Advies
Advies over de wijziging van het Materialendecreet
Advies over het ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen
Datum van goedkeuring
8/09/2020
Volgnummer
2020|012
Coördinator + e‐mailadres
Pieter Noens, pieter.noens@minaraad.be
Co‐auteur + e‐mailadres
Jan Verheeke, jan.verheeke@minaraad.be
Inhoudstafel Inhoudstafel.................................................................................................................................................................................. 2 Krachtlijnen .................................................................................................................................................................................. 3 Procesbeschrijving .................................................................................................................................................................... 4 Advies over de wijziging van het Materialendecreet ............................................................................................ 5 1 Algemeen .................................................................................................................................................................. 5 1.1 Voorwerp en situering ............................................................................................................... 5 1.2 Algemene beoordeling ................................................................................................................ 6 2 Aanbevelingen bij onderscheiden kwesties ........................................................................................... 7 2.1 Financiering van de zwerfvuilkosten .................................................................................. 7 2.2 Minimale criteria voor UPV-regelingen............................................................................. 9 2.3 Stimulerende inzamelformules ............................................................................................. 12 2.4 “Verpakkingen” in preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen .................. 14 2.5 Overige ............................................................................................................................................... 15 Bijlage – tekstvoorstellen vanwege Voka, Unizo en Boerenbond i.v.m. de memorie ........................ 16 Bibliografie ................................................................................................................................................................................... 17
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
2
Krachtlijnen Voorliggende decreetwijzigingen beogen de omzetting van diverse recent gewijzigde of nieuw uitgevaardigde Europese richtlijnen – zelf het gevolg van het in 2015 uitgebrachte Europese actieplan circulaire economie. Inmiddels heeft de Europese Commissie een nieuw actieplan uitgebracht. Vlaanderen beschikt over belangrijke troeven om te fungeren als een “circulaire hub” voor Europa en als kennisregio voor circulaire technologie. De Minaraad beveelt dan ook aan om voorliggend dossier mede in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen vorm te geven. De voorgestelde wijzigingsbepalingen waarvan de grootste beleidsimpact uitgaat, betreffen (i) het voorzien in een rechtsgrond voor het doorrekenen van zwerfvuilkosten aan producenten, (ii) het invoeren van minimale criteria voor een regeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV), en (iii) het veralgemenen van het principe van stimulerende inzamelformules voor het gescheiden aanbieden van recycleerbaar afval. Kennelijk is het zeer moeilijk geweest om bij de voorbereiding van dit decreetdossier volledige overeenstemming te bereiken over deze kwesties. Vandaar ook het sterk verdeelde karakter van dit advies. De partners in de Minaraad verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of de implementatie van de wijzigingen van de Europese regelgeving in hoofdzaak dient te gebeuren op het niveau van het Materialendecreet (zoals nu voorligt), dan wel specifiek verdeeld moet worden over het Materialendecreet, het Intergewestelijk Samenwerkingsakkoord Verpakkingen en VLAREMA, of een nieuw intergewestelijk samenwerkingsakkoord specifiek voor zwerfvuil. Dit meningsverschil heeft in het bijzonder betrekking op het beleid t.a.v. verpakkingsafval. De Single-use plastics (SUP)-richtlijn strekt tot het doorrekenen van de zwerfvuilkosten aan de producent voor de in de richtlijn benoemde kunststofproducten. Met het decreetvoorstel beoogt men dit financieringsprincipe te veralgemenen naar alle afvalstromen die een relevant deel in de totale zwerfvuilkost uitmaken. Aldus wil men onbedoelde verschuivingen vermijden, bv. van plastic verpakkingen naar blikjes – die ook in zwerfvuil teruggevonden worden. De partners in de Minaraad verschillen van mening over de vraag of het legitiem is om een dergelijke of vergelijkbare fractie – die niet onder de SUP-richtlijn valt – mee in het systeem op te nemen voor de financiering van zwerfvuilkosten. Het nieuwe art. 8bis van de gewijzigde Kaderrichtlijn afvalstoffen verplicht tot het invoeren van minimale criteria waaraan een UPV-regeling moet voldoen. Onder meer moeten de financiële bijdragen van producenten alle kosten (dus: 100%) dekken die nodig zijn voor het behalen van de inzamel- en recyclagedoelstellingen; een afwijking hiervan is mogelijk vanwege de noodzaak om een adequaat afvalbeheer en de economische levensvatbaarheid van een UPVregeling te waarborgen. De partners in de Raad verschillen van mening over de vraag of van die afwijkingsregeling gebruik kan worden gemaakt in Vlaamse context. Voor bepaalde afvalstromen (zie Vlarema) zijn afvalstoffenproducenten ertoe verplicht deze te sorteren en selectief aan te bieden met het oog op hoogwaardige verwerking ervan. Op grond van de voorliggende wijziging moet de afvalinzamelaar het voor de afvalstoffenproducent zo interessant mogelijk maken om hieraan te voldoen, en dit via de aangeboden inzamelformule. De partners in de Raad verschillen van mening over de daarbij aangewezen modaliteiten en betreffende diverse aandachtspunten die hierbij in rekening moeten worden gebracht.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
3
Procesbeschrijving Datum adviesvraag
24 juli 2020
Naam adviesvrager + functie
Mevrouw Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme
Rechtsgrond van de adviesvraag
DABM, art. 11.2.1., §1, 4°
Adviestermijn
30 dagen, uitstel werd verleend tot 4 september
Samenwerking
//
Overlegcommissie
Werkcommissie Milieuhygiëne
Vergaderingen: soort + datum
Voorafgaande informele ronde; vervolgens adviesvaststelling per schriftelijke ronde
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
4
Advies over de wijziging van het Materialendecreet 1
Algemeen
1.1
Voorwerp en situering
[1]
Deze decretale operatie als omzetting van het EU-actieplan 2015. Voorliggende decreetwijzigingen beogen de omzetting van diverse richtlijnen, die op hun beurt voortvloeiden uit het (vorige) Europese actieplan circulaire economie1. De gewijzigde of nieuwe Europese Richtlijnen die nu leiden tot voorliggende decretale wijzigingen, zijn (1) de Kaderrichtlijn afvalstoffen, (2) de Richtlijn ontvangstvoorzieningen voor de afvalafgifte van schepen in havens en (3) de Richtlijn betreffende de vermindering van de effecten van kunststofproducten op het milieu (de zgn. single-use plastics richtlijn). De wijzigingen beogen een versterkte toepassing van de materialenhiërarchie, bv. via nieuwe preventiemaatregelen, het verplichte gebruik van economische instrumenten, de verhoging van recyclagedoelstellingen, het verder afbouwen van storten en een versterkt en geharmoniseerd gebruik van UPV-regelingen.
