1
KINDEROPVANG IN VLAANDEREN – 2001
INHOUD Deel 1: Cijfers en feiten Hoofdstuk 1. Schets van het opvanglandschap 1. Informele kinderopvang 2. Formele kinderopvang 3. De plicht tot melding aan Kind en Gezin Hoofdstuk 2. Kinderopvang in cijfers 1. Aantal opvangvoorzieningen 2. Aantal opvangplaatsen 3. Evolutie in het aantal aangesloten opvanggezinnen 4. Ingeschreven kinderen 5. Aantal verblijfsdagen Hoofdstuk 3. FinanciĂŤle analyse 1. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen 2. Initiatieven voor buitenschoolse opvang 3. Zelfstandige sector Deel 2: Beleid Hoofdstuk 1. Het beleidsplan kinderopvang van de minister bevoegd voor Welzijn, Mieke Vogels Hoofdstuk 2. Het lokale overleg kinderopvang 1. Samenstelling 2. Opdracht 3. De provinciaal verantwoordelijke voor het lokale overleg kinderopvang van Kind en Gezin 4. Stand van zaken lokaal overleg buitenschoolse opvang Hoofdstuk 3. Kwaliteitszorg 1. Inspectie in 2001 2. Ondersteuning implementatie kwaliteitsdecreet 3. De Klachtendienst van Kind en Gezin
2
Hoofdstuk 4. Andere accenten in de werking 1. Vernieuwde regelgeving 2. Consultancy 3. Website kinderopvang 4. Dossierbeheer kinderopvang 5. Onderzoek gebruik kinderopvang 6. Beroepsprofielen kinderopvang 7. Spoedprocedure voor gevaarsituaties in de zelfstandige kinderopvang 8. Video opvanggezinnen 9. Veilige speelterreinen 10. Vaccinatie proefproject Bijlage: Regelgeving en gewijzigde regelgeving 1. 2.
Specifieke regelgeving Andere regelgeving met impact op kinderopvang
3
DEEL 1: CIJFERS EN FEITEN Hoofdstuk 1. Schets van het opvanglandschap Ouders die hun kinderen buitenshuis laten opvangen, kunnen een beroep doen op een waaier van opvangmogelijkheden, waarbij een onderscheid bestaat tussen informele en formele kinderopvang. 1. Informele kinderopvang Informele opvang is de opvang door grootouders, familie, vrienden of kennissen, en de opvang die plaatsvindt in het thuismilieu van het kind (huispersoneel, au pair, babysit, …). 2. Formele kinderopvang In de formele opvang, worden er zes types van opvangvoorzieningen onderscheiden. KINDERDAGVERBLIJVEN Het gaat om opvang in groepsverband, erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Er zijn twee soorten kinderdagverblijven. Enerzijds de crèches, die voorzien in dagopvang van kinderen voor ze naar de basisschool gaan en in de overgangsperiode tussen kinderopvang en basisschool. Ze hebben een minimumcapaciteit van 23 plaatsen. Anderzijds bestaat er een beperkt aantal peutertuinen voor kinderen vanaf 18 maanden voor ze naar de basisschool gaan en in de overgangsperiode. Peutertuinen hebben een minimumcapaciteit van 20 plaatsen. Sommige kinderdagverblijven hebben een bijkomend aanbod van buitenschoolse kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool), ofwel in aparte lokalen (kinderen uit de basisschool). DIENSTEN VOOR OPVANGGEZINNEN Het gaat om opvang in gezinsverband, georganiseerd vanuit een dienst die erkend en gesubsidieerd wordt door Kind en Gezin. Deze dienst groepeert minimaal 14 opvanggezinnen. Elk opvanggezin kan maximaal 8 kindjes gelijktijdig opvangen en gemiddeld 4 voltijds. Deze opvanggezinnen kunnen ook buitenschoolse opvang verzorgen voor kinderen uit de basisschool. In de bovenvermelde voorzieningen betalen de ouders een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. De kinderopvangkosten zijn fiscaal aftrekbaar voor kinderen jonger dan 3 jaar. De erkenning houdt een zekere kwaliteitsgarantie in en de opvangvoorziening wordt op regelmatige basis geïnspecteerd door Kind en Gezin.
4
MINI-CRECHES EN ZELFSTANDIGE KINDERDAGVERBLIJVEN1 Het gaat om opvang in groepsverband, waarbij het onderscheid tussen beide wordt gemaakt op basis van de capaciteit: mini-crèches hebben een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen en zelfstandige kinderdagverblijven hebben een capaciteit van minstens 23 plaatsen. Sinds 2001 kunnen mini-crèches een financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden. Deze ondersteuning bedraagt 381,39 euro (geïndexeerd) per plaats op jaarbasis. ZELFSTANDIGE ONTHAALOUDERS2 Het gaat om opvang in gezinsverband. Een zelfstandige onthaalouder mag 7 kinderen gelijktijdig opvangen, waarvan er maximaal 5 jonger mogen zijn dan 3 jaar. Al deze zelfstandige voorzieningen moeten minstens gemeld worden bij Kind en Gezin, maar het merendeel van de voorzieningen opteert ervoor ook het attest van toezicht van Kind en Gezin te vragen. Dit attest biedt immers een aantal voordelen: de mogelijkheid om fiscale attesten uit te reiken aan de ouders, het bezoek van de regioverpleegkundige van Kind en Gezin (onthaalouders en mini-crèches), de terugbetaling van het inschrijvingsgeld voor bepaalde opleidingen,... Sommige zelfstandige opvangvoorzieningen bieden ook buitenschoolse kinderopvang voor kinderen uit de basisschool. De zelfstandige voorzieningen bepalen vrij de ouderbijdrage. Een attest van toezicht houdt een zekere kwaliteitsgarantie in en de voorziening onder toezicht wordt op regelmatige basis geïnspecteerd door Kind en Gezin. Ook in de enkel gemelde voorzieningen hebben de inspectieambtenaren van Kind en Gezin tijdens de opvangmomenten in principe toegang tot alle plaatsen of ruimten die voor de opvang bestemd zijn of ermee verband houden. In de praktijk gebeurt dit tot nu toe alleen wanneer er een klacht is over de betreffende voorziening. De kinderopvangkosten zijn fiscaal aftrekbaar voor kinderen jonger dan 3 jaar. INITIATIEVEN VOOR BUITENSCHOOLSE OPVANG Deze zijn specifiek en exclusief gericht op de buitenschoolse opvang van kinderen uit de basisschool. Ze bieden voor- en naschoolse opvang, opvang op woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en gedurende de schoolvakanties. Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden erkend en soms ook gesubsidieerd door Kind en Gezin. De erkenning door Kind en Gezin zet ook het licht op groen om Weerwerk-gesco’s aan te vragen bij de administratie Werkgelegenheid (ministerie van de Vlaamse Gemeenschap).
1 2
Vroegere ‘particuliere opvanginstellingen’ Vroegere ‘particuliere opvanggezinnen’
5
Formele opvangvoorzieningen en specifieke doelgroepen en opvangvragen Kinderopvang is in de eerste plaats nodig omdat ouders hun beroepsactiviteit willen combineren met de zorg voor hun kinderen. Maar meer en meer wordt vastgesteld dat kinderopvang ruimere functies vervult. Opvangvoorzieningen beperken zich niet tot het louter opvangen van kinderen, maar nemen ook een opvoedings- en gezinsondersteunende functie op. Ook wat het aanbod betreft, zijn er heel wat voorzieningen (zowel kinderdagverblijven, zelfstandige voorzieningen, initiatieven voor buitenschoolse opvang als opvanggezinnen) die meer aanbieden dan alleen maar dagopvang of buitenschoolse opvang. Ze vangen ook kinderen op ’s morgens vroeg, ’s avonds laat, in het weekend en soms ’s nachts. Daarnaast zijn er ook voorzieningen die extra aandacht hebben voor specifieke doelgroepen zoals kinderen met een specifieke zorgbehoefte en kinderen uit kansarme en allochtone gezinnen. Formele opvangvoorzieningen en opvang van zieke kinderen Wanneer een kind licht ziek is en er geen besmettingsgevaar dreigt voor de andere opgevangen kinderen, kan het meestal terecht in de opvangvoorziening waar het normaal wordt opgevangen. Daarnaast organiseren een aantal kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang thuisopvang voor zieke kinderen. Zij hebben een aantal personeelsleden in dienst die aan huis de opvang verzorgen wanneer het kind ziek is. Meersporenbeleid buitenschoolse opvang Inzake buitenschoolse opvang zijn er verschillende initiatiefnemers. Zoals al vermeld, kunnen naast de initiatieven voor buitenschoolse opvang ook andere erkende voorzieningen (kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen) en zelfstandige voorzieningen buitenschoolse opvang organiseren. Daarnaast verzorgen ook scholen buitenschoolse kinderopvang. Ook zij moeten deze activiteit melden aan Kind en Gezin. 3. De plicht tot melding aan Kind en Gezin Iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling kinderen onder de 12 jaar opvangt, moet deze opvangactiviteit melden aan Kind en Gezin. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en initiatieven die opvang organiseren in het thuismilieu van het kind zijn vrijgesteld van deze plicht tot melding.
6
Hoofdstuk 2. Kinderopvang in cijfers 1. Aantal opvangvoorzieningen Eind 2001 functioneren er 323 kinderdagverblijven en 199 diensten voor opvanggezinnen. Daarvan zijn er 31 kinderdagverblijven die buitenschoolse opvang in aparte lokalen organiseren. In vergelijking met 2000 is er een stijging van het aantal kinderdagverblijven en een daling van het aantal diensten voor opvanggezinnen. De daling van het aantal diensten is hoofdzakelijk te wijten aan de stopzetting van de diensten verbonden aan een kinderdagverblijf. In de vernieuwde regelgeving is immers opgenomen dat de erkenning van dit type van voorziening wordt opgeheven. Drie van deze diensten hebben hun werking stopgezet; hun opvanggezinnen sloten zich aan bij een andere dienst. Drie diensten hebben een werking als autonome dienst opgestart. Het aantal kinderdagverblijven met buitenschoolse opvang in aparte lokalen is met 1 gedaald. Eind 2001 waren er 179 initiatieven voor buitenschoolse opvang, wat een stijging is met 13 initiatieven tegenover 2000. Voor de zelfstandige sector is een vergelijking met 2000 moeilijk: de kleinere opvang in groepsverband (capaciteit 6 en 7) wordt vanaf 2001 immers geregistreerd als onthaalouder. In 2000 werden deze nog geteld bij de voormalige ‘particuliere opvanginstellingen’.
7
______________________________________________________________________________ OPVANGVOORZIENINGEN ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 316 323 Diensten voor opvanggezinnen 206 199 Buitenschoolse opvang georganiseerd door een kinderdagverblijf 32 31 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 166 179 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (1) 706 696 waarvan mini-crèches NB 590 zelfstandige kinderdagverblijven NB 106 Zelfstandige onthaalouders 1551 1559 (2) ______________________________________________________________________________ (1) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (2) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 1. Aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht Evoluties in het aantal opvangvoorzieningen Starters Onder starters verstaan we die kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen en initiatieven voor buitenschoolse opvang die in 2001 erkend werden door de Raad van Bestuur van Kind en Gezin. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang gaat het om nieuwe voorzieningen en niet om nieuwe vestigingsplaatsen. Het aantal starters in de erkende (en gesubsidieerde) sector ligt in 2001 lager dan in 2000. Het aantal starters in de sector van de kinderdagverblijven ligt hoger, maar in de sector van de initiatieven voor buitenschoolse opvang ligt het lager. In de sector van de diensten zijn er ook dit jaar geen starters, wat niet zo verwonderlijk is aangezien er in bijna elke gemeente al een dienst werkzaam is. In de zelfstandige opvang onder toezicht wordt een starter gedefinieerd als een voorziening die voor het eerst in 2001 een attest van toezicht aanvroeg. In 2000 werd een starter gedefinieerd als een voorziening die in 2000 een attest van toezicht toegekend kreeg. Wijzigingen in het type van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen werden noch in 2000
8
noch in 2001 als starter gedefinieerd. In deze sector ligt het aantal starters duidelijk veel hoger dan in de erkende sector. Het aantal starters is het grootst in de sector van de onthaalouders. Het aantal starters is duidelijk het laagst bij de zelfstandige kinderdagverblijven. ______________________________________________________________________________ STARTERS ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven (1) 3 7 Diensten voor opvanggezinnen (1) 0 0 Buitenschoolse opvang in 3 0 aparte lokalen van kinderdagverblijven (2) Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1) 21 13 ______________________________________________________________________________ Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin 27 20 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3) Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (4) 88 108 waarvan mini-crèches NB 97 zelfstandige kinderdagverblijven NB 11 Zelfstandige onthaalouders 168 139 (5) ______________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 256 247 ______________________________________________________________________________ Algemeen totaal 283 267 ______________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) In 2000: rekening houdend met de datum van toekenning van het attest van toezicht; in 2001: rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht (4) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (5) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 2. Aantal startende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal startende opvangvoorzieningen met attest van toezicht
9
Stopzettingen In de erkende sector ligt het aantal stopzettingen hoger dan in 2000. Dit is vooral te wijten aan het grotere aantal stopzettingen in de sector van de diensten voor opvanggezinnen. Het gaat hier voor 6 van de 7 stopzettingen evenwel om ‘administratieve’ stopzettingen: de erkenning van de diensten voor opvanggezinnen verbonden aan een kinderdagverblijf werd krachtens de vernieuwde regelgeving opgeheven per 31 december 2001. Drie van deze diensten hebben een werking als autonome dienst opgestart, de overige 3 hebben hun werking stopgezet en de betrokken opvanggezinnen hebben zich aangesloten bij een andere dienst. De zevende stopzetting is eigenlijk een fusie van 2 diensten. De stopzetting bij de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf betreft een erkenning als initiatief voor buitenschoolse opvang. In de zelfstandige sector ligt het aantal stopzettingen hoger dan in de erkende sector. In vergelijking met 2000 zijn er wel minder zelfstandige voorzieningen gestopt. Bij de zelfstandige onthaalouders is het aantal stopzettingen het grootst. Een overgang van een voorzieningstype naar een ander, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst, verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke worden niet als een stopzetting geregistreerd.
