JAARVERSLAG 2001
OVAM, uw beleidspartner in afval en bodem OPENBARE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ VOOR HET VLAAMSE GEWEST
JaarvErslag 2001
2
OVAM, uw beleidspartner in afval en bodem
TEN GELEIDE
3
Terwijl de uitvoeringstaken en beleidsvoorbereiding binnen de OVAM zoals altijd verder gestalte bleven krijgen, was in 2001 het grote thema of vraagteken: "Wat wordt de plaats van de OVAM op het vlak van milieubeleid in uitvoering van B(eter) B(estuurlijk) B(eleid)? Dit project van de Vlaamse regering wil meer flexibiliteit voor de administratie, meer doorzichtigheid, maar tezelfdertijd ook meer politieke bevoegdheid. De Vlaamse administratie bereidt voor, de regering beslist en de administratie moet vervolgens uitvoeren. Het grote twistpunt was de scheiding tussen beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering op het niveau van beleidsdomeinen binnen de Vlaamse administratie. De ervaring binnen de OVAM heeft ons geleerd dat dit een synergetisch effect heeft. Personeelsleden in dezelfde instelling leren dan pas van elkaar: zij die voorbereiden en zij die uitvoeren en die de dagdagelijkse praktijk van regulering en voorstellen 'op het veld' ondergaan. Gelukkig heeft de Vlaamse regering intussen toegegeven dat het nuttig is om de meeste huidige VOI's hun rechtspersoonlijkheid te laten behouden en om de scheidingslijn beleidsvoorbereiding-beleidsuitvoering iets kronkeliger te maken.
Er is ook ander groot nieuws: de OVAM bestaat 20 jaar en we zijn terecht trots op wat we intussen als output gepresteerd hebben. Zo horen we in Europa zowel inzake het afvalstoffen- als het bodemsaneringsbeleid bij de top 3. Dat kon alleen maar gebeuren dankzij de medewerking van alle vroegere en huidige medewerkers en de goede samenwerking met onze voogdijminister(s).
Met dank,
4 ir. Frank Parent administrateur-generaal
ADMINISTRATIE-GENERAAL De staf van de Administratie-Generaal heeft in 2001 heel wat tijd en energie besteed aan het geïntegreerde overheidsbeleid enerzijds en de beleidscyclus anderzijds. • Een geïntegreerd overheidsbeleid Ook voor de OVAM is zowel de interne samenwerking binnen de milieusector als de samenwerking met andere beleidsdomeinen en bestuursniveaus (lokale overheden, federaal, internationaal) belangrijk. Om die samenwerking te verbeteren, verleent de OVAM volop zijn medewerking. De interne samenwerking heeft zich vooral toegespitst op de milieusector. De OVAM heeft actief zijn medewerking verleend aan het Gewestelijk Milieu-overleg (GMO), waarvan verder de VLM (Vlaamse Landmaatschappij), de VMM (Vlaamse Milieumaatschappij) en AMINAL (Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer) deel uitmaken. De OVAM heeft binnen dit samenwerkingsverband meegewerkt aan het OntwerpMilieubeleidsplan 2003-2007 en het milieujaarprogramma 2001 en 2002. De werking van het GMO werd verder uitgediept. 5 Eind 2000 besliste de Vlaamse regering om het Vlaamse overheidsapparaat in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid te reorganiseren. Dat proces was binnen de OVAM al opgestart (Integratie & Dynamiek) en ook verder uitgebreid binnen de hele Vlaamse milieuadministratie. Het was dus een goede vertrekbasis om op een onderbouwde basis een nieuwe organisatiestructuur uit te werken. Eind 2001 was het voorstel tot hervorming van alle huidige entiteiten die tot het toekomstige beleidsdomein Leefmilieu en Natuur zullen behoren, afgerond. Vanuit de OVAM waren er twee belangrijke aandachtspunten, namelijk de samenhang tussen de twee kernmateries afvalstoffen en bodemsanering enerzijds en de rechtspersoonlijkheid anderzijds. De rechtspersoonlijkheid van de OVAM werd als toekomstige IVA in vraag gesteld. Rekening houdend met de ervaring uit het verleden, vooral in rechtszaken en participaties, zou het wegvallen van de rechtspersoonlijkheid een forse achteruitgang zijn. In het door de Vlaamse regering goedgekeurde voorstel van 8 februari 2002 wordt het afval- en bodemsaneringsbeleid verder ondergebracht bij de OVAM. Daarnaast wordt voorzien dat de verdere ontwikkeling, integratie en het beheer i.v.m. de beperking en het gebruik van natuurlijke grondstoffen (voorraadbeheer) vanuit de OVAM zal gebeuren. De intiatieven rond externe integratie zijn in Vlaanderen nog relatief beperkt en gebeuren dikwijls ad hoc (bv. rond groene stroom voor hernieuwbare energie, duurzaam ondernemen en preventiebeleid, brownfieldontwikkeling en het beleid inzake ruimtelijke ordening en economie, stimuleren vervoer over water en het mobiliteitsbeleid…). In sommige domeinen wordt een structurele organisatie opgezet waarbij de OVAM betrokken is, zoals de Organisatiestructuur Milieu & Gezondheid. Voor de samenwerking met het federale en het Europese niveau wordt verwezen naar het verslag van Europa, Preventie, Onderzoek en Ontwikkeling.
De internationale belangstelling voor het vooruitstrevende beleid in Vlaanderen en de bereikte resultaten is het laatste jaar enorm toegenomen. Dat vertaalt zich in allerlei initiatieven en projecten: een Twinningproject met Hongarije, toelichting geven aan buitenlandse delegaties, inbreng van onze ervaring rond planning, preventie en recuperatie in buitenlandse projecten zoals in Zuid-Afrika. • De beleidscyclus Rond de beleidscyclus kan vooral de samenwerking binnen de milieuadministratie inzake planning en onderzoek naar voren worden gebracht. Vanuit de staf bij de Administratie-Generaal gebeurt zowel de interne als externe coördinatie van planning en onderzoek. In de eerste plaats werd er binnen de milieuadministratie samengewerkt bij de afronding van het Ontwerp–Milieubeleidsplan. Begin 2001 was een eerste versie klaar, maar in de loop van 2001 werd dit ontwerp verfijnd en aangevuld. Vanuit de OVAM werden de themastukken 'Verontreiniging door afvalstoffen' en 'Verontreiniging en aantasting van de bodem' verder opgevolgd. Vermits het lopende Milieubeleidsplan met één jaar verlengd werd tot eind 2002 werd het Milieujaarprogramma 2001 uitgevoerd en werd ook een Milieujaarprogramma 2002 opgemaakt. Het planningsproces inzake het afval - en bodemsaneringsbeleid werd binnen de OVAM opgevolgd zowel op het strategische als het operationele niveau. In uitvoering van de beleidsbrief en om het vernieuwende beleid te versnellen en al te anticiperen op het nieuwe milieubeleidsplan initieerde het kabinet drie strategische projecten die vanuit de OVAM werden ontwikkeld, nl. het Strategisch Plan Afvalpreventie (SPAP), Bodemsanering (integratie en versnelling) en Eindverwerking. Zowel de voorbereiding als de uitvoering en de evaluatie van het beleid hebben baat bij een ver doorgedreven wetenschappelijke ondersteuning. Om het geplande wetenschappelijke onderzoek systematisch bijeen te brengen, werd een programma opgesteld en goedgekeurd: het programma Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek (TWOL). De OVAM is verantwoordelijk voor de sectoren afval en bodem. Binnen het GMO participeren we in twee projecten in dit verband: - het strategisch project 'stroomlijning van het wetenschappelijk onderzoek'. Het doel is een verbetering van de bestaande coördinatiestructuren inzake wetenschappelijk onderzoek en van de technologische onderzoeksprogramma’s. In eerste instantie wordt het afstemmen van al het onderzoek binnen TWOL qua timing, financiering, prioriteiten en inhoud beoogd. - GMO – databeheer. Er werd een geautomatiseerd opvolgingssysteem uitgewerkt voor zowel de actie uit het MINA–plan als voor de uitbouw van een kennisbank voor het totale leefmilieuonderzoek. Deze toepassing vertoont heel wat tekortkomingen zodat een evaluatie van het systeem zal gebeuren. Een databeheersysteem dat beter functioneert, zal ook het project rond de stroomlijning van het onderzoek succesrijker maken. Al jaren loopt er een gestructureerde samenwerking tussen de OVAM en de Vito. Er werd een nieuw raamcontract afgesloten voor de wetenschappelijke, technische en technologische ondersteuning van de Vito aan de OVAM. Dit nieuwe raamcontract loopt over de periode 2001–2005 en past volledig binnen de nieuwe beheersovereenkomst 2001–2005 tussen het Vlaamse Gewest en het Vito. Binnen dit kader wordt dan jaarlijks een jaarcontract afgesloten.
6
Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (IDPBW) Conform de vigerende wetgeving ter zake (o.a. KB van 27.03.1998 – Welzijnswet) werd op 01.02.2001 de installatie bekrachtigd van een preventieadviseur in de OVAM. In 2001 werd de IDPBW een aparte dienst, die in 2002 verder zal worden uitgebouwd. In 2001 werden een aantal risicoanalyses uitgevoerd waaronder: - risico’s voor onze toezichthoudende ambtenaren – toepassing in 2002 - risico’s voor onze administratieve bedienden met bijzondere aandacht voor beeldschermwerkers – toepassing in 2002 - stress-inventarisatie voor alle personeelsleden; toepassing met concrete aanbe7
velingen naar de directie zal gebeuren in 2002 Daarnaast heeft de IDPBW ook een grootschalige medische screening op touw gezet. In 2001 kregen 296 personeelsleden een medisch onderzoek. Ook belangrijk was een doorgedreven 'policy' bij het verlenen van PBM’s (persoonlijke beschermingsmiddelen). Ieder personeelslid krijgt - als hij/zij erom verzoekt de nodige PBM’s in functie tot de uit te voeren werkzaamheden. Ook in 2001 werd een opleiding georganiseerd in het nemen van 'monsters' (stalen) voor analysen om nadien onnodige discussies te vermijden. Incidentmelding en medische opvolging behoren eveneens tot de taken van een preventiedienst. Daarnaast moeten we het EHBO-, Brand- en Interventieteam uitwerken en onderhouden. Daarvoor worden op regelmatige tijdstippen opleidingen georganiseerd. De jaarlijkse evacuatieoefening (juni) resulteert in het verder optimaliseren van de evacuatieplannen. In samenwerking met de personeelsdienst zorgen we ook voor de organisatie van aangepaste veiligheidsopleidingen (in principe 2x per jaar) met alle nieuwe personeelsleden binnen de OVAM. Daarnaast werden in 2001 ook nog 134 schriftelijke vragen beantwoord i.v.m. veiligheid en welzijn op het werk.
De preventiedienst in casu de preventieadviseur is er niet gekomen omdat dit wettelijk verplicht is, maar omdat er werkelijk nood is aan een persoon die zich fulltime bezighoudt met het welzijn van de personeelsleden. In 2001 vormden de opvolging en de uitbouw van de huidige nieuwbouw in de Stationsstraat belangrijke activiteiten.
Openheid: de troef in de OVAM-dienstverlening Om invulling te geven aan haar missie, met name 'het beheersen van de afvalstoffen- en bodemsaneringsproblematiek in Vlaanderen', zet het OVAM-personeel zich elke dag ten volle in. Door haar grote maatschappelijke gevoeligheid komt de afvalstoffen- en bodemproblematiek regelmatig in de actualiteit. Daarom is het noodzakelijk om via een (pro)actief informatiebeleid naar de pers een correcte, evenwichtige benadering in de hand te werken die een objectieve profilering van de OVAM bevordert. Het is de opdracht van de woordvoerster en de PR-verantwoordelijke om dit beleid te helpen realiseren. Het snel en accuraat inspelen op vragen vanwege de pers is een sleutelactiviteit van het woordvoerderschap. Daarnaast werden in 2001 regelmatig persconferenties georganiseerd of persberichten verspreid omtrent beleidsrelevante thema's, zoals de inventarisatie van de huishoudelijke afvalstoffen, de campagne rond afvalpreventie of Sint-Amands. Ook hebben we geparticipeerd in de lancering van verschillende campagnes, bijvoorbeeld de campagne rond milieuvriendelijk schoolgerief. Aan het PR-beleid werd in 2001 voornamelijk invulling gegeven door actief te participeren in interne en externe projecten waarij communicatie en informatie centraal staan. Enkele voorbeelden zijn de uitwerking van het STIP, het DIFTAR, de communicatieaanpak in het MAMBO-project, de Open Bedrijvendag en het project 'Retour is terug'. De bevolking komt, ondanks haar gevoeligheid voor de afvalstoffen- en bodemproblematiek, zelden rechtstreeks in contact met de OVAM. Dat is anders in dossiers van (ambtshalve) afvalstoffenverwijdering en bodemverontreiniging en de sanering ervan. Van bij het begin hechtte de OVAM in deze dossiers veel belang aan een goede communicatie. Dit beleid werpt stilaan vruchten af. We zijn er namelijk in geslaagd een negatief imago om te zetten in een situatie waarbij de OVAM steeds meer ervaren wordt als een betrouwbare informatiebron. De woordvoerster adviseert daarbij intern en extern over de aanpak en organisatie van informatievergaderingen voor omwonenden. Belangrijke bewonersvergaderingen waren er in 2001 bijvoorbeeld in Sint-Amands, in Sint-Truiden, in Drogenbos en in Peer. Regelmatig gaf de woordvoerster hierover advies aan bedrijven. Ook had ze zitting in diverse commissies inzake communicatie (MOVI-overleg woordvoerders, KORTOM). Zoals elk jaar zitten ook de driemaandelijkse nieuwsbrief 'OpgeruimD' en dit jaarverslag in haar takenpakket. De OVAM hecht veel belang aan internationale uitwisseling. in 2002 ontvingen we buitenlandse delegaties uit onder meer Finland, Nederland, Hongarije en Japan.
8
BODEMONDERZOEK EN ATTESTERING SANERING Op 18 mei 2001 werd een wijziging aan het bodemsaneringsdecreet doorgevoerd in verband met de site gebonden aanpak voor bodemverontreiniging. Op 12 oktober 2001 werd het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO) gewijzigd. Tijdens de besprekingen in het kader van de eventuele definitieve goedkeuring van de wijziging van het VLAREBO, kwamen enkele andere aandachtspunten aan het licht. Die werden verwerkt in een nieuwe wijzigingstekst. Deze tekst werd principieel goedgekeurd door de Vlaamse regering op 12 oktober 2001 en werd overgemaakt voor advies aan de Raad van State.
REGISTER VAN VERONTREINIGDE GRONDEN EN BODEMATTESTEN Sinds 1 oktober 1996 moet iedereen die een overeenkomst over de overdracht van gronden wil sluiten, eerst bij de OVAM een bodemattest aanvragen. De wettelijke afleveringstermijn voor een blanco bodemattest is beperkt tot maximum één maand. Voor een niet-blanco bodemattest werd de afleveringstermijn van twee maanden behouden. De afleveringstermijn voor een blanco bodemattest bedraagt normaal niet meer dan een week na de ontvankelijke aanvraag. Vanaf april 2000 wordt op de OVAM-website aangegeven welke bodemattestaanvragen er op die welbepaal-
9
de dag in behandeling zijn. Het totale aantal bodemattestaanvragen is lichtjes gedaald ten opzichte van vorige jaren. Dagelijks worden gemiddeld 720 bodemattesten op aanvraag afgeleverd. Eind 2001 waren er ruim 23.000 percelen opgenomen in het register van verontreinigde gronden. Een deel hiervan wacht nog op de technische eindbeoordeling. Daarnaast is er ook nog een databank met informatie over bodembedreigende activiteiten. Deze inventaris omvat bijna 22.000 percelen. Er is ook een koppeling gemaakt met de bodemattestaanvragen waardoor de aanvrager in voorkomend geval een begeleidende brief krijgt met informatie over de bodembedreigende activiteiten. Dit systeem wordt op termijn vervangen door de gemeentelijke inventaris. Om een vlotte uitwisseling van gegevens mogelijk te maken werden onder andere al contacten gelegd met de Vlaamse vereniging van steden en gemeenten.
Lopende rekeningen Voor de bedrijven of personen die regelmatig bodemattestaanvragen indienen, is er een systeem van lopende rekeningen van kracht. Vooral notarissen en immobiliënkantoren maken hiervan gebruik.
Databanktoepassingen De informaticatoepassing bodemsanering is sinds 1996 in werking en in 2001 werd de overgang naar de
euro voorbereid. Naast de basisfuncties werden een aantal randapplicaties toegevoegd (toepassing artikel 30, opvolging onteigeningen), of werd de ontwikkeling ervan gestart (on line aanvragen van bodemattesten, opvolging dossiergebonden aanvragen).
GIS - geografisch informatiesysteem In samenwerking met het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen en Geographic Information Management (GIM) hebben we in 2000 de eerste 3 van de 4 fasen van het project 'Implementatie van een geografisch informatiesysteem bij de OVAM' afgerond. Bij de aanvang van de tweede fase werd het duidelijk dat de invoering van een derde generatie GIS enkel kan gebeuren samen met een herziening van de administratieve toepassing, omdat de ruimtelijke informatie rechtstreeks in de alfanumerische databank wordt ondergebracht. Aangezien deze herziening maar over enkele jaren gepland wordt, hebben we geopteerd om in afwachting hiervan een voorlopige eerste generatie GIS te realiseren waarin de ruimtelijke informatie los staat van de databank. In fase 2 (het definitief ontwerp) hebben we het ontwerp herzien in functie van een voorlopig GIS en in fase 3 hebben we een bestek opgesteld voor de levering van een eerste generatie GIS. Eind 2000 werd de levering en installatie van een GIS gegund aan Intergraph Benelux B.V. De levering en installatie van het GIS gebeurden in 2001 en er werd gestart met de aanmaak van de eerste generatie GIS dossierhouderstoepassing. Medio 2002 zal de dossierhouderstoepassing volledig operationeel zijn. In de loop van 2001 kregen de dossierhouders bij de OVAM een algemene en specifieke GIS-opleiding. Tegelijk zijn we gestart met de invoer van de ruimtelijke gegevens in het GIS. Daarbij werd voorrang gegeven aan de ruimtelijke gegevens van de percelen die opgenomen zijn in het register van verontreinigde gronden. In de toekomst is het de bedoeling dat de erkende bodemsaneringsdeskundigen alle ruimtelijke informatie die verbonden is aan een bodemonderzoek, digitaal uitwisselen met de OVAM. Hiertoe hebben we aan de erkende bodemsaneringsdeskundigen een rondvraag gestuurd om te informeren naar de mogelijkheden waarover zij beschikken voor de digitale uitlevering van ruimtelijke gegevens. Op basis van deze resultaten werd een plan van aanpak opgesteld voor de aanpassing van de huidige invoertoepassing van onderzoeksgegevens.
10
Vaststellingen bodemverontreiniging De manier waarop de bodemverontreiniging in Vlaanderen dient te worden aangepakt, is bepaald in het bodemsaneringsdecreet. Maar vaak is er een vaststelling van een acute bodemverontreiniging. In dergelijke situaties is het noodzakelijk dat snel de nodige maatregelen worden genomen. Hiertoe is het nog steeds mogelijk om na de melding van een schadegeval onmiddellijk een erkend bodemsaneringsdeskundige ter plaatse te sturen. Die doet de nodige vaststellingen en bepaalt welke maatregelen al dan niet op korte termijn moeten worden genomen. In 2001 verleende de OVAM 69 gunningen om een dergelijk onderzoek uit te voeren. Verder werden 291 nieuwe meldingen behandeld wat een stijging is van 14% ten opzichte van 2000. In 2001 werden eveneens 130 dossiers omgezet in een decretaal onderzoek. Het voormelde systeem van plaatsbezoek werd uitgebreid door het op te nemen in het nieuwe gemeentelijk milieuconvenant voor de periode 2002-2007 - cluster vaste afvalstoffen. Gemeenten die dit deel van het convenant ondertekenen, kunnen met erkende bodemsaneringsdeskundigen overeenkomsten afsluiten om dergelijke plaatsbezoeken af te leggen. De gemeenten kunnen de kosten terugvorderen via 11
het milieuconvenant. Op basis van de opgedane ervaring wordt een afzonderlijke, verkorte procedure voor dergelijke vaststellingen van bodemverontreiniging voorbereid. Mits een aantal voorwaarden wordt de mogelijkheid gegeven om de bodemverontreiniging binnen een bepaalde termijn te saneren. Indien hieraan niet voldaan zou zijn, wordt er overgegaan naar de normale procedure. Aangezien bij veel vaststellingen van bodemverontreiniging de bron niet altijd gekend is, heeft de OVAM een project opgestart waarbij zij een bronbepaling kan laten uitvoeren door een erkend bodemsaneringsdeskundige. Op die manier is het mogelijk om in een heel korte tijdspanne de bron van vervuiling te identificeren en na te gaan welke verdere maatregelen genomen moeten worden. Door de wijziging van het VLAREBO van 12 oktober 2001 wordt het mogelijk om gronden op basis van een vaststelling op te nemen in het register van verontreinigde gronden. Bijgevolg zal het ook mogelijk worden om de kopers van een terrein over een vaststelling van bodemverontreiniging op het betreffende perceel te informeren aan de hand van de inhoud van het bodemattest. Aansluitend hierbij werden de voorbereidingen genomen om een nieuwe databank 'schade' op te starten voor meldingen en vaststellingen van bodemverontreiniging. Op die manier kan alle beschikbare informatie nauwgezet worden opgevolgd. Dit systeem werd in januari 2002 operationeel.
BODEMONDERZOEK OriĂŤnterende en beschrijvende bodemonderzoeken leveren informatie voor het register van verontreinigde gronden en moeten gebeuren door een erkend bodemsaneringsdeskundige. Dat is een persoon of firma die over de nodige kennis en ervaring beschikt, de onderzoeksprocedures van de OVAM volgt en door de OVAM werd erkend.
Het oriĂŤnterend bodemonderzoek geeft snel een beeld van de bodemgesteldheid en -verontreiniging op een bepaald perceel. Eerst wordt de voorgeschiedenis van het terrein in kaart gebracht, zodat we hypothesen over de verontreiniging kunnen ontwikkelen. Boringen en analyses moeten die hypothesen dan bevestigen. Afhankelijk van de verontreinigingsgraad en het historische karakter ervan, moet de bodem al dan niet worden gesaneerd.
12
De eerste stap bij zo'n sanering is het beschrijvend bodemonderzoek. Daarbij onderzoekt de bodemsaneringsdeskundige hoe de verontreiniging zich al heeft verspreid en hoe die verspreiding in de toekomst nog zal evolueren. Verder gaat hij de risico's na die verbonden zijn aan de bodemverontreiniging. Terwijl het oriĂŤnterend bodemonderzoek vooral een signaalfunctie heeft, besteedt het beschrijvend bodemonderzoek aandacht aan de impact van de verontreiniging op de omgeving en de gevaren voor de volksgezondheid. De informatie uit deze beide onderzoeken wordt opgeslagen in een databank. De aanwezigheid van bodemverontreiniging leidt tot een opname in het register van verontreinigde gronden. Aan de hand van het bodemsaneringsdecreet wordt dan de saneringsplicht nagegaan. In onderstaande tabel wordt een beknopt overzicht gegeven van het aantal bodemonderzoeken die in 2001 werden ontvangen en verwerkt. Ter vergelijking werden eveneens de gegevens van de vorige drie jaren opgenomen.
Tabel 1: Overzicht bodemonderzoeken 1998
1999
2000
2001
2.500
3.319
4.182
4.868
Aanmaningen
580
487
540
985
Beschrijvend bodemonderzoek
440
1.024
1.077
1.261
Aanmaning tot project
150
275
277
351
Oriënterend bodemonderzoek
Eind 2001 had Bodemonderzoek en attestering ongeveer 16.500 dossiers in behandeling. Door de decretale onderzoeksplicht (bij overdracht van gronden, stopzetting van activiteiten en sluiting van inrichtingen, alsook periodiciteit) kwamen er in 2001 ruim 4.800 bijkomende oriënterende bodemonderzoeken binnen voor beoordeling. In circa 60% van de gevallen ging het om een overdracht van gronden. Dit percentage lag iets lager dan de vorige jaren. Dat komt door de dossiers die eind 2001 werden ingediend in het kader van de eerste periodieke verplichting tot oriënterend bodemonderzoek voor bedrijven 13
van categorie B. Voor de onteigening van gronden liet de OVAM ongeveer 40 oriënterende bodemonderzoeken uitvoeren op risicogronden. Op basis van de geëvalueerde dossiers verstuurden we bijna 1.000 aanmaningen tot bodemsanering (te starten met beschrijvend bodemonderzoek). Een kleine 70% van deze aanmaningen vloeit voort uit de plichten ten gevolge van overdrachten, sluiting en/of stopzetting. De overige aanmaningen (meer dan 300) werden verstuurd om de saneringsplichtige conform artikel 31 aan te sporen tot bodemsanering. In 2001 beoordeelde de OVAM meer dan 1.250 beschrijvende bodemonderzoeken. Ruim 25 % werd aangemaand een bodemsaneringsproject op te stellen.
VRIJWILLIGE EN VERPLICHTE BODEMSANERINGEN Beoordeelt de bodemsaneringsprojecten en controleert de saneringswerken. Stelt tevens een conformiteitsattest of een vraag tot aanvulling en/of wijziging op. Het conformiteitsattest geldt ook als vergunning voor de bodemsaneringswerken. Zijn er na de uitvoering nog maatregelen voor bewaking en controle nodig, dan worden die ook opgevolgd. Achteraf levert de OVAM een verklaring af over de resultaten van de werkzaamheden. In 2001 werden bij de OVAM 310 bodemsaneringsprojecten ingediend. Voor 292 projecten kenden we een conformiteitsattest toe, dat kan gelden als milieuvergunning, bouwvergunning en vergunning voor grondwaterwinning voor de uit te voeren bodemsaneringsprojecten. Voor 58 bodemsaneringsprojecten formuleerde de OVAM voorstellen tot wijziging of aanvulling. Op 163 locaties met een conformiteitsattest werden de bodemsaneringswerken aangevat of bevinden ze
zich in de fase van de nazorg. De OVAM leverde bovendien 28 verklaringen af na de uitvoering van de bodemsaneringswerken. Zo'n verklaring bevestigt de resultaten van de werkzaamheden. Tabel 2 bevat een overzicht van de ramingen van de totale kostprijs voor de bodemsaneringswerken. Het betreft de bodemsaneringsprojecten waarvoor al een conformiteitsattest werd toegekend en de in uitvoering zijnde bodemsaneringswerken. Tabel 2. Gefaseerde kostprijsraming voor de bodemsaneringswerken
Bodemsaneringsprojecten 1997
Bedrag (miljoen EUR) 1998 1999 2000
2001
Conformiteitsattesten
54,5
17,0
72,0
80,7
96,5
In uitvoering (werk/nazorg)
49,8
21,0
57,3
42,4
45,0
Uit bovenstaande tabellen blijkt dat voor de in 2001 ingediende bodemsaneringsprojecten waarvoor de OVAM een conformiteitsattest heeft afgeleverd, de kostprijs van de werken wordt geraamd op 96,5 miljoen euro. Het totale bedrag voor de periode 1997-2001 bedraagt circa 320 miljoen euro.
STRATEGISCHE PROJECTEN De minister van Leefmilieu legde aan de OVAM de uitwerking van het strategische project Bodemsanering op. Dit project bestaat uit vier deelprojecten: • Geïntegreerde aanpak van brownfields en woonzones • Verfijning wetgeving bodemsanering • Alternatieve financiering bodemsanering • Versnelling ambtshalve procedure bodemsanering Hieronder volgt een stand van zaken van de verschillende deelprojecten.
Brownfields Bodemverontreiniging is momenteel in veel gevallen een belemmering voor de herontwikkeling van verlaten, oude industriële sites. Niet alleen de te verwachten saneringskosten, maar ook de onzekerheden omtrent de saneringstechniek en -kost, de realisatie van de nabestemming, de aansprakelijkheid voor nog aanwezige restverontreiniging, e.d. schrikken kandidaat-ontwikkelaars af. Om deze terreinen opnieuw te ontwikkelen, zijn er nieuwe initiatieven nodig. Daarom verzocht de minister van Leefmilieu de OVAM om een strategisch project Brownfieldontwikkeling op te starten. Er werd een stuurgroep Brownfieldontwikkeling samengesteld onder voorzitterschap van de OVAM. Omdat brownfieldontwikkeling veel meer is dan alleen maar het saneren van een brownfield werden bij deze stuurgroep verschillende overheidsinstanties betrokken.
14
In een eerste fase werd in opdracht van OVAM een knelpuntenanalyse van een aantal bestaande brownfieldprojecten in Vlaanderen uitgevoerd en werd een seminarie rond dit thema georganiseerd. Vanuit de stuurgroep en op basis van de ervaren knelpunten werden vier werkgroepen opgericht die verder onderzoek naar structurele oplossingen voor de knelpunten bij brownfieldontwikkeling coördineren. De werkgroepen werden opgericht rond vier centrale thema’s: • de nood aan een inventarisatie van brownfields in Vlaanderen (Werkgroep Inventarisatie); • inventarisatie van reeds bestaande financierings- en subsidiëringsmiddelen die bij brownfieldontwikkeling kunnen worden aangesproken en het uitwerken van nieuwe mogelijke mechanismen voor de financiering van brownfieldontwikkeling (Werkgroep Financiering en Subsidiering); • identificatie van alle betrokken partijen/actoren bij brownfieldontwikkeling en de omschrijving van hun rol en verantwoordelijkheid in het te doorlopen ontwikkelingstraject (Werkgroep Actoren); • opstarten en ondersteunen van proefprojecten (Werkgroep Proefprojecten). De OVAM heeft in de loop van 2001 de werking van deze werkgroepen op verschillende manieren ondersteund via de inzet van personeel of het uitbesteden van specifieke ondersteunende opdrachten aan externe studiebureau’s.
15
In december 2001 werd de opdracht 'het opstellen van een draaiboek voor brownfieldontwikkeling' gestart. Dit draaiboek moet in de eerste plaats een handleiding worden voor de initiatiefnemer (of brownfieldmanager) voor de herontwikkeling van een brownfield en zal duidelijk moeten aangeven welke fasen er in het herontwikkelingstraject dienen te worden doorlopen. Dit draaiboek wordt opgesteld in nauw overleg met de leden van de werkgroep 'Actoren'. Het eindresultaat wordt verwacht tegen eind 2002. In een aantal proefprojecten heeft de OVAM in de loop van 2001 een aantal specifieke opdrachten uitgevoerd of opgestart: • uitvoeren van een bodemonderzoek en evaluatie van de haalbaarheid van bodemsanering in het kader van het proefproject ‘Balmatt te Mol’; • inventarisatie van bodemonderzoeken en behoefteanalyse voor verder onderzoek in het kader van de proefprojecten ‘Willebroek Noord’, ‘Vilvoorde Watersite’ en ‘Machelen Kerklaan’; • uitvoeren van een haalbaarheidsstudie voor de bodemsanering en herontwikkeling van de terreinen van ex-Forges de Clabecq in Vilvoorde. Momenteel maakt de OVAM een evaluatie van de inspanningen die al geleverd zijn in het kader van het strategisch project Brownfieldontwikkeling en de resultaten. Op basis van deze evaluatie zal de verdere ondersteuning en inspanning in het kader van het strategisch project worden bijgestuurd.
Woonzones Het voorstel van systematiek voor de aanpak van woonzones op potentieel verontreinigde gronden werd verder verfijnd: - Er is een decreetswijziging (18 mei 2001) in verband met site gebonden aanpak voor bodemverontreiniging. - Een systematiek voor prioriteitsbepaling bij de aanpak van woonzones is uitgewerkt.
