ONDERNEMINGSPLAN 2011 VLAAMS ENERGIEAGENTSCHAP
December 2010
Inhoudsopgave 1. Inleiding.............................................................................................................................................................3 2. Het Vlaams Energieagentschap als organisatie...........................................................................................3 3. Samenvatting prioriteiten 2011.......................................................................................................................4 4. Interne werking - uitvoering generieke bepalingen uit de beheersovereenkomst..................................5 5. Uitvoering strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereenkomst..........................10 6. Begroting.........................................................................................................................................................63 7. Personeel.........................................................................................................................................................67 8. Personeelsinzet en besteding van beleidskredieten in functie van de operationele organisatiedoelstellingen van de beheersovereenkomst 2011 - 2015........................................................................74
2
1. Inleiding Dit ondernemingsplan is opgemaakt in uitvoering van de beheersovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en het Vlaams Energieagentschap (1 januari 2011 – 31 december 2015) zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 12 november 2010. Artikel 10 van de beheersovereenkomst bepaalt onder andere: ‘Het ondernemingsplan bepaalt de concrete acties die het Vlaams Energieagentschap zal uitvoeren om de operationele jaardoelstellingen te realiseren. Het ondernemingsplan bevat gedetailleerde activiteitenplannen, de nodige middeleninput en de hieraan verbonden output om de strategische organisatiedoelstellingen en de generieke doelstellingen uit de beheersovereenkomst te realiseren.’ Het voorliggende ondernemingsplan 2011 herneemt de strategische en operationele organisatiedoelstellingen van de nieuwe beheersovereenkomst 2011-2015. Aan de strategische organisatiedoelstellingen zijn in het ondernemingsplan effectindicatoren en streefnormen gekoppeld. Voor de operationele organisatiedoelstellingen werden de prestatie-indicatoren en prestatienormen van de beheersovereenkomst hernomen. Waar relevant, worden aan de operationele organisatiedoelstellingen in het ondernemingsplan concrete actiepunten voor 2011, met prestatie-indicatoren en prestatienormen, gekoppeld. Artikel 15.1 van de beheersovereenkomst bepaalt onder andere: ‘Het agentschap zal over de uitvoering van de beheersovereenkomst aan de minister rapporteren door middel van een jaarrapport en een afsluitend eindrapport over de beheersovereenkomst. De rapporten zullen duidelijk verwijzen naar de organisatiedoelstellingen, prestatienormen, prestatie-indicatoren en strategische projecten die in de beheersovereenkomst bepaald zijn.’ Het agentschap heeft in de loop van de vorige beheersovereenkomst een intern rapporteringsinstrument opgezet voor de opvolging van de doelstellingen, normen, indicatoren en projecten van de beheersovereenkomst en onderliggende ondernemingsplannen. De daaruit volgende interne rapportering, geënt op de scorekaartmethodiek, dient mede als input voor de formele rapportering over de uitvoering van de beheersovereenkomst.
2. Het Vlaams Energieagentschap als organisatie Het besluit tot oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap, het Vlaams Energieagentschap, werd door de Vlaamse Regering goedgekeurd op 16 april 2004. Het Vlaams Energieagentschap heeft formeel zijn werking opgestart vanaf 1 april 2006. Het Vlaams Energieagentschap heeft als missie: Het evalueren, voorbereiden en uitvoeren van een op duurzaamheid gericht energiebeleid door het inzetten van de beleidsinstrumenten op een kostenefficiënte en kwaliteitsvolle manier. Het Vlaams Energieagentschap heeft als visie: Het Vlaams Energieagentschap ontplooit zich verder als een klantvriendelijke en betrouwbare overheidsinstantie die: • binnen zijn mogelijkheden bijdraagt tot het stimuleren van het rationeel energiegebruik en de milieuvriendelijke energieproductie; • via sturende maatregelen en doorgedreven communicatie tracht de samenleving te doordringen van de boodschap dat de meest milieuvriendelijke, de meest goedkope én dus de meest sociale energie deze is welke niet wordt verspild; • flexibel en efficiënt inspeelt op veranderende omgevingsfactoren; • medewerkers de kans biedt zichzelf te vervolmaken en ruime aandacht heeft voor een stimule- rende werksfeer met een goede balans tussen werk en privé.
3
In het kader van de realisatie van zijn missie en visie voert het agentschap volgende beleidsuitvoerende taken uit: • het bevorderen van het rationeel energiegebruik en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen; • het bevorderen van de milieuvriendelijke energieproductie en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen; • het voeren van sensibiliserings- en communicatieacties inzake milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik; • het uitvoering geven aan de regelgeving in verband met beheer en uitbouw van de distributie- netten van elektriciteit, gas en warmte; • het uitvoeren, of laten uitvoeren, van analyses ter ondersteuning van de beleidsuitvoering; • het verwerken van de uit de beleidsuitvoering verworven informatie met het oog op het toele veren aan het departement van beleidsgerichte input; • het bijdragen tot de uitvoering van het Vlaams klimaatbeleidsplan; • alle andere beleidsuitvoerende taken betreffende het energiebeleid die bij decreet of door de Vlaamse Regering aan het Vlaams Energieagentschap worden toevertrouwd. Bij de uitvoering van de taken wordt het gedrag en handelen van de werknemers van het Vlaams Energieagentschap afgetoetst aan de volgende agentschapsspecifieke waarden: • klantgerichtheid; • dynamiek en flexibiliteit; • efficiëntie; • deskundigheid; • teamgeest.
3. Samenvatting prioriteiten 2011 • Evaluatie maturiteitsinschatting door IAVA en uitwerking actieplan 2011(betreffende de peri- ode 2011-2015). • Voorbereiden van het ontwerp van het tweede Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie. • Uitwerken van een Vlaams actieplan om de bouw van bijna-energieneutrale gebouwen te stimuleren. • Uitwerken van een stappenplan voor het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen. • Versterken van de handhaving van de energieprestatieregelgeving. • Voorbereiding implementatie stroomlijning van energiepremies. • Ontwikkelen berekeningsmethodiek energieprestatiecertificatensysteem voor niet-residentiële gebouwen die worden verkocht of verhuurd. • Uitwerken van een voorstel over de voortzetting van de aflopende energiebeleidsovereenkom sten. • Versterken van de handhaving op de kwaliteit van het energieprestatiecertificaat voor resi- dentiële gebouwen. • Uitwerken van een actieplan voor de kwaliteitsborging van de opleidingen tot energiedeskundigen en stroomlijning types energiedeskundigen. • Bijdragen tot de evaluatie van de groenestroom- en warmtekrachtcertificatensystemen. • Begeleiden introductie van ondersteuning van grootschalige groene warmte investeringen. • Uitwerken van een beleidskader om de duurzame inzet van vaste en gasvormige biomassa voor energieproductie te realiseren. • Uitwerken van een voorstel voor een verplicht minimumaandeel hernieuwbare energie in de energieprestatieregelgeving. • Voorbereiden van een certificatieregeling voor opleidingen van de installateurs van kleinschalige hernieuwbare-energie-installaties. • Wenselijkheid van de uitwerking van een marktintroductieplan voor micro WKK-installaties onderzoeken. • Bijdragen tot de evaluatie van de sociale openbaredienstverplichtingen. • Uitwerken van de krachtlijnen voor een regelgevend kader voor sociale dakisolatieprojecten. • Organisatie van het overleg over de tweede generatie energie/klimaatconvenanten in samen- werking met het departement LNE. • Bijdragen tot de voorbereiding en uitvoering van de energiebeleidscyclus.
4
4. Interne werking – uitvoering generieke bepalingen uit de beheersovereenkomst 4.1. Het VEA zal de maturiteit van haar organisatie verbeteren door een verbetertraject op te zetten • Effectindicator: Maturiteitsinschatting (door IAVA) • Streefnorm: Verhoging van de maturiteit eind 2014 ten opzichte van eind 2010
4.1.1. Jaarlijks actualiseren van de zelfevaluatie volgens de thema’s van de leidraad interne controle/organisatiebeheersing • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid jaarlijkse actualisatie van de zelfevaluatie • Prestatienorm: Jaarlijks beschikbaar op de Directieraad van oktober
Kader en stand van zaken De validatie van de maturiteit door IAVA, stand van zaken eind 2010, zal ter beschikking komen begin 2011. Deze validatie en de te remediëren aandachtspunten aangereikt door IAVA, zullen de basis vormen voor een verbetertraject voor de relevante thema’s, op te starten eind 2011.
Planning 2011 Tegen oktober 2011 wordt de zelfevaluatie geactualiseerd en opnieuw gevalideerd door de Directieraad. Deze geactualiseerde zelfevaluatie zal zich focussen op te remediëren aandachtspunten en de basis vormen voor een verbetertraject voor de relevante thema’s, op te nemen in volgende ondernemingsplannen.
4.1.2. Jaarlijks een verbetertraject voor de relevante thema’s van de leidraad interne controle/organisatiebeheersing concretiseren in het ondernemingsplan op basis van de jaarlijkse actualisatie van de zelfevaluatie en, indien beschikbaar, op basis van aanbevelingen geformuleerd door controle-instanties • Prestatie-indicator: Beschrijving verbetertraject in het ondernemingsplan • Prestatienorm: ondernemingsplan is jaarlijks beschikbaar op de Directieraad van december van het jaar N 1 De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opstellen en actualiseren van een actie- en opvolgingsplan Interne Controle/Organisatiebeheersing
Beschikbaarheid actie- en opvolgingsplan
- Directieraad juni 2011 - Directieraad december 2011
5
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Concretisering en opname in het actie- en opvolgingsplan Interne Controle/Organisatiebeheersing van een verbetertraject/meerjarenplanning inzake de HRM-instrumenten tot het bereiken van maturiteitsscore 4 voor eind 2014 voor het HRM-organisatiethema
Beschikbaarheid HRM-verbetertra- Directieraad december 2011 ject in het Actie- en opvolgingsplan Interne Controle/Organisatiebeheersing
Op basis van de aanbevelingen uit de maturiteitsinschatting van IAVA van begin 2011, zal het VEA in 2011 haar systeem van organisatiebeheersing verder ontwikkelen, opvolgen, evalueren en bijsturen via een nieuw actie- en opvolgingsplan Organisatiebeheersing/Interne Controle. Dit plan wordt in ontwerp opgesteld tegen juni 2011 en daarna eind 2011 gefinaliseerd met daarin krachtlijnen voor de voorgenomen verbetertrajecten voor de relevante thema’s. Bij de optimalisering van de organisatiebeheersing en het streefdoel van een maturiteitsverhoging zal, gelet op de te verwachten hoge werkdruk, in 2011 bijzondere aandacht worden besteed aan een concreet verder verbetertraject voor het HRM-beleid van het agentschap. Een versterkt HRM-beleid moet ertoe bijdragen dat de personeelsleden van het agentschap in hoge mate tevreden blijven over hun werksituatie en -omgeving. Daartoe wordt er minstens een specifiek verbetertraject en meerjarenplanning voor het thema HRM opgesteld. Dit verbetertraject wordt opgenomen in het bovengenoemde actie- en opvolgingsplan 2011 en heeft als finaliteit het systematisch bewaken, regelmatig evalueren en bijsturen van de HRM-instrumenten en procedures, teneinde te komen tot een ‘beheerst’ systeem zodat tegen eind 2014 voor dit organisatiethema een maturiteitsscore 4 kan worden behaald. Dit verbetertraject voor het thema HRM heeft in principe betrekking op de personeelstevredenheid, loopbaancompetenties en verwachtingen, arbeidsregelgeving, vorming, gelijkekansen- en diversiteit en de jaarlijks te voorziene globale evaluatie en bijsturing van alle HRM-instrumenten en -procedures. Het VEA zal haar medewerkers in 2011 opnieuw een kwaliteitsvol opleidingsbeleid aanbieden met zowel aandacht voor ontwikkelingsgerichte competenties als functiespecifieke competenties. De individuele vormingsaanvragen worden beoordeeld volgens de criteria die zijn vastgelegd in een vormingsplan. Het agentschap zal binnen haar werkingsmiddelen voor 2011 per personeelslid een gemiddeld vormingsbudget van 500 euro voorzien. Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Het opstellen van het vormingsplan 2011
Beschikbaarheid van vormingsplan 2011
Goedkeuring op Directieraad van april 2011
Bij alle eventueel uit te schrijven contractuele vacatures in het jaar 2011 besteedt het VEA speciale aandacht aan het aanmoedigen tot solliciteren van personen van allochtone afkomst of personen met een arbeidshandicap. Er wordt ook minstens één vakantiejob voorzien en hiervoor worden personen uit kansengroepen in het bijzonder aangemoedigd om zich kandidaat te stellen. Bij de selectie wordt de voorkeurregel gehanteerd. Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Evaluatie van het gelijke-kansen-en-diversiteitsplan 2010 en opmaak planning 2011
Beschikbaarheid evaluatie gelijkekansen-en-diversiteitsplan 2010 en beschikbaarheid plan 2011
Goedkeuring op Directieraad van juni 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Het contractueel aanwerven van een Arbeidsovereenkomst tussen het VEA en Arbeidsovereenkomst in 2011 getekend persoon van allochtone afkomst of van een persoon van allochtone afkomst of door minstens één contractueel persoeen persoon met een arbeidshandicap persoon met een arbeidshandicap neelslid of jobstudent van allochtone afkomst of met een arbeidshandicap
6
4.2. Het VEA wil bij de uitvoering van haar kerntaken meetbare efficiëntiewinsten realiseren door een verbetertraject op te zetten • Effectindicator: Personeelseffectief van het agentschap in VTE • Streefnorm: Status quo aantal VTE’s 2015 t.o.v. (juli) 2009 voor zover hierover geen andere beslissing werd genomen door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde
4.2.1. Vermindering van de personeelsbehoeften van het VEA voor de processen die in de nutsmatrix voor het agent schap als afstootbare processen of processen met een beperkte meerwaarde voor het Vlaamse energiebeleid worden gecatalogeerd • Prestatie-indicator: Personeelsinzet voor processen die volgens de nutsmatrix 2010 een beperkte meerwaarde hebben of als afstootbaar worden gecatalogiseerd • Prestatienorm: Eind 2015 wordt voor deze processen geen personeel meer ingezet Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Monitoringrapport van de personeelsinzet per kern- Beschikbaarheid proces port
Prestatienorm monitoringrap-
Uiterlijk eind 2011 (Ondernemingsplan 2012)
Gelet op de in de Vlaamse Regering gemaakte afspraken, wordt onder constant beleid de beheersovereenkomst in principe uitgevoerd met het huidige personeelsbestand. Het agentschap telde op 13 juli 2009 48 personeelsleden (44 VTE). De energiebeleidsmaatregelen die de voorbije jaren werden geïmplementeerd, kennen jaarlijks een toenemend succes. Dit resulteert in een grotere werkbelasting voor het agentschap (bv. aantal uit te betalen dakisolatiepremies, aantal te verwerken aanvraagdossiers voor een verhoogde investeringsaftrek voor energie-investeringen). Om het toenemende werkvolume binnen de gestelde prestatienormen te kunnen verwerken, optimaliseert het agentschap zijn organisatiebeheersing. Eén element is dat ter voorbereiding van de nieuwe beheersovereenkomst 2011-2015 het agentschap eind 2010 zijn (deel)processen met beperkte meerwaarde voor de strategische en operationele doelstellingen voor het Vlaams energiebeleid intern heeft geïnventariseerd in een nutsmatrix. Dit met het oog op een verhoogde efficiëntie van de beschikbare personeelsinzet. Het agentschap zal de nodige initiatieven nemen om de personeelsinzet voor de volgende processen af te bouwen, of minstens sterk te verminderen: • Behandelen van aanvragen van wegovereenkomsten en –vergunningen. • Adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de Samenwerkings- overeenkomst. Het eerste proces wordt volledig afgebouwd vanaf 2011. Hiervoor wordt een decretaal initiatief genomen. De afbouw van het tweede proces wordt beoogd vanaf 2014. De huidige Samenwerkingsovereenkomst loopt tot eind 2013. Personeel dat vrijkomt door de afbouw van deze processen zal door het agentschap aan de meer prioritaire processen worden toegewezen. Bij het jaarlijks ondernemingsplan wordt een document gevoegd dat de geplande personeelsinzet per kernproces in het betreffende werkingsjaar beschrijft. In het jaarverslag zullen personeelsherschikkingen worden beschreven.
7
4.2.2. Jaarlijkse systematische doorlichting van de processen met het oog op mogelijke automatisaties • Prestatie-indicator: Jaarlijkse doorlichtingsnota • Prestatienorm: Jaarlijks beschikbaar op Directieraad van december en bezorgd aan de minister. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Regelmatige rapportering, bespreking en beslissing Datum beschikbaarheid rapporteover lopende en nieuwe automatiseringsmogelijkhe- ring den
- Directieraad maart 2011 - Directieraad september 2011
Om efficiëntiewinsten te kunnen boeken, zal het agentschap inzetten op de verdere automatisering van zijn kernprocessen. In 2011 zal de Directieraad de acties van 2010 evalueren en waar nodig verder zetten, de nieuwe mogelijkheden voor 2011 (laten) identificeren en nieuwe geselecteerde automatiseringsprojecten (laten) uitvoeren.
4.2.3. Uitbouwen van een energieprestatiedatabank tot authen tieke gegevensbron • Prestatie-indicator: Release van de energieprestatiedatabank als authentieke gegevensbron • Prestatienorm: De energieprestatiedatabank wordt uiterlijk op 31 december 2015 erkend als authentieke bron. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Automatisch aanspreken van authentieke bronnen: - voor de unieke identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen; - voor de verificatie van kenmerken (diploma) en mandaten van personen.
Release van energieprestatiedatabank met deze functionaliteiten
Release op uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken De energieprestatiedatabank wordt gebruikt voor de registratie van de verslaggevers en de energiedeskundigen. Ze bevat alle documenten die in het kader van de EPB- en energieprestatiecertificatieregelgeving elektronisch worden opgemaakt of doorgestuurd (de vergunningen, de startverklaringen en de EPB-aangiften, de energieprestatiecertificaten van publieke gebouwen en de energieprestatiecertificaten voor bestaande residentiële gebouwen). De uitbouw en erkenning van de energieprestatiedatabank als authentieke gegevensbron past in het Vlaamse beleid rond elektronisch bestuurlijk gegevensverkeer dat via het besluit van 15 mei 2009 en het decreet van 18 juli 2008 uitgetekend werd en is tevens een sleutelproject in het actieprogramma ‘slagkrachtige overheid’. Het draagt bij tot de uitvoering van het regeerakkoord voor wat betreft de administratieve vereenvoudiging en het verhogen van de efficiëntie van de dienstverlening door de Vlaamse overheid. Met de energieprestatiedatabank beschikt het VEA over een elektronische gegevensbron met een schat aan informatie over de energieprestaties van zowel nieuwe als bestaande gebouwen. De bedoeling van dit project is enerzijds het ontwikkelen van een databank als authentieke bron voor energieprestatiegegevens die elektronisch kan worden ontsloten door andere overheidsdiensten en anderzijds zelf zoveel mogelijk authentieke bronnen aan te spreken zodat burgers en ondernemingen zo weinig
8
mogelijk gegevens moeten bezorgen die al bij de overheid gekend zijn. Om een aantal zaken (bv. diplomavereisten verslaggevers, domicilie van een aangifteplichtige, ingebruikname gebouw, domicilie van eigenaars van gebouwen, gegevens van energiedeskundigen, ‌) te controleren, zal niet langer een beroep moeten worden gedaan op de gebruikers van de databank en andere overheidsdiensten en kan het aantal vaststellingen ter plaatse worden verminderd. In 2010 werden de impact en de wijzigingen geanalyseerd die nodig zijn om de authentieke bronnen voor de identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen aan te spreken.
Planning 2011 In 2011 zullen de impact en wijzigingen geanalyseerd worden die nodig zijn om de verificatie van kenmerken (diploma) en mandaten van personen (werkgever-werknemer) automatisch te laten verlopen. Vervolgens zal de effectieve ontwikkeling worden opgestart van het automatisch aanspreken van de authentieke bronnen voor de identificatie van natuurlijke personen en rechtspersonen en voor de verificatie van mandaten (werkgever-werknemer) van personen. De projecten met betrekking tot de digitale bouwaanvraag en de unieke identificatie van het gebouw zullen in 2011 verder worden opgevolgd. De ontwikkeling van de koppeling van de energieprestatiedatabank met de authentieke bronnen voor kenmerken van personen (diploma), zal gebeuren in 2012 of later. Ook voor de unieke identificatie van gebouwen zijn de eerste concrete implementaties niet voor 2014 te verwachten.
Budget 2011 Uitbouw energieprestatiedatabank tot authentieke gegevensbron (125.000 euro).
9
5. Uitvoering strategische en operationele doelstellingen uit de beheersovereen komst 5.1. Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaat regelen inzake de bevordering van het efficiënte gebruik van energie kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs • Effectindicator: Finaal energiebesparingspercentage • Streefnorm: Evolutie conform de doelstellingen zoals door de Vlaamse Regering vooropgesteld in het tweede en derde actieplan energie-efficiëntie
5.1.1. Het VEA zal de implementatie coördineren van de bepa- lingen van de Europese richtlijn energie-efficiëntie die betrekking hebben op de gewestelijke energiebevoegd- heden • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie • Prestatienorm: Het ontwerp van het tweede Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie wordt uiterlijk op 31 mei 2011 aan de minister bezorgd. Het ontwerp van het derde Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie wordt uiterlijk op 28 februari 2014 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Stakeholderoverleg over het ontwerp voor het twee- Stakeholderoverleg de actieplan
Prestatienorm Uiterlijk eind april 2011
Kader en stand van zaken Dit is een sleutelproject in uitvoering van het Regeerakkoord, Vlaanderen in Actie (ViA)en de doorbraak ‘groen en dynamisch stedengewest’. Op 17 mei 2006 trad de Europese richtlijn betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten in werking. De richtlijn verplicht de lidstaten onder andere om in de periode 2008-2016 een indicatieve doelstelling van 9% besparing op het eindverbruik van energie te halen. De referentieperiode is de recentste periode van vijf jaar voorafgaand aan de uitvoering van de richtlijn waarvoor officiële cijfers beschikbaar zijn. Voor het Vlaams Gewest en de andere gewesten is dit 2001-2005. De lidstaten zijn verplicht om hierover driemaal uitgebreid te rapporteren aan de Europese Commissie, via de actieplannen ‘energie-efficiëntie’ (2007, 2011, 2014). Begin juli 2010 heeft de Europese Commissie een draft van het geharmoniseerd model voor de bottum-up en top-down berekening van de energiebesparingen ter beschikking gesteld. De bottum-up rekenmethodes hebben in hoofdzaak betrekking op de gebouwensector. Waar geharmoniseerde
10
rekenmethodes ontbreken, moeten eigen methodes worden uitgewerkt en in het tweede actieplan ‘energie-efficiëntie’ van 2011 met motivatie aan de Europese Commissie worden voorgelegd. In 2010 werd in de ENOVER-werkgroep ‘energie-efficiëntie’ tussen de gewesten en de federale overheid overlegd over de te hanteren inputgegevens en parameters voor de berekening van de bottum-up besparingen. De geharmoniseerde bottum-up methodes werden reeds toegepast op een aantal Vlaamse beleidsmaatregelen en er werden al een aantal eigen methodes uitgewerkt en doorgerekend. Door het consortium Econotec-ICEDD-VITO werd in opdracht van de drie gewesten en de federale overheid een studie uitgevoerd aangaande de toepasbaarheid van de top-down rekenmethodes. Het meest recente ontwerpsjabloon voor de opmaak van het tweede Actieplan Energie-Efficiëntie werd op 11 oktober 2010 door de Europese Commissie aan de lidstaten bezorgd. Er werd vooropgesteld dat het definitieve sjabloon van het actieplan, alsook de finale versie van de geharmoniseerde rekenmethodes, eind 2010 beschikbaar zullen komen.
Planning 2011 België moet ten laatste op 30 juni 2011 haar tweede Actieplan Energie-Efficiëntie indienen bij de Europese Commissie. Dit plan moet volgende onderdelen bevatten: • de vastgestelde energiebesparingsstreefwaarden; • een omschrijving van de geplande maatregelen om de streefwaarden te bereiken; • een evaluatie en beoordeling van het vorige actieplan (2007); • de resultaten van de reeds gerealiseerde energiebesparingen; • plannen voor extra maatregelen voor het geval dat de streefwaarden feitelijk of vermoedelijk niet worden gehaald; • een omschrijving van de maatregelen die genomen worden om de voorbeeldrol van de publieke sector te vervullen; • een omschrijving van de maatregelen inzake informatie- en adviesverstrekking aan de eindverbruiker. In eerste instantie zal de energiebesparing van de beleidsmaatregelen uit het eerste Vlaams Actieplan Energie-Efficiëntie worden doorgerekend aan de hand van de geharmoniseerde of eigen rekenmethodes. Voor de gebouwensector (huishoudens, dienstensector, KMO’s) gaat dit in hoofdzaak om de energieprestatieregelgeving en de financiële steunmaatregelen voor energiebesparende investeringen in bestaande gebouwen. Voor de energie-intensieve industrie worden de besparingen van de energieconvenanten in rekening gebracht. Ook de beleidsmaatregelen uit het eerste Actieplan Energie-Efficiëntië gericht naar de transportsector en de landbouwsector, zullen in overleg met de betrokken beleidsvelden worden geactualiseerd. De richtlijn laat ook toe om de besparing bij de eindgebruikers door middel van de toepassing van hernieuwbare energietechnieken mee te nemen. Hiervoor zullen de meest prioritaire maatregelen uit het actieplan hernieuwbare energie worden overgenomen. Indien de energiebesparingsstreefwaarden van het eerste plan niet worden gehaald, moeten in het tweede plan extra maatregelen worden opgenomen (beleidsveld Energie en/of andere beleidsvelden).
