Milieuhandhavingsrapport 2005 Afdeling Milieu-inspectie
MI MI • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Voorwoord Inleiding
03 05
Organisatie Personeel, vorming en middelen
09 19
01
02
Milieuhandhavingsrapport 2005 Afdeling Milieu-inspectie
Milieu-inspectieprogramma 2005
MI
29
03
Specifieke handhavingscampagnes Routinecontroles
Reactieve controles Voortgangscontrole en eigen initiatief
35 69
04
05
06
07
08
09
10
11
81 97
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden 101 Samenwerking en overleg 111
Internationale context 123 Bijlagen 133
De lezer informeren over de invulling door de afdeling Milieu-inspectie (MI) van de haar vooropgestelde doelstellingen, is traditiegetrouw de ambitie van het milieuhandhavingsrapport. Een voortdurend streven naar een hoog niveau van efficiënt en effectief handhaven van de milieuhygiënewetgeving(en), omschrijft de hierboven vermelde doelstellingen.
Voorwoord In 2005 werden in uitvoering van het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ twee belangrijke beslissingen genomen. In de eerste plaats werd een dossierrotatiesysteem ingevoerd, waardoor bijna alle dossiers in handen kwamen van een nieuwe dossierbehandelaar. In de tweede plaats dienen voortaan in tal van situaties de inspecties verplicht te worden uitgevoerd door twee toezichthoudende ambtenaren, in plaats van één enkele. Beide beleidsbeslissingen hebben –zoals voorzien– tot gevolg gehad dat het aantal controles en opgelegde maatregelen merkbaar daalden ten opzichte van de voorgaande jaren. Integrale kwaliteitszorg is een voortdurend aandachtspunt van MI. De dit jaar door VITO uitgevoerde audits in verband met het aanwenden van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen van afvalwater en afvalstoffen door de toezichthoudende ambtenaren van MI, wezen duidelijk op een kwaliteitsverbetering van deze belangrijke handelingen. De aanpak van MI in 2005 (alsmede in de voorgaande jaren) bestond erin om bewust te kiezen voor een planmatige en gecoördineerde aanpak en een maximale samenwerking met andere (handhavings)actoren, boven ad hoc toevalstreffers. Uit de lectuur van de volgende bladzijden kan de lezer opmaken of bovenstaande aanpak zijn vruchten afwerpt. Alvast wensen wij in het bijzonder de aandacht te vestigen op het volgende: • De verscherpte en voortdurende controle, in 2001 opgestart, van de afvalwaterlozingen van grote voedingsbedrijven hebben duidelijk hun vruchten afgeworpen. Zo voldeden in 2005 81% van het aantal gecontroleerde bedrijven, tegenover 57% in 2002. • Het in overleg opgestelde en uitgevoerde inspectieprogramma, door het ‘Seveso-team’ van MI en de collega’s van de bevoegde federale inspectiedienst van de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s, zoals opgelegd in het Samenwerkingsakkoord betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, kwam in 2005 nagenoeg op kruissnelheid. • De vaststellingen van koelgaslekken bij 68% van de 81 gecontroleerde bedrijven die koelinstallaties exploiteren, duiden onder meer op het belangrijke milieuprobleem die dergelijke installaties vertonen. Het is dan ook verheugend om vast te stellen dat de Vlaamse Regering midden 2006 principieel besliste om een certificering van koeltechnische bedrijven in te voeren. • Het in 2004 opgestarte proefproject GPBV-inspecties (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) in de chemiesector werd in 2005 verdergezet en resulteerde in een belangrijke ‘know-how’ van MI, die tot in EU-middens waardering vindt. • De gemeenschappelijke aanpak door de Vlaamse en de Waalse milieu-inspecties, opgestart in 2004, van de sanering van de belangrijke geurhinder in Rollegem (deelgemeente van Kortrijk) door enkele bedrijven gevestigd op het industrieterrein van Moeskroen, leidde in 2005 tot omvangrijke en concrete saneringsmaatregelen, opgelegd door de Waalse milieu-inspectie. In 2005 werden de positieve resultaten van de opgelegde maatregelen reeds opgemerkt door de inwoners van Rollegem. De verwachtingen zijn dan ook dermate dat vanaf 2006 de hinder minimaal is. Wij zijn en blijven er dan ook van overtuigd dat een correcte en professionele milieuhandhaving het onontbeerlijk sluitstuk is van een resultaatgericht leefmilieubeleid. U toch ook?
Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd
De afdeling Milieu-inspectie (MI) bericht jaarlijks in het milieuhandhavingsrapport over de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van haar milieu-inspecties. Dit rapport is daarmee uitgegroeid tot een belangrijke schakel bij de volledige implementatie van de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG).
Inleiding Dat dit rapport noodzakelijk is, wordt al duidelijk in de omschrijving van het doel van de aanbeveling: er zouden milieu-inspecties in de lidstaten moeten worden uitgevoerd volgens minimumcriteria met betrekking tot de organisatie, uitvoering, voortgangscontrole en bekendmaking van de resultaten van de inspecties, om in alle lidstaten de naleving van de communautaire milieuwetgeving kracht bij te zetten en bij te dragen tot een meer consequente uitvoering en handhaving daarvan. De aanbeveling stelt bovendien dat de verslaggeving over inspectieactiviteiten een belangrijke manier is om, door middel van transparantie, de betrokkenheid van burgers, ngo’s en andere belanghebbenden bij de uitvoering van milieuwetgeving te garanderen. Er wordt tevens vermeld dat de verslaggeving toegankelijk moet worden gemaakt overeenkomstig de Richtlijn inzake de vrije toegang tot milieu-informatie. Dit milieuhandhavingsrapport probeert zo goed mogelijk de indeling van de aanbeveling te volgen en bestaat daarom uit drie grote delen. Deel 1: organisatie van de afdeling en de daarbij gebruikte middelen Het milieuhandhavingsrapport start met een beschrijving van de organisatie van de afdeling (hoofdstuk 1) én met een rapportering over de gebruikte personele en financiële middelen (hoofdstuk 2). Deel 2: uitvoering, voortgangscontrole en resultaten van de milieu-inspecties Alle milieu-inspecties worden uitgevoerd op basis van een milieu-inspectieprogramma. Dit planmatig werken is een basisbeginsel van de aanbeveling. Zo vermeldt de aanbeveling onder andere dat om de doeltreffendheid van het inspectiesysteem te garanderen, de lidstaten erop toe moeten zien dat milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Eerst wordt in hoofdstuk 3 aangegeven hoe er jaarlijks een milieu-inspectieprogramma wordt opgesteld en hoe dat in overeenstemming is met de definities van de indeling van milieu-inspecties in deel II en met de principes over het opstellen van milieu-inspectieprogramma’s in deel IV van de aanbeveling. Daarna wordt voor elk onderdeel van het milieu-inspectieprogramma gerapporteerd over de uitvoering, de voortgangscontrole en de resultaten. Die onderdelen zijn: • specifieke handhavingscampagnes (hoofdstuk 4); • routinecontroles (hoofdstuk 5); • reactieve controles (hoofdstuk 6); • eigen initiatief en voortgangscontrole (hoofdstuk 7). Hoofdstuk 8 sluit dit deel af met een volledige rapportering over de strafrechtelijke en administratiefrechtelijke afhandeling van alle controles. Deel 3: samenwerking en overleg Het milieuhandhavingsrapport besluit met een overzicht van de intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking. Het hoofdstuk ‘Samenwerking en overleg’ spitst zich toe op de diverse samenwerkingsverbanden binnen de landsgrenzen en het hoofdstuk ‘Internationale context’ geeft een overzicht van de diverse contacten op Europees niveau en soms ver daarbuiten.
Inhoud Voorwoord Inleiding
3
5
1 Organisatie
9
Situering van MI 9 Interne structuur 10 Opdracht 12 Bevoegdheden 12 Beleid en strategie 13 Openbaarheid van bestuur 14 Integrale kwaliteitszorg 15
2 Personeel, vorming en middelen
19
Personeel 19 Vormingsactiviteiten 20 Werkingsmiddelen 22 Aanwending van de kredieten 24
3 Milieu-inspectieprogramma 2005
29
Opstellen van een MIP 29 Inhoud van het MIP 2004 30
4 Specifieke handhavingscampagnes
35
Werkgroep Water 35 Werkgroep Veiligheid 38 Werkgroep Geluid en Trillingen 42 Werkgroep Afval 44 Werkgroep Lucht 52 Werkgroep Bodem en Grondwater 59 Werkgroep GGO’s 62 Kernteam GPBV 63 Multidisciplinaire scanning van (potentieel) sterk milieubelastende bedrijven 66
5 Routinecontroles
69
Routinemonsternames 69 Routinemetingen 72 Routinecontroles exploitatie 76
6 Reactieve controles
81
Klachten 81 Meldingen van voorvallen 86 Evaluatieverslagen 88 Kantschriften 89 Adviesverlening 90 Vragen vanuit het Vlaams Parlement 91 Hoog toezicht 91 Draaiboek wintersmog 94
7 Voortgangscontrole en eigen initiatief
97
Voortgangscontrole van een dossier 97 Eigen initiatief 99
8 Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden
101
Inspecteren 101 Processen-verbaal 102 Maatregelen nemen 103 Strafrechtelijke afhandeling 108
9 Samenwerking en overleg
111
Samenwerking met gemeentelijke Vlarem-toezichthoudende ambtenaren 111 Samenwerking met de gerechtelijke instanties 114 Samenwerking in het kader van de veiligheid van de voedselketen 116 Samenwerking met VMM 117 Samenwerking met OVAM 117 Samenwerking met de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s 117 Samenwerking met andere gewesten 118 Beleid 119
10 Internationale context
123
IMPEL 123 Andere 127
11 Bijlagen
133
Contactpersonen binnen MI 133 MI in de pers 134 Contactpersonen samenwerking, overleg en regelgevende initiatieven 136 Gebruikte afkortingen 137 Adressen 139
Binnen het Vlaamse Gewest is MI hét handhavingsorgaan van de milieuhygiënewetgeving. Dit hoofdstuk start daarom met de situering van MI binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Daarna wordt de aandacht volledig gericht op MI en volgt er een omschrijving van de opdracht, de bevoegdheden en de werking van de afdeling. MI vangt de omvangrijke opdracht en de veelheid en complexiteit van de regelgeving op door een dubbele interne structuur: naast de klassieke verticale structuur werd ook een horizontale structuur opgezet in de vorm van werkgroepen per milieucompartiment. Verder in dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het beleid en de strategie van MI en van een permanent streven naar kwaliteitsborging en -verbetering.
Organisatie Situering van MI MI is een van de acht afdelingen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (Aminal). Die administratie zorgt voor een duurzame en kwaliteitsvolle ontwikkeling van het milieu, ter bescherming van mens, dier en plant. Op haar beurt maakt Aminal deel uit van het departement Leefmilieu en Infrastructuur (LIN), dat zorgt voor een coherente en geïntegreerde benadering op alle raakvlakken van leefmilieu en infrastructuur, zowel in zijn beleidsvoorberei-
dende, beleidsformulerende, beleidsuitvoerende als beleidsevaluerende activiteiten. De hiërarchische structuur en de diverse entiteiten binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap worden gevisualiseerd in het hiernavolgende organogram (situatie in 2005). De reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) heeft dat landschap in 2006 grondig veranderd.
0SHBOPHSBN WBO IFU NJOJTUFSJF WBO EF 7MBBNTF (FNFFOTDIBQ %FQBSUFNFOUFO
"MHFNFOF ;BLFO FO 'JOBODJÑO
$PÚSEJOBUJF
&DPOPNJF 8FSLHFMFHFOIFJE #JOOFOMBOETF ;BLFO FO -BOECPVX
-FFGNJMJFV FO *OGSBTUSVDUVVS
0OEFSXJKT
8FM[JKO 7PMLTHF[POEIFJE FO $VMUVVS
8FUFOTDIBQ *OOPWBUJF FO .FEJB
"ENJOJTUSBUJF
"MHFNFOF "ENJOJTUSBUJFWF %JFOTUFO
.JMJFV /BUVVS -BOE FO 8BUFSCFIFFS
0OEFSTUFVOFOEF 4UVEJFT FO 0QESBDIUFO
3VJNUFMJKLF 0SEFOJOH )VJTWFTUJOH .POVNFOUFO FO -BOETDIBQQFO
8BUFSXFHFO FO ;FFXF[FO
8FHFO FO 7FSLFFS
"GEFMJOHFO
"MHFNFFO .JMJFV FO /BUVVSCFMFJE
#PT (SPFO
&VSPQB .JMJFV
.JMJFV JOTQFDUJF
.JMJFVWFSHVOOJOHFO
-BOE
/BUVVS
8BUFS
Organisatie •
Interne structuur MI heeft een klassieke verticale structuur met een Hoofdinspectie in Brussel en vijf buitendiensten in de hoofdsteden van de Vlaamse provincies. Elke dienst wordt geleid door een diensthoofd die overeenkomstig het ambtenarenstatuut aangewezen is als hiërarchische meerdere. De algemene leiding van MI berust bij het afdelingshoofd. De Hoofdinspectie initieert en begeleidt de inspectiecampagnes en opsporingsacties die gepland en gecoördineerd worden ondernomen over heel Vlaanderen. Ze is ook verantwoordelijk voor de voorbereiding, de formulering en de evaluatie van het handhavingsbeleid. De Hoofdinspectie zorgt tevens voor de personele en logistieke ondersteuning van de afdeling. De buitendiensten zorgen voor de specifieke inspectieopdrachten, het opleggen en volgen van milieutechnische saneringsmaatregelen, het bijhouden van alle bedrijfsdossiers en het terugkoppelen van de ervaringen op het terrein. Aangezien de beschikbare mensen en middelen beperkt zijn, moet MI haar potentieel zoveel mogelijk benutten.
Brussel
MI organiseert zich daarom zodanig dat de aanwezige technische expertise maximaal wordt gebundeld, uitgediept, uitgewisseld en benut en dat ook individuele initiatieven zoveel mogelijk kansen krijgen. Met respect voor de verticale structuur van MI werd ook een horizontale structuur opgezet. Die bestaat uit werkgroepen per milieucompartiment. Eind 2005 waren er zeven actieve werkgroepen: Afval, Bodem en Grondwater, Geluid en Trillingen, Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO’s), Lucht (inclusief geur- en lichthinder), Veiligheid en Water. Een GPBV (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)kernteam bundelt de expertise van de diverse werkgroepen bij de uitvoering van GPBV-controles. De doelstellingen van de werkgroepen zijn: - een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel nastreven; - de in de afdeling aanwezige knowhow over een bepaald milieucompartiment samenbrengen, die knowhow verdiepen en vervolgens verspreiden en benutten binnen de afdeling;
Antwerpen
Limburg
Verticale structuur van MI Afdelingshoofd
Hoofdinspectie
Buitendienst Antwerpen
Buitendienst Limburg
Buitendienst Oost-Vlaanderen
10 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Buitendienst Vlaams-Brabant
Buitendienst West-Vlaanderen
- de geplande en gecoördineerde inspectiecampagnes organiseren, meer diepgang geven en op een hoger niveau brengen; - een uniforme aanpak en interpretatie van de milieureglementering verzekeren; - nieuwe ontwikkelingen en reglementering volgen en voorstellen formuleren voor een gepaste aanpak; - de bevoegde minister adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving en hem tevens voorzien van de nodige terugkoppeling voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie. Een werkgroep is samengesteld uit zes of zeven leden: een vertegenwoordiger van elke buitendienst en één of twee werkgroepgangmakers (projectleiders) van de Hoofdinspectie, naargelang de omvang en complexiteit van hun opdracht. Bij de samenstelling van de werkgroepen is zo veel mogelijk rekening gehouden met de ervaring en de specialisaties van de betrokkenen. Het GPBV-kernteam is samengesteld uit het diensthoofd van de Hoofdinspectie, de werkgroepgangmakers van de Hoofdinspectie en één teamlid van elke buitendienst.
Oost-Vlaanderen
Op de buitendiensten blijven de leden van een werkgroep ook deelnemen aan de specifieke handhavingscampagnes, de routinecontroles, de reactieve controles en de voortgangscontroles, zij het in beperktere mate. Zij hebben tevens een ondersteunende rol ten opzichte van hun collega’s, als specialisten in het milieucompartiment van hun werkgroep. Bij de geplande en gecoördineerde inspectiecampagnes spelen de werkgroepen een hoofdrol. Ze proberen de inspectieactiviteiten in de verschillende milieuhygiënische sectoren op elkaar af te stemmen om uiteindelijk een geïntegreerde controle van hoog niveau te verwezenlijken. Daarbij wordt soms een beroep gedaan op externe deskundigheid, worden totaal nieuwe initiatieven genomen of nieuwe controle-instrumenten ingezet. De kennis en ervaring die in de werkgroepen opgebouwd worden, verspreiden zich zo stelselmatig over de gehele afdeling.
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
Horizontale structuur van MI Afdelingshoofd Hoofdinspectie
GPBV
AFVAL
Buitendienst Antwerpen
BODEM & GRONDWATER
Buitendienst Limburg
GELUID & TRILLINGEN
Buitendienst Oost-Vlaanderen
GGO’s
LUCHT
Buitendienst Vlaams-Brabant
VEILIGHEID
WATER
Buitendienst West-Vlaanderen
Organisatie • 11
Opdracht
Bevoegdheden
In het kader van het Milieuvergunningsdecreet en Vlarem I oefenen de toezichthoudende ambtenaren van MI toezicht uit op de hinderlijke inrichtingen van klasse 1 en hoog toezicht op de inrichtingen van klasse 2 en 3. Die bevoegdheid wordt nog aangevuld met toezichtsbevoegdheden uit meerdere aanverwante milieuhygiënewetgevingen. Dat geheel geeft MI in Vlaanderen een unieke opdracht.
MI houdt toezicht op de volgende milieuhygiënewetgevingen (of delen ervan) die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest:
Door de reorganisatie van de Vlaamse overheid in het kader van BBB wordt die bevoegdheid nog verruimd met het toezicht op de afvalstoffenrregelgeving.
- het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Belgisch Staatsblad, 3 juni 1995), inzonderheid titel III van 19 april 1995 betreffende bedrijfsinterne milieuzorg (Belgisch Staatsblad, 4 juli 1995);
Bij het toezicht op de klasse 1-inrichtingen streeft MI permanent naar een verhoging van de kwaliteit van de handhaving. Daarbij wordt gelet op een doelmatig, deskundig, uniform, geïntegreerd en sturend optreden over heel Vlaanderen en wil MI een voorbeeldfunctie vervullen voor de lokale overheden. Het hoog toezicht wordt op die manier niet enkel casueel maar ook systematisch ingevuld.
- het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (Belgisch Staatsblad, 17 september 1985) en de uitvoeringsbesluiten Vlarem I van 6 februari 1991 en Vlarem II van 1 augustus 1995;
- het decreet van 23 januari 1991 tot bescherming van het leefmilieu tegen verontreiniging door meststoffen (Belgisch Staatsblad, 28 februari 1991); - het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake grondwaterbeheer (Belgisch Staatsblad, 5 juni 1984);
Naast MI zijn er ook andere actoren betrokken bij de handhaving van het Milieuvergunningsdecreet: de burgemeesters, de door de gemeenten aangewezen agenten van de Lokale Politie en technische ambtenaren van de gemeenten die in het bezit zijn van een bekwaamheidsbewijs, de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie (ANRE), de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (APSG of kortweg Gezondheidsinspectie), de reguliere politiediensten (Federale en Lokale Politie) en de gerechtelijke instanties. Elke actor heeft zijn eigen rol, opdracht en inbreng. Om de handhaving in haar geheel te laten slagen, moeten die instanties constructief samenwerken. Die samenwerking moet tevens worden gezien in het kader van de integrale benadering van het handhavingsbeleid. Om daaraan invulling te geven wordt aan netwerkvorming gedaan. De samenwerking die in dat netwerk ontstaat, genereert een synergetisch effect met het oog op een meer efficiënte en doelmatige handhaving van de milieuhygiënewetgeving.
- het decreet van 2 juli 1981, gewijzigd bij het decreet van 20 april 1994, betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (Belgisch Staatsblad, 29 april 1994) (de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval is opgeheven voor het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 1 en 7) en het uitvoeringsbesluit Vlarea van 5 december 2003;
Doordat de Europese integratie en de mondialisering voortdurend sterker worden, bevindt ook de milieuhandhaving zich steeds meer in een internationale context. MI heeft daarom als taak internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan internationale vernieuwingen en tendensen.
- de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder (Belgisch Staatsblad, 14 september 1974) en het koninklijk besluit van 24 februari 1977 betreffende elektronisch versterkte muziek (Belgisch Staatsblad, 26 april 1977);
Voor de beleidsvoorbereiding en beleidsevaluatie heeft MI de opdracht om de Vlaamse minister van Leefmilieu te adviseren over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regelgeving. Daarvoor koppelt MI haar ervaringen op het terrein terug naar de beleidsmakers. Tot slot heeft MI de opdracht haar optreden en aanpak op geregelde tijdstippen kenbaar te maken en toe te lichten. Met die transparantie beoogt MI een voldoende breed maatschappelijk draagvlak voor de handhaving te creëren en te behouden.
12 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
- het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (Belgisch Staatsblad, 29 april 1995) en het uitvoeringsbesluit Vlarebo van 5 maart 1996; - de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging (Belgisch Staatsblad, 14 januari 1965); - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Belgisch Staatsblad, 1 mei 1971);
- de wet van 12 juli 1985 betreffende de bescherming van de mens en van het leefmilieu tegen de schadelijke effecten en de hinder van niet-ioniserende straling, infrasonen en ultrasonen (Belgisch Staatsblad, 26 november 1985); - het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Belgisch Staatsblad, 16 juni 2001);
- de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (Publicatieblad van de Europese Unie, L 30, 6 februari 1993); - de Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (Publicatieblad van de Europese Unie, L 244, 29 september 2000); - de Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (Publicatieblad van de Europese Unie, L 273, 10 oktober 2002); - de Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van de richtlijn 97/117/EEG (Publicatieblad van de Europese Unie, L 158, 30 april 2004).
Beleid en strategie MI heeft al enkele jaren de missie, visie en waarden van haar organisatie en haar medewerkers duidelijk vastgelegd. De verdere optimalisatie van de structuur en de werking van MI worden daardoor gestuurd. Er werd vertrokken van de bestaansreden van MI: het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen. De missie (waar staan we nu?) is een verdere uitdieping van die bestaansreden: wij als afdeling Milieu-inspectie toetsen en bevorderen de kwaliteit van het milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan teneinde de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen. Wij doen dit door: - toezicht te houden; - ambtshalve controles uit te voeren; - opsporingen te doen; - maatregelen te nemen; - de handhaving van het milieuhygiënebeleid uit te dragen naar gemeenten, provincies en andere handhavingsactoren; - bij te dragen tot beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van onze ervaringen vanuit het veld; - een actieve inzet in het Europees IMPEL-milieuhandhavingsnetwerk. Om aan te geven hoe de medewerkers zich willen gedragen,
werden volgende waarden vastgelegd. Wij willen loyale, ondernemende en tevreden medewerkers zijn die: - dicht staan bij de klant en duidelijk maken wat ze doen; - vlot inzetbaar en aanspreekbaar zijn; - snel, dynamisch en realistisch op uitdagingen ingaan; - resultaatgericht en geïntegreerd samenwerken; - door hun visie, creativiteit en deskundigheid een stap voor blijven; - steeds willen verbeteren en houden van hun job; - een gezonde ecologische reflex hebben; - een correcte handhavingsreflex vertonen. De visie geeft aan welke organisatie MI wil zijn: de afdeling Milieu-inspectie wordt dé organisatie die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving. Om van de huidige toestand (missie) naar de gewenste situatie (visie) te komen, zijn een aantal strategische acties nodig. MI heeft de volgende kritische succesfactoren geïdentificeerd om die overgang succesvol te laten verlopen. Een bedrijfscultuur van voortdurende verbetering creëren waarin iedereen: - achter de visie, missie en waarden staat en ze ook uitdraagt; - samenwerkt en aantoont dat onze organisatie meer is dan de som van de samenstellende delen; - samenwerkt met alle actoren op internationaal, Europees, federaal, gewestelijk en lokaal vlak; - de integratie van het milieu en de coherentie van de milieuzorg in de andere beleidssectoren nastreeft; - zich gewaardeerd voelt en initiatieven neemt; - beschikt over de juiste en relevante informatie; - zich permanent en doelgericht bijschoolt; - de middelen doelmatig inzet; - de regelgeving op een correcte wijze uitvoert. De handhaving als onontbeerlijke schakel in de reguleringsketen moet voldoende sterk zijn. Daarom moet: - een eenvormige en geïntegreerde milieuhygiënewetgeving met goede technische normen voorhanden zijn; - de vergunningverlener de regelgeving correct en volledig implementeren met als resultaat hanteerbare en inzichtelijke vergunningen; - de complementariteit tussen de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving worden gerealiseerd; - met het opstellen en de implementatie van een handhavingsstrategie worden gestart. Wat de handhaving zelf betreft, moet: - de maatschappelijke en politieke legitimatie voldoende groot zijn; - binnen de administratie, handhaving naast en niet onder beleidsvoorbereiding en/of -uitvoering staan; - de slagkracht, autonomie en onafhankelijkheid van MI in het algemeen en de toezichthoudend ambtenaar in het bijzonder worden gevrijwaard.
Organisatie • 13
De strategische doelstellingen (op lange termijn) van MI zijn als volgt omschreven: - inspecteren; - maatregelen nemen; - beleidsuitvoering; - beleidsformulering en beleidsevaluatie; - actieve inzet in het Europees IMPEL-handhavingsnetwerk; - permanente vorming. Op basis van die strategische doelstellingen en de jaarlijkse doelstellingen van het departement en de administratie worden elk jaar operationele doelstellingen (op korte termijn) opgesteld voor de hele afdeling. Die worden op hun beurt in cascade doorvertaald naar persoonlijke doelstellingen die worden opgenomen in een persoonlijk planningsdocument voor alle personeelsleden. Om al die doelstellingen te realiseren geeft MI uitvoering aan zes directe processen. Het omvangrijkste proces is het sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’. Het is onderverdeeld in zeven deelprocessen. Dat proces werd volledig in kaart gebracht en voorzien van een procedurehandboek.
LIJST VAN DE DIRECTE PROCESSEN Proces Beschrijving P01
Inspecteren en maatregelen nemen
P01.1
- Dossiervoorbereiding
P01.2
- Verplaatsing + vaststellingen op het terrein
P01.3
- Inspectieverslag + beoordeling vaststellingen
P01.4
- Verslaggeving aan Openbaar Ministerie
P01.5
- Maatregelen nemen overeenkomstig het MI-instrumentarium
P01.6
- Rapportering (intern/extern)
P01.7
- Dossieropvolgingssysteem
P02
Milieu-inspectieprogramma (MIP)
P03
Opdrachten aan externe deskundigen
P04
Beleidsformulering en -evaluatie
P05
Uitdragen handhaving milieuhygiënewetgeving naar gemeenten,
provincies en andere handhavingsactoren
P06
Intra-, inter- en supragewestelijke samenwerking met
andere (milieu)actoren
Beleidsbeslissingen 2005 In uitvoering van het proces ‘inspecteren en maatregelen nemen’ werden in 2005 door de hiërarchie twee belangrijke beslissingen genomen. Ten eerste besliste MI om een dossierrotatiesysteem in te voeren. Hierdoor kwamen bijna alle dossiers in handen van een nieuwe dossierbehandelaar. Dergelijk rotatiesysteem is tijdrovend maar heeft ook zijn voordelen. Zo worden de dossiers nu vanuit een nieuwe invalshoek bekeken, mede in functie van de
14 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
specialiteit van de dossierbehandelaar. Dit betekent zeker een verrijking van de dossieraanpak. Ook kan de toezichthoudend ambtenaar opnieuw proeven van nieuwe uitdagingen. Ten tweede werd vastgesteld dat bij het uitvoeren van controles op de milieuhygiënewetgeving zich tal van situaties kunnen voordoen waarbij de aanwezigheid van twee toezichthoudende ambtenaren opportuun, ja zelfs noodzakelijk is. Enkele voorbeelden zijn: - de voor de hand liggende situatie waarbij vooraf kan worden vermoed dat de exploitant onbetrouwbaar is of moeilijkheden kan veroorzaken; - situaties waarbij de veiligheid van de toezichthoudend ambtenaar in het gedrang kan komen: controles op verlaten bedrijfsterreinen, in ondergrondse ruimtes, aan de rand van waterlopen, openen van riooldeksels op de openbare weg, bemonsteringen zonder hulp van een laboratorium; - een eerste controle van een totaal nieuw of onbekend bedrijf; - controles waarbij de gespecialiseerde kennis en ervaring van een collega onontbeerlijk is; - opleggen van administratieve rechtshandelingen. Daarom werd, om de integriteit en de veiligheid van de toezichthoudend ambtenaar te beschermen, in de loop van 2005 door de leidend ambtenaar van de administratie als algemene inspectieregel beslist dat de controles ‘intra muros’ (inspecties op bedrijfsterreinen van hinderlijke inrichtingen en ‘papieren’ controles in de burelen van een bedrijf) voortaan moeten gebeuren met twee toezichthoudende ambtenaren of door één toezichthoudende ambtenaar in aanwezigheid van een ‘derde’ (een ambtenaar of een expert die werkt in opdracht van MI). Beide beslissingen hebben uiteraard als gevolg dat de controle ter plaatse en de voortgangsbewaking heel wat meer tijd vragen dan voorheen. Deze beslissingen weerspiegelen zich in een manifeste daling van het aantal controles en opgelegde maatregelen in 2005 t.o.v. voorgaande jaren.
Openbaarheid van bestuur Het Verdrag van Aarhus (verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden) en de Europese richtlijn met betrekking tot toegang van de burger tot milieuinformatie vormen de basis voor de Vlaamse regelgeving in verband met openbaarheid van bestuur. Het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur (van kracht sedert 1 juli 2004) zet de toegang tot milieu-informatie om in Vlaamse regelgeving. Een besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2005 vult het decreet verder aan en regelt de actieve verspreiding van milieu-informatie door de overheid. Dit besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2005 en trad in werking op 1 januari 2006.
Integrale kwaliteitszorg MI heeft niet gewacht op de regelgeving in verband met de actieve verspreiding van milieu-informatie en publiceert al vele jaren een milieu-inspectieplan en een milieuhandhavingsrapport. Beide documenten zijn, naast de papieren versie, sinds enkele jaren ook raadpleegbaar op internet. Het is daarbij belangrijk dat het milieuhandhavingsrapport uitvoerig rapporteert over de uitvoering van en de bekomen resultaten bij de diverse inspectie-activiteiten. MI geeft ook invulling aan de bepalingen in verband met de passieve openbaarheid van bestuur. Elke administratieve overheid is verplicht om aan iedereen die erom verzoekt de gewenste bestuursdocumenten (op enkele uitzonderingen na, zoals een proces-verbaal van overtreding) openbaar te maken door er inzage in te verlenen, uitleg over te verschaffen, een afschrift van te overhandigen of een exemplaar van uit te lenen. Aanvragen tot openbaarmaking moeten schriftelijk worden ingediend bij de administratieve overheid die over de bestuursdocumenten beschikt. Ook bestuursdocumenten over milieuinformatie vallen onder die bepalingen. In de loop van het werkjaar 2005 ontving MI veertien schriftelijke aanvragen tot openbaarmaking van bestuursdocumenten uit milieudossiers. Al die verzoeken werden ingewilligd. Ook in het kader van de wetgeving op de overheidsopdrachten is de opdrachtgever verplicht om bepaalde informatie kenbaar te maken. In 2005 ontving MI eveneens vijf aanvragen voor het verkrijgen van de gemotiveerde toewijzingsbeslissing bij de gunning van een overheidsopdracht. Alle aanvragen werden door MI ingewilligd.
Het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap streeft voortdurend naar een zo goed mogelijke uitbouw van zijn dienstverlening. Dit veronderstelt een organisatiecultuur waarin een permanente zorg voor kwaliteit en kwaliteitsverbetering centraal staat. Ook MI doet hieraan mee en heeft daarbij aandacht voor zowel de eigen kwaliteit als voor de kwaliteit van externe dienstverleners.
Afhandeling van vaststellingen Al bij het opstellen van de staalkaart van de afdeling werd het belangrijkste proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ in kaart gebracht en voorzien van een eerste procedurehandboek. In de loop van de voorbije jaren werden bijkomende documenten aangemaakt, die zorgen voor een verdere verhoging van de kwaliteit en uniformiteit van het optreden van MI, en dat zowel voor de strafrechtelijke als voor de administratiefrechtelijke afhandeling van vaststellingen. Deze documenten worden dagelijks in de praktijk gebruikt door alle toezichthoudende ambtenaren. Het handhavingsinstrumentarium geeft de algemene principes van het optreden van MI aan en visualiseert in diverse stroomschema’s hoe er in elke fase van een dossier opgetreden wordt. De Code van goede praktijk voor het proces-verbaal beschrijft in detail de balk ‘Maak aanvankelijk of navolgend proces-verbaal’ van het eerste stroomschema van het handhavingsinstrumentarium (zie stroomschema). De code van goede praktijk heeft als doel te komen tot een kwaliteitsverbetering en een grotere uniformiteit van de processen-verbaal van MI. De ‘Prioriteitennota Vervolgingsbeleid Milieurecht in het
Voorbeeld van een stroomschema van het handhavingsinstrumentarium 2
* mogelijke situaties voor ‘ja’: - het totaal ontbreken van een vergunning indien nooit een vergunning is aangevraagd;
Zware hinder
Ja
M2.01: brief aan burgemeester met voorstel tot toepassing art. 65 § 1
Burgemeester volkomen opgetreden
Nee Geldt één van de aangegeven situaties*?
Ja Einde
- het exploiteren van een inrichting of het uitoefenen van een activiteit, wanneer hiervoor een algemeen verbod geldt;
Nee Ja
- het totaal ontbreken van een vergunning na een weigering in tweede aanleg of een weigering in eerste aanleg waartegen geen beroep wordt ingediend;
- het niet vergund zijn van een sterk milieubelastende deelactiviteit.
6
Nee Ja
Ja
Is vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk verklaard? Nee M2.02: aanmaning aan exploitant om vergunning aan te vragen + M2.03: informeer burgemeester
Nee
Nee
Nee Ja Werd vergunning aangevraagd
Vergunning Bekomen?
Vergunning bekomen?
Nee
Is beroep ontvankelijk verklaard?
Ja
Wacht op uitspraak over beroep
Ja Wacht op uitspraak in eerste aanleg
Einde
Organisatie • 15
Vlaamse gewest’ die op 30 mei 2000 door de Commissie Vervolgingsbeleid werd goedgekeurd, werd erin geïmplementeerd. De Code van goede praktijk voor de administratiefrechtelijke afhandeling legt de vorm en de inhoud vast van de documenten die in de stroomschema’s van het handhavingsinstrumentarium voorkomen (van het inspectieverslag over de aanmaning en de dwangmaatregel tot het voorstel voor de schorsing of opheffing van een vergunning). Liefst 39 verschillende documenten worden in detail beschreven. Het handhavingsinstrumentarium en de beide codes van goede praktijk worden door MI beschouwd als een kwaliteitshandboek. Ze worden dagelijks door de toezichthoudende ambtenaren gebruikt bij de afhandeling van vastgestelde inbreuken en bij het nemen van maatregelen. De diensthoofden en het afdelingshoofd zijn daarbij aangewezen als kwaliteitsverantwoordelijken.
MI-onderrichtingen MI gebruikt ook interne onderrichtingen om de kwaliteit en/of de uniformiteit bij het uitvoeren van inspecties en bij de beoordeling van vaststellingen te verhogen. In de loop van 2005 werden vijf dergelijke onderrichtingen opgesteld en geïmplementeerd. Een overzicht is gegeven in de bijgaande tabel. Lijst van de MI-onderrichtingen in 2005 Nummer
Datum
Onderwerp
MI 2005/01
19 januari
Toekennen van notitienummers bij processen-verbaal opgemaakt door MI
MI 2005/02
7 maart
Verlenen van dienstvrijstellingen en afwezigheden die desgevallend moeten ingehaald worden
MI 2005/03
12 december
Toepassing van het draaiboek wintersmogperiodes
MI 2005/04
5 december
Aanpassing van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen
MI 2005/05
8 december
Proces-verbaal van bemonstering van grondstoffen
Kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen Het deelproces ‘Vaststellingen op het terrein’ vormt een belangrijk onderdeel van het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’. Eén van de vele facetten binnen dit deelproces is het uitvoeren van monsternames en metingen. In 2001 werd gestart met het opstellen van een kwaliteitshandboek voor deze monsternames en metingen. De monsternames en metingen van afvalwater kwamen het eerst aan bod. Naast een algemene procedure voor het documentenbeheer, werden vier procedures uitgeschreven voor
16 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
de monstername van water met schepmonsters of (tijds- of debietsproportionele) mengmonsters, het gebruik van recipiënten en conserveringsmiddelen, de meting ter plaatse van pH en temperatuur, en de meting ter plaatse van het debiet. Daarnaast werd ook een werkvoorschrift voor de bediening, de kalibratie en het onderhoud van de pH-meter opgesteld, samen met de bijhorende formulieren. In 2005 liet MI een derde interne audit uitvoeren. Het was duidelijk dat er sinds de invoering van het kwaliteitshandboek een duidelijke kwaliteitsverbetering was. De resterende aandachtspunten werden in de werkgroep Water uitgebreid besproken en dit resulteerde in een actieplan met corrigerende en remediërende maatregelen. Tegelijkertijd werd ook een lichte bijsturing van de bestaande procedures doorgevoerd. Het actieplan en de aangepaste procedures werden goedgekeurd door de staf en geïmplementeerd door alle toezichthoudende ambtenaren. In opdracht van MI werden door VITO ook procedures voor de bemonstering van afvalstoffen uitgewerkt. Een eerste procedure beschrijft algemene kernbegrippen inzake afvalbemonstering. Voor enkele specifieke afvalstromen werd de praktische uitvoering van de monstername beschreven in drie aparte procedures: de bemonstering van poeder- en korrelvormige vaste afvalstoffen, de bemonstering van afval aanvaard op stortplaatsen en de bemonstering van vloeibare en viskeuze afvalstoffen. Een aantal noodzakelijke documenten werden als formulier opgenomen, zoals bijvoorbeeld het monsternemingsformulier. De ontwerpprocedures werden in de praktijk getest en waar nodig aangepast. Begin 2004 werden drie vormingsdagen georganiseerd waarop het kwaliteitshandboek in theorie en in praktijk werd toegelicht aan alle toezichthoudende ambtenaren. In mei 2004 keurde de stafvergadering de definitieve versie van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen van afvalstoffen goed en besliste tot volledige implementatie vanaf 1 juni 2004. Bijna één jaar later, in april en mei 2005, volgde een eerste interne audit in alle buitendiensten. De verkregen opmerkingen werden in de werkgroep Afval besproken en resulteerden in een actieplan met corrigerende en remediërende maatregelen. De bestaande procedures werden bijgestuurd. Het actieplan en de aangepaste procedures werden goedgekeurd door de staf en geïmplementeerd door alle toezichthoudende ambtenaren. Dezelfde hoogstaande kwalitatieve uitvoering van monsternames en metingen werd ook vereist bij het uitvoeren van monsternemingen door onze laboratoriumcontractant. Vanaf de implementatie van het kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen van afvalstoffen voert ook het laboratorium het bemonsteren van de betrokken afvalstoffen conform de MI-procedures uit.
MI voert de monsternames van afvalwater en afvalstoffen uit volgens de procedures van een kwaliteitshandboek
Organisatie • 17
In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het personeel van MI. Het beperkte personeelsbestand leidt ertoe dat MI er na veertien jaar nog steeds niet in geslaagd is om alle klasse 1-inrichtingen in Vlaanderen ten minste eenmaal te controleren. Verder in dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de inspanningen die MI levert voor de voortdurende vorming van de medewerkers, een overzicht van de diverse werkingsmiddelen van MI en een overzicht van de aanwending van de kredieten waarover MI beschikt.
Personeel, vorming en middelen Personeel Eind 2005 telde MI 118 personeelsleden, drie minder dan eind 2004. Dit was een gevolg van een mutatie, een vrijwillig ontslag en een oppensioenstelling. Het aantal voltijdse eenheden (VTE) daalde met 4,1 eenheden naar 109,5 VTE. Bij de berekening van het aantal VTE werd rekening gehouden met loopbaanonderbreking en andere vormen van deeltijds werken. De onderstaande tabellen en de figuren op de volgende bladzijde geven de verdeling van het personeel per dienst en per rang weer. Elke rang wordt aangeduid met een letter en een
cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang binnen het niveau. De hoogste rang krijgt het hoogste cijfer toegewezen. De ambtenaren van niveau A en B zijn toezichthoudende ambtenaren (87 VTE). De ambtenaren van niveau C en D hebben een ondersteunende administratieve functie (22,5 VTE). De cijfers zijn een weergave van de situatie op 31 december 2005.
Aantal personeelsleden A2A Inspectoraat-generaal
A2
1
Hoofdinspectie Buitendienst Antwerpen
1
Buitendienst Limburg Buitendienst Oost-Vlaanderen
1
A1
1
15
1
7
10
1
3
11
12
A2A
A2
C1 1
Buitendienst West-Vlaanderen 2
C2
1
6
1
B1
12
Buitendienst Vlaams-Brabant
Totaal
B2
5 1
1 4
D2
D1
Totaal
1
1
15
1
2
27
3
1
1
4
19 2
21
2
2
15
3
18
1
1
1 9
3
10
118
C1
D2
D1
Totaal
1,0
1,0
14,8
1,0
1,9
23,2
67
3
20
3
A1
B2
B1
C2
Aantal beschikbare VTE
Inspectoraat-generaal
1,0
Hoofdinspectie Buitendienst Antwerpen
11,8
1,0
13,2
1,0
5,1
9,5
1,0
2,5
1,0
10,4
Buitendienst Vlaams-Brabant
6,0
Buitendienst West-Vlaanderen Totaal
1,0
1,0
Buitendienst Limburg Buitendienst Oost-Vlaanderen
1,0
4,7
2,0
63,9
3,4
1,0
1,0
1,0
3,8 1,0
1,0
0,6
3,0
17,1
3,0
7,8
12,0 1,0
1,0
3,0
1,8
3,0
17,4 2,0
20,1
1,8
14,4
2,0
16,6
8,7
109,5
Personeel, vorming en middelen • 19
Verdeling van het MI-personeel per niveau
Evolutie van het aantal VTE bij MI 120
100 Niveau A 59% Niveau B 19% Niveau C 10% Niveau D 11%
80
60
40
20
0 1995
1996
1997
#VTE totaal
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
#VTE toezichthoudend ambtenaar
Vormingsactiviteiten MI-jaarvergadering
Specifieke opleidingen voor MI
Op 17 maart 2005 vond in Gent de vijfde MI-jaarvergadering plaats. Deze jaarvergadering is opgevat als een vormingsactiviteit voor alle personeelsleden van MI, maar daarenboven een ideaal instrument om in een ontspannen sfeer contacten te leggen tussen collega’s, ervaringen uit te wisselen en de groepsgeest te bevorderen. Het provinciebestuur stelde het auditorium De Schelde en de tentoonstellingsruimte van het Provinciaal Administratief Centrum ter beschikking.
Net zoals vorige jaren organiseerde MI ook in 2005 zelf een aantal interne opleidingen voor haar ambtenaren.
Na de traditionele verwelkoming lichtte het afdelingshoofd het programma toe. Dit bestond uit het voorstellen van een interessante case door toezichthoudende ambtenaren van de verschillende buitendiensten, waarbij telkens de opeenvolging van handhavingsacties in een dossier werd overlopen. De buitendienst Oost-Vlaanderen gaf toelichting over de aanpak van de stofhinderproblematiek die veroorzaakt werd door een perlietverwerkend bedrijf in de Gentse haven en het evaluatieverslag dat werd opgesteld naar aanleiding van een proefvergunning voor dit bedrijf. De problemen in verband met afvalwater en grondwater van een diepvriesgroentenbedrijf waren het onderwerp van de case van de buitendienst West-Vlaanderen. De buitendienst Vlaams-Brabant behandelde de salmonellabesmetting bij een gelatinefabrikant. De case van de buitendienst Antwerpen betrof de sluiting van een brandstoffendepot waar vloeibare afvalstoffen frauduleus werden vermengd met brandstoffen. De geurhinderproblematiek op en rondom een stortplaatsencomplex was het onderwerp van de case van de buitendienst Limburg. De verschillende uiteenzettingen werden op een boeiende en leerrijke wijze gebracht. Na het slotwoord van het afdelingshoofd gaf de directeurgeneraal van Aminal uitleg bij zijn beslissing ter bescherming van de integriteit en de veiligheid van de toezichthoudende ambtenaren in verband met het uitvoeren van controles ‘intra muros’ bij bedrijven en op bedrijfsterreinen. De jaarvergadering werd afgesloten met een etentje en een gezellig samenzijn.
20 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
De opleiding ‘stookinstallaties en klimaatbeleid’ werd georganiseerd in het kader van de recente Vlarem-wijzigingen. Basisbegrippen over verbrandingsthermodynamica, het verbrandingsproces, de brandstoffen, de werking en exploitatie van branders en ketels werden toegelicht en verduidelijkt. Daarna volgde een toelichting over de recente Vlarem-wijziging met betrekking tot stookinstallaties. In het gedeelte ‘klimaatbeleid’ werd een toelichting gegeven over het Kyotoprotocol, de Europese richtlijnen in verband met klimaat, de Benchmarkingconvenant, het besluit Energieplannen en het besluit Verhandelbare Emissierechten. De rol en de werking van het Verificatiebureau werd toegelicht en er werd afgerond met praktijkvoorbeelden van energieplannen en -maatregelen. Voor deze opleiding werd beroep gedaan op zowel interne als externe specialisten. De opleiding ‘procesveiligheid’ werd in 2 delen onderverdeeld. Het eerste deel handelde over de ‘unit operations’ in de chemische industrie, aspecten met betrekking tot milieu en veiligheid en de systematiek tot het uitvoeren van veiligheidsstudies. In het tweede deel werd de inleiding tot de procesbeveiliging en de risicoanalyse met voor- en nadelen belicht. Aldus werd basisinformatie verschaft met betrekking tot de nieuwste technieken voor het ontwerpen van procesbeveiligingen. Deze opleiding richtte zich voornamelijk tot de leden van de werkgroepen veiligheid en GPBV en de stafleden, en werd verzorgd door externe specialisten. In het voorjaar organiseerde MI een technische opleiding ‘emissiemetingen’ voor alle toezichthoudende ambtenaren. MI koos er voor om de theoretische toelichting ter plaatse te illustreren met het in de praktijk uitvoeren van een emissiemeting. Een erkend laboratorium stond zowel in voor de toelichting als voor de emissiemeting. Het geheel werd vijf maal herhaald, telkens voor een beperkte groep, bij vijf verschillende afvalverbrandingsinstallaties, verspreid over Vlaanderen.
Een toezichthoudend ambtenaar licht een case toe tijdens de MI-jaarvergadering
MI organiseerde opnieuw enkele technische opleidingen voor de eigen toezichthoudende ambtenaren (foto tijdens de opleiding stookinstallaties)
Ten slotte werd een opleiding ‘veilig inspecteren’ verzorgd. Deze opleiding werd in twee delen onderverdeeld: een theoretische inleiding in de relevante wetgeving (wet op het welzijn, het dynamisch risicobeheersingsysteem) en in de risicoanalyse (algemeen en toegepast op de afdeling), gevolgd door een praktijkgericht gedeelte. Voor deze opleiding werd beroep gedaan op externe specialisten.
Algemene werking - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, gastcollege in het kader van een voortgezette opleiding voor milieucoördinatoren, georganiseerd door SGS Belgium in Antwerpen;
Al deze opleidingen kaderden volledig in de strategische doelstelling ‘permanente vorming’ van MI: doelgerichte bijscholing organiseren voor de medewerkers van MI, zodat de afdeling dé organisatie wordt die instaat voor een doelmatig, deskundig, uniform, integraal en sturend handhavingsbeleid van de milieuhygiënewetgeving.
Individuele vorming De medewerkers van MI maken ook gebruik van het vormingsaanbod van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Vaak is het deelnemen aan een dergelijke opleiding een ontwikkelingsgerichte jaarafspraak voor het personeelslid. Informaticaopleidingen komen daarbij frequent voor, maar ook andere vormingssessies worden gevolgd (PLOEG-opleidingen, opleidingen voor stagiairs, …). Daarnaast namen heel wat personeelsleden deel aan externe studiedagen of symposia, zowel in het binnenland als buiten de grenzen. Het doel daarbij is de evolutie binnen de betrokken milieusector op de voet te volgen en daarna de informatie binnen MI te verspreiden zodat de toezichthoudende ambtenaren er gebruik van kunnen maken bij de uitvoering van hun diverse opdrachten.
Voordrachten door MI MI gaat geregeld in op externe vragen om haar expertise ter beschikking te stellen en informatie te verstrekken. Hierna volgt een overzicht van de voordrachten en lessen die toezichthoudende ambtenaren van MI in 2005 gegeven hebben.
- ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de opleiding voor milieucoördinatoren niveau A, EHSAL Management School, Brussel; - ‘Milieuvergunningsdecreet, Vlarem I en II (Toezicht)’, lezing in het kader van de opleiding van de milieuambtenaren en leden van de Lokale Politie, georganiseerd door het Opleidings- en Vormingsinstituut voor Overheidspersoneel in Berchem; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’ lezing in het kader van de opleiding milieucoördinator type B, georganiseerd door het opleidingscentrum Syntra te Hasselt; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie / Klachtbehandeling’, lezing in het kader van een opleiding georganiseerd door de ACLVB te Gent; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie / Klachtbehandeling’, lezing in het kader van een opleiding georganiseerd door het ACV te Zottegem; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie / Klachtbehandeling’, toelichting tijdens een ontmoetingsmoment tussen bedrijven en bewoners uit de Gentse Kanaalzone georganiseerd door het Projectbureau Gentse Kanaalzone; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’, lezing tijdens het Actualiteitsseminarie (Milieu-inspectie: noodzakelijk kwaad of absolute noodzaak binnen een goed milieubeleid?) ingericht door VOKA - Kamer van Koophandel/Oost-Vlaanderen; - ‘Structuur en werking van de afdeling Milieu-inspectie’ lezing in het kader van de cursus voor milieucoördinatoren, georganiseerd door VOKA Kortrijk; - ‘Het milieubeleid in Vlaanderen’ in het kader van de oplei-
Personeel, vorming en middelen • 21
ding milieucoördinatoren niveau A, ingericht door Lucina te Leuven; - ‘Het milieubeleid in Vlaanderen’ in het kader van de opleiding preventie-adviseurs niveau 1, ingericht door Lucina te Leuven. Specifieke handhavingsexpertise - ‘Geurhinder - Handhaving door de afdeling Milieu-inspectie’, lezing in het kader van de cursus ‘Geurhinder’, georganiseerd door het Technologisch Instituut, Antwerpen; - ‘Wetgeving in het Vlaamse Gewest’ in het kader van de Rondetafel Seveso-bedrijven, ingericht door vzw Arbeid & Milieu te Antwerpen; - ‘Gevaarlijke stoffen: vaststellingen & valkuilen’ in het kader van de permanente vorming van milieucoördinatoren, ingericht door Sertius en Kluwer te Vilvoorde. Internationale deelname - ‘Solvent emissions directive 1999/13/EC: Monitoring of compliance and enforcement by the Flemish Environment Inspection Section’, Workshop on implementation of solvent emissions directive, georganiseerd door de European Solvents VOC co-ordination group in Brussel.
Werkingsmiddelen De toezichthoudende ambtenaren van MI beschikken over heel wat middelen om hun taken efficiënt en effectief uit te voeren. Bij de voorbereiding van een inspectie kan een toezichthoudend ambtenaar gebruik maken van het papieren dossier dat op elke buitendienst aanwezig is. Daarin wordt alle informatie over een bedrijf verzameld. Dit gaat dan ondermeer over vergunningsbesluiten (en eventueel geweigerde vergunningen), verslagen van vroeger uitgevoerde inspecties, analyse- en meetresultaten van reeds uitgevoerde technische controles (bv. monsternames van afvalwater, metingen van luchtemissies, …), opgestelde processen-verbaal, documenten die opgesteld werden in het kader van de administratiefrechtelijke afhandeling van een dossier (raadgevingen, aanmaningen, dwangmaatregelen, …), briefwisseling (met bedrijf, gemeente, parket, klagers, …). De toezichthoudende ambtenaren kunnen bij de voorbereiding van de inspecties ook gebruik maken van diverse andere documenten (door raadpleging van informatie bij andere entiteiten en/of door raadpleging van databanken via internet): integraal milieujaarverslag, milieu-effectrapporten, veiligheidsrapporten, decretale milieu-audits, meldingen van afvoer van afvalstoffen, meetresultaten allerhande, … . Elke dienst beschikt bovendien over een beperkte bibliotheek met publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en boeken die het mogelijk maken om de evolutie in de gebruikte technieken en in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen.
22 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Daarnaast gebruiken de toezichthoudende ambtenaren steeds meer het elektronisch dossieropvolgingssysteem van MI, waarmee op een eenvoudige manier een overzicht kan bekomen worden van de verschillende documenten die bij MI aanwezig zijn over het betrokken bedrijf. Een administratief gedeelte van dit systeem bestaat uit het registreren van binnenkomende post: vergunningen, klachten, vragen van parketten en analyseresultaten van monsternemingen. In uitbreiding hierop worden recent een aantal gegevens bijgehouden over lozingssituaties bij bedrijven, gegevens aangaande productie of verwerking van afval en vergunningssituatie (rubrieken). Daarnaast worden gegevens bijgehouden over de handhavingsactiviteiten van de afdeling: inspecties, processen-verbaal, onderrichtingen en monsternemingen. Een laatste deel omvat algemene informatie rond vergunningsplichtige bedrijven, gemeentes, parketten, laboratoria, ... Op deze manier wordt een beeld gecreëerd van de milieusituatie van een vergunningsplichtig bedrijf. Aan de databank worden verschillende documenten gekoppeld: vergunningsbesluiten en arresten van de Raad van State, inspectieverslagen, processen-verbaal en aanmaningen. In een volgende stap zal ook andere briefwisseling ingescand worden om een stap dichter bij elektronische dossiers te komen. Dit gebeurt reeds sporadisch bij belangrijke dossiers. Analyseresultaten van metingen en bemonsteringen uitgevoerd door toezichthoudende ambtenaren van de afdeling worden via een aparte Excel-toepassing overgemaakt aan de afdeling en rechtstreeks in het systeem geïmporteerd. In de rapporteringsmodules kunnen de routineactiviteiten en de geplande en reactieve activiteiten van de afdeling opgevolgd worden. Op deze manier kunnen zowel de milieu-historiek van een bedrijf geschetst worden , als alle handhavingsactiviteiten van de afdeling in een bepaalde sector of periode. Het systeem wordt ook meer en meer gebruikt om de planning van de handhavingsactiviteiten voor te bereiden. Door een goed overzicht van de activiteiten met een welbepaalde milieuimpact bij de bedrijven, kunnen vooral routinecontroles, maar ook sectorgerichte projecten beter voorbereid en gepland worden. De selectie van bedrijven in bepaalde sectoren gebeurt eenvoudig op basis van de rubrieken uit de vergunningsbesluiten. De planning en tijdsbesteding gebeurt in combinatie met de resultaten van een tijdsregistratie, waardoor een redelijke inschatting kan gemaakt worden van de te verwachten personeelsinzet bij bepaalde projecten of acties. Voor de uitvoering van de inspecties beschikken de toezichthoudende ambtenaren van MI over heel wat materieel en over dienstwagens die speciaal werden uitgerust. In elke dienstwagen is een scheidingswand aangebracht zodat propere en mogelijk gecontamineerde (gebruikt bemonsteringsmaterieel en genomen monsters) items gescheiden kunnen vervoerd worden. Bovendien is elke dienstwagen voorzien van een koelbox, waarmee genomen monsters gekoeld en in het donker kunnen vervoerd worden tussen de plaats van monstername en het
Voor de uitvoering van inspecties beschikken de toezichthoudende ambtenaren over heel wat materieel en over speciaal uitgeruste dienstwagens
MI sluit overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies
laboratorium (mits gebruik te maken van koelelementen, die in een diepvries op elke dienst ter beschikking gehouden worden).
Voor de persoonlijke bescherming tijdens de inspecties beschikken de toezichthoudende ambtenaren over veiligheidssschoenen, veiligheidsbril, helm, oordopjes, stofmaskers, oogspoelvloeistof, ontsmettende gel voor de handen, plastic wegwerphandschoenen, werkhandschoenen en wegwerpoveralls. Ook diverse meettoestellen kunnen worden gebruikt voor de persoonlijke bescherming van de toezichthoudende ambtenaren. Mocht er dan toch iets misgaan, dan kan elke toezichthoudend ambtenaar zijn of haar GSM gebruiken om dadelijk hulp op te roepen.
Onder de noemer ‘algemene werkingskosten’ besteedde MI in 2005 een bedrag van 190.595,81 euro aan het onderhoud, het brandstofverbruik, de herstellingskosten en het leasen van dienstwagens. Daarnaast werd eveneens voorzien in de vervanging van 11 afgeschreven dienstwagens van het wagenpark van MI. In 2005 werden 4 van de 11 nieuwe dienstwagens geleverd. Voor het zelf uitvoeren van metingen op het terrein beschikken de toezichthoudende ambtenaren ondermeer over pH- en temperatuurmeters, geluidsmeters, trillingsmeters, radioactiviteitsmeters, gasdetectiemeters (met inbegrip van het bewaken van de explosieveiligheid) en PAK-markers. MI zorgt voor het onderhoud en desgevallend de ijking van deze toestellen. Om bepaalde situaties vast te leggen (bv. ter illustratie van beschrijvingen in een proces-verbaal) beschikt elke dienstwagen ook over een fototoestel. Voor het uitvoeren van monsternames van water, afval en bodem beschikken de toezichthoudende ambtenaren over heel wat materieel voor: - het verkrijgen van toegang tot plaatsen waar de monsters moeten genomen worden: pince, kleine haken voor riooldeksels, grotere haken met handvat, koevoet, touw, toortslamp, koperen vatensleutel, … - het nemen van de monsters: schepstokken, scheppotten, grondboren (Edelmanboor, gutsboor), handschepjes, spades, steekhevels, bemonsteringsscheppen met steel, stangbediende vloeistoflagenmonsternemers, steekmonstersets, … - het verzamelen van de monsters: emmers, homogenisatieschalen, … - het verdelen van de monsters: meer dan 10 verschillende recipiënten, al dan niet met conserveringsmiddelen, om de genomen monsters te vervoeren in omstandigheden die wijzigingen in de samenstelling van het monster zoveel mogelijk vermijden; - het verpakken en verzegelen van de monsters: plastic zakken, verzegeldraad, plastic zegels, monsternummerkaartjes, verzegeltang, …
Onder de noemer ‘specifieke werkingskosten’ besteedde MI in 2005 een bedrag van 55.677,03 euro voor: - abonnementen op publicaties over de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en de aankoop van boeken die noodzakelijk zijn om de evoluties in de (handhaving van de) milieuhygiënewetgeving te volgen; - abonnementen en gesprekskosten van de GSM-toestellen; - onderhoud en ijking van inspectiematerieel; - veiligheidsuitrusting van de dienstwagens voor de bescherming van de toezichthoudende ambtenaren; - aankoop van beschermkledij voor de toezichthoudende ambtenaren. Daarnaast werd voor 2005 een bedrag van 5.764,63 euro besteed aan de aankoop van duurzaam materieel zoals pHmeters, GSM-toestellen en fototoestellen (ter vervanging van oude en defecte toestellen). Bij de nabehandeling van een inspectie beschikt de toezichthoudend ambtenaar over een kwaliteitshandboek voor het opstellen van inspectieverslagen, administratieve en strafrechtelijke documenten (zoals ook al beschreven in het hoofdstuk ‘Organisatie’). Dit kwaliteitshandboek wordt ondersteund door standaarddocumenten, die deels automatisch worden ingevuld en deels verder moeten worden aangevuld in functie van de specifieke situatie. Alle toezichthoudende ambtenaren beschikken daarvoor over een PC (meestal draagbare PC’s) en een printer.