- Een proefproject om de systematiek van de aanpak te toetsen, is opgestart. - De opdracht tot opmaak van een draaiboek voor de aanpak van woonzones werd gegund. De bedoeling van het draaiboek is een leidraad aan te reiken voor de noodzakelijke, site-specifieke benadering van bodemverontreiniging in woonzones. De knelpunten betreffende bodemverontreiniging in woonzones en de mogelijke oplossingen hiervoor worden geïnventariseerd. Eveneens zal de systematiek inzake prioriteitsbepaling bij de aanpak van woonzones hierin worden geconcretiseerd.
Verfijning wetgeving bodemsanering Zoals hierboven vermeld hebben we het nodige werk verricht voor de wijziging van het VLAREBO. Met betrekking tot een volgende wijziging van het bodemsaneringsdecreet werd een knelpuntenanalyse uitgewerkt, die in 2001 voorgelegd werd aan de Commissie Leefmilieu van het Vlaams Parlement. In functie van deze knelpuntennota worden oplossingen uitgewerkt in de loop van 2002.
Alternatieve financiering bodemsanering Binnen het project hebben we twee fases onderscheiden. In eerste instantie is er het inschatten van de financieringsbehoeften. We hebben opdracht gegeven om zo nauwkeurig mogelijk de financieringsbehoeften voor bodemsanering in te schatten. Zo wilden we een beeld krijgen van de middelen die nodig zijn voor de sanering van alle gevallen van historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormen, zowel voor de saneringen in opdracht van de saneringsplichtigen, als voor de ambtshalve bodemsanering. Bijkomend diende deze studie een inschatting te geven van het aantal bedrijven dat een verplichting heeft tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek (met verwijzing naar periodiciteit) en een inschatting van het aantal beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringsprojecten dat waarschijnlijk zal worden ingediend voor sanering van historische bodemverontreiniging. De studie werd in 2001 afgerond. In een tweede fase willen we alternatieve financieringsmiddelen uitwerken. De OVAM heeft opdracht gegeven om alle mogelijke relevante middelen voor financiering van bodemsanering in kaart te brengen. Het betreft een overzicht van zowel instrumenten om geld te vergaren voor de financiering van ambtshalve bodemsaneringen en van saneringen in probleemsectoren, als financiële instrumenten om sanering door derden te stimuleren. Eén hoofdstuk van deze studie richt zich specifiek op het stimuleren van brownfieldsaneringen. Een eerste rapport was al beschikbaar begin 2001. Na overleg met de relevante actoren werden de middelen die het meest realistisch en relevant geacht werden, verder uitgewerkt in een tweede rapport. Dit rapport werd begin 2002 voorgesteld tijdens een werksessie met parlementairen en maatschappelijke actoren in het Vlaams parlement. Op basis van deze discussie worden voorstellen voor relevante wijzigingen aan het bodemsaneringsdecreet geformuleerd en worden gepaste instrumenten verder inhoudelijk ingevuld. In het kader van het deelproject 'Alternatieve financiering bodemsanering' passen eveneens twee meer specifieke initiatieven: het Premaz-project en de oprichting van een fonds bodemsanering benzinestations.
16
Fonds bodemsanering benzinestations Bij overeenkomst d.d. 8 augustus 1997 werd tussen de drie gewesten en de diverse federaties in de petroleumsector een studiesyndicaat opgericht met volgende doelstellingen: - het analyseren van de huidige toestand van de bodemverontreiniging van benzinestations; - het formuleren van aanbevelingen tot harmoniseren van een regeling inzake bedoelde bodemsanering; - het uitwerken van een financieringssysteem en een beheerssysteem binnen het wettelijke kader van onder meer het mededingingsrecht. Na diverse besprekingen in het algemeen studiesyndicaat en in de technische/juridische werkgroepen binnen dit studiesyndicaat werden op 7 juni 1999 een aantal besluiten genomen over een aantal knelpunten: - financieringsmechanisme/verdeling; - exploitatieverbod; - structuur interregionale bodemsaneringscommissie; - zetelverdeling en beslissingsbevoegdheid fonds.
17
In de periode oktober-november 1999 werden de noodzakelijke teksten (samenwerkingsakkoord, memorie van toelichting, decreet, …) gefinaliseerd. In december 1999 werd het dossier officieus aangemeld bij de Europese Commissie. In het voorjaar 2000 werd het advies ingewonnen van de inspectie van Financiën, de MiNa-Raad en de SERV, gevolgd door een principiële goedkeuring van het ontwerp van samenwerkingsakkoord door de Vlaamse regering. Aangezien het dossier op federaal niveau geblokkeerd werd wegens het financieringsmechanisme, werkte het studiesyndicaat verder aan een aanpassing van het samenwerkingsakkoord en de memorie van toelichting. In 2001 keurden de federale regering en de gewestelijke regeringen de aangepaste versie van het ontwerp van samenwerkingsakkoord principieel goed. Het dossier werd voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Nadien heeft een werkgroep zich gebogen over het dossier om het aan te passen en tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State. Medio 2000 werd het dossier ook voorgelegd aan de Belgische Raad voor Mededinging. Deze procedure is nog lopende. Het Premaz-project Een specifiek voorbeeld van alternatieve financiering is het uitwerken van financieringsinstrumenten voor de solidarisering van de kosten die verbonden zijn aan de milieurisico’s van lekkende of risicovolle stookolietanks. Hierover onderhandelen we met de stookoliesector. De aanzet voor deze discussie werd gegeven in het Premaz-project, waarbij op grote schaal gepoogd werd om tanks te controleren en desgevallend te saneren. Een van de doelstellingen van dit project was nagaan of een grootschalige aanpak van dit probleem haalbaar was. Het eindrapport van Premaz werd in 2001 afgeleverd. Dit rapport werd nog aangevuld met een rapport betreffende de uitgraving van een aantal tanks waarvan een eerste controle had aangewezen dat ze lekdicht waren, maar waarvan een corrosiviteitsmeting had aangegeven
dat de levensduur beperkt was. Beide rapporten zijn beschikbaar op de website van Premaz: www.premaz.be. In 2000 werd met de stookoliesector een MBO afgesloten, waarin die zich er onder meer toe engageert om financieringsinstrumenten van de milieurisico’s uit te werken. De eerste grote lijnen voor een concrete invulling van deze MBO werden uitgetekend in 2001. De verdere uitbouw van dit financieringsinstrument zal in 2002 gebeuren.
Versnelling ambtshalve bodemsanering Naast een eventuele saneringsplicht naar aanleiding van een overdracht, sluiting of stopzetting, wordt de aanpak van de historische bodemverontreiniging geregeld door artikel 30 van het decreet. Volgens dit artikel wijst de Vlaamse regering op voorstel van de OVAM die historische verontreinigde gronden aan waar bodemsanering moet plaatsvinden. In het kader van het strategisch project 'ambtshalve versnelling' hebben we hier een inhaalbeweging uitgevoerd. In 2001 werden de gronden van 660 dossiers via de procedure van artikel 30 aangewezen. Zoals reeds aangegeven werd bij meer dan 300 van deze dossiers ook een aanmaning verstuurd. Tevens werd bij 300 dossiers met nieuwe bodemverontreinigingen ook uitdrukkelijk verwezen naar de zelfstandige saneringsplicht. Aangezien de saneringsplichtigen niet altijd reageerden, waren er 65 ingebrekestellingen en werden er ongeveer 20 ambtshalve beschrijvende bodemonderzoeken opgestart.
ONDERSTEUNING Geeft advies over financiële waarborgen, verricht beleidsondersteunend en technisch-wetenschappelijk onderzoek en beheert de dossiers voor erkenning als bodemsaneringsdeskundige. Beleidsondersteunend onderzoek is bedoeld om de procedures voor de uitvoering van het bodemsaneringsdecreet te verbeteren.
Erkenning bodemsaneringsdeskundigen Het decreet betreffende de bodemsanering stelt dat alle bodemonderzoeken en bodemsaneringsprojecten alsook de opvolging van de bodemsaneringswerken dienen te gebeuren door of onder toezicht van een erkend bodemsaneringsdeskundige. Een erkenning als bodemsaneringsdeskundige wordt verleend voor maximaal 5 jaar. Eind 2001 waren er in totaal 89 erkende bodemsaneringsdeskundigen. In de loop van het jaar 2001 werden 12 nieuwe erkenningen verleend, 25 bestaande erkenningen vernieuwd, zeven bestaande erkenningen opgeheven en vier erkende bodemsaneringsdeskundigen werden voor een periode tussen de één en zes maand geschorst.
Financiële zekerheden De OVAM kan een saneringsplichtige verzoeken financiële zekerheden te stellen die zijn verbintenissen waarborgen. Dat gebeurt vooral bij overdracht van een 'risicogrond' waarop een saneringsplicht rust. In 2001 werden in het kader van een overdracht 127 eenzijdige verbintenissen tot bodemsanering aangegaan en voor een totaalbedrag van ongeveer 66,5 miljoen euro financiële zekerheden gesteld.
18
Van dit bedrag werden respectievelijk 49,4%, 0,4% en 50,3% gesteld binnen het kader van artikel 48 van het bodemsaneringsdecreet, de procedure van het gemotiveerd stilzitten en de gewone procedure. In 1997 en ook in 1998 werden financiĂŤle zekerheden gesteld voor een bedrag van ongeveer 25 miljoen euro, in 1999 voor ongeveer 50 miljoen euro en in 2000 voor ongeveer 42 miljoen euro. Een gedeelte van deze bedragen werd reeds vrijgegeven. Op 1 januari 2001 waren er bij onze diensten in totaal 487 eenzijdige verbintenissen tot bodemsanering in beheer, die een totaalbedrag van 184,7 miljoen euro aan financiĂŤle zekerheden vertegenwoordigen.
Informatievoorziening Naast de uitvoerende taken gedefinieerd door het bodemsaneringsdecreet is informatievoorziening naar het publiek een heel belangrijke taak. Deze informatie is drieledig: mondelinge adviezen, schriftelijke adviezen en infosessies. In 1996 werd gestart met een infolijn voor bodemattesten. In de praktijk wer19
den hier twee telefoonlijnen voor gereserveerd. Ook in 2001 werd deze infolijn druk gebruikt. Daarnaast komen nog steeds vele brieven binnen met vragen omtrent de toepassing van het bodemsaneringsdecreet. Regelmatig wordt aan de OVAM gevraagd om mee te werken aan informatiesessies over het bodemsaneringsdecreet. In de loop van dit jaar werd weer aan talrijke sessies deelgenomen waarbij de diverse doelgroepen betrokken waren: provincies, milieu-administraties, gemeentes, bedrijfsfederaties,... alsook het brede publiek.
Beleidsondersteuning Technisch-wetenschappelijke beleidsondersteuning De technisch-wetenschappelijke beleidsondersteuning omvat twee hoofdthema’s: enerzijds normering en risico-evaluatie, anderzijds de evaluatie van de best beschikbare technieken voor bodemsanering. Voor het opstellen van wetenschappelijk onderbouwde bodemsaneringsnormen doen we een beroep op de Vito die voor sommige aspecten hiervoor samenwerkt met universitaire onderzoeksgroepen. Door de snelle evolutie in wetenschappelijke data is een regelmatige herziening van normen noodzakelijk. In 2001 werd de herziening van de normen voor minerale olie afgerond, en werden normen opgesteld
voor MTBE (toevoegstof bij benzine). Daarnaast werd een onzekerheidsanalyse uitgevoerd op het model (Vlier-humaan) dat voor normberekening en risico-analyse wordt gebruikt. Voor verschillende bodemsaneringstechnieken worden momenteel richtlijnen voor opvolging opgesteld. Ontwerpprotocollen voor natuurlijke attenuatie en reactieve wanden werden aan de Vereniging van Erkende Bodemsaneringsdeskundigen (VEB) voorgelegd ter evaluatie. Er werden richtlijnen opgesteld voor het gebruik van modellen en meetmethoden voor de bepaling van bodem- en binnenluchtkwaliteit. Deze richtlijnen zullen in 2002 via veldmetingen verder worden gevalideerd. Daarnaast werden ook validaties uitgevoerd van enkele nieuwe meettechnieken die toepasbaar zijn voor bodemonderzoek. Internationaal Ook internationaal zijn we zeer actief rond bodemverontreiniging. Dat blijkt onder meer uit onze deelname aan Europese initiatieven zoals CLARINET (Contaminated Land Rehabilitation Network for Environmental Technologies in Europe). In werkgroepen wordt gepoogd de beschikbare kennis rond risico-evaluatie en sanering van bodemverontreiniging in Europa beter in kaart te brengen en op termijn beter op elkaar af te stemmen. In het kader van het Belgische voorzitterschap van de EU organiseerde de OVAM op 18 en 19 oktober 2001 het 7de Common Forum in Antwerpen. Het Common Forum is een vergadering waarbij ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het bodemsaneringsbeleid in de 15 lidstaten niet alleen onderling overleg plegen over recente evoluties, maar ook met de Europese instellingen en instituten van gedachten wisselen. In Antwerpen waren bovendien voor het eerst de eerste zes kandidaat-lidstaten uitgenodigd. Het doel van dit Common Forum was onder meer duidelijkheid creĂŤren over de toekomstige werking van het Forum en ook discussiĂŤren over de nieuwe (ontwerp-)wetgeving op Europees niveau. Vlaanderen heeft de taak op zich genomen om op basis van de gevoerde discussie voorstellen te formuleren voor een 'mission statement' en voor een werkstructuur voor het Forum. Samenwerking Nederland-Vlaanderen op het vlak van bodemsanering Nederland heeft al een jarenlange ervaring met bodemsanering. In Vlaanderen zijn we nog niet zo lang bezig, maar we hebben met veel beperktere middelen toch al wat gerealiseerd en internationaal worden we al als volwaardige gesprekspartners beschouwd. In 2001 werd de samenwerking met Nederland verder uitgediept.
20
• Actief Bodembeheer De Kempen is een Nederlands overlegplatform tussen de verschillende betrokkenen om een oplossing uit te werken voor de diffuse, grootschalige verontreiniging met zware metalen in Nederlands Limburg en Noord-Brabant. De TCB, het officiële technische adviesorgaan voor de Nederlandse overheid, had vooraf een studie gedaan naar de diverse randvoorwaarden en had de minister van VROM geadviseerd om Vlaanderen bij het project te betrekken, wegens onze ervaring. Er is regelmatig overleg over de problematiek tussen de OVAM en Nederland. Dat heeft vorig jaar geleid tot een overleg op ambtelijk niveau waaraan de Vlaamse en Nederlandse kabinetten, de respectievelijke Nederlandse provincies en waterschappen en de OVAM deelnamen. Dit overleg had als doel concrete afspraken voor te bereiden voor de verdere samenwerking. • De SKB (Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem) werd door de Nederlandse overheid opgericht om de beschikbare kennis rond bodembeheer en bodemsanering te verzamelen en te verspreiden, en om het onderzoek inzake bodemsaneringstechnieken en bodembeheerconcepten te coördineren en aan te sturen. In 2001 werd dit verder uitgediept. De onderzoeksprogrammaties werden uitgewisseld en er werden vier gezamenlijke onderzoeksprojecten gedefinieerd, die voor beide partijen relevant zijn. Deze projecten zijn in 2001 opgestart. • Het Overleg Lage Landen, opgestart door de SBNS (Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen), is een informeel overleg tussen enkele relevante actoren uit Vlaanderen en Nederland. 21
Dit overleg heeft als doel elkaar jaarlijks informeel te ontmoeten en ervaringen (hoofdzakelijk op het vlak van beleidsevoluties) uit te wisselen. • Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) doet onderzoek in het kader van de ondersteuning van de beleidsontwikkeling en de uitoefening van toezicht op het terrein van de volksgezondheid en op het terrein van het milieu en de natuur. Het is in Nederland onder meer verantwoordelijk voor het onderzoek inzake risico-evaluatie van bodemverontreiniging. In 2001 werd de samenwerking tussen RIVM, de OVAM en de Vito verder geconcretiseerd. Dat resulteert nu al in een uitgebreidere uitwisseling van onderzoeksresultaten.
BOUW- EN GRONDBEHEER Zorgt er in samenwerking met vzw Grondbank voor dat uitgegraven bodem geen nieuwe bodemverontreiniging veroorzaakt. Via analysemethodes, monsternameprocedures en beoordelingsstudies worden de normen getoetst.
De grondbank vzw Op basis van artikel 48 bis van het bodemsaneringsdecreet maakten we een uitvoeringsbesluit op over de toepassing van 'uitgegraven bodem'. Dit uitvoeringsbesluit werd op 12 oktober 2001 goedgekeurd door de Vlaamse Regering. De bepalingen van Hoofdstuk X die het gebruik van uitgegraven bodem regelen, zijn pas wettelijk verplicht 1 jaar na publicatie in het Belgisch Staatsblad. De definities en de erkenningregels voor de bodembeheersorganisatie treden al na 2 maand in voege. De diverse toepassingsmogelijkheden (als bodem, in of als bouwstof) worden gekoppeld aan duidelijke
milieuhygiĂŤnische kwaliteitseisen. De toezichtmaatregelen omvatten zowel protocollen voor monstername als analysemethodes en de controle van oorsprong en bestemming. In afwachting van de volledige inwerkingtreding van het gewijzigde Vlarebo heeft de Vlaamse regering zowel het departement Leefmilieu en Infrastructuur (LIN) van de Vlaamse Gemeenschap als de OVAM de opdracht gegeven om zelf al de wetgeving integraal toe te passen en ook te evalueren op zijn bruikbaarheid en op de economische gevolgen.
Centrum Duurzaam Bouwen De officiĂŤle opening had plaats in april 2002. Het Centrum Duurzaam Bouwen wil zowel de jeugd, de kandidaat-bouwers als de vaklui en materiaalproducenten voordurend stimuleren om de duurzaamheidsprincipes maximaal te ontwikkelen in het bouwgebeuren. Thema-eilanden en -studiedagen zullen bijdragen tot de ontwikkeling en promotie van een nieuwe, alternatieve en milieuvriendelijke bouwstijl.
22
PROJECTWERKING Projectmethodologie Projectontwikkeling Afvalstoffen heeft als doelstelling afvalprojecten te leiden volgens een methode die garandeert dat de projecten op een efficiënte en professionele manier worden gerealiseerd. De projecten hebben betrekking op afvalvraagstukken die dienstoverschrijdend zijn. Projectorganisatie en -beheer zijn in handen van de projectleider van Projectontwikkeling. Voor de inhoudelijke invulling van het project wordt ook een beroep gedaan op experten van Afvalstoffenbeheer. De dienstoverschrijdende projecten worden onder het hoofdstuk Projectwerking vermeld en niet meer herhaald bij de respectievelijke diensten van Afvalstoffenbeheer. Nieuwe projecten: • Strategisch Project Afvalpreventie • Uitvoeringsplan Huishoudelijke afvalstoffen • Uitvoeringsplan Hoog Calorisch Afval • Analyseren en planmatig aanpakken van prioritaire bedrijfsafvalstoffen 23
Projecten die in 2001 beëindigd werden: • Strategisch Plan Afval Projecten die in 2001 werden voortgezet: • Milieubeleidsovereenkomst afvalolie • MINA-plan 2, actie 122 (doelgroepenbeleid) • Programma afzet kunststoffen, continuering door oprichting Plaremec • Uitvoeringsplan Slib Enkele projecten waarin het afgelopen jaar vooruitgang werd geboekt, lichten we even nader toe.
Analyseren en planmatig aanpakken van prioritaire bedrijfsafvalstoffen Dit project past in het Strategisch Plan Afval en heeft als doel een grotere kwalitatieve en kwantitatieve beheersing van bedrijfsafvalstoffen. Dat is mogelijk door, in samenspraak met de doelgroepen en ingebed in een juridisch kader, preventie- en recyclagedoelstellingen te definiëren en te verwezenlijken. In de eerste fase van het project wordt een prioriteitenlijst van planmatig aan te pakken bedrijfsafvalstoffen opgemaakt en wordt een beoordelingskader uitgewerkt omtrent de discussiepunten afval/grondstof/product/bodem.
Het thema 'Verontreiniging door afvalstoffen' binnen het MINA-Plan 3 De Vlaamse bevolking staat erg kritisch tegenover afvalverbranding en -verwerking. Bijgevolg moeten verbrandingsinstallaties soms worden gesloten en worden de normen steeds strenger. Tegelijkertijd leiden de toegenomen maatschappelijke aandacht en gevoeligheid voor hygiëne, risicobeheersing en volksgezondheid tot extra maatregelen. Dat veroorzaakt een toename van het te verwijderen afval zoals dierenkrengen.
De kern van de beleidsaanpak inzake 'verontreiniging door afvalstoffen' is terug te brengen tot afvalvoorkoming en het planmatig aanpakken van prioritaire bedrijfsafvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen en hoogwaardig calorisch afval. Concrete preventie- en recuperatiedoelstellingen voor bedrijfsafvalstoffen en huishoudelijke afvalstoffen zullen worden uitgewerkt in samenspraak met de doelgroepen. Om de effectiviteit van deze beleidsstrategie te meten, zal de overheid preventie-indicatoren ontwikkelen. Voor huishoudelijke afvalstoffen is het essentieel om de bereikte resultaten te bestendigen en verder te verbeteren. Daarnaast komt er een strikte toepassing van het stort- en verbrandingsverbod. De capaciteiten voor storten en verbranden worden verder planmatig aangepakt met het oog op de uitgewerkte doelstellingen. Voorlichting en informatie moeten afvalvoorkoming, milieubewust gedrag en de vraag naar duurzame en milieuvriendelijke producten stimuleren. Ten slotte is het noodzakelijk om het gebruik van gerecycleerde materialen in productieprocessen verder uit te breiden. Het voornoemde wordt vertaald in 4 projecten die gericht zijn op het planmatig aanpakken van prioritaire bedrijfsafvalstoffen en hoogwaardige calorische afvalstoffen, een Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 2003-2007 en een project omtrent afvalvoorkoming via proces- en productbeleid. De ontwerptekst van het thema 'Verontreiniging door afvalstoffen' binnen het MINA-Plan 3 is gebaseerd op het Strategisch Plan Afval dat de OVAM in de loop van 2000 opmaakte. Overeenkomstig de geijkte procedure zal het ontwerpplan MINA 3 in openbaar onderzoek gaan. Hierdoor zal iedereen de mogelijkheid krijgen inspraak te leveren op onder andere de ontwerptekst van het thema 'Verontreiniging door afvalstoffen'.
Project Zuid-Afrika De Vlaamse regering keurde op 14 december 2001 twee globale projecten goed om in Zuid-Afrika de selectieve inzameling, het recycleren en composteren van huishoudelijk afval te ondersteunen en de eigen Vlaamse ervaring door te geven. De OVAM wordt daarbij als expertisecentrum ingeschakeld. De projecten passen in het horizontale beleid inzake ontwikkelingssamenwerking van de Vlaamse regering. Een delegatie van de OVAM was in oktober 2001 ter plaatse om de initiĂŤle voorstellen te beoordelen. Het eerste globale
24
project was gericht op de huis- en zwerfvuilophaling, groenaanplanting en het milieubewust maken van de bevolking in twee achtergestelde gebieden, namelijk in QwaQwa (provincie Vrijstaat) en in Jozini (Kwazulu Natal). Op basis van veldbezoeken en gesprekken met de betrokken gemeentebesturen werden aan beide voorstellen bijkomende accenten toegevoegd, gebaseerd op de Vlaamse ervaring met afvalstoffenbeleid. Op voorstel van de OVAM zal aan het project in Qwa Qwa een concept rond recyclage worden toegevoegd en aan het project in Jozini een concept rond kleinschalig composteren. Qwa Qwa kan worden beschouwd als een 25
droog semi-verstedelijkt gebied. Jozini is heel landelijk. Voor beide projecten werden eigen accenten toegevoegd en tegelijkertijd is er een sterk herkenbaar Vlaams luik. Beide nieuwe concepten zijn proefprojecten waarvan de resultaten de basis moeten leggen voor de integratie van recyclage en composteren in andere projecten en gebieden. Een tweede globaal project situeert zich aan de rand van Durban en in Mkhanyakude in het noorden van de provincie KwaZulu-Natal (KZN). Durban bestaat in zijn periferie uit voormalige townships en onwettige nederzettingen (unformal settlements) met een zeer hoge graad van werkloosheid, analfabetisme en armoede. Mkhanyakude evolueert sterk naar een semi-verstedelijkt gebied. Ook dit project werd aangevuld met herkenbare accenten uit het Vlaamse afvalstoffenbeleid. Het globale project bestaat uit het opzetten van een recycleer/hergebruik centrum in het semi-stedelijke randgebied van Durban en een recycleer/hergebruik centrum in het centrum van Mkhanyakude. Zo'n centrum is een combinatie van het principe van de Vlaamse kringloopcentra en containerparken. Beide projecten duren twee jaar. Gedurende deze periode is o.a. technische begeleiding gepland, evenals het begeleiden van de Zuid-Afrikaanse experts in Vlaanderen. Daarna voeren de lokale besturen de projecten verder uit zodat een continuĂŻteit wordt gegarandeerd. Aangezien deze projecten zich in achtergestelde gebieden situeren, zijn ze ook sterk gericht op het creĂŤren van tewerkstelling en het indijken van armoede. Tijdens een tweedaagse workshop speelde de OVAM al een belangrijke rol doordat ze concrete voorbeelden van beleidsplanning en projecten rond preventie en recuperatie aanbracht. De workshop kwam tot stand met de steun van de Vlaamse regering en de provincie KwaZulu Natal in Durban.
Methodiek voor het bepalen van de structuur en tendensen van de Vlaamse afvalmarkt rekening houdend met de Belgische context Het doel van dit project was tweeledig: enerzijds een methodiek ontwikkelen om de structuur en tendensen van de Vlaamse afvalmarkt in beeld te brengen en op te volgen aan de hand van een set indicatoren, en anderzijds deze methodiek ook een eerste maal toepassen met de gegevens van 1999 en de tendensen analyseren. De Vlaamse afvalmarkt kan worden ingedeeld in twee deelmarkten op basis van de dienstverlening op het vlak van inzamelen en verwerken van huishoudelijk afval en bedrijfsafval. De operatoren behoren zowel tot de publieke sector, de private sector of de gemengde sector (publiek/privaat). In de studie werd nagegaan wat de omvang van de Vlaamse afvalmarkt en ook die van de deelmarkten is, wie de grootste spelers in Vlaanderen zijn en hoe de gemengde, publieke sector en private sector zich in de verschillende deelmarkten verhouden. De methodiek voor het berekenen van de omzet die elk van deze sectoren realiseren op de diverse segmenten van de Vlaamse afvalmarkt gaat uit, waar mogelijk, van een 'vraagzijdebenadering'. Dat betekent dat er eerst werd gekeken naar de vraag naar diensten, uitgedrukt als de hoeveelheid afval die ter 26
inzameling of verwerking wordt aangeboden in Vlaanderen. De globale omzet van de afvalmarkt in Vlaanderen op basis van deze methodiek bedraagt 1.503 miljoen euro (60,6 miljard frank). De verdeling van de omzet op de afvalmarkt naar sector en naar type activiteit kan op de figuren 1 en 2 worden afgelezen. Hieruit blijkt dat de private sector veruit het grootste aandeel heeft in de omzet (77%). De gemengde en publieke sector hebben respectievelijk een aandeel van 14% en 9%. De activiteit waarmee de hoogste omzet wordt gerealiseerd is bij de publieke sector inzameling, bij de gemengde sector verwijdering en bij de private sector de verwerking als nuttige toepassing.
1.400.000 verwijdering
1.200.000 1.000.000
hergebruik,
800.000
conditioneren,
600.000
composteren
400.000 inzameling
200.000 0 publiek
gemengd
privaat
Figuur 1. Omzet van de afvalmarkt naar sector en naar type activiteit, op basis van gegevens voor 1999 (in duizend euro).
14% 77% 9% publieke sector gemengde sector private sector
Figuur 2. Verdeling van de omzet op de Vlaamse afvalmarkt naar sector, 1999. De verhouding tussen de spelers wordt in de figuren 3 en 4 nader toegelicht. De omzet van de inzamelactiviteiten op de Vlaamse afvalmarkt is als volgt verdeeld: publieke sector 22%, gemengde sector 3% en private sector 75%. Op de Vlaamse markt voor verwerking van afvalstoffen is de verhouding als volgt: publieke sector 9%, 27
gemengde sector 13% en private sector 78%.
75%
22%
publieke sector 3%
gemengde sector private sector
Figuur 3. Verdeling van de omzet op de Vlaamse markt voor inzameling van afval naar sector, 1999.
9% 78%
13%
publieke sector gemengde sector private sector
Figuur 4. Verdeling van de omzet op de Vlaamse markt voor verwerking van afvalstoffen naar sector, 1999
De voornaamste conclusies van deze studie zijn: • De publieke sector is vooral goed vertegenwoordigd in de inzamelmarkt van huishoudelijk afval, en de verbrandingsmarkt voor huishoudelijk afval en categorie 2 bedrijfsafval. Ook met composteren en storten wordt een deel van de omzet gerealiseerd. • De gemengde sector realiseert zijn omzet met de inzameling van huishoudelijk afval en met de verwerking van huishoudelijk afval en bedrijfsafval. • De private sector is op alle deelmarkten goed vertegenwoordigd, behalve op de markt voor verbranding van afvalstoffen. • De Vlaamse afvalmarkt is in realiteit een ingewikkeld kluwen van participaties tussen de private sector en de publieke sector. • Er is een sterke tendens waar te nemen van verticale integratie waarbij het dienstenpakket steeds meer gericht is op alle schakels in de keten, namelijk van ophaling tot en met verwerking van afvalstoffen.
Verkennend onderzoek hoogcalorisch afval Onder hoogcalorisch afval verstaan we voornamelijk afvalstoffen met een calorische waarde die hoger is dan die van normale huishoudelijke afvalstoffen. Dat betekent niet dat deze afvalstoffen alleen bestemd zijn voor valorisatie van de energie. We willen de mogelijkheden van recyclage niet uit het oog verliezen. In de regel gaat het om de restfractie na scheiding, veelal omschreven als RDF, of om specifieke stromen bedrijfsafvalstoffen (houtafval, kunststofafval, papierresidu, biologische vetten en oliën en andere). De trend inzake nieuwe technieken voor de verwerking van de restfractie is scheiden, drogen/vergisten en energiewinning uit gescheiden of geselecteerde calorische afvalstromen. Doordat de roosterovens thermisch begrensd zijn, wordt het meeste hoogcalorische bedrijfsafval in de huidige afvalverbrandingsinstallaties uit de ovens geweerd. Daardoor wordt veel HCA gestort op stortplaatsen van categorie 1 of 2. Recuperatiemogelijkheden werden tot nu toe te weinig onderzocht.
