachten over geluid en trillingen. Ook onderzocht de werkgroep opnieuw een aantal akoestische onderzoeken van erkende deskundigen. Hierbij duiken nog steeds twee problemen op: het gebruik van statistische parameters en het beoordelen van geluidshinder door middel van volledige akoestische onderzoeken.

Het gebruik van statistische niveaus als akoestische grootheden voor het specifieke geluid De akoestische grootheid die hinder karakteriseert en aan de norm voor het specifiek geluid is gekoppeld, is niet gedefinieerd in Vlarem. Ten onrechte wordt daarom soms een statistisch niveau als maat voor de hinder genomen. Het statistisch niveau LA50,T bijvoorbeeld geeft het geluidsniveau dat gedurende 50 % van de tijd overschreden wordt. Het geeft echter geen enkele informatie over de manier waarop dat niveau wordt overschreden, dus ook niet over piekgeluiden. Het zijn net die pieken die de grootste hinder veroorzaken. Daarom is het noodzakelijk om bij gebruik van statistische niveaus tegelijk ook meet-


resultaten te rapporteren die informatie geven over piekgeluiden, uitgedrukt in LAeq,1s waarden.

Het beoordelen van hinder door middel van ‘volledige akoestische onderzoeken’ De Vlaremwetgeving kent twee soorten akoestische onderzoeken, het ‘beperkt’ (BAO) en het ‘volledig’ (VAO). Het BAO is het onderzoek dat gebruikt wordt door de toezichthoudende overheid en dient uitsluitend voor de beoordeling van hinder. In die zin is het beperkt. Het VAO wordt gebruikt bij vergunningsverlening en beleidsbepaling. Soms wordt het, ten onrechte, ook gebruikt voor het beoordelen van hinder. Het VAO moet voldoen aan de bepalingen van bijlage 4.5.1 van Vlarem II maar de werkwijze die in de bijlage wordt beschreven, is in veel gevallen niet geschikt om geluidshinder te beoordelen. Indien een deskundige desondanks toch de opdracht krijgt om hinder te onderzoeken via een VAO, dan mag hij zich niet beperken tot de werkwijze van bijlage 4.5.1 maar moet hij deze werkwijze op verantwoorde wijze aanvullen zoals hieronder beschreven. De meetplaatsen Volgens bijlage 4.5.1 moet gemeten worden in de nabijheid van bewoonde gebouwen op minder dan 200 m van de inrichting, als die er tenminste zijn. De richtwaarden van hoofdstuk 4.5 ‘Beheersing van geluidshinder’ van Vlarem II gelden echter in open lucht, dus overal waar hinder kan optreden. Bijvoorbeeld aan scholen, hospitalen, tuinen… Als een VAO gebruikt wordt om hinder te beoordelen moet er dus niet enkel gemeten worden in de omgeving van bewoonde gebouwen maar ook op plaatsen waar er geluidsklachten zijn en waar de hinder of de overschrijding van de normen het hoogst is. De meetresultaten Het VAO vindt zijn oorsprong in de jaren tachtig, nog voor de Vlaremtijd. Het is dan ook geschreven voor de apparatuur van toen, wat blijkt uit de te meten akoestische grootheden: LAeq,1u, LA5,1u, LA50,1u en LA95,1u. Een uur meten levert dus slechts vier getallen op. Van die vier zullen er meestal twee bepaald worden door stoorgeluiden (verkeer, hondengeblaf…) en dus onbruikbaar zijn. Bovendien kan uit die grootheden niet uitgemaakt worden of er

(meestal hinderlijk) tonaal geluid is en daarbovenop kan waarschijnlijk niet uitgemaakt worden of de richtwaarden van bijlage 4.5.5 al dan niet overschreden worden. De wetgeving stelt dat het omgevingsgeluid moet gemeten worden als LAeq,1s en als dusdanig in de rapporten moet worden opgenomen. MI plant in 2008 een terugkoppeling van bovenstaande bevindingen aan de erkende deskundigen.

GGO’s Het manipuleren van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en pathogene organismen kan bepaalde risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich meebrengen. De term GGO’s is een verzamelnaam voor micro-organismen (bv. bacteriën en virussen), planten en dieren waarvan het genetisch materiaal (DNA) op kunstmatige wijze wordt gemanipuleerd. Pathogene organismen zijn micro-organismen die een ziekte kunnen verwekken bij mensen, dieren of planten. Wetgeving De wetgeving is gebaseerd op de Europese Richtlijn 98/81/EEG van 26 oktober 1998 inzake het ingeperkt gebruik van GGO’s. De richtlijn werd in 2004 in Vlarem geïmplementeerd. Net zoals sommige andere Europese lidstaten en de beide andere gewesten in België heeft Vlaanderen ervoor geopteerd om het toepassingsgebied van de nieuwe bepalingen uit te breiden zodat ook pathogene organismen onder die reglementering vallen. Het principe van die wetgeving komt erop neer dat een inrichting, die GGO’s of pathogene organismen aanmaakt of onderzoekt, een risicoanalyse moet maken van haar activiteiten. Op basis van die risicoanalyse wordt het bedrijf ingedeeld in één van de vier risicoklassen. Aan elk risiconiveau zijn een aantal maatregelen verbonden om te verhinderen dat mens en leefmilieu worden blootgesteld aan die organismen. Naarmate het risiconiveau stijgt, zijn er meer en stringentere inperkingsmaatregelen vereist. Gezien de specificiteit van elk onderzoek met GGO’s of pathogene organismen moeten inrichtingen, naast een milieuvergunning, voor elke verschillende activiteit een toelating aanvragen bij de afdeling Milieuvergunningen. MI controleert of de vergunningstoestand correct is en of de inperkingsvoorwaarden die in de wetgeving en in de toelating zijn opgelegd, worden toegepast.

Specifieke handhavingscampagnes

- 45


Inspectiecampagne In navolging van de inspectiecampagne gestart in 2005, controleerde MI in 2007, in het eerste deel van de nieuwe inspectiecampagne, opnieuw de inperkingsmaatregelen bij 15 inrichtingen, waar de gebruiker zijn activiteiten kenbaar had gemaakt en een toelating verkregen had. Om uniforme en diepgaande controles mogelijk te maken, gebruikte MI voor de inspectie van deze inrichtingen de bestaande checklist met alle geldende inperkingsmaatregelen per type van activiteit en per risiconiveau. Volgende aspecten werden bij een inspectie nagegaan: - zijn alle afzonderlijke activiteiten vergund en toegelaten? - is er een juiste inschatting van het risiconiveau? - worden de inperkingsmaatregelen die in de milieuwetgeving of de toelating zijn opgelegd, correct toegepast? - neemt de gebruiker alle nodige maatregelen om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu te voorkomen? Bij negen van de vijftien bedrijven stelde MI tekortkomingen vast op de geldende inperkingsmaatregelen zonder dat er rechtstreeks gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu was. MI maande de exploitanten aan alle verplichtingen na te komen. Vaak voorkomende tekortkomingen waren ondermeer het niet correct opslaan van het risicohoudend medisch afval (RMA), het niet valideren van afdodingsmethoden, het onvoldoende beschikken over vereiste procedures, het niet correct gebruiken van de recipiënten voorzien voor RMA, de afwezigheid van registers met alle organismen en het niet uitvoeren van de verplichte controle van de microbiële veiligheidskast. In een tweede deel van de inspectiecampagne werden 14 inrichtingen gecontroleerd die vermoedelijk activiteiten uitvoeren met GGO’s of pathogene organismen, maar die hiervoor geen toelating, noch een milieuvergunning hebben aangevraagd. Van de 14 gecontroleerde bedrijven bleken er 6 effectief met pathogene organismen of met GGO’s te werken. Het betrof voornamelijk ziekenhuizen en klinische laboratoria maar ook enkele onderzoekslabo’s. MI verbaliseerde de niet-vergunde inrichtingen en maande alle inrichtingen aan om zich zo snel mogelijk te regulariseren door een

46 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

vergunningsaanvraag in te dienen. In de komende jaren plant MI nog gelijkaardige inspectiecampagnes. Methodeontwikkeling: monstername en analyse van GGO’s en pathogene organismen Om te kunnen nagaan in hoeverre de inperkings- en andere beschermingsmaatregelen effectief leiden tot een optimale bescherming van het leefmilieu en de menselijke gezondheid moeten monsters kunnen genomen worden van de afgezogen gassen, het afvalwater, het afval, de infrastructuur, … Daarna moeten deze monsters geanalyseerd kunnen worden op de aanwezigheid van deze organismen. Omdat dit momenteel nog niet mogelijk is, liet MI eind 2006 een onderzoek starten met als doel deze methoden te ontwikkelen en te beschrijven. In dit onderzoek komen volgende aspecten aan bod: - mogelijke wegen van vrijstelling van deze organismen in het milieu (bv. via het afvalwater, via het afval, via de lucht, via contactoppervlakken, via andere wegen) en het risico op vrijstelling via de verschillende routes; - methoden om de verschillende wegen te bemonsteren; - methoden om enerzijds de monsters te analyseren op de aanwezigheid van GGO’s of pathogene organismen en anderzijds, indien de mogelijkheid zich voordoet, de monsters kwantitatief te analyseren; - interpretatie van de resultaten: welke schadelijke gevolgen heeft de vrijstelling van GGO’s en pathogene organismen voor het leefmilieu en de menselijke gezondheid en welke criteria kunnen hieraan gekoppeld worden? In 2007 werd een tussentijds rapport ontvangen waarin alle bovenstaande aspecten op een theoretische manier werden beschreven en waarin een aanpak voor de praktische uitwerking van de monstername en analyse werd uitgeschreven. Dit tussentijds rapport werd een eerste maal besproken en bediscussieerd door een stuurgroep bestaande uit experten in het thema ingeperkt gebruik van GGO’s binnen de Vlaamse en Federale overheden. Zo waren er vertegenwoordigers van de afdeling Toezicht Volksgezondheid (ToVo), de Sectie Bioveiligheid en Biotechnologie (SBB) en van het Instituut voor Landbouwen Visserijonderzoek (ILVO). In de tweede helft van 2007 werden twee gevalstudies uitgevoerd. Om zoveel mogelijk informatie uit deze gevalstudies te halen, opteerde MI ervoor om de methodes uit te testen bij zowel een institutionele instelling (een universiteit) als bij een privé-onderneming. Ook heeft de opdrachtnemer testen uitgevoerd met zowel micro-organismen als met planten. De resultaten waren eind 2007 nog niet beschikbaar.


Lucht De werkgroep Lucht coördineert binnen MI de activiteiten rond het bestrijden van luchtverontreiniging en geurhinder. In 2007 werden tal van controle-acties van de vorige jaren verdergezet: geleide en diffuse VOS-emissies in de grafische sector, PCB’s bij de shredderbedrijven, fijn stof bij op- en overslagbedrijven in de Vlaamse hot spot gebieden, zware metalen bij metallurgische bedrijven en een set aan luchtvervuilende parameters waaronder dioxines bij de houtafvalverbrandingsinstallaties. De werkgroep coördineerde een onderzoek om te komen tot een controlesysteem voor diffuse VOS-emissies via metingen in plaats van berekeningen. Verder maakte de werkgroep Lucht, omwille van de zorgwekkende resultaten van emissiemetingen in 2006 bij houtafvalverbrandingsinstallaties, een interne onderrichting op voor alle toezichthoudende ambtenaren van MI over hoe deze sector verder aan te pakken. De werkgroep verleende ook haar medewerking aan de opmaak van het ‘Actieplan aanpak fijn stof in industriële hotspotzones’ van de Vlaamse minister van Leefmilieu en coördineerde de uitvoering ervan voor het aspect handhaving. Tenslotte coördineerde de werkgroep Lucht ook verder de uitvoering van de acties van MI van het ‘Actieplan Cadmium’ (februari 2006) van de Vlaamse minister van Leefmilieu. In 2007 werkte de werkgroep verder aan een methodologie voor de aanpak van geurhinder. Het globale evaluatieonderzoek met als doel het instrument ‘geuronderzoek’ in de toekomst efficiënter te hanteren, werd afgerond. Aangezien uit dit onderzoek bleek dat MI meer aandacht moet hebben voor na-evaluatie van de geursituatie na sanering, startte de werkgroep Lucht al meteen een eerste concreet evaluatie-onderzoek op in Rollegem. Ook aan de handleiding voor de aanpak van geurklachten door de toezichthoudende ambtenaren werd in 2007 verdergewerkt. De werkgroep Lucht was ook actief betrokken bij het opstellen van een referentiemethodiek voor snuffelmetingen.

Diffuse VOS-emissies in de grafische sector Hoofdstuk 5.59 van Vlarem II bevat, na de omzetting van de Europese solventemissierichtlijn 1999/13/EG, de sectorale voorwaarden voor activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen. De exploitant moet aan de toezichthoudende overheid te allen tijde kunnen aantonen dat voldaan is aan de emissiegrenswaarden of aan de eisen van het equivalente reductieprogramma. Hij moet hiertoe jaarlijks een document opmaken - verder

het ‘VOS-document’ genoemd - met een beschrijving van de inrichting, een overzicht van de emissiemetingen, een berekening van de emissies en een toetsing aan de voorwaarden. Dit VOS-document vormt dan ook het belangrijkste aanknopingspunt voor de toezichthoudende overheid bij het handhaven van de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.59 van Vlarem II. MI startte in 2003 een eerste handhavingscampagne met betrekking tot deze wetgeving. Het project was oorspronkelijk omschreven als een controle op de naleving van alle VOS-voorwaarden bij een aantal bedrijven uit de sector illustratiediepdruk, flexografie en rotatiediepdruk. Al gauw bleek dat het project best opgesplitst werd in twee delen. Gebruik van de handleiding voor de controle van VOS-documenten van de grafische sector Een eerste project had tot doel een handleiding te ontwikkelen om de VOS-documenten, zoals bedoeld in artikel 5.59.3.2.§2 van Vlarem II, op een uniforme en correcte manier te kunnen controleren. Deze handleiding was beschikbaar in 2005. In feite bestaat ze uit verschillende delen: een leidraad voor de exploitanten van inrichtingen, ingedeeld in rubriek 59, om een goed gedocumenteerd en onderbouwd VOS-document op te stellen, een handleiding met controlevragen voor de toezichthoudende ambtenaren en twee ondersteunende documenten met achtergrondinformatie en antwoorden op veelgestelde vragen. MI gebruikte deze handleiding de voorbije jaren bij gecoördineerde inspecties bij bedrijven uit de grafische sector en ad hoc bij andere activiteiten die solventen gebruiken. De ervaring met deze controles is dat er nog steeds veel bijsturing nodig is om een degelijk VOS-document te bekomen en dat er nog heel wat bedrijven zijn die momenteel nog niet voldoen aan de grenswaarden. MI zal deze controles in 2008 verderzetten. Bepaling van diffuse VOS-emissies bij bedrijven uit de grafische sector Het gebruik van de handleiding leerde MI dat de bepaling en controle van de diffuse emissies vaak een probleem vormen: meestal vallen de bedrijven en deskundigen terug op een eigen combinatie van berekeningen en indicatieve metingen om deze diffuse emissies in te schatten. De solventemissierichtlijn schrijft een onrechtstreekse

Specifieke handhavingscampagnes

- 47


bepalingsmethode voor, gebaseerd op massabalansberekeningen. Uit een onderzoek in opdracht van de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid is gebleken dat deze methode in sommige gevallen zeer onnauwkeurige resultaten oplevert. Er werd daarom een aanzet gegeven tot een andere methodologie, met een rechtstreekse kwantificering van de diffuse emissies via metingen. MI schreef daarom in 2005 een onderzoeksopdracht uit, gericht op de bedrijven binnen de grafische sector. Voor het bepalen van de diffuse emissie maakte de opdrachtnemer telkens gebruik van meerdere meettechnieken bij drie verschillende bedrijven: het meten van de geleide emissies aan de ingang en uitgang van de thermische naverbrander, metingen met behulp van een draagbare FIDanalyzer en draagbare debietsmeter, het gebruik van tracergas voor het bepalen van emissiestromen en metingen door middel van passieve samplers en draagbare debietsmeter. Het onderzoeksrapport was beschikbaar in 2006. Het besluit van dit project was dat het meten van de diffuse emissies wel degelijk mogelijk is en dat deze meetresultaten met een aanvaardbare meetonzekerheid te bepalen zijn. Echter, uit de metingen bij de drie betrokken bedrijven bleek dat de diffuse emissies zich tussen 40% en 60% situeerden en dit terwijl de emissiegrenswaarde 20% bedraagt. Met de tot op heden toegepaste methode voor het bepalen van de diffuse emissies via berekeningen en/ of schattingen, blijkt de grenswaarde van 20% zeker haalbaar. Daadwerkelijke metingen tijdens dit MI-onderzoek geven echter hogere waarden aan. Dit is in tegenspraak met de tot op vandaag overheersende visie omtrent de diffuse emissies van drukkerijen. Daarom startte MI in 2007 een vervolgonderzoek. De opdrachtnemers voerden de meting opnieuw uit bij één van de drie bedrijven en verfijnden de methodiek. Waar in het eerste onderzoek voor de controle van de VOS-massabalans het solventverbruik, de geleide emissies en de diffuse emissies op verschillende tijdstippen werden gemeten, werden ze nu simultaan bepaald. Uit de resultaten bleek dat de grenswaarden gerespecteerd werden. Een ander doel van het vervolgonderzoek was een snelle meet- en controlemethode voor diffuse emissies te ontwikkelen die naderhand zowel bruikbaar moet zijn voor

48 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

de bedrijven zelf als voor de toezichthoudende overheid in deze sector en, bij uitbreiding, in gelijkaardige sectoren. Uit het onderzoek dat begin 2008 afgerond was, bleek dat dergelijke snelle methode wel degelijk mogelijk is en dit door middel van draagbare FID-metingen en draagbare debietsmetingen aan de verschillende emissiepunten, al dan niet gecombineerd met modellering. Dit onderzoek toonde ook aan dat de nauwkeurigheid van deze methode toeneemt naarmate het aantal meetrondes, waarbij alle emissiepunten worden bemeten, toeneemt. Het voordeel van de methode is dat ze snel is en goedkoop. Er moeten geen analyses uitgevoerd worden en het solventverbruik moet niet geregistreerd worden. Wel blijkt een goede kennis van de luchthuishouding van het bedrijf onontbeerlijk, terwijl in de praktijk blijkt dat deze kennis in het bedrijf vaak onvoldoende aanwezig is. MI plant in de nabije toekomst ervaring op te bouwen met deze snelle methode via toepassing in andere bedrijven en bedrijfssectoren.

Meetcampagne biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties Door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 worden de grenswaarden en meetverplichtingen inzake luchtemissies voor biomassa- en (hout)afvalverbrandin gsinstallaties niet alleen afhankelijk gesteld van het vermogen van de verbrandingsinstallatie maar ook van de aard van het afval dat wordt verbrand. Als controle op het naleven van de gewijzigde regelgeving werd in het MIP 2006 een meetcampagne bij dergelijke verbrandingsinstallaties bij klasse 1-bedrijven opgenomen. De concentratie van verschillende verontreinigende stoffen in de rookgassen werd gemeten. Bij de helft van de installaties werd ook de dioxine-uitstoot bepaald. Simultaan met de emissiemetingen werd er telkens een houtafvalmonster genomen en geanalyseerd. Bovendien werd er nagegaan of voor deze installaties in het voorbije jaar de zelfcontrolemeetverplichtingen werden nageleefd. Tijdens de winter 2006-2007 liet MI bij 45 biomassa- en houtafvalverbrandingsinstallaties (waarvan 36 met een vermogen kleiner dan 5 MW) emissiemetingen uitvoeren. Bij de helft van de verbrandingsinstallaties wordt voor één of meerdere parameters een overschrijding van de emissiegrenswaarden met meer dan 30 % gemeten. Het grootste aantal overschrijdingen (20) wordt vastgesteld


voor de parameter CO. Ook voor de parameters stof (5) en NOx (4) werd bij een aantal installaties een overschrijding van de emissiegrenswaarden vastgesteld. Bij 7 van de 22 installaties (32%) waar eveneens een meting op dioxines werd uitgevoerd, wordt de emissiegrenswaarde overschreden. Indien overschrijdingen met minder dan 30% (dit is binnen de toegelaten meetfout) mee in rekening worden gebracht, dan worden bij 38 van de 45 (84%) gecontroleerde installaties de emissiegrenswaarden voor één of meerdere parameters overschreden.

Het strikter toezien op de kwaliteit van houtafval bij de verbrandingsinstallaties van klasse 1-vergunde bedrijven impliceert eveneens een strengere controle op de werkingswijze, de samenstelling van het houtafval en het naleven van de meetverplichtingen bij bedrijven die deze materialen ophalen, verhakselen en verwerken. Daarnaast dienen ook de kleine en middelgrote verbrandingsinstallaties (< 5 MW) bij klasse 2-vergunde bedrijven die worden vergund onder de rubriek van biomassa-afvalverbranding strenger gecontroleerd te worden.

Het optreden van de normoverschrijdingen kan grosso modo worden toegeschreven aan : - een slecht of onregelmatig verloop van het verbrandingsproces (CO-overschrijding); - een onvoldoende uitbouw en/of werking van de filterinstallaties (stofoverschrijdingen); - een slechte kwaliteit van de brandstof of het niet aangepast zijn van de installatie aan deze brandstof (overschrijdingen voor dioxines en zware metalen).

Met het oog op een vervolgmeetcampagne in de winter 2007-2008 maakte MI midden 2007 een interne onderrichting op voor haar toezichthoudende ambtenaren om deze gecoördineerde controle-actie verder te stroomlijnen. De onderrichting is gericht op biomassa-afvalverbrandingsinstallaties met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 5 MW. Ze geeft aan wat een volledige controle inhoudt, hoe met overschrijdingen van emissiegrenswaarden in de afgassen en van richtwaarden van samenstellingscriteria van niet-verontreinigd behandeld houtafval moet omgegaan worden en hoe moet opgetreden worden bij niet naleving van zelfcontroleverplichtingen. Verder werden een aantal richtlijnen vastgelegd voor de voortgangscontrole na vastgestelde inbreuken op de wetgeving en voor aanpak van recidiven. Tenslotte wordt via de onderrichting ook opdracht gegeven aan alle toezichthoudende ambtenaren om de inventaris van biomassaafvalverbrandingsinstallaties continu te actualiseren.

De resultaten van de meetcampagne tonen ook aan dat in ongeveer één derde van de installaties houtafval wordt verbrand dat niet voldoet aan de samenstellingscriteria van artikel 5.2.3bis.4.14 §1 van Vlarem II voor niet-verontreinigd behandeld houtafval. Overschrijding van deze samenstellingsparameters komt voor bij installaties vergund voor het verbranden van niet-verontreinigd behandeld houtafval, maar ook bij nagenoeg de helft van de installaties die eerder werden vergund voor het verbranden van onbehandeld houtafval. Aangezien deze installaties echter niet zijn vergund en ook niet zijn uitgerust voor het verbranden van verontreinigd houtafval, dienen ofwel de vergunning en de rookgaszuivering van de verbrandingsinstallatie te worden aangepast aan de inzet van verontreinigd houtafval, ofwel dient er een beperking tot het verbranden van enkel onbehandeld en/of niet-verontreinigd behandeld houtafval te worden ingevoerd. Een globale evaluatie die zowel emissiegrenswaarden, kwaliteitseisen voor het ingezette houtafval en zelfcontroleverplichtingen in rekening brengt, leidt tot de conclusie dat slechts één op vier van de gecontroleerde houtafvalverbrandingsinstallaties volledig conform de geldende normeringen en meetverplichtingen wordt geëxploiteerd. Op basis van de resultaten van de meetcampagne stelde MI 18 processen-verbaal op voor overschrijding van de emissiegrenswaarden. MI verstuurde daarbij 29 aanmaningen ingevolge het overschrijden van de emissiegrenswaarden en/of de samenstellingscriteria van het houtafval, het niet naleven van de meetverplichtingen en/of het niet conform zijn van de meetplaats.

MI zorgde midden 2007 ook voor een rapportering van de resultaten van de meetcampagne winter 2006-2007 aan de minister van Leefmilieu. MI gaf hierbij ook enkele aanbevelingen voor het beleid. Naar aanleiding hiervan werd onder leiding van de algemeen directeur van het departement LNE een breder overleg over deze materie georganiseerd tussen MI, de afdelingen Milieuvergunningen en Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu en Gezondheid van het departement LNE, VMM, OVAM en VEA. Het resultaat van dit overleg gaf aanleiding tot wijzigingen in de door de Vlaamse regering op 21 december 2007 principieel goedgekeurde Vlaremtrein. De controle-actie werd hernomen in de winter 20072008 bij 27 installaties. Een eerste blik op de voorlopige resultaten levert een even zorgwekkend beeld van de situatie als dat van de winter 2006-2007. Een volledige en grondige analyse van de actie zal in de loop van 2008 gebeuren.

Specifieke handhavingscampagnes

- 49


Fijn stof: aanpak van diffuse emissies en ‘hot spots’ De PM10 fractie in stof, het zogenaamde fijn stof, heeft een belangrijke impact op de menselijke gezondheid. Zwevend stof in de lucht kan zowel op indirecte als directe wijze schadelijk zijn voor de mens. Fijn stof kan een drager zijn van onder andere zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, bestrijdingsmiddelen en dioxines; deze stoffen komen door inademing van stof in het lichaam. Anderzijds is het stof op zich ook schadelijk. Inademing van voornamelijk de fractie PM10 en kleinere deeltjes zou de gezondheid ernstig kunnen beschadigen; deeltjes groter dan 10 µm worden gemakkelijker verwijderd uit het bovenste gedeelte van het ademhalingssysteem door afvang in de neus en in het slijm in de luchtpijp. Daarom nam de Wereld Gezondheids Organistatie (WHO) fijn stof op in de ‘Guidelines for Air Quality’ (2000). De Europese Unie wijdde aan fijn stof een aparte dochterrichtlijn (1999/30/EG), onderdeel van de kaderrichtlijn luchtkwaliteit (96/62/EG). De inhoud van de richtlijn werd integraal opgenomen in Vlarem II (afdeling 2.5.3.). Voor zwevend stof eist de richtlijn het treffen van de nodige maatregelen om zowel de daggemiddelde concentraties van PM10 in de lucht als de jaargemiddelde concentratie te beperken. De daggemiddelde concentraties van PM10 in de lucht mogen, op 1 januari 2005, niet meer dan 35 keer per jaar 50 µg/m³ overschrijden. De jaargemiddelde concentratie PM10 mag niet hoger zijn dan 40 µg/m³. Op heel wat meetposten van VMM waar de immissieconcentraties aan fijn stof in de omgevingslucht worden bepaald zijn er de voorbije jaren overschrijdingen van de EU-grenswaarden vastgesteld. De kaderrichtlijn luchtkwaliteit bepaalt dat bij overschrijden van de grenswaarden er door de lidstaten plannen en programma’s dienen opgesteld en uitgevoerd te worden om te verzekeren dat de grenswaarden tegen de vooropgestelde streefdatum gerespecteerd zullen worden. In opdracht van de Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid voerde VITO een studie ‘Hot spots’ uit. Deze studie beoogde de identificatie van de stofemittoren die bijdragen aan de vastgestelde overschrijdingen van PM10 in Vlaanderen. Oostrozebeke, Roeselare, Ruisbroek en de Gentse kanaalzone werden als hotspotzones bestudeerd. Daarbij is het duidelijk dat, naast een hoge achtergrondconcentratie en de belangrijke bijdrage van

50 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

het verkeer, ook emissies van hinderlijke inrichtingen een rol spelen. Vooral diffuse emissies van op- en overslagactiviteiten en van de metaalindustrie dragen bij tot de verhoogde emissies in deze zones. Vlaanderen stelde een globaal stofplan op in 2005. Actie 63 van het Vlaamse stofplan 2005 handelt over de bedrijfsactiviteiten die uit de studie ‘Hot spots’ als mogelijke bronnen naar voor komen. Deze actie omvat het onderzoek van voorgestelde maatregelen, het overleg met de betrokken bedrijven over te nemen maatregelen en vervolgens de instrumentenkeuze voor de implementatie. In 2007 voerde MI een inspectiecampagne met betrekking tot fijn stof in de hotspotzones uit. De voorbereiding ervan gebeurde in 2006 in nauw overleg met de Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid. Een gezamenlijk actieplan werd opgesteld en dit werd bekrachtigd door de beleidsraad. Voor de controles van 2007 was het de keuze om prioritair de bronnen van potentieel gevaarlijk stof aan te pakken: de opslag van ertsen, kolen, houtstof,… Tijdens de controles werd zowel aan Vlaremvoorwaarden als voorwaarden uit de BREF ‘Storage and handling of bulk materials’ en buitenlandse wetgeving getoetst. Vaak droeg MI de bedrijven op een erkend deskundige in de discipline lucht onder de arm te nemen om de toetsing uit te voeren en een actieplan met stofbeperkende en -beheersende maatregelen op te stellen. In de loop van 2007 was er verder overleg met VMM, de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid en de afdeling Milieuvergunningen over de hotspotgebieden voor fijn stof. Dit resulteerde in mei 2007 in het ‘Actieplan aanpak fijn stof in industriële hotspotzones’ van de Vlaamse minister van Leefmilieu. Dit actieplan is een concretisering van actie 63 van bovenvermeld Vlaams stofplan van 2005. Het ‘Actieplan aanpak fijn stof in industriële hotspotzones’ bevat 19 acties waarvan 8 rechtstreeks voor MI. Bij enkele andere meer beleidsmatige acties is MI onrechtstreeks betrokken, voornamelijk via terugkoppeling van ervaringen uit het veld aan de beleidsmakers. Sommige van deze MI-acties zijn heel concreet en specifiek voor een welbepaald bedrijf in een welbepaalde hotspotzone, andere zijn globaler en beogen een systematische controle van Vlarem-, vergunnings- en BBT-maatregelen ter beperking van diffuse stofemissies bij een tiental prioritaire bedrijven in een hotspotzone. Een ander aandachtspunt van het actieplan is de wisselwerking tussen MI en de afdeling Milieuvergunningen met betrekking tot het opleggen en controleren van bijzondere vergunningsvoorwaarden in verband met fijn stof. De controles in uitvoering van dit actieplan lopen verder in 2008.