[2]
Hou rekening met het nieuwe EU-actieplan. De Europese Commissie heeft intussen evenwel een nieuw Actieplan voor de circulaire economie uitgebracht, als een stap in de uitvoering van de Europese Green Deal. Met enige redenen kan gesteld worden dat Vlaanderen, met zijn strategische ligging, zijn industriële weefsel en het aanwezige menselijk kapitaal, over belangrijke troeven beschikt om zich te profileren als een Europese hub voor de met dit actieplan in het vooruitzicht gestelde transitie.2 Niettegenstaande de Europese Raad nog conclusies dient aan te nemen over dit nieuwe actieplan, laat het zich aanzien dat het een belangrijk element kan vormen in de context van het Europees economisch herstelbeleid3. De Minaraad beveelt dan ook rekening te houden met de komst van dit actieplan. Het laat zich namelijk aanzien dat diverse van de in het nieuwe Europese actieplan aangekondigde maatregelen over enige jaren het Vlaamse beleidslandschap wederom sterk kunnen beïnvloeden.
[3]
Bouw het Vlaamse Gewest uit als een hub voor circulaire economie. De Vlaamse Regering bevestigde onlangs het belang van de transitie naar een circulaire economie om de Vlaamse economie “future proof” te maken4. Het doel is Vlaanderen uit te bouwen tot een “circulaire hub’ voor Europa en als kennisregio voor circulaire technologie”. De Minaraad begroet dit voornemen van de Vlaamse Regering en meent dat het Europese beleidsgesternte gunstig oogt voor lidstaten en regio’s die in verband met circulaire economie een sleutelpositie willen opnemen. De Minaraad herinnert aan zijn advies van 26 november 2015 over Visienota 2050, waarin hij het integrerend perspectief van de circulaire economie naar voor had geschoven.
1 EUROPESE COMMISSIE (2015). 2 Zie voor deze appreciatie, NOENS, P. (2020). 3 RAAD (2020), §99. 4 VLAAMSE REGERING (juli 2020), p. 1.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
5
1.2
Algemene beoordeling
[4]
Dit decreet gaat over verdeling van verantwoordelijkheden bij afvalstromen. De in dit ontwerpdecreet opgenomen bepalingen waarvan de grootste beleidsimpact uitgaat, betreffen, volgens de dossieropstellers, (i) het voorzien in een rechtsgrond voor het doorrekenen van zwerfvuilkosten aan producenten, (ii) het invoeren van minimale criteria voor regeling van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV), en (iii) het veralgemenen van het principe van stimulerende inzamelformules voor het gescheiden aanbieden van recycleerbaar afval. De Minaraad stelt vast dat het bij deze kwesties telkens gaat over de verdeling van verantwoordelijkheden bij de afhandeling van afvalstromen. Hierbij zijn zowel aspecten van effectiviteit, efficiëntie als billijkheid aan de orde. Dit advies gaat in hoofdzaak over deze wijzigingen. Algemeen stelt de Minaraad vast dat het in het voorbereidingstraject kennelijk zeer moeilijk is geweest om overeenstemming te bereiken over (de toepassing van deze criteria) bij deze kwesties. Vandaar ook het sterk verdeelde karakter van dit advies.
[5]
Onenigheid over het karakter en bereik van de ingreep. De partners in de Minaraad verschillen van mening over de vraag of de implementatie van de wijzigingen van de Europese regelgeving in hoofdzaak dient te gebeuren op het niveau van het Materialendecreet (zoals nu voorligt), dan wel specifiek moet toegewezen worden aan de diverse toepasselijke regelgevingen (i.e. naast Materialendecreet ook het Intergewestelijk Samenwerkingsakkoord Verpakkingen, een intergewestelijk samenwerkingsakkoord voor single-use-kunststofproducten en VLAREMA). Deze kwestie is in het bijzonder aan de orde voor de problematiek van het verpakkingsafval. Standpunten Voka, Unizo en Boerenbond vragen om enkel de grote principes van de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen en Single-use plastics richtlijn (SUP-richtlijn) op te nemen in het Materialendecreet en de details verder uit te werken in het VLAREMA en het Interregionaal Samenwerkingsakkoord (ISA). Wat “verpakkingen” aangaat, vraagt men om zowel in het ontwerp van decreet als de memorie van toelichting verwijzingen hiernaar weg te laten, omdat het ISA hiervoor het aangewezen beleidskader vormt [zie subhoofdstuk 2.4. voor de voorstellen inzake de decreettekst, en bijlage voor de voorstellen inzake de memorie]. Men vraagt om dit ook zo aan te geven in de impactanalyse en de samenvatting. Het spreiden van regelgeving en engagementen omtrent verpakkingen over vier beleidsankerpunten van een totaal verschillende natuur (i. Materialendecreet en VLAREMA, ii. ISA, iii. de erkenningen van FostPlus en Valipac, en iv. een Green Deal Preventie en Hergebruik van Verpakkingen zoals door de OVAM wordt nagestreefd, zal in Vlaanderen leiden tot een kluwen waar niemand nog aan uit geraakt. VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO wijzen erop dat zowel de gewijzigde Kaderrichtlijn Afvalstoffen, de gewijzigde Verpakkingsrichtlijn, als de nieuwe SUP-richtlijn de lidstaten aansporen tot het nemen van extra maatregelen ter ondersteuning van de preventie en het hergebruik van verpakkingen en verpakkingsafval. Men is er voorstander van dat het Materialendecreet, als kaderdecreet, de kapstokken bevat die nodig zijn om een geïntegreerd Vlaams materialenbeleid te kunnen voeren, zo ook voor verpakkingen. Het Materialendecreet en het VLAREMA bevatten trouwens reeds
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
6
bepalingen die van toepassing zijn op verpakkingen en dus niet in het ISA worden geregeld (bv. de regelgeving rond het gebruik van plastic zakken, van wegwerpbekers, …). Aanvullende argumenten die VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO inbrengen, ter ondersteuning van de door de Vlaamse Regering voorgestelde omzetting van de SUP-richtlijn via het Materialendecreet en niet het interregionaal samenwerkingsakkoord (ISA), hebben betrekking op de noties ‘timing’ en ‘overzicht’. Om tijdig de SUP-richtlijn om te zetten vormt het Materialendecreet een betere keuze dan het ISA. Een nieuw ISA moet eerst onderhandeld worden binnen de schoot van het Interregionale Verpakkingscommissie (IVC) en daarna nog politiek gevalideerd worden in de drie betrokken regio’s. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure halen we de deadline voor omzetting bijna zeker niet. Men wijst er verder op dat de SUP-richtlijn niet alleen voor zwerfvuilgevoelige (kunststoffen) verpakkingen de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) met zich meebrengt, maar ook voor bv. kauwgom, sigarettenpeuken, … . Indien men de verpakkingsgerelateerde UPV-bepalingen van de SUP-richtlijn zou omzetten via het ISA en voor overige stromen via het Materialendecreet, creëert men mogelijk net een ingewikkelder kluwen aan regelgeving. Gelet op het bovenstaande, en omwille van de ongewenste doorwerking op diverse artikelen waaraan men veel belang hecht (bv. inzake de financiering van de zwerfvuilkosten, zie verder), kunnen VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO de vraag, om verpakkingen buiten de scope van dit dossier te houden, niet bijtreden.