Budget 2011 Externe ondersteuning bij gegevensverzameling en/of opmaak en doorrekenen van eigen rekenmethodes (150.000 euro)
5.1.2. Het VEA zal de omzetting in Vlaamse regelgeving voorbe reiden van de bepalingen van de gereviseerde Europese richtlijn inzake de energieprestaties van gebouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid ontwerp van regelgeving • Prestatienorm: Het ontwerp van regelgeving wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd
11
Kader en stand van zaken Op 8 juli 2010 trad de nieuwe Europese richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen in werking (gereviseerde EPBD). Elke lidstaat heeft vanaf deze datum maximum twee jaar de tijd om de richtlijn om te zetten in eigen wetgeving. De belangrijkste wijzigingen voor de EPB- en EPC-regelgeving zijn: • de energieprestatie-eisen moeten de kostenoptimale niveaus, berekend overeenkomstig een gemeenschappelijke Europese benchmarkingmethode, benaderen; • vanaf 2021 moeten alle nieuwe gebouwen ‘bijna-energieneutrale gebouwen’ zijn. Vanaf 2019 mogen de overheden alleen nog nieuwe gebouwen in gebruik nemen die aan dat concept voldoen. De lidstaten zullen een actieplan moeten opstellen om te zorgen voor een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen, in nieuwbouw en bij renovatie; • de haalbaarheid van alternatieve systemen van energieopwekking moet onderzocht worden voor elk nieuw gebouw, ongeacht zijn grootte; • het toepassingsgebied van energieprestatie-eisen voor bestaande gebouwen wordt uitgebreid. Er moeten energieprestatie-eisen vastgelegd worden voor alle ingrijpende renovaties, ongeacht de grootte van het gebouw. Daarnaast moeten energieprestatie-eisen worden vastgesteld voor kleinere renovaties waarbij een deel van de gebouwschil wordt vervangen dat een signi- ficante impact heeft op de energieprestatie; • er moeten systeemeisen vastgelegd worden op het vlak van de globale energieprestatie van technische installaties die vervangen worden in bestaande gebouwen; • de maatregelen die op het energieprestatiecertificaat worden opgenomen, moeten technisch haalbaar zijn. Er moet aangegeven worden welke stappen nodig zijn om de maatregelen uit te voeren en waar de eigenaar of huurder meer informatie kan verkrijgen over onder andere de kostenefficiëntie van de maatregelen; • het toepassingsgebied van het energieprestatiecertificaat voor publieke gebouwen die vaak door het grote publiek worden bezocht, wordt uitgebreid naar alle gebouwen met een bruik- bare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2. Vanaf 9 juli 2015 wordt de drempel van 500 m2 verlaagd naar 250 m2; • het certificaat moet niet alleen in publieke gebouwen op een opvallende plaats worden opgehangen maar in alle gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2 die frequent door het publiek worden bezocht, zoals winkels, hotels, restaurants, supermarkten, schouwburgen en banken; • het kengetal op het energieprestatiecertificaat bij verkoop en verhuur moet worden vermeld in de advertenties in commerciële media; • certificaten moeten worden afgeleverd door deskundigen die worden geaccrediteerd naargelang hun competenties; • er moet een onafhankelijk controlesysteem voor de certificaten worden ingevoerd; • bij de keuring van verwarmings- en airconditioningsystemen moet een verslag worden opgesteld dat aanbevelingen bevat en aan de eigenaar of huurder wordt overhandigd; • er moeten sancties, die evenredig en doeltreffend zijn, worden vastgelegd voor inbreuken op de wetgeving, waarmee de richtlijn wordt omgezet. De bepalingen moeten worden toegepast vanaf uiterlijk 9 januari 2013. Een aantal bepalingen zijn reeds omgezet met het wijzigingsdecreet en het -besluit dat op 17 december 2010 principieel werd goedgekeurd. Voor een aantal bepalingen is nog verder overleg nodig. Tegen medio 2011 zal een nieuw wijzigingsbesluit worden uitgewerkt.
Planning 2011 De besluitswijzigingen die nodig zijn voor de vervollediging van de omzetting van de richtlijn worden voorbereid. Voor de gerelateerde activiteiten van 2011 wordt verwezen naar andere operationele doelstellingen van dit ondernemingsplan, meer bepaald inzake het actieplan bijna-energieneutrale gebouwen en het stappenplan tot het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen.
12
5.1.3. Het VEA zal een actieplan bijna-energieneutrale gebouwen uitwerken • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid voorstel van actieplan • Prestatienorm: Het voorstel van actieplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Stakeholderoverleg over voorstel van actieplan om de eerste versie van het voorstel van actieplan verder uit te werken en te concretiseren
Beschikbaarheid versie voorstel van actieplan na stakeholderoverleg
Uiterlijk op 31 juli 2011
Kader en stand van zaken De nieuwe EPBD-richtlijn bepaalt dat vanaf 2021 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutrale gebouwen moeten zijn. In het kader van de voortrekkersrol van de publieke sector, geldt die verplichting voor nieuwe overheidsgebouwen al vanaf 2019. De Europese richtlijn stelt dat er een globaal actieplan moet worden opgesteld om een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als in het bestaande gebouwenpark, te stimuleren. Een deel van dit actieplan zal bestaan uit regelgevende initiatieven inzake de definitie van bijna-energieneutrale gebouwen en het vastleggen van het verstrengingspad inzake de EPB-eisen tot 2021. Een globaal actieplan is echter ruimer. Om te zorgen voor een toename van het aantal bijna-energieneutrale gebouwen vóór 2021, moeten de lidstaten plannen opstellen die voor verschillende categorieën gebouwen gedifferentieerde streefcijfers bevatten. Dergelijk actieplan bevat naast maatregelen gericht op nieuwbouw, ook maatregelen, zoals het bepalen van streefcijfers, die kaderen in een beleid om de transformatie van gebouwen die worden gerenoveerd tot bijna-energieneutrale gebouwen te stimuleren. Het actieplan moet onder meer de volgende elementen omvatten: • de gedetailleerde definitie van bijna-energieneutrale gebouwen, waarin nationale, regionale of lokale omstandigheden in aanmerking worden genomen, en met inbegrip van een numerieke indicator van het primaire energieverbruik, uitgedrukt in kWh/m² per jaar; • de tussentijdse streefcijfers voor het verbeteren van de energieprestatie van nieuwe gebouwen tegen 2015; • informatie over het beleid en de vastgestelde financiële of andere maatregelen ter bevorde- ring van bijna-energieneutrale gebouwen, met inbegrip van nadere gegevens over nationale eisen en maatregelen in verband met het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen in nieuwe gebouwen en in bestaande gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan. De Europese Commissie beoordeelt het (samen met de andere gewesten op Belgisch niveau gecoördineerd) actieplan en gaat na of de voorgestelde maatregelen adequaat zijn. Na beoordeling kan de Europese Commissie een aanbeveling doen. De Commissie zal uiterlijk op 31 december 2012 en vervolgens om de drie jaar een verslag publiceren over de voortgang. Op basis van dat verslag werkt zij op Europees niveau een actieplan uit en stelt, indien nodig, nieuwe Europese maatregelen voor om het aantal van dergelijke gebouwen te doen toenemen en moedigt aan tot het volgen van beste praktijken in verband met het kostenefficiënt transformeren van bestaande gebouwen tot bijna-energieneutrale gebouwen. Het actieplan zal in nauw overleg met alle stakeholders worden uitgewerkt. Op 2 december 2010 werd door het VEA een eerste versie van het voorstel van actieplan aan de stakeholders bezorgd voor feedback.
13
Planning 2011 Vanaf februari 2011 zal de feedback van de stakeholders in kleinere groepen worden besproken. Tegen halfweg 2011 zal het voorstel van actieplan, rekening houdend met de ontvangen feedback en de resultaten van het gevoerde overleg, verder worden uitgewerkt en aan de minister worden bezorgd. Een belangrijk onderdeel van het actieplan is het uitwerken van een voorstel voor de definitie van verschillende categorieën van bijna-energieneutrale gebouwen welke nodig is om het verstrengingspad voor de EPB-eisen tot 2021 te kunnen vastleggen (zie OOD 5.1.4.).
Budget 2011 Voorbereiding opmaak en implementatie actieplan bijna-energieneutrale gebouwen (300.000 euro)
5.1.4. Het VEA zal een stappenplan uitwerken tot het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen voor nieuwbouw tot 2021 • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid voorstel van stappenplan • Prestatienorm: Het voorstel van stappenplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Actualisatie van studies i.v.m. kostenoptimale energieprestatie-eisen
Toewijzing van de studies
Uiterlijk op 30 september 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Onderzoeksopdracht systeemeisen
Toewijzing van de onderzoeksopdracht
Uiterlijk op 31 mei 2011
Kader en stand van zaken Het Vlaams Energieagentschap heeft in 2010 zijn tweede evaluatie van de energieprestatieregelgeving afgerond. Mede op basis van dit evaluatieverslag is in het najaar de politieke besluitvorming opgestart die op 17 december 2010 geresulteerd heeft in volgende principiële beslissing omtrent de verdere verstrenging van de EPB-eisen: • verstrengen van het E-peil tot E70 in 2012; • verstrengen van het E-peil tot E60 in 2014; • ook de eisen op het vlak van de thermische isolatie (Umax/Rmin en het K-peil) worden mee verstrengd; • invoering nieuwe eis inzake netto-energiebehoefte voor verwarming. De definitieve goedkeuring mag in het voorjaar van 2011 worden verwacht met inwerkingtreding vanaf 1 januari 2012.
Planning 2011 Het stakeholderoverleg over het verstrengingspad (gedifferentieerd voor wat betreft publieke gebouwen) zal worden voortgezet in het kader van de opmaak van het actieplan bijna-energieneutrale gebouwen. De gemeenschappelijke Europese methode voor het bepalen van de kostenoptimale eisenniveaus zal tegen eind juni 2011 worden gepubliceerd.
14
Het vergelijkend methodologisch kader zal een onderscheid maken tussen nieuwe en bestaande gebouwen en tussen verschillende categorieën van gebouwen. De Commissie zal naast het methodologisch kader ook richtsnoeren voor het uitvoeren van het onderzoek en informatie over geraamde energieprijsontwikkelingen over de lange termijn verstrekken. Het kostenoptimale niveau van de minimumeisen inzake energieprestatie wordt in de richtlijn gedefinieerd als het energieprestatieniveau dat gedurende de geraamde economische levensduur de laagste kosten met zich meebrengt. De lidstaten zullen de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie berekenen aan de hand van het ter beschikking gestelde vergelijkend methodologisch kader en de resultaten vergelijken van die berekening met de geldende minimumeisen inzake energieprestatie. Om het kostenoptimale niveau te onderzoeken, zullen de lidstaten de volgende stappen moeten volgen: • Referentiegebouwen definiëren. Tot de referentiegebouwen behoren zowel nieuwe als bestaande, al dan niet voor bewoning bestemde, gebouwen. • Energie-efficiëntiemaatregelen definiëren die voor de referentiegebouwen moeten worden beoordeeld. • De finale en primaire energiebehoefte van de referentiegebouwen beoordelen, alsook van de referentiegebouwen als de vastgestelde energie-efficiëntiemaatregelen zijn toegepast. • De kosten (d.w.z. de netto contante waarde) van de op de referentiegebouwen gedurende de verwachte levensduur toegepaste energie-efficiëntiemaatregelen berekenen door toe- passing van de beginselen van het vergelijkend methodologisch kader. Een eerste studie rond het kostenoptimale niveau van de energieprestatie-eisen voor residentiële gebouwen, werd in opdracht van het VEA uitgevoerd in 2007-2008. In deze studie werd het economische optimum bepaald voor 6 referentiewoningen en appartementen, en dat zowel voor nieuwbouw als voor renovatie. In 2009-2010 werd een tweede studie uitgevoerd naar het kostenoptimale niveau van de energieprestatie-eisen voor kantoorgebouwen. In die studie werd niet vertrokken van referentiekantoren maar van reële kantoorgebouwen. Een studie overeenkomstig de door de Europese Commissie ter beschikking gestelde richtsnoeren, zal worden opgestart in de tweede helft van 2011. Op basis van de studie zal het VEA uiterlijk eind april 2012 een voorstel uitwerken voor een verslag aan de Commissie met inbegrip van eventuele voorstellen voor aanpassing van de EPB-eisen tot het kostenoptimale niveau. Een tweede studie zal worden uitgevoerd om te onderzoeken welke systeemeisen kunnen vastgelegd worden bij vernieuwing, vervanging of verbetering van technische installaties in bestaande gebouwen. De lidstaten moeten regelmatig en tenminste om de vijf jaar aan de Commissie verslag uitbrengen over de inputgegevens, de veronderstellingen en de resultaten van de berekeningen. Het eerste verslag wordt uiterlijk 30 juni 2012 ingediend. Als het resultaat van de uitgevoerde vergelijking aantoont dat de geldende minimumeisen beduidend minder energie-efficiënt zijn dan de kostenoptimale niveaus, geeft de lidstaat in het verslag aan de Commissie een schriftelijke verantwoording voor dat verschil. Als het verschil niet kan worden verantwoord, gaat het verslag vergezeld van een plan waarin de gepaste stappen worden geschetst om het verschil tegen de volgende toets aanzienlijk te verminderen.
Budget 2011 Onderzoek van het kostenoptimum voor energieprestatie-eisen van nieuwe en bestaande residentiële en niet-residentiële gebouwen volgens Europese richtsnoeren (80.000 euro) Uitvoeren van een studie betreffende de systeemeisen aan de technische installaties bij renovaties van bestaande gebouwen (100.000 euro)
15
5.1.5. Het VEA zal de implementatie voorbereiden van het ener gieprestatiecertificatensysteem voor niet-residentiële ge bouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van ontwerp van ministerieel besluit dat de datum van inwerkingtreding vastlegt • Prestatienorm: Het ontwerp van ministerieel besluit wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opvolging studie uitwerking berekeningsmethodiek
Deelname aan de werksessies 100% voor de uitwerking van de rekenmethode en de uitwerking van het inspectieprotocol
Prestatienorm
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak planning opleidingstraject
Beschikbaarheid planning opleidingstraject
Uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken Op 5 december 2008 heeft de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring gehecht aan het besluit met betrekking tot de energieprestatiecertificatie bij verkoop en verhuur van niet-residentiële gebouwen. Het besluit moet nog door middel van een ministerieel besluit in werking worden gesteld. Een effectieve inwerkingtreding is pas zinvol indien er een certificatiesoftware beschikbaar is en er voldoende energiedeskundige type D zijn erkend om de energieprestatiecertificaten voor niet-residentiële gebouwen op te maken. Om erkend te kunnen worden, moet een kandidaat-energiedeskundige type D een door het VEA erkende opleiding hebben gevolgd. Een belangrijke module van de opleiding zal bestaan uit het strikt na te leven inspectieprotocol en de verplicht te gebruiken certificatiesoftware. De opleidingen kunnen dan ook maar pas starten van zodra de certificatiesoftware en het inspectieprotocol beschikbaar zijn. Voor de berekening van de energieprestaties van bestaande, niet-residentiële gebouwen werd in samenspraak met de andere gewesten gekozen om een Nederlandse rekenmethodiek en software aan te passen aan de Belgische context. De gezamenlijke opdracht werd eind mei 2010 toegekend aan de NV BuildDesk. Voor de ontwikkeling van de rekenmethodiek is nog wetenschappelijke ondersteuning vereist. Hiervoor werd, eveneens samen met de andere gewesten, een algemene offerteaanvraag gelanceerd. De toekenning van de volledige opdracht zal begin 2011 plaatsvinden.
Planning 2011 Pas als de wetenschappelijke partners gekend zijn, kan worden gestart met de effectieve ontwikkeling van de rekenmethodiek en het inspectieprotocol die op een reeks bestaande gebouwen zullen worden getest. De ontwikkeling van de software, de opleidingen voor trainers, de erkenning van de opleidingsinstellingen en de communicatie over de verplichting om over een EPC te beschikken, staan voor 2012 op het programma. Naar verwachting zal het EPC ‘niet-residentiële gebouwen’ pas in 2013 verplicht kunnen worden gesteld.
16
Eind 2011 zal aan de minister een ontwerp van ministerieel besluit inzake de datum van effectieve inwerkingtreding worden voorgelegd.
Budget 2011 Wetenschappelijke ondersteuning – deel verwarming (30.000 euro)
5.1.6. Het VEA wil, geïntegreerd in een certificatiesoftware, een gebruiksvriendelijke maatwerkadviesmodule voor resi dentiële gebouwen laten ontwikkelen • Prestatie-indicator: Release van de maatwerkadviesmodule • Prestatienorm: Release uiterlijk op 31 december 2012 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Toewijzen van de opdracht tot integratie van een maatwerkadviesmodule in een certificatiesoftware
Datum van toewijzing
Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken Voor het opmaken van een grondige energie-audit voor eengezinswoningen wordt momenteel gebruik gemaakt van de energieadviesprocedure (EAP). Deze procedure staat volledig los van de huidige certificatiemethode voor bestaande residentiële gebouwen. De gegevens die verzameld worden voor de opmaak van het certificaat kunnen bijgevolg niet automatisch overgenomen worden voor de opmaak van een energie-audit. Bovendien vereist de EAP-software een zeer gedetailleerde gegevensinvoer. Hierdoor loopt de inspectietijd gevoelig op, waardoor ook de kostprijs van de energie-audit vrij hoog ligt. Als gevolg van deze hoge kostprijs wordt weinig beroep gedaan op maatwerkadvies vooraleer de energierenovatiewerken worden uitgevoerd. Bovendien zijn de resultaten van het EPC en de energie-audit niet vergelijkbaar en kan er met de huidige procedure geen energie-audit voor appartementen worden opgemaakt. Bijkomend nadeel is dat de energie-audit enkel mag worden opgemaakt door de energiedeskundigen type B en niet door de energiedeskundigen type A die erkend zijn voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat. Om tegemoet te komen aan deze knelpunten werd eind 2010 een bestek voorbereid voor een Europese aanbesteding voor de integratie van een maatwerkadviesmodule in een certificatiesoftware.
Planning 2011 De opdracht zal in de eerste helft van 2011 worden toegewezen, waarna de analyse van de softwarefunctionaliteiten en de ontwikkeling van de maatwerkadviesmodule kunnen starten.
Budget 2011 Ontwikkeling van maatwerkadviesmodule, geïntegreerd in een certificatiesoftware (250.000 euro)
5.1.7. Het VEA zal een ontwerp van besluit voorbereiden over de stroomlijning van de erkenningsregelingen voor de ener giedeskundigen type A en type B • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering • Prestatienorm: Het ontwerp van besluit wordt uiterlijk op 31 juli 2012 aan de minister bezorgd
17
Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak krachtlijnennota voor de stroomlijning van de erkenningsregelingen voor energiedeskundigen
Beschikbaarheid krachtlijnennota
Uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken Momenteel zijn er teveel verschillende types van erkende deskundigen en daaraan gekoppelde opleidingen. Dit maakt het niet eenvoudig om de opleidingen inhoudelijk op elkaar af te stemmen. Bovendien is dit weinig transparant naar de burger toe. Doelstelling is om tot een rationalisatie te komen van het aantal energiedeskundigen. In eerste instantie wordt hierbij gedacht aan twee grote groepen: erkende energiedeskundigen voor bestaande residentiële gebouwen en erkende energiedeskundigen voor bestaande niet-residentiële gebouwen. Tegelijkertijd met deze stroomlijning, worden ook meer kwaliteitsgaranties in de erkenningsregeling ingebouwd (zie ook OOD 5.1.21 in verband met het globale actieplan kwaliteitsborging opleiding energiedeskundigen).
Planning 2011 Tegen eind 2011 wordt, deels ook afgeleid uit het globale actieplan van punt 5.1.21, een krachtlijnennota opgemaakt inzake de elementen die in een regelgevend stroomlijningskader moeten worden gegoten.
5.1.8. Het VEA wil meewerken aan de uitwerking van een geïnte greerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid uitvoeringsplan om, bij voorkeur samen met de andere gewesten, een geïntegreerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen uit te werken • Prestatienorm: Het uitvoeringsplan wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Opstellen inventaris met mogelijke opties om de uit- Beschikbaarheid inventaris werking van een geïntegreerde berekeningsmethode aan te pakken
Prestatienorm Uiterlijk 30 april 2011
Kader en stand van zaken De verschillen in de diverse berekeningsmethodes voor bestaande en nieuwe gebouwen maakt het momenteel moeilijk om de berekende energieprestaties van bestaande en nieuwe gebouwen met elkaar te vergelijken. Door het ontwikkelen van een geïntegreerde methodiek, waarin zowel nieuwe als bestaande en zowel residentiële als niet-residentiële gebouwen behandeld worden, zal een vergelijking van de energieprestaties tussen bestaande en nieuwe gebouwen mogelijk worden. Een correcte vergelijking is nodig om een goede werking in de markt van het energieprestatiecertificaat te krijgen. Bovendien zal een geïntegreerde rekenmethodiek op termijn leiden tot een rationeler gebruik van de budgettaire middelen ter ondersteuning van de energieprestatie- en energieprestatiecertificatieregelgeving. In 2010 werden onderhandelingen met de andere gewesten over samenwerking rond dit project opgestart, maar er is nog geen definitieve beslissing of alle gewesten aan het gezamenlijk project zullen deelnemen. In de beleidsnota Energie 2009-2014 is de doelstelling opgenomen om deze geïntegreerde berekeningsmethode in het voorjaar van 2014 beschikbaar te hebben. Om dit grootschalig project
18
vanuit de Vlaamse overheid adequaat te kunnen opvolgen en aansturen, is eind 2010 binnen het VEA een interne visiegroep samengesteld.
Planning 2011 De visiegroep binnen het VEA kreeg de opdracht om de verschillen tussen de diverse methodes te inventariseren en de mogelijk pistes voor de aanpak van het integratieproject uit te werken. De visiegroep zal in de loop van 2011 een plan van aanpak voor het integratieproject opstellen. Tegen eind 2011 zal dan ook moeten duidelijk zijn of aangaande dit project een samenwerkingsovereenkomst met de andere gewesten mogelijk is.
5.1.9. Het VEA wil ter ondersteuning van de implementatie van de verstrengde energieprestatieregelgeving een EPB-soft ware van de tweede generatie ter beschikking stellen van verslaggevers en architecten • Prestatie-indicator: Release van de EPB-software van de tweede generatie • Prestatienorm: Release uiterlijk op 31 december 2012 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Het VEA zal laten analyseren welke aanpassingen Beschikbaarheid van de analyse aan de Altran-software nodig zijn voor de toepassing ervan in kader van de Vlaamse energieprestatieregelgeving
Kader en stand van zaken De tweede evaluatie van de energieprestatieregelgeving door het VEA toont aan dat de EPB-software een heikel punt blijft. De andere gewesten hebben door het bedrijf Altran een alternatieve software laten ontwikkelen die eind april 2010 officieel werd uitgebracht. De Altransoftware is duidelijk een EPBsoftware van een nieuwe generatie. De gebruiksvriendelijkheid en visuele mogelijkheden liggen een stuk hoger en het bijprogrammeren van modules zou een stuk vlotter verlopen dan in de organisch gestructureerde Vlaamse EPB-software. De onderhandelingen met de andere gewesten betreffende het bekomen van een gebruiks- en aanpassingrecht op de Altransoftware, werden in mei 2010 opgestart. De details van de voorwaarden moeten nog verder worden vastgelegd.
Planning 2011 Het VEA zal in 2011 de financiële impact inschatten van de vereiste aanpassingen aan de Altransoftware en de energieprestatiedatabank opdat een Vlaamse software van de 2de generatie zou kunnen worden ingevoerd als alternatief voor de EPB-software. De Altransoftware is immers nog helemaal niet gebruiksklaar voor Vlaanderen: de Vlaamse regelgeving kent andere eisenniveau’s en een andere indeling van het gebouw in aard van werken en bestemmingen. Ook voor de elektronische EPB-aangifte en voor eventuele wensen van gebruikers (optimalisatiemodule voor ontwerpfase) zullen aanpassingen nodig zijn.
