Skip to main content

Natuurindicatoren_2015.pdf

Page 1

Natuurindicatoren 2015 Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid

Natuurrapport Vlaanderen INSTITUUT NATUUR- EN BOSONDERZOEK


Colofon Auteurs: Heidi Demolder, Johan Peymen, Tim Adriaens, Anny Anselin, Claude Belpaire, Niko Boone, Lode De Beck, Luc De Keersmaeker, Geert De Knijf, Koen Devos, Joris Everaert, Ivy Jansen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Thierry Onkelinx, Ilse Simoens, Maarten Stevens, Marijke Thoonen, Koen Van Den Berge, Beatrijs Van der Aa, Peter Van Gossum, Wouter Van Landuyt, Wouter Van Reeth, Jan Van Uytvanck, Glenn Vermeersch & Hugo Verreycken. Vormgeving: Nicole De Groof Contact:

Anja De Braekeleer Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kliniekstraat 25, B-1070 Brussel e-mail: nara@inbo.be website: www.inbo.be tel: 02-525.02.28 fax: 02-558.18.05

Verantwoordelijke uitgever: Jurgen Tack Wijze van citeren: Heidi Demolder, Johan Peymen, Tim Adriaens, Anny Anselin, Claude Belpaire, Niko Boone, Lode De Beck, Luc De Keersmaeker, Geert De Knijf, Koen Devos, Joris Everaert, Ivy Jansen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Thierry Onkelinx, Ilse Simoens, Maarten Stevens, Marijke Thoonen, Koen Van Den Berge, Beatrijs Van der Aa, Peter Van Gossum, Wouter Van Landuyt, Wouter Van Reeth, Jan Van Uytvanck, Glenn Vermeersch & Hugo Verreycken. (2015). Natuurindicatoren 2015. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2015.10366660. Š2015, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Mits bronvermelding wordt overname van teksten toegelaten en zelfs aangemoedigd. D/2015/3241/300 INBO.M.2015.10366660

Natuurindicatoren 2015 <2>


Hoofdlijnen Inleiding Vlaanderen onderschreef de Europese doelstelling om tegen 2020 het verlies van biodiversiteit te stoppen. Al in 2001 engageerde de Europese Unie zich om op haar grondgebied het verlies van biodiversiteit tegen 2010 te stoppen. Deze doelstelling werd evenwel niet gehaald (EEA, 2010). Bijna een kwart van de wilde soorten is met uitsterven bedreigd in Europa en de meeste ecosystemen zijn zo aangetast dat zij veel minder in staat zijn hun waardevolle diensten te leveren. Deze aantasting zadelt de EU op met enorme maatschappelijke en economische verliezen (Braat & ten Brink, 2008). Als antwoord hierop werd in 2011 door de Europese Commissie een biodiversiteitsstrategie voor 2020 voorgesteld (Europese Commissie, 2011). Die omvat zes elkaar ondersteunende en onderling afhankelijke streefdoelen die aansluiten bij de hoofddoelstelling voor 2020: ‘Het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten in de EU uiterlijk in 2020 tot staan brengen en zo veel mogelijk ongedaan maken, en tevens de bijdrage van de Europese Unie tot het verhoeden van het wereldwijde biodiversiteitsverlies opvoeren’. De zes streefdoelen hebben tot doel de invloed van de belangrijkste factoren die de natuur en de ecosystemen in de EU onder druk zetten, te reduceren. Elk streefdoel wordt opgesplitst in een aantal termijngebonden acties en andere begeleidende maatregelen. Dit rapport wil aan de hand van 36 indicatoren de belangrijkste bevindingen rond de doelen van de Europese biodiversiteitsstrategie samenvatten. Streefdoel 4 (Het duurzaam gebruik van visstanden verzekeren) komt niet aan bod omdat dit onder de bevoegdheid van de federale overheid valt.

Overzicht EU 2020-doelen en de natuurindicatoren in Vlaanderen Streefdoel 1 // De habitat‑ en de vogelrichtlijn volledig uitvoeren De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status be‑ reiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoorde‑ lingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Natuurindicatoren 2015 <3>


Hoofdlijnen

Meer dan de helft van de soorten vermeld in de bijlagen van de Habitatrichtlijn bevindt zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast hebben nog tien soorten (16%) een matige staat van instandhouding en is voor zes soorten (10%) de status ongekend. Ongeveer 15% van de soorten heeft een gunstige staat van instandhouding. De instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels van Europees belang worden voor drie van de 20 soorten gehaald. Voor zes soorten is de populatie nog tot 50% verwijderd van het doel, voor de andere 11 soorten blijft de afstand nog zeer groot, tussen 50-100% van het doel. Van de watervogels van Europees belang hebben zeven van de 20 soorten de instandhoudingsdoelstellingen gehaald en voor drie soorten is de afstand tot deze doelen relatief klein (minder dan 10%). Voor negen soorten is de afstand aanzienlijk groter, variërend van 34% tot 74%. Drie kwart van de habitats van de Habitatrichtlijn bevindt zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Voor 17% van de habitats is de staat van instandhouding matig ongunstig. Alle watergebonden habitats krijgen een zeer ongunstige beoordeling. Van de 2.101 soorten op de gevalideerde Rode Lijsten, zijn 146 soorten de laatste 100 jaar uit Vlaanderen verdwenen. Van de overige geëvalueerde 1.955 soorten zijn ongeveer één op vier ‘Ernstig bedreigd’, ‘Bedreigd’ of ‘Kwetsbaar’. Ze zijn sterk achteruit gegaan en/of hebben een kritisch niveau bereikt waardoor de soort op het punt staat te verdwijnen uit Vlaanderen. Om de soorten en habitats van de Habitat- en Vogelrichtlijn doeltreffender te kunnen beschermen werden in Vlaanderen 24 Vogelrichtlijngebieden en 38 Habitatrichtlijngebieden vastgesteld. Die gebieden vormen samen het Natura 2000-netwerk van ‘speciale beschermingszones’ (SBZ). De totale oppervlakte Natura 2000 bedraagt 166.322 ha en neemt ongeveer 12,3% van de Vlaamse landoppervlakte in. Hiervoor werden in eerste fase ‘Gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen’ uitgewerkt. In een tweede fase die nu ten einde loopt, werden voor elk van deze SBZ gebiedseigen instandhoudingsdoelen (S-IHD) opgesteld. Medio 2015 zijn er van de 41 op te stellen S-IHD rapporten 36 definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. In heel wat SBZ zijn al meerdere jaren IHD-gerichte maatregelen in uitvoering. Om de verdere achteruitgang voor bedreigde soorten te stoppen zijn ook door de Vlaamse overheid allerlei maatregelen opgesteld. In het verleden werden er, prioritair voor de soorten van internationaal belang, 18 specifieke soortbeschermingsplannen opgesteld. Vanaf ca. 2011 worden die vervangen door soortbeschermingsprogramma’s die het ANB kan (laten) opmaken via het Soortenbesluit. In totaal zijn er 11 soortbeschermingsprogramma’s in opmaak en/of opgestart.

Natuurindicatoren 2015 <4>


Hoofdlijnen

Streefdoel 2 // Ecosystemen en ecosysteemdiensten handhaven en herstellen Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. Terwijl Streefdoel 1 de nadruk legt op het halen van de gunstige staat van instandhouding voor de soorten en habitats van de Habitat- en Vogelrichtlijn, beoogt Streefdoel 2 het herstel van ecosystemen en hun ecosysteemdiensten. Het verdwijnen of achteruitgaan van soorten is een gevolg van de achteruitgang van de oppervlakte geschikt habitat (leefgebied) en van de dalende habitatkwaliteit. Zeer specifiek leefgebied degradeert tot meer algemeen, meestal voedselrijk leefgebied, waarvan een aantal algemene soorten profiteren en waardoor de variatie in de natuur vermindert. Zo nemen bepaalde broedvogels van diverse leefgebieden zoals ekster, zwarte kraai en houtduif de laatste jaren toe. Anderzijds is een verbeterde ecologische kwaliteit van de waterlopen, die ten goede komt aan heel wat aan water gebonden organismen. Anderzijds leidde de afnemende organische vervuiling van die waterlopen ook tot een daling van het voedselaanbod, wat vermoedelijk de afname van het aantal overwinterende watervogels sinds 2002 verklaart. Om ecosystemen en bijgevolg ook soorten te handhaven en te herstellen, voorziet de Vlaamse overheid een mix van regelgevingen en andere beleidsinstrumenten. Om de versnippering van natuurgebieden tegen te gaan en tot grotere en beter verbonden leefgebieden voor planten en dieren te komen, voorzien het Natuurdecreet, de opeenvolgende MINA-plannen en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) de afbakening van 125.000 ha Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en 80.000 ha natuurverwevingsgebied (NVWG). Eind 2014 is 72% van het VEN (ca. 90.500 ha) en 3% van het NVWG (ca. 4.338 ha) gerealiseerd. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) stelt ook dat er voor de planologische bestemmingsplannen 38.000 ha extra bos-, natuur- en reservaatgebied moest bijkomen in vergelijking met de oppervlakte in 1994. Zeventien jaar na de vaststelling van het RSV werd ca. 37% van de vooropgestelde oppervlakte gerealiseerd voor natuur-, reservaat- en bosgebied en overig groengebied samen. Dit komt neer op ca. 17.900 ha extra planologisch groene bestemmingen. In dezelfde periode daalde

Natuurindicatoren 2015 <5>


Hoofdlijnen

de oppervlakte planologisch landbouwgebied met 21.400 ha en namen de planologische oppervlakte industriegebied en recreatiegebied woongebied toe met respectievelijk 6.300 ha en 2.200 ha (Ruimte Vlaanderen). Naast regelgeving heeft de Vlaamse overheid ook een aantal subsidieregelingen en andere instrumenten ingevoerd voor de uitbreiding en het beheer van natuurgebieden. De indicator ‘oppervlakte met effectief natuurbeheer’ geeft de evolutie weer van o.a. oppervlakte erkend natuurreservaat, Vlaams natuurreservaat, bosreservaten, … . In 2014 bedroeg de oppervlakte met effectief natuurbeheer 76.206 ha. Dat is een toename met 12.877 ha t.o.v. 2011. Om projectmatig aan natuurherstel, -behoud en -ontwikkeling te doen en gebieden met het oog hierop optimaal te kunnen inrichten, heeft de Vlaamse overheid het instrument natuurinrichting in het leven geroepen. Eind 2014 waren er 15 natuurinrichtingsprojecten uitgevoerd en 11 opgestart. Door de afronding van de natuurinrichtingsprojecten Osbroek Gerstjens en Meetkerkse Moeren in 2014 steeg de totale gerealiseerde oppervlakte tot 4.441 ha. Streefdoel 2 beoogt niet alleen het behoud en het herstel van ecosystemen maar ook van ecosysteemdiensten, en legt de nadruk op het duurzaam gebruik ervan. In dit rapport is een nieuwe indicator opgenomen die de toestand en trend van 16 ecosysteemdiensten in Vlaanderen weergeeft. De toestand en de trend van 16 ecosysteemdiensten in Vlaanderen is uitgebreid onderzocht in NARA-T (2014 Stevens et al. 2014). De toestand van een ecosysteemdienst wordt bepaald door de verhouding tussen aanbod en vraag, door de evoluties in die verhouding en door de impact van het gebruik van de ecosysteemdienst op het aanbod van andere ecosysteemdiensten. Voor 15 van de 16 ecosysteemdiensten is de vraag steeds groter dan het aanbod, waarbij voor zes ecosysteemdiensten de vraag zelfs veel groter is dan het aanbod. De trend van het aanbod van en de vraag naar de 16 ecosysteemdiensten is variabel. Zowel vraag als aanbod vertonen (licht) stijgende of dalende trends afhankelijk van de ecosysteemdienst. De vraag is wel vaker stijgend (13 ESD) dan het aanbod (7 ESD) (Jacobs et al. 2014). Doordat voor zowat alle diensten de vraag, het aanbod (ruimschoots) overstijgt, worden de meeste ecosysteemdiensten in Vlaanderen intensief gebruikt of benut, ook de regulerende diensten. De vraag naar verschillende diensten neemt ook verder toe en is niet langer in evenwicht met het natuurlijke lokale aanbod. Zo blijft de vraag naar voedsel in Vlaanderen toenemen en kan het aanbod die trend niet blijven volgen. We importeren dan ook rechtstreeks en onrechtstreeks veel voedsel uit het buitenland

Natuurindicatoren 2015 <6>


Hoofdlijnen

(zie ook infografiek pag. 42 in Stevens et al. 2014). Ook de vraag naar hout in Vlaanderen blijft stijgen, terwijl het potentieel aanbod binnen Vlaanderen langzaam afneemt. Om aan de vraag te kunnen beantwoorden wordt dan ook veel hout geïmporteerd (zie ook infografiek pag. 19 in Stevens et al. 2014). Voor sommige ecosysteemdiensten wordt dit aanbodtekort dus aangevuld door import. Voor andere diensten (bv. waterzuivering, luchtzuivering, regulatie van overstromingsrisico of groene ruimte) blijft een deel van de maatschappelijke vraag onvervuld. Die onvervulde vraag neemt dan vaak de vorm aan van milieuhinder, economische schade of gezondheidskosten. Voor sommige diensten wordt het aanbodtekort door technologische oplossingen opgevangen zoals bv. waterzuiveringsstations. De toestand van bepaalde ecosysteemdiensten kan wezenlijk worden verbeterd door het aanpassen van de ESD-vraag, met name voor voedsel-, energie- en waterproductie, regulatie van waterkwaliteit, luchtkwaliteit en koolstofopslag (Jacobs et al. 2015). De vraag naar deze diensten is sterk verweven. De hoge voedsel- en energievraag en hun huidige productie dragen in belangrijke mate bij aan emissies van broeikasgassen, lucht- en waterverontreinigende stoffen. Dit doet de vraag naar regulerende diensten verder stijgen. Een daling in de vraag hoeft echter niet te resulteren in een lagere beschikbaarheid van voedsel of water. De samenstelling van het voedsel (bv. plantaardig versus dierlijk) en van het gebruikte water (bv. drinkwater versus regenwater), en een verhoogde efficiëntie van de productieketens bieden grote mogelijkheden voor een toestandsverbetering van deze ecosysteemdiensten. Ook het aanpassen van het ESD-aanbod kan de toestand van de meeste diensten verbeteren. Via optimalisatie kan het aanbod van meerdere ecosysteemdiensten samen worden verhoogd. Het gaat hier om fysieke wijzigingen in landgebruik die de levering van ecosysteemdiensten verhogen. De mogelijkheden voor grote landgebruikswijzigingen zijn in Vlaanderen echter beperkt. Behalve via vraag- en aanbodzijde, kan de toestand van ecosysteemdiensten in Vlaanderen ook worden verbeterd via het aanpassen van het gebruik van ecosysteemdiensten: natuurgebaseerde oplossingen op vlak van het beheer van groene ruimtes, landbouwtechnieken en de inrichting van de stedelijke ruimte. Natuurgebaseerde oplossingen zijn vaak synergetisch: naast een verhoging van het aanbod van één of meerdere diensten, verlagen ze vaak ook negatieve impact op de (toekomstige) levering van diensten. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat niet-kerende bodembewerking in de landbouw het aanbod van onder andere regulatie van erosierisico, behoud van de bodemvruchtbaarheid, regulatie van globaal klimaat en plaagbeheersing kan verhogen, terwijl tegelijk emissie van broeikasgassen en fijn

Natuurindicatoren 2015 <7>


Hoofdlijnen

stof kan dalen en de negatieve impact op ondersteunende bodembiodiversiteit vermindert. Wijzigingen in ESD-gebruik gaan daarbij ook vaak gepaard met een kostenbesparing (of winst) voor de belanghebbenden. Een onevenwichtig, intensief gebruik van ecosysteemdiensten heeft vaak negatieve effecten op andere diensten. Daardoor komt de huidige en toekomstige levering van ecosysteemdiensten in het gedrang. Zo worden bodems die dienen voor onze voedselproductie steeds minder vruchtbaar. Nochtans is de ecosysteemdienst ‘behoud van de bodemvruchtbaarheid’ essentieel voor de ecosysteemdienst ‘voedselproductie’. Die trend wordt nog aangescherpt doordat de oppervlakte landbouwgrond in Vlaanderen de voorbije decennia gedaald is. Landbouwtechnieken die meer koolstof in de bodem brengen, kunnen de vruchtbaarheid van onze bodems verbeteren. Voorbeelden van deze recent meer toegepaste technieken zijn groenbemesters en niet-kerende bodembewerking. Ongeveer één op vijf Vlamingen beschikt niet over een groene ruimte op wandelafstand. Daarnaast is ongeveer 55% van de oppervlakte in Vlaanderen landschappelijk minder aantrekkelijk voor recreatie en beleving. Deze open ruimte is minder aantrekkelijk omwille van bebouwing, geluidshinder of omdat natuur- en/of cultuurelementen ontbreken. Het behouden van bestaande groene ruimtes, het verbeteren van toegankelijkheid en het gericht creëren van groene infrastructuur kan hoge socio-economische baten genereren, vooral in stedelijke context waar die ruimte schaars is (Simoens et al. 2014. De Vlaamse overheid stimuleert de fysieke en inhoudelijke ontsluiting, de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van natuur- en bosgebieden. Zo werd het instrument ‘toegankelijkheidsregeling’ ontworpen opdat beheerders van bossen en natuurreservaten de principiële toegankelijkheid zouden kunnen uitbreiden en bv. zones als speel- of bivakzone aanduiden. De oppervlakte toegankelijke bossen en natuurreservaten is in 2013 meer dan verdubbeld ten opzichte van 2012 en steeg van 3.864 ha naar 8.411 ha. In 2014 kwam daar nog eens 12.094 ha bij en steeg de totale oppervlakte toegankelijke bossen en natuurreservaten tot 27.581 ha. Zowel in private en openbare bossen en natuurreservaten kunnen speelzones aangeduid worden. In 2014 zijn er in totaal ca. 2.337 ha bos- en natuurreservaat aangeduid als speelzone. De Vlaamse overheid wil ook de leefbaarheid van de steden in Vlaanderen verhogen door onder meer te zorgen voor meer toegankelijke stadbossen nabij stedelijke gebieden. Eind 2014 heeft 62% van de 56 groot- en kleinstedelijke gebieden een opgestart stadsbosproject. Ongeveer 21% van de bevolking in Vlaanderen beschikt niet over een groene ruimte op wandelafstand voor dagdagelijks gebruik