28
Enerzijds blijft er een tekort aan verwerkingscapaciteit voor HCA en anderzijds is er in een groot deel van Vlaanderen weinig maatschappelijk draagvlak voor de creatie van nieuwe afvalverbrandingsinstallaties. Als eerste stap in het ontwerpen van een Uitvoeringsplan HCA is in de tweede helft van 2001 alle basisinformatie verzameld omtrent hoeveelheden, aard en herkomst, en huidige verwerking van de HCA-stromen. Knelpunten en opportuniteiten werden samen met een begeleidingscommissie van experten uit het bedrijfsleven en adviesraden geduid. Deze begeleidingscommissie staat de OVAM verder bij om ook de andere mijlpalen van het ontwerpplan uit te werken, met name doelstellingen, verdere analyse van de verwerkingsmogelijkheden gekoppeld aan bepaalde capaciteitsbehoeften, strategie, inzet van milieubeleidsinstrumenten die noodzakelijk zijn om een ontwerpplan in 2002 concreter in beeld te brengen. Voornamelijk door de verdere modelmatige uitwerking volgens verschillende scenario's kunnen we de energiewinning uit hoogcalorisch afval optimaliseren naargelang van emissies, energierendement en kostprijs. Het Uitvoeringsplan HCA zal voor Vlaanderen bepalen hoe we de energiewinning uit HCA-stromen met aanvaardbare milieu-impact het best kunnen verhogen. 29
De promotie van de mechanische recyclage van kunststofafval in België Uit de analyse van de verwerking van kunststofafval is gebleken dat de mogelijkheden voor mechanische recyclage in Vlaanderen nog onvoldoende zijn benut. Naar schatting wordt slechts 13% van ons plasticafval gerecycleerd, waarvan slechts één derde in eigen land. Het grootste deel wordt nog steeds gestort of verbrand, wat geen duurzame oplossing biedt. In het specifieke programma 'afzet voor mechanisch gerecycleerd kunststofafval' hebben de betrokken partijen een consensus bereikt over hoe in de komende jaren een duurzame ontwikkeling moet worden gegeven aan de mechanische recyclage van verschillende kunststoffen. Op basis van deze consensus beslisten de betrokken privéactoren om de vzw PLAREMEC op te richten. PLAREMEC is een coördinatie- en beheercentrum voor de mechanische kunststofafvalrecyclage. Het organiseert het overleg zowel tussen de private actoren onderling als tussen de privé en de overheid. De vzw is actiegericht en ze heeft een lichte, soepele structuur.
Op korte en middenlange termijn zijn vijf prioritaire acties gepland: onderzoek naar afzetmarkten voor recyclaten, het stimuleren van afzet van recyclaten in bepaalde productstromen, overeenkomsten met en tussen de gewestelijke en federale overheden, promotiecampagnes voor recyclage en recyclaten, bespreking en evaluatie van terugnameplichten. PLAREMEC streeft naar een permanente nauwe samenwerking met de federale en gewestelijke overheden, en met de milieu-, consumenten- en industriĂŤle organisaties. Deze aanpak voor kunststofafval is succesvol en kan worden toegepast voor de uitwerking van actieplannen omtrent de afzet van andere recycleerbare afvalstoffen.
Strategisch Project Afvalpreventie (SPAP) In 2000 riep Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw 21 strategische projecten in het leven. EĂŠn ervan is het 'Strategisch Project Afvalpreventie', waarvan de leiding in handen van Projectontwikkeling werd gegeven. Het strategisch project kreeg begin 2001 zijn definitieve vorm. Het project is opgebouwd rond drie delen : doelgroepengerichte acties, beleidsondersteunende acties en beleidsinstrumenten. Voor 2001-2002 hebben we een programma opgesteld met per deel verschillende acties. In het deel 'doelgroepengerichte acties' selecteerden we een zestal doelgroepen, nl. gezinnen, scholen, eindverkopers, overheden, bedrijven en tuinaanleggers. Per doelgroep hebben we telkens nagekeken op welke manier afvalpreventie meer gestimuleerd kan worden door informatievoorziening, sensibilisatie of ondersteuning. De 'beleidsondersteunende acties' zijn: de ontwikkeling van indicatoren om de evolutie van afvalpreventie in Vlaanderen te meten en de verdere uitbouw van de gewestelijke steunpunten rond afval- en emissiepreventie. In het deel 'beleidsinstrumenten' evalueren we de aanvaardingsplichten, de terugnameplicht verpakkingen en de fiscale instrumenten op hun stimulerend effect op het vlak van afvalpreventie. Vervolgens worden aanbevelingen en voorstellen van aanpassing geformuleerd. Ook is er een intensievere samenwerking met de federale overheid rond productbeleid. Opdat de organisatoren van Vlaamse evenementen meer aandacht zouden schenken aan afvalpreventie, ontwikkelen we hiervoor een beleidskader. De uitvoering is in handen van diverse OVAM-medewerkers en medewerkers van STIP en VLACO. Voor meer gedetailleerde informatie over de verschillende activiteiten, verwijzen we naar de bijdragen van de OVAM-entiteiten die de uitvoering ervan op zich hebben genomen.
Doelgroepenbeleid Als gevolg van de prioriteit die de Vlaamse regering geeft aan de doelgroepenbenadering in het milieubeleid (zie actie 122 van het MINA-plan 2), werd in de loop van 2001 een team samengesteld om gestalte te geven aan dit relatief nieuwe concept. Het team doelgroepenbeleid bestaat op dit moment uit 4
30
procesbegeleiders en één coördinator. Eén van de procesbegeleiders is aangeduid om binnen de OVAM het proces mee tot uitvoering te brengen. De doelstellingen van het doelgroepenbeleid zijn: meer betrokkenheid van de doelgroepen (via structuren van overleg en stroomlijning van procedures), meer beleidssamenhang vanuit diverse overheden en een beleid op maat van de doelgroep. De procesbegeleiders hebben in 2001 een globale inventarisatie opgemaakt van de bestaande ervaring en de concrete actuele beleidsprocessen (stand van zaken en knelpunten) rond doelgroepenoverleg. Tevens werd een implementatieplan doelgroepenbeleid 2002 opgesteld. Dit plan duidt onder meer twee proefsectoren aan, nl. de staalindustrie en de voedingsnijverheid. De testprogramma’s voor de proefsectoren gaan in uitvoering vanaf 1 maart 2002. De bilaterale vergadering tussen de milieuoverheid en deze sectoren zullen plaatsvinden onder de naam Vlaams Informeel Milieuoverleg ( VLIMO, resp. VLIMO-Staal en VLIMO-voeding).
Ontwerp Uitvoeringsplan Slib Via het Uitvoeringsplan Slib worden oplossingen gezocht voor het 31
toenemende slibprobleem. In overleg met de sectoren werd de problematiek van slib van RWZI’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties) en ander zuiveringsslib, slib van drinkwaterproductie en van reinigen van riolen in kaart gebracht. Samen met aanbod- en verwerkingsscenario’s kwam in september 2001 een evaluatierapport Slib tot stand. Dit evaluatierapport diende als beleidsachtergronddocument voor het ontwerp Uitvoeringsplan Slib. Van 29 oktober tot 28 december 2001 werd het ontwerpplan ter advies voorgelegd aan onder meer de SERV, de MiNaRaad, en aan de rechtstreeks en onrechtstreeks betrokken sectoren. Alle insprekers zijn globaal positief over de inhoud van het ontwerpplan. Enkele kenmerkende reacties zijn : - De afzet van slib in de landbouw wordt sterk beperkt doordat het niet voldoet aan de strenge Vlareanormen. - Het storten van recycleerbaar en/of brandbaar slib wordt niet langer aanvaard. - Voor de preventief georiënteerde acties worden meer afdwingbare instrumenten gevraagd zoals normering van schadelijke producten en door de overheid goedgekeurde codes van goede praktijk. - Vanuit het oogpunt van het drukken van de sibafzetkosten kiezen de meeste reacties voor de optie van maximale (co-)verbrandingscapaciteit voor niet-recycleerbaar slib binnen Vlaanderen met voldoende voorbehandelingscapaciteit. - Er wordt aangedrongen op een snelle goedkeuring van het plan door de Vlaamse regering en een spoedige uitvoering ervan.
Ontwerp Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen Het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 1997-2001 werd met 1 jaar verlengd tot de vervanging door het nieuwe Uitvoeringsplan voor de periode 2003-2007. De realisaties in de planperiode 1997-2001 werden geĂŤvalueerd en worden samen met de aanbevelingen weergegeven in de Evaluatierapportage. Tegen september 2002 verwachten we een ontwerp Uitvoeringsplan voor de periode 2003-2007 om in openbare inspraakprocedure te gaan. Concrete acties rond preventie en recyclage moeten de restfractie voor eindverwerking sterk reduceren.
32
AFVALSTOFFENBEHEER Bestaat uit drie ondersteunende en vijf sectorgebonden entiteiten: • ondersteunend: - Europa, Preventie, Onderzoek en Ontwikkeling - Administratief en Datacentrum - Milieuheffingen • sectorgebonden: - Organische Afvalstoffen - Selectief Ingezamelde Stromen - Biologische Afvalstoffen - Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen - Anorganische Afvalstoffen
EUROPA, PREVENTIE, ONDERZOEK EN ONTWIKKELING 33
EUROPEES EN INTERNATIONAAL AFVALBELEID
Europa Via EPOO streeft de OVAM naar een maximale impact van het Vlaamse afvalstoffenbeleid in het Europese milieubeleid. De strategie van 2000 werd in 2001 verder gezet. EPOO is aanwezig bij de Europese Commissie op expertenniveau, is betrokken bij de voorbereiding van de ministerraden Leefmilieu en neemt deel aan Europese comitévergaderingen. EPOO heeft veel aandacht besteed aan de expertenvergaderingen over biodegradeerbaar afval en slib in de landbouw, en over ecodesign. EPOO heeft standpunten ingenomen in overleg met de andere Belgische
partners onder meer omtrent het groenboek geïntegreerd productbeleid, het groenboek PVC en het 6de milieuactieprogramma. In de tweede helft van 2001 was België voorzitter van de Europese Raad. De voorbereiding daarvan die al in 2000 was ingezet, werd grondig doorgezet via Vlaams en Belgisch overleg. EPOO was actief betrokken bij de twee ministerraden Milieu met zijn expertise inzake afvalstoffendossiers. Voorbeelden daarvan zijn vooral de vaststelling van de laatste aanpassing aan de Europese afvalstoffenlijst, de goedkeuring van conclusies over de strategie dioxines en PCB’s en de onderhandelingen over richtlijnen inzake afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur. Alhoewel de Europese Commissie te laat (10 december) kwam met haar voorstel voor amendering van de verpakkingsrichtlijn, heeft Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw op de Raad van 12 december de Belgische visie op het dossier, zoals die door EPOO was voorbereid, gepresenteerd. Op Europese comitévergaderingen heeft EPOO zich in de eerste plaats actief ingezet in de onderhandelingen over de technische uitvoering van de stortplaatsrichtlijn, de verpakkingsrichtlijn en de verordening in- en uitvoer van afvalstoffen. 34 EPOO zorgt voor een correcte omzetting van Europese richtlijnen in Vlaamse regelgeving. In 2001 werd onder meer zwaar werk geleverd voor de implementatie van de richtlijn stortplaatsen, afgedankte voertuigen, verbranding van afvalstoffen en de beschikkingen over de Europese afvalstoffenlijst. Alle opmerkingen en ingebrekestellingen van de Commissie wegens slechte, onvolledige of ontbrekende omzetting konden dankzij de initiatieven van EPOO worden geklasseerd. Het betreft de richtlijn slib in de landbouw, de richtlijn gevaarlijke afvalstoffen en de verordening in- en uitvoer van afvalstoffen. Op dit ogenblik loopt er geen enkele inbreukprocedure meer tegen het Vlaamse Gewest wegens gebrekkige omzetting van afvalstoffenrichtlijnen. EPOO heeft ook een rapporteringsopdracht. Binnen de gestelde termijnen werden in 2001 rapporten opgemaakt voor de Europese Commissie over de richtlijnen gevaarlijke afvalstoffen, afgewerkte olie, het gebruik van slib in de landbouw, verpakkingsafval, in- en uitvoer van afvalstoffen en verbranden van afvalstoffen.
Mondiaal In juni 2001 heeft EPOO deelgenomen aan de vergaderingen van de Technische Werkgroep en de Legale Werkgroep onder het Verdrag van Bazel. Belangrijke agendapunten van deze vergaderingen waren de problematiek rond de sloopschepen en het ontwerpen van een mechanisme voor de naleving van het Verdrag. Binnen de OESO werd het werk rond afvalstoffen geherstructureerd. In oktober heeft de OVAM deelgenomen aan de workshop rond preventie-indicatoren en aan de eerste vergadering van de Working Group Waste Prevention and Recycling. OESO legt de nadruk steeds meer op preventie, hergebruik en afzetmarkten voor gerecycleerde producten.
In mei 2001 werd in Stockholm het POP’s Verdrag ondertekend. De 12 POP’s (Persistente Organische Polluenten) van het Verdrag worden hiermee aangeduid als te vernietigen gevaarlijke afvalstoffen waarvoor de Partijen de nodige verwijderingsprogramma’s moeten opstellen.
PREVENTIEBELEID De meeste van de onderstaande projecten zijn ook opgenomen in het Strategisch Project Afvalpreventie van de Vlaamse minister van Leefmilieu. Een kader kan worden teruggevonden in het deel Projectwerking.
Preventie Stimulerend Programma (PRESTI) De PRESTI-programma’s zijn subsidieprogramma’s van het Vlaamse Gewest om preventie van afval en emissies bij bedrijven te stimuleren. 35
Het PRESTI 2-programma heeft subsidies verleend aan beroepsfederaties voor het demonstreren van preventiemaatregelen. Eind 2001 zijn 11 PRESTI 2-projecten succesvol afgerond. Een offertevraag voor de effectmeting van dit programma werd nog eind 2001 gepubliceerd. Voor PRESTI 3 konden individuele KMO's een subsidieaanvraag indienen om een preventieplan op te stellen en een deel ervan in praktijk te brengen. Eind 2001 zijn 45 projecten afgelopen, nog 8 projecten zullen worden afgerond in 2002. Het PRESTI 4-programma subsidieert bedrijfsgerichte intermediaire organisaties om systemen op te zetten die bedrijven aansporen tot milieuzorg. Sinds 2000 zijn de Milieucharterprojecten een begrip geworden in alle Vlaamse provincies. Begin 2001 rolde het boek ‘Bedrijvig in milieuzorg’ ’Presti 4 en Milieucharters: de praktijk van preventie' van de pers. Dit handboek bundelt een zeer praktijkgerichte omschrijving van een hele reeks milieumaatregelen die door 167 bedrijven toegepast in hun productieproces.
Wegens de succesformule keurde de Vlaamse regering op 30 november 2001 een gewijzigd Presti 4besluit goed voor opnieuw drie jaar. Medio 2001 begon het PRESTI-team te werken aan een nieuw preventiestimulerend programma. Tegen het einde van het jaar werd een voorstel voor een PRESTI 5-programma afgewerkt en werden de nodige stappen ondernomen om dat bij besluit van de Vlaamse regering te laten bekrachtigen.
MAMBO MAMBO is gelanceerd op 26 oktober 2000 als softwarepakket ter berekening van de werkelijke afvalkosten van bedrijven. In 2001 zijn tal van toelichtingen, studiedagen en opleidingen gegeven rond MAMBO in samenwerking met de Vlaamse Kamers van Koophandel, de GOM's‌ Ook werden artikels en advertenties gepubliceerd. Met een verkoop van 447 MAMBO-pakketten zijn lang niet al de Vlaamse bedrijven bereikt die we willen bereiken. De OVAM heeft eind 2001 een offertevraag uitgeschreven om de verspreidingsstrategie te evalueren en nieuwe initiatieven te ontwikkelen.
STIP (Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies) STIP, het kennis- en informatiecentrum over milieuvriendelijk consumeren en produceren waarbij het voorkomen van afval en emissies centraal staat, werd opgericht in juni 2000 op gemeenschappelijk initiatief van de OVAM, VMM, VLM en AMINAL. In 2001 groeide STIP uit tot een volwaardig kenniscentrum met een eigen website www.stip.info, een infoloket, de publicatie van de driemaandelijkse nieuwsbrief 'STIP-berichten' en de elektronische nieuwsbrief 'STIP-mail'.
36
Voor de doelgroepen van STIP (intermediaire organisaties in relatie tot burger en bedrijf) werden workshops en studiedagen georganiseerd. Zo kan STIP de nieuwste preventie-informatie laten doorstromen en een belangrijke impuls geven aan ervaring- en kennisuitwisseling. Op 1 februari 2001 organiseerde STIP een studiedag met als thema 'AEP en internet'. Op de studiedag werd de preventieprojectendatabank voorgesteld. Die is uniek voor Vlaanderen en bundelt meer dan 300 projecten over afval- en emissiepreventie van Vlaamse gemeenten, provincies, verenigingen, milieubewegingen, etc. Op 28 juni 2001 werd de tweede studiedag van het jaar georganiseerd, met als onderwerp 'Milieuzorg in Overheidsinstellingen'. Tijdens de workshops brengt STIP een aantal experten aan tafel rond een bepaald thema. De resultaten van de workshops worden gebundeld in een informatiedossier, dat besteld kan worden bij STIP of van de website van STIP kan worden geplukt. In 2001 werden al drie preventieworkshops georganiseerd: de herbruikbare beker, milieuvriendelijke overheidsaankopen en de herbruikbare luier. 37 STIP werkt mee aan het Strategisch Project Afvalpreventie van de Vlaamse minister van Leefmilieu, meer bepaald aan de deelprojecten 'afvalpreventie in de overheid' en 'afvalpreventie in de bedrijfswereld'. In het kader van deelproject 'afvalpreventie in de bedrijfswereld' werd een workshop georganiseerd met als titel 'afval- en emissiepreventie in de praktijk, workshop voor docenten'.
Optimalisatie van de instrumentenmix Voor de optimalisatie van beleidsinstrumenten die moeten leiden tot meer preventie van afvalstoffen, werden concrete beleidsaanbevelingen geformuleerd. Daartoe gebeurde een onderzoek omtrent de factoren die preventie in bedrijven beĂŻnvloeden en omtrent het gebruik van beleidsinstrumenten in andere gewesten en landen.
Indicatoren voor de preventie van bedrijfsafvalstoffen Om het preventiebeleid te kunnen evalueren werd in 2001 gestart met de ontwikkeling van een eerste set van indicatoren voor het meten van de preventie van bedrijfsafvalstoffen zoals die de afgelopen jaren werd gerealiseerd.
Milieu & Winst Milieu en Winst is een Vlaams–Nederlands samenwerkingsproject dat op 1 januari 2000 van start ging. Dit project wil bedrijven aanzetten hun afval en emissies te verminderen door gebruiksvriendelijke informatie te geven over preventieve maatregelen. Vooral het financiÍle voordeel dat bedrijven bekomen, wordt extra benadrukt.
Voor Vlaanderen is een overzichtelijk internetsite (www.milieuwinst.be) uitgewerkt met honderden preventieve milieumaatregelen en tal van cases van bedrijven die de maatregelen succesvol hebben ingevoerd. EPOO en STIP hebben nauw samengewerkt aan de uitbouw van deze site. In 2001 werden de sectoren ‘textielveredeling’ en ‘groente – en fruitverwerkende industrie’ aan de site toegevoegd.
Proces- én productgerichte preventie Om tot een meer duurzame ontwikkeling te komen, dient het preventiebeleid meer rekening te houden met de volledige milieu-impact van producten en diensten over hun hele levenscyclus heen. Volgende acties werden in dat kader in 2001 ondernomen: Geïntegreerd productbeleid Gezien de bevoegdheidsverdeling in België en de internationale context van het productbeleid werd in 2001 verder nauw samengewerkt met de betrokken overheden. Zo vond overleg plaats in het kader van het groenboek ‘geïntegreerd productbeleid’ van de Europese Commissie. Ook werden voorbereidingen getroffen voor het uitwerken van een geïntegreerd plan voor productbeleid. Factor 10 – informatiepunt ecodesign Om het aanbod van milieuvriendelijke producten te stimuleren, werd onder de naam 'Factor 10' een informatiepunt rond ecodesign (milieugerichte productontwikkeling) opgericht. Op de succesvolle startdag van Factor 10 in oktober 2001 werd de site www.factor10.be gelanceerd. Handboek 'milieuvriendelijk consumeren' In 2001 werd er gewerkt aan een handboek, een folder en een website rond het thema 'milieuvriendelijk consumeren'. De lezer van het handboek zal worden geïntroduceerd in het hoe en waarom van milieuvriendelijke consumptie. Aan de hand van uitgebreide informatie rond tien concrete productklassen zal de consument bovendien een leidraad krijgen die hem moet helpen bij meer milieuverantwoorde productkeuzes. De publicaties en de site zullen in het voorjaar 2002 ter beschikking komen.
38
ADMINISTRATIEF EN DATACENTRUM (ADC) Het Administratief en Datacentrum is een horizontale dienst met een dubbel takenpakket. Enerzijds ondersteunt zij de inhoudelijke, of verticale, diensten bij de administratieve afhandeling van een hele reeks procedures, erkenningen, adviezen, registraties, certificaten, besluiten‌ Anderzijds zorgt ADC voor het gros van de afvalstatistieken.
Administratie Administratief werd 2001 gekenmerkt door een gestage toename in alle procedures. Steeds meer actoren vragen steeds meer erkenningen of vergunningen aan, of voldoen steeds beter aan hun administratieve verplichtingen. Deze trend is opvallend omdat in 2001 geen extra wetgeving van toepassing werd. Op vlak van de in- en uitvoer van afvalstoffen stijgt bijvoorbeeld de administratieve werklast jaarlijks met zo'n dertig tot veertig procent.
aantal meldingen in- en uitvoer afvalstoffen
39
120.000
111.858
aantal
100.000
88.425
80.000
63.880
60.000 40.000
45.147 27.715
38.593
20.000 0 1996
1997
1998
1999
2000
2001
jaartal
De jaarlijkse melding van afvalstoffen door bedrijven is een ander voorbeeld van een groeipool op het vlak van administratieve verwerking. Waar sinds de opstart van de jaarlijkse meldingsplicht in de jaren '80 de meldingsrespons gemiddeld aangroeide met een duizendtal dossiers per jaar, is de respons in 2001 met 7.500 dossiers geklommen tot een totaal van bijna 25.000. Deze trend lijkt zich ook in het meldingsjaar 2002, productiejaar 2001 voort te zetten.
aantal meldingen bedrijfsafvalstoffen
aantal dossiers
25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001
0
jaartal melding
Datacentrum De belangrijkste realisatie op het vlak van afvalstatistiek en rapportering van cijfermateriaal is ongetwijfeld de bijdrage aan het MIRA-T indicatorenrapport. De OVAM heeft bijzondere inspanningen geleverd binnen verschillende hoofdstukken. De teksten en ook het meer uitvoerige achtergronddocument zijn terug te vinden op de website van de VMM. Begin 2001 werd ook een uitgebreide dataset opgemaakt ten behoeve van de tweejaarlijkse OESO/EUROSTAT joint questionnaire. De statistische methode werd nog verder verfijnd waardoor de OVAM, mede dankzij de toename in meldingsrespons, verfijnde en betrouwbare statistieken kan bezorgen over het gros van alle economische sectoren, met inbegrip van bijvoorbeeld groepen uit de tertiaire sector en de kleinste KMO's. In het ontwerp van de wijzigingen aan het VLAREA-uitvoeringsbesluit boog de dienst zich over een heel nieuw hoofdstuk over afvalgegevens. Op basis van statistische methoden kunnen betere resultaten met minder administratie bekomen worden. De verschillende datasystemen en databanken werden verder uitgebouwd. Vooral van de systemen voor interne rapportering wordt veel efficiëntiewinst verwacht. Met één druk op de knop komt de OVAMambtenaar te weten welke kennis er over een specifiek bedrijf in huis is. Er kunnen dus vlot verbanden worden gezien tussen milieuvergunningen, in- en uitvoerstromen en alle andere procedures. De OVAM ijverde voor de uitbouw van een centraal bedrijvenbestand (CBB), één enkel gemeenschappelijk referentiebestand waar zowel de OVAM, VMM, VLM als AMINAL kunnen gebruik van maken. Dat is nuttig voor het vergelijken van gegevens en voor het uitbouwen van e-government. Aangezien de OVAM op het vlak van informatie-inzameling en kwaliteitsbeheer het verst gevorderd is van alle partners, zal de OVAM-dataset als basis voor dit CBB dienen.
40
In het kader van het protocolakkoord tussen de ministers van Leefmilieu werd in een subwerkgroep 'afvaltoerisme' intensief overleg gepleegd met de Waalse en Brusselse collega's. Als resultaat werd, waar mogelijk, de afvalstoffentrafiek over de gewestgrenzen in kaart gebracht, en werden de informatiegaten bij elkaar opgevuld. Binnen het voorzitterschap van de Europese unie had ADC heel wat impact op de afwerking van de verordening afvalstatistiek. ADC leverde aanzienlijk wat inspanningen om, in het kader van een twinningproject, Hongarije op het niveau te brengen van het Europese acquis op het vlak van afvalstatistiek, waardoor het land kans maakt om in 2004 toe te treden tot de Europese Unie. Ten slotte werkt de OVAM, samen met partners in Nederland, Duitsland en Oostenrijk, een systeem uit voor het elektronisch melden van gegevens binnen de verordening in- en uitvoer van afvalstoffen.
41
ORGANISCHE AFVALSTOFFEN Organische Afvalstoffen behandelt de problematiek rond organische afvalstoffen vanuit een ruime invalshoek en volgt de dossiers op van a tot z. Zo ontstaat er een reservoir van kennis ten behoeve van de doelgroepen, bijvoorbeeld over schone technologie. Ook het formuleren van voorstellen om de wetgeving terzake aan te passen of te vereenvoudigen, behoort tot de taken. De belangrijkste doelgroepen zijn, afhankelijk van de gekozen invalshoek: • economische sectoren: houtbewerking, gezondheidszorg, laboratoria, tankreiniging en industriële cleaning, (petro)chemie; • specifieke afvalverwerkingstechnieken: verbranding, sorteren (containerdiensten); • specifieke afvalstromen: medisch afval en geneesmiddelen, PCB’s en transformatoren. Daarnaast is Organische Afvalstoffen verantwoordelijk voor de erkenning van laboratoria en voor de coördinatie van de selectieve inzameling van oude en vervallen geneesmiddelen. Enkele aandachtspunten in 2001: Erkenning van laboratoria voor de analyse van afvalstoffen en bodem In samenspraak met de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito) werd beslist om de procedure inzake staalvoorbereiding in het kader van erkenningsaanvragen van laboratoria verder te optimaliseren en proactief af te stemmen op de voorgestelde wijzigingen van Vlarea, met name afdeling 7.1 Erkenning van laboratoria. Voor de parameterpakketten compost, dierlijk afval en bodem bestond al een gecoördineerde staalvoorbereiding met simultane kwaliteitsbeoordeling. Voor de resterende parameterpakketten met name afval-
stoffen onderdeel anorganische en organische parameter, gevaarlijke afvalstoffen onderdeel anorganische en organische parameter, afgewerkte olie onderdeel anorganische, organische en de specifieke verbrandingsparameters, worden enkel nog op 2 momenten de monsters aangemaakt voor analyse. Behalve voor analyse in het kader van de erkenningsaanvraag (nieuwe, uitbreiding, verlenging) worden deze stalen ook gebruikt om een derdelijnscontrole uit te voeren. De derdelijnscontrole betekent dat reeds erkende laboratoria ook deze stalen analyseren ter controle van hun tussentijdse kwaliteit. Op die manier willen we reageren op de algemene kritiek dat zodra een laboratorium erkend is, de overheid gedurende 5 jaar geen kwaliteitscontrole zou uitvoeren op het afgeleverde werk. Doordat we de stalen maar tweemaal per jaar beschikbaar stellen is de groep deelnemende laboratoria voldoende groot om de meetresultaten statistisch te verwerken en kunnen we de voorbereiding van de stalen en de verwerking van de meetresultaten organisatorisch beter opvolgen. De eerste ringtest werd in april aangekondigd en begin mei werd een infovergadering georganiseerd voor de erkende en geĂŻnteresseerde laboratoria. Ook in het najaar werd een ringtest georganiseerd. Het systeem van de derdelijnscontrole wordt AARDE genoemd en dat staat voor Afvalstoffen Analyse Ringtesten als Derdelijnscontrole voor Erkenningen. De individuele beoordeling van de laboratoria op basis van de statistische verwerking van een grote groep van meetgegevens bevordert de objectiviteit en laat toe om de algemene vooruitgang inzake analytische prestaties op te volgen. Tevens kunnen via de derdelijnscontrole probleemparameters sneller gedetecteerd worden. Het is de bedoeling om die in werkgroepen te bespreken en zo te komen tot verbeterde analysemethoden en betrouwbaardere meetresultaten. Verbrandingsbeleid Organische Afvalstoffen volgt alle nieuwe juridische en technische ontwikkelingen inzake afvalverbranding op. Deze kennis wordt aangewend bij de opmaak van BBT-studies en Uitvoeringsplannen. De BBTstudies voor verwerking van slib, hoogcalorisch afval en restafval werden medebegeleid. Deze BBT-studies vormen de basis voor de desbetreffende Uitvoeringsplannen, die nu nog in opmaak zijn. Organische Afvalstoffen treedt op als informatiesteunpunt voor externen voor alles wat te maken heeft met afvalverbranding. Openbare besturen, exploitanten, omwonenden en actiegroepen kunnen er terecht voor informatie zoals bestaande en nieuwe wetgeving, huidig en gepland beleid, en technische informatie omtrent installaties of technieken. PCB-vernietigingsbeleid In 2001 werd de PCB-inventaris verder geactualiseerd. Door middel van een bevraging van enkele duizenden bedrijven werd een vollediger beeld bekomen van waar PCB-houdende transformatoren wel en niet voorkomen. Een aantal houders van PCB-houdende apparaten vroeg eind 2000 en begin 2001 een afwijking op de termijnen uit artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 voor de vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's (BS 17.05.00).
42
Deze afwijkingsaanvragen werden in het voorjaar van 2001 behandeld. Het verwijderingsplan werd opgevolgd door houders van apparaten aan te schrijven of ter plaatse te bezoeken. Deze handhaving gebeurde ook in samenwerking met de Milieu-inspectie. In de uiterste gevallen werden hardleerse houders aangepakt door middel van een proces-verbaal en werd de procedure voor ambtshalve verwijdering ingezet. Houtafval Eind maart 2001 ontdekte de OVAM een intensieve export van spoorwegdwarsliggers naar Groot-BrittanniĂŤ. Britse handelaars in deze materialen kochten massaal oude en versleten dwarsliggers op en gebruikten ze vervolgens in de enorme brandstapels die de kadavers van afgemaakte dieren (in het kader van de bestrijding van de mond- en klauwzeerepidemie) vernietigden. 43 Aangezien het hier ging om een overbrenging van afvalstoffen voor verwijdering, was hiervoor een voorafgaandelijke toestemming nodig overeenkomstig de Europese verordening op het overbrengen van afvalstoffen. Los daarvan kon de OVAM niet accepteren dat dwarsliggers (gevaarlijk behandeld houtafval) zomaar in open lucht verbrand werden, aangezien zij normaal in gespecialiseerde installaties met een hoogwaardige rookgasreiniging moeten worden verbrand. In nauwe samenwerking met de havenbrigades en de Dienst Leefmilieu van de Federale Politie, en de Nederlandse Inspectie MilieuhygiĂŤne werden tijdens de duur van de Britse MKZ-crisis intensieve controles uitgevoerd in Vlaamse en Nederlandse havens. Een aantal vrachtwagens met dwarsliggers van bedenkelijke kwaliteit, die dus enkel door de gecontroleerde verbranding verwerkt mogen worden, werden teruggezonden. In de nasleep van deze actie werd contact opgenomen met de NMBS om een goede oplossing te zoeken voor de verwerking van niet-herbruikbare spoorwegdwarsliggers. Het gevolg was een reorganisatie van de verkoop van tweedehandsdwarsliggers door de NMBS. De spoorwegmaatschappij scheidt voortaan zelf (dus aan de bron) de herbruikbare van de niet-herbruikbare dwarsliggers waarbij ze de niet-herbruikbare dwarsliggers in eigen beheer verwijdert via een gespecialiseerde firma. Zo wordt vermeden dat slechte dwarsliggers via allerlei kanalen terechtkomen op plaatsen waar ze niet thuishoren.
SELECTIEF INGEZAMELDE STROMEN Is verantwoordelijk voor het afvalstoffenbeleid in de bedrijfssectoren transport, metaal, papier en kunststoffen. De invoering van de aanvaardingsplicht als nieuw instrument in het afvalstoffenbeleid is daarbij van bijzonder belang. Daarnaast wordt ook gewerkt aan een betere afzet van gerecycleerde stoffen.