Personeel, vorming en middelen • 23
Aanwending van de kredieten Laboratoriumkosten Ter ondersteuning van haar sleutelproces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ sluit MI overeenkomsten af met erkende laboratoria voor het meten, bemonsteren en analyseren van allerhande stoffen en emissies. Voor de meting, monstername en analyse van afvalwater, koelwater en oppervlaktewater enerzijds en bodem, afvalstoffen, meststoffen en grondwater anderzijds werden per provincie overeenkomsten afgesloten met erkende laboratoria. Om emissiemetingen uit te voeren op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties werd met twee laboratoria een contract afgesloten. Naast de hierboven vermelde algemene overeenkomsten werden nog enkele overeenkomsten afgesloten voor een aantal specifieke dossiers.
Overzicht van de laboratoriumkosten (bedrag in euro) Afvalwater, koelwater en oppervlaktewater Perceel Antwerpen
141.995,27
Perceel Limburg
149.007,02
Perceel Oost-Vlaanderen
158.198,02
Perceel Vlaams-Brabant
162.918,73
Perceel West-Vlaanderen
203.497,06
Totaal
815.616,25
Bodem, afvalstoffen, meststoffen en grondwater Perceel Antwerpen Perceel Limburg
101.803,00 80.471,00
Perceel Oost-Vlaanderen
106.004,00
Perceel Vlaams-Brabant
80.758,00
Perceel West-Vlaanderen Totaal
92.264,00 461.300,00
Luchtemissiemetingen Ad hoc emissiemetingen lucht perceel I
157.265,16
Ad hoc emissiemetingen lucht perceel II
68.417,95
Emissiemetingen te Gent vóór sanering
16.032,50
Emissiemetingen te Gent na sanering Totaal
6.655,00 248.370,61
Specifieke dossiers Bemonstering en analyse gehalogeneerde koolwaterstoffen Analyse en invetarisatie van broomhoudende vlamvertragers Analyse van een afvalmonster Beproeven koelinstallaties Dioxinen en furanen in afvalwater Totaal Algemeen Totaal
24 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
6.836,50 43.179,58 127,05 40.000,00 3.690,50 93.833,63 1.619.120,49
Specifieke handhavingsstudies In bepaalde omstandigheden is het noodzakelijk bijkomende studies te laten verrichten door gespecialiseerde laboratoria of deskundigen. Zo kunnen bijvoorbeeld niet-courante analyses worden uitgevoerd of kan de milieu-impact van een specifiek bedrijf worden onderzocht. De studies worden uitgevoerd ter advisering en ter voorlichting van MI. Naast de studies die specifiek gericht zijn op één of meerdere bedrijven, werden ook een aantal algemene handhavingstudies uitgevoerd. Laboratorium- en studiekosten worden vastgelegd op één begrotingsartikel namelijk 16111262. Het totale beschikbare vastleggingskrediet voor 2005 bedroeg 2.162.000 euro en werd voor 100% benut. Het ordonnanceringskrediet bedroeg 2.525.000 euro en werd voor 96,92 % uitbetaald.
Overzicht van de specifieke handhavingsstudies (bedrag in euro) Geuronderzoeken Geuronderzoek in Lendelede
48.315,30
Geuronderzoek in Leuven
13.285,80
Geuronderzoek in Beersel
87.277,30
Optimalisatie van geuronderzoeken
77.742,50
Extra metingen te Tielt
22.231,33
Totaal
248.852,23
Veiligheidsonderzoeken Veiligheidsonderzoek te Gent
7.280,00
Veiligheidsonderzoek te Leuven
24.265,34
Totaal
31.545,34
Akoestische onderzoeken Geluidsstudie te Opwijk
5.057,80
Geluidsstudie te Dilbeek
5.057,80
Geluidsstudie te St.-Truiden
5.203,00
Geluidsstudie te Menen
5.977,40
Totaal
21.296,00
Algemene handhavingsstudies Audit van het MI-kwaliteitshandboek
9.619,50
Handleiding geurklachtenbehandeling
49.946,38
VOS-emissies grafische sector
97.418,31
Systematiek voor de controle van de zelfcontrole lucht
61.903,60
PCB-depositiemetingen
22.298,15
Totaal
241.185,94
Algemeen Totaal
542.879,51
Personeel, vorming en middelen • 25
Inspectoraat-generaal en Hoofdinspectie • V.l.n.r.: Paul Cuypers, Peter Schryvers, Geert Keppens, Filip François, Greta De Maesschalck, Koen Mandonx, Inge Delvaux, Ingrid Roels, Tanja Verschaeren, Robert Baert, Daisy Van Calster, Hedwig Stylemans, Paul Bernaert, Hans Delcourt, Martine Blondeel, Louis Daens, Guy Corbeel. Ontbreekt: Chris Van Baelen.
Buitendienst Antwerpen • V.l.n.r.: Christel Gernay, Inge Dils, Lief Mannaerts, Veerle Wiercx, Ludo Segers, Ann Van Deun, Els De Jonghe, Anne Colman, Monique Dirickx, Linda Van Geystelen, Hendrik Meulemans, Jos Moeskops, Michael Allison, Jan Valckx, Wim Vermetten, Hilde Slosse, Ann Devisschere, Ilse Colman, An Swinnen, Diane Haelwaeters, Wilfried Van den Acker. Ontbreken: Anja Van der Auwera, Chris Tackaert, Jo De Baerdemaeker, Wilfried Biesemans.
Buitendienst Limburg • V.l.n.r.: Freddy Noels, Peter Brien, Tom Maes, Filip Moers, Jos Tits, Jan De Paep, Ann Janssens, Rudi Rademaekers, Sybille Vanderhenst, Rachelle Bervoets, Peggy Cloostermans, Josée Vanthienen, Guido Gerits, Leentje Timmerman. Ontbreken: Johan Ballings, Irène Poelmans, Peter Schoups, Kaat Vanmeeren.
Buitendienst Oost-Vlaanderen • Eerste rij v.l.n.r.: Paul Van Gijseghem, Marian Lagrou, Carmen Bauwens, Lieve Joos, Eric Ryckaert. Tweede rij v.l.n.r.: Carine Baert, Els Van Bever, Gert Govaerts, Frank Verslype. Bovenaan v.l.n.r.: Luc Verhaeven, André Goossens, Marc Van Kerckvoorde, Wilfried Van Vaerenbergh, Pieter Van Cauwenberge, Frans Van der Cruyssen, Peter Wesemael, Peter Permanne, Jef Algoet, Myriam Macharis. Ontbreken: Dony Vandormael,Greet De Wandeler.
Buitendienst Vlaams-Brabant • V.l.n.r.: Robert Dupont, Mathy De Preter, Wilfried Nijs, Mia Moens, Jef Feyaerts, Carine Holsbeekx, Marc Vanthienen, Theo Strobbe, Tina Poels, Koen Mandonx, Philippe Verbecq, Christophe Bervoets. Ontbreken: Dirk Crivits, Christiane Reinquin, Liesbet Rommens, Gert Van de Cauter.
Buitendienst West-Vlaanderen • V.l.n.r.: Marc De Vos, Roland Loontiens, Wim Delaere, Marc Sevenant, Guido Gheysen, Karel Vandamme, Joke Lahousse, Henri Trypsteen, Godelieve Martens, Geert Van Landschoot, Godelieve Lust, Georges Van de Walle, Johan Corveleyn, Peter De Neve, Karel Debeuf, Robrecht Pillen. Ontbreken: Danny Deygers, Liliane Glibert.
Personeel, vorming en middelen • 27
Het milieu-inspectieprogramma (MIP) 2005 was het negende jaarprogramma dat MI opstelde. Het planmatig uitvoeren van controles is voor MI een basiskeuze, die invloed heeft op de hele werking en organisatiestructuur van de afdeling. In het MIP wordt het kader geschetst waarbinnen MI opereert en worden de opties en randvoorwaarden van het programma toegelicht. Het hoofdbestanddeel is een bundeling van de controles voor een volledig werkjaar. Het programma omvat alle activiteiten van de afdeling die passen in het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’, verder inspectieactiviteiten genoemd. Op die manier probeert MI haar aanpak af te stemmen op de Europese vereisten inzake de inspectie van risicovolle en sterk milieubelastende bedrijven en wordt invulling gegeven aan de strategische doelstellingen van MI.
Milieuinspectieprogramma 2005 Opstellen van een MIP Waarom een milieu-inspectieprogramma? MI is er al geruime tijd van overtuigd dat handhaving het best op een planmatige wijze kan worden aangepakt. In haar milieuinspectieprogramma probeert MI al haar inspectieactiviteiten in kaart te brengen en te begroten qua budget en personeelsinzet. Daarvoor heeft ze verschillende redenen. De uitdaging waar de Vlaamse handhavers voor staan, is ervoor te zorgen dat het toezicht op de naleving van de milieuwetgeving evolueert van toevalstreffers naar een planmatige handhaving. Uitwerking kan via jaarprogramma’s voor de handhaving, waarin de prioriteiten voor een bepaald werkjaar worden vastgelegd en de handhavingsacties worden gepland. Essentieel is dat alle handhavingsacties worden uitgevoerd op basis van een diepgaand inzicht. Er is ook de algemene Europese trend naar een meer systematische, planmatige en gecoördineerde handhaving. Die trend werd in 2001 bevestigd in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG). In de aanbeveling gaat veel aandacht naar het opstellen van milieu-inspectieprogramma’s door de lidstaten, waaruit moet blijken dat alle milieu-inspectieactiviteiten van tevoren worden gepland. Bovendien zouden dergelijke programma’s openbaar moeten worden gemaakt. De programma’s mogen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau worden opgesteld, maar de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de programma’s toepasselijk zijn op alle milieu-inspecties van de gecontroleerde installaties op hun grondgebied. De milieu-inspectieprogramma’s moeten passen bij de inspectietaken van de instanties in kwestie. Er moet rekening worden gehouden met de aard van de gecontroleerde installaties, de
risico’s en de milieueffecten van emissies en lozingen, en de relevante beschikbare informatie over specifieke locaties of types van gecontroleerde installaties. De meeste van de in de aanbeveling opgesomde richtlijnen inzake milieu-inspectieprogramma’s worden in het MIP toegepast.
Doelstellingen van het MIP De doelstellingen van het MIP bevinden zich op verschillende niveaus. Op het niveau van de organisatie heeft het programma een doelmatige, deskundige, uniforme, integrale en sturende aanpak van de controles tot doel. Een tweede belangrijke doelstelling richt zich op het vlak van de effectiviteit van de controles. Het programma voorziet in diepgaande en zo mogelijk geïntegreerde controles bij klasse 1-inrichtingen die (potentieel) sterk milieubelastend zijn of die ernstige risico’s voor de omgeving inhouden. Bij de selectie van de bedrijven of bedrijfssectoren wordt rekening gehouden met hun milieureputatie en -verleden. De beheersing van het werkvolume en de werkdruk is een derde belangrijke doelstelling voor het opmaken van een jaarprogramma. MI wordt immers geconfronteerd met een groot aantal en een grote diversiteit aan te controleren inrichtingen. Een goed jaarprogramma moet prioriteiten leggen en daardoor helpen om het werkvolume en de werkdruk te beheersen.
Totstandkoming van een MIP Aan de opmaak van een MIP voor een werkjaar wordt het hele jaar dat eraan voorafgaat gewerkt. Bij het opstellen van de begrotingsvoorstellen in het voorjaar wordt een eerste aanzet ge-
Milieu-inspectieprogramma 2005 • 29
De bedrijven of sectoren die geselecteerd worden bij de uitvoering van specifieke handhavingscampagnes, zijn potentieel sterk milieubelastend of risicovol
geven. Het echte werk begint in de zomerperiode. Dan stellen de werkgroepen projecten, acties en handhavingsstudies (specifieke handhavingscampagnes) voor en geven ze aan de hand van een aantal criteria hun voorkeuren aan. In dezelfde periode wordt ook aan een aantal externe handhavingsinstanties (ANRE, APSG, OVAM, VLM, FAVV, VMM, de afdeling Water, VVSG als vertegenwoordiger van de gemeentelijke handhavers) gevraagd om prioriteiten en suggesties te formuleren. Na de zomer bundelen de werkgroepen en de Hoofdinspectie alle interne en externe voorstellen tot een ontwerpdocument. Dat ontwerpdocument wordt besproken op een MI-planningsseminarie waaraan naast de staf en de Hoofdinspectie ook twee toezichthoudende ambtenaren van elke buitendienst deelnemen. Die ruime delegatie op het seminarie vergroot de betrokkenheid van de diverse diensten en personeelsleden van MI bij de opmaak en de uitvoering van het MIP.
milieuhygiënebeleid en de uitvoering ervan, om de milieukwaliteit te behouden en daar waar nodig te verbeteren en zo nodig hinder, schade en zware ongevallen te voorkomen’. Die bestaansreden wordt vertaald in een aantal opdrachten. De belangrijkste daarvan zijn ‘inspecteren’ en ‘maatregelen nemen’, samen het kernproces van de handhaving. Daarom vormen beide de essentie van het MIP.
Inspectieactiviteiten In het MIP 2005 werd geprobeerd om de inspectieactiviteiten van MI te begroten qua middelen en tijd. Die activiteiten zijn echter zeer talrijk, complex en verscheiden. Ze werden gegroepeerd volgens hun aard en oorsprong. De verschillende inspectieactiviteiten worden hieronder gedefinieerd en komen daarna uitgebreider aan bod in de vier volgende hoofdstukken van dit rapport.
Na het planningsseminarie werkt de Hoofdinspectie de voorstellen verder uit en begroot zowel de nodige personeelsinzet als het nodige budget. Het MIP wordt daarna definitief aanvaard door de staf en ter goedkeuring voorgelegd aan de directeur-generaal en de minister.
Specifieke handhavingscampagnes Specifieke handhavingscampagnes zijn inspectieactiviteiten die op een geplande en gecoördineerde manier worden uitgevoerd. De groep werd nog verder onderverdeeld in projecten, acties en handhavingsstudies.
Het MIP 2005 was, net zoals voorgaande programma’s, een zeer ambitieus en maximalistisch ingevuld jaarprogramma dat werd beschouwd als een uitdaging voor de hele afdeling. Voor de uitvoering werden daarom alle diensten en personeelsleden van MI maximaal geresponsabiliseerd.
Projecten zijn eenmalige en vernieuwende initiatieven met een goed afgelijnde inhoud en een duidelijk begin en einde. Bij de projecten spelen de werkgroepen een hoofdrol. Via de aanwezige expertise in de werkgroep en eventueel door externe deskundigen aan te trekken, worden de controles op een hoger niveau gebracht. De bedrijven of sectoren die worden geselecteerd, zijn potentieel sterk milieubelastend of risicovol. Bij een aantal projecten wordt geopteerd voor een aanpak met ankerpunten op de buitendiensten. De ankerpunten bouwen in team de nodige expertise op, voeren de inspecties zelf uit (al dan niet samen met de dossierhouder) en geven de nodige bijstand en terugkoppeling aan de dossierhouders.
Inhoud van het MIP 2005 Zoals u al kon lezen in het eerste hoofdstuk is de bestaansreden van MI ‘het toetsen en bevorderen van de kwaliteit van het
30 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
De grote verscheidenheid en het zeer groot aantal te controleren inrichtingen maken het werkvolume van MI zeer groot
Acties zijn gecoördineerde opdrachten in een bepaalde sector. Een actie wordt gedefinieerd door de werkgroepen en is vooral uitvoerend. Er wordt duidelijk vastgelegd wie een actie coördineert en wie de nodige ondersteuning moet bieden. Ook bij een aantal acties wordt geopteerd voor een aanpak met ankerpunten op de buitendiensten. Handhavingsstudies worden gebruikt als het wenselijk is het handhavingswerk van MI te laten ondersteunen door wetenschappelijk onderzoek. MI onderscheidt de volgende soorten onderzoeken: opdrachten in het kader van projecten of acties (waaronder dossiergebonden opdrachten ter advisering en ter voorlichting van de toezichthoudend ambtenaar) en de meer algemene sectorgebonden onderzoeken. Het MIP 2005 houdt ook rekening met de verdere afhandeling van projecten uit de vorige jaren. Een aantal van die projecten had immers een looptijd van langer dan een jaar of werd om de ene of andere reden niet binnen de geplande termijn afgerond. Bij de specifieke handhavingscampagnes streeft MI naar de aanpak van sectoren met een hoge milieurelevantie, een evenwichtige spreiding van de dossiers over de buitendiensten en een uniforme strategie voor het Vlaamse Gewest. Bij de keuze van de sectoren bieden de Europese richtlijnen (bv. GPBVrichtlijn, Seveso II-richtlijn) een leidraad. MI probeert bovendien de activiteiten in de verschillende milieucompartimenten op elkaar af te stemmen en te laten resulteren in geïntegreerde controles. Routinecontroles Routinecontroles vormen de basis voor de aanwezigheidspolitiek op het terrein en zorgen ervoor dat de kans op controle niet verbonden is aan bijvoorbeeld een campagne of een klacht. De activiteiten worden gecoördineerd door de buitendiensten.
Een aantal routineopdrachten hebben betrekking op één milieucompartiment. De routinemonsternames (afvalstoffen, bodem, grondwater, mest en afvalwater) en routinemetingen (lucht, geluid en trillingen) zijn typische voorbeelden. Andere routineopdrachten hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen. De controle naar aanleiding van een weigeringsbesluit en de controle van bijzondere vergunningsvoorwaarden zijn slechts twee voorbeelden. Het is de toezichthoudend ambtenaar die in samenspraak met het diensthoofd en overeenkomstig de gestelde prioriteiten of andere gemaakte afspraken beslist of een bepaalde controle wordt uitgevoerd. De routineactiviteiten omvatten ook het onderdeel ‘controle op de zelfcontrole’. De milieuregelgeving bevat belangrijke bepalingen inzake zelfcontrole. De aangeleverde gegevens en de wijze en frequentie waarop de zelfcontrole wordt uitgevoerd door de bedrijven, worden door MI geverifieerd. Reactieve controles Reactieve controles worden uitgevoerd naar aanleiding van een beroep dat wordt gedaan op MI. Aangezien dat optreden gekoppeld is aan een externe oproep, is het bijzonder moeilijk om reactieve controles effectief te plannen. Het MIP doet aan de hand van de gegevens van de voorgaande jaren een poging om de tijd in te schatten die nodig is voor het optreden bij de ontvangst van een klacht, een melding van een voorval, een vraag om een evaluatieverslag bij een proefvergunning, een kantschrift van het parket, een parlementaire vraag, een vraag om adviesverlening (een dossier voor investeringsaftrek, de registratie als EMAS-locatie of de vrijstelling van de afvalwaterheffing bij een particuliere waterzuiveringsinstallatie) en voor het hoog toezicht.
Milieu-inspectieprogramma 2005 • 31
De reactie die wordt gegeven op het appel en de termijn waarbinnen wordt gereageerd, worden in belangrijke mate bepaald door de prioriteitenlijst. Voortgangscontrole en eigen initiatief ‘Het werk van een toezichthoudend ambtenaar begint pas als de inspectie is afgelopen.’ Dat is een ietwat boude bewering die meer dan een grond van waarheid bevat. Tijdens een inspectie worden allerhande vaststellingen gedaan, die steeds moeten worden getoetst aan de vigerende regels. De beoordeling van alle informatie en de verdere afhandeling van vastgestelde overtredingen vragen veelal veel meer werk en tijd dan de eigenlijke inspectie ter plaatse. Uit de cijfers van de vorige milieuhandhavingsrapporten kan worden afgeleid dat een inspectie in ongeveer 6% van de gevallen aanleiding geeft tot het opstellen van een proces-verbaal. Tegelijkertijd wordt ook de administratiefrechtelijke afhandeling van een dossier gestart, om zo te komen tot een sanering van de vastgestelde tekortkomingen. Het handhavingsinstrumentarium en de codes van goede praktijk vormen daarbij de leidraad. Aangezien de voortgangscontrole erg dossiergebonden is, is het moeilijk om bij elk van de inspectieactiviteiten een goede inschatting te maken van de nodige tijd. Daarom werd er bij de opmaak van het MIP voor geopteerd om bij de inschatting van de benodigde tijd voor een inspectieactiviteit alleen de volgende deelprocessen te beschouwen: dossiervoorbereiding, verplaatsing en vaststellingen ter plaatse, inspectieverslag en beoordeling vaststellingen, verslaggeving aan het Openbaar Ministerie, geven van een eerste aanmaning en rapportering (intern en extern). De tijd die nodig is voor alle verdere voortgangscontrole werd globaal begroot. Er is eveneens in een deel ‘eigen initiatief’ voorzien, omdat het erg belangrijk is dat het MIP ook tijd reserveert voor de zogenaamde ambtshalve controles op eigen initiatief van de toezichthoudend ambtenaar. De voorbehouden tijd voor voortgangscontrole en eigen initiatief is als een apart item na de inspectieactiviteiten vermeld.
Tijdsbesteding Aangezien al de inspectieactiviteiten werden opgenomen, werd bij de opmaak van het MIP de tijd die nodig is voor de activiteiten zo zorgvuldig mogelijk ingeschat. MI ging daarbij uit van de tijdsregistratie die de hele afdeling in het najaar van 1998 heeft uitgevoerd. Een belangrijke conclusie van die tijdsregistratie was dat een toezichthoudend ambtenaar van een buitendienst gemiddeld zo’n 88% van zijn of haar tijd besteedt aan de directe processen en dat het proces ‘Inspecteren en maatregelen nemen’ veruit het belangrijkste aandeel heeft met 77,5%. Dat laatste proces maakt het onderwerp uit van dit MIP, maar ook een aantal activiteiten van de andere directe processen
32 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
zijn opgenomen in het MIP. Daarom wordt het aantal VTE dat beschikbaar is voor het MIP vastgelegd op 88% van het aantal VTE aan toezichthoudende ambtenaren, verminderd met een aantal dagen die worden besteed aan werkgroepvergaderingen, de voorbereiding en debriefing daarvan, de redactie van het milieuhandhavingsrapport en de voorbereiding van het MIP van het volgende werkjaar.
Plannen en prioriteiten De grote verscheidenheid en vooral het zeer grote aantal van de te controleren inrichtingen maken het werkvolume van MI zeer groot. Het opstellen van een MIP is een manier om het werkvolume en de werkdruk beter te beheersen. De ervaring leert echter dat, hoe nauwgezet een plan ook wordt opgemaakt, het werkvolume en de werkdruk te groot blijven. Er moeten dus prioriteiten worden gesteld en die prioriteiten maken deel uit van het MIP. Bij het opstellen van een prioriteitenlijst worden de activiteiten gerangschikt volgens hun belangrijkheid en dringendheid door ze te toetsen aan verschillende criteria. Al in 1998 heeft MI die toetsing uitgevoerd. Eind 2002 en begin 2006 werd de prioriteitenlijst geactualiseerd. De toetsing heeft geleid tot een prioriteitenlijst waarin de taken en opdrachten worden ingedeeld in de volgende groepen: - hoogste prioriteit: taken en opdrachten die dadelijk moeten worden uitgevoerd; totdat die taak of opdracht is uitgevoerd, worden andere taken en opdrachten uitgesteld; - zeer hoge prioriteit: taken en opdrachten die zeker moeten worden uitgevoerd binnen de vastgestelde termijnen; - hoge prioriteit: taken en opdrachten die moeten worden uitgevoerd; eventueel kunnen ze worden uitgesteld; - niet prioritair: taken en opdrachten die door tijdsgebrek niet altijd kunnen worden uitgevoerd. De uitvoering van specifieke handhavingscampagnes behoort tot de groep met zeer hoge prioriteit. Een gevolg kan zijn dat minder prioritaire taken of opdrachten (bv. sommige reactieve controles of routinecontroles) niet geheel volgens de planning kunnen worden uitgevoerd. Plannen opmaken en prioriteiten stellen heeft ook te maken met de mogelijkheid om in te spelen op de actualiteit. Als er zich crisissen voordoen, er andere incidentele inspecties nodig zijn, of als vernieuwde (politieke) inzichten dringende actie noodzakelijk maken, betekent dat automatisch dat de prioriteiten afgewogen moeten worden en dat andere activiteiten uit het MIP niet kunnen worden uitgevoerd.
Overzicht van het MIP 2004 De tabel op de volgende bladzijde geeft een overzicht van de diverse items die werden opgenomen in het MIP 2005. Meer informatie over de uitvoering vindt u in de volgende vier hoofdstukken.
OVERZICHT VAN HET MIP 2005 Aard
Thema GPBV Veiligheid
Projecten
Geluid Bodem en Grondwater Afval Lucht GGO
Veiligheid
Acties
Geluid
Handhavingscampagnes vorige jaren
Routine
- Permanentiedraaiboek - Verfijning en actualisering inspectie-instrumenten - Wetgeving geluid - Ontwikkelen methodiek voor het vaststellen van bodemverontreiniging - Controle van grondwaterwinningen - Controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen - Inspecties afvalverwerkende bedrijven - Systematiek controle van de zelfcontrole lucht - Controle van het ingeperkt gebruik van GGO’s en/of pathogene organismen - Uitdragen van de handhaving naar de lokale overheden - Controle van RWZI’s - Voedingsbedrijven onder richtlijn 91/271 - Lozing van gevaarlijke stoffen - Seveso II-handhavingsysteem - Veiligheidsonderzoeken - Geluids- en trillingsonderzoeken - Kwaliteitscontrole van akoestische onderzoeken - Controle van grondwaterwinningen bij drankenbedrijven
Afval
- Controles in het kader van de overeenkomst dierlijk afval - Update peilputgegevens stortplaatsen
Lucht
- Controle van de zelfcontrole lucht - Geuronderzoek Beersel - Geuronderzoeken individuele bedrijven - Dioxine-achtige PCB’s bij schrootverwerkers - Multidisciplinaire scanning van (potentieel) sterk milieubelastende bedrijven
Water
- Gebruik en lozing van broomhoudende vlamvertragers
Lucht
- Ontwikkelen methodologieën geuronderzoek
MI Veiligheid
- Kwaliteitshandboek voor monsternames en metingen - Veiligheidsonderzoeken - Beoordelingsinstrument milieurisico’s - Aanvulling E-index met verspreidingsroute lucht
Afval
- Specifieke controles bij grondreinigingsbedrijven
Lucht
- VOS-emissie oplosmiddelen (algemeen) - VOS-emissie grafische sector - Emissiemetingen keramische sector - Geuronderzoek Kortrijk - Geuronderzoek Merksem - Geuronderzoek Ieper - Audit meetapparatuur elektriciteitscentrales
Water
- Camera-inspecties in riolen en leidingen - Routinemonsters afvalwater
Geluid
- Ad hoc geluids- en trillingsmetingen
Afval
- Routinemonsters afvalstoffen, bodem, grondwater en mest
Lucht
- Routine-emissiemetingen lucht - Immissiemetingen lucht
Exploitatie
Reactieve controles
- Geïntegreerde controle van IPPC-bedrijven uit de chemiesector
Bodem en Grondwater
MI Handhavingsstudies
Specifieke handhavingscampagnes
MI Water
Titel
- Weigeringsbesluiten - Bijzondere voorwaarden - Controle van de zelfcontrole - Klachten - Voorvallen - Evaluatieverslag proefvergunning - Evaluatie werkplan - Evaluatie nieuwe inrichting rubriek 2 - Reactieve controles op vraag andere overheden - Rapportering kantschriften - Adviesverlening (PWZI, investeringsaftrek, EMAS, ...) - Parlementaire vragen - Hoog toezicht
VOORTGANGSCONTROLE en eigen initiatief
Milieu-inspectieprogramma 2005 • 33
De specifieke handhavingscampagnes zijn de inspectieactiviteiten die op een geplande en gecoördineerde manier worden uitgevoerd. Die campagnes worden in het MIP onderverdeeld in projecten, acties, handhavingsstudies en verdere afhandeling van de specifieke handhavingscampagnes van de voorbije jaren. Elke werkgroep coördineerde een aantal campagnes en dit hoofdstuk rapporteert over de activiteiten per werkgroep.
Specifieke handhavingscampagnes Werkgroep Water De werkgroep Water bundelt binnen MI de handhavingsexpertise in verband met afvalwater. In 2005 ging de aandacht voornamelijk naar de lozingen van grote voedingsbedrijven, de lozing van gevaarlijke stoffen en de controle van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s).
Voedingsbedrijven onder Richtlijn 91/271/EEG De Europese Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater legt in artikel 13 §1 de volgende verplichting op: “De lidstaten zorgen ervoor dat biologisch afbreekbaar industrieel afvalwater van installaties van de in bijlage III genoemde bedrijfstakken (vnl. voedingsbedrijven en aanverwante sectoren) dat niet via stedelijke afvalwaterzuiveringsinstallaties in ontvangende wateren wordt geloosd, uiterlijk op 31 december 2000 vóór de lozing voldoet aan de voorwaarden die in voorafgaande voorschriften en/of bijzondere vergunningen door de bevoegde autoriteit of instantie zijn vastgesteld, als het lozingen betreft van installaties die ten minste 4.000 i.e. vertegenwoordigen.” Dat artikel werd overgenomen in Vlarem II. Daarom startte MI in 2001 met de inventarisatie van die bedrijven en voerde ze bij de bedrijven in kwestie extra controles uit in het kader van de routinemonsternames. Die controles werden uitgediept en gecoördineerd vanaf 2002: bij 90 bedrijven neemt MI jaarlijks minstens drie afvalwatermonsters om na te gaan of de bedrijven tijdens het volledige jaar aan alle bepalingen voldoen. Zo werd die actie ook in 2005 uitgevoerd gedurende het hele jaar. De spreiding in de tijd zorgde voor een betere controle van de bedrijven met een seizoensgebonden activiteit. Hiertoe behoren heel wat groenteverwerkers. In het kader van die actie werden in 2005 in 90 bedrijven 269 afvalwatermonsters genomen en geanalyseerd.
Bij de evaluatie van de resultaten van de voorbije jaren bleek zich een duidelijk positieve tendens te voltrekken. Op basis van een beperkt aantal resultaten bleek in 2001 dat 64% van de bedrijven in kwestie aan de lozingsnormen voldeed. In 2002 zakte dat percentage tot 57% (misschien ook mede veroorzaakt door de intensievere controle). Het percentage steeg echter tot 78% in 2003 en bleef in 2004 stabiel: 21 bedrijven zijn nog niet volledig in orde. In 2005 steeg het percentage bedrijven dat voldoet aan de normering tot 81 %, dit komt overeen met 17 bedrijven die om diverse redenen nog niet volledig voldeden. De resultaten van de individuele bedrijfscontroles tonen aan dat er in 2005 nog steeds diverse saneringen werden uitgevoerd, zowel door het bouwen van een (bijkomende) waterzuiveringsinstallatie als door het (verder) optimaliseren van de bestaande infrastructuur. Vijf bedrijven moeten de geloosde organische vuilvracht nog verder beperken. De overschrijdingen bij de twaalf andere bedrijven zijn te wijten aan een niet afdoende tertiaire zuivering waarbij ofwel de stikstofverwijdering onvoldoende ruim gedimensioneerd is ofwel de fosforverwijdering nog onvoldoende toegepast wordt. In de aardappelsector zijn drie bedrijven nog ver verwijderd van de fosfornorm omdat pyrofosfaat gedoseerd wordt in de productie. Die bedrijven slagen er voorlopig (nog) niet in om de strenge fosforeisen te halen. Een aardappelverwerkend bedrijf is er ondertussen wel in geslaagd om de fosfornorm te behalen. Sommige problemen bij groenteverwerkers vinden ook hun oorzaak in de seizoensgebonden activiteiten. Dat heeft als gevolg dat de samenstelling van het influent van de waterzuivering sterk kan schommelen. Daardoor ontstaan dan weer diverse moeilijkheden bij het beheer van de afvalwaterzuivering. De vergunningverlenende overheid is ondertussen volop bezig met het herzien van de lozingsnormen van deze groenteverwerkers.
Specifieke handhavingscampagnes • 35
De meeste voedingsbedrijven beschikken over een biologische waterzuivering: 81% van de gecontroleerde bedrijven voldoet aan de lozingsnormen
Overschrijdingen van de lozingsnormen werden geverbaliseerd en de nodige aanmaningen werden verstuurd aan de betrokken exploitanten zodat de noodzakelijke saneringen binnen een redelijke termijn verder worden uitgevoerd.
Lozing van gevaarlijke stoffen Bij de lozing van bedrijfsafvalwater worden de stoffen die behoren tot families of groepen van stoffen, vermeld in lijst I en II van bijlage 2C van Vlarem I (= zwarte en grijze lijst), als gevaarlijke stoffen beschouwd. Die stoffen mogen alleen worden geloosd boven de milieukwaliteitsnorm, als in de milieuvergunning specifieke emissiegrenswaarden zijn vastgelegd. Voor de beoordeling van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozingen van bedrijfsafvalwater hanteert MI al enige jaren een interne richtlijn die onder andere rekening houdt met detectiegrenzen, meetfouten en matrixeffecten. Het doel is een uniforme interpretatie bij de beoordeling van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de lozing van bedrijfsafvalwater. MI oordeelde dat de lozing van gevaarlijke stoffen bij een ruime selectie van bedrijven verder actief moest worden onderzocht. In 2005 ging de aandacht van MI naar broomhoudende vlamvertragers, polyaromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en dioxines en furanen bij huisvuilverbrandingsinstallaties. Broomhoudende vlamvertragers Gebromeerde vlamvertragers zijn stoffen die tijdens het productieproces worden toegevoegd aan allerlei producten, zoals elektrisch en elektronisch materiaal, bouwmaterialen en textielwaren, met als doel de ontvlambaarheid van die producten te verminderen. Deze stoffen zijn persistent en kunnen bioaccumuleerbaar zijn. Er zijn ook hormoonverstorende effecten bekend. Bij verbranding kunnen gebromeerde dioxinen en furanen vrijkomen. In de lijst van bijlage 2C van Vlarem I worden die producten gecatalogeerd als persistente, bioaccumuleerbare organische halogeenverbindingen (zwarte lijst stoffen). In eerste instantie heeft VITO de meetmethode voor de bepaling van die stoffen in afvalwater verder uitgewerkt. Daarna liet MI verschillende afvalwaters van textielbedrijven,
36 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
producenten van plastic en afvalwaterverwerkers bemonsteren en analyseren op polybroomdifenylethers (PBDE), hexabroomcyclododecaan (HBCD) en tetrabromobisphenol A (TBBA). De monsternames werden uitgevoerd tijdens twee campagnes en telkens werd vastgesteld dat diverse bedrijven één of meer van de betrokken stoffen loosden in concentraties hoger dan 10 microgram per liter afvalwater: zes van de negenentwintig bemonsterde bedrijven tijdens de eerste campagne en acht op dertig tijdens de tweede campagne. De hoogste concentraties waren 363 µg/l voor deca-BDE en 480 µg/l voor HBCD. MI maande die bedrijven aan om nog meer gegevens te verzamelen en om de lozing van die stoffen te beëindigen. In de milieuvergunning van één textielbedrijf werd de lozing van die stoffen al verboden. Een ander bedrijf meldde reeds dat er zal overgeschakeld worden op broomvrije brandvertragers.
Overzicht deca-BDE-resultaten Concentratie in µg/l
Aantal resultaten
<1
39
1 - 10
6
10 - 100
10
> 100
4
Overzicht HBCD-resultaten Concentratie in µg/l
Aantal resultaten
<1
51
1 - 10
3
10 - 100
2
> 100
3
Er werden ook verkennende metingen gedaan op de lozing van antimoon omdat deze stof soms samen met andere brandvertragers gebruikt wordt. De resultaten bewijzen trouwens een sterke correlatie tussen de aanwezigheid van antimoon en de aanwezigheid van broomhoudende vlamvertragers in het afvalwater van een bedrijf. Een overzicht van de resultaten is hieronder gegeven. De hoogste gemeten concentratie was 21.500 µg/l antimoon!
MI controleert elk jaar de lozing van gevaarlijke stoffen bij een ruime selectie van bedrijven: in 2005 ging de aandacht naar broomhoudende vlamvertragers, PAK’s en dioxinen en furanen.
VITO stelde de bepaling van broomhoudende vlamvertragers in afvalwater op punt en analyseerde de MI-monsters
Overzicht van de meest gedetecteerde stoffen
Overzicht antimoon-resultaten Concentratie in µg/l
Aantal resultaten
Max. concentratie (μg/l)
Aantal res. > 1 μg/l
< 20
16
naftaleen
167
31
20 - 100
8
fenatreen
45
23
100 - 1000
11
pyreen
24
12
> 1000
6
fluorantheen
24
8
Naast de diverse monsternames en analyses liet MI ook een onderzoek uitvoeren naar het gebruik van de verschillende soorten vlamvertragers in Vlaanderen. Naast een literatuur- en marktonderzoek werden er daarvoor ook zo’n 500 bedrijven bevraagd naar het gebruik van brandvertragers. De resultaten van dit onderzoek zullen in 2006 gebruikt worden voor het selecteren van te controleren bedrijven en het daarbij gericht zoeken naar welbepaalde verbindingen in hun afvalwater. Polyaromatische koolwaterstoffen (PAK’s) PAK’s zijn organische verbindingen die bestaan uit meerdere benzeenkernen. Ze worden gevormd bij onvolledige verbranding van hout, olieproducten en bij natuurlijke verbrandingsprocessen. Ze kunnen ook voorkomen in complexe kleurstoffen. Ze adsorberen gemakkelijk aan zwevende stoffen of in de bodem. Ze hebben de neiging tot bioaccumulatie in menselijk of dierlijk weefsel. Enkele PAK’s zijn in de Europese richtlijn betreffende de verontreiniging van het aquatisch milieu door gevaarlijke stoffen (76/464/EEG) opgenomen in de lijst van de potentiële zwarte lijst stoffen wegens hun toxiciteit en hun moeilijke biologische afbreekbaarheid. MI liet in 2005 386 analyses van PAK’s uitvoeren bij 184 bedrijven. Voor de som van de concentraties van de 16 verschillende PAK’s werd 61 keer een waarde van meer dan 1 µg/l gerapporteerd en 71 keer een waarde tussen 0,25 en 1 µg/l. Alle betrokken bedrijven werden aangemaand om de lozing van PAK’s te onderzoeken en te stoppen. Indien dit niet mogelijk is, moet de lozing van PAK opgenomen worden in de milieuvergunning. De voortgangscontrole van de gegeven aanmaningen zal gebeuren in 2006. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de stoffen die het meest werden gedetecteerd. Alle andere PAK’s werden ook gedetecteerd, maar steeds in beduidend lagere concentraties.
Dioxinen en furanen Bij de omzetting van de Europese richtlijn ‘afvalverbranding’ kwamen er in Vlarem II diverse nieuwe bepalingen over de lozing van afvalwater van de rookgasreiniging van afvalverbrandingsinstallaties. Die bepalingen worden voor bestaande installaties eind 2005 van kracht. Een belangrijke nieuwe bepaling handelt over de lozing van dioxinen en furanen. MI startte in 2005 al met de controle van die bepaling bij huisvuilverbrandingsinstallaties en afvalverwerkende bedrijven. Bij deze installaties (5) liet MI ook al een monster van de lozing analyseren op dioxinen en furanen. De gevonden concentraties lagen ver beneden de nieuwe normwaarde van 0,3 ng TEQ/l. MI zal in 2006 verdere controles op de lozing van dioxinen en furanen uitvoeren.
Controle van RWZI’s MI ging voor de controle van RWZI’s in 2005 verder op het ondertussen gekende elan en onderscheidde daarbij opnieuw twee gebieden: enerzijds was er de verdere (jaarlijkse) voortgangscontrole van de naleving van de emissievoorwaarden, en anderzijds werd er aandacht besteed aan de aanvoer en de aanvaarding van afvalstoffen, vnl. septisch materiaal. Naleving van de emissievoorwaarden MI controleert de naleving van de emissievoorwaarden bij RWZI’s op basis van de zelfcontrole (zoals voorgeschreven door Vlarem II). De aanmaningen van de voorbije jaren resulteerden in een volledige uitvoering van het verplichte zelfcontroleprogramma: de juiste parameters werden met de juiste frequentie bepaald, op basis van debietsproportionele monsternames. Ook de resultaten van het zelfcontroleprogramma werden geëvalueerd. Daarbij werden de al bekende problemen met de
Specifieke handhavingscampagnes • 37
MI controleert de naleving van de emissievoorwaarden van RWZI’s op basis van de zelfcontrole (zoals voorgeschreven door Vlarem II)
Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de Europese richtlijn naar de Belgische situatie met gedeelde bevoegdheden voor de federale staat
Werkgroep Veiligheid stikstofverwijdering bij oudere en te renoveren installaties bevestigd. Het aantal installaties met blijvende problemen lijkt echter steeds te dalen: op basis van de zelfcontrole van het jaar 2004 bleken nog negen installaties niet te voldoen. Daarnaast stelde MI incidentele en in de tijd beperkte overschrijdingen vast bij zes RWZI’s.
Het grootste deel van de activiteiten in 2005 van de werkgroep Veiligheid stond in het teken van de preventie van zware ongevallen. Daarnaast was er, in het kader van een veiligheidsonderzoek, ook aandacht voor stofexplosierisico’s.
De doelstelling van MI is om alle installaties zo snel mogelijk alle normen te laten naleven, ook de installaties die momenteel nog worden gerenoveerd. MI probeert de renovatie van die installaties te bespoedigen.
Op 26 juni 2001 werd het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de federale staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn (verder kortweg Samenwerkingsakkoord) van kracht. Daarmee werd in belangrijke mate de omzetting van de zogenaamde Seveso II-richtlijn gerealiseerd.
Aanvoer en aanvaarding van afvalstoffen De voortgangscontrole door MI van de aanvoer en aanvaarding van afvalstoffen, waaronder septisch materiaal, op RWZI’s resulteerde in een duidelijke en eenvormige procedure voor de aanvaarding van afvalstoffen: alle RWZI’s gebruiken momenteel dezelfde procedure en die procedure wordt niet alleen voor septisch materiaal maar ook voor alle andere afvalstoffen toegepast. Die procedure werd in de werkplannen van de RWZI’s opgenomen. MI controleerde de effectieve implementatie van de procedures in het werkplan en had daarbij vooral aandacht voor de verplichte visuele controle bij de aanvaarding van afvalstoffen. Die visuele controle is een belangrijk element bij het detecteren van verdachte ladingen. MI maakte in het verleden ook afspraken rond de voortgangscontrole van geweigerde ladingen septisch materiaal. Die afspraken werden in 2005 verder gevolgd: bij de weigering door de bevoegde afgevaardigde van Aquafin wordt ook MI dadelijk op de hoogte gesteld. MI probeert dan zo snel mogelijk een controle bij de ruimer uit te voeren om enerzijds de oorsprong van de lading en anderzijds de bestemming van de geweigerde lading na te gaan. Die controles zullen onverminderd worden voortgezet.
38 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Uitvoering van het Samenwerkingsakkoord
Het doel van die richtlijn is de realisatie van een hoog beschermingsniveau voor mens en milieu. Omdat volgens de Europese Unie verschillen in de regelingen voor inspecties door de bevoegde autoriteiten tot verschillende beschermingsniveaus kunnen leiden, stelt de richtlijn ook hoge eisen aan de inspectie door de overheid. Het Samenwerkingsakkoord vertaalt de vereisten van de richtlijn naar de Belgische situatie met gedeelde bevoegdheden voor de federale staat (welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk) en de gewesten (bescherming van omgeving, mens én milieu). Per gewest werd een inspectieteam opgericht met alle betrokken inspectiediensten, op basis van gelijkwaardigheid en met behoud van alle bevoegdheden. Op die manier zijn er per gewest twee inspectiediensten bevoegd voor een bepaalde inrichting: de gewestelijke milieu-inspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst die bevoegd is voor de bescherming van de werknemers. De belangrijkste taak van het inspectieteam is de uitbouw van een inspectiesysteem dat voldoet aan de in het Samenwerkingsakkoord gestelde eisen: een inspectieprogramma voor álle Seveso II-inrichtingen, een rapport van elke inspectie en terugkoppeling naar de bedrijfsleiding. De inspectieteams hebben ook taken inzake ongevallenonderzoek, de rapportering
Bijzondere aandacht gaat uit naar de installaties met het grootste risico, de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en de verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding
Seveso II-inspectieprogramma daarvan aan de Europese Commissie en het opleggen van een exploitatieverbod volgens bestaande regelgeving als blijkt dat de exploitant duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen voor mens en milieu te beperken. Twee reeksen van drempelwaarden voor tien categorieën van gevaarlijke stoffen en voor een aantal benoemde stoffen bakenen het toepassingsgebied van het Samenwerkingsakkoord af. Daardoor ontstaan drie groepen van bedrijven: - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden beneden de eerste drempel, de zogenaamde drempel 0-inrichtingen: deze bedrijven vallen niet onder het toepassingsgebied; - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden tussen de eerste en de tweede drempel, de zogenaamde drempel 1-inrichtingen of lagedrempelinrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal verplichtingen, zoals kennisgeving, algemene zorg- en aantoonplicht en preventiebeleid zware ongevallen; - inrichtingen met gevaarlijke stoffen in hoeveelheden boven de tweede drempel, de zogenaamde drempel 2-inrichtingen of hogedrempelinrichtingen: deze bedrijven vallen onder het toepassingsgebied met een aantal extra voorschriften, zoals veiligheidsrapport, veiligheidsbeheersysteem en interne noodplanning. Door de hoge industrialisatiegraad telt Vlaanderen een groot aantal Seveso-bedrijven. Bovendien is dat aantal variabel, bijvoorbeeld door wijzigingen van bedrijfsstructuren of van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Daarom blijft verdere inventarisatie van de Seveso-bedrijven en de bepaling van de Sevesostatus belangrijk. Daarbij moet grote aandacht worden besteed aan ecotoxische producten, aangezien steeds meer bestaande producten worden ingedeeld als ecotoxisch (bv. biociden). De eind 2003 goedgekeurde wijziging van de Seveso II-richtlijn, die zijn implementatie zal krijgen in een wijziging van het Samenwerkingsakkoord (gepland voor 2006 of 2007), zal bovendien de drempels voor de ecotoxische stoffen verlagen. Daardoor wordt een belangrijke toename van het aantal Seveso-bedrijven verwacht.
De Seveso-inspecties moeten volgens het Samenwerkingsakkoord een planmatig en systematisch onderzoek van de technische, organisatorische en bedrijfskundige systemen mogelijk maken. Planmatig betekent dat de inspecties weloverwogen moeten worden gepland in de tijd. De eis in verband met de planmatigheid van de inspecties wordt in het Samenwerkingsakkoord geëxpliciteerd doordat een inspectieprogramma wordt opgelegd als voorwaarde van het inspectiesysteem. Systematisch houdt in dat geschikte inspectiemethodes worden toegepast om na te gaan of de exploitant de risico’s eigen aan de inrichting voldoende beheerst. Sinds 2004 ontwikkelen, verfijnen en actualiseren de Seveso-inspectiediensten inspectie‑instrumenten in onderling overleg. De veiligheidsaspecten voor de omgeving en eventuele specifieke gewestelijke verplichtingen worden nu consequent opgenomen in de instrumenten. Opmaak van het inspectieprogramma Jaarlijks wordt in onderling overleg door de Seveso-inspecteurs van beide bevoegde inspectiediensten een ontwerpinspectieprogramma opgesteld voor het volgende werkjaar. Dit programma wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de staf van MI, die het programma finaliseert. Daarbij worden de aard van de inspecties (inspectietype) en de inspectiedienst die belast is met de inspecties vastgelegd. Zowel gezamenlijke inspecties als controles door één inspectiedienst zijn mogelijk. Bij het vastleggen van het inspectieprogramma per bedrijf wordt rekening gehouden met de beschikbare gegevens: vergunningen, kennisgevingen, veiligheidsrapporten, gegevens uit eerdere inspecties, milieu- en veiligheidstechnische voorgeschiedenis, belangrijke wijzigingen, voorvallen in eigen bedrijf of in vergelijkbare bedrijven. Er wordt over gewaakt dat de verschillende bedrijfsinterne systemen aan bod komen (technisch, organisatorisch, beheer). Bijzondere aandacht gaat uit naar de installaties met het grootste risico, de systemen die ontoereikend of onvoldoende performant zijn en de verantwoordelijkheidszin van de bedrijfsleiding.
Specifieke handhavingscampagnes • 39
Een belangrijk kenmerk van het inspectieprogramma is het dynamische karakter ervan: als de actualiteit dat vereist (wijzigingen, voorvallen, nieuwe inzichten …) wordt het programma aangepast. Uitvoering van het inspectieprogramma Voor de voorbereiding en uitvoering van de geprogrammeerde (gezamenlijke) inspecties maken de betrokken inspecteurs de nodige concrete afspraken. Ook de MI-dossierhouders worden uitgenodigd voor de inspecties. In 2005 voerde het zevenkoppige Seveso-team van MI 219 inspecties in 184 bedrijven uit, het merendeel daarvan samen met de collega’s van de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s. Meer concreet betekenen die cijfers dat MI in 2005 bij 54% van de bekende lagedrempelinrichtingen en bij 79% van de bekende hogedrempelinrichtingen een deelaspect van de veiligheidsproblematiek onderzocht. Bij het aantal inspecties moeten een aantal kanttekeningen worden geplaatst. Eén inspectie kan bestaan uit verschillende inspectietypes. Zo kan bijvoorbeeld een onderzoek van een specifiek risico worden gecombineerd met de voortgangscontrole van de actieplannen naar aanleiding van eerdere controles. Eén inspectie kan eveneens gespreid zijn over verschillende dagen. Inspectietypes als ‘controle van organisatorische systemen’ en ‘veiligheidsonderzoek’ omvatten een dusdanig diepgaand onderzoek dat er heel wat tijd voor vereist is. Controles door het Seveso-team Aantal gecontroleerde drempel 2-inrichtingen
88
Aantal gecontroleerde drempel 1-inrichtingen
77
Aantal gecontroleerde drempel 0-inrichtingen
Als principe geldt dat er na elke inspectie vanwege de inspectiediensten een handhavingsbrief vertrekt naar het bedrijf. Voor MI kan het daarbij gaan om raadgevingen en aanmaningen, dit op basis van het Samenwerkingsakkoord maar vooral op basis van het Milieuvergunningsdecreet. De voortgangscontrole gebeurt in functie van de wetgeving waarin werd opgetreden. In 2005 stelde MI naar aanleiding van de inspecties achttien processen-verbaal op: zeventien in het kader van het Milieuvergunningsdecreet en één in het kader van het Samenwerkingsakkoord. De aard van de tekortkomingen was zeer divers: geen vergunning, overschrijding van vergunde hoeveelheden (6), niet naleven van bijzondere voorwaarden i.v.m. veiligheid (3), onvolkomen periodieke onderzoeken van tanks (5) en elektrische installaties (3). Drie processen-verbaal werden opgesteld bij het opleggen van een dwangmaatregel of bij het voorstellen van een administratieve sanctie. In 2004 leidde in één geval het voortduren van de overtredingen tot een dwangmaatregel: de stopzetting van de aanvoer van bepaalde gevaarlijke stoffen. In 2005 bevestigde de minister de dwangmaatregel en stelde MI vast dat het bedrijf de maatregel naleefde tot het de nodige milieuvergunning kreeg. De verdeling van de inspecties over de verschillende inspectietypes wordt in bijgaande grafiek weergegeven. Duiding bij de afbakening van de inspectietypes vindt u in de bijbehorende tabel. De meest opvallende vaststelling is het zeer grote aantal voortgangscontroles. Bij 106 inspecties in 94 bedrijven was de voortgangscontrole van de openstaande actiepunten een belangrijk thema. Die constatering illustreert treffend het belang dat MI hecht aan voortgangscontrole.
19
Totaal aantal gecontroleerde inrichtingen
184
Aantal uitgevoerde inspecties
219
Ook het vermelden waard is de evenwichtige spreiding over de controle van de verschillende bedrijfsinterne systemen in verband met de technische en organisatorische aspecten en de onderzoeken van specifieke risico’s. De aandacht voor de verdere inventarisatie van Seveso-bedrijven blijkt eveneens uit de grafiek.
Seveso-inspecties in 2005 Controle Sevesostatus
Initiële controle
Controle technische maatregelen
Controle organisatorische systemen
Verificatie VR
Onderzoek specifieke risico's
Veiligheidsonderzoek
Ongevalsonderzoek
Voortgangscontrole
0
10 Drempel 0
Drempel 1
20 Drempel 2
40 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
30
40
50
Inspectietype
Omschrijving
Controle van de Seveso-status
- nagaan of bedrijf onder toepassingsgebied valt - afstemming vergunningstoestand op reële toestand
Initiële controle
- - - -
Controle van technische maatregelen Controle van organisatorische systemen en van het beheersysteem
- evaluatie van de bedrijfsinterne systemen - toetsing aan vereisten (wettelijk, ervaringsgegevens, bedrijfsspecifiek)
Verificatie veiligheidsrapport (VR)
- controle van de getrouwheid van de informatie in het VR
Onderzoek van specifieke risico’s
- diepteonderzoek van een of meer systemen
Veiligheidsonderzoek
- opdracht aan VR-deskundige: beoordeling van de getroffen en de nodige maatregelen voor omschreven problematiek
Ongevalsonderzoek
- systematische oorzaken- en gevolgenanalyse - bepaling van aanvullende maatregelen (herstel, voorkoming herhaling)
Voortgangscontrole
- toetsing naleving gegeven onderrichtingen
toelichting bij het Samenwerkingsakkoord eventueel controle van de Seveso-status controle belangrijkste voorwaarden i.v.m. omgevingsveiligheid controle stand preventiebeleid en veiligheidsrapport
Blikvangers voor 2005 waren de twee ongevallen die werden gemeld aan de Europese Commissie. Over het ongeval in het tankenpark op de linkeroever van de Schelde kan u meer lezen in het hoofdstuk ‘Reactieve controles’. Bij het andere ongeval kwam tijdens het laden van een lichter ongeveer 150 ton diesel terecht in een dok in de Antwerpse haven. De oorzaken waren een menselijke fout en de afwezigheid van een overvulbeveiliging op de tanks van het schip. Beide ongevallen tonen aan dat zelfs eenvoudige activiteiten zoals op- en overslag van (milieu)gevaarlijke producten een belangrijk schadepotentieel voor de omgeving (mens én milieu) inhouden en dat de nodige maatregelen niet alleen getroffen, maar ook instandgehouden moeten worden. Daarnaast wordt het belang van een goed functionerend noodplan nog maar eens onderstreept.
In twee opeenvolgende studies werd de milieufactor EF bepaald voor emissies naar oppervlaktewater, RWZI, grondwater en lucht. In EF worden de gevareneigenschappen van de stof voor het milieu en de intrinsieke kwetsbaarheidskenmerken van de receptoren verrekend.
Studies over milieugevaren en –risico’s Het Samenwerkingsakkoord staat een geïntegreerde aanpak voor: de preventie van zware ongevallen en de beperking van de gevolgen ervan voor mens én milieu. Tot op vandaag ontbreekt het echter aan technieken voor de opsporing en beoordeling van milieugevaren en –risico’s. De schade aan het milieu is heel moeilijk in kaart te brengen. De belangrijkste knelpunten zijn de grote variabiliteit aan milieugevaren, de grote variabiliteit aan installatietypen en de invloed van de kwetsbaarheid van de omgeving op de mogelijke schade. MI startte in de voorbije jaren een aantal studies om de leemten op te vullen.
Daarna ontwikkelde het een model voor het onderzoek van milieurisico’s en een beoordelingsinstrument. Het voorgestelde instrument is gebaseerd op een risicograaf. Aan de hand van de parameters C (ernst potentiële schade), F (blootstellingsfrequentie), D (mogelijkheid tot tijdige afwending blootstelling) en P (kans van optreden van het vrijzettingsscenario) kan het vereiste beveiligingsniveau voor de maatregelen worden afgelezen.
In het milieuhandhavingsrapport van 2003 werd melding gemaakt van de gevarenindexeringsmethodiek voor de bepaling van de basisinspectiefrequentie en de uitbreiding ervan met een E-index, zodat de inspectiefrequentie ook gestuurd zal worden door het milieugevaar.
E = EF x (1 + GPHtot + SPHtot) Waarbij: EF = milieufactor GPHtot = algemene procesgevarenfactor SPHtot = bijzondere procesgevarenfactor
De ontwikkeling van een beoordelingskader, waarmee milieurisico’s kunnen worden opgespoord en onderzocht, en waarmee kan worden beoordeeld of de nodige en voldoende preventieve en mitigerende maatregelen werden getroffen voor de beheersing van de milieurisico’s, was de opdracht van een andere studie. Een studiebureau inventariseerde en onderzocht de relevante informatie: ongevallencasuïstiek, modellen en technieken voor milieurisicostudies, inspectiemethodieken.
Veiligheidsonderzoeken In 2005 voerde MI veiligheidsonderzoeken bij twee Sevesobedrijven. Aangezien de te onderzoeken materie een zeer doorgedreven kennis vereiste, gaf MI aan erkende VR-deskundigen de opdracht om een onderzoek te voeren ter advisering en ter voorlichting van MI. Omdat bij de opstart van een gewijzigde en uitgebreide productie-installatie van een Antwerps petrochemisch bedrijf problemen optraden met herhaaldelijke uitval van de installatie en hevige fakkelwerking tot gevolg, ging MI in een veiligheidsonderzoek na of de exploitant tijdens de verschillende fases van het wijzigings- en uitbreidingsproject voldoende zorg had gedragen voor de systematische identificatie, evaluatie en beheersing van de risico’s voor de omgeving. De deskundigen
Specifieke handhavingscampagnes • 41
MI liet een veiligheidsonderzoek uitvoeren bij een petrochemisch bedrijf waarbij de installaties herhaaldelijk uitvielen met hevige fakkelwerking tot gevolg
De stofhuishouding bij één van de onderzochte bedrijven was duidelijk voor verbetering vatbaar
Werkgroep Geluid en Trillingen kwamen tot de conclusie dat de toegepaste projectsystematiek in overeenstemming was met de toenmalig algemeen gehanteerde systematiek. Er konden echter geen bewijzen worden gevonden dat maatregelen werden getroffen op basis van een gedocumenteerde systematische risico-identificatie. De verhoogde fakkelwerking was voornamelijk te wijten aan de onbetrouwbaarheid van de installatie. Bij een vulcentrum voor propaan en butaan in de Gentse haven stelde MI vast dat geregeld een hoge mobiele kraan op de openbare weg rond het bedrijf rijdt. Door de hoogte van de kraan en de ligging van de installaties moest de kraan worden beschouwd als externe gevarenbron voor het bedrijf. In een veiligheidsonderzoek ging MI na of er door de externe gevarenbronnen een verhoogde kans op een zwaar ongeval was bij het bedrijf. De deskundige kwam tot de conclusie dat de mobiele kraan inderdaad een gevarenbron is en dat bij impact van de kraan op de installaties er mogelijk slachtoffers kunnen vallen onder het personeel van het bedrijf, de begeleiders van de mobiele kraan en andere personen in de buurt. Het risico kan worden gereduceerd door het uitzetten van alternatieve routes voor mobiele havenkranen binnen de haven van Gent. MI zal op basis van de conclusies van de rapporten van de deskundigen de nodige maatregelen opleggen aan de bedrijven.
Stofexplosierisico’s Omdat er sterke aanwijzingen waren dat de stofexplosierisico’s bij een veevoederbedrijf en een bedrijf voor de opslag en (fysische) behandeling van granen onvoldoende werden beheerst, onderzocht een erkend deskundige in opdracht van MI de bedrijfsinstallaties, de bedrijfsvoering en de getroffen preventieve en gevolgbeperkende maatregelen. Begin 2006 deed MI, op basis van de resultaten van het onderzoek door de deskundige, een voorstel tot schorsing van de vergunning voor het ene bedrijf en opheffing van de vergunning voor het andere.
42 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
De werkgroep Geluid en Trillingen hield zich in 2005 bezig met het finaliseren van een voorstel tot aanpassing van de wetgeving ‘geluid’ in Vlarem II, het behandelen van geluids- en trillingsklachten en het uitvoeren van kwaliteitscontroles van akoestische onderzoeken die uitgevoerd werden door erkende deskundigen.