10
______________________________________________________________________________ STOPZETTINGEN ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 1 0 Diensten voor opvanggezinnen 1 7 (1) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven 0 1 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 0 0 ______________________________________________________________________________ Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin 2 8 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (2) 41 27 waarvan mini-crèches NB 23 zelfstandige kinderdagverblijven NB 4 Zelfstandige onthaalouders 224 206 (3) ______________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 265 233 ______________________________________________________________________________ Algemeen totaal 267 241 ______________________________________________________________________________ (1) De erkenning van de diensten verbonden aan een kinderdagverblijf werd krachtens de vernieuwde regelgeving opgeheven. (2) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (3) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 3. Aantal stoppende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal stoppende opvangvoorzieningen met een attest van toezicht
11
Aantal intrekkingen van de erkenning of het attest van toezicht In de erkende (en gesubsidieerde) sector werd in 2001 geen enkele erkenning ingetrokken. Het aantal zelfstandige opvangvoorzieningen waarvan het attest van toezicht in 2001 werd ingetrokken, is zeer beperkt. Ook vorig jaar was dit al het geval. ______________________________________________________________________________ INTREKKINGEN ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 1 0 Diensten voor opvanggezinnen 0 0 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 0 0 Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (1) 6 4 waarvan mini-crèches NB 2 zelfstandige kinderdagverblijven NB 2 Zelfstandige onthaalouders 3 2 (2) ______________________________________________________________________________ Totaal 10 6 ____________________________________________________________________________ (1) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (2) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 4. Aantal erkende opvangvoorzieningen waarvan de erkenning werd ingetrokken en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken
Aantal beroepsdossiers Erkende opvangvoorzieningen kunnen tegen een aantal beslissingen beroep aantekenen bij de minister, die hierover een advies vraagt aan de adviserende beroepscommissie van de Vlaamse Gezins- en Welzijnsraad. Het gaat hierbij om een gehele of gedeeltelijke weigering van een principieel akkoord, een erkenning of subsidiëring, een intrekking van een erkenning of een weigering van de verlenging van de erkenning. In 2001 tekende voor het eerst een vzw beroep aan bij de minister tegen de niet-toekenning van een principieel akkoord voor de oprichting van een nieuw kinderdagverblijf. De minister willigde het beroep in en verzocht de Raad van Bestuur van Kind en Gezin om de toekenning van een principieel akkoord in de betreffende regio opnieuw
12
in overweging te nemen om zo te komen tot een gemotiveerde beslissing, wat dan ook gebeurde in december 2001. Zelfstandige opvangvoorzieningen kunnen bij Kind en Gezin beroep aantekenen tegen het niet toekennen van een attest van toezicht of een verlenging ervan, het niet toekennen van een capaciteitsuitbreiding en het intrekken van een attest van toezicht. Het aantal in 2001 ingediende beroepsdossiers lag zeer laag, bij de opvang in groepsverband iets hoger dan bij de onthaalouders. Opvallend is ook dat maar heel weinig beroepen kunnen worden ingewilligd. ______________________________________________________________________________ BEROEPSDOSSIERS ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ingediend ingewilligd ingediend ingewilligd ______________________________________________________________________________ Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven 10 2 6 1 Zelfstandige onthaalouders (1) 2 0 5 1 ______________________________________________________________________________ Totaal 12 2 11 2 ______________________________________________________________________________ (1) In 2001: Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ 5. Aantal ingediende beroepsdossiers en het resultaat van het beroep
13
2. Aantal opvangplaatsen Eind 2001 zijn er in totaal 61 225 erkende opvangplaatsen. Ten opzichte van 2000 is dit een verhoging met 2554 plaatsen (4,4%). In de kinderdagverblijven neemt het aantal plaatsen toe met 316 (2,3%), in de diensten is er een toename met 320 (1,1%), de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf groeit met 7 plaatsen (0,7%) en in de initiatieven voor buitenschoolse opvang is er een groei van 1911 plaatsen (12,5%). Bij de zelfstandige onthaalouders onder toezicht zijn er eind 2001 7748 plaatsen, bij de minicrèches onder toezicht 8697 en bij de zelfstandige kinderdagverblijven onder toezicht 4256. Samen zijn dit 20 701 plaatsen in opvangvoorzieningen die onder toezicht staan van Kind en Gezin. In vergelijking met 2000 is dit een stijging met 9,5%. Deze groei wordt hoofdzakelijk gerealiseerd in de zelfstandige opvang in groepsverband. De zelfstandige onthaalouders realiseren 37,4% van de zelfstandige opvangplaatsen onder toezicht, de mini-crèches 42,0% en de zelfstandige kinderdagverblijven 20,6%. In totaal zijn er eind 2001 81 926 opvangplaatsen erkend, gesubsidieerd of onder toezicht van Kind en Gezin. Dit is een stijging met 5,6% of 4353 plaatsen. Wat het aantal opvangplaatsen per provincie betreft, heeft Antwerpen eind 2001 het grootste aantal plaatsen in kinderdagverblijven. Limburg heeft het laagste aantal. Ook voor de diensten voor opvanggezinnen telt Antwerpen het grootste aantal plaatsen. Het Brussels Gewest kent het kleinste aantal plaatsen. Het aantal plaatsen voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf is het hoogst in Limburg, hoewel het aantal plaatsen in West-Vlaanderen van dezelfde orde van grootte is. In het Brussels Gewest zijn er geen plaatsen voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf. Het aantal plaatsen in de sector van de initiatieven voor buitenschoolse opvang is eind 2001 ongeveer gelijk in Antwerpen en Oost-Vlaanderen, die het grootste aantal tellen. In het Brussels Gewest zijn er in 2001 voor het eerst plaatsen in de sector van de initiatieven voor buitenschoolse opvang. Wat het aantal plaatsen in de zelfstandige sector betreft, stellen we vast dat voor de mini-crèches, Oost-Vlaanderen het grootste aantal opvangplaatsen heeft. In Limburg is het aantal plaatsen het kleinst. Voor de zelfstandige kinderdagverblijven is het aantal plaatsen in het Brussels Gewest duidelijk het hoogst. Ook voor dit soort voorziening telt Limburg het kleinste aantal plaatsen. Het aantal plaatsen bij zelfstandige onthaalouders is het grootst in West-Vlaanderen. Globaal gezien telt de provincie Antwerpen het grootste aantal plaatsen, gevolgd door de provincie Oost-Vlaanderen. Het Brussels Gewest en Limburg hebben het geringste aantal opvangplaatsen.
14
______________________________________________________________________________ OPVANGPLAATSEN ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 13 511 13 827 Diensten voor opvanggezinnen 28 980 29 300 Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven 947 954 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 15 233 17 144 ______________________________________________________________________________ Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin 58 671 61 225 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (1) 11 449 12 953 waarvan mini-crèches NB 8 697 zelfstandige kinderdagverblijven NB 4 256 Zelfstandige onthaalouders 7 453 7 748 (2) ______________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 18 902 20 701 ______________________________________________________________________________ Algemeen totaal 77 573 81 926 ______________________________________________________________________________ (1) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (2) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 6. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met een attest van toezicht
15
Aantal plaatsen in de erkende en de zelfstandige sector
32% 68%
Erkende en gesubsidieerde sector
Zelfstandige sector
7. Verhouding aantal opvangplaatsen in erkende en gesubsidieerde sector (kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen) – aantal opvangplaatsen in zelfstandige sector (zelfstandige onthaalouders, mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven) - 2001
Aantal plaatsen in groepsverband en in gezinsverband
58% 42%
Opvang in groepsverband
Opvang in gezinsverband
8. Verhouding aantal opvangplaatsen in groepsverband (kinderdagverblijven, mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven) – aantal opvangplaatsen in gezinsverband (diensten voor opvanggezinnen en zelfstandige onthaalouders) - 2001
16
______________________________________________________________________________________________________________________ OPVANGPLAATSEN PER PROVINCIE _________________________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _________________________________________________________________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 3217 3362 3085 3127 1851 1863 1600 1653 2640 2700 1118 1122 Diensten voor opvanggezinnen 8596 8652 4236 4228 80 40 4868 4956 6664 6860 4424 4452 Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven 16 16 146 146 0 0 254 279 262 230 269 283 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 3330 3879 2370 2638 0 30 2880 3123 3409 3952 3244 3522 _________________________________________________________________________________________________________________________________ Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin 15 159 15 909 9837 10 139 1901 1933 9602 10 011 12 975 13 742 9055 9379 _________________________________________________________________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (1) 2233 2411 1609 1820 2137 3113 2229 2171 2854 2958 362 455 waarvan mini-crèches NB 1737 NB 1230 NB 1065 NB 2013 NB 2290 NB 362 zelfstandige kinderdagverblijven NB 674 NB 590 NB 2048 NB 158 NB 668 NB 93 Zelfstandige onthaalouders (2) 840 920 1264 1274 120 172 3353 3324 1690 1854 186 204 _________________________________________________________________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 3073 3331 2873 3094 2257 3285 5582 5495 4544 4812 548 659 _________________________________________________________________________________________________________________________________ Algemeen totaal 18 232 19 240 12 710 13 233 4188 5218 15 184 15 506 17 519 18 554 9603 10 038 _________________________________________________________________________________________________________________________________
17
(1) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (minicrèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (2) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 9. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht per provincie
18
In het Vlaams Gewest zijn er eind december 2001 312,6 kinderopvangplaatsen beschikbaar per 1000 kinderen onder de 3 jaar in gesubsidieerde of onder toezicht van Kind en Gezin staande kinderopvangvoorzieningen (gesubsidieerde sector: 219,6 plaatsen; zelfstandige sector: 93,0 plaatsen). Tegenover 2000 is dit een toename met 12,0 plaatsen per 1000 kinderen. Het aantal gesubsidieerde plaatsen per 1000 kinderen nam toe met 6,5 en het aantal plaatsen onder toezicht nam toe met 5,5. Het relatieve aantal opvangplaatsen verschilt van provincie tot provincie. West-Vlaanderen telt relatief gezien het grootste aantal, Limburg het kleinste. Het relatieve aantal gesubsidieerde opvangplaatsen verschilt eveneens naar gelang van de provincie, hoewel de verschillen gering zijn. Limburg telt verhoudingsgewijs het grootste aantal gesubsidieerde plaatsen per 1000 kinderen. West-Vlaanderen telt het kleinste aantal gesubsidieerde plaatsen per 1000 kinderen. Wat het relatieve aantal plaatsen in de zelfstandige sector betreft, kent West-Vlaanderen veruit het grootste aantal. Het gaat hier vooral om plaatsen bij de zelfstandige onthaalouders. Limburg kent relatief gezien het kleinste aantal plaatsen in de zelfstandige sector. De verschillen tussen de provincies voor de zelfstandige sector zijn groter dan de provinciale verschillen voor de gesubsidieerde sector.
19
______________________________________________________________________________ OPVANGPLAATSEN PER 1000 KINDEREN ONDER DE 3 JAAR IN HET VLAAMS GEWEST (1) ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 61,4 63,9 Diensten voor opvanggezinnen 151,7 155,7 ______________________________________________________________________________ Totaal erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin 213,1 219,6 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (2) 48,9 52,5 waarvan mini-crèches NB 40,8 zelfstandige kinderdagverblijven NB 11,7 Zelfstandige onthaalouders 38,6 40,5 (3) ______________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 87,5 93,0 ______________________________________________________________________________ Algemeen totaal 300,6 312,6 ______________________________________________________________________________ (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. Het is evenwel niet mogelijk om het aantal plaatsen dat gebruikt wordt voor buitenschoolse opvang te ramen. (2) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (3) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ NB = Niet beschikbaar 10. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaams Gewest
20
_______________________________________________________________________________________________________________________ OPVANGPLAATSEN PER 1000 KINDEREN ONDER DE 3 JAAR PER PROVINCIE (1) _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsWestOostLimburg Brabant Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 56,0 63,4 96,4 96,4 46,0 48,5 60,1 62,4 44,8 45,9 Diensten voor opvanggezinnen 160,4 163,2 130,1 130,3 139,8 145,4 151,8 158,5 177,2 182,3 _______________________________________________________________________________________________________________________ Totaal erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin 220,4 226,7 224,8 226,7 185,8 193,9 212,0 220,9 221,9 228,2 _______________________________________________________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (2) 41,7 45,5 49,4 56,1 64,0 63,7 65,0 68,3 14,5 18,6 waarvan mini-crèches NB 32,8 NB 37,9 NB 59,1 NB 52,9 NB 14,8 zelfstandige kinderdagverblijven NB 12,7 NB 18,2 NB 4,6 NB 15,4 NB 3,8 Zelfstandige onthaalouders (3) 15,7 17,4 38,8 39,3 96,3 97,5 38,5 42,8 7,4 8,4 _______________________________________________________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht 57,4 62,8 88,2 95,4 160,4 161,2 103,5 111,2 21,9 27,0 van Kind en Gezin _______________________________________________________________________________________________________________________ Algemeen totaal 277,8 289,5 313,0 322,1 346,2 355,1 315,5 332,1 243,9 255,5 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. Het is evenwel niet mogelijk om het aantal plaatsen dat gebruikt wordt voor buitenschoolse opvang te ramen.