Budget 2011 Analyse aanpassingen Altransoftware aan Vlaamse context (75.000 euro) Analyse aanpassingen energieprestatiedatabank voor uitwisselen bestanden met Altransoftware (25.000 euro)
19
5.1.10. Het VEA zal de lopende energiebeleidsovereenkomsten evalueren en het overleg over de opmaak van een of meer nieuwe overeenkomsten coördineren en onder steunen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid ontwerpnota aan de regering over de voortzetting van de aflopende energiebeleidsovereenkomsten • Prestatienorm: Ontwerpnota aan de regering wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Haalbaarheid nagaan van sluiten van sectorovereenkomsten met publieke en private instellingen
Beschikbaarheid van nota
Uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken Het benchmarking- en auditconvenant lopen af eind 2012, respectievelijk 2013. In 2010 is door het VEA een discussietekst opgesteld voor het overleg met de betrokken partijen over de verderzetting van de energiebeleidsovereenkomsten. Daarin worden door het agentschap volgende aandachtspunten benadrukt: • de Europese organisatie van de CO2-emissiehandel na 2012, stelt een nieuwe context, waar- binnen de energiebeleidsovereenkomsten een meerwaarde moeten bieden. Dit kan door de convenanten te gebruiken om het energie-efficiëntiepotentieel dat het emissiehandelssysteem niet uitput toch aan te boren; • er kan worden gesteld dat de convenanten een zeer efficiënt beleidsinstrument zijn : 92% van het Vlaams industrieel energieverbruik wordt gevat via een overeenkomst met 400 bedrijven. Het wordt niet opportuun geacht om de ondergrens van 0,1 PJ verder naar beneden te halen; • bij de verder zetting van de convenanten zal er over gewaakt moeten worden dat niet alleen de doelstelling duidelijk kwantificeerbaar is, maar dat ook de meerwaarde van het convenant ten opzichte van een ‘business as usual’-scenario bepaald kan worden; • een verschil in behandeling van gelijkaardige bedrijven die een convenant onderschrijven, moet worden vermeden; • er moet worden onderzocht of de huidige tegenprestaties kunnen worden gegarandeerd over de looptijd van het nieuwe convenant. Er dient tevens onderzocht te worden of er geen bijkomende tegenprestaties met voldoende financiële aantrekkingskracht kunnen gevonden worden waarvan de bevoegdheid volledig op het Vlaamse niveau ligt. Er moet nog politiek beslist worden of geopteerd wordt voor een energieconvenant (focus op verbetering energie-efficiëntie) of milieuconvenant (focus op CO2-reductie). Indien politieke keuze valt op het uitwerken van een milieuconvenant zal het departement LNE de trekkende rol op zich moeten nemen. Deze beslissing zou zo spoedig mogelijk moeten worden genomen.
Planning 2011 Het VEA zal in samenwerking met het departement LNE het overleg over de tweede generatie energie-/klimaatconvenanten organiseren. Indien geopteerd wordt voor een energieconvenant, zal het VEA de coördinerende rol opnemen om in overleg met de betrokken sectoren de convenanttekst verder uit te werken, zodat voor eind 2011 het nieuwe convenant voor ondertekening aan de bedrijven kan worden voorgelegd. In het bijzonder moet dan nog worden onderzocht tot welke tegenprestaties de Vlaamse overheid zich kan engageren. Ook de impact van het nieuwe convenant op de vereiste ondersteuning, met name de vorm en taken van het Verificatiebureau en de samenstelling en taken van de Commissie, moet worden ingeschat.
20
Daarnaast wordt in 2011 nagegaan of met publieke en private instellingen met een individueel verbruik < 0,1 PJ sectorovereenkomsten kunnen worden gesloten die een meerwaarde betekenen voor het Vlaams energiebeleid.
5.1.11. Het VEA zal met het oog op een beperking van admini - stratieve lasten van de EPB-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice exploiteren, ter ondersteuning van externen, bij de toepassing van de EPB-regelgeving en die tijdig aanpassen aan wijzigende wetgeving • Prestatie-indicator: Waardering van verslaggevers en gemeentebesturen voor de beperking van de administratieve lasten van de EPB-regelgeving door de uitbouw van een interactieve ICT-frontoffice • Prestatienorm: De waardering ligt eind 2014 hoger dan in 2011 De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoeren nulmeting waardering van verslaggevers en gemeentebesturen met betrekking tot administratieve lasten en frontoffice-applicatie
Beschikbaarheid van nulmeting
Nulmeting is beschikbaar uiterlijk eind juni 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak werkplan 2012-2014, incl. budgettaire planning, voor optimalisering frontoffice
Beschikbaarheid werkplan
Werkplan is beschikbaar uiterlijk eind oktober 2011
Kader en stand van zaken In het kader van de energieprestatieregelgeving moeten vanaf 2006 tijdens het bouwproces bepaalde administratieve formaliteiten vervuld worden door gemeenten en EPB-verslaggevers. Hiervoor werd, in uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005, de energieprestatiedatabank ontwikkeld om alle gegevens elektronisch te laten doorsturen en centraal bij het VEA te beheren. Iedere gemeente staat in voor het elektronisch verzenden van haar vergunningengegevens. De verslaggever staat in voor het elektronisch indienen van de startverklaring en de EPB-aangifte bij het VEA. Voor het gedeelte EPB (nieuwbouw & verbouwingen) zijn er 3 documenten die ingegeven worden in het systeem en die samen een dossier moeten vormen. • De stedenbouwkundige vergunning, aangeleverd in XML-formaat door de gemeenten. • De startverklaring, ingegeven door de EPB-verslaggever als verklaring van de start van de werkzaamheden. • De EPB-aangifte, ingegeven door de verslaggever als aangifte van de uitgevoerde werken en de behaalde prestaties op vlak van de energieprestatie en het binnenklimaat (EPB). Deze drie documenten worden momenteel onafhankelijk van elkaar naar de energieprestatiedatabank verzonden. Het systeem maakt dossiers aan op basis van de documenten en hangt het document aan het dossier. Bij dit principe stelt zich echter het probleem dat deze 3 documenten niet altijd aan elkaar en aan één dossier gekoppeld zijn. Elk klein verschil in de schrijfwijze van het energieprestatiedossiernummer, dat uniek is per dossier, zorgt ervoor dat een verschillend dossier wordt aangemaakt en dat de documenten niet juist gekoppeld worden. Om dit probleem in de toekomst te vermijden, dient er een manier gevonden te worden om deze 3 types documenten die bij 1 dossier horen, effectief zoveel mogelijk samen te brengen. Om de correcte koppeling tussen de vergunning enerzijds en de startverklaring en de EPB-aangifte anderzijds te garanderen en om de verslaggever een meer gebruiksvriendelijke applicatie aan te bieden waaraan minder administratieve lasten voor het indienen van de documenten verbonden zijn, moet
21
voor de frontoffice de komende jaren een redesignproject worden uitgevoerd. De analysefase is reeds uitgevoerd.
Planning 2011 In 2011 wordt een nulmeting uitgevoerd inzake de waardering van verslaggevers en gemeentebesturen met betrekking tot administratieve lasten en de frontoffice-applicatie. De verdere effectieve ontwikkeling van de frontoffice-applicatie wordt ingepland, rekening houdend met de beschikbare middelen.
Budget 2011 Ontwikkeling van redesign voor EPB-frontoffice (te koppelen aan ontwikkeling nodig voor uitbouw als authentieke gegevensbron) (75.000 euro)
5.1.12. Het VEA zal met het oog op een beperking van administra tieve lasten van de EPC-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice exploiteren, ter ondersteuning van externen, bij de toepassing van de EPC-regelgeving en die tijdig aanpassen aan wijzigende wetgeving • Prestatie-indicator: Waardering van energiedeskundigen voor de gebruiksvriendelijkheid van een interactieve ICT-frontoffice • Prestatienorm: De waardering ligt eind 2014 hoger dan in 2011 Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoeren nulmeting waardering van energiedeskundigen met betrekking tot administratieve lasten en frontoffice-applicatie
Beschikbaarheid van nulmeting
Uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken Vanaf 2006 is ook de ontwikkeling gestart om de energieprestatiedatabank ook uit te bouwen als centraal systeem en databank voor de implementatie van de energieprestatiecertificatensystemen. Het systeem met de bijhorende databank is momenteel aldus functioneel opgesplitst in 3 grote groepen: • Nieuwbouw & verbouwingen: EPB-eisen bij vergunningsplichtige werken • EPC (energieprestatiecertificaat) publieke gebouwen • EPC verhuur- en verkoop van residentiële gebouwen
Planning 2011 In 2011 wordt een nulmeting uitgevoerd inzake de waardering van de energiedeskundigen met betrekking tot administratieve lasten en de frontoffice-applicatie. De verdere effectieve ontwikkeling van de frontoffice-applicatie wordt ingepland, rekening houdend met de beschikbare middelen.
22
5.1.13. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van de tijdige indiening van de startverkla- ring en de EPB-aangifte • Prestatie-indicator: Aantal gemeenten waar controle wordt uitgevoerd • Prestatienorm: In de periode 2011-2015 zijn in alle gemeenten controles uitgevoerd De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Het VEA zal in minstens 1/5 van de gemeenten een Aantal gemeenten waarin conherinnering sturen voor elke bouwplaats die langer trole wordt uitgevoerd dan twee jaar voordien opgestart werd en waarvoor de EPB-aangifte nog ontbreekt
62 gemeenten
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Het VEA zal in minstens 1/5 van de gemeenten een herinnering sturen voor elke nieuwbouw en elke uitbreiding waarvoor 8 maand na het verlenen van de vergunning, geen startverklaring werd ingediend.
Aantal gemeenten waarin controle wordt uitgevoerd.
62 gemeenten
Kader en stand van zaken In de herziene Europese richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen wordt het belang van handhaving onderstreept. De lidstaten moeten regels vaststellen en toepassen die gelden voor inbreuken op de regelgeving. De cijfers van het aantal ingediende documenten in de energieprestatiedatabank tonen aan dat voor een groot aantal bouwprojecten de procedurevereisten van de energieprestatieregelgeving worden nageleefd. Het aantal ingediende startverklaringen is aan het stabiliseren (2008 : 24.462 ; 2009 : 24.631 ; raming 2010 : 27.000). Het aantal werven dat opgestart wordt zonder een startverklaring in te dienen, blijft stabiel. Het VEA zal in 2011 de dossiers waarvoor geen startverklaring wordt ingediend, blijven opvolgen. Wanneer 8 maand na het verlenen van de vergunning geen startverklaring is ingediend, zal het VEA een herinnering sturen. Het aantal ingediende EPB-aangiften is sinds 2009 sterk aan het stijgen (2007: 981 ; 2008: 8.102 ; 2009: 21.408 ; raming 2010: 30.000). Gemiddeld bedraagt de doorlooptijd tussen het aanvragen van de vergunning en het indienen van de EPB-aangifte iets meer dan twee jaar. Vermoedelijk werden een 10.000-tal EPB-aangiften nog niet ingediend. Dit blijkt vaker voor te komen als het gebouw niet voldoet aan de EPB-eisen. Op die manier probeert de bouwheer de administratieve geldboete voor het niet voldoen aan de EPB-eisen te ontlopen. Het VEA is in 2010 gestart met het versterken van de handhaving op het indienen van de EPB-aangifte. Het VEA stuurde voor heel wat gemeenten herinneringsbrieven voor dossiers die meer dan twee jaar geleden gestart werden en waarvan de EPB-aangifte nog ontbreekt. De bouwplaatsen waarvan uit het antwoord blijkt dat de EPB-aangifte reeds moest ingediend zijn of waarvoor niet gereageerd wordt, zullen verder gecontroleerd worden. Desgevallend zullen nog een formele aanmaning en een uitnodiging voor een hoorzitting volgen. Uiteindelijk kan deze procedure dan uitmonden in het vestigen van een administratieve geldboete. De impact van deze versterkte handhaving op het effectief indienen van de EPB-aangifte en op het relatief aandeel van de EPB-aangiften dat niet voldoet aan de EPBeisen, is nog niet gekend.
23
Planning 2011 De vanaf 2010 versterkte handhaving wordt doorgetrokken naar 2011.
Budget 2011 Automatisatie van herinneringsbrief EPB-aangifte in backoffice (50.000 euro)
5.1.14. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van het voldoen aan de EPB-eisen • Prestatie-indicator: Aantal dossiers waarvoor een eerste kennisgeving van de boeteberekening op basis van de ingediende EPB-aangifte wordt verstuurd • Prestatienorm: Jaarlijks worden 500 kennisgevingsbrieven verstuurd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
In uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 de handhaving op vlak van het voldoen aan de EPB-eisen versterken
Aantal dossiers waarvoor een eerste In 2011 worden 2000 kennisgevingsbriekennisgeving van de boeteberekening ven verstuurd op basis van de ingediende EPB-aangifte wordt verstuurd
Kader en stand van zaken Aan ongeveer 6% van de ingediende EPB-aangiften moet een boete van meer dan 250 euro worden opgelegd. In 2008 werd gestart met het opleggen van een administratieve geldboete aan gebouwen die niet voldoen aan de EPB-eisen. In 2008 werden 227 dossiers behandeld. In 2009 was dit aantal gestegen tot 471 dossiers en in 2010 zijn eveneens een 500-tal dossiers behandeld. Eind 2010 wachtten nog ongeveer 2600 dossiers op behandeling. De Vlaamse Regering heeft op 17 december 2010 haar goedkeuring gehecht aan een personeelsuitbreiding van het VEA teneinde het aantal te verwerken boetedossiers te kunnen verhogen.
Planning 2011 Met de goedgekeurde personeelsuitbreiding zal het VEA in 2011 2000 dossiers kunnen behandelen.
5.1.15. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever • Prestatie-indicator: Aantal EPB-aangiften waarbij de geldigheid van de inputgegevens wordt gecontroleerd (deskaudit) • Prestatienorm: Jaarlijks worden 100 EPB-aangiften gecontroleerd op geldigheid van de input gegevens • Prestatie-indicator: Aantal volledig gecontroleerde EPB-aangiften, waarbij naast de geldigheid van de inputgegevens ook de overeenstemming tussen de in de aangifte vermelde specifica- ties en het gebouw as-built met een plaatsbezoek wordt nagegaan (in-situ-audit) • Prestatienorm: Jaarlijks worden 20 EPB-aangiften gecontroleerd via een bezoek ter plaatse
24
De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
In uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 de handhaving op de waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-veslaggever versterken
Aantal dossiers waarvoor een eerste ken- In 2011 wordt aan 140 verslaggevers een nisgeving van het resultaat van de waar- kennisgeving verstuurd heidsgetrouwheidscontrole uitgevoerd na vaststellingen ter plaatse of bij vermoeden van niet correcte rapportering aan de verslaggever worden verstuurd
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opstellen van een vademecum voor EPB-verslaggevers
Beschikbaarheid van het plan van - Inventaris informatie op te nemen aanpak voor het opstellen van het in het vademecum beschikbaar vademecum 31 maart 2011 - Plan van aanpak opstellen vademecum beschikbaar 30 juni 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Validatie gegevens die moeten worden bezorgd aan de Vlaamse Belastingsdienst
Beschikbaarheid van de lijst van Uiterlijk 15 februari 2011 EPB-aangiften ingediend in 2010 die in aanmerking komen voor een verlaging van de onroerende voorheffing
Prestatienorm
Kader en stand van zaken In de herziene Europese richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen wordt het belang van handhaving en kwaliteitscontrole onderstreept. Jaarlijks moet een kwaliteitscontrole uitgevoerd worden op een statistisch relevante steekproef van het totale aantal energieprestatiecertificaten bouw. Uit de controles die het VEA uitvoert, blijkt dat nog in te veel EPB-aangiften niet correct gerapporteerd wordt door de verslaggever. Het VEA voert verschillende types controles uit op de kwaliteit van de EPBaangifte en het energieprestatiecertificaat bouw: • Controles zonder plaatsbezoek: bij dat type controle gaat een controle-ambtenaar na of er geen fouten werden gemaakt in de invoergegevens bij het opstellen van de EPB-aangifte. Controles zonder plaatsbezoek worden systematisch uitgevoerd, bijvoorbeeld op alle dossiers die in aanmerking komen voor de verlaging van de onroerende voorheffing (≤ E60). Bij 1 op 3 gecontroleerde dossiers stelt het VEA fouten vast in de invoergegevens. • Controles met plaatsbezoek: de controle-ambtenaar stelt in het gebouw, tijdens of na de uitvoering, vast welke installaties en materialen gebruikt worden. Controles met plaatsbezoek worden steekproefsgewijs uitgevoerd bij grote verslaggevers of naar aanleiding van klachten. Bij 85% van de gecontroleerde dossiers stelt het VEA fouten in de invoergegevens of een niet- waarheidsgetrouwe rapportering vast. Voor controles zonder plaatsbezoek waar problemen vastgesteld worden en voor elke controle met plaatsbezoek, worden stavingstukken opgevraagd aan de verslaggever. Wanneer de EPB-aangifte is ingediend, worden alle vaststellingen vergeleken met de ingevoerde gegevens en de stavingsstukken. Wanneer de gedetecteerde fouten aanleiding geven tot een slechter resultaat dan in de EPB-aangifte gerapporteerd, geeft dit aanleiding tot een administratieve boete. Bij de dossiers die uitgebreid werden gecontroleerd met een plaatsbezoek, stelt het VEA, naast fouten op het vlak van het correct invoeren van gegevens of verkeerde berekening van volumes en oppervlakten, ook regelmatig vast dat de verslaggevers rapporteren dat het gebouw aan de EPB-eisen voldoet, terwijl dat in realiteit niet zo is. Bij het uitvoeren van de controle is het niet mogelijk om vast te stellen of de verslaggever de fout met opzet, uit vergetelheid of onkunde maakte. Eenzelfde fout kan de ene verslaggever bij gebrek aan kennis maken, terwijl de kans bestaat dat een andere verslaggever er bewust verkeerd over rapporteert (eventueel onder druk van de aangifteplichtige) zodat het gebouw beter scoort om bijvoorbeeld te voldoen aan premievoorwaarden of aan de EPB-eisen. Gezien de frequentie van bepaalde fouten,
25
vermoedt het VEA dat de verslaggevers ze maken wegens onvoldoende kennis van de berekeningsmethodiek. In 2010 werd voor 39 verslaggevers de handhavingsprocedure opgestart. De Vlaamse Regering heeft op 17 december 2010 haar goedkeuring gehecht aan een personeelsuitbreiding voor het VEA teneinde de controle op de waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever te kunnen versterken.
Planning 2011 Een verhoogde monitoring van de ingediende EPB-aangiften dringt zich op zodat er een grotere kans is dat de verslaggevers die verkeerd rapporteren over de as-build situatie, worden gedetecteerd. Daarnaast is het nodig dat de verslaggever en de ontwerper hun kennisniveau verhogen zodat het aantal fouten wegens onvoldoende kennis van de methode daalt. Met de goedgekeurde personeelsuitbreiding zal het VEA in 2011 de handhaving van de controleresultaten op de waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever gevoelig kunnen uitbreiden. Het VEA zal in 2011 onderzoeken welke piste gevolgd kan worden voor het opstellen van een vademecum. Met het vademecum zullen de verslaggevers beschikken over een duidelijk en overzichtelijk document met alle informatie nodig om een correcte EPB-aangifte op te maken.
5.1.16. Het VEA zal het energieprestatiecertificatensysteem voor bestaande woongebouwen handhaven • Prestatie-indicator: Aantal gecontroleerde gebouwen op aanwezigheid van het EPC • Prestatienorm: Jaarlijks worden 3000 woongebouwen die te koop of te huur worden aangebo- den, gecontroleerd op de aanwezigheid van het EPC • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles op basis van een plaatsbezoek • Prestatienorm: Jaarlijks wordt de kwaliteit van het EPC voor 12 gebouwen ter plaatse gecon- troleerd • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles via deskaudit • Prestatienorm: Jaarlijks worden 600 kwaliteitscontroles uitgevoerd via deskaudit De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende:
26
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Aanpassen van de EPC-backoffice voor de handhaving van de publicatie van het kengetal op advertenties
Aangepaste backoffice
Backoffice aangepast tegen uiterlijk 31 december 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Automatisering van de kwaliteitscontroles uitgevoerd via deskaudit
In gebruik nemen van de backoffice EPC voor deskaudits
Backoffice in gebruik op uiterlijk 30 november 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organisatie van informatiesessies voor energiedeskundigen type A in kader van kwaliteitsplan
Informatiesessies
Uiterlijk voor 30 april 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Evaluatie impact versterkte handhaving op kwaliteit EPC
Beschikbaarheid evaluaties.
Eerste evaluatie uiterlijk 31 maart 2011 Tweede evaluatie uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken Eind 2010 werden al ongeveer 300.000 energieprestatiecertificaten voor bestaande woongebouwen opgemaakt. Er waren ongeveer 4300 energiedeskundigen type A erkend voor de opmaak van een certificaat, waarvan ongeveer 80% minimum 1 energieprestatiecertificaat heeft ingediend. In 2009 werden de controles op de aanwezigheid van de energieprestatiecertificaten voor bestaande residentiële gebouwen opgestart. Er werden 2017 controles uitgevoerd. In 2010 werden ongeveer 3000 controles uitgevoerd. De communicatie en controles werpen duidelijk hun vruchten af. In 2010 beschikte bijna 68% van de verkopers en verhuurders bij een initiële controle over een EPC. In 2009 was dit iets minder dan de helft. In 2009, het eerste jaar dat de EPC-regelgeving in voege was, werd hoofdzakelijk gefocust op de aanwezigheid van het EPC en werd ingegaan op klachten met betrekking tot de kwaliteit van het EPC. Omdat vastgesteld werd dat de kwaliteit van de certificaten nog vaak niet voldoet, werden in 2010 de steekproefsgewijze kwaliteitscontroles opgevoerd. Er werden 261 woningen gecontroleerd, waarvan de EPC’s werden opgemaakt door 87 energiedeskundigen. Per energiedeskundige worden drie woonheden gecontroleerd om zeker te zijn dat de gemaakte fouten en gevonden onregelmatigheden niet eerder toevallig zijn. In geval twijfelachtige invoergegevens worden vastgesteld, worden stavingsstukken en plannen opgevraagd. Energiedeskundigen werden eenmalig gewezen op hun fouten en op de vastgestelde onregelmatigheden. Daarna worden de handhavingsmaatregelen toegepast. Afhankelijk van de grootte van de fout(en) loopt de energiedeskundige het risico op een boete of een schorsing van de erkenning. Vooraleer er effectief een boete wordt opgelegd of een erkenning wordt geschorst, wordt de energiedeskundige uitgenodigd op een hoorzitting om zijn tegenargumenten te geven. Naast controles zonder plaatsbezoek, worden in een zeer beperkt aantal gevallen ook controles met een plaatsbezoek uitgevoerd. Hierbij wordt een volledige visuele inspectie van het gebouw uitgevoerd en wordt nagegaan of de gerapporteerde vaststellingen overeenstemmen met de vaststellingen van de controle-ambtenaar. De controles met plaatsbezoek worden voornamelijk uitgevoerd bij klachten of indien vastgesteld wordt dat energiedeskundigen herhaaldelijk (dezelfde) fouten maken. Uit de eerste controles blijkt dat het aantal certificaten waarbij fouten worden gemaakt of twijfelachtige gegevens worden ingevoerd, nog te hoog ligt. Een verscherpte controle dringt zich bijgevolg op. Daarnaast zal het basiskennisniveau van de energiedeskundigen via opleidingen worden opgedreven, zodat het aantal fouten afneemt. Een bijsturing van de opleidingen is hiervoor nodig (zie ook de OOD onder punt 5.1.21). De gereviseerde Europese richtlijn inzake de energieprestaties van gebouwen schenkt bijzondere aandacht aan de handhaving. De lidstaten moeten sancties vastleggen en toepassen voor inbreuken op de regelgeving. Daarnaast moeten zij ook een onafhankelijk controlesysteem instellen voor de energieprestatiecertificaten, waarbij kwaliteitscontroles op drie gelijkwaardige niveaus mogelijk zijn: • controle van de inputgegevens van het gebouw, die worden gebruikt voor de afgifte van het energieprestatiecertificaat en de in het certificaat vermelde resultaten. Dit type van controle stemt overeen met de Vlaamse controles op de invoergegevens; • controle van de inputgegevens en van de resultaten van het energieprestatiecertificaat, in- clusief de verstrekte aanbevelingen; • volledige controle van de inputgegevens van het gebouw die worden gebruikt voor de afgifte van het energieprestatiecertificaat, volledige controle van de in het certificaat vermelde re- sultaten, inclusief de verstrekte aanbevelingen, en, zo mogelijk, bezoek aan het gebouw om de overeenstemming na te gaan tussen de in het energieprestatiecertificaat vermelde speci- ficaties en het gecertificeerde gebouw. Dit type van controle stemt overeen met de Vlaamse controles, waarbij een plaatsbezoek wordt uitgevoerd. Jaarlijks moet een significant percentage van alle ingediende certificaten worden gecontroleerd.
27
Planning 2011 Om in overeenstemming te zijn met de nieuwe Europese richtlijn moeten de inspanningen met betrekking tot de aanwezigheidscontroles worden verder gezet. Het aantal kwaliteitscontroles moet worden uitgebreid. In 2011 zullen minstens 3000 woningen die te koop of te huur worden aangeboden, gecontroleerd worden op de aanwezigheid van het EPC. De controleambtenaren van het VEA zullen bovendien van 200 energiedeskundigen 600 certificaten voor bestaande woongebouwen controleren op foutieve invoergegevens en onregelmatigheden. Vanaf 2011 zullen geen waarschuwingsbrieven meer worden opgestuurd maar zal onmiddellijk het formeel handhavingskader worden toegepast (opvragen tegenargumenten, vestigen administratieve geldboete indien tegenargumenten niet voldoen). Het VEA zal de impact van de verstrenging van het handhavingskader en de betere kwaliteitsborging van de opleidingen (zie 5.1.21) monitoren en hierover in 2011 regelmatig een evaluatienota opstellen.