2 2.1 [6]
Aanbevelingen bij onderscheiden kwesties Financiering van de zwerfvuilkosten Onenigheid over het bereik van het financieringssysteem zwerfvuilkosten. De Single-use plastics (SUP)-richtlijn noopt tot het doorrekenen van de zwerfvuilkosten aan de producent voor de in deze richtlijn benoemde kunststofproducten. Het gaat om de kosten voor de nodige bewustmakingsmaatregelen, voor het inzamelen van afval via openbare inzamelsystemen en verwerking, voor het opruimen van zwerfafval en voor de verwerking ervan, evenals het verzamelen en het rapporteren van gegevens hierover. De Vlaamse Regering stelt nu voor om, middels wijzigingsartikel 11 van het ontwerpdecreet, in art. 21 van het Materialendecreet een nieuwe paragraaf in te voegen. Hierdoor zal het financieringsprincipe veralgemeend worden naar alle afvalstromen die, volgens een zwerfvuilstudie, een relevant aandeel in de totale zwerfvuilkost uitmaken én een significante milieudruk veroorzaken. Door het veralgemenen van dit financieringsprincipe wilt de Vlaamse Regering vermijden dat er onbedoelde verschuivingen in de markt optreden zoals een verschuiving van plastic verpakkingen naar blikjes – die immers ook in het zwerfvuil teruggevonden worden. Deze laatste fractie valt echter niet onder het toepassingsgebied van de SUP-richtlijn. De partners in de Minaraad verschillen van mening over de vraag of het legitiem is om fracties die niet onder de SUPrichtlijn vallen, mee in het systeem op te nemen voor de financiering van zwerfvuilkosten.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
7
Standpunten Voka en Unizo erkennen evenwel de problematiek inzake zwerfvuil. Samen met andere partners willen we een halt toeroepen aan deze problematiek en dit gebeurt al door de uitgebreide acties van Mooimakers op het gebied van sensibilisering, ondersteuning van burgers, verenigingen, scholen, gemeenten en intercommunales, samenwerkingsverbanden, monitoring, … . Voka en Unizo kunnen het huidige voorstel van de Vlaamse Regering niet steunen. Het doorrekenen van zwerfvuilkosten die niet zijn opgenomen in de SUP-richtlijn is gold-plating. In de context van sterke concurrentie met de buurlanden en de stijgende trend inzake grensaankoop is het belangrijk om de verdere verfijning op Europees niveau van de SUP-richtlijn af te wachten. Dit met het oog op een geharmoniseerde implementatie van de SUP-richtlijn in de verschillende gewesten, maar ook in de buurlanden. Het is immers zo dat indien het Vlaamse Gewest als enige regio tot een veralgemeende doorrekening zou beslissen, dit volgens Voka en Unizo nadelige economische gevolgen zal hebben voor zowel de producenten als de gebruikers van de producten die niet onder het toepassingsgebied van de SUP-richtlijn vallen: deze producten zullen in Vlaanderen (nog) duurder worden dan in onze buurlanden (en de andere gewesten), met een oneerlijk speelveld tot gevolg. Dit moet absoluut vermeden worden. De stelling in de memorie van toelichting, als zou de zwerfvuilkost geen onoverkomelijke kost vormen voor de producent, is te kort door de bocht. De analyse die hieraan ten grondslag ligt veronachtzaamt compleet het gegeven dat er in Vlaanderen/België reeds meerdere lasten (taksen, heffingen, bijdragen,…) betaald moeten worden, hetgeen vandaag reeds resulteert in hogere prijzen voor onder andere de voedingsproducten. Diverse analyses hebben reeds aangetoond dat een eenzijdige verhoging van de lasten op voedingsproducten onmiddellijk resulteert in een verhoging van de grensaankopen. Eveneens ter verzekering van een geharmoniseerde implementatie en het behoud van een levelplaying field, raden Voka en Unizo ten stelligste aan om de guidelines af te wachten, die de Europese commissie momenteel aan het opstellen is, over hoe om te gaan met de verschillende elementen van de SUP-richtlijn (bv. inzamelsystemen, definities van foodcontainer, drankverpakkingen, definitie van zwerfvuilkosten…) en op te volgen hoe de andere lidstaten hierop zullen reageren. Voka en Unizo stellen dan ook voor om in art. 11 van het ontwerpdecreet het volgende te schrappen: “5° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt: §2/1. Als bepaalde producten of afvalstoffen een relevant aandeel van de zwerfvuilkosten en van de milieudruk ten gevolge van zwerfvuil veroorzaken, worden die kosten gedragen door de producenten. De Vlaamse regering wijst de producten of afvalstoffen aan die een relevant aandeel van de totale zwerfvuilkosten en milieudruk uitmaken en kan nadere regels vaststellen om hun aandeel in de zwerfvuilkosten te bepalen.” VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO steunen daarentegen het voorstel van de Vlaamse Regering om de zwerfvuilkosten, die vandaag in belangrijke mate worden gedragen door de lokale en Vlaamse besturen, door te rekenen aan de producenten van alle producten waarvan de afvalstromen een relevant aandeel in de totale zwerfvuilkost en een significante milieudruk veroorzaken. Dit om te vermijden dat een producent zich aan deze kosten zou onttrekken door een verpakking uit een ander materiaal te gebruiken, bv. door alle plastic flesjes te vervangen door blikjes. Het moet inderdaad de bedoeling zijn om de totale hoeveelheid zwerfvuil substantieel te verminderen. Voor VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO is het dan ook heel belangrijk dat punt 5° van wijzigingsartikel 11 blijft staan zoals het nu geformuleerd is, met inbegrip van de letterlijke overname van de