Aanvaardingsplicht / Milieubeleidsovereenkomsten VLAREA legt een aanvaardingsplicht op voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, afvalbanden, voertuigwrakken, papierafval en batterijen. De OVAM probeert in samenspraak met de betrokken sectoren milieubeleidsovereenkomsten (MBO’s) af te sluiten voor de diverse stromen, en staat daarna in voor de opvolging. 2001 was het startjaar voor een doorgedreven effectieve handhaving. De praktijk leert ons dat wetgeving enkel wordt gerespecteerd wanneer ze wordt gecontroleerd. Controle is in dit kader gericht op het opsporen van free-riders om hen te doen toetreden tot het systeem, milieuhygiënische verwerking en het behalen van de doelstellingen (inzamel- en recyclagepercentages). In 2001 is vooral de nadruk gelegd op controleacties naar free-riders voor de afvalstromen waarvoor al een MBO is afgesloten. Doordat een parallelle regelgeving in de andere gewesten uitbleef, kon ook niet worden samengewerkt. De MBO met de uitgevers van tijdschriften, dagbladen en gratis regionale pers resulteerde in 2001 in gratis advertentieruimte voor een campagne over afvalpreventie, kringloopwinkels en afvalarme eindejaarsfeesten. In het kader van de MBO voor reclamedrukwerk werd de werking van het Interventiefonds Oud Papier opgevolgd. Met de bijdragen die worden geïnd voor het verspreide reclamedrukwerk, zijn de gemeenten voor een deel vergoed voor de selectieve inzameling van het papierafval. De OVAM heeft de resultaten van beide MBO's gerapporteerd aan het Vlaams Parlement. Met de betrokken sectoren werden besprekingen gestart over een aanpassing van beide MBO’s. Het is de bedoeling dat voor alle drukwerkafvalstoffen een bijdrage wordt betaald met het oog op de financiering van de inzameling en verwerking van papierafval. De OVAM maakt deel uit van de begeleidingscommissie voor afvalbatterijen, die is opgericht in het kader van de milieutaks. BEBAT bevestigt haar inzamelresultaten, die in Europa tot de top behoren. Het systeem werd onder meer bijgestuurd voor de papieren inzamelzak (i.p.v. kunststof), en aangepaste sensibilisering voor specifieke doelgroepen. Voor de autowrakken werkte de OVAM verder samen met het beheersorganisme FEBELAUTO aan de operationalisering van de MBO. Zeven centra kregen hun erkenning voor de depollutie en vernietiging van afgedankte voertuigen. Er werd een grootscheepse handhavingsactie gehouden, in samenwerking met de andere instanties bevoegd voor toezicht en het Waalse en Brusselse Gewest. Ze was gericht op de rol van de erkende centra.
44
In 2001 maakte Recytyre de eerste resultaten bekend van de manier waarop de aanvaardingsplicht afvalbanden wordt uitgevoerd. Hierdoor werd een eerste inzicht verworven in de inzameling en verwerking van afvalbanden. Op basis van een analyserapport werden de resultaten besproken in het Vlaams Parlement. Overeenkomstig een resolutie van het parlement startten gesprekken over de aanpassing van de milieubeleidsovereenkomst. Het is de bedoeling dat de betrokken sector een systeem van gratis ophaling van afvalbanden opzet. Begin 2001 werd de MBO Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur ondertekend. Vanaf 1 juli inde het beheersorganisme Recupel op elk nieuw apparaat een verwijderingsbijdrage voor de inzameling en verwerking van de afgedankte apparaten. De operatoren voor inzameling en verwerking zijn toegewezen. De besprekingen met de gemeenten, die met hun containerparken een belangrijke rol hebben bij de inzameling van de toestellen van de burger en de kleine handelaar, verlopen moeizaam. Afgezien van de opstartproblemen kan deze MBO als model worden beschouwd voor een goede invulling van de producentenverantwoordelijkheid. De uitvoering van het samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval werd via het beslissingsorgaan van de Interregionale Verpakkingscommissie opgevolgd. Eind 2001 45
werd een nieuwe erkenning toegekend aan VAL-I-PAC. In deze erkenning werd specifieke aandacht besteed aan de problematiek van verpakkingsafval bij KMO’s. Daarnaast werd een evaluatie uitgevoerd betreffende de inzameling en verwerking van verpakkingsafval via Fost Plus. In 2002 moet dit leiden tot een wijziging van de erkenning van Fost Plus. De OVAM heeft onderhandelingen gevoerd rond nieuwe ontwerp-MBO’s voor de stromen afvalbatterijen, afvalloodstartbatterijen, afgewerkte olie en gebruikte plantaardige en dierlijke oliën en vetten. De eerste contacten werden gelegd inzake een MBO voor afvalmatrassen. We verwachten hierover akkoorden in de loop van 2002.
Controleactie op de regelgeving afgedankte voertuigen Sinds 29 juni 2000 is, in uitvoering van de Europese richtlijn terzake, in het Vlaamse Gewest een nieuwe regelgeving van kracht voor afgedankte voertuigen. De voornaamste wijziging betreft het inleveren van de afgedankte voertuigen binnen bepaalde termijnen bij erkende centra. Eén jaar later bleek de wetgeving in de praktijk niet of nauwelijks nageleefd te worden. In samenspraak met de federaties werden de controleacties verscherpt.
Eerst werden alle ondernemingen die betrokken zijn bij de inzameling en de verwerking van afgedankte voertuigen op de hoogte gebracht van de voor hen geldende regelgeving via een mailing. Daarnaast verschenen er berichten in tal van publicaties. Na deze fase van preventie en informatieverstrekking werden controleacties uitgevoerd bij verwerkers van afgedankte voertuigen. Van de 50 gecontroleerde bedrijven voldeden er 37 (74%) niet aan de verplichtingen inzake inlevering bij erkende centra. Door het opleggen van maatregelen werden deze bedrijven verplicht alsnog aan de bepalingen te voldoen en hiervan de bewijzen aan de OVAM voor te leggen. Indien niet voldaan werd aan de opgelegde maatregelen, werd een proces-verbaal opgesteld. De controleacties zullen ook in 2002 onverminderd blijven doorgaan.
Uitwerking verplichtingen richtlijn betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen Hoewel de MARPOL-Conventie al sinds 1983 van kracht is, zijn er nog steeds geregeld illegale lozingen door schepen. Dat komt doordat de scheepvaart niet verplicht is om van de ontvangstinstallaties voor scheepsafval in de havens gebruik te maken. Bovendien beschouwen nog vele kapiteins de zee als een goedkoop en gemakkelijk alternatief. 46 Op 28 december 2000 werd de richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen gepubliceerd. Deze richtlijn heeft als belangrijkste doelstelling de bescherming van het mariene milieu tegen illegale lozingen door schepen, ongeacht de vlag die zij voeren. De richtlijn legt enkele bijzondere accenten: het invoeren van een meldingsplicht voor aanlopende zeeschepen, het opleggen van een specifiek financieringssysteem voor de kosten van inzameling en verwerking van scheepsafval, het instellen van een afgifteplicht voor scheepsafval, en de havens verplichten een plan uit te werken voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en ladingresiduen. De OVAM heeft steeds prioriteit verleend aan de implementatie van deze richtlijn, zowel inzake de juridische omzetting als de praktische uitwerking. Daartoe werden diverse werkgroepen opgericht, waarin naast de OVAM ook nog vertegenwoordigers zetelen van de Administratie Waterwegen en Zeewezen (AWZ), AMINAL (Europa & Milieu), en de Vlaamse zee- en jachthavens. Onder voorzitterschap van de OVAM wordt gewerkt aan passende afvalbeheersplannen voor de zeehavens, de pleziervaart en de visserij, om hiermee binnen de wettelijke termijn klaar te zijn.
Strategisch Project Afvalpreventie (SPAP) Selectief ingezamelde stromen werkte mee aan een aantal acties in het kader van het SPAP. Concreet werden drie acties opgestart: - actie 1: meer preventie via het samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval - actie 2: het inschakelen van fiscale stimuli - actie 3: aanpassen instrument aanvaardingsplicht
In het kader van actie 1 werden een aantal mogelijke aanpassingen van het samenwerkingsakkoord voorgesteld die zouden moeten leiden tot meer preventie van verpakkingsafval. Deze voorstellen kwamen voornamelijk tot stand na een analyse van de verpakkingswetgeving en convenanten inzake verpakkingsafval die van toepassing zijn in andere landen. De voorstellen zullen in 2002 worden besproken op het niveau van de Interregionale Verpakkingscommissie. Uiteindelijk moet dit leiden tot een aantal aanpassingen van het samenwerkingsakkoord. In het kader van actie 2 hebben we eind 2001 een studie opgestart. Het eindresultaat hiervan moet bijdragen tot concrete voorstellen van fiscale maatregelen, ongeacht het implementatieniveau (gewestelijk, federaal, gemeentelijk…) en het soort van fiscale maatregelen, die het preventiebeleid inzake afvalstoffen kunnen ondersteunen. Concrete voorstellen worden midden 2002 verwacht. Via actie 3 is het de bedoeling de aanvaardingsplicht meer in te schakelen als een instrument dat kan bijdragen tot resultaten op het vlak van preventie. Bij de invoering van de aanvaardingsplicht zal worden nagegaan welke mogelijkheden er inzake preventie zijn via dit instrument.
47
OVAM pakt uitvoer voertuigbanden en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur naar ACS-landen aan
In opdracht van de OVAM werd een studie uitgevoerd naar de export van herbruikbare voertuigbanden en elektrische/elektronische toestellen vanuit de Vlaamse zeehavens naar ACS-landen (landen uit Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Zuidzee). De doelstelling was een zo reëel mogelijk overzicht te bekomen van de uitvoerstromen van deze afvalstoffen tijdens de periode 1998-2000 vanuit de Vlaamse zeehavens naar ACS-landen en een inzicht te krijgen in de betrokken actoren bij deze afvaltrafieken. We stellen vast dat de omvang van de uitvoer van banden en elektrisch/elektronisch apparatuur naar deze landen gigantisch groot is. Een samenvattende tabel met betrekking tot de totale jaarlijkse uitvoer naar ACS landen per product(afval)groep, opgemaakt vanuit de Databank van de Dienst Douane en Accijnzen, toont dit duidelijk aan.
Uitvoer naar ACS-landen onderverdeeld naar douane(hoofd)codes
Douanecodes van de relevante goederen
Totale uitvoer naar ACS-landen op jaarbasis (in kg) 1998 1999 2000
4004.0000 ongehard rubber
7.244
--
88.225
4011.0000 rubberbanden, nieuw
690.085
560.615
896.796
4012.0000 herbruikbare voertuigbanden
4.680.243
3.408.632
3.102.079
8418.0000 koel-/vrieskasten, etc.
2.774.591
2.631.458
2.419.552
8419.0000 kookapparatuur
10.293
3.033
2.037
8422.0000 afwas- en spoelmachines
16.478
1.995
78.115 (gedeeltelijk)
8450.0000 was- en droogmachines
84.657
43.095
70.887
8470.0000 rekenmachines
2.781
1.102
3.488
8517.0000 telecommunicatieapp.
277.745
374.472
962.667
8521.0000 videoapparatuur
99.161
81.206
53.119
8527.0000 radiocummunicatieapp.
---
---
---
8528.0000 televisieapparatuur
389.550
450.765
291.508
Uit voorgaande tabel komt nadrukkelijk tot uiting dat herbruikbare voertuigbanden (douanecode: 4012.000) en elektrische/elektronische toestellen (douanecode: 8418.000) het leeuwendeel uitmaken van de naar de ACS-landen uitgevoerde goederen. Ongeveer 3 miljoen kg herbruikbare voertuigbanden wordt uitgevoerd. Dat is ongeveer 50 % van wat er volgens de OVAM-cijfers 'officieel' op de markt komt in Vlaanderen. Voor herbruikbare voertuigbanden is Kameroen een belangrijk land van bestemming. In 1998 en 1999 is meer dan 20 % van de totale uitvoer van herbruikbare voertuigbanden naar dit ACS-land afgevoerd. Daarnaast blijken ook Benin, Guinee, MauritaniĂŤ en Mali belangrijke ontvangers met gemiddelde percentages van meer dan 8 %. Nigeria blijkt voor koel- en vrieskasten en aanverwante elektrische apparaten het belangrijkste land van bestemming. In de betrokken jaren zou 51 % (1998) tot zelfs 65 % (2000) naar
48
dit ACS-land worden uitgevoerd. Ook voor Kameroen en Ivoorkust is sprake van uitvoerpercentages van meer dan 5 %. De studie stelde vast dat een kwart van de totale uitvoer van herbruikbare voertuigbanden in handen is van particulieren. Voor koelkasten etc. is dat zelfs meer dan 55%. De gegevens uit de Databank van de Dienst Douane en Accijnzen geven slechts een deel van werkelijkheid weer. Gegevens over doorvoer worden bijvoorbeeld hierin niet opgenomen. Om die reden werd een omvangrijke interviewronde gehouden met de betrokken actoren en diverse doelgroepen die zich bezighouden met de grensoverschrijdende overbrenging van deze goederen. Hierdoor kwamen heel wat knelpunten aan het licht die de handhaving van deze uitvoerstromen bemoeilijken. Het onderscheid tussen afvalstof en herbruikbaar product is niet altijd even duidelijk en wordt door de verschillende landen anders ingevuld. De regelgeving omtrent de grensoverschrijdende overbrenging van de afvalstoffen is heel complex geworden. In de landen van bestemming gebeurt er nauwelijks of geen controle. Contacten met de autoriteiten van de landen van bestemming zijn praktisch onbestaande of heel moeilijk te leggen. De studie werd afgerond met enkele interessante aanbevelingen gericht aan de OVAM. Daarbij ligt de nadruk op de uitbouw van een stevig handhavingsnetwerk met een efficiënte informatie-uitwisseling, 49
waarbij alle betrokken handhavings- en opsporingsoverheidsdiensten betrokken worden. Het is heel belangrijk dat vanuit België een duidelijk beleid wordt gevoerd met eenduidige standpunten over de afvalstoffen.
Illegaal in- of uitgevoerd afval gaat terug Naar aanleiding van regelmatige controles op grensoverschreidende overbrengingen van afvalstoffen werden in het jaar 2001 diverse illegaal in- of uitgevoerde afvalstoffen teruggstuurd naar het land van herkomst. Na vaststelling van een sluikhandel van kunststofafval via de haven van Antwerpen naar Indonesië, werd de kunststofafvalhandelaar verplicht om 5 containers met kunststofafval terug te halen vanuit Sumatra naar België. In samenwerking met de federale politie werden twee zeecontainers met elektromotoren waaruit afgewerkte olie lekte en die bestemd waren voor een handelaar in Hong Kong, teruggestuurd vanuit Antwerpen naar de producent in Nederland. Naar aanleiding van een klacht van de Nederlandse inspectie
Milieuhygiëne werd 2.500 ton verontreinigd kunststofgranulaatafval, afkomstig uit een uitgebrande opslagloods in Vlaanderen, teruggebracht naar België. De OVAM verhinderde dat circa 5.000 ton van dit door de brand vervuilde kunststofafval illegaal geëxporteerd werd naar Hong Kong. Uit een ander uitgebrand bedrijf in Vlaanderen werden circa 50 containers met gedeeltelijk verbrand papierafval illegaal verscheept naar China en Indonesië. Na een onderzoek door de OVAM werd de papierhandelaar verplicht de containers terug te brengen naar Antwerpen. Door de ongecontroleerde tussenhandel in allerlei afvalstoffen, zoals bijvoorbeeld papierafval waarbij de kopers niet nagaan of de beschrijving op de facturen overeenkomt met de werkelijk geleverde kwaliteit, werden 16 containers met huishoudelijk gemengd papier- en kunststofafval illegaal geëxporteerd naar Taiwan. De verantwoordelijke firma's werden aangemaand om het afval terug te brengen naar België. Na maandenlange discussies over wie de kosten moest dragen, werd uitzonderlijk een akkoord verkregen van de autoriteiten in Taiwan voor verwijdering ter plaatse. Bij een controle in de haven van Antwerpen werd 24 ton verontreinigd gemengd elektrisch en elektronisch schroot gevonden. Deze afvalstoffen werden teruggestuurd naar de producent in Duitsland. 50 De Nederlandse douane heeft een vrachtwagen met oude kleding die illegaal naar Litouwen gestuurd werd, in overleg met OVAM teruggezonden naar de producent in Vlaanderen.
BIOLOGISCHE AFVALSTOFFEN De belangrijkste bevoegdheid is het beheer van dierlijke en plantaardige afvalstromen. Ook de inzameling en verwerking van organisch-biologische afvalstoffen en hun gebruik als meststof, bodemverbeterend middel of dierenvoeder behoren tot het takenpakket. Daarnaast is de dienst nog actief op het vlak van textielafval.
Dierlijk afval Na de dioxine- en PCB-crisis van 1999 en de naweeën ervan in het jaar 2000, werd 2001 het jaar van de opvolging van de BSE-crisis ('de diermeelproblematiek'). Op 4 december 2000 besliste de EULandbouwraad om vanaf 1 januari 2001 geen diermeel meer toe te laten voor het vervoederen aan dieren die worden gehouden, vetgemest of gefokt voor menselijke consumptie. Hierdoor werd de OVAM geconfronteerd met een enorme hoeveelheid diermeel die plots bestemd was voor vernietiging. Gezien de beperkte verbrandingsmogelijkheden en de zorg om de continuïteit van de ophaling en verwerking van het dagelijks geproduceerde dierlijke afval te verzekeren, nam de OVAM het initiatief om een opslagruimte – Manuport N.V. – voor diermeel te laten opvorderen. Het uitwerken van een werkbaar traceersysteem, het opvolgen van de verschillende stromen van en naar de opslagruimte
en de vernietiging van de opgeslagen melen (ca. 28.000 ton) via een algemene offerteaanvraag vormden hierbij de aandachtspunten. Door het verbod op recyclage van diermeel in de veevoeding steeg de kost voor de ophaling en de verwerking van krengen aanzienlijk. Eerst besloot de Vlaamse regering om het surplus van de kosten op de abonnementen te prefinancieren. De Commissie Dierlijk Afval kreeg als taak een voorstel uit te werken om de prefinanciering terug te betalen. Uiteindelijk bleek dat niet nodig vermits de prefinanciering werd omgezet in een financiering. Met het oog op de toekomst heeft de Commissie Dierlijk Afval besloten het abonnementssysteem te verfijnen om zo de tarieven beter te laten aansluiten bij de effectief veroorzaakte kosten per bedrijf. Om de nodige vernieuwingen door te voeren, werd afgestapt van de milieuvergunningen als basis voor de 51
berekeningen. Er werd een samenwerking met de VLM-mestbank opgezet waarbij de mestbankaangifte (gemiddelde veebezetting) werd gehanteerd om de abonnementstarieven vast te stellen. Die is in vele gevallen beter gerelateerd aan de hoeveelheid geproduceerd afval dan de milieuvergunningsgegevens. Verder werd de aandacht gericht op de erkende verwerkingsbedrijven van dierlijk afval, waar alle dierlijke afvalstoffen (ook die van de geregistreerde bewerkingsbedrijven) terechtkomen. De stroomopvolging van de aangevoerde ruwe en afgevoerde verwerkte afvalstoffen werd volledig in kaart gebracht. De nadruk lag hierbij op de verwerkte dierlijke eiwitten. Dat gebeurde om een inzicht te krijgen in de gewijzigde marktsituatie en om de probleempunten te kunnen onderkennen en aankaarten bij de verschillende overheidsdiensten.
21% 61%
verbranding pet-food
3%
meststoffen manuport 15%
Figuur 5: Eindbestemming van verwerkte dierlijke eiwitten in 2001 (OVAM – 2002) Manuport: opslag in afwachting van verbranding
Naast de diermeelcontroles werd in 2001 het gespecificeerd risicomateriaal (GRM) van nabij opgevolgd. In het kader van de opkoopregeling voor runderen, ouder dan 30 maanden en niet getest op Boviene Spongiforme Encefalopathie (BSE), werd namelijk een permanente controle ingevoerd bij Rendac N.V., de enige operationele verwerkingsinrichting voor GRM in het jaar 2001. Daarna werden alle verwerkte dierlijke eiwitten, afkomstig van de verwerking van GRM, onder verzegeld transport afgevoerd naar de cementindustrie in Wallonië waar ze – eveneens onder toezicht – vernietigd worden door verbranding. Door een beslissing van de federale minister van Volksgezondheid werd eind maart 2001 het vrijkomen van GRM op slagersniveau toegelaten. Gezien de beperkte middelen en de niet geringe hoeveelheid te controleren producenten werd steekproefsgewijs een controleactie ondernomen om deze maatregel te evalueren. Uit de resultaten van de OVAM bleek dat het beleid inzake deze materie dient te worden aangepast, en dat het vrijkomen van GRM beperkt zou moeten worden tot slachthuizen en uitsnijderijen. Deze conclusie werd meermaals verdedigd in een werkgroep, opgericht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Verder werkten we in 2001 aan een optimalisatie van de samenwerking tussen de federale en gewestelijke overheidsdiensten. Hiervoor werd een overeenkomst opgemaakt betreffende dierlijk afval in de sectoren vlees en visserij, met het oog op transparantie en traceerbaarheid. Naast BSE werd Vlaanderen ook tijdelijk bedreigd door MKZ. Hoewel de Vlaamse veestapel uiteindelijk gespaard bleef van deze ziekte, waren er toch enkele preventieve opruimingen. Door de reële kans op besmetting zijn verschillende overheidsdiensten, waaronder de OVAM, gaan samenzitten om een noodscenario uit te werken in geval van een uitbraak. Het resultaat hiervan zal in 2002 verschijnen in de vorm van een draaiboek. Wat betreft de wetgeving heeft de Europese Commissie in 2001 gewerkt aan een nieuwe verordening tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. Het doel van deze verordening is het bundelen en verduidelijken van alle wetgeving rond dierlijke bijproducten die de voorbije jaren ontstaan is ten gevolge van o.a. de BSE-crisis. Om de gevolgen van deze nieuwe wetgeving voor Vlaanderen na te gaan, schreef de OVAM in 2001 een juridische studie uit. Hierin wordt de huidige situatie onder de loep genomen en wordt een voorstel gedaan voor een omzetting van de tekst in de Vlaamse wetgeving. De resultaten van de studie worden in april 2002 verwacht.
52
UITVOERINGSPLAN ORGANISCH-BIOLOGISCH AFVAL Met het oog op de verdere opvolging en coördinatie van het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval werd de voortgangsrapportage 2000-2001 opgemaakt. Hierin wordt een samenvattend overzicht gegeven van de stand van zaken van de acties uit het plan. Een aantal aandachtspunten zullen in het volgende jaar prioritair behandeld worden: continuïteit van de uitvoering, voorlichting en sensibilisering, verwerking van GFT- en groenafval, verbod op gebruik van keukenafval in veevoeding, afzet van digestaat (=eindstroom anaërobe verwerking) in het buitenland, handhaving verbod op gebruik van voedselafvalverbrijzelaars en opvolging Europese beleidsontwikkelingen. De verschillende acties op het gebied van preventie, recuperatie en afzet van GFT- en groenafval en organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen werden voortgezet door de blij53
vende inzet van de initiatiefnemers, de werkgroepen en het Overlegplatform Organisch-Biologisch Afval.
GFT- en groenafval De algemene coördinatie en uitvoering van de acties rond preventie en recuperatie van GFT- en groenafval (o.a. thuiscomposteren, wijkcomposteren, bermmaaisel , afvalpreventieproject met kippen, kwaliteit van thuiscompost, zware metalen in compost) gebeurden in nauw overleg met de Vlaamse Compostorganisatie (VLACO vzw).
Organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen Met betrekking tot het beleid inzake organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen werden het voorbije jaar een aantal thema’s meer concreet uitgewerkt: - Zo heeft de OVAM een eerste oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de invulling van de termen mineralenrijk versus mineralenarm en humusrijk. Deze studie moet een basis vormen voor het beleid inzake de afzet van secundaire grondstoffen als meststof en/of bodemverbeterend middel. - De OVAM is lid van de gebruikerscommissie van het HOBU-project 'Platform voor de implementatie van anaërobe vergisting in Vlaanderen'. In dit kader werd een onderzoek opgestart naar de basisvoorwaarden waaraan vergistingsinstallaties minimaal zouden moeten voldoen indien ze het digestaat (als meststof en/of bodemverbeterend middel) in de landbouw willen gebruiken. - De OVAM maakte deel uit van het project KeukenSchoon. Dit project trachtte de haalbaarheid van de selectieve inzameling van keukenafval binnen horecabedrijven en grootkeukens te achterhalen. Het voorbije jaar heeft zich eveneens een belangrijke evolutie voorgedaan met betrekking tot het verwerken van organisch-biologisch afval. Daar moeten andere pistes worden gezocht om de afzet van deze hoeveelheid afval te verzekeren.
Gebruik als secundaire grondstof in of als meststof of bodemverbeterend middel In het kader van het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof in of als meststof of bodemverbeterend middel werden er in 2001 31 certificaten verleend die voornamelijk betrekking hadden op het gebruik van behandeld slib. Er werd eveneens veelvuldig adviezen gegeven naar aanleiding van schriftelijke en telefonische vragen. Uit deze contacten kwamen steeds weer dezelfde knelpunten naar voren, met name het gebrek aan capaciteit voor het verwerken van biologische bedrijfsafvalstoffen en het limitatieve karakter van Vlarea bijlage 4.1. Met deze knelpunten en de strategie van het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval in gedachten, werkten we verder mee aan het voorstel tot aanpassing van Vlarea. Omdat het gebruik van secundaire grondstoffen in of als meststof of bodemverbeterend middel veel raakvlakken heeft met andere beleidsdomeinen (mestbeleid, grondstoffenbeleid, milieuvergunningen…) werd er een werkgroep opgestart met vertegenwoordigers van de verschillende overheden. Naast de OVAM zijn de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) - afdeling Mestbank, het ministerie van Middenstand en Landbouw (DG4 – kwaliteit grondstoffen en plantaardige sector) en de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL) - afdeling Milieu-inspectie vertegenwoordigd. Deze werkgroep probeert knelpunten op te lossen en tot gezamenlijke standpunten te komen. Naast dit dienstverlenend aspect hebben we ook aandacht besteed aan handhaving. De slibactie van 2001 werd net als het voorgaande jaar georganiseerd in samenwerking de VLM – afdeling Mestbank. In de gecontroleerde bedrijven werden de secundaire grondstoffen telkens bemonsterd. Er werden geen overschrijdingen vastgesteld in de onderzochte monsters. Wat betreft de gehaltes aan zware metalen stellen we dus een positieve trend vast. Bij de eerste actie in april 2000 waren er 3 schorsingen van gebruikscertificaten voor een overschrijding van zware metalen op basis van 14 staalnames. Twee certificaten werden definitief opgeheven met mogelijkheid tot wederaanvraag. Bij de tweede actie in september 2000 en ook bij de actie van mei 2001 voldeden alle monsters aan de VLAREA-normen voor het gebruik van slib als bodemverbeterend middel in de landbouw. Ook al werden er niet onmiddellijk overschrijdingen vastgesteld, toch mag de preventieve functie van zulke acties niet worden onderschat.
54
GEMEENTEN EN HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN Is bevoegd voor huishoudelijke afvalstoffen. Werkt intens samen met de gemeenten, de intercommunales, de provincies en de kringloopcentra. Is daarnaast ook verantwoordelijk voor de afvalstoffen van scholen, openbare diensten, andere niet-sectorgebonden ‘bedrijven’ en alle ‘kleine’ KMO’s en zelfstandige ondernemers.
Inventarisatie huishoudelijke afvalstoffen 2000 Jaarlijks worden bij de gemeenten en intercommunales de gegevens opgevraagd over de productie, inzameling en verwerking van de huishoudelijke afvalstoffen. Onderstaande figuur geeft de evolutie weer voor de periode 1991-2000. Ze laat zien dat er vanaf 1997 meer huishoudelijke afvalstoffen selectief worden ingezameld dan dat er worden ingezameld voor terminale verwerking, met name storten en verbranden.
55 600
kg per inwoner
500 400
406
423
331
330
450 334
480
492
335
325
300
492
528
280 270
531
315
544
343
561
370
terminaal te verwijderen 200 100
74
93
116
146
167
211
258
216
202
191
0
selectief ingezameld totaal huishoudelijke afvalstoffen
1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000
Evolutie van de totale, de selectief ingezamelde en de terminaal te verwijderen hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen, uitgedrukt in kilogram per inwoner voor de periode 1991-2000. In 2000 werd van de huishoudelijke afvalstoffen 66% selectief ingezameld en 34% ingezameld voor terminale verwijdering. De volgende figuur geeft de samenstelling weer van de selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen in 2000.
369,7 kg/inwoner selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen in 2000
overige 1,9% bouw- en sloopafval 20,9%
papier en karton 19,9% houtafval 5,2% glas 7,4% metalen 3,2%
textiel 0,9%
kunststoffen 1,7%
groenafval 21,6% drankkartons 0,3%
GFT 17,0%
56 Procentuele verdeling van de selectief ingezamelde hoeveelheid huishoudelijke afvalstoffen in Vlaanderen in 2000. Met 'overige' wordt bedoeld: autobanden, vlakglas, afgedankte elektrische en elektronische apparaten, dierlijk afval, geneesmiddelen, Klein Gevaarlijk Afval en herbruikbaar afval ingezameld door kringloopcentra.
Sorteeranalyseonderzoek van de Vlaamse huisvuilzak 2000-2001 Hoe meer aan preventie wordt gedaan en hoe meer selectief wordt ingezameld, hoe minder de hoeveelheid restafval in de huisvuilzakken. Om dit effect te meten voerde de OVAM in Vlaanderen een representatieve sorteeranalyse uit bij 2.000 gezinnen verdeeld over 45 gemeenten. De gezinnen worden vanzelfsprekend niet op de hoogte gebracht, om hun 'afvalgedrag' niet te beĂŻnvloeden. Het onderzoek werd gespreid in de tijd zodat de invloed van de seizoenen op de huisvuilsamenstelling kan worden uitgevlakt.