Aanpak van geurproblemen Geurmethodologie: optimalisatie van het instrument ‘geuronderzoek’ en de MI-aanpak van geurproblemen op basis van geuronderzoeken Na bijna tien jaar ervaring met het instrument ‘geuronderzoek’ voor de handhaving van complexe geurproblemen, besloot MI deze methodologie voor eigen intern gebruik verder te optimaliseren in functie van het te behalen resultaat, namelijk de sanering van onaanvaardbare geurhinder. Daarom gaf MI eind 2005 de opdracht om een tiental MIgeuronderzoeken, die enkele jaren geleden werden uitgevoerd, door te lichten in functie van de bereikte saneringsresultaten. Het evaluatie-onderzoek betrof de helft van alle geuronderzoeken ooit uitgevoerd en de helft van alle bedrijven tot nu toe in een geuronderzoek betrokken. Het evaluatieonderzoek maakte een beoordeling van het instrument ‘geuronderzoek’ om de aanvaardbaarheid van geurhinder te bepalen en van de effectiviteit van de handhaving van geurproblemen via geuronderzoeken. Het eindrapport was eind 2007 beschikbaar. Het onderzoek toonde aan dat het geuronderzoek een zeer effectief instrument is om de aanvaardbaarheid van geurhinder te beoordelen, vooral omwille van het via dit geuronderzoek afgeleid criterium voor aanvaardbaarheid van geurhinder. De effectiviteit van de handhavingsaanpak via geuronderzoeken was in 1 geval op 3 niet meetbaar, maar rekening houdend met alle gegevens kon gesteld worden dat de performantie ongeveer 50% bedraagt: in de helft van de gevallen was het geurhinderprobleem opgelost dank zij de handhavingsaanpak op basis van het geuronderzoek. Uit het onderzoek bleek dat deze performantie kan verhogen door enkele kritische succesfactoren te respecteren. Deze factoren werden in het onderzoek blootgelegd. Een belangrijke vaststelling was ook dat er veel meer aandacht moet gaan naar de na-evaluatie van de sanering, zowel door de exploitant als door de toezichthoudend ambtenaar. Dergelijke na-evaluatie kan in de praktijk gebeuren door een erkend deskundige via snuffelmetingen rond het bedrijf of olfactometrie aan de belangrijkste emissiepunten, gevolgd door modellering en toetsing aan de in de MI-geuronderzoek afgeleide aanvaardbaarheidscriteria voor geurhinder door dit bedrijf. Meer aandacht aan na-evaluatie zal niet enkel leiden tot een hogere performantie maar zal ook tegemoet komen aan het vastgestelde fenomeen van onmeetbaarheid. MI presenteerde de resultaten van het globale evaluatieonderzoek in april 2008 op het internationaal congres

‘WEF/A&WMA Odors and Air Emissions 2008’ in Phoenix (Arizona) in de Verenigde Staten. In de loop van 2008 zal MI een handleiding opstellen voor haar toezichthoudende ambtenaren op basis van de vaststellingen van het evaluatie-onderzoek. Het doel hiervan is de performantie van MI te verhogen. Na-evaluatie van de geurimpact door de industriezone van Moeskroen op Rollegem Reeds bij het bekend worden van de voorlopige resultaten van het bovenvermelde evaluatie-onderzoek midden 2007, besliste MI om voor het eerst zelf een na-evaluatie van een saneringsproces ten gevolge van een MI-geuronderzoek uit te voeren. De keuze viel op het gebied Kortrijk waar MI in 2004 een omgevingsonderzoek liet uitvoeren om de impact van de geuremissies van de industriezone in het noorden van Moeskroen op Kortrijk te bepalen. De saneringen door de betrokken bedrijven, opgelegd door de DPE, de Waalse tegenhanger van MI, waren eind 2006 afgerond. MI liet in 2007 een na-evaluatie van de impact na sanering uitvoeren in Kortrijk door VITO. Het eindrapport was beschikbaar in februari 2008. Het rapport van het omgevingsonderzoek van 2004 besloot dat de industriezone van Moeskroen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakte voor de inwoners van Rollegem. In Bellegem en Aalbeke, eveneens deelgemeenten van Kortrijk, trad geen onaanvaardbare geurhinder op. De bedrijven die de grootste impact uitoefenden en het meeste geurhinder veroorzaakten, waren een aardappelverwerkend bedrijf en een zeepproducent. Ook een groencomposteringsbedrijf werd geacht een belangrijke invloed uit te oefenen op de omgeving. Ten gevolge van de handhavingsaanpak van DPE op basis van de resultaten van het MI-onderzoek voerden de drie bedrijven verschillende geurreducerende en -beheersende maatregelen uit in 2005-2006. Het omgevingsonderzoek dat MI in 2007 door VITO liet uitvoeren ter na-evaluatie van de sanering concludeerde dat de industriezone van Moeskroen nog steeds onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de inwoners van Rollegem. Deze conclusie was het resultaat van toetsing van de via snuffelmetingen berekende geurconcentraties in de omgeving aan de aanvaardbaarheidscriteria voor geurhinder afgeleid in het onderzoek van 2004. De bedrijven die volgens het onderzoek van 2007 de grootste impact uitoefenen en het meeste geurhinder veroorzaken, zijn in volgorde van belangrijkheid de zeepproducent en een (nieuw) aardappelverwerkend bedrijf,

Specifieke handhavingscampagnes

- 51


dat in 2004 weliswaar actief was maar waarvan de productiecapaciteit sindsdien enorm uitgebreid is. Het onderzoeksrapport stelt dat de zeepproducent onvoldoende maatregelen nam om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen en dus bijkomende inspanningen moet doen. Het nieuwe aardappelverwerkend bedrijf is momenteel bezig met een sanering. Het rapport stelt verder dat ook het reeds in het onderzoek van 2004 beschouwde aardappelverwerkend bedrijf nog steeds onaanvaardbare hinder kan veroorzaken. Het bedrijf reduceerde haar geuremissies met 30% maar dit blijkt onvoldoende te zijn. Momenteel voert dit bedrijf bijkomende maatregelen uit. Tenslotte is er nog een nieuwe speler (een groenteverwerkend bedrijf) waarvan de geuremissies soms op grote afstand waar te nemen zijn. Er kon in de evaluatie-onderzoek echter niet afgeleid worden of dit bedrijf al dan niet onaanvaardbare hinder veroorzaakt voor de omgeving. Verdere opvolging werd hier aanbevolen. Het groencomposteringsbedrijf tenslotte nam voldoende maatregelen en er wordt van uit gegaan dat dit bedrijf momenteel geen onaanvaardbare hinder meer veroorzaakt op voorwaarde dat het de doorgevoerde geurbeperkende maatregelen strikt blijft opvolgen. MI bezorgde de resultaten van deze na-evaluatie aan haar Waalse tegenhanger, DPE, die verdere handhavingsacties zal nemen op basis van de resultaten van het rapport.

Ontwikkeling van een standaardmethode voor het uitvoeren van snuffelmetingen MI maakt gebruik van snuffelploegmetingen als één van de basistechnieken om geurhinder te kwantificeren. Om de methodiek van snuffelmetingen op punt te stellen voert het referentielaboratorium VITO in overleg met MI en de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid sinds het najaar van 2004 een validatie-onderzoek uit. In een eerste fase deed VITO een literatuuronderzoek waarin de verschillende beschikbare methoden beschreven en geëvalueerd werden en waarbij nagegaan werd welke parameters de berekening van de geuremissie en -immissie kunnen beïnvloeden. Halfweg 2005 startte VITO met het experimenteel gedeelte van de validatie-oefening. VITO bouwde hiervoor een lozingssysteem voor geurhoudende componenten. Op terreinen aan de Balendijk in Lommel werden geurlozingen van waterstofsulfide en boterzuur georganiseerd. De geproduceerde geurpluimen werden tegelijk opgetekend door verschillende snuffelaars, die een verschillende methode voor het uitvoeren van snuffelmetingen gebruikten. Ook voor de verwerking van de resultaten van de snuffelmetingen via modellering werden de verschillende methoden gehanteerd. Op die wijze wil VITO de karakteristieken (randvoorwaarden, betrouwbaarheid...) van de snuffelmethode vastleggen. Deze experimenten werden verder gezet en gefinaliseerd in 2006. Alle resultaten werden beoordeeld. De invloed van verschillende parameters op de a.d.h.v. de uitgevoerde snuffelmetingen berekende gemiddelde geuremissies werd bepaald. Het ging ondermeer om de invloed van de berekeningsmethode zelf, de inschatting van de weers-

De geurhindersituatie in Rollegem in 2004

52 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

De geurhindersituatie in Rollegem in 2007, zonder de nieuwe bedrijven


omstandigheden bij de berekeningen, het aantal snuffelaars, het aantal snuffelploegmetingen en het gebruikte verspreidingsmodel.

Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen

In 2007 stelde VITO, rekening houdend met de conclusies van de literatuurstudie en de bevindingen op basis van de experimenten, een code van goede praktijk op voor het uitvoeren van snuffelmetingen. Dit gebeurde in nauw overleg met MI, de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu en Gezondheid en PRG Odournet. De code was in ontwerp klaar begin 2008.

Volgens het Milieubeleidsplan 2003-2007 (MINA-plan 3) moeten de emissies van ozonafbrekende stoffen vanuit Vlaanderen worden verminderd met ten minste 70% ten opzichte van de emissies in 1999. Om die vermindering te realiseren dient de aandacht prioritair te gaan naar die activiteiten waar die stoffen nog het meest worden ingezet. In 2007 was dit bij de opwekking van koude (koelgassen). Omdat de emissie van koelgassen (zowel ozonafbrekende stoffen als gefluoreerde broeikasgassen) bijdraagt tot de globale opwarming van de aarde kan het terugdringen van de koelgasverliezen bijdragen tot de bescherming van de stratosferische ozonlaag ĂŠn tot de bestrijding van het broeikaseffect.

De code bevat richtlijnen voor de uitvoering van de snuffelmetingen zelf, waarbij ook selectievoorwaarden voor de panelleden, het aantal panelleden en de rol van de coĂśrdinator worden vastgelegd. Daarnaast worden vereisten voor het aantal en de planning van de snuffelmetingen gegeven ondermeer rekening houdend met meteorologische omstandigheden. De wijze van vaststellen en optekenen van de geurpluim wordt eveneens bepaald. Een tweede onderdeel van de code legt de methode van berekening van de geuremissie vast. Er wordt ondermeer ingegaan op de werkingsparameters die in het berekeningsmodel moeten worden ingegeven en op de betrouwbaarheid van de methode in functie van het aantal metingen en berekeningen. In een derde deel wordt het bepalen van de geurwaarnemingsfrequentie op jaarbasis via verspreidingsberekeningen besproken. Een laatse deel legt de verschillende elementen van de rapportering vast. Het is de bedoeling dat alle snuffelmetingen in het kader van de Vlaremwetgeving in de toekomst volgens de code van goede praktijk worden uitgevoerd. Op welke wijze de toepassing van de code concreet zal worden verplicht, is momenteel nog niet duidelijk.

Koelinstallaties In 2007 controleerde MI 83 bedrijven die koelinstallaties gebruiken. Een professionele koeltechnicus stond de toezichthoudend ambtenaar bij om steekproefsgewijs een aantal koelinstallaties te onderzoeken op de aanwezigheid van koelgaslekken. In de overgrote meerderheid van de 83 bedrijven werden koelinstallaties aangetroffen die niet lekdicht zijn. Van de 248 geteste koelinstallaties bleken er 151 (= 61%) niet lekdicht. Hoewel elke installatie slechts gedeeltelijk werd getest, werden in totaal 450 koelgaslekken opgetekend. Niet lekdichte koelinstallaties veroorzaken in de regel koelgasemissies via meerdere onderdelen, voornamelijk via de onderdelen die het eigenlijke koelmiddelcircuit afscheiden van de omgeving met behulp van niet-permanent gasdichte componenten zoals kranen, ventielen en pakkingen.

De geurhindersituatie in Rollegem in 2007, rekening houdend met alle aanwezige bedrijven

Specifieke handhavingscampagnes

- 53


Koelgroepen getest in opdracht van MI Jaar

Aantal installaties

Niet lekdicht

2007

248

61 %

2006

272

59 %

2005

238

68 %

2004

130

68 %

2003

123

59 %

Exploitanten zijn wettelijk verplicht om per installatie een logboek bij te houden als de koelmiddelinhoud van de installatie meer dan 3 kg bedraagt en als het koelmiddel een ozonafbrekende stof of een gefluoreerd broeikasgas is. In 58 van de 83 bedrijven (= 70%) bleek het logboek - als het al aanwezig was - niet alle verplichte informatie te bevatten (gegevens over de technische kenmerken van de koelinstallatie, de werkzaamheden verricht aan de installatie, de storingen die aanleiding kunnen geven tot lekken, alle koelgasbijvullingen, de rapportering over de controle van de lekdichtheid en de periodes dat de installatie buiten bedrijf werd gesteld). Het was dan ook eerder de uitzondering dan de regel dat de toezichthoudend ambtenaar zich een volledig beeld kon vormen van het jaarlijkse relatieve lekverlies van de installaties. Slechts voor 19 van de 248 (8%) als relevant beschouwde koelinstallaties kon het relatief lekverlies worden ingeschat. Exploitanten zijn ook verplicht om alle maatregelen te nemen die, overeenkomstig de beste beschikbare technieken, haalbaar zijn om het individuele lekverlies van hun koelinstallaties te beperken tot ten hoogste 5% per jaar. Het risico is reëel dat, als de toezichthoudend ambtenaar het jaarlijkse relatieve lekverlies niet kan inschatten omwille van onvolkomen gegevensbeheer door het bedrijf, de exploitant dat evenmin kan. Dit heeft als resultaat dat de exploitant niet gesensibiliseerd of gealarmeerd wordt door opeenvolgende koelgasbijvullingen omdat ze eenvoudigweg niet worden geregistreerd en geëvalueerd, laat staan voldoende aandacht krijgen. Bovendien zullen installaties gedurende maanden, zo niet jaren, koelgas uitstoten zonder dat de exploitant actie onderneemt om het koelgaslek te laten dichten. Zonder enige (pseudo-)correctieve maatregelen, zoals het geregeld bijvullen met koelgas, zal de koelinstallatie op lange termijn stilvallen wegens gebrek aan koelmiddel. Zulke storingen alarmeren de exploitant wel degelijk en zijn een dagelijks aandachtspunt. De exploitant neemt op dat ogenblik dan ook onmiddellijk maatregelen. De kosten die zulke storingen met zich meebrengen zijn immers niet te verwaarlozen. De koeltechnicus die werkt in opdracht van de exploitant zal de door de exploitant nagestreefde bedrijfszekerheid en beschikbaarheid van de

54 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

installatie veilig stellen door dat type van calamiteit zo elegant mogelijk te voorkomen: door geregelde koelgasbijvullingen. Deze handelwijze is in strijd met de wet. Immers, Vlarem II legt op dat koelinstallaties moeten worden onderhouden volgens een code van goede praktijk, en die schrijft onder andere voor dat er nooit koelmiddel mag worden toegevoegd vóór alle lekken zijn gedicht. De praktijk dat een exploitant zich volledig afzijdig opstelt ten opzichte van het goede operationele beheer van zijn koelinstallaties en dit blindelings bij een koeltechnisch bedrijf laat, stemt evenzeer tot nadenken. Zuiver bedrijfseconomische criteria kunnen bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat de structurele sanering van koelgaslekken wordt uitgesteld, of dat de specifieke essentiële ervaring met de eigen koelinstallaties verdwijnt met het koeltechnisch bedrijf. MI verbaliseerde 2 van de 83 gecontroleerde bedrijven. MI stuurde 75 van de 83 gecontroleerde bedrijven een aanmaning, 7 kregen een raadgeving in hun postbus. Alle aanmaningen hadden tot doel de exploitanten aan te zetten de exploitatie van hun koelinstallatie verenigbaar te maken met de milieuvoorschriften en dit binnen een aanvaardbare termijn. Alle raadgevingen reikten de exploitanten aandachtspunten aan om hun exploitatie milieutechnisch beter te maken. Typische onderrichtingen zijn: logboeken aanleggen of opstellen zoals door Vlarem voorgeschreven is; koelgaslekken dichten; periodieke controles op lekdichtheid uitvoeren; een onderhoudsprogramma opstellen en uitvoeren conform een code van goede praktijk; de verplichte instructiekaarten aanbrengen bij de installaties; voortaan eerst koelgaslekken dichten vooraleer nog koelmiddel bij te vullen; de verplichte druk- en constructieattesten ter beschikking houden en maatregelen voorstellen om de relatieve lekverliezen te beperken. Eind 2007 hadden de meeste exploitanten de instructies opgevolgd.

Bemonstering MI heeft in bedrijven 20 monsters genomen van de koelgassen in de gebruikte koelinstallaties en geanalyseerd. In 2 koelinstallaties werd zuiver verboden koelmiddel aangetroffen. MI heeft de exploitant geverbaliseerd en aangemaand het verboden koelmiddel regulier te laten verwijderen.


Bouw en opstelling van koelinstallaties

Water

MI heeft vastgesteld dat bij steekproefsgewijs onderzoek van koelinstallaties op aanwezigheid van koelgaslekken, het merendeel van de onderzochte koelinstallaties langs één of meerdere van hun onderdelen koelgas verliezen. De oorzaken van dit fenomeen kunnen toegewezen worden aan de kwaliteit van de exploitatie, maar ook aan de kwaliteit van de constructie van de installaties.

De werkgroep Water bundelt binnen MI de handhavingsexpertise in verband met afvalwater. In 2007 ging de aandacht, naast de klassieke routinemonsternames, voornamelijk naar de controle van de lozing van diverse gevaarlijke stoffen, de lozingen van grote voedingsbedrijven en de controle van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s).

Om het risico op schade aan mens en leefmilieu tot een minimum te beperken, legt Vlarem II in artikel 5.16.3.3§2 bijkomende voorwaarden op. Deze voorwaarden moeten helpen om schadelijke emissies als gevolg van niet-kwaliteitsvolle bouw van koelinstallaties te beperken. Koelinstallaties moeten niet alleen voldoende mechanisch sterk zijn, hun constructie moet ook aan een erkende norm of code van goede praktijk beantwoorden. Exploitanten van koelinstallaties moeten aan de toezichthouder kunnen aantonen dat hun koelinstallaties aan deze criteria voldoen. MI heeft opdracht gegeven aan een milieudeskundige, die erkend is volgens de bepalingen van artikel 1.3.1.1.§2.3° van Vlarem II, om advies uit te brengen over de volledigheid en de aanvaardbaarheid van het attest dat exploitanten van koelinstallaties ter beschikking moeten houden. MI heeft de attesten van 76 koelinstallaties bij 44 bedrijven laten onderzoeken door deze deskundige. De bekomen adviezen wijzen er op dat voor vele koelinstallaties geen aanvaardbaar attest ter beschikking ligt van de toezichthoudend ambtenaar, ook niet na de exploitant ruim de tijd te hebben geboden opdat hij samen met zijn bevoegde koeltechnicus het vereiste bewijsmateriaal zou kunnen verzamelen. Een mogelijke oorzaak kan zijn dat de exploitant de productspecificaties en verklaringen van de constructeur niet zorgvuldig heeft beheerd. Maar het valt evenmin uit te sluiten dat sommige constructeurs deze niet afleveren aan de exploitant bij de eerste inbedrijfstelling van de koelinstallatie, om een minder kwaliteitsvolle materiaalkeuze en bouw te maskeren. MI zal in 2008 de bekomen resultaten verder onderzoeken en zich beraden over de verdere aanpak.

Lozing van gevaarlijke stoffen Bij de lozing van bedrijfsafvalwater worden de stoffen die behoren tot families of groepen van stoffen, vermeld in bijlage 2C van Vlarem I, als gevaarlijke stoffen beschouwd. Die stoffen mogen alleen worden geloosd boven de milieukwaliteitsnorm als in de milieuvergunning specifieke emissiegrenswaarden zijn vastgelegd. MI oordeelde dat de lozing van gevaarlijke stoffen bij een ruime selectie van bedrijven verder actief moest worden onderzocht. In 2007 ging bijzondere aandacht naar metalen, broomhoudende vlamvertragers, perfluortensiden, vluchtige halogeenkoolwaterstoffen, PAK’s, dioxinen en furanen. Metalen Mede onder invloed van de vaststellingen tijdens de MIcontroles in het kader van het Cadmiumplan (zie vorig Milieuhandhavingsrapport), besliste MI om in 2007 een uitgebreide actie uit te voeren waarbij de lozing van een ganse reeks metalen werd gecontroleerd. Deze actie verliep in combinatie met de routinemonsternames: bij een geplande monstername liet MI bijkomend een reeks van 18 metalen, geselecteerd uit de zwarte en grijze lijst, analyseren. Het was daarbij de bedoeling om in de loop van 2007 deze analyses minstens één keer te laten uitvoeren bij elk gecontroleerd bedrijf. Volgende metalen kwamen in deze actie aan bod: kwik, cadmium, zink, koper, nikkel, chroom, lood, seleen, arseen, antimoon, molybdeen, titaan, tin, barium, boor, vanadium, kobalt en zilver. In de bijgevoegde tabel is een overzicht gegeven van enkele kenmerkende cijfers over de resultaten van deze analyses. Er zijn enkele zwaar belaste afvalwaterstromen vastgesteld maar ook enkele opmerkelijke steeds terugkerende elementen zijn genoteerd. Boor, molybdeen en titaan zijn geregeld teruggevonden. In het afvalwater van

Specifieke handhavingscampagnes

- 55


de textielindustrie en de galvanobehandeling zijn de klassieke zware metalen die ook vergund zijn, genoteerd. Bij enkele textielbedrijven zijn er geregeld waarnemingen van antimoon (o.a. afkomstig van het gebruik van vlamvertragers). Resultaten van metaal-analyses in 2007 Aantal analyses

% van de resultaten > detectielimiet

% van de resultaten > milieukwaliteitsnorm

hoogste gemeten concentratie (mg/l)

Zn

1459

91 %

25 %

126,00

B

1176

89 %

Cu

1425

60 %

20 %

6,10

Ba

1105

68 %

1%

6,80

Ni

1327

51 %

13 %

7,20

As

1216

44 %

2%

1,40

Cr

1334

38 %

7%

4,20

Pb

1283

24 %

5%

12,00

Ti

1075

22 %

24,00

Mo

1072

22 %

24,00

V

1028

21 %

10,00

Sb

1061

14 %

7,20

Cd

1264

11 %

Co

1117

10 %

1,90

Sn

1123

10 %

2,50

Ag

1129

7%

2,10

Se

1086

6%

4%

1,40

Hg

1166

4%

3%

0,13

1330,00

6%

0,50

Vrij snel na het begin van deze actie stelde MI vast dat er heel wat ‘positieve’ resultaten gerapporteerd werden. Dit werd ook al gauw bevestigd door berichten vanuit bedrijven en federaties. Het ‘succes’ van deze actie heeft alvast geleid tot een verderzetting ervan in 2008. Broomhoudende vlamvertragers Gebromeerde vlamvertragers zijn stoffen die tijdens het productieproces worden toegevoegd aan allerlei producten, zoals elektrisch en elektronisch materiaal, bouwmaterialen en textielwaren, met als doel de ontvlambaarheid van die producten te verminderen. De stoffen zijn persistent en kunnen bioaccumuleerbaar zijn. Er zijn ook hormoonverstorende effecten bekend. Bij verbranding kunnen gebromeerde dioxinen en furanen vrijkomen. In de lijst van bijlage 2C van Vlarem I worden die producten

56 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

gecatalogeerd als persistente, bioaccumuleerbare organische halogeenverbindingen (zwarte lijst stoffen). Na de diverse onderzoeken en controles van de voorbije jaren, liet MI opnieuw verschillende afvalwaters van textielbedrijven, producenten van plastic en afvalwaterverwerkers bemonsteren en analyseren op polybroomdifenylethers (PBDE), hexabroomcyclododecaan (HBCD), tetrabroombisphenol A (TBBA) en andere broomhoudende verbindingen (pentabroomtolueen, pentabroomethylbenzeen, pentabroombenzylalcohol, 1,2-bis(2,4,6-tribroomfenoxy)ethaan, tris(2,3-dibroompropyl)isocyanuraat en decabroomdifenylethaan). Gespreid over twee monsternamecampagnes nam MI 70 monsters. Bij 14 van deze monsters werd minstens één component met een gehalte van meer dan 20 µg/l vastgesteld. MI maande de betrokken bedrijven aan om nog meer gegevens te verzamelen en om de lozing van die stoffen te beëindigen of te laten opnemen in de normen van de milieuvergunning. In de milieuvergunning van een textielbedrijf werd de verdere lozing van die stoffen reeds verboden. MI liet bij de genomen monsters ook een analyse uitvoeren van antimoon. De resultaten bevestigen dat deze stof geregeld samen met vlamvertragers gebruikt en geloosd wordt. Daarnaast zijn er nog 14 bedrijven die als vlamvertrager enkel antimoon lozen. Verschillende bedrijven beschikken reeds over een lozingsnorm voor antimoon. MI zal in 2008 verder onderzoek laten uitvoeren naar het gebruik en de lozing van broomhoudende vlamvertragers. Naast een inventarisatiefase in nieuwe sectoren zullen er opnieuw diverse monsternames en analyses worden uitgevoerd. VITO is ondertussen ook gestart met een werkgroep zodat binnenkort meerdere laboratoria in staat zouden moeten zijn om de analyses van broomhoudende vlamvertragers uit te voeren. Ondertussen meldden al verschillende bedrijven dat er zal overgeschakeld worden op broomvrije vlamvertragers of dat alle afvalwater volledig opgevangen zal worden om afgevoerd te worden naar een erkende verwerker of naar de producent voor herwinning van het basisproduct. Enkele belangrijke lozers zijn ondertussen ook reeds volledig gestopt. Dit weerspiegelt zich in een dalende tendens van de geloosde hoeveelheden broomhoudende vlamvertragers. Tot slot kan ook vermeld worden dat in de recente voorstellen tot wijziging van de Vlaremvoorwaarden opgenomen is dat er geen procesbaden met broomhoudende vlamvertragers of antimoon mogen geloosd worden.


Perfluortensiden Perfluortensiden, waarvan PFOA (perfluoroctaanzuur) en PFOS (perfluoroctaansulfonaat) de meest toxische zijn, blijken wijd verspreide verbindingen te zijn met tal van toepassingen. Het zijn chemisch heel stabiele verbindingen met een groot aantal nuttige eigenschappen. Ze zijn tegelijkertijd water-, vuil- en vetafstotend en hebben antistatische eigenschappen. Hun oppervlakteactieve eigenschappen maken ze geschikt als uitvloeier voor bijvoorbeeld pesticiden en als brandbestrijdingsmiddel. Omwille van deze eigenschappen worden de verbindingen gebruikt in de textiel-, papier- en verfindustrie, de metaaloppervlaktebehandeling, de brandbestrijding, de fotografische industrie en vele andere. Sinds het begin van de jaren 2000 groeit de bezorgdheid over deze veelgebruikte verbindingen. Perfluortensiden zijn moeilijk afbreekbare verbindingen, stapelen zich op in weefsels van organismen en zijn schadelijk voor het milieu. De ecotoxiciteit ervan wordt nog steeds onderzocht. Samen met de meetcampagne voor gebromeerde vlamvertragers liepen in 2007 twee meetcampagnes voor perfluortensiden (als uitvloeisel van de actie in 2006, zoals uitvoerig vermeld in het vorig milieuhandhavingsrapport). In het totaal zijn 93 afvalwater- en 49 slibmonsters genomen. 33 afvalwatermonsters bevatten in totaal meer dan 20 µg/l aan perfluorverbindingen. Voor de slibmonsters was er slechts één duidelijk verhoogde waarde. De verhoogde waarden situeren zich voornamelijk in het afvalwater van afvalverwerkende bedrijven en enkele textielbedrijven en chromeerders. De diverse bedrijven zijn aangemaand om het probleem te onderzoeken en desgevallend een normering in de milieuvergunning aan te vragen. Vanuit het beleid is reeds een duidelijk signaal gelanceerd door het opnemen van een lozingsnorm voor PFOA en PFOS en de som van de overige PFT’s in het huidige voorstel tot wijziging van de sectorale lozingsvoorwaarden voor textielbedrijven. Dioxinen en furanen Bij de omzetting van de Europese richtlijn ‘afvalverbranding’ kwamen er in Vlarem II diverse nieuwe bepalingen over de lozing van afvalwater van de rookgasreiniging van afvalverbrandingsinstallaties. Die bepalingen werden voor bestaande installaties eind 2005 van kracht. Een belangrijke nieuwe bepaling handelt over de lozing van dioxinen en furanen.

Na de eerste verkennende metingen in 2005 en de uitgevoerde controles in 2006, zette MI in 2007 de controle van die bepalingen bij de betrokken afvalverbrandingsinstallaties verder. Daarnaast werden ook monsters genomen bij enkele afvalverwerkende bedrijven en bij enkele installaties waar dioxinen en furanen in het productieproces kunnen voorkomen. Bij alle installaties (dertien in totaal) liet MI door een gespecialiseerd labo een monster van de lozing van het afvalwater analyseren op dioxinen en furanen. De gevonden concentraties lagen allemaal ver beneden de normwaarde van 0,3 ng TEQ/l. Toch zal MI waakzaam blijven en deze controles herhalen. Vluchtige halogeenkoolwaterstoffen en PAK’s bij wasserijen MI stelde de voorbije jaren vast dat het afvalwater van enkele wasserijen verhoogde concentraties aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen bevatte. Deze vaststellingen vormden mede de aanleiding tot het uitvoeren van een actie waarbij er bijzondere aandacht ging naar de aanwezigheid van deze stoffen in de lozing van het afvalwater van wasserijen. Tegelijkertijd ging er ook aandacht naar de aanwezigheid van vluchtige halogeenkoolwaterstoffen. MI liet in 2007 op 71 monsters van bedrijfsafvalwater van 43 (voornamelijk klasse 1-) wasserijen extra analyses uitvoeren van vluchtige halogeenkoolwaterstoffen en PAK’s. In 12 monsters detecteerde MI één of meer PAK’s met een individuele concentratie van meer dan 1 µg/l, 30 monsters bevatten één of meer PAK’s met een concentratie van meer dan 0,25 µg/l. Bij één monster werd een uitschieter van liefst 120 µg/l aan PAK-totaal teruggevonden. Tien afvalwatermonsters bevatten wisselende hoeveelheden vluchtige halogeenkoolwaterstoffen, zes daarvan een aanzienlijke hoeveelheid chloroform. Verder werden dichlooretheen, tetrachloroethyleen en trichloreethyleen gevonden.

Voedingsbedrijven onder Richtlijn 91/271/EEG De Europese Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater legt ook een aantal eisen op aan de lozingen van bepaalde bedrijven (vnl. voedingsbedrijven en bedrijven uit aanverwante sectoren). Deze verplichtingen werden omgezet in artikel 5.3.2.1 van Vlarem II. Voor de controle van deze bepalingen startte MI in 2001 met de inventarisatie van die bedrijven en voerde ze bij de bedrijven in kwestie extra controles uit in het kader van de routinemonsternames. Die controles werden daarna verder uitgediept en gecoördineerd.