21
(2) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (minicrèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (3) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ 14. Aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar per provincie
22
Het aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen tussen 3 en 12 jaar ligt duidelijk lager dan voor kinderen jonger dan 3 jaar. Toch gaat het in stijgende lijn. Kinderen kunnen ook buitenschools opgevangen worden in kinderdagverblijven, opvanggezinnen en zelfstandige opvangvoorzieningen. Daarnaast spelen ook de scholen een belangrijke rol bij de korte opvangmomenten voor en na de schooluren. Limburg telt relatief gezien het grootste aantal plaatsen voor kinderen tussen 3 en 12 jaar, Antwerpen het kleinste aantal. Het aantal plaatsen in de andere 3 provincies is onderling vergelijkbaar. ______________________________________________________________________________ OPVANGPLAATSEN PER 1000 KINDEREN TUSSEN 3 EN 12 JAAR IN HET VLAAMS GEWEST ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Initiatieven voor buitenschoolse opvang 24,5 27,7 In aparte lokalen van kinderdagverblijven 1,5 1,5 ______________________________________________________________________________ Totaal 26,1 29,2 ______________________________________________________________________________ 12. Aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen tussen 3 en 12 jaar in het Vlaams Gewest
23
_______________________________________________________________________________________________________________________ OPVANGPLAATSEN PER 1000 KINDEREN TUSSEN 3 EN 12 JAAR PER PROVINCIE _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsWestOostLimburg Brabant Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Initiatieven voor buitenschoolse opvang 19,3 22,6 22,2 24,7 24,3 26,6 24,6 28,6 38,4 42,1 In aparte lokalen van kinderdagverblijven 0,1 0,1 1,4 1,4 2,1 2,4 1,9 1,7 3,2 3,4 _______________________________________________________________________________________________________________________ Algemeen totaal 19,4 22,7 23,5 26,0 26,5 29,0 26,5 30,2 41,6 45,5 _______________________________________________________________________________________________________________________ 13. Aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen tussen 3 en 12 jaar per provincie
24
Evoluties in het aantal opvangplaatsen Kinderdagverblijven De Raad van Bestuur van Kind en Gezin erkende in 2001 een aantal nieuwe kinderdagverblijven, die samen een capaciteit hebben van 248 plaatsen. Daarnaast erkende de Raad van Bestuur een aantal capaciteitsuitbreidingen, goed voor 68 plaatsen. Per provincie stellen we vast dat in 2001 de provincie Antwerpen de grootste starterscapaciteit heeft. In Limburg en het Brussels Gewest starten geen kinderdagverblijven. In alle provincies is er een capaciteitsuitbreiding in de sector van de kinderdagverblijven. _______________________________________________________________________________ KINDERDAGVERBLIJVEN _______________________________________________________________________________ 2000 2001 _______________________________________________________________________________ Starters (1) 86 248 Capaciteitsuitbreidingen (2) 151 68 Stopzettingen 56 0 _______________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de datum van beslissing tot uitbreiding 14. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in kinderdagverblijven
25
_______________________________________________________________________________________________________________________ KINDERDAGVERBLIJVEN _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Starters (1) 0 140 0 28 0 0 0 28 86 52 0 0 Capaciteitsuitbreidingen (2) 40 5 16 14 0 12 49 25 46 8 0 4 Stopzettingen 56 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de datum van beslissing tot uitbreiding 15. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in kinderdagverblijven per provincie
26
Diensten voor opvanggezinnen In de sector van de diensten voor opvanggezinnen erkende de Raad van Bestuur van Kind en Gezin een aantal capaciteitsuitbreidingen, samen goed voor 616 plaatsen. Nieuwe diensten werden niet erkend. De diensten verbonden aan een kinderdagverblijf zetten hun werking stop en ĂŠĂŠn dienst fusioneerde met een andere dienst. Dit kwam neer op 296 plaatsen. In de provincie Oost-Vlaanderen resulteren de capaciteitsuitbreidingen in het grootste aantal plaatsen. In het Brussels Gewest zijn er geen capaciteitsuitbreidingen. De stoppende diensten verbonden aan een kinderdagverblijf waren voornamelijk gesitueerd in Vlaams-Brabant. _______________________________________________________________________________ DIENSTEN VOOR OPVANGGEZINNEN _______________________________________________________________________________ 2000 2001 _______________________________________________________________________________ Starters (1) 0 0 Capaciteitsuitbreidingen (2) 532 616 Stopzettingen 40 296 _______________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de datum van beslissing tot uitbreiding 16. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in diensten voor opvanggezinnen
27
_______________________________________________________________________________________________________________________ DIENSTEN VOOR OPVANGGEZINNEN _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Starters (1) 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 Capaciteitsuitbreidingen (2) 224 56 0 168 0 0 168 168 56 196 84 28 Stopzettingen 0 0 0 176 0 40 0 80 0 0 0 0 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de datum van beslissing tot uitbreiding 17. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in diensten voor opvanggezinnen per provincie
28
Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven In de zelfstandige opvang in groepsverband is de bijkomende capaciteit door startende voorzieningen veel groter dan de capaciteit als gevolg van uitbreidingen. Het verlies aan plaatsen in stoppende opvangvoorzieningen is eveneens vrij aanzienlijk. De sector van de mini-crèches kent een grotere dynamiek dan de sector van de kinderdagverblijven: het aantal plaatsen bij starters, capaciteitsuitbreidingen en stopzettingen ligt er hoger. In 2001 zijn er meer bijkomende plaatsen door startende voorzieningen en door capaciteitsuitbreidingen en is er minder verlies aan plaatsen door stopzettingen dan in 2000. De capaciteit van de startende zelfstandige opvang in groepsverband is het grootst in het Brussels Gewest, gevolgd door Antwerpen en Oost-Vlaanderen. Capaciteitsuitbreidingen werden in alle provincies gerealiseerd. De capaciteit van de stoppende voorzieningen is het grootst in WestVlaanderen en nihil in Limburg. _______________________________________________________________________________ MINI-CRECHES EN ZELFSTANDIGE KINDERDAGVERBLIJVEN (1) _______________________________________________________________________________ 2000 2001 _______________________________________________________________________________ Starters mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (2) 1321 1925 waarvan mini-crèches NB 1349 zelfstandige kinderdagverblijven NB 576 Capaciteitsuitbreidingen mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (3) 271 352 waarvan mini-crèches NB 260 zelfstandige kinderdagverblijven NB 92 Stopzettingen mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven 561 411 waarvan mini-crèches NB 305 zelfstandige kinderdagverblijven NB 106 _______________________________________________________________________________ (1) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (2) In 2000: rekening houdend met de datum van toekenning van het attest van toezicht; in 2001: rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht (3) Rekening houdend met de beslissingsdatum NB = Niet beschikbaar 18. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven
29
_______________________________________________________________________________________________________________________ MINI-CRECHES EN ZELFSTANDIGE KINDERDAGVERBLIJVEN (1) _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Starters mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (2) 470 401 149 311 140 510 275 218 282 397 5 88 waarvan mini-crèches NB 371 NB 214 NB 185 NB 218 NB 301 NB 60 zelfstandige kinderdagverblijven NB 30 NB 97 NB 325 NB 0 NB 96 NB 28 Capaciteitsuitbreidingen minicrèches en zelfstandige kinderdagverblijven (3) 88 100 57 40 26 43 60 63 40 86 0 20 waarvan mini-crèches NB 61 NB 21 NB 30 NB 63 NB 65 NB 20 zelfstandige kinderdagverblijven NB 39 NB 19 NB 13 NB 0 NB 21 NB 0 Stopzettingen mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven 66 84 107 30 65 38 121 161 160 98 42 0 waarvan mini-crèches NB 56 NB 30 NB 14 NB 131 NB 74 NB 0 zelfstandige kinderdagverblijven NB 28 NB 0 NB 24 NB 30 NB 24 NB 0 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (minicrèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven)
30
(2) In 2000: rekening houdend met de datum van toekenning van het attest van toezicht; in 2001: rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht (3) Rekening houdend met de beslissingsdatum NB = Niet beschikbaar 19. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven per provincie
31
Zelfstandige onthaalouders In de sector van de zelfstandige onthaalouders zijn er vooral bijkomende plaatsen bij startende gezinnen. Het verlies aan plaatsen als gevolg van stopzettingen is nog steeds groter dan het aantal nieuwe plaatsen bij starters. In 2001 ligt zowel het aantal plaatsen bij starters als het aantal plaatsen bij stopzettingen lager dan in 2000. De capaciteit van de starters is het grootst in West-Vlaanderen en het kleinst in het Brussels Gewest. De capaciteit van de uitbreidingen is gespreid over de verschillende provincies, met uitzondering van het Brussels Gewest. Het verlies aan plaatsen door stopzettingen loopt uiteen van provincie tot provincie en is duidelijk het grootst in West-Vlaanderen. _______________________________________________________________________________ ZELFSTANDIGE ONTHAALOUDERS _______________________________________________________________________________ 2000 2001 (1) _______________________________________________________________________________ Starters (2) 816 669 Capaciteitsuitbreidingen (3) 81 86 Stopzettingen 1031 988 _______________________________________________________________________________ (1) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ (2) In 2000: rekening houdend met de datum van toekenning van het attest van toezicht; in 2001: rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht (3) Rekening houdend met de beslissingsdatum 20. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen bij zelfstandige onthaalouders
32
_______________________________________________________________________________________________________________________ ZELFSTANDIGE ONTHAALOUDERS (1) _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Starters (2) 88 116 143 96 10 10 306 226 239 190 30 31 Capaciteitsuitbreidingen (3) 11 26 8 6 4 0 33 32 23 20 2 2 Stopzettingen 123 118 145 188 4 0 468 423 243 250 48 9 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ (2) In 2000: rekening houdend met de datum van toekenning van het attest van toezicht; in 2001: rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht (3) Rekening houdend met de beslissingsdatum 21. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen bij zelfstandige onthaalouders per provincie
33
Initiatieven voor buitenschoolse opvang In de sector van de initiatieven voor buitenschoolse opvang erkende de Raad van Bestuur van Kind en Gezin in 2001 een aantal nieuwe initiatieven, die samen een capaciteit hebben van 861 plaatsen. Daarnaast erkende de Raad van Bestuur een aantal capaciteitsuitbreidingen, samen goed voor 1143 plaatsen. In 2001 waren er geen stopzettingen. Het aantal plaatsen dat in startende voorzieningen werd erkend, loopt per provincie sterk uiteen. De capaciteitsuitbreidingen zijn gespreid over de verschillende provincies en zijn het grootst in Antwerpen. _______________________________________________________________________________ INITIATIEVEN VOOR BUITENSCHOOLSE OPVANG _______________________________________________________________________________ 2000 2001 _______________________________________________________________________________ Starters (1) 1353 861 Capaciteitsuitbreidingen (2) 775 1143 Stopzettingen 0 0 _______________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de datum van beslissing tot uitbreiding 22. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in initiatieven voor buitenschoolse opvang
34
_______________________________________________________________________________________________________________________ INITIATIEVEN VOOR BUITENSCHOOLSE OPVANG _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Starters (1) 444 225 35 173 0 30 384 96 465 315 25 22 Capaciteitsuitbreidingen (2) 133 366 96 125 0 0 191 152 142 249 213 251 Stopzettingen 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de datum van beslissing tot erkenning (2) Rekening houdend met de datum van beslissing tot uitbreiding 23. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in initiatieven voor buitenschoolse opvang per provincie
35
Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf De capaciteit van het aantal uitbreidingen van de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf is in 2001 vrij gering. Bovendien waren er geen starters en was er een stopzetting van 32 plaatsen. De capaciteitsuitbreidingen deden zich alleen voor in West- en Oost-Vlaanderen. De stopzetting deed zich voor in Oost-Vlaanderen. Het ging evenwel om een overstap naar een erkenning als initiatief voor buitenschoolse opvang. _______________________________________________________________________________ BUITENSCHOOLSE OPVANG IN APARTE LOKALEN VAN EEN KINDERDAGVERBLIJF _______________________________________________________________________________ 2000 2001 _______________________________________________________________________________ Starters (1) 174 0 Capaciteitsuitbreidingen (1) 42 12 Stopzettingen 0 32 _______________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de effectieve startdatum 24. Overzicht van de evoluties in het aantal plaatsen in de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf
36
_______________________________________________________________________________________________________________________ BUITENSCHOOLSE OPVANG IN APARTE LOKALEN VAN EEN KINDERDAGVERBLIJF _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen VlaamsBrussels WestOostLimburg Brabant Gewest Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Starters (1) 0 0 37 0 0 0 30 0 0 0 107 0 Capaciteitsuitbreidingen (1) 0 0 0 0 0 0 2 11 0 1 40 0 Stopzettingen 0 0 0 0 0 0 0 0 0 32 0 0 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Rekening houdend met de effectieve startdatum 25. Overzicht van de evoluties in het aantal opvangplaatsen in buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf per provincie
37
3. Evolutie in het aantal aangesloten opvanggezinnen Het aantal opvanggezinnen aangesloten bij een dienst is in 2001 gedaald tegenover 2000. Eind 2001 zijn er in Vlaanderen 236 aangesloten opvanggezinnen minder. De daling doet zich in elke provincie voor, met uitzondering van West-Vlaanderen, waar het aantal minimaal stijgt.
_______________________________________________________________________________ AANGESLOTEN OPVANGGEZINNEN PER PROVINCIE _______________________________________________________________________________ 2000 2001 _______________________________________________________________________________ Antwerpen 2322 2209 Vlaams-Brabant 1171 1107 Brussels Gewest 15 14 West-Vlaanderen 1337 1344 Oost-Vlaanderen 1849 1794 Limburg 1198 1188 _______________________________________________________________________________ Totaal 7892 7656 _______________________________________________________________________________ 26. Aantal opvanggezinnen aangesloten bij een dienst voor opvanggezinnen per provincie
38
4. Ingeschreven kinderen Aantal In 2001 zijn er 79 466 kinderen ingeschreven in de erkende voorschoolse opvang en 35 193 in de voorschoolse opvang met attest van toezicht, een totaal van 114 659. Globaal gezien is het aantal ingeschreven kinderen in voorschoolse opvang gestegen met 3 357 (+ 3,0%). De stijging doet zich zowel voor in de erkende sector (+ 1,4%) als in de zelfstandige sector (+ 6,9%). Onder voorschoolse opvang wordt verstaan de opvang van kinderen die nog niet naar school gaan of van kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en basisschool. De initiatieven voor buitenschoolse opvang nemen in de buitenschoolse opvang een belangrijke plaats in. In 2001 zijn er 96 121 kinderen ingeschreven. In vergelijking met 2000 is dit een stijging met 13 603 kinderen (+ 16,5%). Maar ook in de kinderdagverblijven en de diensten voor opvanggezinnen stijgt het aantal ingeschreven kinderen in buitenschoolse opvang. In de kinderdagverblijven bedraagt de stijging 7,6% en in de diensten 8,1%. Globaal gezien stijgt het aantal ingeschreven kinderen in buitenschoolse opvang in de erkende (en gesubsidieerde) sector met 14,4%. In de zelfstandige sector is het aantal ingeschreven kinderen in buitenschoolse opvang lager. Ten opzichte van 2000 is er zowel in de zelfstandige kinderdagverblijven en de mini-crèches als bij de zelfstandige onthaalouders een daling merkbaar. Globaal bekeken is het aantal kinderen in de buitenschoolse opvang gestegen met 15 300 (+ 13,2%).
39
_____________________________________________________________________________ INGESCHREVEN KINDEREN (1) ______________________________________________________________________________ Voorschools (2) Buitenschools 2000 2001 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 27 952 28 134 6 260 6 736 Diensten voor opvanggezinnen 50 433 51 332 20 880 22 579 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 82 518 96 121 ______________________________________________________________________________ Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin 78 385 79 466 109 658 125 436 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven (3) 21 710 22 808 4 676 4 366 waarvan mini-crèches NB 16 996 NB 2 032 zelfstandige kinderdagverblijven NB 5 812 NB 2 334 Zelfstandige onthaalouders 11 207 12 385 (4) 1 255 1 087 (4) ______________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 32 917 35 193 5 931 5 453 ______________________________________________________________________________ Algemeen totaal 111 302 114 659 115 589 130 889 ______________________________________________________________________________ (1) Ingeschreven kinderen = minstens 1 dag aanwezig in de loop van het kalenderjaar (2) Kinderen die nog niet naar school gaan en kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en basisschool (3) Pas vanaf 2001 maakt Kind en Gezin een onderscheid tussen ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen (mini-crèches) en ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit vanaf 23 plaatsen (zelfstandige kinderdagverblijven) (4) Inclusief zelfstandige opvang in groepsverband met een capaciteit van 6 en van 7 plaatsen. Voordien opgenomen in de toenmalige ‘particuliere opvanginstellingen’ 27. Aantal ingeschreven kinderen volgens soort opvang
40
Voorschoolse en buitenschoolse opvang in de verschillende opvangvoorzieningen 100
80
60
40
20
0 Kinderdagverblijven
Diensten voor opvanggezinnen
Voorschoolse opvang
Mini-crèches
Zelfstandige
Zelfstandige
kinderdagverblijven
onthaalouders
Buitenschoolse opvang
28. Aandeel voorschoolse en buitenschoolse opvang in de verschillende opvangvoorzieningen (ingeschreven kinderen)
5. Aantal verblijfsdagen In de kinderdagverblijven werden in 2001 ruim 2,9 miljoen verblijfsdagen (niet herleid) geregistreerd. Het totale aantal verblijfsdagen (niet herleid) is daarmee gestegen met 1,6% ten opzichte van 2000. In de diensten voor opvanggezinnen werden in 2001 in totaal ruim 4,9 miljoen verblijfsdagen (niet herleid) geregistreerd. Dit is een toename met 1,6%. Het aantal verblijfsdagen (niet herleid) in buitenschoolse opvang is evenwel gedaald. Gewone dagopvang gebeurt overwegend gedurende volle dagen, zowel in kinderdagverblijven (83,6%) als in diensten voor opvanggezinnen (79,4%). De vernieuwde regelgeving (2001) creĂŤert de mogelijkheid van 1/3-verblijfsdagen (minder dan 3 uur). In de diensten voor opvanggezinnen ligt het aantal 1/3-verblijfsdagen aanzienlijk hoger dan in de kinderdagverblijven.