Behandeling van geluids- en trillingsklachten Gedurende het grootste gedeelte van haar tijd behandelt de werkgroep klachten omtrent geluids- en trillingshinder. Daarbij zijn er klachten die telkens opnieuw opduiken en soms jaren aanslepen. Het betreft dan inrichtingen waarvan het specifieke geluid varieert, zowel op korte als op lange termijn. De werkgroep is tot de conclusie gekomen dat alleen langdurende metingen hier een oplossing bieden. De case hieronder illustreert deze manier van optreden. MI deed bij twee bedrijven in Vlaams-Brabant een langlopend onderzoek om mogelijke geluidshinder vast te stellen. Gevolg gevend aan steeds weerkerende klachten over hinder voor de omwonenden werden vooraf verscheidene kortere controles en metingen uitgevoerd. Het hinderende geluid deed zich echter niet constant voor en een effectieve vaststelling zou eerder een toevalstreffer zijn. Bovendien beïnvloedde een sterk wisselend omgevingsgeluid de metingen zodat MI genoodzaakt was om over te gaan naar langdurende registratie, waaruit na analyse het specifieke geluid van de inrichting kon worden bepaald. Omwille van technische en praktische redenen werd de handhavingsstudie toevertrouwd aan een externe deskundige erkend in de discipline geluid en trillingen. Bij het uitvoeren van deze studie werd rond beide bedrijven gedurende zes weken continu het geluid gemeten. Bij de analyse van de meetresultaten bij het eerste bedrijf kon de verhoogde geluidsemissie van de schoorsteen als de storende factor geïdentificeerd worden. Uit de spectrale inhoud van het geregistreerde geluid blijkt dat vooral de laagfrequente componenten (tussen 40 en 63 Hz) de oorzaak zijn van de ervaren hinder. De vaststelling dat er wel degelijk hinder is en dat toch de Vlarem-normen niet overschreden zijn, is vooral te wijten aan het feit dat de Vlarem-normen in dB(A) zijn
Geluidsmeting bij het tweede bedrijf 60
55
geluidsniveau dB(A)
50
45
40
35
30 0
10
20
30
40
50
tijd (min)
MI deed een voorstel tot aanpassing van de wetgeving geluid (foto: textielbedrijven zijn een mogelijke bron van geluids- en trillingshinder)
uitgedrukt. Deze weging zou het menselijke gehoor het best benaderen, maar dit gaat niet op voor laagfrequent geluid. Vandaar dat MI dit aspect door metingen binnen de woningen nader zal onderzoeken. Bij het andere bedrijf toonden de grafische analyse en de geluidsopnamen een repeterend hoogfrequent impulsachtig geluid aan. Dit piepende geluid werd als hinderlijk ervaren, ook al voldoet het niveau aan de normen. Het piepende geluid is mogelijk niet specifiek aan een productieproces verbonden en MI zal verder onderzoeken of de exploitant steeds de nodige maatregelen neemt om hinder te voorkomen en of er daarbij al dan niet de beste beschikbare technieken toegepast worden. De metingen bij het tweede bedrijf illustreren ook dat de beoordeling van het geluid van een inrichting soms zeer ingewikkeld is. Bijgaande figuur toont het geluidsniveau van het omgevingsgeluid. Vermits het residueel geluid verwaarloosbaar is, zijn de niveaus die van het bedrijf zelf. Er blijken bij dit bedrijf maar liefst drie toetsingen nodig te zijn: - het geluid van de inrichting is stabiel met korte verhogingen tot ongeveer 43 dB(A).Vermits hinder moet beoordeeld worden als er hinder is, bedraagt de relevante waarde hier ook 43 dB(A), 2 dB(A) onder de norm; - tijdens de verhogingen steekt de 200 Hz tertsband 4,4 dB(A) boven de aanliggende tertsbanden uit, minder dan één dB(A) te weinig om van een tonaal geluid te kunnen spreken (indien er wel sprake zou zijn van een tonaal geluid, zou het specifieke geluid 48 dB(A) bedragen en zou de norm wel overschreden worden); - tenslotte zijn er de korte pieken: die moeten getoetst worden aan de voorwaarden voor impulsachtig geluid. De pieken bedroegen ongeveer 54 dB(A), beneden de norm van 60 dB(A). Volgens de strikte Vlarem-bepalingen van bijlage 4.5.4.2° werden voor beide bedrijven de normen nageleefd. Beide bedrijven liggen immers in een gebied dat op het gewestplan is ingekleurd als industriegebied en de woningen waarbij werd gemeten liggen op minder dan 500 m van dit industriegebied. In beide gevallen betreft het een bedrijfsterrein dat als dusdanig werd ingekleurd, maar ingebed ligt in woonzone en/of woonuitbreidingsgebied, die intussen voor een groot gedeelte
bebouwd zijn met private woningen. Deze situatie brengt met zich mee dat in de omgeving van de omliggende woningen hoge geluidsnormen gelden, met name 50 dB(A) overdag, 45 dB(A) ’s avonds en ’s nachts. In een woongebied dat niet in de omgeving ligt van een industriegebied, gelden normaal de normen 45-40-35 dB(A), wat gelet op een verdubbeling van de geluidsenergie per 3 dB(A) een erg groot verschil maakt. Dit onderzoek toont aan dat bij de bepaling van gebiedsbestemmingen terdege moet rekening gehouden worden met de gevolgen die hieraan verbonden zijn. De actuele uitwerking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s) zijn een ideale gelegenheid om dergelijke probleemsituaties in de toekomst weg te werken, door te voorzien in herlokalisatie van bedrijven naar grotere bedrijvenzones, omgeven door voldoende ruime bufferzones.
Aanpassing van de wetgeving ‘geluid’ in Vlarem II De werkgroep ervaart al geruime tijd dat de huidige wetgeving ter bestrijding van de geluidshinder moet worden bijgewerkt. Aangezien vroegere deelnames aan regelgevende initiatieven tot aanpassing van deze Vlarem-regelgeving weinig tot niets opleverden, nam de werkgroep in 2004 zelf het initiatief om een voorstel op te stellen tot aanpassing van de wetgeving ‘geluid’ in Vlarem II. Hierover kon u meer informatie vinden in het vorige milieuhandhavingsrapport. De werkgroep finaliseerde het vermelde voorstel in de loop van 2005 en bezorgde dit aan de bevoegde instanties. Hopelijk resulteert dit werk zeer binnenkort in een effectieve aanpassing van Vlarem II.
Kwaliteitscontrole van akoestische onderzoeken Vlarem II kent twee soorten akoestische onderzoeken, met name het beperkt en het volledig onderzoek. De definities ervan staan opgenomen in artikel 1.1.2 van Vlarem II. Het beperkt akoestisch onderzoek omvat de technische controle, zoals bedoeld in artikel 62 § 4 van Vlarem I. Het laat de toezichthoudende overheid toe om na te gaan of een inrichting aan de geluidsvoorschriften van de milieuvergunning en van Vlarem II voldoet.
Specifieke handhavingscampagnes • 43
Mogelijke emissie uit begassingen
Mogelijke emissie uit koeltoepassingen 300
1000 900
250 emissie (ton methylbromide/jaar)
800
emissie (ton/jaar)
700 600 500 400 300 200
200
150
100
50
100 0
0 1995
1996 CFK
1997
1998
1999
HCFK
2000 HFK
2001
2002
2003
2004
1995
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003
2004
TOT
Controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen Het volledig akoestisch onderzoek (VAO) moet aanvullend bij voornoemde doelstelling, ook nagaan of op een bepaalde plaats aan de milieukwaliteitsnormen wordt voldaan. Het VAO kan dus zowel dienen voor het toezicht als voor het beleid. Artikel 2 van bijlage 4.5.2 van Vlarem II vereist dat elk VAO ter beoordeling aan MI moet worden voorgelegd. Om de beoordeling van de voorgelegde VAO’s op een eenvormige wijze te laten gebeuren, gebruikt MI al enkele jaren een ‘Handleiding bij de beoordeling van een volledig akoestisch onderzoek’ op. Deze handleiding laat toe om na te gaan of het VAO alle essentiële elementen omvat die een beoordeling van het geluid, dat door een inrichting wordt veroorzaakt, mogelijk maakt. MI heeft hierbij ervaren dat de kwaliteit van de VAO’s zeer ongelijk en soms onvoldoende is. Vooral het deel ‘toezicht’ van het VAO en de keuze van de parameter voor de relevante waarde laten soms te wensen over. MI moet daardoor geregeld rapporten van VAO’s weigeren. De informatie die bekomen wordt bij de beoordeling van individuele rapporten wordt ook gebundeld, met het oog op het uitvoeren van een uniforme en verantwoorde evaluatie wanneer Aminabel het advies van MI vraagt bij het behandelen van een aanvraag tot verlenging van een erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen.
Werkgroep Afval De werkgroep Afval vulde in 2005 haar coördinerende rol bij de handhaving van de verwijdering en verwerking van afvalstoffen voornamelijk in door de uitvoering van projecten in de sector van de verwerkers van afvalstoffen en de verdere controle op het gebruik van ozonafbrekende stoffen en door acties bij stortplaatsen, slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten.
44 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Volgens het op 19 september 2003 door de Vlaamse Regering goedgekeurde Milieubeleidsplan 2003-2007 (MINA-plan 3) moeten de emissies van ozonafbrekende stoffen vanuit Vlaanderen worden verminderd met ten minste 70% ten opzichte van de emissies in 1999. Dat betekent een vermindering van 670 ODP-ton emissie tot 201 ODP-ton emissie, waarbij één ODP-ton overeenstemt met het aantal ton van een ozonafbrekende stof met hetzelfde schadelijke effect als één ton CFK11. Jaarlijks maakt de overheid met behulp van een bevraging een inschatting van de mogelijke emissies van ozonafbrekende stoffen (en gefluoreerde broeikasgassen) vanuit Vlaanderen. De mogelijke emissie van zulk een stof is wat ervan wordt geproduceerd en ingevoerd, verminderd met wat ervan wordt vernietigd en uitgevoerd. Voor 2004 wordt de mogelijke emissie van ozonafbrekende stoffen op 283 ODP-ton geschat, 53 ODP-ton minder dan in 2003. Voor 2005 zijn nog geen cijfers beschikbaar. Een verdere vermindering van de emissies zal moeten worden gerealiseerd bij activiteiten waar die stoffen vandaag nog het meest worden ingezet: als koelmiddel bij de opwekking van koude of als gifgas bij de bestrijding van ongedierte. Bijgaande figuur (bronnen: ‘Jaarverslag Lozingen in de lucht 1990 – 2004’ van VMM en ‘Update of the emission inventory of ozone depleting substances, HFC’s, PFC’s and SF6 for 2004’ van ECONOTEC, VITO en FOD Volksgezondheid, Beveiliging van de Voedselketen en Leefmilieu) toont de mogelijke emissie uit koeltoepassingen. Merk dat de vermindering in het verbruik van HCFC’s ruim teniet wordt gedaan door een vermeerdering in het verbruik van HFC’s. Doordat het lekdicht maken en houden van koelinstallaties uitblijft, blijft het aantal ton koelgas uitgestoten per jaar nagenoeg onveranderd. Omschakeling van type koelmiddel heeft enkel een verschuiving naar een ander milieucompartiment tot gevolg gehad (van ‘depletion of the ozone layer’ naar ‘global warming’). In 2005 heeft MI aan het beleid gevraagd om de voorschriften eenvoudiger en concreter te maken, alsook om te laten onderzoeken welke technische en economische consequenties het structureel lekdicht maken van het ganse areaal koelinstallaties zou hebben.
Voorbeeld van een slecht beheerde koelinstallatie
De tweede figuur (zelfde bronnen) toont de mogelijke emissie uit begassingen. In Vlaanderen is door het vaker inzetten van plastic folie bij de ontsmetting van de bodem in de glastuinbouw, het verbruik van methylbromide-gifgas sterk verminderd. Er is echter opnieuw een toename van het verbruik als gevolg van de vraag van niet EU-landen om containers voorafgaand aan het vervoer te desinfecteren. Tot op heden bestaan er geen algemeen aanvaarde technieken die de terugwinning van het ingezette gifgas (methylbromide of andere) mogelijk maken. Koelinstallaties In 2005 heeft MI 81 bedrijven gecontroleerd die koelinstallaties exploiteren. Een professionele koeltechnicus stond de toezichthoudend ambtenaar bij om steekproefsgewijs een aantal koelinstallaties te onderzoeken op de aanwezigheid van koelgaslekken. Van de 238 geteste installaties bleken er 163 (= 68%) niet lekdicht. Hoewel elke installatie slechts gedeeltelijk werd onderzocht, werden gemiddeld meer dan twee lekken per onderzochte installatie gedetecteerd. Na het gedeeltelijk onderzoek van de koelinstallaties in de 81 bedrijven waren 502 koelgaslekken geregistreerd. De onderdelen die aanleiding geven tot lekken, zijn deze die het eigenlijke koelmiddelcircuit afscheiden van de omgeving met behulp van niet permanent gasdichte componenten, zoals kranen, ventielen en pakkingen. Exploitanten zijn wettelijk verplicht per installatie een logboek bij te houden als de koelmiddelinhoud van de installatie meer dan 3 kg bedraagt en als het koelmiddel een ozonafbrekende stof of gefluoreerd broeikasgas is. In 67 van de 81 bedrijven (= 83%) bleek het logboek - als het al aanwezig was - niet alle verplichte informatie te bevatten (gegevens over de technische kenmerken van de koelinstallatie, de werkzaamheden verricht aan de installatie, de storingen die aanleiding kunnen geven tot koelgaslekken, alle koelgasbijvullingen, de rapportering over de controle van de lekdichtheid en de periodes dat de installatie buiten bedrijf werd gesteld). Het is dan ook eerder de uitzondering dan de regel dat de toezichthoudend ambtenaar in staat was zich een volledig beeld te vormen van het jaarlijkse relatieve lekverlies van de installaties (slechts voor 65 van de 361 als relevant beschouwde koelinstallaties, of 18%).
Exploitanten zijn ook verplicht alle maatregelen te nemen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, om het individuele lekverlies van hun koelinstallaties te beperken tot ten hoogste 5% per jaar. Het risico is reëel dat, als de toezichthoudend ambtenaar het jaarlijkse relatieve lekverlies niet kan inschatten vanwege onvolkomen gegevensbeheer door het bedrijf, de exploitant dat evenmin kan. Het uiteindelijke resultaat van die situatie is derhalve dat de exploitant niet gesensibiliseerd of gealarmeerd wordt door opeenvolgende koelgasbijvullingen omdat ze eenvoudigweg niet worden geregistreerd en geëvalueerd, laat staan voldoende aandacht krijgen, en dat installaties gedurende maanden, zo niet jaren, koelgasemissies veroorzaken zonder dat de exploitant actie onderneemt om het koelgaslek te laten dichten. Zonder enige (pseudo-)correctieve maatregelen, zoals het geregeld bijvullen met koelgas, zal de koelinstallatie op lange termijn stilvallen wegens gebrek aan koelmiddel, met verlies aan operationele capaciteit, mogelijk productverlies en creatie van afval. Zulke storingen alarmeren de exploitant daarentegen wel degelijk en zijn een dagelijks aandachtspunt. De exploitant neemt op dat ogenblik dan ook onmiddellijk maatregelen. De kosten die zulke storingen met zich meebrengen zijn immers niet te verwaarlozen. De koeltechnicus die werkt in opdracht van de exploitant zal de door de exploitant zo nagestreefde bedrijfszekerheid en beschikbaarheid van de installatie veilig stellen door dat type van calamiteit zo elegant mogelijk te voorkomen: door geregelde koelgasbijvullingen. En ja, koelgas bijvullen is vaak makkelijker en goedkoper, dan de koelinstallatie stilleggen en het koelgaslek permanent dichten. Deze handelwijze is in strijd met de wet. Immers, Vlarem II legt op dat koelinstallaties moeten worden onderhouden volgens een code van goede praktijk, en die schrijft onder andere voor dat er nooit koudemiddel mag worden toegevoegd vóór alle lekken zijn gedicht. De exploitant die zich volledig afzijdig opstelt ten opzichte van het goede operationele beheer van zijn koelinstallaties en dit blindelings bij een koeltechnisch bedrijf laat, stemt evenzeer tot nadenken. Zuiver bedrijfseconomische criteria kunnen bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat structurele sanering tegen koelgasemissies wordt uitgesteld, of dat de specifieke essentiële ervaring met de koelinstallaties verdwijnt met het koeltechnisch bedrijf. MI verbaliseerde vier van de 81 bedrijven en gaf 77 ervan meerdere aanmaningen. 18 bedrijven kregen ook meerdere raadgevingen. Van de 81 bedrijven waren er slechts twee waar de toezichthoudend ambtenaar geen onderrichtingen aan gaf. Drie van de vier geverbaliseerde bedrijven waren vroeger al aangemaand hun exploitatie conform de milieuvoorschriften te maken, maar hadden daar geen gevolg gegeven. De typische overtredingen waren: logboek wordt niet bijgehouden zoals Vlarem II het voorschrijft, er worden geen lekdichtheidscontroles uitgevoerd zoals Vlarem II het voorschrijft, te hoge relatieve lekverliezen, afwezigheid van maatregelen om
Specifieke handhavingscampagnes • 45
Een lading koelboxen die verboden gas in hun thermische isolatie bevatten
In 2005 voerde MI bij 74 afvalverwerkende bedrijven een doorgedreven controle uit
koelgasverliezen te voorkomen en bijvullen met koelmiddel zonder eerst het koelgaslek te dichten. Alle aanmaningen hebben tot doel de exploitanten aan te zetten de exploitatie van hun koelinstallatie verenigbaar te maken met de milieuvoorschriften binnen een aanvaardbare termijn. Alle raadgevingen reiken de exploitanten aandachtspunten aan om hun exploitatie milieutechnisch beter te maken.
de niet-naleving van die voorschriften waarvoor het Vlaamse Gewest bevoegd is.
Typische onderrichtingen zijn: logboeken aanleggen of opstellen zoals door Vlarem voorgeschreven is, koelgaslekken dichten, periodieke controles op lekdichtheid uitvoeren, een onderhoudsprogramma opstellen en uitvoeren conform een code van goede praktijk, de verplichte instructiekaarten aanbrengen bij de installaties, voortaan eerst koelgaslekken dichten vooraleer nog koelmiddel bij te vullen, de verplichte druk- en constructieattesten ter beschikking stellen en maatregelen voorstellen om de relatieve lekverliezen te beperken. Eind 2005 hadden de meeste exploitanten de instructies opgevolgd. MI heeft in tien bijkomende bedrijven ook monsters genomen van de koelgassen in de gebruikte koelinstallaties. 20 koelgasmonsters werden geanalyseerd. Vier van de vijf positief bevonden monsters bestonden uit nagenoeg zuiver CFK12. Drie bedrijven waren positief op het gebruik van dit verboden koelmiddel. Het leverde hun onder meer twee processenverbaal en drie aanmaningen op. Ondertussen wordt verder gewacht op de al jaren aangekondigde erkenningsregeling voor koeltechnici. Die regeling zou van elke koeltechnicus eisen - als hij zijn activiteiten wil voortzetten - dat hij periodiek bewijst dat hij over voldoende beroepsbekwaamheid beschikt, en dat hij zijn werkzaamheden uitvoert in overeenstemming met de milieuwetgeving. Niet-koeltoepassingen Het gebruik van ozonafbrekende stoffen voor andere toepassingen dan voor koeling wordt in hoofdzaak gereglementeerd door de Europese Verordening (EG) nr. 2037/2000. Die Europese regelgeving is rechtstreeks toepasselijk in België, en dus ook in Vlaanderen. Het decreet van 30 april 2004 tot wijziging van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging en van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, implementeert in Vlaanderen de juridische basis voor de handhaving en legt tevens de strafbepalingen vast die staan op
46 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
In 2005 heeft MI verscheidene toezichthouders (FOD Financiën, FOD Volksgezondheid, Beveiliging van de Voedselketen en Leefmilieu, Havenkapiteindiensten, VROM-Inspectie Milieuhygiëne en Nederlandse Douane) uitgenodigd om samen een inspectiecampagne op te zetten naar de al dan niet illegale trafiek van stoffen die worden gereguleerd door Verordening (EG) nr. 2037/2000. Er werd overeengekomen gelijktijdig inspecties uit te voeren in België en in Nederland. Er werd opgetreden door FOD Financiën en VROM-Inspectie Milieuhygiëne in drie dossiers over onvergunde invoer. De overige geopende dossiers worden in 2006 verder onderzocht. MI werd getipt door de Duitse autoriteiten over de illegale invoer en illegaal op de markt brengen van artikelen die stoffen bevatten die worden gereguleerd door Verordening (EG) nr. 2037/2000. Deze artikelen werden ingevoerd vanuit Duitsland naar een bedrijf in Wallonië. MI informeerde het Waalse Division de la Police de L’Environnement en de FOD Volksgezondheid, Beveiliging van de Voedselketen en Leefmilieu, die beiden een onderzoek startten. Parallel hiermee ontdekte de FOD Volksgezondheid, Beveiliging van de Voedselketen en Leefmilieu dat gelijkaardige artikelen op de markt werden gebracht door een bedrijf in Vlaanderen. Deze FOD heeft MI ingelicht, dat op zijn beurt optrad om tot de reguliere verwijdering van dit gevaarlijk afval te komen.
Controles bij verwerkers van afvalstoffen De overbrenging en verwerking van afvalstoffen is een substantiële kost voor producenten, overbrengers en verwerkers van die afvalstoffen. Het risico is reëel dat om economische redenen afvalstoffen onzorgvuldig of illegaal worden verwijderd. Dit kan leiden tot milieuhinder of -schade, tot illegaal verkregen vermogensvoordeel of tot ontduiking van heffingen op de verwijdering van afvalstoffen. MI plande in 2005 een doorgedreven toezicht bij 74 afvalverwerkende bedrijven (preferentieel sorteer- en containerbedrijven, op- en overslagbedrijven en verwerkers van vloeibare afvalstoffen) om de naleving van de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet en het Afvalstoffendecreet te inspecteren
Een belangrijk onderdeel van het werkplan vormt de overzichtelijke en duidelijke handleiding van de exploitatie
De exploitant van een verwerkingsinstallatie is zelf verantwoordelijk voor de aangevoerde afvalstoffen
met de volgende klemtonen: een grondige inspectie van de naleving van de rubriek 2-voorwaarden, het nagaan van de volledigheid en doeltreffendheid van het goedgekeurd werkplan, een uitgebreide bevraging over de aanvaardingsprocedure van de afvalstromen, een doeltreffende controle op registratie en de traceerbaarheid van de aangeboden en afgevoerde afvalstoffen en tenslotte de controle op verdunning/menging van de afvalstoffen. Voor de start van de terreincontroles stelde de werkgroep een uitgebreide checklist op, die werd overlopen tijdens de uitvoering van de inspecties. Er werd ook een document opgesteld dat de toezichthoudende ambtenaren als leidraad konden gebruiken om het werkplan te beoordelen.
dat zelfs 10 exploitanten van klasse 1-bedrijven geen werkplan konden voorleggen. In 28 van de 64 overige dossiers bestond er wel een document dat om uiteenlopende redenen echter nog niet was goedgekeurd door MI. De evaluatie van het project bracht onder meer aan het licht dat de beoordelingstermijn van ter goedkeuring voorgelegde werkplannen soms onaanvaardbaar lang uitliep. MI heeft daarom intern de nodige acties ondernomen om de behandelingstijd van een werkplan drastisch te beperken.
Het werkplan Vlarem II verplicht iedere exploitant van een activiteit die is ingedeeld als een afvalverwerkende activiteit (rubriek 2 van de indelingslijst) tot het opstellen van een specifiek document dat ‘werkplan’ heet. De inhoud van het document is bepaald in Vlarem II. Het werkplan omvat een overzichtelijke en duidelijke handleiding voor de exploitatie, een beschrijving van de organisatie van de aanvoer, de verwerking en de afvoer van de afvalstoffen, de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is, het afwateringsplan en een beschrijving van de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder. Zowel de exploitanten van afvalverwerkende bedrijven, als de toezichthoudende ambtenaren van MI waren vragende partij om een richtlijn op te stellen die duidelijk en concreet beschrijft welke elementen een werkplan moet bevatten. Afhankelijk van de aard van de activiteiten kan een werkplan zeer kort zijn (bv. opslag van een ongevaarlijke afvalstof) tot zeer uitgebreid (bv. opslag en behandeling van een groot gamma aan afvalstoffen). De werkgroep Afval heeft een richtlijn uitgeschreven voor intern gebruik. Na afloop van het project heeft MI de tekst van de interne richtlijn geëvalueerd en ter beschikking gesteld via de website van MI. Van de 74 geïnspecteerde bedrijven beschikten er 36 over een goedgekeurd werkplan. In 23 gevallen stemde dit werkplan echter niet meer overeen met de toestand op het terrein of was het inhoudelijk te beperkt. 36 % van de 36 goedgekeurde werkplannen voldeden aan de verwachtingen. Opmerkelijk is
Controle op de aangevoerde afvalstoffen De milieuregelgeving gebiedt de exploitant van een afvalverwerkingsbedrijf veel aandacht te schenken aan de controle op de aangevoerde partijen afvalstoffen. De exploitant van een verwerkingsinstallatie is zelf verantwoordelijk voor de aanvaarde afvalstoffen. Daarom mag de aanvoer ook slechts gebeuren onder toezicht van de exploitant zelf of iemand die hij daartoe aanstelt. In 9 dossiers had de exploitant de naam van zijn afgevaardigde niet doorgegeven aan MI. Vooraleer een exploitant beslist om een partij afvalstoffen te aanvaarden, moet hij genoeg informatie verzamelen om zich ervan te vergewissen dat hij vergund is om de aangeboden afvalstof te verwerken en dat in zijn bedrijf de technische middelen voorhanden zijn om ze te kunnen verwerken. Slechts in twee dossiers oordeelde de toezichthoudend ambtenaar dat de exploitant over onvoldoende informatie beschikte over de steekproefsgewijs gecontroleerde, aangevoerde afvalstoffen. Formele aanvaardingsprocedures werden aangetroffen bij 54 van de 74 bedrijven. Dergelijke procedures moeten beschrijven waar de afvalstoffen in ontvangst worden genomen, welke controles erop gebeuren vooraleer wordt beslist of ze al dan niet worden aanvaard en hoe wordt omgesprongen met geweigerde partijen. MI stelde vast dat in zes bedrijven de eigen aanvaardingsprocedures met de voeten werden getreden. Bij negen inspecties werden afvalstoffen aangetroffen waarvoor het bedrijf niet was vergund. In zes gevallen waren bedrijven technisch onvoldoende uitgerust om bepaalde aanvaarde afvalstoffen te verwerken en in evenveel gevallen was de controle voorafgaand aan de aanvaarding onvoldoende grondig. Afvalstoffen moeten steeds worden aangevoerd over een in werking zijnde weegbrug met automatische registratie tussen
Specifieke handhavingscampagnes • 47
Een weegbrug is een belangrijke schakel in de traceerbaarheid van afvalstoffen
7 uur en 19 uur. Een weegbrug is een vrij dure investering maar is een belangrijke schakel in de traceerbaarheid van de afvalstoffen. In vijf van de 74 bedrijven is geen weegbrug geïnstalleerd zonder dat hiervoor een afwijking werd verleend in de milieuvergunning. Een recent ijkattest kon niet worden voorgelegd in vijf andere bedrijven. In vier bedrijven reden de vrachtwagens zelfs systematisch niet over de weegbrug met bepaalde ladingen, zoals afgedankte elektrische en elektronische apparaten of stenen. Zeven bedrijven voerden afvalstoffen aan buiten de toegelaten uren zonder dat de vergunningverlener hiervoor een afwijking had verleend. In iets meer dan de helft van de geïnspecteerde bedrijven (55%) werden geen opmerkingen geformuleerd over de aanvoer en de aanvaarding van de afvalstoffen. Traceerbaarheid van de verwerkte afvalstoffen Eén van de belangrijke bezorgdheden van de overheid is dat afvalstoffen op een correcte en veilige manier worden verwerkt. Een afvalstof moet kunnen worden gevolgd van bij de plaats van de productie tot op de plaats waar ze wordt verwerkt, hetzij verwijderd, hetzij nuttig toegepast. De verwerkingsbedrijven die werden gecontroleerd, moeten daarvoor beschikken over een voortdurend geactualiseerd verwerkingsregister met de afvalstromen die op het bedrijf werden aanvaard. De overgrote meerderheid van de bedrijven beschikt over een register op computer. Slechts in vier dossiers werd het register Gegevens in verband met de aangevoerde afvalstof
Aantal bedrijven waar dit gegeven niet werd geregistreerd
Aard en samenstelling + EURALcode
36 (49 %)
Verwerkingswijze van de afvalstof
29 (39 %)
Lokalisatie van de opslag op het terrein
26 (35 %)
Eventuele weigering van de partij + reden van de weigering
19 (26 %)
Datum en uur van aanvoer
15 (20 %)
Opmerkingen, storingen, metingen
12 (16 %)
Adres van de producent van de afvalstof
11 (15 %)
Adres van de vervoerder van de afvalstof
11 (15 %)
Hoeveelheid
3 (4 %)
48 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
nog manueel ingevuld. Vier bedrijven beschikten niet over het register. In 77 % van de bedrijven werd het register – zoals wettelijk bepaald – dagelijks aangevuld. Slechts één op drie bedrijven kon een register voorleggen met alle noodzakelijke gegevens. Onderstaande tabel vermeldt welke gegevens het register moet bevatten en in hoeveel gevallen de registers onvolledig waren. De verwerkers van voertuigwrakken moeten bovendien ook het chassisnummer én de datum van de laatste technische keuring vermelden in het register. Bji de helft van de gecontroleerde verwerkers van afgedankte voertuigen ontbrak het chassisnummer in het register. Een belangrijke vaststelling is dat de EURAL-codes die al sinds 1 januari 2002 worden gebruikt nog steeds onvoldoende ingeburgerd blijken te zijn. In veel gevallen worden de EURALcodes (al dan niet bewust) niet correct toegekend. Om de traceerbaarheid van de afvalstoffen na te gaan werd de exploitanten gevraagd om enkele steekproefsgewijs aangeduide afvalstoffen die op het terrein aanwezig waren, terug te vinden in het register. 60% van de exploitanten was in staat om de partijen op terrein terug te vinden in het register. Bedrijven waar partijen afval worden samengevoegd tot grotere partijen vooraleer ze worden verwerkt, konden slechts bij uitzondering voorleggen uit welke aangevoerde partijen de samengevoegde partij bestond. Afvalstoffen die het bedrijf opnieuw verlaten als afvalstof, moeten opnieuw worden geregistreerd. Dit register mag bestaan uit een verzameling identificatieformulieren. Identificatieformulieren zijn documenten die elk afvaltransport moeten vergezellen. Het afvoerregister kon niet worden voorgelegd in vijf dossiers. De meeste afvalstoffen worden verwerkt in België. Toch voeren 27 bedrijven afvalstoffen uit naar het buitenland. Een van de algemene Europese principes in de afvalstoffenregelgeving bestaat erin dat iedere lidstaat zoveel mogelijk zelf instaat voor de verwijdering van haar afvalstoffen. Om hierop enige controle te verwerven moet er, afhankelijk van de aard van de afvalstof en de bestemming ervan, vóór de overbrenging van de afvalstoffen over de grenzen een administratieve procedure
In meer dan 10% van de geïnspecteerde bedrijven zijn de activiteiten een bron van onaanvaardbare hinder voor de omwonenden. Stofhinder is daar een voorbeeld van.
In ongeveer 21% van de bedrijven werden tekortkomingen aan de infrastructuur vastgesteld
worden doorlopen. Tegen deze procedure werden geen onregelmatigheden vastgesteld.
vijf bedrijven ontbrak de identificatie van de afvalstoffen op de recipiënten. Zelfs bij drie specifieke verwerkingsbedrijven voor gevaarlijke afvalstoffen lieten de opslagmodaliteiten (de etikettering, de opslag op een vloeistofdichte vloer, de compartimentering naargelang de gevaarlijkheid) te wensen over. In 14 bedrijven werden meer afvalstoffen aangetroffen dan was toegelaten in de milieuvergunning.
Naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden De milieuvoorwaarden die bedrijven in het Vlaamse Gewest moeten naleven, zijn in Vlarem II samengebracht in verschillende hoofdstukken. Elk van de hoofdstukken bevat de voorwaarden die bij een bepaalde ‘rubriek’ horen van de lijst van potentieel hinderlijke activiteiten. In dit project werden enkel de voorwaarden gecontroleerd die horen bij rubriek 2, die de afvalverwerkende bedrijven omvat. Afvalverwerkers staan van oudsher niet bekend als nette jongens. Stilaan begint het tij te keren. In slechts 18% van de bedrijven laat de algemene zindelijkheid nog te wensen over. De activiteiten in meer dan 10% van de geïnspecteerde bedrijven zijn nog een bron van zeer grote hinder voor de omwonenden. Hinder door trillingen of ongedierte (insecten, knaagdieren,…) blijkt nog slechts marginaal voor te komen. Meestal gaat het om geur- en stofhinder. Stofhinder kan worden voorkomen door de aanleg van een (verplicht) groenscherm rond het bedrijf. Een groenscherm bestaat uit een zone van minstens 5 m breedte met streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. Bij 37% van de bedrijven is dit groenscherm niet of onvolledig aanwezig. In ongeveer 21 % van de bedrijven is de infrastructuur (uithangbord, omheining, poort,…) niet helemaal uitgevoerd zoals de regelgeving het voorschrijft. De milieucoördinator die onder meer als taak heeft te waken over de naleving van de milieuregelgeving en tekortkomingen te rapporteren aan de bedrijfsleiding is in vijf bedrijven niet aangesteld. 32 bedrijven doen beroep op een externe milieucoördinator. In de andere bedrijven is de milieucoördinator een werknemer van het bedrijf. Jaarlijks stelt hij of zij een verslag op dat in 24 bedrijven niet kon worden getoond. Milieucoördinatoren hebben het niet steeds gemakkelijk om de bedrijfsleiding te overtuigen van investeringen die het milieu moeten dienen. In vier bedrijven werden de gesignaleerde tekortkomingen niet of slechts deels verholpen en waren er ook geen aanwijzingen dat dit zou gebeuren. De opslag van de aanwezige afvalstoffen gebeurde in een aantal gevallen onzorgvuldig of niet in de gepaste recipiënten. Bij
Het algemeen verbod op de verbranding van afvalstoffen werd overal gerespecteerd. Er werden op de bedrijfsterreinen nergens verbrandingsresten aangetroffen die konden wijzen op de illegale verbranding van afvalstoffen. Het overleg met de brandweer was niet of onvoldoende gebeurd in 22 bedrijven. Waar het overleg wel had plaatsgevonden, lieten acht bedrijven na om de maatregelen te nemen die waren opgelegd door de brandweer. Eén van de bezochte bedrijven beschikte niet over een milieuvergunning. Ten slotte lieten 10 bedrijven na om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren. Bij 20 bedrijven loopt of liep een beschrijvend bodemonderzoek. Verdunning van afvalstoffen Het vaststellen van verdunningspraktijken is een zeer moeilijke opgave. Slechts bij één enkel bedrijf wekte de studie van de dossierstukken gecombineerd met de terreincontrole een vermoeden dat er systematisch werd verdund. Het ging om een bedrijf waar de aangevoerde bodem in de puinbreker verdween samen met het aangevoerde puin om de ‘kwaliteit van het zeefzand te verhogen’. De vergunning liet immers toe dat het aangevoerde puin 50% grond mocht bevatten. Hetzelfde resultaat verkrijg je als je een vracht puin en een vracht grond tegelijk door de breker gooit…. In een ander bedrijf botste MI op een tank met olie verontreinigd met PCB’s. Die olie zou worden ‘vermengd’ (lees ‘verdund’) met niet verontreinigde olie zodat ze de normale verwerkingsweg zou kunnen opgaan.
Controles in het kader van de overeenkomst dierlijk afval In 1986 werd voor het eerst een rund ontdekt met gekkekoeienziekte of BSE in Groot-Brittannië. Hoe het eerste rund met BSE werd besmet, is niet met zekerheid te zeggen. Volgens
Specifieke handhavingscampagnes • 49
Tijdens terreincontroles controleerde MI vermoedelijke verdunningspraktijken
bepaalde theorieën zou bijvoeding met diermeel, geproduceerd uit slachtafval en kadavers van schapen of runderen die respectievelijk besmet waren met scrapie of BSE, de oorzaak zijn. Scrapie is een schapenziekte die verwant is aan BSE. BSE wordt ook in verband gebracht met een variant van de voor mensen dodelijke ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJD). Het is aangetoond dat de ziekteverwekker van CJD overeenkomt met die van BSE. De Europese Unie heeft sindsdien een aantal maatregelen genomen om de verspreiding van BSE – en meteen ook andere besmettelijke ziekten – te voorkomen. De basisregel bestaat erin dat te allen tijde moet vermeden worden dat dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, kunnen terechtkomen in de voedselketen. Diervoeder mag met andere woorden nooit eiwitten bevatten die afkomstig zijn van de verwerking van slachtafval. Wat tot voor enkele jaren wel degelijk het geval was. De enige dieren die wel nog kunnen worden gevoederd met dierlijk afval zijn gezelschapsdieren. Die komen immers niet terecht in de menselijke voedselketen. Deze Europese bezorgdheid kreeg concreet gestalte in de Verordening (EG) Nr. 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie. Het begrip dierlijke bijproducten is ruim en omvat naast het gekende ‘slachtafval’ ook bijvoorbeeld huiden, mest, keukenafval van vliegtuigen en voormalige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Er worden drie categorieën van dierlijke bijproducten onderscheiden: - categorie 1 bijproducten, het gespecificeerd risico-materiaal (GRM), omvat de organen waarvan men weet dat ze de ziekteverwekker van BSE kunnen overdragen. Zij moeten definitief worden vernietigd; - alle bijproducten die als categorie 3 ingedeeld worden, zijn afkomstig van dieren die geschikt verklaard werden voor menselijke consumptie. Deze bijproducten mogen nooit, ook niet onrechtstreeks, in menselijke voeding terechtkomen. Zij mogen wel worden gebruikt bij het bereiden van voeder voor gezelschapsdieren; - de restcategorie zijn de categorie 2-bijproducten die niet mogen worden aangewend in of als dierenvoeder. Na een aangepaste behandeling mogen zij eventueel als meststof worden toegepast. In het Vlaamse Gewest gebeurt dit nog niet en worden ze, net als het categorie 1-materiaal, na een voorbehandeling verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie of een cementoven.
50 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Het categorie 1-materiaal moet onmiddellijk gekleurd worden met methyleenblauw
Zowel gewestelijke als federale overheden zijn bevoegd voor de materie die de verordening regelt. Een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gewesten was noodzakelijk om ervoor te zorgen dat alle verplichtingen die de Europese verordening ons oplegt, ook werkelijk uitgevoerd worden. De taken voor de federale staat en de gewesten worden er duidelijk in afgebakend. Dit samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2005 verscheen in het Belgisch Staatsblad op 12 december 2005. Dit nieuwe samenwerkingsakkoord is een uitbreiding van een overeenkomst over dierlijk afval die al op 10 januari 2003 werd ondertekend door de verschillende bevoegde ministers. Van de Gewesten wordt onder meer verwacht dat alle slachthuizen ‘worden bezocht volgens een planning die rekening houdt met het risico en de omvang van de activiteiten’. Wegens personeelsbeperkingen heeft MI in 2004 38 slachthuizen gecontroleerd in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant, Limburg en West-Vlaanderen. In 2005 werden nog 70 slachthuizen gecontroleerd waarvan 12 waar GRM werd geproduceerd (runder-, kalver- of schapenslachthuizen), 18 varkensslachthuizen, 39 pluimveeslachthuizen en 10 konijnenslachthuizen. Op 13 klasse 2-slachthuizen na werd daarmee ieder Vlaams slachthuis door MI geïnspecteerd in de loop van de voorbije twee jaar. De uitgevoerde inspecties waren zeer specifiek en gericht op de controle van de opslagmodaliteiten van de verschillende stromen dierlijke bijproducten: - het categorie 1-materiaal (GRM) moet na de productie onmiddellijk gekleurd worden met een oplossing van methyleenblauw om te vermijden dat het al dan niet toevallig vermengd geraakt met andere categorieën; - elke bak, silo en container moet een duidelijk etiket dragen met de vermelding of hij categorie 1-, 2- of 3-materiaal bevat. Door een duidelijke identificatie voorkomt men toevallige vergissingen; - alle dierlijk afval moet gekoeld opgeslagen worden om van bij de bron de potentiële geurhinder maximaal te beperken. Tevens werd nagegaan of het producentenregister van de afvalstoffen correct ingevuld werd. Bij vier klasse 2-pluimveeslachterijen ontbrak de milieuvergunning. Eén slachthuis was onvoldoende vergund. Bij elf slachthuizen was geen milieu-
MI controleerde, naar aanleiding van de implementatie van de Europese richtlijn stortplaatsen, de afwerking van stortplaatsen
coördinator aangesteld. In acht van de twaalf geïnspecteerde slachthuizen waar GRM werd geproduceerd, was het aanwezige GRM gekleurd zoals het hoort. Vier slachthuizen kleurden de GRM-stroom niet. Twee slachthuizen beschikten zelfs niet over de verplichte blauwe kleurstof om het GRM te kleuren. Het blijft moeilijk om de exploitanten ervan te overtuigen dat de GRM-kleuring grondig moet gebeuren en ook noodzakelijk is indien het GRM wordt opgevangen in een silo. De etikettering van de recipiënten waarin de dierlijke bijproducten worden opgeslagen schiet nog tekort. Meer dan de helft van de recipiënten, zij het bakken in alle formaten of silo’s, waarin categorie 1-materiaal wordt verzameld zijn niet voorzien van een etiket. Voor categorie 3-materiaal loopt dit zelfs op tot twee derden! Vele exploitanten argumenteren dat de etiketten de dagelijkse reinigingsbeurten niet overleven. In 25 van de geïnspecteerde slachthuizen worden niet alle recipiënten na elk gebruik gereinigd en ontsmet, ondanks de verplichting daartoe. Deze verplichting geldt ook voor opslagsilo’s! De Vlaamse milieuregelgeving verplicht ook de exploitanten om alle geproduceerde dierlijke afvalstoffen gekoeld op te slaan bij een temperatuur beneden 10° C. Op die manier wil men geurhinder tijdens het transport en tijdens de opslag alvorens het verwerkt wordt, voorkomen. In twee op drie geïnspecteerde slachthuizen wordt niet alle geproduceerde dierlijk afval gekoeld opgeslagen. Samen met de gebrekkige etikettering blijft dit het punt waar de slachthuizen globaal gezien het minst goed op scoren. In twee slachthuizen wordt het bloed ondergronds opgeslagen zonder actieve koeling. 13 exploitanten voorzagen geen enkele vorm van koeling van het slachtafval. Op twee bedrijfjes na, waar slechts enkele stuks grootvee per week werden geslacht, ging het om pluimveeslachterijen. Bij de meeste slachthuizen is er bijgevolg nog wel een of andere stroom van dierlijke bijproducten die niet gekoeld wordt. Een specifiek probleem blijft de niet-gekoelde opslag van pluimen. Van de 39 pluimveeslachterijen zijn er 31 die de pluimen niet opslaan in een gekoelde ruimte. Ook de huiden van runderslachthuizen en schapenslachthuizen worden slechts in de helft van de gevallen gekoeld opgeslagen. De verplichte formaline- of zoutbehandeling van de huiden wordt in geen enkel slachthuis uitgevoerd. De exploitanten voeren als argument aan dat de ophaler van de huiden geen
behandelde huiden verkiest. Het producentenregister kon niet voorgelegd worden in vier dossiers. De meeste exploitanten beschikken niet over een mogelijkheid om de verschillende opgehaalde afvalstromen apart te wegen voor ze worden afgegeven aan de overbrenger. De massa van de afgevoerde afvalstromen wordt in de meeste gevallen geschat bij het ophalen. In totaal stelde MI 24 processen-verbaal op en gaf aanmaningen aan exploitanten van 54 van de 70 gecontroleerde slachthuizen om zich te houden aan de wettelijke verplichtingen.
Controles op de afwerking van stortplaatsen Ingevolge de implementatie van de Europese richtlijn stortplaatsen moesten een aantal stortplaatsen (of gedeelten ervan) tegen uiterlijk 31 december 2005 volledig afgewerkt zijn. Enkel de stortplaatsen met een goedgekeurd aanpassingsplan konden na 31 december 2005 nog verder worden uitgebaat. De strikte handhaving van deze tijdslimiet was enkel mogelijk door de exploitanten ertoe aan te zetten de stortactiviteiten tijdig te beëindigen. MI zette een preventieve actie op met de bedoeling een duidelijk beeld te verkrijgen van de vordering van de opvulling en afwerking van de stortplaatsen. Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen enerzijds de exploitaties waarvoor geen aanpassingsplan werd ingediend en die bijgevolg ten laatste op 31 december 2005 moeten afgewerkt zijn, en anderzijds de exploitaties waarvoor wel een aanpassingsplan werd ingediend, maar waar de vergunningverlenende overheid besliste dat een gedeelte van de stortplaats moet afgewerkt worden vóór 31 december 2005. MI vroeg aan 32 betrokken stortplaatsexploitanten om schriftelijk mee te delen wanneer de stortactiviteiten zouden worden beëindigd en binnen welke periode de afwerking zal worden gerealiseerd. Op basis van de antwoorden kon MI de vooropgestelde planning per stortplaats verder opvolgen. Eind 2005 waren 19 stortplaatsen afgewerkt. In een aantal van deze dossiers moest nog enkel het proces-verbaal houdende definitieve afwerking van de stortplaats opgesteld worden. In vier dossiers werd de stortplaats niet tijdig afgewerkt met het gevolg dat de nazorgperiode wordt verlengd van 5 of 10 jaar tot 30 jaar. Een aanzienlijke meerkost. Wordt verder opgevolgd.
Specifieke handhavingscampagnes • 51
compost en voorzien van de nodige greppels naar grachten of een infiltratiebekken. De beplanting met heesters, struiken en ondiep wortelende bomen en de aanleg van een bloemenweide zijn uitgevoerd.
De exploitant vatte onmiddellijk na het beëindigen van het storten van afvalstoffen, de eindafwerking van de stortplaats aan
Stopzetting en afwerking van een categorie 2-stortplaats In 1970 verleende de overheid een ARAB-vergunning voor een zandgroeve van 7 ha. Uit landschapsoverwegingen diende de exploitant het oorspronkelijke reliëf te herstellen na de zandwinningactiviteiten. Midden de tachtiger jaren verkreeg de toenmalige exploitant een vergunning om een categorie 3-stortplaats uit te baten in de zandgroeve. De huidige uitbater die de site in 1989 overnam, stortte in een eerste fase een vak van de zandgroeve op milieuverantwoorde wijze vol met inerte afvalstoffen, en bracht de afdeklaag aan. Op dit deel ligt nu de werfzone en de wegenis naar de achterliggende terreinen. In 1991 verkreeg de uitbater een vergunning voor een categorie 2-stortplaats. Meer dan 10 jaar stortte de uitbater met huishoudelijke afval gelijkgestelde afvalstoffen. De uitbating verliep voorbeeldig ware het niet dat de buurtbewoners bij windstil weer vooral ’s morgens en ’s nachts hinder ondervonden van de geur van gistingsgassen. MI maande de exploitant aan tot het nemen van maatregelen. Dit leidde tot het aanbrengen van een netwerk van onderling verbonden verticale schachten, dat het geproduceerde stortgas naar een fakkel leidde. De exploitant dekte het gestorte afval dagelijks zorgvuldiger af en de toestand klaarde enigszins op. Het duurde tot 2004 vooraleer het bedrijf het stortgas optimaal opving via bijkomende schachten verbonden met twee gasmotoren voor de opwekking van groene stroom. De geurklachten verminderden. In 2004 maande MI de uitbater aan om een planning op te stellen die de tijdige eindafwerking van de stortplaats moest verzekeren. Vermits er geen aanpassingsplan - zoals bedoeld in art. 5.2.4.0.3 van Vlarem II - voorhanden was, moest de stortplaats uiterlijk op 31 december 2005 zijn afgewerkt. De exploitant gaf hieraan gevolg en vatte begin 2005, onmiddellijk na het beëindigen van het storten van afvalstoffen, de eindafwerking van de stortplaats aan. Eerst herprofileerde de exploitant de stortplaats om de regenwaterafvoer te verzekeren. Hierop kwamen 20 cm grond, een afsluitende laag bestaande uit een ondoorlaatbare kleimat en een drainagelaag bestaande uit een doorlatende kunststofmat. Ter hoogte van de sterkere hellingen plaatste de exploitant een kunststofnet om grondafschuiving van de drainagemat en de kunststoffolie te voorkomen. De eindlaag bestond uit een wortellaag van minstens 1 meter dikte, verbeterd met
52 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
MI keurde het nazorgplan goed en stuurde een proces-verbaal waarin de definitieve afwerking werd vastgesteld naar OVAM zodat de bankgarantie die de exploitant had gesteld, kon worden verminderd tot het bedrag nodig voor de nazorg. De buurt kan nu herademen. Na een periode van intens verkeer van zware vrachtwagens - er dienden immers 8.000 vrachtwagenladingen grond aangevoerd - en geurklachten, verdween dit ‘litteken’ uit het landschap.
Werkgroep Lucht De werkgroep Lucht coördineert binnen MI de activiteiten rond het bestrijden van luchtverontreiniging en geurhinder. In 2005 werden drie nieuwe geuronderzoeken gestart en drie lopende onderzoeken werden afgewerkt. De in 2004 gestarte actie in de keramische sector werd onversaagd verder gezet. De audit van de vast opgestelde meetapparatuur bij enkele elektriciteitscentrales werd voltooid. Er werd ook aanvullende actie genomen om de PCB-emissie van de schrootverwerkende bedrijven in te perken. Daarnaast werkte de werkgroep in 2005 ook aan de optimalisatie en de uitbreiding van het MI-instrumentarium. Een evaluatiestudie moet toelaten het instrument ‘geuronderzoek’ in de toekomst efficiënter te hanteren. Er werd ook gewerkt aan drie nieuwe handleidingen voor de toezichthoudende ambtenaren: een voor de aanpak van geurklachten, een voor de controle van de zelfcontrole lucht en een voor de controle van de ‘VOS-documenten’. De werkgroep Lucht was ook actief betrokken bij het opstellen van een referentiemethodiek voor snuffelmetingen.
Geuronderzoeken Algemeen Klachten over geurhinder komen nog steeds zeer frequent voor. Bij gebrek aan duidelijke criteria rond de aanvaardbaarheid van geurhinder is de beoordeling van geurproblemen nog altijd een subjectief gegeven. De intensiteit waarbij de geur als hinderlijk wordt ervaren, kan immers heel erg variëren van geur tot geur en van persoon tot persoon. Rond heel wat bedrijven blijft ook na de uitvoering van initiële saneringen geur waarneembaar. MI moet in dat geval kunnen uitmaken of de geurhinder al dan niet aanvaardbaar is en of het bedrijf alle mogelijke maatregelen heeft genomen om de geuruitstoot te beperken. Hiervoor is vaak externe ondersteuning noodzakelijk. In industriezones liggen soms verschillende potentiële geuremittoren dicht bij elkaar, wat het niet gemakkelijk maakt om het aandeel van die bronnen tot de waargenomen geur(hinder) vast te stellen. Met een geuronderzoek lukt
Over de non-ferro gieterij waren er weinig klachten, niettegenstaande dat MI meermaals een hinderlijke geur vaststelde
De gezamenlijke emissies van de mestverwerking en de varkensstallen kunnen aanleiding geven tot ernstige geurhinder in de nabije omgeving en onaanvaardbare geurhinder in de verder gelegen straten
dat wel en wordt het mogelijk om gerichte geurbeperkende maatregelen af te dwingen.
Industriezone Beersel Sedert enkele jaren ontvangt MI klachten over geurhinder veroorzaakt door een non-ferro gieterij, een groencompostering en een smeermiddelenproducent, die naast elkaar gelegen zijn.
Geurstudies in opdracht van MI bestaan meestal uit een omgevingsonderzoek en een bronnenonderzoek. Bij het omgevingsonderzoek worden de geuremissie en de hinderlijkheid van de verschillende bronnen bepaald, door een combinatie van geurwaarnemingen (snuffelmetingen), telefonische enquêtering van mensen in de omgeving, het bijhouden van een geurdagboek door de omwonenden en modelberekeningen. Tijdens het bronnenonderzoek worden er zoveel mogelijk vaststellingen binnenin de bedrijven gedaan, onder meer via een doorlichting van de relevante processen en de uitvoering van emissiemetingen met olfactometrische en/of chemische analyses. Ook de reeds uitgevoerde en nog haalbare bijkomende emissiebeperkende maatregelen worden geëvalueerd. Hieronder wordt de stand van zaken van eind 2005 beschreven van drie geuronderzoeken die in 2005 in opdracht van MI werden gestart in en rond een industriezone te Beersel, bij een mestverwerkend bedrijf in West-Vlaanderen en bij een petfood bedrijf in Vlaams-Brabant. Over de drie geurstudies die in 2004 waren gestart, in Kortrijk, in Merksem en in Ieper, kon u meer lezen in het milieuhandhavingsrapport 2004. Het onderzoek in Kortrijk gaf aanleiding tot saneringsacties door de Waalse collega’s van de DPE (Division de la Police de l’Environnement). Hierover kan u meer lezen in het hoofdstuk ‘Samenwerking en overleg’. De onderzoeken in Merksem en Ieper werden midden 2005 voltooid en de resultaten worden hieronder beschreven. Het ging in alle bovenstaande gevallen om bedrijven of industriezones waarover MI al meerdere jaren geurklachten ontving. Alle onderzoeken werden door VITO uitgevoerd. Nieuw in 2005 was de aandacht van MI om haar instrumentarium voor de aanpak van geurproblemen te verbeteren. De optimalisatie van het instrument ‘geuronderzoek’ en de opmaak van een handleiding voor de aanpak van geurklachten door toezichthoudende ambtenaren van MI werden uitbesteed aan VITO. Daarnaast ontwikkelt VITO in het kader van haar taken als referentielaboratorium een standaardmethode voor het uitvoeren van snuffelmetingen.
MI maande de smeermiddelenproducent en de groencomposteerder in 2003 aan tot het laten uitvoeren van een geuronderzoek. Conclusie van het onderzoek bij het eerste bedrijf was dat er een naverbrander moest geplaatst worden. Voor het tweede werd een wijziging van de composteringsmethode voorgesteld. Beide bedrijven werden door MI in 2004 aangemaand om de voorgestelde maatregelen uit te voeren. De klachtenstroom over het smeermiddelenbedrijf ging ondertussen crescendo; deze over de groencompostering ook, ondanks de getroffen maatregelen. Over het non-ferro bedrijf werden weinig klachten geuit niettegenstaande dat MI meermaals een hinderlijke en storende geur vaststelde. Het bedrijf ontkende echter de verantwoordelijkheid hiervoor. MI bestelde een geuronderzoek in en rond deze drie bedrijven om de geurbronnen beter in kaart te brengen en om eventueel verder te nemen maatregelen beter te kunnen onderbouwen. De studie startte in juni 2005 en moet klaar zijn in maart 2006. Eind 2005 was het omgevingsonderzoek afgerond en het bronnenonderzoek lopend. MI zal de uitvoering van dit onderzoek in 2006 verder volgen en, indien onaanvaardbare geurhinder wordt vastgesteld, de nodige acties ondernemen om de sanering te bekomen. Mestverwerkend bedrijf Het betrokken bedrijf is een gemengd varkens- en pluimveebedrijf dat sinds 2000 ook aan mestverwerking doet. Kippenmest en de dikke fractie van varkensmest worden opgeslagen in de productiehal en ter plaatse biothermisch behandeld in een reactor met een capaciteit van 4.500 ton mest per jaar. Na uitrijping in een afzonderlijke hal wordt het gemengd product afgevoerd. Omwille van geurklachten door omwonenden bouwde het bedrijf, na aanmaning van MI, een biofilter voor de behandeling van de ventilatielucht van de opslagloodsen, inclusief de
Specifieke handhavingscampagnes • 53
omgevingslucht van de mestverwerkingsinstallatie. De biofilter was in oktober 2004 operationeel. Ook daarna werden nog geregeld geurklachten gesignaleerd via een actiecomité. Er was sprake van ‘enorme’ geurhinder in kortstondige pieken, vooral in de avondlijke uren. MI besloot via een geurstudie na te gaan welke impact het bedrijf na installatie van de biofilter nog had op de omgeving. Een bronnenonderzoek moest uitwijzen of er nog een optimalisatie van de reeds getroffen geurbestrijdende maatregelen mogelijk was.
werd door MI aangemaand om een erkend deskundige in de discipline lucht te contacteren om de potentiële geurbronnen in kaart te brengen en een saneringsplan op te stellen. MI zal de uitvoering van de saneringsmaatregelen in beide bedrijven strikt opvolgen.