Specifieke handhavingscampagnes

- 57


In het kader van deze actie controleerde MI in 2007 bij de 90 betrokken bedrijven niet minder dan 289 afvalwatermonsters. Deze monsters werden gespreid over het ganse jaar genomen, zodat er ook een goede controle is van de bedrijven met een seizoensgebonden activiteit (o.a. heel wat groenteverwerkers).

aandacht besteed aan de aanvoer en de aanvaarding van afvalstoffen, voornamelijk septisch materiaal.

Bij de evaluatie van de resultaten bleek de positieve tendens van de voorbije jaren zich niet verder te zetten. Op basis van een beperkt aantal resultaten bleek in 2001 dat 64% van de bedrijven in kwestie aan de lozingsnormen voldeed. In 2002 zakte dat percentage tot 57%, waarschijnlijk mede veroorzaakt door de intensievere controle. Het percentage steeg echter tot 78% in 2003 en bleef daarna rond deze waarde schommelen: 76% in 2004, 81% in 2005, 82% in 2006 en 77% in 2007.

Ook de resultaten van het zelfcontroleprogramma werden geëvalueerd. Het aantal installaties met blijvende problemen lijkt echter steeds te dalen. Daarnaast stelde MI incidentele en in de tijd beperkte overschrijdingen vast bij enkele RWZI’s.

Uit de gegevens van de individuele bedrijfscontroles kan worden afgeleid dat er in 2007 nog steeds saneringen uitgevoerd worden of noodzakelijk zijn. Er waren 21 bedrijven met overschrijdingen van de normen. Ze waren te wijten aan een niet afdoende tertiaire zuivering waarbij ofwel de stikstofverwijdering onvoldoende ruim gedimensioneerd was ofwel de fosforverwijdering nog onvoldoende toegepast werd. Verder werd ook geregeld een ernstige slibuitspoeling vastgesteld en zullen enkele bedrijven hun waterzuiveringsinfrastructuur opnieuw moeten aanpassen ingevolge recente uitbreidingen in de productie. MI verbaliseerde de overschrijdingen van de lozingsnormen en verstuurde de nodige aanmaningen aan de betrokken exploitanten zodat de noodzakelijke saneringen binnen een redelijke termijn verder worden uitgevoerd. MI blijft deze saneringen van nabij volgen.

Controle van RWZI’s MI ging voor de controle van RWZI’s in 2007 verder op het ondertussen gekende elan en onderscheidde daarbij opnieuw twee gebieden: enerzijds was er de verdere (jaarlijkse) voortgangscontrole van de naleving van de emissievoorwaarden, en anderzijds werd er

58 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Naleving van de emissievoorwaarden MI controleert de naleving van de emissievoorwaarden bij RWZI’s op basis van de zelfcontrole (zoals voorgeschreven door Vlarem II). De aanmaningen van de voorbije jaren resulteerden in een volledige uitvoering van het verplichte zelfcontroleprogramma: de juiste parameters werden met de juiste frequentie bepaald, op basis van debietsproportionele monsternames.

Aanvoer en aanvaarding van afvalstoffen De voortgangscontrole door MI van de aanvoer en aanvaarding van afvalstoffen, waaronder septisch materiaal, op RWZI’s resulteerde in een duidelijke en eenvormige procedure voor de aanvaarding van afvalstoffen: alle RWZI’s gebruiken momenteel dezelfde procedure en die procedure wordt niet alleen voor septisch materiaal maar ook voor alle andere afvalstoffen toegepast. Die procedure werd in de werkplannen van de RWZI’s opgenomen. MI controleerde de effectieve implementatie van de procedures in het werkplan en had daarbij vooral aandacht voor de verplichte visuele controle bij de aanvaarding van afvalstoffen. Die visuele controle is een belangrijk element bij het detecteren van verdachte ladingen. MI maakte in het verleden ook afspraken rond de voortgangscontrole van geweigerde ladingen septisch materiaal. Die afspraken werden in 2007 verder gevolgd: bij de weigering door de bevoegde afgevaardigde van Aquafin wordt ook MI dadelijk op de hoogte gesteld. MI voert dan zo snel mogelijk een controle bij de ruimer uit om enerzijds de oorsprong van de lading en anderzijds de bestemming van de geweigerde lading na te gaan. Deze controles zullen onverminderd worden voortgezet.


In kort bestek Controles op vraag van VMM Als input bij het opstellen van het MIP 2007 ontving MI van VMM een aantal voorstellen en suggesties, resulterend uit een bevraging van de relevante betrokken personen en diensten. Daarbij selecteerde VMM 55 bedrijven: 20 met opmerkingen over de meetconstructie, negen met meetbare negatieve impact op het ontvangende oppervlaktewater en 37 met opmerkingen over de naleving van de lozingsvoorwaarden. Begin 2007 vertaalde MI deze input, rekening houdend met de toenmalige stand van zaken van deze dossiers, naar een voorstel voor uit te voeren controles. Bij de meeste bedrijven werden extra monsternames of monsternamecampagnes uitgevoerd. De ter discussie staande meetconstructies werden geëvalueerd. Enkele bedrijven werden niet weerhouden voor verdere actie: het betrof bedrijven die reeds gesloten waren of bedrijven met zeer kleine lozingen. Daarnaast besliste MI, in het kader van de verhoogde aandacht voor de controle van de zelfcontrole, om bij de geselecteerde bedrijven een controle uit te voeren van de uitvoering van de zelfcontrole en van de resultaten van deze zelfcontrole. Bij 33 bedrijven werden extra monsternames uitgevoerd, waarvan acht met een monsternamecampagne. Bij de helft van de bedrijven moest MI vaststellen dat er nog steeds structurele overschrijdingen waren van de lozingsvoorwaarden. De toezichthoudende ambtenaren stelden de nodige processen-verbaal op en maanden deze bedrijven aan om de problemen op te lossen. Eind 2007 waren de gecontroleerde meetconstructies allemaal in orde. Bij vijf van de 34 bedrijven waar MI een controle van de zelfcontrole uitvoerde, stelden de toezichthoudende ambtenaren grotere tekortkomingen vast. De andere bedrijven waren volledig in orde of vertoonden slechts kleine tekorten. MI volgt de sanering van al deze problemen verder op. Camera-inspecties van riolen en leidingen MI laat geregeld camera-inspecties uitvoeren van riolen en leidingen om na te gaan of er geen onbekende (illegale?) aansluitingen zijn op de riolering. Deze onderzoeken kunnen ook gebruikt worden om bij gescheiden stelsels na te gaan of de regenwaterafvoer en de afvoer van bedrijfsafvalwater inderdaad op de juiste riolering zijn aangesloten. MI gebruikt voor deze onderzoe-

ken niet enkel de klassieke rioolcamera, maar ook kleinere (duw)camera’s waarmee ook een controle in kleinere leidingen kan uitgevoerd worden. In 2007 werden (riool)camera-inspecties uitgevoerd in Ingelmunster, Torhout, Izegem en Aartselaar. Lozingen van overtollig drainwater bij serrebedrijven Op basis van de resultaten van het mestactieplan(MAP)meetnet en van het oppervlaktewatermeetnet van VMM werd het de laatste jaren steeds duidelijker dat ook de glastuinbouw een (aanzienlijke) impact heeft op de kwaliteit van sommige waterlopen. Zo kon men o.a. in regio’s met veel glastuinbouw vaststellen dat bepaalde nitraatpieken niet konden verklaard worden vanuit de gebruikelijke landbouwpraktijk en zeer waarschijnlijk veroorzaakt werden door (illegale) lozingen van drainwater van serres. Op initiatief van de Vlaamse minister van Leefmilieu richtte VLM een taskforce ‘Tuinbouw nitraatproblematiek’ op. Deze taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van de leefmilieu- en landbouwadministratie, de landbouworganisaties, de groenteveilingen, de diepvriesgroentebedrijven en wetenschappers. De voornaamste doelstelling van deze taskforce is na te gaan hoe kan worden ingegaan op de uitdaging om de nitraatconcentratie ook in de tuinbouwgebieden te verminderen. MI neemt deel aan deze taskforce en aan de bijhorende subwerkgroep ‘Drainwater/restdrain’. In de marge van deze vergaderingen ontving MI informatie over de belangrijkste probleempunten van het MAPmeetnet, die waarschijnlijk veroorzaakt worden door lozingen van de tuinbouw. Na een inventarisatie van mogelijk betrokken tuinbouwbedrijven controleerde MI eind 2006-begin 2007 21 serres (waarvan 15 in de provincie Antwerpen). Bij vijf van deze bedrijven werden indicaties gevonden dat er (soms) restdrain geloosd wordt, bij andere bedrijven was dit veel moeilijker vast te stellen of was er geen restdrain. MI evalueerde in de loop van 2007 de vaststellingen en volgde de evoluties in de schoot van de taskforce. Dit resulteerde in een voorstel om in 2008 nieuwe controles uit te voeren bij serrebedrijven.

Specifieke handhavingscampagnes

- 59


Milieurelevantie en vermogensvoordeel bij overschrijding van emissiegrenswaarden Bij de vaststelling van een overschrijding van emissiegrenswaarden (zowel bij de lozing van afvalwater als bij de emissie van rookgassen) stelt MI een proces-verbaal op. In deze processen-verbaal omschrijft MI de milieurelevantie (of milieu-impact) van de vastgestelde overschrijding en geeft zij een eerste inschatting van het vermogensvoordeel dat het bedrijf bekomen heeft door niet te zorgen voor het naleven van de vergunningsvoorwaarden. Om de kwaliteit van deze processen-verbaal verder te optimaliseren en om de procureur des Konings bijkomende informatie te bezorgen over de milieurelevantie en het vermogensvoordeel bij een vastgestelde overschrijding van de emissiegrenswaarde liet MI een technisch en wetenschappelijk onderbouwde handleiding opstellen. MI gunde hiervoor eind 2006 een opdracht aan een extern studiebureau. Eind 2007 ontving MI de finale versie van deze handleiding. Voor het deel ‘milieurelevantie’ geeft deze handleiding per parameter waarvoor een overschrijding is vastgesteld, input aan de opsteller van het proces-verbaal. Deze input gebeurt in de vorm van een beknopte, niet-tech-

60 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

nische tekst. Het is de bedoeling dat met deze tekst de soms ingewikkelde en technische vaststellingen kunnen vertaald worden naar niet-techniekers. Deze teksten zijn gebaseerd op een ruimer achtergronddocument, waarin wel heel wat technische en wetenschappelijke informatie over een bepaalde stof werd samengebracht. Voor het deel ‘vermogensvoordeel’ geeft deze handleiding een mogelijkheid om in welbepaalde omstandigheden (nl. bij structurele tekortkomingen bij emissies naar water en lucht) een eerste inschatting te maken van het vermogensvoordeel voor het bedrijf. Deze inschatting zal dan gebaseerd zijn op de informatie waarover de toezichthoudend ambtenaar beschikt en op enkele aannames over mogelijke (zuiverings)technieken die in vergelijkbare omstandigheden zouden kunnen leiden tot het halen van de emissienormen. Deze inschatting kan dan verder door het parket gebruikt worden als informatie voor het bepalen van het bedrag van een minnelijke schikking of als input voor de verdere behandeling door een rechtbank. MI zal deze handleiding intern verspreiden en implementeren in de opgestelde processen-verbaal. Deze informatie zal ook aan de gerechtelijke instanties bezorgd worden.


Specifieke handhavingscampagnes

- 61


Routinecontroles Routinecontroles vormen de basis voor de aanwezigheidspolitiek op het terrein en zorgen ervoor dat de kans op controle niet verbonden is aan bijvoorbeeld een campagne of een klacht. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt in detail ingegaan op de monsternames en metingen, telkens per milieuhygiënische sector. Heel wat monsternames en metingen worden door de toezichthoudende ambtenaren zelf uitgevoerd. De andere monsternames en metingen én alle analyses worden uitgevoerd door erkende laboratoria. Vervolgens worden de andere routineopdrachten besproken. Die hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen, bijvoorbeeld bij weigering van een vergunning, een vergunning met bijzondere voorwaarden of zelfcontrole.

Routinemonsternames

Routinemonsternames water

Een toezichthoudend ambtenaar kan met de eigen zintuigen heel wat vaststellingen doen. In veruit de meeste gevallen is het toch noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging of niet-conformiteit met de regelgeving te bepalen. In de onderstaande tabel wordt duidelijk dat er in 2007 heel wat monsters werden genomen. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende parameters, betekent dit dat er vele duizenden analyses werden uitgevoerd.

De routinemonsternames van afvalwater worden steeds op voorhand gepland. Eind 2006 werd een planning opgesteld voor de in 2007 uit te voeren afvalwatercontroles. Er werd verder gewerkt met een basisfrequentie, zoals in de voorbije jaren. De basisfrequentie is de minimale frequentie waarmee een bedrijf wordt gecontroleerd.

Het aantal routinemonsternames werd voor de voorbije acht jaar uitgezet in de onderstaande grafiek. Na een jarenlange daling van het aantal monsternames, is er sinds 2004 een duidelijke stijging vast te stellen.

De regels voor het bepalen van die basisfrequentie werden vastgelegd op basis van het debiet van de lozing, de bestemming van de lozing (RWZI of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke stoffen in het effluent. Die regels worden jaarlijks geëvalueerd en eventueel aangepast, en houden rekening met het beschikbare budget en personeel. De reële monsternamefrequentie houdt behalve met die basisfrequentie ook rekening met de voorgeschiedenis van een bedrijf.

Overzicht van het aantal monsternames Afval Bodem Grondwater

827 67 86

Water

2.226

Totaal

3.206

Routinecontroles

- 63


De routinematige afvalwatercontroles vallen in grote lijnen uiteen in twee categorieën. Enerzijds voert MI een aanwezigheidspolitiek door steekproeven uit te voeren. Dat zijn onaangekondigde afvalwatercontroles waarbij een schepmonster van het op dat ogenblik geloosde afvalwater wordt genomen. Die controles vinden zowel tijdens als buiten de diensturen plaats (ook in het weekend). Anderzijds besteedde MI in 2007 opnieuw heel wat aandacht aan debietsproportionele monsternamecampagnes. Daarbij plaatst MI via een erkend laboratorium zelf een monsternametoestel en wordt de lozing gedurende één of enkele weken continu gevolgd. Dergelijke langdurige monsternamecampagnes zijn een belangrijk instrument bij de beoordeling van probleemlozingen.

Naast de routinematige afvalwatercontroles werden ook heel wat monsternames en analyses uitgevoerd in het kader van specifieke handhavingscampagnes en in mindere mate bij reactieve controles. In totaal analyseerden erkende laboratoria voor MI 2.226 watermonsters. Voor alle monsternames en analyses gebruikte MI in 2007 een bedrag van 876.272,03 euro. De onderstaande tabel geeft de resultaten van de afvalwatercontroles voor het werkjaar 2007 in cijfers weer. 26% van de gecontroleerde bedrijven werd uitgebreid gecontroleerd, met meer dan twee monsternames. Bij 12,7% van de gecontroleerde bedrijven werden in 2006 één of meer overtredingen vastgesteld.

Sanering van de afvalwaterzuivering van een composteringsbedrijf Begin december 2006 voerde MI een controle uit bij een composteringsbedrijf en stelde vast dat het bedrijf ongezuiverd bedrijfsafvalwater loosde in oppervlaktewater. Het bedrijf had wel een waterzuiveringsinstallatie, maar die zuiveringsinstallatie was blijkbaar niet groot genoeg gedimensioneerd voor de behandeling van alle afvalwater. Een groot deel van het sterk verontreinigd terreinwater stortte onbehandeld over in de aanpalende gracht. MI nam een monster van dit geloosde terreinwater. MI stelde onmiddellijk een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om maatregelen te treffen om het overstorten van ongezuiverd terreinwater in de toekomst te vermijden. Gelet op het gebrek aan buffercapaciteit voor het terreinwater, lag het voor de hand dat bijkomende opslagcapaciteit moest worden voorzien. Enkele weken later ontving MI de analyseresultaten. Die bewezen dat de opgelegde lozingsnormen zeer ernstig werden overschreden en deden de toezichthoudend ambtenaar besluiten om een nieuwe controle uit te voeren. Bij deze controle bleek dat er al grondwerken bezig waren voor de uitbreiding van de waterzuivering met vijf buffertanks van elk 100 m3. Het bedrijf verwachtte hierdoor een sterker belast afvalwater te moeten behandelen en optimaliseerde meteen ook de werking van de waterzuivering: er werd een bijkomende polymeerdosering voorzien. MI maande aan om alle saneringen tegen 1 juni 2007 te voltooien. Midden mei stelde MI vast dat alle buffertanks geplaatst waren en dat de bijkomende polymeerdosering nagenoeg in gebruik kon worden genomen. Kort na het verstrijken van de termijn uit de aanmaning, stelde MI ter plaatse vast dat de uitbreiding van de waterzuivering volledig was voltooid en dat de installatie in werking was. Bovendien beschikte het bedrijf nu over een grotere voorraad gezuiverd afvalwater die kon gebruikt worden voor de bevochtiging van het materiaal in de compostering. MI verzegelde de overloop naar de aanpalende gracht zodat geen verontreinigd terreinwater meer kon worden overgestort. In het najaar maande MI het bedrijf mondeling aan om de toegankelijkheid tot de controle-inrichting voor de lozing van bedrijfsafvalwater te verbeteren, zodat de apparatuur voor het uitvoeren van een debietsgebonden monsternamecampagne op een veilige manier kon aangevoerd en opgesteld worden. Het bedrijf zorgde op korte tijd voor de nodige aanpassingen. MI zal in 2008 een debietsgebonden bemonsteringcampagne laten uitvoeren, om te controleren of de aangepaste waterzuivering inderdaad kan zorgen voor het steeds behalen van de lozingsnormen.

64 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Resultaten afvalwatercontroles Totaal Gecontroleerde bedrijven

852

- met steekproef

612

- met uitgebreide controle

240

Aantal monsters

2.226

Bedrijven een of meermaals in overtreding

131

Bedrijven met een of meer aanmaningen

119

Bedrijven waarin een sanering is doorgevoerd

78

Routinemonsternames afvalstoffen, bodem en grondwater In 2007 hanteerde de afdeling voor het eerst een richtfrequentietabel waarin werd vastgelegd waar en hoe dikwijls afvalstoffen worden bemonsterd, rekening houdend met het beschikbare budget. Deze planning omvat bemonsteringen bij afvalverwerkende en -producerende bedrijven en bij producenten van secundaire grondstoffen. Een gedeelte van het budget wordt voorbehouden voor de bemonstering en analyse van afvalstoffen in niet-geplande situaties. De redenen om over te gaan tot bemonstering zijn van uiteenlopende aard. Bij afvalverwerkende bedrijven worden binnenkomende partijen afvalstoffen bemonsterd om na te gaan of ze voldoen aan de aanvaardingscriteria. Behandelde afvalstromen die een tweede leven tegemoet gaan als secundaire grondstof, worden bemonsterd om te controleren of de samenstelling ervan voldoet aan de voorgeschreven normen. Partijen uitgegraven bodem in grondreinigingsbedrijven of in tussentijdse opslagplaatsen en opvulgronden bij groeven en graverijen worden bemonsterd en geanalyseerd om de legaliteit van de bestemming ervan te controleren. Niet-geïdentificeerde recipiënten op een bedrijf worden bemonsterd om na te gaan of de inhoud ervan geen gevaarlijke afvalstoffen bevat. Bij klachten over stofneerslag van een bedrijf worden

de afgezette deeltjes bemonsterd om de schadelijkheid ervan te controleren. Bij eindproducten van verwerkers van dierlijke afvalstoffen wordt de microbiële zuiverheid gecontroleerd. Naast de routinemonsternames neemt MI ook monsters bij de uitvoering van gecoördineerde projecten en acties. Toezichthoudende ambtenaren hebben de mogelijkheid om één of meerdere analysepakketten aan te vragen voor een monster. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om voor elk individueel monster specifieke parameters te laten analyseren. Indien zeer specifieke, gevaarlijke of grote aantallen monsters moeten worden genomen, kunnen toezichthoudende ambtenaren hiervoor beroep doen op de MI-labocontractant. In de periode 1 februari 2007 tot 1 februari 2008 werden in totaal 968 monsters van afval, bodem en grondwater geanalyseerd (gemiddeld 14 monsters per toezichthoudend ambtenaar van de buitendiensten) met een totale kostprijs van 485.364 euro.

Overzicht van de geanalyseerde parameterpakketten in 2007 Pakket

Aantal

aanvaardingscriteria cat. 1 stortplaatsen

66

aanvaardingscriteria cat. 2 stortplaatsen

33

aanvaardingscriteria cat. 3 stortplaatsen bodem (Vlarebo) grondwater (Vlarebo) sec. grondstof meststof /bodemverbeterend middel sec. grondstof bouwstof eindproducten verwerker dierlijke bijproducten te verbranden houtafval

12 266 17 65 152 81 106

Vlarem-parameters grondwater

24

parameters peilput mestopslag

58

Routinecontroles

- 65


Bodemmonsters bevestigen chroomverontreiniging bij houtbedrijf MI betrapte een houthandelaar op heterdaad tijdens het illegaal verbranden van bedrijfsafvalstoffen en stelde hiervoor proces-verbaal op. De afvalverbranding gebeurde in een in onbruik geraakte ingegraven betonnen drenkbak. Tevens bleek dat het bedrijf nog steeds hout impregneerde in een moderne installatie en dat het impregneermiddel (chroomzuuroplossing) in strijd met de milieuvoorschriften opgeslagen werd. Morsverliezen van het impregneermiddel hadden de bedrijfsvloer her en der groen gekleurd. MI nam MI een bodemmonster om te achterhalen of er contaminatie van de bodem was. De analyseresultaten gaven hoge waarden weer voor het carcinogeen ‘zeswaardig chroom’, alsook voor driewaardig chroom. MI bracht OVAM op de hoogte en verplichtte de exploitant om een oriënterend bodemonderzoek te laten uitvoeren. Uit contacten met OVAM bleek dat de exploitant nagelaten had om het verplichte vijfjaarlijkse bodemonderzoek uit te voeren. Bij een voortgangscontrole nam MI een monster van de verbrandingsresten die al voor afvoer vanuit de betonnen drenkbak in een container waren geladen. De toezichthoudende ambtenaren blokkeerden de container omwille van de vermoedelijk hoge verontreiniging, temeer omdat het ontvangende bedrijf geen verontreinigd afval mocht aanvaarden. De vermoedens bleken gegrond: de verbrandingsresidu’s bevatten eveneens hoge concentraties chroom. MI verplichtte de exploitant dan ook om dit afval naar een erkende verwerker af te voeren, wat ook gebeurde. Bij de latere uitvoering van het oriënterende bodemonderzoek duidden de toezichthoudende ambtenaren enkele kritische locaties aan die zeker moesten worden bemonsterd. De analyses van deze bodemmonsters zullen aantonen of de geldende bodemsaneringsnormen al dan niet worden overschreden. Daarbij doet de lokale oppervlakkige verkleuring van de bodem alvast het ergste vermoeden. In dat geval volgt verder onderzoek en zal de exploitant het bedrijfsterrein moeten saneren.

Routinemetingen Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal uitgevoerde metingen in 2007. Overzicht van het aantal routinemetingen Aantal metingen Lucht

92

Geluid en trillingen

67

Totaal

166

Bij lucht wordt het aantal meetdagen opgegeven. De in de lucht geloosde stoffen worden gemeten door een erkend laboratorium op verzoek van en onder toezicht van de toezichthoudend ambtenaar. Op één dag worden

66 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

er verschillende parameters gemeten en verschillende monsters genomen. Bij geluid en trillingen wordt het aantal geluids- en trillingsmetingen opgegeven. Daarbij moet worden opgemerkt dat een geluidsmeting verschillende uren kan duren. Een beperkt akoestisch onderzoek dat door MI wordt uitgevoerd, kan verschillende geluidsmetingen omvatten. Het aantal routinemetingen lucht, geluid en trillingen van de voorbije negen jaar werd uitgezet in de grafiek hiernaast. Het aantal luchtmetingen nam sinds 2000 beduidend toe nadat een contract werd afgesloten met erkende laboratoria lucht, waardoor het voor een toezichthoudend ambtenaar administratief eenvoudiger werd om emissiemetingen te laten uitvoeren. In 2005 werden minder luchtmetingen uitgevoerd. De reden hiervoor is


de overstap van driedaagse naar ééndaagse metingen voor installaties met een potentieel beduidende dioxineuitstoot en de verschuiving van metingen bij afvalverbrandingsinstallaties naar het voorjaar van 2006 omdat de nieuwe regelgeving voor deze installaties pas op het einde van 2005 van kracht werd.

Routinemetingen lucht In september 2004 sloot MI een nieuw contract af met erkende laboratoria voor het uitvoeren van emissiemetingen op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties. De opdracht liep één jaar met de mogelijkheid om drie keer voor één jaar te verlengen. De opdracht is opgedeeld in twee percelen, die elk aan een ander laboratorium werden toegewezen. De belangrijkste nieuwigheid is de aparte post voorzien voor de bepaling van individuele organische stoffen behorend tot de groepen van de aromatische koolwaterstoffen, de ketonen, de esters en de alifatische halogeenkoolwaterstoffen. Hiermee trachtte MI in te spelen op de verhoogde aandacht voor emissies van VOS, na de omzetting van de Europese solventrichtlijn naar Vlarem-wetgeving. Perceel I is specifiek gericht op de uitvoering van emissiemetingen bij installaties met een potentieel beduidende dioxine-uitstoot. Het gaat daarbij om metingen met inbegrip van een dioxinebepaling. Perceel II omvat vier soorten type-metingen, met elk een specifiek pakket parameters. De metingen gebeuren voor beide percelen op één meetdag. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de mogelijke metingen. Op vraag van MI kunnen ook andere parameters bij andere types installaties worden gemeten.

Hierdoor is het voor MI mogelijk op eenvoudig verzoek emissiemetingen te laten uitvoeren op een installatie naar keuze. Op die manier kan vlot worden ingespeeld op acute vragen en komen nieuwe bedrijven en installaties gemakkelijker aan bod. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal installaties waar MI in het kader van deze contracten in 2007 emissiemetingen liet uitvoeren. Overzicht van de luchtemissiemetingen Aantal installaties Perceel I (met dioxinemetingen)

41

Perceel II

51

Totaal

92

In 2007 gebeurden 25 van de 92 meetcampagnes bij houtafvalverbrandingsinstallaties. De reden hiervoor is de verderzetting in 2007 van de meetcampagne van 2006 in deze sector. Hierover kunt u meer lezen in het hoofdstuk ‘Specifieke handhavingscampagnes’ van dit rapport. Daarnaast werden metingen uitgevoerd bij 21 installaties die koolwaterstoffen emitteren. Dit gebeurde vooral om de goede werking van naverbranders te controleren. Verder kwamen vooral chemiebedrijven (12), steenbakkerijen (9), afvalverbrandingsinstallaties (8), bedrijven uit de ferro- en non-ferro-industrie (7) en shredders (4) aan bod.

In september 2007 werden de contracten voor beide percelen voor een laatste keer verlengd voor één jaar.

Overzicht van de mogelijke emissiemetingen Parameters - referentie: rookgasdebiet, temperatuur/druk, zuurstofgehalte, CO2-gehalte, watergehalte - rookgassamenstelling (een selectie van de volgende parameters naargelang perceel en type): stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, zware metalen in de stoffractie en in de gasfase, totaal koolwaterstoffen (FID-meting), aromatische koolwaterstoffen, ketonen, esters, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, dioxinen en furanen Perceel I verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen dioxinen aanwezig zijn Perceel I verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de rookgassen geen significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is Type installaties type 1: grote verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties type 2: installaties met potentieel significante emissies van verzurende verbindingen type 3: verbrandingsinstallaties gevoed met biomassa en naverbrandingsinstallaties type 4: installaties met potentieel significante emissies van vluchtige organische stoffen

Routinecontroles

- 67


De onderstaande tabel geeft per verontreinigende stof een overzicht van het aantal beduidende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden die tijdens de voornoemde metingen in 2007 werden vastgesteld. Overschrijdingen werden voornamelijk genoteerd voor stof, CO, dioxinen en furanen, NOx en zware metalen.

Alle overschrijdingen voor CO en bijna alle voor stof, dioxinen, NOx en zware metalen situeren zich bij de houtafvalverbrandingsinstallaties, die zoals hierboven vermeld net zoals in 2006 ook in 2007 speciale aandacht krijgen van MI. De enkele andere overschrijdingen komen voor bij afvalverbrandingsinstallaties en steenbakkerijen.

Overzicht van het aantal overschrijdingen van de emissiegrenswaarden per verontreinigende stof.

Bij installaties waar uit de resultaten van de metingen bleek dat de emissiegrenswaarden niet werden nageleefd, stelde MI een proces-verbaal op en werden de nodige aanmaningen gegeven om maatregelen te nemen zodat de grenswaarden zo snel mogelijk worden gerespecteerd. In enkele gevallen werd de werking van de installatie vrijwillig of gedwongen stopgezet.

Perceel I

Perceel II

Totaal

Stof

7

4

11

CO

4

7

11

SO2

1

3

4

NOx

7

2

9

koolwaterstoffen

2

2

4

HCl

3

-

3

HF

_

_

zware metalen

6

6

Hg

_

_

dioxinen en furanen

10

10

Parameter

_

Routinemetingen geluid en trillingen Geluidsmetingen worden bijna uitsluitend uitgevoerd naar aanleiding van klachten. Voor de afhandeling van dergelijke klachten beschikt MI over een aantal toezichthoudende ambtenaren, gespecialiseerd in de discipline geluid, en over moderne meetapparatuur. Een geluidsmeter meet steeds een totaal niveau. Dat betekent dat niet alleen het gezochte specifieke geluid wordt gemeten,

case

Geluidsmetingen bij een omloop voor telegeleide wagentjes Een omloop voor telegeleide wagentjes is geen ingedeelde inrichting en is niet vergunningsplichtig in het kader van Vlarem I, maar moet wel beschikken over een stedenbouwkundige vergunning. Voor de herlokalisatie van een omloop stelde een Westvlaamse stad gronden ter beschikking van een vereniging. Voor het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning verplichtte het stadsbestuur de vereniging om een akoestisch onderzoek te laten uitvoeren. Dit onderzoek moest aantonen dat de geplande activiteiten geen abnormale geluidshinder voor de buren met zich zou meebrengen. De vereniging stelde een erkend deskundige in de discipline geluid aan. Volgens het geluidsonderzoek van deze deskundige was de geplande omloop integreerbaar in de stedelijke omgeving. Op basis van dit onderzoek verleende het College van Burgemeester en Schepenen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. De vereniging investeerde ongeveer 125.000 euro in de nieuwe omloop. De motivatie van de vereniging was de internationale faam van de omloop, die voldoet aan de Europese reglementen ter zake. Zeer vlug gaven de activiteiten aanleiding tot klachten over geluidshinder binnen een straal van 1.500 meter. De geluidshinder was gekenmerkt door een scherp tonaal geluid. De lokale politie deed meerdere vaststellingen en stelde, op basis van het gemeentelijk administratieve sanctiereglement (GAS), een proces-verbaal op. Naar aanleiding van deze klachten liet het stadsbestuur een aanvullend geluidsonderzoek uitvoeren door de geluidsdeskundige van de vereniging. Dit onderzoek gaf echter geen relevante veranderingen van het geluidsklimaat aan. Daarom vroeg de burgemeester advies aan MI. MI evalueerde de onderzoeken en formuleerde opmerkingen. Tijdens de Europese kampioenschappen voor telegeleide wagentjes in 2007 voerde MI zelf geluidsmetingen uit.