41
In de initiatieven voor buitenschoolse opvang is het aantal verblijfsdagen (niet herleid) toegenomen met 18 % ten opzichte van 2000. Bij de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf is de stijging beperkter, nl. 5%. ______________________________________________________________________________ VERBLIJFSDAGEN ______________________________________________________________________________ Kinderdagverblijven Diensten voor opvanggezinnen 2000 2001 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Voorschools (1) Volle verblijfsdagen 2 200 838 2 246 673 3 175 985 3 271 718 Halve verblijfsdagen (2) 447 688 440 845 856 028 839 127 1/3-verblijfsdagen (3) 1 101 8 521 ------------------------------------------------------------------Aantal niet-herleide verblijfsdagen (4) 2 648 526 2 688 619 4 032 013 4 119 366 (100,0) (101,5) (100,0) (102,2) Aantal herleide verblijfsdagen (5) 2 424 682 2 467 463 3 603 999 3 694 122 (100,0) (101,8) (100,0) (102,5) ______________________________________________________________________________ Buitenschools (6) Volle verblijfsdagen 16 146 13 876 269 392 288 830 Halve verblijfsdagen (2) 9 344 7 409 260 135 250 756 1/3-verblijfsdagen (3) 10 933 10 669 288 188 267 110 Verblijfsduur niet gespecificeerd 217 325 228 577 0 0 ------------------------------------------------------------------Aantal niet-herleide verblijfsdagen (4) 253 748 260 531 817 715 806 696 (100,0) (102,7) (100,0) (98,7) ______________________________________________________________________________ Totaal aantal niet-herleide verblijfsdagen (4) 2 902 274 2 949 150 4 849 728 4 926 062 (100,0) (101,6) (100,0) (101,6) ______________________________________________________________________________ (1) Kinderen die nog niet naar school gaan en kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en basisschool (2) Verblijf van 3 tot minder dan 5 uur (3) Verblijf van minder dan 3 uur (4) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, niet gewogen naar gelang van de duur (5) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, gewogen naar gelang van de duur (6) Voor kinderdagverblijven: buitenschoolse opvang in eigen en aparte lokalen 29. Aantal verblijfsdagen in kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen
42
______________________________________________________________________________ VERBLIJFSDAGEN ______________________________________________________________________________ Initiatieven voor Aparte lokalen buitenschoolse opvang van kinderdagverblijf 2000 2001 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Minder dan 3 uur 2 270 602 2 711 664 125 375 131 802 Meer dan 3 uur 760 882 867 864 91 950 96 775 ______________________________________________________________________________ Totaal aantal niet-herleide verblijfsdagen 3 031 484 3 579 528 217 325 228 577 (100,0) (118,1) (100,0) (105,2) ______________________________________________________________________________ 30. Buitenschoolse opvang: aantal verblijfsdagen in initiatieven voor buitenschoolse opvang en in aparte lokalen van een kinderdagverblijf
43
Hoofdstuk 3. FinanciĂŤle analyse 1. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen Subsidies van Kind en Gezin Forfaitaire subsidie voor het realiseren van het basisaanbod In 2001 werd de definitieve overstap gemaakt naar een systeem van enveloppenfinanciering. De enveloppe voor kinderdagverblijven wordt berekend op basis van 2 componenten. De eerste component is gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elk kinderdagverblijf ontvangt per subsidiabele plaats het basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van het personeel van 20 jaar. Per jaar, met een maximum van 40 jaar, dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt, ontvangt het kinderdagverblijf een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de bezetting. Elk kinderdagverblijf ontvangt per erkende plaats het basisbedrag dat geldt bij een bezetting van 75%. Per percent, met een maximum van 20%, dat de bezetting hoger is, wordt het basisbedrag verhoogd met 0,75%. Per percent dat de bezetting lager ligt, wordt het basisbedrag verminderd met 1%. Voor 2001 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op een uitgave van bijna 97 miljoen euro. Voor de diensten voor opvanggezinnen is de eerste component identiek aan de eerste component voor de kinderdagverblijven, m.a.w. gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elke dienst ontvangt per subsidiabele schijf van 7 opvanggezinnen het basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van 23 jaar. Per jaar, met een maximum van 37 jaar, dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt dan 23 jaar, ontvangt de dienst een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de gepresteerde plaatsingsdagen. Elke dienst ontvangt per erkende schijf van 7 opvanggezinnen het basisbedrag dat geldt bij het realiseren van minimaal 2800 plaatsingsdagen. Als het aantal plaatsingsdagen minstens 20%, minstens 35%, minstens 75% of minstens 100% hoger ligt dan het minimumaantal, wordt het basisbedrag verhoogd met respectievelijk 15%, 30%, 45% of 50%. Wanneer het aantal gerealiseerde plaatsingsdagen lager ligt dan het minimumaantal, wordt het basisbedrag verhoudingsgewijs verlaagd. Voor 2001 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op ruim 56 miljoen euro. De diensten voor opvanggezinnen ontvangen eveneens een subsidie voor het vergoeden van de opvangprestaties van de aangesloten opvanggezinnen. In 2001 bedroeg de kostenvergoeding 13,51 euro per dag per kind. Deze kostenvergoeding staat in verhouding tot de opvangduur, zijnde 40% voor een verblijf van minder dan 3 uur, 60% voor een verblijf van 3 tot minder dan 5 uur en 100% voor een verblijf vanaf 5 uur. Voor 2001 kwam dit neer op een uitgave van iets meer dan 14 miljoen euro.
44
Vlaams Intersectoraal Akkoord (VIA) In de loop van 2000 werd een Vlaams Intersectoraal Akkoord afgesloten dat consequenties heeft voor de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen. De in het akkoord opgenomen loonharmonisatie, eenmalige index, aanvullende verlofdagen, vorming, management en jobcreatie zijn opgenomen in de basisbedragen van de enveloppe van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen. In kinderdagverblijven wordt voorzien in een logistieke functie en in een directiefunctie vanaf 50 plaatsen (per organiserend bestuur). Ook de begeleidende prestatie wordt uitgebreid en dit vanaf 2003. IBF- en DAC-personeelsleden werden geregulariseerd. IBF-personeelsleden zijn al ingeschakeld in het reguliere circuit, voor de DAC-personeelsleden zal dit zo vlug mogelijk gebeuren. Aparte DAC-projecten worden gesubsidieerd tot uiterlijk eind 2004 in kinderdagverblijven en tot eind 2005 in de andere voorzieningen. In 2001 werd een budget van 5 971 198,84 euro gereserveerd voor de subsidiëring van geregulariseerde DACers. Bijkomende subsidies Kinderdagverblijven met een toestemming tot het organiseren van buitenschoolse opvang in aparte lokalen ontvangen hiervoor een bijkomende forfaitaire toelage. Deze bedroeg in 2001 20 839,96 euro voor 14 plaatsen. Het totale budget dat voor 2001 besteed werd aan dit type van opvang, bedroeg 1 429 737,06 euro. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het financiële ondersteuningssysteem voor een dergelijke opvang werd in 2001 herwerkt. Voor kinderdagverblijven wordt er een onderscheid gemaakt tussen kinderdagverblijven met een structureel aanbod en kinderdagverblijven die eerder ingaan op individuele vragen. Voor kinderdagverblijven met een structureel aanbod is de financiële ondersteuning tweeledig opgebouwd: enerzijds een bijkomend bedrag per plaats, dit bedroeg in 2001 2602,88 euro, anderzijds een bedrag per prestatie, dit bedroeg in 2001 5 euro per dag per opgevangen kind. Voor 2001 werd een totaal budget van 226 571,74 euro besteed. Voor kinderdagverblijven die eerder ingaan op individuele vragen, bestaat de financiële ondersteuning in een bedrag van 7,5 euro per dag per opgevangen kind. In 2001 kwam dit neer op een besteed budget van 28 980 euro. Het bedrag dat opvanggezinnen bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2001 was dit vastgelegd op 7,5 euro. Het totale budget dat voor 2001 besteed werd, bedroeg 116 952,39 euro. Opvanggezinnen die zich in 2001 voor het eerst aansloten bij een dienst, konden rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. Deze bedroeg in 2001 371 euro. 679 opvanggezinnen die in 2001 van start gingen, kregen de vergoeding toegekend. Budgettair komt dit overeen met een bedrag van 251 909 euro.
45
___________________________________________________________________________ SUBSIDIES KIND EN GEZIN IN MILJOEN EURO _____________________________________________________________________________ Kinderdagverblijven Diensten voor opvanggezinnen 2000 2001 2000 2001 _____________________________________________________________________________ Forfaitaire subsidie voor het realiseren van het basisaanbod 88,079 96,734 12,917 14,208 Subsidies voor betaling opvanggezinnen 52,602 56,670 Medisch-sociaal toezicht 0,315 0,308 Educatieve vergaderingen 0,004 Specifieke zorgbehoefte 0,048 0,256 0,080 0,117 Forfaitaire subsidie buitenschoolse opvang 1,280 1,430 Vergoeding installatiekosten opvanggezinnen 0,252 _____________________________________________________________________________ Totaal 89,726 98,728 65,599 71,247 (100,0) (110,0) (100,0) (108,6) __________________________________________________________________________________________ 31. Overzicht van de subsidies aan kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen Inkomsten afkomstig van ouderbijdragen Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen innen de ouderbijdragen, die variĂŤren naar verhouding van het inkomen van de ouders. De inkomsten uit de ouderbijdragen die de voorzieningen hebben, worden verrekend met het geheel van de subsidies. Wat de buitenschoolse opvang in aparte lokalen betreft, blijft het volledige bedrag van de geĂŻnde ouderbijdragen in de kinderdagverblijven. ______________________________________________________________________________ GEINDE OUDERBIJDRAGEN (1) ______________________________________________________________________________ Kinderdagverblijven (2) Diensten voor opvanggezinnen ______________________________________________________________________________ 2000 28,096 (100,0) 46,988 (100,0) 2001 29,459 (104,9) 49,119 (104,5) ______________________________________________________________________________ (1) In miljoen euro (2) Niet inbegrepen: ouderbijdrage buitenschoolse opvang in aparte lokalen
46
32. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen: totaal bedrag van de geïnde ouderbijdragen _____________________________________________________________________________ VERHOUDING SUBSIDIES KIND EN GEZIN EN GEINDE OUDERBIJDRAGEN (1) ______________________________________________________________________________ Kinderdagverblijven (2) Diensten voor opvanggezinnen 2000 2001 2000 2001 _____________________________________________________________________________ Subsidies van Kind en Gezin 61,630 69,269 18,611 22,128 (na verrekening) (68,7) (70,2) (28,4) (31,1) Geïnde ouderbijdrage 28,096 29,459 46,988 49,119 (31,3) (29,8) (71,6) (68,9) _____________________________________________________________________________ Totaal 89,726 98,728 65,599 71,247 (100,0) (100,0) (100,0) (100,0) _____________________________________________________________________________ (1) In miljoen euro (2) Niet inbegrepen: ouderbijdragen buitenschoolse opvang in aparte lokalen 33. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde ouderbijdragen Gemiddeld betaalde ouderbijdrage In de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen betalen de ouders een bijdrage die is vastgesteld bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbaar gezinsinkomen. In 2001 betaalden ouders voor een volle verblijfsdag gemiddeld 12,02 euro in een crèche (+ 3,5%), 7,96 euro in een peutertuin (+ 0,9%), 11,67 euro in een dienst voor opvanggezinnen (+ 1,8%) en 11,42 euro in een dienst voor opvanggezinnen verbonden aan een kinderdagverblijf (1,0%). ______________________________________________________________________________ GEMIDDELD BETAALDE OUDERBIJDRAGE ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Crèches 11,61 12,02 Peutertuinen 7,89 7,96 Diensten voor opvanggezinnen 11,46 11,67 Diensten voor opvanggezinnen verbonden aan een kinderdagverblijf 11,54 11,42
47
______________________________________________________________________________ Gesubsidieerde kinderopvang 11,46 11,75 ______________________________________________________________________________ 34. Gemiddeld betaalde ouderbijdrage voor een volle verblijfsdag Investeringssubsidies (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) Kinderdagverblijven georganiseerd door een vzw of een OCMW kunnen een beroep doen op investeringssubsidies voor nieuwbouw of verbouwing. De procedure inzake de investeringssubsidies verloopt in vier stappen: 1. een aanvraag bij Kind en Gezin; 2. een subsidiebelofte met een vastlegging; 3. een subsidiebeslissing; 4. de effectieve uitbetaling. Subsidiebeloften In de loop van 2001 werden 11 subsidiebeloften toegekend. Eind 2001 waren er in totaal al 53 subsidiebeloften verleend, waarvan 21 crèches hun infrastructuuraanpassingen al realiseerden. De 32 overige zitten in de fase van subsidiebeslissing, aanbesteding of zijn bezig met de uitvoering van de werken. Kind en Gezin beschikte in 2001 over een machtiging om voor 5,651 miljoen euro vastleggingen te doen. Dit bedrag werd toegekend, gespreid over 17 voorzieningen. Subsidiebeslissingen In de loop van 2001 werden 9 subsidiebeslissingen toegekend. Betalingen In 2001 werden er voor een totaal van 1,967 miljoen euro betalingskredieten betaald aan 14 voorzieningen. Deze betalingskredieten zijn de effectieve omzetting van de vastleggingen in uitbetalingen. Deze omzetting verloopt gespreid over meerdere jaren. 2. Initiatieven voor buitenschoolse opvang Een principieel akkoord van Kind en Gezin zet voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang het licht op groen om een dossier in te dienen bij de administratie Tewerkstelling (ministerie van de Vlaamse gemeenschap), die Weerwerk-gesco’s toekent. Het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) stond in voor de subsidiëring van de coördinator en een deel van de werkingskosten, maar sinds midden 2000 subsidieert het Fonds geen nieuwe erkenningen meer. Vanaf 2001 kunnen initiatieven voor buitenschoolse opvang die niet door het FCUD gefinancierd worden, door Kind en Gezin gesubsidieerd worden. De subsidie van Kind en Gezin is een forfaitair bedrag per erkende plaats. Voor de berekening ervan werd uitgegaan van de gemiddelde kosten van 3 componenten: werkingskosten, opleg voor de Weerwerk-gesco’s en de loonkosten van de coördinator. Aldus komt de subsidie voor 2001 neer op 1883,99 euro per plaats
48
voor de eerste 21 plaatsen, 1239,47 euro per extra plaats vanaf 22 plaatsen en 1090,73 euro per extra plaats vanaf 232 plaatsen. Daarnaast kunnen deze initiatieven vrij beschikken over de inkomsten uit de ouderbijdragen. In 2001 werden 44 voorzieningen gesubsidieerd door Kind en Gezin, wat overeenkomt met een uitgave van 1 156 951,48 euro. Een eveneens nieuwe financieringsstroom naar de initiatieven voor buitenschoolse opvang is de vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen initiatieven met een structureel aanbod en initiatieven die eerder ingaan op individuele vragen. Voor initiatieven met een structureel aanbod is de financiële ondersteuning tweeledig opgebouwd: enerzijds een bijkomend bedrag per plaats, dit bedroeg in 2001 2602,88 euro, anderzijds een bedrag per prestatie, dit bedroeg in 2001 5 euro per dag per opgevangen kind. Voor initiatieven die eerder ingaan op individuele vragen bestaat de financiële ondersteuning in een bedrag van 7,5 euro per dag per opgevangen kind. In 2001 waren er nog geen initiatieven met een structureel uitgebouwd aanbod, maar de inclusieve opvang ingaand op individuele vragen werd wel al beperkt uitgebouwd. Geen enkele voorziening vroeg evenwel al de uitbetaling van de financiële ondersteuning voor 2001 aan. 3. Zelfstandige sector De belangrijkste inkomstenbron van de zelfstandige voorzieningen is uiteraard de geïnde ouderbijdrage. Sinds 2001 werden voor het eerst een aantal financieringsstromen vanuit Kind en Gezin geïnitieerd. Zelfstandige onthaalouders Onthaalouders die voor het eerst starten met een zelfstandige opvangactiviteit onder toezicht van Kind en Gezin, kunnen vanaf 2001 rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. Deze bedroeg in 2001 371 euro. 76 opvanggezinnen kregen deze vergoeding toegekend, wat overeenkomt met een bedrag van 28 196 euro. Indien ze kinderen met een specifieke zorgbehoefte opvangen, kunnen ze hiervoor een financiële tegemoetkoming krijgen van 7,5 euro per dag per opgevangen kind. In 2001 kwam dit neer op een uitgave van 5 813,67 euro. Mini-crèches Deze voorzieningen kunnen sinds 2001 een financiële ondersteuning van 371 euro per plaats op jaarbasis krijgen indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben betrekking op het personeelsbestand, het diploma van de verantwoordelijke, de minimaal te behalen score op het Kwaliteitsinstrument voor Particuliere Opvanginstellingen (KWAPOI) en het minimaal te bieden opvangaanbod. In 2001 werden 155 mini-crèches financieel ondersteund door Kind en Gezin. Dit kwam neer op een besteed budget van 831 682,57 euro.