Het geuronderzoek startte in maart 2005 en was klaar in november. De meer dan 13.000 waarnemingen die 64 vrijwilligers gedurende drie maanden in dagboeken noteerden, toonden aan dat er in deze omgeving drie soorten geur voorkwamen: een mestgeur, een rotte geur en een frituurgeur. De mestgeur werd in de helft van de gevallen toegewezen aan het bedrijf in kwestie. Ook andere landbouwbedrijven en het uitrijden van mest speelden een rol. De bron van de rotte geur, die door de omwonenden als meer hinderlijk werd ervaren dan de mestgeur, kon niet exact worden achterhaald. Verschillende van deze waarnemingen werden in verband gebracht met de slachtactiviteiten en de afvalwaterzuiveringsinstallatie van een kalkoenverwerkend bedrijf in de buurt en met de ophalingen van slachtafval en kadavers. Ook de weinig hinderlijke frituurgeur was afkomstig van dit bedrijf. Bij bijna alle van de 31 snuffelmetingen konden de mestgeur en de frituurgeur waargenomen worden, maximaal tot op een afstand van ongeveer 1 km. De geur van slachtafval werd slechts drie keer waargenomen. Via olfactometrische metingen werd bepaald dat 60% van de geuruitstoot toe te schrijven was aan de varkensstallen en 40% aan de biofilter. Verspreidingsberekeningen werden uitgevoerd voor het hele bedrijf en voor de varkensstallen apart. Omdat er voor het jaar 2000, toen er nog geen mestverwerking was, geen geurklachten waren, werd de maximale geurimmissieconcentratie berekend voor de varkensstallen alleen, nl. 6 ge/m3 als 98-percentiel, als toetsingscriterium voor de aanvaardbaarheid van de geurhinder gekozen. Voor ernstige geurhinder werd de Nederlandse norm van 10 ge/m3 als 98-percentiel gehanteerd. Uit de toetsing van de berekende geurconcentraties in de omgeving aan deze criteria bleek dat de gezamenlijke emissies van de mestverwerking en de varkensstallen aanleiding kunnen geven tot ernstige geurhinder ter hoogte van woningen in de nabije omgeving en onaanvaardbare geurhinder in de verder gelegen straten. Daarom werd in de studie het advies geformuleerd om het ontwerp van de biofilter volledig te herbekijken. Het geurverwijderingsrendement van de biofilter bedroeg tijdens de geurmetingen slechts 56%. De reden hiervoor is de lage geurbelasting van de ingaande luchtstroom uit de productiehal. Om aan het toetsingscriterium voor aanvaardbare geurhinder te voldoen, is een geurreductie van 80% noodzakelijk. MI verbaliseerde het bedrijf en maande het aan om een zure gaswasser te plaatsen op de uitgaande lucht van de mestverwerkingsinstallatie. Verder moet het bedrijf een erkend deskundige in de discipline lucht aanstellen die de werking van de biofilter doorlicht en een saneringsplan met strikte uitvoeringstermijnen opstelt. Het kalkoenverwerkend bedrijf
54 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Om de geurhinder in deze hoger gelegen woonwijk te beoordelen, voert VITO eerst verspreidingsberekeningen uit voor een relatieve schoorsteenhoogte en corrigeert daarna op basis van lozingsexperimenten met tracergas
Petfood bedrijf Over dit bedrijf voor de droge bereiding van voeding voor huisdieren waren er in het verleden aanhoudend geurklachten. Verschillende processtappen zijn verantwoordelijk voor de vrijzetting van geurstoffen: het malen van grondstoffen, het mengen, de extrusie van de pasta tot korrels, de droging en de koeling van de korrels en het vernevelen met aroma’s. Alle vrijkomende lucht wordt gezuiverd via injectie met actieve zuurstof en langs een schouw van 43 meter geëmitteerd. Omdat er na installatie van deze zuiveringstechniek nog steeds geurklachten kwamen, breidde het bedrijf deze zuivering uit. Ook nadien bleef MI nog geregeld geurklachten ontvangen, voornamelijk uit de hoger gelegen woonwijk tegenover het bedrijf. De geuren werden soms tot op 2 km van het bedrijf waargenomen. Om zich een oordeel te kunnen vormen over de performantie van de zuiveringsinstallatie gaf MI in mei 2005 aan VITO de opdracht om het geurverwijderingsrendement te bepalen en om via dispersieberekeningen na te gaan in welke mate het bedrijf hinder veroorzaakte. Beide deelopdrachten moesten enerzijds uitgevoerd worden bij een ‘worst case scenario’, nl. bij productie met verhoogde geuremissie, en anderzijds bij
normale productie waarbij geen geuroverlast wordt verwacht. Daarnaast moesten ook de bedrijfsomstandigheden die kunnen bijdragen tot een verhoogde geuremissie worden geïdentificeerd en moesten voorstellen voor remediëring worden geformuleerd. Eind 2005 was het geurverwijderingsrendement van de zuiveringsinstallatie bepaald en waren de verspreidingsberekeningen voor het ‘worst-case scenario’ uitgevoerd. Het geurverwijderingsrendement varieerde tijdens de metingen van 75 tot 98%. De beoordeling van de berekende geurimmissieconcentraties moest worden uitgesteld naar 2006 omdat het gebruikte verspreidingsmodel geen rekening houdt met het reliëf. Een oplossing is om de berekeningen uit te voeren voor een relatieve schoorsteenhoogte van 20 meter, aangezien de inwoners van de getroffen woonwijk 15 tot 30 meter hoger wonen dan het bedrijf, en deze methode vervolgens te toetsen aan de realiteit via lozingsexperimenten met een tracergas. Deze experimenten zullen verder lopen in 2006. Zo kan bepaald worden hoe de invloed van het hoogteverschil het best in rekening wordt gebracht en kunnen de uitgevoerde berekeningen eventueel worden bijgesteld. Industriezone Merksem In opdracht van MI en de stad Antwerpen en in nauw overleg met het district Merksem, startte VITO in juni 2004 met de uitvoering van een geuronderzoek in en rond een veevoederbedrijf, een pluimveevoederbedrijf en een margarineproducent. De resultaten van deze studie waren beschikbaar in mei 2005. Uit het omgevingsonderzoek was het duidelijk dat de geuren vooral afkomstig waren van de twee voederbedrijven en dat het aandeel van de margarineproducent verwaarloosbaar was. Daarom spitste het bronnenonderzoek zich verder toe op deze twee bedrijven. Olfactometrische metingen toonden aan dat bij beide bedrijven de belangrijkste geuremissies ontstaan ter hoogte van de perslijnen. Bij simultane werking van alle perslijnen was de geuruitstoot bij beide bedrijven even groot. Door middel van modelberekeningen en rekening houdend met de reële werkingstijd van elke perslijn, werd voor elk bedrijf berekend welke geurconcentraties er in de omgeving kunnen optreden. Voor de beoordeling van de geurhinder werd gebruik gemaakt van lokale aanvaardbaarheidscriteria namelijk 0,5 se/m3 en 2 ge/m3 als 98-percentiel. Deze criteria, afgeleid door koppeling van de resultaten van de telefonische enquêtes met de berekende geurimmissieconcentraties, komen overeen met de Nederlandse richtwaarde voor de mengvoederindustrie. Uit de toetsing bleek dat beide voederbedrijven onaanvaardbare geurhinder veroorzaken in de nabijgelegen woonwijken. De studie besloot met de aanbeveling voor beide bedrijven om procesgeïntegreerde maatregelen te nemen en de schoorsteen te verhogen of nageschakelde technieken toe te passen. Actieve zuurstofinjectie geniet hierbij de voorkeur. Met deze techniek heeft de sector reeds ervaring. MI verbaliseerde beide voederbedrijven op basis van de resultaten van de geurstudie en maande hen aan om een concreet en tijdsgebonden sanerings-
plan op te stellen en uit te voeren en de doeltreffendheid van de sanering naderhand aan te tonen. Het veevoederbedrijf koos, naast een geurkritische selectie van grondstoffen, voor een schoorsteenverhoging. De geëmitteerde lucht, die momenteel sterk afgeremd wordt door een regenkap op de schouw, zal in de toekomst vrij en versneld door een conus op een 10 tot 20 meter hoger gelegen punt worden uitgestoten. Eind 2005 was de studie ter berekening van de schoorsteenhoogte lopend. Het pluimveevoederbedrijf voerde testen uit met procesgeïntegreerde maatregelen zoals het gebruik van dunnere matrijzen en het verminderen van het aantal gebruikte perslijnen door ze continu te laten draaien. Beide maatregelen bleken onhaalbaar. Omdat de geuruitstoot bij de opstart hoger was, werd het aantal opstarten beperkt tot een keer per dag. Het bedrijf zal ofwel voor een koud plasma techniek ofwel voor een schoorsteenverhoging kiezen. De keuze werd in 2005 nog niet gemaakt omwille van organisatorische redenen. Industriezone Ieper Het in mei 2004 gestarte bronnenonderzoek bij een bedrijf dat bodemverbeteraar aanmaakt uit kippen- en varkensmest, een bedrijf dat champignoncompost produceert uit kippen- en paardenmest, een groencomposteringsbedrijf en een bedrijf dat GFT-afval en organisch-biologisch bedrijfsafval composteert, was in oktober 2005 klaar. Uit deze studie bleek dat de gemeten geuruitstoot van het champignoncompostbedrijf en van de producent van bodemverbeteraar beduidend hoger was dan die van de twee andere bedrijven. Dit stemt overeen met de brontoewijzing bij de klachten. Voor de vier bedrijven werd door middel van modelberekeningen bepaald welke geurconcentraties kunnen optreden in de omgeving. Deze concentraties werden getoetst aan de Nederlandse richtwaarde voor geurhinder bij GFT- en groencomposteringsbedrijven (3 ge/m3 als 98-percentiel), die ook wel voor mestverwerkende bedrijven wordt gebruikt. Het onderzoek concludeerde dat bij de huidige werkomstandigheden het champignoncompostbedrijf en de producent van bodemverbeteraar onaanvaardbare geurhinder veroorzaakten. Beide bedrijven dienden, naast procesgeïntegreerde maatregelen en het vermijden van diffuse emissies, bijkomende nageschakelde zuiveringstechnieken in gebruik te nemen en de werking ervan goed te bewaken. De groencompostering en het bedrijf dat GFT-afval en organisch-biologisch bedrijfsafval composteert kunnen soms geurhinder veroorzaken tot op beperkte afstand. MI maakte een proces-verbaal op tegen het champignoncompostbedrijf en de producent van bodemverbeteraar. Tegelijk maande MI beide bedrijven aan om de geuremissies te saneren en het effect van de sanering te laten evalueren door een erkend deskundige. Tegen eind 2005 had het champignoncompostbedrijf extra procesgeïntegreerde maatregelen genomen. Daarnaast liet het bedrijf het percolaatbekken overkappen en
Specifieke handhavingscampagnes • 55
voorzien van een beluchter en nam het een zure gaswasser in gebruik. Ook met de evaluatie van deze maatregelen door een erkend deskundige werd gestart. De producent van bodemverbeteraar bouwde een biofilter als extra zuiveringsstap na de zure gaswassers, liet een evaluatie van deze sanering door een erkend deskundige uitvoeren, gaf gevolg aan zijn opmerkingen en sloot met hem een contract af om de goede werking van de biofilter op te volgen. Sinds de voltooiing van de saneringswerken bij beide bedrijven ontvingen noch MI noch de stad Ieper nieuwe klachten over geurhinder.
Geurmethodologie Optimalisatie van het instrument ‘geuronderzoek’ Na bijna tien jaar ervaring met het instrument ‘geuronderzoek’ voor de handhaving van complexe geurproblemen, besloot MI deze methodologie voor eigen intern gebruik verder te optimaliseren in functie van het te behalen resultaat, namelijk de sanering van onaanvaardbare geurhinder.
de opdracht en de handleiding zullen beschikbaar zijn in het voorjaar van 2007. Ontwikkeling van een standaardmethode voor het uitvoeren van snuffelmetingen MI maakt gebruik van snuffelploegmetingen als één van de basistechnieken om geurhinder te kwantificeren. Om de methodiek van snuffelmetingen op punt te stellen voert het referentielaboratorium VITO in overleg met MI en Aminabel sinds het najaar van 2004 een validatie-onderzoek uit. In een eerste fase deed VITO een literatuuronderzoek waarin de verschillende beschikbare methoden beschreven en geëvalueerd werden en waarbij nagegaan werd welke parameters de berekening van de geuremissie en -immissie kunnen beïnvloeden. Halfweg 2005 startte VITO met het experimenteel gedeelte
Daarom gaf MI eind 2005 aan VITO de opdracht om een tiental MI-geuronderzoeken, die enkele jaren geleden werden uitgevoerd, door te lichten in functie van de bereikte saneringsresultaten. De beoordeling betreft de totaalaanpak, namelijk zowel de geurstudie zelf en haar onderdelen als het handhavingsproces achteraf. De opdracht moet resulteren in aanbevelingen voor de optimalisatie van het geuronderzoek zelf en voor de handhavingsaanpak van MI op basis van de resultaten van het geuronderzoek. Het eindrapport wordt verwacht in het voorjaar van 2007. Opmaak van een handleiding voor de aanpak van geurklachten Jaarlijks ontvangt MI honderden klachten over geur(hinder). Sommige van deze klachten vallen niet onder het eerstelijnstoezicht van MI. Sommige klachten zijn terecht, sommige onterecht. Sommige geuren zijn aanvaardbaar hinderlijk, sommige onaanvaardbaar. Het is aan de toezichthoudend ambtenaar van MI om de klachten op te volgen, de nodige vaststellingen te doen en te oordelen over terechtheid, hinderlijkheid en aanvaardbaarheid. De toezichthoudend ambtenaar dient ook de noodzaak tot bijkomende informatie via een expert, metingen of een geuronderzoek te evalueren. Vervolgens moet hij/zij adequaat optreden om het probleem op te lossen. Om een efficiënte, kwaliteitsvolle en uniforme aanpak van geurklachten door de toezichthoudende ambtenaren van MI te waarborgen is er nood aan een aantal objectieve criteria bij het vaststellen en beoordelen van deze geurklachten en de ermee gepaard gaande hinder. MI gaf daarom eind 2005 de opdracht aan VITO om een kwaliteitshandboek op te maken dat de toezichthoudende ambtenaren van MI een handleiding biedt voor een fasegewijze, doelgerichte en definitieve afhandeling (oplossing) van geurklachten bij klasse 1-inrichtingen. Het eindrapport van
56 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Op terreinen aan de Balendijk in Lommel werden geurlozingen van waterstofsulfide en boterzuur georganiseerd. VITO bouwde hiervoor een lozingssysteem
van de validatie-oefening. VITO bouwde hiervoor een lozingssysteem voor geurhoudende componenten. Op terreinen aan de Balendijk in Lommel werden geurlozingen van waterstofsulfide en boterzuur georganiseerd. De geproduceerde geurpluimen werden tegelijk opgetekend door verschillende snuffelaars, die een verschillende methode voor het uitvoeren van snuffelmetingen gebruikten. Ook voor de verwerking van de resultaten van de snuffelmetingen via modellering werden de verschillende methoden gehanteerd. Op die wijze wil VITO de karakteristieken (randvoorwaarden, betrouwbaarheid...) van de snuffelmethode vastleggen. Deze experimenten worden verder gezet in 2006. Na het uitvoeren van de lozingsexperimenten en de evaluatie van de resultaten ervan zal VITO in de loop van 2007 een code van goede praktijk voor het uitvoeren van snuffelmetingen opstellen.
Opmaak van een handleiding voor de controle van de ‘VOS-documenten’ Hoofdstuk 5.59 van Vlarem II bevat, na de omzetting van de Europese solventemissierichtlijn 1999/13/EG, de sectorale voorwaarden voor activiteiten die gebruik maken van organische
oplosmiddelen. De exploitant moet aan de toezichthoudende overheid te allen tijde kunnen aantonen dat voldaan is aan de emissiegrenswaarden of aan de eisen van het equivalente reductieprogramma. Hij moet hiertoe jaarlijks een document opmaken - verder het ‘VOS-document’ genoemd - met een beschrijving van de inrichting, een overzicht van de emissiemetingen, een berekening van de emissies en een toetsing aan de voorwaarden. Dit VOS-document vormt dan ook het belangrijkste aanknopingspunt voor de toezichthoudende overheid bij het handhaven van de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.59 van Vlarem II. MI liet in 2005 door een deskundige een praktische handleiding opmaken als hulpmiddel voor de toezichthoudende ambtenaren bij de vormelijke en inhoudelijke beoordeling van het VOS-document en de naleving van de sectorale voorwaarden. Dit project resulteerde eind 2005 in een eindrapport, bestaande uit meerdere delen. Er is de eigenlijke handleiding, die bruikbaar is gemaakt zowel voor de exploitanten zelf als voor de toezichthoudende ambtenaren. Daarnaast zijn er twee ondersteunende documenten, met extra informatie. De eigenlijke handleiding is opgevat als een leidraad voor de exploitanten van de betrokken inrichtingen bij de opmaak van een goed gedocumenteerd en onderbouwd VOS-document. Op die manier wordt getracht de exploitanten duidelijk te maken wat de verwachtingen zijn van de toezichthoudende overheid qua vorm en inhoud van het document. Het gebruik van deze handleiding moet de kwaliteit en uniformiteit van de VOS-documenten verhogen, en zodoende de controle ervan vergemakkelijken. Om deze handleiding bruikbaar te maken voor de controle door de toezichthoudende ambtenaren, werd ze aangevuld met specifieke controlevragen. De twee ondersteunende documenten bevatten respectievelijk achtergrondinformatie over de werkwijze bij het opmaken van een VOS-document en een aantal verhelderingen en antwoorden op veel gestelde vragen in verband met de wetgeving. Op verschillende plaatsen in de handleiding wordt naar de ondersteunende documenten verwezen, zodat de drie documenten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Om de handleiding (voor de exploitanten) en de bijbehorende documenten zoveel mogelijk bekend te maken bij het doelpubliek (bedrijven, milieudeskundigen), stelt MI ze via haar website (www.milieuinspectie.be) beschikbaar. MI zal deze handleiding uiteraard hanteren bij inspecties. In 2006 zal een eerste reeks gecoördineerde controles plaatsvinden bij bedrijven uit de grafische sector.
Emissiemetingen bij bedrijven uit de keramische sector Om de naleving na te gaan van de nieuwe emissiegrenswaarden die sinds 1 januari 2004 gelden, liet MI in de loop van 2004 en het voorjaar van 2005 in eigen opdracht emissiemetingen uitvoeren bij alle installaties uit de keramische sector. Er gebeurden emissiemetingen op 42 schoorstenen, horend bij 54
productielijnen in 27 verschillende bedrijven. Bij 19 schoorstenen omvatte dit de meting van dioxinen en furanen (PCDD/F). Hoewel MI de exploitanten ruim de tijd had geboden om de afgaszuiveringsinstallaties in gebruik te nemen, werden toch bij 13 van de 27 bedrijven één of meer overschrijdingen van de emissiegrenswaarden vastgesteld. Hierbij moet worden opgemerkt dat het grootste deel van de andere bedrijven ook zonder emissiebeperkende maatregelen al voldeed aan de grenswaarden, aangezien er geen zwavel- of fluorrijke grondstoffen worden gebruikt. Overzicht van de gemeten overschrijdingen totaal stof
CO
SO2
HCl
HF
TOC
PCDD/F
aantal gecontroleerde bedrijven
27
27
27
27
27
27
12
aantal overschrijdingen
5
3
2
0
7
1
0
Het grote aantal overschrijdingen voor HF en stof wijst op problemen met de werking van de afgasreiniging. Bij vrijwel alle bedrijven is deze zuivering van het type cascade-adsorptie, een techniek die als BBT wordt beschouwd. De overschrijdingen voor CO deden zich vooral voor bij de veldovens en bij de productie van snelbouwstenen.
MI liet emissiemetingen uitvoeren bij alle installaties uit de keramische sector
Bij tien bedrijven, waar de emissiegrenswaarden niet werden nageleefd, stelde MI een proces-verbaal op. Tegelijk werd de exploitant aangemaand om zo snel mogelijk de nodige maatregelen te treffen om voortdurend aan de emissiegrenswaarden te voldoen. Bij drie bedrijven, waar een lichte overschrijding voor slechts één verontreinigende stof werd vastgesteld, stuurde MI enkel een aanmaning. In de gevallen waar de meetfrequentie in het kader van de zelfcontrole te laag lag, werden de exploitanten ook aangemaand om de vereiste metingen strikt uit te voeren. Naderhand bleef MI de evolutie van de emissies volgen op basis van de zelfcontrole door de bedrijven. Bij drie bedrijven bleek een bijkomende of nieuwe rookgaszuiveringsinstallatie noodzakelijk om aan de emissiegrens-
Specifieke handhavingscampagnes • 57
waarden te kunnen voldoen. Bij de andere bedrijven werd vooral gezocht naar een optimalisatie van de werking van de zuiveringsinstallatie. In de maanden na de metingen werd bij verschillende installaties vastgesteld dat de stofemissie sterk toenam en het verwijderingsrendement voor HF verminderde. Pas na een aantal ingrepen aan de cascade-adsorptie-installaties kon dit probleem enigszins onder controle worden gebracht. Dit toont aan dat het toepassen van BBT veel meer inhoudt dan het louter bouwen van een zuiveringsinstallatie. Een grondige emissiebewaking en voortdurende aandacht voor de goede werking van de installatie zijn essentieel om een duurzame emissievermindering te realiseren. Eind 2005 bleek uit de zelfcontroleresultaten dat er bij enkele bedrijven nog sporadisch problemen waren met de naleving van de emissiegrenswaarden, zodat een verdere voortgangsbewaking noodzakelijk is. Ter afronding van deze actie bezorgde MI een aantal aanbevelingen aan de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu, waaronder de volgende: - het versnellen van de besluitvorming over voorstellen tot wijziging van Vlarem en het voorzien van een realistische overgangtermijn bij de invoering van nieuwe voorwaarden zouden zeker aandachtspunten moeten zijn bij toekomstige wetgeving; - de sectorale jaarlijkse meetverplichting voor PCDD/F bij bedrijven uit de keramische sector kan in vraag worden gesteld, zeker indien geen toeslagstoffen worden ingezet; - daar waar een afgaszuivering noodzakelijk is om de emissiegrenswaarden na te leven, is het aangewezen om minimum jaarlijks een sectorale controlemeting (minstens stof en HF) op de werking van de rookgaszuivering in te voeren.
In kort bestek Controle van de zelfcontrole lucht: uitwerking van een systematische aanpak Vlarem II voorziet een belangrijke taak voor de exploitanten bij de bewaking van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht. Het belang van deze metingen voor de bewaking van de emissies maakt de handhaving ervan een prioriteit voor MI. Exploitanten die de zelfcontrolemetingen niet uitvoeren, creëren voor zichzelf een ongeoorloofd vermogensvoordeel tegenover hun concurrenten en verhinderen de controle op de naleving van de emissiegrenswaarden. MI stelde de voorbije jaren vast dat het nodig was om deze controles op een meer systematische en planmatige manier aan te pakken en om alle sectoren met belangrijke emissies naar de lucht evenredig aan bod te laten komen. In 2005 schreef MI daarom een opdracht uit om met ondersteuning van een externe deskundige een dergelijke methodologie uit te werken. Dit omvat een inventarisatie van de belangrijkste emittoren (bronnen) en hun verplichtingen en van de instrumenten en middelen (personeel, financieel) waarover MI beschikt om deze controles uit te voeren (papieren controle, controle van keuringen, eigen emissiemetingen). Het in kaart brengen van de noden en middelen moet resulteren in
58 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Vlarem II voorziet een belangrijke taak voor de exploitanten bij de bewaking van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht: MI controleert deze zelfcontrole
een instrument voor meerjarenplanning van deze controles. Een checklist moet de toezichthoudende ambtenaren op weg helpen bij het uitvoeren van deze controles. Hierbij worden ook de belangrijkste knelpunten en interpretatieproblemen van de huidige wetgeving opgelijst en toegelicht. De afronding van deze opdracht is gepland voor het voorjaar van 2006. Audits van de keuring van de vast opgestelde meetapparatuur bij elektriciteitscentrales Bij stookinstallaties met een thermisch vermogen van meer dan 100 MW moet de exploitant de samenstelling van de rookgassen continu meten met behulp van vast opgestelde meetapparatuur. Deze apparatuur moet worden gekeurd door een hiervoor erkend laboratorium ‘lucht’. Naast eigen steekproefsgewijze (vergelijkende) emissiemetingen, kiest MI ervoor om deze zelfcontrole te controleren via audits door VITO. Deze audits bestaan uit twee onderdelen. Er gebeurt enerzijds een evaluatie van de keuring door de deskundige via toetsing van het keuringsverslag aan de code van goede praktijk ‘Goedkeuring van vast opgestelde emissiemeettoestellen’. Anderzijds voert VITO ook emissiemetingen uit met een referentiemeetmethode. De resultaten worden vergeleken met die van de meetapparatuur van de exploitant.
logische eigenschappen bezitten als de dioxinen (PCDD/F). Op enkele plaatsen, vooral nabij schrootverwerkende bedrijven, werden sterk verhoogde gehaltes aan dioxineachtige PCB’s gevonden in neervallend stof en in hoevemelk. Dit probleem dook het eerst op in Menen, waar het bedrijf in kwestie voor een derde op Vlaams en voor twee derde op Frans grondgebied is gelegen. MI pleegde over dit dossier daarom al meermaals overleg met de collega’s van de DRIRE NordPas-de-Calais. MI legde de exploitant een actieplan op om de aanwezigheid van PCB’s in het aangevoerde schroot te voorkomen en de vorming en verspreiding van stof tegen te gaan. MI bewaakte de voortgang van de maatregelen via geregelde inspectiebezoeken en overlegvergaderingen. In 2005 nam het bedrijf belangrijke emissiebeperkende maatregelen aan zowel de Vlaamse als de Franse zijde van het terrein. Er werd een nieuwe stofafzuiging gebouwd op een van de shredders en er kwam een betere afscherming van de tweede shredder en van de opslag van het cycloonstof. Een aantal structurele aanpassingswerken zal begin 2006 worden afgerond. Een blijvend fundamenteel probleem is wel dat het in Frankrijk nog niet wettelijk is verplicht om het te shredderen materiaal voorafgaandelijk te ontdoen van onderdelen die verontreinigende stoffen kunnen bevatten, zoals bv. PCB-houdende condensatoren.
MI liet een audit uitvoeren van de keuring van de vast opgestelde meetapparatuur bij vijf elektriciteitscentrales
In 2004 en 2005 liet MI op deze manier een audit uitvoeren bij vijf elektriciteitscentrales. Uit de doorlichting van VITO bleek dat de keuringen over het algemeen op een goede en grondige wijze waren gebeurd, maar hier en daar nog konden worden bijgeschaafd. Bij enkele installaties verschilden de resultaten van de vergelijkende metingen wel in belangrijke mate van de waarden die de continue apparatuur aangaf. De oorzaak van deze afwijkingen zal verder moeten worden onderzocht. Waar nodig, werden de exploitanten aangemaand om de noodzakelijke verbeteringsmaatregelen te treffen en de vastgestelde tekortkomingen en aandachtspunten bij de volgende verplichte keuringen zeker grondig te laten onderzoeken. Een aantal meettoestellen zullen moeten worden vervangen. De resultaten van deze audits zijn ook nuttig als terugkoppeling voor de herziening van de code van goede praktijk. Een aanpassing van deze code dringt zich trouwens op, rekening houdend met de voorschriften uit de nieuwe norm NBN EN 14181, die volgens de Europese richtlijnen moet worden toegepast bij afvalverbrandingsinstallaties en grote stookinstallaties.
Ook bij andere schrootverwerkende bedrijven in Vlaanderen werd de aanwezigheid en de emissie van PCB’s vastgesteld. De exploitanten van deze installaties werden eveneens aangemaand om een actieplan te maken en uit te voeren. Zo kwam er bij twee bedrijven een volledig nieuwe zuiveringsinstallatie op de shredder. Het effect van de genomen maatregelen op de verontreiniging van de omgeving wordt stilaan zichtbaar. In 2005 werden rond de schrootverwerkende bedrijven nog wel frequent verhoogde deposities van PCB gemeten, maar de erg hoge waarden van enkele jaren terug komen gelukkig niet meer voor. MI had in 2005 via eigen monsternames en analyses ook aandacht voor de samenstelling van het shredderafval. Deze problematiek zal in 2006 verder worden bekeken.
Werkgroep Bodem en Grondwater De werkgroep Bodem en Grondwater coördineert binnen MI de activiteiten betreffende de controles op grondwaterwinningen en het bestrijden van bodem- en grondwaterverontreiniging. In 2005 omvatte dit onder meer het verderzetten van de controles van grondwaterwinningen bij bedrijven uit de drankenindustrie, een nieuw project voor de controle van grondwaterwinningen bij diverse andere bedrijven en het ontwikkelen van een methodiek voor het vaststellen van bodemverontreiniging op basis van case studies.
Onderzoek naar de emissie van dioxineachtige PCB’s Binnen de groep van 209 PCB’s zijn er 12 die worden aangeduid als ‘dioxineachtige PCB’s’, omdat ze gelijkaardige toxico-
Specifieke handhavingscampagnes • 59
Bij schrootverwerkende bedrijven werd de aanwezigheid en de emissie van PCB’s vastgesteld
MI stelde bij dit bedrijf vast dat er heel wat risico was op bodemverontreiniging
Ontwikkelen van een methodiek voor het vaststellen van bodemverontreiniging op basis van case studies Het doel van dit project was een methodiek ontwikkelen om bodemverontreiniging op te sporen, stop te zetten en verdere verontreiniging in te perken. Het Milieuvergunningsdecreet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten zijn wat het aspect bodem betreft, gericht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Alle ingedeelde inrichtingen moeten maatregelen nemen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen én eventueel opgetreden verontreiniging op een milieuhygiënische wijze ongedaan maken. In Vlarem II worden zowel algemene als sectorale voorwaarden ter bescherming van de bodem en het grondwater opgelegd voor bepaalde inrichtingen of activiteiten met verhoogd risico op bodemverontreiniging. Het behoort tot de taken van MI om de algemene en sectorale voorwaarden ter bescherming van de bodem te handhaven. Het Bodemsaneringsdecreet en het uitvoeringsbesluit Vlarebo zijn gericht op het beheersen en saneren van bodemverontreiniging. Alvorens te starten met het uitwerken van een plan van aanpak voerde de werkgroep enige studie van de wetgeving en relevante literatuur uit. Het resultaat was een lijst met alle preventieve maatregelen ter bescherming van bodem en grondwater opgenomen in het Milieuvergunningsdecreet en Vlarem I en II. Vervolgens werden 10 bedrijven geselecteerd die in aanmerking kwamen voor dit project. De bedrijven waren zeer divers en gekozen vanwege hun potentieel risico op bodemverontreiniging. Zo was er o.a. een metaalbewerkingsbedrijf, een schroothandelaar, een leerlooierij en een transportbedrijf. Bij deze bedrijven werd een verkennende inspectie uitgevoerd. Hierbij werd gelet op de opslag van gevaarlijke stoffen, lege recipiënten en afvalstoffen, het risico dat accidenteel verspreide vloeistoffen rechtstreeks naar het grondwater of een waterloop afgevoerd worden, de constructie van allerhande leidingen, zowel boven- als ondergronds, de manipulatie van gevaarlijke stoffen, op- en overslag, inkuipingen, lekbakken en activiteiten op onverharde bodem. Tot slot werden, op de plaatsen waar er risico was op bodemverontreiniging of op plaatsen met vermoedelijke bodemverontreiniging, monsters genomen van de bodem bij vijf van de
60 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
tien bedrijven. De analyseresultaten werden getoetst aan de bodemsaneringsnormen (bijlage 4) en de achtergrondwaarden voor de bodemkwaliteit (bijlage 6) van Vlarebo. OVAM werd op de hoogte gebracht bij overschrijding van de bodemsaneringsnormen. Zeven van de tien bedrijven werden aangemaand om maatregelen te treffen om bodemverontreiniging te voorkomen. Drie bedrijven werden geverbaliseerd. De meest voorkomende tekortkomingen waren het niet naleven van de preventieve maatregelen ter bescherming van de bodem (opslag van gevaarlijke producten buiten de inkuiping, ontbreken van een inkuiping, achterlaten van afval buiten daarvoor voorziene plaatsen, e.a.) en het ontbreken van een oriënterend bodemonderzoek.
Controle van grondwaterwinningen Het duurzaam omspringen met de grondwaterreserves is zeer belangrijk. Daarom werd een project gestart waarbij de grondwaterwinning van vijftig bedrijven uit verschillende sectoren aan een grondige controle werd onderworpen. Om deze bedrijven te selecteren, werden volgende criteria gebruikt: - grondwaterwinningen met grote debieten; - winningen die klasse 2 vergund zijn maar potentieel klasse 1 zijn; - twijfelachtige reputatie van het bedrijf of de sector wat de winning van grondwater betreft; - grondwaterwinningen vergund door het Mijnwezen (vervaldatum 20/08/2005). De inspecties werden uitgevoerd aan de hand van een voor dit project opgestelde checklist. Tijdens de inspecties werd er vooral aandacht besteed aan de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater. Wat de kwantiteit van het opgepompte grondwater betreft, liet de debietmeting en debietregistratie bij heel wat bedrijven te wensen over. Zes bedrijven pompten een te hoog debiet op, zes debietmeters waren niet geïnstalleerd voor het eerste aftappunt en zeventien bedrijven beschikten niet over een correct geijkte debietmeter. Ook wat de peilmetingen en peilregistratie betreft, waren er
De grondwaterwinning van 50 bedrijven uit verschillende sectoren werd aan een grondige controle onderworpen
MI voerde peilmetingen uit en nam monsters van het grondwater
heel wat tekortkomingen. Twintig bedrijven beschikten niet over het verplichte aantal peilputten en vijftien voerden te weinig of onvolledige peilmetingen uit.
en de boorput gecontroleerd. Er werden peilmetingen uitgevoerd en er werden monsters van het grondwater genomen.
Ook de zelfcontrole van de exploitant op de kwaliteit van het grondwater vertoonde heel wat tekortkomingen. Zo werd bij vijftien bedrijven vastgesteld dat zij te weinig of onvolledige analyses van het grondwater lieten uitvoeren en bij drie bedrijven werd gepompt onder het toelaatbaar afpompingsniveau. Bij tien bedrijven waren de putten onvoldoende afgewerkt en bij vijf ervan was er kans op grondwaterverontreiniging. Bij dertien bedrijven waren de oude putten niet correct buiten dienst gesteld. Tot slot beschikten drie bedrijven over niet volledig vergunde grondwaterwinningen. In het totaal werden vijf bedrijven geverbaliseerd en zesendertig van de vijftig gecontroleerde bedrijven aangemaand om de vastgestelde tekortkomingen te saneren.
Controle van grondwaterwinningen bij de drankenindustrie In 2005 zette MI de controle verder van de grondwaterwinningen bij bedrijven uit de drankenindustrie. Alle nog niet gecontroleerde winningen met een debiet van meer dan 25.000 m³/jaar werden gecontroleerd. Het project startte met een inventarisatie van de bedrijven die in aanmerking kwamen voor deze controles, met name brouwerijen, bottelarijen en frisdrankproducenten. Er werd gestreefd naar een uniforme aanpak van de sector. Na een snelle screening werden bij 24 bedrijven grondige controles van de grondwaterwinning uitgevoerd. Tijdens de controle was er aandacht voor de kwantiteit en de kwaliteit van het grondwater. Naast het opgepompte volume en de vergunningtoestand werden ook het gebruik van het grondwater, de administratieve verplichtingen zoals debietregistratie en peilregistratie, de bijzondere voorwaarden, het herboren of wijzigen van bestaande putten, de buiten dienst gestelde grondwaterwinningen en de uitrusting van de peilput
Naar aanleiding van deze controles werden drie bedrijven geverbaliseerd en ontvingen zeventien van de vierentwintig bedrijven een aanmaning om de vastgestelde tekortkomingen te saneren. De meest voorkomende tekortkomingen waren: het niet beschikken over een geldige peilmeetinrichting (8), het ontbreken van de verplichte peilput (7), het ontbreken van of onvolledig uitgevoerde analyses van het grondwater (7), het niet correct buiten dienst stellen van oude putten (7), onvolledige debietregistratie (5), het niet beschikken over een geldige vergunning (3), foutieve installatie van de debietmeter (2) en het oppompen van een te hoog debiet (1).
Controle van een bottelarij Eén van de gecontroleerde bedrijven was een bottelarij in de Vlaamse Ardennen, vergund door het College van Burgemeester en Schepenen voor het exploiteren van een klasse 2-inrichting. Meer specifiek is deze inrichting vergund voor het winnen van oppervlakkig, spontaan opwellend grondwater en het winnen van grondwater uit de Sokkel. Tijdens de inspectie werd vastgesteld dat de winning van grondwater uit de Sokkel is gestopt. Een nieuwe, minder diepe winningsput werd geboord en is in exploitatie. Voor deze nieuwe waterwinningsput is geen milieuvergunning verleend. Een aanvraagdossier voor het exploiteren van de nieuwe winningsput zou begin 2006 worden ingediend bij de Bestendige Deputatie. Het betreft immers een klasse 1-inrichting. Het effectief opgepompte debiet werd bepaald op basis van het officieel gebottelde volume en niet op basis van objectieve debietmetingen. Als gevolg van de bezoeken van de MI werd een bijkomende debietmeter geïnstalleerd en wordt ondertussen het opgepompte debiet genoteerd in een register. De milieuvoorwaarden met betrekking tot peilmetingen werden niet nageleefd. MI stelde een prioritair proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om zich in orde te stellen met de milieuwetgeving. MI zal uiteraard niet nalaten deze aanmaning van nabij op te volgen.
Specifieke handhavingscampagnes • 61
Het werken met GGO’s en pathogene organismen vereist specifieke inperkingsmaatregelen
Opslag van risicohoudend medisch afval, klaar voor afvoer naar een verbrandingsinstallatie
Werkgroep GGO’s Het manipuleren van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en pathogene organismen kan bepaalde risico’s voor de menselijke gezondheid en het leefmilieu met zich meebrengen. De term GGO’s is een verzamelnaam voor micro-organismen (bijvoorbeeld bacteriën en virussen), planten en dieren waarvan het genetisch materiaal (DNA) op kunstmatige wijze wordt gemanipuleerd. Pathogene organismen zijn microorganismen die een ziekte kunnen verwekken bij mensen, dieren of planten. Na het verkennend onderzoek naar de handhavingsaanpak van de milieu- en veiligheidsproblemen met betrekking tot genetische modificatie in 2004 wou MI de opgedane kennis in 2005 verder valoriseren. In 2005 voerde MI dan ook een inspectiecampagne bij een dertigtal bedrijven waaronder farmaceutische bedrijven, ziekenhuizen, onderzoekslaboratoria en klinische laboratoria.
Wetgeving De wetgeving is gebaseerd op de Europese Richtlijn 98/81/EEG van 26 oktober 1998 inzake het ingeperkt gebruik van GGO’s. De richtlijn werd in 2004 in Vlarem geïmplementeerd. Evenals sommige andere Europese lidstaten hebben de drie gewesten van België ervoor geopteerd om het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden zodat ook pathogene organismen onder die reglementering vallen. Het principe van die wetgeving komt erop neer dat een inrichting, die GGO’s of pathogene organismen aanmaakt of onderzoekt, een risicoanalyse van haar activiteiten moet uitvoeren. Op basis van die risicoanalyse wordt het bedrijf ingedeeld in een van de vier risicoklassen. Aan elk risiconiveau zijn een aantal maatregelen verbonden om te verhinderen dat mens en leefmilieu worden blootgesteld aan die organismen. Naarmate het risiconiveau stijgt, zijn er meer en stringentere inperkingsmaatregelen vereist. Vlarem II maakt onderscheid tussen vijf types van activiteiten met specifieke inperkingsmaatregelen: laboratoria, animalaria, serres, ziekenhuiskamers en grootschalige activiteiten. Hoewel
62 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
er in de wetgeving sprake is van ziekenhuiskamers en grootschalige activiteiten, komen deze in de praktijk bijna niet voor. Gezien de specificiteit van elk onderzoek met GGO’s of pathogene organismen moeten inrichtingen, naast een milieuvergunning, voor elke verschillende activiteit een toelating aanvragen bij de afdeling Milieuvergunningen. MI controleert of de vergunningstoestand correct is en of de inperkingsvoorwaarden, opgelegd in de wetgeving en in de toelating, worden toegepast.
Inspectiecampagne Om uniforme en diepgaande controles mogelijk te maken, gebruikte MI de in 2004 opgestelde checklist met alle geldende inperkingsmaatregelen per type van activiteit en per risiconiveau voor de inspectie van 30 inrichtingen. Gezien ook de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (APSG of kortweg Gezondheidsinspectie) bevoegd is om toezicht uit te oefenen bij inrichtingen waar ze adviesbevoegdheden hebben, onder andere de inrichtingen waar activiteiten met GGO’s of pathogene organismen plaatsvinden, deelde MI begin 2005 aan de Gezondheidsinspectie mee welke inrichtingen in 2005 zouden gecontroleerd worden. De Gezondheidsinspectie kon hiermee rekening houden bij de opmaak van hun planning. Het was de bedoeling van MI om te vermijden dat hetzelfde bedrijf kort na elkaar door zowel Gezondheidsinspectie als MI gecontroleerd zou worden. Tijdens de inspecties besteedde MI naast de controle van alle geldende Vlarem-inperkingsmaatregelen ook specifiek aandacht aan de Vlarea-voorwaarden voor de opslag van het risicohoudend medisch afval (RMA). Bedrijven zijn immers verplicht, wanneer ze het niet zelf inactiveren, hun met biologische agentia besmet afval als risico-houdend medisch afval te laten ophalen om te verbranden. De inzamelruimte voor de tijdelijke opslag van het RMA moet aan een aantal eisen voldoen. Daarbij o.a. volgende eisen: de inzamelruimte kan enkel ingericht worden in een gesloten en overdekte opslagruimte of gesloten container, is niet toegankelijk voor onbevoegden en dieren, moet voorzien worden van de nodige veiligheidssignalisatie en moet desinfecteerbaar zijn
MI stelde een proces-verbaal op omdat afvalstoffen met een duidelijk medisch karakter rondslingerden rond de container voor de opslag van RMA
Om dergelijke complexe en omvangrijke controles uit te voeren is het niet alleen belangrijk om over voldoende tijd te beschikken, maar is het van cruciaal belang te beschikken over sterk gespecialiseerde toezichthoudende ambtenaren met de nodige kennis, expertise en handhavingsvaardigheden. Een GPBVinspectie is niet het werk van één persoon, maar het werk van een team van specialisten, elk in zijn/haar milieucompartiment. Om daaraan uitvoering te geven werd begin 2004 binnen MI een GPBV-kernteam opgericht. Dat kernteam bestaat uit vertegenwoordigers van de Hoofdinspectie en één vertegenwoordiger per buitendienst. Het team wordt geleid door het diensthoofd van de Hoofdinspectie.
GPBV-richtlijn Resultaten van de inspectiecampagne MI stelde bij drie ziekenhuizen een proces-verbaal op voor het uitvoeren van activiteiten van een hoger risiconiveau dan toegelaten: de laboratoria van deze ziekenhuizen voerden bijkomende analyses uit op Mycobacterium tuberculosis (veroorzaker van TBC). Volgens hun toelating mochten ze dit pathogene organisme enkel detecteren en was verdere manipulatie van de positieve stalen uitdrukkelijk verboden. Het detecteren van dit organisme vergt slechts een inperkingsniveau 2 (met een aantal bijkomende maatregelen) terwijl verdere analyse een inperkingsniveau 3 vereist. Bijkomend heeft MI één van de drie ziekenhuizen ook geverbaliseerd omdat rond de container voor de opslag van RMA afvalstoffen met een duidelijk medisch karakter zoals petriplaten (gebruikt voor het opkweken van pathogene organismen) rondslingerden op het terrein. Bij 22 andere inrichtingen stelde MI tekortkomingen vast op de geldende inperkingsmaatregelen zonder rechtstreeks gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu en maande MI de exploitant aan alle verplichtingen na te komen. Vaak voorkomende tekortkomingen zijn onder andere: het niet correct opslaan van RMA, het niet valideren van afdodingsmethoden, het onvoldoende beschikken over vereiste procedures, het niet correct gebruiken van de recipiënten voorzien voor RMA, het niet aanwezig zijn van registers met alle organismen,… In de loop van volgende jaren plant MI nog gelijkaardige inspectiecampagnes.
Kernteam GPBV GPBV staat voor ‘geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging’, in het Engels IPPC of ‘integrated pollution prevention and control’. Een GPBV-inspectie is uitgebreider, diepgaander en meer divers dan de totnogtoe gehanteerde traditionele mono- of multidisciplinaire aanpak. Bij GPBV wordt naast de klassieke aanpak (bestrijding van verontreiniging) ook de klemtoon gelegd op enerzijds de geïntegreerde aanpak en anderzijds op de preventieve aanpak. Bovendien komen nieuwe thema’s aan bod (grondstoffen, energie, evaluatie toepassing BBT + milieukwaliteitsnormen,…).
Om de nieuwe aandachtspunten te accentueren wordt verwezen naar de overwegingen en artikelen die opgenomen zijn in de richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (verschenen in het Europees Publicatieblad nr. L257 van 10 oktober 1996). Die richtlijn bevat voor MI belangrijke artikelen en doelstellingen. Samengevat zijn de doelstellingen van de richtlijn de volgende: - voorafgaande vergunningsprocedure; - hoog beschermingsniveau bereiken voor mens en milieu in zijn geheel; - de verontreiniging bij voorrang bestrijden aan de bron; - voorzichtig beheer van natuurlijke hulpbronnen (vb grondstoffen); - duurzame ontwikkeling bevorderen; - BBT toepassen; - energie op doelmatige wijze gebruiken; - geïntegreerde aanpak i.p.v. afzonderlijke initiatieven per milieucompartiment; - voorkomen en, indien mogelijk, tot een minimum beperken van emissies naar de lucht, het water en de bodem; - naleven van milieukwaliteitsnormen; - minimale grensoverschrijdende verontreiniging; - ontstaan van afvalstoffen voorkomen, zoniet ze nuttig toepassen of, wanneer het technisch en economisch onmogelijk is, verwijderen; - nodige maatregelen treffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken; - voorzien van maatregelen voor andere dan normale bedrijfsomstandigheden zoals opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, en definitieve bedrijfseindiging; - vergunningsvoorwaarden moeten geregeld worden getoetst en bijgesteld.
Doelstellingen van het GPBV-project Net zoals tijdens het proefproject in 2004 opteerde MI ervoor om ook in 2005 de GPBV-inspecties te beperken tot 10 bedrijven (twee per buitendienst) in dezelfde sector, namelijk de chemiesector. Aanvullende vereiste was dat voor de sector ook een Europese BBT-studie of BREF (Best Available Techniques Reference Document) beschikbaar was. Veel chemiebedrijven zijn potentieel (zwaar) milieubelastend, bijvoorbeeld vanwege
Specifieke handhavingscampagnes • 63
Bij een GPBV-controle wordt naast de klassieke aanpak ook de klemtoon gelegd op enerzijds de geïntegreerde aanpak en anderzijds de preventieve aanpak
hun grote aandeel in de lozing van gevaarlijke stoffen, belangrijke emissies naar de lucht, de productie van afvalstoffen en de opslag van gevaarlijke stoffen. De doelstellingen van dat proefproject werden in het MIP 2005 als volgt omschreven: Dit project zal starten met een evaluatie van het GPBV-proefproject 2004 en de opmaak van een definitieve versie van de checklist. De werkgroep zal zich ook buigen over de manier van terugkoppeling van de inspectiebevindingen van 2004 naar de betrokken bedrijven. Rekening houdend met de bevindingen worden voor 2005 opnieuw 10 bedrijven voor controles geselecteerd (twee bedrijven per buitendienst). Het is de bedoeling om een zo groot mogelijke homogeniteit binnen deze selectie, zowel naar aard van de productie als naar omvang van het bedrijf, na te streven. Het doel is het uitvoeren van geïntegreerde en diepgaande controles, met een zo groot mogelijke uniformiteit bij het uitvoeren van de controles en bij de verdere afhandeling. Bij de geïntegreerde controle komen, naast de vergunningstoestand, de diverse milieuaspecten aan bod. Daarbij onder andere volgende aandachtspunten: - afvalwater: controle van de lozing door schepmonsters en debietproportionele mengmonsters (na inventarisatie van de ‘lozingsvergunning’ en rekening houdend met de mogelijke verontreiniging bij het ontstaan van het afvalwater), controle van de uitvoering van de zelfcontrole; - afval: nagaan welke afvalstoffen ontstaan, in welke hoeveelheden, wat er intern mee gebeurt, hoe en naar waar ze worden afgevoerd; daarbij worden eventueel monsternames van de afvalstoffen uitgevoerd;
64 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
- lucht: controle van de zelfcontrole, zowel voor de stookinstallaties als voor de procesemissies, eventueel aangevuld met eigen metingen; aandacht voor de keuring van apparatuur, meetmethoden en procedures; - veiligheid: controle van de opslag van gevaarlijke stoffen en van de relevante keuringsattesten, aangevuld met een controle van de veiligheid van het proces (aan de hand van de controle van de veiligheidsstudies).
Evaluatie van het proefproject 2004 In 2004 startte MI met een proefproject om GPBV-bedrijven uit de chemiesector te controleren. Na de controles bij 10 bedrijven evalueerde het kernteam het verloop van deze inspecties. De voornaamste bevindingen en aanpassingen aan de aanpak van de GPBV-controles zijn: - de gecontroleerde bedrijven waren vragende partij om voldoende feedback te krijgen over de uitgevoerde inspecties. MI besloot dan ook om niet zoals gebruikelijk alleen terug te koppelen door het opleggen van maatregelen, maar ook door een beoordelingsverslag op te stellen en naar het bedrijf te sturen. In het beoordelingsverslag werden de vaststellingen per milieuthema opgenomen; - het controle-instrument werd aangepast: in plaats van gebruik te maken van een checklist waarbij alle vragen systematisch werden afgehandeld opteerde MI ervoor om tijdens de controles gebruik te maken van een handleiding. De handleiding is geen invuldocument waarbij elk punt tot in detail moet worden getoetst, maar het dient als hulpmiddel om op bepaalde relevante aspecten diepgaander te kunnen ingaan en doorvragen; - wegens het sterk bevragende karakter van een GPBV-inspec-
MI evalueerde het proefproject van 2004 en voerde opnieuw 10 GPBV-controles uit bij chemiebedrijven
De meest markante vaststellingen en conclusies werden na afloop van de inspectie in een beoordelingsverslag aan de exploitant meegedeeld
tie besliste MI ook om het principe van unieke informatie inzameling toe te passen. Ter voorbereiding van de inspecties werd uitvoerig gebruik gemaakt van de informatie die reeds in het bezit was van MI of een andere Vlaamse overheidsdienst (vergunningsaanvragen, vergunningsbesluiten, milieujaarverslagen, resultaten zelfcontrole, MER’s, VR’s, decretale audits, enz…). Op deze manier werd vermeden dat bedrijven dubbel werden bevraagd; - de inspecties werden gespreid in de tijd: in plaats van een éénmalige inspectie van opeenvolgende dagen werd er voor gekozen om het bedrijf te onderwerpen aan meerdere inspecties gespreid over een periode van een paar maand. Op deze manier konden de informatie en de vaststellingen van een inspectiedag voldoende verwerkt worden om er eventueel tijdens een volgende inspectiedag op terug te komen; - om de GPBV-planning van zowel AMV als MI optimaal op elkaar af te stemmen, werd voorafgaand aan de selectie van de te inspecteren bedrijven overleg gepleegd met AMV.
Wegens het uitgebreide en sterk bevragende karakter van de inspecties werden deze op voorhand schriftelijk aangekondigd. In deze aankondiging werd het bedrijf op de hoogte gesteld van de doelstelling van de inspectie en werd ook een inhoudstabel van de handleiding meegestuurd zodat het bedrijf zich grondig kon voorbereiden. Tegelijkertijd werd het bedrijf gevraagd tijdens de eerste inspectiedag een korte toelichting te geven over het gebruikte productieproces.
In 2005 werden, net zoals tijdens het proefproject in 2004, 10 chemiebedrijven (in eerste instantie bedrijven die grote volumes organische stoffen produceren) onderworpen aan een GPBV-inspectie.
Bij een GPBV-inspectie komen de volgende thema’s aan bod: - vergunningstoestand; - milieuzorg; - preventie: algemeen en geïntegreerd: doorlichting van de processen en inventarisatie van de productstromen; preventieve maatregelen onder normale bedrijfsomstandigheden; preventieve maatregelen onder andere dan normale bedrijfsomstandigheden: opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve stopzetting; preventie van ongevallen. - duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en energie; - preventie en beheer van afval; - preventie en bestrijding van emissies naar lucht; - preventie en bestrijding van emissies naar water; - preventie en bestrijding van emissies naar bodem en grondwater; - beheersing van ongevallen.
Voorafgaand aan de eigenlijke GPBV-inspectie werd gestart met die vaststellingen die best onaangekondigd gebeuren: monsternames, metingen, enz. Deze vaststellingen werden voldoende op voorhand uitgevoerd zodanig dat het bedrijf tijdens de GPBV-inspectie met de resultaten ervan geconfronteerd kon worden.
De verantwoordelijke voor het uitvoeren van de GPBV-inspecties was het GPBV-kernteamlid dat de inspecties samen met de dossierhouder uitvoerde. Om de inspecties de nodige diepgang te geven liet het kernteamlid zich voor de verschillende specifieke disciplines bijstaan door het betrokken werkgroeplid of de respectievelijke werkgroepgangmaker.
Inspectieaanpak
Specifieke handhavingscampagnes • 65
De eerste inspectiedag startte MI met een toelichting van de doelstellingen van een GPBV-controle. Vervolgens werd het productieproces door het bedrijf toegelicht. Daarna volgde een rondgang op het bedrijfsterrein om de vergunningstoestand na te gaan. De eerste inspectiedag werd afgesloten met een gezamenlijke opmaak van de planning van de komende inspectiedagen.
worden er naar schatting 1.100 GPBV-bedrijven geëxploiteerd. Een tiental GPBV-bedrijfscontroles op jaarbasis zijn slechts een druppel op een hete plaat.
Multidisciplinaire scanning van (potentieel) sterk milieubelastende bedrijven.
Tijdens de volgende inspectiedagen kwamen de verschillende milieuthema’s aan bod en was het essentieel dat de juiste personen en documenten op het bedrijf aanwezig waren. Hier waren ook telkens specialisten van de desbetreffende milieudiscipline aanwezig.
MI lichtte in de provincies Antwerpen, Limburg, VlaamsBrabant en Oost-Vlaanderen 27 (potentieel) sterk milieubelastende bedrijven grondig door. Bij deze controles schonk MI aandacht aan de productie van afval, de lozing van bedrijfsafvalwater, de bescherming van de bodem tegen verontreiniging, de geluidsbronnen, het beheer van gevaarlijke stoffen, het gebruik van grondwater en de emissies naar de lucht. Dit soort uitgebreide controles waarbij meerdere milieucompartimenten worden geïnspecteerd zijn ‘multidisciplinaire’ controles. Waar nodig onderzocht MI zelf de samenstelling van afvalstoffen, afvalwater en in de lucht uitgestoten gassen.
De meest markante vaststellingen en conclusies werden na afloop van de inspectie en na beoordeling van de vaststellingen in een beoordelingsverslag aan de exploitant meegedeeld. Als er (dreigende) tekortkomingen werden vastgesteld, nam MI de nodige strafrechtelijke en administratiefrechtelijke maatregelen (raadgevingen, aanmaningen, processen-verbaal en voorstellen krachtens artikel 45 van Vlarem I tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden, deze laatste gericht aan de afdeling Milieuvergunningen als adviesverlenende instantie). Een voorstel tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden gebeurt bij specifieke lokale situaties indien blijkt dat er strengere voorwaarden noodzakelijk zijn dan de algemene en sectorale voorwaarden.
Het opzet van deze actie was ondermeer om na te gaan of de emissies naar de lucht, het water en de bodem waar mogelijk worden voorkomen, en waar dat niet haalbaar was deze tot een minimum te beperken. Op die manier trachtte MI de bedrijven ertoe aan te zetten het beginsel van duurzame ontwikkeling toe te passen om een hoog beschermingsniveau voor het milieu in het algemeen te bereiken.
Genomen maatregelen De door MI genomen maatregelen na de tien GPBV-controles zijn kort samengevat in de onderstaande tabel. Uit die gegevens blijkt duidelijk dat diepgaande en gespecialiseerde GPBV-controles meer dan noodzakelijk zijn. De onderstaande cijfers spreken voor zich.
De gecontroleerde bedrijven werden geselecteerd op basis van hun potentiële milieubelasting, de verplichting tot opmaak van een milieujaarverslag en de mate waarin ze werden gecontroleerd in voorgaande jaren. Bij 9 van de 27 gecontroleerde bedrijven stelde MI een proces-verbaal op. Alle bedrijven, op twee na, ontvingen meerdere aanmaningen om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen.
In 2006 wordt dit project in de sector van de chemiebedrijven voortgezet. Zo worden in de buitendiensten Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen opnieuw telkens twee chemiebedrijven gecontroleerd. In de buitendiensten Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen wordt ervoor geopteerd om een nieuwe sector te controleren, namelijk de galvanosector. Na een aanpassing van de handleiding voor GPBV-controles, aan de hand van de beschikbare Europese BBT-studies of BREF’s voor deze sector, zal per buitendienst één bedrijf gecontroleerd worden. Gelet op de beperkte beschikbare middelen wordt het aantal te controleren bedrijven in 2006 beperkt tot acht. In Vlaanderen
Multidisciplinaire scanning bij een inrichting voor de opslag van gevaarlijke stoffen MI besliste om een grondige scanning uit te voeren bij een klasse 1-inrichting voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Het feit dat de gemeentelijke milieuambtenaar zijn bezorgdheid uitte over de veiligheid (in de inrichting wordt ook nitrocellulose opgeslagen) en over de naleving van de milieuvoorwaarden lag mee aan de basis van deze beslissing. Bij een eerste controle van dit bedrijf stelde MI heel wat inbreuken op de
Proces-verbaal
Aanmaning
Raadgeving
Voorstel tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden
Antwerpen
-
1
-
1
Limburg
-
2
2
-
Oost-Vlaanderen
-
2
-
-
Vlaams-Brabant
1
2
2
2
West-Vlaanderen
-
-
1
-
Totaal
1
7
5
3
66 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
MI verbaliseerde alle tekortkomingen en maande het bedrijf aan om zich in overeenstemming te brengen met de milieuvoorschriften. Bij de voortgangscontrole van de gegeven aanmaningen bleek al snel dat het bedrijf geen al te grote haast had met het uitvoeren van de noodzakelijke saneringsmaatregelen. Daarop besliste MI om opnieuw een controle uit te voeren. De vaststellingen werden opnieuw gebundeld in een proces-verbaal en MI maande de exploitant aan tot een grotere spoed bij het nemen van de nodige maatregelen om zijn bedrijf uit te baten volgens de geldende milieuvoorschriften. Enige tijd later waren volgende saneringen uitgevoerd of in uitvoering: - bij de bevoegde overheid werd een kennisgeving als hogedrempel Seveso-inrichting ingediend; - er werd gestart met de opmaak van een veiligheidsrapport in het kader van het Samenwerkingsakkoord betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn; MI voerde een multidisciplinaire scanning uit bij een inrichting voor de opslag van gevaarlijke stoffen en stelde heel wat tekortkomingen vast
- er werden offertes gevraagd voor de opmaak van een omgevingsveiligheidsrapport; - het brandstoffenverdeelstation werd heraangelegd; - een deel van de keuringsverslagen werden aan MI bezorgd;
milieuvoorschriften vast. Bovendien bleek het bedrijf een hoge drempel Seveso-inrichting te zijn en had het bedrijf nagelaten dit te melden bij de bevoegde diensten. De diverse vaststellingen tijdens de eerste controle gaven aanleiding tot een nieuwe controle, ditmaal samen met een Seveso-inspectieteam met Vlaamse en federale inspecteurs. Tijdens de beide controles werden zowel administratieve als ‘technische’ tekortkomingen vastgesteld: - de milieuvergunning was onvolledig en diende geactualiseerd te worden aan de werkelijke toestand; - noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen ontbraken; - het bedrijf respecteerde onvoldoende de wettelijk voorziene veiligheidsafstanden bij de opslag van gevaarlijke stoffen;
- het zoneringsplan werd opgesteld en aan de bevoegde overheid bezorgd; - er werd een milieucoördinator aangesteld; - de exploitant gaf de opdracht tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek; - de opgeslagen afvalstoffen werden naar een daartoe vergunde inrichting afgevoerd.
Door het MI-optreden en de voortgangscontroles nam het bedrijf een aanvang met het treffen van de nodige maatregelen om alle toepasselijke milieuvoorwaarden na te leven. MI zal dit bedrijf, gelet op de aard van de inrichting en de moeilijke start van de saneringen, verder van zeer nabij volgen.
- de brandstofverdeelinstallatie was verouderd en voldeed niet meer aan de nu geldende milieuvoorschriften; - de onoordeelkundige opslag van afvalstoffen gaf aanleiding tot bodemverontreiniging; - de bepaling van de noodzakelijke blusmiddelen gebeurde niet in overleg met de brandweer; - er bestond geen gevaarlijke stoffen-situatieplan; - periodieke keuringen van houders en elektrische installaties gebeurden niet tijdig of helemaal niet - er was geen zoneringplan; - registers waren onvolledig; - de documentatiemap met de gevaarskenmerken van ieder opgeslagen product was verouderd en onvolledig.
Specifieke handhavingscampagnes • 67
Routinecontroles vormen de basis voor de aanwezigheidspolitiek op het terrein en zorgen ervoor dat de kans op controle niet verbonden is aan bijvoorbeeld een campagne of een klacht. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt in detail ingegaan op de monsternames en metingen, telkens per milieuhygiënische sector. Heel wat monsternames en metingen worden door de toezichthoudende ambtenaren zelf uitgevoerd. De andere monsternames en metingen én alle analyses worden uitgevoerd door erkende laboratoria. Vervolgens worden de andere routineopdrachten besproken. Die hebben betrekking op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen, bijvoorbeeld bij weigering van een vergunning, een vergunning met bijzondere voorwaarden of zelfcontrole. Alle onderwerpen worden geïllustreerd met een of meer reële dossiers.
Routinecontroles Routinemonsternames Een toezichthoudend ambtenaar kan met de eigen zintuigen heel wat vaststellingen doen, maar in veruit de meeste gevallen is het noodzakelijk om monsters te nemen voor een correcte en volledige technische vaststelling of om de juiste graad van verontreiniging of niet-conformiteit met de regelgeving te bepalen. In de onderstaande tabel wordt duidelijk dat er in 2005 heel wat monsters werden genomen. Rekening houdend met het feit dat elk monster geanalyseerd wordt op verschillende parameters, betekent dit dat er vele duizenden analyses werden uitgevoerd.
Overzicht van het aantal routinemonsternames Aantal monsternames Afval
573
Bodem
89
Grondwater
35
Water
1.917 2.614
Totaal
Het aantal routinemonsternames werd voor de voorbije zeven jaar uitgezet in de onderstaande grafiek. Vanaf 2004 kan een lichte trendbreuk worden vastgesteld: na een jarenlange daling van het aantal monsternames, is er opnieuw een lichte stijging.
&WPMVUJF WBO EF NPOTUFSOBNFT
HSPOEXBUFS CPEFN
3PVUJOFNPOTUFSOBNFT JO
BGWBM XBUFS
8BUFS
(SPOEXBUFS
#PEFN
"GWBM
Routinecontroles • 69
Tijdens een routinecontrole nam MI een monster van het geloosde afvalwater
Na de veranderingswerken aan de waterzuivering voldeed de brouwerij aan de opgelegde lozingsnormen
Routinemonsternames water De routinemonsternames van afvalwater worden telkens op voorhand gepland. Eind 2004 werd een planning opgesteld voor de in 2005 uit te voeren afvalwatercontroles. Er werd verder gewerkt met een basisfrequentie, zoals in de voorbije vier jaar. De basisfrequentie is de minimale frequentie waarmee een bedrijf zal worden gecontroleerd.