68 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


maar ook alle stoorgeluiden. Om een beoordeling van het specifieke geluid mogelijk te maken, bestaat de kunst erin die niveaus uit elkaar te houden. Dat is niet altijd een eenvoudige opgave. Bij de behandeling van klachten over trillingen kan het soms nog ingewikkelder zijn. Bijgaand voorbeeld toont nogmaals aan dat Vlarem een referentie blijft voor de beoordeling van geluidshinder, zelfs in het kader van niet-ingedeelde inrichtingen. Een aanpassing van deel 6 van Vlarem II (Milieuvoorwaarden voor niet-ingedeelde inrichtingen) dringt zich op.

Routinecontroles exploitatie Naast de routinemonsternames en routinemetingen zijn er heel wat routinecontroles die betrekking hebben op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen. De controle naar aanleiding van een besluit tot weigering van een vergunning, de controle van bijzondere vergunningsvoorwaarden en de controle van de zelfcontrole zijn voorbeelden die hier worden aangegeven.

In verband met die opdrachten geldt voor MI de volgende resultaatgerichte doelstelling: â&#x20AC;&#x2DC;De controle uitvoeren van elke klasse 1-inrichting waarvoor: - de vergunning geheel of gedeeltelijk werd geweigerd (zowel in eerste aanleg als in beroep) binnen maximaal drie maanden na ontvangst van de beslissing; - in de vergunning een saneringsplan, onderzoeken of metingen werden opgelegd, binnen een termijn van maximaal zes maanden na de in de vergunning opgelegde dwingende uitvoeringstermijn van de verplichting.

Weigeringsbesluiten Zoals aangegeven in de bovenstaande inleiding ligt een van de prioriteiten van MI bij het systematisch controleren van weigeringsbesluiten. Weigeringsbesluiten Aantal ontvangen

323

Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

512

De meetresultaten toonden aan dat het specifiek geluid ongeveer 60 dB(A) bedroeg ter hoogte van de woningen. Figuur 1 geeft het verloop van de relevante waarden tijdens het racen. Het geluid was eveneens gekarakteriseerd door een tonaliteit bij de tertsband van 5 kHz. Figuur 2 geeft de tertsbandanalyse van het geluid tijdens het racen. MI toetste het specifiek geluid aan de richtwaarden van Vlarem II en aan een rapport van de wereldgezondheidsorganisatie. Dit rapport stelt dat geluidsniveaus van 50 dB(A) en meer aanleiding geven tot klachten en boven de 55 dB(A) tot ernstige klachten. MI lichtte haar meetresultaten toe aan het stadsbestuur en een afvaardiging van de vereniging en wees daarbij de burgemeester op zijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden inzake het voorkomen van hinder. Daarop liet de stad twee saneringsrapporten opstellen. Daaruit bleek dat de sanering van de omloop zeer duur zou zijn. De vereniging kon deze kosten niet financieren. Momenteel wordt het circuit beperkt gebruikt, onder strikte voorwaarden opgesteld door het stadsbestuur. Door de aanwezige technische expertise kon MI de gemeente bijstaan in dit dossier en konden gunstige resultaten voor de klagers bekomen worden.

Routinecontroles

- 69


Bijzondere voorwaarden Het aantal weigeringsbesluiten werd voor de voorbije negen jaar uitgezet in de grafiek. In 2007 komt het aantal ontvangen weigeringsbesluiten terug tot op het niveau van de jaren 2000-2004. Toch stijgt het aantal inspecties die uitgevoerd zijn in functie van deze weigeringsbesluiten. Dit toont het belang aan van deze besluiten.

Heel wat milieuvergunningen bevatten bijzondere voorwaarden. De aandacht van MI gaat prioritair naar de bedrijven waarvoor in de vergunning een saneringsplan, onderzoeken of metingen werden opgelegd. Andere bijzondere voorwaarden komen voornamelijk aan bod tijdens routinecontroles of als het bedrijf wordt gecontroleerd in het kader van een specifieke handhavingscampagne.

Weigering van een mestopslag Eind mei 2007 bezorgde de milieuambtenaar van een gemeente in de Vlaamse Ardennen MI een klacht van een buur van een kippenkwekerij. De buur had last van geurhinder afkomstig van de mestopslag in open lucht. Uit het dossier bleek dat er voor dit klasse 1-bedrijf een milieuvergunning voor het houden van 85.000 slachtkippen werd afgeleverd. Deze vergunning was echter al in maart 2006 vervallen. Bovendien werd in dit besluit de opslag van kippenmest expliciet geweigerd. MI stelde ter plaatse vast dat de exploitant een opslag had van ongeveer 800 m³ kippenmest op een terrein naast de stallen. Deze opslag gebeurde in open lucht en op onverharde bodem. Dit gaf aanleiding tot ernstige geurhinder voor de omwonenden. Aangezien er geen milieuvergunning was en de activiteiten aanleiding gaven tot directe hinder voor de omwonenden, stelde MI een prioritair proces-verbaal op en maande de exploitant aan om een milieuvergunning aan te vragen en de kippenmest zo snel mogelijk af te voeren. Eind oktober 2007 bezorgde de exploitant MI een kopie van de afvoerbewijzen van de kippenmest. Begin november stelde MI ter plaatse inderdaad vast dat er geen mest meer aanwezig was. Ondertussen diende de exploitant bij de gemeente een aanvraag in voor een klasse 2vergunning. Door het niet meer gebruiken van een oude kippenstal was het aantal kippen sterk verminderd en voldeed een klasse 2-vergunning. Begin maart 2008 leverde de gemeente een vergunning af voor een pluimveekwekerij met één stal voor het houden van 19.000 kippen. Als bijzondere vergunningsvoorwaarde werd, in samenspraak met MI, de mestopslag ten strengste verboden. In januari 2008 voerde MI een inspectie uit tijdens het reinigen van de kippenstal. De toezichthoudende ambtenaren konden daarbij vaststellen dat alle kippenmest op vrachtwagens werd geladen en rechtstreeks werd afgevoerd naar een erkend composteringsbedrijf. De exploitant had hiervoor een contract afgesloten en zal de mest in de toekomst op deze manier blijven afvoeren. Er zal dan ook geen mestopslag meer zijn op dit bedrijf.

70 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Vergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden Aantal ontvangen Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

879 1.446

Het aantal milieuvergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden werd voor de voorbije zeven jaar uitgezet in onderstaande grafiek. Jaarlijks ontvangt MI gemiddeld

meer dan 800 vergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden. Dit cijfer blijft nagenoeg constant en blijkt een weerspiegeling te zijn van een reeks belangrijke voorwaarden in de milieuvergunningen die niet opgenomen zijn onder de standaard algemene voorwaarden van het Vlarem. Toch stijgt ook hier het aantal inspecties die uitgevoerd zijn in functie van deze soms lange reeks voorwaarden gekoppeld aan diverse uitvoeringstermijnen.

Bijzondere voorwaarden voor tankopslag In 2006 verleende de deputatie aan een Antwerps havenbedrijf een vergunning voor de exploitatie van een nieuwe opslagterminal voor gevaarlijke stoffen. Omwille van de vergunde opslaghoeveelheden voor benzine en andere aardoliefracties is dit bedrijf een lagedrempel Sevesobedrijf. De vergunning bevat meerdere bijzondere voorwaarden met betrekking tot de exploitatie van het tankenpark. Er zijn bepalingen betreffende de opslag van brandbare producten, het uitvoeren van losoperaties onder toezicht, het lozen van regenwater uit de inkuiping, het behandelen van luchtemissies voor geurende en vluchtige producten en het uitwerken van een preventiebeleid. Tijdens de constructiefase was het voor MI opportuun om zowel de naleving van de toepasselijke sectorale en bijzondere voorwaarden te controleren als om te peilen naar de stand van zaken met betrekking tot het invoeren van een preventiebeleid zoals bedoeld in het Samenwerkingsakkoord. Met eventuele correctieve acties kon dan in de verdere projectuitvoering alsnog rekening worden gehouden. De bedoeling was het tankenpark te voorzien van de beste beschikbare technieken voor de opslag van ontvlambare vloeistoffen. Tijdens de inspectie was het echter onduidelijk of de houders zouden uitgerust worden met onafhankelijke overvulbeveiligingen en met brandbestendige afsluiters. Deze technische maatregelen verhogen immers het beschermingsniveau voor installaties voor de opslag en de verlading van ontvlambare vloeistoffen. MI maande de exploitant aan de noodzaak van deze maatregelen te evalueren. Verder wees MI het bedrijf erop dat vóór de opstart van de activiteiten aan de volgende bepalingen van het Samenwerkingsakkoord moet voldaan worden: het finaliseren van de risicostudies, het uitwerken van de scenario’s van zware ongevallen, het opstellen en implementeren van de noodplanning en het uitwerken van het preventiebeleid. MI maande het bedrijf aan de nodige actie te nemen om hieraan tegemoet te komen. Sinds de amendering van het Samenwerkingsakkoord valt het bedrijf op basis van de vergunde hoeveelheden onder het toepassingsgebied van het hogedrempelregime van deze reglementering. Dit impliceert dat het ten laatste op 6 mei 2008 een veiligheidsrapport bij de coördinerende dienst moet indienen.

Routinecontroles

- 71


Controle op de zelfcontrole De Vlaamse milieuhygiĂŤnewetgeving bevat heel wat verplichtingen inzake het meten en registreren van bedrijfseigen gegevens. Veel van die metingen en registraties dienen als eerstelijnscontrole van zowel de procesvoering als van de naleving van de geldende voorwaarden. De meest voor de hand liggende voorbeelden zijn de eigen emissiemetingen (lucht, afvalwater,â&#x20AC;Ś). Ook andere controles, zoals de controle op inkomende afvalstoffen, de onderzoeken van compressoren en de beproevingen van houders voor gevaarlijke stoffen, kunnen onder de noemer zelfcontrole worden gecatalogeerd. Het toewijzen van een dergelijke verplichte zelfcontrole aan de exploitant past volledig in het concept van milieubeheer- en milieuzorgsystemen, die in de bedrijfswereld een toenemend belang krijgen. Zelfcontrole heeft in elk geval meerdere functies waaronder als belangrijkste: - controle op de naleving van de voorwaarden; - beschikbaarheid van milieu-informatie voor de overheid (toezicht, emissie-inventarisatie â&#x20AC;Ś) en de bevolking; - kwaliteitsbewaking van de bedrijfsvoering van het (zuiverings)proces en stimulans voor voortdurende procesoptimalisatie; - proactieve maatregel om het milieu zo veel mogelijk te beschermen. In de praktijk wordt een enorme verscheidenheid vastgesteld qua naleving van de zelfcontroleverplichtingen. Dat kan gaan van een strikte uitvoering, kwaliteitsbewaking en rapportering tot een totaal gebrek aan kennis over die vereisten. Bovendien merkt MI dat bij bedrijven of sectoren waar ze in het verleden veel aandacht heeft geschonken aan de controle op de zelfcontrole, bijvoorbeeld door middel van emissiemetingen in eigen opdracht, er een duidelijk toegenomen aandacht is voor die verplichting. De zelfcontrolegegevens zijn voor MI ook relevant bij de opmaak van het jaarlijkse MIP, als een van de selectiecriteria bij de keuze van te controleren bedrijven of bedrijfssectoren. De inspecties gaan vaak gepaard met metingen of onderzoeken in eigen opdracht en onder de omstandigheden die MI zelf bepaalt. Resultaten van dergelijke controles durven wel eens aanzienlijk af te wijken van de ter inzage liggende zelfcontroleresultaten.

72 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Tot slot kan gesteld worden dat er een duidelijke stijging is van het aantal inspecties die verband houden met dit aspect zelfcontrole en dit mede door de uitdrukkelijke vraag van de minister voor Leefmilieu, Natuur en Energie. Controles van de zelfcontrole Specifieke inspecties voor het project in verband met zelfcontrole lucht

76

Andere inspecties zelfcontrole

165

Totaal

241


Controle van de zelfcontrole van een spaanplaatbedrijf Een erkend laboratorium voerde in de loop van 2006, in opdracht van een spaanplaatbedrijf, periodiek emissiemetingen uit op de schouwen van de verschillende procesonderdelen. Op verzoek van de toezichthoudend ambtenaar bezorgde het bedrijf begin 2007 de rapportering van deze meetresultaten aan MI. Bij de toetsing van de meetgegevens aan de emissiegrenswaarden bleek dat er verschillende normen quasi aanhoudend overschreden werden. Voor de houtafvalverbrandingsinstallatie bij de spaanafdeling waren er normoverschrijdingen voor de parameters stof, CO, NOx , zware metalen en dioxinen. Vlarem II bepaalt dat de exploitant van een houtafvalverbrandingsinstallatie (groter dan 5 MW) MI vooraf schriftelijk op de hoogte moet brengen van de datum en de uitvoerder van de periodieke emissiemetingen. Verder dient hij de resultaten van de dioxinemetingen zo snel mogelijk en bij voorkeur binnen de maand aan MI te bezorgen. Als uit de metingen blijkt dat ĂŠĂŠn of meer emissiegrenswaarden overschreden zijn, moet de exploitant dat onmiddellijk melden aan MI. Bovendien moet hij de nodige maatregelen nemen om zo snel mogelijk te voldoen aan de emissiegrenswaarden. MI stelde vast dat er bij de zelfcontrolemetingen op de houtafvalverbrandingsinstallatie dioxinewaarden werden geregistreerd die tienmaal de wettelijk toegestane norm overschreden en dat het bedrijf deze metingen niet aankondigde noch rapporteerde. MI stelde dan ook een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om binnen de maand een onderzoek in te stellen naar deze overschrijdingen en voorstellen ter sanering uit te werken en te realiseren. Twee maanden later, in augustus 2007, voerde een erkend laboratorium in opdracht van MI emissiemetingen uit op de schouw van deze inrichting. Uit het rapport van deze metingen bleek dat de dioxineconcentratie in de afgassen van de houtafvalverbrandingsinstallatie zevenmaal de wettelijk toegestane norm overschreed. Ook de andere parameters voldeden niet aan de emissiegrenswaarden. MI verbaliseerde het bedrijf nogmaals ĂŠn legde een dwangmaatregel op omdat het bedrijf onvoldoende gevolg had gegeven aan de aanmaning. Tegen 1 december 2007 moest de houttoevoer vanuit de silo met spaanplatenschuurstof afgekoppeld worden van de verbrandingsinstallatie, of de verbrandingsinstallatie moest tegen die datum gesaneerd zijn. Het bedrijf ging in beroep tegen deze dwangmaatregel bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. In beroep werd de dwangmaatregel bevestigd maar de uitvoeringstermijn ervan werd uitgesteld tot 1 februari 2008. In november 2007 werden de afgassen van de houtafvalverbrandingsinstallatie ter reiniging over de natte electrofilter van de drogers van de spaanplaatafdeling geleid. Uit het deskundigenrapport met betrekking tot de emissiemetingen die een laboratorium in opdracht van het bedrijf eind november 2007 uitvoerde op de schouw van deze installatie, bleek dat de wettelijk toegestane dioxinenorm in de afgassen gerespecteerd werd. Ook de andere parameters waren onder controle. Een paar maanden later besliste het bedrijf om de ganse spaanafdeling buiten gebruik te stellen en de productie van gewone spaanplaten definitief stop te zetten. Ook economische redenen speelden een rol bij deze beslissing. Een ander gedeelte van het bedrijf, waar OSB platen worden geproduceerd, blijft in uitbating.

Routinecontroles

- 73


Reactieve controles Reactieve controles worden uitgevoerd naar aanleiding van een beroep dat wordt gedaan op MI. De reactieve controles kunnen in een aantal groepen worden onderverdeeld. Er wordt onder andere opgetreden bij de ontvangst van een klacht, een melding van een voorval, een vraag voor het maken van een evaluatieverslag bij een proefvergunning, een kantschrift van het parket, een vraag van het parket om technische expertise, een verzoek om adviesverlening, een parlementaire vraag, een verzoek om hoog toezicht en bij de vaststelling van wintersmog. Enkele reële dossiers illustreren de verschillende mogelijkheden. Gezien het grote werkvolume en de hoge werkdruk is het onmogelijk om op elk appel te reageren, zodat elk appel zeker niet altijd zal leiden tot een inspectie ter plaatse. Elk dossier wordt daarom getoetst aan de prioriteitenlijst.

Klachten MI ontvangt jaarlijks heel wat milieuklachten uit de meest diverse hoeken: particulieren, bedrijven, gemeente- en provinciebesturen, parlementsleden, het kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu, andere Vlaamse of federale overheidsdiensten, milieuverenigingen, Aquafin en Vlaamse openbare instellingen, zoals OVAM, VLM en VMM. Ook anonieme klachten worden behandeld.

- geluids- en trillingsoverlast; - bodem- en grondwaterverontreiniging; - verontreiniging van oppervlaktewater; - onzorgvuldig omgaan met afvalstoffen; - tekortkomingen met betrekking tot de veiligheid van de omgeving; - het niet-naleven van vergunningsvoorwaarden.

MI ontvangt ook heel wat vragen en klachten die niet voor haar bestemd zijn. Gelet op de veelheid aan en de complexiteit van de milieuregelgeving is het blijkbaar niet altijd evident welke overheidsdienst een vraag of klacht kan of moet behandelen. Hierna volgen een aantal algemene richtlijnen.

Welke vragen en klachten worden NIET door MI behandeld? MI ontvangt geregeld heel wat vragen of klachten die door andere overheidsdiensten worden behandeld. Hierna volgt een overzicht, waarbij telkens de instantie aangegeven is die de vraag of klacht wel behandelt.

Welke vragen en klachten worden door MI behandeld? Klachten over klasse 1-bedrijven die milieuhinder veroorzaken of over klasse 2- en klasse 3-bedrijven die zware milieuhinder veroorzaken én waar de lokale overheid niet optreedt, worden door MI behandeld.

In de sector milieuhygiëne - klachten over klasse 2- en klasse 3-bedrijven die milieuhinder veroorzaken: de gemeentelijke milieudienst; - vragen over de milieuvergunningsklasse (1, 2 of 3) van een bepaald bedrijf: de gemeentelijke milieudienst (de gemeente heeft een openbaar register); - vragen over de inhoud van een bepaalde milieuvergunning: de gemeentelijke milieudienst (álle milieuvergunningen liggen bij de gemeente vrij ter inzage voor het publiek);

Een bedrijf kan onder meer de volgende vormen van milieuhinder veroorzaken: - geur-, stof- en lichthinder; - luchtverontreiniging (rook of uitwasemingen);

Reactieve controles

- 75


- vragen over de interpretatie van de wetgeving: afdeling Milieuvergunningen van LNE; - historische bodemverontreiniging: OVAM; - verlaten bedrijfsterreinen: OVAM; - achterlaten van afval: - algemeen: Lokale Politie ; - aan wegen: afdelingen Wegen en Verkeer (Agentschap Infrastructuur); - aan waterwegen: Waterwegen en Zeekanaal nv, nv De Scheepvaart en het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust; - in bossen of natuurgebied: Agentschap voor Natuur en Bos; - verbranden van huishoudelijk afval door particulieren: Lokale Politie; - mestproblematiek (bv. uitrijden van mest in een niet toegestane periode): de Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij; - gebruik van sproeistoffen: de dienst Pesticiden en Meststoffen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu; - gezondheidsklachten die in verband staan met hinderlijke inrichtingen: de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Agentschap Zorg en Gezondheid ). In andere sectoren - bouwovertredingen: dienst Stedenbouw van de gemeente / Agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; - overtredingen in natuurgebieden: Agentschap voor Natuur en Bos; - overtredingen in bossen: Agentschap voor Natuur en Bos; - brand of calamiteit: Brandweer, Civiele Bescherming.

Behandeling van milieuklachten Voor de behandeling van klachten heeft MI reeds in 2002 een interne procedure vastgelegd die vertaald werd in een interne onderrichting. De tekst van de onderrichting

76 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

werd in 2004 geactualiseerd en uitgebreid met een codesysteem om de verschillende klachtendeelstromen te kunnen kwantificeren. De nieuwe onderrichting werd vanaf het kalenderjaar 2005 toegepast. Milieuklachten worden behandeld volgens een aantal afspraken die rekening houden met de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe procedure: - een goede voortgangscontrole van de aan de lokale overheden gemelde klachten; - een invulling van het begrip hoog toezicht; - een goede communicatie met de klagers, de gemeente, de klachtenmanager van LNE en de Vlaamse Ombudsdienst. Hierna wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste afspraken voor de behandeling van klachten. Een milieuklacht die gaat over een niet ingedeelde inrichting, een vrij velddelict of een wetgeving waarvoor MI niet bevoegd is, wordt onmiddellijk doorgestuurd naar de burgemeester of naar de bevoegde dienst. Milieuklachten over hinderlijke inrichtingen worden afhankelijk van de klasse verschillend behandeld. Klachten over klasse 1-bedrijven (inclusief klachten via het kabinet, de klachtenmanager van LNE en de Vlaamse Ombudsdienst) worden door MI behandeld binnen drie maanden na ontvangst van de klacht volgens interne procedures die het uitvoeren van inspecties, het eventueel opstellen van processen-verbaal en het geven van aanmaningen, omvatten. Een klacht over een klasse 2- of 3-bedrijf wordt, ook als de klager beweert dat de gemeente niet of onvoldoende optreedt, onmiddellijk ter behandeling doorgestuurd naar de burgemeester. MI vraagt de burgemeester om binnen een termijn van ĂŠĂŠn maand een onderzoek in te stellen. Als de burgemeester niet of onvoldoende antwoordt en


er is geen zware hinder, dan stuurt MI een herinnering aan de burgemeester om nogmaals de klacht te onderzoeken. Als de burgemeester opnieuw niet of onvoldoende antwoordt, voorziet de procedure dat de klager, de minister en de Vlaamse Ombudsdienst hiervan op de hoogte worden gebracht. De klacht wordt dan ook als afgehandeld beschouwd door MI. Pas als de burgemeester niet of onvoldoende antwoordt, en als uit de klacht blijkt dat er zware hinder is, onderzoekt MI in het kader van haar hoog toezicht zelf de klacht, als die nog relevant is.

timent. Een klacht kan soms meerdere thema’s omvatten. Daardoor kan één klacht binnen verschillende compartimenten worden ondergebracht.

MI ontvangt jaarlijks heel wat klachten en voert veel inspecties uit om de klachten te beoordelen en in voorkomend geval de vaststellingen verder te volgen.

Uit onderstaande tabel blijkt dat MI heel wat klachten ontvangt over hinder die niet afkomstig is van klasse 1inrichtingen.

In de grafiek onderaan wordt de verdeling van de klachten per milieucompartiment voorgesteld. Hieruit kan worden afgeleid dat de meeste klachten handelen over de milieucompartimenten geur, geluid en exploitatie. Meer dan twee derde van alle klachten worden gecatalogiseerd onder die drie thema’s.

Klachten Aantal klachten

1.979

Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

2.986

Al verschillende jaren ontvangt MI ongeveer 2.000 klachten per jaar. Het aantal klachten is in 2007 lichtjes gedaald ten opzichte van 2006 en situeert zich nu net beneden 2000. De klachten worden opgedeeld per milieucomparKlachten per milieucompartiment Geur

798

Geluid

480

Exploitatie

466

Afval

217

Lucht

186

Lozing

171

Bodem en grondwater

67

Mest

74

Veiligheid

25

Licht Totaal

6

Aantal klachten

Aantal betrokken bedrijven of locaties

Klasse 1

1.458

521

Klasse 2

220

177

Klasse 3

70

44

231

147

1.979

889

Niet-ingedeelde inrichtingen / andere Totaal

Behandeling van klachten in het kader van het Klachtendecreet

Een klacht in het kader van het Klachtendecreet is een manifeste uiting van een ontevreden burger die bij de overheid klaagt over een door diezelfde overheid (al dan niet) verrichte handeling of prestatie. Klachten die onder dit decreet vallen en die aanvankelijk gericht zijn aan de Vlaamse Ombudsdienst of de klachtenmanager, worden door die diensten eerst doorverwezen naar de ambtenaar die het dossier behandelt of naar diens directe chef.

2.490

Reactieve controles

- 77


Als het probleem op het niveau van de dienst niet wordt opgelost, kan de klager zich richten tot de klachtenmanager van LNE. De klacht wordt er geregistreerd en behandeld conform de richtlijnen van het Klachtendecreet: de klachtenmanager bevestigt de ontvangst van de klacht binnen de tien kalenderdagen en handelt de klacht af

binnen 45 kalenderdagen. Hiertoe vraagt de klachtenmanager een ontwerp van antwoord aan het hoofd van de afdeling in kwestie. Als de klager niet tevreden is met het antwoord van de klachtenmanager, kan hij nog terecht bij de Vlaamse

Sanering bij een textielbedrijf na geluidsklachten Reeds geruime tijd wordt MI geconfronteerd met klachten inzake geluidshinder, veroorzaakt door een Westvlaams tapijtbedrijf. Het klachtenonderzoek toont aan dat de geluidsoverlast deels wordt veroorzaakt door de continue werking van de machines in de extrusieafdeling van het bedrijf en deels door de toegenomen frequentie van het lossen van citernewagens met kunststofkorrels gedurende de dag. Bij levering van granulaat worden de korrels door gebruik van de eigen compressor van de tankwagen overgeblazen in de opslagsilo’s van het bedrijf. Vooral het gelijktijdig lossen van meerdere vrachtwagens gaat gepaard met overmatige geluidshinder. Op basis van metingen gaf een geluidsdeskundige de aanbeveling om de continue geluidsbronnen op het dak van de extrusieafdeling gefaseerd en brongericht aan te pakken. De maatregelen waren gericht op enerzijds het reduceren van het aantal emissiepunten door de bundeling van de meest luidruchtige bronnen en anderzijds het plaatsen van geluidsdempers op de resterende emissiepunten. Uit het immissierapport van controlemetingen na de uitgevoerde saneringsmaatregelen bleek dat de geluidshinder afkomstig van de continue bronnen op het dak hierdoor in belangrijke mate kon worden verminderd. In de omgeving van het bedrijf werden er ’s nachts voor alle windrichtingen reducties van het geluidsdrukniveau van 6 tot 10 dB(A) opgetekend. Voor het lossen van de vrachtwagens werd door het bedrijf geïnvesteerd in een interne transportluchtvoorziening om het granulaat over te blazen met een eigen blowersysteem, opgesteld in de extrusieafdeling. Door de werking van dit blowersysteem dienden de tankwagens niet langer gebruik te maken van hun eigen compressor, waardoor de hiermee gepaard gaande geluidshinder nagenoeg volledig verdween. Alle granulaatleveranciers werden op de hoogte gebracht van de nieuwe losprocedure en de tankwagens die niet beschikken over het benodigde aankoppelingsmateriaal mogen niet meer lossen. Op basis van het bronvermogen en het geluidsspectrum van de stijgleidingen dat door de deskundige tijdens het korreltransport werd opgemeten, werden alle stijgleidingen van de opslagsilo’s bovendien voorzien van specifieke geluidsisolatie, waardoor de hinder door het geluid van het korreltransport eveneens tot een minimum werd herleid. Door sanering van al deze geluidsbronnen wordt de enige nog resterende geluidshinder veroorzaakt door vrachtwagens die ook ’s nachts aan- en afrijden aan de laad- en loskaaien van een andere afdeling van ditzelfde bedrijf. Ook voor deze activiteiten stelde de geluidsdeskundige een rapport op waarin de haalbaarheid van diverse alternatieven, zoals de plaatsing van een geluidsscherm en het verplaatsen van de loskaaien, via simulatie in een rekenmodel momenteel wordt beoordeeld.

78 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Meldingen van voorvallen Ombudsdienst, die volgens dezelfde procedure een onderzoek kan instellen: de klacht wordt bezorgd aan het afdelingshoofd, het afdelingshoofd stelt een onderzoek in en rapporteert aan de Vlaamse Ombudsdienst en die laatste bezorgt de klager een antwoord. In 2007 behandelde MI 7 vragen van de klachtenmanager van LNE en 13 vragen van de Vlaamse Ombudsdienst. Een overzicht wordt gegeven in de onderstaande tabellen. Lijst van de in 2007 behandelde dossiers van de Vlaamse Ombudsdienst Nummer

Omschrijving

Klasse

2003-0512

Onvergunde stalling van vrachtwagens

2

2003-0753

Bouwovertreding en het niet hebben van een milieuvergunning van een busbedrijf (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

3

2004-0493

Exploiteren van een niet vergunde inrichting en milieuhinder (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

2

2005-0391

Geurhinder van een compostverwerkend bedrijf (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

1

2005-0689

Stofhinder van een palettenfabriek (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

1

2006-0291

Geluidshinder van een betonbedrijf (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

1

2006-0822

Geluidshinder van een voedingsbedrijf

2

2006-0851

Stofhinder van een afvalverwerkend bedrijf (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

1

2007-0174

Klacht over een weverij (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

3

2007-0201

Bouw- en milieuovertredingen en niet naleven van de vergunning door een diepvriesbedrijf

2

2007-0470

Geluids- en stofhinder van een motorcrossterrein (m.i.v. mededeling voorlopige kwalificatie)

1

2007-0633

Onvergunde feestzaal

2

2007-0944

Geurhinder door rottende prei

1

Elke exploitant heeft bij de uitbating van zijn bedrijf de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risicoâ&#x20AC;&#x2122;s voor en de gevolgen van ongevallen. Dat betekent onder andere dat de noodzakelijke interventiemiddelen moeten worden voorzien en dat bij hinder, schade of gevaar daartoe onmiddellijk alle nodige maatregelen moeten worden getroffen. Eventueel opgetreden verontreiniging moet op verantwoorde wijze ongedaan worden gemaakt. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat er ook schade wordt berokkend aan de mensen en het milieu in de omgeving van het bedrijf. Naast de zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitant: de voorvallen en de genomen maatregelen moeten worden gemeld bij de burgemeester en MI. Als er een voorval heeft plaatsgevonden zal MI, als dat relevant is, er zich van vergewissen of inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen werden getroffen. In 2007 werden er in totaal 1.060 voorvallen gemeld bij MI. Deze voorvallen zijn niet beperkt tot ongevallen in de enge betekenis van het woord. De exploitant moet onder andere ook melden wanneer de zuiveringsinstallaties uitvallen of wanneer een norm wordt overschreden. Meldingen van voorvallen Aantal meldingen

Lijst van de in 2007 behandelde vragen van de klachtenmanager van LNE Nummer

Omschrijving

Klasse

LNE/KL/2007/3

Milieuovertreding van een schapenbedrijf

3

LNE/KL/2007/4

Geluidsonderzoek - gebrekkige openbaarheid van bestuur

1

LNE/KL/2007/13

Klacht over controle van geurhinder van een mestverwerkingsbedrijf

LNE/KL/2007/19

Klacht over het toezicht op stof- en lawaaihinder van een sloop- en afvalstoffenbedrijf

1

LNE/KL/2007/20

Klacht over het toezicht op de geurhinder van een slachthuis

1

LNE/KL/2007/21

Klacht over het toezicht op geluidshinder bij een steenfabrikant

1

LNE/KL/2007/26

Klacht over de communicatie door MI bij een metaalbedrijf

2

Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

1.060 53

Sevesobedrijven moeten bovendien, volgens de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord, bij een zwaar ongeval het interne noodplan in werking zetten en de dienst 100 en het CoĂśrdinatie- en Crisiscentrum van de regering (CGCCR) verwittigen. Het CGCCR meldt door aan een aantal instanties, waaronder de bevoegde inspectiediensten die dan ter plaatse kunnen gaan om te controleren of de nodige noodmaatregelen werden getroffen.