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
8
zwerfvuilkostenposten uit de SUP-richtlijn. Deze lijst sluit helemaal aan bij de praktijk: uit de diverse studies van de OVAM blijkt dat dit inderdaad de belangrijkste kostenposten zijn. VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO steunen het principe van het doorrekenen van de zwerfvuilkosten via UPV, omdat de producenten, via het ontwerp van zowel hun product als businessmodel, het best geplaatst zijn om deze zwerfvuilkosten te proberen vermijden. Het voorstel van de Vlaamse Regering om het SUP-financieringsprincipe door te trekken naar alle relevante fracties, sluit volgens VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO ook aan bij de geest van het nieuwe EU-actieplan, dat een duurzame transformatie van alle grondstofintensieve waardeketens beoogt, waaronder ook (alle) ‘verpakkingen’. Hierbij aansluitend, onderschrijven VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO de volgende appreciatie die is opgenomen in de begeleidende nota aan de regering: “De Inspectie van Financiën benadrukt het belang van een gelijke behandeling van de diverse
sectoren in kader van uitgebreide producenten-verantwoordelijkheid. Dit bevestigt de keuze om de zwerfvuilkosten door te rekenen aan alle producenten die producten op de markt brengen die in het zwerfvuil belanden, voor zover dit significant is, en dit niet te beperken tot een specifieke groep producenten.” Wat de Europese guidelines betreft die zullen worden uitgevaardigd i.k.v. de SUP-richtlijn, menen VVSG, BBL, ABVV, ACV en OECO dat deze mogelijks wel zullen helpen om de hoogte van de verschillende zwerfvuilkosten te bepalen. Het algemene, in de SUP-richtlijn opgenomen, financieringsprincipe zullen deze evenwel niet wijzigen. Zonder zich uit te spreken over de wijze waarop het financieringssysteem van de zwerfvuilkosten wordt georganiseerd, is het voor Boerenbond cruciaal dat het aandeel zwerfvuil, met inbegrip van de blikjes, vermindert. Het is belangrijk dat ook op deze blikjes wordt ingezet omdat ze direct zware gevolgen hebben voor runderen (scherp-in). Om een geharmoniseerde implementatie te bekomen, meent Boerenbond dat het financieringssysteem voor het geheel best wordt uitgewerkt op het niveau van België (binnen een ISA) en nog beter op het niveau van Europa, zodat een level playing field wordt gegarandeerd. [7]
Verzorg de koppeling tussen aandeel in zwerfvuil en bijdrage. De Minaraad onderschrijft de uit de SUP-richtlijn overgenomen vereisten dat bij een doorrekening van zwerfvuilkosten aan een producent er (i) een duidelijke koppeling moet zijn tussen de gevraagde financiële bijdrage en het aandeel van diens producten in het zwerfvuil, en (ii) dat de inzameling van het zwerfvuil op een kostenefficiënte wijze dient te gebeuren. De Raad ondersteunt dan ook de initiatieven die de OVAM, in overleg met de betrokken actoren, onderneemt om dit te helpen verzekeren, met name de zwerfvuilstudie en het opstellen van referentieinzamelingsscenario’s. De Raad vraagt eveneens om dit in nauw overleg te doen met de andere gewesten, alsook dat de studie moet gebeuren op basis van geverifieerde en onderbouwde gegevens met het oog op efficiëntie.
[8]
Communiceer helder over besteding bekomen overheidsmiddelen. Ten slotte sluit de Minaraad zich aan bij de vraag van de Inspectie van Financiën5 om open en transparant met de belastingbetalers te communiceren over de overheidsmiddelen die vrijkomen bij de doorrekening van zwerfvuilkosten aan producenten.
2.2
Minimale criteria voor UPV‐regelingen
5 INSPECTIE VAN FINANCIËN (april 2020).
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
9
[9]
Onenigheid over de systematiek van UPV-regelingen. Het nieuwe art. 8bis van de gewijzigde Kaderrichtlijn afvalstoffen verplicht tot het invoeren van minimale criteria waaraan een UPV-regeling moet voldoen. Onder meer moeten de financiële bijdragen van producenten alle kosten (dus: 100%) dekken die nodig zijn voor het halen van de inzamelen recyclagedoelstellingen (deze kostensoorten worden specifiek opgesomd). Een lidstaat kan hiervan evenwel afwijken, indien dat kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een adequaat afvalbeheer en de economische levensvatbaarheid van de UPV-regeling te waarborgen. In voorkomend geval moeten de producenten ten minste 50% of 80% van deze kosten dragen, afhankelijk van de specifieke situatie. Deze en andere nieuwe UPV-bepalingen van de Kaderrichtlijn worden omgezet door middel van wijzigingsartikel 12 van het ontwerpdecreet. Het Vlaamse Gewest kent, aldus de memorie van toelichting, twee systemen van UPV:
In een eerste systeem geldt de afspraak dat de afvalstoffenproducent (i.e. de ontdoener) zijn afvalstoffen gratis gescheiden voor recyclage moet kunnen aanbieden. Dit systeem werkt typisch met een beheerorganisme (bv. Bebat, Recupel, …) dat in opdracht van de (product-)producenten de markt voor inzameling en verwerking van de betrokken afvalstoffen centraal aanbesteedt via een offertevraag.