Resultaten afvalwatercontroles Totaal Gecontroleerde bedrijven
813
- met steekproef
601
- met uitgebreide controle
212
Aantal monsters
De regels voor het bepalen van die basisfrequentie werden vastgelegd op basis van het debiet van de lozing, de bestemming van de lozing (RWZI of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke stoffen in het effluent. Die regels worden jaarlijks geëvalueerd en eventueel aangepast, en houden rekening met het beschikbare budget en personeel. De reële monsternamefrequentie houdt behalve met die basisfrequentie ook rekening met de voorgeschiedenis van een bedrijf. De routinematige afvalwatercontroles vallen in grote lijnen uiteen in twee categorieën. Enerzijds voert MI een aanwezigheidspolitiek door steekproeven uit te voeren. Dat zijn onaangekondigde afvalwatercontroles waarbij een schepmonster van het op dat ogenblik geloosde afvalwater wordt genomen. Die controles vinden zowel tijdens als buiten de diensturen plaats (ook in het weekend). Anderzijds besteedde MI in 2005 opnieuw heel wat aandacht aan debietsproportionele monsternamecampagnes. Daarbij plaatst MI via een erkend laboratorium zelf een monsternametoestel en wordt de lozing gedurende een of enkele weken continu gevolgd. Dergelijke langdurige monsternamecampagnes zijn een belangrijk instrument bij de beoordeling van probleemlozingen. Naast de routinematige afvalwatercontroles werden ook heel wat monsternames en analyses uitgevoerd in het kader van specifieke handhavingscampagnes en in mindere mate bij reactieve controles. In totaal analyseerden erkende laboratoria voor MI 1.917 monsters. Voor de monsternames en de analyses gebruikte MI een bedrag van 816.256,11 euro. De onderstaande tabel geeft de resultaten van de afvalwatercontroles voor het werkjaar 2005 in cijfers weer. 25% van de gecontroleerde bedrijven werd uitgebreid gecontroleerd, met meer dan twee monsternames. Bij 7,6% van de gecontroleerde bedrijven werden in 2005 een of meer overtredingen vastgesteld.
70 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
1.917
Bedrijven een of meermaals in overtreding
62
Bedrijven met een of meer aanmaningen
60
Bedrijven waarin een sanering is doorgevoerd
66
Routinemonsternames bij een brouwerij Een brouwerij in de provincie Antwerpen loost het gezuiverde bedrijfsafvalwater in een beek. MI bemonstert dit afvalwater verschillende keren per jaar. In 2001 verstrengde de vergunningverlenende overheid de lozingsnormen van deze brouwerij. Bij een volgende monstername bleek dat het bedrijf de nieuwe normen niet volledig naleefde. Het chemisch zuurstofverbruik, de hoeveelheid zwevende stoffen en de gehaltes aan totaal-stikstof en totaal-fosfor waren probleemparameters. MI stelde een proces-verbaal op en gaf het bedrijf een aanmaning om maatregelen te treffen zodat de lozingsvoorwaarden zouden worden nageleefd. Hierop gaf de brouwerij een studiebureau een onderzoeksopdracht om de werking van de afvalwaterzuiveringsinstallatie aan te passen en uit te breiden. Nadat het voorgestelde concept werd voorgelegd aan MI, begonnen de verbouwingswerken. Na de aanpassing werd de gist in het afvalwater grondiger afgescheiden zodat de voorbezinking verbeterde. Het influent werd bijkomend gebufferd wat een stabielere belasting voor de anaërobe biologische waterzuiveringsinstallatie garandeerde. In de buffertank was een systeem voor de correctie van de zuurtegraad toegevoegd. Er waren meer mogelijkheden om de slibbelasting te controleren wat resulteerde in een gunstig effect op de fosfaatconcentratie van het geloosde water. Om de stikstofverwijdering te verbeteren werd de aërobe zone van de biologische waterzuiveringsinstallatie volledig herbouwd en bijkomend uitgerust met een systeem voor de controle van het zuurstofgehalte in deze zone.
Na de veranderingswerken aan het waterzuiveringsstation voldeed het bedrijf aan de haar opgelegde lozingsnormen.
ambtenaren hebben de mogelijkheid om één of meerdere analysepakketten aan te vragen voor een monster.
Routinemonsternames afvalstoffen, bodem, grondwater en mest In tegenstelling tot de routinemonsternames van afvalwater bestond voor de bemonstering van afval, bodem, grondwater en mest in 2005 aanvankelijk nog geen afgesproken basisfrequentie waarmee bepaalde afvalproducerende of -verwerkende bedrijven bemonsterd zouden moeten worden. Eind 2005 werd wel een planning opgesteld voor de in 2006 uit te voeren afvalstoffencontroles. Deze planning hield rekening met de risico’s en de capaciteit van de betrokken bedrijven. Een bemonsteringsfrequentie werd eraan gekoppeld, weliswaar rekening houdend met het beschikbare budget. Gemiddeld neemt een toezichthoudend ambtenaar in de loop van een kalenderjaar een zevental monsters van afvalstoffen, bodem, grondwater of mest. De redenen om over te gaan tot bemonstering zijn van uiteenlopende aard. Bij afvalverwerkende bedrijven worden binnenkomende partijen afvalstoffen geregeld bemonsterd om na te gaan of ze voldoen aan de aanvaardingscriteria. Afvalstromen die voorbestemd zijn om, eventueel na een voorbehandeling, als secundaire grondstof aangewend te worden, worden bemonsterd om te controleren of de samenstelling voldoet aan de voorgeschreven normen. Partijen uitgegraven bodem in grondreinigingsbedrijven, tussentijdse opslagplaatsen of opvulgronden bij groeven en graverijen worden bemonsterd en geanalyseerd om de legaliteit van de bestemming ervan te controleren. Niet-geïdentificeerde recipiënten op een bedrijf worden bemonsterd om na te gaan of de inhoud ervan geen gevaarlijke afvalstoffen bevat. Bij klachten over stofneerslag van een bedrijf worden de afgezette deeltjes bemonsterd om de schadelijkheid ervan te controleren. Bij eindproducten van verwerkers van dierlijke afvalstoffen wordt de microbiële zuiverheid gecontroleerd. Naast de routinemonsternames worden ook monsters genomen bij de uitvoering van gecoördineerde projecten en acties. Toezichthoudende Overzicht van de geanalyseerde parameterpakketten Pakket
Aantal
Aanvaardingscriteria categorie 1-stortplaatsen
63
Aanvaardingscriteria categorie 2-stortplaatsen
26
Aanvaardingscriteria categorie 3-stortplaatsen
8
Samenstellingscriteria afgewerkte olie
4
Vlarebo-parameters - bodem Vlarebo-parameters - grondwater Vlarea-parameters - meststof /bodemverbeterend middel Vlarea-parameters - niet-vormgegeven bouwstof
190 33 51 105
Eindproducten verwerkers HRM
5
Eindproducten verwerkers LRM
103
Mest
6
Extra parameters grondwater
11
Te verbranden houtafval
59
Uiteraard bestaat de mogelijkheid om voor elk individueel monster specifieke parameters te laten analyseren. Indien zeer specifieke, gevaarlijke of grote aantallen monsters moeten worden genomen, kunnen toezichthoudende ambtenaren hiervoor beroep doen op de MI-labocontractant. In 2005 werden in totaal 573 afvalmonsters geanalyseerd, 89 van bodem en 35 van grondwater. Voor de monsternames en analyses werd een bedrag van 482.398,98 euro besteed. Routinemonstername van secundaire grondstoffen Midden maart ontving MI een besluit van OVAM, waarbij aan een aardappelverwerkend bedrijf een gebruikscertificaat werd verleend om het behandeld slib, afkomstig van de biologische waterzuiveringsinstallatie, te gebruiken als meststof of bodemverbeterend middel. In het kader van een routinemonstername bemonsterde MI dit slib en stelde daarbij vast dat er een overschrijding was van het gehalte aan minerale olie. Uit de analyse van de verschillende fracties bleek dat de olie van petrogene en niet van biologische oorsprong was. Hierop werd er een proces-verbaal opgesteld en werd OVAM op de hoogte gebracht van onze bevindingen. Een intern onderzoek door het bedrijf bracht aan het licht dat de overschrijding te wijten was aan een defecte pomp, die zorgde voor een overdosering van polymeer. Het defect zou echter verholpen zijn en het slib zou opnieuw aan de normen voldoen. Daarop nam MI een nieuw monster van het slib, waarbij de analyse met spoed werd opgevraagd. Eind september ontving MI de analyseresultaten. Het analyseresultaat voor minerale olie was gelijk aan de norm. Ook van deze analyseresultaten werd OVAM op de hoogte gebracht. Eind oktober ontving MI van OVAM het bericht dat het schorsingsbesluit van 5 oktober 2005 ongedaan werd gemaakt. Er dient het eerste jaar wel een monitoring, in de vorm van vier analyses per jaar, te gebeuren. Routinemonsternames bij een afvalverwerkend bedrijf In maart nam MI vier afvalmonsters in een afvalverwerkend bedrijf in de provincie Antwerpen. Dit bedrijf genereert een belangrijke stroom afvalstoffen, bestemd voor een categorie 1-stortplaats. MI bemonsterde afval dat gedurende enkele uren geproduceerd was in een verbrandingsinstallatie: ketelas van de stoomketel, vliegas van de elektrofilter, slib van de slibverpomping van de waterzuiveringsinstallatie en bodemas van de afvalverbrandingsinstallatie. Bij elk monster voerde MI een radioactiviteitsmeting uit. Bij geen enkel monster werd straling waargenomen. De monsters werden geanalyseerd op TOC, PAK’s, PCB’s en de aanvaardingscriteria van categorie 1-stortplaatsen. Uit de analyseresultaten bleek dat er geen overschrijdingen van de normen waren. In april nam MI op de stortplaats een monster van een partij
Routinecontroles • 71
Aantal metingen 250
200
150
100
50
0 1999 geluid
2000
2001
2002
2003
2004
lucht
MI nam verschillende monsters op de stortplaats en liet deze analyseren op de aanvaardbaarheidscriteria van categorie 1 - stortplaatsen
gezeefde bodemassen in granulaatvorm, afkomstig van de ovens van het hierboven vermelde bedrijf. Het monster werd geanalyseerd op de aanvaardingscriteria voor categorie 1stortplaatsen en ook hier was er geen overschrijding van de normen. In juli nam MI op dezelfde stortplaats opnieuw monsters. Deze keer werden de meest recent gestorte partijen van de meest omvangrijke afvalstromen bemonsterd. Er werden monsters genomen van zwarte bodemassen, witte filterkoeken uit de zoutcel van de stortplaats, bruine filterkoeken van de afvalwaterzuiveringsinstallatie en verharde zwarte vliegassen. Deze monsters werden geanalyseerd op de aanvaardingscriteria van categorie 1-stortplaatsen. De onderzochte parameters voldeden aan de normen.
akoestisch onderzoek dat door MI wordt uitgevoerd, kan verschillende geluidsmetingen behelzen. Het aantal routinemetingen lucht, geluid en trillingen van de voorbije zeven jaar werd uitgezet in de onderstaande grafiek. Het aantal luchtmetingen nam sinds 2000 beduidend toe nadat contracten werden afgesloten met erkende laboratoria lucht, waardoor het voor een toezichthoudend ambtenaar administratief eenvoudiger werd om emissiemetingen te laten uitvoeren. In 2005 werden minder luchtmetingen uitgevoerd. De reden hiervoor was de overstap van driedaagse naar ééndaagse metingen voor installaties met een potentieel beduidende dioxine-uitstoot en de verschuiving van metingen bij afvalverbrandingsinstallaties naar het voorjaar van 2006 omdat de nieuwe regelgeving voor deze installaties pas op het einde van 2005 van kracht werd.
Routinemetingen lucht
Routinemetingen Net zoals monsternames zijn ook metingen noodzakelijk om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal uitgevoerde metingen. Overzicht van het aantal routinemetingen Aantal metingen Lucht
74
Geluid en trillingen
47
In september 2004 sloot MI nieuwe contracten af met erkende laboratoria voor het uitvoeren van emissiemetingen op de schoorsteen van verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties. De belangrijkste nieuwigheid is de aparte post voorzien voor de bepaling van individuele organische stoffen behorend tot de groepen van de aromatische koolwaterstoffen, de ketonen, de esters en de alifatische halogeenkoolwaterstoffen. Hiermee trachtte MI in te spelen op de verhoogde aandacht voor emissies van VOS, na de omzetting van de Europese solventrichtlijn naar Vlarem-wetgeving.
Bij lucht wordt het aantal meetdagen opgegeven. De in de lucht geloosde stoffen worden gemeten door een erkend laboratorium op verzoek van en onder toezicht van de toezichthoudend ambtenaar. Op één dag worden er verschillende parameters gemeten en verschillende monsters genomen.
Perceel I van de opdracht is specifiek gericht op de uitvoering van emissiemetingen bij installaties met een potentieel beduidende dioxine-uitstoot. Het gaat daarbij om metingen met inbegrip van een dioxinebepaling. Perceel II omvat vier soorten type-metingen, met elk een specifiek pakket parameters. De metingen gebeuren voor beide percelen op één meetdag. De volgende tabel geeft een overzicht van de mogelijke metingen. Op vraag van MI kunnen ook andere parameters bij andere types installaties worden gemeten.
Bij geluid en trillingen wordt het aantal geluids- en trillingsmetingen opgegeven. Daarbij moet worden opgemerkt dat een geluidsmeting verschillende uren kan duren. Een beperkt
Het contract voor perceel I werd in september 2005 verlengd voor één jaar. Voor perceel II werd een nieuw contract afgesloten.
Totaal
121
72 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
2005
tijd
Overzicht van de mogelijke luchtemissiemetingen Parameters - referentie: rookgasdebiet, temperatuur/druk, zuurstofgehalte, CO2-gehalte, watergehalte - rookgassamenstelling (een selectie van de volgende parameters wordt gemeten naar gelang van perceel en type): stof, CO, SO2, NOx, HCl, HF, zware metalen in de stoffractie en in de gasfase, totaal koolwaterstoffen (FID-meting), aromatische koolwaterstoffen, ketonen, esters, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, dioxinen en furanen Perceel I verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de afgassen dioxinen aanwezig zijn Perceel II verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties waarvan verondersteld wordt dat in de rookgassen geen significante hoeveelheid dioxinen aanwezig is Type installaties 1. grote verbrandingsinrichtingen en procesinstallaties 2. installaties met potentieel significante emissies van verzurende verbindingen 3. verbrandingsinstallaties, gevoed met biomassa en naverbrandingsinstallaties 4. installaties met potentieel significante emissies van vluchtige organische stoffen
Hierdoor is het voor MI mogelijk op eenvoudig verzoek emissiemetingen te laten uitvoeren op een installatie naar keuze. Op die manier kan vlot worden ingespeeld op acute vragen en komen nieuwe bedrijven en installaties gemakkelijker aan bod. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal installaties waar MI in het kader van deze contracten in 2005 emissiemetingen liet uitvoeren.
in de keramische sector. Dit is te verklaren door de actie die MI in de loop van 2004 en het voorjaar van 2005 uitvoerde bij alle installaties van deze sector. Hierover kunt u meer lezen in het hoofdstuk ‘Specifieke handhavingscampagnes’. Zeven van de vijfentwintig type 3-metingen gebeurden bij houtafvalverbrandingsinstallaties. Daarnaast kwamen vijf chemiebedrijven, vier stookinstallaties, drie asfaltcentrales en een droger voor houtspanen aan bod. Naverbranders werden gemeten volgens type 3 of type 4, afhankelijk van de keuze voor verzurende of organische parameters. De zeven naverbranders die in 2005 gemeten werden, situeerden zich in de sector van de oppervlaktebehandeling van metalen, de textielsector en bij verfspuitcabines. Andere type 4-metingen gebeurden hoofdzakelijk in de chemiesector. Dit heeft te maken met de werkzaamheden van het kernteam GPBV dat ook in 2005 de chemiesector als doelgroep koos. De onderstaande tabel geeft per verontreinigende stof een overzicht van het aantal beduidende overschrijdingen van de emissiegrenswaarden die tijdens de voornoemde metingen in 2005 werden vastgesteld. Voor de type 4-metingen worden de gemeten individuele organische stoffen gerangschikt onder de koolwaterstoffen. Overschrijdingen werden voornamelijk genoteerd voor stof, CO, koolwaterstoffen, HF en dioxines. Overzicht van het aantal overschrijdingen van de emissiegrenswaarden per verontreinigende stof. Perceel I Parameter
Perceel II Type 1
Type 2
Type 3
Type 4
Stof
3
-
1
2
-
Overzicht van het aantal luchtemissiemetingen
CO
4
-
1
4
-
Aantal installaties
SO2
1
-
0
0
-
NOx
0
-
0
2
-
Perceel I (met dioxinemetingen)
28
Perceel II
Totaal
KWS
4
-
0
3
0
- type 1
0
HCl
1
-
1
-
-
- type 2
11
HF
0
-
6
-
-
- type 3
25
Zware metalen
0
-
0
-
-
- type 4
10
Hg
1
-
-
-
-
74
PCDD/PCDF
3
-
-
-
-
Binnen perceel I gebeurden in 2005 zeven van de achtentwintig meetcampagnes bij verbrandingsinstallaties voor huishoudelijk afval. De reden hiervoor is de technische opleiding ‘emissiemetingen’ die MI in elke provincie organiseerde voor haar toezichthoudende ambtenaren aan de hand van een voorbeeldmeting bij een afvalverbrandingsinstallatie. Hierover kunt u meer lezen in het hoofdstuk ‘Personeel, vorming en middelen’. Daarnaast liet MI bij andere afvalverbrandingsinstallaties metingen uitvoeren (gevaarlijk afval, ziekenhuisafval, houtafval, chemische reststromen). In 2005 kwamen ook vier shredders, drie drogers van houtspanen, twee chemiebedrijven, twee nonferro bedrijven, twee installaties voor thermische ontlakking, een electriciteitscentrale en een steenbakkerij aan bod. Binnen perceel II gebeurden er in 2005 geen type 1-metingen. Bij de type 2-metingen situeerden tien van de elf metingen zich
Alle overschrijdingen voor HF en één overschrijding voor stof en voor CO situeren zich bij de steenbakkerijen. Stof, CO, koolwaterstoffen en dioxines zijn vooral een probleem van de houtsector. Voor alle dioxine-, vier van de zes stof-, vier van de negen CO- en vijf van de zeven KWS-overschrijdingen waren houtafvalverbrandingsinstallaties of drogers van houtspanen verantwoordelijk. Daarnaast heeft ook de asfaltsector problemen met CO en koolwaterstoffen (drie respectievelijk twee overschrijdingen). Opvallend is het feit dat er bij geen enkele meting van individuele organische verbindingen een overschrijding werd genoteerd. Bij installaties waar uit de resultaten van de metingen bleek dat de emissiegrenswaarden niet werden nageleefd, stelde MI een proces-verbaal op en werden de nodige aanmaningen gegeven om maatregelen te nemen zodat de grenswaarden zo
Routinecontroles • 73
snel mogelijk worden gerespecteerd. In enkele gevallen werd de werking van de installatie vrijwillig of gedwongen stopgezet. Controle van de nieuwe emissiegrenswaarden bij een spaanplaatbedrijf Bij een inrichting voor de productie van vlasleemplaten en houtspaanderplaten gebeurt het drogen van de grondstoffen in de direct gestookte droger met een mengsel van lucht en rookgassen afkomstig van verschillende installaties, waaronder een houtafvalverbrandingsinstallatie. Vanwege de complexiteit van de luchtstromen werden de emissiegrenswaarden op het centrale emissiepunt van de rookgassen als bijzondere voorwaarden in een ministerieel besluit vastgelegd. De emissiegrenswaarden voor stof en CO mogen in normale bedrijfsomstandigheden niet worden overschreden. De emissierichtwaarden voor TOC en dioxines moeten worden nagestreefd door toepassing van de beste beschikbare technieken, zowel op het vlak van de ingezette grond- en hulpstoffen, wijziging en optimalisatie van de procesvoering als door het gebruik van efficiënte rookgasbehandelingssystemen. Binnen het kader van de routinemetingen lucht werden zowel in een periode van productie van vlasleemplaten als in een periode van productie van houtspaanderplaten in opdracht van MI metingen uitgevoerd op de rookgasemissies van de centrale schoorsteen van het bedrijf. Uit de meetresultaten bleek dat de opgelegde emissiegrens- en emissierichtwaarden zowel bij de productie van vlasleemplaten als bij de productie van houtspaanderplaten werden overschreden. Anderzijds werd de regelgeving met betrekking tot het verbranden van afvalstoffen door het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003 gewijzigd. In toepassing van dit besluit wordt onder andere de normering voor houtafvalverbrandingsinstallaties afhankelijk gesteld van de aard van het houtafval dat wordt verbrand en het vermogen van de verbrandingsinstallatie. Voor de classificatie van de brandstof moet het te verbranden houtafval worden geanalyseerd en getoetst aan de samenstellingsvoorwaarden uit dit besluit. Uit analyse van een aantal houtafvalmonsters genomen tijdens de emissiemetingen bleek dat het houtafval dat in de installatie werd verbrand niet voldeed aan de samenstellingscriteria voor classificatie als niet-verontreinigd behandeld houtafval. De installatie was bovendien niet vergund voor het verbranden van houtafval dat niet aan bovenvermelde samenstellingscriteria voldeed. MI stelde een proces-verbaal op en maande het bedrijf schriftelijk aan om alle vereiste maatregelen te nemen om de uitstoot van stof en CO onder alle werkomstandigheden verder terug te brengen tot onder de opgelegde emissiegrenswaarden en MI een concrete planning te bezorgen om de uitstoot van verontreinigende componenten door de installatie in kwestie in overeenstemming te brengen met de opgelegde emissiegrensen emissierichtwaarden.
74 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Ondertussen diende het bedrijf een aanvraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. Begin 2006 was die procedure nog lopende. Op strafrechtelijk vlak werd het bedrijf voorgesteld om een minnelijke schikking te betalen.
Routinemetingen geluid en trillingen Geluidsmetingen worden bijna uitsluitend uitgevoerd naar aanleiding van klachten. Voor de afhandeling van dergelijke klachten beschikt MI over een aantal toezichthoudende ambtenaren, gespecialiseerd in de discipline geluid, en over moderne meetapparatuur. Een geluidsmeter meet steeds een totaal niveau. Dat betekent dat niet alleen het gezochte specifieke geluid wordt gemeten, maar ook alle stoorgeluiden. Om een beoordeling van het specifieke geluid mogelijk te maken, bestaat de kunst erin die niveaus uit elkaar te houden. Dat is niet altijd een eenvoudige opgave. Bij de behandeling van klachten over trillingen kan het soms nog ingewikkelder zijn. Dit blijkt uit onderstaand voorbeeld. Trillingen en laagfrequent geluid Bij het behandelen van klachten over trillingen blijkt soms dat de hinder in feite veroorzaakt wordt door laagfrequent geluid of zelfs infrageluid (in het vervolg beiden LF genoemd). Dat komt niet onverwacht, het frequentiegebied van voelbare trillingen (van 1 tot 80 Hz) valt grotendeels samen met dat van LF. Het beoordelen van LF wordt echter sterk bemoeilijkt, omdat enerzijds, de twee door MI gebruikte trillingsnormen, de Duitse DIN 4150/2 en de Nederlandse SBR deel B (waarover u meer kon lezen in de milieuhandhavingsrapporten van 2003 en 2004), de beoordeling van ‘secundaire effecten’ zoals LF expliciet uitsluiten, en anderzijds, omdat de geluidsnormen in Vlarem in dB(A) zijn uitgedrukt en de A-weging niet geschikt is voor het beoordelen van door LF veroorzaakte hinder. Na het uitvoeren van een uitgebreide studie van de literatuur en van de bestaande ‘normen’ is de conclusie dat LF hinderlijk kan zijn van zodra het waargenomen wordt en dat de hinder zeer snel toeneemt met toenemend geluidsniveau. Ook blijkt het moeilijk om de oorzaak van LF te vinden, ondermeer omdat de richting van waar het LF komt, niet kan worden bepaald. Dat het waarnemingsniveau tevens het hinderniveau is, heeft verstrekkende gevolgen. Het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat er in een bepaalde omgeving slechts één enkele persoon gehinderd wordt. Omdat de luidheid bij LF snel toeneemt met toenemend geluidsniveau kan die persoon zelfs zeer sterk gehinderd worden. De typische situatie bij een klacht met LF is dan dat iemand sterk wordt gehinderd door iets dat hij of zij niet goed kan omschrijven, maar waarvan men denkt dat het lawaai is. Deze persoon weet ook niet goed waar het geluid vandaan komt, maar vermoedt gewoonlijk dat de meest nabijgelegen inrichting de oorzaak is. Niemand van de huisgenoten hoort iets, evenmin als de buren die tussen de klager en die nabije inrichting wonen
5SJMMJOHFO FO MBBHGSFRVFOU HFMVJE CJK FFO NFUBBMWFSXFSLFS
E# "
(FMVJETOJWFBV
UJKE NJO
5SJMMJOHTOJWFBV
Begin 2006 stelde MI vast dat met de plaatsing van een gebouw rond de onderdelen van de afzuiginstallatie voldaan was aan de saneringseis uit de milieuvergunning
en evenmin de erbij geroepen toezichthoudend ambtenaar. Hier stelt zich duidelijk een handhavingsprobleem. Gewoon geluid wordt getoetst aan vaste normen voor geluidsniveaus (grenswaarden) die zo gekozen zijn dat het overschrijden ervan een groot of zelfs het grootste deel van de blootgestelde bevolking hindert. Bij LF zijn het juist de uitzonderingen die gehinderd worden wat het moeilijk maakt om dure saneringsmaatregelen af te dwingen. MI is van oordeel dat een LF-onderzoek best in twee delen opgesplitst wordt. Het eerste deel is analoog met een normaal akoestisch onderzoek, er wordt gemeten en de meetresultaten worden getoetst. De toetsing steunt op de eigenschap dat LF zelfs bij zeer kleine overschrijdingen hinderlijk kan zijn. Een typische LF-norm omvat een zogenaamde referentiecurve. Een referentiecurve bestaat uit geluidsniveaus per tertsband. Die niveaus zijn de gehoordrempels, per tertsband, van een doelgroep en worden experimenteel bepaald. Hier dient opgemerkt dat elk land zijn eigen doelgroepen en zijn eigen definitie van gehoordrempels heeft en dat alle referentiecurven verschillen. Afhankelijk van de omstandigheden en steunend op de literatuur moet een referentiecurve worden gekozen en verantwoord. Als het gemeten LF niveau de gekozen referentiecurve in een tertsband overschrijdt, dan wordt verondersteld dat er hinder kan zijn, dus nog niet dat er hinder is! Die vraag wordt nader onderzocht in het tweede deel van het LF-onderzoek. Hier wordt de klager zelf ingeschakeld, hij of zij alleen hoort immers het LF. Er wordt gedurende een zekere periode, bijvoorbeeld enkele dagen, gemeten terwijl de klager een logboek bijhoudt. Achteraf worden de meetresultaten en het logboek met elkaar vergeleken. Als het logboek overeenstemt met de metingen, kan de klacht als gegrond worden beschouwd. Ter illustratie van LF-geluid dat door trillingen veroorzaakt wordt, wordt hier het voorbeeld van een metaalverwerkende inrichting getoond. Op de bijgevoegde figuur (gemeten tijdens een nachtperiode) ziet u enerzijds de trillingen van de persen van deze inrichting en anderzijds het gemeten geluidsniveau van de 63 Hz tertsband. Beide metingen vertonen een gelijklopend beeld: het is duidelijk dat er een verband bestaat tussen het LF-geluid en de trillingen.
Geluidshinder veroorzaakt door een drukkerij Een volcontinu werkende drukkerij veroorzaakte geluidshinder voor de naaste buur. Net als de buurtwoning was het bedrijf aanvankelijk gelegen in een natuurgebied, een bestemming die later werd omgezet in een ‘zone voor zonevreemde bedrijven’. De dominante geluidsbron was de afzuiginstallatie voor papiersnippers met als onderdelen: twee plaatstalen torens, ventilatoren, kanalen en containers. Telkens na een beroep dat ingesteld werd door de buur, deed de Vlaamse minister in 1994, 1997 en 2002 uitspraak over opeenvolgende vergunningsaanvragen. In de milieuvergunning werden volgende maatregelen opgelegd: een akoestische inkapseling van de plaatstalen toren van de afzuiginstallatie of gelijkwaardig en een volledig akoestisch onderzoek. De maatregel die voorzag in een inkapseling van de plaatstalen toren of iets gelijkwaardig is nooit uitgevoerd. De inrichting werd daarentegen voortdurend uitgebreid. Een geluidsonderzoek van de erkende geluidsdeskundige uit 2004 toonde alvast aan dat het strengste Vlarem II-criterium van 35 dB(A) (‘s nachts in een gebied gelegen op minder dan 500 m van een ambachtelijke zone of een KMO-zone) ruimschoots werd overschreden. Een saneringsplan, met een volgens de prognose van de geluidsdeskundige gelijkwaardig resultaat als de inkapseling van de plaatstalen torens, werd door MI goedgekeurd op 15 januari 2003. Zelfs nadat de voorgestelde saneringsmaatregelen waren genomen en alle geluidsbronnen (afzuiging en koelgroepen) volgens de belofte van de exploitant werden uitgeschakeld tijdens de avond- en nachtperiode, hielden de klachten over geluidshinder onverminderd aan. Daarop voerde de toezichthoudend ambtenaar zelf een geluidsmeting uit. Hieruit bleek dat het geluid van de afzuiginginstallatie overdag 43 dB(A) bedroeg, wat lager was dan het criterium van 45 dB(A) voor overdag, doch ruimschoots de saneringsdoelstelling van 37 dB(A), vooropgesteld door de deskundige, oversteeg. Tevens hield de exploitant zich niet aan de gemaakte afspraak om de koelinstallaties uit te schakelen tussen 19 uur en 7 uur. Op basis van deze vaststellingen stelde MI in mei 2004 een proces-verbaal op. Om op de valreep nog vrijgesteld te worden van de saneringsverplichting uit de milieuvergunning, diende
Routinecontroles • 75
&WPMVUJF WBO EF XFJHFSJOHTCFTMVJUFO
BBOUBM POUWBOHFO
BBOUBM CFIBOEFME
De bedrijfsvoering liet te wensen over en MI stelde meerdere processen-verbaal op: de minister weigerde de milieuvergunning
de exploitant een afwijkingsaanvraag in op basis van artikel 45 van Vlarem I. Op 4 januari 2005 werd deze afwijkingsaanvraag geweigerd. De Correctionele Rechtbank, die de zaak in behandeling had, deed op 16 maart 2005 een afstapping ter plaatse. Op 12 mei 2005 ontving de toezichthoudend ambtenaar nog een saneringsvoorstel van de exploitant om enkel de ventilatoren van de afzuiginstallatie in te kapselen. Ook dit voorstel werd afgewezen. Uiteindelijk werd in de loop van december 2005 de sanering aangevat met de bouw van een gebouw rond alle onderdelen van de afzuiginstallatie. Begin 2006 stelde MI vast dat met de plaatsing van dit gebouw voldaan was aan de saneringseis uit de milieuvergunning.
Routinecontroles exploitatie Naast de routinemonsternames en routinemetingen zijn er heel wat routinecontroles die betrekking hebben op de exploitatie van hinderlijke inrichtingen in het algemeen. De controle naar aanleiding van een besluit tot weigering van een vergunning, de controle van bijzondere vergunningsvoorwaarden en de controle van de zelfcontrole zijn voorbeelden die hier worden aangegeven. In verband met die opdrachten geldt voor MI de volgende resultaatgerichte doelstelling: ‘De controle uitvoeren van elke klasse 1-inrichting waarvoor: - de vergunning geheel of gedeeltelijk werd geweigerd (zowel in eerste aanleg als in beroep) binnen maximaal drie maanden na ontvangst van de beslissing; - in de vergunning een saneringsplan, studies of metingen werden opgelegd, binnen een termijn van maximaal drie maanden na de in de vergunning opgelegde dwingende uitvoeringstermijn van de verplichting.’
Weigeringsbesluiten Zoals aangegeven in de bovenstaande inleiding ligt een van de prioriteiten van MI bij het systematisch controleren van weigeringsbesluiten. Het aantal ontvangen en aantal behandelde weigeringsbesluiten werd voor de voorbije zeven jaar uitgezet
76 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
in onderstaande grafiek. In 2005 daalt het aantal ontvangen weigeringsbesluiten tot op het niveau van 1999. Weigeringsbesluiten Aantal ontvangen
284
Aantal behandeld
231
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
398
Weigering van de vergunning van een houtafvalverwerkend bedrijf In maart 2004 stelde MI een proces-verbaal op ten laste van een houtafvalverwerkend bedrijf wegens gedeeltelijke exploitatie zonder milieuvergunning. De belangrijkste overtreding was de aanwezigheid van grote niet-vergunde hoeveelheden houtafval op het bedrijf. MI maande het bedrijf aan om de niet-vergunde activiteiten stop te zetten of een milieuvergunningsaanvraag in te dienen, maar het bedrijf gaf geen gevolg aan de aanmaning. In september 2004 gaf de burgemeester het bevel alle niet-vergunde hoeveelheden houtafval binnen de 30 dagen af te voeren. In oktober 2004 ontstond broei in het opgeslagen houtafval, er kwamen 4 brandweerkorpsen ter plaatse om de brand te bestrijden. Het bedrijf gaf geen gevolg aan het bevel van de burgemeester. MI legde een dwangmaatregel op en beval de afvoer van de niet-vergunde hoeveelheden houtafval. Kort daarop, in november 2004 werd een milieuvergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk verklaard en in maart 2005 werd een milieuvergunning verleend door de Bestendige Deputatie. De omwonenden dienden hiertegen een beroep in. Aangezien het aangetekende beroep niet schorsend was, beschikte het bedrijf in afwachting van de uitspraak in beroep vanaf maart 2005 over een milieuvergunning. Niettegenstaande de zaak administratief in orde was gebracht, brak in de zomer van 2005 nog tweemaal brand uit ten gevolge van broei in het houtafval. De bedrijfsvoering op dit houtverwerkende bedrijf liet te wensen over. MI stelde in het bedrijf nog heel wat overtredingen vast en stelde nog meerdere processen-verbaal op. In november 2005 ontving MI de uitspraak in beroep van de Vlaamse minister van Leefmilieu. De milieuvergunning werd
&WPMVUJF WBO EF WFSHVOOJOHFO NFU QSJPSJUBJSF CJK[POEFSF WPPSXBBSEFO BBOUBM POUWBOHFO
BBOUBM CFIBOEFME
Het saneringsplan werd vastgelegd in de bijzondere voorwaarden van de nieuwe vergunning en werd door MI gecontroleerd
volledig geweigerd. Dit houdt in dat het bedrijf alle activiteiten onmiddellijk moet stopzetten. Het bedrijf volgde deze beslissing en begin 2006 was de site volledig opgeruimd.
Bijzondere voorwaarden Heel wat milieuvergunningen bevatten bijzondere voorwaarden. De aandacht van MI gaat prioritair naar de bedrijven waarvoor in de vergunning een saneringsplan, studies of metingen werden opgelegd. Andere bijzondere voorwaarden komen voornamelijk aan bod tijdens routinecontroles of als het bedrijf wordt gecontroleerd in het kader van een specifieke handhavingscampagne. Vergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden Aantal ontvangen
881
Aantal behandeld
683
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
1.306
Het aantal milieuvergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden werd voor de voorbije vijf jaar uitgezet in bovenstaande grafiek. Jaarlijks ontvangt MI gemiddeld meer dan 800 vergunningen met prioritaire bijzondere voorwaarden. Uitvoering van het saneringsplan vastgelegd in de bijzondere voorwaarden Vanaf 2001 werd MI aanhoudend geconfronteerd met klachten over geur- en stofhinder. Deze klachten konden via snuffelrondes vrij vlug worden toegeschreven aan de exploitatie van een OSB-platenafdeling (Oriented Strand Boards), en in mindere mate van een houtspaanafdeling, van éénzelfde bedrijf. De klachten deden zich voor vanaf de opstart van de onvergunde OSB-afdeling. Bovendien bleek uit emissiemetingen van MI overduidelijk een formaldehydeprobleem. Daar het bedrijf weigerde de problemen te erkennen en dus niet inging op de aanmaningen van MI, werd de procedure tot stopzetting van de activiteiten van de OSB-afdeling opgestart. Aangezien de burgemeester niet optrad, vaardigde MI zelf een dwangmaatregel uit. Enkele dagen vóór de verzegeling verlengde de minister in beroep de stopzettingstermijn met één jaar, echter onder voorbehoud: het bedrijf moest binnen afzienbare tijd een milieuvergun-
ningsaanvraag (inclusief MER) indienen en een actie- en saneringsplan opmaken en voorleggen aan MI. Het herwerkte saneringsplan werd bij de milieuvergunningsaanvraag gevoegd. De uitvoering ervan werd vastgelegd in bijzondere vergunningsvoorwaarden en wordt halfjaarlijks gecontroleerd door MI. Bij de eerste inspectieronde bleek dat het bedrijf het vastgelegde stappen- en faseringsprogramma van het saneringsplan wijzigde. Het bedrijf sloeg de eerste fase over die voorzag in een natte wassing en/of sterke afkoeling van de gassen en de bouw van een schoorsteen, gevolgd door een evaluatie. Het ving ‘onmiddellijk’ fase twee aan: de installatie van twee natte elektrofilters (WESP) en een tachtig meter hoge schoorsteen. Ook de andere vergunningsvoorwaarden in verband met de evaluatie van de saneringsstappen werden pas gedeeltelijk nageleefd na verschillende aanmaningen. Uiteindelijk werd fase twee van het saneringsprogramma gefinaliseerd in juli 2005. Vanaf augustus werden de WESP’s en de nieuwe schoorsteen operationeel. Tot eind 2005 vond de fijne afstemming plaats. MI voerde toen geregeld snuffelrondes uit. Tijdens de evaluatie in augustus 2005 drong MI bij het bedrijf aan op een gedetailleerd plan voor de eindevaluatie van deze sanering. In december ontving MI een voorstel van het bedrijf waarin de frequentie van de emissiemetingen en de meetplaatsen werden besproken, het model dat zal toegepast worden en de timing. Een eindevaluatierapport van deze sanering wordt verwacht tegen maart 2006.
Controle op de zelfcontrole De Vlaamse milieuhygiënewetgeving bevat heel wat verplichtingen inzake het meten en registreren van bedrijfseigen gegevens. Veel van die metingen en registraties dienen als eerstelijnscontrole van zowel de procesvoering als van de naleving van de geldende voorwaarden. De meest voor de hand liggende voorbeelden zijn de eigen emissiemetingen (lucht, afvalwater,…), maar ook bijvoorbeeld de controle op inkomende afvalstoffen, de onderzoeken van compressoren en de beproevingen van houders voor gevaar-
Routinecontroles • 77
lijke stoffen kunnen onder de noemer zelfcontrole worden gecatalogiseerd. Het toewijzen van een dergelijke verplichte zelfcontrole aan de exploitant past volledig in het concept van milieubeheer- en milieuzorgsystemen, die in de bedrijfswereld een toenemend belang krijgen. Voor de toezichthoudende overheid is de zelfcontrole van groot belang. Zelfcontrole draagt vaak bij tot een meer milieuvriendelijke bedrijfsvoering. MI wil dat belang evenwel niet verabsoluteren maar wil wel een aantal belangrijke randvoorwaarden stellen, zonder dewelke het instrument zelfcontrole veel van zijn waarde verliest. Zelfcontrole heeft in elk geval meerdere functies waaronder als belangrijkste: - controle op de naleving van de voorwaarden; - beschikbaarheid van milieu-informatie voor de overheid (toezicht, emissie-inventarisatie ‌) en de bevolking; - kwaliteitsbewaking van het proces en stimulans voor voortdurende procesoptimalisatie; - proactieve maatregel om het milieu zo veel mogelijk te beschermen. In de praktijk wordt een enorme verscheidenheid vastgesteld qua naleving van de zelfcontroleverplichtingen. Dat kan gaan van een strikte uitvoering, kwaliteitsbewaking en rapportering tot een totaal gebrek aan kennis over die vereisten. Bovendien merkt MI dat bij bedrijven of sectoren waar ze in het verleden veel aandacht heeft geschonken aan de controle op de zelfcontrole, bijvoorbeeld door middel van emissiemetingen in eigen opdracht, er een duidelijk toegenomen aandacht is voor die verplichting. Dat geeft al aan dat zelfcontrole op zich niet volstaat als controle-instrument en dat de naleving van de verplichtingen op dat vlak ook externe overheidscontrole vereist. Zelfcontrole kan nooit de overheidscontrole volledig vervangen. De Europese Aanbeveling van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties is daarover duidelijk. Ze vermeldt dat de lidstaten, met andere woorden de overheid, ervoor moeten zorgen dat de inspecties van gecontroleerde installaties onder meer het onderzoek en de verificatie van de eigen controlemaatregelen (die door of ten behoeve van de exploitanten worden uitgevoerd) en de controle van de relevante door de exploitanten bijgehouden bescheiden moeten omvatten. De zelfcontrolegegevens zijn voor MI ook relevant bij de opmaak van het jaarlijkse MIP, als een van de selectiecriteria bij de keuze van te controleren bedrijven of bedrijfssectoren. De inspecties zullen vaak gepaard gaan met metingen of onderzoeken in eigen opdracht en onder de omstandigheden die MI zelf bepaalt. Resultaten van dergelijke controles durven wel eens aanzienlijk af te wijken van de ter inzage liggende zelfcontroleresultaten.
78 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Controles van de zelfcontrole Specifieke inspecties voor het project in verband met zelfcontrole lucht Andere inspecties Totaal
76 61 137
Zelfcontrole van een voedingsbedrijf Bij een chemisch voedings- annex meststoffenbedrijf in Vlaams-Brabant controleerde MI het zelfcontroleprogramma voor het lozen van bedrijfsafvalwater. Immers, voor belangrijke afvalwaterlozingen bepaalt Vlarem II dat de exploitant zelf de kwaliteit en kwantiteit van het geloosde bedrijfsafvalwater geregeld moet onderzoeken. De analyseresultaten moeten worden vergeleken met de opgelegde lozingsnormen. Hieruit moet blijken of het bedrijf al dan niet corrigerende maatregelen moet treffen die de naleving van de normen verzekeren. MI controleert geregeld de correcte naleving van die zelfcontroleverplichtingen. De zelfcontrolemetingen in dit bedrijf voldeden aan de opgelegde grenswaarden. Bij de controle bleek dat dit bedrijf naast de verplichte maandelijkse zelfcontrolemetingen de kwaliteitsbewaking aanvulde met talrijke eigen dagelijkse analyses. De exploitant baseert zich hoofdzakelijk op de resultaten van deze eigen, uitvoerige metingen om op passende wijze geheel zelfstandig corrigerende maatregelen te treffen. Zo bleek uit de interne metingen dat de lozingsnormen voor sulfaat, cyanide en temperatuur regelmatig overschreden werden. Het bedrijf meldde de overschrijdingen nauwgezet aan MI. Het bedrijf deed onderzoek naar de oorzaken van de systematische toename van de temperatuur van het geloosde afvalwater en stelde een actieplan op. In april 2005 vatte het bedrijf de uitvoering aan van corrigerende acties. De efficiĂŤntiebeoordeling zal gebeuren na de zomer van 2006. Het bedrijf spoorde ook de oorzaken op van de normoverschrijdingen voor sulfaat en cyanide en trof corrigerende acties. Uit de laatste meetresultaten bleek dat dit leidde tot een duidelijk verbeterde toestand maar dat blijvende inspanningen nodig zijn om de naleving van de lozingsnormen te verzekeren. Daarom raadde MI de exploitant aan om de kwaliteit van het geloosde bedrijfsafvalwater via interne controles verder op te volgen en indien nodig onmiddellijk corrigerende acties te nemen.
De exploitant voert heel wat zelfcontrolemetingen uit en voert dan zelfstandig de nodige corrigerende maatregelen uit
Routinecontroles • 79
Reactieve controles worden uitgevoerd naar aanleiding van een beroep dat wordt gedaan op MI. De reactieve controles kunnen in een aantal groepen worden onderverdeeld. Er wordt onder andere opgetreden bij de ontvangst van een klacht, een melding van een voorval, een vraag voor het maken van een evaluatieverslag bij een proefvergunning, een kantschrift van het parket, een vraag van het parket om technische expertise, een verzoek om adviesverlening, een parlementaire vraag, een verzoek om hoog toezicht en bij de vaststelling van wintersmog. Enkele reële dossiers illustreren de verschillende mogelijkheden. Gezien het grote werkvolume en de hoge werkdruk is het onmogelijk om op elk appel te reageren, zodat elk appel zeker niet altijd zal leiden tot een inspectie ter plaatse. Elk dossier wordt daarom getoetst aan de prioriteitenlijst.
Reactieve controles Klachten MI ontvangt jaarlijks heel wat milieuklachten uit de meest diverse hoeken: particulieren, bedrijven, gemeente- en provinciebesturen, parlementsleden, het kabinet van de Vlaamse minister van Leefmilieu, andere Vlaamse of federale overheidsdiensten (bv. FAVV), Aminal, milieuverenigingen, Aquafin en Vlaamse openbare instellingen, zoals OVAM, VLM en VMM. Ook anonieme klachten worden behandeld. MI ontvangt ook heel wat vragen en klachten die niet voor haar bestemd zijn. Gelet op de veelheid aan en de complexiteit van de milieuregelgeving is het blijkbaar niet altijd evident welke overheidsdienst een vraag of klacht kan of moet behandelen. Hierna volgen een aantal algemene richtlijnen. Welke vragen en klachten worden door MI behandeld? Klachten over klasse 1-bedrijven die milieuhinder veroorzaken of over klasse 2- en klasse 3-bedrijven die zware milieuhinder veroorzaken én waar de lokale overheid niet optreedt, worden door MI behandeld. Een bedrijf kan onder meer de volgende vormen van milieuhinder veroorzaken: - geur-, stof- en lichthinder; - luchtverontreiniging (rook of uitwasemingen); - geluids- en trillingsoverlast; - bodem- en grondwaterverontreiniging; - verontreiniging van oppervlaktewater; - onzorgvuldig omgaan met afvalstoffen; - tekortkomingen met betrekking tot de veiligheid van de omgeving; - het niet-naleven van vergunningsvoorwaarden. Welke vragen en klachten worden NIET door MI behandeld? MI ontvangt geregeld heel wat vragen of klachten die door andere overheidsdiensten worden behandeld. Hierna volgt een overzicht, waarbij telkens de instantie aangegeven is die de vraag of klacht wel behandelt.
In de sector milieuhygiëne - klachten over klasse 2- en klasse 3-bedrijven die milieuhinder veroorzaken: de gemeentelijke milieudienst; - vragen over de milieuvergunningsklasse (1, 2 of 3) van een bepaald bedrijf: de gemeentelijke milieudienst (de gemeente heeft een openbaar register); - vragen over de inhoud van een bepaalde milieuvergunning: de gemeentelijke milieudienst (álle milieuvergunningen liggen bij de gemeente vrij ter inzage voor het publiek); - vragen over de interpretatie van de wetgeving: afdeling Milieuvergunningen van Aminal; - historische bodemverontreiniging: OVAM; - verlaten bedrijfsterreinen: OVAM; - achterlaten van afval: - algemeen: Lokale Politie of OVAM - aan wegen: administratie Wegen en Verkeer; - aan waterwegen: administratie Waterwegen en Zeewezen; - in bossen: afdeling Bos en Groen van Aminal; - in natuurgebied: afdeling Natuur van Aminal; - verbranden van huishoudelijk afval door particulieren: Lokale Politie; - mestproblematiek (bv. uitrijden van mest in een niet toegestane periode): de Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij; - sproeistoffen: de dienst Pesticiden en Meststoffen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu; - gezondheidsklachten die in verband staan met hinderlijke inrichtingen: de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (APSG of kortweg Gezondheidsinspectie). In andere sectoren - bouwovertredingen: dienst Stedenbouw van de gemeente/ afdeling Stedenbouw in iedere provinciehoofdstad /afdeling Bouwinspectie in Brussel; - overtredingen in natuurgebieden: afdeling Natuur van Aminal; - overtredingen in bossen: afdeling Bos en Groen van Aminal; - brand of calamiteit: Brandweer, Civiele Bescherming.
Reactieve controles • 81
Stroomschema voor de behandeling van milieuklachten
Milieuklacht
Niet ingedeeld Niet MI - bevoegdheid Vrije veld
Dossier overmaken aan gemeente of bevoegde overheid
Ja
Einde
Nee Klasse 1 + Kabinet + Ombudsman + Klachtenmanager
Klasse 2/3 Klasse- en prioriteitsbepaling Burgemeester vragen om een onderzoek in te stellen binnen een termijn van 1 maand + ontvangstmelding
Ontvangstmelding (binnen de 14 dagen)
Burgemeester onderneemt actie?
Ja
Klager inlichten
Einde
Klager inlichten
Einde
Klager inlichten
Einde
Nee
Is dossier/klacht nog relevant?
Nee
Ja
MI behandelt klacht zelf = hoog toezicht
Klasse 2/3
Klasse 1
Ja
Zware hinder?
Nee Herinnering aan burgemeester om klacht te behandelen binnen een termijn van 1 maand
Eerste behandeling volgens instrumentarium binnen de opgelegde streefdatum
Burgemeester onderneemt actie?
6
Ja
Eventueel opvolging Nee
Klasse 1
Einde
Klasse 2/3 Einde
82 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Dossier overmaken aan Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu
Einde
&WPMVUJF WBO IFU BBOUBM LMBDIUFO
,MBDIUFO QFS NJMJFVDPNQBSUJNFOU JO
(FVS
-VDIU
&YQMPJUBUJF
#PEFN FO HSPOEXBUFS
(FMVJE
.FTU
-P[JOH
7FJMJHIFJE
"GWBM
-JDIU
BBOUBM POUWBOHFO
BBOUBM CFIBOEFME
Behandeling van milieuklachten Voor de behandeling van klachten heeft MI reeds in 2002 een interne procedure opgesteld die vertaald werd in een interne onderrichting. De tekst van de onderrichting werd in de loop van 2004 geactualiseerd, op een aantal punten verduidelijkt en uitgebreid met een codesysteem om de verschillende klachtendeelstromen te kunnen kwantificeren. De nieuwe onderrichting werd vanaf het kalenderjaar 2005 toegepast. Milieuklachten worden behandeld volgens een aantal afspraken die rekening houden met de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe procedure: - een goede voortgangscontrole van de aan de lokale overheden gemelde klachten; - een invulling van het begrip hoog toezicht; - een goede communicatie met de klagers, de gemeente, de klachtenmanager van Aminal en de Vlaamse Ombudsdienst. Hierna wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste afspraken voor de behandeling van klachten. Een milieuklacht die gaat over een niet ingedeelde inrichting, een vrij velddelict of een wetgeving waarvoor MI niet bevoegd is, wordt onmiddellijk doorgestuurd naar de burgemeester of naar de bevoegde dienst. Milieuklachten over hinderlijke inrichtingen worden afhankelijk van de klasse verschillend behandeld. Klachten over klasse 1-bedrijven (inclusief klachten via het kabinet, de klachtenmanager van Aminal en de Vlaamse Ombudsdienst) worden door MI behandeld binnen drie maanden na ontvangst van de klacht volgens interne procedures die het uitvoeren van inspecties, het eventueel opstellen van processen-verbaal en het geven van aanmaningen, omvatten. Een klacht over een klasse 2- of 3-bedrijf wordt, ook als de klager beweert dat de gemeente niet of onvoldoende optreedt, onmiddellijk ter behandeling doorgestuurd naar de burgemeester. MI vraagt de burgemeester om binnen een termijn van één maand een onderzoek in te stellen. Als de burgemeester niet of onvoldoende antwoordt en er is geen zware hinder, dan stuurt MI een herinnering aan de burgemeester om nogmaals de klacht te onderzoeken. Als de burgemeester opnieuw niet
of onvoldoende antwoordt, worden de klager, de minister en de Vlaamse Ombudsdienst hiervan op de hoogte gebracht. De klacht wordt dan ook als afgehandeld beschouwd door MI. Pas als de burgemeester niet of onvoldoende antwoordt, en als uit de klacht blijkt dat er zware hinder is, onderzoekt MI in het kader van haar hoog toezicht zelf de klacht, als die nog relevant is. MI ontvangt jaarlijks heel wat klachten en voert veel inspecties uit om de klachten te beoordelen en in voorkomend geval de vaststellingen verder te volgen. Klachten Aantal ontvangen
1.833
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
2.218
Al verschillende jaren ontvangt MI meer dan 2.000 klachten per jaar. In 2005 lag het totaal aantal ontvangen klachten voor het eerst sinds jaren beneden 2.000 zodat de dalende trend die in 2004 merkbaar was, wordt verdergezet. De klachten worden opgedeeld per milieucompartiment. Een klacht kan soms meerdere thema’s omvatten. Daardoor kan één klacht binnen verschillende compartimenten worden ondergebracht. Ondanks de dalende trend in het totaal aantal klachten merken we ten opzichte van 2004 wel een stijging van het aantal klachten inzake geurhinder. In de volgende grafiek wordt de verdeling van de klachten per milieucompartiment voorgesteld. Hieruit kan worden afgeleid dat de meeste klachten handelen over de
klachten per milieucompartiment Geur
611
Geluid
464
Exploitatie
392
Afval
209
Lucht
191
Lozing
169
Bodem en grondwater
80
Mest
21
Veiligheid
17
Licht Totaal
9 2.163
Reactieve controles • 83
Evolutie van de klachten per milieucompartiment 3500
Licht
#FESJKWFO NFU LMBDIUFO JO Veiligheid
3000
Mest ,MBTTF POCFLFOE
2500 Bodem en grondwater
/JFU JOHFEFFMEF JOSJDIUJOHFO
2000
Lozing
,MBTTF
Lucht
1500
,MBTTF
Afval
,MBTTF
1000 Exploitatie 500 Geluid
Geur
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
milieucompartimenten geur, geluid en exploitatie. Meer dan twee derde van alle klachten worden gecatalogiseerd onder die drie thema’s. Uit onderstaande tabel blijkt dat MI heel wat klachten ontvangt over hinder die niet afkomstig is van klasse 1-inrichtingen. Aantal klachten
Aantal betrokken bedrijven
Klasse 1
1.234
561
Klasse 2
269
191
Klasse 3
57
51
191
122
Niet-ingedeelde inrichtingen Klasse onbekend Totaal
82
45
1.833
970
De toepassing van het stroomschema voor de behandeling van milieuklachten leidt tot volgende vaststellingen en conclusies. Klachten over klasse 1-inrichtingen worden behandeld door MI. Dit houdt in dat zowel de inspecties, de getroffen maatregelen als de voortgangscontroles zo uniform mogelijk worden uitgevoerd. MI kan bovendien op een efficiĂŤnte wijze gebruik maken van de middelen die zij ter beschikking heeft, zoals het uitvoeren van eigen snuffelmetingen, het laten uitvoeren van emissiemetingen of geurstudies, het zelf meten met hoogwaardige toestellen van geluid of trillingen, het nemen van monsters van afvalwater of afvalstoffen. Klachten bij MI ingediend over klasse 2- en 3-inrichtingen worden voor verdere behandeling doorgestuurd naar de burgemeester. We stellen vast dat klachten waarbij de klager beweert dat de gemeente niet optreedt toch vaak onderzocht worden door de burgemeester nadat MI hem/haar hierom schriftelijk heeft verzocht, desnoods na het sturen van een herinnering indien binnen de maand hierover geen antwoord werd bekomen. Gelet op de bevoegdheid van de burgemeester is MI niet meer
84 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
betrokken bij het verder verloop van dit onderzoek noch bij de opvolging van eventuele saneringsmaatregelen. Het hoog toezicht wordt door MI ingevuld door enkel die klachten over klasse 2-en 3-inrichtingen zelf te behandelen waar de burgemeester niet of onvoldoende optreedt en waarbij uit de klacht blijkt dat er sprake is van zware hinder. Klacht over de lozing van afvalwater Begin 2003 verleende het College van Burgemeester en Schepenen aan een aardappelschilbedrijf een milieuvergunning, met daarbij ook het lozen van het afvalwater (via een afvalwaterzuiveringsinstallatie in een oppervlaktewater). Het geloosde afvalwater moet voldoen aan de sectorale voorwaarden voor lozing op oppervlaktewateren voor aardappelverwerkende bedrijven. In september 2004 diende de eigenaar van een aanpalend landbouwperceel een klacht in bij MI omdat het afvalwater van het bedrijf over zijn perceel werd geloosd. Tevens lag op het terrein van het bedrijf een hoop rottende aardappelen en aardappelslib, wat zorgde voor geurhinder. Aangezien het hier geen klasse 1-inrichting betrof, verzocht MI de burgemeester om op te treden. Na een herinnering ontving MI eind december 2004 een brief van de burgemeester waarin deze meedeelde dat de aardappelenopslag buiten was verdwenen en dat de nodige aanmaning weldra zou worden verstuurd. Op dat ogenblik beschouwde MI de klacht als afgehandeld. In mei 2005 ontving MI opnieuw een klacht van de eigenaar van het aanpalende perceel met de melding dat er afvalwater op zijn land liep. Dit afvalwater zou afkomstig zijn van het overlopen van drie bekkens naast het gebouw van het bedrijf. MI stelde bij een onderzoek ter plaatse vast dat het grasland naast de loods van het bedrijf zeer drassig was. Het bedrijfsafvalwater werd summier behandeld in drie bezinkbakken, waarbij het water van de ene naar de andere bak overliep. Het effluent van deze bakken werd naar een put gevoerd, die verstopt was en overliep. De eerste van de drie bezinkbakken was dermate vol dat het water hieruit ook rechtstreeks op de bodem vloeide. Al dit afvalwater liep via het drassige grasland
Het aardappelschilbedrijf bouwde een nieuwe biologische waterzuivering en voldeed daarmee aan de lozingsnormen
De groencompostering veroorzaakte heel wat geurhinder
verder over het perceel van de klager. Na deze vaststellingen werd een monster genomen van het afvalwater op de plaats van lozing in de put. Uit de analyseresultaten bleek dat het afvalwater niet voldeed aan de sectorale normen voor de lozing in oppervlaktewateren. Tevens zorgde dit water ook voor grondwaterverontreiniging.
bedrijf. Het bedrijf situeert zich in woongebied met landelijk karakter en de dichtste woningen bevinden zich op een 100-tal meter van het bedrijf. In het voorjaar van 2005 ontstonden echter meer en meer geurklachten die in eerste fase grotendeels door de Lokale Politie behandeld werden. Bij de doorlichting van het bedrijf voor de evaluatie van de proefvergunning in mei 2005 heeft MI ook geurhinder vastgesteld. Dit werd vermeld in het evaluatieverslag en MI adviseerde aan de Bestendige Deputatie om geen definitieve vergunning toe te kennen.
MI deelde deze overtreding via een aanvankelijk proces-verbaal mee aan de Procureur des Konings. De exploitant werd aangemaand om onmiddellijk de diffuse lozing te stoppen en het aardappelslib te verwijderen. Tegen juli diende hij MI een planning met uitvoeringstermijn te bezorgen voor de realisatie van een adequate waterzuiveringsinstallatie. In juni ontving MI een brief van het bedrijf met de melding dat er geen indirecte lozing meer was van het afvalwater door het voorlopig stopzetten van de activiteiten.Ook zou het aardappelslib weldra worden verwijderd. Tevens werd de planning meegestuurd voor de bouw van een adequate zuiveringsinstallatie, die operationeel zou zijn tegen half augustus. Bij een inspectie begin augustus stelden toezichthoudende ambtenaren van MI vast dat een aangepaste milieuvergunning werd aangevraagd, dat de lozing op de percelen werd stopgezet, dat het aardappelslib was verwijderd en dat gestart was met de bouw van een biologische waterzuiveringsinstallatie. Bij een inspectie in september bleek dat de waterzuivering voltooid en in werking was. Op verzoek van de MI werden de analyseresultaten van een in oktober genomen monster van het geloosde water bezorgd. Hieruit bleek dat er voldaan was aan de voorwaarden voor de lozing op oppervlaktewateren. Weigering van een proefvergunning na vele klachten Een vroeger vlasverwerkend bedrijf in West-Vlaanderen is van champignonkwekerij en composteerbedrijf voor champignonsubstraat in de loop der jaren geĂŤvolueerd tot groencomposteringsbedrijf. In maart 2004 leverde de Bestendige Deputatie een proefvergunning af voor de uitbreiding tot een groencomposterings-
In de loop van de zomer werden meer en meer klachten genoteerd en MI besloot om zelf snuffelmetingen uit te voeren. Dit resulteerde in een proces verbaal omdat bij diverse snuffelwaarnemingen eind augustus en half september telkens ernstige tot matige geurhinder bij de woningen werd vastgesteld. De hinder komt voort van het vermalen van oud en rottend gras dat aangevoerd wordt vanuit diverse containerparken. Intussentijd had de Bestendige Deputatie de proefvergunning definitief geweigerd omwille van de vele aanhoudende klachten van omwonenden. Tegen deze definitieve weigering is het bedrijf in beroep gegaan, waardoor deze weigering geschorst wordt tot de Vlaamse minister van Leefmilieu uitspraak doet in deze beroepsprocedure. Aangezien er in de winter weinig activiteit is in het bedrijf, zijn er voorlopig geen klachten meer. Het bedrijf is echter volop bezig met het voorbereiden van het nieuwe seizoen en hoopt blijkbaar dat de minister een definitieve milieuvergunning toekent.