Reactieve controles

- 79


MI treedt op na niet-gemelde calamiteit In de zomer van 2007 stelde een gemeentelijke milieudienst MI in kennis van een gasolieverontreiniging op een waterloop. MI voerde, in nauw overleg met de lokale politie, een onderzoek naar de bron van de verontreiniging. Deze speurtocht leidde naar een klasse 1 houtverwerkend bedrijf, waar MI in de bedrijfsriolering duidelijke gasolieverontreiniging aantrof. Door een overvulling van een bovengrondse opslagtank bij een brandstoffenverdeelinstallatie kwam een aanzienlijke hoeveelheid gasolie in de bedrijfsriolering voor de afvoer van hemelwater terecht. Die watert af naar een vijver die voor bluswatervoorziening dient. Via een overloop en enkele grachten stond deze vijver in verbinding met de verontreinigde waterloop. Het bedrijf had nagelaten deze calamiteit aan MI te melden conform artikel 4.1.3.4. van Vlarem II. MI gaf onmiddellijk mondeling en ter plaatse de aanmaning om de overloop van de vijver af te sluiten door middel van een industriële ballon, om zo de verdere verspreiding van de gasolieverontreiniging te voorkomen. Door het optreden van MI heeft het bedrijf onmiddellijk de gasolieverontreiniging in de bedrijfsriolering en de vijver laten opzuigen door een gespecialiseerde firma en de oliefilm op het grachtenstelsel en de waterloop geneutraliseerd door verneveling van een biologisch afbreekbaar detergent. MI stelde proces-verbaal op en legde via een schriftelijke aanmaning bijkomende structurele maatregelen op om herhaling van de calamiteit te voorkomen. Het bedrijf liet een overvulbeveiliging plaatsen op de mazoutopslagtank en de olieafscheider (horend bij de tankpiste) werd geledigd, gereinigd en voorzien van een alarm met niveauaanduiding. Daarnaast werd de bestaande bedrijfsriolering in kaart gebracht en aangepast zodat er nu een volledige scheiding is tussen de riolering voor hemelwater en deze voor bedrijfsafvalwater.

Evaluatieverslagen

Kantschriften

Een vergunning op proef kan worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. In uitvoering van artikel 40 van Vlarem I maakt MI voor elke vergunning op proef een evaluatieverslag. Dit verslag wordt bezorgd aan de vergunningverlenende overheid die een definitieve beslissing neemt. Slechts één provinciale vergunningverlener maakt geregeld gebruik van de mogelijkheid tot het afleveren van een proefvergunning om een beloofde of verplichte sanering daadwerkelijk te kunnen volgen. Het aantal proefvergunningen stijgt langzaam.

Het parket stelt via een kantschrift vragen bij een procesverbaal of over de voortgang van de administratiefrechtelijke afhandeling. Via een gemotiveerd verzoek worden toezichthoudende ambtenaren soms gevraagd om als technisch expert deel te nemen aan een onderzoek onder leiding van een magistraat of een officier van gerechtelijke politie. In 2007 gebeurden hiervoor 64 afstappingen.

Evaluatieverslagen bij proefvergunningen

80 -

Aantal verslagen

45

Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

81

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Kantschriften Ontvangen kantschriften

bij prioritaire processenverbaal

bij andere processenverbaal

Antwerpen

23

27

Brugge

5

2

Brussel

15

18

Dendermonde

23

91


Gent

9

84

Hasselt

16

42

Ieper

1

6

Kortrijk

9

41

Leuven

22

9

Mechelen

6

21

Oudenaarde

2

11

Tongeren

47

28

Turnhout

1

12

Veurne

5

5

Totaal

184

397

Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties

86

258

Evaluatie werkplannen Artikel 5.2.1.3. van Vlarem II bepaalt dat de exploitant van een inrichting waar de activiteit ‘verwerking van afvalstoffen’ wordt uitgeoefend, bij de aanvang van de activiteiten moet beschikken over een werkplan dat moet goedgekeurd zijn door de toezichthoudende overheid. Dit artikel vermeldt ook welke onderdelen de exploitant moet verduidelijken in zijn werkplan. Voor stortplaatsen komen daar nog een groot aantal punten bij, zoals vermeld in artikel 5.2.4.2.1.§1 van Vlarem II. MI streeft ernaar om binnen de vier weken na de ontvangst van een goed te keuren werkplan een antwoord te bezorgen aan de exploitant. Dit antwoord kan een goedkeuring van het werkplan zijn, maar ook een vraag tot verdere verduidelijking van enkele items. Uitzonderlijk kan deze termijn verlengd worden tot uiterlijk drie maand na indienen van het werkplan door de exploitant. MI heeft een interne procedure uitgewerkt voor behandeling en beoordeling van deze werkplannen. Essentieel is dat niet alleen de formele volledigheid van het ingediende werkplan moet worden nagegaan, maar ook de inhoude-

lijke volledigheid. Het is inderdaad duidelijk dat het werkplan een nuttig en krachtig handhavingsinstrument is voor de toezichthoudend ambtenaar bij zijn toekomstige controles op het terrein. De toestand op het terrein moet dan ook steeds weerspiegeld zijn in het goedgekeurde werkplan, zoniet moet de uitbater een vraag tot aanpassing van het werkplan overmaken. Ook is het denkbaar dat een toezichthoudend ambtenaar vaststelt dat een bepaalde bedrijfsvoering onvoldoende is beschreven in het werkplan; het logische gevolg is dan dat hij of zij het bedrijf aanmaant om die aspecten verder uit te diepen. Deze aanvragen tot aanpassing worden dan op dezelfde wijze behandeld als een nieuw ingediend werkplan. In de loop van 2007 werden 189 dergelijke aanvragen ter behandeling aan MI overgemaakt. Dat het beoordelen en opvolgen van die werkplannen een aanzienlijke werklast inhoudt binnen het takenpakket van de toezichthoudend ambtenaar hoeft dus geen betoog.

Vragen vanuit het Vlaams Parlement MI geeft elk jaar heel wat input bij het beantwoorden van diverse vragen vanuit het Vlaams Parlement. Het betreft hierbij schriftelijke vragen, vragen om uitleg en interpellatieverzoeken. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de behandelde vragen. Meestal noodzaken deze vragen niet tot het verrichten van bijkomende inspecties: de dossiers zijn bij MI meestal goed bekend en er is normaliter weinig tijd beschikbaar tussen het stellen van de vraag en het meedelen van het antwoord. Input bij vragen vanuit het Vlaams Parlement Aantal behandelde schriftelijke vragen

29

Aantal behandelde interpellatieverzoeken

1

Aantal behandelde vragen om uitleg

6

Reactieve controles

- 81


Overzicht van de behandelde vragen vanuit het Vlaams Parlement Datum

82 -

Onderwerp

Aard

Nr.

14/12/06

De milieucontroles van de afdeling Milieu-inspectie

Vraag om uitleg

20/12/06

De resultaten van het milieuhandhavingsrapport en de problemen bij de milieu-inspectie

Schriftelijke vraag

21/12/06

De handhaving van het milieubeleid

Vraag om uitleg

10/01/07

Het Vlaams internetloket voor de registratie en opvolging van milieuklachten

Vraag om uitleg

10/01/07

Sluikstorten - Handhavingsbeleid

Schriftelijke vraag

11/01/07

De resultaten van het biomonitoringsonderzoek op volwassenen en het gevoerde beleid van de Vlaamse Regering inzake milieuverontreiniging

Interpellatieverzoek

11/01/07

DDT-vervuiling - Oorzaken en maatregelen

Schriftelijke vraag

196

24/01/07

Milieuhandhavingsbeleid - Knelpunten

Schriftelijke vraag

239

31/01/07

Invoer afvalstoffen - Controles

Schriftelijke vraag

258

07/02/07

Stookolielozingen in waterlopen - Limburg

Schriftelijke vraag

263

13/02/07

Stort “Binkom II” Lubbeek - Nazorg

Schriftelijke vraag

288

21/02/07

Militaire domeinen - Milieuwetgeving

Schriftelijke vraag

305

6/03/07

De milieu-impact van de verbranding van afvalhout

Vraag om uitleg

26/03/07

Het opvullen van beekvalleien met grondoverschot

Vraag om uitleg

11/04/07

Motorcrosscircuit Waterloos (Maaseik) - Milieuvergunning

Schriftelijke vraag

403

18/04/07

Luchtverontreiniging Genk-Zuid - Maatregelen

Schriftelijke vraag

414

18/04/07

DDT-vervuiling - Oorzaken en maatregelen (2)

Schriftelijke vraag

410

16/05/07

Asbeststort Neerijse - Voorzorgsmaatregelen

Schriftelijke vraag

462

14/06/07

Overheidscommunicatie - Communicatiebureaus

Schriftelijke vraag

490

14/06/07

Illegale afvaltransporten

Vraag om uitleg

04/07/07

Resolutie milieu en gezondheid - Initiatieven (2)

Schriftelijke vraag

526

05/07/07

Groenenhoek Berchem - Geluidsoverlast

Schriftelijke vraag

537

06/07/07

Gemeentepark Boom - Waterkwaliteit vijver

Schriftelijke vraag

541

19/07/07

Gezondheidsrisico’s afvalstorten - Beleidsinitiatieven (2)

Schriftelijke vraag

562

26/07/07

Kleinschalige houtafvalverbranding - Milieu-impact

Schriftelijke vraag

574

09/08/07

Milieu-incidenten - Crisismanagement

Schriftelijke vraag

587

09/08/07

Asbestafval - Inzameling

Schriftelijke vraag

586

05/09/07

Gerecycleerde materialen en producten - Vlaamse overheid

Schriftelijke vraag

606

13/09/07

Lawaai en gezondheid - Permanente geluidsmetingen

Schriftelijke vraag

631

18/09/07

Zenne Halle-Lot - Stookolievervuiling

Schriftelijke vraag

650

18/09/07

Dender Teralfene - Stookolievervuiling

Schriftelijke vraag

651

20/09/07

Tessenderlo Chemie - Lozingsplannen 2012

Schriftelijke vraag

256

07/11/07

Biobrandstoffen - Stand van zaken

Schriftelijke vraag

119

21/11/07

Milieu-inspectie - Asbestcontroles

Schriftelijke vraag

147

06/12/07

Vlaamse Milieuconvenant met de gemeente

Schriftelijke vraag

47

18/12/07

Dender Geraardsbergen - Waterverontreiniging (2)

Schriftelijke vraag

210

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

257

189


Hoog toezicht Artikel 58 van Vlarem I bepaalt dat de door de minister aangestelde ambtenaren van MI gelast zijn met het toezicht op de inrichtingen van klasse 1 en met ‘hoog toezicht’ over de inrichtingen van klasse 2 en 3. In de milieuwetgeving is echter geen definitie van ‘hoog toezicht’ terug te vinden. ‘Hoog toezicht’ wordt door MI niet geïnterpreteerd als ‘in de plaats treden van degene die in gebreke blijft’. De afdeling beschikt immers in haar huidige vorm slechts over een zeer beperkt aantal toezichthoudende ambtenaren, die bij voorkeur worden ingezet om preventieve controleacties uit te voeren bij klasse 1-inrichtingen. Verder kan MI de uitvoering van het toezicht door de gemeentelijke overheden niet afdwingen, aangezien ze geen hiërarchische bevoegdheid heeft over die overheden. Om een degelijke invulling te geven aan ‘hoog toezicht’, heeft MI een procedure uitgewerkt en ingevoerd om het eerstelijnstoezicht door de gemeenten van dichtbij te volgen en om in ernstige gevallen, waarbij de gemeente manifest weigert om op te treden, toch te zorgen voor de handhaving van de milieuwetgeving.

Draaiboek wintersmog In periodes van ongunstige meteorologische omstandigheden kan de luchtverontreiniging tijdelijk sterk toenemen (‘smog’), met nadelige gevolgen voor mens en milieu. Vlarem II voorziet in een regeling waarbij de meest luchtvervuilende bedrijven bij smog maatregelen moeten nemen om hun uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht te verminderen. MI kreeg hierbij naast haar taak van toezichthouder op de uitvoering van die maatregelen, ook de rol van boodschapper toegewezen. MI moet de exploitanten van de bedrijven waarschuwen indien wintersmog optreedt. Wanneer de wintersmogperiode effectief wordt afgekondigd moet MI hen alarmeren en hen vragen om maatregelen te nemen. Ook bij het einde van de smogperiode, moet MI de bedrijven verwittigen om de maatregelen stop te zetten. De bedrijven moeten dan binnen de twee maanden aan MI alle informatie geven om de effectiviteit van de genomen maatregelen te kunnen evalueren. Daarnaast moet MI ook de andere gewesten, de buurlanden en de pers inlichten. De vertaling van die Vlarem-bepalingen naar een praktisch werkbare regeling voor MI, met uitgeschreven procedures en gestandaardiseerde waarschuwings- en alarmberichten naar alle bovenvermelde

betrokkenen, resulteerde in het ‘Draaiboek wintersmogperiodes’. In 2007 werd dit draaiboek geactualiseerd voor gebruik in de winter van 2007-2008. Vlarem maakt een onderscheid tussen een ‘waarschuwingsfase’ en een ‘alarmfase’. De waarschuwingsfase gaat in wanneer de uurgemiddelde meetwaarde voor NOx of de glijdende daggemiddelde meetwaarde voor SO2 een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. De meetwaarden zijn de concentraties van deze stoffen in de omgevingslucht. Ze worden door VMM continu gemeten bij 35 meetposten verspreid over het Vlaams grondgebied. Ook voor het afkondigen van de alarmfase staat er een drempelwaarde in Vlarem. Opdat bij alarm de genomen maatregelen werkelijk effectief zouden zijn is het belangrijk dat vooral de bedrijven die in de zone van de smog gelegen zijn, maatregelen nemen. Daarom werd Vlaanderen in zeven zones verdeeld, waaronder twee aparte zones voor de havengebieden van Antwerpen en Gent. Waarschuwingsfase of alarmfase gaan in op het moment dat er bij minstens twee meetposten in één zone een overschrijding van de drempelwaarde is. Alleen de bedrijven van die zone moeten bij alarm maatregelen nemen. De toezichthoudend ambtenaar van wacht van het Hoofdbestuur volgt daarom in het kader van zijn/haar permanentieopdracht, de evolutie van de gemeten concentraties bij de Vlaamse meetpunten op de webstek van IRCEL. Van VMM die het Vlaams meetnet beheert, ontvangt de toezichthoudend ambtenaar dagelijks per elektronische post een meetrapport voor alle meetposten. Alleen de grootste emittoren moeten bij alarm hun bijdrage in de luchtverontreiniging door maatregelen verminderen. De wintersmogbedrijven worden elk jaar op 1 oktober geselecteerd op basis van de in het emissiejaarverslag van het voorgaande jaar gerapporteerde jaarvrachten. Voor de winter van 2007-2008 zijn er 31 wintersmogbedrijven. Het zijn in hoofdzaak elektriciteitscentrales, metallurgische bedrijven, steenbakkerijen, raffinaderijen en grote chemische bedrijven. De wintersmogbedrijven moeten bij alarm hun productie- en verbrandingsprocessen die luchtverontreiniging veroorzaken tijdelijk beperken, uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten tijdelijk opschorten en het opstarten van bepaalde processen die met een extra emissie zouden gepaard gaan, uitstellen. Daarnaast moeten ze tijdelijk overschakelen naar zwavelarme brandstof en, indien mogelijk, naar aardgas. De exploitanten moeten binnen de 24 uur per fax aan MI melden welke maatregelen ze precies hebben genomen. MI voert het toezicht hierop uit.

Reactieve controles

- 83


Voortgangscontrole en eigen initiatief Om saneringen te realiseren en om de geloofwaardigheid van de handhaving hoog te houden, is een kordate en doortastende voortgangscontrole van de opgelegde maatregelen tot op het ogenblik dat de gewenste sanering is bereikt, een absolute noodzaak. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan het eigen initiatief: elke toezichthoudend ambtenaar kan na een kritische selectie zelf bedrijven selecteren en controleren. Dit valt buiten de geplande inspectieactiviteiten. Zowel voortgangscontrole als eigen initiatief maken een belangrijk deel uit van het sleutelproces â&#x20AC;&#x2DC;inspecteren en maatregelen nemenâ&#x20AC;&#x2122;. 35% van de tijd wordt daaraan besteed.

Voortgangscontrole van een dossier

Eigen initiatief

MI maakt optimaal gebruik van het handhavingsinstrumentarium om te verzekeren dat de voortgangscontrole succesvol is. Zodoende moeten opgelegde onderrichtingen leiden tot daadwerkelijke saneringen. In de gevallen waar dit niet zo is, zal MI overgaan tot administratieve rechtshandelingen (dwangmaatregelen, bevelen) of de vergunningverlenende overheid voorstellen om administratieve sancties te nemen (schorsen of opheffen van de vergunning). Daarnaast kan MI ook een voorstel indienen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden.

Bij de dagdagelijkse uitvoering van zijn opdracht wordt de toezichthoudend ambtenaar geconfronteerd met (potentiĂŤle) milieumisdrijven die een risico (kunnen) betekenen voor mens en milieu. Oplettendheid is een basisprincipe bij situaties zoals een op het eerste gezicht onzorgvuldige of onveilige uitbating van een bedrijf, een illegale lozing, bodemverontreiniging, verdachte rookpluimen uit een schoorsteen, acute geur-, licht-, geluid- en trillingshinder, illegaal achterlaten van afval of verbranden van afval. Daarbij is een (onmiddellijk) optreden op eigen initiatief op zijn plaats. Voor dit optreden wordt ongeveer 6% van de beschikbare tijd gereserveerd.

Voortgangscontrole en eigen initiatief

- 85


Enkele voorbeelden van MI-handhaving

Piekgeluiden bij een staalbedrijf In het najaar van 2006 ontving MI verschillende klachten van buurtbewoners over aanhoudende geluidsoverlast van een nabijgelegen staalbedrijf. De geluidshinder bleek vooral afkomstig te zijn van de activiteiten op het schrootpark van het bedrijf. Als grondstof voor de productie van roestvast staal werd staalschroot ingezet, dat met behulp van enkele grote grijpkranen verladen werd. Dit schroot is niet-magnetisch en valt dus geregeld tussen de grijparmen uit. Zo ontstaan zeer hinderlijke piekgeluiden. MI beschikt over een weerbestendige geluidsmeter die langdurig meetwaarden kan registreren en waardoor ook de nachtelijke activiteiten van het bedrijf beter kunnen worden geanalyseerd. In februari 2007 zette MI een meetcampagne op ter hoogte van de woning van één van de klagers, en dit gedurende een periode van drie weken. Uit de metingen bleek dat de piekgeluiden ten gevolge van de exploitatie van het schrootpark vrijwel de ganse dag en nacht waarneembaar waren. De gemeten waarden van deze piekgeluiden waren weliswaar zeer variabel, maar waren duidelijk te onderscheiden en ontegensprekelijk afkomstig van het staalbedrijf. Ook in de audio-opnames was het geluid van vallend metaal duidelijk hoorbaar. Dit stelde MI ook zelf vast tijdens de talrijke inspecties bij het bedrijf. Vermits uit de klachten van de omwonenden bleek dat zij vooral hinder ondervinden tijdens de nachtperiode (tussen 22 uur en 7 uur), besloot MI om vooral deze periode te beoordelen. Tijdens de nacht was er bovendien het minst sprake van eventuele geluiden van andere bronnen. Bij de toetsing van de gemeten geluidswaarden aan de bepalingen van Vlarem II bleek, bij vergelijking met de toetsingscriteria voor nieuwe inrichtingen, dat op bepaalde ogenblikken de norm voor impulsachtig geluid tijdens de nachtperiode overschreden werd met 15 dB(A). MI stelde een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om passende maatregelen te treffen om de geluidsoverlast in te dijken. Tijdens een vergadering met MI kon het bedrijf de geluidsmetingen en de audio-opnames bestuderen en beluisteren. MI bezorgde hen ook een digitale versie van alle resultaten. Daarna nam het bedrijf een reeks maatregelen die zich vooral toespitsten op de aanpassing van de werkmethoden. Dit werd ondersteund door een aantal technische hulpmiddelen. Zo heeft men op het bedrijfsterrein inmiddels twee geluidsmeters (met audio-opname) opgesteld, die continu kunnen worden gevolgd door het bedrijf en door de aannemer die het schrootpark beheert. Op deze manier kan men een permanente controle uitvoeren op de handelingen van de kraanmachinisten, ook ’s nachts. Het is de bedoeling om door optimalisatie en voortdurende bijsturing van interne procedures de geluidsoverlast bij de schrootmanipulaties maximaal te beperken. Het aantal piekgeluiden is sinds het invoeren van de maatregelen sterk teruggedrongen. Het bedrijf lijkt zich bewust van het belang van een permanent toezicht op de naleving van de procedures om de potentiële geluidsoverlast voor de omwonenden tot een aanvaarbaar niveau te beperken. MI zal het effect van deze maatregelen blijven volgen.

86 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Sanering van een stortplaats voor asbest Bij de inspectie van een stortplaats voor inerte afvalstoffen stelde MI vast dat het storten van gebonden asbestcement niet gebeurde volgens de Vlarem II-voorschriften. Deze afvalstoffen werden aangevoerd in zogenaamde â&#x20AC;&#x2DC;big bagsâ&#x20AC;&#x2122;. MI stelde vast dat meerdere zakken opengescheurd waren, vooral door de manipulatie van de zakken op het stort zelf. Het was duidelijk zichtbaar dat een wiellader die over de zakken heen en weer reed, deze zakken openscheurde, waarna een deel van de inhoud werd geplet en verpulverd onder de druk van de rupsbanden. MI stelde eveneens vast dat het achterste deel van het stort, dat was voorbehouden voor het storten van deze afvalstof, deels was platgewalst en onvoldoende was afgedekt. Mede door het droge weer was er heel wat stofvorming. Op meerdere plaatsen stonden containers op een ondergrond met duidelijke sporen van gebonden asbestcement. Door het verplaatsen van de containers en door het verkeer werden deze afvalstoffen geplet en verbrijzeld. Daardoor kon stof, dat mogelijk asbestvezels bevatte, in de omgeving verspreid worden. De stofvorming en de verspreiding werden ook niet voorkomen door bijvoorbeeld het besproeien met water. De inspectie vond plaats na een lange periode met droog weer en er stond een stevige wind. Alhoewel deze omstandigheden uitzonderlijk waren, was het probleem nu wel heel duidelijk zichtbaar. Artikel 5.2.4.1.9§5 van Vlarem II werd overtreden. MI stelde een proces-verbaal op en de toezichthoudend ambtenaar gaf onmiddellijk ter plaatse het bevel om het terrein nat te maken en de zakken met gebonden asbestcementafval af te dekken volgens de geldende voorschriften van Vlarem II. De verantwoordelijken van het stort namen onmiddellijk alle maatregelen die nodig waren door enerzijds dit deel van het stort te benevelen en anderzijds de gestorte big bags af te dekken. Ook volgden er instructies aan de aanvoerders van deze afvalstof met betrekking tot het storten van de big bags. Het betrokken personeel kreeg zowel mondeling als schriftelijk bijkomende instructies.

Voortgangscontrole bij een chemisch bedrijf Bij een controle medio 2007 bij een chemisch bedrijf uit het Gentse stelde MI vast dat enerzijds de keuring van de elektrische installaties niet werd uitgevoerd volgens de opgelegde frequentie (jaarlijks) en dat anderzijds uit de voorgelegde keuringsverslagen bleek dat verschillende installaties niet voldeden aan de voorschriften van het AREI. MI stelde ook vast dat drie opslagtanks voor gevaarlijke stoffen niet werden onderworpen aan de verplichte keuringen. MI verbaliseerde het bedrijf en maande het aan om de nodige keuringen uit te voeren en gevolg te geven aan de opmerkingen uit de keuringsverslagen. Intussen zijn de nodige keuringen uitgevoerd en zijn de meeste opmerkingen uit de keuringsverslagen weggewerkt. Eind 2007 liet MI, naar aanleiding van verschillende incidentele emissies van SOx met gevolgen naar de omgeving, zelf metingen uitvoeren. Uit deze metingen bleek dat de emissiegrenswaarden voor SO2 ruim werden overschreden. Opnieuw verbaliseerde MI het bedrijf en maande het aan om maatregelen te nemen om de emissies beneden de opgelegde emissiegrenswaarden te brengen. Het bedrijf voerde intussen aanpassingen uit aan de installatie, wat een drastische daling van de emissies tot gevolg had. Het bedrijf plant verder nog maatregelen om de emissies van SOx (vooral bij opstart en stilleggen van de installaties) te reduceren door middel van het plaatsen van een scrubber.

Voortgangscontrole en eigen initiatief

- 87


Niet-vergunde activiteiten bij een houtverwerker Een houtverwerkend bedrijf produceert houtpellets en houtbriketten uit houtafval, dat ondermeer vanuit zagerijen aangevoerd wordt. Het bedrijf mag echter niet zomaar alle houtafval aanvaarden. De bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning beperken de aanvoer door het opleggen van samenstellingscriteria voor het aangevoerde houtafval. In het kader van de routinemonsternames van afvalstoffen ging MI ter plaatse om monsters te nemen van het zaagsel en de houtkrullen waarvan de pellets en briketten gemaakt worden. Tijdens deze inspectie stelden de toezichthoudende ambtenaren vast dat er op het bedrijfsterrein een mobiele installatie bezig was met het vermalen van geverfd en behandeld hout. Hoewel deze houtspaanders niet gebruikt worden in de productie van houtpellets en houtbriketten, maar afgevoerd worden naar de spaanderplaatindustrie, stelde MI een proces-verbaal op: de opslag en de mechanische behandeling van behandeld houtafval is immers niet vergund. MI verstuurde ook een aanmaning naar het bedrijf en volgde de regularisatie van deze toestand. Eind 2007 kon het parket dan ook al op de hoogte gesteld worden van de stand van zaken.

Illegale verwerking van bouwafval In maart en april 2007 ontving MI klachten van meerdere buurtbewoners over de exploitatie van een werf in een dichtbevolkte wijk. Een groot aannemersbedrijf voerde in de nabije omgeving wegenis- en collectorwerken uit en had daarbij een opslagplaats voor het uitgebroken asfalt en betonpuin. Dit afval werd ook ter plaatse gebroken. Er was ook een grondmenginstallatie in werking voor het vermengen van grond met cement of kalk. MI voertde een inspectie uit en stelde vast dat de buurt veel hinder ondervond van het drukke verkeer van vrachtwagens en tractoren en dat de hele buurt voortdurend stofhinder ondervond. Volgens de gemeente en volgens de aannemer zou de exploitatie van deze werfinstallaties niet vergunningsplichtig zijn omdat er in de indelingslijst een uitzonderingsbepaling staat voor â&#x20AC;&#x2DC;het mechanisch behandelen op de bouwplaats zelf van inerte stoffen die bij de uitvoering van wegeniswerken ontstaan, indien die stoffen nuttig worden aangewend op die bouwplaats zelfâ&#x20AC;&#x2122;. Bijgevolg kon MI deze hinder niet verbaliseren als een inbreuk op de zorgplicht, zoals die bepaald wordt in het milieuvergunningsdecreet. MI bleef de situatie in het oog houden. Tijdens een inspectie in oktober vroeg MI inzage in de documenten betreffende de herkomst van het aangevoerde materiaal en de bestemming van het gebroken en gemengde materiaal. Uit de leveringsbons en de bedrijfstabellen bleek dat er minstens 3.700 ton inert afval (grond met stenen, asfaltpuin, betonbrokken) aangevoerd werd van vier andere werven van dit aannemersbedrijf. De uitzonderingsbepaling voor de vergunningsplicht was dus niet langer van toepassing op deze exploitatie. MI stelde proces-verbaal op voor exploitatie zonder milieuvergunning, voor het veroorzaken van abnormale hinder en voor het niet naleven van de sectorale milieuvoorwaarden voor de verwerking van afvalstoffen. MI stelde bovendien aan de burgemeester voor om de stopzetting te bevelen van de niet-vergunde activiteiten. Het aannemersbedrijf besloot om de activiteiten op dit terrein volledig stop te zetten en het terrein te ontruimen tegen eind 2007. MI stelde begin 2008 vast dat het betreffende terrein inderdaad volledig ontruimd is.