Onderstaande tabel bevat de verdeling van de fracties in de huisvuilzak. Fractie
Kg per inwoner en per jaar
1995-1996
2000-2001
1995-1996
Organische fractie
48,34
43,07
123,39
58,89
Papier en karton
2000-2001
17,75
14,30
45,29
19,56
Gemengde fractie
8,95
12,56
22,85
17,18
Kunststoffen
7,71
11,62
19,69
15,90
Fractie overige
3,55
5,90
9,05
8,06
Inerte restfractie
3,63
3,34
9,27
4,57
Metalen
3,89
3,23
9,92
4,42
Textiel
2,16
2,90
5,50
3,97
Glas
3,15
2,40
8,03
3,28
KGA Totaal
57
Gewichtsprocent
0,87
0,68
2,23
0,93
100,00
100,00
255,22
136,76
Gemiddelde samenstelling huisvuilzak in Vlaanderen in 1995-1996 en 2000-2001 in gewichtsprocenten De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is dat de gemiddelde hoeveelheid afval in Vlaamse huisvuilzakken tussen 1995 en 2000 is gedaald van 255 kg naar 136 kg per inwoner per jaar, een daling met bijna de helft. Voornamelijk de hoeveelheid organisch afval is afgenomen door thuiscomposteren en selectieve inzameling. Het vulgewicht van de huisvuilzakken (60 l) bedraagt gemiddeld 7,26 kg per huisvuilzak. In een GFT-regio bevat een huisvuilzak op jaarbasis gemiddeld 39 kg per inwoner minder organisch afval dan in een groenregio. Inwoners van een GFT-regio hebben ook circa 10 kg per inwoner minder papierafval en verpakkingsafval in de huisvuilzak. Het verschil tussen beide regio's bedraagt in totaal 51 kg per inwoner op jaarbasis. Worden landelijke gemeenten vergeleken met steden, dan blijken ze gemiddeld 25 kg per inwoner per jaar minder huisvuil te produceren: 11 kg keukenafval, 5,5 kg papier en karton, 0,5 kg glas, 1 kg PMDafval en 3 kg kunststofafval. De moeilijkheden omtrent selectieve inzameling of thuiscomposteren van keukenafval in steden komen hier naar boven. Gemeenten met gemiddeld minder dan 150 kg huisvuil per inwoner hebben gemiddeld bijna 93 kg minder huisvuil dan de groep gemeenten met meer dan 150 kg per inwoner (48 kg organisch afval en 16 kg papier en karton in de huisvuilzak vormen de voornaamste verschillen, naast 5 kg PMD-afval en 2,5 kg glas). Er zijn ook verschillen tussen gemeenten die wel of niet samenwerken met FOST Plus, maar enkel op het vlak van PMD-afval. Wie samenwerkt met FOST Plus heeft 3 kg minder PMD-afval in de huisvuilzak op jaarbasis. Deze hoeveelheid wordt echter gecompenseerd door de grotere hoeveelheid overige kunststofverpakkingen die bij de FOST Plus-gemeenten aanwezig is. Opvallend is dat de gemeenten die niet samenwerken met FOST Plus 2 kg minder papier en karton in de huisvuilzak hebben. Glas is vergelijkbaar in beide type regio's. De stelling dat FOST Plus-gemeenten beter sorteren voor de overige frac-
ties kan niet worden bevestigd: in FOST Plus-gemeenten wordt 17 kg meer organisch afval in de huisvuilzak gestoken. In totaal hebben FOST Plus-gemeenten 25 kg huisvuil per inwoner meer dan de nietFOST Plus-gemeenten. Hieruit kunnen we besluiten dat niet enkel het interregionale samenwerkingsakkoord betreffende de voorkoming en het beheer van verpakkingsafval en FOST Plus verantwoordelijk zijn voor de resultaten in Vlaanderen. De Vlaamse wetgeving inzake preventie en selectieve inzameling heeft minstens een even grote betekenis en stimulans gegeven.
Evaluatierapportage Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 1997-2001 Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen is verantwoordelijk voor de coรถrdinatie van de uitvoering van het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen 1997-2001, dat verlengd werd tot 2002. In 2001 werd een evaluatierapportage van de hele planperiode opgesteld ter voorbereiding van het nieuwe Uitvoeringsplan 2003-2007.
58
In 1999-2000 stijgt voor het eerst het aanbod huishoudelijk afval minder sterk dan het bestedingspatroon en de bevolkingsgroei. Dat wijst erop dat de preventie-inspanningen vruchten afwerpen. Momenteel ontbreken er echter kwantitatieve meetinstrumenten en meetgegevens om de preventieresultaten in kaart te brengen. Toch zijn er al heel wat preventie-acties ondernomen. Het Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies (STIP) in 2000 is een belangrijke instrument bij het bestendigen en verder uitbouwen van de preventie-inspanningen. Het voorkomen van GFT- en groenafval door thuiscomposteren kent heel wat succes onder impuls van VLACO. Rond de invulling van de MBO's en de opvolging van de stickeracties tegen reclamedrukwerk en advertentiebladen blijkt bijsturing nodig. Initiatieven op het vlak van retourflessen, afvalarm winkelen en afvalpreventie op school en evenementen geven aan dat er aandacht is voor preventie van verpakkingsafval. De doelstellingen rond
de inplanting van kringloopcentra worden gehaald, maar die centra kampen met financiële problemen. Projecten rond katoenen luiers geven aan dat enkele praktische handicaps het grote succes verhinderen. Door middel van voorlichting, sensibilisering en educatie van verschillende doelgroepen wordt getracht het milieubewuste gedrag te bevorderen. Er wordt in 2000 een recuperatiegraad bereikt van 66%, waarmee zelfs de taakstelling voor 2006 ruimschoots is gehaald. Uit onderzoek blijkt dat het sorteergedrag sterk afhankelijk is van de aangeboden instrumenten en de prijzen. Om de gemeenten te ondersteunen, ontwikkelt de OVAM modelreglementen rond belasting en contantbelasting die zowel financierend als sturend kunnen werken. De responsabilisering van de burger door gedifferentieerde tarificatie houdt heel wat mogelijkheden in. Om ontwijkingsgedrag te vermijden is goede communicatie heel belangrijk. De containerparken zijn goed ingeburgerd, maar hun werking kan worden geoptimaliseerd. Het zoeken van nieuwe locaties stelt grote problemen. De totale hoeveelheid te verwijderen huishoudelijk afval bedraagt in 2000 nog 1.138.385 ton of 191 kg per inwoner (tegenover 325 kg in 1995). Dat is een daling met 41 %. Slechts een minderheid van de gemeenten (14 %) beantwoordt niet aan de taakstellingen van 220 kg huishoudelijk restafval per inwoner zoals geformuleerd voor 2001. Eind 2001 beschikt Vlaanderen over een totale maximale verbran59
dingscapaciteit voor huishoudelijk en vergelijkbaar bedrijfsafval van 1.387 kton. Nieuwe technieken (voorbehandelingsinstallaties zoals drogen-scheiden en scheiden-vergisten, gevolgd door specifieke verwerkingsinstallaties voor hoogcalorisch afval) zijn aangewezen voor de uitbreiding van de capaciteit. De hoeveelheid gestort afval neemt langzaam maar zeker af, vooral het huishoudelijk afval. Er is geen nood aan nieuwe stortplaatsen. Om het storten van afvalstoffen te ontmoedigen en verder af te bouwen, vooral het storten van recyclageresidu’s, is een grondige bijsturing van het heffingenbeleid op afvalstoffen dringend nodig. De kosten voor de inzameling en verwerking van de fracties uit het huishoudelijk afval nemen toe van bijna 300 miljoen euro in 1995 tot 385 miljoen euro in 2000 (0,12 euro per kilogram). De gemiddelde kostprijs per inwoner stijgt met 22%, van 52,18 euro tot 64,87 euro. Vanuit het principe 'de vervuiler betaalt' rekenen zowel de gemeenten als de gewestelijke overheid de kosten zoveel mogelijk door aan de vervuiler.
Een nieuwe samenwerkingsovereenkomst met lokale besturen Het milieuconvenant 2000-2001 is de derde overeenkomst met het Vlaamse Gewest die de gemeenten op vrijwillige basis kunnen ondertekenen. Deze overeenkomst geeft een gemeente recht op subsidies voor specifieke acties met betrekking tot onder andere afvalpreventie, recyclage en hergebruik en selectieve inzameling van afvalstoffen. Het gemeentelijk milieuconvenant 2000-2001 bestaat uit één basisovereenkomst en 10 opties, waarvan er 3 met afvalstoffen te maken hebben. Eind 2001 hadden 283 gemeenten de basisovereenkomst ondertekend. Daarnaast hadden respectievelijk 234, 260 en 119 gemeenten de opties 4 (preventie en selectieve inzameling van huishoudelijke afvalstoffen), 5 (hergebruik van huishoudelijke afvalstoffen) en 7 (duurzaam gemeentelijk beleid) onderschreven.
In het bredere kader van het strategisch project duurzaam milieubeleid (SP DULO) keurde de Vlaamse regering de nieuwe samenwerkingsovereenkomst op 19 december 2001 goed. Het nieuwe samenwerkingsakkoord met de gemeenten en provincies heeft als doel verder te werken op basis van de bereikte resultaten. Ook in de nieuwe samenwerkingsovereenkomst is 'afval' een vast onderdeel van de cluster 'vaste stoffen', naast 'milieuverantwoord productgebruik'. De cluster vaste stoffen bouwt gewoon verder op een aantal elementen die al aanwezig zijn in het milieuconvenant 2000-2001. De combinatie 'producten en afval' vanaf niveau 1 (het minimum niveau) is wel nieuw. De cluster vaste stoffen van het samenwerkingsakkoord met de provincies bevat vergelijkbare maatregelen en initiatieven die de provincies moeten nemen rekening houdend met de taken die ze door het Afvalstoffendecreet werden toebedeeld. In het samenwerkingsakkoord met de gemeenten werden nog twee volledig nieuwe, maar wel facultatieve betoelagingsmogelijkheden opgenomen die verband houden met enerzijds het afvalstoffenaspect en anderzijds de bodemsanering. De eerste facultatieve mogelijkheid omvat de terugbetaling van de kosten die verbonden zijn aan het opruimen van kleine partijen achtergelaten gevaarlijke afvalstoffen waarbij een proces-verbaal verwijzend naar artikel 12 van het Afvalstoffendecreet lastens onbekenden beschikbaar moet zijn. De tweede mogelijkheid is het inschakelen van een bodemsaneringsdeskundige in het kader van een acute bodemverontreiniging. Deze twee mogelijkheden werden niet opgenomen in de cluster vaste stoffen, maar in de cluster hinder.
Scholen Bij de schoolstart 2001-2002 voerden we voor de tweede keer de campagne 'Ik kleur mijn schooljaar groen!'. Deze campagne werd uitgewerkt in samenwerking met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waalse Gewest en Fedis. Met de campagne wilden we de vraag naar milieuvriendelijk schoolmateriaal doen stijgen door de leerlingen van het basisonderwijs te sensibiliseren en ervoor te zorgen dat het aanbod in de winkels verhoogt en duidelijk zichtbaar in de rekken wordt geplaatst.
60
De OVAM verspreidde opnieuw folders en affiches naar de basisscholen in het Vlaamse Gewest. Voor de leerkrachten ontwikkelden we een nieuwe educatieve brochure. Aan de deelnemende winkels werden wobblers en affiches bezorgd. Uit de evaluatie van de campagne 2001 bleek dat in de winkels het aanbod en de vraag naar milieuvriendelijk schoolmateriaal flink gestegen waren. In het kader van het project MOS (milieuzorg op de basisschool) dat vanaf begin 2001 van start ging bij Aminal, werkten we mee aan de themabundel 'afvalpreventie'. Deze themabundel rijkt leermiddelen en suggesties aan met betrekking tot afvalpreventie gericht naar de basisscholen. De publicatie is voorzien voor de start van het schooljaar 2002-2003.
Herbruikbare luiers op de kraamafdeling Zowel in de Vlaamse ziekenhuizen als in de huisvuilzak van de Vlaamse gezinnen bestaat een groot deel van het dagelijkse afval uit wegwerpluiers. De herbruikbare luier is nog vrij onbekend en hij wordt nog te vaak geassocieerd met de vroegere katoenen doeken met veiligheidsspelden. De huidige herbruikbare luier is een moderne voorgevormde luier die bestaat uit een luier en een niet-waterdoorlatend overbroekje. Er bestaan momenteel al verschillende modellen. Daarom werd in 2001 een een onderzoek voorbe61
reid i.v.m. het gebruik van herbruikbare luiers op de kraamafdeling van een ziekenhuis. Het project startte op 15 januari 2002 in het regionaal ziekenhuis H.Hart in Leuven. Alle moeders die tijdens de periode 15 januari 2002 tot en met 14 januari 2003 op de kraamafdeling verblijven, krijgen de kans herbruikbare luiers te gebruiken. Iedereen wordt via een informatiebrief op de hoogte gebracht van het project. Elke moeder wordt gevraagd om een formulier in te vullen met de vraag of ze al dan niet wil deelnemen en waarom. Na de kraamperiode wordt er een eerste enquête afgenomen bij de deelnemende moeders over hun bevindingen in de kraamkliniek (voor- en nadelen van de herbruikbare luiers, wenst de moeder de herbruikbare luier thuis verder te gebruiken?…) Drie en zes maanden na hun ontslag uit het ziekenhuis worden deze moeders opnieuw gecontacteerd om hun bevindingen over de luiers in de thuissituatie te bevragen en om na te gaan of ze de luiers al dan niet verder gebruiken. Op basis van de ingevulde gegevens (beroep, voltijds of deeltijds werkend, leeftijd, eerste of tweede kind of volgende) zal ook kunnen worden nagegaan welk type moeder er heeft deelgenomen en welk type niet. Een schriftelijk rapport op basis van de analyse van de drie enquêtes zal worden opgemaakt. Daarnaast dient een kosten-batenanalyse te worden voorgelegd van het gebruik van herbruikbare luiers en wegwerpluiers in het ziekenhuis.
Retour is terug De gemeente Zonhoven is de eerste gemeente die op 1 oktober 2001 een intensief project opstartte waarbij de inwoners aangemoedigd worden om bij de aankoop van dranken voor statiegeldflessen te kiezen. Ze doet dat in samenwerking met de intercommunale Regionale Milieuzorg en de Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen. Elke inwoner kan vanaf oktober 2001 met
een elektronische spaarkaart punten verzamelen door drank in statiegeldflessen aan te kopen bij de lokale handelaren en bij de huis-aan-huishandelaren. Per kalenderjaar zal elke Zonhovenaar tot 350 punten kunnen sparen. De gemeente zet deze punten om in een retourpremie van 0,025 euro per punt. Zo zal een gezin van drie personen 26,03 euro kunnen terugverdienen. Als flankerende maatregel zal de gemeente geleidelijk aan haar inzamelsysteem voor wegwerpverpakkingen aanpassen. Ze kan bijvoorbeeld het aantal glasbollen waarin de inwoners hun wegwerpglas kosteloos kunnen achterlaten, teruggeschroeven zodra een aantal van de lokale handelaren en de huisaan-huishandelaren op vrijwillige basis de glasinzameling overneemt maar dan tegen betaling. De glascontainers op het containerpark zullen op termijn de enige plaats zijn waar de burger nog gratis zijn wegwerpglas kan achterlaten. De inzameling van eenmalige kunststofverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons wordt niet gewijzigd omdat deze afvalstoffen nu al enkel via het containerpark ingezameld worden. Deze gewijzigde inzamelmethode voor eenmalige (drank)verpakkingen heeft als doel een drempelverhogend effect te creëren voor het verwijderen van de eenmalige verpakkingen waardoor de inwoners gemakkelijker voor statiegeldverpakkingen zullen kiezen. Dit proefproject zal regelmatig worden geëvalueerd. Daarom neemt de OVAM een aantal begeleidende onderzoeken voor haar rekening. De OVAM zal het aanbod van de eenmalige verpakkingen in het huisvuil en in de selectief ingezamelde afvalstoffen analyseren. Daarnaast zal ze ook het aanbod en de prijs meten van de dranken in eenmalige en in statiegeldverpakkingen. Tot slot zal een consumentenenquête inzicht moeten verschaffen in de keuze van de inwoners met betrekking tot de statiegeldverpakkingen versus de eenmalige verpakkingen.
Kringloopcentra Ook in 2001 werd in opdracht van de OVAM een opvolgingsverslag over de kringloopsector in het Vlaamse Gewest gemaakt. Het betrof hier het verslag over het jaar 2000. Hoewel het opvolgingsverslag over het jaar 2001 nog niet klaar is, zijn er toch al wat cijfers bekend. De inzamelingen in 1999, 2000 en 2001 zijn respectievelijk 14.469 ton, 17.469 ton en 20.002 ton. De inzamelingen per bediende inwoner in 1999, 2000 en 2001 zijn respectievelijk 2,51 kg, 2,96 kg en 3,36 kg. Zowat driekwart hiervan wordt effectief hergebruikt. Op één gemeente na (Voeren) worden alle gemeenten in Vlaanderen nu officieel bediend door een van de 39 operationele kringloopcentra. Hiermee is het gebiedsdekkend netwerk van gesubsidieerde kringloopcentra in Vlaanderen dus zo goed als voltooid. Ook in het jaar 2001 is er hard gewerkt aan een nog fijnmaziger netwerk van kringloopwinkels. Eind 2001 waren er 89 kringloopwinkels operationeel. In oktober 2001 was er met evenveel succes een tweede dag van de kringloopcentra.
62
Herstelarbeid en hergebruikcentra De Koepel van Vlaamse Kringloopcentra en de OVAM hebben in 2001 een overeenkomst gesloten om in drie jaar over heel Vlaanderen een netwerk hergebruikcentra op te bouwen. Dit netwerk sluit aan bij de integratie van hergebruik in de aanvaardingsplicht van 'Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparaten' (AEEA). In totaal zullen 10 tot 15 hergebruikcentra in Vlaanderen worden opgericht. Daar zullen de ingezamelde apparaten op herbruikbaarheid worden beoordeeld. Ze worden nagekeken en zo nodig hersteld waarna ze het kwaliteitslabel REVISIE krijgen. Aan dit label is een garantie verbonden van minimaal 3 maanden. Momenteel is er nog overleg met RECUPEL om het prioritair gestelde hergebruik uit de MBO-aanvaardingsplicht van AEEA zo goed mogelijk in de praktijk om te zetten. De OVAM investeert bijna 250.000 euro in dit Samenwerkingsverband Herstelarbeid.
Informatieronde bij de lokale besturen In 2001 startten de nieuw samengestelde gemeenteraden en raden van bestuur bij de intercommunales hun werking. Om deze nieuwe raden te ondersteunen, organiseerde de OVAM in samenwerking met de VVSG een informatieronde per intercommunale om het Vlaamse afvalstoffenbeleid en de toekomstperspectieven toe te lichten. 63
MOVI-werkgroep Milieuzorgbeleid Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen staat in voor de coรถrdinatie van de MOVI-werkgroep Milieuzorgbeleid die op 10 januari 2001 werd opgericht. De doelstelling van deze werkgroep is kennis en ervaring uit te wisselen met betrekking tot milieuzorg. Daarnaast volgt ze de nieuwste ontwikkelingen met betrekking tot enerzijds de milieuwetgeving en anderzijds de beslissingen op Vlaams niveau om milieuzorg te implementeren bij elke Vlaamse overheidsinstelling. Een aantal VOI's hebben al enige ervaring met milieuzorg, anderen nog niet. Ook op Vlaams niveau, in het kader van het Milieubeleidsplan 1997-2001 (MINA 2) en zijn opvolger het ontwerp Milieubeleidsplan 2003-2007, zal milieuzorg in de nabije toekomst op de agenda geplaatst worden bij de Vlaamse overheid. Van bij de start werden volgende VOI's als actief lid in deze werkgroep opgenomen: BLOSO, DE LIJN, Dienst voor de Scheepvaart, GOM Vlaams-Brabant, GOM West-Vlaanderen, IWT, KIND EN GEZIN, OPZ-Geel, de OVAM, STIP, UZ-Gent, VDAB, VFSIPH, VIZO, VLM, VMM, VMW, VRT en nv ZEEKANAAL.
Clearinghouse-onderzoek De OVAM onderzocht of het mogelijk is in Vlaanderen een geautomatiseerd sturingssysteem op te zetten waardoor de verbrandingscapaciteit steeds optimaal ingevuld zou zijn. Daarnaast onderzochten ze ook een systeem waarbij alleen maar afval door middel van stortopties kan worden gestort in geval van een volledig benutte verbrandingscapaciteit. We onderzochten dit clearinghousesysteem samen met alle spelers op de afvalmarkt. De eindconclusie was dat een dergelijk sturingsysteem nog niet kan worden ingevoerd in de Vlaamse afvalmarkt en wel om volgende redenen: - De vrije verbrandingscapaciteit in de verbrandingsinstallaties is momenteel te klein.
- Op middellange termijn zal er voldoende verwerkingscapaciteit zijn en zullen er geen afwijkingen op de stortverboden meer worden verleend. Enkel ingevolge calamiteiten zal er eventueel nog brandbaar afval kunnen worden gestort. - De verlaagde milieuheffingen op de sorteer- en recyclageresidu’s moeten eerst worden afgeschaft of bijgesteld, zodat automatisch meer afvalstoffen naar verbrandingsinstallaties vloeien. - De rechtstreekse of onrechtstreekse export van afval via sorteercentra, containerfirma’s en overslagstations naar Brussel en Wallonië moet eerst in kaart worden gebracht. Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt tussen de drie gewesten over deze intergewestelijke transporten van te verwijderen afval. Het clearinghousesyteem heeft totaal geen vat op deze uit Vlaanderen verdwijnende afvalstromen. - Het clearinghousesysteem legt een bijkomende kost op die dan nog niet goed verdeeld is over alle actoren. Vooral de aanbieders van het afval moeten de meeste lasten dragen. Daardoor zijn heel wat actoren niet enthousiast om in een dergelijk sturingssysteem te stappen. - De Vlaamse afvalmarkt is te klein voor een dergelijk systeem. Het zou beter zijn om een systeem op te zetten in een Europese markt waarin 'een gelijk speelveld' aanwezig is. - Het is nog helemaal niet zeker of en wanneer de grenzen van de Europese lidstaten open (moeten) gaan voor het verbranden van afvalstoffen. - Er zijn heel wat types afvalstoffen met een zeer uiteenlopende calorische inhoud, waardoor een clearinghousesyteem veel complexer zal zijn dan het louter bekijken van storten en verbranden van te verwijderen huishoudelijk en vergelijkbaar categorie-2 bedrijfsafval met een gemiddelde calorische inhoud. - De huidige sturing van de OVAM op basis van aangepaste milieuheffingen en meer in de tijd verfijnde afwijkingen op de stortverboden, biedt een goedkopere en even transparante oplossing. Bij de OVAM kan via de webstek een platform worden ingesteld waarop de verwerkingsinstallaties hun vrije capaciteit kunnen weergeven. Ook aanbieders van afvalstoffen kunnen hiervan vrij gebruik maken. Dergelijk platform is operationeel vanaf 1 februari 2002.
Studiedag diftar in Vlaanderen Om de steeds verder gaande doelstellingen van een duurzaam afvalbeleid te bereiken, worden diverse instrumenten ingezet: maximale preventiemaatregelen en een optimale selectieve inzameling, sensibilisering en communicatie, regelgeving en handhaving en de toepassing van het principe 'de vervuiler betaalt', vertaald in het begrip 'DIFTAR'. De OVAM wijdde op 21 november 2001 i.s.m. VVSG een congres aan diftar. Diftar wordt vaak omschreven als een responsabilisering van de burger en de KMO voor zijn afvalstoffen door de invoering van een gedifferentieerde tarifering die gebaseerd is op volgend principe: de kost van restafval wordt volledig doorgerekend aan de burger, vermijdbare selectieve afvalfracties worden geheel of gedeeltelijk aangerekend. De instapdrempel voor preventie wordt zo laag mogelijk gehouden. Daarbij zijn twee verschillende kosten te onderscheiden, met name een vaste kost en een variabele kost. De vaste kost heeft te maken met het feit dat de ophaaldiensten bij alle gezinnen moeten langskomen, ongeacht de hoeveelheid afval die wordt meegegeven. Ook de uitbating van een containerpark is een vaste kost. Dergelijke vaste kosten worden best aangerekend via een huisvuil- of milieubelasting of betaald uit de algemene middelen van de gemeente. Sociale correcties voor minderbedeelden uit onze maatschappij kunnen hierop
64
65
worden toegepast. Deze correcties zijn automatisch ingebouwd in de algemene gemeentebelasting. Toch moet een gemeente steeds voor ogen houden wat de totale kost is van de ophaling van het huishoudelijk afval en de uitbating van de containerparken. Hierdoor blijft kostenoptimalisatie mogelijk en verdwijnt de afvalfactuur niet zonder meer in de grote gemeentelijke schatkist. De variabele kosten zijn gekoppeld aan de hoeveelheden afvalstoffen die worden ingezameld via de diverse inzamelsystemen. Hoe meer afval er wordt ingezameld, hoe duurder de factuur. Deze kosten moeten via contantbelastingen (vroeger retributies genoemd) aan de burgers worden aangerekend. Er bestaan diverse systemen om diftar in te voeren. Voor restafval kan het via een dure huisvuilzak, of een dure sticker die op de huisvuilzak gekleefd wordt. Ook voor GFT-en groenafval bestaan al zulke te betalen – evenwel composteerbare - zakken. Andere complexere systemen werken via een huisvuil- of GFT-container waarbij per aangeboden kilogram of per aangeboden volume betaald wordt. Soms moet daarbij ook per aanbieding een vaste kost worden betaald om te vermijden dat containers die weinig afval bevatten, moeten worden geledigd. De registratie van het aangeboden afval gebeurt via geautomatiseerde systemen op het ophaalvoertuig. De gezinnen ontvangen achteraf een factuur waarbij ze de kost van het totale volume of het totale gewicht moeten betalen. Om problemen met wanbetalers te vermijden, werken steeds meer gemeenten met een voorafbetaling voor een bepaalde hoeveelheid afval of een aantal ophaalbeurten. Voor grofvuil wordt in een diftar-systeem bij een huis-aan-huisophaling een betaling per aangeboden volume, per aangeboden stuk of per ophaalbeurt toegepast. Toch moet ook bij de brengsystemen een diftar ingevoerd worden, omdat anders de impact van diftar bij de haalsystemen gedeeltelijk teniet wordt gedaan. Ook op containerparken vindt daarom diftar steeds meer ingang. Voor grofvuil wordt de volledige kost doorgerekend per gewicht of volume. Andere fracties zoals bouw- en sloopafval, autobanden en groenafval worden ook aan een tarifering onderworpen. Ten slotte dient te worden vermeld dat een gemeentelijke dienstverlening naar de KMO’s toe op dezelfde diftar-principes stoelt. Vaste kosten worden verhaald via een belasting die minstens even hoog is als
66 voor de gezinnen. De variabele kosten worden onder de vorm van contantbelastingen aangerekend en dat voor alle afvalfracties waarvoor de gemeente kosten draagt. Een afstemming op de tarieven die aangerekend worden aan de gezinnen is wenselijk om discussies bij de aanvoer op containerparken te vermijden. Deze niet-verplichte dienstverlening wordt best beperkt tot de vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen. Eind 2001 hadden al 170.000 Vlaamse gezinnen (7,1%) een container voor zowel GFT-afval als voor huisvuil met een chip die het aangeboden gewicht of volume per aanbieding registreert. Het betreft de gezinnen in de gemeenten Gent, Destelbergen, Buggenhout, Schoten, Schilde, Wommelgem, Kalmthout, Mol, Zelzate, Moerbeke, Wachtebeke, Zele en de gemeenten van de intercommunale IVVVA (exclusief Bree). Verwacht wordt dat in 2003 300.000 gezinnen met dergelijk diftar-systeem zullen te maken hebben. De OVAM berekende dat voor een gemiddeld gezin (2,5 personen) in een gemeente met een gemiddelde hoeveelheid afvalstoffen (Vlaams gemiddelde) de totale gemeentelijke afvalfactuur niet meer dan 153 euro per jaar hoeft te kosten.
Haalbaarheid van de doelstelling 150 kg terminaal te verwijderen huishoudelijk afval per inwoner In 2001 werd in opdracht van de OVAM een studie uitgevoerd rond de gemiddelde doelstelling van 150 kilogram per inwoner voor het terminaal te verwijderen huishoudelijk afval (restafval) in het jaar 2010. In 1999 voldoen al 95 Vlaamse gemeenten aan deze doelstelling. Het onderzoek gaat na welke de succesfactoren zijn waardoor bepaalde gemeenten nu de doelstelling al behalen, terwijl andere (soms vergelijkbare) gemeenten hier nog niet in slagen. Deze succesfactoren zijn vertaald in een leidraad voor de gemeenten met een aantal praktische richtlijnen.
Succesvolle intercommunales en gemeenten voeren veelal een proactief afvalbeleid. Dat vraagt een goed politiek draagvlak. Vooral de laatste jaren krijgt afvalpreventie steeds meer aandacht. Gekende preventiemaatregelen voor een reductie van het restafval zijn: thuiscomposteren, actieve compostmeesterwerking, stickeracties tegen ongewenste reclame en tariferingspolitiek. Succesvolle gemeenten voeren nog een aantal bijkomende preventiemaatregelen in. De selectieve inzameling van GFT draagt in zeer belangrijke mate bij tot de reductie van het restafval. Het optimaliseren van de inzamelfrequenties en de inzamelstructuren voor alle vrijkomende huishoudelijke afvalstoffen moet de burger stimuleren om de afvalstromen zoveel mogelijk gescheiden aan te leveren. Diftar kan tot aanzienlijke dalingen (20-50%) van de hoeveelheid huishoudelijk restafval leiden en kan tevens zorgen voor een aanzienlijke stijging van het scheidingspercentage (tot 30%). Een goede correctie voor de inzameling van KMO- en schoolafval (door een aparte registratie of door het toepassen van een correctiefactor) geeft een beter beeld van de daadwerkelijk ingezamelde afvalhoeveelheden afkomstig van huishoudens. Communicatie en sensibilisatie zijn de belangrijke instrumenten voor het behalen van goede inzamelresultaten. Om de hoeveelheid terminaal te verwijderen huishoudelijke afvalstoffen te reduceren, zijn verschillende maatregelen beschikbaar. Het succes hangt niet af van één bepaalde maatregel. Het is de mix (samenhang) van factoren en maatregelen, in combinatie met de intensiteit en kwaliteit waarmee die maatrege67
len worden uitgevoerd, die het uiteindelijke resultaat bepalen. Om een goed afvalbeleid op te stellen en uit te voeren is het dan ook noodzakelijk om eerst een goede analyse te maken van de huidige situatie binnen de eigen gemeente.
Uitvoeringsplan KMO-afval In het kader van het Uitvoeringsplan 'Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen' zijn in 2001 een aantal acties ondernomen. Zo hebben we de gemeenten aangespoord om de gemeentelijke inzameling open te stellen voor bedrijfsafval van KMO’s dat wat betreft aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is met huishoudelijke afvalstoffen. In november 2001 werd ook gestart met het onderzoek 'Voorbereiden van het programma Gescheiden Inzameling Stimuleren (Gisti)'. Het is de bedoeling per sector een gescheiden inzameling van bepaalde bedrijfsafvalstoffen op te zetten. Daarbij zijn logistiek en het kostenaspect belangrijke invalshoeken. Op het einde van 2001 is de laatste hand gelegd aan de voortgangsrapportage 2000-2001 van dit uitvoeringsplan. In het voorjaar van 2002 zal deze voortgangsrapportage worden gepubliceerd. Op wetgevend vlak werden voorstellen geformuleerd om VLAREA en Vlarem 1 en 2 te wijzigen. Daarbij wordt het voor gemeenten makkelijker gemaakt om vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen in te zamelen.
Modelpolitieverordeningen en modelretributiereglementen voor de gemeenten De OVAM heeft ten behoeve van de gemeenten een gemotiveerd voorstel uitgewerkt inzake de (selectieve) inzameling van zowel huishoudelijke afvalstoffen als vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen in de vorm van een modelpolitieverordening, gekoppeld aan een modelforfaitairbelasting- en een contantbelastingreglement. Deze modelreglementen zijn een leidraad voor de gemeenten, over hoe zij hun beleid naar de burger en de KKMO’s en ZO’s gestalte kunnen geven. Aangezien niet alle bepalingen van toepassing zijn op alle gemeenten moeten deze modellen worden aangepast aan de lokale noden en gebruiken. Toch streven we ernaar om de (selectieve) inzameling van afvalstoffen, evenals de forfaitaire belastingen en contantbelastingen in de gemeenten zo optimaal mogelijk op elkaar af te stemmen. Met dit model wordt het maximaal terugdringen van de aanwezige herbruikbare of recupereerbare afvalfracties in het huisvuil en de gemengde fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval en in het grofvuil beoogd. Aan de modelverordening en het model forfaitair- en contantbelastingreglement werd een toelichting gevoegd om ze vlot te kunnen gebruiken. Het model forfaitair- en contantbelastingreglement is gebaseerd op de resultaten van een aantal proefprojecten en is opgesteld in samenwerking met VVSGInterafval en VVP. In de toelichting bij deze reglementen werden een aantal scenario’s uitgewerkt. Het geheel werd in april 2001 verspreid aan alle lokale besturen. 68
Zwerfvuil Midden 2001 heeft de OVAM samen met het Kabinet van Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw een project opgestart waarin de zwerfvuilproblematiek integraal onder de loep wordt genomen. Verscheidene belangengroepen – o.a. Fedis, FOST Plus, Fevia, VEV, Unizo, VVP, VVSG, Aminabel, Interafval, LIN… – waren onmiddellijk geïnteresseerd in een samenwerking. De partijen willen zich engageren om het grondgebied van Vlaanderen zo veel mogelijk te vrijwaren van zwerfvuil. Daarom onderzoekt de werkgroep rond zwerfvuil hoe de handhaving efficiënter zou kunnen. Daarnaast zijn er onderhandelingen bezig over een protocoltekst op Vlaams niveau, waarin alle betrokken actoren verklaren zich te zullen inzetten voor deze problematiek. De OVAM zal namelijk een zwerfvuilanalyseonderzoek laten uitvoeren in Vlaanderen om beter inzicht te krijgen
in de hoeveelheden, de samenstelling van het zwerfvuil en zwerfvuilgevoelige locaties. Aan de hand van deze resultaten kunnen dan gericht nieuwe acties worden uitgewerkt. Verder zullen een aantal proefprojecten worden opgezet om lokaal het zwerfvuilprobleem aan te pakken.