Budget 2011 Aanpassing frontoffice (65.000 euro) Ontwikkeling backoffice (150.000 euro)
5.1.17. Het VEA zal het energieprestatiecertificatensysteem voor publieke gebouwen handhaven • Prestatie-indicator: Aantal gecontroleerde doelgroepen • Prestatienorm: Tegen eind 2015 zijn de volgende doelgroepen gecontroleerd: overheden, onderwijsinstellingen en welzijns- of gezondheidsvoorzieningen • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles op basis van een plaatsbezoek • Prestatienorm: Jaarlijks wordt voor 10 gebruikers de kwaliteit van het EPC ter plaatse gecontro- leerd • Prestatie-indicator: Aantal kwaliteitscontroles via deskaudit • Prestatienorm: Jaarlijks worden 30 kwaliteitscontroles uitgevoerd via deskaudit De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoeren van controles op de aanwezigheid van het energieprestatiecertificaat (EPC) voor publieke gebouwen bij verschillende publieke organisaties
Totaal aantal controles die op aanwezigheid van het certificaat voor publieke gebouwen werden uitgevoerd bij verschillende publieke organisaties
In 2011 werden controles uitgevoerd voor: - 35 gemeenten - 60 lagere en secundaire scholen - 25 welzijns- en gezondheidsinstellingen
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Documenteren van de procedure voor de uitvoering van kwaliteitscontroles
Beschikbaarheid gedocumenteerde werkwijze
Uiterlijk 31 maart 2011
Kader en stand van zaken In 2010 beschikten ongeveer 6000 publieke gebouwen over een EPC. Opgesplitst naar de verschillende categorieën geeft dit het volgende resultaat: • onderwijs: ongeveer 48%; • welzijn- of gezondheidsvoorzieningen: ongeveer 16%;
28
• administratie: ongeveer 14%; • cultuur: ongeveer 9%; • sport: ongeveer 9% • openbare diensten (luchthaven, postkantoor, stationsgebouw): ongeveer 2% • politie en gerecht: ongeveer 2%. Er zijn ongeveer 1800 energiedeskundigen voor publieke gebouwen geregistreerd op de energieprestatiedatabank, waarvan ongeveer 1000 als externe energiedeskundige en ongeveer 800 als interne energiedeskundige. Ook voor publieke gebouwen werden in 2009 de aanwezigheidscontroles opgestart. 10% van de gemeenten werd gecontroleerd. Deze aanwezigheidscontroles werden in 2010 verder gezet en uitgebreid naar andere doelgroepen (provincies, scholen en universiteiten). Er werden tot eind 2010 nog geen administratieve geldboetes opgelegd. Gemeenten die niet over een geldig energieprestatiecertificaat beschikken voor hun gebouwen groter dan 1000 m² die vaak door het grote publiek worden bezocht, worden eerst uitgenodigd op een hoorzitting om hun tegenargumenten toe te lichten.
Planning 2011 Voor publieke gebouwen zullen de verschillende doelgroepen verder worden gecontroleerd. De voorbije jaren lag de focus op administratieve gebouwen en scholen. In 2011 wordt aandacht besteed aan de welzijns- en gezondheidsvoorzieningen.
5.1.18. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving inzake de energieprestaties van nieuwe en vernieuwde gebouwen evalueren • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid evaluatierapport • Prestatienorm: Beschikbaar binnen de termijn die door het EPB-decreet is vastgelegd De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Release EPB-software 1.5 met verstrengd eisenpakket voor vergunningen vanaf 1 januari 2012
Releasedatum
Uiterlijk 31 oktober 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Release van frontoffice energieprestatiedatabank met voorafberekening als onderdeel van de startverklaring
Releasedatum
Uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken Het VEA heeft in juli 2010 haar tweede evaluatierapport van de energieprestatieregelgeving bezorgd aan de minister. Artikel 9 van het EPB-decreet bepaalt dat de Vlaamse Regering minstens om de twee jaar de berekeningsmethode van de energieprestaties van gebouwen, de te volgen procedures, de EPB-eisen en de administratieve lasten van de regelgeving evalueert en in voorkomend geval aanpast. In de evaluatienota 2010 worden op het vlak van de procedures een aantal ingrijpende wijzigingen voorgesteld. Het VEA heeft voorgesteld om die wijzigingen in te voeren vanaf 1 januari 2012 zodat de betrokken sectoren nog een aantal maand de tijd hebben na de beslissing om zich voor te bereiden.
29
Volgens het EPB-decreet zou in het voorjaar van 2012 een nieuwe globale evaluatie moeten worden opgemaakt. Op dat moment zal de impact van de verstrengde EPB-eisen en de gewijzigde procedures nog niet gekend zijn. Het VEA heeft daarom voorgesteld om de decretale evaluatietermijn aan te passen. De EPB-eisen zouden nog om de 2 jaar moeten worden geëvalueerd maar de berekeningsmethode, de te volgen procedures en de administratieve lasten slechts om de 4 jaar. Het VEA zal via haar jaarverslag dat gepubliceerd wordt op www.energiesparen.be wel jaarlijks rapporteren over het behalen van de EPB-eisen en de resultaten van de handhaving. De voorbereiding van de derde evaluatie zal worden opgestart afhankelijk van de al niet wijziging van de decretale bepaling dienaangaande.
Planning 2011 In de loop van 2011 zal vooral uitvoering worden gegeven aan de politieke beslissingen die genomen zullen worden naar aanleiding van het tweede evaluatieverslag. De definitieve besluitvorming hierover wordt in het voorjaar van 2011 verwacht. Er wordt van uitgegaan dat deze wijzigingen alleszins aanleiding zullen geven tot een nieuwe softwarerelease en een aanpassing van de frontoffice.
Budget 2011 Ontwikkeling nieuwe versie EPB-software (75.000 euro) Aanpassingen aan de frontoffice voor uitvoering van de evaluatieresultaten (50.000 euro)
5.1.19. Het VEA zal een tweede evaluatie uitvoeren van de energieprestatieregelgeving inzake de energiecertifica- tie van bestaande gebouwen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid evaluatierapport • Prestatienorm: Het evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister be- zorgd
Kader en stand van zaken Het VEA heeft de eerste evaluatie van de energieprestatieregelgeving inzake de energiecertificatie van bestaande gebouwen uitgevoerd in 2010. De resultaten zijn verwerkt in een wijzigingsvoorstel voor het regelgevend kader dat op 17 december 2010 principieel werd goedgekeurd. De voorbereiding van de tweede evaluatie zal vanaf het najaar van 2012 worden opgestart.
5.1.20. Het VEA zal de energieprestatieregelgeving monitoren en de ontwikkelingen analyseren • Prestatie-indicator: Opvolging van een set van kerncijfers, gerelateerd aan de energiepresta- tieregelgeving (o.a. aantal startverklaringen, EPB-aangiften, energiedeskundigen, certificaten per doelgroep) • Prestatienorm: Trimesteriële publicatie van kerncijfers (op energiesparen.be of in een nieuws- brief) • Prestatie-indicator: Publicatie van een rapport met een overzicht van een aantal kerncijfers over de energieprestatieregelgeving in het voorgaande jaar met analyses en duiding • Prestatienorm: Tegen 30 april van het jaar N+1
30
De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Vaststellen van de op te volgen set van kerncijfers
Beschikbaarheid van de vastge- Uiterlijk 28 februari 2011 stelde set van kerncijfers
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Vaststellen van de inhoudstafel van het rapport over het jaar N-1
Beschikbaarheid inhoudstafel
Uiterlijk 28 februari 2011
Kader en stand van zaken De energieprestatieregelgeving heeft al een duidelijke positieve invloed gehad op het maatschappelijk draagvlak voor energiezuiniger bouwen en wonen. Feedback vanuit het beleid naar de maatschappij en betrokken actoren kan deze tendens nog helpen versterken.
Planning 2011 Teneinde het maatschappelijk draagvlak voor de EPB-eisen en de energieprestatiecertificatensystemen te versterken, zal het VEA in 2011 diverse kerngegevens en geboekte resultaten verspreiden. Het betreft zowel gegevens als resultaten over: • de naleving van de procedures (startverklaringen, EPB-aangiften, energiedeskundigen, ener- gieprestatiecertificaten, …); • de initiatieven in het kader van de handhaving van de regelgeving (werfcontroles, kwaliteits- controles, deskaudit, aanwezigheidscontroles, hoorzittingen, …); • de naleving van de eisen (evolutie gemiddeld E- en K-peil, gemiddeld kengetal EPC, …).
5.1.21. Het VEA zal een actieplan uitwerken en implementeren voor de kwaliteitsborging van de opleidingen tot ener- giedeskundige • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid actieplan • Prestatienorm: Het actieplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid evaluatienota over implementatie actieplan • Prestatienorm: Evaluatienota wordt uiterlijk op 30 juli 2013 aan de minister bezorgd De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Aanbesteding conceptuele ontwikkeling centraal examen
Datum toewijzing opdracht
Uiterlijk 30 juni 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organisatie opleiding train-de-trainer
Datum start opleiding
Uiterlijk 30 november 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Overleg opleidingsinstellingen
Aantal overlegvergaderingen
Eerste overleg uiterlijk 31 januari 2011. Daarna minstens semesterieel overleg
31
Kader en stand van zaken Het VEA heeft vastgesteld dat de kwaliteit van de opleidingen te verschillend is. Ondanks het volgen van een opleiding en het slagen in een examen, blijkt uit controle van een aantal certificaten en opleidingsinstellingen en uit een aantal klachten, dat nog teveel erkende energiedeskundigen niet over de minimale basiskennis beschikken om een correct certificaat te kunnen opstellen. De gereviseerde EPB-richtlijn stelt dat de certificaten moeten afgeleverd worden door deskundigen die geaccrediteerd zijn naargelang hun competenties.
Planning 2011 Om meer kwaliteitsgaranties in te bouwen, zal in 2011 een actieplan worden uitgewerkt voor de kwaliteitsborging van de opleidingen voor energiedeskundigen. Dit actieplan omvat de aanzet tot uitwerking van acties en de opvolging ervan: • Tegen begin 2011 worden de kwaliteitscontroles van de energieprestatiecertificaten op punt gesteld op basis van een doorlichting van de invoergegevens in de databank. Dit maakt het mogelijk vaak voorkomende fouten te remediëren (via opleidingen en nieuwsbrieven) en doelgericht meer gerichte kwaliteitscontroles te houden en pijnpunten, die deels gevolg zijn van onvoldoende gerichte opleiding, te detecteren. • Er wordt regelmatig met de opleidingsinstellingen overlegd. • In de loop van 2011 worden er train-de-trainer opleidingen georganiseerd om de kwaliteit van de opleidingen voor energiedeskundigen te verbeteren. Voor reeds erkende energiedeskun- digen worden er vervolmakingscursussen georganiseerd. De opleidingen worden inhoudelijk bijgestuurd op basis van een bevraging van de (kandidaat )energiedeskundigen. • Tegen eind 2011 wordt de implementatie voorbereid van een centraal examen voor nieuwe energiedeskundigen en wordt de stroomlijning voorbereid van energiedeskundigen type A en B met bijzondere aandacht voor de kwaliteit van de energiedeskundigen. Een centraal examen heeft het grote voordeel dat, ongeacht de gevolgde opleiding, de nodige basiscompetenties van iedere (kandidaat )energiedeskundige systematisch worden getest door het zorgvuldig formuleren van de examenvragen. Bijkomend voordeel is dat op een eenvoudige manier kan worden opgevolgd of van een bepaalde opleidingsinstelling weinig kandidaat-energiedes- kundigen slagen. Dit kan wijzen op een probleem met kwaliteit van de opleiding. Het examen laat ook toe om een aantal elementen efficiënt op te volgen. Als bepaalde vragen steeds verkeerd worden beantwoord, kan dit duiden op een verkeerde vraagstelling maar ook op een tekortkoming in de opleiding, in de software of in het inspectieprotocol. Het centraal exa- men kan eveneens gebruikt worden om lesgevers te testen.
Budget 2011 Aanbesteding conceptuele ontwikkeling van een centraal examen voor energiedeskundige type A (150.000 euro)
5.1.22. Het VEA zal de aanvragen beoordelen die worden inge diend in het kader van de subsidieregeling voor energie consulentenprojecten • Prestatie-indicator: Aantal aanvragen, beoordeeld binnen de termijn die daarvoor door de minister is vastgelegd in verhouding tot het aantal te beoordelen aanvragen • Prestatienorm: 100%
32
De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opvolgingsrapport voor goedgekeurde projecten na opstart van de geselecteerde projecten
Beschikbaarheid port
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren van stuurgroepen voor de opvolging van de energieconsulentenprojecten.
Aantal georganiseerde stuurgroepen
Gemiddeld 2 stuurgroepen/project/jaar
opvolgingsrap-
Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken Op 29 oktober 2010 keurde de Vlaamse Regering voor de financiële ondersteuning van energieconsulentenprojecten een nieuwe aanpak goed die niet langer gebaseerd is op facultatieve subsidies maar op een subsidiereglement. In de nieuwe regeling is een projectoproep de basis om de projecten qua inhoud en aanpak beter te kunnen sturen. Ook aan de verzuchtingen voor langere en gelijke looptijden en meer sturing op de inhoud kan tegemoet gekomen worden. Wat de doelgroep van de KMO’s betreft, wordt het accent gelegd op de effectieve realisatie van energiebesparing. De energieconsulentenactiviteiten worden toevertrouwd aan niet-commerciële instellingen die al een actieve doelgroepgerichte werking hebben opgezet en deze werking verder willen uitbouwen rond het energiethema. De bestaande reputatie van de organisatie bij de doelgroep kan worden gebruikt om de doelgroep te overtuigen om hun gedrag te wijzigen en te investeren in energiebesparing. De projecttermijn zal maximum drie jaar bedragen per goedgekeurd project. De projectcall is gelanceerd op 1 december. De aanvragen moesten voor eind 2010 bij het VEA worden ingediend. Het VEA staat in voor de beoordeling van de aanvragen en de monitoring van de weerhouden projecten.
Planning 2011 De eerste beoordelingsronde volgens het nieuwe beleidskader zal in januari-februari 2011 plaatsvinden. De ingediende projecten worden beoordeeld op basis van de vastgelegde beoordelingscriteria en zullen worden gehonoreerd binnen het beschikbare budget. Met de best gerangschikte promotoren zal een subsidieovereenkomst worden gesloten waarin duidelijke resultaatsverbintenissen en rapporteringsvoorwaarden zullen worden opgenomen.
Budget 2011 Projectsubsidies weerhouden energieconsulentenprojecten voor 3 werkingsjaren (3.300.000 euro totaal budget, waarvan 1.325.000 euro voor de doelgroep bedrijven)
5.1.23. Het VEA zal het Energierenovatieprogramma 2020 uit - voeren en monitoren • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van uitvoerings- en monitoringrapport • Prestatienorm: Het eerste uitvoerings- en monitoringrapport wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede uitvoerings- en monitoringrapport wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd. Het derde uitvoerings- en monitoringrapport wordt uiterlijk op 31 december 2015 aan de minister bezorgd.
33
De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoering REG-enquête 2011
Toewijzing uit te voeren enquête
Uiterlijk 30 juni 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitwerken actieplan voor stimulering na-isolatie van gevelmuren
Beschikbaarheid actieplan
Uiterlijk 30 september 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren stakeholderoverleg over structurele Stakeholderoverlegvergaderingen maatregelen om de doelstellingen van het Energierenovatieprogramma 2020 afdwingbaar te kunnen maken
Drie overlegvergaderingen in 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Advies aanleveren voor het bepalen van minimale energieprestatie-eisen voor de Vlaamse Wooncode
Beschikbaarheid advies voor beleidsveld Wonen
Binnen de maand na adviesvraag
Kader en stand van zaken Het Energierenovatieprogramma 2020 maakt onderdeel uit van een sleutelproject in uitvoering van het Regeerakkoord, ViA, doorbraak ‘groen en dynamisch stedengewest’ de doorbraak ‘warme samenleving’. Het heeft als doelstelling dat elke Vlaming tegen 2020 een energiezuinige woning heeft die beschikt over minstens verbeterd dubbel glas, een geïsoleerd dak en een energiezuinige verwarmingsinstallatie. Om deze ambitieuze doelstelling waar te maken, is een coherente set van maatregelen nodig op korte, middellange en lange termijn. Met de implementatie van het kortetermijnplan (2007-2009) werd de basis gelegd voor een doorgedreven informatieverlening door het VEA over energiebesparingsmogelijkheden in de woning en de financiële tegemoetkomingen die men voor deze ingrepen kan krijgen, o.a. via doorgedreven mediacampagnes en www.energiesparen.be (met o.a. energiewinstcalculatoren en premiemodules). In diezelfde periode werden ook verschillende energieconsulentenprojecten opgezet. Daarop volgend werden er in 2008-2009 een aantal nieuwe premiestelsels voor energiebesparende investeringen ingevoerd. Naast de premie voor niet-belastingbetalers, dient hier vooral verwezen te worden naar de Vlaamse dakisolatiepremie en de subsidies voor energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren. Als voorbereiding op de invoering van acties op de middellange termijn (2010-2012) werden volgende studies uitgevoerd: • het onderzoek naar de mogelijkheid om energiebesparende maatregelen te stimuleren in ap- partementsgebouwen in mede-eigendom; • het onderzoek naar de opportuniteit voor het stimuleren van afbraak en vervangende nieuw- bouw van woningen die niet meer in aanmerking komen voor een zinvolle renovatie; • onderzoek naar de mogelijkheid om structurele reglementaire maatregelen te nemen en eva- luatie en creatie van het draagvlak voor dergelijke structurele maatregelen. Op de langere termijn zijn wellicht structurele maatregelen (normen, verplichtingen,...) nodig om de doelstellingen van het Energierenovatieprogramma 2020 afdwingbaar te kunnen maken. Het succes van het gevoerde beleid toont aan dat het belangrijk is de Vlaming te blijven sensibiliseren over het belang van voldoende isolatie en maatregelen in verschillende beleidsvelden op elkaar af te stemmen. Om de doelstelling uit Pact 2020 met betrekking tot dakisolatie te behalen, is bijkomend beleid noodzakelijk. Om deze redenen werd in het najaar van 2010 door de minister een Dakisolatieplan voorgesteld. Het plan bevat een geheel aan maatregelen om op vlak van dakisolatie een tandje bij te steken en verschillende maatregelen uit de beleidsvelden Energie en Wonen aan elkaar te linken. Tevens geldt een bijzondere aandacht voor de problematiek van de huurder-verhuurderverhouding.
34
Enkele maatregelen uit het Dakisolatieplan met relevantie voor het Energierenovatieprogramma zijn: • Een langetermijnperspectief voor eigenaars en huurders: in de Vlaamse Wooncode worden minimale energienormen opgenomen. Tegen 2020 kan een woning alleen nog worden ver- huurd als ze beschikt over een voldoende geïsoleerd dak of een geïsoleerde zoldervloer. Het is belangrijk eigenaars van huurwoningen een duidelijk tijdsperspectief te bieden en hen hiervan duidelijk op de hoogte te brengen. • De overheid legt niet enkel verplichtingen op, maar ondersteunt ook eigenaars die hun dak isoleren. De dakisolatiepremie wordt verder gezet. • Een pilootproject waarbij een netbeheerder 500-700 huurwoningen van dakisolatie zal voorzien. • Er worden woonwinkels ‘nieuwe stijl’ voorzien die ook alle informatie over energiezuinig (ver)- bouwen en over premies en subsidies voor energiebesparing en hernieuwbare energie aan- bieden. • De verbetering van de energieperformantie van het sociale huurpatrimonium is een bijzonder grote uitdaging. De beleidsvelden Wonen en Energie zetten hiervoor gecoördineerde ac- ties op. Voor het beleidsveld Energie kan in het bijzonder worden verwezen naar de financiële ondersteuning van energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren en de ac- ties van de netbeheerders.
Planning 2011 De grote stijging van het aantal toegekende energiepremies in 2009 ten opzichte van 2008 en de prognoses voor 2010, laten vermoeden dat er een belangrijke stap is gezet in de richting van de ‘sense of urgency’ die nodig is om de doelstellingen van het Energierenovatieprogramma 2020 te realiseren. Of dit werkelijk zo is, zal moeten blijken uit de tweejaarlijkse REG-enquête die door het VEA midden 2011 opnieuw wordt aanbesteed. In 2011 wordt een actieplan voor de stimulering van na-isolatie uitgewerkt. Dit zal gebeuren in overleg met de stakeholders van het Energierenovatieprogramma 2020. Eventuele nieuwe financiële stimulansen worden gekaderd in de lopende stroomlijning van de energiepremies (mede op basis van de evaluatie in 2010 van de REG-openbaredienstverplichtingen van de netbeheerders). In 2011 wordt er verder stakeholderoverleg gevoerd over de haalbaarheid van meer structurele en dwingende maatregelen. Verplichtingen opleggen voor de bestaande gebouwen is bijzonder complex en niet alle doelgroepen zijn in de mogelijkheid om de nodige investeringen te doen, soms is er zelfs geen technische mogelijkheid. Alle consequenties van dergelijke verplichtingen moeten voldoende worden afgewogen. De uitdaging ligt hier vooral op het creëren van voldoende maatschappelijk draagvlak bij de doelgroep. De tussentijdse aanbevelingen geven aan dat er een consensus groeit om de conformiteit met de verplichtingen te laten attesteren door het bestaande EPC-instrument, dat hiervoor wel zou moeten worden verbeterd en vervolgens algemeen verplicht zou moeten worden gesteld. Afzonderlijke werkgroepen (naargelang soort maatregel), moeten o.a. een antwoord geven op de vraag naar de hoogte van de op te leggen eisen, de omstandigheden waarin ze moeten worden opgelegd, de uitzonderingen die moeten worden voorzien, de uitwisselbaarheid van verschillende maatregelen om toch tot een globale prestatie-eis te komen in het geval de basisverplichtingen technisch of praktisch niet uitvoerbaar zouden zijn. In 2011 wordt een eerste concrete stap gezet naar de invoering van concrete verplichtingen in uitvoering van de intentie van de Vlaamse Regering om minimale eisen op het vlak van energieprestaties in de Vlaamse Wooncode op te nemen. Het VEA verzorgt de voorbereidende insteek vanuit het beleidsveld Energie.
Budget 2011 REG-enquête (80.000 euro) Beleidsondersteundend onderzoek in kader van uitwerking structurele maatregelen (120.000 euro)
35
5.1.24. Het VEA zal de REG-actieplannen en -rapporten van de elektriciteitsdistributienetbeheerders beoordelen • Prestatie-indicator: Aantal plannen en rapporten die binnen de wettelijk vastgelegde termijn worden beoordeeld in verhouding tot het aantal ingediende plannen en rapporten • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Documenteren van het nieuwe kernproces voor de implementatie van de REG-ODV
Beschikbaarheid van nieuwe beschrijving kernproces
Uiterlijk 30 september 2011
Kader en stand van zaken Verwachting is dat er in de eerste helft van 2011 een wijzigingsbesluit inzake de REG-openbaredienstverplichtingen definitief wordt goedgekeurd door de Vlaamse Regering en dat dit besluit vanaf 1 januari 2012 in voege zal treden. Zie ook de volgende OOD onder punt 5.1.25 inzake de lopende evaluatie van de REG-openbaredienstverplichtingen.
Planning 2011 Het Vlaams Energieagentschap is de centrale actor bij de implementatie en monitoring van de regelgeving inzake de REG-openbaredienstverplichtingen. Het VEA zal in 2011 nog verder uitvoering geven aan het huidige regelgevend kader en zich voorbereiden op de implementatie van het nieuwe regelgevend kader vanaf 2012.
5.1.25. Het VEA zal een evaluatierapport aan de minister voor- leggen over de REG-openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerders • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van evaluatierapport • Prestatienorm: Het evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 juli 2015 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Het Energiedecreet voorziet dat de Vlaamse Regering aan de netbeheerders en leveranciers, via het systeem van openbaredienstverplichtingen, de uitvoering van REG-acties kan opleggen. Het Energiedecreet vormt zo de decretale basis voor het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik (REGODV). Met dit besluit zijn op dit ogenblik een aantal actie- en resultaatsverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders geregeld. In uitvoering van datzelfde REG-ODV-besluit werd in 2010 door het VEA een evaluatierapport opgesteld. De minister heeft de krachtlijnen opgenomen in de beleidsbrief Energie 2010-2011 die als mededeling werd voorgelegd aan de Vlaams Regering. Eind 2010 heeft het VEA aan het kabinet van de minister het ontwerp van wijzigingsbesluit bezorgd. Het politiek besluitvormingsproces zal begin 2011 worden opgestart. Zonder een wijziging van het regelgevend kader terzake, dient de volgende evaluatie in 2015 te worden uitgevoerd. De voorbereiding van deze evaluatie zal desgevallend in de loop van 2014 worden opgestart.