88 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


MI en parket zorgen samen voor stopzetting van illegale motorcrossactiviteiten Eind 2005 ontving MI plots verschillende klachten over geluidshinder van motorcrossactiviteiten op een terrein van een vroegere kiezelgroeve. Onderzoek wees uit dat in 2005 een milieuvergunning was afgeleverd voor de verdere uitbating van het crosscircuit, maar dat de noodzakelijke stedenbouwkundige vergunningen niet voorhanden waren. Wel was er een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan opgemaakt met de bedoeling het gebied waar het crossterrein gelegen is, om te vormen van natuurgebied naar recreatiegebied, maar de procedure was nog niet afgerond. Door de koppeling van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning betekende dit dat de verleende milieuvergunning geschorst was zolang de stedenbouwkundige vergunning niet was verleend. Bij de aanvang van het crossseizoen 2006 stapten de buurtbewoners van het crosscircuit naar de rechtbank om in kortgeding de stopzetting van de exploitatie te bekomen. De rechter is op deze eis ingegaan, met als gevolg dat er in 2006 omzeggens geen crossactiviteiten op het circuit plaatsvonden. Maar eind 2006 werd deze uitspraak in beroep vernietigd, op basis van de overweging dat men in deze zaak geen hoogdringendheid kon inroepen. Ondertussen bracht MI de uitbater op de hoogte dat de milieuvergunning geschorst was zolang de toestand inzake stedenbouwkundige vergunningen niet was geregulariseerd en dat er bijgevolg geen crossactiviteiten meer mochten plaatsvinden. MI bracht ook de burgemeester van dit standpunt op de hoogte. Desondanks waren er begin 2007, bij de publicatie van de nieuwe wedstrijdkalender, aanwijzingen dat de exploitatie van het crosscircuit zou hernomen worden. Op deze kalender stond als eerste activiteit het Belgisch kampioenschap. Deze wedstrijd zou doorgaan op een zondag in april 2007. MI vroeg vervolgens aan de burgemeester welke maatregelen hij zou treffen indien de exploitatie van het crosscircuit zou hernomen worden. De burgemeester antwoordde dat hij niet zou overgaan tot het nemen van dwangmaatregelen, maar dat hij wel een eventuele rechterlijke uitspraak zou respecteren. Omdat de burgemeester niet wenste op te treden, gaf MI zelf enkele dagen voor de eerste crosswedstrijd het bevel tot stopzetting van de illegale uitbating en van alle illegale activiteiten die op het circuit plaatsvinden. De uitbater negeerde echter flagrant het bevel tot stopzetting. Zowel het Belgisch kampioenschap in april 2007 als andere wedstrijden en oefenritten in de daaropvolgende weken en maanden gingen gewoon door. MI stelde verschillende processen-verbaal op omdat de uitbater de illegale uitbating verderzette en geen gevolg gaf aan het bevel tot stopzetting. De verdere uitbating gaf bovendien aanleiding tot herhaaldelijke klachten van buurtbewoners over geluidshinder, geurhinder door uitlaatgassen en stofhinder. Omdat een verzegeling van het circuit niet zomaar realiseerbaar was, startte de Vlaamse overheid, op initiatief van MI, een procedure in het kader van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. De aangeduide raadsman legde in juni 2007 een verzoekschrift neer bij de Rechtbank van eerste aanleg om een stakingsvordering in te stellen tegen de uitbater van het motorcrosscircuit. De rechter deed in december 2007 uitspraak en oordeelde dat er sprake was van een kennelijke inbreuk op de reglementering inzake de bescherming van het leefmilieu. Hij beval de staking van alle vergunningsplichtige activiteiten en van alle activiteiten die onlosmakelijk deel uitmaakten van de exploitatie op het voormelde crossterrein, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per inbreuk. Ondertussen liet het parket in oktober 2007 het crossterrein verzegelen door de Gerechtelijke politie. Deze verzegeling vond plaats naar aanleiding van de door MI opgestelde processen-verbaal. Door deze verzegeling kon de uitbater geen verdere crossactiviteiten meer laten doorgaan.

Voortgangscontrole en eigen initiatief

- 89


Straf- en administratiefrechtelijk optreden ‘Het werk van een toezichthoudend ambtenaar begint pas als de inspectie is afgelopen’. Het is een ietwat boude bewering die meer dan een grond van waarheid bevat. Tijdens een inspectie worden allerhande vaststellingen gedaan die steeds moeten worden getoetst aan de geldende regels. De beoordeling van alle informatie en de verdere afhandeling van vastgestelde overtredingen kan veel meer werk en tijd vragen dan de voorbereiding en de eigenlijke inspectie ter plaatse. Voor de afhandeling van de vaststellingen beschikt MI over het handhavingsinstrumentarium. Na de vaststelling van een overtreding stelt MI een proces-verbaal op en verstuurt dat naar de procureur des Konings. Tegelijkertijd dwingt MI een sanering af via de administratiefrechtelijke afhandeling. MI gebruikt hierbij een kwaliteitshandboek, om zo te komen tot een uniforme, vlugge en correcte dossierafhandeling.

Inspecteren Het grootste aantal inspecties wordt uitgevoerd tijdens de normale werkuren. Aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts en in het weekend geïnspecteerd, aangezien milieuvervuiling geen ‘nine to five’-aangelegenheid is. Van iedere inspectie wordt een inspectieverslag opgemaakt. In veel gevallen is het noodzakelijk monsters te nemen of metingen te doen om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Over de opzet en de resultaten van de inspecties wordt uitgebreid gerapporteerd in de vorige delen van dit rapport. Het behoort ook tot de opdracht van MI om een 24-uurpermanentie te verzekeren. Per provincie is minstens één toezichthoudend ambtenaar van permanentie. Die ambtenaar kan worden opgeroepen door de Vlaamse minister van Leefmilieu, de hiërarchische oversten, de gerechtelijke overheden, zoals de procureurs des Konings of de onderzoeksrechters en het Crisiscentrum van de Regering (CGCCR). Het Hoofdbestuur staat in voor de smogpermanentie: tijdens periodes van wintersmog volgt zij dag en nacht de ontwikkeling van de luchtkwaliteit (NOx en SO2) en start ze indien nodig, met ondersteuning van de provinciale buitendiensten, de nodige acties op.

De toezichthoudende ambtenaren van permanentie en de diensthoofden beschikken over de nodige logistieke uitrusting om een oproep ogenblikkelijk te beantwoorden en zich ter plaatse te begeven. Ze beschikken over een dienstwagen met een basispakket van materiaal om zelf monsters te nemen of metingen te verrichten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal inspecties en gecontroleerde bedrijven in 2007. Overzicht van het aantal inspecties en gecontroleerde bedrijven in 2007. Aantal uitgevoerde inspecties Tijdens de diensturen

7.715

’s Avonds (van 17 uur tot middernacht)

2.428

’s Nachts (van middernacht tot 8 uur)

1.240

In het weekend (zaterdag, zondag en officiële feestdagen) Totaal

634 12.017

Aantal gecontroleerde bedrijven

4.422

Het aantal inspecties vertoont in 2007 een terugval ten opzichte van 2006. Dit is ondermeer een gevolg van het voortdurend streven van MI naar een betere kwaliteit van

Straf- en administratiefrechtelijk optreden

- 91


de uitgevoerde inspecties. Het is duidelijk dat inspecties met meer diepgang, waarbij bepaalde milieu- of veiligheidsaspecten grondig worden doorgelicht, ook meer tijd in beslag nemen. Het zijn vooral de Seveso-inspecties, GPBV-inspecties en de vele inspecties in het kader van de specifieke handhavingscampagnes die het meest tijdsintensief zijn. Een bijkomende factor is de aandacht die MI in 2007 besteedde aan de controle van de zelfcontrolebepalingen. Deze controles zijn vaak administratieve controles die niet noodzakelijk gepaard gaan met inspecties ter plaatse. Eén inspectie kan één, meerdere of alle milieudisciplines omvatten: afvalwater, lucht, geluid, afval, veiligheid, bodem en grondwater, ggo’s, GPBV, … Eén inspectie betekent dus zeker niet altijd dat alle milieuaspecten van een bedrijf worden gecontroleerd. Anderzijds is het mogelijk dat een bedrijf meermaals per jaar wordt gecontroleerd, bijvoorbeeld bij een geurklacht of een nieuwe vergunning, voor een monstername van afvalwater of een meting van de luchtemissies en voor de voortgangscontrole van een lopende sanering. Aspecten zoals milieu-impact, klachtmeldingen, nieuwe vergunningen, preventieve inspectiecampagnes, monsternames, voortgangscontroles en saneringen spelen hierin een belangrijke rol.

decreet en inbreuken tegen andere wetgeving. Binnen het Milieuvergunningsdecreet wordt er verder een onderscheid gemaakt tussen het ontbreken van een (volledige) vergunning en het niet-naleven van de voorwaarden. In de onderstaande tabel is de som van de laatste drie rijen daarom groter dan het getal in de eerste rij. Sinds de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest op 30 mei 2000 werd goedgekeurd door de Commissie Vervolgingsbeleid (verder prioriteitennota genoemd), en de aangepaste code van goede praktijk voor het proces-verbaal vanaf 1 januari 2001 van kracht werd, kan MI in een proces-verbaal melding maken van het prioritaire karakter van een overtreding volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen. De prioriteitennota vermeldt daarover onder andere dat als de administratie een proces-verbaal opmaakt voor de prioritaire misdrijven, ze daarin ter informatie van het parket uitdrukkelijk melding maakt van het prioritaire karakter en aangeeft waarom het gewenste onderzoek en de eventuele strafrechtelijke vervolging volgens haar prioritair zijn. De aanmerking van een strafrechtelijke overtreding als prioritair heeft tot gevolg dat op de meest doeltreffende manier moet worden opgetreden, zowel strafrechtelijk als administratiefrechtelijk. Aanvankelijke processen-verbaal

Processen-verbaal Een aanvankelijk proces-verbaal wordt opgesteld na de vaststelling van een overtreding van de milieuhygiënewetgeving en wordt verstuurd naar de procureur des Konings. In één proces-verbaal kunnen verschillende overtredingen worden opgenomen. Bij het overzicht van de opgestelde processen-verbaal wordt er een onderscheid gemaakt tussen inbreuken tegen het Milieuvergunnings-

92 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Totaal aantal

587

Aantal prioritaire processen-verbaal

249 (42 %)

Aantal niet-prioritaire processen-verbaal

338 (58 %)

Wegens geen of gedeeltelijke vergunning

152

Wegens niet-naleven van voorwaarden

349

Andere wetgeving (Afvalstoffendecreet, Bodemsaneringsdecreet, Meststoffendecreet …)

92


In de onderstaande grafiek is voor de voorbije negen jaar een vergelijking gemaakt tussen de verschillende overtredingen die aanleiding geven tot de opmaak van een proces-verbaal. Die grafiek toont aan dat tot 2006 het aantal processen-verbaal dat wordt opgemaakt wegens het ontbreken van een milieuvergunning procentueel gezien afneemt in vergelijking met het aantal processen-verbaal wegens het niet-naleven van de vergunningsvoorwaarden. In 2007 is er echter opnieuw een procentuele stijging van het aantal processen-verbaal wegens geen of een gedeeltelijke milieuvergunning. In de meeste gevallen gaat het om een onvolledige milieuvergunning waarbij een of meerdere vergunningsplichtige rubrieken niet zijn opgenomen. Naast de aanvankelijke processen-verbaal worden ook heel wat navolgende processen-verbaal opgesteld. Daarmee worden aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings bezorgd. Dat gebeurt op eigen initiatief van MI of na een kantschrift van het parket. Zo worden gegevens verstrekt over de administratiefrechtelijke voortgangscontrole door MI, wordt een verklaring van de strafrechtelijk verantwoordelijke van het bedrijf doorgestuurd of wordt gemeld dat feiten opnieuw werden vastgesteld. Als het bedrijf na een aanmaning van MI aan alle voorschriften voldoet, wordt dat eveneens gemeld. Navolgende processen-verbaal Totaal aantal

753

Maatregelen nemen Maatregelen nemen om een vastgestelde overtreding te doen ophouden, behoort tot de kerntaken van een toezichthoudend ambtenaar. Met het geven van aanmaningen start de administratiefrechtelijke afhandeling en beoogt MI een daadwerkelijke sanering van de tekortkomingen. Als een bedrijf het vooropgestelde resultaat niet haalt, moet MI de daarbij mogelijke stappen overwegen. Bij de keuze tussen enerzijds administratieve rechtshandelingen of anderzijds het voorstellen van administratieve sancties, houdt MI rekening met dossierspecifieke informatie. In het eerste geval zal dit leiden tot het bevelen van de stopzetting van een activiteit, het verzegelen van de toestellen en het opleggen van de onmiddellijke of de voorlopige sluiting van de inrichting. In het tweede geval zal MI de vergunningverlenende overheid voorstellen hetzij de vergunningsvoorwaarden te wijzigen of aan te vullen, hetzij de vergunning te schorsen of op te heffen.

Soorten maatregelen Raadgevingen en aanmaningen Als MI bij een inspectie geen overtredingen vaststelt maar aanwijzingen heeft dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan, bijvoorbeeld omdat nieuwe of aangepaste wetgeving in voege zal treden of omdat de toezichthoudend ambtenaar vanuit zijn expertise oordeelt dat installaties zouden kunnen falen, dan kan een raadgeving aan de exploitant worden verstuurd om er voor te zorgen dat conformiteit met de wetgeving continu wordt verzekerd. Stelt MI evenwel overtredingen vast, dan wordt de exploitant steeds aangemaand om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Gewoonlijk volstaat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een aanmaning bestaat in de meeste gevallen uit

Straf- en administratiefrechtelijk optreden

- 93


verschillende deelaanmaningen, die tegen verschillende data moeten uitgevoerd worden. Pas als alle deelaanmaningen zijn uitgevoerd, registreert MI dat de sanering is uitgevoerd. Raadgevingen en aanmaningen Zonder proces-verbaal

1.234

Gesaneerd

1.341

Na proces-verbaal

498

Gesaneerd

456

In de grafiek onderaan zijn, voor de periode 1999-2007, de saneringen naast de raadgevingen en aanmaningen geplaatst. Bij beide is een onderscheid gemaakt tussen die met en die zonder proces-verbaal. Het aantal aanmaningen na proces-verbaal en de daarbij horende saneringen is in 2007 na een dalende trend van de voorgaande jaren, voor het eerst opnieuw licht gestegen. Het aantal raadgevingen en aanmaningen zonder proces-verbaal blijft in 2007 stijgen ten opzichte van de voorgaande jaren. Vraag tot optreden van de burgemeester Naast de toezichthoudende ambtenaren van MI hebben ook de burgemeesters een belangrijke rol gekregen bij de handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Ze vervullen een sleutelrol bij het opleggen van dwangmaatregelen, ook voor een klasse 1-inrichting. Als een klasse 1-inrichting uitgebaat wordt zonder of deels zonder vergunning, kan MI de burgemeester voorstellen de stopzetting van de activiteiten te bevelen, de toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten. Dit gebeurt geregeld. Vraag tot optreden van de burgemeester

94 -

Vragen aan de burgemeester

52

Opgetreden door de burgemeester of gesaneerd door exploitant

53

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

MI-dwangmaatregelen Indien MI de burgemeester voorstelt om de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten én als de burgemeester niet of onvolkomen optreedt, kan MI die maatregelen zelf treffen. Ook als een inrichting geëxploiteerd wordt in strijd met de vergunningsvoorwaarden en de exploitant weigert gevolg te geven aan gegeven aanmaningen, kan MI zelf dwangmaatregelen opleggen. Administratieve sancties Als de exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan de bevoegde overheid de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen, alsook de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Dat alles kan gebeuren op voorstel van een toezichthoudend ambtenaar.


Overzicht van de MI-dwangmaatregelen en de door MI voorgestelde administratieve sancties MI-dwangmaatregelen (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf

Datum

Omschrijving dwangmaatregel

Situatie eind 2007

Helihaven

6/02/03

Stopzetting van de activiteiten

De Raad van State vernietigde de beslissing tot stopzetting met de argumentatie dat een helihaven niet vergunningsplichtig is. Het bedrijf is nog in exploitatie

Landbouwbedrijf

17/04/03

Naleving van het aantal vergunde varkens

Beroep tegen dwangmaatregel lopende bij de minister

Benzinestation

27/04/05

Stopzetting opslag en verdeling van brandstoffen voor motorvoertuigen

Activiteiten stopgezet

Benzinestation

17/10/06

Stopzetting van de activiteiten

MI heeft inrichting verzegeld

Benzinestation

30/10/06

Stopzetting van de activiteiten

MI heeft inrichting verzegeld

Aluminiumveredeling

20/11/06

Bevel tot sluiting met ingang van 29/11/2006

MI heeft inrichting verzegeld na uitspraak van de Correctionele Rechtbank van 20/02/2007

Benzinestation

28/11/06

Stopzetting van de activiteiten

Activiteiten stopgezet

Benzinestation

19/12/06

Stopzetting van de activiteiten

Minister heeft termijn dwangmaatregel verlengd â&#x20AC;&#x201C; termijn nog lopende

MI-dwangmaatregelen (nieuw in 2007) Activiteit van het bedrijf

Datum

Omschrijving dwangmaatregel

Situatie eind 2007

Waterwinbedrijf

11/01/07

Bevel tot vervangen van uurteller

Uurteller werd vervangen

Benzinestation

12/02/07

Stopzetting van de activiteiten

Toestand gesaneerd

Benzinestation

30/03/07

Stopzetting van de activiteiten

Toestand gesaneerd

Motorcrosscircuit

4/04/07

Stopzetting van de activiteiten

Activiteiten stopgezet na verzegeling door parket en na uitspraak Burgerlijke Rechtbank van 14/12/07 (staking bevolen)

Skipiste

25/05/07

Stopzetting van de activiteiten

Inrichting heeft een nieuwe vergunning bekomen

Benzinestation

31/07/07

Stopzetting van de activiteiten

MI heeft inrichting verzegeld

Benzinestation

31/07/07

Stopzetting van de activiteiten

MI heeft inrichting verzegeld

Benzinestation

20/08/07

Stopzetting van de verdeelinstallatie voor benzine

Afwijkingsaanvraag ingediend door exploitant â&#x20AC;&#x201C; nog geen uitspraak

Vleesverwerking

20/09/07

Stopzetting van de lozing van bedrijfsafvalwater

Termijn van het bevelschrift loopt nog

Houtafvalverbrandingsinstallatie

18/10/07

Stopzetting van de oude houtafvalverbrandingsinstallatie

Uitspraak in beroep: termijn van dwangmaatregel verlengd tot 01/02/2008

Spaanplaatbedrijf

5/12/07

Stopzetting van de houtafvalverbrandingsinstallatie

Beroep aangetekend, nog geen uitspraak

Voorstellen tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf

Datum

Omschrijving dwangmaatregel

Situatie eind 2007

Afvalverwerker

19/10/04

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

Nog geen uitspraak

Autoafbraak

20/10/05

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

Vergunning werd geschorst. Burgemeester werd verzocht te sluiten. Burgemeester trad niet op, maar bedrijf saneerde en stelde zich in regel. Definitieve uitspraak van de deputatie over al dan niet schorsen of opheffen van de vergunning wordt verwacht in 2008

Vleesverwerking

19/01/06

Voorstel aan de minister tot schorsing van de lozingsvergunning

Nog geen uitspraak

Afvalverwerking

24/03/06

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

Beslissing van de deputatie om de milieuvergunning niet te schorsen

Afvalverwerker

4/05/06

Voorstel aan de deputatie tot opheffing van de milieuvergunning

Nieuwe vergunning bekomen

Afvalverwerker

12/05/06

Voorstel aan burgemeester tot opheffing van de milieuvergunning

Nog geen uitspraak. Nieuw proces-verbaal opgesteld

Productie tensiden

31/07/06

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

De schorsing van de milieuvergunning werd uitgesproken door de deputatie en bevestigd door de minister (gaat in op 1 juni 2008)

Groenteverwerker

29/08/06

Voorstel aan de deputatie tot opheffing van de milieuvergunning

Proefvergunning afgeleverd

Afvalverwerking

7/11/06

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

De schorsing van de milieuvergunning werd uitgesproken door de deputatie en bevestigd door de minister

Straf- en administratiefrechtelijk optreden

- 95


Voorstellen tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning (nieuw in 2007) Activiteit van het bedrijf

Datum

Omschrijving dwangmaatregel

Situatie eind 2007

Opslag en sortering schroot

8/02/07

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

Nog geen uitspraak

Landbouwbedrijf

5/03/07 en 03/10/07

Voorstel aan deputatie om vergunning op te heffen

Bijkomende bijzondere voorwaarden opgelegd

Benzinestation

11/04/07

Voorstel aan deputatie om vergunning te schorsen

Activiteiten stopgezet

Benzinestation

11/04/07

Voorstel aan deputatie om vergunning op te heffen

Activiteiten stopgezet

Landbouwbedrijf

3/10/07

Voorstel aan deputatie om vergunning op te heffen

Nog geen uitspraak

Opslag en sortering afvalstoffen

16/10/07

Voorstel aan de deputatie tot schorsing van de milieuvergunning

Nog geen uitspraak

Voorstellen tot wijziging of aanvulling van de milieuvergunningsvoorwaarden (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf

Datum

Omschrijving dwangmaatregel

Situatie eind 2007

Chemiebedrijf

1/02/05

Voorstel aan AMV: aanpassen lozingsvergunning, opleggen van een haalbaarheidsonderzoek van het waterverbruik

Nog geen uitspraak

Productie fijnchemicaliĂŤn

4/02/05

Voorstel aan AMV: verbeteren veiligheidsvoorzieningen, optimaliseren productieproces, onderzoek recuperatie VOS en alternatieve transportmiddelen

Nog geen uitspraak

Verwerking van citroenzuur

27/01/06

Voorstel aan AMV: verplichten tot aanwenden koelwater in gesloten systeem; omvorming semi-open naar gesloten opslagplaats voor citrogips;

Nog geen uitspraak

non-ferro

24/07/06

Voorstel aan AMV: aanpassen lozingsvoorwaarden in functie van BBT

Voorstellen zijn opgenomen in nieuwe milieuvergunning

Voorstellen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden (nieuw in 2007) Activiteit van het bedrijf

Datum

Omschrijving dwangmaatregel

Situatie eind 2007

Landbouwbedrijf

31/01/07

Vraag aan de deputatie tot opleggen van supplementaire aanvoervoorwaarden

De deputatie heeft bijkomende voorwaarden opgelegd

Metaalbewerking

12/09/07

Voorstel aan AMV: opleggen een onderzoek naar mogelijkheden van standtijdverlenging baden en hergebruik gezuiverd water

Nog geen uitspraak

Afvalverwerker

21/12/07

Vraag aan deputatie tot opleggen van bijkomende voorwaarden

De deputatie heeft bijkomende voorwaarden opgelegd

Voorbeelden van genomen maatregelen Burgemeester beveelt stopzetting op vraag van MI Een ondernemer die voornamelijk grond-, wegen- en bouwwerken uitvoert, vestigde zich in agrarisch gebied en begon daar een hinderlijke inrichting uit te baten. Hij beschikte niet over een milieuvergunning en de gemeente verplichtte hem om een aanvraag in te dienen. Omdat een dergelijk bedrijf stedenbouwkundig onverenigbaar is met agrarisch gebied, weigerde de bevoegde overheid in zijn vergunning tal van rubrieken op te nemen, voornamelijk i.v.m. de opslag en mechanische behandeling van afvalstoffen, hout en grond. Naar aanleiding van een klacht van de naaste bewoner over stofhinder, stelde MI ter plaatse vast dat de exploitant zijn activiteiten ongewijzigd verderzette en daarbij de drempel inzake de totale hoeveelheden van afvalstoffen voor klasse 1 ruim overschreed. Daarnaast ontbrak een geijkte weegbrug, het noodzakelijke groenscherm en kon het terrein vrij betreden worden via twee ingangen. Er was ook geen werkplan en geen afvalstoffenregister. MI stelde een proces-verbaal op en vroeg de burgemeester om de exploitatie stop te zetten. De burgemeester gaf gevolg aan deze vraag. De exploitant staakte de aanvoer, het breken en zeven van afvalstoffen en beloofde de nog aanwezige afvalstoffen legaal af te voeren.

96 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Aanmaningen bij een Sevesobedrijf In het kader van het Seveso-inspectieprogramma controleerden de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven en de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s een chemisch bedrijf in de provincie Antwerpen. Het doel van de inspectie was nagaan of en op welke manier de risicostudie op één van de installaties was uitgevoerd en in welke mate de maatregelen die in deze studie zijn voorgesteld, werden uitgevoerd. Het Samenwerkingsakkoord ter preventie van zware ongevallen schrijft namelijk voor dat alle Sevesobedrijven de risico’s eigen aan de exploitatie moeten identificeren en dat ze de nodige maatregelen moeten nemen om deze risico’s te minimaliseren. Tijdens de inspectie legde het bedrijf een vrij recente risicostudie voor, echter zonder evaluatie van de reeds aanwezige en nog uit te voeren maatregelen. Het team dat de studie uitvoerde, stelde een uitgebreid actieplan op. Bij de verificatie van de uitvoering van dit actieplan stelden de toezichthoudende ambtenaren vast dat ondertussen een aantal acties van dit actieplan zonder duidelijke motivatie werden afgevoerd. Tevens bleek dat een groot aantal acties, waaronder enkele prioritaire acties, op het moment van de controle nog niet was uitgevoerd. Er waren geen (al dan niet tijdelijke) alternatieve maatregelen voorzien. Tijdens de controle argumenteerde men dat in de studie veel overbodige, zowel prioritaire als niet prioritaire, acties werden gedefinieerd. Deze stelling werd niet op een gedocumenteerde manier aangetoond. Naar aanleiding van deze vaststellingen maanden de dienst Toezicht zwarerisicobedrijven en de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s het bedrijf aan op korte termijn een zicht te krijgen op de reële risico’s en de effectief noodzakelijke maatregelen. Het bedrijf voerde een nieuwe risicostudie uit, met een objectieve beoordeling van de aanwezige maatregelen en een opsomming van de nog uit te voeren maatregelen. Men legde uitvoeringstermijnen vast en duidde verantwoordelijken aan. Op deze manier garandeert het bedrijf een correcte opvolging van de aanbevelingen uit de risicostudie.

MI beveelt stopzetting van de lozing MI stelde in de voorgaande jaren meerdere processen-verbaal van overtreding op tegen een bedrijf dat vleespasteiproducten vervaardigt, omdat het er maar niet in slaagde de lozingsvoorwaarden na te leven. Telkens opnieuw maande MI de exploitant aan om het bedrijfsafvalwater te zuiveren en de meetgoot aan te leggen conform de voorschriften. Deze onderrichtingen bleven zonder gevolg. In april 2003 verzocht MI de deputatie om de lozingsvergunning te schorsen. Omdat een beslissing uitbleef, richtte MI in januari 2006 noodgedwongen eenzelfde schorsingsverzoek aan de bevoegde minister. Ook dit verzoek bleef zonder gevolg. In 2007 nam MI opnieuw schepmonsters van het geloosde bedrijfsafvalwater. De beproevingsverslagen toonden opnieuw aan dat de lozingsnormen fel werden overschreden en dat de overtredingen bleven aanhouden, met alle gevolgen vandien voor de waterkwaliteit van de ontvangende waterloop. Ook de VMM wees dit bedrijf aan als een probleembedrijf voor wat de lozing van bedrijfsafvalwater betreft. Omdat het schorsingsverzoek zonder gevolg bleef, besloot MI een andere strategie te volgen: in september 2007 beval MI de stopzetting van de lozing van bedrijfsafvalwater. De exploitant ging in beroep tegen deze beslissing. De bevoegde minister trad de beslissing tot stopzetting bij, maar verlengde wel de termijn waarbinnen het bedrijf zich nog in regel kan stellen. Na het verstrijken van deze termijn zullen nieuwe monsternames moeten aantonen of het bedrijf zijn lozingsvoorwaarden naleeft. Indien dit niet zo is, dan zal MI er ambtshalve op toezien dat de lozing stopt.

Straf- en administratiefrechtelijk optreden

- 97


MI verzegelt benzinestations MI stelde bij twee tankstations van eenzelfde petroleummaatschappij in het Antwerpse vast dat de verdeelinstallaties voor benzine onder een gebouw werden geĂŤxploiteerd. MI maande de exploitant dan ook aan om deze situatie stop te zetten. Deze maatschappij betwistte de stopzetting. In eerste instantie vroeg MI juridisch advies over de vermeende tegenstrijdigheid tussen de betreffende artikelen van Vlarem II. Na dit advies startte MI de procedure tot stopzetting. De minister bevestigde de stopzettingsbeslissingen van MI in beroep. Tegen deze besluiten diende de petroleummaatschappij een verzoekschrift tot nietigverklaring in bij de Raad van State. De minister willigde ook de aanvraag van de maatschappij om af te wijken van de betreffende artikelen van Vlarem II niet in. Na deze uitspraken verzegelde MI de benzinehouders van de twee verdeelinstallaties. De exploitant leidde daarna een dagvaarding in kort geding in bij twee verschillende rechtbanken. De Rechtbank van Eerste Aanleg van Antwerpen oordeelde dat zij niet bevoegd was, de Rechtbank van Brussel oordeelde dat de zaak niet dringend was. Vervolgens tekende de maatschappij hoger beroep aan bij het Hof van Beroep van Antwerpen. Er lopen ook nog twee verzoekschriften bij de Raad van State tot nietigverklaring van de besluiten van de minister waarin geen toestemming werd verleend om af te wijken van de betreffende artikelen van Vlarem II. De benzinehouders blijven ondertussen verzegeld.

Strafrechtelijke afhandeling Minnelijke schikkingen na processen-verbaal van MI Tijdens een routinecontrole in een steenbakkerij stelde MI vast dat de hoeveelheid grondwater die werd opgepompt ruim het vergunde volume overschreed. Eveneens kon de exploitant geen geldig ijkingsattest van de debietmeter voorleggen. MI stelde hiervoor een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om ofwel een saneringsplan voor te leggen inzake het oppompen van grondwater, ofwel een uitbreiding van de milieuvergunning aan te vragen inzake het jaarlijks op te pompen volume grondwater. Verder diende het bedrijf de aanwezige debietmeter te laten ijken door een daartoe gemachtigde ijkinginstelling. In een reactie gaf het bedrijf toe dat er veel meer grondwater werd opgepompt dan toegestaan. Het bedrijf startte een oorzakenonderzoek om de belangrijkste redenen voor het verhoogd waterverbruik in kaart te brengen. Verder stelde het bedrijf een actieplan op, omvattende de opstelling van een milieuvergunningsaanvraag voor een hoger debiet, de hertekening van het interne waterleidingennet, de verbetering van interne sturingen en de optimalisatie van het waterrecuperatiesysteem. Ook de ijking van de debietmeter werd gerealiseerd. Het parket deed aan de exploitant een voorstel tot het betalen van een minnelijke schikking van 10.000 euro. De exploitant betaalde dit bedrag. Een paar jaar voordien stelde MI lastens dezelfde steenbakkerij proces-verbaal op wegens het niet naleven van de meetfrequentie van de in de lucht geloosde rookgassen. Ingevolge dit proces-verbaal stelde het parket toen aan het bedrijf voor om als minnelijke schikking een bedrag van 400 euro te betalen.