Natuurindicatoren 2015 <8>


Hoofdlijnen

(Simoens et al. 2014).Het aantal leden van natuurverenigingen geeft een indicatie van de maatschappelijke interesse en het middenvelddraagvlak voor natuur en natuurbeleving. Een groeiend aantal mensen of gezinnen sloot zich in de periode 2004-2014 aan bij een natuurvereniging. Uit hoofdstuk 4 van NARA-T (Demolder et al. 2014) blijkt dat habitatverlies, fragmentatie, nutriëntenaanrijking, invasieve exoten, verdroging en klimaatverandering nog steeds een belangrijke negatieve impact hebben op de biodiversiteit van ecosystemen in Vlaanderen. Zo worden in de natuur in Vlaanderen steeds meer aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering vastgesteld. Bij een aantal bomen, waaronder de berk, en diverse grassoorten komt de stuifmeelproductie ook vroeger op gang. Ook uit de indicator ‘Bladontwikkeling eik en beuk’ blijkt dat de klimaatverandering een impact heeft op de biodiversiteit, nl. op de fenologie van boomsoorten. Het uitlopen van zowel eik als beuk verloopt vroeger in warme jaren dan in koude. Bij verdere opwarming vervroegt en verlengt het groeiseizoen van bomen hierdoor. De lange-termijn gevolgen voor het ecosysteem zijn nog onduidelijk. Naast temporele zijn er ook ruimtelijke verschuivingen. Zo breiden zuidelijke en zuidoostelijke soorten zich uit naar het noorden. Dat is onder meer het geval voor verschillende soorten libellen zoals de vuurlibel en de gaffelwaterjuffer die hier vroeger alleen als zwerver werden waargenomen, en nu verschillende populaties in Vlaanderen hebben. Vermesting is een van de belangrijkste factoren die de biodiversiteit gedurende de voorbije eeuw hebben beïnvloed. In 2011 werd op 94% van de Vlaamse oppervlakte terrestrische ecosystemen de kritische last voor vermesting overschreden. Dit verhindert het herstel naar een gunstige staat van instandhouding. De fragmentatie van waterlopen door stuwen en sluizen vormt een ernstig knelpunt voor de instandhouding van vispopulaties. Indien het huidige saneringstempo wordt aangehouden, zal fase 1 van de BENELUX-beschikking vermoedelijk niet gehaald worden en zullen de geïnventariseerde vismigratieknelpunten van fase 2 waarschijnlijk pas na 2021 gesaneerd worden. Ondertussen vertonen de migrerende vissoorten een beperkt herstel, dat wellicht vooral te maken heeft met de verbetering van de waterkwaliteit in de grotere rivieren. De indicator ‘ontsnippering planologisch groengebied’ geeft een indicatie van de gemiddelde oppervlakte van de groen bestemde gebieden in Vlaanderen en geeft de evolutie van de versnipperingsgraad van het planologisch groengebied weer. De versnipperingsgraad geeft per jaar de verhouding weer

Natuurindicatoren 2015 <9>


Hoofdlijnen

tussen de totale oppervlakte groen bestemde gebieden en het aantal groen bestemde gebieden. Een hogere gemiddelde oppervlakte van de planologische groenbestemmingen wijst op een lagere versnipperingsgraad. De gemiddelde oppervlakte van aaneengesloten planologische groenbestemmingen steeg tussen 1994 en 2014 van 33,2 ha tot 35,5 ha. De vele transportwegen in Vlaanderen verdelen het landschap in steeds kleinere versnipperde stukken, en veroorzaken daardoor allerlei problemen voor de natuur. Anno 2015 is het aantal kilometer ontsnippering langs Vlaamse wegen – plaatsen waar aan die versnippering iets gedaan werd door faunapassages– nog zeer beperkt. Als gevolg van deze menselijke invloeden kunnen ecosystemen ook niet langer de diensten leveren die we als maatschappij nodig hebben. Stevens et al. (2014) vermelden ook verstedelijking, veranderende landbouwmethoden, milieuverontreiniging, overexploitatie van de grondwatervoorraden en de bodem als oorzaken voor het verlies van ecosysteemdiensten. Deze directe invloeden worden aangestuurd door indirecte factoren. Vaak zijn dat maatschappelijke processen zoals bevolkingsgroei, economische groei of culturele verschuivingen, die vorm geven aan onze productie- en consumptiepatronen. Streefdoel 3 // De bijdrage van land-en bosbouw tot de instandhouding en verbetering van de biodiversiteit verhogen A) Landbouw: Zorgen dat er tegen 2020 een zo groot mogelijke oppervlakte cultuurgrond met grasland, akkerbouw en meerjarige teelten onder biodiversiteitsgerelateerde maatregelen in het kader van het GLB valt, om te zorgen voor biodiversiteitsbehoud en voor een meetbare verbete‑ ring in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van de landbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichte van de EU-referentiesi‑ tuatie van 2010, en aldus bij te dragen aan duurzamer beheer. B) Bossen: Tegen 2020 zijn er bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten, in overeen‑ stemming met duurzaam bosbeheer (voor alle bossen in overheidsbezit en voor bosgebieden vanaf een bepaalde omvang (door de lidstaten of de regio’s vast te stellen en mee te delen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s) waarvoor financiering wordt verstrekt in het kader van het plattelandsbeleid van de EU, teneinde te zorgen voor een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van bosbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichtevan de EU-referentiesituatie van 2010.

Natuurindicatoren 2015 <10>


Hoofdlijnen

De evaluatie van de toestand van de soorten in het landbouwgebied in Vlaanderen wordt geïllustreerd door de broedvogelindex voor de vogels van het landbouwgebied. De laatste decennia namen de broedvogels van het landbouwgebied blijvend af. Voor de meer recente periode 2007-2013 is de trend van aan landbouwgebieden gebonden soorten fluctuerend zonder duidelijke toe- of afname (Onkelinx & Vermeersch, 2014) en is van enig herstel voorlopig geen sprake. Om de soorten en ecosystemen van het landbouwgebied te beschermen, worden sedert 2000 beheerovereenkomsten afgesloten. Naar aanleiding van PDPO III (2014-2020) worden een hele reeks nieuwe pakketten voor beheersovereenkomsten opgesteld (bv. voor het onderhoud van knotbomenrijen; een overeenkomst ‘kuikenweide’ voor weidevogels) en worden sommige stopgezet. Zo worden vanaf 2015 geen overeenkomsten meer voor aanleg van lijnvormige landschapselementen afgesloten, wel nog voor onderhoud. De overeenkomst ‘botanisch beheer’ kent relatief weinig succes en stagneert. Door gericht prioritaire gebieden af te bakenen voor alle pakketten hoopt men aantal en effectiviteit ervan te verhogen (Van Uytvanck et al. 2014 & 2015). Momenteel heeft 12% van de landbouwers een beheerovereenkomst afgesloten (VLM). Vogels van bosgebieden namen de laatste decennia toe maar voor de meer recente periode 2007-2013 is de trend fluctuerend zonder duidelijke toe- of afname. Om onder meer de biodiversiteit in bossen te beschermen heeft de Vlaamse overheid het Bosdecreet uitgevaardigd. Volgens dit decreet moeten alle bossen groter dan vijf hectare over een bosbeheerplan beschikken. Bij alle openbare bossen en bij privébossen binnen het Vlaams Ecologisch Netwerk moet dat een uitgebreid beheerplan zijn. Tussen 1990 en 2014 werd 32.483 ha uitgebreid en 31.179 ha beperkt bosbeheerplan goedgekeurd. De totale oppervlakte bos met beheerplan bedraagt daarmee 63.661 ha. Via de opmaak van deze bosbeheerplannen probeert de Vlaamse overheid ook een evenwicht te creëren tussen de ecologische, economische en maatschappelijke functies van bossen.

Streefdoel 5 // Invasieve uitheemse soorten bestrijden Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen.

Natuurindicatoren 2015 <11>


Hoofdlijnen

Biologische invasies door exotische soorten worden internationaal als een van de belangrijkste bedreigingen voor de biodiversiteit beschouwd (Pimental et al. 2002; Vié et al. 2009; Cox, 2004). Het aantal uitheemse soorten vormt een indicatie voor het risico op zulke invasieve soorten. Uit de natuurindicatoren ‘aantal uitheemse plantensoorten en uitheemse diersoorten’ blijkt dat het cumulatief aantal uitheemse soorten sinds 1800 toeneemt en een exponentiële groei vertoont. Het aandeel uitheemse plantensoorten binnen de globale plantensamenstelling is sinds de jaren ‘70 verdubbeld van ongeveer 5% tot bijna 10% en dit aandeel neemt nog steeds toe. Tussen 1800 en 2012 werden ook ongeveer 250 uitheemse diersoorten in Vlaanderen vastgesteld. De toename van uitheemse soorten vergroot de kans op bijkomende problemen met invasieve soorten. Deze invasieve soorten kunnen een bedreiging vormen voor inheemse soorten maar kunnen ook een ernstige impact hebben op de structuur of het functioneren van ecosystemen. Daardoor kunnen ze ook een negatieve impact hebben op maatschappelijke belangen (volksgezondheid, landbouw, economie). In het kader van het Europees beleid werd een internationale signaallijst van problematische soorten opgesteld. In Vlaanderen komen minstens 89 uitheemse soorten voor die op deze signaallijst staan. Minstens 41 daarvan gedragen zich ook echt invasief in de natuur. Sinds 1 januari 2015 is de nieuwe Europese verordening inzake de preventie en het beheer van invasieve uitheemse soorten van kracht (EU PE-CONS 70/14). Dit nieuw Europees wetgevend kader legt Vlaanderen een aantal nieuwe regels op met betrekking tot preventie van nieuwe introducties, het ingrijpen op introductiepaden van niet bedoelde introducties en het beheer van gevestigde invasieve exoten. Cruciaal zijn ook de uitbouw van een vroeg waarschuwingssysteem, de snelle uitroeiing van nieuwe probleemsoorten en het uitbouwen van een systeem voor beheeropvolging, evaluatie en rapportering (Adriaens, 2014). In het kader van de Conventie van Bern wordt de uitheemse eendensoort rosse stekelstaart bestreden in het wild in Europa en Noord-Afrika met de bedoeling ze uit te roeien tegen 2015. Natuurpunt, Hubertusvereniging Vlaanderen, Vogelbescherming Vlaanderen, Aviornis International en de Vlaamse overheid (ANB en INBO) werkten in 2011 een plan uit voor de bestrijding van deze exoot (Agentschap voor Natuur en Bos, 2011).

Natuurindicatoren 2015 <12>


Hoofdlijnen

Streefdoel 6 // Helpen het mondiale biodiversiteitsverlies om te buigen Bruers en Verbeek (2013) berekenden de ecologische voetafdruk van Vlaanderen in 2013 op basis van een nieuwe methode en meer gedetailleerde data. Volgens deze herberekening bedroeg de voetafdruk van een Vlaming in 2004 negen globale hectare (gha)1 , wat 43% hoger ligt dan de 6,3 gha berekend volgens de methode gebruikt in Bruers & Verbeeck (2010). De consumptievoetafdruk van Vlaanderen is voornamelijk energiegebonden: 49% van de Vlaamse voetafdruk bestaat uit zogenaamd energieland. Dit is de oppervlakte bos die nodig is om de CO2 die vrijkomt bij verbranding van fossiele brandstoffen op te vangen. De consumptie van hernieuwbare materialen (akkerland, bosland, grasland en visland) neemt 46% voor zijn rekening. 5% is bouwland (gebouwen, infrastructuur en recreatievoorziening). Voor meer info over de ecologische voetafdruk verwijzen we naar de website van het milieurapport (www.milieurapport.be) van de Vlaamse Milieumaatschappij.

De globale hectare is een virtuele oppervlaktemaat die rekening houdt met de verschillen in biologische productiviteit van verschillende grondtypes. Het gebruik van een hectare schraal grasland in MongoliĂŤ mag immers niet even sterk meegerekend worden als het gebruik van een hectare hoogproductief akkerland in BelgiĂŤ (Bruers en Verbeek (2013)

1

Natuurindicatoren 2015 <13>


Leeswijzer Drieledige opdracht natuurrapportering De natuurrapportage (NARA) is een decretale taak van het INBO en omvat: • een beschrijving en evaluatie van de bestaande natuur in het Vlaamse Gewest; • de te verwachten evolutie van deze natuur bij ongewijzigd beleid en bij het door de Vlaamse Regering voorgenomen beleid; • de evaluatie van het voorbije beleid. Dit rapport maakt deel uit van de natuurrapportage (NARA) en geeft een invulling aan de jaarlijkse natuurindicatorenrapportage (toestandsbeschrijving) van het INBO. De natuurindicatoren brengen op een compacte wijze feiten en cijfers over de natuur en het natuurbeleid in Vlaanderen in beeld. Waar mogelijk gebeurt dit via tijdreeksen die weergeven hoe een fenomeen evolueert. Een uitgebreide set aan natuurindicatoren wordt weergegeven op de website natuurindicatoren (www.natuurindicatoren.be). Deze website bevat voor elke indicator een fiche met cijfermateriaal en beknopte achtergrondinformatie. Dit rapport bundelt de prioritaire indicatoren uit deze set. Het NARA maakt ook deel uit van het Milieurapport (MIRA). Een uitgebreide reeks van milieu-indicatoren is te raadplegen op de website van het milieurapport (www.milieurapport.be) van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Prioritaire natuurindicatoren Dit rapport geeft een overzicht van natuurindicatoren die op basis van een aantal criteria als prioritair op te volgen indicatoren worden beschouwd. Ze zijn geselecteerd omdat ze opgenomen zijn in het Milieubeleidsplan (MINA-plan 4), en/of sorteren onder een Pact 2020 indicator en/of omdat ze op Europese schaal een invulling geven aan de opvolging van de EU 2020 doelen uit de Biodiversiteitstrategie. Het MINA-plan 4 bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid dat door het Vlaamse Gewest, en ook door de provincies en gemeenten in aangelegenheden van gewestelijk belang, dient te worden gevoerd. In het MINA-plan 4 zijn zowel lange termijn- als plandoelstellingen opgenomen voor de periode 2011- 2015. Hieraan zijn telkens een aantal specifieke indicatoren gekoppeld. De lange termijndoelstellingen worden gedefinieerd met een volgende generatie als tijdshorizon (circa 2030) terwijl de Natuurindicatoren 2015 <14>


Leeswijzer

plandoelstellingen 2015 als streefdatum hebben. Daarnaast zijn er een aantal bijkomende indicatoren opgenomen waarvoor geen doelstellingen zijn geformuleerd en die men in een gunstige richting wil laten evolueren in de periode 2011- 2015. In dit rapport worden enkel MINA-plan 4 indicatoren besproken die betrekking hebben op de biodiversiteit. Aan de hand van een set indicatoren volgt de Vlaamse Regering de realisatie van de 20 doelstellingen van het toekomstplan voor Vlaanderen (Pact 2020) op. Het Pact 2020 weerspiegelt de gezamenlijke visie, strategie en acties op lange termijn van de Vlaamse Regering en de sociale partners. In dit rapport worden de Pact 2020 indicatoren van het thema ‘natuur’ behandeld. Daarnaast worden de Vlaamse natuurindicatoren gekoppeld aan het streefdoel uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 waaraan ze de meeste invulling geven (zie ook Hoofdlijnen). Met deze set van prioritaire natuurindicatoren wordt getracht de Vlaamse voortgang ten opzichte van de doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 te evalueren. In 2004 startte het proces SEBI 2010 (Streamlining European Biodiversity Indicators). SEBI 2010 ontwikkelt en volgt kernindicatoren (‘headline indicators’), in functie van de focusgebieden van de Biodiversiteitsconventie om de voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling bekend te maken (EEA, 2007). In 2012 werd de oorspronkelijke set van 26 concreet uitgewerkte 2010-indicatoren aangepast in functie van de streefdoelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 (EEA, 2012a). Alle ontwikkelde SEBI indicatoren kunnen gebruikt worden om de vooruitgang t.o.v. deze doelen op te volgen (EEA, 2012a). Wanneer een Vlaamse natuurindicator afgestemd is op de SEBI indicator, wordt het overeenstemmende nummer van deze SEBI indicator vermeld. De doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 sluiten aan bij de mondiale ‘Aichi Targets’ opgesteld door Conventie voor Biodiversiteit in 2010.

Bespreking per indicator De bespreking van de indicatoren start met een overzicht van de verschillende doelen (EU 2020, Pact 2020 en MINA-plan 4 ). Hierbij wordt enkel voor de MINA-plan 4 doelstellingen met een concreet geformuleerde doelstelling (= de zgn. plandoelstellingen) het doelbereik (uitgedrukt in %) en de doelverwachting geëvalueerd.

Natuurindicatoren 2015 <15>


Leeswijzer

Daarna volgt een beschrijving van de indicator en vervolgens een bespreking van de evolutie en het doelbereik indien relevant. Tenslotte wordt indien mogelijk een verklaring voor het verloop van de trend gegeven. De beoordeling van de trend gebeurt op basis van een statistische trendanalyse. Dit is niet voor alle indicatoren mogelijk omdat de data dit (nog) niet toelaten. Er is bijvoorbeeld een te korte tijdsreeks of er ontbreken te veel waarden. Voor meer informatie over de trendbepaling van de indicatoren verwijzen we naar het rapport van Jansen I. (2015). Onderaan de tekst wordt onder ‘Trend’ het resultaat van deze trendberekening beknopt omschreven. Wanneer de trendbepaling niet gebeurd is, wordt ‘geen correcte trendbepaling mogelijk’ vermeld. Via een link in ‘Trend’ wordt een koppeling gemaakt met de natuurindicatorenwebsite waar de figuur mét trendlijn wordt weergegeven. De beoordeling van de doelverwachting gebeurt op basis van een 95% predictie-interval dat voor de geëxtrapoleerde trendlijn wordt berekend in functie van het doeljaar 2015 (MINA-plan 4). Dit interval bevat met 95% zekerheid de waarde die in 2015 bereikt zal worden. Deze info staat voor elke indicator onder het item ‘ Doelverwachting 2015’ in Jansen I. (2015). Bevindt het doel zich binnen dit interval dan is de doelverwachting onduidelijk. De waarde in 2015 kan nog eender waar in het predictie-interval liggen. Bevindt het doel zich boven het interval, dan is de kans klein dat het doel gehaald wordt. We kunnen zeggen dat de waarde in 2015 met 95% zekerheid lager zal zijn dan het doel. Bevindt het doel zich onder het interval, dan is de kans groot dat het doel gehaald wordt. We kunnen zeggen dat de waarde in 2015 met 95% zekerheid hoger zal zijn dan het doel. Voor de indicatoren waarvoor geen trendberekening kan uitgevoerd worden, is er bijgevolg ook geen berekening van een predictie-interval. Bij doelverwachting wordt dan ‘onduidelijk’ vermeld. De indicatoren zijn gebaseerd op de meest recente data, in de meeste gevallen tot en met 2014.

Natuurindicatoren 2015 <16>


Leeswijzer

Kwaliteitsvolle indicatoren Kwaliteitsvolle indicatoren beantwoorden idealiter aan een aantal internationaal opgestelde criteria (zie kader). Bij de ontwikkeling van de natuurindicatoren wordt getracht om maximaal aan deze criteria te voldoen. Selectiecriteria voor natuurindicatoren (Ash et al. 2010, EEA (2012b), Layke (2012), (Pires 2011) • Beleidsrelevant: indicatoren moeten informatie leveren die geschikt is op niveau van de besluitvorming door beleid. Het Vlaamse Milieubeleidsplan (MINA-plan) geldt hier als een belangrijk toetsingsdocument maar ook nieuwe inzichten moeten een beleidsmatige vertaling krijgen. • Biodiversiteitsrelevant: indicatoren moeten de belangrijkste eigenschappen van biodiversiteit of gerelateerde items (zoals status, druk, respons en gebruik) behandelen. • Wetenschappelijk correct, methodologisch goed gefundeerd: indicatoren moeten gebaseerd zijn op verifieerbare en wetenschappelijk aanvaardbare data, waarbij de dataverzameling volgens gestandaardiseerde methode is gebeurd. Of de data moeten gebaseerd zijn op traditionele kennis die is gevalideerd op een correcte manier. • Legitiem: indicatoren moeten aanvaard zijn door belanghebbenden, betrokkenheid van beleidsmakers, en belangrijkste belanghebbenden bij de ontwikkeling van een indicator is sterk aanbevolen. • Begrijpbaar: de informatie moet op een begrijpbare, ondubbelzinnige en visueel aantrekkelijke manier voorgesteld worden. • Doelbereiking indien beleidsdoel geformuleerd is: de indicator moet toelaten om (beleids)doelstellingen te evalueren, gebruikmakend van vaststelbare baselines. • Gebiedsdekkend: aangezien het indicatorenrapport een beschrijving moet geven van de toestand van de natuur in Vlaanderen, moet de indicator een gewestelijk bereik en/of betekenis bezitten. • Duurzaam: indicatoren moeten op een accurate manier meetbaar zijn en deel uit maken van een duurzaam monitoringssysteem.