In een tweede systeem keert een beheerorganisme (bv. Valipac, Valorlub, …) in opdracht van de (product-)producenten premies uit aan de afvalstoffenproducent (i.e. de ontdoener) om deze laatste aan te moedigen zijn afvalstoffen gescheiden aan te bieden. De inzameling van de betreffende afvalstoffen zelf steunt dan op een individuele contractuele relatie tussen de afvalstoffenproducent en de ophaler, waarin o.a. de prijsafspraken worden vastgelegd.
De memorie van toelichting stelt vast dat, bij de UPV-regelingen die tot het tweede systeem behoren, er veelal geen sprake is van een volledige kostendekking, en dat dit ook nagenoeg niet te garanderen valt, gezien elke afvalstoffenproducent een eigen prijsafspraak maakt met zijn afvalophaler. "De beide systemen moeten kunnen blijven bestaan", aldus de Vlaamse Regering, die overweegt dat ook UPV-regelingen die behoren tot het tweede systeem conform kunnen worden verklaard met de nieuwe Europese regels. Daarom voorziet het ontwerpdecreet in een rechtsgrond voor een mogelijke afwijking van het principe van een volledige kostendekking. Hieraan wordt de voorwaarde gekoppeld dat de producenten in voorkomend geval minstens 80% van de kosten dragen. De Minaraad steunt de uit de Kaderrichtlijn overgenomen bepaling dat de producenten financiële of financiële en organisatorische verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van de afvalfase van de levenscyclus van een product. De partners in de Raad verschillen evenwel van mening over de vraag hoe ver deze verantwoordelijkheid in bepaalde gevallen moet reiken. Standpunten Voka, Unizo en Boerenbond steunen het voorstel van de Vlaamse Regering om de bestaande keuzemogelijkheid aangaande UPV-systemen te behouden, maar gaan niet akkoord met de stellingname dat de UPV-regeling voor bedrijfsmatig verpakkingsafval (met Valipac als
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
10
beheerorganisme) mogelijk niet voldoet aan het principe van de volledige kostendekking. Daarom, en omdat het ISA voor verpakkingen het aangewezen beleidskader vormt, vraagt men om dit aan te passen in de tekst (zie de bijlage bij dit advies voor de voorgestelde tekstaanpassingen). Voka, Unizo en Boerenbond vestigen ook de aandacht op artikel 11 van het ontwerpdecreet, dat aan de Vlaamse Regering een ruimere bevoegdheid geeft om een financiële verantwoordelijkheid op te leggen aan producenten. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat hierbij ook gedacht kan worden aan een bijdrage in de kosten voor sensibilisering, handhaving of andere beleidstaken. Voka, Unizo en Boerenbond geven aan principieel niet tegen meer verantwoordelijkheid te zijn, als die verantwoordelijkheid rekening houdt met de draagkracht van het beheerorganisme en er ook toe leidt dat men zelf kan beslissen welke maatregelen er zullen genomen worden en hoe deze zullen geïmplementeerd worden om de doelstellingen te bereiken. Voka, Unizo en Boerenbond zien momenteel geen rechtsgrond om de beheerorganismen (en dus ook producenten) mee verantwoordelijk te laten zijn voor de handhaving. Handhaving blijft een bevoegdheid van de Vlaamse administratie. Zolang hiervoor geen gedragen juridisch kader is uitgewerkt, mag handhaving niet tot het takenpakket worden gerekend van de beheerorganismen. Voka, Unizo en Boerenbond vragen dan ook om de zinsnede “handhaving of andere beleidstaken” uit de tekst te schrappen. BBL en VVSG steunen het voorstel van de Vlaamse Regering niet om in het Materialendecreet een rechtsgrond op te nemen voor een afwijking van het principe van een 100%-kostendekking. Zij verwijzen hiertoe naar het oorspronkelijke voorstel van de OVAM. Dat voorzag niet in een mogelijkheid tot afwijking omdat men, met uitzondering van de collectieve plannen, bij een UPV die is ingevoerd op Vlaams niveau er tot hiertoe van uitgegaan is dat alle bovengenoemde kosten worden gedragen door de producenten. BBL en VVSG delen de inschatting van de OVAM dat het beperken van de kostendekking tot 80%, om redenen van economische levensvatbaarheid, kan leiden tot onduidelijkheid in een onderhandelingsproces met producenten over wanneer aan deze voorwaarde is voldaan. BBL en VVSG merken ook op dat in de memorie van toelichting geen duidelijke motivatie is opgenomen waarom er wordt voorzien in een rechtsgrond voor mogelijke afwijkingen. De reden dat het ontwerpdecreet hierin voorziet, is volgens BBL en VVSG dat men vandaag reeds inschat dat bij UPV-regelingen die vallen onder het tweede systeem, er geen volledige kostendekking mogelijk is. Als het systeem hier niet toe in staat is, dient men volgens BBL en VVSG het systeem zodanig aan te passen dat het wel mogelijk is, eerder dan te voorzien in een decretale basis voor het bestendigen van een systeemfout. BBL en VVSG zijn wel voorstander voor het behoud van de huidige toelichting bij art. 11, waarbij met name een ruimere bevoegdheid wordt toegekend aan de Vlaamse Regering om een financiële verantwoordelijkheid op te leggen aan producenten. Als de beslissingen van producenten ertoe leiden dat de kosten voor handhaving groter zijn, zoals dit bv. geldt in het kader van de strijd tegen zwerfvuil, dan is het volgens BBL en VVSG niet onredelijk om deze kosten door te vertalen naar de producenten. Handhaving is in deze geen deel van het takenpakket van de producenten, dat blijft inderdaad bij de overheid. De financiering daarvan is een andere zaak. Dit is volgens BBL en VVSG een kwestie van de vervuiler betaalt en uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Om bij het voorbeeld van de zwerfvuilproblematiek te blijven, kunnen de producenten de kosten voor handhaving reduceren door minder zwerfvuilgevoelige producten te gebruiken, herbruikbare verpakkingen te hanteren, statiegeld als middel te introduceren, enzovoort.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