98 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Sinds jaren vraagt MI dat de parketten systematisch zouden terugkoppelen over de afhandeling van processenverbaal. Toch ontvangt MI hierover weinig informatie. Het feit dat een beslissing over een proces-verbaal soms pas jaren na de vaststelling van de eerste overtreding wordt genomen of dat een beslissing kan handelen over meerdere processen-verbaal kan daartoe bijdragen. MI blijft echter aandringen op een effectieve strafrechtelijke afhandeling en op een vlotte doorstroming van informatie vanuit de parketten.

MI geeft in dit rapport geen overzicht van de verkregen informatie, maar verwijst voor een volledig overzicht door naar de FOD Justitie. In geval van seponering om opportuniteitsredenen van misdrijven die door de toezichthoudend ambtenaar in het proces-verbaal als prioritair worden beschouwd, kan de administratie een met redenen omkleed verzoek tot heroverweging richten aan het parket. In 2007 diende MI drie dergelijke verzoeken tot heroverweging in.

Veroordeling wegens overschrijding van de geluidsnormen In april 2005 ontving MI een klacht van een particulier over geluids- en trillingshinder veroorzaakt door een bedrijf dat betonblokken produceert en bouwmaterialen verkoopt. Een maand later voerde MI een eerste geluidsmeting uit in de tuin van omwonenden: het door het bedrijf veroorzaakte geluidsdrukniveau van het specifieke geluid in open lucht overschreed de toegelaten waarden. MI stelde een aanvankelijk proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om een volledig akoestisch onderzoek te laten uitvoeren ĂŠn om een saneringsplan op te stellen. Het bedrijf stuurde MI tijdig een rapport van het uitgevoerde akoestisch onderzoek. In dit onderzoek werd de nood tot sanering bevestigd. Ondanks meerdere schriftelijke herinneringen, bezorgde het bedrijf geen (ontwerp)saneringsplan. In tussentijd dienden ook andere omwonenden geluidsklachten in. Bij een voortgangscontrole in oktober 2006 bleek dat er nog steeds geen saneringsplan was opgesteld en kon de bedrijfsleider niet aantonen dat daadwerkelijk maatregelen waren genomen om de geluidshinder terug te dringen tot een aanvaardbaar niveau. MI stelde opnieuw een proces-verbaal op en verstuurde een nieuwe aanmaning. MI ontving van het bedrijf, via enkele e-mails, documentatie en offertes van een geluidswerende muur, doch nog steeds niet het gevraagde saneringsplan. In april 2007 voerden de toezichthoudende ambtenaren langdurende geluidsmetingen uit, waaruit overschrijdingen met meer dan 20 dB(A) bleken. Opnieuw verbaliseerde MI deze overtreding. De zaken kwamen in een stroomversnelling toen het openbaar ministerie het bedrijf en zijn exploitant dagvaardde. De exploitant begreep dat hij de rechters maar tot enige mildheid zou kunnen stemmen door aan te tonen dat hij de problemen daadwerkelijk aanpakte. Bij een openbare zitting in november 2007 heeft de Correctionele Rechtbank van Leuven de rechtspersoon, alsook de strafrechtelijke verantwoordelijke, veroordeeld tot een geldboete van respectievelijk 27.500 euro en 13.750 euro of een vervangende gevangenisstraf van 3 maanden. Bij een controle eind november 2007 stelden de toezichthoudende ambtenaren vast dat het bedrijf een geluidswerende muur plaatste, dat er een aantal geluidsbeperkende aanpassingen gebeurden aan het machinepark ĂŠn dat er nog meer geluidsisolerende maatregelen waren gepland. Dit was alvast een verbetering, doch enkel nieuwe geluidsmetingen in het voorjaar van 2008 kunnen uitsluitsel geven over het al dan niet respecteren van de vigerende geluidsnormen.

Straf- en administratiefrechtelijk optreden

- 99


Samenwerking en overleg MI werkt samen met diverse instanties om te komen tot een optimale handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Hieronder worden slechts enkele specifieke onderwerpen beschreven, met de nadruk op de samenwerking die een rechtstreekse impact heeft op de verdeling van toezichtstaken tussen MI en andere instanties en op de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen. MI ontvangt geregeld vragen om mee te werken aan de meest diverse overlegstructuren. MI neemt hieraan deel als er voldaan is aan een aantal randvoorwaarden. Zo moet natuurlijk steeds de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving zijn gewaarborgd. Bovendien kan de expertise van MI enkel worden gebruikt als dat een reële bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu en de regelgeving in het algemeen en de handhaving in het bijzonder.

Samenwerking met gemeentelijke Vlarem-toezichthoudende ambtenaren De Vlaamse wetgever heeft het eerstelijnstoezicht op de milieuhygiënewetgeving bij klasse 2- en 3-inrichtingen toegewezen aan de gemeente. Elke gemeente moet daarvoor technische ambtenaren of agenten van de Lokale Politie aanwijzen, die eerst een bekwaamheidsbewijs moeten verkrijgen. Dat bekwaamheidsbewijs wordt hen uitgereikt nadat ze de speciale Vlarem-opleiding hebben gevolgd en ze geslaagd zijn voor de bijbehorende bekwaamheidsproef. Bij de aanwijzing van de Vlarem-toezichthoudende ambtenaren loopt er heel wat fout. Hoewel de toezichtsbevoegdheid over klasse 2- en 3-inrichtingen al meer dan 15 jaar aan de gemeenten is toegewezen, hebben heel wat gemeenten nog steeds geen Vlarem-toezichthoudend ambtenaar aangewezen. Volgens de gegevens van de afdeling Milieuvergunningen was dit in 2007 in één op vijf

(20,1%) van de Vlaamse gemeenten nog steeds niet het geval. Na de lichte verbetering tijdens de voorbije jaren (29% in 2001, 27% in 2002, 24% in 2003, 23% in 2004, 22% in 2005 en 20,5% in 2006) lijkt daarmee het aantal te stagneren. De 62 gemeenten zonder Vlarem-toezichthoudend ambtenaar en hun verdeling over de provincies wordt weergegeven in de figuur onderaan. Er blijkt daarbij een groot verschil te bestaan tussen de verschillende provincies: terwijl in Limburg en Oost-Vlaanderen bijna overal een Vlarem-toezichthoudend ambtenaar werd aangesteld, zijn er nog heel wat ‘leemtes’ in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. In de loop van 2007 zijn er opleidingen ‘Vlarem’ gestart, het is dus te verwachten dat er binnen afzienbare tijd opnieuw een aantal aanstellingen zullen gebeuren.

Samenwerking en overleg

- 101


Bovendien wijst de praktijk uit dat zelfs de aanwijzing van een Vlarem-toezichthoudend ambtenaar geen garantie is voor een effectieve gemeentelijke handhaving. Die ambtenaren worden immers ook belast met het adviseren van vergunningsaanvragen en diverse andere taken. Het optreden van die ambtenaren is vaak afhankelijk van hun persoonlijke engagement en het lokale politieke draagvlak in verband met milieuhandhaving. De lokale handhaving is eveneens afhankelijk van de omvang van de stad of gemeente en van de personeelsbezetting van de gemeentelijke milieudienst. Het is nochtans van het grootste belang dat het toezicht op klasse 2- en 3-inrichtingen effectief uitgevoerd wordt door de Vlarem-toezichthoudende ambtenaren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen. MI heeft daarom geregeld contact met die ambtenaren. De verstandhouding tussen de handhavers van de lokale overheden en MI is doorgaans vrij goed. MI biedt desgevraagd de nodige ondersteuning bij de afhandeling van probleemdossiers. In de contacten van MI met de gemeentelijke handhavers en met de burgemeesters komen de gemeentelijke bevoegdheden geregeld ter sprake. Dat overleg moet ertoe bijdragen dat MI minder tijd moet besteden aan het hoog toezicht op de klasse 2- en 3-inrichtingen en haar volle aandacht kan richten op de klasse 1-inrichtingen. De nieuwe Samenwerkingsovereenkomst Gemeenten 2008-2013 kan mogelijks een stimulans zijn voor een nieuwe aanpak van het toezicht op de klasse 2- en klasse 3- inrichtingen.

Samenwerking met de gerechtelijke instanties In het kader van de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen bestaat er overleg tussen MI en de diverse gerechtelijke instanties. Daarnaast werkt MI ook mee aan de opleiding van de gerechtelijke stagiairs.

Overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen Contacten met de gerechtelijke arrondissementen worden gelegd op het niveau van de MI-buitendiensten. Die contacten hebben tot doel om via overleg en communicatie te komen tot een efficiĂŤnte voortgangscontrole van de processen-verbaal. In bepaalde gevallen wordt MI ook gevraagd om technische expertise te verlenen.

102 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

De invulling verschilt van buitendienst tot buitendienst en van arrondissement tot arrondissement. De buitendienst kan ook contact opnemen met het parket om overleg te plegen over specifieke dossiers. In 2007 was er met vier parketten een goed gestructureerd overleg. Dit overleg handelt zowel over de specifieke dossiers als over een gestructureerde samenwerking.

Gerechtelijke stagiairs Sedert enkele jaren is een benoeming in de magistratuur mogelijk voor advocaten die minder dan vijf jaar ervaring hebben aan de balie. Ze moeten na minstens een jaar praktijkervaring slagen voor een vergelijkend examen en vervolgens een gerechtelijke stage met succes doorlopen. Die stage duurt anderhalf jaar voor kandidaten voor de functie van parketmagistraat (substituut-procureur des Konings) en drie jaar voor kandidaten voor de functie van rechter. Onder leiding van een stagemeester voeren de stagiairs het werk van een parketmagistraat of rechter uit, maar een gedeelte van de stage wordt ook doorgebracht op het terrein bij een aantal zelf gekozen diensten en instellingen. Gewoonlijk valt de keuze op strafinrichtingen, politiediensten en juridische diensten, maar ook minder voor de hand liggende diensten zoals MI zijn mogelijk. Ook in 2007 kozen vier gerechtelijke stagiairs er voor om een deel van hun stage bij MI te doorlopen (drie in Oost-Vlaanderen, een in Limburg ). Op de buitendienst maken ze kennis met de inspecties op het terrein. Tijdens die inspecties komen allerlei aspecten aan bod, zoals diverse monsternames, geluidsmetingen, opstellen van processen-verbaal, volgen van aanmaningen en dwangmaatregelen. De controle van de vergunningstoestand van een bedrijf en de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden behoren eveneens tot de gebruikelijke inspectietaken. Uiteraard wordt ook aandacht besteed aan de klachtenbehandeling. De wederzijdse informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen de gerechtelijke stagiairs en MI kunnen voor beide partijen een belangrijke meerwaarde vormen. MI verwacht dat die meerwaarde er onder andere in bestaat dat er op de parketten steeds meer magistraten komen die vertrouwd zijn met de milieuwetgeving, zodat er in de toekomst een betere samenwerking en een doelgerichter vervolgingsbeleid tot stand komen.


Samenwerking in het kader van de veiligheid van de voedselketen: commissie Dierlijke Bijproducten De Commissie Dierlijke Bijproducten is in 2006 opgericht om te waken over de goede uitvoering van de gelijknamige overeenkomst. Ze is samengesteld uit het FAVV, de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, MI, OVAM, VLM-Mestbank, BIM, DPE en OWD. In 2007 is de Commissie zes maal bijeengekomen. Het huishoudelijk reglement werd goedgekeurd en de website met bedrijven die erkend zijn krachtens de verordening 1774/2002 werd afgewerkt. De besprekingen van de Werkgroep Dierlijke Bijproducten van de Europese Commissie werden teruggekoppeld. De aanpassing van nieuwe Europese en lokale regelgeving aangaande dierlijke bijproducten werd besproken, inspecties door het Europese Food and Veterinary Office werden voorbereid en verder werd er ook overlegd over praktische knelpunten aangaande de implementatie van de verordening. Een belangrijk item was de implementatie van TRACES. TRACES is een Europees monitoringsysteem waarmee het intracommunautair verkeer van dieren, dierlijke producten en nu ook dierlijke bijproducten elektronisch kan worden opgevolgd door de bevoegde autoriteiten. Het systeem biedt tevens de mogelijkheid tot uitwisseling van noodzakelijke documenten tussen de betrokken autoriteiten. Via TRACES wordt het internationaal handelsverkeer opgevolgd van categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal, verwerkte producten die afgeleid zijn van categorie 1- en categorie 2-materiaal en verwerkte dierlijke eiwitten. Dierlijke bijproducten behoren niet meer tot het toepassingsgebied van de nieuwe Europese verordening over de overbrenging van afvalstoffen (EVOA). Sinds de implementatie van deze verordening op 12 juli 2007 vervangt het meldingssysteem via TRACES de vroegere EVOA-verplichtingen.

Samenwerking met OVAM Sinds de herschikking van de Vlaamse Overheid na de operatie Beter Bestuurlijk Beleid in april 2006, oefent MI naast het toezicht op en de handhaving van de milieuregelgeving in ingedeelde inrichtingen, ook het toezicht uit op de inzameling, de overbrenging, de opslag en de verwerking van bedrijfsafvalstoffen. Een samenwerkingsprotocol waarin de herschikking van de handhavingstaken van MI en OVAM duidelijk werd neergeschreven, helpt de vlotte samenwerking rond het thema afval. De wisselwerking tussen OVAM en MI is zeer gevarieerd. Op beleidsmatig vlak geeft MI input bij de omzetting van Europese regelgeving, zoals in 2007 is gebeurd bij de omzetting van Richtlijn 2006/66/EG van 6 september 2006 inzake batterijen en accuâ&#x20AC;&#x2122;s, alsook afgedankte batterijen. MI werd ook betrokken bij het opstellen van documenten aangaande de sortering en verwerking van houtafval die door OVAM werden voorgelegd op het overlegplatform Houtafval, waarin overheden en sector mekaar ontmoeten. OVAM en MI pleegden in 2007 tevens overleg over de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA). OVAM is immers bevoegd voor het toezicht op de aanvaardingsplicht voor deze afvalstroom, MI handhaaft de correcte overbrenging en de verwerking ervan. MI nam in 2007 ook deel aan een praktische opleiding over de depollutie van AEEA in een verwerkingsbedrijf. MI is ook betrokken bij het opstellen van nieuwe procedures voor monsterneming van verschillende afvalstoffen. Verder werkten OVAM en MI ook samen omtrent stortplaatsdossiers en de verwerking van afgedankte voertuigen. Het overleg over de Europese verordening 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd, begon in 2007 geleidelijk te intensifiĂŤren. Dit overleg is noodzakelijk omwille van de complexiteit van deze Europese regelgeving. In het kader van de EVOA-verordening hadden MI en OVAM ook heel intensief contact over de behandeling van in- en uitvoerdossiers van afvalstoffen. Meer nog dan het geval is bij de handhaving van de milieuregelgeving op bedrijven, vraagt een effectieve en snelle behandeling van problematische in- en uitvoerdossiers een goede verstandhouding tussen de betrokken overheden.

Samenwerking en overleg

- 103


Afstemming monitoringsen handhavingstaken Op vraag van de beleidsraad van LNE hebben OVAM, VLMMestbank, VMM en MI in 2007 afspraken gemaakt over de overdracht van gegevens tussen de verschillende entiteiten, met het oog op een betere afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s. De beleidsraad keurde deze afspraken formeel goed. De uitwisseling van gegevens betreft onder meer: - het wederzijds doorgeven van suggesties voor jaar- en meetprogramma’s; - het onderling meedelen van vaststellingen die ressorteren onder de bevoegdheden van een andere entiteit of die een actie vragen van een andere entiteit; - het doorgeven van dossiergebonden meetgegevens aan MI ter ondersteuning van vaststellingen die worden vermeld in een proces-verbaal; - het onderling doorgeven van jaaroverzichten van metingen die kunnen worden gebruikt om prioriteiten te bepalen bij het opstellen van meet- en jaarplannen; - het doormelden aan elkaar van calamiteiten met aanzienlijke milieu-impact; - het melden van MI-vaststellingen inzake niet aan gebruikstoelatingen conforme producten bij bedrijven die afvoeren naar de landbouw aan VLM-Mestbank, OVAM en FAVV. De beleidsraad heeft zich tot doel gesteld de uitvoering van deze samenwerkingovereenkomst jaarlijks te evalueren en, indien nodig, bij te stellen. De eerste evaluatie gebeurde begin 2008.

Samenwerking rond afvaltransporten MI voert sinds april 2006 controles uit op afvaltransporten in de zeehavens en langs de openbare weg. Deze controles gebeuren steeds samen met de politiediensten, soms ook met andere instanties zoals de Federale Leefmilieu-inspectie (FLI). De intentie om op dit vlak nauw samen te werken werd in september en november 2006 duidelijk afgesproken. In 2007 gingen de gezamenlijke transportcontroles op het terrein voort op dit elan én

104 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

werd de samenwerking meer geconcretiseerd tijdens bijkomend overleg. Zo nam MI op 22 mei 2007 het initiatief om douane, politie en de federale en gewestelijke milieu-inspectie bij elkaar te brengen om een inventaris te maken van de verschillende toezichtsbevoegdheden die deze diensten aanwenden tijdens het ophouden en onderzoeken van afvaltransporten. Op 28 augustus 2007 maakte MI afspraken met FLI om operationele gegevens over afvaltransporten aan elkaar te bezorgen, en op 12 september 2007 had MI een overleg met de dienst Leefmilieu van de Federale Politie, in de aanloop van de opmaak van het MIP 2008.

Samenwerking met de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s Eerder in dit rapport werd al aangegeven dat de inspecties in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen (Seveso-inspecties) worden uitgevoerd door een inspectieteam dat is samengesteld uit de gewestelijke milieu-inspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst bevoegd voor de bescherming van de werknemers. De coördinatie binnen de inspectieteams en de algemene coördinatie worden verzekerd door de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Van 19 tot 21 september 2007 was de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s gastheer op een seminarie voor alle Seveso-inspectiediensten. MI nam deel met een ruime delegatie Sevesoteamleden. De belangrijkste doelstelling was het maken van afspraken voor implementatie van het inspectieprogrammasysteem dat werd uitgewerkt door een gezamenlijke projectgroep. Op het seminarie kwamen eveneens projecten en onderzoeken (tankopslag, inspectie-instrument milieurisico’s, E-index, …) aan bod, werkten de toezichthoudende ambtenaren rond het inspectie-instrument Metatechnisch EvaluatieSysteem 3 (MES 3) en werd feedback gegeven over uitgevoerde inspectiecampagnes. Tijdens het overleg spraken de inspectiediensten af om het inspectieprogrammasysteem uitgaande van ‘inspectiedomeinen’ (de verschillende technische en organisatorische systemen die moeten worden onderzocht in een Sevesobedrijf) te implementeren vanaf 2008. Over de samenwerking bij het opstellen en uitvoeren van het Seveso-inspectieprogramma kon u al eerder in dit rapport lezen.


Samenwerking met andere gewesten

het stadsbestuur waarbij de uitgevoerde saneringswerken besproken werden en ter plaatse in de bedrijven bezocht werden.

Sinds 2004 werkt MI samen met haar collega’s van de Waalse Division de la Police de l’Environnement (DPE) om het gewestoverschrijdend geurprobleem in Rollegem (Kortrijk), veroorzaakt door een industriezone gelegen in het noorden van het Waalse Moeskroen, aan te pakken. De inspectiediensten spraken af dat MI in 2004 de impact van de geur op Rollegem en omgeving zou bepalen via een omgevingsonderzoek en dat DPE in 2005 op basis van de resultaten van dit onderzoek heel gericht acties zou ondernemen om de geuremissies door de Waalse bedrijven te verminderen.

In 2007 hebben MI en het VITO de impact van de geur na sanering, op de bewoners van Rollegem en omgeving geëvalueerd via een omgevingsonderzoek en snuffelmetingen. Dit gebeurde van september tot eind november. De resultaten zullen gebundeld zijn door het VITO tegen mei 2008 zodat ze in juli 2008 kunnen worden besproken met DPE.

Het omgevingsonderzoek bestond uit een klachtenanalyse, een telefonische enquêtering van de bevolking, het bijhouden van geurdagboeken door de inwoners en het uitvoeren van snuffelmetingen door toezichthoudende ambtenaren en door professionele snuffelploegen. Uit het rapport blijkt dat de industriezone van Moeskroen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de inwoners van Rollegem. De bedrijven die de grootste impact uitoefenen en de meeste hinder veroorzaken, zijn een diepvriesgroenten en -frietbedrijf, een zeepziederij en een groencompostering. Het rapport besluit met de aanbeveling voor DPE om deze drie bedrijven prioritair aan te pakken.

Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM)

MI besprak begin 2005 de resultaten van het omgevingsonderzoek met DPE. Kort daarop stelde DPE een plan van aanpak op waarmee MI akkoord ging. Concreet voerde DPE in 2005 een grondige inspectie uit bij de drie als prioritair aangeduide bedrijven. Er werden ondermeer metingen uitgevoerd om te bepalen welke chemische stoffen er verantwoordelijk zijn voor de geurhinder. Op basis van de resultaten van deze inspecties en metingen legde DPE een saneringsplan op aan deze bedrijven. Tegelijk liet DPE drie meetstations in de buurt van deze bedrijven plaatsen om de concentratie van de gemeten geurcomponenten in de omgevingslucht te volgen. In het najaar 2005 kwamen MI en DPE samen om de stand van zaken van de sanering te bespreken. Eind 2006 vond een overleg plaats in Moeskroen tussen MI, DPE en

Beleid De uitvoering van het milieubeleid leert dat een geregelde actualisatie van de complexe en zeer uitgebreide milieuregelgeving noodzakelijk is en blijft. De wetgeving moet worden vereenvoudigd en de kwaliteit ervan moet worden verhoogd. Ook als gevolg van de vele wijzigingen en aanvullingen van de regelgeving moeten de verschillende decreten en besluiten voldoende en tijdig op elkaar worden afgestemd. Daarom ontstond begin 2000 het overlegorgaan TOM. TOM staat voor Technisch Overleg Milieuregelgeving. Het is een permanent overlegorgaan voor alle administraties en diensten die betrokken zijn bij de uitvoering en handhaving van het beleid inzake milieuhinderlijke inrichtingen en activiteiten. In TOM zitten vertegenwoordigers van het Departement LNE, VMM, OVAM, VLM, andere beleidsvelden van de Vlaamse Overheid die raakpunten hebben met het milieubeleid en de lokale overheden via de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). TOM streeft via zo veel mogelijk consensus tussen zijn leden naar een vanuit technisch en juridisch oogpunt eenvormige en correcte toepassing van de milieuregelgeving. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan oplossingen voor overlappingen, lacunes en tegenstrijdigheden in de regelgeving en de uitvoering en handhaving ervan om zo te komen tot een coherente, resultaatgerichte regelgeving en toepassing ervan. Sinds de start van TOM werden al meerdere knelpunten gesignaleerd, geïnventariseerd en geanalyseerd. TOM legt zijn adviezen ter beslissing voor aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. De definitieve TOM-adviezen worden, met de reactie van de Vlaamse minister van Leefmilieu, gepubliceerd op de

Samenwerking en overleg

- 105


LNE-website onder de link www.lne.be/themas/regelgeving/tom/adviezen-tom. Ook MI neemt deel aan het TOM-overleg. Als toezichthoudende overheid is ze vertegenwoordigd zowel in de plenaire vergadering als in ad-hoc werkgroepen. Ze waakt erover dat tijdens de bespreking van gesignaleerde knelpunten zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de handhavingservaringen, opgedaan in het veld. MI streeft daarbij naar een zo groot mogelijke eenduidigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Medewerking aan regelgevende initiatieven Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdrachten van MI. Een van de manieren waarop MI die opdracht probeert te vervullen, is door medewerking te verlenen aan regelgevende initiatieven en zich zo indirect in te schakelen in de beleidscyclus. Milieuhandhavingsdecreet In de vorige milieuhandhavingsrapporten kon u lezen hoe MI haar bijdrage leverde aan de totstandkoming van het milieuhandhavingsdecreet. Op 21 december 2007 bekrachtigde de Vlaamse Regering het decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI “Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen”. Kenmerkend aan dit decreet is dat het een onderscheid maakt tussen milieumisdrijven die strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden en milieu-inbreuken die onttrokken worden aan het strafrecht, maar waarvoor een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. In het najaar van 2007 startten de besprekingen voor het opstellen van een uitvoeringsbesluit bij het milieuhandhavingsdecreet en voor het opstellen van een uitbreidingsdecreet, waarbij ondermeer het toepassingsgebied van het milieuhandhavingsdecreet zal uitgebreid worden naar de wetgeving in verband met milieubeheer en mest. In beide dossiers leverde MI een grote bijdrage aan de totstandkoming en de bespreking van de voorstellen.

106 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Vlarem-actuatrein In mei 2007 ontving MI van de minister voor Leefmilieu een werktekst van een voorstel tot wijziging van Vlarem I en Vlarem II. In deze ‘Vlarem-actuatrein’ staat de inhoudelijke actualisatie in het licht van de technologische evolutie (BBT) centraal, en er wordt tevens verder gestreefd naar administratieve vereenvoudiging, telkens zonder afbreuk te doen aan de gestelde milieudoelstellingen. MI werd uitgenodigd om haar opmerkingen op deze tekst te formuleren. Dit gebeurde binnen enkele weken tijd. De opmerkingen en verbetervoorstellen van MI bestonden uit 3 delen: - algemene opmerkingen, voornamelijk met het oog op het correct inschatten van de implicaties van het voorstel tot wijziging van de indelingsrubrieken en de daaraan gekoppelde wijziging van de MI-toezichtsbevoegdheden; - een artikelsgewijze opsomming van opmerkingen en verbetervoorstellen; - een herhaling van de in 2006 aan de minister voorgestelde Vlaremwijzigingen, die niet in de werktekst van mei 2007 waren opgenomen, met het voorstel ze alsnog op te nemen. Het volledige document van MI besloeg meer dan 200 bladzijden. In augustus 2007 werd MI door het kabinet uitgenodigd voor een bespreking van en overleg over de geformuleerde opmerkingen. In de loop van het najaar zorgde het kabinet voor de verwerking van alle weerhouden opmerkingen. Op 21 december 2007 keurde de Vlaamse Regering de voorgelegde Vlaremtrein een eerste keer principieel goed.


Samenwerking en overleg

- 107


Internationale context Door de verdergaande mondialisering bevindt de handhaving zich steeds meer in een internationale context. MI heeft daarom als taak internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan het tot stand komen van internationale vernieuwingen en tendensen. Een actieve inzet in het Europese netwerk voor de implementatie en handhaving van de milieuhygiënewetgeving (IMPEL) is een deel van de missie van MI. In dit hoofdstuk worden de verschillende bijdragen aan dat netwerk beschreven. Verder stelt MI haar expertise in verband met de handhaving van de milieuhygiënewetgeving ter beschikking van diverse Europese en mondiale organisaties. Ook die bijdragen worden toegelicht.

IMPEL Situering Het netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuhygiënewetgeving (in het Engels: the European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, of kortweg IMPEL) is een informeel netwerk van de lidstaten van de Europese Unie (27 landen), de kandidaat-lidstaten (Kroatië, Turkije en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië), Noorwegen en de Europese Commissie.

de regels die van toepassing zijn te handhaven, kunnen mensen erop vertrouwen dat het milieu waarin ze leven en werken voortdurend beschermd blijft.

Dat netwerk werd in 1992 opgericht in overeenstemming met het Vijfde Leefmilieuactieprogramma. Het is een informele organisatie waarbinnen afgevaardigden informatie kunnen delen, problemen kunnen bespreken en elkaar praktisch advies kunnen bieden. Op die manier kan belangrijke kennis worden opgedaan en kunnen de beste toepassingsmethoden op het gebied van inspectie, toezicht en handhaving worden uitgewisseld binnen de gehele Europese Unie.

De huidige structuur van IMPEL ziet er als volgt uit: - een plenaire vergadering als beslissingsorgaan, met een vertegenwoordiger per land, eventueel bijgestaan door twee tot drie medewerkers of collega’s; - meerdere ad-hocwerkgroepen en projectteams voor de praktische uitvoering van de goedgekeurde projecten, samengesteld uit vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten en de Europese Commissie, onder rechtstreekse supervisie van de plenaire vergadering; - een nationale coördinator per lidstaat die verantwoordelijk is voor de informatiedoorstroming tussen het netwerk en de lidstaat.

Het idee achter de oprichting van het IMPEL-netwerk is te waarborgen dat de relevante Europese richtlijnen systematisch worden uitgevoerd door de lidstaten, en dat hierop adequaat toezicht gehouden wordt. Zonder de juiste middelen om toezicht te houden op de toepassing van de Europese milieuwetgeving is de regelgeving immers zo goed als waardeloos. Alleen als de verschillende lidstaten zowel de motivatie als de middelen hebben om

IMPEL werd intussen formeel erkend in het Zesde Leefmilieuactieprogramma én in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten.

Meer informatie over IMPEL vindt u op de volgende website: http://ec.europa.eu/ environment/impel/.