Behandeling van klachten in het kader van het Klachtendecreet Een klacht in het kader van het Klachtendecreet is een manifeste uiting van een ontevreden burger die bij de overheid klaagt over een door diezelfde overheid (al dan niet) verrichte handeling of prestatie.
Reactieve controles • 85
Meldingen van voorvallen Klachten die onder dit decreet vallen en die aanvankelijk gericht zijn aan de Vlaamse Ombudsdienst of de klachtenmanager, worden door die diensten aanvankelijk doorverwezen naar de ambtenaar die het dossier behandelt of naar diens directe chef. Als het probleem op het niveau van de dienst niet wordt opgelost, kan de klager zich richten tot de klachtenmanager van Aminal. De klacht wordt er geregistreerd en behandeld conform de richtlijnen van het Klachtendecreet: de klachtenmanager bevestigt de ontvangst van de klacht binnen de tien kalenderdagen en handelt de klacht af binnen 45 kalenderdagen. Hiertoe vraagt de klachtenmanager een ontwerp van antwoord aan het hoofd van de afdeling in kwestie.
Iedere exploitant heeft bij de uitbating van zijn bedrijf de plicht alle nodige maatregelen te treffen om de buurt te beschermen tegen de risico’s voor en de gevolgen van ongevallen. Dat betekent onder andere dat de noodzakelijke interventiemiddelen moeten worden voorzien en dat bij hinder, schade of gevaar daartoe onmiddellijk alle nodige maatregelen moeten worden getroffen. Eventueel opgetreden verontreiniging moet op verantwoorde wijze ongedaan worden gemaakt. Ondanks alle mogelijke preventieve maatregelen gebeuren er echter nog steeds onvoorziene emissies die tot hinder kunnen leiden. Soms escaleren deze voorvallen in die mate dat er ook schade wordt berokkend aan de mensen en het milieu in de omgeving van het bedrijf.
Als de klager niet tevreden is met het antwoord van de klachtenmanager, kan hij nog terecht bij de Vlaamse Ombudsdienst, die volgens dezelfde procedure een onderzoek kan instellen: de klacht wordt bezorgd aan het afdelingshoofd, het afdelingshoofd stelt een onderzoek in en rapporteert aan de Vlaamse Ombudsdienst en die laatste bezorgt de klager een antwoord.
Naast de zorgplicht rust er ook een meldingsplicht op de exploitant: de voorvallen en de genomen maatregelen moeten worden gemeld bij de burgemeester en MI. Als er een voorval heeft plaatsgevonden zal MI, als dat relevant is, er zich van vergewissen of inderdaad de nodige gevolgbeperkende maatregelen werden getroffen.
In 2005 behandelde MI 10 vragen van de klachtenmanager van Aminal en 12 vragen van de Vlaamse Ombudsdienst. Een overzicht wordt gegeven in de onderstaande tabellen.
In 2005 werden er in totaal 994 voorvallen gemeld bij MI. Deze voorvallen zijn niet beperkt tot ‘ongevallen’ in de enge betekenis van het woord. De exploitant moet onder andere ook mel-
Lijst van de in 2005 behandelde dossiers van de Vlaamse Ombudsdienst
Lijst van de in 2005 behandelde vragen van de klachtenmanager van AMINAL
Nummer
Omschrijving
2002-0204
Mededeling voorlopige kwalificatie - geur- en geluidshinder van een aardappelverwerkingsbedrijf
2
Onvergunde stalling van vrachtwagens
2003-0512
Klasse
Nummer
Omschrijving
2004-0864
Geurhinder van een garagebedrijf
2
2005-0391
Geurhinder van een compostverwerkend bedrijf
1
2
2005-0485
Geluidshinder van een drankenbedrijf
1
2005-0486
Niet respecteren van de bouw- en milieuvergunning (breekinstallatie steenpuin en houtverhakselaar)
1
2005-0600
Overmatig gebruik van pesticiden
2005-0623
Geluidshinder van een feestzaal
2
2005-0656
Geluidshinder van een luchthaven
1
2005-0689
Stofhinder door een palettenfabriek
1
2005-0753
Geluidshinder van een grondverzetbedrijf
2
Geluidshinder rond een circuit voor telegeleide auto’s
2003-0629
Mededeling voorlopige kwalificatie - milieuhinder van een slachthuis
1
2004-0458
Bouw- en milieuovertredingen / vergunning van een manège
2
2004-0493
Exploiteren van een niet vergunde inrichting en milieuhinder
2
2004-0558
Mededeling voorlopige kwalificatie inzake geluidshinder van een luchthaven
1
2004-0847
Achterlaten afvalstoffen / geen vergunning voor een verwerkingsbedrijf van bouw- en sloopafval
2
2004-0864
Geurhinder van een garagebedrijf + mededeling voorlopige kwalificatie
2
2005-0391
Geurhinder van een compostverwerkend bedrijf
1
2005-0459
Geluidshinder door een koelinstallatie van een rubberbedrijf
1
2005-0732
Waterzuivering door particulieren in niet-gerioleerde gebieden
3
2005-0914
Geluidshinder van een betonbedrijf
1
86 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Klasse
Niet ingedeeld
Niet ingedeeld
De aarden inkuiping rond de gescheurde tank was tot ongeveer één meter hoog gevuld met aardolie
den wanneer de zuiveringsinstallaties uitvallen of wanneer een norm wordt overschreden. Meldingen van voorvallen Aantal ontvangen meldingen Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
987 67
Seveso-bedrijven moeten bovendien, volgens de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord, bij een zwaar ongeval het interne noodplan in werking stellen en de dienst 100 en het Coördinatie- en Crisiscentrum van de regering (CGCCR) verwittigen. Het CGCCR meldt door aan een aantal instanties, waaronder de bevoegde inspectiediensten die dan ter plaatse kunnen gaan om te controleren of de nodige noodmaatregelen werden getroffen. Opslagtank begeeft Op 12 september 2005 meldde een bedrijf, dat een tankenpark uitbaat te Kallo, aan MI dat een tank met ruwe aardolie was gescheurd. Om half acht ‘s ochtends had de operator tijdens zijn ronde in het tankpark gemerkt dat er aardolie lekte uit opslagtank D3. De ruwe aardolie kwam uit de terp gelopen. Vermoed werd dat er een scheur in de bodemplaat was. Ogenblikkelijk voerde het bedrijf explosiemetingen uit, om vervolgens water in de tank te pompen. Daar de dichtheid van water groter is dan die van aardolie, kwam het water na enige tijd op de bodem van de tank terecht en aldus werd het olielek omgezet in een waterlek. Na ongeveer 4 uur was deze omzetting gebeurd. In totaal is er ongeveer 35 m³ ruwe aardolie vrijgekomen in de inkuiping. MI kwam ter plaatse om na te gaan of het interne noodplan naar behoren functioneerde en de nodige beschermingsmaatregelen voor mens en milieu werden getroffen. In de namiddag van 12 september 2005 startte het bedrijf de sprinklers om de inkuiping onder water te zetten waardoor de olie kwam bovendrijven en ze gemakkelijker verwijderd kon worden. De tank zal geledigd en gereinigd moeten worden om
het lek te herstellen. De raffinaderij denkt dat dit ongeveer zes maanden in beslag zal nemen. De ruwe reiniging van een dergelijke tank gaat snel, maar de fijne reiniging kan ongeveer twee maanden in beslag nemen. De tank zal effectief één tot anderhalf jaar uit dienst zijn. De tank was inwendig geïnspecteerd in 1990 bij de overname van de tanks van de vorige eigenaar. Toen waren de tanks intact. Ondertussen had de exploitant een identieke tank D1 net opnieuw inwendig laten inspecteren met gunstig gevolg. Omdat er verschillende soorten ruwe aardolie naar elke tank gestuurd worden, kan het toch gebeuren dat het product in tank D3 meer corrosieve componenten bevat dan dit in tank D1. Het bedrijf zal daarom in de komende jaren alle ruwe aardolietanks van dit tankpark inwendig inspecteren. Op 25 oktober 2005 om half negen ‘s avonds vernam MI via berichten op de radio en op teletekst dat opnieuw een aardolietank lekte in hetzelfde tankenpark. Een inspecteur van MI begaf zich ter plaatse en vernam dat de tank D2, identiek aan de een maand voordien lekke tank D3, omstreeks 18:15 uur was leeggelopen ingevolge een scheur. De tank met een capaciteit van 40.000 m³ was gevuld met 36.000 m³ aardolie. Er werd melding gemaakt van geurhinder tot in Brasschaat. Fase 3 van het rampenplan werd afgekondigd. De bedrijfsbrandweer en de brandweer van de betrokken gemeente en de Civiele Bescherming waren al ter plaatse. De aarden inkuiping was tot ongeveer één meter hoog gevuld met aardolie. Achteraan, nabij tank D3, was de aarden wal gescheurd. De wal werd hersteld met zandzakjes. Er waren daardoor een paar duizenden liter aardolie in de achterliggende beek terechtgekomen. De beek werd afgedamd en de inhoud werd overgepompt naar de inkuiping. Inmiddels was het bedrijf begonnen met het overpompen van de gelekte aardolie naar andere opslagtanks. Om de geurhinder te bestrijden werd eerst een schuimlaag aangebracht op de olieplas. Nadat de inkuiping leeggepompt was, heeft het bedrijf de resterende olie bedekt met zand. Na deze eerste reeks ingrepen
Reactieve controles • 87
Bij controle in de opslagplaatsen bleek dat de goederen soms opgeslagen werden zonder aanduiding van de gevarenklasse en zonder rekening te houden met de afstandsregels
restte uiteraard nog de sanering van de bodem en het herstel van het tankenpark. De historiek van de feiten - geen corrosie vastgesteld bij tank D1, tank D3 vertoont plotseling een groot lek, vermoedelijk ingevolge een bodemscheur, en tank D2 faalt plots catastrofaal – deed een bodemverzakking vermoeden. Volgens het bedrijf ligt onder de tanks een kleilaag van ongeveer twee meter dikte met daaronder een veenlaag, die gedestabiliseerd zou kunnen zijn door een grondwaterbemaling. Het expertenonderzoek, dat inmiddels werd afgerond, heeft echter uitgewezen dat het ongeval te wijten is aan corrosie van de bodemplaat. Nu de oorzaak bekend is, wenst het bedrijf met de toezichthoudende overheden en de vergunningverlenende overheid overleg te plegen over de voorwaarden om het tankenpark terug in dienst te nemen.
Evaluatieverslagen Een vergunning op proef kan worden verleend voor een termijn van ten hoogste twee jaar. Ter uitvoering van artikel 40 van Vlarem I maakt MI voor elke vergunning op proef een evaluatieverslag. Dat verslag wordt bezorgd aan de vergunningverlenende overheid die een definitieve beslissing neemt. Evaluatieverslagen bij proefvergunningen Aantal verslagen
28
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
81
Evaluatieverslag voor een opslagmagazijn voor gevaarlijke stoffen Een magazijn dat grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen opsloeg, had een milieuvergunning voor een klasse 2-inrichting. Dit terwijl het eigenlijk een klasse 1-inrichting was en zelfs viel onder de drempel 2-Seveso-inrichtingen. Door de opmaak van het veiligheidsrapport bleef de vergunningsprocedure aanslepen. Daarom beperkte het bedrijf zelf de opslag tot drempel 1, in afwachting van de aflevering van de klasse 1-vergunning. Bij controles stelde MI herhaaldelijk inbreuken vast. Het register van de gevaarlijke stoffen was onoverzichtelijk en het kwam
88 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
zelden overeen met de opgeslagen hoeveelheden. Het bedrijf had hierdoor moeilijkheden om te bepalen of aan de vergunningsvoorwaarden voldaan werd en of de drempelwaarde voor VR-plicht bereikt was. Waterstofsulfide stond bijvoorbeeld alleen vermeld als zeer licht ontvlambaar, terwijl het eveneens zeer giftig is en werd opgeslagen buiten het magazijn. De opgeslagen stoffen stonden niet steeds onder de juiste gevaarscode vermeld, zelfs al waren correcte veiligheidsfiches voorhanden. Bij controle in de opslagplaatsen bleek dat de goederen soms opgeslagen waren zonder aanduiding van de gevaarsklasse en zonder rekening te houden met de afstandsregels. De aangetroffen hoeveelheden kwamen niet overeen met de overhandigde lijst. De vergunde opslaghoeveelheden werden sterk overschreden, zowel voor de milieugevaarlijke stoffen als voor de toxische en zeer toxische producten. In oktober 2004 verkreeg het bedrijf een proefvergunning voor één jaar met een aantal bijzondere voorwaarden. De belangrijkste hiervan betroffen: het aanstellen van een preventieadviseur niveau 1 met hogere opleiding scheikunde die tijdens de openingsuren steeds aanwezig is op het bedrijfsterrein; het beperken van de opslag van gevaarlijke producten zowel naar hoeveelheid als naar locatie overeenkomstig de indeling die in de milieuvergunning vastgelegd is; het toepassen van de voorwaarden van Vlarem II; de strikte naleving van de opgelegde voorwaarden bij eventuele opslag van methylbromide en het aanstellen van een milieucoördinator van niveau A vooraleer de exploitatie conform de voorliggende vergunning wordt in gebruik genomen. MI overliep tijdens een inspectie in februari 2005 de bijzondere voorwaarden van de proefvergunning . Hierbij werd het belang onderstreept van de strikte naleving van deze voorwaarden binnen een zeer korte periode, gelet op het advies dat MI zou moeten verlenen bij het einde van de proefvergunning. In mei werd een grondige inspectie uitgevoerd. Het bedrijf bleek nog niet in orde. Het advies van MI was dan ook negatief. De proefvergunning werd in september met zes maanden verlengd. Aansluitend voerde MI in november een nieuwe inspectie uit. Inmiddels had het bedrijf een licentiaat scheikunde aangeworven als preventieadviseur en milieucoördinator en werd aan de belangrijkste opmerkingen gevolg gegeven. Onder impuls
Evolutie van de kantschriften 1200
1000
800
600
400
200
0 1999
2000
Aantal ontvangen
2001
2002
2003
2004
2005
Aantal behandeld
Het bedrijf werd veroordeeld voor onder andere het vervuilen van de waterloop waarin het bedrijfsafvalwater wordt geloosd
van de inspectiediensten en dankzij de inmiddels aanwezige knowhow is het bedrijf momenteel op de goede weg. Het tweede evaluatieverslag van MI, dat inmiddels werd bezorgd aan de Bestendige Deputatie, was dan ook positief. Op 16 februari 2006 kreeg het bedrijf dan ook een definitieve vergunning.
Kantschriften Als een parket vragen heeft bij een proces-verbaal van MI of als het parket de stand van zaken wil kennen in de administratiefrechtelijke afhandeling die volgt op een proces-verbaal van MI, gebeurt dat in de vorm van een kantschrift. Ontvangen kantschriften
bij prioritaire processen-verbaal
bij andere processen-verbaal
Antwerpen
10
35
Brugge
5
8
Brussel
26
19
Dendermonde
20
108
Gent
11
71
Hasselt
36
98
Ieper
3
21
Kortrijk
16
81
Leuven
38
11
Mechelen
4
22
Oudenaarde
4
28
Tongeren
14
77
Turnhout
0
16
Veurne
3
7
Totaal
190
602
Aantal daarvoor uitgevoerde inspecties
134
230
Daarnaast kunnen de toezichthoudende ambtenaren, na gemotiveerd verzoek van het parket, als technisch expert deelnemen aan een onderzoek onder leiding van een magistraat of een officier van gerechtelijke politie, voorzover dat de planmatige handhaving niet te sterk doorkruist. In 2005 werden daarvoor 50 afstappingen uitgevoerd.
Reactie op kantschriften leidt tot verbeurdverklaring Bij een aardappelverwerkend bedrijf in West-Vlaanderen stelde MI sinds jaar en dag overtredingen vast. De aard van de overtredingen was heel divers: geurhinder, lawaaihinder, overschrijding van de lozingsnormen van het afvalwater, oppompen van niet-vergunde hoeveelheden grondwater en exploitatie zonder vergunning. MI stelde tal van processen-verbaal op ten laste van het bedrijf. Geregeld ging MI - al dan niet op vraag van het parket - de toestand op het bedrijf na. Uiteindelijk werd de zaak strafrechtelijk beslecht voor de Correctionele Rechtbank. MI bleef gedurende het ganse proces nauwgezet betrokken bij de zaak, onder meer omdat het parket geregeld beroep deed op de technische expertise van MI. Zo legde de advocaat van het bedrijf tijdens het proces voor de Correctionele Rechtbank verschillende besluiten neer. Deze besluiten werden door het parket aan MI overgemaakt in de vorm van een kantschrift, met de vraag die kritisch na te lezen en aspecten die milieutechnisch niet correct werden weergegeven, gemotiveerd te weerleggen. Eind december 2005 ontving onze afdeling het vonnis van de Rechtbank. Het bedrijf werd veroordeeld tot een effectieve geldboete van 110.000 euro voor het vervuilen van de waterloop waarin het bedrijfsafvalwater wordt geloosd, het niet uitvoeren van studies met betrekking tot de afvalwater, grondwater- en geluidsproblematiek en het veroorzaken van geur- en geluidshinder. Daarenboven werd ook de som van 41.641 euro verbeurdverklaard voor het oppompen van niet-vergunde hoeveelheden grondwater. Ook de zaakvoerder werd om bovenvermelde feiten veroordeeld tot een effectieve geldboete van 110.000 euro. Ondertussen bleef het bedrijf echter niet bij de pakken zitten en forse investeringen leidden tot het oplossen van een groot deel van de door MI vastgestelde overtredingen. Momenteel dringt zich voornamelijk nog een sanering op van de waterzuiveringsinstallatie. De lozingsnormen voor het geloosde afvalwater worden voor verschillende parameters nog steeds in ernstige mate overschreden. Een uitbreiding en optimalisatie van de waterzuiveringsinstallatie op basis van de nieuwste technologieĂŤn kan hier een oplossing bieden. Daarnaast zal in opdracht van het bedrijf ook nog een geluidsstudie worden uitgevoerd om na te gaan in hoeverre momenteel nog sprake
Reactieve controles • 89
is van geluidshinder. In november 2005 verleende de Vlaamse minister van Leefmilieu een milieuvergunning aan het bedrijf tot 2022. Dit geeft het bedrijf opnieuw meer zekerheid, ruimte en mogelijkheden om te komen tot een oplossing voor de milieuproblematiek die zich momenteel nog stelt. Uiteraard blijft MI het dossier verder nauwgezet opvolgen.
Adviesverlening Het overgrote deel van de vragen om adviesverlening zijn een gevolg van de regelgeving over private waterzuiveringsinstallaties (PWZI’s). Daarnaast zijn er adviesvragen in het kader van EMAS-registraties. In het kader van een dossier voor investeringsaftrek ontving MI in 2005 geen enkele vraag.
Adviesverlening PWZI’s Het Vlaams Parlement heeft met de programmadecreten van 20 december 1996, 19 december 1998, 22 december 2000 en 19 december 2003 beslist dat particulieren die zelf hun afvalwater zuiveren een vrijstelling van de afvalwaterheffing kunnen genieten. Een van de voorwaarden die daarvoor moeten worden vervuld, is de bouw en de exploitatie van een PWZI volgens een code van goede praktijk. Voor de burgemeester hiervoor een attest aan de burger kan uitreiken, moet aan MI advies worden gevraagd. De cijfers over de uitgebrachte adviezen worden in de bijgevoegde tabel vermeld. Opmerkelijk is de zeer sterke stijging van het aantal adviesaanvragen: ten opzichte van vorig jaar is er bijna een verdubbeling, in vergelijking met 2002 zijn er meer dan 4 keer meer adviezen verstrekt. Bij de voorbereiding en de uitvoering van de controles voor het opstellen van de adviezen deed MI sinds 1997 heel wat praktijkervaring op. Die gegevens werden in september 1999 met het oog op de terugkoppeling naar het beleid gebundeld en als een uitgebreid verslag bezorgd aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. In de loop van 2000 stelde MI twee concrete voorstellen tot decreetswijziging voor aan de minister. Antw. Ontvangen aanvragen
Limb.
MI stelde een evaluatierapport op met een overzicht van de bevindingen en knelpunten bij de adviesverlening bij PWZI’s en zond dit rapport naar de minister
Met het programmadecreet van 22 december 2000 werd de wetgeving opnieuw aangepast: vanaf 2001 volstaat een attest dat vijf jaar geldig is en zal de vrijstelling automatisch gebeuren. Bovendien krijgen alle zelfzuiveraars die aan de huidige kwaliteitsnormen voldoen een vrijstelling, onafhankelijk van hun woonplaats (tenzij de particuliere waterzuiveringsinstallatie werd aangelegd nadat de woning al aansluitbaar was op een RWZI). Tevens wordt het begrip gecertificeerde zuiveringsinstallatie ingevoerd. Eind 2004 zorgde het programmadecreet van 24 december 2004 opnieuw voor enkele aanpassingen aan de regelgeving. Het advies van MI bleef echter een verplichting. MI stelde in de loop van 2005 een evaluatierapport op met een overzicht van de bevindingen en knelpunten en zond dit rapport, als terugkoppeling van de ervaringen op het terrein, naar de minister. Dit rapport initieerde de opname van nieuwe wijzigingen in een ontwerp van verzameldecreet, dat in de loop van 2006 zal besproken worden. Het uitgangspunt is dat het verplicht advies van MI zou geschrapt worden, zodat de gemeenten de eigen vaststellingen dadelijk kunnen gebruiken voor het verlenen van het attest aan de burgers. De meeste gemeenten doen deze vaststellingen al in het kader van de subsidiëring van deze installaties of in het kader van hun toezichtstaken bij klasse 3-inrichtingen. Oost-Vl.
Vl.-Brab.
West-Vl.
Totaal
297
27
166
124
250
5
0
0
14
0
19
Onderzochte aanvragen
292
27
166
110
250
845
Advies gunstig
809
Onvolledige aanvragen
864
285
27
158
104
235
Advies ongunstig (constructie)
0
0
1
2
2
5
Advies ongunstig (exploitatie)
7
0
7
4
13
31
96
12
56
69
4
237
Anaëroob bacteriefilter
4
0
2
1
1
8
Ondergedompeld filter
11
4
20
2
0
37
144
6
75
12
222
459
9
0
2
9
0
20
28
5
11
17
27
88
Aëroob bacteriefilter of oxidatiebed
Actief slibsysteem Biorotor Plantensystemen
90 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Adviesverlening EMAS
Hoog toezicht
Verordening (EG) nr. 761/2001 van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem is beter bekend als de EMAS II-verordening. Daarbij staat EMAS voor ‘Eco Management and Audit System’. EMAS II is de opvolger van een eerdere EMAS-verordening (nr. 1826/93) en heeft als doel de gestage verbetering van de milieuprestaties van organisaties te bevorderen door: - milieubeheersystemen te ontwikkelen en te gebruiken; - de prestaties van dergelijke systemen stelselmatig objectief en periodiek te beoordelen; - het publiek over de milieuprestaties te informeren en bij een open dialoog te betrekken; - de werknemers actief in de organisatie te betrekken.
Artikel 58 van Vlarem I bepaalt dat de door de minister aangestelde ambtenaren van niveau 1 en 2 van MI gelast zijn met het toezicht op de inrichtingen van klasse 1 en met ‘hoog toezicht’ over de inrichtingen van klasse 2 en 3. In de milieuwetgeving is echter geen definitie van ‘hoog toezicht’ terug te vinden. ‘Hoog toezicht’ wordt door MI niet geïnterpreteerd als ‘in de plaats treden van degene die in gebreke blijft’. De afdeling beschikt immers in haar huidige vorm slechts over een 90-tal toezichthoudende ambtenaren, die bij voorkeur worden ingezet om preventieve controleacties uit te voeren bij klasse 1-inrichtingen.
In tegenstelling tot zijn voorganger heeft EMAS II een toepassingsgebied dat niet beperkt is tot industriële activiteiten. De nieuwe verordening werd geïmplementeerd door een wijziging van de titel bedrijfsinterne milieuzorg van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Aminal is de instantie die bevoegd is voor de registratie van organisaties en voor de schrapping, de weigering en de schorsing van de registraties. De afdeling Milieuvergunningen zorgt voor de concrete uitvoering. Conform artikel 6 van de verordening wordt MI bij elke vraag tot registratie van een industriële activiteit geconsulteerd. MI onderzoekt aan de hand van een aantal criteria of de organisatie voldoet aan de relevante wettelijke milieuvoorschriften en deelt haar bevindingen mee aan de afdeling Milieuvergunningen. In de loop van 2005 ontving MI drie vragen over een EMASregistratie. Naar aanleiding van het onderzoek formuleerde MI voor twee locaties een aantal aandachtspunten in verband met de vergunningstoestand, luchtemissies en lozing van afvalwater. Voor de derde locatie verwees MI onder meer naar haar onderrichtingen naar aanleiding van een diepgaande controle van de opslag van ontvlambare vloeistoffen.
Vragen vanuit het Vlaams Parlement MI geeft elk jaar heel wat input bij het beantwoorden van diverse vragen vanuit het Vlaams Parlement. Het betreft hierbij schriftelijke vragen, vragen om uitleg en interpellatieverzoeken. Op de volgende bladzijde wordt een overzicht gegeven van de behandelde vragen. Het aantal inspecties dat daarvoor werd uitgevoerd is steeds zeer laag (of nihil) aangezien de dossiers bij MI meestal goed bekend zijn en omdat er normaliter weinig tijd beschikbaar is tussen het stellen van de vraag en het meedelen van het antwoord. Input bij vragen vanuit het Vlaams Parlement Aantal behandelde schriftelijke vragen
23
Aantal behandelde vragen om uitleg
9
Aantal behandelde interpellatieverzoeken
2
Verder kan MI de uitvoering van het toezicht door de gemeentelijke overheden niet afdwingen, aangezien ze geen hiërarchische bevoegdheid heeft over die overheden. Om een degelijke invulling te geven aan ‘hoog toezicht’, heeft MI een procedure uitgewerkt en ingevoerd om het eerstelijnstoezicht door de gemeenten van dichtbij te volgen (hierover kan u meer lezen in het deel ‘Klachten’, bij het begin van dit hoofdstuk) en om in ernstige gevallen, waarbij de gemeente manifest weigert om op te treden, toch te zorgen voor de handhaving van de milieuwetgeving. Daarnaast heeft MI in 2005 elke gemeente voorgesteld om een gezamenlijke controle uit te voeren bij een door de gemeente voorgesteld bedrijf. MI peilde bij de gemeenten ook naar de interesse voor bepaalde aspecten van het handhavinggebeuren en naar een draagvlak voor verdere samenwerking. Hierover kan u meer lezen in het hoofdstuk ‘Samenwerking en overleg’. Hoog toezicht op verzoek van het stadsbestuur bij een drukkerij In 1997 meldden aangelanden sluiklozingen die een beek kleurden, aan de Lokale Politie. Deze vroeg MI om bijstand. MI vond na enig speurwerk de oorzaak: een middelgrote drukkerij op een industrieterrein loosde inktresten in een riool. Die kwamen vrij bij het wassen van drukcilinders en veroorzaakten een verkleuring van het water enkele kilometers verder, daar waar de riolering in de beek uitmondde. MI verbaliseerde het bedrijf en maande de exploitant aan zich in regel te stellen. Het bedrijf paste zijn productiemethodes aan en dit leidde tot enige verbetering. Het parket stelde hierop aan de exploitant een minnelijke schikking van 250 euro voor. Omdat het een klasse 2-inrichting betrof, volgde de stedelijke milieudienst het dossier verder op. Ondanks de getroffen maatregelen vond in 1999 een nieuwe sluiklozing plaats die MI samen met de Lokale Politie vaststelde en verbaliseerde. Daarna bleef het opnieuw enkele jaren rustig. De toestand escaleerde begin 2005. De Lokale Politie kreeg opnieuw een melding van een verkleuring van de waterloop. Weer waren lozingen van de drukkerij de oorzaak. Via tijdsintensieve controles aan de beek stelde de Politie bijna dagelijks een verkleuring vast. Daarop verzocht de burgemeester MI om hoog toezicht te verrichten en om technische bijstand te verstrekken. MI verrichtte een reeks monsternemingen om de concentratie aan enerzijds courante parameters en anderzijds gevaarlijke stoffen in het bedrijfsafvalwater te kwantificeren.
Reactieve controles • 91
Overzicht van de behandelde vragen vanuit het Vlaams Parlement Datum
Onderwerp
Aard
Nr.
12/1/05
Opvolging van de grensoverschrijdende samenwerking inzake de dioxineproblematiek
Vraag om uitleg
439
31/1/05
Proefdierencentrum CODA te Machelen
Vraag om uitleg
569
14/1/05
Vandipaint - Milieuvergunning
Schriftelijke vraag
213
28/1/05
Grondreiniging in open lucht - Maatregelen
Schriftelijke vraag
272
2/3/05
Kunstwerken in openbare gebouwen - stand van zaken
Schriftelijke vraag
417
4/3/05
Overheidscommunicatie - Communicatiebureaus
Schriftelijke vraag
434
11/3/05
Stort Ramsel (Herselt) - Natuur en milieu
Schriftelijke vraag
443
22/4/05
Luchthaven Zaventem - Geluidskadaster
Schriftelijke vraag
523
8/5/05
Brownfields - Overzicht
Schriftelijke vraag
579
11/5/05
Vlarem II - Trillingsnormen
Schriftelijke vraag
555
12/05/05
Het voorkomen van ozonpieken tijdens de zomermaanden
Vraag om uitleg
25/5/05
Steenkoolcentrales - Emissiereductie
Schriftelijke vraag
30/5/05
Milieuvergunning BIAC
Vraag om uitleg
1413
7/6/05
Grensoverschrijdende milieuproblematiek - Meprec Moeskroen
Vraag om uitleg
1396
8/6/05
Vlaams Klimaatplan - CO2-uitstoot vliegtuigen
Schriftelijke vraag
614
8/6/05
Fijn-stofconcentratie Roeselare - Maatregelen
Schriftelijke vraag
615
17/6/05
Onderzoek ‘Milieu en Gezondheid’ bij pasgeborenen in Vlaanderen
Interpellatieverzoek
213
22/6/05
De zorgwekkende resultaten van het biomonitoring onderzoek
Vraag om uitleg
23/6/05
Jaarverslagen - Overzicht
Schriftelijke vraag
672
29/6/05
Gemeentelijke milieuhandhaving - Stand van zaken
Schriftelijke vraag
660
8/7/05
Gewestelijk Expresnet - Geluidsnormen
Schriftelijke vraag
680
13/7/05
REMO-stort Houthalen - Bedrijfsafval
Schriftelijke vraag
685
7/9/05
Radioactieve bliksemafleiders - Milieu
Schriftelijke vraag
726
14/10/05
Militair brandbestrijdingscentrum Ryckevelde (Brugge) - Milieu
Schriftelijke vraag
31
14/10/05
Strategische adviesraden - Jaarverslagen
Schriftelijke vraag
35
14/10/05
Buitenlandse reizen - Overzicht
Schriftelijke vraag
41
14/10/05
De milieu-inspectie van crematoria
Vraag om uitleg
213
19/10/05
Het beleid inzake milieugevaarlijke stoffen, en in het bijzonder de noodzaak om de Europese REACH-Verordening uit te voeren.
Vraag om uitleg
191
4/11/05
Over de gevolgen van en conclusies uit het incident met het tankpark van Total Fina in Kallo
Interpellatieverzoek
33
4/11/05
Vlaamse administratie - Publicatiedrukwerk
Schriftelijke vraag
97
28/11/05
De beëdiging van de gemachtigd toezichthoudende ambtenaren
Vraag om uitleg
302
9/12/05
Studieopdrachten - Overzicht
Schriftelijke vraag
156
14/12/05
Vlaamse Gemeenschap - Sponsoring
Schriftelijke vraag
167
22/12/05
Motocrosscircuit Waterloos (Maaseik) - Milieuvergunning
Schriftelijke vraag
202
92 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
1232 591
1541
De drukkerij loosde inktresten in een riolering die enkele kilometers verder in een beek uitmondde
MI stelde vast dat er in een funderingsput illegaal afvalstrooizout was gedumpt
De opgelegde sectorale lozingsvoorwaarden voor de grafische industrie vormden het toetsingskader.
technisch minderwaardig was aan het strooizout dat ze voortaan gebruiken. De gemeente wou het afvalstrooizout ‘gebruiken’ als stabilisatielaag onder de fundering van de op te richten betonnen opslagboxen.
Het bedrijf ligt sinds 1999 in zuiveringszone B waardoor niet de normen voor lozing in oppervlaktewater maar wel de soepelere normen voor lozing in riolering van toepassing zijn. De analyses toonden de aanwezigheid aan van hoge concentraties aromatische koolwaterstoffen en titaan, naast verhoogde concentraties totaal-fosfor. Uit de analyseresultaten bleek verder dat BZV, CZV, Kjeldahl-stikstof, en zwevende stoffen in hoge concentraties aanwezig waren. MI verbaliseerde het bedrijf en stelde het stadsbestuur voor om de vergunning voor het lozen van bedrijfsafvalwater te schorsen. Via de riolering wordt het afvalwater van twee belangrijke industriegebieden en van zeer veel woningen in het dicht bevolkt en hoger gelegen verstedelijkt gebied gecollecteerd. De waterplanten die stroomopwaarts nog welig voorkomen komen stroomafwaarts het lozingspunt niet meer voor. Volgens recente informatie zal de bijna 400 m lange verbinding tussen de monding van de riool en de collector naar de RWZI in 2007 worden gerealiseerd. De Correctionele Rechtbank veroordeelde het bedrijf tot een geldboete van 27.000 euro. Gemeente dumpt afvalstrooizout Dat hoog toezicht belangrijk is bewijst het volgende voorbeeld uit de praktijk. Eind maart contacteerde een bezorgde medewerker van een Vlaams-Brabantse gemeente MI. Hij meldde dat afval illegaal werd verwijderd tijdens funderingswerken voor nieuwe betonnen opslagboxen op een terrein van de betrokken gemeente. MI besloot deze situatie onmiddellijk ter plaatse te controleren. Ter plaatse stelde MI vast dat achteraan op het terrein van de gemeentelijke loods funderingswerkzaamheden aan de gang waren. Hiervoor was al heel wat grond uitgegraven. Groot was de verbazing toen MI vaststelde dat er in de funderingsput illegaal afvalstrooizout was gedumpt. 60 tot 80 ton afvalstrooizout lag uitgespreid over een oppervlakte van 40 bij 5 meter met een gemiddelde dikte van 25 tot 30 cm en bevatte veel grote gekristalliseerde zoutbrokken. Een ambtenaar van de gemeentelijke technische dienst verklaarde dat het strooizout niet meer voldeed omdat het teveel stof vrijgaf bij het openen en leegmaken van de zakken en
De partij afvalstrooizout bestond voornamelijk uit calciumchloride, een irriterende stof, vermengd met grond. Calciumchloride is goed oplosbaar in water en loogt makkelijk uit. Het dumpen van dergelijke hoeveelheden geeft aanleiding tot bodem- en grondwaterverontreiniging en kan de natuurlijke fauna en flora verstoren. Het afvalstrooizout wordt in de Vlaamse milieuregelgeving gedefinieerd als een gevaarlijke afvalstof en moet, doordat het zo makkelijk uitloogt, in zoutcelcondities op een vergunde stortplaats worden verwijderd. MI maande de gemeente mondeling en ter plaatse aan om onmiddellijk het afvalstrooizout uit te graven en het op gepaste wijze op te slaan in afwachting van een reglementaire verwijdering. MI bevestigde de aanmaning schriftelijk en verbaliseerde de gemeente. De gemeente gaf onmiddellijk gevolg aan de aanmaning. Tijdens een voortgangscontrole enkele dagen later kon MI immers vaststellen dat het afvalstrooizout was uitgegraven en voorlopig op twee hopen werd opgeslagen. Plastieken zeilen onder en boven de hopen afvalstrooizout voorkwamen uitloging. De gemeente liet enige tijd later het afvalstrooizout afvoeren naar een stortplaats. Op het verwijderingsattest las MI dat de partij omschreven werd als 67 ton ‘grond verontreinigd met anorganische stoffen’ terwijl het eerder ging om ‘anorganische stoffen verontreinigd met grond’. Hierdoor rees bij MI het vermoeden dat de partij toch niet reglementair werd verwijderd. MI controleerde dan ook de registers en het werkplan van de stortplaats naar waar de partij strooizout werd afgevoerd. Hieruit bleek dat het afvalstrooizout uiteindelijk toch verwijderd werd in zoutcelcondities. Door een alert en kordaat optreden voorkwam MI dat 67 ton afvalstrooizout voorgoed verdween onder de fundering van de betonnen opslagboxen. Naast MI was ook de Vlaamse minister van Leefmilieu
Reactieve controles • 93
verbaasd over het gebrek aan milieubewustzijn bij de VlaamsBrabantse gemeente. Hij schreef dan ook een brief naar de burgemeester waarin hij zijn ontgoocheling uitdrukte over het feit dat een gemeente, zelf belast met het toezicht op de milieuregelgeving, naliet zich legaal te ontdoen van de aanwezige afvalstoffen. Tevens wees hij op de voorbeeldfunctie van de gemeente voor het naleven van de milieuhygiënewetgeving en waarschuwde ervoor dat dergelijke illegale activiteit helemaal niet het milieubewuste gedrag van gemeentearbeiders, burgers en bedrijven bevordert.
Draaiboek wintersmog In periodes van ongunstige meteorologische omstandigheden kan de luchtverontreiniging tijdelijk sterk toenemen (‘smog’), met nadelige gevolgen voor mens en milieu. Vlarem II voorziet in een regeling waarbij de meest luchtvervuilende bedrijven bij smog maatregelen moeten nemen om hun uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht te verminderen. MI kreeg hierbij naast haar taak van toezichthouder op de uitvoering van die maatregelen, ook de rol van boodschapper toegewezen. MI moet de exploitanten van de bedrijven waarschuwen indien wintersmog optreedt. Wanneer de wintersmogperiode effectief wordt afgekondigd, moet MI hen alarmeren en hen vragen om maatregelen te nemen. Ook bij het einde van de smogperiode, moet MI de bedrijven verwittigen om de maatregelen stop te zetten. De bedrijven moeten dan binnen de twee maanden aan MI alle informatie geven om de effectiviteit van de genomen maatregelen te kunnen evalueren. Daarnaast moet MI ook de andere gewesten, de buurlanden en de pers inlichten. De vertaling van die Vlarem-bepalingen naar een praktisch werkbare regeling voor MI, met uitgeschreven procedures en gestandaardiseerde waarschuwings- en alarmberichten naar alle bovenvermelde betrokkenen, resulteerde in het ‘Draaiboek wintersmogperiodes’. In 2005 werd dit draaiboek geactualiseerd voor gebruik in de winter van 2005-2006. Vlarem maakt een onderscheid tussen een ‘waarschuwingsfase’ en een ‘alarmfase’. De waarschuwingsfase gaat in wanneer de uurgemiddelde meetwaarde voor NOx of de glijdende daggemiddelde meetwaarde voor SO2 een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. De meetwaarden zijn de concentraties van deze stoffen in de omgevingslucht. Ze worden door VMM continu gemeten in 35 meetposten verspreid over het Vlaams grondgebied. Ook voor het afkondigen van de alarmfase staat er een drempelwaarde in Vlarem. Opdat bij alarm de genomen maatregelen werkelijk effectief zouden zijn, is het belangrijk dat vooral de bedrijven die in de zone van de smog gelegen zijn, maatregelen nemen. Daarom werd Vlaanderen in zeven zones verdeeld, waaronder twee aparte zones voor de havengebieden van Antwerpen en Gent. Waarschuwingsfase of alarmfase gaan in op het moment dat er
94 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
bij minstens twee meetposten in één zone een overschrijding van de drempelwaarde is. Alleen de bedrijven van die zone moeten bij alarm maatregelen nemen. De inspecteur van wacht van de Hoofdinspectie volgt daarom in het kader van zijn/haar permanentieopdracht, de evolutie van de gemeten concentraties bij de Vlaamse meetpunten op de webstek van IRCEL. Van VMM die het Vlaams meetnet beheert, ontvangt de inspecteur dagelijks per elektronische post een meetrapport voor alle meetposten. Alleen de grootste emittoren moeten bij alarm hun bijdrage in de luchtverontreiniging door maatregelen verminderen. De wintersmogbedrijven worden elk jaar op 1 oktober geselecteerd op basis van de in het milieujaarverslag van het voorgaande jaar gerapporteerde jaarvrachten. Voor de winter van 20052006 zijn er 38 wintersmogbedrijven. Het zijn in hoofdzaak elektriciteitscentrales, metallurgische bedrijven, steenbakkerijen, raffinaderijen en grote chemische bedrijven. Op de kaart ziet u de ligging van de wintersmogbedrijven en de meetposten, en de indeling van Vlaanderen in zones. De wintersmogbedrijven moeten bij alarm hun productie- en verbrandingsprocessen die luchtverontreiniging veroorzaken tijdelijk beperken, uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten tijdelijk opschorten en het opstarten van bepaalde processen die met een extra emissie zouden gepaard gaan, uitstellen. Daarnaast moeten ze tijdelijk overschakelen naar zwavelarme brandstof en, indien mogelijk, naar aardgas. De exploitanten moeten binnen de 24 uur per fax aan MI melden welke maatregelen ze precies hebben genomen. MI voert het toezicht hierop uit.
ZONE KUST
MEETSTATIONS
● Telemetrisch Meetnet ■ Meetnet Specifieke Studies
EMITTOREN
WINTERSMOGPERIODES Vlarem II afdeling 4.4.5
ZONE WEST ZONE NOORD ZONE OOST
● Bedrijven (2005-2006)
ZONE CENTRUM
■ Electriciteitscentrale
HAVENS
▲ Raffinaderijen
BRUSSEL
Wintersmog: liggingsplan van de zones, meetstations en emittoren
Reactieve controles • 95
Om saneringen daadwerkelijk te realiseren en om de geloofwaardigheid van de handhaving hoog te houden, is een kordate en doortastende voortgangscontrole van de opgelegde maatregelen tot op het ogenblik dat de gewenste sanering is bereikt, een absolute noodzaak. In dit hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan het eigen initiatief. Naast tal van geplande inspectieactiviteiten, worden er immers ook nog ambtshalve controles op eigen initiatief van de toezichthoudend ambtenaar uitgevoerd. Dat zowel voortgangscontrole als eigen initiatief een belangrijk deel uitmaken van het sleutelproces ‘inspecteren en maatregelen nemen’, getuigt de tijd die daaraan besteed wordt, namelijk 30%.
Voortgangscontrole en eigen initiatief Voortgangscontrole van een dossier Voor de voortgangscontrole van vastgestelde tekortkomingen maakt MI gebruik van het handhavingsinstrumentarium. Dat is een MI-instrument dat efficiënt en effectief moet worden aangewend om de eigen afhandelingsbevoegdheden te maximaliseren. Zo moeten opgelegde onderrichtingen aanleiding geven tot daadwerkelijke saneringen. In de gevallen waarin de opgelegde onderrichtingen (veelal aanmaningen) niet leiden tot de beoogde saneringen, zal MI overgaan tot administratieve rechtshandelingen (dwangmaatregelen, bevelen) of tot een voorstel aan de vergunningverlenende overheid tot het nemen van administratieve sancties (schorsen of opheffen van de vergunning). In voorkomend geval kan MI ook een voorstel indienen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden. Hierna volgen een aantal voorbeelden uit de praktijk. Sanering van een geurprobleem Als gevolg van het ‘afkoppelingsbeleid’ van de Vlaamse Overheid werd een groenteverwerkend bedrijf in het noorden van de provincie Antwerpen via de milieuvergunning verplicht om zijn afvalwater af te koppelen van de openbare riolering en zelf te zuiveren. De afvalwaterzuiveringsinstallatie werd vlak achter de fabriek gebouwd, op ongeveer 100 meter van de dichtstbijzijnde huizen. In het voorjaar van 2004 nam het bedrijf de aërobe biologische waterzuiveringsinstallatie in gebruik. Begin augustus 2004 kreeg MI de eerste klachten van buurtbewoners over geurhinder, voortgebracht door de waterzuivering. MI stelde tijdens een controle vast dat een voorgeschakelde buffertank waarin het afvalwater begon te gisten, de bron van de geurhinder was. De constructeur van de waterzuivering voerde een aantal aanpassingen uit: het installeren van een
dompelbeluchter om anaërobie te voorkomen; het verlengen van de influentleiding en het optimaliseren van de menging in de buffertank. Omdat de buurtbewoners toch nog geregeld last hadden van geurhinder, werd begin september 2004 na een overlegvergadering met het bedrijf, de constructeur en MI besloten om een grote pompinstallatie te voorzien waardoor de buffertank bij elke productiestop in het weekend volledig kon leeggemaakt worden. Na deze ingreep kreeg MI een tijdje geen klachten meer. Eind mei 2005 was er een defect aan een beluchter, die slechts na een paar dagen kon vervangen worden. Drie weken later waren er opnieuw problemen in de buffertank, waardoor het aanwezige afvalwater anaëroob werd. De buurt werd overspoeld door een stankgolf van rotte eieren. De Lokale Politie stelde proces-verbaal op. MI maande de exploitant aan om dringend definitieve maatregelen tegen de geurhinder te nemen. Na het bouwverlof bracht het bedrijf een overkapping aan op de buffertank. Vanaf dan volgde het bedrijf ook de goede werking van de waterzuiveringsinstallatie beter op door vooral de zuurtegraad en de waterstand in de buffertank nauwgezetter te controleren. Sindsdien heeft MI geen geurklachten meer ontvangen. Hopelijk zal de ingebruikname van de anaërobe biologische waterzuiveringsinstallatie in het voorjaar van 2006 geen nieuwe problemen geven. Voortgangscontroles leiden tot vraag tot opheffing van de vergunning In september 2004 ontving MI een klacht van een gemeentelijke milieuambtenaar dat een beek zwaar verontreinigd was. Ter plaatse zag de beek er zeer troebel uit en stond er veel schuim op. De beek werd stroomopwaarts gevolgd over verschillende kilometers tot op het grondgebied van een volgende gemeente.
Voortgangscontrole en eigen initiatief • 97
De biologische waterzuivering veroorzaakte heel wat geurhinder
Uit de verschillende hopen mest, groenteafval en aardappelpuree sijpelden er sappen weg, die via roosters in de gracht terechtkwamen
Hier werd de bron van de verontreiniging gevonden bij een rundveefokkerij. De gracht voor het landbouwbedrijf stond droog, terwijl na het bedrijf de gracht zwaar verontreinigd was.
Hoewel de zuiveringsinstallatie ook een gunstig effect had op de uitstoot van geurstoffen, bleven zowel MI als de gemeente sporadisch geurklachten van buurtbewoners ontvangen. Om uitsluitsel te krijgen over de ernst en de omvang van de resterende geurhinder, liet MI in het voorjaar van 2004 een geuronderzoek uitvoeren in en rond het bedrijf.
Naast de rundveestallen lagen behalve de mestvaalt ook grote hopen groenteafval en aardappelpuree, die gebruikt werden als voedsel voor de runderen. Uit de verschillende hopen sijpelden er sappen weg, die via roosters in de gracht terechtkwamen. Na monstername van het geloosde afvalwater bleek dat de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater met meer dan een factor 1.000 werden overschreden. De exploitant heeft wel een milieuvergunning voor het houden van 431 runderen, de mestopslag en de opslag van groenvoeder, maar was niet vergund voor het lozen van afvalwater. MI stelde een proces-verbaal op en maande de exploitant aan om binnen de 14 dagen alle nodige voorzieningen te treffen zodat de mestvaaltsappen, silosappen en groenvoedersappen niet meer geloosd werden. Bij nieuwe inspecties in november 2004, januari, maart en augustus 2005 werd vastgesteld dat de exploitant nog steeds geen maatregelen genomen had en er niets veranderd was aan de toestand. Aangezien de exploitant alle mondelinge en schriftelijke aanmaningen negeerde, werd in toepassing van artikel 47 van Vlarem I aan de Bestendige Deputatie gevraagd om de milieuvergunning op te heffen. Voor die feiten werd de exploitant ondertussen ook op 13 september 2005 door de Correctionele Rechtbank te Brugge veroordeeld. Buurtbewoners halen opgelucht adem Enkele jaren terug gaf een polyesterverwerkend bedrijf aanleiding tot aanhoudende milieuklachten door omwonenden, in het bijzonder over sterk verhoogde formaldehyde-emissies en over ernstige geurhinder. In april 2003 plaatste het bedrijf, na grote druk vanuit MI, een installatie voor het zuiveren van de afgassen. Uit de maandelijkse emissiemetingen bleek nadien dat de emissiegrenswaarde voor formaldehyde niet meer werd overschreden. De formaldehyde-emissie wordt verder gevolgd via de maandelijkse zelfcontrolemetingen van de exploitant.
98 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Het besluit hiervan was dat er gemiddeld gezien op jaarbasis nergens rond het bedrijf ernstige geurhinder optrad. Enkel bij frequent optredende verhoogde geuremissie zou er ter hoogte van enkele woningen sprake kunnen zijn van onaanvaardbare geurhinder. Op basis van de resultaten van het onderzoek maande MI het bedrijf in september 2004 aan om de nodige saneringsmaatregelen te nemen. Het bedrijf koos voor een verhoging van de schoorstenen van de ovens met de grootste geuremissie, een betere koeling van de afgassen in de zuiveringsinstallatie en enkele aanpassingen qua gebruikte grondstoffen. De uitvoering van deze maatregelen liep vertraging op door het feit dat ondertussen een gerechtsexpertise lopende was over de geplaatste zuiveringsinstallatie. Pas in juni 2005 kon het bedrijf MI meedelen dat een set maatregelen was genomen om de geurhinder te beperken. Dit omvatte onder meer de verhoging van de schoorstenen om een betere geurverspreiding in de omgeving te verkrijgen, het optimaliseren van de zuiveringsinstallaties en het gebruik van enkele aangepaste grondstoffen. Sinds mei 2005 ontving MI geen klachten meer over geurhinder van omwonenden van het bedrijf. Toezichthoudende ambtenaren van MI voerden in de loop van september en oktober 2005 snuffelwaarnemingen uit in de omgeving van het bedrijf. Hierbij werd geen enkele keer geur waargenomen, laat staan dat er sprake was van geurhinder. Voortgaand op deze vaststellingen lijken de problemen met de uitstoot van formaldehyde en geur bij dit bedrijf momenteel dus opgelost. Dit werd ook zo gecommuniceerd naar het parket en naar de burgemeester van de gemeente.
Het bedrijf plaatste een installatie voor het zuiveren van de afgassen zodat de emissiegrenswaarde voor formaldehyde niet meer werd overschreden
De exploitant zorgde voor een uitbreiding van de bestaande waterzuivering en kon daarmee voldoen aan de geldende lozingsnormen
Eigen initiatief Dat een toezichthoudend ambtenaar bij de uitvoering van zijn geplande activiteiten in het veld wel eens wordt geconfronteerd met onvoorziene (potentiële) milieumisdrijven die een risico (kunnen) betekenen voor mens en milieu hoeft geen betoog. Zo kan de toezichthoudend ambtenaar onder meer de volgende situaties vaststellen: een illegale afvalwaterlozing, bodemverontreiniging, verdachte rookpluimen uit een schoorsteen, acute geur-, licht-, geluids- en trillingshinder, illegaal achterlaten of verbranden van afval en een op het eerste gezicht onzorgvuldige of onveilige uitbating van een bedrijf. Bij het waarnemen van dergelijke onvoorziene omstandigheden kan de toezichthoudend ambtenaar niet doen alsof er niets aan de hand is. Een (onmiddellijk) optreden op eigen initiatief is hier op zijn plaats. Elke toezichthoudend ambtenaar krijgt hiervoor een deel van zijn of haar beschikbare tijd toegewezen. Hierna volgt een voorbeeld.
lozingsnormen. De exploitant heeft daarop de nodige onderzoeken laten uitvoeren met als resultaat dat de bestaande zuivering uitgebreid zou worden met een bufferbekken van 200 m³, een fysico-chemische zuivering en een biologische zuivering, bestaande uit 2 bekkens van elk 100 m³. In de loop van 2004 is deze waterzuivering gebouwd en operationeel gemaakt. Om de goede werking van deze nieuwe waterzuivering te controleren heeft MI een nieuwe bemonsteringscampagne van het geloosde bedrijfsafvalwater uitgevoerd in 2005. Uit deze analyseresultaten blijkt dat de nieuwe waterzuiveringsinstallatie zeer goed werkt en er ruimschoots voldaan wordt aan de geldende lozingsnormen voor lozing in oppervlaktewater.
Controle van het afvalwater van een tankcleaner Medio 2003 werd een inrichting voor het inwendig reinigen van tank- en bulkwagens overgenomen. Tot dan vond er op dit bedrijf een beperkte bedrijvigheid plaats, waarbij er slechts sporadisch een tankwagen gereinigd werd. Tijdens de maanden volgend op de overname stelde MI een toenemende activiteit vast. Dagelijks werden tientallen tank- en bulkwagens inwendig gereinigd. Omdat het bedrijf slechts beschikte over een beperkte zuivering voor het bedrijfsafvalwater, besliste MI de lozing van het bedrijfsafvalwater te controleren door middel van een bemonsteringscampagne. Uit de analyseresultaten bleek dat met de aanwezige zuiveringsinstallatie niet voldaan werd aan de geldende lozingsnormen voor de lozing in oppervlaktewater. De probleemparameters waren vooral BZV, zwevende stoffen en Kjeldahl-stikstof. MI stelde een proces-verbaal op en maande het bedrijf aan om een waterzuiveringsinstallatie te plaatsen met een voldoende capaciteit om in alle omstandigheden te voldoen aan de
Voortgangscontrole en eigen initiatief • 99
‘Het werk van een toezichthoudend ambtenaar begint pas als de inspectie is afgelopen’. Het is een ietwat boude bewering die meer dan een grond van waarheid bevat. Tijdens een inspectie worden allerhande vaststellingen gedaan die steeds moeten worden getoetst aan de geldende regels. De beoordeling van alle informatie en de verdere afhandeling van vastgestelde overtredingen kan veel meer werk en tijd vragen dan de eigenlijke inspectie ter plaatse. Voor de afhandeling van de vaststellingen beschikt MI over het handhavingsinstrumentarium. Na de vaststelling van een overtreding stelt MI een proces-verbaal op en verstuurt dat naar de procureur des Konings. Tegelijkertijd dwingt MI een sanering af via de administratiefrechtelijke afhandeling. MI gebruikt hierbij een kwaliteitshandboek, om zo te komen tot een uniforme, vlugge en correcte dossierafhandeling.
Straf- en administratiefrechtelijk optreden Inspecteren Het grootste aantal inspecties wordt uitgevoerd tijdens de normale werkuren. Aanvullend wordt er ook ’s avonds, ’s nachts en in het weekend geïnspecteerd, aangezien milieuvervuiling geen ‘nine to five’-aangelegenheid is. Van iedere inspectie wordt een inspectieverslag opgemaakt. In veel gevallen is het noodzakelijk monsters te nemen of metingen te doen om een efficiënte controle mogelijk te maken of om de juiste graad van verontreiniging of overtreding te bepalen. Over de opzet en de resultaten van de inspecties wordt uitgebreid gerapporteerd in de vorige delen van dit rapport. Het behoort ook tot de opdracht van MI om een 24-uurpermanentie te verzekeren. Per provincie is minstens één toezichthoudend ambtenaar van permanentie. Die ambtenaar kan via zijn gsm worden opgeroepen door de Vlaamse minister van Leefmilieu, de hiërarchische oversten, de gerechtelijke overheden, zoals de procureurs des Konings of de onderzoeksrechters en het Crisiscentrum van de Regering (CGCCR). De Hoofdinspectie staat in voor de smogpermanentie: tijdens periodes
van wintersmog volgt zij dag en nacht de ontwikkeling van de luchtkwaliteit (NOx en SO2) en start ze, met ondersteuning van de provinciale buitendiensten, de nodige acties op. De inspecteurs van wacht en de diensthoofden beschikken over de nodige logistieke uitrusting om een oproep ogenblikkelijk te beantwoorden en zich ter plaatse te begeven. Ze beschikken over een gsm en over een dienstwagen met een basispakket van materiaal om zelf monsters te nemen of metingen te verrichten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal inspecties en gecontroleerde bedrijven in 2005. Aantal uitgevoerde inspecties Tijdens de diensturen
7.136
’s Avonds (van 17 uur tot middernacht)
2.245
’s Nachts (van middernacht tot 8 uur)
1.109
In het weekend (zaterdag, zondag en officiële feestdagen)
660 11.150
Totaal Aantal gecontroleerde bedrijven
4.721
Evolutie van de uitgevoerde inspecties
6JUHFWPFSEF JOTQFDUJFT JO
14000
In het weekend 's Nachts
12000
's Avonds Tijdens de diensturen
*O IFU XFFLFOE
10000 Gecontroleerde bedrijven
T /BDIUT
8000
T "WPOET
6000
5JKEFOT EF EJFOTUVSFO
4000
2000
0 1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 101
In 2005 voerde MI minder inspecties uit dan de voorbije jaren. Deze sterke daling is te verklaren door de lagere personeelsbezetting, de dossierrotatie en de extra maatregelen opgelegd door de directeur-generaal ter bescherming van de integriteit en de veiligheid van de toezichthoudend ambtenaar. Zo worden de inspecties ‘intra muros’ voortaan door twee toezichthoudende ambtenaren uitgevoerd. MI schat dat er meerdere tienduizenden klasse 1-bedrijven zijn in Vlaanderen. Het totale aantal inspecties toont aan dat jaarlijks slechts een klein deel van de Vlaamse bedrijven effectief wordt gecontroleerd. Eén bedrijfscontrole kan zowel één, meer, als alle milieudisciplines omvatten: afvalwater, lucht, geluid, afval, veiligheid, bodem en grondwater, ggo’s, GPBV, … Eén bedrijfscontrole betekent dus zeker niet altijd dat alle milieuaspecten van een bedrijf worden gecontroleerd. Het gegeven dat een bedrijf een geringe kans loopt op controle, sluit evenwel helemaal niet uit dat een bedrijf zelfs meermaals per jaar wordt gecontroleerd, bijvoorbeeld bij een geurklacht of een nieuwe vergunning, voor een monstername van afvalwater of een meting van de luchtemissies en voor de voortgangscontrole van een lopende sanering. Aspecten zoals milieu-impact, klachtmeldingen, nieuwe vergunningen, preventieve inspectiecampagnes, monsternames, voortgangscontroles en saneringen spelen hierin een belangrijke rol.