Natuurindicatoren 2015 <17>


Vlaamse natuurindicatoren

MINA-plan 4

Pact 2020*

EU biodiversiteitsstrategie 2020

Pag. nr.

1

Broedvogelindex

Plandoelstelling

15.1

Streefdoel 2

20

2

Graslandvlinderindex

Plandoelstelling

15.1

Streefdoel 2

21

3

Overwinterende watervogelindex

Plandoelstelling

15.1

Streefdoel 2

22

4

Rode Lijst amfibieĂŤn en reptielen

/

/

Streefdoel 1

23

5

Rode Lijst dagvlinders

/

/

Streefdoel 1

24

6

Rode Lijst lieveheersbeestjes

/

/

Streefdoel 1

25

7

Rode Lijst waterwantsen

/

/

Streefdoel 1

26

8

Rode Lijst zoetwatervissen

/

/

Streefdoel 1

27

9

Rode Lijst zoogdieren

/

/

Streefdoel 1

28

10

Status van soorten

/

/

Streefdoel 1

29

11

Toestand en trend ecosysteemdiensten

/

/

Streefdoel 2

30

12

Soortbeschermingsplannen

Plandoelstelling

/

Streefdoel 1

31

13

Gesaneerde vismigratieknelpunten (prioriteitsklasse 1)

Plandoelstelling

/

Streefdoel 2

32

14

Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang

Lange termijndoelstelling

15.2

Streefdoel 1

33

15

Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang

Lange termijndoelstelling

15.2

Streefdoel 1

34

16

Status broedvogels van Europees belang

Lange termijndoelstelling

15.2

Streefdoel 1

35

17

Status watervogels van Europees belang

Lange termijndoelstelling

15.2

Streefdoel 1

36

18

Oppervlakte Natura 2000

/

/

Streefdoel 1

37

19

Aantal S-IHD rapporten definitief goedgekeurd door de Vlaamse regering

Plandoelstelling

15.2

Streefdoel 1

38

20

Oppervlakte met effectief natuurbeheer (planperiode MINA-plan 4)

Plandoelstelling

15.2 & 15.3

Streefdoel 2

39

21

Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en Natuurverwevingsgebied (NVWG)

Plandoelstelling (enkel voor VEN)

/

Streefdoel 2

40

22

Oppervlakte bos volgens Boswijzer

Plandoelstelling

15.3

Streefdoel 2

41

23

Oppervlakte aandeel toegankelijke bossen (d.w.z. met toegankelijkheidsregeling)

Plandoelstelling

/

Streefdoel 2

42

24

Oppervlakte speelzones in bossen en natuurreservaten

Plandoelstelling

/

Streefdoel 2

43

25

Aandeel stedelijke of kleinstedelijke gebieden met een stadsbos of stadsbosproject

Plandoelstelling

15.3

Streefdoel 2

44

26

Trend Zuid-Europese libellensoorten

Lange termijndoelstelling

/

Streefdoel 2

45

27

Bladontwikkeling eik en beuk

Lange termijndoelstelling

/

Streefdoel 2

46

28

Piekmoment stuifmeelproductie berk en grassen

Lange termijndoelstelling

/

Streefdoel 2

47

*nummer overeenstemmende indicator in Pact 2020

Natuurindicatoren 2015 <18>


Vlaamse natuurindicatoren

MINA-plan 4

Pact 2020*

EU biodiversiteitsstrategie 2020

Pag. nr.

29

Aantal uitheemse soorten

Lange termijndoelstelling

/

Streefdoel 5

48

30

Aantal uitheemse en invasieve uitheemse soorten op een signaallijst

Lange termijndoelstelling

/

Streefdoel 5

49

31

Aantal rosse stekelstaarten in Vlaanderen

Lange termijndoelstelling

/

Streefdoel 5

50

32

Ontsnippering langs Vlaamse transportwegen

Bijkomend op te volgen

/

Streefdoel 2

51

33

Ontsnippering planologisch groengebied

Bijkomend op te volgen

15.2

Streefdoel 2

52

34

Oppervlakte extra planologisch groengebied

Lange termijndoelstelling

15.2

Streefdoel 2

53

35

Oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten

Bijkomend op te volgen

/

Streefdoel 2

54

36

Oppervlakte bosbeheerplan

/

/

Streefdoel 3

55

37

Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen

Bijkomend op te volgen

/

Streefdoel 3

56

38

Bezoeken aan natuur- en bosgebieden

/

/

Streefdoel 1

57

39

Ledenaantallen van natuurverenigingen

/

/

Streefdoel 1

58

*nummer overeenstemmende indicator in Pact 2020

Natuurindicatoren 2015 <19>


Europese broedvogelindex Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 01)

Pact 2020 15.1

Inzake biodiversiteit kan Vlaanderen in 2020 de vergelijking met de Europese economische topregioâ&#x20AC;&#x2122;s aan.

MINA-plan 4 Plandoelstelling

In 2015 is de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd: + 10% t.o.v. 2007-2008.

De index van de algemene broedvogels beschrijft de trend van een selectie van algemene vogelsoorten sinds de start van het Algemene Broedvogels Vlaanderen (ABV)-meetnet in 2007. Er zijn drie categorieĂŤn: vogels van het landbouwgebied, vogels van het bosgebied en vogels die in diverse leefgebieden broeden, de generalisten.

De MINA-plan 4 doelen voor generalisten lijken gehaald te kunnen worden, maar het is hoogst onzeker of20.00 dat ook voor bosvogels en landbouwsoorten kan gebeuren. 0 Trend: 2007 vogels landbouwgebied: fluctuerend zonder duidelijke toe- of afname vogels bosgebied: fluctuerend zonder duidelijke toe- of afname generalisten: toename

140.00 120.00 Broedvogelindex (2007=100%)

Broedvogelindex (2007=100%)

140.00 In een vorige natuurindicatoren-rapportage stelden we reeds vast dat vogels van het landbouwgebied de laatste decennia blijvend afnamen terwijl bosvogels en 120.00 generalisten toenamen. In deze rapportage baseren we de onderstaande grafiek enkel nog op data bekomen via het 100.00 dat speciaal ervoor ontworpen ABV-meetnet. Dit betekent de besproken trends betrekking hebben op de periode 2007-2013. In deze meer recente periode zijn de80.00 trends van aan bos- en landbouwgebieden gebonden soorten fluctuerend zonder duidelijke toe- of afname (Onkelinx & 60.00 Vermeersch, 2014). Van enig herstel bij de landbouwsoorten is echter voorlopig geen sprake. Generalisten vertonen nog steeds een verdere toename. 40.00

Doelbereik: 84% - 100% Doelverwachting: onduidelijk

100.00

bosgebieden landbouwgebieden

80.00 60.00

bosgebieden

diverse leefgebieden

landbouwgebieden

doel MINA-plan 4 bos

diverse leefgebieden doel MINA-plan 4 land doel MINA-plan 4 bos doel MINA-plan4 diver

40.00

doel MINA-plan 4 landbouw doel MINA-plan4 diverse

20.00 0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 Trend van de aantallen broedvogels van bosgebieden, landbouwgebieden en diverse leefgebieden in Vlaanderen Bron: INBO

Open trend

Natuurindicatoren 2015 <20>


Graslandvlinderindex Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 01)

Pact 2020 15.1

Inzake biodiversiteit kan Vlaanderen in 2020 de vergelijking met de Europese economische topregioâ&#x20AC;&#x2122;s aan.

MINA-plan 4 Plandoelstelling

In 2015 is de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd: + 10% t.o.v. 2004.

raslandvlinderindex (1991 = 100%)

200

130 120

Graslandvlinderindex (1991 = 100%)

110 100

250 200

150 doel MINA-plan 4

doel MINA-plan 4

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

0 1996

60 1991 1993 1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013 2015

50

1995

70

1994

80

100

1993

90

1992

De Vlaamse graslandvlinderindex vertoont een wisselend verloop. De samengestelde indicator daalt licht gedurende de eerste 10 jaar van de monitoring maar blijft sinds 2000 min of meer stabiel. Vier van de vijf soorten blijven min of meer stabiel (bruin zandoogje, groot dikkopje, icarusblauwtje en kleine vuurvlinder), enkel het oranjetipje neemt lichtjes toe (Van Dyck250 et al. 2015).

140

Graslandvlinderindex (1991 = 100%)

In het kader van SEBI 2010-doelstellingen ontwikkelde de Nederlandse Vlinderstichting een Europese index voor graslandvlinders, gebaseerd op zeven wijdverspreide en 10 zeldzame graslandvlinders. In Vlaanderen zijn enkel voldoende gegevens beschikbaar voor 5 wijdverspreide soorten: bruin zandoogje, groot dikkopje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder en oranjetipje. De index geeft de veranderingen tussen jaren aan waarbij het referentiejaar 1992 op 100 werd gezet.

Doelbereik: 71% Doelverwachting: n.v.t.

icarusblauwtje bruin zandoogje oranjetipje groot dikkopje kleine vuurvlinder

Trend van de aantallen graslandvlinders, geaggregeerd (links) en voor de individuele soorten (rechts)

150 Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: Vlinderwerkgroep Natuurpunt, INBO

1993 1995 1997 1999 2001 2003 2005 2007 2009 2011 2013 2015 100 50

Natuurindicatoren 2015 <21>


Overwinterende watervogels Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 01)

Pact 2020 15.1

Inzake biodiversiteit kan Vlaanderen in 2020 de vergelijking met de Europese economische topregioâ&#x20AC;&#x2122;s aan.

MINA-plan 4 Plandoelstelling

In 2015 is de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd: + 10% t.o.v. 2004. 1.600

1200

kolgans

grauwe gans

grauwe gans

smient

1000

smient

800

krakeend wintertaling

2013-14

2011-12

tafeleend 2009-10

2007-08 2011-12

2005-06

2001-02

1997-98

1995-96

1993-94

0

2009-10

slobeend 2003-04

200

2007-08

pijlstaart 1999-00 2005-06

400

2003-04

wintertaling

2001-02

pijlstaart slobeend

1999-00 1991-92

krakeend

600

tafeleend wilde eend MINA-plan 4 doel

wilde eend MINA-plan 4 doel

600 500 400 300

MINA-plan 4 doel

200

Trend van de aantallen overwinterende watervogels, geaggregeeerd (onder) en voor de individuele soorten (boven) 2013-14

2011-12

2009-10

2007-08

2005-06

2003-04

2001-02

1999-00

1997-98

0

1995-96

100

1993-94

Open trend

kleine rietgans kolgans

1991-92

Trend: significante toename

Watervogelindex (1991-92 = 100%)

Daarnaast worden de trends in Vlaanderen minstens gedeeltelijk bepaald door lokale veranderingen in ondermeer waterkwaliteit, menselijke activiteiten en natuurbeheer en -ontwikkeling. Deze factoren kunnen een grote invloed uitoefenen op de draagkracht van gebieden voor watervogels, in hoofdzaak via wijzigingen in het voedselaanbod (zoals recent vastgesteld langs de Zeeschelde). Ook de klimaatsverandering speelt mogelijk een toenemende rol in regionale veranderingen in aantallen en verspreiding.

1995-96

1991-92

De trend van watervogels in Vlaanderen is een gecombineerd200 effect van de ontwikkelingen op Noordwest-Europees niveau en van regionale en 0 en lokale factoren. In Noordwest-Europa namen nagenoeg alle ganzen eendensoorten tijdens de voorbije 20 tot 30 jaar toe. Een gevolg van enerzijds een betere bescherming van soorten en waterrijke gebieden, en anderzijds een toegenomen voedselaanbod. Na een jarenlange toename is meer recent bij heel wat soorten een afvlakking of kentering van die positieve trend merkbaar.

1993-94

Met een index-waarde van 359 in 2013/2014 is 67% van de MINA-plan 4 400 plandoelstelling gerealiseerd.

kleine rietgans

1400

1997-98

Watervogelindex (1991-92 = 100%)

1600

Bron: Watervogeldatabank INBO

1.400 De index van overwinterende watervogels is gebaseerd op het aantalsverloop van de 10 belangrijkste soorten ganzen en eenden in1.200 Vlaanderen (bepaald op basis van zes midmaandelijkse tellingen per winter). 1000 De aantallen watervogels zijn tussen de winter van 1991-1992 en de winter van 2002-2003 vervijfvoudigd. Daarna zette zich een licht 800 dalende trend in die echter niet bij alle soorten gelijklopend is (variĂŤrend van stabiel tot afname). 600

Doelbereik: 67% Doelverwachting: grote kans dat doel niet gehaald wordt

Natuurindicatoren 2015 <22>


Rode Lijst amfibieën en reptielen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN).

1 2

Van de 22 inheemse amfibieën en reptielen worden tien soorten als ‘in gevaar’ beschouwd: twee soorten zijn ‘Ernstig bedreigd’, vier soorten zijn ‘Bedreigd’ en vier soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Eén soort is ‘Bijna in gevaar’. De resterende negen soorten beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. Eén soort is ‘Uitgestorven in Vlaanderen’. In totaal is de helft van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven (Jooris et al. 2012). De oorzaken van hun achteruitgang zijn voornamelijk te wijten aan een afname van de oppervlakte geschikt leefgebied met isolering van populaties tot gevolg. Door een sterke reductie in het aantal individuen en afwezigheid van verbindingselementen kunnen nauwelijks nieuwe gebieden worden gekoloniseerd. Daarenboven kunnen in deze kleine populaties genetische effecten catastrofale gevolgen hebben. Zo spelen bij de ernstig bedreigde knoflookpad en kwetsbare kamsalamander een achteruitgang van de kwaliteit van de voortplantingswateren een grote belangrijke rol. Een toename in voedingsstoffen in het water en verhoogde vispredatie laten weinig succesvolle voortplanting toe. Gericht beheer van deze wateren kunnen op korte tijd echter succes opleveren, zoals het geval is bij de boomkikker. Voor deze soort heeft het visvrij maken van voortplantingswateren tot een spectaculaire toename van het aantal volwassen individuen geleid met kolonisatie van nieuwe gebieden tot gevolg.

9

regionaal uitgestorven

1

ernstig bedreigd

2

4

bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar regionaal uitgestorven

9

ernstig bedreigd 4

bedreigd kwetsbaar

4

1

bijna in gevaar momenteel niet in gevaar

Rode Lijst amfibieën en reptielen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

1

4

Bron: Hyla (de amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt), INBO

Natuurindicatoren 2015 <23>


Rode Lijst dagvlinders Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). Van de 71 soorten dagvlinders die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen voorkwamen zijn er ondertussen 20 uitgestorven, 18 soorten worden als in gevaar zijn beschouwd: zes soorten zijn ‘Ernstig bedreigd’, vijf soorten zijn ‘Bedreigd’ en zeven soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Voorts zijn er zeven soorten ‘Bijna in gevaar’. De resterende 26 soorten beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. In totaal is 66% van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven (Maes et al. 2012).

20 26 regionaal uitgestorven ernstig bedreigd

In vergelijking met de Rode Lijst uit 1999 zet de negatieve trend zich voor heel wat soorten verder: vier soorten zijn uitgestorven tussen 1994 en 2003 en maar liefst 12 soorten doen het slechter in vergelijking met de vorige Rode Lijst. Vooral soorten uit heiden (bv. de heivlinder), bloemrijke graslanden (bv. de veldparelmoervlinder) en grote bossen (bv. de rouwmantel) blijven achteruitgaan. Opvallend is ook de sterke 26 achteruitgang van enkele voorheen algemene soorten zoals de argusvlinder en de citroenvlinder.

bedreigd

20

kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar 6

De oorzaken van hun voortdurende achteruitgang zijn vooral vermesting, een afname van het aantal bloemen en de steeds verdergaande versnippering van het Vlaamse landschap. Mogelijke herstelmaatregelen zijn het behoud van grote, goed met elkaar verbonden natuurgebieden. Daarnaast is een natuurbeheer dat rekening houdt met de ecologische eisen van dagvlinders en het verbeteren van de algemene milieukwaliteit ook van groot belang voor het beschermen van dagvlinders in het bijzonder en de biodiversiteit in het algemeen.

regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar

5

7

bijna in gevaar

7

momenteel niet in gevaar 6

Rode Lijst dagvlinders Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

5

7

Bron: Vlinderwerkgroep Natuurpunt, INBO

7 Natuurindicatoren 2015 <24>


Rode Lijst lieveheersbeestjes Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). De Rode Lijst werd enkel opgemaakt voor de grotere, vlot herkenbare soorten uit de subfamilies echte lieveheersbeestjes, breedkoplieveheersbeestjes en bladetende lieveheersbeestjes. Ze vergelijkt de periode 1990-2005 met de periode 2006-2013. Exoten, zoals het Aziatisch lieveheersbeestje, worden niet gescoord met de IUCN methodiek.

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

0 3

Van de 36 soorten lieveheersbeestjes die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen werden waargenomen zijn er ondertussen twee uitgestorven. Drie soorten zijn ‘Bedreigd’ en zes soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Zeven soorten zijn ‘Bijna in gevaar’. De resterende 15 soorten beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. Voor drie soorten is onvoldoende informatie beschikbaar over hun status in Vlaanderen. In totaal is 31% van alle soorten bedreigd en/of uitgestorven (Adriaens et al. 2015). Het aandeel Rode Lijstsoorten lieveheersbeestjes is vergelijkbaar met andere terrestrische insectengroepen (Adriaens et al. 2015). Aangezien dit de eerste Rode Lijst voor lieveheersbeestjes betreft, kan nog geen trend besproken worden. Vaak hebben zeldzame soorten lieveheersbeestjes specifieke habitatvereisten (bv. droge heide, schraalgraslanden en moerassen met een specifiek microklimaat) of een gespecialiseerde levenswijze (bv. myrmecofilie). Tot de belangrijkste bedreigingen behoren habitatverlies, verlies aan habitatkwaliteit en exoten. Bepaalde soorten hebben een 15 aangepast natuurbeheer nodig. Veel soorten lieveheersbeestjes zijn echter ook gebaat bij eenvoudige natuurvriendelijke maatregelen zoals ecologisch groenbeer van parken, tuinen en openbaar groen (Adriaens et al. 2014).

2

3

3

2

regionaal uitgestorven

0

ernstig bedreigd

3

6

bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar

regionaal uitgestorven onvoldoende gekend

15

ernstig bedreigd 6

bedreigd kwetsbaar

7

bijna in gevaar momenteel niet in gevaar onvoldoende gekend

Rode Lijst lieveheersbeestjes Bron: Lieveheersbeestjeswerkgroep, Natuurpunt Studie (waarnemingen.be), INBO

7 Natuurindicatoren 2015 <25>


Rode Lijst waterwantsen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). De nieuwe Rode Lijst wateren oppervlaktewantsen vergelijkt de periode 1989-1999 met de periode 2000-2011.

6 2

Van de 62 soorten water- en oppervlaktewantsen die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen werden waargenomen zijn er ondertussen zes uitgestorven. Twee soorten zijn ‘Ernstig bedreigd’, vijf soorten zijn ‘Bedreigd’ en zeven soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Drie soorten zijn bijna in gevaar. De resterende 38 soorten beschouwen we als momenteel niet in gevaar. Eén soort werd enkel als zwerver waargenomen. De nieuwe Rode Lijst toont dat in totaal 32% van alle soorten bedreigd en/of uitgestorven is (Lock et al. 2013), wat de gevoeligheid van waterhabitats voor diverse milieudrukken bevestigt. De oude Rode Lijst (Bonte et al. 2001) werd opgemaakt met een verschillende methodiek dan de nieuwe Rode Lijst, die de IUCN richtlijnen voor regionale Rode Lijsten volgt. Desondanks zijn beide lijsten erg gelijkaardig en is er vergeleken met de vorige Rode Lijst niet veel evolutie in het aantal bedreigde soorten. Het opvallendste verschil zijn 3 soorten van stromend water die erop vooruit gingen door een verbeterde waterkwaliteit (Lock et al. 2013): rivierbodemwants ging van ‘Ernstig bedreigd’ naar ‘Bijna in gevaar’, gewone beekloper van ‘Kwetsbaar’ naar ‘Momenteel niet in gevaar’ en beekschaatsenrijder van ‘Ernstig bedreigd’ naar ‘Momenteel niet in gevaar’.