Samenwerkingsakkoord preventie en beheer verpakkingsafval: evaluatie van Fost Plus Diverse intercommunales verzochten de OVAM te bemiddelen bij de samenwerking tussen hen en FOST Plus. De OVAM nam ook deel aan een werkgroep rond de problematiek van de referentiekosten en aan de Task Force PMD-residu. Het bepalen van de totale en reële kost en het terugbrengen van het residu in de PMD-zak tot een aanvaardbaar niveau, zijn immers belangrijke knelpunten. In de loop van 2001 werd heel intensief gewerkt aan de evaluatie van de lopende erkenning van FOST Plus. Het resulteerde in een aangepaste erkenning die op 10 januari 2002 werd goedgekeurd. De voornaamste wijzigingen situeren zich op vlak van de prijs en de inzamelmethoden van PMD-afval, de rapportering rond hergebruik, de vergoeding van nuttige toepassing, de communicatie rond het groene punt en de geografische progressiviteit van inzamelprojecten waarbij proefprojecten mogelijk zijn inzake de selectieve inzameling van verpakkingsafval. 69
Militaire domeinen Op verzoek van de federale ministers van Leefmilieu en Landsverdediging hebben we gewerkt aan een protocolovereenkomst over de ontmanteling en vernietiging van toxische en conventionele munitie op het militaire domein van PoelkapelleHouthulst. Deze protocolovereenkomst is onderdeel van een federale bevoegdheidsoverdracht en dient om de nodige afspraken te maken met het Vlaamse Gewest over de uitbating van deze ontmantelings- en vernietigingsinstallatie met betrekking tot de geldende milieuwetgeving (milieuvergunning, afval, bodem…). Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen coördineerde de werkzaamheden. De protocolovereenkomst werd uiteindelijk in september ondertekend door de bevoegde ministers.
Milieuvergunningen en in- en uitvoer Gemeenten staat in hoofdzaak in voor het advies van de milieuvergunningsaanvragen voor de containerparken. In totaal brachten we 56 adviezen uit voor evenveel containerparken waarvoor in 2001 een nieuwe milieuvergunning of een wijziging van de bestaande milieuvergunning werd aangevraagd. Daarnaast werden ook nog een 15-tal adviezen verzorgd met betrekking tot o.a. overslagstations voor huishoudelijke afvalstoffen, textielverwerking en mechanisch-biologisch behandelen van restafval (scheiden-vergisten en drogen-scheiden). In 2001 behandelden we 5 kennisgevingen van in- en uitvoer van huishoudelijke afvalstoffen.
Een nieuw subsidiebesluit voor lagere besturen De Vlaamse regering keurde op 29 maart 2002 een nieuw subsidiebesluit voor lagere besturen goed. Het vervangt de oude regeling uit 1981. Vlaams minister van leefmilieu en landbouw ondertekende ter uitvoering hiervan een ministerieel besluit. Het nieuwe besluit bundelt alle bestaande subsidiewetgeving die verband houdt met het besluit van 1981. Het nieuwe kaderbesluit omvat niet alleen de algemene subsidieprincipes en de te subsidiëren categorieën, maar ook de administratieve procedure. In het besluit worden drie subsidiëringspercentages voorzien: 70, 50 en 35%, waarbij maximaal 70% wordt voorzien voor preventie van afvalstoffen en maximaal 50% voor installaties voor afvalstoffenbeheer. Deze percentages worden berekend op de netto-investeringen, exclusief BTW. Er zijn enkele parameters zodat bv. investeringen voor bedrijfsafvalstoffen niet worden gesubsidieerd. Het privé-aandeel in gemengde intercommunales wordt bij investeringen in verwerkingsinstallaties en huis-aan-huis diftar-systemen eveneens in mindering gebracht op het totale subsidieerbare bedrag. Voor kleine investeringen is een verkorte procedure voorzien. Dat betekent dat na goedkeuring van het ontwerpdossier het lager bestuur onmiddellijk mag overgaan tot aanbesteding en aankoop van de voorziene items. Voor het uitbetalen van de subsidies wordt wel nauwgezet gecontroleerd of het lager bestuur de wetgeving inzake subsidiëring en overheidsopdrachten heeft gevolgd. Voor grote investeringen blijft de procedure ongewijzigd: niet alleen het ontwerpdossier, maar ook het aanbestedingsdossier moet worden goedgekeurd vooraleer met de aankoopprocedure kan worden verdergegaan. Via het ministerieel besluit werd concreet bepaald welke items tot eind 2007 zullen worden gesubsidieerd. Opvallend veel aandacht gaat naar preventie. 70% subsidie is voor de aankoop van compostvaten of andere compostopstellingen, wormenbakken, wijkcomposteerplaatsen, demonstratieplaatsen voor thuiscomposteren, herbruikbare luiers, drinkwaterfonteinen, duurzaam verpakkingsmateriaal (brooddozen, linnen draagtassen…), mobiele tentoontellingsystemen en educatief materiaal. Heel wat van deze items moeten in minimumaantallen worden aangekocht. Bovendien moet de aankoop hiervan passen in een onderbouwd preventief afvalbeleid. Dat bevordert intergemeentelijke samenwerking. Ook diftar-systemen, zowel bij de huis-aan-huisophaling als op containerparken en ondergrondse wijkinzamelsystemen, krijgen een 70% subsidie. Het betreft systemen waarbij de burgers moeten betalen per aangeboden gewicht of volume afvalstoffen.
70
50% subsidies gaan naar de aanleg van containerparken. Hierbij wordt rekening gehouden met de realiteit dat containerparken goed uitgebouwd en comfortabel moeten zijn om een goede dienstverlening aan de bevolking te bieden. Er wordt dan ook een subsidie per m2 met een maximum van 2.000 m2 per 7.500 inwoners ingevoerd. Ook ondergrondse inzamelsystemen in bepaalde wijken evenals selectieve inzamelmodules op evenementen krijgen 50% subsidies. Ten slotte zijn nog tot eind 2004 35% subsidies voorzien voor groencomposteringsinstallaties evenals voor GFT-vergistingsinstallaties waarbij ook biogas in energie wordt omgezet. Vanaf 2005 verlagen de subsidiepercentages voor preventie en selectieve inzameling degressief. Zo worden de lagere besturen gestimuleerd om zo snel mogelijk de nodige investeringen te doen voor een duurzaam lokaal afvalbeleid en daarbij gebruik te maken van het nieuwe subsidiebesluit.
Gesubsidieerde werken Gemeenten en Huishoudelijke Afvalstoffen onderzoekt de aanvragen die ondergeschikte besturen indienen voor de subsidiëring van recipiënten en infrastructuur die ze willen gebruiken voor de preventie, selectieve inzameling en verwerking van huishoudelijke afvalstoffen. De OVAM kan bijvoorbeeld de aanleg en uitrusting van containerparken subsidiëren pro rata van 60 % van de kostprijs. Verder steunen wij 71
de bouw van sorteercentra en composteerinstallaties voor GFT- en groenafval pro rata van 30 %. In 2001 was hiervoor een totaal budget van 6.569.178 euro (265 miljoen frank) beschikbaar, waarvan 4.300.952 euro (173,5 miljoen frank) ook daadwerkelijk werd gebruikt. Een project met ongeveer 2.231.041 euro (90 miljoen frank) subsidies, met name het overslagstation aan de d’Herbouvillekaai in Antwerpen, kon niet doorgaan wegens problemen inzake ruimtelijke ordening en bodemverontreiniging. De volgende tabel geeft een beknopt overzicht van de bij de OVAM ingediende en behandelde ontwerpdossiers van 2001.
aard project
aantal
containerpark1
17
GFT-compostering2
groencompostering3
mechanischbiolog.afvalverwerking4
1
3
1
geraamde kostprijs
subsidie
2.663.237 EUR
1.045.392 EUR
(107.434.703 BEF)
(42.171.000 BEF)
824.246 EUR
136.614 EUR
(33.250.000 BEF)
(5.511.000 BEF)
6.191.245 EUR
1.085.179 EUR
(249.754.212 BEF)
(43.776.000 BEF)
384.235 EUR
66.857 EUR
(15.500.000 BEF)
(2.697.000 BEF)
1
nieuw aangelegde containerparken, niet de verdere uitrusting van bestaande containerparken
2
bouw van installatie van IVAGO
3
aanpassingswerken aan de installatie van IGEMO; bouw van installaties van IVAGO en IBOGEM
4
mechanisch-biolgische verwerkingsinstallatie van IGEAN
De uitvoering van de meeste projecten is gespreid over een aantal (begrotings-)jaren. Dat heeft te maken met de tijd die het kost om de nodige vergunningen te verkrijgen van de verschillende instanties en om de geschikte terreinen te verwerven. Bovendien kunnen de middelen pas worden vastgelegd nadat de minister van Leefmilieu voor elke fase van het dossier zijn goedkeuring heeft gegeven. Pas dan kan de gemeente of intercommunale de aannemer de opdracht geven met de werken te beginnen. De volgende tabel geeft een overzicht van de projecten die tijdens het werkjaar 2001 de gunningfase bereikten.
aard project
aantal
containerpark
19
kostprijs 3.158.508 EUR (127.413.899 BEF)
GFT-compostering1
2
1.948.999 EUR (78.622.407 BEF)
groencompostering2
2
2.582.105 EUR (104.161.843 BEF)
1
installatie van IL, IVVO
2
installatie van IBOGEM, IGEMO
72
Ook in 2001 bereikten een aantal projecten hun eindfase zodat de subsidie daadwerkelijk kon worden uitbetaald. Voor grotere projecten kunnen de subsidieaanvragers voorschotten ontvangen, die worden uitbetaald naarmate de werkzaamheden vorderen (als bewijs dienen vorderingsstaten).
aard project
aantal eindafrekeningen
subsidiebedrag
containerpark1
27
1.322.487 EUR
voorschotten
(53.349.000 BEF) GFT-compostering2
4
2.315.945 EUR (93.425.000 BEF)
groencompostering3
selectieve inzameling
3
3
37.110 EUR
134.89 EUR
(1.497.000 BEF)
(5.441.000 BEF)
224.839 EUR (9.070.000 BEF)
73 sorteercentrum
1
567.329 EUR (22.886.000 BEF)
1
zowel de volledige containerparken als de verdere uitrusting van bestaande containerparken
2
voorschotten voor de installaties van IVVVA,IGEAN,INTERCOMPOST,IVVO
3
installatie van IMOG, IGEMO en AALTER
ANORGANISCHE AFVALSTOFFEN STORTPLAATSEN Stortverboden Sinds 1 juli 2000 zijn er verschillende nieuwe stortverboden voor brandbare afvalstoffen van kracht. Dat betekent dat bijna 90 % van de huidige aanvoer naar stortplaatsen van categorie 2 vanaf die datum onder een stortverbod valt. Voor de verwerking en vooral de verbranding van bepaalde afvalstoffen is er momenteel nog steeds onvoldoende verbrandingscapaciteit. Daarom bepaalt het Vlarea dat de minister van Leefmilieu, na advies van de OVAM te hebben ingewonnen, aan de exploitanten van stortplaatsen individuele afwijkin-
gen op deze verboden kan toestaan voor welbepaalde afvalstoffen, voor een termijn van maximaal twee jaar. Op 31 maart 2001 vervielen de afwijkingen van 2000. Met het oog op nieuwe afwijkingen voor de periode vanaf 1 april 2001 werd de toestand begin 2001 opnieuw geĂŤvalueerd. Voor huishoudelijk afvalstoffen vroegen zeven stortexploitanten samen een afwijking voor een contingent van 258.500 ton huishoudelijke afvalstoffen op jaarbasis. Dat is een vermindering van 49.160 ton ten opzichte van 2000. Er werden afwijkingen verleend voor een hoeveelheid van 120.950 ton en dat voor de periode vanaf 1 april 2001 tot 31 december 2001 (of 161.266 op jaarbasis). Voor met huishoudelijk afval gelijkgestelde bedrijfsafvalstoffen op categorie 2-stortplaatsen vroegen 11 stortexploitanten samen een afwijking voor 913.850 ton bedrijfsafvalstoffen op jaarbasis. Dat is een vermindering van 140.950 ton ten opzichte van 2000. Er werden afwijkingen verleend voor een hoeveelheid van 613.850 ton en dat voor de periode vanaf 1 april 2001 tot 31 december 2001 (of 818.467 op jaarbasis). De contingenten werden bepaald in functie van een maximale benutting van de beschikbare verbrandingscapaciteit en rekening houdend met de bijkomende verbrandingscapaciteit in Beveren vanaf 1 september 2001, meer bepaald 150.000 ton op jaarbasis. In dat opzicht werd voor een aantal stortplaatsen de verleende afwijking opgesplitst in een contingent voor de periode tot 1 september en een contingent voor de periode vanaf 1 september. De contingenten werden over de verschillende stortplaatsen verdeeld uitgaande van de bestaande afvalstromen en rekening houdend met de bepalingen van het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen, het nabijheidsbeginsel en de prioritaire afwerking van bepaalde stortplaatsen. De afwijkingen werden verleend voor een periode van 9 maanden, tot 31 december 2001. Zo konden we de situatie op korte termijn opnieuw evalueren, wat gebeurde eind 2001. In de loop van 2001 hebben we - met het oog op een efficiĂŤnte benutting van de beschikbare verbrandingscapaciteit - een studie uitgevoerd om de mogelijkheden na te gaan van een clearinghousesysteem. Deze studie heeft uitgewezen dat een dergelijk systeem niet op korte termijn haalbaar is. De investeringskost voor een dergelijk systeem staat namelijk in wanverhouding tot de grootte van de totale vrije restcapaciteit van de verschillende verbrandingsinstallaties. Als tussenoplossing is ervoor gezorgd dat de exploitanten van de verbrandingsinstallaties hun vrije verbrandingscapaciteit per week kunnen aankondigen op de website van OVAM waar iedere belanghebbende ze kan raadplegen. Dat systeem is in gebruik vanaf begin 2002. In 2001 werden op de 11 stortplaatsen van categorie 2 samen nog ongeveer 1.172.517 ton afvalstoffen gestort t.o.v. 1.382.405 ton in 2000. In afwijking op het stortverbod ging het om ongeveer 179.036 ton huishoudelijke afvalstoffen en ongeveer 818.787 ton bedrijfsafvalstoffen. De resterende aanvoer betreft voornamelijk verbrandingsas, ongeveer 100.000 ton, en in mindere mate tussenafdekmateriaal (grond), ongeveer 30.000 ton, bouw- en sloopafval, ongeveer 33.000 ton, en zuiveringsslib, ongeveer 8.000 ton.
74
BOUW- EN SLOOPAFVAL Op 5 april 1995 keurde de Vlaamse regering het Uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval goed. Dit uitvoeringsplan legt samen met het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en met het bijhorend uitvoeringsbesluit Vlarea de basis voor het te ontwikkelen beleid inzake bouw- en sloopafval in Vlaanderen.
75
In het Uitvoeringsplan worden de taakstellingen geformuleerd met bijzondere aandacht voor preventie en nuttige toepassing. Het streefdoel van het Uitvoeringsplan was het behalen van een nuttige toepassing van minimaal 75% van het voortgebrachte bouw- en sloopafval in het jaar 2000. De opvolging van het Uitvoeringsplan gebeurt door de Coรถrdinatiegroep Bouw- en Sloopafval. Hierin zijn de belangrijkste actoren uit de sector vertegenwoordigd. Ze fungeert als een continu overlegplatform en draaischijf voor de opvolging van de problematiek. In 2001 werd de Coรถrdinatiegroep uitgebreid met de Vereniging voor Mobiele Recycling. In 2001 werd, voor de periode 1995-2000, een voortgangsrapportage opgesteld waarin een overzicht wordt gegeven van de initiatieven en behaalde resultaten. Daarnaast wordt de actuele situatie kritisch beoordeeld en worden de aandachtspunten voor het toekomstige beleid aangegeven. Dat gebeurde in nauw overleg met de leden van de Coรถrdinatiegroep Bouw- en Sloopafval. Met een recyclagegraad van meer dan 85 % wordt het streefdoel om minimaal 75% nuttig toe te passen in het jaar 2000 ruimschoots gehaald. Vlaanderen bevestigt hiermee zijn vooraanstaande rol in Europa, samen met landen als Denemarken en Nederland. De vijfjaarlijkse voortgangsrapportering vormt een eerste aanzet als kritische evaluatie voor een herziening van het Uitvoeringsplan Bouw- en Sloopafval. De aandachtspunten voor het toekomstige beleid
situeren zich in een brede combinatie van acties: de verfijning van het reglementair kader en een verbetering van de handhaving, een blijvende sensibilisatie voor preventie, afvalbeheer en het gebruik van secundaire grondstoffen, studieprojecten met aandacht voor milieuvriendelijke bouwmaterialen en de toepassingsmogelijkheden van een aantal puinfracties en de promotie via voorbeeld- en demonstratieprojecten. De sector dient blijvend initiatieven te ontwikkelen en in samenwerking met overheid, in de eerste plaats de OVAM, verder bij te dragen tot de preventie en de nuttige toepassing van bouw- en sloopafval. Deze rapportering werd vertaald in een publicatie en door de OVAM ter beschikking gesteld tegen kostprijs. Ook werd in 2001 besloten om in 2002 een studiedag te organiseren rond bouw- en sloopafval om de voortgang over de problematiek bouw- en sloopafval onder de aandacht te brengen.
ASBEST EN ASBESTAFVAL Een afvalfractie die bijzonder aandacht verdient, is vrije en gebonden asbest. Dit materiaal wordt verwerkt in de bouwsector en is wijd verspreid. Het probleem is dat de leek asbest vaak moeilijk herkent. 76 Voor meer details omtrent de problematiek van asbest en asbestafval kunt u een tekst downloaden op de website van de OVAM.
MILIEUHEFFINGEN In 2001 is de entiteit Milieuheffingen opnieuw opgericht. Op 1 januari 2002 trad ze effectief in werking. De eindverwijdering van afvalstoffen via verbrandingsovens en stortplaatsen is aan een milieuheffing onderworpen. Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de verrichtingen.
Aangegeven heffingen
48.001.108
EUR
1.936.359.907 BEF
Aangegeven heffingen + opcentiemen
48.532.987
EUR
1.957.815.834 BEF
Ontvangsten + annulaties
57.754.215
EUR
2.329.799.241 BEF
Ontvangsten + opcentiemen
46.525.708
EUR
1.876.842.415 BEF
Annulaties
12.054.941
EUR
486.295.097 BEF
0
EUR
0 BEF
45.699.274
EUR
1.843.504.144 BEF
Terugbetalingen arrest 55/96 en 34/97 Netto opbrengst
Enige uitleg: - aangegeven heffingen: de spontane aangiftes door de heffingplichtigen - opcentiemen: ingevorderd met medewerking van de OVAM ten behoeve van gemeenten met een verwerkingsinstallatie op hun grondgebied - netto opbrengst: het bedrag dat de OVAM in het MINA-Fonds stort - annulaties: een gevolg van de controles door de OVAM van de spontane aangiftes; kwijtscheldingen van administratieve boetes of ministeriële beslissingen bij geschillen - ontvangsten + annulaties/opcentiemen: het MINA-bedrag, vermeerderd met annulaties, resp. opcentiemen Naast de 'normale' controles van de aangiften inzake milieuheffingen, werden 2 items grondiger doorgelicht.
Steenbakkerijen In de steenbakkerijsector worden steeds meer allerlei toeslagstoffen aan de klei toegevoegd vóór het bakproces. Voor een aantal van deze toeslagstoffen is het duidelijk dat het om afvalstoffen gaat, voor anderen minder. 77
Deze nuttige toepassing van afvalstoffen in steenbakkerijen kan gebeuren vanuit hoofdzakelijk 2 uitgangspunten. In eerste instantie kunnen afvalstoffen worden gebruikt als vervangende brandstof omwille van hun energie-inhoud. Andere afvalstoffen worden aangewend omwille van hun materiaalinhoud en leveren een structurele bijdrage aan de kwaliteit van de eindproducten. Het project was bedoeld om de stroom van toeslagstoffen naar steenbakkerijen nader in kaart te brengen en te onderzoeken in welke mate deze stoffen al dan niet als vervangende brandstof worden toegepast. In dergelijke omstandigheden gaat het immers om een heffingsplichtige verbranding van afvalstoffen. Dankzij een intense samenwerking met Anorganische Afvalstoffen en de Milieu-inspectie werd de sector doorgelicht en bekwamen we een gedetailleerd beeld van de aard en functie van de verschillende afvalstoffen die in steenbakkerijen nuttig worden toegepast. Tijdens het onderzoek werden geen afvalstromen ontdekt die alleen omwille van hun energetische waarde werden aangewend. Alle stoffen leveren op een of andere manier een structurele bijdrage aan de kwaliteit van het eindproduct. Het feit dat ze in sommige gevallen ook nog een calorische waarde inbrengen is een bijkomend voordeel. Om die reden is geconcludeerd dat er op basis van de huidige wetgeving te veel onzekerheden bestaan om deze afvalstromen aan een milieuheffing te onderwerpen, zodat dit project -voor wat het aspect milieuheffing betreft- werd afgesloten. De problematiek van het gebruik van afvalstoffen als toeslagstoffen in steenbakkerijen wordt wel nog verder opgevolgd en gestuurd vanuit Anorganische Afvalstoffen.
Afgewerkte olie Met de dioxinecrisis van midden 1999 werd de aandacht andermaal toegespitst op de problematiek van afgewerkte olie en de onvoldoende gecontroleerde afzet, verwerking en verbranding van deze potentieel gevaarlijke afvalstof.
Als antwoord op deze voedselcrisis zocht het beleid naar een nieuwe aanpak om deze afvalstroom te beheren en de risico's op een ongecontroleerde verspreiding ervan te verminderen. De aanzet werd gegeven tot het tot stand komen van een milieubeleidsovereenkomst (annex aanvaardingsplicht) met de sector en tot het afbouwen van de kleinschalige verbranding van afgewerkte olie bij garagisten en tuinbouwers. Door middel van een intensievere controle van de aangiften en een aanscherping van de interpretatie van de wetgeving met betrekking tot de toepasselijke heffingsvoet werd ook via het beleidsinstrument 'milieuheffingen' geprobeerd die kleinschalige verbranding te ontmoedigen.
78
INTERVENTIES, VERWIJDERINGEN EN SANERINGEN Herstelt en/of beheert milieuschade die het gevolg is van bodemverontreiniging of achtergelaten afvalstoffen, en treedt op wanneer niet aan de voorwaarden uit het bodemsaneringsdecreet resp. het afvalstoffendecreet is voldaan. De praktische uitvoering wordt uitbesteed aan derden. Over het hele jaar beschikten we over een budget van ca. 30 miljoen euro dat besteed werd aan lopende en nieuwe projecten (artikel 361B6144 van het MINA-fonds).
AMBTSHALVE AFVALVERWIJDERING Volgens artikel 37 van het afvalstoffendecreet kan de OVAM achtergelaten afvalstoffen ambtshalve verwijderen. Eerst onderzoeken we of er risico's bestaan op hinder of schade voor mens en milieu. Na een bezoek ter plaatse en een evaluatie beslissen we wat er verder moet gebeuren als de vervuiler niet zelf kan of wil opruimen.
79
In 2001 startten we dossiers in Zelzate, Sint-Niklaas, Aartselaar en Antwerpen en werkten we verder in Bocholt, Schoten, Kampenhout, Rijkevorsel, Aalst en Steenokkerzeel en aan de verwijdering van het rubberafval op verschillende plaatsen in Vlaanderen. Verder werden in enkele afvaldossiers de achtergelaten afvalstoffen, onder impuls van de OVAM, vrijwillig door de vervuilers zelf opgeruimd. Deze laatste verwijderingen werden gecontroleerd op hun correcte uitvoering. De kosten die daarmee werden uitgespaard, bedroegen ca. 190.000 euro.
Zelzate, Rijkswachtlaan De OVAM werd op de hoogte gebracht van zandstalen die werden achtergelaten langs de Rijkswachtlaan in Zelzate. Deze zandstalen bevatten vermoedelijk vrije asbestvezels die de zaakvoerder van een voormalig asbestlaboratorium had achtergelaten. De ambtshalve verwijdering vond plaats in maart.
Sint-Niklaas, Jagersdreef In dit dossier werden asbestafvalstoffen, die onbekenden hadden achtergelaten, in opdracht van de OVAM verwijderd door een erkende firma.
Aartselaar, Boomsesteenweg In een gestolen vrachtwagen werd een partij afval gevonden met o.a. volle 200 L-vaten en volle 30 Lbidons die gevuld waren met solventen. Een aangestelde aannemer heeft de partij afval, na monstername en analyse, afgevoerd naar Indaver en daar verbrand.
Antwerpen, NoordNatie In een gekoelde loods bij de firma NoordNatie in de haven van Antwerpen lag sinds april 1997 een partij van 44 ton rundvlees gestockeerd. Aangezien het Brits rundvlees was, kon het niet tot de handel worden toegelaten en werd het beschouwd als een partij afval die moest worden verwijderd. Het vlees was verpakt in kartonnen dozen die op houten paletten gestapeld stonden. Bij de verwijdering door de aangestelde aannemer werd het ingepakte vlees vanuit de dozen in containers verzameld die dezelfde dag voor verkleining en verbranding afgevoerd werden naar een draaitrommeloven van Indaver. De kartonnen dozen en de houten paletten werden gescheiden ingezameld en afgevoerd voor recyclage.
Bocholt (Reppel), oude arseenfabriek In 2001 werd de afwerking van de gesaneerde terreinen in Reppel voltooid. Een voorstel van een eindevaluatieonderzoek werd opgemaakt. Hierna werd gestart met de opmaak van de voorwaarden tot teruggave van de controle over de terreinen aan de eigenaars. De kostprijs van deze eerste saneringsfase bedroeg ca. 10,5 miljoen euro.
Schoten, Maes-Eelen In 2001 werd in totaal circa 1.600 ton afvalstoffen van het terrein verwijderd. De hoofdlijnen van deze opdracht waren: - Verwijdering van alle afvalstoffen op het terrein; - Cleaning van alle recipiĂŤnten; - Verwijdering van de buiten gebruik gestelde installaties; - Cleaning van het bedrijfsterrein, de gebouwen en de ondergrondse leidingen; - Verwijdering van een PCB-transformator en asbestcementplaten. De ambtshalve verwijdering nam 3 maanden in beslag.
Kampenhout, Bukenstraat-Voortstraat In augustus 2001 werden onder politiebijstand en na overleg met de gemeente Kampenhout de afvalstoffen aan de Voortstraat verwijderd. Het ging voornamelijk om een 60-tal autowrakken. Politiebijstand was nodig om veiligheidsredenen.
Rijkevorsel, De Volharding In dit dossier verwijderde de OVAM 11.500 ton assen die illegaal waren gedumpt. De assen werden afgevoerd naar Antwerpen waar ze in een gloednieuwe sorteer-, was- en scheidingsinstallatie werden behandeld. Dankzij deze nieuwe techniek kon de uitvoeringsperiode zowat met 2/3 gereduceerd worden en kon het storten van het afval grotendeels worden voorkomen. Hierdoor werd de uitvoeringsprijs met de helft verminderd (van 1 tot 0,5 miljoen euro).
80
Dankzij de inspanningen van alle partijen werd slechts 8 % van de hoeveelheid afval gestort en kon 45% in vormgegeven en 45% in niet-vormgegeven toepassingen worden hergebruikt. De resterende procenten werden ingenomen door de ferro en non-ferro fracties. Ook deze fractie werd gescheiden en hergebruikt. In dit dossier stond de OVAM voor de eerste keer zelf in voor het ontwerp en de verwezenlijking van de veiligheidscoördinatie. Naar aanleiding van het broedseizoen werd dit project, dat paalt aan het natuurgebied De Bonte Klepper in Rijkevorsel, later opgestart dan gepland. Dat gebeurde in samenspraak met natuurvereniging de Wielwaal.
Aalst, Schotte Als gevolg van een faillissement enkele jaren geleden werd een bedrijfspand ontruimd. Hierbij bleven enkel de goederen met een negatieve waarde achter: vaten chemicaliën, slib, asbest, laboratoriumafval…. Vandalen maakten de toestand erger en de OVAM werd ter hulp geroepen. Net vóór de OVAM kon ingrijpen werden drie elektriciteitstransformatoren omgekeerd en lieten onverla81
ten de inhoud in het rioleringsstelsel lopen. Een interventie drong zich op omdat gevreesd werd dat er in de transformatorolie PCB's zouden zitten. Dat bleek na analyse niet het geval te zijn. De civiele bescherming zoog de meeste oliefractie op. Aansluitend startte de OVAM de werken en kon zo het risico dat uitging van de chemicaliën wegnemen. Door de slechte toestand van de circa 60 gebouwen op de site stortten er regelmatig daken en muren in. Daarbij kwam telkens asbest vrij dat rond leidingen was aangebracht. Door deze onvoorzienbare omstandigheden konden niet alle afvalstoffen (voornamelijk het asbest) worden verwijderd binnen het bestaande budget. Een tweede afvalverwijdering zal zich dus in 2002 opdringen na een gedegen inventaris.
Steenokkerzeel, Haras In dit dossier werd een stortplaats afgegraven en werden de illegale afvalstoffen (circa 30.000 ton) verwijderd. Dat gebeurde hoofdzakelijk in 2000. Circa 7.000 ton hiervan was risicohoudend medisch afval. De laatste tonnen afval werden verwijderd in 2001 en daarna werd de stortplaats afgewerkt. Daarbij werden alleen de wanden van de stortplaats beveiligd. Uit het oriënterende bodemonderzoek van de OVAM bleek immers dat de verwijdering dermate goed was gerealiseerd dat er zich geen bodem-
vervuiling meer manifesteerde. Ongetwijfeld droeg de voorzichtige en selectieve afgraving van de stortplaats hiertoe bij. Hoewel de precieze cijfers nog niet bekend zijn, kan ook worden gesteld dat door de inspanningen van de OVAM en de aannemer, circa 20% van de stortmassa kon worden gerecupereerd na scheiding en reiniging in een daartoe vergunde inrichting. Op initiatief van de OVAM werd in dit dossier een communicatieplan opgemaakt. Hoewel er hierin hoofdzakelijk indirect gegevens werden verspreid in samenwerking met de gemeente Steenokkerzeel (aanplakking, gemeentelijk blaadje, milieuambtenaar), konden de omwonenden en de gebruikers van de wegen rond de site de werfleider aanspreken en een ideeën- of klachten(bus) gebruiken. Dankzij de samenwerking tussen de veiligheidscoördinatie en de preventieadviseurs van de aannemer, het studiebureau en de OVAM kon deze werf worden afgesloten zonder arbeidsongevallen.