Internationale context

- 109


Halfjaarlijkse plenaire vergaderingen In 2007 werden twee plenaire vergaderingen georganiseerd: de 29ste plenaire vergadering in Berlijn (Duitsland) van 30 mei tot 1 juni en de 30ste plenaire vergadering in Lissabon (Portugal) van 28 tot 30 november. De plenaire vergaderingen vinden telkens plaats in de lidstaat die op dat ogenblik voorzitter is van de EU en ze worden voorgezeten door het gastland en de Europese Commissie. Plenaire vergadering in Berlijn België was in Berlijn vertegenwoordigd door de afgevaardigden van de drie gewesten. Alle lidstaten van de EU, de Europese Commissie, Noorwegen, Kroatië en Turkije (de laatste drie als waarnemer) waren aanwezig. Het belangrijkste agendapunt betrof de toekomst van IMPEL. De bespreking startte met een toelichting bij de resultaten van de werkzaamheden van de ad hoc werkgroep ‘Wettelijke status’. Uitgangspunten waren: - een open en informeel netwerk te bestendigen; - een secretariaat te behouden om de werking van het netwerk te ondersteunen; - de bijzondere relatie met de Europese Commissie te verankeren; - de subsidiëring van secretariaat en projecten door de Europese Commissie te bestendigen. De daaropvolgende discussie leidde tot volgende conclusies: - IMPEL kan enkel en alleen zijn huidige werkzaamheden voortzetten, mits financiële steun van de Europese Commissie. Een legale status is een noodzaak om subsidiëring van LIFE+ te verkrijgen; - het voorbereidende werk moet dringend worden verdergezet en er moet daarbij een maximale vrijwaring zijn van het informele karakter van IMPEL; - de formulering van de eventuele statuten van de rechtspersoon moet grondig worden onderzocht, om tot oplossingen te komen die aanvaardbaar zijn voor alle IMPEL-leden en dit met bijzondere aandacht voor lidmaatschap en lidgelden; - de ad hoc werkgroep ‘Wettelijke status’ krijgt als opdracht om verder te werken aan een voorstel van ontwerpstatuten van een internationale vzw naar Belgisch recht en dit tegen de volgende plenaire vergadering. Volgende definitieve rapporten werden goedgekeurd en zullen op de IMPEL-website gepubliceerd worden: - review van benaderingen voor het herbekijken en aanpassen van GPBV-vergunningen - werkvergadering betreffende vergunningsverlening van

110 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

inrichtingen in gebieden die onderhevig zijn aan belangrijke luchtverontreiniging - emissiehandel deel II: eindrapport - TFS (Transfrontier Shipment of Waste) Conferentie - ‘Comparison programme’ in Finland Een tussentijds verslag van lopende projecten en een voorstel voor een aantal nieuwe projecten werden voorgesteld, waaronder de organisatie van de IMPEL Conference 2009 in Roemenië. Plenaire vergadering in Lissabon België was in Lissabon vertegenwoordigd door de afgevaardigden van de drie gewesten. Alle lidstaten van de EU (behalve Denemarken en Malta), de Europese Commissie, Noorwegen, Kroatië en Turkije (de laatste drie als waarnemer) waren aanwezig. Twee parallelle werkvergaderingen vonden plaats. De eerste handelde over ‘IMPEL Conference 2009’ met als conclusies dat een verdere uitdieping moet gebeuren van het thema ‘Nieuwe ontwikkelingen in iedere lidstaat in relatie tot leefmilieuproblematiek, vergunningsverlening, inspecties en handhaving’. De tweede werkvergadering handelde over ‘Minimumciriteria voor milieu-inspecties: verdere inbreng van IMPEL in de herziening van de Europese Aanbeveling’. De vergadering concludeerde dat de herziening zich dient toe te spitsen op ondermeer de verduidelijking en gevatte omschrijving van het toepassingsgebied, belangrijke definities, de verdere ontwikkeling van planningscriteria en een nieuw rapporteringsysteem. Een IMPEL-project met voorgaande thema’s zal dan ook zo snel mogelijk afgerond worden. Meerdere afgewerkte rapporten werden goedgekeurd en er werd besloten om deze op de IMPEL -website te plaatsen. Het belangrijkste agendapunt betrof weerom de toekomst van IMPEL. Het door de ad hoc werkgroep ‘Wettelijke status’ uitgewerkte voorstel van ontwerpstatuten van een internationale vzw naar Belgisch recht werd voorgesteld, samen met een eerste voorstel van Business Plan en Roadmap. De daaropvolgende uitgebreide discussie leidde tot volgende conclusies: - akkoord van de plenaire vergadering voor de oprichting van een nieuwe vereniging; - de voorgestelde statuten zullen na schriftelijke procedure aangepast worden op deze punten die in de discussie aan bod zijn gekomen (ondermeer wat het lidmaatschap betreft);


- het eerste voorstel van Business Plan zal verfijnd worden en terug voorgelegd worden aan de eerstvolgende plenaire vergadering; - de Roadmap werd aanvaard; - de ad hoc werkgroep zet zijn werkzaamheden verder en ondersteunt de voorlopige beheerraad, als volgt samengesteld: voorzitter Gerard Wolters (Nl), vice-voorzitter Terry Shears (VK) en leden, de drie clustervoorzitters en drie leden van de troika; - de voorlopige beheerraad wordt gemandateerd om alle noodzakelijke handelingen te doen, nodig voor de oprichting van de nieuwe vereniging; - het secretariaat zal zijn werkzaamheden ‘onder de vleugels van de Europese Commissie’ in 2008 verder zetten.

Milieuconflicten oplossen door dialoog In de loop van 2004 en 2005 was er binnen IMPEL al een eerste project rond het oplossen van milieuconflicten door dialoog, onder de titel ‘Informal resolution of environmental conflicts by neighbourhood dialogue’. Het project richtte de aandacht op bestaande industriële sites, met klachtmeldingen van omwonenden en het aanwenden van een proces voor het voeren van de dialoog als een vrijwillig instrument tot oplossen van het conflict. Dit project eindigde met volgende aanbevelingen: het gebruik van dialoogprocessen als vrijwillige instrumenten in de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving wordt aanbevolen met in het bijzonder: - het gebruik van dialoog als een optie in de behandeling van klachtmeldingen; - het gebruik van dialoog voor de formele opstart van vergunningsprocedures (meer bepaald GPBV-vergunningen); - de aanmoediging van bedrijven om het dialoogproces te beschouwen als een deel van de bedrijfsvoering. Eind 2006 startte het vervolgproject. In dit project werd een set van instrumenten uitgewerkt, die kunnen gebruikt worden om een dialoog tussen bedrijf, buren en overheid te starten en te ondersteunen. Er werd daarbij speciale aandacht gegeven aan GPBV-bedrijven en aan de rol van inspectiediensten. Het project startte met een schriftelijke uitwisseling van informatie. Daarna was er een werkvergadering in Berlijn om de verschillende instrumenten te bespreken, verder uit te werken en er een prioriteit aan te geven. Tot slot werd een eindrapport opgesteld, dat eind 2007 door de plenaire vergadering van IMPEL werd goedgekeurd. MI nam actief deel aan de werkzaamheden van dit project.

Workshops i.v.m. RMCEI In de schoot van het IMPEL-netwerk gingen in Frankfurt (Duitsland) in september 2007 twee workshops door waar een vertegenwoordiger van MI aan deelnam: - Doing the Right Things First (deel II); - IMPEL-input for the further development of the Recommendation on Minimum Criteria for Environmental Inspections (RMCEI). Tijdens de eerste workshop werd door de Nederlandse delegatie, trekker van dit project een ‘stap voor stap handleiding voor het plannen van milieu-inspecties’ voorgesteld. In deze handleiding wordt op een abstracte manier de ideale planningscirkel uitgewerkt voor een milieu-inspectiedienst. Tevens werden tijdens de workshop een aantal mogelijkheden voorgesteld van op een risico-inschatting gebaseerde prioritering van handhavingsactiviteiten in andere Europese lidstaten. Tenslotte volgde een discussie over de inhoud en het statuut dat aan deze handleiding moet worden gegeven. Het doel van deze handleiding is immers meer inhoudelijke invulling te geven aan één van de voorwaarden die staan in de RMCEI, met name dat milieu-inspecties op voorhand gepland moeten worden en dat er steeds een milieu-inspectieplan voorhanden moet zijn. In de tweede workshop werd de tekst van de RMCEI in detail besproken en bediscussieerd. Het doel hiervan was een voorstel met wijzigingen ter verbetering van de tekst vanuit het IMPEL-netwerk te kunnen voorleggen aan de Europese Commissie. Naast het opmaken van het voorstel met effectieve wijzigingen van de tekst, werd tevens een document opgemaakt met de motiveringen waarom bepaalde passages van de tekst al dan niet werden gewijzigd.

IMPEL-TFS IMPEL-TFS (Transfrontier Shipments of Waste) is de cluster van IMPEL die werkt rond grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen. De kernactiviteiten van TFS zijn gezamenlijke handhavingsprojecten en de uitwisseling van kennis en ervaring met de handhaving van de EVOA-verordening.

Internationale context

- 111


Plenaire vergadering in Parijs. MI nam van 21 tot 23 maart 2007 deel aan de jaarlijkse plenaire TFS-conferentie. Tijdens deze conferentie werden nieuwe en lopende projecten voorgesteld respektievelijk tussentijds geëvalueerd. Hét hoofdthema was echter de nieuwe EVOA-verordening 1013/2006 die op 12 juli 2007 in werking zou treden, en waarover op dat moment nog veel onduidelijkheden bestonden. Na de conferentie heeft MI besloten om twee van haar medewerkers aan te duiden die verantwoordelijk zullen zijn voor de in artikel 50.6 verplichte internationale samenwerking rond afvaltransportcontroles. Deze plenaire vergadering werd gecombineerd met een eerste samenkomst van de NCP’s (National Contact Points).

controles voor het project in februari, juni en oktober en stuurde één toezichthoudend ambtenaar mee tijdens een kaaicontrole in Nederland. In december 2007 ten slotte waren alle deelnemende lidstaten te gast in het kasteel van Ham voor een tussentijdse projectvergadering.

End-of-Life Vehicles Project Dit project heeft als doel om de controles op de uitvoer van voertuigwrakken (ELV) over heel Europa te standardiseren. In de schoot van dit project werd voorgesteld om de beslissing “wrak-tweedehands” over te laten aan een erkend autoexpert. Op 11 januari 2007 bracht MI de gewesten en de Federale staat bijeen om een werkdefinitie van voertuigwrak te bespreken die door de vier instanties ondersteund werd. In juni 2007 organiseerde MI een controle op een autoterminal in de Antwerpse haven, hierbij ondersteund door een erkend autodeskundige. MI nodigde die dag Portugese collega’s uit en nam in december 2007 ook zelf deel aan een kaaicontrole in Lissabon. De ervaringen van de inspectiedag in Antwerpen vormen een belangrijke basis voor de conclusies van het ELV-project. TFS zal ondermeer aan het correspondentenoverleg vragen om richtlijnen op te stellen rond de uitvoer van wrakken, maar op langere termijn stelt MI voor om de wrakkenrichtlijn 2053/2002 aan te passen zodat een preexport-keuring verplicht wordt voor alle tweedehandsvoertuigen.

Op 5 december 2007 vond er in Brussel een belangrijke bijeenkomst plaats tussen de Commissie, de lidstaten en een delegatie van de Chinese milieu-administraties en inspectiediensten. Europa en China spraken hier af om in de toekomst nauwer samen te werken, ondermeer rond de informatie-uitwisseling over illegale transporten. Deze samenwerking moet uiteindelijk uitmonden in een ‘Memorandum of Understanding’ tussen IMPEL-TFS en China. In de aanloop van dit overleg organiseerde MI, samen met FLI, een havencontrole in Antwerpen waar de Belgische manier van haveninspecties aan de Chinese delegatie werd getoond.

Enforcement Actions Project Tijdens de looptijd van dit project (december 2006 – april 2008) worden vier Europese inspectiemaanden georganiseerd. In deze periodes engageren alle deelnemende lidstaten zich om transportcontroles op internationale afvaltransporten te organiseren en de planning en de resultaten over te maken aan het projectmanagement. Het project geeft ook de mogelijkheid om afvaltransporten te laten volgen door buitenlandse inspectiediensten en om toezichthoudende ambtenaren uit te wisselen. MI organiseerde transport-

Op 30 en 31 mei 2007 vond dit seminarie plaats in Parijs. De belangrijkste doelstelling van de bijeenkomst was de uitwisseling van ervaringen in verband met ongevallen. MI gaf, in samenwerking met de Afdeling van het toezicht op de chemische risico’s, een presentatie over een zwaar ongeval dat zich in 2005 in de haven van Antwerpen voordeed: de breuk van een opslagtank voor ruwe aardolie in een tankenpark, waarbij de volledige inhoud van de tank (37.000 m³) zich in een tijdsspanne van ongeveer een kwartier vrijzette. In de presentatie werden de oorzaken van het ongeval geanalyseerd en werden aanbevelingen geformuleerd om gelijkaardige incidenten in de toekomst te vermijden.

112 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie

Samenwerking met de Europese Commissie en China Onder impuls van IMPEL-TFS begint de Commissie zich recent ook te interesseren voor het aspect handhaving van de EVOA-verordening. Zij organiseerde in de loop van 2007 vergaderingen in verschillende lidstaten met de bedoeling om een beter zicht te krijgen op de samenwerking tussen de betrokken inspectiediensten. MI nam deel aan één zo’n overleg op 19 maart 2007 in Mechelen.

Lessen trekken uit ongevallen Het BARPI (Bureau d’analyse des risques et des pollutions industrielles) en de SEI (Service de l’environnement industriel) van het Franse ministerie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu organiseren in Frankrijk tweejaarlijks het seminarie ‘Lessons learnt from accidents’. Sinds 1999 gebeurt dat onder de auspiciën van het IMPEL-netwerk.


Andere Dioxin 2007

MJV

In september 2007 nam MI deel aan het 27ste ‘International Symposium on Halogenated Persistent Organic Pollutants’, kortweg DIOXIN 2007 (http://www.dioxin2007. org) in Tokyo, Japan.

In oktober 2007 vond in Plock, Polen, het uitwisselingsprogramma ‘Mutual Joint Visits Programme on Inspections under the Seveso II directive’ plaats. Een MJV is een uitwisselingsprogramma voor Seveso-inspecteurs onder auspiciën van de Europese Commissie en heeft de uitwisseling en documentering van ervaringen en goede (inspectie)praktijken als belangrijkste doelstellingen. Tijdens de MJV’s krijgen de Seveso-inspecteurs de kans (inspectie)ervaringen uit te wisselen over de praktische implementatie van de Seveso II-richtlijn.

Op dit jaarlijkse, wereldwijd belangrijkste forum over persistente gehalogeneerde organische verbindingen (met als bekendste voorbeelden dioxinen en PCB’s) worden recente bevindingen rond het thema voorgesteld. De vorming, de verspreiding in het milieu, de toxicologische en epidemiologische aspecten, de bemonsterings- en analysemethodes, het voorkomen en beperken van de emissies kwamen tijdens dit congres aan bod in lezingen, postervoorstellingen en tentoonstellingsstanden. Het symposium werd bijgewoond door honderden deelnemers uit wetenschappelijke, commerciële, technologische en overheidsmiddens uit tientallen verschillende landen. Ook dit jaar was er een vrij grote Belgische delegatie (zo’n 20-tal deelnemers) aanwezig. Gedurende de laatste jaren besteedt het symposium ook aandacht aan de meer recent in de belangstelling gekomen broom- en fluorhoudende organische stoffen. Een volledige sessie (10 mondelinge presentaties en 29 posters) werd besteed aan de gefluoreerde persistente organische verbindingen. In navolging van de MI-presentatie van vorig jaar over broomhoudende vlamvertragers diende MI ook dit jaar een paper in, getiteld ‘Reducing the emissions of perfluorinated chemicals – the enforcement approach’. Hierin presenteerde MI de resultaten van een onderzoek dat werd uitgevoerd naar de emissies van perfluortensiden (PFT’s) via afvalwater en waterzuiveringslibs van 53 bedrijven waarvan kon worden vermoed dat zij PFT’s gebruiken in hun productieproces. Het onderzoek werd opgestart naar aanleiding van de verontreiniging van Duits drinkwater die mogelijk het gevolg is geweest van gecontamineerde slibs die onder meer vanuit het Vlaams Gewest zouden zijn ingevoerd. De bedrijfsselectie, de uitgevoerde bemonsteringen, de analyseresultaten en de administratiefrechtelijk en strafrechtelijke afhandeling van de vaststellingen werden toegelicht. Tot slot werd ook aangegeven welke suggesties werden geformuleerd aan de beleidsmaker om te voorkomen dat deze verbindingen nog in het milieu terecht zouden komen.

Het was voor de eerste maal dat één van de recent toegetreden lidstaten van de Europese Unie de organisatie van het uitwisselingsprogramma op zich nam. De bijeenkomst werd voorgezeten door vertegenwoordigers van de ‘State Fire Service’. Deze instantie is in Polen, samen met het ministerie bevoegd voor leefmilieu, belast met de implementatie en uitvoering van de Seveso II-richtlijn. Het uitwisselingsprogramma werd bijgewoond door 68 deelnemers, waarvan 22 Europese Seveso-inspecteurs uit 16 verschillende lidstaten. De bijeenkomst was opgevat als een workshop voor de Seveso-inspecteurs en bestond uit een mix van presentaties en discussiemomenten om informatie uit te wisselen om tot een gemeenschappelijke manier van handhaving te komen in heel Europa. De workshop was opgedeeld in drie thema’s, met name ‘Legal and Organisational Issues’, ‘Inspection Methodology’ en ‘Educational System’. In Polen zijn 353 Sevesobedrijven geregistreerd, waarvan 197 lagedrempelinrichtingen en 156 hogedrempelinrichtingen. Tijdens de MJV kwam de taakverdeling betreffende de uitvoering van de richtlijn en de coördinatie van het toezicht uitgebreid aan bod. Het stedelijke gebied van Plock bevat één van de grootste concentraties aan Sevesobedrijven in Polen. Tijdens de workshop gaven twee ervan een korte toelichting. Later volgde ook nog een kort bedrijfsbezoek. Belangrijkste conclusies van de workshop waren dat de controles in Polen vooralsnog hoofdzakelijk gericht zijn op het bestrijdende karakter van zware ongevallen eerder dan de preventieve en beschermende kant te beschouwen. In Polen bestaat tevens nog geen systematiek voor het systematisch uitvoeren van gezamenlijke inspecties met de bevoegde overheidsinstanties. Het ontbreken

Internationale context

- 113


van een ‘centrale’ gecoördineerde overheidsdienst wordt door hen als een minpunt beschouwd. Een ander aandachtspunt was het feit dat een aantal recente ongevallen in Polen de mogelijke catastrofale gevolgen van zware ongevallen ook in de bijna-Sevesobedrijven duidelijk hebben gemaakt. Tenslotte werd er ook vastgesteld dat er op vlak van opleiding verschillende snelheden bestaan, met name in de Oost-Europese en in minder mate in de Zuiderse landen staat men op dit gebied minder ver.

CEM 2007 Van 5 tot en met 6 september 2007 nam MI deel aan de conferentie CEM 2007 ‘8th International Conference on Emissions Monitoring’ (organisatie Joint Research Centre van de Europese Commissie, samen met de Source Testing Association, IEA Clean Coal Centre, Luftunion, Zwitsers Federaal bureau voor Leefmilieu FOEN, Cercl’ Air en ET(P)), die plaatsvond in de gebouwen van EMPA Akademie in Dübendorf (Zürich) te Zwitserland. Het congres focuste op recente ontwikkelingen op het vlak van methodes voor het bemonsteren, meten en modelleren van emissies naar de lucht. Het werd bijgewoond door een 180-tal deelnemers uit wetenschappelijke, commerciële, technologische en overheidsmiddens en uit de bedrijfswereld. De deelnamers waren hoofdzakelijk Europeanen. MI diende samen met VITO voorafgaand aan de deelname een ‘abstract’ in, getiteld ‘Compliance check of the solvent balance according to the EU Solvent Directive with diffuse emission measurements in the printing sector’. MI en VITO werden gevraagd om een artikel te schrijven voor de Proceedings van deze conferentie en om een mondelinge presentatie tijdens de conferentie voor te stellen. De toelichting gaf het opzet en de resultaten weer van een onderzoek naar de VOS-emissies in de grafische sector. Meer bepaald werd tijdens dit onderzoek via rechtstreekse metingen van de diffuse emissies getracht de solventboekhouding van een drietal drukkerijen te controleren. Het resultaat was een aanzet van controlemethode voor MI voor toepassing op drukkerijen om de uitvoering van de bepalingen van de VOS-richtlijn te checken.

114 -

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Internationale context

- 115


Bijlagen

Contactpersonen binnen MI Inhoudelijke ondersteuning Stafdienst

Hoofdbestuur

Zwarerisicobedrijven

buitendienst Antwerpen

buitendienst Limburg

buitendienst Oost-Vlaanderen

buitendienst Vlaams-Brabant

buitendienst West-Vlaanderen

Diensthoofd

Martine Blondeel

Inge Delvaux

Linda Van Geystelen

Freddy Noels

Paul Van Gijseghem

Marc Vanthienen

Roland Loontiens

Werkgroep Afval

Hans Delcourt

Michael Allison

Peter Brien

Gert Govaerts

Robert Dupont

Marc Sevenant

Ketenteam Afval

Bart Palmans

An Van Steenbergen

Tom Nuyts

Steven Overmeire

Patrick Bergen

Jeannine Tassyns

Werkgroep Bodem en Grondwater

Greta De Maesschalck

Hendrik Meulemans

Sybille Vanderhenst

Greta De Maesschalck

Tina Poels

Karel Debeuf

Werkgroep Geluid en Trillingen

Louis Daens

Ludo Segers

Tom Maes

Frans Van der Cruyssen

Koen Mandonx

Henri Trypsteen

Werkgroep GGOâ&#x20AC;&#x2122;s

Geert Keppens

An Swinnen

Marian Lagrou

Tina Poels

Karel Debeuf

Werkgroep Lucht, Licht en Geur

Martine Blondeel

Jos Moeskops

Peter Schoups

Peter Wesemael

Liesbet Rommens

Geert Van Landschoot

Werkgroep Ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen

Paul Cuypers

Els De Jonghe

Peggy Cloostermans

Frans Van der Cruyssen

Mathy De Preter

Karel Vandamme

Werkgroep Water

Peter Schryvers

Ann Van Deun

Rudi Rademaekers

Wilfried Van Vaerenbergh

Dirk Crivits

Robrecht Pillen

GPBV-kernteam

Martine Blondeel Paul Cuypers Hans Delcourt Greta De Maesschalck Peter Schryvers

Inge Delvaux Marc Van Kerckvoorde

Lief Mannaerts

Johan Ballings

Frank Verslype

Jef Feyaerts

Wim Delaere

Organisatorische ondersteuning Stafdienst

Hoofdbestuur

Zwarerisicobedrijven

buitendienst Antwerpen

buitendienst Limburg

buitendienst Oost-Vlaanderen

buitendienst Vlaams-Brabant

buitendienst West-Vlaanderen

Informatica

Koen Mandonx

Geert Keppens

Wilfried Van den Acker

Jan Valckx

Jos Tits

Luc Verhaeven

Koen Mandonx

Peter De Neve

Materiaal

Chris Van Baelen Tanja Verschaeren

Ilse Colman

Guido Gerits

Dony Vandormael

Theo Strobbe

Johan Corveleyn

Wim Vermetten

Tom Maes

Lieve Joos

Marc Vanthienen

Georges Van de Walle

Milieuhandhavingsrapport

Peter Schryvers

Leentje Timmerman

Bijlagen

- 117


Contactpersonen samenwerking, overleg en regelgevende initiatieven Samenwerking met anderen, overlegstructuren en regelgevende initiatieven Contactpersonen

120 -

Aanpassen van de sectorale regelgeving in het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid

Inge Delvaux Peter Schryvers

Aanpassen van sectorale lozingsnormen en actualiseren van prestatiekenmerken van referentiemeetmethodes

Peter Schryvers Roland Loontiens

Actiegroep ‘Hot spots fijn stof’

Martine Blondeel

Afstemming van monitorings- en handhavingsprogramma’s: MI – OVAM – VLM - VMM

Peter Schryvers Hans Delcourt Martine Blondeel

BBT/EMIS – stuurgroep

Martine Blondeel Peter Schryvers

Cadmiumplan

Martine Blondeel

Crisismanagement

Inge Delvaux

Icolev (Interne Communicatie Leefmilieu)

Chris Van Baelen

Milieuboot

Chris Van Baelen

Milieuhandhavingsdecreet

Robert Baert Inge Delvaux Peter Schryvers

Overeenkomst dierlijke bijproducten

Hans Delcourt

Overleg afvaltransportcontroles met politie, FLI, DPE en BIM

Bart Palmans Hans Delcourt

Overleg beleid lichthinder

Martine Blondeel

Overleg Cross-compliance tussen ABKL en leefmilieuadministraties

Greta De Maesschalck

Overleg geurbeleid

Martine Blondeel

Overleg met VMM over depositie- en immissiemetingen

Martine Blondeel

Reductieprogramma voor de lozing van gevaarlijke stoffen

Peter Schryvers

Samenwerking met afdeling Milieuvergunningen voor de erkenning van deskundigen in de discipline geluid en trillingen

Louis Daens

Samenwerking met het FANC

Linda Van Geystelen

Samenwerking met het Voedselagentschap en OVAM

Hans Delcourt Bart Palmans

Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki

Inge Delvaux

Stuurgroep Referentietaken VITO

Peter Schryvers Martine Blondeel

Stuurgroep Reguleringskosten milieubeleidsinstrumenten

Chris Van Baelen

Stuurgroep Vogelgriep

Hans Delcourt

Taskforce Tuinbouw nitraatproblematiek

Peter Schryvers Ann Van Deun

Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM)

Paul Van Gijseghem

VITO-werkgroepen i.v.m. analyse van organische en anorganische parameters in water

Peter Schryvers

Werkgroep valorisatie van zuiveringsslib in de landbouw

Hans Delcourt

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


Gebruikte afkortingen Instanties A&WMA ABKL ALBON ALV AMV BIM CGCCR DPE EG EU FANC FAVV FLI FOD IMPEL IRCEL ILVO LNE MI OESO OVAM OWD TOM TOVO VEA VITO VLM VMM VOKA VROM VVP VVSG WASO WEF WHO WIV

Air & Waste Management Association administratie Beheer en Kwaliteit Landbouwproduktie (van het agentschap ALV) de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (van het departement LNE) agentschap voor Landbouw en Visserij afdeling Milieuvergunningen (van het departement LNE) Brussels Instituut voor Milieubeheer Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering Division de la Police de l’Environnement (Wallonië) Europese Gemeenschap Europese Unie Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federale Leefmilieu-inspectie Federale Overheidsdienst Implementation and Enforcement of Environmental Law Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek departement Leefmilieu, Natuur en Energie afdeling Milieu-inspectie Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij Office Wallon des Déchets (Wallonië) Technisch Overleg Milieuregelgeving afdeling Toezicht Volksgezondheid (van het agentschap Zorg en Gezondheid) Vlaams Energieagentschap Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek Vlaamse Landmaatschappij Vlaamse Milieumaatschappij Vlaams Netwerk van Ondernemingen (Nederlands) ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Vereniging van Vlaamse Provincies Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Water Environment Federation World Health Organization Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid

(Milieu)technische termen ARAB BAO BBB BBT BREF CLEEN DIN ELV EMAS EURAL EVOA FID

Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming beperkt akoestisch onderzoek Beter Bestuurlijk Beleid (de reorganisatie van de Vlaamse administratie) beste beschikbare technieken (Engels: BAT) best available techniques reference document Chemical Legislation European Enforcement Network Deutsches Institut für Normung end-of-life vehicle ecomanagement and audit scheme Europese afvalstoffenlijst Europese Verordening inzake Overbrenging van Afvalstoffen flame ionization detector

Bijlagen

- 121


GGO GPBV GRM ICT IE MAP MER MES MINA-plan 3 MIP MJV NEC-richtlijn NeR PLDA PLOEG REACH RMA RMCEI RWZI TA-luft TEM TEQ TFS TRACES VAO Vlarea Vlarebo Vlarem I Vlarem II VR VTE

genetisch gemodificeerd organisme (Engels: GMO) Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging (Engels: IPPC) gespecificeerd risicomateriaal informatie- en communicatietechnologie inwonerequivalent Mest Actieplan milieueffectrapport Metatechnisch Evaluatiesysteem Milieubeleidsplan 2003-2007 Milieu-inspectieplan Mutual Joint Visit National Emission Ceilings richtlijn (Richtlijn 2001/81/EG) Nederlandse emissierichtlijn lucht Paperless Douane en Accijnzen Interne prestatiemanagementcyclus van Plannen, Leiding geven, Opvolgen, Evalueren en Gewaardeerd worden van de Vlaamse Overheid Registration, Evaluation and Authorization of Chemicals risicohoudend medisch afval Recommandation for Minimum Criteria for Environmental Inspections Rioolwaterzuiveringsinstallatie Technische Anleitung zur Reinhaltung der Luft transmissie-elektronen-microscopie toxische equivalenten Transfrontier Shipments of Waste Trade Control and Expert System volledig akoestisch onderzoek besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (dd. 1 juni 1998) besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (dd. 5 maart 1996) besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (dd. 6 februari 1991) besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (dd. 1 juni 1995) veiligheidsrapport voltijds equivalent

Stoffen en parameters AOX BZV CFK CZV DNA DDT HBCD MAK PAK PBDE PCB PCDD PCDF

122 -

adsorbeerbare organohalogenen biologische zuurstofvraag (Engels: BOD) chloorfluorkoolstofverbinding chemische zuurstofvraag (Engels: COD) desoxyribonucleïnezuur dichloor-difenyl-trichloorethaan hexabroomcyclodecaan monocyclische aromatische koolwaterstoffen polycyclische aromatische koolwaterstoffen polybroomdifenylethers polychloorbifenyl(en) polychloor-dibenzo-paradioxinen (kortweg dioxinen) polychloor-dibenzo-furanen (kortweg furanen)

Milieuhandhavingsrapport 2007 van de afdeling Milieu-inspectie


penta-BDE PFOA PFOS PFT pH PM10 TBBA VOS

pentabroomdifenylether perfluoroctaanzuur perfluoroctaansulfonaat perfluortensiden zuurtegraad stofdeeltjes met een aĂŤrodynamische diameter kleiner dan 10 Âľm (fijn stof) tetrabroombisfenol A vluchtige organische stoffen

Adressen Afdelingshoofd en Stafdienst afdelingshoofd: Dr. Sc. Robert Baert, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be

Buitendienst Limburg diensthoofd: ir. Freddy Noels Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt Tel.: 011-74 26 00 Fax: 011-74 26 29 e-mail: milieu-inspectie.lim@lne.vlaanderen.be

Hoofdbestuur diensthoofd: Lic. Martine Blondeel Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be

Buitendienst Oost-Vlaanderen diensthoofd: ir. Paul Van Gijseghem Apostelhuizen 26k 9000 Gent Tel.: 09-235 58 50 Fax: 09-235 58 79 e-mail: milieu-inspectie.ovl@lne.vlaanderen.be

Toezicht Zwarerisicobedrijven diensthoofd: Dr. Sc. Inge Delvaux Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 89 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lne.vlaanderen.be

Buitendienst Vlaams-Brabant diensthoofd: Ing. Marc Vanthienen Waaistraat 1 bus 2 3000 Leuven Tel.: 016-21 11 50 Fax: 016-21 11 51 e-mail: milieu-inspectie.vbr@lin.vlaanderen.be

Buitendienst Antwerpen diensthoofd: Lic. Linda Van Geystelen nieuw adres sinds 14 mei 2007 Lange Kievitstraat 111-113 bus 62 2018 Antwerpen Tel.: 03-224 64 25 Fax: 03-224 64 28 e-mail: milieu-inspectie.ant@lne.vlaanderen.be

Buitendienst West-Vlaanderen diensthoofd: ir. Roland Loontiens Koningin Astridlaan 29 bus 4 8200 Brugge Tel.: 050-40 42 11 Fax: 050-39 15 12 e-mail: milieu-inspectie.wvl@lne.vlaanderen.be

Bijlagen

- 123


Uitgave Vlaamse Overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Verantwoordelijke uitgever Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Eindredactie ir. Peter Schryvers Depotnummer: D/2008/3241/310 Opmaak Dienst communicatie en informatie Druk New goff n.v. Dit rapport is ook beschikbaar op www.milieu-inspectie.be Š Vlaamse Overheid


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Milieuhandhavingsrapport_ 2007.pdf by Vlaanderen-be - Issuu