5

6

regionaal uitgestorven ernstig bedreigd

2

bedreigd

5

kwetsbaar bijna in gevaar

regionaal uitgestorven

momenteel niet in gevaar

38

ernstig bedreigd 3

7

Een aantal soorten heeft echter nog steeds een bedreigingsstatus of is zeldzaam. Vensoorten, zoals het zwart bootsmannetje en het veenzwemmertje, alsook soorten 38 van zoetwatermeren met weelderige vegetatie, bospoelen en wantsen gebonden aan licht brakke wateren, verdienen extra aandacht.

bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar

Rode Lijst waterwantsen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

7

3 Bron: VMM, KBIN, INBO, Natuurpunt

Natuurindicatoren 2015 <26>


Rode Lijst zoetwatervissen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). Van de 42 geëvalueerde zoetwatervissen en prikken worden 3 soorten als ‘Regionaal uitgestorven’ beschouwd terwijl zeven ‘Ernstig bedreigd’, drie ‘Bedreigd’ en acht ‘Kwetsbaar’ zijn. Daarnaast worden vijf soorten beoordeeld als ‘Bijna in gevaar’, 15 soorten als ‘Momenteel niet in gevaar’ en één soort komt terecht in de categorie ‘Onvoldoende data’. In totaal wordt 62% van de zoetwatervissen in Vlaanderen als bedreigd of uitgestorven beschouwd (Verreycken et al. 2012; 2013). Recent verbeterde rioolwaterzuivering heeft geleid tot de verbetering van de waterkwaliteit van het Schelde-estuarium waardoor enkele diadrome soorten zoals fint en zeeprik opnieuw in Vlaanderen voorkomen. Aldus verdwijnen ze uit de categorie ‘Regionaal uitgestorven’. Ten gevolge van enkele herintroductieprogramma’s doen serpeling en kopvoorn het opmerkelijk goed terwijl kwabaal hierdoor uit de categorie ‘Regionaal uitgestorven’ kon worden gehaald. Een opvallende achteruitgang kent de paling die in de categorie ‘Ernstig bedreigd’ komt ondanks de jaarlijkse bepotingen met glasaal.

1

3

7 15

3

regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar

5

8

momenteel niet in gevaar onvoldoende data

Rode Lijst zoetwatervissen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: INBO, Natuurpunt vzw, ANB

Natuurindicatoren 2015 <27>


Rode Lijst zoogdieren Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN).

5

6

Van de 66 soorten zoogdieren die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen voorkwamen zijn er ondertussen vijf uitgestorven, en 25 soorten zijn in gevaar: zes zijn ‘Ernstig bedreigd’, acht zijn ‘Bedreigd’ en 11 zijn ‘Kwetsbaar’. Voorts zijn er 12 soorten (18%) ‘Bijna in gevaar’. De resterende 19 soorten (29%) beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. Van vijf soorten zijn er onvoldoende data beschikbaar (8%). In totaal is 45% van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven (Maes et al. 2014). Enkele soorten, zoals boommarter, otter, wilde kat en das vertonen recentelijk een comeback, maar hun populatietoestand is actueel nog precair. Het voorkomen van hazelmuis en hamster is geografisch beperkt; deze laatste staat op de rand van verdwijning en vergt een gericht soortbeheer. Veel andere soorten vertonen een sluipende en vaak onverklaarde achteruitgang, zoals bunzing, eikelmuis, en meerdere ‘muizensoorten’ waaronder ruim de helft van alle vleermuissoorten.

19

regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar 5

8

bijna in gevaar momenteel niet in gevaar

6 19

regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar

11

12

8

bijna in gevaar momenteel niet in gevaar

Rode Lijst zoogdieren Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron:Natuurpunt, Vleermuizenwerkgroep, Kerkuilenwerkgroep, Likona, en INBO

12

11

Natuurindicatoren 2015 <28>


Status van soorten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

De status van soorten wordt bepaald aan de hand van de internationaal Aantal verdwenen soorten aanvaarde categorieën van de ‘International Union for the Conserva160 van tion of Nature’ (IUCN). Om een vergelijking met de vorige versie Aantal verdwenen soorten deze indicator mogelijk te maken beschouwen we de soorten die tot de 140 categorieën ‘Ernstig bedreigd’, ‘Bedreigd’ en ‘Kwetsbaar’ behoren als 160 Rode-Lijstsoorten sensu stricto. 120 Volgens het Vlaamse soortdecreet (1/09/2009) moeten de Rode 100 Lijsten opgesteld of gevalideerd worden door het INBO. Momenteel zijn 80 er gevalideerde Rode Lijsten beschikbaar voor amfibieën, broedvogels, dagvlinders, hogere planten, libellen, lieveheersbeestjes, loopkevers, 60 reptielen, sprinkhanen, vliegend hert, waterwantsen, zoetwatervissen en zoogdieren. Voor de spinnen, mieren, slankpootvliegen en 40 dansvliegen zijn niet gevalideerde Rode Lijsten beschikbaar. Omdat er onvoldoende en betrouwbare data beschikbaar is kunnen deze niet20 gevalideerd worden. 0 Van de 2.101 soorten op de gevalideerde Rode Lijsten zijn er 146 in de loop van de voorbije eeuw uit Vlaanderen verdwenen. Van de overige 1.955 soorten zijn 479 (24%) Rode- Lijstsoorten. Deze soorten zijn over de onderzoeksperiode (verschillend volgens soortengroepen) sterk achteruitgegaan en/of hebben een kritisch niveau bereikt waardoor de soort op het punt staat te verdwijnen. Het verdwijnen of achteruitgaan van soorten is een gevolg van de achteruitgang van de oppervlakte geschikt habitat en van de dalende habitatkwaliteit. Ook soorten uit het landbouwgebied komen steeds meer op de Rode Lijst terecht.

51

183

51 155

183

141

140

Rode Lijstsoorten 2.101 soorten 155

120 100 80 60

141 996

996

40 20

429

429

0 ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar

Status van alle in Vlaanderen onderzochte soortengroepen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Rode Lijstsoorten 2.101 soorten

Bron: INBO

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

ernstig bedreigd

bedreigd momenteel niet in gevaar kwetsbaar onvoldoende data bijna in gevaar

momenteel niet in g onvoldoende data Natuurindicatoren 2015 <29>


Toestand en trend ecosysteemdiensten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Plandoelstelling

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Deze indicator geeft de toestand en trend van 16 ecosysteemdiensten in Vlaanderen weer.

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

h

Aanbod

>

h

wildbraadproductie

h

>

h

houtproductie

h

>>

h

productie van energiegewassen

h

>>

h

waterproductie

h

>

h

bestuiving

h

<

i

plaagbeheersing

h

>>

h

i

>

i

behoud van bodemvruchtbaarheid regulatie luchtkwaliteit regulatie geluidsoverlast regulatie erosierisico regulatie overstromingsrisico

i

>>

h

h

>

h

>

h

h

>>

kustbescherming

h

>

h h

h

>>

h

h

>>

h

>

h h

regulatie globaal klimaat regulatie waterkwaliteit groene ruimte voor buitenactiviteiten

Aanbod/vraag ondergaat:

h stijging h lichte stijging h

De vraag naar verschillende diensten neemt ook verder toe en is niet langer in evenwicht met het natuurlijke lokale aanbod. Voor sommige ecosysteemdiensten wordt dit aanbodtekort aangevuld door import (bv. hout, drinkwater), voor andere diensten (bv. waterzuivering, luchtzuivering, regulatie van overstromingsrisico of groene ruimte) blijft een deel van de maatschappelijke vraag onvervuld. Die onvervulde vraag neemt dan vaak de vorm aan van milieuhinder, economische schade of gezondheidskosten. Het aanbodtekort wordt voor sommige ecosysteemdiensten ook door technologische oplossingen opgevangen zoals bv. waterzuiveringsstations.

voedselproductie

Verhouding

h

Doordat voor zowat alle diensten de vraag het aanbod (ruimschoots) overstijgt, worden de meeste ecosysteemdiensten in Vlaanderen intensief gebruikt of benut, ook de regulerende diensten. Zo is bijvoorbeeld de vraag naar nabij groen groter dan het aanbod. Ongeveer één op vijf Vlamingen beschikt niet over een groene ruimte op wandelafstand. Daarnaast is ongeveer 55% van de oppervlakte in Vlaanderen landschappelijk minder aantrekkelijk voor recreatie en beleving. Deze open ruimte is minder aantrekkelijk omwille van bebouwing, geluidshinder of omdat natuur- en/of cultuurelementen ontbreken. Het behouden van bestaande groene ruimtes, het verbeteren van toegankelijkheid en het gericht creëren van groene infrastructuur kan hoge socio-economische baten genereren, vooral in stedelijke context waar die ruimte schaars is (Simoens et al. 2014).

Vraag

geen uitgesproken trend

h lichte daling h

Het natuurrapport uit 2014 onderzocht onder meer de toestand van 16 ecosysteemdiensten (Stevens et al. 2014 ). De toestand van een ecosysteemdienst wordt bepaald door de verhouding tussen aanbod en vraag, door de evoluties in die verhouding en door de impact van het gebruik van de ecosysteemdienst op het aanbod van andere ecosysteemdiensten. Voor vijftien van de 16 ecosysteemdiensten is de vraag is steeds groter dan het aanbod, waarbij voor zeven ecosysteemdiensten de vraag zelfs veel groter is dan het aanbod. De trend van het aanbod van en de vraag naar de 16 ecosysteemdiensten is variabel. Zowel vraag als aanbod vertonen (licht) stijgende of dalende trends afhankelijk van de ecosysteemdienst. De vraag is wel vaker stijgend (13 ESD) dan het aanbod (7 ESD) (Jacobs et al. 2014).

daling

Vraag is:

>> veel groter dan aanbod > groter dan aanbod < kleiner dan aanbod << veel kleiner dan aanbod

Toestand en trend van 16 ecosysteemdiensten in Vlaanderen Bron: INBO

Natuurindicatoren 2015 <30>


Soortbeschermingsplannen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Plandoelstelling

Voor soorten van internationaal belang worden soortenbeschermingsplannen opgemaakt: + 10 t.o.v. 2010 (= 28).

Doelbereik: 64% Doelverwachting: onduidelijk

Deze indicator geeft de evolutie van het aantal soortbeschermingsplannen weer.

* De Vlaams minister bevoegd voor natuurbehoud dient soortbeschermingsprogramma’s vast te stellen. Een soortbeschermingsprogramma is gericht op het verkrijgen van de gunstige staat van instandhouding van een inheemse soort of een groep van soorten in het gebied waarop het programma van toepassing is.

25

20

15

10

5

0

35 Aantal S -IHD rapporten

Tot eind 2013 zijn er 18 soortbeschermingsplannen opgesteld voor de volgende soorten of soortengroepen: vroedmeesterpad, adder, das, boomkikker, grote pimpernel, vleermuizen, gentiaanblauwtje, hamster, hazelmuis, nachtzwaluw, bruine vuurvlinder, waterrietzanger, knoflookpad, vuursalamander, argusvlinder, bruine eikenpage, heivlinder en kleine rietgans. Hiermee is 64% van de MINA-plan 4 doelstelling gehaald. Er worden sedert 2011 geen nieuwe soortbeschermingsplannen meer opgemaakt. Ze worden vervangen door soortbeschermingsprogramma’s * die het ANB kan (laten) opmaken via het Soortenbesluit. In totaal zijn er 11 soortbeschermingsprogramma’s in opmaak en/of opgestart, waarvan er één is vastgesteld, dit van de Antwerpse haven. Daarnaast stellen ook bepaalde provincies, gemeenten en erkende natuurverenigingen plannen op voor de bescherming van soorten, waardoor het aantal initiatieven om soorten via een plan te beschermen in de praktijk hoger is dan wat deze indicator weergeeft.

30

30 25 20 15 10 5 0

2011

2012

1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

Deze indicator betreft enkel soortbeschermingsplannen die zijn opgesteld op vraag van, of in samenwerking met het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Met de opmaak en de uitvoering van soortbeschermingsplannen en het nemen van beschermingsmaatregelen, prioritair voor de soorten van internationaal belang, wordt beoogd de achteruitgang van deze soorten te stoppen, de gunstige staat van instandhouding van levensvatbare populaties te verzekeren of het herstel van (de populaties van) bedreigde soorten te bevorderen.

40

Aantal soortbeschermingsplannen

In het natuurbeleids- of MINA-plan kunnen deelplannen worden opgenomen voor het behoud van de soorten waarin de doelstelling en de maatregelen inzake de bescherming van levende organismen worden vastgelegd. In die deelplannen kunnen soortbeschermingsplannen worden opgenomen met aanwijzing van de gebieden waarin deze van toepassing zullen zijn*.

1ste principiële goedkeuring

2de principiële goedkeuring definitieve goedkeuring doel MINA-plan 4

doel MINA- plan 4 Evolutie van het aantal soortbeschermingsplannen

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: ANB

Natuurindicatoren 2015 <31>

2013


Gesaneerde vismigratieknelpunten (prioriteitsklasse 1 van de strategische prioriteitenkaart) Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 14)

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Plandoelstelling

Het aandeel gesaneerde prioritaire vismigratieknelpunten neemt toe: 90% in 2015.

Doelbereik: 39% Doelverwachting: grote kans dat doel niet gehaald wordt 60

De indicator toont het aantal opgeloste migratieknelpunten op de waterlopen van de strategische prioriteringskaart vismigratie. De BENELUX-beschikking vismigratie stelt dat 90% van de hindernissen van eerste prioriteit op deze prioriteringskaart voor 31 december 2015 weggewerkt moeten worden (fase 1 – MINA-plan 4 indicator 1) en de hindernissen van tweede prioriteit voor 31 december 2021 (fase 2 – MINA-plan 4 indicator 2).

Indien het huidige saneringstempo wordt aangehouden, zal fase 1 van de BENELUX-beschikking vermoedelijk niet gehaald worden en zullen de geïnventariseerde vismigratieknelpunten van fase 2 waarschijnlijk pas na 2021 gesaneerd worden. Dat is later dan het voorgestelde uitstel. De belangrijkste obstakels zijn de beschikbare budgetten, personeelscapaciteit en maatschappelijke hinderpalen.

Aantal opgeloste knelpunten

Het netwerk van waterlopen van eerste prioriteit is ongeveer 800 km lang. Hierop bevinden zich 51 vismigratieknelpunten, waarvan 90% of 46 knelpunten voor 31 december 2015 moeten weggewerkt zijn. Deze 46 knelpunten omvatten de 35 prioritaire migratieknelpunten van het palingbeheerplan. Op 31 december 2014 waren in totaal 18 van de 46 (39%) knelpunten van fase 1 gesaneerd. Van de 35 meest prioritaire knelpunten van het palingbeheerplan zijn er echter maar 11 (31%) gesaneerd. Tegen 2015 moeten dus nog 24 knelpunten van het palingbeheerplan en vier andere knelpunten op waterlopen van eerste prioriteit opgelost worden. Het totale aantal knelpunten is veranderlijk aangezien een knelpunt soms van nature verdwijnt of bij verder onderzoek geen knelpunt blijkt te zijn.

50 Aantal opgeloste knelpunten

Omdat de vismigratieknelpunten op een belangrijk deel van de waterlopen van tweede prioriteit nog niet geïnventariseerd zijn, kan de tweede indicator (fase 2) voorlopig niet berekend worden.

50

60

40

30

20

Open trend

30

20

10

10

0 0 2001

2001 2003

2005

2007

2009

Aantal gesaneerde vismigratieknelpunten opgeloste knelpunten (prioriteitsklasse 1) doel MINA-plan 4 en fase 1 KRW

Trend: significante toename

40

doel fase 2 KRW

2011

2003 2013

2005 2015

2007 2017

2009 2019

2011 2021

opgeloste knelpunten doel MINA-plan 4 en fase 1 KRLW doel fase 2 KRW Bron: VMM (afdeling Water) en Waterwegen en Zeekanaal NV

Natuurindicatoren 2015 <32>

2013


Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020 15.2

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: soorten van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.

Deze indicator beschrijft de staat van instandhouding van de soorten van de Habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal soorten die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat dikwijls om soorten van specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die soorten wordt geëvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria, namelijk de populaties van de soort, het areaal of verspreidingsgebied, de habitat en de toekomstverwachtingen. Meer dan de helft van de soorten (34 op 59) bevinden zich in een zeer U2 +; 10 ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast hebben nog tien soorten (16%) een matige staat van instandhouding en zijn zes soorten (10%) onbekend. Slechts negen soorten, waarvan drie amfibieën (bastaardkikker, europese meerkikker, bruine kikker), één vis (bittervoorn) en vijf vleermuizen (laatvlieger, baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis) hebben een goede staat van instandhouding. In vergelijking met 2007 verbeterde van 14 soorten de staat van instandhouding, maar tegelijk verslechterde de toestand van 17 soorten in Vlaanderen (Louette et al. 2013).

XX; 6 U2 =; 3

XX; 6

FV; 9

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

FV; 9

U2 =; 3 U1 x; 2

U1 x; 2

U1 +; 4

U1 +; 4

U2 +; 10

U1 =; 4

U2 x; 4

U2 x; 4

U1 =; 4

gunstig (FV) gunstig (FV) matig ongunstig matig (U1) ongunstig (U1) zeer ongunstig zeer (U2) ongunstig (U2)

U2 -; 17

U2 -; 17

ongekend (XX) ongekend (XX)

Beoordeling van de staat van instandhouding van de soorten (partim niet vogels) van Europees belang (2013). Per categorie geven we het aantal soorten weer dat verbeterd (+), gelijk blijft (=), verslechterd (-) of waarvan de trend niet bekend is (x) Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: INBO

Natuurindicatoren 2015 <33>


Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020 15.2

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: habitats van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Deze indicator beschrijft de staat van instandhouding van de habitats van de Habitatrichtlijn. FV; 5

De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal habitattypen die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat hier meestal om zeer specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die habitattypen wordt geëvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria: het areaal of verspreidingsgebied, de oppervlakte, de kwaliteit en de toekomstverwachtingen. Meer dan drie kwart van de habitattypen (38 op 47) bevinden zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast zijn er nog vier habitattypen (9%) in een matig ongunstige staat: een kustduinhabitat, een waterhabitat, een graslandhabitat en een veen- en moerashabitat. Slechts vijf habitattypen bevinden zich in een gunstige staat van instandhouding: een zilt habitat (bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten), een kustduinhabitat (duinen met duindoorn), een waterhabitat (kranswierwateren), een graslandhabitat (rotsbodemgrasland), en het grothabitat (niet voor publiek opengestelde grotten). Ondanks het overgrote deel aan habitattypen die in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeren, kennen zeven ervan toch een lichte verbetering op het terrein ten opzichte van 2007 (Louette et al. 2013).

U1=; 4

FV; 5

U2=; 31

U2=; 31

gunstig (FV) U1=; 4

U2+; 7

matig ongunstig (U1) zeer ongunstig (U2)

gunstig (FV) U2+; 7

matig ongunstig (U1) zeer ongunstig (U2)

Beoordeling van de habitattypen van de Habitatrichtlijn per staat van instandhouding. Per categorie geven we het aantal habitats weer dat verbeterd (+), gelijk blijft (=), verslechterd (-) of waarvan de trend niet bekend is (x)

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: INBO

Natuurindicatoren 2015 <34>


Status broedvogels van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020 15.2

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: soorten van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.