Rubberafval In 2001 werd de opruiming van 9.500 ton rubberafval, gelegen op verschillende sites in Vlaanderen, afgerond. In het lopende jaar werd nog ca. 4.000 ton rubberafval afgevoerd. De totale opdracht omvatte o.a. het sorteren, laden en vernietigen van het rubberafval en ook het opruimen van het zwerfvuil.
AMBTSHALVE BODEMSANERING Het bodemsaneringsdecreet omschrijft een aantal ingrepen die de OVAM ambtshalve kan uitvoeren. In de eerste plaats gaat het om bodemsaneringswerken op percelen die staan vermeld op een lijst die de Vlaamse regering jaarlijks opstelt. Daarnaast neemt de OVAM ook veiligheidsmaatregelen wanneer de bodemverontreiniging een direct gevaar vormt voor mens of milieu. Soms is het risico niet groot genoeg voor veiligheidsmaatregelen maar toch te groot om de normale, langdurende procedures te volgen. Dan legt de OVAM voorzorgsmaatregelen op aan de eigenaar of exploitant. Wanneer die niet zelf de geëiste maatregelen neemt, treedt de OVAM op in zijn plaats met terugvordering van alle kosten. De OVAM nam in 2001 veiligheidsmaatregelen, zoals voorzien in artikel 45, § 3 van het bodemsaneringsdecreet, voor dossiers in Huldenberg, Londerzeel en Temse. Daarnaast werden in 2001 enkele andere bodemdossiers opgestart in het kader van het bodemsaneringsproject (BSP). Dit project dient te worden opgesteld door een erkend bodemsaneringsdeskundige die enerzijds de technische aspecten van de sanering uitzoekt en anderzijds een administratief dossier opmaakt dat na conformverklaring de nodige vergunningen verleent. Dat was onder meer het geval in Asse, Brugge, Zonnebeke, Lokeren, Mechelen, Geel, Lochristi, Heusden-Zolder, Brecht, Aalst en Diest. Eveneens werd het dossier Sint-Amands - Kouterwijk voortgezet. In een aantal dossiers werd nazorg uitgevoerd. Dat was het geval in Maldegem, waar het grondwater rondom een voormalige stortplaats wordt gemonitord, en in Willebroek.
82
Dilsen-Stokkem, zinkfabriek In 2001 werd de ambtshalve sanering van de terreinen Dubois-Vandenbosch nv in faillissement in Dilsen-Stokkem beĂŤindigd. De terreinen Dubois, die deel uitmaken van de terreinen van de oude zinkfabriek, waren hoofdzakelijk verontreinigd door zinksintels. De activiteiten van Dubois hadden de terreinen bijkomend verontreinigd. De met zink verontreinigde gronden werden afgegraven en gedeponeerd in een saneringsopslag in de buurt van de terreinen. De terreinen werden heraangevuld en opnieuw vlakgemaakt. De werken werden eind oktober afgerond. Voor de sanering van het grondwater worden de nodige voorbereidingen getroffen.
Schelle, stortplaats Van Den Bosch De sanering van de stortplaats Van den Bosch bestaat voornamelijk uit het aanbrengen van een ondoordringbare kleilaag, het oppompen en zuiveren van het percolaat en het verbranden van het stortgas in een fakkelinstallatie. 83
Sinds midden 2000 wordt uit de geĂŻnstalleerde onttrekkingsputten percolaat onttrokken en behandeld in een tijdelijke waterzuiveringsinstallatie. In het aanbestedingsdossier was een fysicochemische waterzuivering voorzien. Aangezien sinds de opstart van de waterzuivering begin juni 2000 zeer hoge CODwaarden (chemisch zuurstofverbruik) werden genoteerd, werd de waterzuivering in februari 2001 uitgebreid met een ozonisatie-unit en een biologische stap. Om de stortplaats de kans te geven zich te kunnen zetten en voldoende percolaat te verwijderen, werd besloten pas begin 2002 te starten met de kleiafdichting en het aanbrengen van de eindafdek.
Assebroek, Devisscher Het betreft hier de bodemsanering van een perceel dat verontreinigd is met zware metalen als gevolg van vroegere stortactiviteiten. Het perceel maakt deel uit van een woonverkaveling waaraan men na de sanering begonnen is.
Voorafgaand aan de saneringswerken werd een gedetailleerde kartering van de verontreiniging opgemaakt uitgaande van rasters. Op basis van deze bijkomende kartering werd de totale hoeveelheid verontreinigde grond geraamd op ca. 14.000 ton. De bodemsaneringswerken werden aangevat in oktober en stonden onder permanente begeleiding van een erkend bodemsaneringdeskundige, voor wat de milieuaspecten betrof, en onder toezicht van een veiligheidscoĂśrdinator voor de veiligheidsaspecten. In totaal is 13.622 ton verontreinigde grond afgegraven en afgevoerd naar een erkende verwerkingsinrichting, waar de verontreinigde grond gereinigd werd. Het opgravingsvak werd nadien aangevuld met zuiver zand en teelaarde tot op het oorspronkelijke niveau. De bodemsaneringswerken werden eind december 2001 beĂŤindigd en zijn, in samenspraak met de omwonenden, veilig en zonder problemen verlopen. Momenteel is een bouwfirma al begonnen met de aanleg van wegen voor de verkaveling en de bouw van woonhuizen.
Morstel, Ceuppens De saneringswerken bij deze onschuldige eigenaar begonnen in oktober 2001. Het betrof een historische verontreiniging met minerale olie als gevolg van een lekgeslagen stookolietank op het terrein. Er werd ca. 450 m2 verontreinigde grond verwijderd. De grondwatersanering wordt begin 2002 opgestart. 84
Ninove, Moens Op het terrein van de voormalige stomerij 'New Ideal Shop' kwam een bodemverontreiniging met vluchtige organische chloorverbindingen aan het licht. Deze producten zijn afkomstig van de activiteiten van de stomerij. Rekening houdend met het type verontreiniging, de ligging in de bebouwde kom, de volledige bebouwing van de site en de aard van de ondergrond werd in juni een proef gedaan om na te gaan welke saneringstechniek kon worden gebruikt. Na afloop van de proef werd het bodemsaneringsproject opgesteld waarin de gekozen techniek werd toegelicht. De sanering vangt aan in 2002.
Sint-Amands, Kouterwijk Momenteel bereidt de OVAM de bodemsanering van de woonwijk voor aan de hand van een bodemsaneringsproject voor percelen van de onschuldig eigenaars, waarbij ze maximaal rekening probeert te houden met de woonomgeving. Zo ging de OVAM onder meer een overeenkomst aan met de provincie Antwerpen voor het aanstellen van een onafhankelijk studiebureau ter ondersteuning van de bewoners. Dit studiebureau is een door de Vlaamse overheid erkende bodemsaneringsdeskundige, bevoegd voor bodemsaneringswerken, waaraan een bijkomende eis inzake communicatievaardigheid werd gesteld. Een tweede erkend bodemsaneringsdeskundige stelt samen met een veiligheidscoĂśrdinator in opdracht van de OVAM het bodemsaneringsproject op. Het ontwerp-bodemsaneringsproject wordt begin 2002 ter conformverklaring aan de OVAM overgemaakt. Intussen werd tevens een opdracht gelanceerd voor de uitvoering van een sociologische studie in de wijk om de impact van de bodemsanering in kaart te brengen zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij volgende opdrachten.
Asse, voormalig Asphaltco-terrein - N.V. Linksa In 2001 werd het bodemsaneringsproject opgemaakt en conform verklaard. Op basis hiervan werd een kostenraming opgemaakt van de saneringskost.
Huldenberg - Vijverstraat, veiligheidsmaatregelen Als veiligheidsmaatregel werd in Huldenberg een lekke stookolietank uitgegraven. Uit verder onderzoek bleek dat er een drijflaag ontstaan was als gevolg van deze lekkage. Verdere acties zullen nog worden ondernomen omdat de locatie zich in een beschermingszone II bevindt vlakbij het waterwinningsgebied 'Veeweyde' van de VMW (Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening).
85
Londerzeel – De Schouwer, veiligheidsmaatregelen Op 18 oktober 2001 besloot de OVAM veiligheidsmaatregelen te nemen op een terrein in de Bergboslaan in Londerzeel. In de tuin van een woning waren aanvullingen met vrije asbest aan de oppervlakte zichtbaar. Door de nabijheid van de woning en van een volledige woonwijk trof de OVAM voorzieningen om het onmiddellijke gezondheidsrisico weg te nemen. De asbestspots werden afgedekt, het gazon ingezaaid en de oprit opgehoogd. Deze werken werden beÍindigd op 9 november 2001.
Temse - Gosselin, veiligheidsmaatregelen Naar aanleiding van het stilleggen van de pump-and-treat installatie stelde een erkende bodemsaneringsdeskundige een evaluatierapport op. Hieruit blijkt dat er nog een grond- en grondwaterverontreiniging aanwezig is zodat er in 2002 opnieuw een waterzuiveringinstallatie zal worden opgesteld. Ook komt er in 2002 een beschrijvend bodemonderzoek op basis van het opgemaakte evaluatierapport.
Antwerpen - Hooge Maey, sanering en herinrichting van de stortplaats De OVAM heeft de sanering van de Hooge Maey verder gesubsidieerd. De saneringswerken, die over 7 jaar worden gespreid, werden in het jaar 2001voortgezet met de bouw van een waterzuiveringsstation voor het percolaat dat uit de stortplaats wordt gepompt. Het doel van de installatie is het percolaat uit de afgedekte stortzones te reinigen zodat het water mag worden geloosd in oppervlaktewater. Het is een biologische waterzuivering met slibindikking via membramen. De installatie is operationeel vanaf augustus 2002. De investering is ca. 3,3 miljoen euro en de tussenkomst door het Vlaamse gewest bedraagt ca. 1,8 miljoen euro. De budgettaire aanrekening gebeurt deels op artikel 361B6144 en deels op artikel 361B6326 van het MINA-fonds overeenkomstig de beslissing van de Vlaamse Regering van 11 januari 1990 en de bijakte van 14 december 1998.
86
ALGEMENE ZAKEN COMMUNICATIE SENSIBILISERINGSCAMPAGNES De OVAM geeft zwerfvuil tot 50 jaar effectief Van 19 februari tot 19 maart 2001 pakte de OVAM uit met haar jaarlijkse zwerfvuilcampagne. In tegenstelling tot de vorige jaren lag in 2001 het accent op zwerfvuilpreventie. Qua creatieve invulling opteerde de OVAM voor een directe aanpak. Uit een Nederlandse studie blijkt immers dat de onverschilligheid waarmee mensen zwerfvuil weggooien, vaak voortkomt uit onwetendheid. De campagne bestond uit drie verschillende beelden: • Beeld van een weggegooide sigarettenpeuk met als slogan '2 jaar effectief' en als baseline 'Vuil zwerft langer dan je denkt'. • Beeld van een gedeukt drankblikje met als slogan '50 jaar effectief' en als baseline 'Vuil zwerft langer dan je denkt'. • Beeld van een plastic fles met als slogan '10 jaar effectief' en als baseline 'Vuil zwerft langer dan je denkt'.
87
Deze beelden waren niet willekeurig gekozen. Ze dekken immers 50% van al het zwerfvuil. Zwerfvuil bevat gemiddeld 11 % drankverpakkingen en maar liefst 38 % peuken. De campagne wil er de aandacht op vestigen dat het argeloos weggooien een zeer lang effect heeft op de natuur die 'veroordeeld' wordt om er zolang vuil bij te liggen. Bovendien insinueert de dubbele boodschap in de slogan ook dat het veroorzaken van zwerfvuil strafbaar is. De campagne liep in de volgende media: - Op de 600 affichageborden langs autosnelwegen en gewestwegen. Dat gebeurde in samenspraak met het departement LIN van de Vlaamse Gemeenschap. - Het ‘Alpha’-netwerk: affichagekaders van 30 x 40 cm in 502 Vlaamse krantenwinkels. - Maandbladen, weekbladen en gratis regionale pers. - Ten slotte ontvingen de milieudienst van alle Vlaamse gemeenten, alle intercommunales en provincies vijf affiches per campagnebeeld.
Samen krijgen we de papierberg klein In januari en februari 2001 liep er de campagne 'papierpreventie op school en kantoor' met als centrale thema 'samen krijgen we de papierberg klein'. Net als de vorige jaren konden de intercommunales over een gedeelte van deze advertentieruimte in de huis-aan-huispers beschikken voor lokale invullingen. Vier verschillende beelden wisselden elkaar af in een ruime selectie van kranten en magazines: het nodeloos uitprinten van allerhande documenten, het hergebruiken van de blanco achterzijde van vellen papier, het gebruiken van duurzame materialen in plaats van wegwerpzakdoekjes en servetten en ten slotte een knipoog naar de campagne zelf.
Gooi de toekomst niet weg Om de herkenbaarheid van de OVAM te vergroten en om optimaal over het thema afvalpreventie te communiceren, opteerden we tijdens de grote sensibiliseringscampagne van 2001 voor één visuele stijl. In april 2001 werd het thema afvalvoorkoming op een opvallende manier onder de aandacht gebracht. Dat gebeurde in advertenties in kranten, week- en maandbladen en in een tv-spotje op alle Vlaamse zenders. In september herhaalden we deze campagne. Na deze ‘emotionele' fase brachten we concrete tips voor de burgers om zelf aan afvalpreventie te doen: • Herbruikbare flessen Een advertentie in de Vlaamse media wees op de mogelijkheid om herbruikbare flessen te gebruiken als drankverpakking. Op de OVAM-website en via de Vlaamse Infolijn konden geïnteresseerden naam en adres van een melkhandelaar in hun buurt terugvinden. Zij brengen zuivel in retourflessen huis-aan-huis en halen de lege flessen ook weer op. • Robinsonlijst voor geadresseerd drukwerk De Robinsonlijst groepeert de namen en adressen van mensen die geen ongewenste post op naam (geadresseerd drukwerk) meer wensen te ontvangen.
88
De bedrijven die lid zijn van het Belgisch Direct Marketing Verbond, maar ook een hoop andere bedrijven, raadplegen deze lijst voor ze een mailing versturen. De adressen uit de Robinsonlijst worden dan uit hun adressenbestanden gehaald en zo wordt ongewenste post uit de prullenmand geweerd. Met advertenties in de Vlaamse media brachten we de Robinsonlijst onder de aandacht. De campagne is een succes: 4.499 inschrijvingsaanvragen op de Robinsonlijst, waarvan 3.345 aanvragen in de periode april tot juni, net na de campagne. Ter vergelijking: in 2000 bedroeg het aantal 89
aanvragen 1.827. Het totaal aantal effectieve inschrijvingen tussen mei en augustus 2001 bedroeg 1.704. • Weekend van de Compostmeester Op 9 en 10 juni 2001 vond het jaarlijkse evenement ‘Weekend van de Compostmeester' plaats. De bekendmaking gebeurde aan de hand van advertenties in kranten en week- en maandbladen. Op de regionale tv-zenders brachten we een reportage over thuiscomposteren. De compostmeesters organiseerden in 110 gemeenten uit 24 intercommunales meer dan 200 activiteiten. Om flexibel te kunnen inspelen op wijzigingen in het programma en vanuit het afvalpreventie-oogpunt, opteerde de OVAM ervoor om geen programmaboekje meer uit te brengen. De activiteiten tijdens het Weekend
van de Compostmeester maakten we bekend via de Vlaamse Infolijn en via de website van Vlaco. Bij de Vlaamse Infolijn kwamen 911 oproepen voor informatie binnen. De Vlacowebsite telde 1.135 bezoekers. Heel wat geïnteresseerden leerden hoe ze thuis kunnen composteren of GFTafval in de tuin kunnen verwerken.
• Dag van de kringloopwinkel Op zaterdag 27 oktober gooiden de kringloopwinkels voor de tweede maal hun deuren wijd open. De OVAM maakte het evenement in het kader van de afvalpreventiecampagne bekend via de Vlaamse printmedia. KVK (de Koepel van Vlaamse Kringloopcentra) coördineerde de activiteiten die de kringloopcentra tijdens hun opendeurdag organiseerden. We brachten 5 handige provinciale kringloopwinkelgidsen uit, die via de Vlaamse Infolijn en via de kringloopwinkels verspreid werden. • Afvalarme eindejaarsfeesten Met eindejaar geven we talrijke cadeautjes en feesten we wat af. Veel afval dus. Advertenties in de Vlaamse media wezen de burgers op het afvalprobleem. Een ludieke brochure gaf tips om het eindejaar afvalarm door te komen.
Losse initiatieven In 2001 werkte Communicatie mee aan een foldertje van Febelauto over de recyclage van voertuigen, werd ze zijdelings betrokken bij de Recupel-campagne over bruin- en witgoed, ondersteunde ze de Ecoshopping-actie van Tupperware en organiseerde ze samen met VLACO het eerste compostmeestercongres. Na 5 jaar bodemsaneringsdecreet was een evaluatie in Vlaanderen nodig. De OVAM bracht een brochure uit met de hoofdlijnen uit het bodemsaneringsdecreet en de resultaten van de werking ervan. Tabellen, grafieken en kaarten begeleiden het overzicht.
90
EDUCATIE Milieuvriendelijk schoolgerief Samen met het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en met Fedis voerde de OVAM voor de tweede maal een campagne om de aankopen van milieuvriendelijk en duurzaam schoolgerief te bevorderen. Op vraag van de distributieondernemingen voorzagen de drie gewesten wobblers met de mascotte van de campagne om de milieuvriendelijke producten in de rekken extra in de kijker te plaatsen. Om de campagne voor de kinderen persoonlijker en directer te maken, kreeg de mascotte nu ook een naam: BAS, bewuste aankoper van schoolgerief. BAS legt in een folder en op een affiche helder de tips over milieuvriendelijk schoolgerief uit. Met een educatief dossier bieden de drie gewesten de leerkrachten uit het lager onderwijs een praktische leidraad om het thema ‘milieuvriendelijk schoolgerief’ uitvoerig in de klas te bespreken. 91
Elk gewest bracht het educatief dossier in de eigen huisstijl. Aan de hand van 4 principes stelt BAS de tips over milieuvriendelijk schoolgerief voor: • duurzaam en herbruikbaar schoolgerief; • schoolgerief zonder verpakkingsafval; • schoolgerief uit gerecycleerd materiaal; • minder schadelijk schoolgerief. Naast informatiefiches over elk principe en achtergrondinformatie bij de twaalf tips, bevat het dossier spelfiches voor twee leeftijdsgroepen: 5-8 jarigen en 9-12 jarigen. In het dossier stimuleren we de leerkracht om de materiaallijstjes, die traditioneel bij het eindrapport worden meegegeven, aan te passen aan de vier principes.
Composteren met kinderen In september 2001 bracht de OVAM een lespakket ‘composteren met kinderen’ voor het kleuter- en basisonderwijs uit. Het vindt zijn oorsprong in het Uitvoeringsplan Organisch-Biologisch Afval en is een gezamenlijk initiatief van de OVAM en VLACO. Bovendien kadert dit pakket in het educatieve totaalproject Milieuzorg Op School (MOS), een initiatief van AMINAL en de Vlaamse provincies dat scholen een integraal milieuzorgsysteem aanbiedt.
Het lespakket bestaat uit vier verschillende leeftijdsmodules die ieder twintig lesjes bevatten inclusief werkbladen, gedetailleerde uitgeschreven werkwijzen en tekeningen. Het pakket is zeer ervaringsgericht opgebouwd en besteedt maximale aandacht aan allerhande doe-activiteiten. Daarbij werden de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor het kleuter- en basisonderwijs niet uit het oog verloren. Enkele scholen hebben de lesjes grondig uitgetest. Per leeftijdsmodule komen volgende thema’s aan bod: • Omgaan met organisch afval • Composteren: wat en hoe? • Bodemdiertjes • Gebruik van compost Inhoudelijk is het pakket als volgt samen te vatten: de natuur is een gesloten kringloop. Niets gaat er verloren, alles wordt opnieuw gebruikt. Eind 2001 waren er al 1.824 pakketten verkocht.
92
METEN Meetinstrumentarium voor milieucommunicatie Dit project werd opgestart in 2000. In het kader van actie 145 van het MINA-plan hebben de milieuVOI’s, Aminal en het kabinet voor Leefmilieu de handen in elkaar geslagen en besloten om gezamenlijk een meetinstrumentarium voor milieucommunicatie te ontwikkelen. De coördinatie van dit instellingsoverschrijdende project lag bij Aminal, de dagelijkse opvolging bij een aparte werkgroep die bestond uit communicatieverantwoordelijken van de betrokken instellingen. De opdracht resulteerde onder meer in een trackinginstrument om de impact van milieucommunicatie te meten. Het trackinginstrument beslaat vier milieudomeinen: algemeen milieubeleid, afvalbeleid, lucht en water. Het meet 5 componenten: milieukennis, milieubesef, perceptie van de mogelijkheid er zelf iets aan te doen, gedragsintentie en uiteindelijk gedrag. Ze bestaat uit een bij voorkeur schriftelijke vragenbatterij die wordt voorgelegd aan een representatief staal van de Vlaamse bevolking. Een 0-meting is gebeurd bij 645 Vlamingen. Het is de bedoeling dat de OVAM vanaf 2002 haar afval-communicatie systematisch opvolgt aan de hand van deze meetmethode. Naast het trackinginstrument besteedde de studie ook aandacht aan een meetset voor het optimaliseren van projectgebonden buurtcommunicatie. Ook evalueerde ze het project ‘Groene school’, dat werd voorgesteld op een studiedag op 29 januari 2002.
TWICA Het jaar 2001 was een belangrijk jaar voor het TWICA (Technisch-Wetenschappelijk Informatiecentrum Afvalstoffen). Terwijl het TWICA in de beginjaren als een typevoorbeeld kon gelden voor gespecialiseerde milieubibliotheken, stelden we in 2001 vast dat het niet altijd meer optimaal aangepast was aan de eisen en de mogelijkheden van de moderne informatiemaatschappij. Bovendien daalden zowel de interne en externe bezoekersaantallen. Bijgevolg vroegen we ons af wat er in de toekomst met het TWICA moest gebeuren. Een studiebureau boog zich in de loop van 2001 over deze vraag en kwam tot de vaststelling dat de interne medewerkers van de OVAM veel meer behoefte hebben aan een goed gestructureerde interne informatievoorziening, dan aan een gecentraliseerde bibliotheek. Voor de informatieverschaffing aan externen bleek het verbeteringspotentieel zich vooral te situeren in het beter kanaliseren van de binnenkomende verzoeken om wetenschappelijke informatie, dan in het verder uitbouwen van een bibliotheek. Op basis van deze conclusies besliste de OVAM om de technisch-wetenschappelijke informatieverstrekking efficiĂŤnter te organiseren. Externe personen kunnen niet meer terecht in een klassieke bibliotheek93
ruimte, maar zullen in de toekomst op een klantvriendelijke manier verder worden geholpen door een infoloket. Zo worden verplaatsingen naar Mechelen vermeden en verloopt de kennisoverdracht sneller.
AFVAL OP EVENEMENTEN Afval in de Kijker Op 30 september 2001 stond de Vlaamse Open Bedrijvendag in het teken van afval. De aanleiding was de European Recycling Day, georganiseerd in 11 Europese landen door Pro-Europe, de koepel van Groene Punt-organisaties. Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw duidde de OVAM aan als coĂśrdinator van het Vlaamse initiatief. We namen contact op met de betrokken actoren, wat resulteerde in een uniek samenwerkingsverband tussen de OVAM, FOST Plus, de Vlaamse afvalintercommunales en het kabinet Leefmilieu. Uitgangspunt was het hele afvalbeleid in de kijker te plaatsen tijdens deze opendeurdag, niet alleen recyclage, maar ook afvalpreventie en eindverwerking.
De Vlaamse burgers kregen uitgebreid de gelegenheid hun neus in het huishoudelijk en het bedrijfsafval te steken. Onder het thema 'Afval in de kijker – Ontdek afvaloplossingen in Vlaanderen' stelden een veertigtal bedrijven in Vlaanderen hun deuren open om te tonen hoe ze afval aanpakken. Ruim 90% van de Vlamingen sorteert afval. Tijdens deze opendeurdag lieten bedrijven zien wat er met dit afval gebeurt. Maar ook bedrijven zelf zijn producenten van grote hoeveelheden afval. Daarom hebben een aantal bedrijven hun deuren opengezet en zo een blik laten werpen op het afvalgebeuren binnen het bedrijf en het productieproces zelf. Oplossingen om de afvalproductie te verminderen of het bedrijfsafval te recycleren stonden daarbij centraal. We wilden ook inzicht verschaffen in wie er in dit hele gebeuren welke rol speelt. Door een zo ruim mogelijk beeld te schetsen van alle aspecten van het afvalbeleid hoopten we de bezoekers te sensibiliseren en aan te zetten tot milieubewust afvalgedrag. Naast een zevental Presti-bedrijven zetten ook acht kringloopwinkels en twee NME-centra (Centra voor Natuur- & Milieu Educatie) hun deuren open. Verder deden 14 Vlaamse afvalintercommunales mee en waren ook enkele sorteerinstallaties en recyclagebedrijven van de partij. De dag was een succes met maar liefst 96.995 bezoekers. Uitschieters waren de intercommunale IOK, CORMA vleewaren (de fabrikant van Ganda-ham), en VPK Oudegem met elk een goede 6.000 bezoekers. De absolute topper, De Ceuninck Plastics, telde maar liefst 15.000 bezoekers.
De Gordel, Cactusfestival, Open Tropen, Mano Mundo, Pennenzakkenrock… Sinds enkele jaren ondersteunt de OVAM allerhande evenementen. Tegenover de ondersteuning van een evenement staat steeds de verbintenis van de organisator over het voorkomen en selectief inzamelen van afval. Door deel te nemen aan deze evenementen is de OVAM niet alleen visueel aanwezig waardoor onze naambekendheid steeds groeit, maar bereiken we vooral een ruim publiek dat op een ontspannen manier kennismaakt met het afvalprobleem en met de mogelijkheden om afval te voorkomen en te sorteren. Onze voorkeur gaat uit naar gezinsvriendelijke evenementen die voldoende uitstraling hebben zoals de Gordel, het Folkfestival van Dranouter, de Gordel voor Scholen, Cactusfestival, Open Tropen, Mano Mundo, Pennenzakkenrock… Hun acties kunnen dan als voorbeeld dienen voor andere evenementen.
94
In 2001 was er de eerste samenwerking tussen de OVAM en organisatoren van de Ronde van Vlaanderen. Via de organiserende krant verschenen artikels waarin sporters en supporters op afvalvoorkoming werden gewezen. Onder het motto 'Op naar een kei-nette ronde' werd in de rondekaravaan de vershoudfolie voor de sandwiches vervangen door een brooddoos die op haar beurt in een linnen draagtas werd gestopt waardoor het plastic zakje ook van het toneel verdween. De Beverbrigade was ook van de partij en confronteerde de kijklustigen met het afvalprobleem. Een 95
tweetal promotiewagens herinnerden de toeschouwers eraan dat een proper Vlaanderen een mooier Vlaanderen is. In de tweede helft van juli 2001 organiseerde Libelle de Zomerfeesten (Libelle Picknick) met de ondersteuning van de OVAM. Dankzij deze samenwerking lag de picknickweide en de onmiddellijke omgeving er telkens heel proper bij. Ook het Rode Kruis van Vlaanderen deed een beroep op de OVAM om er een milieuvriendelijke en propere Duck Race van te maken. Met bemande afvaleilandjes en een combinatie-draaibordspel, waar afvalvoorkoming de boodschap is, kon op een geslaagd evenement teruggekeken worden.
BEURZEN EN STUDIEDAGEN Zowel op Agriflora als op de Internationale Werktuigendagen stond de OVAM opnieuw samen met de andere VOI’s (VMM, VLM) en Aminal. Deze gemeenschappelijke stand raakt in de beurzenwereld stilaan bekend als de stand van de Vlaamse Gemeenschap en wordt zeer gewaardeerd door zowel organisatoren als bezoekers.
Op de Canon-natuurdag in Roeselare stond de OVAM met een eigen stand en werd het milieu-educatieve aanbod naar voren geschoven. Naast de twee STIP-studiedagen begeleidden we de workshop Brownfields, de studienamiddag BBTrestafval, de studiedag over Diftar, de studievoormiddag over huisvuil in het kader van een samenwerkingsproject met Hongarije en ook het Common Forum tijdens het Belgisch Europees Voorzitterschap, waarop de Europese lidstaten vertegenwoordigd waren.
INFORMATIEVRAGEN De OVAM kreeg in 2001 ongeveer 150 schriftelijke informatievragen, hoofdzakelijk van scholieren en studenten, die persoonlijk werden beantwoord. Daarnaast waren er een 5.000-tal aanvragen voor gratis publicaties, zoals folders, brochures en posters. Daarvan werden er een 1.700-tal via de OVAM-website besteld. Naar aanleiding van de zwerfvuilcampagne ('vuil zwerft langer dan je denkt') werden er ongeveer 7.000 posters bijbesteld. Door de campagne 'ik kleur mijn schooljaar groen' werden er zelfs 200.000 folders bijbesteld. In het kader van de campagne rond milieuvriendelijk schoolgerief werden er zo'n 7.000-tal educatieve dossiers en een 6.000-tal affiches verstuurd.
WEBSITE www.ovam.be Het aantal bezoekers op de OVAM-website stijgt nog elke maand. Ook in 2001 plaatsten we nieuwe informatie systematisch op de website. Zo wordt de website bijvoorbeeld steeds gebruikt om de nieuwe campagnes aan te kondigen. Ook dit jaarverslag vindt u terug op onze website. De grootste 'hits' waren de databanken met vergunde en/of erkende afvalverwerkers en het Afvalmanspel. Met de eindejaarsfeesten kon je zelfs afvalarme wenskaartjes (of ecards) versturen vanop de OVAM-website.
HUISSTIJL In 2000 werd een extern communicatiebureau aangesteld om een richtlijn op te stellen voor de opmaak van de externe communicatiemiddelen. Dat resulteerde in een handboek dat vanaf maart 2001 in gebruik
96
werd genomen als verplichte richtlijn bij de realisatie van nieuwe brochures, folders e.d. Uiteraard behoeft dergelijk omvangrijk project periodische opvolging en bijsturing. In de eerste helft van 2001 werd het handboek dan ook grondig uitgetest en bijgewerkt. Eind 2001 werd het operationeel.
VERKOOP VAN PUBLICATIES In 2001 verstuurden en factureerden we 3.333 bestellingen voor te betalen OVAM-publicaties. Enkele opvallende cijfers: • MAMBO-pakket (cd-rom + handleiding): 495 stuks • Bedrijvig in milieuzorg. Presti 4 en Milieucharters: de praktijk van preventie: 410 stuks • Lessenpakket 'Composteren met kinderen' voor kleuter- en basisonderwijs: 1.824 stuks • Brochure 'Wie afval vermijdt, moet het niet kwijt': 2.450 stuks • Brochure 'Composteren : doe ik het zelf of laat ik het doen? Een wegwijzer': 37.660 stuks 97
In 2001 waren er 205 OVAM-publicaties te verkrijgen. Dat zijn er 12 meer dan in 2000. We kregen 86 aanvragen binnen voor het uitlenen van videocassettes.
PERSONEEL, ORGANISATIE EN OPLEIDING Steunt op twee pijlers: personeelsadministratie en personeelsbeleid. Personeelsadministratie behelst het beheer van aanwezigheden, lonen en subsidies, het administratief beheer van de loopbanen (van indiensttreding tot pensioen) en de opvolging van het systeem voor personeelsbeheer. Personeelsbeleid heeft betrekking op het rekruterings-, selectie-, loopbaan- en vormingsbeleid, het evaluatiesysteem, het personeelsbehoefteplan, de personeelsbegroting en de medewerking aan verschillende strategische projecten. Het jaar 2001 was andermaal een intensief werkjaar, waarbij we, naast de courante opdrachten inzake personeelsadministratie– en beleid, ook een aantal belangrijke projecten realiseerden: - het realiseren van het project betreffende de innovatie van het bestaande evaluatieproces, met een belangrijke focus op het herdenken van de functiebeschrijvingen/ Invoeren van een Bottom-Up Evaluatie voor leidinggevenden op afdelingsniveau ; - het afronden van het proefproject rond telethuiswerk; - het uitvoeren van belangrijke wervingsprojecten.