11
ABVV en ACV staan achter een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die producenten een ruime financiële verantwoordelijkheid geeft voor het beheer van afvalstoffen afkomstig van hun producten. De memorie van toelichting doet echter de vraag rijzen hoever die verantwoordelijkheid zich juist uitstrekt, waar ze aangeeft dat dit ook gaat over “een bijdrage in kosten van sensibilisering, handhaving of andere beleidstaken”. Kwestie is vooral in welke mate ‘handhaving’ gevat dient te worden. Wat ABVV en ACV betreft kunnen de bedoelde kosten ook initiatieven omvatten om regelnaleving te bevorderen en achtergelaten afval op te kuisen. ABVV en ACV menen echter dat het toezicht en het opleggen van bestuurlijke sancties taken zijn die door de overheid moeten uitgevoerd worden en die gefinancierd moeten worden uit de algemene middelen. In dit geval gaat het bv. om de financiering van toezichthouders die (naast andere regels) o.a. het verbod op het achterlaten van afval controleren en de financiering van de instantie die bestuurlijke sancties oplegt om dat verbod te doen naleven. Opbrengsten van administratieve geldboetes kunnen wel terugvloeien naar de besturen die bevoegd zijn voor het toezicht en de sanctionering. Overigens kan de toewijzing van een proportioneel aandeel van de hier bedoelde toezichts- en sanctioneringskosten aan verantwoordelijke producenten een ingewikkelde zaak worden. 2.3 [10]
Stimulerende inzamelformules Onenigheid over de modaliteiten van stimulerende inzamelformules. Voor bepaalde afvalstromen (zie Vlarema) zijn afvalstoffenproducenten (i.e. de ontdoeners) ertoe verplicht deze te sorteren en selectief aan te bieden met het oog op hoogwaardige verwerking. Op grond van wijzigingsartikel 7 van het ontwerpdecreet, dat een nieuwe derde paragraaf toevoegt aan art. 9 van het Materialendecreet, moet de afvalinzamelaar het daartoe de afvalstoffenproducent zo interessant en gemakkelijk mogelijk maken om deze verplichting na te leven, en dit via de aangeboden inzamelformule. Met “inzamelformule” wordt gedoeld op de wijze waarop de afvalstoffen worden ingezameld, zoals de gebruikte recipiënten, de inzamelfrequentie, de tarieven en de tariferingsformule. De Vlaamse Regering zal in dit verband nadere regels kunnen vaststellen. In de memorie wordt er op gewezen dat een significant lagere prijs voor de inzameling van selectief aangeboden recycleerbare afvalstoffen in vergelijking met het tarief voor het aanbieden van ongeselecteerd restafval, zeer effectief en efficiënt is gebleken bij huishoudens.6 Evenzo bleek tarifering op basis van het gewicht van het aangeboden afval in plaats van op basis van het volume zeer efficiënt en effectief. De memorie vervolgt dat het daarom wenselijk is dat deze benadering ook in het bedrijfscircuit meer ingang zou vinden. De Minaraad ondersteunt het beleidsvoornemen om de selectieve inzameling van verplicht gescheiden aan te bieden fracties te bevorderen. De partners in de Raad verschillen evenwel van mening over de daarbij aangewezen modaliteiten en betreffende diverse aandachtspunten die in rekening moeten worden gebracht.
6 Het tweede lid van art. 26 van het huidige materialendecreet bevat de rechtsgrond om (via het VLAREMA) voor de inzameling van
huishoudelijke afvalstoffen het gebruik van een tarievenvork te verplichten.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
12
Standpunten Voka, Unizo en Boerenbond vinden het positief dat er meer zal worden ingezet om selectieve inzameling te bevorderen, maar hebben een reeks bedenkingen bij de wijze waarop men dit in uitvoering van het ontwerpdecreet voorziet te doen. Algemeen is er in het VLAREMA reeds een verplichting vastgelegd om bepaalde afvalstoffenfracties verplicht selectief in te zamelen. Het koppelen van een nieuwe verplichting aan deze fracties (i.e. het steeds financieel interessanter maken van een selectieve inzameling) beoordelen Voka, Unizo en Boerenbond als een dubbel op zijn kant. Als deze fracties te weinig selectief worden ingezameld, dan moet men in de eerste plaats nagaan of handhaving vanuit het beleid geen effectiever middel vormt. Bovendien is het voor Voka, Unizo en Boerenbond niet duidelijk hoe dit moet uitgewerkt worden voor de producten die via UPV geregeld worden: dit vereist meer uitleg. Voka, Unizo en Boerenbond zijn principieel tegen het invoeren van een verplichting tot het werken met “vaste tarieven”, aangezien dit een inmenging betreft op de vrije markt. Hoewel duidelijk in de memorie van toelichting (impactanalyse p. 7) wordt aangegeven dat dit geen stijging van de totale kost met zich mee hoeft te brengen, vrezen deze organisaties dat dit niet gegarandeerd kan worden, in het bijzonder wanneer er geen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke uitbouw van de afzetmarkt. Voka, Unizo en Boerenbond beamen dat er bedrijven zijn die het minder goed doen qua selectieve inzameling, maar er zijn evenzeer bedrijven die de sorteerverplichtingen zeer nauwgezet opvolgen en zelfs meer inspanningen leveren dan de wetgeving voorschrijft. Deze organisaties vrezen dat het beleidsvoornemen om ook bij bedrijfsafval de gescheiden inzameling financieel interessanter te maken, zal resulteren in het eenzijdig duurder maken van bedrijfsrestafval. Hierdoor zullen deze laatste bedrijven gepenaliseerd worden terwijl ze net reeds de meeste inspanningen hebben geleverd. Voka, Unizo en Boerenbond wijzen erop dat het VLAREMA reeds een stort- en verbrandingsverbod oplegt voor recycleerbare fracties. Handhaving op onvoldoende uitgesorteerd afval vinden deze organisaties dan ook opnieuw een