100 50 0 -50 -100 -150 grote stern kwartelkoning kwak steltkluut strandplevier ooievaar porseleinhoen roerdomp grauwe klauwier woudaapje dwergstern lepelaar kluut zwartkopmeeuw bruine kiekendief visdief kleine zilverreiger middelste bonte specht slechtvalk kleine mantelmeeuw

De populatiedoelen werden bereikt voor kleine mantelmeeuw, middelste bonte specht en slechtvalk. De twee laatste blijven sinds 2007 in aantal toenemen (Anselin et al. 2013). Voor zes soorten is de populatie nog tot 50% verwijderd van het doel, variërend van 13% bij kleine zilverreiger tot 45% bij lepelaar. Bij kleine zilverreiger, zwartkopmeeuw en visdief wordt het doel twee of één keer binnen de zes jaar bereikt. Voor de andere 11 soorten blijft de afstand nog zeer groot, tussen 50-100% van het doel. Voor de meeste van deze soorten is hun populatie nog op een zodanig laag peil dat er zeer drastische maatregelen nodig zijn om tot een herstel te komen. Naast het behoud van hun habitats kunnen grootschalige natuurontwikkelings- en restauratiewerken helpen om deze negatieve trend te keren, maar zeker voor soorten met grote homeranges is een algemene verbetering van de wijdere omgeving rond hun broedgebied noodzakelijk. Het verhogen van de algemene kwaliteit van (kleinschalige) landbouwlandschappen is hierbij belangrijk.

150 % ten opzichte van doel

De indicator toont voor de periode 2007-2012 het gemiddelde percentage in de afstand van de broedpopulatie (aantal broedparen of territoria) tot de gestelde gewestelijke doelpopulatie binnen de instandhoudingsdoelstellingen van de broedvogels van Europees belang (“distance to target”).

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Evolutie “distance to target” broedvogels van Europees belang 2007-2012 Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: Monitoringsproject Bijzondere Broedvogels, INBO, KBIN (Slechtvalk).

Natuurindicatoren 2015 <35>


Status watervogels van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020 15.2

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: soorten van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.

150

100

% ten opzichte van doel

50

0

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

rietgans

grote zilverreiger

kolgans

wulp

kleine zwaan

kleine Rietgans

grauwe gans

krakeend

kuifeend

smient

slobeend

steenloper

bergeend

kluut

pijlstaart

wintertaling

tafeleend

-100

kemphaan

-50

goudplevier

De populatiedoelen werden bereikt voor alle vier de ganzensoorten, kleine zwaan, wulp en grote zilverreiger (Anselin et al. 2013). Bij smient, krakeend en kuifeend is de afstand tot de doelstellingen relatief klein (minder dan 10%). Voor negen soorten is die afstand aanzienlijk groter, variërend van 34% bij slobeend tot 74% bij goudplevier. Het gaat meestal om soorten die de voorbije tien winters een significante afname vertoonden in Vlaanderen. Die afname kan bij bepaalde soorten gedeeltelijk toegeschreven worden aan grootschalige verschuivingen binnen het Europese winterareaal (bv. kemphaan). Bij de meeste soorten is er evenwel een duidelijk verband met ecologische veranderingen in waterrijke gebieden binnen Vlaanderen (zoals in het Zeeschelde-estuarium). Om de populatiedoelen te halen kan in een groot aantal gebieden de draagkracht voor watervogels verhoogd worden via gepaste inrichtings- en beheermaatregelen (bv. vernatting en beperken van verstoring).

Bron: Meetnet/databank watervogeltellingen Vlaanderen INBO

De indicator toont voor 19 soorten watervogels van Europees belang (= die in Vlaanderen in Europees belangrijke aantallen voorkomen), de procentuele afstand van de gemiddelde Vlaamse winterpopulatie over de laatste vijf winters tot de gestelde gewestelijke doelpopulatie binnen de instandhoudingsdoelstellingen van de soort (“distance to target”).

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Evolutie “distance to target” watervogels van Europees belang 2008-2013

Natuurindicatoren 2015 <36>


Oppervlakte Natura 2000 180000

Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelin160000 gen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt. (SEBI 01)

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

120000

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

100000

80000 Deze indicator toont de evolutie van de oppervlakte Natura 2000.

180000

De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn hebben tot doel een aantal soorten en habitats van Europees belang te beschermen. Om dat te helpen 60000 realiseren, werd het Europese Natura 2000-netwerk afgebakend. Het omvat momenteel ongeveer 26.000 Speciale Beschermingszones (Vo40000 en bestrijkt 18% van de gelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden) landoppervlakte van de EU.

2014

2012

2010

2008

2004

2002

100000

2006

120000

80000 60000

Vogelrichtlijngebied

40000

Habitatrichtlijngebied Natura 2000

20000

2014

2012

2010

2008

2006

2004

2002

2000

1998

1996

1994

1992

1990

0 1988

In 2013 is met de uitbreiding het SBZ-H â&#x20AC;&#x2DC;Uiterwaarden langs de Limburgse Maas en Vijverbroekâ&#x20AC;&#x2122; de oppervlakte Natura 2000 met ca. 133 ha toegenomen. Er is geen verdere uitbreiding van het Natura 2000-netwerk in Vlaanderen in het vooruitzicht gesteld. Voor de definitieve aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden opteerde de Vlaamse Regering ervoor om per gebied een apart aanwijzingsbesluit goed te keuren, waarin meteen ook de instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied (S-IHD) worden opgenomen.

140000

1998 Oppervlakte (ha)

1996

1994

1992

1990

1988

20000 aangewezen met een In Vlaanderen werden 24 Vogelrichtlijngebieden gezamenlijke oppervlakte van 98.243 ha of 7,3% van de landoppervlakte. Er werden 38 Habitatrichtlijngebieden vastgesteld met een gezamenlijke 0 oppervlakte van 105.022 ha of 7,8% van de Vlaamse landoppervlakte. De totale oppervlakte Natura 2000 bedraagt daarmee 166.322 ha (12,3% van de Vlaamse landoppervlakte). De mariene gebieden zijn daar niet bij inbegrepen. Zij behoren tot de bevoegdheid van de Belgische federale overheid. In 2008 was er een uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied nadat op vraag van de Europese Commissie, de vaargeul van het IJzer- en het Schelde-estuarium mee werd afgebakend.

160000

2000

Oppervlakte (ha)

140000

Oppervlakte Vogelrichtlijngebied, Habitatrichtlijngebied en Natura 2000 in Vlaanderen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: ANB, INBO

Natuurindicatoren 2015 <37>

Voge

Habi


Aantal S-IHD rapporten definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020 15.2

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.

MINA-plan 4 Plandoelstelling

De instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden zijn vastgesteld en het grootste deel van de maatregelen zijn in uitvoering. Alle aanwijzingsbesluiten zijn definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

Vlaanderen heeft ervoor gekozen om de noodzakelijke maatregelen voor het behalen van deze GSVI eerst op regionaal niveau te definiëren. In een tweede fase die nu ten einde loopt, worden voor elk van deze SBZ gebiedseigen instandhoudingsdoelen (S-IHD) opgesteld. Hierbij wordt bij de uitvoering op het terrein rekening gehouden met sociaaleconomische aspecten. Deze S-IHD rapporten werden vertaald in aanwijzingsbesluiten die een bindend karakter hebben. In een eerste trein werden de S-IHD bepaald voor alle SBZ-H en de SBZ-V die een sterke overlapping hebben. 36 S-IHD rapporten (waarin alle 38 SBZ-H behandeld worden) zijn definitief goedgekeurd. Van de overige vijf gebieden zijn er rapporten in diverse fasen van opmaak. Deze rapporten zullen een gelijkaardig overlegproces doorlopen. In heel wat SBZ zijn al meerdere jaren IHD-gerichte maatregelen in uitvoering. Medio 2015 zijn er van de 41 op te stellen S-IHD rapporten 36 definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Hiermee is ca. 90% van de MINA-plan 4 doelstelling gerealiseerd.

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

50

40

45

35

40 Aantal S - IHD rapporten

De implementatie van het Europese natuurbeleid verloopt in de verschillende lidstaten momenteel op kruissnelheid. Zo heeft Vlaanderen de doelstellingen uit de Habitatrichtlijn in grote mate vertaald naar zijn eigen wetgeving. Zo werden er gebieden, zogenaamde speciale beschermingszones (SBZ) afgebakend, met als doel de gunstige staat van instandhouding (GSVI) van de daarin aanwezige habitats en soorten te realiseren. Voor de Habitatrichtlijn resulteerde dit in 38 SBZ-H, voor de Vogelrichtlijn in 24 SBZ-V. Onderling is er geregeld (sterke) overlap.

45

Aantal S - IHD rapporten

Deze indicator geeft de evolutie van de goedkeuring van de S-IHD rapporten weer.

50

Doelbereik: 90%Doelverwachting: onduidelijk (geen trendberekening)

35 30 25

30

20 15

20

doel MINA-plan 4

10

15 10

5

5

0

0

1 ste principiële goedkeuring 2 de principiële goedkeuring definitieve goedkeuring blokjes legende

25

2011

2012

2013

Overzicht aantal goedgekeurde S-IHD rapporten

2014

2011

2012

2013

2015

1ste principiële goedkeuring

1ste principiële goedkeuring

2de principiële goedkeuring

2de principiële goedkeuring

definitieve goedkeuring

definitieve goedkeuring

doel MINA- plan 4

doel MINA- plan 4

Bron: ANB, natuurverenigingen, INBO

Natuurindicatoren 2015 <38>

2014


Oppervlakte met effectief natuurbeheer (planperiode: MINA-plan 4) Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020 15.2 & 15.3

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. Zowel de beboste oppervlakte als de kwaliteit ervan nemen aanzienlijk toe en minstens de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart.

MINA-plan 4 Plandoelstelling

In 2015 is meer kwaliteitsvolle natuur onder effectief natuurbeheer gerealiseerd: 70.000 ha.

Volgens MINA-plan 4 omvat deze indicator de Vlaamse natuur- en bosreservaten, de erkende natuur- en bosreservaten, de militaire domeinen met een natuurprotocol, de domeinbossen en bossen in eigendom van derden met een goedgekeurd beheerplan conform de criteria duurzaam bosbeheer en parken in eigendom van de Vlaamse overheid of van derden met een goedgekeurd beheerplan conform principes harmonisch park- en groenbeheer.

80000

In 2014 bedroeg de oppervlakte â&#x20AC;&#x2DC;met effectief natuurbeheerâ&#x20AC;&#x2122; 76.206 ha. Dat is een toename met 12.877 ha t.o.v. het begin van de planperiode in 2011. De plandoelstelling van 70.000 ha is daarmee behaald. De oppervlakte nam in 2014 het meest toe bij de bossen in eigendom van derden met een goedgekeurd beheerplan (+ 3.718 ha), de erkende natuurreservaten (+ 1.499 ha) en de domeinbossen met een goedgekeurd beheerplan conform de criteria duurzaam bosbeheer (+ 1.025 ha). In beperktere mate namen ook de oppervlaktes bosreservaat (+ 40 ha) en parken in eigendom van derden met een goedgekeurd beheerplan conform principes harmonisch park- en groenbeheer (+ 27 ha) toe

50000

Doelbereik: 100% Doelverwachting: doel is gehaald (geen trendberekening)

80000

70000 70000

60000

60000

parken in eigendom Vlaamse overheid

parken in eigendom Vlaamse overheid met goedgekeurd beheerplan* met goedgekeurd beheerplan*

parken van derden met goedgekeurd

50000

parken van derden met goedgekeurd beheerplan* beheerplan*

40000 40000

bossen in eigendom derden bossen in eigendom van van derden met met beheerplan** beheerplan**

30000 30000

militair domein natuurbeheer militair domein metmet natuurbeheer

domeinbossen uitgebreid domeinbossen metmet uitgebreid bosbeheerplan** bosbeheerplan** bosreservaat bosreservaat erkend natuurreservaat erkend natuurreservaat

20000 20000

Vlaams natuurreservaat Vlaams natuurreservaat doel MINA-plan 4

doel MINA-plan 4

10000

10000

0

* conform principes harmonisch park- en groenbeheer conform principes harmonisch park- en groenbeheer ** *conform criteria duurzaam bosbeheer

0

** conform criteria duurzaam bosbeheer

2011

2012

2011 2012 Oppervlakte met effectief natuurbeheer

2013

2013

2014

2014

2015

2015 Bron: ANB, natuurverenigingen, INBO

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Natuurindicatoren 2015 <39>


160000

Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en Natuurverwevingsgebied (NVWG) 140000 Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van 120000 de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Plandoelstelling (VEN) Bijkomend op te volgen (NVWG)

VEN: In 2020 is voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. NVWG: Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.

Oppervlakte (ha)

Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Om de versnippering van natuurgebieden tegen te gaan en tot grotere en beter verbonden leefgebieden voor planten en dieren te komen, voorzien het Natuurdecreet, de opeenvolgende MINA-plannen en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) de afbakening van 125.000 ha (9,2% van de Vlaamse landoppervlakte) Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN).

120000

afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk

100000

oppervlakte Natuurverwevingsgebied

80000

doel VEN in Natuurdecreet doel NVWG in Natuurdecreet

60000

oorspronkelijk doel VEN in RSV

40000

doel in herziene RSV

20000

doel MINA- plan 4

2015

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

0

Oppervlakte afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk en Natuurverwevingsgebied Trend: VEN significante toename, NVWG: significante toename

Open trend

afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk oppervlakte Natuurverwevingsgebied

doel VEN in

Bron: ANB

Natuurindicatoren 2015 <40>

2007

2006

2005

2004

140000

2003

2002

0

2003

In het Mina-plan 4 (2011-2015) werd de doelstelling voor het VEN verlegd naar 2015. Het Natuurdecreet werd aangepast in die zin waarbij gesteld werd dat de einddatum voortaan een streefdatum is. Bij de tweede herziening van het RSV werd 2007 als planhorizon geschrapt; het RSV blijft voortaan geldig tot het wordt herzien.

Doelbereik VEN: 72% Doelbereik NVWG:60000 n.v.t. Doelverwachting VEN: kleine kans dat doel gehaald wordt 40000 Doelverwachting NVWG: n.v.t.

160000

2002

De tweede fase wordt sinds 2006 aangepakt via gebiedsgerichte planningsprocessen in 13 buitengebiedregioâ&#x20AC;&#x2122;s. Midden 2009 was er een ruimtelijke visie voor alle regioâ&#x20AC;&#x2122;s. Voor iedere regio keurde de Vlaamse Regering een operationeel uitvoeringsprogramma goed met o.a. een lijst van op te maken ruimtelijke uitvoeringsplannen. De afbakening loopt achter op schema. Oorspronkelijk was voorzien dat de afbakening afgerond zou zijn begin 2003 (volgens het Natuurdecreet) en 2007 (volgens het RSV). Ongeveer 12 jaar na het verstrijken van de einddatum in het Natuurdecreet en het MINA-plan 2 en zes jaar na het streefjaar in het RSV zijn 72% van het VEN (ca. 90.500 ha) en 3% (of 5% volgens het herziene RSV) van het NVWG (ca. 4.300 ha) afgebakend.

80000

20000

Oppervlakte (ha)

Het Natuurdecreet bepaalt dat er 150.000 ha (11% van Vlaanderen) natuurverwevingsgebied (NVWG) afgebakend dient te worden. In de tweede herziening van het RSV (bekrachtigd begin 2011) is 80.000 ha NVWG voorzien. Verder kan er een onbepaalde oppervlakte natuurverbindingsgebied afgebakend worden. De afbakening van het VEN verloopt in twee fasen: in de eerste fase (2002-2003) werden consensusgebieden opgespoord op basis van de Gewenste Natuur- en Bosstructuur en de Gewenste Agrarische Structuur. Dat resulteerde in de afbakening van ca. 85.000 ha als overdruk op het gewestplan. Hierna werden nog 8.000 ha ruimtelijke uitvoeringsplannen in de consensusgebieden voorgesteld waarvan uiteindelijk iets minder dan 2.000 ha goedgekeurd werd.

100000


Oppervlakte bos volgens Boswijzer Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020 15.3

Zowel de beboste oppervlakte als de kwaliteit ervan nemen aanzienlijk toe en minstens de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart: toename tegen 2020 t.o.v. de nulmeting (= data 2010).

MINA-plan 4 Plandoelstelling

Tegen 2020 nemen de beboste oppervlakte en de kwaliteit ervan aanzienlijk toe. Toename (2020) t.o.v. nulmeting (= data 2010).

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: onduidelijk (geen trendberekening) 200.000

Op basis van de laatste meting 180000(2013) bedraagt de oppervlakte 185.686 ha (betrouwbaarheidsgrenzen -14.163 ha en +1.803 ha, 160000 Van der Linden et al. 2013). Omdat het verschil met de eerste meting (= nulmeting in 2010)140000 van de Boswijzer nl. 8.362 ha, zich binnen 120000 dit betrouwbaarheidsinterval bevindt, is het niet mogelijk om een uitspraak de te doen over100000 de recente trend en dus na te gaan of de beboste oppervlakte al dan niet toeneemt t.o.v. de nulmeting. 80000 60000 40000 0

200.000 180.000 200000 180000 160.000 160000 140000 140.000 120000 120.000 100000 80000 100.000 60000 80.000 40000 20000 60.000 0 40.000 20.000

20000 2010

2013

oppervlakte bos volgens boswijzer Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

2016

Oppervlakte bos volgens Boswijzer (ha)

200000

180.000

Oppervlakte bos volgens Boswijzer (ha)

De indicator ‘Oppervlakte bos volgens de Boswijzer’ is een meting van de bosoppervlakte op grondgebied Vlaanderen op basis van een nieuw instrument dat gebruik maakt van hoge resolutie digitale luchtfoto’s, de Boswijzer. Aan de hand van vastgestelde criteria worden deze foto’ s geanalyseerd. De Boswijzer geeft de bedekking van bomengroepen en dit resulteert in een hogere oppervlakte dan wat volgens het Bosdecreet als bos wordt beschouwd. Anderzijds geeft de Boswijzer terreinen zonder bomen, bijvoorbeeld door een kap voorzien in het beheer, niet als bos weer terwijl deze oppervlakte volgens het Bosdecreet nog steeds bos is.

0

160.000 140.000 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000

2010

2013

0

2016

oppervlakte bos volgens boswijzer 2010

2013

2016

2010

2013

oppervlakte bos volgens Boswijzer

Oppervlakte bos in Vlaanderen volgens de Boswijzer oppervlakte bos volgens Boswijzer

Bron: ANB

Natuurindicatoren 2015 <41>

2016


Oppervlakte aandeel toegankelijke bossen en natuurreservaten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Plandoelstelling

Het aandeel toegankelijke bossen en natuurreservaten in Vlaanderen verhoogt: 60% in 2015.

Deze indicator geeft de evolutie weer van de oppervlakte van toegankelijke bossen en natuurreservaten met toegankelijkheidsregeling, in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering (5/12/2008). Toegankelijkheidsregelingen goedgekeurd voor 4 februari 2009 blijven nog van kracht tijdens een overgangsperiode tot 14 februari 2015.