Processen-verbaal Een aanvankelijk proces-verbaal wordt opgesteld na de vaststelling van een overtreding van de milieuhygiënewetgeving en wordt verstuurd naar de procureur des Konings. In één proces-verbaal kunnen verschillende overtredingen worden opgenomen. Bij het overzicht wordt er een onderscheid gemaakt tussen het Milieuvergunningsdecreet en andere wetgeving. Binnen het Milieuvergunningsdecreet maken we verder een onderscheid tussen het ontbreken van een (volledige) vergunning en het niet-naleven van de voorwaarden. In de onderstaande tabel is de som van de laatste drie rijen daarom groter dan het getal in de eerste rij. Sinds de prioriteitennota vervolgingsbeleid milieurecht in het Vlaamse gewest op 30 mei 2000 werd goedgekeurd door de Commissie Vervolgingsbeleid (verder prioriteitennota genoemd), en de code van goede praktijk voor het proces-verbaal op 11 december 2000 werd aangepast en vanaf 1 januari 2001 van kracht werd, kan MI in een proces-verbaal melding maken van het prioritaire karakter van een overtreding volgens de criteria die in de prioriteitennota zijn opgenomen. De prioriteitennota vermeldt daarover onder andere dat als de administratie een proces-verbaal opmaakt voor de prioritaire misdrijven, ze daarin ter informatie van het parket uitdrukkelijk melding maakt van het prioritaire karakter en aangeeft waarom het gewenste onderzoek en de eventuele strafrechtelijke vervolging
102 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
volgens haar prioritair zijn. De aanmerking van een strafrechtelijke overtreding als prioritair heeft tot gevolg dat op de meest doeltreffende manier moeten worden opgetreden, zowel strafrechtelijk als administratiefrechtelijk. Aanvankelijke processen-verbaal Totaal aantal
497
Aantal prioritaire processen-verbaal
190 (38 %)
Aantal niet-prioritaire processen-verbaal
307 (62 %)
Wegens geen of gedeeltelijke vergunning
146
Wegens niet-naleven van voorwaarden
385
Andere wetgeving (Afvalstoffendecreet, Bodemsaneringsdecreet, Meststoffendecreet …)
71
In de grafiek op volgende bladzijde is voor de voorbije zeven jaar een vergelijking gemaakt tussen de verschillende overtredingen die aanleiding geven tot de opmaak van een procesverbaal. Die grafiek toont aan dat het aantal processen-verbaal dat wordt opgemaakt wegens het ontbreken van een milieuvergunning procentueel gezien afneemt in vergelijking met het aantal processen-verbaal wegens het niet-naleven van de vergunningsvoorwaarden. Dat getuigt ervan dat de bedrijven de vergunningsplicht steeds meer naleven, maar daarom nog niet voldoen aan alle milieuvergunningsvoorwaarden. Naast de aanvankelijke processen-verbaal worden ook heel wat navolgende processen-verbaal opgesteld. Daarmee worden aanvullende inlichtingen over een aanvankelijk proces-verbaal aan de procureur des Konings bezorgd. Dat gebeurt op eigen initiatief of na een kantschrift van het parket. Zo worden gegevens verstrekt over de administratiefrechtelijke voortgangscontrole door MI, wordt een verklaring van de strafrechtelijk verantwoordelijke van het bedrijf doorgestuurd of wordt gemeld dat feiten opnieuw werden vastgesteld. Als het bedrijf na een aanmaning van MI aan alle voorschriften voldoet, wordt dat eveneens gemeld. Per aanvankelijk proces-verbaal worden gemiddeld twee navolgende processen-verbaal verstuurd. Navolgende processen-verbaal Totaal aantal
843
Maatregelen nemen Maatregelen nemen in het kader van de administratiefrechtelijke afhandeling van een vastgestelde overtreding is de belangrijkste activiteit van een toezichthoudend ambtenaar. De administratiefrechtelijke afhandeling start normaliter met het geven van aanmaningen, met als doel de vastgestelde tekortkomingen te doen verhelpen en te komen tot een daadwerkelijke sanering. Als de aanmaningen niet tot het vooropgestelde resultaat leiden, moet MI beoordelen welke volgende stappen kunnen
Evolutie van de raadgevingen, aanmaningen en saneringen
&WPMVUJF WBO EF PQHFTUFMEF QSPDFTTFO WFSCBBM 2000
1500
1000 500
0
8FHFOT HFFO WFSHVOOJOH
8FHFOT OJFU OBMFWFO WBO EF WPPSXBBSEFO
"OEFSF XFUHFWJOH
worden gezet. Die beoordeling is aangepast aan het specifieke dossier om de overtreding zo efficiĂŤnt en effectief mogelijk te laten ophouden. De beoordeling kan leiden tot het toepassen van administratieve rechtshandelingen, zoals het opleggen van dwangmaatregelen. Hieronder wordt verstaan: het bevelen van de stopzetting van een activiteit, het verzegelen van de toestellen en het opleggen van de onmiddellijke sluiting van de inrichting. De beoordeling kan ook leiden tot het voorstellen van administratieve sancties aan de vergunningverlenende overheid. MI kan vragen de vergunningsvoorwaarden te wijzigen of aan te vullen, de vergunning te schorsen of op te heffen.
Soorten maatregelen Raadgevingen en aanmaningen MI kan tijdens een inspectie vaststellingen doen die op dat ogenblik geen overtreding zijn, maar die erop wijzen dat er in de toekomst wel een overtreding kan ontstaan. Dat kan bijvoorbeeld omdat de inwerkingtreding van nieuwe of aangepaste wetgeving nadert of omdat de toezichthoudend ambtenaar vanuit zijn expertise oordeelt dat installaties zouden kunnen falen. In dat geval wordt geen proces-verbaal opgesteld, maar kan een raadgeving aan de exploitant worden verstuurd, om er zo voor te zorgen dat de situatie van conformiteit met de wetgeving ook in de toekomst blijft bestaan. Bij de vaststelling van niet-conformiteiten met de geldende wetgeving wordt de exploitant normaliter aangemaand om de toestand te saneren en om alle toepasselijke bepalingen in wetten, decreten, besluiten en vergunningen na te leven. Raadgevingen en aanmaningen Zonder proces-verbaal
1.143
Gesaneerd
1.071
Na proces-verbaal
457
Gesaneerd
418
In vele gevallen volstaat een aanmaning om te komen tot de nodige saneringen. Een sanering wordt pas geteld nadat alle deelaanmaningen tot het gewenste resultaat hebben geleid. In bovenstaande grafiek zijn, voor de voorbije zeven jaar, de sa-
1999
2000
2001
2002
2003
2004
2005
Raadgevingen en aanmaningen zonder proces-verbaal
Gesaneerd zonder proces-verbaal
Aanmaningen na proces-verbaal
Gesaneerd na proces-verbaal
neringen naast de raadgevingen en aanmaningen geplaatst. Bij beide is een onderscheid gemaakt tussen die met en die zonder proces-verbaal. Het aantal aanmaningen na proces-verbaal en de daarbij behorende saneringen is in 2005 opnieuw gedaald ten opzichte van de voorgaande jaren. Het aantal raadgevingen en aanmaningen zonder proces-verbaal is in 2005 licht gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren. Vraag tot optreden van de burgemeester Naast de toezichthoudende ambtenaren van MI hebben ook de burgemeesters een belangrijke rol gekregen bij de handhaving van de milieuhygiĂŤnewetgeving. Zo vervullen ze onder meer een sleutelrol bij het opleggen van dwangmaatregelen, ook voor een klasse 1-inrichting: als een klasse 1-inrichting in exploitatie is zonder of deels zonder vergunning kan MI de burgemeester voorstellen de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten. MI stuurt geregeld adviezen en voorstellen voor het toepassen van dwangmaatregelen naar burgemeesters. Vraag tot optreden van de burgemeester Vragen aan de burgemeester
48
Opgetreden door de burgemeester of gesaneerd door exploitant
42
MI-dwangmaatregelen Als MI de burgemeester voorstelt om de stopzetting van de activiteiten te bevelen, toestellen te verzegelen of de inrichting te sluiten ĂŠn als de burgemeester niet of onvolkomen optreedt, kan MI zelf die maatregelen treffen. Ook als een inrichting geĂŤxploiteerd wordt in strijd met de vergunningsvoorwaarden en de exploitant weigert gevolg te geven aan gegeven aanmaningen, kan MI zelf dwangmaatregelen opleggen. Administratieve sancties Als de exploitant de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, of de vergunningsvoorwaarden niet naleeft, kan de bevoegde overheid de vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen. Dat kan gebeuren op voorstel van een toezichthoudend ambtenaar. Die ambtenaar kan ook een voorstel indienen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden.
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 103
Overzicht van de MI-dwangmaatregelen en de door MI voorgestelde administratieve sancties MI-dwangmaatregelen (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving dwangmaatregel
Situatie eind 2005
Betoncentrale
29/01/03
Stopzetting van de activiteiten
Nog steeds geen definitieve uitspraak door Rechtbank Activiteiten afgebouwd tot beperkte exploitatie
Helihaven
6/02/03
Stopzetting van de activiteiten
Raad van State heeft op 10 juni 2005 de schorsing bevolen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van 18 januari 2005
Landbouwbedrijf
17/04/03
Naleving van het aantal vergunde varkens
Beroep tegen dwangmaatregel lopende bij de minister
Transportbedrijf
8/06/04
Stopzetting van de activiteiten
Klasse 1- en klasse 2-activiteiten stopgezet
Benzinestation
10/06/04
Stopzetting van de activiteiten
Exploitant heeft activiteiten stopgezet op 20 januari 2005
Opslag van o.m. gevaarlijke goederen
22/09/04
Stopzetting van de aanvoer van gevaarlijke stoffen
Ministerieel besluit van 18 januari 2005 bevestigt de dwangmaatregel van MI. Het bedrijf volgt de beslissing
Houtbewerking
25/10/04
Aanvoer van houtafval stopzetten en niet-vergunde opslag houtafval verwijderen
Vergunning definitief geweigerd, afbouw is bezig
Varkensbedrijf met aanmaak van eigen voeding
5/11/04
Stopzetting van de opslag, sortering en behandeling van bepaalde afvalstoffen
Bedrijf is verzegeld op 8 juni 2005. Bedrijf is failliet verklaard op 21 september 2005
Benzinestation
27/11/04
Stopzetting van de activiteiten
Nog niet stopgezet – nog lopende procedures
MI-dwangmaatregelen (nieuw in 2005) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving dwangmaatregel
Situatie eind 2005
Kippenslachthuis
7/01/05
Stopzetting van de activiteiten
Zonder voorwerp geworden door het afleveren van een proefvergunning door de gemeente
Raffinaderij
4/02/05
Gedeeltelijke stopzetting van de opslag van aardolie
Tanks zijn in orde gebracht, opslag is terug toegelaten
Benzinestation
31/03/05
Stopzetting van de activiteiten
MI heeft inrichting verzegeld
Opslag- en overslag gevaarlijke goederen
7/04/05
Stopzetten van de aanvoer van milieugevaarlijke stoffen met waarschuwingszin R50 al dan niet in combinatie met R53
Vergunning voor de opslag van milieugevaarlijke stoffen met waarschuwingszin R50 al dan niet in combinatie met R53 is afgeleverd
Benzinestation
27/04/05
Stopzetting van de opslag en de verdeling van brandstoffen voor motorvoertuigen
Benzinestation tijdelijk buiten dienst in afwachting van de sanering
Transportbedrijf
30/04/05
Stopzetting van de activiteiten
Nieuwe aanvraag ingediend voor klasse 1-activiteiten
Varkensbedrijf met aanmaak van veevoeder uit afvalstoffen uit de voedingsindustrie
12/05/05
Stopzetten van de brijvoedermenginstallatie
Activiteiten stopgezet
Benzinestation
28/07/05
Stopzetting van de activiteiten
Exploitant heeft activiteiten stopgezet op 27 oktober 2005
Benzinestation
24/08/05
Stopzetting van de activiteiten
Nog niet stopgezet - nog geen uitspraak in beroep
Benzinestation
6/09/05
Stopzetting van de opslag en de verdeling van brandstoffen voor motorvoertuigen
MI heeft inrichting verzegeld
Benzinestation
14/09/05
Stopzetting van de verdeling van benzine onder een gebouw
Beroepstermijn nog lopende, station nog in exploitatie
Benzinestation
10/10/05
Stopzetting van de activiteiten
Uitvoeringstermijn van de dwangmaatregel nog niet verstreken
Benzinestation
8/11/05
Stopzetting van de activiteiten
Uitvoeringstermijn van dwangmaatregel nog niet verstreken
Benzinestation
24/11/05
Stopzetting van de activiteiten
Uitvoeringstermijn van de dwangmaatregel nog niet verstreken
Beton- en breekinstallatie
28/11/05
Stopzetting van de activiteiten
Exploitant heeft activiteiten stopgezet
Benzinestation
5/12/05
Stopzetting van de activiteiten
Uitvoeringstermijn van de dwangmaatregel nog niet verstreken
104 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Voorstellen tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2005
Wijnhandelaar
24/06/97
Voorstel aan de minister tot schorsing van de lozingsvergunning
Nieuwe milieuvergunning afgeleverd op 12/01/06 - verzoek tot schorsing zonder voorwerp
Brandstoffenopslag
27/11/02
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Toestand geregulariseerd - verzoek tot schorsing zonder voorwerp
Bouw- en sloopafval
18/12/02
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot opheffing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Vleesverwerking
20/01/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Steenbakkerij
7/02/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot volledige schorsing van de milieuvergunning
Minister staat afwijkingsaanvraag niet toe - voorstel aan de Bestendige Deputatie tot volledige schorsing van de milieuvergunning hernieuwd
Benzinestation
26/02/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot opheffing van de milieuvergunning
Exploitant heeft activiteiten geheel zelfstandig stopgezet op 1 januari 2005 - verzoek tot schorsing zonder voorwerp
Slachthuis
7/04/03
Voorstel aan de minister tot schorsing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak - sanering bijna voltooid
Oppervlaktebehandeling metalen
20/11/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning (grote beitserij)
Faillissement + heropstart bedrijf
Tankcleaning
25/11/03
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot gedeeltelijke schorsing van de milieuvergunning (deel interne cleaning)
Nog geen uitspraak
Benzinestation
23/02/04
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot opheffing van de milieuvergunning
Exploitant heeft activiteiten stopgezet op 1 januari 2005 - verzoek tot schorsing zonder voorwerp
Afvalverwerker
19/10/04
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Voorstellen tot schorsing of opheffing van de milieuvergunning (nieuw in 2005) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2005
Raffinaderij
13/06/05
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Milieuvergunning gedeeltelijk geschorst in beroep, dit gedeelte van het bedrijf ligt stil
Veeteeltbedrijf
26/08/05
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot opheffing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Steenbakkerij
21/09/05
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot gedeeltelijke opheffing van de milieuvergunning (veldbrandovens)
Nog geen uitspraak
Autoafbraak
20/10/05
Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot schorsing van de milieuvergunning
Nog geen uitspraak
Drukkerij
25/10/05
Voorstel aan het College van Burgemeester en Schepenen tot gedeeltelijke opheffing van de milieuvergunning (aspect lozing van bedrijfsafvalwater)
Nog geen uitspraak
Voorstellen tot wijziging of aanvulling van de milieuvergunningsvoorwaarden (voortgangscontrole van vorige jaren) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2005
Luchthaven
14/12/01
Voorstel aan de minister tot aanvulling van de vergunningsvoorwaarden voor geluidsnormen
Nog geen reactie ontvangen
Luchthaven
29/11/02
Voorstel aan de minister tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden voor de centrale proefdraaiplaats
Voorwaarden gewijzigd op 30/12/04
Voorstellen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden (nieuw in 2005) Activiteit van het bedrijf
Datum
Omschrijving voorstel
Situatie eind 2005
Chemiebedrijf
1/02/05
Voorstel aan AMV: aanpassen lozingsvergunning, opleggen van een haalbaarheidsstudie waterverbruik
Nog geen uitspraak
Productie farmaca
4/02/05
Voorstel aan AMV: verbeteren veiligheidsvoorzieningen, uitvoeren energieaudit
Nog geen uitspraak
Productie fijnchemicaliĂŤn
4/02/05
Voorstel aan AMV: verbeteren veiligheidsvoorzieningen, optimaliseren productieproces, onderzoek recuperatie VOS en alternatieve transportmiddelen
Nog geen uitspraak
Productie tensiden
9/09/05
Voorstel aan AMV: wijzigen productiemethode, scheiden afvalwaterstromen, aansluiten op riolering, onderzoek alternatieve transportmiddelen
Nog geen uitspraak
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 105
Tijdens de controle van een raffinaderij stelde MI heel wat tekortkomingen vast
Voorbeelden van genomen maatregelen Schorsing van een vergunning bij een raffinaderij In de zomer van 2002 stelde MI tijdens een controle bij een raffinaderij in de Antwerpse haven verschillende tekortkomingen vast met betrekking tot de uitbating van diverse opslagtanks uit het tankenpark. Het betrof ondermeer de schildering van de tankdaken en -wanden, de staat van de terpen en het uitvoeren van de wettelijk verplichte periodieke keuringen. MI stelde een proces-verbaal op voor deze inbreuken op de milieuwetgeving en maande de exploitant meerdere keren schriftelijk aan om de vastgestelde tekortkomingen ongedaan te maken tegen eind 2004. Bij controles in januari 2005 stelde MI vast dat bij 17 atmosferische opslagtanks voor brandstoffen niet voldaan was aan de gegeven onderrichtingen. Hierop kondigde MI een dwangmaatregel af om deze tanks buiten dienst te stellen. Het bedrijf ging tegen de dwangmaatregel in beroep. Een beroep schorst de bestreden dwangmaatregel echter niet. Daarom bracht het bedrijf een deel van de tanks in ijltempo in orde en stelde een ander deel van de tanks binnen de opgelegde termijn buiten dienst. In september 2005 bevestigde de minister de bestreden beslissing. Parallel met deze procedure voerde MI in april 2005 samen met de Afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een onderzoek uit in het kader van het Samenwerkingsakkoord betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Tijdens het onderzoek gingen de inspectiediensten na of de exploitant kon aantonen dat hij voldoende maatregelen had getroffen om zware ongevallen te voorkomen en om de gevolgen ervan te beperken. Tijdens de controle stelden de inspectiediensten vast dat verschillende organisatorische maatregelen, die volgens het Samenwerkingsakkoord deel moeten uitmaken van een veiligheidsbeheerssysteem, in onvoldoende mate aanwezig waren of functioneerden. Het was tevens duidelijk dat het door de exploitant ingevoerde veiligheidsbeheerssysteem niet doeltreffend was en niet in staat was om een preventiebeleid tegen zware ongevallen te voeren. Zo liepen op verschillende plaatsen de periodieke controles van de gevaarlijke installaties
106 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
MI stelde vast dat dit benzinestation geen vergunning had en niet voldeed aan diverse voorwaarden
in het honderd, werden de werknemers niet of onvoldoende opgeleid en bleken bepaalde bedrijfsonderdelen dringend een onderhoudsbeurt nodig te hebben. De maatregelen die door de exploitant werden getroffen ter voorkoming van zware ongevallen en ter bestrijding van de gevolgen ervan, waren duidelijk onvoldoende. Beide inspectiediensten stelden een proces-verbaal op voor deze inbreuken op het Samenwerkingsakkoord en beiden stelden aan de vergunningverlenende overheid voor om de milieuvergunningen van het bedrijf te schorsen. In juni 2005 was de schorsing een feit. Het bedrijf startte een beroepsprocedure bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. Intussen legde het bedrijf alle installaties, op één na, stil. Vervolgens voerde het gedurende een periode van drie maanden een grootschalige saneringsoperatie door, zowel op gebied van technische aanpassingen aan de installaties als op organisatorisch vlak. Bij enkele tussentijdse inspecties op verzoek van de minister stelden de inspectiediensten een enorme vooruitgang vast. Op basis van deze bijkomende vaststellingen hief de minister eind september de schorsing van de vergunningen op voor drie productie-installaties en bevestigde de schorsing voor vier andere productie-eenheden, de LPG-opslag en een gedeelte van de opslag voor brandstoffen. Het bedrijf had al voordien besloten om deze vier productie-installaties niet meer te exploiteren. Dwangmaatregel bij benzinestation Tijdens een controle van een benzinestation in augustus 2004 stelde MI vast dat het benzinestation geëxploiteerd werd zonder te beschikken over de vereiste milieuvergunning. De milieuvergunning voor de hernieuwing van het station werd verleend in februari 1999. Ze was echter van rechtswege vervallen omdat ze niet in gebruik werd genomen binnen een termijn van 3 jaar na het verlenen van de vergunning. Ook de oorspronkelijke milieuvergunning was al geruime tijd vervallen. Er werden tijdens de inspectie eveneens een groot aantal inbreuken vastgesteld op de Vlarem II-voorwaarden. De tankpiste was niet vloeistofdicht en helde bovendien af in de richting van de openbare riolering, er was geen koolwaterstofafscheider aanwezig, de enkelwandige houders waren niet voorzien van een overvulbeveiliging, identificatieplaatjes en gevaarssymbolen. Tevens was er geen kathodische bescherming aangebracht
MI stelde vast dat het bedrijf heel wat vergunningsplichtige activiteiten uitvoerde zonder over een milieuvergunning te beschikken
Het asfaltbedrijf bleef verder exploiteren zonder milieuvergunning, maar gaf daarna toch gevolg aan het stopzettingsbevel van MI
of een corrosiviteitsonderzoek uitgevoerd. De periodieke onderzoeken van de houders en van de elektrische installaties waren nooit uitgevoerd.
Het betrof de opslag, overslag, sortering en mechanische behandeling van metaalschroot door middel van mobiele kranen en één mobiele laspost. De opslag gebeurde in open lucht op een niet-verharde ondergrond. MI stelde begin maart 2005 een proces-verbaal op en stelde aan de burgemeester voor om de niet-vergunde activiteiten te laten stopzetten. Eind mei 2005 ging de burgemeester in op het voorstel van MI en gaf het bevel tot stopzetting van de niet-vergunde activiteiten binnen een termijn van drie maanden.
MI stelde eveneens vast dat de ontluchtingsleidingen, lopende over het dak, uitmondden op minder dan 3 meter van het naburige perceel. De exploitant kon MI geen enkel attest of document voorleggen, uitgezonderd het attest van de druktest uitgevoerd in 1999. Zowel op de tankpiste als in de onmiddellijke omgeving was een benzinegeur waarneembaar. Het benzinestation beschikte niet over een damprecuperatiesysteem. MI stelde een proces-verbaal op en maande de exploitant aan de vereiste milieuvergunning te bekomen en het station binnen een termijn van 6 maanden te laten voldoen aan de Vlarem II-voorwaarden . Na de aangemaande termijn stelde MI in 2005 vast dat de exploitant de voorgaande maanden geen enkele maatregel had getroffen, met uitzondering van de aanstelling van een milieucoördinator. MI stelde opnieuw een proces-verbaal op en vroeg aan de burgemeester het benzinestation te sluiten. Gezien de burgemeester niet optrad, kondigde MI de dwangmaatregel af tot stopzetting van de activiteiten. Eind 2005 was de termijn waarop de dwangmaatregel betrekking had nog niet verstreken. De exploitant tekende beroep aan tegen de dwangmaatregel. Bevel tot stopzetting van een schrootverwerkend bedrijf Een schrootverwerkend bedrijf, dat gelegen is in een woongebied, startte in 1989 met het aanvragen van vergunningen in het kader van het ARAB en in het kader van het afvalstoffendecreet. Beide vergunningen werden geweigerd door de Bestendige Deputatie en door de minister van Leefmilieu. De exploitant liet het hier niet bij en stapte naar de Raad van State die het weigeringsbesluit van de minister in het kader van het ARAB vernietigde. Midden 2004 deed de minister een nieuwe uitspraak: de vergunning werd gedeeltelijk geweigerd, met name voor al de metaalbewerkingsinstallaties (pers, metaalscharen en lastoestel). Na een grondige studie van het dossier en een plaatsbezoek stelde MI vast dat het bedrijf vergunningsplichtige activiteiten uitoefende zonder over een milieuvergunning te beschikken.
Midden september 2005 stelden de milieuambtenaar en de milieupolitie vast dat de aanvoer van schroot werd stopgezet en dat de schrootopslag werd afgebouwd. Er dienden wel nog enkele containers te worden afgevoerd. Begin januari 2006 stelde MI vast dat de activiteit werd stopgezet. Er dienden echter nog steeds enkele containers te worden afgevoerd. Sluiting van een asfaltbedrijf Al vele jaren klaagden omwonenden over geur- en lawaaihinder van een asfaltcentrale. MI onderzocht de talrijke klachten, deed metingen en maande het bedrijf aan tot saneren. Het bedrijf paste zijn productie-installatie waar mogelijk aan. Bij het openbaar onderzoek in het kader van de vernieuwing van de milieuvergunning dienden omwonenden massaal bezwaar in. Toch oordeelde de vergunningverlener dat de te verwachten geur- en stofhinder aanvaardbaar zou zijn en verenigbaar met de locatie waar het bedrijf zich bevond. Het bedrijf verkreeg in november 2000 een milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar. Zowel de buurtbewoners als het stadsbestuur tekenden hiertegen beroep aan. De minister verkortte de vergunningstermijn tot juni 2004 en verbood het gebruik van asfaltsoorten die overmatige hinder veroorzaakten. Het beroep van de exploitant tot nietigverklaring van de ministeriële beslissing is nog hangende bij de Raad van State. De Bestendige Deputatie nam in september 2003 akte van een mededeling kleine verandering voor het vergroten van de opslagcapaciteit voor stookolie en de vernieuwing van de opslagtanks voor bitumen. In beroep hief de minister deze beslissing op. Desondanks verving de exploitant de bestaande opslaghouders voor bitumen. Het bedrijf werd geverbaliseerd omdat het niet beschikte over de vereiste stedenbouwkundige vergunning.
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 107
MI stelde vast dat er meer gevaarlijke producten aanwezig waren dan de milieuvergunning toeliet
In oktober 2003 verleende de Bestendige Deputatie een nieuwe milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar. De buurtbewoners en het stadsbestuur tekenden opnieuw beroep aan tegen deze beslissing. De minister weigerde in april 2004 de milieuvergunning. De Raad van State verwierp de vordering tot schorsing hiertegen ingediend door de exploitant. Aangezien de enige geldende milieuvergunning verviel in juni 2004, stelde MI kort nadien een proces-verbaal op omdat het bedrijf de exploitatie onverstoord verder zette. MI vroeg de burgemeester om op te treden omdat er geen rechtsgeldige milieuvergunning was en omdat het bedrijf overlast veroorzaakte. De burgemeester beval mondeling de stopzetting van de hinderlijke activiteiten met ingang van 30 september 2004. Het bedrijf diende een verzoek tot schorsing in bij de Raad van State. Na het verstrijken van de datum van het stopzettingsbevel bleef het bedrijf verder exploiteren. MI verbaliseerde hiervoor. In januari 2005 verwierp de Raad van State de vordering tot schorsing van het stopzettingsbevel. MI besliste om de sluiting van de inrichting af te dwingen indien de exploitant dit niet eigenmachtig zou doen en bracht hem op de hoogte van deze beslissing. De exploitant besliste de activiteiten stop te zetten. Daarbij vrijwaarde het bedrijf zijn rechten wanneer het toch nog in het gelijk zou gesteld worden bij de procedure ten gronde voor de Raad van State. MI overlegde met de exploitant over het stopzetten van de installatie onder gecontroleerde en veilige omstandigheden. Hiervoor moest de exploitant de bitumenvoorraad opgebruiken. MI ging hiermee akkoord en uiteindelijk besloot het bedrijf begin februari 2005 ‘voorlopig vrijwillig af te zien van elke verdere exploitatie van de site’. Dwangmaatregel bij opslag van gevaarlijke producten Tijdens een Seveso-controle stelde MI bij een opslagbedrijf in de provincie Antwerpen vast dat er meer gevaarlijke producten aanwezig waren dan de milieuvergunning toeliet. In de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning was vermeld dat de hoge drempelwaarde door toepassing van de cumulatieregel,
108 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
zoals opgenomen in het Samenwerkingsakkoord betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, niet mocht worden overschreden. Deze drempelwaarde is een hoeveelheid gevaarlijke stoffen die aanwezig kan zijn op een bedrijf. Wanneer een bedrijf meer dan deze hoeveelheid heeft opgeslagen, moet het voldoen aan alle verplichtingen die in dit Samenwerkingsakkoord zijn bepaald. Na de eerste vaststellingen verbaliseerde MI het bedrijf en maande het aan steeds de vergunningsvoorwaarden te respecteren. In daaropvolgende controles stelde MI echter vast dat de drempelwaarde nog steeds werd overschreden. Het bedrijf voldeed dus niet aan één van de bijzondere voorwaarden in de milieuvergunning en evenmin aan de bepalingen van het Samenwerkingsakkoord. De exploitant argumenteerde dat hij om de bestaande toestand te regulariseren een nieuwe milieuvergunningsaanvraag moest indienen, dat hiervoor eerst een omgevingsveiligheidsrapport moest opgemaakt worden en dat dit veel tijd in beslag neemt. MI stelde opnieuw een proces-verbaal van overtreding op en maande het bedrijf aan om zich in orde te stellen. Aangezien het bedrijf geen gevolg gaf aan de gegeven aanmaning, kondigde MI een dwangmaatregel af. Het bedrijf moest stoppen met het aanvoeren van gevaarlijke producten tot een nieuwe milieuvergunning was afgeleverd. Binnen een periode van acht maanden werd het omgevingsveiligheidsrapport afgewerkt en conform verklaard en kreeg het bedrijf een nieuwe milieuvergunning voor de opslag van diverse gevaarlijke producten in een hoeveelheid groter dan de drempelwaarde.
Strafrechtelijke afhandeling Hoewel MI de parketten al jaren vraagt naar een accurate terugkoppeling van de beslissingen over de processen-verbaal, ontvangt MI nog steeds onvoldoende informatie over het gevolg dat aan de processen-verbaal wordt gegeven. Dat wordt mee beïnvloed door het feit dat een beslissing over een proces-verbaal soms jaren na de vaststelling van de overtreding
De betoncentrale met puinbreekinstallatie exploiteerde verder zonder milieuvergunning: MI vroeg een heroverweging na een sepot van de procureur des Konings
kan worden genomen of omdat een beslissing kan handelen over een of meerdere processen-verbaal. MI dringt daarom nog steeds aan op een effectieve strafrechtelijke afhandeling en op een vlotte doorstroming van informatie vanuit de parketten. In dit rapport wordt geen overzicht gegeven van de bij MI binnengekomen informatie maar verwijst MI naar de FOD Justitie voor een volledig overzicht. In geval van seponering wegens opportuniteitsredenen van misdrijven die door de toezichthoudend ambtenaar in het proces-verbaal als prioritair worden beschouwd, kan de administratie een met redenen omkleed verzoek tot heroverweging richten aan het parket. In 2005 verstuurde MI 15 dergelijke verzoeken tot heroverweging. Verzoek tot heroverweging na seponering Een betoncentrale met een puinbreekinstallatie verkreeg midden 1998 een milieuvergunning voor twee jaar. Na het verstrijken van de vergunningstermijn weigerde het stadsbestuur in 2000 de vergunning te hernieuwen. De exploitant negeerde deze beslissing en MI verbaliseerde dit. Het stadsbestuur weigerde daarop een nieuwe milieuvergunning af te leveren. In beroep verleende de Bestendige Deputatie een milieuvergunning met beperkte looptijd tot 21 juni 2004. Intussen stelde MI een proces-verbaal op voor de exploitatie van niet vergunde klasse 1-activiteiten en het ontbreken van bepaalde bouwkundige voorzieningen. De exploitant vatte de bouw van een aantal constructies aan om de Vlaremvoorschriften alsnog na te leven. Omdat geen stedenbouwkundige vergunning voorhanden was, legde de stedenbouwkundige ambtenaar de werken stil. Het stadsbestuur weigerde in eerste aanleg om een stedenbouwkundige vergunning af te leveren en in maart 2003 weigerde ook de minister om deze vergunning af te leveren. Door de koppeling van bouw- en milieuvergunning verviel hiermee ook de milieuvergunning definitief op die datum. Het stadsbestuur lichtte MI hiervan laattijdig in. MI stelde pas eind 2004 een proces-verbaal op wegens het vervallen van de milieuvergunning. MI vroeg de burgemeester om de stopzetting van de activiteiten te bevelen.
De burgemeester trof dan een beslissing die haaks stond op eerdere weigeringbeslissingen van het stadsbestuur. Hij sloot een schriftelijke overeenkomst met de exploitant. Het bedrijf kreeg de toestemming om de site verder te benutten voor één wegeniswerk, haar opgedragen door de provincie. De overeenkomst vermeldde dat het terrein moest worden opgeruimd na het beëindigen van deze werken of uiterlijk op 1 december 2005. De burgemeester berichtte MI dat hij, gezien de overeenkomst, het niet nodig vond om verdere maatregelen te treffen. Nochtans bevat de milieuwetgeving geen bepalingen die de burgemeester machtigen vrijstelling te verlenen van de wettelijk georganiseerde vergunningsplicht. MI verbaliseerde het bedrijf opnieuw wegens exploitatie zonder vergunning en wegens illegale aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstof. Daarenboven beval MI de stopzetting van alle vergunningsplichtige activiteiten met ingang van 25 april 2005. De exploitant vroeg de vernietiging van het bevel tot stopzetting aan de minister en negeerde de dwangmaatregel. Nog voor de minister een beslissing nam, besliste het parket om het bedrijf buiten vervolging te stellen voor alle processen-verbaal opgesteld door MI, ook deze van voor de overeenkomst tussen burgemeester en exploitant, vanwege ‘de zeer onduidelijke administratieve situatie van de firma, gezien de opmerkelijke houding van de stad’. MI verzocht de procureur des Konings een heroverweging van de genomen beslissing met een gemotiveerde brief. MI argumenteerde dat de exploitant welbewust de exploitatie zonder vergunning verder zette en daarbij talloze Vlaremvoorschriften overtrad. Ondermeer was de herkomst en de bestemming van de afvalstromen onduidelijk omdat geen register voorhanden was. Eind november 2005 ontmantelde de exploitant zijn installaties na de uitvoering van de provinciale wegeniswerken en herstelde hij het terrein in zijn oorspronkelijke staat. Kort daarop bevestigde de minister het bevel tot stopzetting van de activiteiten. MI ontving nog geen nieuwe beslissing van de procureur des Konings.
Strafrechtelijk en administratiefrechtelijk optreden • 109
MI werkt samen met diverse instanties om te komen tot een optimale handhaving van de milieuhygiënewetgeving. Hieronder worden slechts enkele specifieke onderwerpen beschreven, met de nadruk op de samenwerking die een rechtstreekse impact heeft op de verdeling van toezichtstaken tussen MI en andere instanties en op de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen. MI wordt ook geregeld verzocht om mee te werken aan de meest diverse overlegstructuren. Alleen als wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden, kan MI deelnemen aan een dergelijk overleg. Zo moet natuurlijk steeds de onafhankelijkheid van het toezicht en de handhaving zijn gewaarborgd. Bovendien kan de expertise van MI enkel worden gebruikt als dat een reële bijdrage levert aan de verbetering van het leefmilieu en de regelgeving in het algemeen en de handhaving in het bijzonder. Ook hier zou een beschrijving van alle overlegstructuren te ver leiden en worden slechts enkele specifieke overlegorganen beschreven. Als bijlage volgt wel een overzicht van het uitgebreide netwerk van MI-vertegenwoordigers in de diverse organen.
Samenwerking en overleg Samenwerking met gemeentelijke Vlarem-toezichthoudende ambtenaren De Vlaamse wetgever heeft het eerstelijnstoezicht op de milieuhygiënewetgeving bij klasse 2- en 3-inrichtingen toegewezen aan de gemeente. Elke gemeente moet daarvoor technische ambtenaren of agenten van de Lokale Politie aanwijzen, die eerst een bekwaamheidsbewijs moeten verkrijgen. Dat bekwaamheidsbewijs wordt hen uitgereikt nadat ze de speciale Vlarem-opleiding hebben gevolgd en ze geslaagd zijn voor de bijbehorende bekwaamheidsproef. Bij de aanwijzing van de Vlarem-toezichthoudende ambtenaren loopt er heel wat fout. Hoewel de toezichtsbevoegdheid over klasse 2- en 3-inrichtingen al 15 jaar aan de gemeenten is toegewezen, hebben heel wat gemeenten nog steeds geen Vlarem-toezichthoudend ambtenaar aangewezen. Volgens de gegevens van Aminabel was er in 2005 in ruim één op vijf (22%) van de Vlaamse gemeenten nog steeds geen Vlaremtoezichthoudend ambtenaar aangewezen. De lichte verbetering tijdens de voorbije jaren (29% in 2001, 27% in 2002, 24% in 2003 en 23% in 2004) lijkt daarmee aan te houden. De 67 gemeenten zonder Vlarem-toezichthoudend ambtenaar en hun verdeling over de provincies wordt weergegeven in de figuur op de volgende bladzijde. Er blijkt daarbij een groot verschil te bestaan tussen de verschillende provincies: terwijl in Limburg en Oost-Vlaanderen bijna overal een Vlaremtoezichthoudend ambtenaar werd aangesteld, zijn er nog heel wat ‘leemtes’ in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. Begin 2006 waren er twee Vlaremopleidingen aan de gang. Het is dus te verwachten dat er binnen afzienbare tijd terug een aantal aanwijzingen zullen gebeuren.
Bovendien wijst de praktijk uit dat zelfs de aanwijzing van een Vlarem-toezichthoudend ambtenaar geen garantie is voor een effectieve gemeentelijke handhaving. Die ambtenaren worden immers ook belast met het adviseren van vergunningsaanvragen en diverse andere taken. Het optreden van die ambtenaren is vaak afhankelijk van hun persoonlijke engagement en het lokale politieke draagvlak in verband met milieuhandhaving. De lokale handhaving is eveneens afhankelijk van de omvang van de stad of gemeente en van de personeelsbezetting van de gemeentelijke milieudienst. Het is nochtans van het grootste belang dat het toezicht op klasse 2- en 3-inrichtingen effectief uitgevoerd wordt door de Vlarem-toezichthoudende ambtenaren die daarvoor door de gemeente zijn aangewezen. MI heeft daarom geregeld contact met die ambtenaren. De verstandhouding tussen de handhavers van de lokale overheden en MI is doorgaans vrij goed. MI biedt desgevraagd de nodige ondersteuning bij de afhandeling van probleemdossiers. In de contacten van MI met de gemeentelijke handhavers en met de burgemeesters komen de gemeentelijke bevoegdheden geregeld ter sprake. Dat overleg moet ertoe bijdragen dat MI minder tijd moet besteden aan het hoog toezicht op de klasse 2- en 3-inrichtingen en haar volle aandacht kan richten op de klasse 1-inrichtingen.
Samenwerking en overleg • 111
Gemeenten met en zonder Vlarem-toezichthoudende ambtenaren (eind 2005) 100
75
50
25
0 Antwerpen gemeenten met
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
gemeenten zonder
MI evalueerde in 2005 het samenwerkingsproject droogkuis
Lijst van gemeenten zonder aangewezen Vlarem-toezichthoudend ambtenaar (eind 2005) Antwerpen
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
Arendonk
Bree
Assenede
Affligem
Alveringem
Beerse
Heers
Herzele
Beersel
Ardooie
Boechout
Herstappe
Horebeke
Bekkevoort
Bredene
Brasschaat
Voeren
Knesselare
Bertem
Deerlijk
Grobbendonk
Lede
Bever
Dentergem
Herenthout
Melle
Boortmeerbeek
Heuvelland
Hoogstraten
Sint-Laureins
Diest
Houthulst
Hove
Zwalm
Drogenbos
Jabbeke
Kontich
Herne
Langemark-Poelkapelle
Lint
Hoeilaart
Lo-Reninge
Meerhout
Kapelle-op-den-Bos
Mesen
Merksplas
Kortenberg
Meulebeke
Oud-Turnhout
Kraainem
Pittem
Ravels
Linkebeek
Ruiselede
Retie
Oud-Heverlee
Spiere-Helkijn
Sint-Amands
Pepingen
Zonnebeke
Vorselaar
Rotselaar
Zuienkerke
Vosselaar
Scherpenheuvel-Zichem
Samenwerkingsproject droogkuis MI organiseerde in 2003 voor het eerst een gecoรถrdineerde controleactie met de steden en gemeenten en dit in de sector van het chemisch reinigen (droogkuis). De hoofdbetrachting was om de handhavingsaanpak van MI te propageren bij de lokale overheden. Toezichthoudende ambtenaren van de steden en gemeenten voerden de controles uit. MI coรถrdineerde en bood ondersteuning. Van de 308 Vlaamse steden en gemeenten bleken er 85 bereid en in de mogelijkheid om aan het project deel te nemen. MI stelde hen een checklist en de nodige achtergrondinformatie ter beschikking. Uiteindelijk werkten maar 47 steden en gemeenten actief mee aan het project. MI ontving van hen in de loop van 2004 in totaal 86 ingevulde checklists. Op basis van deze informatie
112 โ ข Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
evalueerde MI het project en kon daarbij ondermeer het volgende vaststellen: - bij zes bedrijven was er helemaal geen milieuvergunning of melding; - bij ruim de helft van de gecontroleerde bedrijven stemde de aard of omvang van de activiteiten niet overeen met de vergunde of gemelde situatie; - bij slechts 42% van de gecontroleerde bedrijven bleek de droogkuismachine uitgerust met de vier belangrijkste voorzieningen, zoals vermeld in de BBT, om de emissies naar de lucht en de bodem te beperken; - slechts 40% van de gecontroleerde bedrijven hield de verplichte solventboekhouding bij; - qua keuring van de elektrische installaties bleek het merendeel van de bedrijven niet in orde. Ondanks de vele vastgestelde belangrijke gebreken werd er geen enkel proces-verbaal opgesteld. Meestal gaven de
Milieuthema
Aantal vastgestelde inbreuken
Niet of onvoldoende vergund
27
Opslaan van gevaarlijke stoffen en gassen
21
Afval
12
Lucht
8
Afvalwater
6
Samen met een gemeentelijke Vlarem-toezichthoudend ambtenaar ontdekte MI een illegale stortplaats van afvalstoffen
toezichthoudende ambtenaren mondelinge en/of schriftelijke raadgevingen en aanmaningen om de tekortkomingen te laten rechtzetten. MI bezorgde de evaluatienota begin 2005 aan de Vlaamse minister voor Leefmilieu en aan alle steden en gemeenten, die initieel hadden toegezegd om aan het project deel te nemen. Aan degenen die ingevulde checklists hadden bezorgd, werd hierbij gevraagd naar de stand van zaken in de dossiers. Aan de anderen werd gevraagd naar de redenen voor het niet opsturen van checklists. Er werd telkens ook gepeild naar een algemene appreciatie van het project. Op deze nieuwe bevraging kwam respons van 31 steden en gemeenten. De meeste reacties waren heel positief. Zes steden en gemeenten, die eerst geen checklist hadden ingediend, lieten weten dat er in tussentijd wel controles waren gebeurd. Het ging in totaal over 13 bedrijven. De steden en gemeenten waar geen controles waren gebeurd, schreven dit hoofdzakelijk toe aan hun personeelsgebrek. Uit de informatie over de voortgangscontrole bij de eerder gecontroleerde bedrijven bleek dat de meeste exploitanten inspanningen hadden geleverd om zich in orde te stellen met de milieuwetgeving. Behalve veelvuldige regularisaties qua vergunningstoestand waren her en der ook aanpassingen gebeurd om de BBT toe te passen. Bij drie bedrijven stelden de toezichthoudende ambtenaren een proces-verbaal van overtreding op wegens het aanhoudend schenden van de milieuwetgeving. Drie bedrijven bleken gestopt met de droogkuisactiviteiten. Samenwerkingsproject: uitdragen van de handhaving naar de lokale overheid In navolging van het samenwerkingsproject droogkuis heeft MI in 2005 opnieuw een grootschalig samenwerkingsproject uitgewerkt om enerzijds de lokale overheden warm te maken voor de handhaving van de milieuhygiënewetgeving en om anderzijds de beschikbare expertise van MI op het vlak van handhaving te delen met de lokale collega’s.
de toezichthoudende ambtenaren van de gemeente en MI een gezamenlijke inspectie bij het voorgestelde bedrijf. Tijdens de voorbereiding, de eigenlijke inspectie, het nemen van maatregelen en bij de verdere voortgang van het dossier kon de gemeentelijke Vlarem-toezichthouder rekenen op de expertise, de ervaring en de ondersteuning van MI. Vaak werden de instrumenten van MI, zoals het handhavingsinstrumentarium en het kwaliteitshandboek monsternames toegelicht. Op voorhand werd duidelijk afgesproken dat de eerstelijnsverantwoordelijkheid voor het nemen van administratiefrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen, als het een klasse 2- of 3-bedrijf betrof, bij de gemeente bleef. Werd tijdens de inspectie vastgesteld dat het toch een klasse 1-bedrijf betrof, dan nam MI de vereiste maatregelen. Van de 308 Vlaamse steden en gemeenten hebben er 184 of 60% gereageerd op onze vragenlijst ter voorbereiding van dit gezamenlijke project en 123 hiervan stonden positief tegenover een gezamenlijke inspectie in 2005. Van deze 123 gemeenten hebben er: - 77 deelgenomen aan een gezamenlijke inspectie bij 79 bedrijven; - 16 niet deelgenomen omdat ze niet beschikten over een Vlarem-toezichthouder; - 19 niet deelgenomen omdat ze, zelfs na een herinnering, geen bedrijf of een klasse 1-bedrijf hadden voorgesteld; - 11 niet deelgenomen om diverse redenen (ziekte, geen interesse meer, tijdsgebrek, bedrijf al geïnspecteerd,…). Bij meer dan acht op de tien gecontroleerde bedrijven stelden de gemeentelijke Vlarem-toezichthouder samen met de toezichthoudend ambtenaar van MI tekortkomingen vast op de milieuhygiënewetgeving. Gezien de vraag om een ‘probleembedrijf’ voor te stellen was dit niet zo verwonderlijk. Alle inbreuken werden gecatalogeerd volgens milieuthema en de vijf meest voorkomende milieuthema’s waarop de tekortkomingen betrekking hadden worden weergegeven in bovenstaande tabel.
Ditmaal koos MI voor een andere aanpak. Alle 308 Vlaamse steden en gemeenten konden zelf een probleembedrijf, waar ze toezichtsbevoegdheid hebben, voorstellen. Vervolgens planden
Samenwerking en overleg • 113
Opvallend was dat in bijna de helft van de gevallen de geïnspecteerde inrichtingen niet of onvoldoende vergund waren. Bij acht klasse 2-vergunde bedrijven werd vastgesteld dat het eigenlijk klasse 1-bedrijven betrof. In dergelijke gevallen werden de strafrechtelijke en administratiefrechtelijke maatregelen door MI afgehandeld of bouwde het bedrijf zijn capaciteit af. Tijdens twee inspecties werden ook inrichtingen, uitgebaat door de lokale overheid zelf, gecontroleerd. De afhandeling gebeurde in het kader van het hoog toezicht ook door MI. MI stelde tijdens dit project zelf twee processen-verbaal op en verstuurde zes aanmaningen en een raadgeving. De lokale overheden maakten, vaak met ondersteuning en in overleg met MI, acht processen-verbaal op en verstuurden drieënveertig aanmaningen en een raadgeving. Tijdens de controles bleek dat heel wat gemeentelijke milieuambtenaren geen of onvoldoende ervaring hadden met het uitvoeren van inspecties en handhaving. Voor sommigen was het zelfs hun eerste bedrijfscontrole. Dankzij dit project konden ze meer inzicht krijgen in het hele handhavingsproces. Voor enkelen was de gezamenlijke inspectie zelfs een aanzet om te starten met zelfstandige controles. De meer ervaren gemeentelijke Vlarem-toezichthouders konden dan weer de kennisuitwisseling in de meer gespecialiseerde technische aspecten van toezicht en handhaving (bijvoorbeeld afvalverwerking, geluidshinder, nemen van afvalwatermonsters, opstellen van aanmaningen en processen-verbaal) appreciëren. Anderen hadden dan weer baat bij de andere accenten die MI legt en voelden zich gesteund in de aanpak van inbreuken. Tijdens een beperkt aantal inspecties had de aanwezigheid van MI geen meerwaarde omdat het dossier te eenvoudig was of omdat de gemeentelijke Vlarem-toezichthouder te ervaren was, waardoor deze, zonder MI, tot hetzelfde resultaat en dezelfde conclusies zou gekomen zijn. Sommigen vonden dit project zo geslaagd dat ze zelfs luidop hoopten dat MI nog dergelijke samenwerkingsprojecten zou organiseren. Zicht op toekomstige samenwerkingsprojecten Om in de toekomst gelijkaardige projecten op maat van de lokale overheden te organiseren, werd gelijktijdig met de vraag om deel te nemen aan het samenwerkingsproject in 2005 gevraagd een antwoordformulier in te vullen. Daarmee werd gepeild naar de belangstelling van de gemeenten voor toekomstige samenwerkingsprojecten en naar de interessegebieden van de gemeenten. De helft (154) van alle Vlaamse steden en gemeenten zagen een dergelijke toekomstige samenwerking wel zitten, 30 hadden geen interesse in een gezamenlijk project en van 40% van de gemeenten ontving MI geen reactie. In eerste instantie vroeg MI hoe ze de samenwerking zagen: - voorkeur voor een thematische aanpak waarbij MI de handhaving van één aspect (bijvoorbeeld één bedrijfssector of één
114 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
milieuthema) toelicht, waarna de gemeentelijke Vlaremtoezichthouder dit in de praktijk kan toepassen; of - voorkeur voor een ad hoc aanpak waarbij MI de gemeente bijstaat met haar expertise tijdens een inspectie van een probleembedrijf. Uit de resultaten van de enquête blijkt dat de lokale overheden een voorkeur, zij het slechts een lichte, hebben voor een thematische aanpak (43%) boven een ad hoc aanpak (38%). De overige gemeenten (19%) hadden geen voorkeur. Als ze voor een thematische aanpak kozen vroeg MI hun in tweede instantie of ze een aanpak per bedrijfssector of per milieuthema prefereerden. Bijkomend informeerde MI ook naar de meest relevante bedrijfssectoren en milieuthema’s om toe te lichten. Hier hadden de gemeenten en steden wel een duidelijke voorkeur: 72% verkoos een aanpak van een bedrijfssector boven een aanpak per milieuthema (21%), 7% zag beide mogelijkheden zitten. In de volgende tabel worden de voor de lokale overheid meest relevante bedrijfssectoren en milieuthema’s, volgens prioriteit, weergegeven. Bedrijfssectoren
Milieuthema’s
1 garages
1 aanpak van geluidshinder
2 opslag van gevaarlijke stoffen
2 emissies naar water
3 carrosseriebedrijven
3 emissies naar bodem en grondwater
4 afvalverwerkers
4 aanpak van geurhinder
5 ontspanningsinrichtingen
5 emissies naar lucht
Met behulp van deze enquête kan MI zich een beeld vormen van de noden van de lokale overheden op gebied van handhaving om zo optimaal een volgend samenwerkingsproject uit te werken.
Samenwerking met de gerechtelijke instanties In het kader van de strafrechtelijke afhandeling van vastgestelde overtredingen bestaat er overleg tussen MI en de diverse gerechtelijke instanties (parketten-generaal en parketten). Daarnaast werkt MI ook mee aan de opleiding van de gerechtelijke stagiairs. Commissie Vervolgingsbeleid MI is vertegenwoordigd in de Commissie Vervolgingsbeleid. De Commissie heeft tot doel de communicatie tussen de administraties en de parketten te bevorderen en het vervolgingsbeleid mee gestalte te helpen geven. De Commissie wordt voorgezeten door de secretarisgeneraal van LIN. Het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap is ruim vertegenwoordigd met de kabinetten van de Vlaamse ministers van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening, Mobiliteit en Werkgelegenheid en Toerisme en met de vertegenwoordigers
MI voerde diverse inspecties uit met de gerechtelijke stagiairs, bijvoorbeeld ter illustratie van klachtenbehandeling
Ook de monsternames kwamen bij deze inspecties aan bod
van Toerisme Vlaanderen, MI, de afdeling Bouwinspectie, de afdeling Juridische Dienstverlening, de afdeling Europa en Milieu, de afdeling Wooninspectie, de afdeling Monumenten en Landschappen en de administratie Wegen en Verkeer.
handelt dan zowel over de specifieke dossiers als over een gestructureerde samenwerking.
Voor het college van procureurs-generaal zijn er afgevaardigden van de drie bevoegde parketten-generaal, namelijk het parket bij het hof van beroep in Antwerpen, het parket bij het hof van beroep in Gent en het parket bij het hof van beroep in Brussel. Ook het kabinet van de minister van Justitie is vertegenwoordigd. In 2004 is de Commissie uitgebreid met vertegenwoordigers van de Federale en Lokale Politie. De Commissie vergaderde in 2005 op 17 november. Wat de sector milieu betreft, bracht een juridisch expert van het kabinet Leefmilieu verslag uit van de stand van zaken betreffende het voorontwerp van Handhavingsdecreet. Het tweede agendapunt betrof de aktename van de vergadering van de reactie van de parketten-generaal op de Milieuhandhavingsrapporten 2003 en 2004 van MI.
Gerechtelijke stagiairs Sedert enkele jaren is een benoeming in de magistratuur mogelijk voor advocaten die minder dan vijf jaar ervaring hebben aan de balie. Ze moeten na minstens een jaar praktijkervaring slagen voor een vergelijkend examen en vervolgens een gerechtelijke stage met succes doorlopen. Die stage duurt anderhalf jaar voor kandidaten voor de functie van parketmagistraat (substituut-procureur des Konings) en drie jaar voor kandidaten voor de functie van rechter. Onder leiding van een stagemeester voeren de stagiairs het werk van een parketmagistraat of rechter uit, maar een gedeelte van de stage wordt ook doorgebracht op het terrein bij een aantal zelf gekozen diensten en instellingen. Gewoonlijk valt de keuze op strafinrichtingen, politiediensten en juridische diensten, maar ook minder voor de hand liggende diensten zoals MI zijn mogelijk.
Overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen Contacten met de gerechtelijke arrondissementen worden gelegd op het niveau van de buitendienst. Die contacten hebben tot doel om via overleg en communicatie te komen tot een efficiënte voortgangscontrole van de processen-verbaal. In bepaalde gevallen wordt MI ook gevraagd om technische expertise te verlenen.
Ook in 2005 kozen een aantal gerechtelijke stagiairs er voor om een deel van hun stage bij MI te doorlopen. MI ontving in totaal zeven gerechtelijke stagiairs (een in Antwerpen, drie in Limburg en drie in Vlaams Brabant). Ze worden eerst ontvangen op de Hoofdinspectie waar ze een algemene toelichting krijgen over de milieuhygiënewetgeving en de werking en organisatie van MI en daarna op een buitendienst, waar ze kennismaken met de inspecties op het terrein. Tijdens die inspecties komen allerlei aspecten aan bod, zoals diverse monsternames, geluidsmetingen, opstellen van processen-verbaal, volgen van aanmaningen en dwangmaatregelen. De controle van de vergunningstoestand van een bedrijf en de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden behoren eveneens tot de gebruikelijke inspectietaken. Uiteraard wordt ook aandacht besteed aan de klachtenbehandeling. De wederzijdse informatie-uitwisseling en de samenwerking tussen de gerechtelijke stagiairs en MI kunnen voor beide partijen een belangrijke meerwaarde vormen.
De invulling van dit overleg verschilt van buitendienst tot buitendienst en van arrondissement tot arrondissement. De buitendienst kan ook contact opnemen met het parket om overleg te plegen over specifieke dossiers. In 2005 was er met vier parketten een goed gestructureerd overleg. Dat overleg
MI verwacht dat die meerwaarde er onder andere in bestaat dat er op de parketten steeds meer magistraten komen die vertrouwd zijn met de milieuwetgeving, zodat er in de toekomst een betere samenwerking en een doelgerichter vervolgingsbeleid tot stand komen.
De vergadering werd afgesloten door de voorzitter met de mededeling dat: “Gelet op de aangekondigde reorganisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap er voorlopig geen nieuwe vergaderdatum vastgelegd wordt en dit tot het ogenblik dat de toekomstige leidende ambtenaren beslist hebben hoe het beleidsoverschrijdend overleg in de toekomst moet geschieden.”
Samenwerking en overleg • 115
De Verordening (EG) Nr. 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie legt een aantal maatregelen op om de verspreiding van de gekkekoeienziekte te voorkomen
MI vroeg aan VMM een onderzoek uit te voeren van de luchtkwaliteit rond een schrootverwerkend bedrijf (links op de foto)
Samenwerking in het kader van de veiligheid van de voedselketen Commissie Dierlijk Afval De Commissie Dierlijk Afval (CDA) werd opgericht in 1995 met als opdracht advies te verlenen (uit eigen beweging of op verzoek van de minister) over de materie die behandeld wordt in het besluit over de ophaling en de verwerking van dierlijk afval. In de Commissie zetelen drie Vlaamse en twee federale ambtenaren, naast een ruime vertegenwoordiging van de sector van ophalers en verwerkers. MI vertegenwoordigt Aminal in die vergadering, met inbreng van de eigen expertise met betrekking tot dierlijk afval en de handhavingsaspecten die ermee verband houden. In 2005 kwam de Commissie tweemaal samen. Tijdens de vergadering van 5 juli werd toelichting verstrekt bij het vergelijkend onderzoek naar de kosten, de prijzen en de opbrengsten binnen de sector van dierlijke afvalstoffen. Ook werd commentaar gegeven bij de overeenkomst tussen de federale staat en de gewesten betreffende niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Tijdens de vergadering van 26 oktober werd de beslissing van de werkgroep Financiering van de CDA besproken om de abonnementsprijzen voor het ophalen van dierlijk afval op het niveau van het voorgaande jaar te behouden. Verder werd het project ‘Analyseren en planmatig aanpakken van prioritaire bedrijfafvalstoffen’ en het ‘Analysedocument Dierlijk Afval’ voorgesteld.
Overeenkomst dierlijke bijproducten De Europese Unie heeft sinds 1986 een aantal maatregelen genomen om de verspreiding van de gekkekoeienziekte te voorkomen. Een aantal belangrijke maatregelen worden afgedwongen door Verordening (EG) Nr. 1774/2002 over dierlijke bijproducten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie. Het begrip dierlijke bijproducten is ruim en omvat naast het gekende ‘slachtafval’ ook bijvoorbeeld huiden, mest, keukenafval van vliegtuigen en voormalige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Zowel gewestelijke als federale overheden zijn bevoegd voor de materie in de verordening. Een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de gewesten was noodzakelijk om
116 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
ervoor te zorgen dat alle Europese verplichtingen ook werkelijk uitgevoerd worden. De verantwoordelijkheden en de taken voor de federale staat en de gewesten worden er duidelijk in beschreven. Dit samenwerkingsakkoord van 28 oktober 2005 verscheen in het Belgisch Staatsblad op 12 december 2005. De gewesten moeten een systematische controle organiseren op de hele keten van betrokken inrichtingen: gaande van producenten van dierlijk afval, over overbrengers en vervoerders ervan, tot bij de eindverwerking. De controlefrequenties volgen een willekeurige programmatie die rekening houdt met ‘het risico en de omvang van de activiteiten’. Ten gevolge van te weinig toezichthoudende ambtenaren, kon MI de haar opgelegde taken in het kader van deze overeenkomst slechts gedeeltelijk invullen. U kan hierover meer lezen in het deel Werkgroep Afval van het hoofdstuk Specifieke handhavingscampagnes. In de schoot van deze overeenkomst zal in 2006 de Commissie Dierlijke Bijproducten worden opgericht. Hierin zullen alle betrokken overheden zetelen en waken over de goede uitvoering van de overeenkomst.
Overeenkomst betreffende het gebruik van afvalstoffen in de voedselketen Het overleg tussen regionale en federale overheden dat moet leiden tot een overeenkomst in het kader van de controle op afvalstoffen werd in 2002 tijdelijk opgeschort omwille van de onduidelijkheden over de juridische consequenties van het doorgeven van dossiergebonden, bestuurlijke informatie van toezichthoudende overheden aan de Federale Politie. De betrachting van deze ontwerpovereenkomst is een efficiënt toezicht te organiseren op afvalstromen (gewestelijke bevoegdheid) wiens verwerking de voedselveiligheid (federale bevoegdheid) nooit in het gedrang mag brengen. Eind 2003 reactiveerde het Voedselagentschap het overleg gedurende korte tijd. In het voorjaar van 2005 formuleerde MI op basis van de ervaringen met de Overeenkomst Dierlijke Bijproducten en na raadpleging van interne juridische diensten, nog enkele fundamentele opmerkingen op de ontwerpovereenkomst. Het overleg is sindsdien nog niet hervat.