36
Planning 2011 Verwachting is dat een wijzigingsbesluit inzake de REG-ODV in de eerste helft van 2011 definitief zal worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Uitgangspunten van de nieuwe regeling zullen zijn: • Een goed afgelijnd aantal actieverplichtingen voor de netbeheerders die aansluiten bij de beleidsprioriteiten op vlak van de verbetering van de energieprestaties van het bestaande woonpatrimonium, energiezuinige nieuwbouwwoningen en het uitvoeren van kostenefficiëntie maatregelen bij bedrijven die het gevolg zijn van een energiestudie of –audit. • Deze actieverplichtingen zullen worden aangevuld met een beperkte middelenverplichting die de netbeheerders toelaat innovatieve of doelgroepprojecten uit te voeren. • Het premiebedrag zal worden gevarieerd zodat wie beter doet dan de norm (bv. een dikkere isolatielaag aanbrengt) wordt gestimuleerd via een hogere premie (voorlopersbeleid). • De Vlaamse dakisolatiepremie wordt geïntegreerd in de actieverplichtingen. Het VEA zal in 2011 de concrete implementatie van de nieuwe regeling voor de gestroomlijnde energiepremies voorbereiden. Aanleiding tot nieuwe analyses van het wenselijke, toekomstige premielandschap kunnen zijn: • De uitkomst van de federale regeringsonderhandelingen over de staatshervorming en de eventuele overheveling van de bevoegdheid aangaande het verlenen van belastingvermin- dering voor energiebesparende investeringen naar de gewesten. • De uitkomst van het herbekijken van de aanvullende energiepremies van de gemeenten en provincies in het kader van de nieuwe Samenwerkingsovereenkomst, thema Energie en/of in het kader van de lopende oefening van de Vlaamse Regering over de interne staatshervor- ming.
5.1.26. Het VEA zal de premieaanvragen van de sociale verhuur- kantoren beoordelen • Prestatie-indicator: Aantal volledige aanvragen beoordeeld binnen een termijn van maximaal 1 maand in verhouding tot het totaal aantal ingediende volledige aanvragen • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Evaluatienota uitvoering subsidieregeling
Beschikbaarheid evaluatienota
Uiterlijk eind oktober 2011
Kader en stand van zaken De Vlaamse Regering keurde op 5 december 2008 een premieregeling goed voor de uitvoering van energiebesparende investeringen in woningen verhuurd door de 50 erkende sociale verhuurkantoren (SVK’s). Hiervoor wordt voor een periode van 4 jaar (2009-2012) in het totaal 10 miljoen euro voorzien uit het Energiefonds. Er werd ingeschat dat dit budget zou volstaan voor de energierenovatie van een 800-tal SVK-woningen. Sinds 31 maart 2009 kunnen de erkende SVK’s een aanvraag indienen. De regeling houdt in dat erkende SVK’s een subsidie kunnen aanvragen voor 100% van de door hen gemaakte kosten voor drie energiebesparende investeringen: dakisolatie, het vervangen van enkel of dubbel glas en ramen door hoogrendementsglas en -ramen en het vervangen van één of meer verwarmingstoestellen door een condensatieketel. De vzw Vlaams Overleg Bewonersbelangen (VOB), een door de Vlaamse overheid erkende overleg- en coördinatiestructuur van de SVK’s, kreeg een subsidie die toelaat dat 2 voltijdse medewerkers vanaf
37
mei 2009 technisch-inhoudelijk en administratief-juridische ondersteuning bieden aan de SVK’s die van de regeling gebruik wensen te maken. Het Vlaams Energieagentschap behandelt de aanvragen, kent de subsidie toe, maakt een subsidieovereenkomst op en zorgt voor de uitbetaling. De toegekende subsidie wordt pas uitbetaald als de woning na oplevering van de werken integraal voldoet aan de kwaliteits- en comforteisen die de Vlaamse Wooncode oplegt. Naar verwachting zal medio 2011 het beschikbare budget (vastgelegd in 2008) zijn uitgeput.
Planning 2011 Het VEA zal, tot uitputting van het budget, verder uitvoering geven aan de dossierbehandeling. Na stopzetting van de subsidieregeling zal als eindverslag een evaluatienota worden opgemaakt. In 2011 zal in overleg met het beleidsveld Wonen worden bekeken hoe de SVK’s op langere termijn gestimuleerd en financieel ondersteund kunnen worden om de energetische prestaties van de woningen in hun beheer verder te verbeteren.
5.1.27. Het VEA zal op basis van de lijsten van de netbeheerders de uitbetalingsdossiers voor de Vlaamse dakisolatiepre- mie opmaken • Prestatie-indicator: Aantal uitbetalingsdossiers opgemaakt binnen 60 werkdagen na ontvangst van de lijst van de netbeheerder in verhouding tot het totaal aantal opgemaakt uitbetalings- dossiers • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Op 19 december 2008 heeft de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring gehecht aan het besluit tot invoering van een Vlaamse dakisolatiepremie. Wie minstens 40 m² van het dak of de zoldervloer van zijn bestaande woning goed tot zeer goed isoleert (Rd-waarde minstens 3), kan van de Vlaamse overheid een premie van 500 tot 1000 euro krijgen. De voorwaarden zijn identiek aan die van de netbeheerder. Als de netbeheerder op basis van de premieaanvraag ‘dakisolatie’ een premie heeft toegekend, betaalt de Vlaamse overheid automatisch een aanvullende premie uit. Voor de Vlaamse dakisolatiepremie moet dus geen apart aanvraagformulier worden ingediend. Dit neemt niet weg dat in het kader van de uitvoering van deze premieregeling nog heel wat acties vanwege het VEA worden verwacht. De netbeheerders bezorgen elke 15e van de maand een lijst met de dossiers waarvoor zij de vorige maand een dakisolatiepremie hebben uitbetaald. Het VEA voert op deze lijst verschillende controles uit o.a. op het te betalen premiebedrag, of inderdaad minstens 40 vierkante meter dakisolatie is geplaatst en op eventuele dubbele aanvragen voor eenzelfde woning. Het VEA geeft dan de opdracht voor de uitbetaling van de Vlaamse dakisolatiepremie. De vanaf 2009 ingevoerde Vlaamse dakisolatiepremie kent een groot succes. In 2009 werden door het VEA ongeveer 33.000 Vlaamse dakisolatiepremies in betaling gesteld. In 2010 is dit aantal opgelopen tot ongeveer 60.000. Voor de komende jaren wordt eveneens gerekend op 60.000 uit te betalen dakisolatiepremies. De doorlooptijd (indiening premieaanvraag bij netbeheerder tot uitbetaling Vlaamse dakisolatiepremie door Vlaamse overheid) kan tot 4 à 5 maanden oplopen. Heel wat premieaanvragers beginnen na een aantal maanden het VEA te contacteren om de stand van zaken van de uitbetaling te vernemen.
38
Na de uitbetaling moet voor een aantal dossiers ook nog bijkomende informatie worden verstrekt (o.a. berekeningswijze van premie, toelichting bij toegepaste aftopping van de premie op het factuurbedrag) en ook heel wat dossiers moeten nog worden gecorrigeerd (verkeerde aftopping van de premie omdat niet alle betalingsbewijzen bij het dossier waren gevoegd, verkeerde rekeningnummers, …).
Planning 2011 Er wordt van uitgegaan dat in 2011 effectief 60.000 Vlaamse dakisolatiepremies zullen worden uitbetaald aan een gemiddeld premiebedrag van 450 euro per dossier.
Budget 2011 Dakisolatiepremies (27.000.000 euro)
5.1.28. Het VEA zal de aanvragen van bedrijven voor een ver hoogde investeringsaftrek voor energie-investeringen beoordelen • Prestatie-indicator: Beoordelingstermijn van de aanvragen die volledig zijn • Prestatienorm: Minstens 90% van de volledige aanvragen is maximaal 60 werkdagen in behan- deling. De maximale behandelingstermijn van een volledige aanvraag bedraagt 100 werkdagen Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Evaluatienota verdere optimalisering toepassingsgebied regelgeving
Beschikbaarheid evaluatienota
Uiterlijk 28 februari 2011
Kader en stand van zaken Artikel 69 van het Wetboek Inkomstenbelastingen (W.I.B.) biedt bedrijven de mogelijkheid hun belastbare winst te verminderen met een verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen. De aftrek wordt verricht op de winst van het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de activa zijn verkregen of tot stand zijn gebracht. Voor de energiebesparende investeringen uitgevoerd tijdens het belastbaar tijdperk dat aan aanslagjaar 2011 (inkomsten 2010) verbonden is, is er een verhoogde aftrek van 13,5%. Deze fiscale wetgeving is een volledige federale bevoegdheid. Het percentage van de verhoogde investeringsaftrek en de categorieën van in aanmerking komende investeringen worden bepaald door de federale overheid. Het VEA levert het attest af dat bij de belastingsaangifte moet worden gevoegd. De aanvraag moet uiterlijk 3 maanden na het afsluiten van het boekjaar bij het VEA worden ingediend. De meeste aanvragen worden in de laatst week van de maand maart ingediend. Het aantal behandelde aanvragen kent de laatste jaren een forse groei. Het VEA heeft in 2010 ongeveer 1700 aanvraagdossiers voor een attest voor een verhoogde investeringsaftrek behandeld (2009: 754 ; 2008: 590 ; 2007: 493 ; 2004: 209). Vooral het succes van de zonnepanelen heeft de laatste twee jaar voor een sterke groei in het aantal te behandelen dossiers gezorgd. In het kader van de dossierbehandeling worden door het Vlaams Energieagentschap de volgende deelactiviteiten uitgevoerd: • begeleiding van bedrijven bij de voorbereiding van complexere dossiers; • technische evaluatie van de ingediende dossiers; • opmaak van de attesten en bijhorende briefwisseling;
39
• beheer van een databank voor de opmaak van allerhande statistieken (energiebesparing, investeringsbedragen, …); • overleg met de andere gewesten en de federale overheid in het kader van de adviesverle- ning aan de federale overheid met betrekking tot de categorieën van in aanmerking komende investeringen. Vanaf maart 2010 heeft het VEA de dossierbehandeling geautomatiseerd. Het agentschap heeft zelf een webapplicatie ontwikkeld die zorgt voor een elektronische indiening van het basisdossier waardoor de administratieve verwerking van de dossiers efficiënter kan verlopen.
Planning 2011 De federale overheid heeft aangekondigd dat zij, in overleg met de gewesten, begin 2011 de fiscale regelgeving inzake de verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen grondig wil evalueren. Het VEA zal terzake een ontwerpstandpunt van het Vlaamse Gewest voorbereiden.
5.1.29. Het VEA zal de energieplannen en energiestudies in het kader van het besluit Energieplanning beoordelen • Prestatie-indicator: Aantal plannen en studies die binnen de adviestermijn worden beoordeeld in verhouding tot het aantal ingediende plannen en studies • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Impactnota aangaande VLAREM-wijziging in ver- Beschikbaarheid impactnota band met hernieuwing van vergunningen op de implementatie van het besluit Energieplanning
Prestatienorm Uiterlijk 31 maart 2011
Kader en stand van zaken Sinds 2004 legt de VLAREM-wetgeving eisen inzake energie-efficiëntie op aan inrichtingen met een totaal jaarlijks primair energieverbruik van minstens 0,1 PJ. Dit gebeurt via het besluit Energieplanning. Het besluit Energieplanning is in werking getreden op 14 oktober 2004. Belangrijk in dit besluit is het onderscheid tussen (de procedure en behandeling van) de energieplannen en energiestudies. Een energiestudie dient bij de vergunningsaanvraag gevoegd te worden (voor nieuwe inrichtingen met een jaarlijks energieverbruik van minstens 0,1 PJ en veranderingen aan inrichtingen met een jaarlijks energieverbruik van minstens 0,1 PJ). De energiestudie moet aantonen dat de betrokken inrichting op een energie-efficiënte wijze zal worden geëxploiteerd. Het VEA beoordeelt de ingediende energiestudies binnen de vergunningsprocedure. Een bestaande inrichting met een jaarlijks energieverbruik van minstens 0,1 PJ moet bij de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning een energieplan voegen. Het VEA beoordeelt deze plannen binnen de vergunningsprocedure. Een (bestaande) inrichting met een jaarlijks energieverbruik van meer dan 0,5 PJ moet sinds 1 juli 2005 in het bezit zijn van een conform verklaard energieplan (onafhankelijk van een milieuvergunningsprocedure). De conform verklaring van deze energieplannen gebeurt door het VEA. Deze plannen moeten om de 4 jaar worden geactualiseerd. De energiestudies en de energieplannen moeten worden opgesteld door een energiedeskundige die aanvaard is door het VEA.
40
Op jaarbasis worden een 40-tal energiedeskundigen aanvaard. Er worden gemiddeld een 20-tal energiestudies en een 5-tal energieplannen beoordeeld in het kader van de milieuvergunningsprocedure. In 2010 werden een 20-tal energieplannen geactualiseerd. Het gaat om energieplannen die in 2005 zijn ingediend en dus volgens de wettelijke termijn na 4 jaar moesten geactualiseerd worden.
Planning 2011 De behandelingstermijnen zijn wettelijk vastgelegd. Het is nog onduidelijk welke impact de VLAREMregelgeving in verband met de hernieuwing van de milieuvergunning op dit kernproces van het agentschap zal hebben. Deze impact zal begin 2011 worden ingeschat.
5.1.30. Het VEA zal het departement LNE adviseren over de dos- siers in het kader van het thema energie van de samen werkingsovereenkomst met de gemeenten en de pro- vincies • Prestatie-indicator: Aantal dossiers waarvoor binnen de door het departement gestelde termijn advies wordt verleend in verhouding tot het aantal ingediende dossiers • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Inventariseren en doorsturen van knelpunten aangaande het CAPLO-verbetertraject, o.a. inzake het verbeterde digitaal loket
Beschikbaarheid inventaris
Binnen de termijn door CAPLO bepaald
Kader en stand van zaken De huidige samenwerkingsovereenkomst (SO) loopt over de periode 2008-2013. De gemeenten kunnen kiezen voor een basisniveau of een hoger niveau. De thema’s, waaronder energie, vormen geen totaalpakket meer dat de gemeente integraal moet uitvoeren. Het basisniveau bestaat uit een verzameling van minimumvoorwaarden uit de verschillende thema’s waaraan de gemeente dient te voldoen. Voor het thema energie is de belangrijkste voorwaarde het bijhouden van een energieboekhouding. Het hogere niveau kan de gemeente bereiken door over alle thema’s heen een aantal maatregelen uit te voeren. De belangrijkste maatregelen binnen het thema energie zijn: uitbreiden van de energieboekhouding, aandacht hebben voor energie-efficiëntie binnen de eigen werking, opmaken van energieprestatiecertificaten, uitwerken van een plan hernieuwbare energie, aankopen van groene stroom en voeren van sensibilisatie rond duurzaam energiegebruik. De provincies die de SO ondertekenen, moeten het thema energie integraal uitvoeren. Buiten het voeren van een energieboekhouding zijn alle maatregelen gericht op de ondersteuning van gemeenten bij het uitvoeren van het thema energie. Het VEA beoordeelt de voorgestelde maatregelen en projecten. Het betreft zowel een beoordeling van de voorstellen als van de uitvoeringsrapporteringen. In 2010 tekenden 272 gemeenten in op het thema energie, waarvan 86 op basisniveau en 186 op onderscheidingsniveau (2009 : 273 intekeningen, waarvan 88 op basisniveau en 185 op onderscheidingsniveau). In 2010 werden er voor het thema Energie 137 projecten ingediend (2009 : 141), waarvan er 91 door het VEA volledig werden goedgekeurd en 21 gedeeltelijk.
41
Planning 2011 CAPLO is in 2010 gestart met de evaluatie van de lopende Samenwerkingsovereenkomst. In het bijzonder is er in de loop van 2011 ook een verbeterd digitaal loket voorzien. Het VEA ervaart de huidige aanpak voor de beoordeling van de projecten en rapporteringen als zeer tijdrovend. In 2011 zal aan CAPLO een inventarisatie van resterende knelpunten worden voorgelegd om voor de laatste jaren van de huidige Samenwerkingsovereenkomst de werkwijze nog verder te optimaliseren zodat het VEA voldoende tijd kan besteden aan de inhoudelijke beoordeling van de projecten en rapporteringen maar de administratieve verwerking beperkt kan blijven qua tijdsbesteding.
42
5.2. Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaat regelen inzake de bevordering van milieuvrien delijke energieopwekking uit hernieuwbare ener giebronnen en warmtekrachtkoppeling kwaliteits vol en efficiënt implementeren om de Europese kwantitatieve doelstellingen voor 2020 te beha len en op die manier ook bijdragen tot de kwanti tatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs • Effectindicator: Evolutie van de milieuvriendelijke energieproductie • Streefnorm: de milieuvriendelijke energieproductie evolueert conform de doelstellingen zoals door de Vlaamse Regering vooropgesteld in het kader van de Europese richtlijnen
5.2.1. Het VEA zal een beleidskader uitwerken om de duurzame inzet van vaste en gasvormige biomassa voor energiepro- ductie te realiseren • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het ontwerp van regelgevend kader voor de duur- zame inzet van biomassa • Prestatienorm: Het ontwerp van regelgevend kader wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren van een stakeholderoverleg
Stakeholderoverleg
Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken Om een duurzaam gebruik van biomassa te garanderen, zijn duurzaamheidscriteria belangrijk. Volgens de Europese richtlijn moeten er voor vloeibare biomassa tegen eind 2010 criteria geïmplementeerd worden. Het regelgevend kader hiervoor is voorbereid. Europa legt geen bindende criteria op voor vaste biomassa. Het Vlaamse Gewest is hier echter wel voorstander van en heeft dit op 15 december 2009 verduidelijkt in een Benelux-standpunt aan de Europese Commissie. Op 9 juni 2010 heeft het VEA een overleg georganiseerd met Nederland, Luxemburg, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk om dit thema te bespreken. Verder overleg is noodzakelijk om tot een eensgezind standpunt te komen. Om het thema actueel te houden, werd er op 29 november 2010 in het kader van het Europees voorzitterschap een workshop ‘Sustainable Biomass for European Energy’ georganiseerd.
Planning 2011 Duurzaamheidscriteria voor vloeibare biobrandstoffen zullen in 2011 in het Vlaamse Gewest worden geïmplementeerd zoals de Europese richtlijn voorschrijft. Er zal verder worden onderzocht of bindende criteria voor vaste biomassa eveneens opgenomen kunnen worden. De Europese Commissie zal tegen eind 2011 de wenselijkheid van het op Europees niveau opleggen van bindende duurzaamheidscriteria voor vaste biomassa herevalueren. Het Europees overleg hierover
43
wordt door het VEA van nabij opgevolgd. Het VEA zal hierover in 2011 een stakeholderoverleg organiseren.
5.2.2. Het VEA zal een voorstel voor een verplicht minimumaan- deel hernieuwbare energie in gebouwvoorschriften voor- bereiden • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering • Prestatienorm: Het ontwerp van besluit wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren van een stakeholderoverleg
Stakeholderoverleg
Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken De Europese richtlijn van 23 april 2009 ter bevordering van de toepassing van hernieuwbare energiebronnen bepaalt dat de lidstaten tegen 2015 bindende doelstellingen inzake een minimumniveau van energie uit hernieuwbare energiebronnen in nieuwe en gerenoveerde gebouwen moeten opleggen. Via de bouwvoorschriften moeten de lidstaten ook stimulansen voorzien voor hernieuwbare energiebronnen die bepaalde efficiëntieniveaus bereiken. Een beleidsvoorbereidende studie is in 2010 uitgevoerd om na te gaan wat de impact is van een minimumaandeel van hernieuwbare energiebronnen in de energievoorziening van nieuwe gebouwen. Daarbij werd ook de praktische uitvoerbaarheid onderzocht en hoe dit minimumaandeel kan berekend worden, maximaal rekening houdend met de bestaande EPB-rekenmethodes.
Planning 2011 Een ontwerp van wijzigingsbesluit om het minimumaandeel hernieuwbare energie in de energieprestatieregelgeving te verankeren, zal in de loop van 2011 worden uitgewerkt.
5.2.3. Het VEA zal in overleg met de andere gewesten en de federale overheid een voorstel voor een kwalificatieregling tot bewaking van de opleidingen voor installateurs klein- schalige hernieuwbare-energie-installaties uitwerken • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het ontwerp van beleidskader • Prestatienorm: Het ontwerp van beleidskader wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende:
44
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren van een stakeholderoverleg
Stakeholderoverleg
Uiterlijk 30 juni 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Meewerken aan het bestek voor de inhoudelijke invulling van de opleidingen
Beschikbaarheid bestek
Uiterlijk 31 december 2011
Kader en stand van zaken Steeds meer gezinnen en bedrijven zijn ervoor gewonnen om zelf hernieuwbare energie op te wekken. Zonnepanelen zijn alom gekend. Daarnaast winnen ook zonneboilers en warmtepompen aan terrein. Wie investeert in hernieuwbare energie-installaties, verwacht dat de kwaliteit ervan op peil blijft. Om dat te garanderen, komen er kwaliteitsvereisten voor installateurs die zullen gelden in gans België. Voor de uitwerking ervan hebben het Vlaamse, Brusselse en Waalse Gewest de handen in elkaar geslagen. Zo’n gecoördineerd aanpak komt zowel de installateur als de consument ten goede. De nieuwe Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) verplicht de lidstaten om tegen 31 december 2012 een kwaliteitsregeling uit te werken voor installateurs van kleinschalige energiesystemen. Meer bepaald gaat het om kleinschalige warmwater- en verwarmingsketels op biomassa, fotovoltaïsche en thermische systemen op zonne-energie en ondiepe geothermische systemen en warmtepompen. Hoewel de implementatie van de richtlijn een gewestelijke bevoegdheid is, hebben de gewestelijke overheden besloten om hiervoor samen te werken. De gewesten zullen in samenspraak met de kennis- en opleidingscentra en de sectorverenigingen een gemeenschappelijk opleidingsprogramma voor installateurs ontwikkelen. Installateurs die slagen voor het theoretische en praktische examen ontvangen een bewijs dat erkend zal worden in heel België én in alle EU-lidstaten. Om hun bewijs te behouden, zullen de installateurs opfriscursussen kunnen volgen over de evoluties van de diverse technologieën. In het najaar van 2010 werd de aanbestedingsprocedure opgestart om een algemeen kader voor deze kwalificatieregeling uit te werken.
Planning 2011 De realisatie van de aanbesteding voor de uitwerking van het algemeen kader is gepland voor de eerste helft van 2011. In deze aanbesteding is overleg met de stakeholders voorzien. De concrete invulling van de opleidingen wordt uitgewerkt in de loop van 2011 en 2012. Hiervoor zal eind 2011 een openbare aanbesteding worden uitgeschreven. Bijkomend zal worden bekeken op welke manier het Vlaamse Gewest kan aansluiten bij het initiatief van de Europese Commissie (DG Energy) ‘Qualifying the building workforce’. Dit initiatief werd gelanceerd om lidstaten te ondersteunen om de kennis en de kwaliteitszorg van de bouwprofessioneel op vlak van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie te verbeteren.
Budget 2011 Inhoudelijke uitwerking opleidingen (150.000 euro)
5.2.4. Het VEA wil het Vlaams Actieplan Hernieuwbare Energie 2020 mee uitvoeren, monitoren en indien nodig aanvullende initiatieven voorstellen om te voldoen aan de tussentijdse doelstellingen van richtlijn 2009/28/EG • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van voortgangsrapport • Prestatienorm: Het eerste voortgangsrapport wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede voortgangsrapport wordt uiterlijk op 31 december 2012 aan de minister bezorgd. Het derde voortgangsrapport wordt uiterlijk op 31 december 2014 aan de minister bezorgd.
45
Kader en stand van zaken Dit is een sleutelproject in uitvoering van het Regeerakkoord, en ViA, en de doorbraak ‘groen en dynamisch stedengewest’. Volgens de nieuwe richtlijn hernieuwbare energie van 23 april 2009 moest België tegen 30 juni 2010 een nationaal actieplan aan de Europese Commissie voorleggen waarin wordt aangetoond hoe België tegen 2020 de doelstelling van 13% hernieuwbare energie in het finaal energiegebruik gaat bereiken en hoe de andere bepalingen uit de richtlijn zullen worden omgezet. De ENOVER-werkgroep ‘hernieuwbare energie’ startte eind 2009 met de uitwerking van het nationaal actieplan. Als gevolg van de val van de federale regering liepen de gesprekken inzake de intra-Belgische lastenverdeling van de 13%-doelstelling grote vertraging op. Het nationaal actieplan bevat een beschrijving van het bestaande beleid van de gewesten en de federale overheid, en de grote lijnen van nieuwe beleidsinitiatieven. De kwantitatieve inschattingen zijn onverdeelde nationale cijfers. Het is uiteindelijk op 30 november 2010 voorgelegd aan de Europese Commissie. De juridische omzetting van de richtlijn hernieuwbare energie van 23 april 2009 werd door de VREG voorbereid. Het betreft voornamelijk aanpassingen aan de regelgeving inzake de geldigheidsduur van garanties van oorsprong en het invoeren van duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen. Eind 2010 is het politiek besluitvormingsproces over de voorgestelde aanpassingen opgestart. Het nationaal actieplan is niet bindend. Zowel de erin opgenomen doelstellingen voor groene warmte, groene stroom en hernieuwbare energie in transport, als de verdeling over de verschillende technologieën en de beschreven maatregelen zijn eerder indicatief en kunnen de komende jaren nog gewijzigd of aangevuld worden, gezien het plan loopt tot 2020. De globale 13%-doelstelling tegen 2020 is wel bindend. Daarnaast zijn ook tussentijdse indicatieve doelstellingen vastgelegd. Indien deze tussentijdse doelstellingen niet worden bereikt, moet een aangepast actieplan worden voorgelegd waarin de lidstaat bijkomende maatregelen voorstelt om alsnog de verdere (tussentijdse) doelstellingen te bereiken.
Planning 2011 Het VEA zal voor het Vlaamse Gewest de uitvoering van het nationaal actieplan monitoren en de opmaak van de vereiste voortgangsrapporten coördineren. Van zodra de gesprekken over de Belgische lastenverdeling van de energie/klimaatdoelstellingen opnieuw starten, zal het VEA deze ondersteunen. Van zodra de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen over het ondersteuningssyseem voor grootschalige investeringen in groene warmte, zal het VEA de concrete implementatie ervan voorbereiden en begeleiden.