De oppervlakte toegankelijke bossen en natuurreservaten is in 2013 meer dat verdubbeld ten opzichte van 2012 en ging van 7.074 ha naar 15.486 ha. In 2014 kwam daar nog eens 12.094 ha bij en steeg de totale oppervlakte toegankelijke bossen tot 27.581 ha. Hiermee is 23% van de plandoelstelling (MINA-plan 4) gehaald. Er is dus een duidelijke toename maar de doelstelling zal hoogstwaarschijnlijk niet gehaald worden. Dit heeft onder andere te maken met het vaak lange inspraaktraject dat nodig is bij de opmaak en de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling. Trend: significante exponentiële toename

Open trend

140000 120000 100000 140000 Oppervlakte (ha) Oppervlakte (ha)

Naast een kwaliteitsvol en duurzaam beheer van natuur- en bosgebieden wil de Vlaamse overheid aandacht besteden aan de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van de natuur- en bosgebieden. In zowel het Bos- als het Natuurdecreet staat de principiële toegankelijkheid ingeschreven. Dat betekent dat alle bossen en natuurreservaten voor voetgangers toegankelijk zijn op de wegen. Privé-boseigenaars kunnen dit principe steeds omkeren en hun bossen onvoorwaardelijk afsluiten. Beheerders van bossen en natuurreservaten kunnen deze principiële toegankelijkheid uitbreiden via de toegankelijkheidsregeling. Via dit instrument kunnen andere gebruikers dan voetgangers, bv. ruiters, toegelaten worden of kunnen bepaalde zones als speel- of bivakzone worden aangeduid.

Doelbereik: 23% Doelverwachting: kleine kans dat doel gehaald wordt

80000 120000

oppervlakte bossen en natuurgebieden met toegankelijkheidsregeling

60000 100000

MINA- plan 4 doel

40000 80000

oppervlakte bossen en natuurgebieden met toegankelijkheidsregeling

20000 60000 0 40000

2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

MINA- plan 4 doel

Evolutie20000 oppervlakte van toegankelijke bossen en natuurreservaten met toegankelijkheidsregeling 0

Bron: ANB

2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 Natuurindicatoren 2015 <42>


Oppervlakte speelzones in bossen en natuurreservaten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Plandoelstelling

+ 45% (1.000 ha) t.o.v. 2009 ( = 3.362 ha)

Doelbereik: 70% Doelverwachting: kleine kans dat doel gehaald wordt

4000

3500 4000

Open trend

2500 2000

3000

L A V O W

2500 Oppervlakte (ha)

2000 1500 1500 1000 1000 500 500 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 0 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

2000 1500 1000 500

2015 2015

0

2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

3000

speelzones in Vlaanderen doel MINA-plan 4 speelzones in Vlaanderen 2500 doel MINA-plan 4

Evolutie van de totale oppervlakte 2000 speelzones in Vlaanderen (links) en per provincie (rechts)

Oppervlakte (ha)

Trend: significante trend, top bereikt (totale oppervlakte)

2500 3000

Oppervlakte (ha)

Het merendeel van de speelzones is in bos gelegen. Sinds de wijziging aan het Natuurdecreet in 2006 kunnen ook speelzones in natuurreservaten worden aangeduid. In 2014 bedraagt de oppervlakte speelzone in natuurreservaten 36 ha. Sinds de zomer van 2013 worden ook zomerspeelzones aangeduid. Dit zijn speelzones die uitsluitend tijdens de zomermaanden juli en augustus bespeelbaar zijn en die vooral gebruikt worden door de ca. 150.000 kinderen en jongeren die tijdens de zomermaanden op kamp trekken met de jeugdbeweging. Een groot deel van de zomerspeelzones liggen dan ook in de onmiddellijke buurt van de kamphuizen.

3000 3500

Oppervlakte (ha)

Speelzones zijn zones in bossen (privé en openbaar) en natuurreservaten (Erkende en Vlaam­ se) waar zonder voorafgaande toestemming van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en de eigenaar kan gespeeld worden. In 2014 zijn er in totaal ± 2.337 ha bos en natuurreservaat aangeduid als speelzone. Hiermee is ± 70% van de plandoelstelling uit het MINA-plan 4 gerealiseerd.

Limburg Antwerpen Vlaams-Brabant Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen Bron: ANB

1500 1000

Natuurindicatoren 2015 <43>


Aandeel stedelijke of kleinstedelijke gebieden met een stadsbos of stadsbosproject Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020 15.3

Zowel de beboste oppervlakte als de kwaliteit ervan nemen aanzienlijk toe en minstens de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart: de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart.

MINA-plan 4 Plandoelstelling

Meer stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikken over een stadsbos of zijn ermee gestart: 40% in 2015.

Doelbereik: 100% Doelverwachting: doel is gehaald

Deze indicator geeft de evolutie van het aandeel stadbos of stadbosprojecten binnen de stedelijke of kleinstedelijke gebieden weer.

De provincies Oost- en West- Vlaanderen scoren het hoogst wat het 20 aantal stadbosprojecten betreft, respectievelijk 15 en 14 projecten. De provincie Limburg scoort met één stadbosproject voor de tien aanwezige stedelijke of kleinstedelijke gebieden het laagst, maar in deze provincie is 10 al heel wat bos aanwezig. De nood aan stadsbosprojecten in Limburg is kleiner. 0 Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

70 60

Aandeel stedelijke gebieden met een stadsbosproject of stadsbos (%)

Aandeel stedelijke gebieden met een stadsbosproject of stadsbos (%)

Vlaanderen is één van de meest dichtbebouwde regio’s ter wereld. Ongeveer 21 % van de bevolking in Vlaanderen beschikt niet over een 70 groene ruimte op wandelafstand voor dagdagelijks gebruik (Simoens et al. 2014). Om de leefbaarheid van de steden in Vlaanderen te verhogen, wil de Vlaamse overheid onder meer zorgen voor meer toegankelijke 60 stadbossen nabij stedelijke gebieden. Op basis van een aantal criteria opgesteld door het Agentschap van Natuur en Bos, wordt een bos al dan niet als stadsbos beschouwd. Zo wordt onder meer rekening gehouden 50 met de oppervlakte, de toegankelijkheid, de bereikbaarheid met fiets en/of openbaar vervoer, de aanwezigheid van recreatieve functies en de aanwezigheid van een onthaalpunt. Bij voorkeur heeft een stadsbos op het gewestplan/ruimtelijk uitvoeringsplan een groene bestemming. Se- 40 dert 2010 neemt het aantal stedelijke gebieden met een stadsbos of een opgestart stadsbosproject toe. In 2014 hebben 62% van de 56 groot- en kleinstedelijke gebieden een stadsbosproject opgestart. Hiermee is de30 MINA-plan 4 plandoelstelling van 40% ruim gehaald.

50 40 30

% aandeel stedelijke gebieden met een stadsbosproject of stadsbos

20

% aandeel stedelijke doel MINA-plan gebieden met een 4 stadsbosproject of stadsbos

10 0

2010

2011

2012

2013

2014

2015

doel MINA-plan 4

Evolutie van het aandeel stadsbos of stadsbosprojecten binnen de stedelijke of kleinstedelijke 2010 2011 gebieden 2012 2013 2014 2015

Bron: ANB

Natuurindicatoren 2015 <44>


Trend Zuid-Europese libellensoorten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: impact op natuur als gevolg van klimaatwijziging.

500

Trend: aantal locaties per soort: significante toename aantal soorten: significante toename

Open trend

200

2013

2009

2011 2011 2013

2005

2007 2007 2009

2003 2005

2001 2003

1999 2001

1997 1999

100

0

9

zwervende zwervende pantserjuffer

8

zwervende zwervende heidelibel

7 6

5

pantserjuffer

heidelibel

zuidelijke zuidelijke oeverlibel

oeverlibel

zuidelijke zuidelijke keizerlibel

keizerlibel

4 4

zuidelijke zuidelijke heidelibel heidelibel

3 3

zuidelijke zuidelijke glazenmaker glazenmaker

2 2

1995 1997

0

5

300

1995 1993

100

6

1993 1991

200

400

1991 1989

300

7

1989 1985

400

8

500

1985

Uit de figuur blijkt dat zowel het aantal vindplaatsen voor elk van deze negen soorten als het aantal Zuid-Europese soorten toenam sinds 1980. Een eerste toename dateert van 1994, gevolgd door een tweede sterke stijging vanaf 2006, en dit zowel voor het aantal vindplaatsen als het aantal soorten. Ondanks jaarlijkse schommelingen, meestal te wijten aan ongunstige weersomstandigheden tijdens de vliegtijd, is deze trend duidelijk en significant. Nooit eerder werden deze Zuid-Europese libellensoorten op zoveel locaties in Vlaanderen waargenomen als in 2013. Soorten als de vuurlibel en de gaffelwaterjuffer kwamen in Vlaanderen vroeger alleen als zwerver voor, maar hebben hier nu al enige jaren verschillende populaties (De Knijf et al. 2006, 2010).

Aantal locaties

Zo breiden verschillende Zuid-Europese libellensoorten zich uit naar het noorden. Populaties van deze soorten waren tot 1980 onbekend in Noordwest-Europa. Hier analyseerden we de evolutie van het aantal vindplaatsen van negen Mediterrane libellensoorten in Vlaanderen sinds 1980, en het aantal waargenomen Zuid-Europese libellensoorten.

9

Aantal soorten

Meer en meer zijn er duidelijke aanwijzingen dat klimaatverandering een impact heeft op de biodiversiteit, zowel soorten als habitats in Vlaanderen. Dit uit zich zowel in temporele verandering, bv. fenologie (bloeiperiode, aankomst trekvogels, vliegtijd,â&#x20AC;Ś) als in ruimtelijke verschuivingen.

10 10

600

Aantal soorten

600

Aantal locaties

Deze indicator toont de trend van het aantal vindplaatsen van Zuid-Europese libellensoorten en het aantal waargenomen soorten in Vlaanderen sinds 1980.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

zadellibel zadellibel vuurlibel vuurlibel

1 1

gaffelwaterjuffer gaffelwaterjuffer

0 0

aantalzuiderse zuiderse aantal soorten soorten

Evolutie van het aantal locaties per soort (staafdiagram) voor 9 zuiderse libellensoorten en evolutie van het totaal aantal van deze zuiderse libellensoorten (puntenlijn) Bron: Libellenvereniging Vlaanderen vzw, en de gemeenschappelijke databank van Natuurpunt Studie vzw en de Libellenvereniging Vlaanderen vzw die verzameld werden via www.waarnemingen.be

Natuurindicatoren 2015 <45>


Bladontwikkeling eik en beuk Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: impact op natuur als gevolg van klimaatwijziging

Open trend

20

20

15

10

5

15

10

begin b

begin bladontplooiing eik en beuk blad volledig ontplooid eik en beuk

5

15

0

2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

0

2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

20

begin bladontplooiing eik en beuk

10

blad volledig ontplooid eik en beuk

5 Evolutie bladontwikkeling beuk (links) en eik (rechts) 0

2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

Trend: begin bladontplooiing eik: geen significante afname blad volledig ontplooid eik: geen significante toename begin bladontplooiing beuk: geen significante afname blad volledig ontplooid beuk: geen significante afname

25

25

Weeknummer in het jaar

Het beeld voor beuk is vrij gelijkaardig, maar de bladontwikkeling gebeurt sneller. Ook bij beuk begon bladontwikkeling het vroegst in 2007 en was het laatst ontwikkeld in 2013. De verschillen zijn echter kleiner dan bij eik. Door verdere opwarming komen bomen steeds vroeger in blad. Hierdoor verlengt het groeiseizoen en kunnen bomen meer groeien. Dit lijkt op het eerste gezicht positief, maar het is onduidelijk wat dit betekent voor de boomvitaliteit. Het huidige groeiritme is immers met vele organismen afgestemd. Wijzigende boomfenologie kan bijdragen tot het al dan niet voorkomen van insectenplagen of ziekten.

Weeknummer in het jaar

Klimaatverandering heeft een impact op de biodiversiteit, die zich o.a. uit in temporele verandering, bv. fenologie. Het uitlopen van zowel eik als beuk verloopt vroeger in warme jaren dan in koude. Bij verdere opwarming vervroegt en verlengt het groeiseizoen van bomen hierdoor. Er zijn echter grote jaarlijkse schommelingen die gelinkt kunnen worden aan de voorjaarstemperatuur. Bladontwikkeling bij eik begint half april. Dit gebeurde in de observatieperiode nagenoeg op hetzelfde moment, maar in 2007 (warm voorjaar) was dat 10 dagen vroeger. In jaren met een kouder voorjaar zoals 2006 en 2013 was dit eind april tot begin mei.

25

Weeknummer in het jaar

Deze indicator bespreekt de evolutie van het begin en het einde van de bladontplooiing van eik en beuk. Sinds 2002 worden door het INBO fenologische opnames gedaan in Meerdaalwoud en ZoniĂŤnwoud. Voor deze indicator wordt de evolutie in de tijd van de dag waarop de bomen beginnen in blad te komen en de dag waarop ze volledig in blad staan onderzocht.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Bron: INBO

Natuurindicatoren 2015 <46>

blad vo


Piekmoment stuifmeelproductie bij berk en grassen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: impact op natuur als gevolg van klimaatwijziging.

Datum hoogste stuifmeelpiek berk

19 april 14 april 9 april 4 april

30 maart

1988

19 mei

24 april

1984

29 mei

1982

1974 1976 1978 1980 1982 1984 1986 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014

4 april

8 juni

1980

9 april

1978

14 april

18 juni

1976

19 april

28 juni

1974

Datum hoogste stuifmeelpiek grassen

24 april

30 maart

29 april

8 juli

1974 1990 1976 1992 1978 1994 1980 1996 1982 1998 1984 2000 1986 2002 1988 1990 2004 1992 2006 1994 2008 1996 2010 1998 2012 2000 2014 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014

29 april

Datum hoogste stuifmeelpiek berk

Sinds 1974 wordt door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid de concentratie aan berkenstuifmeel en diverse grassen in de lucht opgemeten te Elsene. Wanneer de dag waarop de stuifmeelconcentratie van de berk en diverse grassen de hoogste waarde bereikte (= piekmoment), uitgezet wordt over de tijd, blijkt dat de piek van jaar tot jaar heel grote schommelingen vertoond. Uit de trend van het vijfjaarlijkse gemiddelde van de berk, blijkt er een duidelijke vervroeging te zijn opgetreden over de jaren heen. Voor deze boomsoort blijkt de piek in de periode 1975-1985 te vallen rond 21 april, terwijl die in de periode 1995-2015 meer dan een week vroeger valt. De laatste tien jaar blijkt die ongeveer gelijk te blijven. Ook uit de trend van het vijfjaarlijkse gemiddelde van de grassoorten, blijkt er een duidelijke vervroeging te zijn over de jaren heen. De piek blijkt in de periode 1975-1985 rond acht juni te vallen, terwijl die in de periode 1995-2015 ongeveer een week vroeger valt.

4 mei

4 mei

1986

Deze indicator toont de evolutie van het piekmoment van de stuifmeelproductie van de berk en diverse grassoorten.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

jaarlijkse piek

jaarlijkse piek

vijfjaarlijks gemiddelde

vijfjaarlijks gemiddelde

Evolutie jaarlijkse en vijfjaarlijks gemiddelde stuifmeelpiek van berk (links) en vijfjaarlijks gemiddelde stuifmeelpiek van grassen (rechts)

Trend: significante afname (berk + grassen)

Open trend

Bron: Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid

Natuurindicatoren 2015 <47>


Aantal uitheemse soorten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5

Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen. (SEBI 10)

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.

Trend: significante toename (planten) geen correcte trendbepaling mogelijk (dieren)

Bron: Florabank (een initiatief van Flo.Wer, INBO en Agentschap Plantentuin Meise

Bron: INBO, VLIZ ‘Alien Species Consortium’

Open trend Natuurindicatoren 2015 <48>

2015

1995

2015

1980

1965 1995

1950 1980

1935 1965

Aantal uitheemse diersoorten

1920 1950

1905

1890 1920 1905 1935

1890

1875

1875

1860

Aantal uitheemse plantensoorten

20 0

1860

0

1845

2

estuarien/marien

1830 1845

4

terrestrisch en zoetwater

estuarien/marien

1815 1830

6

terrestrisch en zoetwater

1800 1815

8

1800

10

300300 280 280 260 260 240 220240 200220 180200 160180 140160 120140 100120 80 100 60 80 40 20 60 0 40

Aantal uitheemse diersoorten

12 Aantal uitheemse diersoorten

Het cumulatief aantal uitheemse soorten nam sinds 1800 steeds toe en vertoont een exponentiële groei. Het aandeel uitheemse plantensoorten binnen de globale plantensamenstelling is sinds de jaren 70 verdubbeld van ongeveer 5% tot bijna 10% en dit aandeel neemt nog steeds toe. Het stijgende internationale transport zorgt voor een permanente aanvoer van nieuwe plantensoorten. Een deel daarvan slaagt erin zich te vestigen en breidt zich spontaan uit. Tussen 1800 en 2015 werden ook ongeveer 275 uitheemse diersoorten in Vlaanderen vastgesteld. Daarvan vormden ongeveer 158 uitheemse diersoorten populaties in de terrestrische en zoetwater ecosystemen in Vlaanderen. Ook kustgebieden en estuaria zoals het Schelde-estuarium, waar havens, scheepvaart en transport van bijzonder belang zijn, zijn gevoelig aan

Doordat de laatste jaren het aantal uitheemse planten- en diersoorten in de natuur in Vlaanderen sterk toe nam, vergroot de kans op bijkomende problemen met invasieve soorten. De kosten voor bestrijding van sommige invasieve soorten (bv. japanse duizendknoop, amerikaanse waternavel, parelvederkruid, grote canadese gans, stierkikker) lopen nu al hoog op.

1972 1974 1976 1978 1980 1982 1984 1986 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014

Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds meer soorten planten en dieren in- en uitgevoerd. Sommige uitheemse soorten worden na verloop van tijd invasief en kunnen daarmee de inheemse biodiversiteit verstoren. Hoewel de introductie van uitheemse soorten in sommige gevallen kansen met zich meebrengt en de lokale soortendiversiteit verhoogt, kunnen andere soorten invasief worden en het ecologisch functioneren van een ecosysteem aantasten.

biologische invasies en ontsnappen niet aan deze trend. In totaal werden hier 117 uitheemse soorten gedocumenteerd.

Aandeel utiheemse soorten per km2 (%)

Deze indicator toont de evolutie van het aantal uitheemse planten- en diersoorten.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.


Aantal uitheemse en invasieve uitheemse soorten op een signaallijst Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5

Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Biologische invasies door exotische soorten worden internationaal als een belangrijke bedreiging voor de biodiversiteit beschouwd. De Conventie Biologische Diversiteit wil tegen 2020 invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht hebben en prioritaire soorten onder controle krijgen. De indicator geeft een beeld van de aanwezigheid van voor de biodiversiteit problematische uitheemse soorten in Vlaanderen en het aandeel hiervan dat zich invasief gedraagt in de natuur.

vaatplanten

De selectie van probleemsoorten gebeurde op basis van een interzoogdieren nationale signaallijst van problematische soorten die als beleidsinmollusken strument ontwikkeld werd in het kader van Europees beleid. Het insecten gaat om soorten die, indien ze invasief worden, een ernstige impact hebben op de structuur of het functioneren vissenvan ecosystemen of die een bedreiging vormen voor inheemse soorten. Bijkomend kreeftachtige kunnen ze ook een negatieve impact hebben op maatschappelijk vogels belangen (volksgezondheid, landbouw, economie).

kreeftachtige

zoogdieren insecten vissen

vaatplanten

vogels algen mosdiertjes mossen

aantal uitheemse soorten die zich momenteel invasief gedragen

rondwormen

In Vlaanderen komen minstens 89 uitheemse soorten voor die algengedragen zich op deze signaallijst staan. Minstens 41 daarvan ook echt invasief in de natuur. De meeste daarvan zijn planten mosdiertjes (16 soorten), vissen (vijf soorten), zoogdieren (vier soorten), mossen kreeftachtigen (vier soorten) en vogels (vier soorten).

aantal uithee die zich mom gedragen

aantal uitheemse soorten opgenomen op een Europese signaallijst van 'ergste invasieve exoten'

amfibieën en reptielen

amfibieën en reptielen

neteldieren gelede wormen 0

rondwormen neteldieren

aantal uithee opgenomen o signaallijst va 'ergste invasi

mollusken

5

10

15

20

25

30

35

Aantal uitheemse en invasieve uitheemse dier- en plantensoorten opgenomen op een Europese signaallijst van ‘ergste invasieve soorten’

wormen Trend: geen correcte trendbepaling gelede mogelijk

Bron: INBO

0

5

10

15

20

25

30

35 Natuurindicatoren 2015 <49>


Aantal rosse stekelstaarten in Vlaanderen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5

Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Lange termijndoelstelling

Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.