49
Indien ze kinderen met een specifieke zorgbehoefte opvangen, kunnen ze hiervoor een financiële tegemoetkoming krijgen van 7,5 euro per dag per opgevangen kind. Voor 2001 impliceerde dit een besteding van 8 740,83 euro. Zelfstandige kinderdagverblijven Indien ze kinderen met een specifieke zorgbehoefte opvangen, kunnen ze hiervoor een financiële tegemoetkoming krijgen van 7,5 euro per dag per opgevangen kind. Voor 2001 werd een bedrag van 473,20 euro uitbetaald. ______________________________________________________________________________ INCLUSIEVE OPVANG VAN KINDEREN MET EEN SPECIFIEKE ZORGBEHOEFTE ______________________________________________________________________________ Structureel aanbod Individueel gericht aanbod ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 226 571,74 28 980,00 Diensten voor opvanggezinnen 116 952,39 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 0 Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches 8 740,83 Zelfstandige kinderdagverblijven 473,20 Zelfstandige onthaalouders 5 813,67 ______________________________________________________________________________ Totaal 226 571,74 160 690,09 ______________________________________________________________________________ 35. Overzicht van de bestede bedragen in 2001 in het kader van de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte (in euro) Voor de hele zelfstandige sector, wordt ook het inschrijvingsgeld voor de opleiding ‘Beheerder van een particulier kinderdagverblijf’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO), en voor een 8-daagse opleiding, georganiseerd door de Vormingsleergangen in Sociaal-Pedagogisch Werk (VSPW), terugbetaald aan de cursisten mits ze voldoen aan de volgende voorwaarden: de cursist moet de opleiding voltooien en moet werkzaam zijn in een mini-crèche of zelfstandig kinderdagverblijf of als zelfstandige onthaalouder (niet voor de VIZO-opleiding) onder toezicht van Kind en Gezin. De maximale terugbetaling bedraagt 161,13 euro per cursist en per jaar. In 2001 werd voor 1611,31 euro terugbetaald aan inschrijvingsgeld voor de VSPW-opleiding en voor 322,26 euro voor de VIZO-opleiding.
50
DEEL 2: BELEID Hoofdstuk 1. Het beleidsplan kinderopvang van de minister bevoegd voor Welzijn, Mieke Vogels Op 3 maart 2000 keurde de Vlaamse regering het beleidsplan Kinderopvang van minister Vogels goed. Het gaat om een totaal beleidsplan met een volledige voorstelling van de behoeften en verantwoordelijkheden. Het beleidsplan beschrijft o.a. 10 bouwstenen voor een toekomstgericht beleid, geënt op een structureel nieuw opvangpatroon: - de particuliere sector op nieuwe wegen - een leefbaar werkkader voor de diensten voor opvanggezinnen en kinderdagverblijven - buitenschoolse opvang: de pijlers verstevigen - een programmatorische groei - het lokale advies bevestigen en versterken - een verruimd aanbod als antwoord op bijzondere noden - toegankelijke en betaalbare kinderopvang - kwaliteit definiëren, stimuleren en bewaken - diversiteit als inspiratiebron en toetssteen - opvang en onderwijs: partners voor het kind. Hieronder worden de in 2001 gerealiseerde zaken per bouwsteen overlopen. Beleidsacties binnen bepaalde bouwstenen die al afgerond zijn of waarrond in 2001 niets gebeurde, worden niet opgesomd. Bouwsteen 1 - De particuliere sector op nieuwe wegen Sinds 1 januari 2001 kunnen mini-crèches (voormalige ‘particuliere opvanginstellingen’ met een capaciteit van 8 tot 22 plaatsen) die onder toezicht staan van Kind en Gezin, een financiële ondersteuning krijgen van Kind en Gezin. Deze bedroeg in 2001 371 euro per plaats op jaarbasis. De mini-crèches moeten wel voldoen aan een aantal voorwaarden die betrekking hebben op het personeelsbestand, het diploma van de verantwoordelijke, de te behalen score op het kwaliteitsinstrument voor particuliere opvanginstellingen (KWAPOI) en het te bieden opvangaanbod. Het kostenforfait voor zelfstandige onthaalouders werd nog niet gelijkgesteld met de kostenvergoeding die aangesloten onthaalouders ontvangen, maar het werd wel opgetrokken van 11,16 tot 12,15 euro en dit vanaf het aanslagjaar 2001. Daarnaast werden in 2001 een aantal maatregelen goedgekeurd die de werkingssituatie van de zelfstandige onthaalouders moeten verbeteren. Zo kunnen startende onthaalouders een vergoeding voor de installatiekosten krijgen. Deze eenmalige vergoeding bedroeg in 2001 371 euro.
51
Daarnaast zijn zelfstandige onthaalouders vanaf 2002 gratis aangesloten bij de groepsverzekering vanuit Kind en Gezin die hen zal verzekeren tegen persoonlijke ongevallen. Bouwsteen 2 - Een leefbaar werkkader voor de diensten voor opvanggezinnen en kinderdagverblijven Op 1 januari 2001 werden voor de sector van de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen nieuwe erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden vastgelegd. Met dit nieuwe besluit van de Vlaamse regering werd tevens de overstap gemaakt naar een systeem van enveloppenfinanciering (zie ook deel 1 - Hoofdstuk 3. Financiële analyse) en werden ook de bepalingen van het kwaliteitsdecreet verder geconcretiseerd. Daarnaast nam de Vlaamse regering midden 2001 de beslissing om de personeelsnorm voor de begeleidende functie in kinderdagverblijven te verruimen. Vanaf 1 januari 2003 zal de personeelsnorm 1 begeleider op 6,8 plaatsen bedragen en vanaf 1 januari 2005 1 op 6,5. In 2001 was dit nog 1 begeleider op 7 plaatsen. Ook werd de beslissing genomen om vanaf 2003 een bijkomende logistieke functie te subsidiëren. In 2003 betreft het een kwarttijdse functie voor kinderdagverblijven met een capaciteit tot 99 plaatsen en een halftijdse functie voor kinderdagverblijven met een capaciteit vanaf 100 plaatsen. Vanaf 2005 wordt de kwarttijdse functie verhoogd tot een halftijdse en de halftijdse tot een voltijdse functie. Grotere kinderdagverblijven (vanaf 50 plaatsen) krijgen vanaf 2003 een bijkomende directiefunctie. Het gaat om een halftijdse functie voor kinderdagverblijven met een capaciteit van 50 tot 99 plaatsen en om een voltijdse functie voor kinderdagverblijven met een capaciteit vanaf 100 plaatsen. In het najaar van 2001 keurde de Vlaamse regering een besluit goed dat de normen vastlegt ter preventie van brand en ontploffing waaraan erkende kinderdagverblijven moeten voldoen. Bestaande kinderdagverblijven krijgen 1 jaar de tijd om zich te conformeren aan de bepalingen die betrekking hebben op de vestiging en de toegangswegen, de technische ruimten, de uitrusting van het gebouw, het evacuatie- en interventiedossier en de controle en het onderhoud van de installaties. Binnen de 10 jaar moeten ze ook voldoen aan de voorwaarden betreffende de compartimentering van de lokalen en aan de andere constructiebepalingen. Voor het uitvoeren van de aanpassingswerken kunnen de kinderdagverblijven die hiervoor in aanmerking komen, een beroep doen op de VIPA-infrastructuursubsidies. Wat de aangesloten opvanggezinnen betreft, werden in 2001 een aantal beslissingen genomen die moeten leiden tot een verbeterde werkingssituatie. Zo besloot de Vlaamse regering in december 2001 om vanaf 2002 de kostenvergoeding die opvanggezinnen ontvangen voor een halve en een 1/3-dag op te trekken. Terwijl deze vergoeding respectievelijk 50% en 33% bedroeg, zal ze vanaf 2002 60% en 40% bedragen.
52
Daarnaast besliste de Vlaamse regering dat startende opvanggezinnen een vergoeding kunnen krijgen voor de installatiekosten die ze maakten. Deze eenmalige vergoeding bedroeg in 2001 371 euro. Ook besloot de Vlaamse regering eind 2001 om vanaf 2002 een bedrag toe te kennen aan de diensten die daarmee hun aangesloten opvanggezinnen moeten verzekeren tegen persoonlijke ongevallen. Ondertussen werd door de betrokken ministers ook verder onderhandeld over een sociaal vangnet voor opvanggezinnen aangesloten bij een dienst. Bouwsteen 3 - Buitenschoolse opvang: de pijlers verstevigen Sinds 2001 worden voor het eerst ook initiatieven voor buitenschoolse opvang door Kind en Gezin gesubsidieerd. Het gaat om nieuw erkende voorzieningen die niet door het FCUD kunnen worden gefinancierd. Zie ook deel 1 - Hoofdstuk 3. Financiële analyse. Naast de initiatieven voor buitenschoolse opvang nemen ook scholen een zeer groot deel van de vaak korte opvangmomenten voor en na de schooluren voor hun rekening. In 2001 werd binnen Kind en Gezin een referentiegroep samengesteld die de opdracht kreeg sturing te geven bij het opstellen van een concreet plan van aanpak en tijdschema voor de ontwikkeling van een kwaliteitsinstrument dat specifiek is toegespitst op het buitenschoolse opvangaanbod in scholen teneinde het schoolse opvangaanbod sterker te verankeren binnen het meersporenbeleid. Aangezien de opvang in scholen zich bevindt op de raaklijn tussen Welzijn en Onderwijs, hadden ook afgevaardigden van het kabinet van Onderwijs en van de administratie Onderwijs zitting in de referentiegroep. Andere leden waren een afgevaardigde van het kabinet van Welzijn, afgevaardigden van Kind en Gezin, vertegenwoordigers van de onderwijskoepels, van het Kinderrechtencommissariaat en van de ouderverenigingen. Midden 2001 keurde de Raad van Bestuur van Kind en Gezin de onderzoeksopdracht goed voor de ontwikkeling van een dergelijk kwaliteitsinstrument. Eind 2001 werd de opdracht gegund aan de KU Leuven, Leuvens onderzoeksinstituut voor de gezinsopvoeding en opvoedingsproblemen (LOGO) en het onderzoekscentrum voor kleuter- en lager onderwijs. De opdracht zal in de loop van 2002 afgerond worden. Bouwsteen 4 - Programmatorische groei In 2000 werd al door de Raad van Bestuur van Kind en Gezin een plan van aanpak uitgestippeld voor de toewijzing van principiële akkoorden in de erkende en gesubsidieerde sector. Bij de toekenning van principiële akkoorden werd aldus in 2001 rekening gehouden met 2 elementen: enerzijds het resultaat van een louter kwantitatieve planningsoefening en anderzijds de invulling van regionale en sectorale 'witte vlekken'. Op deze manier werden in 2001 voor 1171 plaatsen principiële akkoorden toegekend: 443 plaatsen in de sector van de kinderdagverblijven en 728 plaatsen in de sector van de diensten voor opvanggezinnen.
53
Van de 443 plaatsen toegekend aan kinderdagverblijven, werden er 260 toegekend aan nieuwe voorzieningen en 183 aan kinderdagverblijven die zullen uitbreiden. Bij de diensten gaan 56 plaatsen naar een nieuw initiatief en de rest naar uitbreidingen van bestaande diensten. In het beleidsplan werd tevens de optie genomen om het zelfstandige aanbod maximaal te stimuleren binnen de uitbreidingsoperatie. Daarom organiseerde Kind en Gezin in het voorjaar van 2001 een wervingscampagne, die geĂŻnteresseerden warm moest maken om te starten met een zelfstandige opvangactiviteit. Er verschenen reclamespots op de televisie en advertenties in kranten en tijdschriften. De campagne werd ondersteund met een callcenter vanuit Kind en Gezin. Daarnaast werden in het najaar van 2001 een aantal startersdagen georganiseerd. Hierop konden kandidaat-initiatiefnemers kennismaken met Kind en Gezin en werd een veelheid van informatie i.v.m. fiscaliteit, het sociaal statuut, verzekeringen, vorming, algemene voorwaarden van toezicht, de inspectie van Kind en Gezin, enz. ter beschikking gesteld. Ook andere deskundigen zoals het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO), juridische experts en deskundigen inzake fiscale en verzekeringstechnische aspecten waren aanwezig. De hele campagne resulteerde in 2001 in een groei van 1799 plaatsen in de zelfstandige sector. Bouwsteen 5 - Het lokale advies bevestigen en versterken In 2001 werd het proces aangevat tot de verruiming van het lokale overleg buitenschoolse opvang naar de hele kinderopvangsector. Dit betekent dat lokale overleggroepen die dat wensen zich kunnen beraden op de hele kinderopvangproblematiek in de gemeente. Het proces van de verruimingsoperatie wordt in 14 gemeenten van nabij opgevolgd en wetenschappelijk ondersteund door het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS). Het volgende hoofdstuk gaat hier uitgebreider op in. In 2001 werd voor het eerst door de voogdijminister aan 3 gemeenten een prijs toegekend van 18 600 euro voor de (toekomstige) realisatie van een geĂŻntegreerd lokaal project. De jury die de ingediende projecten moest beoordelen, was samengesteld uit 4 leden, zijnde een provinciaal verantwoordelijke voor het lokale overleg van Kind en Gezin, een vertegenwoordiger van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en een vertegenwoordiger van de respectieve administraties Jeugd en Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De jury werd voorgezeten door de kinderrechtencommissaris. 23 gemeenten dienden een project in. De 3 winnende gemeenten waren Lokeren, Tessenderlo en Maasmechelen. Het gemeentelijk project in Tessenderlo slaat bruggen tussen buitenschoolse opvang en de sport- en muziekacademie. Alle partners werken samen een regeling uit aangaande vervoer, prijs, uur en informatie om aan de kinderen de mogelijkheid te bieden hun vrije tijd zelf in te vullen zonder afhankelijk te moeten zijn van hun ouders of van de afstand tussen de voorzieningen. Het Maasmechelse project investeert in het gezamenlijk opzetten van infostromen, publiciteit en vorming over buitenschoolse opvang, jeugdwerk, muziek en sport. Ook de samenwerking met andere Europese lidstaten is een boeiend element. Het Lokerse project kenmerkt zich door een netwerkopstelling, uitgaand van de kinderrechtenbegrippen respect, gelijkwaardigheid en verbondenheid. Er wordt
54
in samenwerking met verschillende gemeentelijke diensten gestreefd naar een zo kwaliteitsvol mogelijke vrijetijdsbesteding voor kinderen. Ook de ouders zijn er belangrijke partners. Bouwsteen 6 - Een verruimd aanbod als antwoord op bijzondere noden Wat de flexibele opvang en de opvang van zieke kinderen betreft, zijn er voor 2001 geen specifieke realisaties te vermelden. Bouwsteen 7 - Toegankelijke en betaalbare kinderopvang In de loop van 2001 werd het voorstel aangaande het nieuwe systeem voor de berekening van de ouderbijdragen in kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen dat een werkgroep in 2000 formuleerde, verder verfijnd en vertaald in een ontwerp van ministerieel besluit. Bouwsteen 8 - Kwaliteit definiĂŤren, stimuleren en bewaken Op 1 januari 2001 werden de ministeriĂŤle besluiten tot bepaling van de kwaliteitszorg in zowel kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen als initiatieven voor buitenschoolse opvang van kracht. Deze besluiten geven de minimale elementen weer waaruit kwaliteitszorg in de respectieve voorzieningen moet bestaan. De taak van de kwaliteitsambtenaar van Kind en Gezin bestond erin de voorzieningen te begeleiden bij het uitwerken van hun kwaliteitsbeleid. Meer hierover kunt u lezen in hoofdstuk 3. Kwaliteitszorg. Wat de ontwikkeling van de (zelf)evaluatie-instrumenten betreft, werd in 2001 voortgewerkt aan de actualisering van de beoordelingsschaal voor het pedagogisch functioneren in kinderdagverblijven. In overleg met de sector werd een nieuw ontwerp van beoordelingsschaal uitgewerkt. De belangrijkste vernieuwing is dat het evaluatie-instrument nu ook vertaald wordt in een zelfevaluatie-instrument. Het nieuwe ontwerp zal in 2002 getest worden op validiteit en betrouwbaarheid. Bouwsteen 9 - Diversiteit als inspiratiebron en toetssteen In 2001 werd een vernieuwde regelgeving ingevoerd voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Nieuw in deze regeling is dat niet alleen kinderdagverblijven en opvanggezinnen aangesloten bij een dienst een bijkomende vergoeding kunnen krijgen, maar ook de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de zelfstandige voorzieningen. Voor het eerst wordt ook een onderscheid gemaakt tussen voorzieningen met een structureel aanbod (kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang) en voorzieningen die eerder ingaan op meer individuele vragen (alle types van opvangvoorzieningen). De manier waarop deze voorzieningen gefinancierd worden en de voorwaarden waaraan ze moeten voldoen zijn verschillend. De subsidiĂŤring van de voorzieningen met een structureel aanbod is tweeledig opgebouwd: enerzijds een bedrag per plaats, in 2001 2.602,88 euro, en anderzijds een bedrag per prestatie, in 2001 5 euro per dag per opgevangen kind met een specifieke zorgbehoefte. Het aantal plaatsen dat aan een kinderdagverblijf of een initiatief voor buitenschoolse opvang wordt toegekend, wordt bepaald op basis van dossierelementen. Dit toegekende aantal plaatsen wordt
55
dan ook jaarlijks geëvalueerd. In 2001 werden in totaal 70 plaatsen toegekend aan 10 kinderdagverblijven. In een tweede beslissingsronde in 2002 zullen voornamelijk aan de initiatieven voor buitenschoolse opvang plaatsen worden toegekend. Opvangvoorzieningen die eerder occasioneel een kind met een specifieke zorgbehoefte opvangen, krijgen hiervoor een financiële ondersteuning per prestatie. In 2001 bedroeg deze ondersteuning 7,5 euro per dag per opgevangen kind. In 2001 kwam ook een werkgroep samen die een concept rond verruimde kinderopvang afrondde. Bouwsteen 10 - Opvang en onderwijs: partners voor het kind Voor de vernieuwde regelgeving golden er voor de erkende kinderopvang strenge regels inzake de functies die moesten worden ingevuld en de diploma’s die toegang gaven tot deze functies. In de vernieuwde regelgeving is het de Raad van Bestuur van Kind en Gezin die bevoegd is voor de vastlegging van de diploma’s en eindstudiebewijzen die toegang geven tot tewerkstelling in de kinderopvang. Teneinde binnen deze complexe materie weloverwogen beslissingen te kunnen nemen, werd een groep van experts in opleidingen in de kinderopvang in het leven geroepen. Deze groep moet adviezen formuleren en moet daarbij een evenwicht zoeken tussen enerzijds voldoende garanties voor een kwalitatief hoogwaardige opvang en anderzijds het creëren van voldoende toegangswegen tot tewerkstelling binnen de kinderopvang.