5.2.5. Het VEA voert doorlopend overleg en monitort de ontwikke ling van technieken en omgevingsvoorwaarden om aan de minister regelmatig een evaluatie van de onrendabele toppen inzake hernieuwbare energie en WKK te kunnen voorleggen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de evaluatie • Prestatienorm: Het eerste evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede evaluatierapport wordt uiterlijk op 31 juli 2015 aan de minister bezorgd.
46
Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Meewerken aan de evaluatie van het groenestroom- Beschikbaarheid evaluatierapport certificatensysteem
Prestatienorm Uiterlijk op 30 september 2011
Kader en stand van zaken Om de investeringen in groene energieprojecten voor particulieren en ondernemers aantrekkelijk te maken, heeft de Vlaamse Regering een financiële ondersteuningsregeling ingevoerd via het systeem van de groenestroomcertificaten. In een ontwerp van wijzigingsdecreet op het Energiedecreet (principiële goedkeuring op 10 december 2010) zijn een aantal aanpassingen aan het groenestroomcertificatensysteem opgenomen. Vanaf 2011 zal de steun voor nieuwe groene energie-installaties stapsgewijs worden afgestemd op de werkelijke meerkost van groene energievoorzieningen tegenover een traditionele energievoorziening. Onderzoek van de VITO uit 2010 heeft aangetoond dat het aangewezen is om de steun voor nieuwe PV-installaties en het verbranden van biomassa in steenkoolcentrales te verlagen en de gegarandeerde steun voor nieuwe vergistingsinstallaties te verhogen. Daarnaast werden nog een aantal andere punctuele wijzigingen doorgevoerd.
Planning 2011 Onder andere in het kader van haar beslissing van 10 december 2010over het wijzigingsdecreet is in de Vlaamse Regering afgesproken dat in 2011 een grondige evaluatie van het groenestroomcertificatensysteem zal worden uitgevoerd. De VREG en het VEA hebben de opdracht gekregen om tegen eind september 2011 hun evaluatierapport aan de minister te bezorgen.
Budget 2011 Externe ondersteuning evaluatie (150.000 euro)
5.2.6. Het VEA zal de realisatie van de doelstellingen voor warm- tekrachtkoppeling in het Vlaamse Gewest monitoren en indien nodig aanvullende initiatieven voorstellen • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van WKK-rapport • Prestatienorm: Het eerste WKK-rapport wordt uiterlijk op 31 juli 2011 aan de minister bezorgd. Het tweede WKK-rapport wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Meewerken aan de evaluatie van het warmtekracht- Beschikbaarheid evaluatierapport certificatensysteem
Prestatienorm Uiterlijk op 30 september 2011
Kader en stand van zaken De voorbije inleveringsrondes ontstond een belangrijk structureel overschot aan warmtekrachtcertificaten. De waarde van de certificaten komt hierdoor onder druk, wat nadelig is voor zowel bestaande (te vervangen), als nieuwe projecten. Op basis van een potentieelstudie tot 2020 en de actualisatie van de berekening van de onrendabele toppen, werd met het programmadecreet 2011 eveneens het warmtekrachtcertificatensysteem bijgestuurd. Door tegelijkertijd de quota op te trekken en de gegarandeerde minimumsteun voor een WKK-
47
certificaat te verhogen, krijgt de technologie een nieuwe impuls. De Vlaamse Regering wil daarmee investeringszekerheid bieden voor wie investeerde en vooral voor wie in de toekomst wil investeren in WKK. Het stijgend tijdspad zorgt ervoor dat het aandeel WKK in onze elektriciteits- en warmteproductie stijgt, wat kadert in de Europese doelstellingen op vlak van energie-efficiëntie.
Planning 2011 In het kader van haar beslissing van 10 december 2010 over de decreetswijziging met punctuele aanpassingen van het GSC-systeem is in de Vlaamse Regering afgesproken dat in 2011 ook een grondige evaluatie van het warmtekrachtcertificatensysteem zal worden uitgevoerd. De VREG en het VEA hebben de opdracht gekregen om tegen eind september 2011 hun evaluatierapport aan de minister te bezorgen.
5.2.7. Het VEA zal voor de gewestelijke energiebevoegdheden de vereiste input leveren om te voldoen aan de evaluatie en rapporteringsverplichtingen voorgeschreven door de Europese richtlijnen inzake hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling • Prestatie-indicator: Aantal binnen de wettelijke termijnen uitgevoerde verplichtingen in verhou- ding tot het totaal aantal verplichtingen • Prestatienorm: 100% De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoering geven aan artikelen 22.1 en 22 van de Bezorgen van het Vlaams ontrichtlijn hernieuwbare energie inzake voortgangsrap- werpvoortgangsrapport aan portering aan de Europese Commissie ENOVER
Uiterlijk op 31 oktober 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoering geven aan artikel 10 van de WKK-richtlijn inzake het aanleveren van WKK-statistieken aan de Europese Commissie
Bezorgen van de Vlaamse WKK- Uiterlijk op 31 oktober 2011 statistieken aan ENOVER
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Uitvoering geven aan artikelen 6.3 en 10.2 van de WKK-richtlijn inzake de evaluatie van de groei van het aandeel hoogrenderende WKK
Bezorgen van de Vlaamse evaluatie aan ENOVER
Binnen de vier maanden nadat de vraag door de Europese Commissie werd gesteld
Planning 2011 Eind 2011 moet aan de Europese Commissie een eerste voortgangsrapportering inzake de richtlijn hernieuwbare energie worden bezorgd. In uitvoering van de WKK-richtlijn kan de Europese Commissie de lidstaten verzoeken de groei van het aandeel hoogrenderende WKK te evalueren. Tot op heden heeft België nog geen dergelijk verzoek ontvangen. Jaarlijks worden de WKK-statistieken al aan de Europese Commissie bezorgd.
5.2.8. Het VEA zal de werkprogramma’s monitoren van de vzw’s met een werkingssubsidie (Cogen, ODE, Biogas-E, Quest) • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de adviezen over de ingediende werkprogramma’s voor het jaar N+1 • Prestatienorm: Adviezen worden binnen 20 werkdagen na ontvangst van de werkprogram- ma’s via de Inspectie van Financiën, naar de minister gestuurd.
48
Kader en stand van zaken Verschillende verenigingen vormen het contactpunt voor overleg met de sectoren, ondersteunen de realisatie van de Vlaamse beleidsdoelstellingen inzake milieuvriendelijke energieproductie en worden hiervoor structureel ondersteund met een werkingssubsidie: • ODE Vlaanderen (hernieuwbare energie). • Cogen Vlaanderen (warmtekrachtkoppeling). • Biogas-E (vergisting). • Quest (kwaliteitscentrum). Het VEA legt de prioriteiten vast in de jaarlijkse werkprogramma’s en volgt de werkzaamheden van deze vzw’s op via stuurgroepen, de overlegplatformen en bilaterale vergaderingen.
Budget 2011 Werkingssubsidie ODE (90.000 euro) Werkingssubsidie Cogen (134.000 euro) Werkingssubsidie Biogas-E (90.000 euro)
5.2.9. Het VEA zal de werkzaamheden van de interdepartemen- tale windwerkgroep organiseren en coördineren tot imple- mentatie van de omzendbrief windenergie • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van adviezen windwerkgroep in verhouding tot het aantal gevraagde adviezen • Prestatienorm: 100% Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak beleidsadvies over het inplantingsbeleid van windturbines
Beschikbaarheid van beleidsadvies
Uiterlijk 30 april 2011
Kader en stand van zaken In Vlaanderen waren eind 2010 156 windturbines operationeel, samen goed voor een geïnstalleerd vermogen van bijna 265 MW. In Vlaanderen groeide het opgesteld vermogen aan windenergie in 2010 met ongeveer 26 MW aan, een groei van 11% (2009 : + 56 MW of 30%). Uit de werkzaamheden van de Interdepartementale Windwerkgroep valt af te leiden dat de groeivertraging eerder van tijdelijke aard zal zijn. Eind 2010 was ongeveer 200 MW vergund. Dit is wel te verstaan als de situatie waarbij formeel een bouw- en milieuvergunning is afgeleverd maar waar mogelijk (en heel waarschijnlijk in de meeste gevallen) nog beroepsprocedures lopen. De Interdepartementale Windwerkgroep heeft bovendien voor een groot aantal andere projecten voor een totaal vermogen van ongeveer 400 MW al een positief advies verstrekt. Heel wat specifieke factoren spelen een rol in de mogelijkheid tot plaatsen van grootschalige windturbines. Zo is Vlaanderen een zeer dichtbevolkte regio, één van de meest dichtbevolkte in Europa. Gecombineerd met een beperkte beschikbare ruimte, ondermeer door sterk verspreide bewoning, maakt dat het niet eenvoudig is om geschikte locaties te vinden. Dit tempert bijgevolg ook het jaarlijks groeicijfer. Er moet dan ook blijvend werk gemaakt worden van het analyseren en wegwerken van de mogelijke belemmeringen voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie in het algemeen en windenergie in het bijzonder. Vlaanderen zette hiertoe een actieplan op voor het wegwerken van de juridische en praktische belemmeringen die zich kunnen voordoen in het kader van de realisatie van de Vlaamse doelstellingen inzake milieuvriendelijke energieproductie waaraan een jaarlijkse voortgangsrapportering is gekoppeld.
49
De rechtstreekse vergunning van windturbines in agrarisch gebied is één van dergelijke maatregelen die de proceduretijd verkort voor het realiseren van windturbines in geschikte locaties in agrarisch gebied. Daarnaast moet er ook over gewaakt worden dat de prioritaire locaties op industriegebieden maar vooral in de havens ook effectief en efficiënt benut worden.
Planning 2011 Omwille van een aantal redenen werd eind 2010 gestart met een grondige evaluatie van de Omzendbrief (aanpassen aan bepalingen in de Codex Ruimtelijk Ordening, bepaalde normen zijn aan evaluatie toe, de inspanningen van de provincies en andere regionale of lokale initiatieven hebben momenteel geen juridische doorwerking naar de vergunningsverlening). In dit kader zal ook de mogelijke verbetering van de werking van de Interdepartementale Windwerkgroep aan bod komen. Het VEA zal, als input vanuit het beleidsveld Energie voor het overleg binnen de Windwerkgroep, een beleidsadvies over het inplantingsbeleid voor windturbines opmaken.
5.2.10. Het VEA zal de subsidieaanvragen beoordelen in het kader van de demonstratieprojecten bij openbare be- sturen en vzw’s (micro-WKK en warmtepompen) • Prestatie-indicator: Aantal behandelde aanvragen binnen de beoordelingstermijn van maxi maal 2 maanden na het afsluiten van de call in verhouding tot het aantal ingediende aanvra- gen • Prestatienorm: 100%
Kader en stand van zaken Het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 voorziet in de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK’s en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechterlijke rechtspersonen. Voor deze subsidieregeling werd voor 2009 en 2010 telkens een budget van maximum 200.000 euro per kalenderjaar voorzien, toegekend via een call-systeem met halfjaarlijkse oproepen. Deze steun diende als demonstratiefase om, in combinatie met een sensibiliserings- en informatiecampagne, de bekendheid van beide technieken te verbeteren. De evaluatie die na de call van medio 2010 werd gemaakt, toonde aan dat dit programma een groot succes was en zijn doelstellingen ruimschoots heeft ingevuld. De totaal aangevraagde steun in 2010 overtrof het voorziene budget. In totaal werden 21 projecten goedgekeurd, waaronder 5 micro-WKK’s en 16 warmtepompen. Eind 2010 werd beslist deze subsidieregeling op te schorten.
5.2.11. Het VEA zal een marktintroductieplan voor micro-WKK- installaties voorbereiden • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van het marktintroductieplan • Prestatienorm: Marktintroductieplan wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister be- zorgd
50
De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaken van een opportuniteitstoets
Beschikbaarheid toets
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organiseren van een stakeholderoverleg, op voorwaarde van positieve opportuniteitstoets
Stakeholderoverleg
Uiterlijk 31 oktober 2011
opportuniteits-
Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken Uit de WKK-inventaris blijkt dat het aantal micro-WKK installaties operationeel in Vlaanderen steeg van 14 in 2008 tot 21 in 2009. Dit blijft een heel beperkt aantal. Een extra beleidsstimulans lijkt noodzakelijk.
Planning 2011 De opmaak van een actieplan om de marktintroductie van micro-WKK in woningen te ondersteunen, zal worden voorafgegaan door een opportuniteitstoets.
51
5.3. Het VEA wil de Vlaamse beleidsmaatregelen ter bestrijding van energiearmoede kwaliteits- vol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalita- tieve uitbouw van groene jobs • Effectindicator: Evolutie energiebesparende investeringen in woningen van kansarmen • Streefnorm: Toename van jaarlijks gemiddeld aantal energiebesparende investeringen in wo- ningen van kansarmen over 2011-2014 in vergelijking tot 2010
5.3.1. Het VEA zal een voorstel uitwerken voor de financiële on- dersteuning van sociale dakisolatieprojecten • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van voorstel • Prestatienorm: Het voorstel wordt uiterlijk op 31 december 2011 aan de minister bezorgd. Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Documenteren van de ontwikkelde goede praktijken Beschikbaarheid documentatie
Prestatienorm Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken De provincie Limburg startte in een breed partnerschap de campagne ‘Limburg isoleert’ met de doelstelling om in de periode 2009 - 2011 zo’n 7500 daken per jaar te isoleren. In het sociale luik van deze campagne voorzag Limburg 6 isolatieteams met telkens 5 werknemers uit de sociale economie die jaarlijks 500 daken bij lage inkomensgroepen isoleren. De vzw STEBO coördineert de inzet van de isolatieteams en de uitvoering van de werken in opdracht van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Aan de vzw STEBO werd een subsidie van 120.000 euro toegekend als cofinanciering voor minstens 10.000 m² dakisolatie in woningen en appartementen van sociale huisvestingsmaatschappijen in Limburg. De netbeheerders van Infrax voorzagen ook een cofinanciering vanuit het Aardgasfonds. Het project startte in november 2009 en kende een groot succes. Eind augustus 2010 waren al 401 zoldervloeren geïsoleerd, goed voor ruim 19.105 m². Eind 2010 zullen volgens planning 925 daken met een oppervlakte van 49.039 m2 geïsoleerd zijn. Door de integrale en collectieve aanpak kan het werk snel en goedkoop uitgevoerd worden. In een volgende fase legt STEBO zich ook toe op de technisch moeilijkere hellende daken. De Vlaamse cofinanciering verloopt voortaan via de Vlaamse dakisolatiepremie. Ook Eandis voert als openbaredienstverplichting vanaf het voorjaar 2010 een dakisolatieproject uit bij de sociale huisvestingsmaatschappijen. Eandis levert het materiaal voor de dakisolatiewerken gratis aan en voorziet voor de plaatsing door de sociale huisvestingsmaatschappijen een premie van 10 euro per m² vanuit het Aardgasfonds (totaal 1,5 miljoen euro). Bovendien kan per woning door de sociale huisvestingsmaatschappij de bijkomende Vlaamse dakisolatiepremie van 500 euro worden aangevraagd. De planning 2010 voorzag de isolatie van 2300 daken (uitvoering deels in 2011). Naast de samenwerking met de sociale huisvestingsmaatschappijen engageerde Eandis zich ook om op de private huurmarkt een sociaal gericht dakisolatieproject op te zetten. De isolatie van de daken van huurwoningen, bewoond door sociaal kwetsbare gezinnen, zal volledig door Eandis gefinancierd worden. Bijzondere aandacht zal hierbij gaan naar het concretiseren van een mechanisme van huurprijsblokkering waartoe de eigenaars zich zullen moeten engageren, willen ze genieten van dit voor hen gratis aanbod. Eandis maakt voor de uitvoering van dit project een budget van 1 miljoen euro vrij uit het Aardgasfonds waarmee 500 tot 700 daken met een totale oppervlakte van 40.000 m² aangepakt zullen kunnen worden. In de loop van 2010 werd een aanbesteding in verschillende loten voor de aankoop van isolatiematerialen en de plaatsing opgestart.
52
Planning 2011 De Limburgse sociale huisvestingsmaatschappijen voorzien nog opdrachten voor de dakisolatieteams tot eind 2011. Eind 2010 heeft het VEA samen met vzw STEBO bekeken hoe het project evolueert. In 2011 zullen de ontwikkelde goede praktijken worden gedocumenteerd en zal worden nagegaan op welke manier deze aanpak, met inschakeling van de sociale economie, eventueel ook elders in Vlaanderen kan gestimuleerd en toegepast worden. Eandis voorziet voor 2011 een verlenging van het collectief dakisolatieproject voor de sociale huisvestingsmaatschappijen. De uitvoering van de dakisolatiewerken in de private huurmarkt zal starten begin 2011. Een stuurgroep samengesteld uit vertegenwoordigers van Eandis, het VEA, de kabinetten Energie en Wonen en de vzw Samenlevingsopbouw zullen de projectvoortgang opvolgen en na afloop een advies afleveren met scenario’s voor verder zetting/uitbreiding van dakisolatieprojecten in de private huurmarkt. Het VEA coördineert de opvolging en stelt op basis van de op dat ogenblik beschikbare informatie een ontwerpvoorstel op tot de financiële ondersteuning van sociale dakisolatieprojecten dat eind 2011 aan de minister wordt bezorgd.
5.3.2. Het VEA zal regelmatig een evaluatie voorleggen aan de minister over de sociale openbaredienstverplichtingen van de distributienetbeheerders • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de evaluatie • Prestatienorm: De eerste evaluatie wordt uiterlijk op 30 september 2011 aan de minister be- zorgd. De tweede evaluatie wordt uiterlijk op 31 december 2014 aan de minister bezorgd Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Organisatie van panelgesprekken en afnemen van enquêtes ter onderbouwing van evaluatienota
Beschikbaarheid verslagen panelgesprekken en analyses afgenomen enquêtes
Uiterlijk 30 juni 2011
Kader en stand van zaken In het regeerakkoord is opgenomen dat een onderzoek zal worden verricht om de effectiviteit en de efficiëntie van de bestaande sociale openbaredienstverplichtingen te verbeteren. Het VEA en de VREG hebben de opdracht gekregen om deze evaluatie gezamenlijk uit te voeren. Na het in voege treden van het nieuwe besluit op de sociale openbaredienstverplichtingen op 1 juli 2009, werden al een aantal knelpunten geïnventariseerd waarvoor op 12 november 2010 wijzigingsbesluiten werden goedgekeurd: • afbetaling van schulden via de budgetmeter; • minimumlevering voor aardgas. De evaluatie van de sociale openbaredienstverplichtingen werd opgestart met een studievoormiddag op 26 november 2010.
53
Planning 2011 De evaluatie zal in 2011 worden uitgevoerd. Deze evaluatie moet leiden tot een studienota met aanbevelingen. Tussen de VREG en het VEA zijn in 2010 de nodige werkafspraken gemaakt. Het VEA zal in 2011 volgende deeltaken op zich nemen: • Afnemen van enquêtes. Aan de OCMW’s en aan de netbeheerders (klantenkantoren) zal wor- den gevraagd om door hun doelgroepklanten een papieren enquête te laten invullen. • Panelgesprek organiseren met stakeholders (SERV, VVSG, organisaties die werken rond ener- giearmoede, netbeheerders, …).
5.3.3. Het VEA zal de waarborgaanvragen beoordelen voor FRGE-leningen aan lokale entiteiten • Prestatie-indicator: Aantal volledige aanvragen beoordeeld binnen een termijn van maximaal 30 werkdagen in verhouding tot het totaal ingediende aanvragen • Prestatienorm: 100%.
Kader en stand van zaken Met toepassing van artikel 99 van het Programmadecreet 2010 kan de Vlaamse Regering haar waarborg verlenen voor de leningen die door het FRGE aan de Lokale Entiteiten worden toegekend. Volgens paragraaf 2 van dat artikel bepaalt de Vlaamse Regering de voorwaarden waaronder de waarborg kan worden toegekend en uitgekeerd. Op 10 september 2010 heeft de Vlaamse Regering haar definitieve goedkeuring gehecht aan een ontwerp van besluit waarmee deze voorwaarden worden vastgelegd. Aangezien het Fonds zelf, onder bepaalde voorwaarden, 5% wanbetaling kan toestaan, wordt de waarborg beperkt tot maximaal 95% van het uitstaande kapitaal en verschuldigde interesten. De waarborg kan alleen worden ingeroepen nadat het bewijs is geleverd dat alle andere zakelijke en persoonlijke zekerheden, bedongen door de Lokale Entiteit ten aanzien van de particulier, zijn uitgewonnen. De waarborg dekt geen accessoire kosten van aanmaningen, invorderingskosten, noch gerechtskosten. Evenmin kan de waarborg worden uitbetaald voor leningen die werden toegekend voor de financiering van fotovoltaïsche zonnepanelen. Eind 2010 waren er in Vlaanderen al 10 actieve Lokale Entiteiten.
Planning 2011 Het VEA zal de waarborgaanvragen behandelen die door de Lokale Entiteiten worden ingediend.
Budget 2011 Waarborg voor FRGE-leningen (200.000 euro)
5.3.4. Het VEA zal meewerken aan de evaluatie van de maatre- gel inzake de toekenning van een jaarlijkse hoeveelheid gratis elektriciteit • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van de evaluatie • Prestatienorm: De evaluatie wordt uiterlijk op 30 september 2011 aan de minister bezorgd.
54
Kader en stand van zaken In Vlaanderen heeft elke huishoudelijke afnemer sinds 2003 recht op een gratis hoeveelheid elektriciteit (‘gratis kWh’) per jaar. Een gezin krijgt een vaste minimumhoeveelheid van 100 kWh per gezin, plus 100 kWh per gezinslid dat in de woning gedomicilieerd is. De elektriciteitsleverancier moet deze gratis kWh geven onder de vorm van een korting op de eerste eindafrekening. De korting is gelijk aan het aantal gratis kWh elektriciteit waarop een gezin recht heeft, vermenigvuldigd met de eenheidsprijs. Deze prijs wordt sinds 2008 elk jaar berekend door de VREG. De leverancier factureert de toegekende bedragen aan de netbeheerder. In de beleidsbrief Energie 2011 wordt aangekondigd dat een optimalisering zal worden doorgevoerd van het systeem van de gratis kWh in functie van een effectieve en efficiĂŤnte ondersteuning van sociaal zwakkeren en met het oog op het zorgen voor een betere sociale bescherming. Deze zal parallel verlopen aan de evaluatie van de sociale openbare dienstverplichtingen (zieOOD. 5.3.2).
Planning 2011 In samenwerking met de VREG zal het VEA haar expertise ter beschikking stellen voor de opmaak van het evaluatierapport met betrekking tot de maatregel inzake de toekenning van een jaarlijkse hoeveelheid gratis elektriciteit. Een belangrijk onderdeel van deze evaluatie is de inschatting van het aantal gezinnen dat bereikt wordt met deze maatregel.
55
5.4. Het VEA wil via gerichte communicatieacties de actiebereidheid bij de bevolking, bedrijven en organisaties inzake het rationeel energie gebruik en de milieuvriendelijke energiepro- ductie verhogen • Effectindicator: Evolutie van percentage huishoudens en bedrijven dat concrete plannen heeft om te investeren in rationeel energiegebruik en milieuvriendelijke energieproductie • Streefnorm: Toename van percentage
5.4.1. Het VEA wil een proefproject opzetten op basis waarvan een stappenplan kan worden opgesteld om lokale ener- gieloketten uit te bouwen • Prestatie-indicator: Aantal opgestarte voorbeeldprojecten voor energieloketten • Prestatienorm: Uiterlijk op 31 december 2011 zijn 2 voorbeeldloketten operationeel • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid stappenplan voor uitbouw van lokale energieloketten • Prestatienorm: Het stappenplan wordt uiterlijk op 31 december 2013 aan de minister bezorgd
Kader en stand van zaken Het VEA heeft begin 2010 een studie aanbesteed ter voorbereiding van de opzet van een aantal voorbeeldenergieloketten. Deze studie werd eind juni 2010 opgestart vanuit het oogpunt dat deze proefprojecten informatie zouden verschaffen over de wenselijke verdere aanpak en een stappenplan inzake de uitbouw van lokale energieloketten in Vlaanderen. Eind december werd de studie afgerond. Eind 2010 werd door de Vlaamse Regering een oproep gelanceerd om lokale overheden of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden opnieuw te laten deelnemen aan lokale woonbeleidsinitiatieven. Eén van de acties die wordt voorgesteld, is de uitbating van een lokaal woonloket waar allerlei informatiemateriaal in verband met wonen aan de burger ter beschikking wordt gesteld. De thema’s rationeel energiegebruik en duurzaam en energiezuinig bouwen en verbouwen kunnen hierin een belangrijke plaats krijgen. In het kader van het één-loket-principe wordt er voor geopteerd geen afzonderlijke energieloketten op te zetten maar aansluiting te zoeken met de woonloketten. De resultaten van de VEA-studie zullen ter beschikking worden gesteld van de lokale besturen om het energiethema maximaal in hun projectvoorstellen voor lokale woonbeleidsinitiatieven te integreren. Er zullen dus door het VEA geen voorbeeldprojecten worden opgestart. Evenmin zal een stappenplan worden uitgewerkt.