Innovatie van het evaluatieproces/Invoeren van een Bottom-Up Evaluatie voor leidinggevenden op afdelingsniveau Begin 2001 werd het bestaande evaluatieproces in kaart gebracht en geformuleerd naar een gefaseerd, innovatief globaal actieplan. Externe consulenten begeleidden dit plan. De eerste fase van het actieplan was een proefproject ter afstemming van de methodologie. Na goedkeuring van de directie werd het project nadien uitgebreid voor de hele organisatie. Top-down en dienst per dienst werden alle functiekaarten voor de organisatie opgemaakt (in totaal 158 functiekaarten). In het najaar begeleidde de consulente ook de workshops, per afdeling, om de aanpak van het (vernieuwde) evaluatieproces in kaart te brengen en onder meer de opmaak van individuele ontwikkelingsplannen te bespreken en het gebruik van het nieuwe evaluatieverslag toe te lichten. Parallel zorgden de personeelsverantwoordelijken ervoor dat elke functiekaart omgezet werd in een op maat gemaakt ontwerp-evaluatieverslag.
Invoeren van een Bottom-Up Evaluatie (BUE) voor leidinggevenden op afdelingsniveau De directie heeft beslist om de leidinggevenden op afdelingsniveau die lang genoeg in functie zijn - uitgezonderd de adjunct-leidend ambtenaar die onder het bevragingssysteem voor topambtenaren valt als doelgroep voor de BUE-bevraging te beschouwen. In een eerste fase (evaluatie over jaar 2001) betrekt zij de diensthoofden waaraan rechtstreeks leiding gegeven wordt bij de evaluatie.
Proefproject telethuiswerk Begin 2001 werd via een opstartvergadering het officiĂŤle startsein gegeven voor het proefproject rond telethuiswerk binnen de OVAM. Hier werd de opzet van het project, de uitgangspunten, de wijze van opvolging, de nodige logistieke en technische ondersteuning uitgeklaard. Met elke telethuiswerker (11 in totaal) werd een contract afgesloten waarin de specificaties van het thuis uit te voeren werk, de wijze van opvolging, de beschikbare middelen enz werden vastgelegd. Met de deelnemers en hun leidinggevenden werden daarna opvolgingsvergaderingen gehouden, gevolgd door een afsluitende vergadering. Verder hebben we, in samenwerking met Informatica en Systeembeheer, alle deelnemers persoonlijk bevraagd om na te gaan of inmiddels de noodzakelijkste informaticatechnische en telecommunicatiemiddelen voorhanden waren. Ten slotte vroegen we eind oktober 2001 aan de deelnemers en aan hun leidinggevenden om een omstandige enquĂŞte in te vullen. Het proefproject werd succesvol afgerond en zo werd beslist dat telethuiswerken binnen de OVAM kan doorlopen in 2002, in de vorm van een vervolgproject.
98
Wervingsprojecten Bij de OVAM zijn er in 2001 34 nieuwe mensen begonnen. Van deze 34 is er maar 1 iemand in een statutaire betrekking gestapt en 1 iemand in een contract onbepaalde duur. De overige 32 kregen contracten van bepaalde duur (29 contracten van 4 jaar, 1 contract van 3 jaar, 2 contracten van 2 jaar). Er zijn twee grote wervingsprojecten opgezet. Eerst was er de wijziging van het Vlarea, waardoor de opdrachten voor Afvalstoffenbeheer toenamen en de entiteit in 2001 uitbreidde met 8 mensen. Het tweede grote wervingsproject in 2001 was een gevolge van de versnelling ambtshalve saneringen, wat resulteerde in 12 extra mensen voor Bodemonderzoek en Attestering. Daarnaast zijn er 21 precaire contracten (interims, kortlopende contracten) omgezet in contracten van bepaalde duur. Voor alle contractuele wervingen behalve ĂŠĂŠn heeft de OVAM een beroep gedaan op een externe partner voor de tweede selectieronde. Die ronde bestond uit een testbatterij (abstract denken, logische redeneervermogen en persoonlijkheidstests) en een motivatie-interview bij een VDAB-consult. Voor de 99
werving van onze webmaster en voor de statutaire werving deed de OVAM een beroep op Jobpunt Vlaanderen.
FINANCIEEL BEHEER EN LOGISTIEK Bestaat uit twee cellen: Financieel beheer en Logistiek. De cel Financieel Beheer is verantwoordelijk voor de boekhouding. Zij stelt de begroting en de jaarrekening op, volgt het kredietverbruik, beheert de administratie van crediteuren, debiteuren en activa. De cel Logistiek is verantwoordelijk voor huisvesting en verstrekt de benodigdheden.
Cel Financieel Beheer Voor 2001 kreeg de OVAM de volgende budgetten toegewezen: (in miljoen EUR)
2001
2000
1999
17,4
13,5
13,3)
0,9
1,2
1,4
10,7
3
3
0,3
0,4
0,7
Ambtshalve verwijderingen en saneringen
23,8
17,7
9,7
Totaal dotaties
53,3
35,7
28,1
5,1
5,4
7,6
58,4
41,2
35,7
Administratieve werking Administratieve kapitaaluitgaven Statutaire lopende projecten PRESTI
Eigen ontvangsten Totaal middelen
100 Naast deze middelen putte de OVAM ook nog uit de volgende artikels van het MINA-fonds:
Verwijdering krengen SubsidiĂŤring infrastructuur ondergeschikte besturen Algemeen totaal
2001
2000
1999
1
1
1,2
4,3
6,1
7,8
72,6
48,3
44,6
In vergelijking met 2000 is het totale budget gestegen vooral ten gevolge van de toename van de toegekende budgetten voor administratieve werking (bodemactiviteiten), statutaire lopende projecten (ambtshalve verwijderingen van dierlijk meel), ambtshalve verwijderingen en saneringen (zie hieronder) en verwijderingen van krengen (van dieren gehouden voor landbouwproductie). De belangrijkste vastleggingen voor ambtshalve verwijderingen en saneringen hadden betrekking op:
Rijkevorsel/De Volharding
0,6 miljoen EUR
Aalst/nv Schotte
0,9 miljoen EUR
Schoten/Maes Eelen
0,8 miljoen EUR
Assebroek/De Visscher
0,5 miljoen EUR
Asse/Linksa Schelle/Van Den Bosch
17,2 miljoen EUR 1,9 miljoen EUR
De post ‘statutaire lopende projecten’ sloeg onder meer op:
Ambtshalve verwijdering van dierlijk meel, opgeslagen bij Manuport
101
6,2 miljoen EUR
Bijdrage VLACO vzw (Vlaamse Compostorganisatie)
0,4 miljoen EUR
Sorteeranalyse huishoudelijk afval
0,1 miljoen EUR
Cleaninghousesystems
0,1 miljoen EUR
Enquête afvalvoorkoming
0,1 miljoen EUR
Samenwerkingsverbond herstelarbeid
0,2 miljoen EUR
VITO-studies en onderzoeken
0,1 miljoen EUR
Preventie in de bedrijfswereld-studie
0,1 miljoen EUR
vzw SVW (studiecentrum voor water)
0,1 miljoen EUR
Bijdrage IVC (Interregionale verpakkingscommissie)
0,2 miljoen EUR
Spots afvalvoorkoming
0,4 miljoen EUR
MBO-papier 2001-2002
0,5 miljoen EUR
Cel Logistiek De cel Logistiek verleent ondersteuning op het gebied van huisvesting en voorzieningen en verstrekt benodigdheden. In de loop van 2001 werd het nieuwe kantoorgebouw van de OVAM aan de Stationstraat 110 ingericht en uitgerust. De verhuizing van alle personeelsleden, voorheen ondergebracht in 3 gebouwen in Mechelen, vond plaats tussen Kerstmis en Nieuwjaar.
JURIDISCHE ZAKEN Zorgt ervoor dat de OVAM juridisch correct en consistent handelt en optreedt. Hiertoe verleent zij intern en extern advies en werkt zij het vooropgestelde beleid juridisch uit.
Wetgeving Juridische Zaken werkte mee aan het voorbereiden van wijzigingen aan de respectieve uitvoeringsbesluiten op het bodemsaneringsdecreet en het afvalstoffendecreet (VLAREBO en VLAREA). De vooropgestelde wijziging van het bodemsaneringsdecreet werd vanuit Juridische Zaken voorbereid en ondersteund. Zij nam actief deel aan de implementatie van de Euroreglementering in de OVAM decreet- en regelgeving zodat die tijdig werd gefinaliseerd.
Gerechtelijke dossiers Juridische Zaken volgde de lopende rechtsdossiers over afvalstoffen en bodemsanering op.
Advies Juridische zaken verleende adviezen over de toepassing van het bodemsaneringsdecreet, het afvalstoffendecreet en hun uitvoeringsbesluiten. Deze vragen waren afkomstig van particulieren, notarissen, advocaten, adviesbureaus, gerechtelijke instanties... We verleenden ook intern adviezen over de interpretatie van de wetgeving betreffende afval, bodem, overheidsopdrachten, openbaarheid van bestuur, verzekeringen, contracten e.d.
Afvalstoffendecreet Juridische Zaken gaf permanente ondersteuning aan Afvalstoffenbeheer en juridische ondersteuning in dossiers over de ambtshalve verwijdering afvalstoffen.
Bodemsaneringsdecreet Juridische zaken : - antwoordde op interne vragen over dossiers in verband met het bodemsaneringsdecreet; - zat in de interne commissie bodemsanering, die oplossingen zoekt voor structurele problemen bij de toepassing van het decreet en in 2001 de knelpunten onderzocht van het huidige decreet en werkte aan oplossingen die zullen worden vertaald in de vooropgestelde wijziging van het bodemsaneringsdecreet; - behandelde 222 dossiers rond het statuut 'onschuldig eigenaar/gebruiker', een procedure om te beslissen of de overdrager al dan niet tot bodemsanering moet overgaan;
102
- waakte over de naleving van de decretale procedures bij voorzorgs-en veiligheidsmaatregelen; de entiteit stelde mee de uitnodigingen voor hoorzittingen op en woonde ze bij; - werkte mee aan het studiesyndicaat voor de sanering van de benzinestations en nam actief deel aan het samenwerkingsakkoord over de uitvoering en financiering van de sanering van de benzinestations.
Studiedagen Op studiedagen georganiseerd door de OVAM of derden, lichtte Juridische Zaken de afvalstoffen- en bodemsaneringswetgeving toe.
INFORMATICA EN SYSTEEMBEHEER 103
Ontwikkelt en beheert de soft- en hardware van de OVAM. Het aspect ontwikkeling slaat op het aanschaffen, installeren en testen van nieuwe hardware en het laten schrijven, installeren en testen van nieuwe software. Daarbij houden we rekening met drie factoren: de behoeften van de organisatie en haar medewerkers, de technische stand van zaken en de kostprijs. We overleggen daarover binnen de OVAM en kunnen ons daarnaast laten bijstaan door externe deskundigen. Onder het aspect beheer vallen het onderhoud van de infrastructuur, de beveiliging van gegevens op de centrale infrastructuur, het upgraden van software, het opsporen en (laten) herstellen van fouten in soften hardware en het begeleiden van de medewerkers bij het gebruik van de soft- en hardware. In 2001 hebben we de verhuizing voorbereid: - onderzoek, ontwikkeling en implementatie van een nieuwe netwerkinfrastuctuur voor het nieuwe gebouw - ontwerp en opvolging van de uitvoeringwerken voor een gestructureerde databekabeling in het nieuwe gebouw - onderzoek naar mogelijkheden en oplossingen om voice en data te laten convergeren binnen de bovenvermelde netwerkinfrastuctuur
- implementatie van een nieuwe PABX in de nieuwbouw - onderzoek en implementatie van een nieuw afdrukconcept. Er werd afgestapt van het idee om in het nieuwe gebouw in elk kantoor een printer te voorzien. Er is geopteerd voor een oplossing waarbij op elke verdieping telkens enkele multifunctionele digitale print-, kopieer-, en scannertoestellen worden geplaatst om zo te voldoen aan de afdruk- en kopieerbehoeften binnen de OVAM. Ook is er in 2001 een stap verder gezet in de ontwikkeling naar een volwaardig e-government. Om de eerste stappen op dit vlak te realiseren, werden de nodige hardware resources aangeschaft. De analyse om notarissen on line bodemattesten te laten aanvragen, werd afgerond. Zo kon deze toepassing in het voorjaar van 2002 als een van de eerste e-government toepassingen van de Vlaamse overheid worden aangeboden. Andere toepassingen die het afgelopen jaar voor de OVAM werden geschreven, zijn nu ook allemaal web gebaseerd. Ook de oudere toepassingen zullen worden aangepast zodat ze op termijn in het kader van e-government als bouwsteen kunnen worden gebruikt.
104
Referenties Hieronder vindt u een lijst van eigen publicaties, publicaties in opdracht van de OVAM uitgevoerd door derden, publicaties van derden waar de OVAM aan meegewerkt heeft en organisaties die door de OVAM worden gefinancierd.
Publicaties die tegen betaling verkrijgbaar zijn • Tarieven en capaciteiten voor storten en verbranden (actualisatie tot 1999, evolutie en prognose) • Inventarisatie huisvuilbelasting- en retributiesystemen in Vlaanderen en de impact op de huisvuilproductie - Enquêteresultaten 2000 • Vergelijking van verwerkingsscenario's voor restfractie van HHA en niet-specifiek categorie II bedrijfsafval - Eindrapport • Inventarisatie van de afvalverbrandingssector in Vlaanderen • Lessenpakket "Composteren met kinderen" voor kleuter- en basisonderwijs • Voortgangsrapportage 2000-2001 Uitvoeringsplan organisch-biologisch afval • De kringloopcentra in het Vlaamse gewest : opvolgingsverslag 2000 • Analysedocument voor het uitvoeringsplan slib 105
• Code van goede praktijk voor bemonstering van grond, grondwater, bodemvocht, bodemlucht en waterbodems • Code van goede praktijk voor het uitvoeren van milieuboringen en het plaatsen van peilbuizen • Voortgangsrapportage 1995-2000 Uitvoeringsplan bouw- en sloopafval • Het wel en wee van wijkcomposteren • Samenvatting van de initiatieven in functie van het uitvoeringsplan bouw- en sloopafval • Tarieven en capaciteiten voor storten en verbranden (actualisatie tot 2000, evolutie en prognose)
Publicaties die gratis verkrijgbaar zijn • Brochure Hergebruik, de kringloopcentra maken er iets mooi van (Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Limburg, Antwerpen en Vlaams-Brabant) • Bodemsanering in Vlaanderen 1996-2001 : een evaluatie • Afvalarme eindejaarstips
Organisaties die door de OVAM worden gefinancierd * Werkingsbijdragen vzw Studie- en Samenwerkingsverbond Vlaams Water
vzw VLACO
Mechelsesteenweg 64
Kan. De Deckerstraat 37
2018 ANTWERPEN
2800 MECHELEN
vzw Grondbank
Interregionale Verpakkingscommissie
Landbouwstraat 34-42
Kunstlaan 10-11
1000 BRUSSEL
1210 BRUSSEL
* Participaties nv EKOL
nv SOBOREL
Europapark 1075
E. Coppéelaan 91
3530 HOUTHALEN-HELCHTEREN
3600 GENK
nv ECOPLA
cvba PREMAZ
Lozenberg I-7
Dauwstraat 12
1932 ST.-STEVENS-WOLUWE
1070 BRUSSEL
cvba VLABRAVER
Centrum Duurzaam Bouwen
Diestsesteenweg 52
Heldenplein 1
3010 LEUVEN
3500 HEUSDEN-ZOLDER
cvba APLIM
cvba Vlaams Selectiebureau voor het
Universiteitslaan 1
Overheidspersoneel
3500 HASSELT
Interleuvenlaan 62 - Zone 2 3001 HEVERLEE
106
Boordinformatie Wilt u meer weten over onderwerpen of publicaties die in dit jaarverslag aan bod kwamen ? U kunt terecht op de volgende adressen : Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest - OVAM Stationsstraat 110 2800 MECHELEN Tel. : 015/284 284 Fax : 015/203 275 Woordvoerster : Karina De Beule tel. : 015/284 148 fax : 015/284 139 Website en e-mail : http://www.ovam.be e-mail : info@ovam.be Verkoop tel. : 015/284 145 107
fax : 015/203 275 contactpersoon : Gerda Baudoncq Uitlening informatiestands - aanvraag gratis publicaties Algemene infostand (Multi-Screen) Stand composteren (waaier) Contactpersoon : Petra Van Opstal - tel. 015/284 142 OpgeruimD Contactpersoon : Veerle De Ridder Stationsstraat 110 - 2800 MECHELEN Tel. : 015/284 148 Fax : 015/284 139 Bodemattesten Groene lijn bodemattesten : tel. : 015/284 458 - 015/284 459 Rekeningnummer voor het aanvragen van bodemattesten : het bedrag van 25 Euro per kadastraal perceel moet gestort worden op rekeningnummer 435-4518011-25 van de OVAM met vermelding van de naam van de aanvrager en het kadastraal perceelnummer waarop de aanvraag betrekking heeft.
Informatie milieuheffingen : Kathleen Colaes - 015/284 338 Informatie melding - meldingstelefoon : Marleen De Boeck - 015/284 371 Algemene informatie inzake procedures sector afval : 015/284 317
108
SYNTHESE De OVAM is binnen het Vlaamse Gewest verantwoordelijk voor het afval- en bodemsaneringsbeleid. Goed nieuws is dat de gemiddelde hoeveelheid afval in Vlaamse huisvuilzakken tussen 1995 en 2000 met bijna de helft is gedaald, zo wees een onderzoek uit. Bovendien stijgt in 1999-2000 voor het eerst het aanbod huishoudelijk afval minder sterk dan het bestedingspatroon en de bevolkingsgroei. Dat wijst erop dat onze preventie-inspanningen vrucht afwerpen. Zo groeide het Steunpunt en Informatiecentrum voor Preventie van afval en emissies (STIP) uit tot een volwaardig kenniscentrum. Verder wijdde de OVAM in 2001 een congres aan DIFTAR, een gedifferentieerde tarifering die gebaseerd is op het principe 'de vervuiler betaalt'. 2001 was ook het jaar van de opvolging van de BSE-crisis. De invoering van de aanvaardingsplicht is een belangrijk instrument in het afvalstoffenbeleid. In 2001 hebben we vooral de aandacht gevestigd op controleacties naar free-riders voor de afvalstromen waarvoor al een milieubeleidsovereenkomst is afgesloten. Inzake bodemsanering hebben we in 2001 de nadruk gelegd op de verdere uitwerking van een geïntegreerde aanpak van brownfields en woonzones, en van alternatieve financieringsmiddelen voor bodemsanering. De ambtshalve bodemsanering werd aanzienlijk versneld. In 2001 werd ook het Vlarebo gewij109
zigd. In het kader van het Belgische voorzitterschap van de EU organiseerde de OVAM in Antwerpen het 7de Common Forum, een ambtelijk overleg over het bodemsaneringsbeleid. Inzake ambtshalve afvalverwijdering werden een aantal bekende dossiers op het terrein afgewerkt: de oude arseenfabriek in Bocholt, De Volharding in Rijkevorsel, Haras in Steenokkerzeel het het dossier Maes-Eelen in Schoten. In 2001 werd ook de ambtshalve bodemsanering van de zinkfabriek in DilsenStokkem beëindigd. Een efficiënt beleid kan niet zonder een breed maatschappelijk draagvlak, zeker als het gaat om gevoelige thema's als afval en bodemsanering. Een actieve en open communicatie is dan ook heel belangrijk. Tijdens de grote sensibiliseringscampagne van 2001 'Gooi de toekomst niet weg' stond het thema afvalpreventie centraal. Ook haar jaarlijkse zwervuilcampagne organiseerde de OVAM rond preventie. In 2001 coördineerde de OVAM de Vlaamse Open Bedrijvendag, die een groot succes werd. Een veertigtal bedrijven in Vlaanderen stelden hun deuren open om te tonen hoe ze afval aanpakken. Het voorbije jaar hebben we een aantal nieuwe projecten opgestart: het Strategisch Project Afvalpreventie (SPAP), het Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen, het Uitvoeringsplan Hoog Calorisch Afval en het 'Analyseren en planmatig aanpakken van prioritaire bedrijfsafvalstoffen'. Internationaal is de belangstelling voor het vooruitstrevende afval- en bodemsaneringsbeleid in Vlaanderen het laatste jaar enorm toegenomen, zo blijkt uit allerlei initiatieven en projecten.
Verder werd in 2001 het evaluatiesysteem van het OVAM-personeel vernieuwd. Een proefproject rond telehuiswerk werd succesvol afgerond. In 2001 is de entiteit Milieuheffingen opnieuw opgericht en werd de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (IDPBW) een aparte dienst.
110
SYNTHESE L' OVAM est responsable de la politique de gestion des déchets et d'assainissement des sols en Région flamande. Une étude a confirmé la tendance positive selon laquelle la quantité moyenne de déchets dans les sacspoubelles flamands a diminué presque de moitié entre 1995 et 2000. En 1999-2000, l'offre de déchets ménagers augmente en outre pour la première fois de manière moins sensible que les dépenses de consommation et la croissance démographique. Preuve que nos efforts en matière de prévention portent leurs fruits. Le Point d'appui et Centre d'information pour la Prévention des déchets et des émissions (STIP) s'est développé en un centre de ressources à part entière. En 2001, l'OVAM a également consacré un congrès à DIFTAR, un mode de tarification différentiée se basant sur le principe du 'pollueur payeur'. 2001 a également vu le suivi de la crise de l'ESB (maladie de la vache folle). L'introduction de l'obligation d'acceptation constitue un instrument important dans la politique de gestion des déchets. En 2001, nous avons consacré une attention particulière aux opérations de contrôle visant les resquilleurs pour les flux des déchets qui ont déjà fait l'objet d'un accord environnemental. En matière d'assainissement des sols, nous avons poursuivi en 2001 le développement d'une approche 111
intégrée des anciens sites industriels (brownfields) et des zones résidentielles, ainsi que la recherche de moyens de financement alternatifs pour l'assainissement des sols. La dépollution officielle des sols s'est considérablement accélérée. En 2001, le Vlarebo (arrêté d'exécution) a également été modifié. Dans le cadre de la présidence belge de l'Union européenne, l'OVAM a organisé à Anvers le 7ème Common Forum, une concertation officielle en matière de politique de dépollution des sols. En matière d'évacuation des déchets, plusieurs dossiers connus ont été clôturés sur le terrain: l'ancienne usine d'arsenic à Bocholt, les sites De volharding à Rijkevorsel et Haras à Steenokkerzeel ainsi que le dossier Maes-Eelen à Schoten. L'assainissement de la zinguerie à Dilsen-Stokkem s'est également achevé en 2001. Une politique efficace nécessite un large soutien de l'opinion publique, surtout lorsqu'il s'agit d'enjeux aussi sensibles que les déchets et la dépollution des sols. Une communication active et transparente s'avère donc incontournable. Durant la grande campagne de sensibilisation menée en 2001 'Ne gaspillez pas l'avenir', le thème de la prévention des déchets a occupé une place centrale. L'OVAM a également centré sa campagne annuelle relative aux déchets sauvages sur le thème de la prévention. En 2001, l'OVAM a coordonné la Journée Portes Ouvertes des Entreprises en Flandre, qui a remporté un franc succès. Une quarantaine d'entreprises flamandes ont ouvert leurs portes pour montrer comment ils géraient le problème des déchets. L'année passée, nous avons lancé plusieurs nouveaux projets: le Projet Stratégique de Prévention des Déchets (SPAP), le Plan d'Application Déchets Ménagers, le Plan d'Application Déchets Hautement Caloriques et Analyse et gestion systématique des déchets industriels prioritaires. Au niveau international, la politique progressiste de la Flandre en matière de gestion des déchets et d'assainissement des sols a fait l'objet d'un intérêt croissant au cours de l'année dernière, comme le montrent bien toutes sortes d'initiatives et de projets.
En 2001, le système d'évaluation du personnel OVAM a été révu. Un projet expérimental de télé-travail s'est clôturé avec succès. En 2001, l'entité Taxation des déchets a à nouveau vu le jour et le Service Interne de Prévention et de Protection au Travail (IDPBW) est devenu un service séparé.
112
ZUSAMMENFASSUNG OVAM ist in der Flämischen Gemeinschaft verantwortlich für Abfallwirtschaft und Bodensanierung. Eine Untersuchung hat die positive Tendenz bestätigt, dass die mittlere Abfallmenge in den Müllsäcken zwischen 1995 und 2000 fast um die Hälfte reduziert werden konnte. Außerdem steigt die Menge an anfallendem Hausmüll zum ersten Mal weniger deutlich als die Ausgaben für Verbrauchsgüter und das demografische Wachstum - ein Beweis dafür, dass unsere Bemühungen zur Müllvermeidung Früchte tragen. Der Stützpunkt und das Informationszentrum zur Vermeidung von Müll und Emissionen (STIP) haben sich zu einem wichtigen und vollwertigen Instrument entwickelt. Im Jahr 2001 hat OVAM auch einen Kongress über DIFTAR veranstaltet, ein differenziertes Tarifsystem, das auf dem Prinzip " Umweltverschmutzer = Zahler" beruht. In 2001 hatten auch noch die Folgen der Rinderwahnkrise eine gewisse Bedeutung. Die Einführung der Rücknahmepflicht ist zu einem wichtigen Instrument in der Abfallwirtschaft geworden. Im Jahr 2001 haben wir vorrangig unsere Aufmerksamkeit auf die Kontrollaktionen bei denen gerichtet, die es mit den Vorschriften nicht so genau nehmen; in diesem Bereich wurde ein Umweltabkommen abgeschlossen.
113
Im Bereich Bodensanierung haben wir 2001 mit Nachdruck die Entwicklung eines integrierten Ansatzes in Industriegebieten (brownfields) und Wohngebieten sowie die Suche nach alternativen Finanzmitteln für die Bodensanierung vorangetrieben. Amtliche Maßnahmen zur Bekämpfung der Bodenverseuchung wurden bedeutend beschleunigt. 2001 wurde auch die Vlarebo (Ausführungsverordnung) abgeändert. Im Rahmen der belgischen Präsidentschaft der Europäischen Union hat OVAM in Antwerpen das 7. Common Forum organisiert, eine offizielle Konzertation im Bereich Bodensanierungspolitik. Im Bereich Müllentfernung wurden mehrere bekannte Angelegenheiten vor Ort abgeschlossen: die frühere Arsenfabrik in Bocholt, die Betriebsstätten De Volharding in Rijkevorsel und Haras in Steenokkerzeel sowie die Sache Maes-Eelen in Schoten. Die Dekontamination der Zinkhütte in Dilsen-Stokkem konnte auch im Jahr 2001 abgeschlossen werden. Eine erfolgreiche Politik braucht eine breite Unterstützung in der Öffentlichkeit, ganz besonders, wenn es sich um so heikle Gebiete handelt wie Müllentsorgung und Bodenentgiftung. Eine aktive und offene Kommunikation ist daher unverzichtbar. Bei der großen Öffentlichkeitskampagne 2001 'Vergeudet die Zukunft nicht' stand das Thema Müllvermeidung im Mittelpunkt. Im Jahr 2001 hat OVAM auch seine Jahreskampagne über die wilden Mülldeponien auf das Thema Vermeidung konzentriert. In diesem Jahr hat OVAM ebenfalls den Tag der Offenen Tür der Unternehmen in Flandern koordiniert, der ein großer Erfolg war. Etwa vierzig Betriebe in Flandern öffneten ihre Tore um zu zeigen, wie sie mit dem Problem der Abfälle umgehen. Im Jahr davor haben wir eine Reihe neue Projekte gestartet: das Strategische Projekt zur Abfallvermeidung (SPAP), den Ausführungsplan Hausmüll, den Ausführungsplan hochkalorienhaltige Abfallstoffe sowie die Analyse und systematische Entsorgung der prioritären Industrieabfälle. International rief die fortschrittliche Abfallentsorgungs- und Bodensanierungspolitik Flanderns im vergangenen Jahr ein ständig steigendes Interesse hervor, wie aus diversen Initiativen und Projekten hervorgeht.
Im Berichtsjahr wurde auch das Beurteilungssystem der OVAM-Mitarbeiter erneuert. Ein Projekt zum Einsatz von Telearbeit konnte mit Erfolg abgeschlossen werden. Die Einheit Müllgebühren wurde erneut eingerichtet, und ein Dienst für Schutz und Vorbeugung bei der Arbeit (IDPBW) eraufgerichtet.
114
SUMMARY OVAM is responsible for waste-management and soil-decontamination policies within the Flemish Region. It is good news that the average amount of waste in the Flemish garbage bags between 1995 and 2000 has declined by almost half, as a study has shown. Moreover, for the first time, the supply of domestic waste increased less in 1999-2000 than did the pattern of spending and the population growth. This indicates that our prevention efforts are bearing fruit. Thus, the Support and Information Center for Prevention of Waste and Emissions (STIP) became a fully fledged knowledge center. Further, OVAM dedicated a congress in 2001 to DIFTAR, a differentiated rating system that has been based on the principle "the polluter pays". 2001 was also the year in which the BSE crisis was followed up on. The introduction of the acceptance obligation is an important instrument in waste-management policy. In 2001, we have concentrated primarily on control campaigns as regards free-riders for the waste flows for which an environmental policy agreement has already been concluded. As regards soil decontamination, in 2001 we stressed the further development of an integrated approach to brown fields and residential zones and of alternative financing for soil decontamination. The sta115
tutory soil decontamination was accelerated considerably. In 2001, the Vlarebo was also amended. In the framework of the Belgian presidency of the EU, OVAM organized in Antwerp the 7th Common Forum, an official consultation on soil-decontamination policy. Regarding statutory waste removal, a number of well-known dossiers were completed in the field: the old arsenic plant in Bocholt, De Volharding in Rijkevorsel, Haras in Steenokkerzeel, and the Maes-Eelen dossier in Schoten. In 2001, the statutory soil-decontamination of the zinc plant in Dilsen-Stokkem was completed. An efficient policy is impossible without broad support from the general public, certainly when it concerns sensitive issues like waste and soil decontamination. Active and open communication, therefore, is very important. During the major sensitization campaign of 2001, "Don’t throw the future away", the theme of waste prevention was central. OVAM organized its annual anti-litter campaign also around prevention. In 2001, OVAM coordinated the Flemish Open Business Day, which was a great success. Some forty firms in Flanders opened their doors to demonstrate how they deal with waste. Last year, we started a number of new projects: the Strategic Waste Prevention Project (SPAP), the Domestic Waste Implementation Plan, the High Caloric Waste Implementation Plan, and the "Analyzing and Dealing Systematically with Priority Industrial Waste". Last year, international interest increased enormously in the progressive waste and soil-decontamination policy in Flanders, as shown by all kinds of initiatives and projects.
Further, the evaluation system of OVAM personnel was renewed in 2001. A pilot project involving telework at home was successfully completed. In 2001, the Environmental Assessment entity was again set up, and the Internal Service for on-the-Job Prevention and Protection (IDPBW) became a separate service.
116
VOOR MEER INFORMATIE, BEL NAAR
015/284.284
OPENBARE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ VOOR HET VLAAMSE GEWEST STATIONSSTRAAT 110 B-2800 MECHELEN TEL. 015/284 284 Fax 015/203 275 http://WWW.OVAM.BE
v.u. ir. Frank Parent, OVAM, Stationsstraat 110, 2800 Mechelen / 2002
OF E-MAIL: INFO@OVAM.BE