56
Hoofdstuk 2. Het lokale overleg kinderopvang In de reglementering omtrent de buitenschoolse kinderopvang in 1997 werden 3 fundamentele opties genomen: een meersporenbeleid, een lokale beleidsplanning en specifieke aandacht voor de opvangkwaliteit. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de lokale beleidsplanning. 1. Samenstelling Het lokale overleg, dat op gemeentelijk niveau georganiseerd wordt, brengt alle personen samen die bij de (buitenschoolse) opvangproblematiek betrokken zijn. Ze kunnen opgedeeld worden in 3 groepen. Enerzijds zijn er de vertegenwoordigers van de aanbodzijde: een afgevaardigde van elk opvanginitiatief in de gemeente, een afgevaardigde van het plaatselijk jeugdwerk en van de gemeentelijke jeugddienst en een afgevaardigde van het organiserend bestuur of de directie van elke basisschool in de gemeente. Daarnaast zijn er de (mogelijke) gebruikers van het aanbod, de vraagzijde. Deze groep kan bestaan uit o.a. vertegenwoordigers van de Gezinsbond, van de gemeentelijke gezinsraad of van de ouderverenigingen van de scholen. Ten slotte hebben ook het gemeentebestuur, bij voorkeur de bevoegde schepen, en het OCMW-bestuur recht op een zitje in het lokale overleg. Het overleg wordt geleid door een voorzitter die geen enkele binding heeft met welke voorziening dan ook die een opvangfunctie vervult of kan vervullen. De voorzitter wordt door de gemeenteraad voorgedragen en binnen het overleg bij eenvoudige meerderheid bekrachtigd. Het gemeentebestuur stelt eveneens een secretaris aan. Hij dient de verschillende activiteiten te coördineren en het beleidsplan mee samen te stellen. Kind en Gezin stelt een afgevaardigde ter beschikking die het overleg opvolgt en begeleidt, zijnde de provinciaal verantwoordelijke voor het lokale overleg kinderopvang. 2. Opdracht De opdracht van het lokale overleg bestaat erin een beleid rond buitenschoolse kinderopvang te ontwikkelen, rekening houdend met de specifieke lokale situatie. Het beleidsplan gaat vooraf aan en is ruimer dan het oprichten van een initiatief voor buitenschoolse opvang. Het gaat namelijk om het plaatselijk realiseren van een meersporenbeleid. Het uiteindelijke streefdoel is een optimaal buitenschools aanbod te creëren, rekening houdend met de middelen die voorhanden zijn en inhakend op het bestaande aanbod. Als hulpmiddel daartoe werd een kwaliteitscharter geformuleerd dat algemene kwaliteitsnormen beschrijft die toepasbaar zijn op verschillende vormen van buitenschoolse kinderopvang. Zoals eerder al vermeld, werd sinds 2001 het lokale overleg buitenschoolse opvang verruimd naar de gehele kinderopvangsector. Dit betekent dat overleggroepen die dat wensen een beleidsplan kunnen opstellen voor een verruimd opvangaanbod, zoals bijvoorbeeld flexibele opvang, opvang van zieke kinderen, urgentieopvang, … In het voorjaar van 2001 werd in dit kader een proefproject opgestart. In 14 gemeenten, evenredig verdeeld over de verschillende provincies, wordt het proces van het opstellen van een totaal beleidsplan kinderopvang van nabij gevolgd en ondersteund. Het gaat om Antwerpen, Bornem, Zwijndrecht, Beringen, Peer, Aalter, Brakel, Sint-
57
Niklaas, Diest, Kortenaken, Vilvoorde, Lendelede, Oostrozebeke en Roeselare. De eerste resultaten worden in de loop van 2002 verwacht en moeten de aanzet geven tot een vernieuwde regelgeving m.b.t. de organisatie van het lokale overleg. Met het oog op deze verruiming hebben de provinciaal verantwoordelijken van Kind en Gezin een vernieuwde handleiding voor het lokale overleg uitgewerkt. 3. De provinciaal verantwoordelijke voor het lokale overleg kinderopvang van Kind en Gezin Het is de expliciete opdracht van de provinciaal verantwoordelijke om het lokale overleg te stimuleren, te begeleiden en te ondersteunen. De opdrachten kunnen als volgt omschreven worden: - helpen het lokale overleg te stroomlijnen binnen de nieuwe aanpak van het verruimde lokale overleg kinderopvang; - raadgevend ter beschikking staan; - fungeren als permanent aanspreekpunt voor de lokale overheid, voor de opvanginitiatieven en voor alle leden van het lokale overleg; - fungeren als eerste contactpersoon voor de voorzitter en de secretaris van het lokale overleg om het overleg mee voor te bereiden, vorm te geven, in goede banen te leiden en om mee een beleidsplanning uit te stippelen; - modellen van aanpak voorstellen die het lokale overleg helpen bij het uitvoeren van zijn opdrachten; - instrumenten en methodieken ontwikkelen die de overleggroepen ondersteunen in het opmaken, evalueren en bijsturen van de beleidsplannen; - info geven over de wetgeving, over nieuwe beleidsontwikkelingen, over de verschillende financieringsmogelijkheden, enz. 4. Stand van zaken lokaal overleg buitenschoolse opvang De provinciaal verantwoordelijken van Kind en Gezin hebben nagenoeg alle gemeenten geĂŻnformeerd over de regelgeving inzake buitenschoolse kinderopvang en de doelstellingen van het lokale overleg. In 5 gemeenten werd het lokale overleg voor het eerst opgestart in 2001. In totaal heeft nu 66,2% van de gemeenten een beleidsplan klaar. 67,2% van de gemeenten die een beleidsplan opgesteld hebben, heeft dit beleidsplan ook al voor de eerste keer geĂŤvalueerd. Deze cijfers hebben wel alleen betrekking op de buitenschoolse kinderopvang.
58
_______________________________________________________________________________________________________________________ LOKAAL OVERLEG _______________________________________________________________________________________________________________________ Antwerpen
VlaamsOostWestLimburg Totaal Brabant (1) Vlaanderen Vlaanderen 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 2000 2001 _______________________________________________________________________________________________________________________ Totaal aantal gemeenten 70 70 65 65 65 65 64 64 44 44 308 308 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Eerste info 67 67 64 64 59 61 62 62 39 40 291 294 Lokaal overleg opgestart
58
62
41
43
52
52
53
55
38
40
247
252
Beleidsplan klaar
49
49
29
33
40
41
45
46
32
35
195
204
Beleidsplan geĂŤvalueerd 22 22 18 22 27 34 25 28 23 31 115 137 _______________________________________________________________________________________________________________________ (1) Inclusief Brussel 36. Stand van zaken in het lokale overleg in de verschillende provincies (juni 2001)
Hoofdstuk 3. Kwaliteitszorg 1. Inspectie in 2001 ______________________________________________________________________________ AANTAL INSPECTIEBEZOEKEN ______________________________________________________________________________ 2000 2001 ______________________________________________________________________________ Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven 237 195 Diensten voor opvanggezinnen 121 82 Initiatieven voor buitenschoolse opvang 143 158 ______________________________________________________________________________ Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin 501 435 ______________________________________________________________________________ Met attest van toezicht van Kind en Gezin Mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven 401 655 Zelfstandige onthaalouders 911 842 ______________________________________________________________________________ Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin 1312 1497 ______________________________________________________________________________ Algemeen totaal 1813 1932 ______________________________________________________________________________ 37. Aantal inspectiebezoeken aan de verschillende soorten voorzieningen De dienst Inspectie en Audit van Kind en Gezin stelt zich tot doel om in de eerste plaats preventief op te treden. De werkwijzen zijn er m.a.w. veeleer op gericht probleemsituaties te voorkomen in plaats van situaties achteraf te corrigeren. Terwijl er vroeger uitgegaan werd van een lineaire planning, waarbij elke voorziening bezocht werd met een vooraf bepaalde frequentie, wordt nu geopteerd voor een dynamische planning. Bezoeken die te maken hebben met nieuwe aanvragen tot erkenning of een attest van toezicht, met wijzigingen in de erkenning of in het attest van toezicht en met klachten over een initiatief, krijgen prioriteit wat de verwerking betreft. Daarnaast wordt er gewerkt met ‘aandachtsvoorzieningen’. Aan de hand van de vaststellingen die bij elk bezoek gedaan worden, weegt de inspectieambtenaar af of de wijze waarop de voorziening werkt aan de erkenningsvoorwaarden voldoet en voldoende garanties biedt voor de gebruikers. Wanneer blijkt dat bepaalde elementen van de regelgeving onvoldoende gerealiseerd werden, wordt de voorziening als aandachtsvoorziening gesignaleerd. Het gaat wel altijd om elementen waar verbeteracties door de voorziening zelf noodzakelijk zijn en niet om dringende gevaarsituaties waar een ander optreden vereist is. Deze aandachtsvoorzieningen worden met een hogere frequentie bezocht dan de overige initiatieven en dit tot de verbetering gerealiseerd is.