dubbel op zijn kant. Een quotum opleggen zal bovendien leiden tot een lagere kwaliteit van de recycleerbare fracties en derhalve ook tot een lagere kwaliteit van de recyclaten. Dit zal uiteindelijk de recyclagemarkt niet ten goede komen. Deze raadsorganisaties zijn dan ook vragende partij om deze zin te schrappen. Tenslotte stellen zich volgens Voka, Unizo en Boerenbond zich de vragen hoe de uitvoering van artikel 7 door de privé-inzamelaars gecontroleerd kan worden en hoe men er over kan waken dat de kwaliteit van het gerecycleerde materiaal niet zal afnemen wanneer ook meer vuilere fracties zullen worden ingezameld. Concluderend zijn Voka, Unizo en Boerenbond van mening dat er op basis van een impactanalyse, waarbij de hele circulaire keten (o.a. selectieve inzameling, verwerking, afzetmarkt, inzetten van recyclaten, …) in rekening zou worden gebracht, effectievere stimulansen kunnen gevonden worden dan het eenzijdig verhogen van de bedrijfsrestafvalprijs. BBL en VVSG verwelkomen dat, in uitvoering van art. 7 van het ontwerpdecreet, de afvalinzamelaar het de afvalstoffenproducent (zowel huishoudens als bedrijven) via de aangeboden inzamelformule zo interessant en gemakkelijk mogelijk zal moeten maken om de verplichting, om bepaalde afvalstoffen gescheiden aan te bieden, na te leven.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
13
BBL en VVSG verwijzen ook naar de toelichting bij artikel 7 waarin, omwille van hun bewezen efficiëntie en effectiviteit bij huishoudens, wordt aangegeven dat het wenselijk is dat ook in het bedrijfscircuit de toepassing van een significant lagere prijs voor de inzameling van selectief aangeboden recycleerbaar afval ten nadele van restafval, alsook van tarifering op basis van gewicht, meer ingang vinden. Voor BBL en VVSG is dit niet louter wenselijk, maar zou dit, met het oog op het willen bereiken van de in het Uitvoeringsplan HAGBA opgenomen restafvaldoelstellingen en het door de Europese Commissie in haar nieuwe actieplan vooropgestelde ambitieniveau ter zake, de expliciete ambitie van de Vlaamse regering moeten zijn. Volgens BBL en VVSG hoeft het financieel aantrekkelijker maken van selectieve inzameling ten nadele van restafval niet te betekenen dat de inzamelkost voor bedrijfsafval duurder zal worden. Men verwijst hiervoor naar de volgende bepaling uit de impactanalyse op p. 7 van de memorie van toelichting, waarbij men zich aansluit: "Voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan het
impact hebben op die inzamelaars die te weinig inspanningen doen om hun klanten te doen overschakelen op het aanbieden van gescheiden afvalstromen met oog op recyclage (al dan niet met nasortering). [...] Dit hoeft geen stijging met zich mee te brengen van de inzamelkost van afval, vermits een differentiatie van tarieven ook kan bekomen worden door restafval duurder te maken en gescheiden recycleerbare stromen goedkoper." Kortom, bedrijven die het goed doen op het vlak van selectieve inzameling zullen er bij de invoering van stimulerende inzameltarieven alle baat bij hebben om hun inspanningen verder te zetten. Het zal integendeel de kosten vooral verleggen naar de bedrijven die het momenteel minder goed doen. Een grotere aanvoer van selectief ingezamelde stromen zal ook een stimulans zijn voor het creëren van de nodige afzetmarkten. 2.4 [11]
“Verpakkingen” in preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen Onenigheid over het bereik van preventieprogramma’s en actieplannen i.v.m. “verpakkingen” en “veroudering”. Wijzigingsartikel 9 van het voorliggende ontwerpdecreet leidt tot een bijstelling van art. 17, §2, van het Materialendecreet. Deze paragraaf bevat (uitvoerige) lijsten van de typische mogelijke doelstellingen, instrumenten en maatregelen die aan de orde kunnen zijn bij de opmaak van preventieprogramma’s. Wijzigingsartikel 10 leidt evenzo tot bijstellingen aan art. 18 van het Materialendecreet, i.v.m. uitvoeringsplannen voor materialen- en afvalbeheer. De Minaraad ondersteunt de voorgestelde wijzigingen aan de rechtsgrond en dus het concept van preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen. In lijn met het vorige (zie subhoofdstuk [1.2.]) verschillen de partners in de Raad evenwel van mening over de wenselijkheid van de opname van “verpakkingen” in dit concept. Standpunten Gelet op hun algemene vraag om in het dossier verwijzingen naar verpakkingen weg te laten omdat het ISA voor verpakkingen ook inzake preventie het aangewezen beleidskader vormt, vragen Voka, Unizo en Boerenbond om in wijzigingsartikel 9 van het ontwerpdecreet de volgende tekstaanpassingen door te voeren: - In het voorgestelde art. 17, §2, eerste lid: “De preventieprogramma’s bestaan […] minimaal uit
maatregelen met de volgende doelstellingen […] 4° producten hergebruiken en systemen invoeren die reparatie- en hergebruikactiviteiten stimuleren, namelijk voor elektrische en elektronische apparatuur, textiel en meubelen, verpakkingen, bouwmaterialen en -producten;”
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
14
- In het voorgestelde art. 17, §2, tweede lid: “Een preventieprogramma omschrijft verder […] het nut
en de bijdrage […] van instrumenten en maatregelen zoals […] 9° vrijwillige overeenkomsten, consumenten- of producentenpanels of sectoraal overleg gebruiken om ervoor te zorgen dat de betrokken bedrijven of industriële sectoren eigen afvalpreventieplannen of -doelstellingen vaststellen of maatregelen nemen om verspilling die door producten of verpakkingen veroorzaakt is, een halt toe te roepen;;” en “11° economische instrumenten inzetten, zoals de beloning van „schoon” aankoopgedrag of de instelling van een door de consument verplicht te betalen vergoeding voor een verpakkingsartikel of -element dat anders gratis ter beschikking zou worden gesteld; ” Met betrekking tot wijzigingsartikel 10, betreffende art. 18 van het Materialendecreet, vragen Voka, Unizo en Boerenbond, in dezelfde lijn de volgende aanpassing: “Er worden een punt 7° en een