5.4.2. Het VEA zal een gestructureerd informatie- en kennissys teem exploiteren voor het managen en beantwoorden van de algemene informatievragen die binnenkomen op energie@vlaanderen.be • Prestatie-indicator: Antwoordtermijn • Prestatienorm: Minstens 90% van de algemene informatievragen is kwalitatief beantwoord bin- nen vijf werkdagen
56
Kader en stand van zaken De toegenomen aandacht voor de energieproblematiek, de communicatie- en sensibiliseringsacties en de vele beleidsinitiatieven, leiden tot vragen voor informatie en nadere toelichting. Het VEA-secretariaat ontvangt op energie@vlaanderen.be dagelijks gemiddeld 150 algemene informatievragen en ongeveer 80 à 100 telefonische oproepen. In drukke perioden (campagnegolf, Batibouw, berichtgeving in de media, …) registreren we pieken van meer dan 300 algemene informatievragen per dag. Het Vlaams Energieagentschap engageert zich om de algemene informatievragen van het publiek zo snel en zo goed mogelijk te beantwoorden. In 2008 werd een nieuwe softwaretool in gebruik genomen om de efficiënte afhandeling van de per mail gestelde vragen nog te optimaliseren. In 2008 werd gemiddeld 90% van de informatievragen binnen de 5 werkdagen beantwoord. In 2009 en 2010 is dit percentage gedaald tot gemiddeld 88%.
Planning 2011 Doelstelling is om in 2011 opnieuw het percentage van 90% te behalen.
5.4.3. Het VEA zal externe sensibiliserings- en communicatie acties voeren inzake het energieverbruik en milieuvrien- delijke energieproductie (via beurzen en de media) • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van communicatieplan voor het jaar N+1 • Prestatienorm: Het communicatieplan wordt jaarlijks uiterlijk op de Directieraad van december goedgekeurd en aan de minister overgemaakt Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak concreet en gedetailleerd werkplan voor opmaak extern communicatieplan 2012
Beschikbaarheid werkplan tezamen met halfjaarlijkse evaluatie extern communicatieplan 2011
Goedkeuring op Directieraad van juni 2011
Kader en stand van zaken Het VEA voert op geregelde tijdstippen sensibiliserings- en communicatieacties inzake het rationeel gebruik van energie en de milieuvriendelijke energieproductie. Het centrale communicatiethema van het VEA is het promoten van rationeel energiegebruik (REG) bij burgers, bedrijven en overheden. De promotie van REG start altijd met de doelstelling om de vraag naar energie zoveel mogelijk te beperken, dus om zo weinig mogelijk energie te verbruiken. Pas in een tweede fase, op het ogenblik dat de meest economische alternatieven om het verbruik te beperken, zijn uitgeput, verschuift de aandacht vervolgens naar de promotie van milieuvriendelijke energieproductie. Deze communicatie komt er enerzijds op neer om burgers, bedrijven en overheden aan te zetten om zoveel mogelijk energie op een duurzame manier te produceren en anderzijds om de weerstand tegen installaties die duurzame energie produceren, te beperken.
Planning 2011 Jaarlijks stelt het VEA een extern communicatieplan op. Het extern communicatieplan kadert de communicatieacties in de strategische en operationele organisatiedoelstellingen van het agentschap. Verder worden deze communicatieacties ook nog eens opgedeeld naar de verschillende prioritaire communicatielijnen en de doelgroepen. Opvallende geplande communicatie-acties in 2011:
57
• Campagne in verband met de verstrenging van de EPB-eisen vanaf 2012. • Er zal in de loop van 2011 een herhalingscampagne worden georganiseerd om het EPC beter bekend te maken, te wijzen op de striktere handhaving van de kwaliteit en aan te kondigen dat vanaf 2012 het kengetal van het EPC op iedere publiciteit omtrent de te koop of te huur gestelde woning moet worden vermeld. • Vanaf 2012 zullen de energiepremies worden gestroomlijnd. In de loop van 2011 zullen de krachtlijnen van de stroomlijning uitgebreid worden gecommuniceerd. • Communicatie over draagvlak windturbines op basis van enquête uitgevoerd begin 2011.
Budget 2011 Uitvoering extern communicatieplan (550.000 euro)
5.4.4. Het VEA zal positief gewaardeerde informatiebrochures en –folders over REG en milieuvriendelijke energieproduc- tie laagdrempelig ter beschikking stellen • Prestatie-indicator: Enquêteresultaten • Prestatienorm: Positieve waardering die over de looptijd van de beheersovereenkomst min- stens gelijk blijft De concrete actiepunten die het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD zijn de volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Verspreiding nieuwe brochure ‘Financiële instrumenten voor energiebesparing’
Beschikbaarheid van brochure
Uiterlijk 31 mei 2011
Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Verspreiding van leaflet met strengere EPB-eisen vanaf 2012
Beschikbaarheid van leaflet
Uiterlijk 31 mei 2011
Kader en stand van zaken Het VEA beschikt over een uitgebreid informatieaanbod inzake REG en milieuvriendelijke energieproductie, vooral voor de doelgroep particulieren. Het VEA stelt verschillende publicaties ter beschikking. De brochures worden in hoofdzaak via volgende kanalen verspreid: informatiezuilen van lokale besturen en gemeenten, downloaden via website, beurzen en evenementen. Vanaf 2010 werd het aantal bestelbare papieren brochures sterk verminderd.
Planning 2011 In 2011 zullen een aantal nieuwe brochures worden gemaakt en een aantal brochures worden herdrukt. Dit laatste ofwel in functie van uitputting van de voorraad, ofwel in functie van wijziging van de inhoud of de achterliggende wetgeving. De inhoud van de gedrukte publicaties wordt zoveel mogelijk beperkt tot de essentiële informatie. In 2011 worden volgende nieuwe brochures gepland: • Premies voor energiebesparende investeringen 2011 (oplage 150.000 stuks). • Leaflet met strengere EPB-eisen vanaf 2012. • Financiële instrumenten voor energierenovaties. De waardering van de doelgroep wordt opgevolgd op basis van de REG-enquêtes.
58
Budget 2011 Drukkosten brochures (75.000 euro)
5.4.5. Het VEA zal een gebruiksvriendelijke en drukbezochte website beheren • Prestatie-indicator: Aantal bezoekers • Prestatienorm: Jaarlijks minstens 1,2 miljoen bezoekers of gemiddeld 100.000 bezoekers op maandbasis Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak werkprogramma 2011 voor verdere uitbouw van website
Beschikbaarheid werkprogramma
Goedkeuring op Directieraad van maart 2011
Kader en stand van zaken Op de website www.energiesparen.be kunnen gezinnen en bedrijven heel wat informatie vinden over de prioritaire energiebesparende investeringen en de financiële ondersteuningsmaatregelen die ze daarvoor kunnen bekomen. In 2010 telde de website maandelijks gemiddeld 110.000 bezoekers (2009: 120.000 ; 2008: 80.000 ; 2007: 55.000). De daling ten opzichte van 2009 valt te verklaren door het feit dat in 2010 geen grote mediacampagne rond een nieuwe steunmaatregel werd gevoerd. Begin 2009 werd een grote mediacampagne rond de nieuwe Vlaamse dakisolatiepremie gevoerd. De REG-enquête 2009 heeft uitgewezen dat de website bekend is bij 48% van de Vlamingen. Dit is 6% meer dan in 1998 en 23% meer dan in 2005. In 2011 zal de REG-enquête worden herhaald.
Planning 2011 Het VEA zal zich in 2011 focussen op het up-to-date houden van de website, het handhaven van het aantal bezoekers van 2010 en het verder verhogen van de bekendheid. Er zal onderzocht worden om de energiewinstcalculatoren verder te verfijnen. De noodzaak is het grootst voor de energiewinstcalculator voor dakisolatie.
59
5.5. Het VEA zal de minister ondersteunen bij de voorbereiding en uitvoering van de energie beleidscyclus • Prestatie-indicator: Jaarlijkse evaluatie minister leidend ambtenaar van het VEA • Prestatienorm: Positieve evaluatie van minister van ondersteuning door het agentschap Het VEA zal deelnemen aan de volgende overlegfora binnen het beleidsdomein LNE : • Beleidsraad LNE • Managementcomité beleidsdomein LNE • Managementcomité ministerie LNE • Werkgroep P&O (Personeel & Organisatie) LNE • VOMER (Vlaams Overleg Milieu- en EnergieRegelgeving) • VOIM (Vlaams Overleg Internationale Milieudossiers) • Stuurgroep referentietaken VITO Het VEA zal deelnemen aan de volgende overlegfora met partners ook van buiten het beleidsdomein LNE : • ENOVER (Energieoverleg federale staat en gewesten) • Vlaamse Interdepartementale Windwerkgroep • Task Force Klimaatbeleid Vlaanderen • Vast Elektrotechnisch Comité • Stuurgroep BBT/EMIS • Werkgroep Energie/Klimaat van de Nationale Klimaatcommissie De volgende overlegfora binnen de Vlaamse overheid zullen worden opgevolgd via de aan het VEA ter beschikking gestelde agenda’s en verslagen : • CAG (College van ambtenaren-generaal) • SOBO (Strategisch Overleg Bestuurlijke Organisatie) • SOFI (Strategisch Overleg Financiën en Interne controle) • TOPO (Tactisch Overleg Personeel en Organisatie) • SOPO (Strategisch Overleg Personeel en Organisatie) Het VEA zal binnen de opgelegde termijnen de nodige informatie en analyseresultaten ter beschikking stellen van de minister voor de beantwoording van parlementaire vragen. Het agentschap zal tevens haar expertise aanleveren voor de voorbereiding van het Vlaams standpunt m.b.t. de Europese en internationale energiegerelateerde dossiers, voornamelijk als input voor de bespreking in ENOVER Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Aanleveren van bijdragen aan de voorbereiding van het Vlaams standpunt m.b.t. de Europese en internationale energiegerelateerde dossiers, voornamelijk als input voor de bespreking in ENOVER
Beschikbaarheid van inhoude- Binnen de afgesproken termijn lijke nota’s met Vlaamse ontwerpstandpunten
5.5.1. Het VEA zal input leveren voor de beleidsbrieven van de minister • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van input • Prestatienorm: De input wordt aan de minister bezorgd voor 7 september van elk jaar
60
Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak ontwerp inhoudstafel en werkplanning voor voorbereiding input van het agentschap voor de beleidsbrief Energie 2012
Beschikbaarheid ontwerp inhoudstafel en werkplanning
Goedgekeurd van juni 2011
op
Directieraad
5.5.2. Het VEA zal energierapporten ter beschikking stellen met betrouwbare gegevens over de energieproductie en het –verbruik per sector • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van definitief rapport over jaar N-2 en voorlopig rapport over jaar N-1 • Prestatienorm: Tegen uiterlijk 30 september van elk jaar Het concrete actiepunt dat het VEA in 2011 zal ondernemen voor de ondersteuning van de realisatie van deze OOD is het volgende: Resultaatgerichte jaardoelstelling
Prestatie-indicator
Prestatienorm
Opmaak werkprogramma 2011 voor referentieop- Beschikbaarheid werkprogramma Doorsturen werkprogramma naar dracht VITO in kader van opmaak energierapport 2011 stuurgroep VITO-referentietaken op uiterlijk 1 maart 2011
Voor de voorbereiding en de opvolging van het energiebeleid heeft de Vlaamse overheid nood aan betrouwbare gegevens inzake de energieproductie en het -verbruik per sector. Ook de inventaris van broeikasgasemissies, een verplichting onder het Kyotoprotocol, steunt op deze gegevens. De inventarisatie van het energieverbruik gebeurt ook ten dienste van de ondernemingen en huishoudens opdat zij hun eigen energieverbruik en -intensiteit zouden kunnen benchmarken met de gemiddelde waarden in hun sector. Op 14 juli 2004 (gewijzigd op 21 april 2009) heeft de Vlaamse Regering het uitvoeringsbesluit betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de netbeheerders, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie- en zelfopwekkingsinstallaties goedgekeurd. Het ministerieel besluit van 23 februari 2005 legt de sectorindelingen, de rapporteringswijze en de eisen inzake accuraatheid, volledigheid en consistentie vast. Jaarlijks dienen de rapporteringsplichtigen tegen 1 mei gegevens aan het VEA te bezorgen. Daarnaast zijn er nog diverse andere bronnen waaruit energieverbruiks- en energieproductiegegevens worden geput: de REG-enquête van het VEA bij 1000 gezinnen, de monitoringrapporten van de convenantbedrijven, de emissiejaarverslagen, de groenestroom- en WKK-certificatendossiers, federale petroleumstatistieken, transportmodellen,... . Na controle op accuraatheid en consistentie worden de gegevens verwerkt in een jaarlijks Vlaams energierapport. De Vlaamse Instelling voor het Technologisch Onderzoek (VITO) werd hiermee belast in het kader van hun referentieopdracht. De opmaak van het energierapport wordt begeleid door een gebruikerscomité, onder het voorzitterschap van het VEA.
5.5.3. Het VEA zal meewerken aan de opmaak, uitvoering, rap- portering en evaluatie van het Vlaams Klimaatbeleidsplan voor de acties waarvoor het agentschap trekker is • Prestatie-indicator: Beschikbaarheid van bijdrage • Prestatienorm: De bijdrage wordt aan het departement LNE bezorgd binnen de afgesproken termijn
61
Kader en stand van zaken Voortbouwend op de ervaring die werd opgedaan in het kader van de opmaak en uitvoering van het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2006-2012, zal door het beleidsveld Leefmilieu in 2011 het proces worden opgestart dat voor de post-Kyoto-periode moet leiden tot het Vlaams Klimaatbeleidsplan 2013-2020 (ViA-sleutelproject).
Planning 2011 In de eerste helft van 2011 zullen door het beleidsveld Leefmilieu waarschijnlijk gesprekken worden opgestart met alle relevante beleidsvelden, onder andere het beleidsveld Energie. De Taskforce Klimaatbeleid Vlaanderen stroomlijnt de klimaatwerkzaamheden van de Vlaamse overheid. Het VEA werkt mee aan deze taskforce als expert van het beleidsveld Energie. Het VEA zal onder andere waken over een maximale afstemming tussen de prognoses die worden gemaakt in het kader van het klimaatbeleid en de vooruitzichten die worden opgenomen in het tweede Actieplan Energie-EfficiĂŤntie.
62
6. Begroting 6.1. Algemeen De voorziene uitgaven aan vastleggingen van (of beheerd door) het VEA worden in 2011 begroot op 57.302.000 euro. De invulling van de betaalkredieten wordt in 2011 begroot op 70.276.000 euro (70.359.000 euro incl. uitdovende posten). De kredieten van de centrale provisie voor energiebesparende investeringen in private woningen (CB012) werden bij de begrotingsopmaak 2011 volledig herverdeeld naar de door het VEA beheerde energiebegroting. De begrotingscijfers kunnen verder worden uitgesplitst in enerzijds de eigen apparaatskredieten van het VEA en anderzijds in de energiebeleidskredieten die door het VEA worden beheerd.
6.2. Apparaatskredieten VEA Voor haar eigen werking in 2011 kan het VEA (entiteit LE0) beschikken over apparaatskredieten die ingeschreven zijn op het programma LA van het beleidsdomein LNE. De apparaatskredieten (in vastleggingen) bedragen 4.175.000 euro. De apparaatskredieten (in betalingen) bedragen 4.297.000 euro. De apparaatskredieten bestaan uit de volgende begrotingsposten: • LA400 (Lonen) • LA401 (Algemene werkingskosten) • LA402 (Informatica-werkingskosten) • LA403 (Overige investeringen) • LA404 (Informatica-investeringen) In kEUR: ENT
PR
ESR
OM
LIT
C O FOG
HP
TEKST
LE0
LA400
1100
F
1
04300
L
LONEN EN SOCIALE LASTEN - NIET VERDEELD Lonen
LE0
LA401
1211
F
1
04300
LE0
LA402
1211
F
1
04300
B
LE0
LA403
7422
F
1
04300
LE0
LA404
7422
F
1
04300
NGK
GVK
GOK
VRK
2.825
0
0
0
145
0
0
0
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) – INFORMATICA Informatica-werkingskosten
0
890
890
0
I
VERWERVING VAN OVERIG MATERIEEL - OVERIGE INVESTERINGSGOEDEREN Overige investeringen
4
0
0
0
IB
VERWERVING VAN OVERIG MATERIEEL - AANKOPEN EN INVESTERINGEN INFORMATICA Informatica-investeringen
0
311
433
0
2.974
1.201
1.323
0
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) Algemene werkingskosten
Vlaams Energieagentschap: totaal programma LA
6.3. Energiebeleidskredieten Het VEA (entiteit LE0) beheert alle energiebeleidskredieten die zijn ingeschreven op programma LE (Energie) van het beleidsdomein LNE (uitgezonderd de beperkte post LE100 ad 75.000 euro). De energiebeleidsruimte (in vastleggingen), als som van de niet-gesplitste kredieten, de gesplitste vastleggingskredieten en de geraamde vastleggingen op het Energiefonds, wordt in 2011 begroot op 53.127.000 euro. De geraamde vastleggingen op het Energiefonds bedragen 1.600.000 euro.
63
De betaalruimte, als som van de niet-gesplitste kredieten, de gesplitste betaalkredieten en de geraamde betalingen op het Energiefonds, wordt in 2011 begroot op 65.979.000 euro (66.062.000 euro incl. uitdovende posten). De geraamde betalingen op het Energiefonds bedragen 13.950.000 euro. De geraamde ontvangsten die in 2011 worden toegewezen aan het Energiefonds bedragen 770.000 euro. De beslissing van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 om aan het Vlaams Energieagentschap bijkomend personeel ter beschikking te stellen om de handhaving op de energieprestatieregelgeving te versterken, zal in een bijkomende inkomst voor het Energiefonds resulteren (raming 2011 : + 1,7 miljoen euro). Deze impact voor de begroting 2011 zal worden geformaliseerd in het kader van de begrotingscontrole 2011. De energiebeleidskredieten van programma LE (excl. uitdovende posten en excl. post LE100), bestaan uit de volgende begrotingsposten: • LE400 (Energiefonds) • LE401 (Overige werkings- en communicatiekosten) • LE403 (Overeenkomsten) • LE405 (Subsidie vzw Cogen Vlaanderen) • LE406 (Subsidie vzw ODE Vlaanderen) • LE407 (Overige subsidies) • LE409 (Energiepremies woningen) • LE411 (Waarborgstelling leningen FRGE) In kEUR: ENT
PR
ESR
OM
LIT
C O FOG
LE0
LE400
0100
F
3
04300
LE0
LE401
1211
F
3
04300
LE0
LE403
1211
F
3
04300
LE0
LE405
3300
F
3
LE0
LE406
3300
F
LE0
LE407
3440
LE0
LE409
LE0
LE411
TEKST
NGK
GVK
GOK
VRK
UITGAVEN TE VERDELEN OVER DE HOOFDGROEPEN 1 TOT EN MET 9 - NIET VERDEELD - ENERGIEFONDS (DECREET 17.07.2000) (INCLUSIEF UITGAVEN MET EU COFINANCIERING) Energiefonds
0
0
0
13.950
C
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN (VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) MIV UITGAVEN VOOR COMMUNICATIEACTIES EN OVEREENKOMSTEN, ANDERE DAN DEZE BEDOELD IN DE OVERIGE BASISALLOCATIES Overige werkings- en communicatiekosten
366
0
0
0
W
ALGEMENE WERKINGSKOSTEN(VERGOED AAN ANDERE SECTOREN DAN DE OVERHEIDSSECTOR) - OVEREENKOMSTEN I.V.M. HET ENERGIEBELEID EN DE TOEPASSING VAN DE FLEXIBELE MECHANISMEN UIT HET PROTOCOL VAN KYOTO Overeenkomsten
0
650
876
0
04300
INKOMENSOVERDRACHTEN AAN VZW’S TEN BEHOEVE VAN DE GEZINNEN - VZW COGEN VLAANDEREN VOOR DE ONDERSTEUNING VAN WARMTEKRACHTKOPPELING Subsidie vzw Cogen Vlaanderen
134
0
0
0
3
04300
INKOMENSOVERDRACHTEN AAN VZW’S TEN BEHOEVE VAN DE GEZINNEN - AAN DE VZW ODE VLAANDEREN VOOR DE ONDERSTEUNING VAN DUURZAME ENERGIEBRONNEN Subsidie vzw ODE Vlaanderen
90
0
0
0
F
3
04300
E
OVERIGE UITKERINGEN AAN GEZINNEN ALS VERBRUIKERS - NIET VERDEELD - INITIATIEVEN DIE HET INTERNATIONALE, FEDERALE, EN REGIONALE ENERGIEBELEID ONDERSTEUNEN (INCLUSIEF UITGAVEN MET EU COFINANCIERING) Overige subsidies
0
8.087
8.363
0
5310
F
3
04300
I
INVESTERINGSBIJDRAGEN AAN GEZINNEN - PREMIES TER VERBETERING VAN DE ENERGIEPRESTATIES VAN EEN WONING Energiepremies woningen
0
42.000
42.000
0
5120
F
3
04300
I
OVERIGE KAPITAALOVERDRACHTEN AAN OVERHEIDSBEDRIJVEN - NIET VERDEELD - IN HET KADER VAN DE WAARBORGSTELLING VOOR LENINGEN DIE LOPEN VIA HET FRGE Waarborgstelling leningen FRGE
200
0
0
0
790
50.737
51.322
13.950
Vlaams Energieagentschap: totaal programma LE
64
HP
Spijziging vanuit de centrale provisie voor energiebesparende investeringen in private woningen Met het oog op de verdere verhoging van het volume aan premies en acties die verband houden met de energierenovatie van woningen, werd vanaf 2009 de energiebegroting geleidelijk aan aangevuld met middelen vanuit de centrale provisie voor energiebesparende investeringen in private woningen (CB012). Vanaf de begroting 2011 worden deze middelen volledig geïmputeerd op de betreffende door het VEA beheerde basisallocaties, met name: • LE 407: 7.550.00 euro (als vergoeding van de distributienetbeheerders voor het uitvoeren van energiescans). • LE 409: 42.000.000 euro (Vlaamse dakisolatiepremies) • LE 411: 200.000 euro (waarborgstelling leningen FRGE)
Meerjarenbegroting Energiefonds 2012-2015 In kEUR: 2012
2013
2014
2015
Ontvangsten
3.300
2.700
1.300
700
Vastleggingen
3.300
3.300
2.600
2.056
Betalingen
10.150
6.050
5.650
4.528
Detail van de geplande vastleggingen: In kEUR: Onbelast 01.01
Saldo
ERP 2020
2011
2012
2013
2014
2015
5.656
2.356
2.356
1.756
456
200
200
200
200
200
Actieplan EE
150
150
100
Actieplan HE
300
150
150
150
Actieplan bijnaenergieneutrale gebouwen
300
1.500
1.500
1.000
Energieconsulentenprojecten
3.300
Communicatiecampagnes
500
500
500
350
300
Piloot-, demo- en Europese projecten
550
550
400
400
300
Diversen Totaal
150
400
400
400
400
206
5.700
3.300
3.300
2.600
1.156
65
Meerjarenbegroting andere energiebeleidskredieten In kEUR: LE 401 (NGK)
2011
2012
2013
2014
2015
366
366
366
366
366
LE 403 (GVK)
650
650
650
650
650
LE 405 (NGK)
134
134
134
134
134
LE 406 (NGK)
90
90
90
90
90
LE 407: - subsidies (GVK) -energiescans (GVK)
537 7.550
537 5.227
537 5.227
537 5.227
537 5.227
LE 409 (GVK)
42.000
44.273
44.273
44.273
44.273
LE 411 (NGK)
200
200
200
200
200
De meerjarenbegroting gaat uit van constant beleid, zonder verdere besparingen vanaf 2012. Er wordt wel uitgegaan van een aangehouden nulgroei. Ten opzichte van het constant beleid vanaf 2012, ligt het cijfer dat betrekking heeft op de energiescans uitzonderlijk hoger in 2011 als gevolg van het feit dat de netbeheerders in de jaren 2009-2010 minder scans hebben uitgevoerd dan voorzien was en die nu bijkomend en met vertraging in 2011 dienen te worden gehonoreerd. Deze middelen worden vanaf 2012 herschikt naar het budget voor de energiepremies (LE409).
66
7. Personeel 7.1. Kenmerken van het personeelsbestand van het VEA (toestand 31 december 2010) Het Vlaams Energieagentschap telt 50 personeelsleden. Hiervan werken 37 personeelsleden op het hoofdbestuur te Brussel en 13 personeelsleden in de buitendiensten (8 buitendienst Gent en 5 buitendienst Hasselt). Er zijn 26 vrouwen en 24 mannen tewerkgesteld binnen het VEA. De meeste personeelsleden (2/3) bevinden zich in niveau A. 45 personeelsleden zijn statutair. Er werken 2 personen van allochtone afkomst en 1 persoon met een arbeidshandicap bij het VEA. Het VEA heeft een relatief jong personeelsbestand (3/4 is jonger dan 45 jaar). De eerstvolgende vrijwillige uitstroom (pensionering) wordt pas verwacht vanaf 2012: • Twee niveau C in 2012 • Niveau A in 2014 De combinatie van de gegevens van de apparaatskosten en de effectieve personeelsbezetting, levert een gemiddelde totale apparaatskost (lonen en werkingskosten, excl. de eigen grote informaticaprojecten ter uitvoering van het energiebeleid) per VTE van 65.000 euro.