De Conventie van Bern heeft daarom als doel gesteld om rosse stekelstaart uit te roeien in het wild in Europa en Noord-Afrika tegen 2015 (Hughes 2006, Cranswick & Hall 2010). Natuurpunt, Hubertusvereniging Vlaanderen, Vogelbescherming Vlaanderen, Aviornis International en de Vlaamse overheid (ANB en INBO) werkten in 2011 een plan uit voor de bestrijding in Vlaanderen. In 2012 werd voor het eerst een gecoรถrdineerde actie opgezet. De verwachting is dat het aantal rosse stekelstaarten in Vlaanderen zal afnemen. Sinds 2009 werden in totaal werden in Vlaanderen in totaal een 30-tal volwassen en een 20-tal juveniele vogels/pulli bestreden via afschot. *waarnemingen afkomstig van Waarnemingen.be, de website voor natuurinformatie van Natuurpunt en Stichting Natuurinformatie, dataset referentiecode INBODATAVR-104, 30-06-2015.

Trend: periodes 1993-2002 t.e.m. 1995-2004: significant dalende trend periodes 1997-2006 t.e.m. 2003-2013 : significant stijgende trend

12 10 8 6 4 2 0 1979-80 1980-81 1981-82 1982-83 1983-84 1984-85 1985-86 1986-87 1987-88 1988-89 1989-90 1990-91 1991-92 1992-93 1993-94 1994-95 1995-96 1996-97 1997-98 1998-99 1999-00 2000-01 2001-02 2002-03 2003-04 2004-05 2005-06 2006-07 2007-08 2008-09 2009-10 2010-11 2011-12 2012-13 2013-14 2014-15

Tijdens de mid-maandelijkse watervogeltellingen in de winter van 2013-2014 werden in Vlaanderen maximaal 5 verschillende vogels geteld (oktober). Tijdens de mid-maandelijkse watervogeltellingen in de winter van 2013-2014 werden in Vlaanderen maximaal 12 verschillende vogels (oktober) geteld verspreid over 11 gebieden. Op basis van losse waarnemingen werd een maandmaximum (eveneens in oktober) van 17 waargenomen dieren berekend verspreid over tien gebieden*. In Vlaanderen zijn momenteel naar schatting 10-15 exemplaren aanwezig. De aanwezigheid van in het wild levende uitheemse rosse stekelstaarten vormt een bedreiging voor de instandhouding van de bedreigde inheemse witkopeend. (Munoz-Fuentes et al. 2006, 2007; Rhymer & Simberloff, 1996; Kumschick & Nentwig, 2010).

14 Aantal overwinterende rosse stekelstaarten

De indicator toont het aantal overwinterende rosse stekelstaarten in Vlaanderen sinds 1979 op basis van de mid-maandelijkse watervogeltellingen (tellingen oktober-maart), evenals het maandmaximum van het aantal waargenomen vogels in Vlaanderen berekend als de som van de maandmaxima per maand en per gebied. Daarnaast wordt ook een overzicht gegevens van het aantal bestreden vogels.

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Evolutie van het aantal rosse stekelstaarten Bron: INBO, watervogeldatabank

Open trend Natuurindicatoren 2015 <50>


Ontsnippering langs Vlaamse transportwegen

Transportwegen met ontsnippering (%)

40 35 30

Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door 25 groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen

5 Versnippering van groengebieden: binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.

De indicator voor ontsnippering langs transportwegen toont de hoeveelheid en kwaliteit van de huidige ontsnippering langs Vlaamse autosnelwegen, hoofdwegen, secundaire wegen, verbindingswegen, spoorwegen en kanalen. Bij de ontwikkeling van de indicator zijn ook een aantal criteria opgenomen die de globale kwaliteit weergeven van bestaande ontsnipperingsprojecten: directe ontsnippering (= zone t.h.v. een faunapassage) en matig of goede indirecte ontsnippering (= traject met geleidingsraster). Hierdoor is het mogelijk om de uitgevoerde projecten op basis van de evaluatie nog te verbeteren. De indicator toont dat het aantal kilometer ontsnippering langs Vlaamse wegen – plaatsen waar aan die versnippering iets gedaan werd door faunapassages – nog zeer beperkt is. Momenteel heeft ongeveer 4,5% van 1.200 km transportwegen met lage tot zeer hoge prioriteit voor ontsnippering, een matige tot goede ontsnippering voor een bepaalde diergroep. Dit is ongeveer 34% voor de zeer hoge prioriteit, 39% voor de hoge prioriteit, en telkens 1% voor de normale en lagere prioriteit transportwegen. In vergelijking met 2011 (Everaert & Peymen, 2011) en de vrijwel ongewijzigde situatie in 2012 en 2013, is er in 2014 een lichte stijging op te merken die voornamelijk te wijten is aan de afwerking van het ecoduct Kempengrens (incl. geleidingsrasters) en bijkomende geleidingsrasters langs bestaande faunapassages (o.a. E19).

Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

15 10

0

1 2011-’13

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t. 1 2014

2 2011-’13

2 2014

3 2011-’13

3 2014

4 2011-’13

20

Prioriteit voor ontsnippering (1= lage prioriteit, 2= normale prioriteit, 3= hoge prioriteit, 4= zeer hoge priorite direct ontsnipperd goed indirect ontsnipperd matig indirect ontsnipperd

40 Transportwegen met ontsnippering (%)

De vele transportwegen in Vlaanderen verdelen het landschap in steeds kleinere versnipperde stukken, en veroorzaken daardoor allerlei problemen voor de natuur. Het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) heeft als één van haar vijf strategische doelstellingen het terugdringen van de schade aan milieu en natuur, zelfs al neemt de mobiliteit verder toe. Het vermijden en verminderen van versnippering door transportinfrastructuur is hierbij een zeer belangrijk onderdeel. Een exacte doelstelling voor het aantal kilometer ontsnippering, werd nog niet vastgelegd.

20

35 30 25 20 15 10 5 0

1 2011-’13

1 2014

2 2011-’13

2 2014

3 2011-’13

3 2014

4 2011-’13

4 2014

Prioriteit voor ontsnippering (1= lage prioriteit, 2= normale prioriteit, 3= hoge prioriteit, 4= zeer hoge prioriteit)

Hoeveelheid (%) ontsnipperde wegen t.o.v. het totaal aantal transportwegen met prioriteit één tot direct vier (1=ontsnipperd lage prioriteit; 2 = normale prioriteit; 3 = hoge prioriteit ; 4 = zeer hoge prioriteit) goed indirect ontsnipperd Bron: INBO; AWV matig indirect ontsnipperd

Natuurindicatoren 2015 <51>


Ontsnippering planologisch groengebied Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020 15.2

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.

MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen

Versnippering van groengebieden: binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.300.000

250000

5000

200000

4000

150.000

100.000

150000

3000

100000 50.000

2000

50000

1000

0

904 996 999 001 002 003 004 005 006 007 008 009 0100 011 012 013 014 015 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2

19

01 20 02 20 03 20 04 20 05 20 06 20 07 20 08 20 09 20 10 20 11 20 12 20 13 20 14 1994 20 1996 1 19995

20

19

99

0 1994 1999 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014

96

19

94

10

In het scenario, waarbij het gewenste VEN gerealiseerd zou worden, aanvullend op de bestaande groene gewestplanbestemmingen zou er voor het eerst sprake zijn van een significante verandering in de versnippering van de groenbestemmingen. Het gewenste VEN is echter ruimer afgebakend dan de 125.000 ha af te bakenen oppervlakte (nl. 140.000 ha). In dit geval zou de gemiddelde oppervlakte stijgen tot 48,8 ha.

Open trend

30

6000

20

De gemiddelde oppervlakte van een planologische groenbestemming steeg tussen 1994 en 2014 van 33,2 ha tot 35,5 ha.

* de polygonen kleiner dan 0.363 ha werden niet meegenomen in de berekening, het betreft dus niet de precieze gemiddelde oppervlakte van de groengebieden in Vlaanderen

40

300000 200.000

versnipperingsgraad in alle groene planologisch

bestemmingen versnipperingsgraad versnipperingsgraad planologisch groene in alle groene planologische bestemmingen bestemmingen + gewenst VEN

versnipperingsgraad van alle groene bestemmingen (bij realisatie gewenst VEN)

Evolutie van de gemiddelde oppervlakte van planologisch groengebied

2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015

Oppervlakte (ha)

50

19

Van 1994 tot 2002 is er ongeveer 10.000 ha groenbestemming bijgekomen. Door 10 de aanduiding van het VEN “1e fase” was er een sprong van ca. 4.000 ha in 2003. In de periode 2003-2013 kwamen er ca. 7.000 ha groene bestemmingen bij. De impact van de afbakening van het VEN op de versnipperingsgraad van de ‘na- 0 tuurlijke structuur’ was beperkt. Dit is omdat het grootste deel van dat VEN een overdruk betrof bovenop reeds bestaande groene gewestplanbestemmingen.

Oppervlakte (ha)

Oppervlakte (ha)

60

Oppervlakte (ha)

Deze indicator geeft een indicatie* van de gemiddelde oppervlakte van de groen bestemde gebieden in Vlaanderen en geeft de evolutie van de versnipperingsgraad van het planologisch groengebied weer. De versnipperingsgraad geeft per40 jaar de verhouding weer tussen de totale oppervlakte groen bestemde gebieden en het aantal groen bestemde gebieden. Een hogere gemiddelde oppervlakte van 30 de planologische groenbestemmingen wijst op een lagere versnipperingsgraad. Deze indicator geeft aan of de doelstelling (de creatie van een samenhangend geheel van natuurgebieden) van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) gerealiseerd 20 wordt.

Aantal gebieden

250.000

50

Trend: significante trend, afname ingezet

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

60

totale oppervlakte planologisch groene totale oppervlakte bestemmingen

planologisch groene

bestaande groene bestemmingen bestemmingen + bestaande groene gewenst VEN bestemmingen +

gewenst totaal aantalVEN gebieden totaal aantal gebieden

Evolutie van de totale oppervlakte planologisch groengebied en het totaal aantal gebieden per jaar Bron: RWO

Natuurindicatoren 2015 <52>


50.000

50.000

Oppervlakte extra planologisch groengebied Europese Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van 40.000 Biodiversiteitsstrategie de aangetaste ecosystemen te herstellen. 2020 Streefdoel 2 30.000

Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. Streefdoel: 38.000 ha extra natuurgebied en 10.000 ha extra bosgebied.

MINA-plan 4 20.000Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd. Lange termijndoelstelling

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t. 50.000

Deze indicator geeft de evolutie 10.000weer van de doelstellingen uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) voor natuur en reservaat, bos en overig groen.

50.000

Het RSV introduceerde een nieuwe ruimteboekhouding voor de bestemmingsplannen. Het doel was dat er 38.000 ha extra natuur en reservaat moet bijkomen en 10.000 ha bos in 0 vergelijking met de toestand in 1994. Oorspronkelijk diende dit gerealiseerd te zijn tegen 2007. In het kader van de herziening van het huidige RSV werd de doelstelling naar 2012 geplaatst, maar met de notie dat dit ook nog geldig is na 2012 zolang het RSV niet wordt herzien.

overig groen

-10.000

Open trend

doelstelling RSV natuur en reservaat doelstelling RSV overig groen doelstelling RSV bos

2014

2013

2012

30.000 Oppervlakte (ha)

20.000

10.000 natuur en reservaat overig groen

0

bos

doelstelling RSV natuur en reservaat

doelstelling RSV overig 2014

2013

2012

2011

2010

2009

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

-10.000 1999

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

Trend: natuur- en reservaat: significante toename bos: significante toename overig groen: significante afname

bos

40.000

Ongeveer zeventien jaar na de vaststelling van het RSV werd ca. 37% van de vooropgestelde oppervlakte gerealiseerd voor natuur-, reservaat- en bosgebied en overig groengebied samen. Dit komt neer op ca. 17.900 ha extra planologisch groene bestemmingen en betekent dat we ca. 30.100 ha verwijderd zijn van de doelstelling. In dezelfde periode daalde de oppervlakte planologisch landbouwgebied met 21.400 ha en namen de planologische oppervlakte industriegebied en recreatiegebied woongebied toe met respectievelijk 6.300 ha en 2.200 ha (Ruimte Vlaanderen). De laatste negen jaar werd een andere werkwijze gehanteerd. Er gebeurde een onderverdeling van Vlaanderen in 13 buitengebiedregioâ&#x20AC;&#x2122;s en zowel de agrarische als de natuurlijke structuur worden gelijktijdig afgebakend via ruimtelijke uitvoeringsplannen. Voortgaande op de huidige trend van de laatste negen en respectievelijk vijf jaar, zal de uitgestelde doelstelling gehaald worden tegen 2067 en respectievelijk 2061. Het zal dus ongeveer 64 Ă 70 jaar duren i.p.v. tien jaar zoals oorspronkelijk voorzien. De nieuwe werkwijze voor de uitwerking van ruimtelijke uitvoeringsplannen heeft nog niet geleid tot een wijziging van de trend.

natuur en reservaat

2008

Oppervlakte (ha)

Pact 2020 15.2

doelstelling RSV bos

Evolutie van de oppervlakte groene bestemmingen Bron: RWO

Natuurindicatoren 2015 <53>


Oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen

Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.

Deze indicator geeft de evolutie van de totale oppervlakte van gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten weer. Het instrument natuurinrichting wordt sinds 1998 ingezet door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) om gebieden zo goed mogelijk in te richten in functie van natuur. Natuurinrichting wil door actief ingrijpen betere omstandigheden creĂŤren voor de ontwikkeling van natuur in gebieden die daarvoor aangewezen zijn. Natuurinrichtingsprojecten verlopen in een aantal fasen: haalbaarheidsonderzoek, instelling van het project, vaststellen van maatregelen en modaliteiten, goedkeuring van projectuitvoeringsplan en uitvoering. Eind 2014 waren er 15 natuurinrichtingsprojecten uitgevoerd en elf lopende. De Liereman en Berlarebroek Donkmeer zijn in 2014 ingesteld, de overige negen zijn alle in uitvoering. Voor Turnhouts Vennengebied West en Westvlaamse Scheldemeersen zijn de laatste werken bezig. Daarnaast is het onderzoek naar de haalbaarheid voor vijf projecten nog lopende; voor Schuddebeurzen en Fondatie Heirnisse is het haalbaarheidsonderzoek afgerond sinds 2013. Beide projecten wachten nog op instelling. Door de afronding van het natuurinrichtingsprojecten Osbroek Gerstjens en Meetkerkse Moeren in 2014 steeg de totale gerealiseerde oppervlakte tot 4.441 ha. Als alle lopende projecten zullen uitgevoerd zijn, zal deze oppervlakte in de komende jaren toenemen tot meer dan 13.000 ha.

Trend: significante toename

Open trend

Oppervlakte gerealiseerde projecten (ha)

Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

5000 4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0

1998

2000

2002

2004

2006

2008

2010

2012

2014

Evolutie oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten Bron: VLM

Natuurindicatoren 2015 <54>


70000 Oppervlakte bosbeheerplan

Tegen 2020 zijn er bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten, in60000 overeenstemming met duurzaam bosbeheer (SFM)21, voor alle bossen in overheidsbezit en voor bosgebieden vanaf een bepaalde omvang (door de lidstaten of de regio's vast te stellen en mee te delen in hun platteland50000 sontwikkelingsprogramma's) waarvoor financiering wordt verstrekt in het kader van het plattelandsbeleid van de EU, teneinde te zorgen voor een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van bosbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichte van de EU-referentiesituatie van 2010. 40000

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

oppervlakte (ha)

Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 3 (Bossen)

30000

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

20000

Volgens het Bosdecreet moeten alle bossen groter dan vijf hectare over een bosbeheerplan beschikken. Bij alle openbare bossen en bij privĂŠbossen binnen het Vlaams Ecologisch Netwerk moet dat een uitgebreid beheerplan zijn. Tussen 1990 en 2014 werd 32.483 ha uitgebreid en 31.179 ha beperkt bosbeheerplan goedgekeurd. De totale oppervlakte bos met beheerplan bedraagt daarmee 63.661 ha. Het totaal is mogelijk overschat omdat sommige bossen ondertussen van eigenaar veranderden en deel kunnen uitmaken van een nieuw beheerplan.

beperkte bosbeheerplannen uitgebreide bosbeheerplannen 50000

test 40000

30000

20000

10000

Trend: uitgebreid bosbeheerplan: significante toename beperkt bosbeheerplan: significante trend, top bereikt

Open trend

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

1992

1991

1990

0

Oppervlakte beperkt en uitgebreid bosbeheerplan. De uitgebreide bosbeheerplannen voldoen aan de criteriabosbeheerplannen duurzaam bosbeheer uitgebreide

Bron: ANB

beperkte bosbeheerplannen

Natuurindicatoren 2015 <55>

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

1999

1998

1997

1996

1995

1994

1993

60000

oppervlakte (ha)

Het bosbeheerplan vormt een belangrijke schakel in het duurzaam bosbeheer. Dergelijk beheer probeert een evenwicht te creĂŤren tussen de ecologische, economische en maatschappelijke functies van bossen. Hiermee wil de Vlaamse overheid de ecologische kwaliteit en biodiversiteit van bossen versterken. Er zijn twee soorten bosbeheerplannen. Beperkte bosbeheerplannen moeten aan een basisniveau voldoen, terwijl uitgebreide beheerplannen de criteria duurzaam bosbeheer moeten halen. De criteria duurzaam bosbeheer zijn gebaseerd op de internationale FSC-principes (Forest Stewardship Council). Boseigenaars kunnen voor bossen met uitgebreid beheerplan een FSC-certificaat halen.

0

1992

70000

1991

Deze indicator toont de oppervlakte met beperkt en uitgebreid goedgekeurd beheerplan, onafhankelijk van de beheerder.

1990

10000


Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 3

Tegen 2020 zijn er bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten, in overeenstemming met duurzaam bosbeheer (SFM)21, voor alle bossen in overheidsbezit en voor bosgebieden vanaf een bepaalde omvang (door de lidstaten of de regio’s vast te stellen en mee te delen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s) waarvoor financiering wordt verstrekt in het kader van het plattelandsbeleid van de EU, teneinde te zorgen voor een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van bosbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichte van de EU-referentiesituatie van 2010.

Pact 2020

/

MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen

Binnen planperiode wordt3000 naar een gunstige trend gestreefd.