punt 8° toegevoegd, die luiden als volgt: “[…] 8° maatregelen en doelstellingen voor preventie, hergebruik, recyclage en ander beheer van stedelijk afval, waaronder verpakkingsafval, en zwerfvuil”. BBL, VVSG, ABVV, ACV en OECO kunnen zich niet verenigen met de door Voka, Unizo en Boerenbond gevraagde weglatingen van verwijzingen naar verpakkingen. Door ook verpakkingen op te nemen in dit artikel stelt men zich tot doel om ook preventie te bekomen via de vernoemde instrumenten voor "zover relevant en passend binnen de bevoegdheden," aldus de toelichting. Hiermee kan men volgens BBL, VVSG, ABVV, ACV en OECO ook aan de slag in het kader van het ISA, waarbinnen preventie overigens net een onderbelicht aspect vormt. Verder vraagt BBL om in wijzigingsartikel 9 van het ontwerpdecreet, m.b.t. art. 17 van het Materialendecreet, de volgende aanvulling op te nemen: “[…] maatregelen met de volgende
doelstellingen: […] 2°, […] b. ze zijn duurzaam, ook wat betreft levensduur. Er is dus geen geplande of vroegtijdige veroudering;”. Geplande veroudering is immers moeilijk te bewijzen, maar vroegtijdige veroudering, nl. het feit dat voorwerpen al te vaak vroegtijdig stuk gaan, is dat niet. Denk aan elektrische tandenborstels die snel stuk gaan, printers of smartphones die niet gerepareerd of ge-update kunnen worden nadat de garantie is verstreken, geen beschikbaarheid van vervangstukken, enzovoort. Een preventieprogramma moet volgens BBL dus ook op vroegtijdige veroudering mikken, en niet enkel op “geplande” veroudering. 2.5 [12]
Overige Tenslotte vraagt de Minaraad om in wijzigingsartikel 13, betreffende art. 25, §2, van het Materialendecreet, eveneens een uitzondering te maken voor het afleveren van een afgiftebewijs voor bedrijfsafvalstoffen waarbij verschillende afvalstromen in een gezamenlijke ronde worden opgehaald. Bijvoorbeeld bij de inzameling van papier/karton samen met folies, zal voor die (wisselende stroom) folies niet steeds een afgiftebewijs afgeleverd worden, enkel voor het P/K (samen met de folies gewogen). De Raad stelt voor dat de bedrijven hun selectieve inzameling van folies kunnen aantonen én kwantificeren door middel van het aantal aangekochte foliezakken op jaarbasis.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
15
Bijlage – tekstvoorstellen vanwege Voka, Unizo en Boerenbond i.v.m. de memorie In de memorie van toelichting:
P4 : Richtlijn vermindering effecten kunststofproducten. Er dient een sterretje toegevoegd te worden na “bepaalde voedselverpakkingen, zoals dozen, zakjes en wikkels voor voedingsmiddelen*” en “drankverpakkingen van maximaal 3 liter met uitzondering van glas en metaal*” met als uitleg “*Zwerfvuilkosten met betrekking tot verpakkingen worden geregeld via het Samenwerkingsakkoord”,
P 4: schrappen want blikjes vallen onder het ISA : “Een ander voorbeeld zijn blikjes. Die vallen niet
onder de richtlijn kunststoffen, maar we wensen toch dat die net als de andere drankverpakkingen mee betalen aan de zwerfvuilkost. Blikjes zijn een belangrijke stroom in het zwerfvuil en het kan niet de bedoeling zijn dat we metalen drankverpakkingen bevoordelen ten opzichte van plastic drankverpakkingen, waardoor er nog meer blik in het zwerfvuil verschijnt.”
P6: Voorstel tot verplaatsing naar de implementatie: “De regeling voor uitgebreide
producentenverantwoordelijkheid en zwerfvuilkosten voor bedrijfsmatig verpakkingsafval voldoet vandaag mogelijk niet aan het principe van volledige kostendekking. Dit wordt echter geregeld in het interregionaal samenwerkingsakkoord verpakkingsafval dat als ‘lex specialis’ andere regelingen dan voorzien in het materialendecreet, kan vastleggen die specifiek van toepassing zijn op verpakkingen”.
P 12 artikel 11 : voorstel tot uitbreiding : “Dit artikel voorziet de rechtsgrond om de betreffende
bepaling in de SUP-richtlijn om te zetten vanaf 1 januari 2023. Verdere uitwerking is voorzien in uitvoeringsbesluiten en ISA.”
P13: artikel 12 voorstel tot verwijderen : “Een tTypische voorbeelden van dit model is zijn is Valorlub (afvalolie) en Valipac (bedrijfsverpakkingen).”
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
16
Bibliografie
EUROPESE COMMISSIE (2015), Mededeling “Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie”, COM(2015) 614 final, Brussel, 2.12.2015, zie https://eurlex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52015DC0614&from=NL.
EUROPESE COMMISSIE (2020), Mededeling “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie - Voor een schoner en concurrerender Europa”, COM(2020) 98 final, Brussel, 11.3.2020, zie https://eur-lex.europa.eu/resource.html?uri=cellar:9903b325-6388-11ea-b73501aa75ed71a1.0023.02/DOC_1&format=PDF
INSPECTIE VAN FINANCIËN (april 2020), Nota betreffende het voorontwerp van decreet tot wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, PvS/MDM/20/0160, Brussel, 24 april 2020.
NOENS, Pieter (2020), Briefing nota over het EU-Actieplan voor de circulaire economie, april 2020, zie https://www.minaraad.be/themas/materialen/eu-actieplan-voor-de-circulaireeconomie.
RAAD (2020), conclusies van de buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad van 17 tot 21 juli 2020, EUCO 10/20, CO EUR 8, CONCL 4, Brussel, 21 juli 2020.
VLAAMSE REGERING (juli 2020), Mededeling aan de Vlaamse regering betreffende een transversale werking voor de circulaire economie in Vlaanderen, VR 2020 1007 MED.0240/1BIS.
Minaraad, advies over de wijziging van het Materialendecreet, 8/09/2020
17