7.2. Beknopte beschrijving van de verschillende processen van het VEA Een uitgebreidere beschrijving van de kernprocessen van het VEA en de geplande personeelsbezetting per kernproces voor 2011 is opgenomen als bijlage bij dit Ondernemingsplan.
Cel management en strategie De algemene leiding van het Vlaams Energieagentschap wordt waargenomen door een administrateur-generaal (N-functie). De heer Luc Peeters is vanaf 1 augustus 2006 aangesteld tot waarnemend administrateur-generaal van het Vlaams Energieagentschap. Het algemeen secretariaat van het Vlaamse Energieagentschap wordt verzekerd door 0,6 VTE (0,4 VTE niveau C ; 0,2 VTE niveau D). De management- en strategiecel verzorgt tevens een aantal managementondersteunende processen legt de algemene strategie van het Vlaams Energieagentschap vast. Taken die onder deze cel ressorteren: • Organisatieontwikkeling en –beheersing. • Algemeen beleidsondersteuning door het verstrekken van beleidsgerichte input. • Uitvoeren van de financiële verrichtingen. • Beantwoorden van algemene informatievragen over het Vlaamse energiebeleid. Voor deze taken is een personeelsbezetting van 10,55 VTE voorzien (6,3 VTE niveau A, 0,9 VTE niveau B, 1,3 VTE niveau C en 2,05 VTE niveau D)
67
REG en sociaal energiebeleid De huidige activiteiten van de cel REG en sociaal energiebeleid kunnen worden opgesplitst in volgende deelactiviteiten. • Het beoordelen van de REG-actieplannen en REG-rapporten van de elektriciteitsdistributienetbeheerders. • Monitoren en evalueren van de sociale openbaredienstverplichtingen. • Toekennen van subsidies voor energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren. • Controle overzichten van netbeheerders voor uitbetaling Vlaamse dakisolatiepremie. • Doelgroepenoverleg in het kader van het beleidsthema en het Energierenovatieprogramma 2020 in het bijzonder. • Adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de samenwer- kingsovereenkomst (SO) met de gemeenten en de provincies. • Thematische informatieverstrekking inzake REG en het sociaal energiebeleid. Voor de uitvoering van deze deelactiviteiten is een personeelsbezetting van 6,95 VTE voorzien (4,75 VTE niveau A, 0,1 VTE niveau B, 1,9 VTE niveau C en 0,2 niveau D).
Milieuvriendelijke energieproductie De huidige activiteiten van de cel milieuvriendelijke energieproductie kunnen worden opgesplitst in volgende deelprocessen. • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van hernieuwbare energie bronnen. • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling. • Coördinatie werkzaamheden Interdepartementale Windwerkgroep. • Opvolging gesubsidieerde werkzaamheden van sectororganisaties (ODE, Cogen, Biogas-E, Quest). • Thematische informatieverstrekking inzake milieuvriendelijke energieproductie. Voor de uitvoering van deze deelprocessen is een personeelsbezetting van 4,8 VTE voorzien (niveau A).
Cel ondersteuning van bedrijven De huidige ondersteuning van bedrijven omvat volgende deelprocessen: • Beoordelen van de attestaanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen. • Beoordelen van de energieplannen en de energiestudies in het kader van het besluit Energie- planning. • Opvolgen van de energiebeleidsovereenkomsten in verband met energie-efficiëntie. • Actualiseren technologielijst in het kader van de ecologiepremie. • Coördineren van de energieconsulentprojecten voor bedrijven. • Thematische informatieverstrekking inzake steunverlening aan bedrijven voor energiebespa- rende investeringen. Voor de uitvoering van deze deelprocessen is een personeelsbezetting van 3,8 VTE voorzien (3,2 VTE niveau A en 0,6 VTE niveau D).
68
Cel energieprestatieregelgeving Met de implementatie van de Vlaamse energieprestatieregelgeving gaan volgende deelprocessen gepaard: • Handhaving van de energieprestatieregelgeving. • Het verder uitbouwen van de EPB-software. • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatieregelge- ving. • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaliseren van de energieprestatieregelge- ving. • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatieregelgeving. • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van verslaggevers, ontwerpers, uitvoer- ders, de bouwsector en bouwheren met betrekking tot de energieprestatieregelgeving. Voor de implementatie van deze deelactiviteiten is een personeelsbezetting van 17,7 VTE voorzien (9,6 VTE niveau A, 0,1 VTE niveau B, 2,4 VTE niveau C en 5,6 VTE niveau D).
Cel energieprestatiecertificatie Met de implementatie van de Vlaamse energieprestatiecertificatensystemen gaan volgende deelprocessen gepaard: • Handhaving van de energieprestatiecertificatensystemen. • Bewaken van de kwaliteit van de opleidingen voor energiedeskundigen. • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatiecertificatenre- gelgeving. • Het verder uitbouwen van de certificatiesoftwares. • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatiecertifica- tensystemen. • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaleren van de energieprestatiecertifica- tensystemen. • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van de implementatie van de energie- prestatiecertificatensystemen. Voor de implementatie van deze deelactiviteiten is een personeelsbezetting van 6,8 VTE voorzien (5,2 VTE niveau A, 0,9 VTE niveau B, 0,2 niveau C en 0,5 VTE niveau D).
69
7.3. Samenvatting van de opdeling van het perso- neelsbestand naar de verschillende cellen van het VEA Management en strategie: 11,15 VTE • Algemeen secretariaat (0,6 VTE) • Organisatieontwikkeling en –beheersing (2,1 VTE) • Algemene beleidsondersteuning door het verstrekken van beleidsgerichte input (3,7 VTE) • Uitvoeren van de financiële verrichtingen (2,3 VTE) • Beantwoorden van algemene informatievragen over het Vlaamse energiebeleid (2,45 VTE)
REG en sociaal energiebeleid: 6,95 VTE • Het beoordelen van de REG-actieplannen en REG-rapporten van de elektriciteitsdistributienet- beheerders (0,4 VTE) • Monitoren en evalueren van de sociale openbaredienstverplichtingen (0,3 VTE) • Toekennen van subsidies voor energiebesparende investeringen door sociale verhuurkantoren 0,3 VTE) • Controle overzichten van netbeheerders voor uitbetaling Vlaamse dakisolatiepremie (0,6 VTE) • Doelgroepenoverleg in het kader van het beleidsthema en het Energierenovatieprogramma 2020 in het bijzonder (1,15 VTE) • Adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de samenwer- kingsovereenkomst (SO) met de gemeenten en de provincies (1,1 VTE) • Thematische informatieverstrekking inzake REG en het sociaal energiebeleid (3,1 VTE)
Milieuvriendelijke energieproductie: 4,8 VTE • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van hernieuwbare energie bronnen (2,2 VTE) • Uitvoering geven aan de Europese richtlijn inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling (0,3 VTE) • Coördinatie werkzaamheden Interdepartementale Windwerkgroep (0,5 VTE) • Opvolging gesubsidieerde werkzaamheden van sectororganisaties (ODE, Cogen, Biogas-E, Quest) (0,3 VTE) • Thematische informatieverstrekking inzake milieuvriendelijke energieproductie (1,5 VTE)
Ondersteuning van bedrijven: 3,8 VTE • Beoordelen van de attestaanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energiebesparende investeringen (1,9 VTE) • Beoordelen van de energieplannen en de energiestudies in het kader van het besluit Energie planning (0,4 VTE) • Opvolgen van de energiebeleidsovereenkomsten in verband met energie-efficiëntie (0,5 VTE) • Actualiseren technologielijst in het kader van de ecologiepremie (0,2 VTE) • Coördineren van de energieconsulentprojecten voor bedrijven (0,4 VTE) • Thematische informatieverstrekking inzake steunverlening aan bedrijven voor energiebespa- rende investeringen (0,4 VTE)
Energieprestatieregelgeving: 17,7 VTE • Handhaving van de energieprestatieregelgeving (11,5 VTE) • Het verder uitbouwen van de EPB-software (0,8 VTE) • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatieregelge- ving (0,5 VTE)
70
• Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaliseren van de energieprestatieregelge- ving (0,9 VTE) • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatieregelgeving (1,2 VTE) • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van verslaggevers, ontwerpers, uitvoer- ders, de bouwsector en bouwheren met betrekking tot de energieprestatieregelgeving (2,8 VTE)
Energieprestatiecertificatie: 6,8 VTE • Handhaving van de energieprestatiecertificatensystemen (2,9 VTE) • Bewaken van de kwaliteit van de opleidingen voor energiedeskundigen (0,8 VTE) • Het verder uitwerken van de berekeningsmethodiek voor de energieprestatiecertificatenregel- geving (1,1 VTE) • Het verder uitbouwen van de certificatiesoftwares (0,4 VTE) • Het verder uitbouwen van de energieprestatiedatabank inzake de energieprestatiecertifica- tensystemen (0,5 VTE) • Het monitoren, evalueren, verder uitwerken en optimaliseren van de energieprestatiecertifica- tensystemen (0,2) • Thematische informatieverstrekking ter ondersteuning van de implementatie van de energie- prestatiecertificatensystemen (0,9 VTE)
7.4. Actueel personeelsplan van het VEA Het meest recente door het EOC goedgekeurd personeelsplan van het VEA ziet er als volgt uit: Functie
Statutair of contractueel
Rang
Nieuw personeelsplan
Administrateur-generaal
Mandaat
N
1
Afdelingshoofd
Mandaat
N-1
1(*)
Directeur-ir
Statutair
A2
1
Senior-adviseur
Statutair
A2E
1
Adviseur-ingenieur
Statutair
A2
4
Adviseur
Statutair
A2
1
Adjunct van de directeur
Statutair
A1
17
Ingenieur
Statutair
A1
10
Ingenieur
Contractueel
A1
1
Deskundige
Statutair
B2
1
Deskundige
Statutair
B1
1
Hoofdmedewerker
Statutair
C2
3
Technici
Statutair
C1
1
Medewerker
Statutair
C1
2
Assistent
Statutair
D1
6
Assistent
Contractueel
D1
2
Totaal
(* ) Terugvalpositie wnd. N wordt tijdens mandaat van wnd. N niet ingevuld.
53
De personeelsuitbreiding die op 17 december 2010 werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering zal begin 2011 worden verwerkt in een nieuw personeelsplan. Personeelsbestand 31 december 2010
Aantal
Niveau A
33
Niveau B
2
Niveau C
8
Niveau D
7
Totaal
50
71
7.5. Personeelsplanning 2011-2015 Geplande evolutie personeelsbestand (VTE) 13 juli 2009:
44
31 december 2009:
44
31 december 2010:
45
31 december 2011:
51
31 december 2012:
53
31 december 2013:
49
31 december 2014:
44
31 december 2015:
44
De vrijwillige uitstroom (pensionering) gedurende de looptijd van de beheersovereenkomst 2011-2015: • 2 Niveau C in 2012 • Niveau A in 2014 De 1,6 VTE niveau C zal worden vervangen door 1 VTE niveau C. De 1 VTE niveau A zal worden vervangen door 1 VTE niveau A. 2011: • aanwerving 9 VTE (5 niveau A en 4 niveau D) • opwaardering adjunct van de directeur naar ingenieur. • opwaardering B1 naar B2 • vervanging niveau C proces wegovereenkomsten door niveau A verhoogde investeringsaftrek en actieplan bijna-energieneutrale gebouwen 2012: • werving 1 VTE niveau C ter vervanging van 1,6 VTE niveau C • herschikking van processen dakisolatiepremie, subsidieregeling SVK’s en actieplannen netbe- heerders 2013: • stopzetting contracten tijdelijke uitbreiding voor versterking handhaving energieprestatieregel- geving (2 niveau A en 2 niveau D) 2014: • stopzetting contracten uitbreiding voor versterking handhaving energieprestatieregelgeving indien deze personeelsuitbreiding niet zou kunnen worden gecompenseerd door de afbouw van het personeelsbestand bij andere entiteiten van het beleidsdomein (3 niveau A en 2 niveau D) • vervanging 1 VTE niveau A door niveau A • herschikking van proces thema Energie samenwerkingsovereenkomst
72
7.6. Geplande wijzigingen in de kernprocessen van de verschillende cellen - Management en strategie -REG en sociaal energiebeleid Uitputting budget voor premieregeling sociale verhuurkantoren (2011) Omschakeling van REG-ODV voor elektriciteitsdistributienetbeheerders van resulaatsverplichting naar actieverplichtingen (2012) Integratie van Vlaamse dakisolatiepremie in premie netbeheerders (2012) Stopzetting adviesverlening aangaande dossiers in het kader van het thema Energie van de samenwerkingsovereenkomst (SO) met de gemeenten en de provincies (2014)
-Milieuvriendelijke energieproductie Implementatie actieplan Groene Warmte (beslissing Vlaamse Regering)
-Ondersteuning van bedrijven Stopzetting behandeling aanvragen voor toelatingsbesluiten en wegvergunningen voor de aanleg van elektrische leidingen op openbaar domein (2011) Verbreding van energieconvenanten (beslissing Vlaamse Regering)
-Energieprestatieregelgeving Versterking van handhaving op naleving EPB-eisen (beslissing Vlaamse Regering 17 december 2010))
-Energieprestatiecertificatensystemen Versterking kwaliteitscontrole EPC’s (beslissing Vlaamse Regering)
73
8. Personeelsinzet en besteding van be- leidskredieten in functie van de ope- rationele organisatiedoelstellingen van de beheersovereenkomst 2011-2015 SOD-1
Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaatregelen inzake de bevordering van het efficiënt gebruik van energie kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr1
Het VEA zal de implementatie coördineren van de bepalingen van de Europese richtlijn energie-efficiëntie die betrekking hebben op de gewestelijke energiebevoegdheden
2
0,5
150.000
OOD-Pr2
Het VEA zal de omzetting in Vlaamse regelgeving voorbereiden van de bepalingen van de gereviseerde Europese richtlijn inzake de energieprestatie van gebouwen
2 + 26
0,6
-
OOD-Pr3
Het VEA zal een actieplan uitwerken om de bouw van lage energiegebouwen en bijna energieneutrale gebouwen te stimuleren
2 + 26
0,6
300.000
OOD-Pr4
Het VEA zal een stappenplan uitwerken tot het stapsgewijs verstrengen van de EPB-eisen voor nieuwbouw tot 2021
26
0,1
180.000
OOD-Pr5
Het VEA zal de implementatie voorbereiden van het energieprestatiecertificaten-systeem voor niet-residentiële gebouwen
31
0,4
30.000
OOD-Pr6
Het VEA wil, geïntegreerd in een certificatiesoftware, een gebruiksvriendelijke maatwerkadviesmodule voor residentiële gebouwen laten ontwikkelen
32
0,2
250.000
OOD-Pr7
Het VEA zal een ontwerp van besluit voorbereiden inzake de stroomlijning van de erkenningsregelingen inzake de energiedeskundigen type A en type B
30
0,2
-
OOD-Pr8
Het VEA wil meewerken aan de uitwerking van een geïntegreerde berekeningsmethode voor de energieprestaties van gebouwen
26 + 31
1,5
-
OOD-Pr9
Het VEA wil ter ondersteuning van de implementatie van de verstrengde energieprestatieregelgeving een EPB-software van de tweede generatie ter beschikking stellen van verslaggevers en architecten
24
0,5
100.000
OOD-Pr10
Het VEA zal de lopende energiebeleidsovereenkomsten evalueren en het overleg over de opmaak van (een) nieuwe overeenkomst(en) coördineren en ondersteunen
19
0,5
-
OOD-RP1
Het VEA zal met het oog op een beperking van de administratieve lasten van de EPB-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice ter ondersteuning van externen bij de toepassing van de EPB-regelgeving exploiteren en deze tijdig aan wijzigende wetgeving aanpassen
25
0,3
75.000
OOD-RP2
Het VEA zal met het oog op een beperking van de administratieve lasten van de EPC-regelgeving een interactieve ICT-frontoffice ter ondersteuning van externen bij de toepassing van de EPC-regelgeving exploiteren en deze tijdig aan wijzigende wetgeving aanpassen
33
0,2
-
Omschrijving project
74
OOD-RP3
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van het tijdig indienen van de startverklaring en de EPB-aangifte
23
3,0
50.000
OOD-RP4
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van het voldoen aan de EPB-eisen
23
5,9
-
OOD-RP5
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving handhaven op het vlak van de waarheidsgetrouwe rapportering van de energieprestaties door de EPB-verslaggever
23
2,7
-
OOD-RP6
Het VEA zal het energieprestatiecertificaten ÂŹsysteem voor bestaande woongebouwen handhaven
29
2,4
215.000
OOD-RP7
Het VEA zal het energieprestatieÂŹcertificaten ysteem voor publieke gebouwen handhaven
29
0,6
-
OOD-RP8
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving inzake de energieprestaties van nieuwe en vernieuwde gebouwen evalueren
26
-
125.000
OOD-RP9
Het VEA zal een tweede evaluatie uitvoeren van de energieprestatieregelgeving inzake de energiecertificatie van bestaande gebouwen
34
-
-
OOD-RP10
Het VEA zal de energieprestatieregelgeving monitoren en de evoluties analyseren
26
0,4
-
OOD-RP11
Het VEA zal een actieplan uitwerken en implementeren voor de kwaliteitsborging van de opleidingen voor energiedeskundigen
30
0,7
150.000
OOD-RP12
Het VEA zal de aanvragen beoordelen die worden ingediend in het kader van de subsidieregeling voor energieconsulentenprojecten
9 + 21
0,5
3.300.000
OOD-RP13
Het VEA zal het Energierenovatieprogramma 2020 uitvoeren en monitoren
9
0,65
200.000
OOD-RP14
Het VEA zal de REG-actieplannen en rapporten van de elektriciteitsdistributieÂŹnetbeheer ders beoordelen
5
0,4
-
OOD-RP15
Het VEA zal een evaluatierapport aan de minister voorleggen over de REG-openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienet-beheerders
5
-
-
OOD-RP16
Het VEA zal de premieaanvragen van de sociale verhuurkantoren beoordelen
7
0,3
-
OOD-RP17
Het VEA zal op basis van de lijsten van de netbeheerders de uitbetalingsdossiers voor de Vlaamse dakisolatiepremie opmaken
8
0,6
27.000.000
OOD-RP18
Het VEA zal de aanvragen van bedrijven voor een verhoogde investeringsaftrek voor energie-investeringen beoordelen
17
1,9
-
OOD-RP19
Het VEA zal de energieplannen en energiestudies in het kader van het besluit energieplanning beoordelen
18
0,4
-
OOD-RP20
Het VEA zal het departement adviseren over de dossiers in het kader van het thema energie van de samenwerkingsovereenkomst met de gemeenten en de provincies
10
1,1
-
75
SOD-2
Het VEA wil Europese en Vlaamse beleidsmaatregelen inzake de bevordering van de milieuvriendelijke energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen en warmtekrachtkoppeling kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr11
Het VEA zal een beleidskader uitwerken om de duurzame inzet van vaste en gasvormige biomassa voor energieproductie te garanderen
12
0,1
-
OOD-Pr12
Het VEA zal een voorstel voor een verplicht minimum aandeel hernieuwbare energie in gebouwvoorschriften voorbereiden
12 + 27
0,1
-
OOD-Pr13
Het VEA zal in overleg met de andere gewesten en de federale overheid een voorstel voor een kwalificatieregeling tot bewaking van de opleidingen voor installateurs kleinschalige hernieuwbare-energie-installaties uitwerken
12
0,5
150.000
OOD-RP21
Het VEA wil het Vlaams Actieplan Hernieuwbare Energie 2020 mee uitvoeren, monitoren en indien nodig bijkomende initiatieven voorstellen om te voldoen aan de tussentijdse doelstellingen van de richtlijn 2009/28/EG
12
1,2
-
OOD-RP22
Het VEA voert doorlopend overleg en monitort de evolutie van technieken en omgevingsvoorwaarden teneinde aan de minister regelmatig een evaluatie van de onrendabele toppen inzake hernieuwbare energie en WKK te kunnen voorleggen
12 + 13
-
150.000
OOD-RP23
Het VEA zal de realisatie van de doelstellingen voor warmtekrachtkoppeling in het Vlaamse Gewest monitoren en indien nodig bijkomende initiatieven voorstellen
13
0,2
-
OOD-RP24
Het VEA zal voor de gewestelijke energiebevoegdheden de vereiste input leveren om te voldoen aan de evaluatie- en rapporteringsverplichtingen, voorgeschreven door de Europese richtlijnen inzake hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling
12 + 13
0,1
-
OOD-RP25
Het VEA zal de werkprogramma’s monitoren van de vzw’s met een werkingssubsidie (Cogen, ODE, Biogas-E, Quest …)
15
0,3
314.000
OOD-RP26
Het VEA zal de werkzaamheden van de interdepartementale windwerkgroep organiseren en coördineren tot implementatie van de omzendbrief windenergie
14
0,5
-
OOD-RP27
Het VEA zal de subsidieaanvragen beoordelen in het kader van de demonstratieprojecten bij openbare besturen en vzw’s (microWKK en warmtepompen)
-
-
-
OOD-RP28
Het VEA zal een marktintroductieplan voor micro-WKK-installaties voorbereiden
13
0,1
-
SOD-3
Het VEA wil de Vlaamse beleidsmaatregelen ter bestrijding van energiearmoede kwaliteitsvol en efficiënt implementeren en op die manier ook bijdragen tot de kwantitatieve en kwalitatieve uitbouw van groene jobs Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr14
Het VEA zal een voorstel uitwerken voor de financiële ondersteuning van sociale dakisolatieprojecten
9
0,2
-
OOD-RP29
Het VEA zal regelmatig een evaluatie voorleggen aan de minister inzake de sociale openbaredienstverplichtingen van de distributienetbeheerders
6
0,3
-
OOD-RP30
Het VEA zal de waarborgaanvragen beoordelen voor FRGE-leningen aan lokale entiteiten
9
0,2
200.000
Project
Project
76
SOD-4
Het VEA wil via gerichte communicatie-acties de actiebereidheid bij de bevolking, bedrijven en organisaties inzake het rationeel energiegebruik en de milieuvriendelijke energieproductie verhogen Project
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr15
Het VEA wil een proefproject opzetten op basis waarvan een stappenplan kan worden opgesteld tot het uitbouwen van lokale energieloketten
-
-
-
OOD-RP31
Het VEA zal een gestructureerd informatie- en kennissysteem exploiteren voor het managen en beantwoorden van de algemene informatievragen die toekomen op energie@vlaanderen.be
4 + 11 + 16 + 22 + 28 + 35
3,0
-
OOD-RP32
Het VEA zal externe sensibiliserings- en communicatieacties voeren inzake het energieverbruik en milieuvriendelijke energieproductie (via beurzen en de media)
11 + 16 + 28 + 35
1,9
550.000
OOD-RP33
Het VEA zal positief gewaardeerde informatiebrochures en folders over REG en de milieuvriendelijke energieproductie laagdrempelig ter beschikking stellen
11 + 16 + 28 + 35
2,85
75.000
OOD-RP34
Het VEA zal een gebruiksvriendelijke en drukbezochte website beheren
4 + 11 + 16 + 22 + 28 + 35
0,7
-
SOD-5
Het VEA zal de minister ondersteunen bij de uitvoering van de energiebeleidscyclus Recurrent proces
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-RP35
Het VEA zal input leveren voor de beleidsbrieven van de minister
2
0,2
-
OOD-RP36
Het VEA zal energierapporten ter beschikking stellen met betrouwbare gegevens inzake de energieproductie en het -verbruik per sector
2
0,3
-
OOD-RP37
VEA zal meewerken aan de opmaak, uitvoering, rapportering en evaluatie van het Vlaams Klimaatbeleidsplan voor de acties waarvoor het agentschap trekker is
2
0,1
-
77
Interne werking SOD-1
Het VEA zal de maturiteit van haar organisatie verbeteren door een verbetertraject op te zetten Omschrijving project
Sleutelproces
VTE
Beleidskredieten
OOD-Pr1
Jaarlijks actualiseren van de zelfevaluatie volgens de thema’s van de leidraad interne controle/organisatiebeheersing
1
0,2
-
OOD-Pr2
Jaarlijks een verbetertraject voor de relevante thema’s van de leidraad interne controle/ organisatiebeheersing concretiseren in het Ondernemingsplan op basis van de jaarlijkse actualisatie van de zelfevaluatie en, indien beschikbaar, op basis van aanbevelingen geformuleerd door controle-instanties
1
0,2
-
SOD-2
Het VEA wil bij de uitvoering van haar kerntaken meetbare efficiëntiewinsten realiseren door een verbetertraject op te zetten
OOD-Pr3
Vermindering van de personeelsbehoeften 1 van VEA voor de processen die in de nutsmatrix voor het agentschap als afstootbare processen of processen met een beperkte meerwaarde voor het Vlaamse energiebeleid worden gecatalogeerd
OOD-Pr4
Jaarlijkse systematische doorlichting van de processen met het oog op mogelijke automatisaties
OOD-Pr5
Uitbouwen van een energieprestatiedatabank tot authentieke gegevensbron
Omschrijving project
Sleutelproces
VTE -
1
0,3
-
25 + 33
0,2
125.000
Verantwoordelijke uitgever: Luc Peeters wnd. administrateur-generaal, Vlaams Energieagentschap Samenstelling en redactie: Vlaams Energieagentschap Lay-out: VEA Depotnummer: D/2010/3241/491 Uitgave: december 2010
78
Beleidskredieten
-