3500

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

Oppervlakte (ha)

2500

BB+natuur

1500

perceelranden soortbescherming BB+natuur houtkanten (aanplant en onderhoud)

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

500

2006

1000

perceelranden

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2002

2001

2000

0

Oppervlakte cultuurgrond met natuurgerichte houtkanten beheer- (aanplant en onderhoud) overeenkomsten

500000 450000 400000

Lengte (m)

350000

50000

300000

aanplant en onderhoud heg

250000 200000

aanplant en onderhoud haag aanplant en onderhoud heg

2014

2014 2013

2012

2013 2011

2012

2011 2009

2010

2010 2008

2009 2007

2006

2008

2005

2007 2004

2006

2005 2002

2003

2004 2001

0

2003

50000

2000

100000

2002

2001

150000

2000

Trend: soortbescherming: significante toename 0 botanisch beheer: significante trend, sterker wordende afname perceelranden: significante trend, top bereikt , afname ingezet houtkanten: significante trend, sterker wordende afname heg: significante trend, sterker wordende afname (toename tot 2006, daarna een stabilisatie) haag: geen correcte trendbepaling mogelijk Open trend

soortbescherming

2000

2005

2004

Oppervlakte (ha)

2500

Bron: VLM

3000

2003

2002

2001

3500

Lengte (m)

2000

Deze indicator geeft de evolutie van cultuurgrond met natuurgerichte be2000 heerovereenkomsten weer. In het kader van de Vlaamse Programma’s voor Plattelandsontwikke1500 ling (2000–2006, 2007–2013) kunnen landbouwers vijf jaar durende beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse overheid. 1000 De periode 2000–2006 kenden vooral maatregelen ten behoeve van kleine landschapselementen een groot succes. In de periode 2006-2011 500 stagneerde het opnamesucces van beide types beheerovereenkomsten. In 2012 werd een nieuwe overeenkomst mogelijk, nl. voor het aanplanten 0 en onderhouden van hagen. Dit werd meteen een groot succes. 112 km 500000 nieuwe hagen werden aangeplant, voor meer dan 300 km werden onder450000 houdsovereenkomsten afgesloten. De overeenkomst botanisch beheer kent relatief weinig succes en stagneert. 400000 Er werden recent in het kader van PDPOIII (2014-2020) een hele reeks nieu350000 we pakketten opgesteld. Er kunnen nu overeenkomsten afgesloten worden voor bv. het onderhoud van knotbomenrijen en worden de maatregelen 300000 rond weidevogels uitgebreid met een overeenkomst ‘kuikenweide’. De lo250000 pende pakketten worden in afwachting voortgezet, vandaar de stagnatie in een aantal indicatoren. Vanaf 2015 worden bv. geen overeenkomsten200000 meer voor aanleg van lijnvormige landschapselementen afgesloten, wel nog voor onderhoud. Door gericht prioritaire gebieden af te bakenen voor alle 150000 pakketten hoopt men aantal en effectiviteit ervan te verhogen (Van Uytvanck et 100000 al. 2014 & 2015).

Lengte cultuurgrond met aanplant en beheerovereenkomsten heg onderhoud haag en haag

Natuurindicatoren 2015 <56>


Bezoeken aan natuur- en bosgebieden Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun statusbereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t. 100%

Het meer toegankelijk maken van natuur- en bosgebieden wordt in het Vlaams natuurbeleid gezien als een stimulerende maatregel die het maatschappelijk draagvlak voor natuur en biodiversiteit vergroot. Ook het Vlaams Regeerakkoord en de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur pleiten voor een grotere toegankelijkheid van natuur en bos voor iedereen. Er zijn geen concrete beleidsdoelen geformuleerd. De jaarlijkse survey van de studiedienst van de Vlaamse Regering peilt hoe dikwijls Vlamingen bos- en natuurgebieden bezoeken (Beyst & Pickery, 2006). De frequentie van bezoeken aan bossen en natuurgebieden is één van de draagvlakindicatoren voor natuur (VRIND 2012).

Ongeveer 11% van de Vlamingen bezocht minstens wekelijks een bos of natuurgebied in 2014. Meer dan 32% van de Vlamingen bezocht tijdens de voorbije 12 maanden geen bos of natuurgebied en 26% bezocht deed dit slecht één keer in het jaar. In 2010, 2012, 2013 en 2014 zijn er meer bezoeken dan in 2009. Toch is het aantal bezoekers die minimum eens per week een bos of natuurgebied bezoeken in geringe mate (1%) afgenomen en is het percentage van de Vlamingen die nooit of slecht een keer per jaar een bos of natuurgebied bezoek licht toegenomen (ca. 1.5%).

90% 80%

100%

70%

90%

60%

80%

50% 40% 30% 20% 10% 0%

Percentage van respondenten (n%)

Percentate van respondenten (n%)

Deze indicator geeft de evolutie weer van het aantal bezoeken van Vlamingen aan natuur-en bosgebieden.

dagelijks 70%

meermaals per week wekelijks

60%

meermaals per maand

50%

dagelijks maandelijks

40%

meermaals per week een uitzonderlijke keer

30%

wekelijks niet tijdens de voorbije 12 maanden meermaals per maand

2009 20%

2010

2011

2012

2013

maandelijks

10% 0%

test 2009

2010

2011

2012

2013

een uitzonderlijke keer niet tijdens de voorbije 12 maanden

2014

Frequentie van bezoeken aan bos- en natuurgebieden Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk

Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering

Natuurindicatoren 2015 <57>


Ledenaantallen van natuurverenigingen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1

De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.

Pact 2020

/

MINA-plan 4

/

Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.

250000

Deze indicator toont de evolutie van de ledenaantallen van natuurverenigingen actief in Vlaanderen. Statistische analyse van de gegevens leert, dat het totaal aantal leden significant toeneemt in de periode 1994-2014. Dit kan geĂŻnterpreteerd worden als een uiting van een toenemend draagvlak voor natuur bij de bevolking.

Evolutie ledenaantallen natuurverenigingen: totaal (boven) en per vereniging (onder)

150000

100000

50000

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

0

100000 100000

80000 Ledenaantal

Ledenaantal

Het voorbije jaar steeg het totaal aantal leden van natuurverenigingen met 7,6% (= 17.000 leden). Behalve voor Vogelbescherming Vlaanderen, steeg het aantal leden per vereniging. Natuurpunt is met 95.163 leden de grootste natuurvereniging in Vlaanderen. WWF is de tweede grootste natuurvereniging met 61.315 leden, gevolgde door Greenpeace met 59.504 leden, Vogelbescherming Vlaanderen met 9.275 leden en JNM met 3.211 leden. Eind 2014 zijn ruim 228.000 mensen of gezinnen lid van een natuurvereniging.

Lendenaantal

200000

60000

Natuurpunt

80000

60000

Greenpeace

Greenpeace

WWF

WWF

Vogel-bescherming Vlaanderen Vogel-bescherming

Vlaanderen JNM (Jeugdbond voor Natuur en JNM (Jeugdbond Milieu)

40000

40000

voor Natuur en Milieu)

Open trend 0

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

Trend: significante toename (totaal)

0

1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

20000

20000

Natuurpunt

Bron: Natuurverenigingen

Natuurindicatoren 2015 <58>


Literatuur Adriaens T. (2014). Nieuwe EU verordening moet biodiversiteit beschermen tegen invasieve soorten. Natuur.focus 13: 90–91. Adriaens T., San Martin y Gomez G., Bogaert J., Crevecoeur L., Beuckx J.P., Lock K., Jonckheere K. & Maes D. (2014). Rode Lijst van de lieveheersbeestjes in Vlaanderen. Kansen voor een beter bescherming en een aangepast natuurbeheer. Natuur.focus 13: 118-128. Adriaens T., San Martin y Gomez G., Bogaert J., Crevecoeur L., Beuckx J.P. & Maes D. (2015). Testing the applicability of regional IUCN Red List criteria on ladybirds (Coleoptera, Coccinellidae) in Flanders (north Belgium): opportunities for c onservation. Insect Conservation and Diversity (2015) doi: 10.1111/icad.12124. Anselin A., Devos K., Vermeersch G., Stienen E & T. Onkelinx (2013). Toelichting bij het opstellen van de rapportage in het kader van artikel 12 van de Vogelrichtlijn en status van vogelsoorten met instandhoudings-populatiedoelen en van typische vogelsoorten van Natura 2000 habitattypes. Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek, INBO, INBO.2014.1567208. Ash N., Blanco H., Brown C., Vira B., Zurek, Garcia K.§ Tomich T. (2010). Ecosystems and Human Well-Being: A Manual for Assessment Practitioners. Bern Convention. Draft Recommendation No. 149 (2010) adopted on 9 December 2010, on the eradication of the Ruddy Duck (Oxyura jamaicensis) in the Western Palaearctic. Beyst V. & Pickery J. (2006). Bezoek aan natuur- en bosgebieden. Nota van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel. Bonte D., Vandomme V., Muylaert J. & Bosmans R. (2001). Een gedocumenteerde Rode Lijst van de water- en oppervlaktewantsen van Vlaanderen. Onderzoeksopdracht K/IN99/JPM/01 - Universiteit Gent, Gent, 121 pp. Braat L. & P. ten Brink (eds.) (2010), The Cost of Policy Inaction. The case of not meeting the 2010 biodiversity target. study for the European Commission, DG Environment under contract: ENV.G.1/ETU/2007/0044 (Official Journal reference: 2007 / S 95 – 116033). Wageningen / Brussels , May 2008. Bruers S. & Verbeeck B. (2010), De berekening van de ecologische voetafdruk van Vlaanderen. Studie uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, MIRA/2010/01, Ecolife. Bruers S. & Vandenberghe K. (2013), Actualisatie van de Ecologische Voetafdruk van Vlaanderen. De jaren 2004 – 2009 volgens NFA editie 2010, studie uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Milieumaatschappij, MIRA, MIRA/2014/01, Ecolife. Cox G.W. (2004). Alien Species and Evolution: The Evolutionary Ecology of Exotic Plants, Animals, Microbes, and Interacting Native Species. Island Press: Washington. 400 p. Cranswick P.A. & Hall C. (2010). Eradication of the Ruddy Duck Oxyura jamaicensis in the Western Palaearctic: a review of progress and a revised Action Plan 2010–2015. WWT report to the Bern Convention. Wildfowl & Wetlands Trust (WWT), Slimbridge. Natuurindicatoren 2015 <59>


Literatuur

De Knijf G. & Anselin A. (2010). When south goes north: Mediterranean dragonflies (Odonata) conquer Flanders (NorthBelgium). In: Ott J. (Ed) Monitoring Climate Change With Dragonflies. BioRisk, 5: 141-153. De Knijf G., Anselin A., Goffart P. & Tailly M. (eds.) (2006). De libellen (Odonata) van België: verspreiding - evolutie - habitats. Libellenwerkgroep Gomphus i.s.m. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 368 pp. Demolder H., Schneiders A., Spanhove T., Maes D., Van Landuyt WK., & Adriaens T. (2014). Hoofdstuk 4. Toestand biodiversiteit. (INBO.R.2014.6194611). In Stevens, M. et al. (eds.), Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Technisch rapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, INBO.M.2014.1988582, Brussel. European Commission (2006). Communication from the Commission. Halting the loss of biodiversity by 2010 – and beyond. Sustaining ecosystem services for human well-being. COM (2006) 216 final. European Commission, Brussels. Europese Commissie (2011). Mededeling van de Commissie. Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU biodiversiteitsstrategie voor 2020. COM (2011) 244. Europese Commissie, Brussel. European Environment Agency (2007). Streamlining European Biodiversity Indicators (SEBI): EEA technical report. European Environment Agency, Copenhagen. European Environment Agency (2010). Assessing biodiversity in Europe — the 2010 report EEA Report No 5/2010. European Environment Agency, Copenhagen. European Environment Agency (2012a). Streamlining European biodiversity indicators 2020: Building a future on lessons learnt from the SEBI 2010 process EEA Technical report No 11/2012. European Environment Agency, Copenhagen. European Environment Agency (2012b). Report of the working group on Interlinkages of the Streamlining European Biodiversity Indicators project (SEBI). EEA Technical report. European Environment Agency, Copenhagen. Everaert J. & Peymen J. (2011). Indicator inzake ontsnippering van transportwegen in Vlaanderen. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2011 (INBO.R.2011.59). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Hughes B., Robinson J.A., Green A.J., Li Z.W.D & Mundkur, T. (Compilers). (2006). International Single Species Action Plan for the Conservation of the White-headed Duck Oxyura leucocephala. CMS Technical Series No 13 & AEWA Technical Series No8. Bonn, Germany. Jacobs S., Spanhove T. & Panis P. (2014). Hoofdstuk 5 - Toestand en trend van ecosysteemdiensten in Vlaanderen (INBO.R.2014.6160407). In Stevens, M. et al. (eds.), Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Technisch rapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2014.1988582, Brussel. Jansen I. (2015). Trendbepaling Natuurindicatoren 2015. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (INBO.R.2015.10259948). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 88pp. Jooris R., Engelen P., Speybroeck J., Lewylle I., Louette G., Bauwens D. & Maes D. (2012). De IUCN Rode Lijst van de amfibieën en reptielen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2012 (22). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 19pp. Natuurindicatoren 2015 <60>


Literatuur

Kumschick S. & Nentwig W. (2010). Some alien birds have as severe an impact as the most effectual alien mammals in Europe. Biological Conservation 143(11): 2757-2762. Layke C., Mapendembe A., Brown C., Walpole M. & Winn J. (2012) Indicators from the global and sub-global Millennium Ecosystem Assessments: An analysis and next steps. Ecological indicators 17(0):77-87. Lock K., Stoffelen E., Vercouteren T., Bosmans R. & Adriaens T. (2013). Updated Red List of the water bugs of Flanders (Belgium) (Hemiptera: Gerromorpha & Nepomorpha). Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie/Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie, 149, 57–63. Louette G., Adriaens D., De Knijf G. & Paelinckx D. 2013. Staat van instandhouding (status en trends) habitattypen en soorten van de Habitatrichtlijn (rapportageperiode 2007-2012). INBO.R.2013.23, Brussel, 43 pp. Maes D., Vanreusel W., Jacobs I., Berwaerts K. & Van Dyck H. (2012). Applying IUCN Red List criteria at a small regional level: A test case with butterflies in Flanders (north Belgium). Biological Conservation, 145, 258-266. Maes D., Baert K., Boers K., Casaer J., Criel D., Crevecoeur L., Dekeukeleire D., Gouwy J., Gyselings R., Haelters J., Herman D., Herremans M., Huysentruyt F., Lefebvre J., Lefevre A., Onkelinx T., Stuyck J., Thomaes A., Van Den Berge K., Vandendriessche B., Verbeylen G. & Vercayie D. (2014). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. De IUCN Rode Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO.R.2014.1828211). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Munoz-Fuentes V., Green A.J., Sorenson M.D., Negro J.J., & Vila C. (2006). The ruddy duck Oxyura jamaicensis in Europe: natural colonization or human introduction? Molecular Ecology 15(6): 1441-1453. Munoz-Fuentes V., Vila C., Green A.J., Negro J.J., & Sorenson M.D. (2007). Hybridization between white headed ducks and introduced ruddy ducks in Spain. Molecular Ecology 16(3): 629-638. Onkelinx T. & Devos K. (2013) Jaarlijkse analyse van de watervogeltellingen. Beschrijving van de analyse. Ontwerprapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Onkelinx T. & Vermeersch G. (2014). Jaarlijkse analyse van de Algemene Broedvogelmonitoring (ABV). Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2014 (10 oktober 2014). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Pires S.M.M. (2011) Sustainability Indicators and Local Governance in Portugal. Universidade de Aveiro. Pimental D., McNair S., Janecka J., Wightman J., Simmonds C., O’Connell C., Wong E., Russel L., Zern J., Aquino T. (2002). Economic and environmental threats of alien plant, animal, and microbe invasions. Biological Invasions 307–329. Rhymer J.M. & Simberloff D. (1996). Extinction by hybridization and introgression. Annual Review of Ecology and Systematics 27: 83-109. Simoens I., Thoonen M., Meiresonne L. & Van Daele T. (2014). Hoofdstuk 26 – Ecosysteemdienst groene ruimte voor buitenactiviteiten. (INBO.R.2014.1987887). In Stevens, M. et al. (eds.), Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Technisch rapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2014.1988582, Brussel.

Natuurindicatoren 2015 <61>


Stevens M., Demolder, H., Jacobs, S., Michels, H., Schneiders, A., Simoens, I., Spanhove, T., Van Gossum, P., Van Reeth, W. & Peymen, J. (red.) (2014). Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Syntheserapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M. 2014.1988666, Brussel. Van der Linden S., Van Camp N. & Van Valckenborgh J. (2013). Opmaak van een digitale bos-, natuur- en groenkartering voor Vlaanderen op basis van digitale luchtopnames 2013 (versie 1.0). Rapport Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV), Gent. van Dobben H.F., Bobbink R., Bal D & van Hinsberg A., (2012). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397 2397. 68 pp. Van Dyck H., Puls R., Bonte D., Gotthard K. & Maes D. 2015. The lost generation hypothesis: could climate change drive ectotherms into a developmental trap? Oikos 124: 54-61. Van Landuyt W., Vanhecke L. & Brosens D. (2012). Florabank1 : a grid-based database on vascular plant distribution in the northern part of Belgium (Flanders and the Brussels Capital region). PhytoKeys 12: 59–67. van Swaay C.A.M., van Strien A.J., Aghababyan K., Åström S., Botham M., Brereton T., Chambers P., Collins S., Domènech Ferrés M., Escobés R., Fernández-García J.-M., Fontaine B., Goloshchapova S., Gracianteparaluceta A., Harpke A., Heliölä J., Khanamirian G., Julliard R., Kühn E., Lang A., Leopold P., Loos J., Maes D., Mestdagh X., Monasterio Y., Munguira M.L., Murray T., Musche M., Õunap E., Pettersson L., Popoff S., Prokotev S., Roth T., Roy D.B., Settele J., Stefanescu C., Švitra G., Marques Teixeira S., Tiitsaar A., Verovnik R. & Warren M.S. 2015. The European butterfly Indicator for Grassland species: 1990-2013, Rapport VS2015.009. De Vlinderstichting, Wageningen. Van Uytvanck J., Esprit M., Van Landuyt W., De Blust G. & Michiel K. 2014. Afbakening van kansrijke gebieden voor Beheerovereenkomsten Botanisch Beheer - pakket ‘ontwikkeling soortenrijk grasland’ in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2014.3314966, Brussel, 28 pp. Van Uytvanck J., Esprit M., & De Blust G. 2015. Afbakening van prioritaire gebieden voor het sluiten van natuurgerichte beheerovereenkomsten. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. INBO.R.2015.7872503, Brussel, 23 pp. Verreycken H., Van Thuyne G., Belpaire C., Breine J., Buysse D., Coeck J., Mouton A., Stevens M., Van den Neucker T., De Bruyn L. & Maes D. (2012). De IUCN Rode Lijst van de zoetwatervissen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2012, INBO.R.2012.23. 17pp. Verreycken H., Belpaire C., Van Thuyne G., Breine J., Buysse D., Coeck J., Mouton A., Stevens M., Van den Neucker T., De Bruyn L. & Maes D. (2013). An IUCN Red List of freshwater fishes and lampreys in Flanders (north Belgium). Fisheries Management and Ecology. Vié J.C., Hilton-Taylor C. & Stuart S.N. (Eds.) (2009). Wildlife in a changing world: an analysis of the 2008 IUCN Red List of threatened species. World Conservation Union: Gland, Zwitserland. 180 p. Vlaamse Regering (2011). Milieubeleidsplan 2011- 2015, vastgesteld door de Vlaamse Regering op 27 mei 2011. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Studiedienst van de Vlaamse Regering. VRIND. Vlaamse regionale indicatoren, 2012.

Natuurindicatoren 2015 <62>


Afkortingen ANB

Agentschap voor Natuur en Bos

AWV

Administratie Wegen en Verkeer

EEA

European Environment Agency (Europees Milieuagentschap)

INBO

Instituut Natuur- en Bosonderzoek

KRW

Kaderrichtlijn Water

MINA-plan 4

Vlaams Milieubeleidsplan 2011-2015

MIRA

Milieurapport

NVWG

Natuurverwevingsgebied

RSV

Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen

RWO

Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed

SEBI

Streamlining European 2010 Biodiversity Indicators

SOVON

Vogelonderzoek Nederland

VEN

Vlaams Ecologisch Netwerk

VLIZ

Vlaams Instituut voor de Zee

VLM

Vlaamse Landmaatschappij

VMM

Vlaamse Milieumaatschappij

VRIND

Vlaamse Regionale Indicatoren

Natuurindicatoren 2015 <63>


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Natuurindicatoren_2015.pdf by Vlaanderen-be - Issuu