60
In bezoeken die de inspectieambtenaren aan de voorzieningen brengen, onderscheiden zich 2 soorten: enerzijds ‘algemene bezoeken’, waar nagegaan wordt hoe de voorziening de opvang organiseert en of dit overeenstemt met de vigerende regelgeving; anderzijds een rechtstreekse evaluatie van het leefgroepgebeuren, aan de hand van een specifiek daartoe ontwikkeld instrument. In 2001 was dit instrument beschikbaar voor de kinderdagverblijven (Beoordelingsschaal voor het Pedagogisch Functioneren in Kinderdagverblijven) en de minicrèches en zelfstandige kinderdagverblijven (Kwaliteitsinstrument Particuliere Opvanginstellingen). De beoordelingsschaal voor het pedagogisch functioneren in kinderdagverblijven biedt door observatie van het opvanggebeuren een betrouwbaar en valide beeld van de interacties tussen begeleiders en kinderen. Verschillende pedagogisch relevante criteria, namelijk flexibiliteit, individualiseren, stimuleren, structureren, bevorderen van de zelfstandigheid, bewegingsvrijheid en veiligheid, worden op deze wijze geëvalueerd in verschillende leefsituaties (toiletsituatie, eetsituatie, rustsituatie en onthaal, …) en met oog voor de activiteiten, het speelgoed en de communicatie. In 2001 duurde een dergelijke observatie gemiddeld 3 uur en 3 minuten. Uit de observaties blijkt dat de gemiddelde pedagogische kwaliteit in de geobserveerde leefgroepen in de kinderdagverblijven boven het vastgelegde minimum van 71,4% scoort, nl. 77% (in 2000: 76%). Dit geldt voor elk van de bovenvermelde criteria afzonderlijk, met uitzondering van het criterium ‘Zelfstandigheidsbevordering’. De criteria bewegingsvrijheid, structureren en veiligheid halen gemiddeld de hoogste score. Het kwaliteitsinstrument voor particuliere opvanginstellingen bestaat uit drie delen: een checklist, die op een gestandaardiseerde manier de formele aspecten (administratie, bezetting, personeel, accommodatie, veiligheid) van de opvangsituatie nagaat; een semi-gestructureerd interview, dat het mogelijk maakt de pedagogische randvoorwaarden te evalueren en 5 observatieschalen die in 5 situaties (rustsituatie, eetsituatie, verzorgingssituatie en zindelijkheidstraining, activiteitenbegeleiding en speelgoed, onthaalsituatie) de geobserveerde pedagogische kwaliteit meten. Hierbij worden dezelfde pedagogisch relevante criteria gehanteerd als in de beoordelingsschaal voor het pedagogisch functioneren in kinderdagverblijven. Het gevolg van deze benadering via situaties is dat ook de beoordeling van één situatie betrouwbaar en valide blijkt, zodat het instrument kan worden afgenomen over één of meerdere situaties zonder dat het noodzakelijk is het hele instrument af te nemen. Elke situatie is opgesplitst in een aantal items, die elk via een vierpuntenschaal worden gescoord. Score 1 betekent onvoldoende kwaliteit van het item, score 3 komt overeen met voldoende kwaliteit, score 5 betekent goede kwaliteit en score 7 staat voor zeer goede kwaliteit. Een gemiddelde score van 3 over de beoordeelde situaties heen wordt beschouwd als de pedagogische basiskwaliteit. Dit geldt ook voor elke afzonderlijke situatie. Het kwaliteitsinstrument voor particuliere opvanginstellingen (KWAPOI) werd ook omgevormd tot een zelfevaluatie-instrument, z-KWAPOI, dat de voorzieningen in staat stelt om zelf de
61
pedagogische opvangkwaliteit te evalueren en initiatieven tot kwaliteitsverbetering te plannen. De voorzieningen kunnen dit instrument sinds eind 1998 verkrijgen bij Kind en Gezin. De gemiddelde observatietijd in de mini-crèches en zelfstandige kinderdagverblijven bedroeg in 2001 3 uur en 9 minuten. Uit de observaties blijkt dat de gemiddelde pedagogische kwaliteit bij de geobserveerde situaties in 2001 4,58 bedroeg, wat een stijging inhoudt ten opzichte van 2000 (4,50). De rustsituatie en de onthaalsituatie halen gemiddeld de hoogste score. 2. Ondersteuning implementatie kwaliteitsdecreet In de loop van 2000 werd zowel voor de sector van de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen als voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang het sectoraal overleg in het kader van de implementatie van het kwaliteitsdecreet afgerond. Dit resulteerde in het bepalen van enerzijds sectorspecifieke minimale kwaliteitscriteria, de zogenoemde erkenningsvoorwaarden, en anderzijds minimale krijtlijnen die de voorzieningen in acht moeten nemen om hun kwaliteitszorg te realiseren. Het eerste vond zijn neerslag in een besluit van de Vlaamse regering, het tweede in een ministerieel besluit. Beide besluiten gingen in op 1 januari 2001. De besluiten en de consequenties ervan werden in het najaar van 2001 op een aantal provinciale infovergaderingen toegelicht. Daarnaast is binnen Kind en Gezin sinds 1 januari 2001 een kwaliteitshelpdesk operationeel. Zowel de voorzieningen als de medewerkers van Kind en Gezin kunnen er terecht voor informatie over de nieuwe regelgeving en over allerhande aspecten die betrekking hebben op kwaliteit. De voorzieningen kunnen er ook knelpunten signaleren betreffende de toepassing van de nieuwe regelgeving en kunnen er advies krijgen. Bijkomend werd aan de voorzieningen de mogelijkheid geboden om vorming te volgen rond de implementatie van het kwaliteitsdecreet en de consequenties ervan. Kind en Gezin erkende hiertoe 5 opleidingscentra, zijnde Amelior (Kortrijk), Vormingscentrum Opvoeding en Kinderopvang (Gent), Vlaamse Dienst Kinderopvang (Meise), Vlaams Welzijnsverbond in samenwerking met VOCA Training en Consult (Brussel) en Zorg-Saam (Leuven). Deze vormingsinstanties kregen een forfaitaire subsidie van Kind en Gezin, wat een matige kostprijs impliceert voor de deelnemers. Bovendien kregen ook de voorzieningen een tegemoetkoming van 190 euro van Kind en Gezin indien ze zich inschreven op het aanbod van een van deze vormingsinstanties. Het vormingsaanbod is divers opgebouwd, zodat voorzieningen de keuze hadden tussen een korte cursus of een cursus van meerdere dagdelen, tussen een algemene cursus of een cursus met een specifiek thema. In 2001 volgden 638 voorzieningen uit de kinderopvang de door Kind en Gezin ondersteunde vorming.
62
3. De Klachtendienst van Kind en Gezin Taak Contacten met de klagende partij In het eerste contact met de ontevreden klant, exploreert de Klachtendienst het probleem en wordt duidelijk of de klant in een eerste fase info of advies wil, dan wel of de klachtenprocedure wordt opgestart. In dit laatste geval wordt steeds aan de klager telefonisch of schriftelijk bevestigd dat de klacht wordt behandeld, wie de klachtenbehandelaar is en waar en wanneer die bereikbaar is. De stappen die daarop volgen verschillen naar gelang van het statuut van de beklaagde voorziening of persoon (Is die al dan niet gemeld bij Kind en Gezin? Betreft het een zelfstandig initiatief met of zonder attest van toezicht? enz.) De klagende partij krijgt informatie over de wijze waarop de klacht wordt aangepakt en over de uiteindelijke bevindingen na het ingestelde onderzoek. De concrete klacht behandelen De Klachtendienst kan, nadat werd geoordeeld dat de klacht ontvankelijk is, alle stappen ondernemen die hij nodig acht om de klacht verder te behandelen. Mogelijke stappen zijn het aanvragen van een inspectiebezoek, het raadplegen van het dossier, het bespreken van de klacht met de betrokken collega binnen Kind en Gezin, enz. Het formuleren van aanbevelingen Om vanuit de klachtenbehandeling aan kwaliteitsverbetering van de dienstverlening te werken, formuleert de Klachtendienst aanbevelingen. Door middel van een jaarlijks verslag, themagerichte rapporten en participatie in overlegorganen zorgt de Klachtendienst er ook voor dat deze aanbevelingen voldoende aandacht krijgen. Het indienen van klachten Een klacht kan telefonisch, schriftelijk of per e-mail ingediend worden. Indien bij het telefonisch contact nog gegevens ontbreken, indien duidelijk is dat de klagende partij in een opwelling onzorgvuldige mededelingen doet of indien de inhoud van de klacht dit vereist, wordt aan de klager gevraagd de klacht schriftelijk te bevestigen. De bedoeling is om op die manier een stevige en doordachte basis te verkrijgen voor de opbouw van het dossier. Voor schriftelijke klachten of de bevestiging daarvan stelt de Klachtendienst een klachtenkaart ter beschikking. Deze kaart is bedoeld als hulpmiddel om de informatie op een gestructureerde wijze te noteren. Klachten in 2001 De Klachtendienst stelt vast dat het aantal klachten in stijgende lijn gaat en dat het leeuwendeel van de oproepen over kinderopvang handelt. Op een totaal van 1043 geregistreerde oproepen gingen er 755 over de kinderopvang (72%). Het ging om 290 concrete infovragen van ontevreden personen en om 465 klachten over kinderopvang.
63
Hoofdstuk 4. Andere accenten in de werking 1. Vernieuwde regelgeving 2001 was, regelgevend gezien, het jaar van de grote wijzigingen. Zowel voor de kinderdagverblijven en de diensten voor opvanggezinnen als voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang werd een nieuw besluit aangaande erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden genomen. Deze ‘basisbesluiten’ werden aangevuld met een reeks ministeriële besluiten die betrekking hebben op de erkenningsprocedure, de kwaliteitszorg, de subsidiëring, de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, enz. Ook voor de zelfstandige opvang werden een aantal nieuwe maatregelen regelgevend verankerd. 2. Consultancy In 2001 kreeg de consultancyfunctie van Kind en Gezin verder vorm. Deze in 2000 ontstane dienstverlening adviseert iedereen die vragen heeft over kinderopvang in het kader van de combinatie van gezin en arbeid en begeleidt en ondersteunt degenen die kinderopvang willen starten, startende zijn of willen uitbreiden. In 2001 werd een kwaliteitsforum consultancy kinderopvang in het leven geroepen. De opdracht bestaat erin de onafhankelijkheid, de kwaliteit, de deskundigheid en de waarden van de consultancy te waarborgen. Het forum is samengesteld uit leden die voeling hebben met gezin, arbeid en/of kinderopvang en komt 2 keer per jaar samen. Zo heeft het kwaliteitsforum in 2001 een waardekader van consultancy uitgewerkt. 3. Website kinderopvang (www.kinderopvang.be) In het kader van haar consultancyopdracht wil Kind en Gezin door middel van moderne en interactieve informatiekanalen zoveel mogelijk informatie over kinderopvang ter beschikking stellen. Daarom werd ervoor geopteerd om een specifieke website over kinderopvang te ontwerpen. Deze website werd in november 2001 operationeel. De bezoeker heeft momenteel de keuze tussen 3 hoofdstukken, zijnde ouders, starters en bedrijven en zal in de toekomst verder uitgebouwd worden. In het hoofdstuk ‘Ouders’ is het de bedoeling dat ouders geholpen worden om zo snel en zo makkelijk mogelijk een opvangadres te vinden. Ook andere relevante info is er te vinden, zoals bijvoorbeeld over de ouderbijdrage, de kwaliteit en de rol van Kind en Gezin. Tevens wordt aan de ouders hulp geboden bij het kiezen van een opvangvorm die aansluit bij hun behoeften en verwachtingen. Ook wordt gewezen op opvangmogelijkheden buiten Kind en Gezin. Via het hoofdstuk ‘Starters’ wil Kind en Gezin de info aan starters zo eenvoudig en zo breed mogelijk verspreiden. Er wordt een overzicht gegeven van de verschillende soorten opvangvoorzieningen en de vigerende regelgeving. Daarnaast wordt de rol van Kind en Gezin belicht en krijgen bezoekers een antwoord op veelgestelde vragen.
64
In het hoofdstuk ‘Bedrijven’ vinden bedrijven een antwoord op hun belangrijkste vragen. Er wordt een overzicht gegeven van de manieren waarop bedrijven een rol kunnen opnemen bij de kinderopvangregeling van hun werknemers. De website wordt onder meer rechtstreeks gevoed vanuit een vernieuwd informaticasysteem (OSIRIS) dat de komende jaren verder wordt uitgebouwd. 4. Dossierbeheer kinderopvang Begin april werd de organisatie van het administratieve dossierbeheer van de kinderopvang grondig gewijzigd. Elke kinderopvangvoorziening kreeg op die manier haar eigen dossierbeheerder binnen Kind en Gezin, die het hele dossier in al zijn aspecten kent en de voorziening op een proactieve en deskundige manier begeleidt door alle administratieve procedures heen. Voor de erkende sector (kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen en initiatieven voor buitenschoolse opvang) is het hele administratieve dossierbeheer ondergebracht in een centraal team, dat gehuisvest is op de centrale administratie van Kind en Gezin in Brussel. Het dossierbeheer voor de onder toezicht staande sector wordt volledig opgenomen door de teams van provinciale dossierbeheerders, die in de verschillende provinciale afdelingen zijn ondergebracht. Aangezien het een zeer jonge evolutie betreft, wordt deze reorganisatie continu geëvalueerd en zo nodig bijgestuurd. 5. Onderzoek gebruik kinderopvang Al een aantal jaren organiseert Kind en Gezin een bevraging naar het gebruik van kinderopvang bij gezinnen met kinderen jonger dan 3 jaar. Terwijl de bevraging in het verleden werd afgenomen door de regioverpleegkundigen van Kind en Gezin, werd de afname van de enquête dit jaar uitbesteed. De regioverpleegkundigen van Kind en Gezin speelden wel nog een rol bij de bevraging van allochtone en kansarme gezinnen. In de bevraging wordt gepeild naar het gebruik van opvang, de gebruikte opvangvorm, de intensiteit en de tijdstippen van gebruik, de kostprijs en de opvangregeling bij ziekte van het kind. De resultaten van de enquête zijn terug te vinden in het rapport ‘Enquête inzake het gebruik van kinderopvang voor kinderen jonger dan 3 jaar – najaar 2001’. 6. Beroepsprofielen kinderopvang In 2001 startte de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) een sectoroverleg met als doel beroepsprofielen in de kinderopvang uit te werken. Kind en Gezin was een van de deelnemers in dit sectoroverleg. De beroepenstructuur in de kinderopvang werd als volgt vastgelegd: enerzijds sociaal-pedagogische functies, zijnde de begeleider, de opvangouder en de verantwoordelijke, anderzijds de paramedische functie, zijnde de verpleegkundige. Het beroepsprofiel van de begeleider werd in 2001 al voltooid en kan geraadpleegd worden op de website van de SERV (www.serv.be). De uitgewerkte profielen zullen worden meegedeeld aan de aanbieders van opleidingen, om zo hun vertaling te krijgen naar de opleidingsinhouden.
65
7. Spoedprocedure voor gevaarsituaties in de zelfstandige kinderopvang Naar aanleiding van een voorval van misbruik in een opvanggezin dat onder toezicht stond van Kind en Gezin, werd binnen Kind en Gezin een werkgroep opgericht met als opdracht een specifieke procedure uit te werken voor de te volgen aanpak bij meldingen van mogelijke gevaarsituaties in de zelfstandige kinderopvang. De door de werkgroep uitgetekende procedure werd eind 2001 door de Raad van Bestuur van Kind en Gezin goedgekeurd. De procedure wordt toegepast bij alle meldingen waaruit blijkt dat er een vermoeden is van schending van de fysieke of psychische integriteit van de opgevangen kinderen. Doelstelling is een snelle en efficiënte aanpak van dergelijke meldingen mogelijk te maken, maar met de garantie dat het onderzoek wordt verricht op een zorgvuldige en correcte manier. In 2002 zal een gelijkaardige procedure worden uitgewerkt voor de erkende sector, rekening houdend met de verantwoordelijkheden van ieder organiserend bestuur. 8. Video opvanggezinnen In navolging van het trainingspakket ‘Creatief omgaan met kwaliteit’ dat in 2000 werd gemaakt ter ondersteuning van de vroegere ‘particuliere opvanginstellingen’ (huidige minicrèches en zelfstandige kinderdagverblijven) werd in 2001 een trainingspakket ontwikkeld ter ondersteuning van de opvanggezinnen. Het trainingspakket dat door het Vormingscentrum voor de Begeleiding van het Jonge Kind werd ontwikkeld met de financiële steun van Kind en Gezin heet ‘Opvangouders bouwen aan een pedagogiek’ en bestaat uit een brochure en 2 films. In de eerste film staat de opvoeding van de kinderen, hun spel en ontwikkeling centraal, terwijl de tweede film dieper ingaat op de samenwerking met de ouders, het groeien in de job en de wisselwerking tussen het werk en het gezin van de opvangouder. Het trainingspakket wil opvanggezinnen aangesloten bij een dienst en zelfstandige onthaalouders ondersteunen in een kwaliteitsvolle uitbouw van hun dienstverlening. Het werd door Kind en Gezin dan ook gratis ter beschikking gesteld van de diensten voor opvanggezinnen en de zelfstandige onthaalouders. 9. Veilige speelterreinen Op 28 maart 2002 werd een koninklijk besluit genomen betreffende de uitbating van speelterreinen. Aangezien dit besluit ook op de opvangvoorzieningen van toepassing is, werd aan de voorzieningen het nodige didactisch materiaal ter beschikking gesteld om zich in orde te stellen. Aan kinderdagverblijven, mini-crèches en initiatieven voor buitenschoolse opvang werd het handboek ‘Veiligheid van speelterreinen’, dat Kind en Gezin aankocht bij het ministerie van Economische Zaken, gratis ter beschikking gesteld. Voor de opvanggezinnen ontwikkelde Kind en Gezin in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken de brochure ‘Speel op zeker!’. Tevens werden een aantal provinciale infovergaderingen georganiseerd waarin het besluit en de consequenties ervan voor de opvangvoorzieningen werden toegelicht.