MI controleert geen aanvaardingsplichten (bv. van witgoed) maar licht OVAM in van vaststellingen die op een vermoedelijke inbreuk wijzen
MI voert Seveso-inspecties uit samen met inspecteurs van de federale inspectiedienst voor de bescherming van de werknemers
Samenwerking met VMM MI werkt op het vlak van de luchtverontreiniging al verschillende jaren samen met de afdeling Meetnetten en Onderzoek van VMM. Indien de VMM-metingen van de luchtkwaliteit rechtstreeks verband houden met de emissies van hinderlijke inrichtingen, wordt MI betrokken bij het vastleggen van meetplaatsen en bij de evaluatie van meetresultaten. MI doet op zijn beurt een beroep op VMM voor het analyseren van eigen monsters van omgevingslucht. Omgevingsmetingen rond hinderlijke inrichtingen kunnen namelijk een nuttig instrument zijn bij handhaving. Een klassiek voorbeeld zijn klachten over stofhinder, veroorzaakt door niet-geleide en/of discontinue emissies. In deze gevallen bieden immissiemetingen een goed alternatief voor de klassieke emissiemetingen om te helpen uitmaken of er in de omgeving schade of hinder optreedt ten gevolge van de emissies. In 2004 vroeg MI aan VMM om een onderzoek uit te voeren van de luchtkwaliteit rond een schrootverwerkend bedrijf (zie ook het laatste item van de Werkgroep Lucht in het hoofdstuk Specifieke handhavingscampagnes). Op vijf meetplaatsen nabij het bedrijf werd gedurende drie maanden (november 2004 januari 2005) de hoeveelheid neervallend stof gemeten. Op twee van deze locaties werd daarenboven de depositie van zware metalen, dioxines en PCB’s bepaald. Uit de resultaten bleek dat de richt- en grenswaarden van totaal neervallend stof niet werden overschreden. Ook de grenswaarde van lood in neervallend stof werd niet overschreden. Wel werden de richtwaarden van lood en cadmium in neervallend stof overschreden. De metingen windafwaarts van het bedrijf toonden een duidelijk verhoogde depositie van dioxines en PCB’s. Op basis van deze meetresultaten maande MI het bedrijf aan om een actieplan voor de beperking van de emissies op te stellen en uit te voeren.
op ingedeelde inrichtingen. MI controleerde dan weer geen typische afvalstroomreguleringen zoals aanvaardingsplichten, erkenningen van ophalers, meldingen van afvalstromen en heffingen. OVAM en MI brachten elkaar wel op de hoogte van vaststellingen die op een vermoedelijke inbreuk wijzen tegen de regelgeving die ze elk controleren. Al sinds enkele jaren is er een vlotte informatie-uitwisseling rond PCB-houdende apparaten waarvoor OVAM de officiële inventaris beheert. Toezichthoudende ambtenaren van MI noteerden de kenmerken van een aangetroffen PCB-houdend apparaat op een checklist. Deze gegevens werden onmiddellijk gefaxt aan OVAM om na te gaan of het apparaat correct werd gemeld. MI besloot, afhankelijk van het antwoord van OVAM, tot al dan niet optreden. MI en OVAM hielden elkaar ook op de hoogte van ervaringen bij de controle op de naleving van de Europese Verordening over dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie geschikt zijn. Verder werd ook nog informatie uitgewisseld over illegaal aangewende secundaire grondstoffen, aangetroffen bodem- en grondwaterverontreinigingen, illegale verwijdering van afvalstoffen en vermoedelijke ontduikingen van heffingen op het storten of verbranden van afvalstoffen. Deze informatie liet OVAM toe om in het kader van haar bevoegdheden mogelijke strafrechtelijke en administratieve maatregelen te overwegen. In 2006 zullen de handhavingsbevoegdheden van de milieuregelgeving worden herschikt met de operatie Beter Bestuurlijk Beleid binnen de Vlaamse Overheid. Er zal dan een samenwerkingsprotocol worden opgesteld tussen de OVAM en MI waarin de herschikking van de handhavingstaken zal worden geregeld.
Samenwerking met OVAM
Samenwerking met de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s
De toezichtsbevoegdheden van OVAM enerzijds en MI anderzijds waren in 2005 nog grotendeels complementair maar overlapten ook gedeeltelijk. Zo had OVAM geen toezicht
Eerder in dit rapport werd al aangegeven dat de inspecties in het kader van het Samenwerkingsakkoord preventie zware ongevallen (Seveso-inspecties) worden uitgevoerd door een
Samenwerking en overleg • 117
De studie toonde aan dat de industriezone van Moeskroen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de inwoners van Rollegem
inspectieteam dat is samengesteld uit de gewestelijke milieuinspectie (MI in Vlaanderen) en de federale inspectiedienst bevoegd voor de bescherming van de werknemers. De coördinatie binnen de inspectieteams en de algemene coördinatie worden verzekerd door de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Van 23 tot 25 mei 2005 was de afdeling van het Toezicht op de Chemische Risico’s gastheer op een seminarie voor alle Sevesoinspectiediensten. MI nam deel met een ruime delegatie van staf- en werkgroepleden. De belangrijkste doelstelling was de evaluatie van het inspectiesysteem. Leidraad daarbij was de ontwerpfiche SAC/9 ‘Werking van het inspectiesysteem’, waarin alle aspecten van het inspectiesysteem nader worden toegelicht en waarover de inspectiediensten overeenstemming bereikten. Op het seminarie kwamen eveneens de gezamenlijke campagnes, een aantal interessante praktijkgevallen, enkele ongevallen en bepaalde uitvoerings- en interpretatieproblemen aan bod. Over de samenwerking bij het opstellen en uitvoeren van het Seveso-inspectieprogramma kon u al lezen in het hoofdstuk Specifieke handhavingscampagnes. Van 7 tot 9 december 2005 organiseerden de Belgische Seveso-inspectiediensten de eerste van de Mutual Joint Visits (MJV) van fase 2 in Brussel.
118 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Een MJV is een uitwisselingsprogramma voor Seveso-inspecteurs, onder auspiciën van de Europese Commissie, en heeft de uitwisseling en documentering van ervaringen en goede (inspectie)praktijken als belangrijkste doelstellingen. Tijdens de workshop discussieerden een vijftigtal inspecteurs over de essentiële technische en organisatorische maatregelen voor brandstoffendepots. Hoewel er over de noodzaak van heel wat maatregelen eensgezindheid bestond tussen de inspecteurs, erkenden ze de behoefte aan de bepaling op Europees niveau van minimale vereisten voor standaardinstallaties. Europese minimale vereisten zouden een belangrijke ondersteuning betekenen voor het handhavingswerk, aangezien dit de afdwingbaarheid van de maatregelen zou verhogen.
Samenwerking met andere gewesten Sinds 2004 werkt MI samen met haar collega’s van de Waalse Division de la Police de l’Environnement (DPE) om het gewestoverschrijdend geurprobleem in Rollegem (Kortrijk), veroorzaakt door een industriezone gelegen in het noorden van het Waalse Moeskroen, aan te pakken. De inspectiediensten spraken af dat MI in 2004 de impact van de geur op Rollegem en omgeving zou bepalen via een omgevingsonderzoek en dat DPE in 2005 op basis van de resultaten van dit onderzoek heel
gericht acties zou ondernemen om de geuremissies door de Waalse bedrijven te verminderen. Het omgevingsonderzoek bestond uit een klachtenanalyse, een telefonische enquêtering van de bevolking, het bijhouden van geurdagboeken door de inwoners en het uitvoeren van snuffelmetingen door toezichthoudende ambtenaren en door professionele snuffelploegen. Uit het rapport blijkt dat de industriezone van Moeskroen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt voor de inwoners van Rollegem. De bedrijven die de grootste impact uitoefenen en de meeste hinder veroorzaken, zijn een diepvriesgroenten en –frietbedrijf, een zeepziederij en een groencompostering. Het rapport besluit met de aanbeveling voor DPE om deze drie bedrijven prioritair aan te pakken. MI besprak begin 2005 de resultaten van het omgevingsonderzoek met DPE. Kort daarop stelde DPE een plan van aanpak op waarmee MI akkoord ging. Concreet voerde DPE in 2005 een grondige inspectie uit bij de drie als prioritair aangeduide bedrijven. Er werden ondermeer metingen uitgevoerd om te bepalen welke chemische stoffen er verantwoordelijk zijn voor de geurhinder. Op basis van de resultaten van deze inspecties en metingen legde DPE een saneringsplan op aan deze bedrijven. Tegelijk liet DPE drie meetstations in de buurt van deze bedrijven plaatsen om de concentratie van de gemeten geurcomponenten in de omgevingslucht te volgen. In het najaar 2005 kwamen MI en DPE samen om de stand van zaken van de sanering te bespreken. DPE zal in 2006, in overleg met MI, de effectiviteit van de genomen maatregelen beoordelen.
Beleid Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM) De uitvoering van het milieubeleid leert dat een geregelde actualisatie van de complexe en zeer uitgebreide milieuregelgeving noodzakelijk is en blijft. De wetgeving moet worden vereenvoudigd en de kwaliteit ervan moet worden verhoogd. Ook als gevolg van de vele wijzigingen en aanvullingen van de regelgeving moeten de verschillende decreten en besluiten voldoende en tijdig op elkaar worden afgestemd. Daarom ontstond begin 2000 het overlegorgaan TOM. TOM staat voor Technisch Overleg Milieuregelgeving. Het is een permanent overlegorgaan voor alle administraties en diensten die betrokken zijn bij de uitvoering en handhaving van het beleid inzake milieuhinderlijke inrichtingen en activiteiten. In TOM zitten vertegenwoordigers van Aminal, de Vlaamse openbare milieu-instellingen, andere Vlaamse administraties die raakpunten hebben met het milieubeleid, de afdeling Juridische Dienstverlening van het departement Leefmilieu en Infrastructuur en vertegenwoordigers van de lokale overheden via de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). TOM streeft via
zo veel mogelijk consensus tussen zijn leden naar een vanuit technisch en juridisch oogpunt eenvormige en correcte toepassing van de milieuregelgeving. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan oplossingen voor overlappingen, lacunes en tegenstrijdigheden in de regelgeving en de uitvoering en handhaving ervan om zo te komen tot een coherente, resultaatgerichte regelgeving en toepassing ervan. Sinds de start van TOM werden al meerdere knelpunten gesignaleerd, geïnventariseerd en geanalyseerd. TOM legt zijn adviezen ter beslissing voor aan de Vlaamse minister van Leefmilieu. De definitieve TOM-adviezen worden, met de reactie van de Vlaamse minister van Leefmilieu, gepubliceerd op de website www.mina.be/tom.html, onder de link ‘adviezen van TOM en beslissingen van de minister’.
Lijst van de gepubliceerde TOM-adviezen op 31 december 2005 Nr.
Onderwerp
A 01
Afvalwaterzuiveringsinstallaties
A 02
Gesynchroniseerde wijzigingen aan de regelgeving
A 03
Afspraak inzake de frequentie van wijzigingen in de milieuregelgeving en inzake een officieuze coördinatie
A 04
Klasse 3 en aktename
A 05
Wijziging aan de vergunningsvoorwaarden
A 07
Gemengde veeteeltinrichtingen
A 09
Vrijstelling van sectorale voorwaarden
A 10
Slapende vergunning
A 11
Het gebruik van niet-verontreinigd puin op de bouwplaats
A 12
Niet-ingedeelde afvalwaterzuiveringen
A 14
Verplaatsbare installaties
A 15
Afvalstromen – verdunning
A 17
Wijziging indelingen
A 18
Bevoegdheid bij wijzigen en aanvullen van een milieuvergunning
A 19
Bevoegdheid bij wijzigen en aanvullen van een milieuvergunning
A 20
Oppervlaktebehandeling van metalen
A 21
Gevaarlijke afvalstoffen
A 23
Wijziging meldingsformulier (derde klasse Vlarem)
A 26
Bevoegde overheid bij melding van een overname
A 27
Thermisch reinigen van voorwerpen: rubricering en emissienormen
A 28
Schorsen en opheffen van een milieuvergunning: bevoegdheid
Ook MI neemt deel aan het TOM-overleg. Als toezichthoudende overheid is ze vertegenwoordigd in zowel het plenaire overlegorgaan als in tal van ad-hoc werkgroepen. Ze waakt erover dat tijdens de bespreking van gesignaleerde knelpunten zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de handhavingservaringen, opgedaan in het veld. MI streeft daarbij naar een zo groot mogelijke eenduidigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.
Medewerking aan regelgevende initiatieven Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdrachten
Samenwerking en overleg • 119
Beleidsformulering en beleidsevaluatie door terugkoppeling van de ervaringen uit het veld behoren tot de kernopdrachten van MI
van MI. Een van de manieren waarop MI die opdracht probeert te vervullen, is door medewerking te verlenen aan regelgevende initiatieven en zich zo indirect in te schakelen in de beleidscyclus. Zo maakte MI onder andere deel uit van de ambtelijke expertenwerkgroep die, onder leiding van het kabinet van de minister van Leefmilieu, een voorontwerp van milieuhandhavingsdecreet voorbereidde. Dat voorontwerp heeft twee belangrijke delen: het deel beleid en organisatie van de milieuhandhaving en het deel toezicht, handhavingsinstrumenten en veiligheidsmaatregelen. Het eerste deel slaat op het volledige milieurecht, het milieuhygiënerecht én het milieubeheersrecht. Belangrijk om aan te geven is dat de gewestelijke milieu-inspectiediensten, volgens het voorontwerp, de centrale spil blijven van het milieuhandhavingsgebeuren. Het wordt wel mogelijk naast de gewestelijke en de lokale toezichthouders ook provinciale toezichthouders aan te duiden. Een andere centrale organisatie wordt de Vlaamse Hoge Raad voor het Milieuhandhavingsbeleid, de
120 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
omgevormde en geofficialiseerde Commissie Vervolgingsbeleid Milieurecht, die de Vlaamse Regering zal moeten bijstaan bij de vormgeving van het milieuhandhavingsbeleid. Dat zal de Raad doen op drie vlakken: (1) het adviseren van regering en parlement over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de handhaving van het Vlaamse milieurecht, (2) fungeren als motor voor het afsluiten van handhavingsprotocollen tussen de verschillende handhavers en (3) jaarlijks de opstelling coördineren van het milieuhandhavingsrapport en het milieuhandhavingsprogramma. Het tweede deel beoogt een harmonisering van het toezicht, het handhavingsinstrumentarium en de veiligheidsmaatregelen, in een eerste fase voor de milieuhygiënewetgeving (afval, water, lucht, geluid, bodem, gevaarlijke stoffen, hinderlijke inrichtingen). In een tweede fase zal onderzocht worden hoe de milieubeheerswetgeving, gericht op de bescherming van fauna en flora, kan worden ingepast in het decreet. Het is belangrijk dat de beschikbare handhavers efficiënt en optimaal kunnen worden ingezet en kunnen inspelen op de
MI maakte deel uit van een ambtelijke werkgroep die een voorontwerp van nieuw milieuhandhavingsdecreet voorbereidde
aard, de ernst, de omvang en de gevolgen van het niet-naleven van de milieuwetgeving. Daartoe voorziet het voorontwerp een uitgebreid handhavingsinstrumentarium en maakt het onderscheid tussen milieu-inbreuken en milieumisdrijven. De raadgeving, een preventief instrument, en de aanmaning, een curatief instrument, spelen een cruciale rol. Het laatste is steeds gekoppeld aan de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf. Als bestuurlijke maatregelen heeft de handhaver de beschikking over het bevel tot staking, het bevel tot regularisatie en de bestuursdwang. De handhavingsverantwoordelijkheden worden duidelijk verdeeld tussen bestuur en parket. Milieu-inbreuken worden afgedaan via bestuurlijke sancties, de exclusieve bestuurlijke geldboeten. Het betreft de pure administratieve ongehoorzaamheid. Milieumisdrijven daarentegen worden in eerste instantie afgedaan via strafrechtelijke sancties (geldboeten en gevangenisstraffen). Als het parket echter aangeeft een milieumisdrijf niet strafrechtelijk te willen behandelen, vervalt de strafvordering en kan het misdrijf worden afgedaan via een
bestuurlijke sanctie, de alternatieve bestuurlijke geldboete. Voor de oplegging van de bestuurlijke geldboeten wordt een gewestelijke entiteit binnen het Vlaamse ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie aangeduid. Het op te richten Milieuhandhavingscollege zal instaan voor de behandeling van de beroepen tegen de oplegging van de bestuurlijke geldboeten. Het milieuhandhavingsdecreet zal in de loop van 2006 nog verder besproken en aangepast worden. In de tabel van bijlage 3 zijn ook de andere regelgevende initiatieven opgenomen waaraan de afdeling haar medewerking heeft verleend. Het merendeel van de initiatieven sloot aan bij de strategische doelstelling uit de beleidsnota van de minister ‘Regelgeving meer doeltreffend en doelmatig maken’. Meer aandacht voor de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de regelgeving, ook in de vroege fases van de besluitvorming, was daarbij een belangrijke krachtlijn. Vanuit de handhavingspraktijk konden de MI-vertegenwoordigers een belangrijke input geven.
Samenwerking en overleg • 121
Door de steeds verdergaande mondialisering bevindt de handhaving zich steeds meer in een internationale context. MI heeft daarom als taak internationale contacten te leggen en actief deel te nemen aan het tot stand komen van internationale vernieuwingen en tendensen. Een actieve inzet in het Europese netwerk voor de implementatie en handhaving van de milieuhygiënewetgeving (IMPEL) is een deel van de missie van MI. In dit hoofdstuk worden de verschillende bijdragen aan dat netwerk beschreven. Verder stelt MI haar expertise in verband met de handhaving van de milieuhygiënewetgeving ter beschikking van diverse Europese en mondiale organisaties. Ook die bijdragen worden toegelicht.
Internationale context IMPEL Situering Het netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuhygiënewetgeving (in het Engels: the European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law, of kortweg IMPEL) is een informeel netwerk van de lidstaten van de Europese Unie (25 landen), de toetredende lidstaten (Bulgarije en Roemenië), de kandidaat-lidstaten (Kroatië en Turkije), Noorwegen en de Europese Commissie. Dat netwerk werd in 1992 opgericht in overeenstemming met het Vijfde Leefmilieuactieprogramma. Het is een informele organisatie waarbinnen afgevaardigden informatie kunnen delen, problemen kunnen bespreken en elkaar praktisch advies kunnen bieden. Op die manier kan belangrijke kennis worden opgedaan en kunnen de beste toepassingsmethoden op het gebied van inspectie, toezicht en handhaving worden uitgewisseld binnen de gehele Europese Unie. Het idee achter de oprichting van het IMPEL-netwerk is te waarborgen dat de relevante Europese richtlijnen systematisch worden uitgevoerd door de lidstaten, en dat hierop adequaat toezicht gehouden wordt. Zonder de juiste middelen om toezicht te houden op de toepassing van de Europese milieuwetgeving is de regelgeving immers zo goed als waardeloos. Alleen als de verschillende lidstaten zowel de motivatie als de middelen hebben om de regels die van toepassing zijn te handhaven, kunnen mensen erop vertrouwen dat het milieu waarin ze leven en werken voortdurend beschermd blijft.
De huidige structuur van IMPEL ziet er als volgt uit: - een plenaire vergadering als beslissingsorgaan, met een vertegenwoordiger per land, eventueel bijgestaand door twee tot drie medewerkers of collega’s; - meerdere ad-hoc werkgroepen en projectteams voor de praktische uitvoering van de goedgekeurde projecten, samengesteld uit vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten en de Europese Commissie, onder rechtstreekse supervisie van de plenaire vergadering; - een nationale coördinator per lidstaat die verantwoordelijk is voor de informatiedoorstroming tussen het netwerk en de lidstaat. Meer informatie over IMPEL vindt u op de volgende website: http://ec.europa.eu/environment/impel/.
Het Europees netwerk voor de implementatie en handhaving van milieuwetgeving werd in 1992 opgericht.
IMPEL werd intussen formeel erkend in het Zesde Leefmilieuactieprogramma én in de Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten.
Internationale context • 123
Halfjaarlijkse plenaire vergaderingen In 2005 werden twee plenaire vergaderingen georganiseerd: de 25ste plenaire vergadering in Luxemburg (Groot-HertogdomLuxemburg) van 8 tot 10 juni en de 26ste plenaire vergadering in Cardiff (Verenigd Koninkrijk) van 30 november tot 2 december.
niet vastgelegd worden door afwezigheid van een IMPEL-budget omwille van de onzekerheid over de financiële bijdragen van de Commissie.
De plenaire vergaderingen vinden telkens plaats in de lidstaat die op dat ogenblik voorzitter is van de EU en ze worden voorgezeten door het gastland en de Europese Commissie.
Binnen IMPEL ging in september 2004 in Londen een project van start met als thema ‘Consideration of Human Health through IPPC’. Het Verenigd Koninkrijk was de trekker van dat project en heel wat EU-lidstaten en kandidaat-lidstaten namen aan dit project deel. Ook MI nam actief deel. Er werden twee werkvergaderingen georganiseerd.
Plenaire vergadering in Luxemburg België was in Luxemburg vertegenwoordigd door de afgevaardigden van de drie gewesten. Op Malta na waren alle lidstaten van de EU, de kandidaat-lidstaten van de EU, de Europese Commissie en Noorwegen (als waarnemer) aanwezig. Het afgewerkte rapport ‘Gebruik van BREF’s’, opgesteld door Frankrijk, werd goedgekeurd en zal op de IMPEL-website geplaatst worden. Een tussentijds verslag van lopende projecten en een voorstel voor een aantal nieuwe projecten werden voorgesteld.
GPBV en gezondheid
Deze werkvergaderingen hadden als doel na te gaan hoe binnen de huidige GPBV-context de gezondheidsaspecten in rekening worden gebracht bij het bepalen van emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden. Als output van dat project
Twee parallelle werkvergaderingen vonden plaats. De eerste handelde over ‘Betere wetgeving’ met als conclusie dat prioriteit diende gegeven te worden aan o.m.: - de relaties van de GPBV-richtlijn met andere EU-richtlijnen; - het opstellen van een rapport ter identificatie van het actiegebied van IMPEL en van een checklist tot begeleiding van de herziening van nieuwe en bestaande wetgeving. De tweede betrof een open discussie en uitwisseling van potentiële onderwerpen voor de IMPEL-Conferentie 2006 in Riga (Letland). Een voorstel van Tsjechië, om het aktiegebied van IMPEL te verbreden met natuur, naast industriële installaties, werd ter discussie gelegd en er werd geconcludeerd dat de Commissie eerst overleg zou plegen met de directeurs-generaal van Natuur en Bos, om dan een voorstel van beslissing voor te leggen op een volgende plenaire vergadering. Plenaire vergadering in Cardiff België was in Cardiff vertegenwoordigd door de afgevaardigden van de drie gewesten. Alle lidstaten van de EU, de kandidaatlidstaten van de EU, de Europese Commissie en Noorwegen (als waarnemer) waren aanwezig. Meerdere afgewerkte rapporten werden goedgekeurd en er werd besloten om deze op de IMPEL-website te plaatsen. Een aantal tussentijdse verslagen van lopende projecten werden besproken. Na grondige bespreking werden een aantal IMPEL-projecten voor 2006 voorgesteld en gerangschikt in functie van hun belangrijkheid. Een definitief werkprogramma 2006 kon echter
124 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Het rapport moest een handleiding zijn om rekening te houden met gezondheidsaspecten bij de toepassing van de GPBV-regelgeving
werd een rapport verwacht dat een handleiding moest zijn om met gezondheidsaspecten rekening te houden bij de toepassing van de GPBV-regelgeving. Tijdens een eerste werkvergadering in 2004 werden de volgende items behandeld: - hoe en wanneer wordt in de lidstaten rekening gehouden met de gezondheidsaspecten bij de toepassing van de GPBVrichtlijn? - hoe kunnen er goede praktijken en methodes worden ontwikkeld om zo veel mogelijk rekening te houden met de gezondheidsaspecten? - het opstellen van een ontwerpvragenlijst om meer informatie te verkrijgen over de twee hierboven gestelde vragen. Hierbij kwamen in hoofdzaak de volgende knelpunten aan bod: - vanaf wanneer spreken we over gezondheidsaspecten?
Het project ‘Milieuconflicten oplossen door dialoog’ richtte de aandacht op industriële sites met klachtenmeldingen van omwonenden
- welke informatie is er nodig om de effecten op de gezondheid betrouwbaar te kunnen inschatten? - hoe staat het met het vertrouwen van de burger in de overheid? - wat is de effectiviteit van bestaande instrumenten? - wat zijn het effect en het belang van de handhaving? - hoe kunnen we de communicatie verbeteren?
Op basis van de insteek van de door de deelnemende landen ingevulde vragenlijsten werd begin 2005 een ontwerprapport opgesteld. Op een tweede werkvergadering, opnieuw te Londen, werd het ontwerprapport toegelicht en grondig besproken. Naast de vertegenwoordigers van de vorige meeting was er nu ook een vertegenwoordiger van de Europese Commissie aanwezig. Het resultaat van deze besprekingen was dat:
De deelnemers wisselden van gedachten over de implementatie van de VOSrichtlijn
Het project richtte de aandacht op bestaande industriële sites, met klachtmeldingen van omwonenden en het aanwenden van een proces voor het voeren van de dialoog als een vrijwillig instrument tot oplossen van het conflict. Zowel theoretische beschouwingen als praktijkervaringen kwamen uitgebreid aan bod. Een aantal praktische casussen (waaronder een Vlaamse) werden voorgesteld en grondig besproken en geëvalueerd. Een brochure ‘Solving environmental conflicts by dialogue’ werd op de plenaire vergadering in Cardiff goedgekeurd en is op de IMPEL-website geplaatst. Wij citeren hier de finale aanbevelingen zoals besloten door de deelnemers aan het project:
- het rapport veel beter moest worden gestructureerd;
het gebruik van dialoogprocessen als vrijwillige instrumenten in de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving wordt aanbevolen met in het bijzonder:
- het rapport meer positieve en minder negatieve vaststellingen moest bevatten;
- het gebruik van dialoog als een optie in de behandeling van klachtmeldingen;
- het rapport meer moest geïllustreerd worden met voorbeelden van ‘goede praktijken’;
- het gebruik van dialoog voor de formele opstart van vergunningsprocedures (meer bepaald GPBV-vergunningen);
- er meer rekening moest worden gehouden met BBT en BREF;
- de aanmoediging van bedrijven om het dialoogproces te beschouwen als een deel van de bedrijfsvoering.
- naast het aspect ‘vergunningverlening’ ook het belang van de ‘handhaving’ moest worden onderstreept; - het rapport duidelijke conclusies moest bevatten.
VOS-congres
Het ontwerprapport werd in die zin aangepast en op de plenaire IMPEL-vergadering te Cardiff, tijdens het voorzitterschap van het Verenigd Koninkrijk, voorgesteld en toegelicht. Het eindrapport werd door de IMPEL-vergadering goedgekeurd. Het eindrapport wordt mede geïllustreerd met meerdere voorbeelden van goede praktijken vanuit Vlaanderen.
Van 21 tot en met 23 september 2005 nam MI deel aan de IMPEL VOS-workshop, die plaatsvond in Salzburg, Oostenrijk. De organisatie lag in handen van de Oostenrijkse delegatie van IMPEL. De workshop was bedoeld om inspecteurs en vergunningverleners uit verschillende lidstaten bij elkaar te brengen om over de implementatie van de VOS-richtlijn 1999/13/EG van gedachten te wisselen.
Milieuconflicten oplossen door dialoog In 2004 en 2005 namen 30 vertegenwoordigers (waaronder een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest) van 17 IMPEL-landen deel aan het project ‘Informal resolution of environmental conflicts by neighbourhood dialogue’. Twee conferenties vonden plaats: de eerste in november 2004 en de tweede in mei/juni 2005, telkens in Hannover (Duitsland).
De VOS-richtlijn, omgezet in Vlarem (rubriek 59 van Vlarem I en hoofdstuk 5.59 van Vlarem II) is opgesteld met als doel het oplosmiddelengebruik bij bedrijven te verminderen. Voor twintig bedrijfstakken zijn drempelwaarden en emissieeisen opgesteld waarvan in een aantal gevallen mag worden afgeweken. Voor 31 oktober 2007 moet elk bedrijf dat onder de richtlijn valt aan de emissie-eisen voldoen. Voor die tijd (uiterlijk 31 oktober 2005) moeten de bedrijven bij de overheid aangeven op welke wijze men wil gaan voldoen: of door het
Internationale context • 125
treffen van brongerichte maatregelen of door het installeren van een nageschakelde techniek. Aan de workshop namen 48 vertegenwoordigers uit 27 landen deel. Op het programma stonden presentaties van Oostenrijk, Zweden en Italië over hun implementatie van de VOS-richtlijn. Daarnaast heeft Zwitserland uitgelegd hoe zij als niet EU-land omgaan met oplosmiddelen. Na de presentaties werd de groep in vieren gedeeld om vooraf bekendgemaakte cases aan de VOS-richtlijn te toetsen. De cases hadden betrekking op vier bedrijfstakken: een drukkerij, een autospuiterij, een meubelspuiterij en een farmaceutisch bedrijf. MI nam tijdens deze workshop deel aan de bespreking van de case over een heatsetdrukkerij. De resultaten van de vier groepen werden de volgende dag plenair gepresenteerd en bediscussieerd. Het geheel wordt in een eindrapport weergegeven en via IMPEL aan de EU teruggekoppeld. Tijdens de discussie in de subgroep drukkerijen werd het snel duidelijk dat eenzelfde case door verschillende lidstaten verschillend beoordeeld wordt en dat dit leidt tot conclusies gaande van ‘valt onder de VOS-richtlijn’ tot ‘valt niet onder de VOS-richtlijn’ (toetsing aan drempelwaarden) en van ‘conform de VOS-richtlijn’ tot ‘niet voldaan aan de bepalingen van de VOS-richtlijn’ (toetsing geleide en diffuse emissiegrenswaarden). Tijdens de plenaire discussie van de resultaten en conclusies van de andere subwerkgroepen kwamen dezelfde pijnpunten naar boven. Het is duidelijk dat de VOS-richtlijn in verschillende lidstaten verschillend werd omgezet, verschillend wordt geïnterpreteerd en leidt tot verschillende conclusies en handhavingsaanpak. Een herziening van de richtlijn is daarom aangewezen. In het algemeen wordt de VOS-richtlijn ervaren als complex en de implementatie en de handhaving ervan als (administratief) zeer belastend. Verschillende lidstaten maakten daarom voor eigen gebruik een handleiding voor de inspecteurs om de VOSwetgeving te controleren. Ook MI liet een handleiding opstellen. Hierover kunt u meer lezen in het hoofdstuk ‘Specifieke handhavingscampagnes’.
Betere regelgeving Binnen IMPEL ging in februari 2005 in Londen een werkvergadering door met als opdracht te discussiëren over het voorstel van de plenaire vergadering van IMPEL om een cluster op te richten rond het thema ‘Betere regelgeving’. Deze vergadering werd getrokken door het Verenigd Koninkrijk. Volgende landen namen deel: België, Duitsland, Frankrijk, Tsjechië, Italië, Nederland, Zweden en een afgevaardigde van de Europese Commissie. Ook MI nam aan die werkvergadering deel. Van bij de start van de vergadering werd duidelijk gesteld dat een betere regelgeving niet hetzelfde betekent als deregulering en administratieve vereenvoudiging. Tijdens de discussie werd in hoofdzaak nagegaan hoe binnen IMPEL de ervaringen en
126 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
expertise kunnen worden benut om te komen tot een betere Europese regelgeving. Hierbij kwamen volgende thema’s aan bod: - Wat zijn de eventuele taken voor een nieuwe IMPEL-cluster ‘Betere regelgeving’? - Wat is de rol van de cluster in bestaande regelgeving? - Wat is de rol van de cluster in nieuwe regelgevingsvoorstellen? - Mogelijke andere opdrachten? - Inhoud van een eventueel toekomstig werkprogramma? Als resultaat van deze eerste discussie kan het volgende worden onthouden: - ‘betere regelgeving’ is niet het zelfde als dereguleren en administratieve vereenvoudiging; - het meest geschikte moment om bestaande EU-wetgeving te verbeteren, is het moment van de herziening van de EUrichtlijnen; - ook voor de Europese Commissie is ‘betere regelgeving’ een absolute topprioriteit; - ‘betere regelgeving’ moet zowel worden aangepakt op Europees, nationaal als regionaal vlak; - vooral oude EU-richtlijnen, waarbij al heel wat expertise werd opgebouwd, zijn aan evaluatie toe; - meerdere richtlijnen over één thema, kunnen best worden gereduceerd tot één gecoördineerde versie (bv. met betrekking tot afval); - de Europese Commissie is sterk vragende partij naar nuttige en deskundige input vanuit IMPEL. Wordt zeker vervolgd.
Lessen trekken uit ongevallen Lessen trekken uit ongevallen is op verschillende niveaus erg belangrijk. Een bedrijf moet uit de oorzakenanalyse de nodige maatregelen putten om herhaling in de toekomst te voorkomen, maar aangezien bepaalde gevaarlijke situaties ook in andere bedrijven kunnen ontstaan, is het van groot belang dat het leerproces het bedrijfsniveau overstijgt. Informatie-uitwisseling is daarvoor de eerste en misschien wel de belangrijkste voorwaarde. Jaarlijks wordt in Frankrijk het seminarie ‘Lessen uit ongevallen’ georganiseerd. Sinds 1999 gebeurt dat onder de vleugels van het IMPEL-netwerk. In 2005 vond het seminarie op 15 en 16 juni plaats in Caen. De belangrijkste doelstelling van de bijeenkomst is de uitwisseling van ervaringen in verband met ongevallen. Inspecteurs uit Frankrijk, Duitsland, Italië, Zweden, Nederland en België behandelden 17 ongevallen met onder meer branden, explosies en ongecontroleerde emissies van gevaarlijke stoffen. Hoewel de aard van de incidenten zeer verschillend was, konden toch een aantal weerkerende kenmerken worden gevonden:
Een vertegenwoordiger van MI leverde een bijdrage over een brand in een raffinaderij
- heel wat incidenten gebeurden tijdens een speciale fase: opstart van een nieuwe installatie, onderhoudswerken, einde van een campagne, wisseling van ploegen; - verschillende incidenten zijn te wijten aan het niet of niet correct toepassen van bestaande werkinstructies en/of veiligheidsvoorschriften; onder meer het negeren van alarmen door ze te bypassen zonder verdere bijkomende maatregelen vast te leggen, heeft in enkele gevallen zware gevolgen gehad; - een slecht functionerend werkvergunningensysteem is een veel voorkomende oorzaak van incidenten; - niet correct en tijdig uitvoeren van inspecties op installatieonderdelen en vooral het niet tijdig uitvoeren van aanbevelingen naar aanleiding van deze inspecties blijkt een veel voorkomende oorzaak van incidenten te zijn;
ter beschikking gestelde instrumenten ten volle te benutten en desgevallend zelfs over te gaan tot het stopzetten (al dan niet tijdelijk) van een installatie, ongeacht de economische gevolgen die dit met zich meebrengt. Een vertegenwoordiger van MI leverde een bijdrage van een voorval in Vlaanderen, meer bepaald een brand in een raffinaderij. De nadruk werd daarbij niet alleen gelegd op de basisoorzaken van het incident, ook de inspectietactiek die door MI werd gehanteerd en de verdere administratieve afhandeling werd uit de doeken gedaan.
Andere
- een gebrekkige bedrijfsvoering was vaak één van de oorzaken of een versterkende factor;
Chili
- het veiligheidsbewustzijn van de werknemers is een bepalende factor in het creëren van situaties waarbij zich (zware) ongevallen kunnen voordoen;
In het werkprogramma 2005-2006, rubriek Leefmilieu, van het lopende samenwerkingsprogramma Chili - Vlaanderen staan twee projecten met MI opgenomen:
- de werking van het noodplan diende in vele gevallen te worden bijgeschaafd; - zware ongevallen worden in vele gevallen voorafgegaan door een serie van bijna-incidenten, waaruit blijkbaar onvoldoende lessen werden getrokken. Men is het er over eens dat het de taak is van de overheid om, bij vaststellen tijdens inspecties van zware tekortkomingen in de bedrijfsvoering, de
Project ‘ Opleiding ten behoeve van Chileense milieu-inspecteurs’. De Vlaamse Milieu-inspectie biedt een opleiding aan voor milieu-inspecteurs inzake het ontwikkelen en implementeren van handhavingsstrategieën met betrekking tot de disciplines geur- en luchtverontreiniging, afvalwater, afval en bodem. Veel aandacht zal worden besteed aan de planning, de technische
Internationale context • 127
vaststellingen (bedrijfsbezoeken, monsternemingen en metingen) en het opleggen van remediërende maatregelen. De Vlaamse Milieu-inspectie is bereid een werkbezoek te brengen aan de Nationale Leefmilieu Commissie (CONAMA) en eventueel enkele regio’s ter voorbereiding van deze opleiding. Tijdens dit voorafgaand bezoek aan Chili stelt de Vlaamse Milieu-inspectie voor om een meerdaagse workshop te houden voor een 20-tal inspecteurs uit de diverse regio´s. In een later stadium komt een ploeg van een 15-tal Chileense milieuambtenaren gedurende een 14-tal dagen naar Vlaanderen op werkbezoek voor een intensieve praktijkopleiding. Project voor samenwerking Vlaamse Milieu-inspectie met de regio Bio Bio inzake de ‘ Aanpak van de geurproblematiek in het havengebied Talcahuano’. De Vlaamse partij biedt aan om samen met de CONAMA van de 8e regio de geurhinder in Talcahuano aan te pakken. Het projectvoorstel zal vier fases omvatten: - fase 1: verkennend bezoek van een Vlaamse delegatie aan de vismeelbedrijven in Talcahuano en toelichting door de Milieu-inspectie van de handhavingsaanpak voor geur. Eventueel kunnen ook inspecteurs van andere regio’s van Chili uitgenodigd worden; - fase 2: onderzoek naar de bron van de geurhinder en naar de ernst van de geurhinder in Talcahuano; - fase 3: overleg met de bedrijven over de voorgestelde saneringsmaatregelen (eventueel bouwen van pilootinstallaties voor zuivering van de emissies) en handhaving; - fase 4: opvolging van de uitvoering van saneringsmaatregelen door de bedrijven, en evaluatie van de situatie na sanering. Van 12 tot 27 november 2005 trok een delegatie van MI voor een verkennend bezoek voor beide projecten naar Chili. Deze zending had ondermeer volgende doelen: - toelichting verkrijgen over de organisatie en de werking van de CONAMA en andere betrokken actoren; - toelichting geven over de organisatie, werking en handhavingsaanpak van MI; - bezoek aan de Belgische Ambassadeur en de regionale intendant van Bio Bio, inclusief persmeeting; - diverse verkennende bedrijfsbezoeken; - terugkoppeling, conclusies en verdere samenwerkingsafspraken.
Op 14 november werd de Vlaamse delegatie ontvangen door de Belgische ambassadeur te Santiago en werden de doelstellingen van de zending naar Chili uitgebreid toegelicht. Vervolgens kwam het eerste project aan bod. Tijdens deze periode gingen allerlei verkennende bedrijfsbezoeken door in diverse regio’s: Santiago, Valparaíso, Maule en Bio Bio. Enkele voorbeelden van bedrijven die werden bezocht zijn: een kopermijn, een kopergieterij en -smelterij, een champignoncomposteringsbedrijf, een wijnproducent, een cellulosebedrijf en een staalbedrijf.
128 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Het cellulosebedrijf verwelkomde de Vlaamse delegatie van MI
Tussen de vele bedrijfsbezoeken door waren er ook tal van werkvergaderingen: met de CONAMA-vertegenwoordigers van de verschillende bezochte regio’s, met collega’s van de gezondheidsinspectie, met de intendant van de regio Bio Bio, … Ten behoeve van het tweede project werden verschillende bedrijven met geurveroorzakende emissies bezocht, waaronder producenten van visvoeders en vismeelbedrijven in de industriezones van Talcahuano en Coronel. Er werden ook contacten gelegd met de Universiteit van Concepcion (onderzoeksafdeling UDT) en met de gezondheidsinspectie van de regio Bio Bio, die beiden ervaring hebben met de uitvoering van geuronderzoeken. Hierbij werd heel wat informatie opgedaan, die noodzakelijk is voor de verdere uitwerking van het project. Zo leerden we de (beperkte) mogelijkheden van de lokale onderzoeksinstelling UDT kennen, werd een zicht verkregen op de procesvoering, de potentiële bronnen van geuremissie binnen het proces (koken en drogen) en de al genomen geurbeperkende maatregelen en hun beperkingen. Ook de seizoensgebondenheid van de problematiek werd verduidelijkt: in de maanden februari, maart en april (lokale zomer) zou de hinder het meest uitgesproken zijn. Uit de gesprekken met verschillende betrokkenen bleek ook de gevoelige sociaal-economische context waarin de vismeelbedrijven opereren. Er is duidelijk sprake van een belangenconflict tussen de bedrijven en de kleinschalige vissers. Er werd ook een goede eerste indruk verkregen van de omgeving van de bedrijven, waar de geurhinder zich manifesteert. De meest markante bevindingen opgedaan gedurende de ganse zending kunnen als volgt worden samengevat:
De geuremissies van de vismeelbedrijven treffen de inwoners van de omgeving
- de allergrootste zorg van Chili is de economische groei. Milieuzorg staat momenteel niet hoog in de prioriteitenlijst; - Chili beschikt (nog) niet over een minister/ministerie van Leefmilieu. Er werd meegedeeld dat dit binnen afzienbare tijd wel zou kunnen veranderen; - de CONAMA werd opgericht in 1994 naar aanleiding van de algemene wet op het Leefmilieu en staat onder voogdij van het presidentschap; - bij resolutie nr. 112 van 1999 werden regionale comités opgericht voor het definiëren van nieuwe projecten (lees: milieuvergunningen). Enkel deze bedrijven worden gecontroleerd. Bestaande bedrijven (van voor 1994) worden (nog) niet gecontroleerd. Dit leidt op het terrein tot een grote ongelijkheid en soms tot absurde situaties, waarbij nieuwe bedrijven tot in de puntjes worden geïnspecteerd, terwijl gelijkaardige verouderde bedrijven ongestoord mogen verder werken; - Chili beschikt over een uitgebreide milieuregelgeving, doch controle is vrij beperkt; - de CONAMA heeft momenteel enkel een coördinerende en sensibiliserende rol te vervullen tussen de verschillende andere bevoegde instanties: de inspecteurs van de CONAMA hebben totaal geen administratiefrechtelijke bevoegdheden. Naargelang de aspecten die moeten worden gecontroleerd, inspecteren zij samen met inspecteurs van andere instanties zoals landbouw, water, gezondheid en zeemacht. Deze inspecteurs hebben wel administratiefrechtelijke bevoegdheden. Indien er moet worden opgetreden, dienen de inspecteurs van de CONAMA dus een beroep te doen op de bereidwilligheid van de inspecteurs van andere diensten; - gezien de bevoegdheden verdeeld zijn over verschillende instanties is er van een geïntegreerde handhavingsaanpak
voorlopig weinig of geen sprake; - de meeste betrokken controle-instanties beschikken over slechts zeer beperkte personele, financiële en logistieke middelen; - de conclusies en aanbevelingen van de OESO-review inzake de milieuprestaties van Chili (periode 1990-2004) zijn zeer duidelijk: ‘review ways to strengthen compliance and enforcement capacity, including through institutional reforms, for instance the establishment of an environmental inspectorate’. Ter plaatse werd afgesproken dat voor het eerste project Vlaanderen als volgt zijn expertise ter beschikking zal stellen: - maximum 16 Chilenen komen in Vlaanderen een praktijkgerichte opleiding volgen; - de praktijkopleiding zal lopen over een periode van een tweetal weken; - voorziene periode: half juni 2006. Het accent van het trainingsprogramma in Vlaanderen zou vooral moeten liggen op de aspecten planning, inspectie en technische vaststellingen en minder op het aspect handhaving gelet op de grote bevoegdheidsverschillen tussen beide partijen. Voor het tweede project werden volgende afspraken gemaakt: - het kader van het geurhinderproject Talcahuano wordt beter verruimd naar Coronel, gezien de voorbije jaren heel wat vismeelbedrijven uit Talcahuano zich hebben geherlokaliseerd in Coronel; - snuffelmetingen gebeuren best in de periode februari - april,
Internationale context • 129
wanneer de verwachte emissies en hinder het grootst zijn; - samenwerking kan nuttig zijn bij de toepassing van enquêteringen, snuffelmetingen, bedrijfsbezoeken, modellering en geurnormering. Wordt in 2006 zeker vervolgd.
Dioxin 2005 In 2005 werd voor de vijfentwintigste keer het ‘International Symposium on Halogenated Environmental Organic Pollutants and POPs’, of kortweg DIOXIN 2005, georganiseerd (http://www.dioxin2005.org). Plaats van het gebeuren was deze keer Toronto, de hoofdstad van de Canadese provincie Ontario.
te zijn geworden voor een snelle eerste screening van heel wat matrices, maar er zijn nog geen toepasbare vereenvoudigde emissiemetingen voorhanden.
GPBV-congres te Dresden Voor de tweede maal op rij organiseerde Duitsland een groots opgezet congres met als thema ‘On the road to sustainable production in the enlarged EU: Integrated Pollution Prevention and Control (IPPC)’. Dit congres vond plaats in Dresden. Nagenoeg 300 deelnemers uit alle EU-lidstaten en tal van andere landen waren aanwezig. De deelnemers kwamen zowel uit overheidsdiensten, industrie, ngo’s als uit de Europese Commissie. Zowel de afdelingen Milieuvergunningen als MI waren vertegenwoordigd. Het congres werd geopend door enkele politieke vertegenwoordigers, onder andere de minister van Leefmilieu van de deelstaat Saksen. Het programma bestond uit 4 sessies:
Uiteraard wou MI niet ontbreken op deze zilveren jubileumeditie. Dit symposium blijft namelijk het belangrijkste wereldwijde forum voor het presenteren en uitwisselen van informatie over de vorming, verspreiding in het milieu, toxicologie, epidemiologie, bemonsterings- en analysemethodes en emissievoorkoming en -beperking van gehalogeneerde organische verontreinigende stoffen. Dit gebeurt via lezingen en posterpresentaties en een tentoonstelling van apparatuur. MI gaf een mondelinge presentatie over het onderwerp ‘Emissies van dioxineachtige PCB’s in het Vlaamse Gewest’. Dit behandelde de resultaten van een onderzoek, dat MI in 2004 liet uitvoeren. Hierbij werd de uitstoot van dioxineachtige PCB’s langs de schouw gemeten bij 12 bedrijven, met een beduidend potentieel qua aanwezigheid of vorming van deze verbindingen. Bijzondere aandacht ging naar de schrootverwerkende bedrijven, waar via aanvullende metingen op het bedrijfsterrein werd vastgesteld dat vooral de diffuse emissies - bijvoorbeeld door opwaaiend, met PCB’s verontreinigd stof - een grote rol spelen in de verontreiniging van de omgeving. Deze problematiek is van internationaal belang, temeer daar de Europese Commissie voor deze verbindingen begin 2006 normen zal vaststellen voor hun gehalte in de voeding en voeders. Op het vlak van de aanwezigheid en uitstoot van deze verbindingen in het milieu zijn er echter nog maar weinig meetresultaten beschikbaar, wat de bijdrage van MI bijzonder relevant maakte. Verder was er tijdens het congres zeer veel aandacht voor de bepaling, verspreiding, gezondheidseffecten en milieumetingen van gebromeerde vlamvertragers, zeker in de VS. De onzekerheid over de effecten en de analytische moeilijkheden blijven echter groot. Ook gebromeerde dioxinen en gefluoreerde verbindingen krijgen toenemende aandacht. Er is verder een aanhoudende zoektocht naar snellere en goedkopere bepalingsmethodes, zowel in weefsel, in voeding en voeders en in milieumatrices. De CALUX-methode lijkt een vaste waarde
130 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
- implementatie van de GPBV-richtlijn; - de interactie tussen de GPBV-richtlijn en andere Europese instrumenten; - de GPBV-richtlijn en de ontwikkeling van internationale milieukwaliteitsnormen; - de toekomst van de GPBV-richtlijn. Tijdens deze 4 sessies kwamen tal van sprekers aan bod. Het programma werd afgesloten met een discussieronde. Als te onthouden punten werd het volgende genoteerd: - de implementatie van de GPBV-richtlijn levert zowel ecologische als economische baten op; - GPBV is een noodzakelijk instrument voor de regulering van industriële installaties en activiteiten; - het toepassingsgebied van de GPBV-richtlijn moet duidelijker worden gedefinieerd; - de EU verwacht tegen oktober 2007 de volle implementatie van de GPBV-richtlijn, dit betekent niet alleen de aanpassing van de milieuvergunningen maar ook de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen op het terrein. Dit houdt in dat heel wat lidstaten nog enorme inspanningen moeten leveren; - de EU zal over gans Europa een dertigtal GPBV-bedrijven auditen om na te gaan in welke mate de GPBV-richtlijn door de diverse lidstaten wordt geïmplementeerd; - de EU zal streng optreden bij in gebreke blijven; - in de nabije toekomst zal de GPBV-richtlijn worden herbekeken; dit in het kader van betere regelgeving alsook in het kader van een betere afstemming en stroomlijning van de diverse EU-richtlijnen; - de diverse lidstaten zouden gebruik moeten maken van dezelfde meetindicatoren teneinde de EU toe te laten om de GPBV-implementatiegraad te kunnen beoordelen en te vergelijken over de verschillende lidstaten heen;
GPBV is een noodzakelijk instrument voor de regulering van industriële installaties en activiteiten
- hoe kan de GPBV-(milieu)winst het best worden gemeten? - het opleggen van emissiegrenswaarden moet op die wijze gebeuren dat meten en handhaven mogelijk is; - er zijn in totaal 33 BREF’s opgesteld of nog in opmaak. De laatsten ervan worden begin 2006 gefinaliseerd; - de BREF’s moeten geregeld worden aangescherpt in functie van nieuwe kennis en technologieën; - de BREF’s worden bij voorkeur vertaald;
- er is extra aandacht nodig voor het bepalen en opleggen van emissiegrenswaarden en milieukwaliteitsnormen; - er is ook extra aandacht nodig voor de aspecten ‘monitoring’ en ‘handhaving’.
Het gastland Duitsland kondigde aan dat zij over vijf jaar opnieuw zullen instaan voor het organiseren van een derde GPBV-congres.
- er is dringend nood aan een EU-forum voor uitwisseling van GPBV-ervaringen; - bij de GPBV-implementatie moet meer aandacht geschonken worden aan het aspect ‘geïntegreerde aanpak’;
Internationale context • 131
Bijlagen Contactpersonen binnen MI Inhoudelijke ondersteuning Inspectoraatgeneraal (IG) Hoofdinspectie
buitendienst Antwerpen
buitendienst Limburg
buitendienst Oost-Vlaanderen
buitendienst Vlaams-Brabant
buitendienst West-Vlaanderen
Diensthoofd
Paul Bernaert
Linda Van Geystelen
Freddy Noels
Paul Van Gijseghem
Marc Vanthienen
Roland Loontiens
Werkgroep Afval
Hans Delcourt Ingrid Roels Paul Cuypers
Michael Allison
Peter Brien
Gert Govaerts
Robert Dupont
Marc Sevenant
Werkgroep Bodem en Grondwater
Greta De Maesschalck
Hendrik Meulemans
Sybille Vanderhenst
Frank Verslype
Tina Poels
Karel Debeuf
Werkgroep Geluid en Trillingen
Louis Daens
Ludo Segers
Tom Maes
Frans Van der Cruyssen
Wilfried Nijs
Henri Trypsteen
Werkgroep GGO’s
Geert Keppens
An Swinnen
Marian Lagrou
Tina Poels
Karel Debeuf
Werkgroep Groeven en Graverijen
Paul Bernaert Chris Van Baelen
Hendrik Meulemans
Rudi Rademaekers
Paul Van Gijseghem
Robert Dupont
Karel Van Damme
Werkgroep Lucht, Licht en Geur
Filip François Martine Blondeel
Jos Moeskops
Peter Schoups
Peter Wesemael
Liesbet Rommens
Geert Van Landschoot
Werkgroep Veiligheid (*: Seveso-team)
Inge Delvaux*
Wilfried Biesemans* Jo De Baerdemaeker* Inge Dils* Christel Gernay* Wilfried Van den Acker*
Leentje Timmerman
André Goossens* Marc Van Kerckvoorde*
Jef Feyaerts
Guido Gheysen
Werkgroep Water
Peter Schryvers
Ann Van Deun
Jos Tits
Wilfried Van Vaerenbergh
Dirk Crivits
Robrecht Pillen
GPBV-kernteam
Paul Bernaert Martine Blondeel Paul Cuypers Inge Delvaux Hans Delcourt Greta De Maesschalck Filip François Geert Keppens Ingrid Roels Peter Schryvers
Lief Mannaerts
Johan Ballings
Marc Van Kerckvoorde
Jef Feyaerts
Wim Delaere
Inspectoraatgeneraal (IG) Hoofdinspectie
buitendienst Antwerpen
buitendienst Limburg
buitendienst Oost-Vlaanderen
buitendienst Vlaams-Brabant
buitendienst West-Vlaanderen
Informatica
Koen Mandonx (IG) Paul Bernaert
Wilfried Biesemans Wilfried Van den Acker
Jos Tits
Luc Verhaeven
Koen Mandonx
Peter De Neve
Materiaal
Chris Van Baelen Tanja Verschaeren
Ilse Colman
Guido Gerits
Dony Vandormael
Theo Strobbe
Johan Corveleyn
Milieuhandhavingsrapport
Peter Schryvers Paul Bernaert Greta De Maesschalck
Wilfried Van den Acker
Leentje Timmerman
Pieter Van Cauwenberge
Marc Vanthienen
Georges Van de Walle
Organisatorische ondersteuning
Bijlagen • 133
134 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Bijlagen • 135
Contactpersonen samenwerking, overleg en regelgevende initiatieven Samenwerking met anderen, overlegstructuren en regelgevende initiatieven
Contactpersonen
Aanpassen van de sectorale regelgeving in het beleidsdomein Leefmilieu en Natuur in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid
Inge Delvaux
Aanpassen van sectorale lozingsnormen: overleg met AMV, VMM en VITO
Roland Loontiens Peter Schryvers
Actiegroep ‘Hot spots fijn stof’
Paul Bernaert Martine Blondeel Filip François
Ambtelijke expertenwerkgroep ‘Handhaving’
Robert Baert Paul Bernaert Hans Delcourt Inge Delvaux Peter Schryvers
BBT/EMIS – stuurgroep
Paul Bernaert
Commissie Dierlijk Afval
Paul Van Gijseghem
Commissie Ophaling afvalstoffen
Hans Delcourt
Commissie Vervolgingsbeleid voor Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening
Robert Baert
Doelgroepenbeleid
Paul Bernaert Paul Van Gijseghem Marc Vanthienen
Handhaving Verordening (EG) Nr. 2037/2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen
Paul Cuypers
Icolev (Interne Communicatie Leefmilieu)
Chris Van Baelen
Implementatie Verordening (EG) Nr. 1774/2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten
Hans Delcourt
Milieuboot
Chris Van Baelen
MINA-plan 3 thema 1 ‘Verdunning van de ozonlaag’: inspectieprogramma
Paul Cuypers
MINA-plan 3: Project 40 ‘Handhaving’
Paul Bernaert
NEC-reductieprogramma (Aminabel)
Filip François Martine Blondeel
Overeenkomst dierlijke bijproducten
Hans Delcourt Paul Van Gijseghem
Overleg beleid lichthinder
Martine Blondeel
Overleg Cross-compliance tussen ABKL en leefmilieuadministraties
Paul Bernaert Greta De Maesschalck
Overleg geurbeleid
Martine Blondeel Filip François
Overleg met VMM over depositie- en immissiemetingen
Filip François Martine Blondeel
Permanente Projectgroep Uitgegraven Bodem
Ingrid Roels
Project Interne Milieuzorg
Chris Van Baelen
Samenwerking met Aminabel voor de erkenning van deskundigen in de discipline geluid en trillingen
Louis Daens
Samenwerking met de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie
Paul Bernaert Chris Van Baelen
Samenwerking met het FANC
Linda Van Geystelen
Samenwerking met het Voedselagentschap en OVAM
Paul Bernaert Hans Delcourt Ingrid Roels
Samenwerkingscommissie Seveso-Helsinki
Inge Delvaux
Strategisch project Regelgeving: integrale milieuvoorwaarden
Paul Bernaert
Stuurgroep Referentietaken VITO
Paul Bernaert
Stuurgroep Vogelgriep
Hans Delcourt
Taskforce Cadmiumplan
Paul Bernaert Martine Blondeel
Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM): plenaire vergadering
Paul Bernaert
Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM): subwerkgroepen
Louis Daens Hans Delcourt Filip François
VITO-werkgroepen i.v.m. analyse van organische en anorganische parameters in water
Peter Schryvers
Wetgevend proces gefluoreerde broeikasgassen (EU-verordening en EU-richtlijn)
Paul Cuypers
136 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Gebruikte afkortingen Instanties Aminal administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer Aminabel afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid AMV afdeling Milieuvergunningen ANRE afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie APSG afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg CONAMA Comisión Nacional del Medio Ambiente CGCCR Coördinatie- en Crisiscentrum van de Regering DRIRE Direction Régionale de l’Industrie, de la Recherche et de l’Environnement DPE Division de la Police de l’Environnement EU Europese Unie FAVV Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen FOD Federale Overheidsdienst IMPEL Implementation and Enforcement of Environmental Law IRCEL Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu LIN departement Leefmilieu en Infrastructuur MI afdeling Milieu-inspectie OESO Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OVAM Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest TOM Technisch Overleg Milieuregelgeving VITO Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek VLM Vlaamse Landmaatschappij VMM Vlaamse Milieumaatschappij VVP Vereniging van Vlaamse Provincies VVSG Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten
(Milieu)technische termen ARAB BBB BBT BREF BSE CJD DIN EMAS ge/m³ GFT GGO GPBV GRM FID IPPC MER MINA-plan 3 MIP ODP OSB PLOEG PWZI RWZI se/m³ TEQ VAO
Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming Beter Bestuurlijk Beleid (de reorganisatie van de Vlaamse administratie) beste beschikbare technieken best available techniques reference document bovine spongiform encephalopathy (gekkekoeienziekte) ziekte van Creutzfeldt-Jakob Deutsches Institut für Normung ecomanagement and audit scheme geureenheden per m³ groente-, fruit- en tuinafval genetisch gemodificeerd organisme geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging gespecificeerd risicomateriaal flame ionisation detector integrated pollution prevention and control millieueffectrapport Milieubeleidsplan 2003-2007 milieu-inspectieprogramma ozone Depleting Potential oriented strand board plannen, leidinggeven, opvolgen, evalueren, gewaardeerd worden private waterzuiveringsinstallatie rioolwaterzuiveringsinstallatie snuffeleenheden per m³ toxische equivalenten volledig akoestisch onderzoek
Bijlagen • 137
Vlarem I Vlarem II Vlarea Vlarebo VR VTE
besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiĂŤne besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering veiligheidsrapport voltijds equivalent
Stoffen en parameters BZV CFK CZV deca-BDE HBCD HCFC HFC KWS PAK PBDE PCB PCDD PCDF pH TBBA TOC VOS
biologische zuurstofvraag chloorfluorkoolstoffen chemische zuurstofvraag decabroomdifenylether hexabromocyclododecaan chloorfluorkoolwaterstof fluorkoolwaterstof koolwaterstoffen polyaromatische koolwaterstoffen polybroomdifenylethers polychloorbifenyl(en) polychloor-dibenzo-paradioxinen (kortweg dioxinen) polychloor-dibenzo-furanen (kortweg furanen) zuurtegraad tetrabromobisphenol A totaal organische koolstof vluchtige organische stof(fen)
138 • Milieuhandhavingsrapport 2005 van de afdeling Milieu-inspectie
Adressen
Afdelingshoofd Dr. Sc. Robert Baert, inspecteur-generaal Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 83 Fax: 02-553 80 85 e-mail: milieu-inspectie@lin.vlaanderen.be Hoofdinspectie diensthoofd: Ing. Paul Bernaert Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel Tel.: 02-553 81 97 Fax: 02-553 81 95 e-mail: milieu-inspectie.hi@lin.vlaanderen.be Buitendienst Antwerpen diensthoofd: Lic. Linda Van Geystelen Copernicuslaan 1 2018 Antwerpen Tel.: 03-224 64 25 Fax: 03-224 64 28 e-mail: milieu-inspectie.ant@lin.vlaanderen.be Buitendienst Limburg diensthoofd: ir. Freddy Noels Koningin Astridlaan 50 bus 5 3500 Hasselt Tel.: 011-74 26 00 Fax: 011-74 26 29 e-mail: milieu-inspectie.lim@lin.vlaanderen.be Buitendienst Oost-Vlaanderen diensthoofd: ir. Paul Van Gijseghem Apostelhuizen 26k 9000 Gent Tel.: 09-235 58 50 Fax: 09-235 58 79 e-mail: milieu-inspectie.ovl@lin.vlaanderen.be Buitendienst Vlaams-Brabant diensthoofd: Ing. Marc Vanthienen Waaistraat 1 bus 2 3000 Leuven Tel.: 016-21 11 50 Fax: 016-21 11 51 e-mail: milieu-inspectie.vbr@lin.vlaanderen.be Buitendienst West-Vlaanderen diensthoofd: ir. Roland Loontiens Koningin Astridlaan 29 bus 4 8200 Brugge Tel.: 050-40 42 11 Fax: 050-39 15 12 e-mail: milieu-inspectie.wvl@lin.vlaanderen.be
Bijlagen • 139
Uitgave Vlaamse Overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-inspectie Verantwoordelijke uitgever Dr. Sc. Robert Baert Inspecteur-generaal Afdelingshoofd Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Eindredactie ir. Peter Schryvers Ing. Greta De Maesschalck Ing. Paul Bernaert, diensthoofd Hoofdinspectie Depotnummer D/2006/3241/276 Opmaak & Druk Digitale Drukkerij
Dit rapport is ook beschikbaar op www.milieu-inspectie.be. Š Vlaamse Overheid