66
10. Vaccinatieproefproject Alle vaccinaties toegediend in kinderdagverblijven, worden geregistreerd in een vaccinatiedatabank. Dit gebeurt aan de hand van specifieke formulieren die bezorgd moeten worden aan Kind en Gezin, die de gegevens dan input in de vaccinatiedatabank. In 2001 startte hierover een proefproject, waarbij kinderdagverblijven de vaccinaties online kunnen registreren in de vaccinatiedatabank. Eind 2001 namen 25 kinderdagverblijven aan het experiment deel. Bij een positieve evaluatie van het proefproject, zal nagegaan worden of het online registreren van vaccinaties toegediend in kinderdagverblijven veralgemeend kan ingevoerd worden.
67
Bijlage: Regelgeving en gewijzigde regelgeving Hier wordt het regelgevende kader beschreven. Eerst wordt de specifieke regelgeving overlopen die enkel geldt voor de kinderopvang. In een tweede punt wordt ingegaan op de meer algemene regelgeving die ook voor de kinderopvangvoorzieningen van belang is. (toestand juni 2002) 1. Specifieke regelgeving Oprichtingsdecreet van Kind en Gezin Kind en Gezin werd opgericht bij decreet van 29 mei 1984 (BS 22 augustus 1984). Dit decreet werd gewijzigd bij de decreten van 3 mei 1989 (BS 12 augustus 1989), van 23 februari 1994 (BS 1 juni 1994), van 24 juni 1997 (BS 2 augustus 1997), van 7 juli 1998 (BS 20 oktober 1998) en van 9 maart 2001 (BS 12 april 2001). Regelgeving per opvangvorm Hierna wordt per type van voorziening de van kracht zijnde regelgeving opgegeven. Mini-crèches, zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders Het decreet van 24 juni 1997 (oprichtingsdecreet Kind en Gezin) legt de meldingsplicht en de voornaamste gevolgen ervan vast. Het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 (BS 9 september 1997) regelt de concrete uitvoering van de meldingsplicht, wie vrijgesteld is, wat de consequenties zijn van melding en niet-melding, alsook de mogelijkheid om een attest van toezicht bij Kind en Gezin aan te vragen. Het ministerieel besluit van 30 juli 1997 (BS 6 november 1997) regelt de algemene voorwaarden om het attest van toezicht van Kind en Gezin te kunnen verkrijgen. Het ministerieel besluit van 30 juli 1997 (BS 6 november 1997) bepaalt de wijze waarop het attest van toezicht wordt toegekend, verlengd of ingetrokken. Het besluit van de Vlaamse regering van 27 april 2001 (BS 16 juni 2001) bepaalt dat particuliere opvanginstellingen met een capaciteit van 8 tot en met 22 plaatsen een financiÍle ondersteuning kunnen krijgen van 371 euro per plaats op jaarbasis en legt de voorwaarden vast waaraan deze voorzieningen moeten voldoen. Het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) bepaalt dat startende onthaalouders een vergoeding kunnen krijgen voor installatiekosten.
68
Het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) regelt de toekenning van een verzekering voor persoonlijke ongevallen aan onthaalouders. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 28 augustus 2001) gewijzigd door een ministerieel besluit van 28 maart 2002 (BS 18 mei 2002) legt de voorwaarden vast waaraan de voorzieningen moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor een bijkomende vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, alsook de aanvraag- en uitbetalingsprocedure. Kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen Het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 (BS 19 april 2001) regelt de erkennings- en subsidiĂŤringsvoorwaarden voor kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen. Dit besluit werd gewijzigd door 2 besluiten van 10 juli 2001 (BS 19 september 2001), door 2 besluiten van 14 december 2001 (BS 24 januari 2002) en door een besluit van 1 februari 2002 (BS 9 maart 2002). Het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2001 (BS 10 oktober 2001) regelt de toekenning van subsidies aan de initiatiefnemers die personeelsleden tewerkstellen in een gewezen DACstatuut. Het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 (BS 9 januari 2002), gewijzigd bij het besluit van 18 juli 2002 (BS 13 augustus 2002), legt de normen vast waaraan kinderdagverblijven moeten voldoen ter preventie van brand en ontploffing. Het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) bepaalt dat startende onthaalouders een vergoeding kunnen krijgen voor installatiekosten. Het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) regelt de toekenning van een verzekering voor persoonlijke ongevallen aan onthaalouders. Het ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 27 juli 2001) regelt de vaststelling van de procedure tot het verlenen, verlengen, weigeren of intrekken van een principieel akkoord voor en een erkenning van een voorziening voor kinderdagopvang. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 6 september 2001), gewijzigd bij het besluit van 13 september 2001 (BS 24 oktober 2001), legt de bedragen vast die de kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen ontvangen voor het realiseren van het basisaanbod. Het ministerieel besluit van 26 november 1997 (BS 27 januari 1998), gewijzigd door het ministerieel besluit van 11 december 1998 (BS 5 februari 1999) en het ministerieel besluit van 3
69
december 1999 (BS 5 januari 2000), regelt de invoering van de boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen, initiatieven voor buitenschoolse opvang en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning. Voorzieningen die ressorteren onder een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn voeren evenwel een eigen boekhouding. Het ministerieel besluit van 28 maart 2002 (BS 23 mei 2002) regelt de wijze waarop de financiÍle bijdrage van de ouders in de verblijfkosten van de kinderen opgevangen in kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen berekend moet worden. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 28 augustus 2001), gewijzigd door een ministerieel besluit van 28 maart 2002 (BS 18 mei 2002), legt de voorwaarden vast waaraan de voorzieningen moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor een bijkomende vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, alsook de aanvraag- en uitbetalingsprocedure. Het ministerieel besluit van 21 maart 2002 (BS 11 april 2002) bepaalt het bedrag dat de diensten voor opvanggezinnen ontvangen in het kader van een verzekering persoonlijke ongevallen voor de aangesloten opvanggezinnen. Het ministerieel besluit van 30 november 2001 (BS 17 januari 2002) regelt de voorwaarden waaraan opvanggezinnen moeten voldoen om aanvaard te worden door een dienst voor opvanggezinnen. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) legt de kostenvergoeding vast die de opvanggezinnen aangesloten bij een dienst, ontvangen. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf en legt de subsidiÍringsbepalingen vast. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 6 september 2001) legt het bedrag vast van de subsidie voor het medisch-sociaal toezicht en de preventieve medisch-sociale consulten in een kinderdagverblijf. Crèches kunnen onder bepaalde voorwaarden een investeringssubsidie voor gebouwen genieten. Deze mogelijkheid wordt vastgelegd in het decreet van 23 februari 1994 (BS 1 juni 1994) inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, gewijzigd bij decreet van 20 december 1996 (BS 31 december 1996) en bij decreet van 16 maart 1999 (BS 27 april 1999). De procedureregels worden vastgelegd in het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 (BS 10 september 1999). Het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 (BS 15 september 1999)
70
stelt de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische normen voor de kinderopvangsector vast. Initiatieven voor buitenschoolse opvang Het decreet van 24 juni 1997 (BS van 2 augustus 1997) tot wijziging van het decreet van 29 mei 1984 houdende de oprichting van de instelling Kind en Gezin, legt de meldingsplicht vast. Het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 (BS 9 september 1997) regelt de concrete uitvoering van de meldingsplicht, bepaalt wie vrijgesteld is en wat de consequenties zijn van melding en niet-melding. Het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 1997 (BS 9 september 1997) bepaalt de algemene voorwaarden inzake het organiseren van buitenschoolse opvang. Het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 (BS 27 april 2001) bepaalt de erkennings- en subsidiĂŤringsvoorwaarden voor initiatieven voor buitenschoolse opvang. Dit besluit werd gewijzigd door een besluit van 25 januari 2002 (BS 27 februari 2002). Het ministerieel besluit van 30 juli 1997 (BS 6 november 1997) regelt de inhoud van het lokale beleidsplan buitenschoolse kinderopvang en de wijze waarop het kwaliteitslabel door het lokale overleg wordt toegekend. Het ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 23 augustus 2001) regelt de procedure tot het verlenen, verlengen, weigeren of intrekken van een principieel akkoord, een erkenning en subsidiĂŤring van een initiatief voor buitenschoolse opvang. Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 6 september 2001), gewijzigd door het ministerieel besluit van 18 januari 2002 (BS 19 februari 2002), legt de voorwaarden vast waaraan initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor subsidiĂŤring vanuit Kind en Gezin. Het ministerieel besluit van 26 november 1997 (BS 27 januari 1998), gewijzigd door het ministerieel besluit van 11 december 1998 (BS 5 februari 1999) en het ministerieel besluit van 3 december 1999 (BS 5 januari 2000), regelt de invoering van de boekhouding, de jaarrekening en het rekeningstelsel voor kinderdagverblijven, diensten voor opvanggezinnen, initiatieven voor buitenschoolse opvang en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning. Voorzieningen die ressorteren onder een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn voeren evenwel een eigen boekhouding.
71
Het ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 28 augustus 2001), gewijzigd door een ministerieel besluit van 28 maart 2002 (BS 18 mei 2002), legt de voorwaarden vast waaraan de voorzieningen moeten voldoen indien ze in aanmerking willen komen voor een bijkomende vergoeding voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, alsook de aanvraag- en uitbetalingsprocedure. Regelgeving in verband met kwaliteit Het decreet van 29 april 1997 inzake kwaliteitszorg in welzijnsvoorzieningen (BS 11 juni 1997 en 4 juli 1997) bepaalt de verschillende elementen die de kwaliteitszorg in een welzijnsvoorziening gestalte (kunnen) geven. Het decreet legt ook de verplichtingen van een erkende voorziening vast op het vlak van het kwaliteitsbeleid. Dit beleid moet in elke sector geïmplementeerd worden via een aangepaste regelgeving. Drie ministeriÍle besluiten van 12 juni 2001 (BS 23 augustus 2001) leggen voor respectievelijk de kinderdagverblijven, de diensten voor opvanggezinnen en de initiatieven voor buitenschoolse opvang de bepalingen aangaande kwaliteitsbeleid, -planning, -systeem en -handboek vast. 2. Andere regelgeving met impact op kinderopvang Sociaal statuut Regelgeving in verband met het sociaal statuut is een federale materie. Kinderverzorgsters in dienst bij een kinderdagverblijf hebben een bediendestatuut, en vallen onder de Arbeidswet van 16 maart 1971. Opvanggezinnen aangesloten bij een dienst voor opvanggezinnen hebben tot nu toe geen echt sociaalrechtelijk statuut: het zijn noch bedienden, noch zelfstandigen. De vergoeding die deze opvanggezinnen ontvangen, wordt beschouwd als een kostenvergoeding. Zelfstandige onthaalouders en uitbaters van een mini-crèche of zelfstandig kinderdagverblijf zijn onderworpen aan het statuut van de zelfstandigen. Fiscaal statuut Ook regelgeving in verband met het fiscaal statuut is een federale materie. Vooral de aftrek van kosten voor kinderopvang is van belang voor de sector kinderopvang. Aftrek kinderopvangkosten voor de ouders Ouders kunnen de kosten voor kinderopvang betaald aan welbepaalde inrichtingen of personen (de opvangvoorziening moet een attest van toezicht hebben of erkend zijn door Kind en Gezin) aftrekken. Deze aftrekbaarheid was tot en met het inkomstenjaar 1999 (aanslagjaar 2000) beperkt tot 80% van de bedragen betaald voor opvang van kinderen tot 3 jaar, met een maximum van 11,16 euro per dag en per kind. Vanaf het inkomstenjaar 2000 (aanslagjaar 2001) werd deze aftrekbaarheid opgetrokken tot 100%, maar het maximum van 11,16 euro per dag en per kind bleef behouden. Sinds het inkomstenjaar 2001 (aanslagjaar 2002) werd dit maximum opgetrokken tot 11,20 euro per dag en per kind.
72
Aftrek uit hoofde van de uitoefening van het beroep van opvangouder Voor opvanggezinnen aangesloten bij een dienst wordt het bedrag van de financiële tegemoetkoming beschouwd als een niet-belastbare terugbetaling van de gemaakte kosten. De door de zelfstandige opvangvoorzieningen - vrij bepaalde - geïnde inkomsten worden beschouwd als belastbare beroepsinkomsten, zodat er beroepskosten kunnen worden afgetrokken. Dit kan door aftrek van de werkelijke beroepskosten, gestaafd met de nodige bewijsstukken, door aftrek van het wettelijke forfait, ofwel door aftrek van een forfaitair bedrag van maximaal 12,15 euro per dag en per kind (dit laatste bedrag beperkt tot het ontvangen bedrag). Er is geen BTW verschuldigd op de inkomsten van kinderopvangvoorzieningen, op voorwaarde dat het gaat om permanente opvang van kinderen jonger dan 7 jaar, door een erkende voorziening. Deze leeftijdsgrens dateert uit de periode dat Kind en Gezin enkel bevoegd was voor de opvang van kinderen tot 6 jaar. Bedoeling is om de leeftijdsgrens op 12 jaar te brengen. In de praktijk wordt deze BTW-vrijstelling evenwel ook toegekend aan zelfstandige voorzieningen. Bevoegd paritair comité Het bevoegde paritair comité is bepalend voor de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten die zaken regelen als loonschalen, arbeidsduur, vakbondsregeling, loopbaanonderbreking, brugpensioen, enz. Welk paritair comité van toepassing is, hangt af van twee zaken. Een eerste punt is of de CAO-wet van 5 december 1968 van toepassing is. Indien dit niet het geval is (bijvoorbeeld als er geen relatie werkgever-werknemer is), dan valt men onder geen enkel paritair comité. Een tweede punt betreft de hoofdactiviteit van een voorziening. In principe gebeurt de toewijzing van een paritair comité volgens het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’ en ressorteert al het personeel onder het paritair comité waaronder de hoofdactiviteit ressorteert. Als men onder de CAO-wet valt en als de hoofdactiviteit kinderopvang is, dan gelden de volgende principes: - gaat het om een door Kind en Gezin erkende voorziening, dan valt men onder paritair comité 305.02; - gaat het om een niet door Kind en Gezin erkende voorziening, dan valt men ofwel onder paritair comité 200 voor niet-lucratieve initiatieven (vzw, feitelijke vereniging), ofwel onder paritair comité 218 voor lucratieve initiatieven (nv, bvba, …); - gaat het om buitenschoolse opvang als hoofdactiviteit (vooral initiatieven voor buitenschoolse opvang), dan valt men onder paritair comité 200 of 218, naargelang het al dan niet om een lucratief initiatief gaat. Veiligheid van speelterreinen en van speelgoed De wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van de consumenten is een algemene wet die de consument beschermt tegen onveilige producten of onveilige dienstverlening, en die de producent verplicht om te voldoen aan een algemene veiligheidsnorm. Deze wet wordt
73
gespecificeerd door een koninklijk besluit van 28 maart 2001 (BS 9 mei 2001), meer bepaald in verband met de uitbating van speelterreinen (ook van toepassing op de sector kinderopvang) om zo, conform de wet en de richtlijnen van de Europese Commissie, een praktijk te ontwikkelen die leidt tot verhoogde aandacht voor de veiligheid van speeltoestellen. VoedingsmiddelenhygiĂŤne Het koninklijk besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiĂŤne (BS van 25 april 1997) is in principe van toepassing op alle instellingen waar voedingsmiddelen bereid, verdeeld of verhandeld worden. Dit geldt dus ook voor kinderopvangvoorzieningen. Zo moeten o.a. bepaalde hygiĂŤne-eisen worden nageleefd (bijvoorbeeld toiletten mogen niet rechtstreeks in de lokalen uitkomen waar voedingsmiddelen worden bereid). Ook dienen veiligheidsprocedures te worden uitgewerkt om besmetting te voorkomen.