VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
Inhoudstafel
Inhoudstafel 01 / Inleiding: de grote uitdagingen
1.1 De crisis vraagt een nieuw financieel beleid 1.2 De zesde staatshervorming 1.3 De grote maatschappelijke uitdagingen
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en beleidskaders
2.1 De Europese Unie: het Europees semester en de Europa 2020-strategie 2.2 OESO 2.3 IMF 2.4 Raad van Europa 2.5 Verenigde Naties
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
3.1
Toekomstplannen voor Vlaanderen
5 5 5 6
8 12 17 19 20 22
24 24
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
29
05 / Implicatie voor de overheidsfinanciering
32
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
34
6.1 6.2
Waarden van de Vlaamse overheid 2020 Beleidsbrede prioriteiten
34 36
07 / Link met de beleidsthema’s en beleidsvoorstellen
38
Bijlage: Samenvattend overzicht
39
01 / Inleiding: de grote uitdagingen
01 / Inleiding: de grote uitdagingen
1.1
De crisis vraagt een nieuw financieel beleid
In de voorbije jaren werd de Europese Unie (EU) geconfronteerd met een crisis zonder weerga. De financiële crisis evolueerde naar een bankencrisis, vervolgens naar een crisis van de overheden en ten slotte naar een sociaal-economische crisis. Hoewel Vlaanderen, in vergelijking met heel wat EU-lidstaten, de crisis tamelijk goed doorstaan heeft, kan niet ontkend worden dat tijdens de legislatuur 2009-2014 op verschillende vlakken te weinig vooruitgang kon worden geboekt om belangrijke stappen in de richting van de realisatie van de ambitieuze Pact 2020-doelstellingen te zetten. Om de crisis aan te pakken, schakelde de EU een versnelling hoger en daardoor werd de impact van de EU op het beleid van de lidstaten veel sterker. De centrale EU-boodschap had betrekking op het gezond maken van de overheidsfinanciën en gelijktijdig op de doorvoering van structurele hervormingen. Hoewel de afgelopen jaren binnen de EU langzaam maar zeker de noodzaak werd erkend om in groei te investeren, mag verwacht worden dat de EU gezonde overheidsfinanciën en de doorvoering van structurele hervormingen in de (nabije) toekomst zal blijven benadrukken.
1.2
De zesde staatshervorming
Vlaanderen is ervan overtuigd dat binnen een geglobaliseerde wereld ook de regionale dimensie belangrijker wordt. De ontwikkelde beleidsvoorstellen binnen de beleidsthema’s houden rekening met de overdracht van bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming waarbij Vlaanderen heel wat bijkomende hefbomen op sociaal-economisch vlak verwerft. De staatshervorming werd op het Vlaamse niveau voorbereid aan de hand van het Groenboek Zesde Staatshervorming dat door de Vlaamse administratie is opgesteld en dat op 25 september 2013 aan de minister-president werd bezorgd. Het groenboek bevat zeven delen: (1) sociaaleconomisch beleid, (2) gezondheidszorg, (3) gezinsbeleid, (4) arbeidsmarktbeleid, (5) woonbeleid, (6) justitieel beleid en (7) operationele elementen. Aangezien alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid met de gevolgen van de zesde staatshervorming te maken zullen krijgen, zal dat belangrijke uitdagingen met zich meebrengen. In het groenboek worden voor elke bevoegdheid die overgedragen wordt, een aantal mogelijke beleidsvisies en -instrumenten geformuleerd en geanalyseerd. De verschillende mogelijkheden voor de organisatorische integratie in de Vlaamse overheid zijn onderzocht en de verwachte effecten op personeel, ICT en facilitymanagement zijn zo goed mogelijk in kaart gebracht. Inmiddels zijn ook tussen de federale overheid en de gewesten/gemeenschappen protocols afgesloten waarbij afspraken worden gemaakt om in de overgangsfase alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de continuïteit van de dienstverlening te waarborgen.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
Het groenboek is bedoeld als consultatiedocument voor onder andere het Vlaams Parlement, de adviesraden en de stakeholders. Het geeft aan welke mogelijkheden en uitdagingen de staatshervorming biedt voor het toekomstige beleid. De staatshervorming zal niet alleen intern in Vlaanderen bijzonder relevant zijn, maar zal ook belangrijk zijn voor de relaties van Vlaanderen in Europees en internationaal verband. In het kader van de bijdrage zijn de (belangrijkste) implicaties van de zesde staatshervorming op de betrokken beleidsthema’s (met inbegrip van de beleidsvoorstellen) ook opgenomen.
1.3
De grote maatschappelijke uitdagingen
In de algemene omgevingsanalyse (deel 1 van de bijdrage aan het regeerakkoord) worden binnen vijf clusters van ontwikkelingen enkele grote trends weergegeven waarvoor Vlaanderen de komende decennia zal (komen te) staan. Hieronder worden de belangrijkste trends opgesomd. Demografie: De vergrijzing van de bevolking zet zich door en de bevolking verkleurt en diversifieert in toenemende mate. Economie en innovatie: De economie krijgt een internationaler karakter met een versterkte positie van de nieuwe groei-economieën, terwijl de voorspelde economische groei op wereldvlak en voor Vlaanderen matig zal zijn. Ecologie en ruimtegebruik: De wereldwijde klimaatverandering zal ook in Vlaanderen versneld en intensief voelbaar zijn op veel domeinen. De ruimte kwaliteitsvol laten functioneren terwijl de grote maatschappelijke uitdagingen een plaats krijgen is een cruciale, absolute ruimtelijke doelstelling. Daarnaast wordt Vlaanderen geconfronteerd met schaarste aan hulpbronnen waardoor het afhankelijk is van derden, wat het belang van het sluiten van kringlopen nog urgenter maakt. Cultureel-maatschappelijk: We zitten in een individualiseringsproces. Politiek-institutioneel: Evolutie naar een polycentrische wereld: de rol van de overheid en de burgers zal veranderen in meer participatieve vormen. Die uitdagingen vragen een langetermijnstrategie en een gericht handelen vanaf nu. Heel wat van de boodschappen die door internationale en Europese instellingen aan België worden gericht, sluiten ook aan bij die uitdagingen. Het beantwoorden van de boodschappen van internationale en Europese organisaties en instellingen en de uitdagingen die vermeld zijn in de algemene omgevingsanalyse voor Vlaanderen, zullen voor de legislatuur 2014-2019 zowel beleid op korte als op (middel)lange termijn noodzakelijk maken. Op korte termijn moet volop worden ingespeeld op de eerste tekenen van economisch herstel en de doorvoering van structurele hervormingen, terwijl ook gericht moet worden ingezet op een langetermijnstrategie en duurzame oplossingen. Het is overduidelijk dat de grote, complexe maatschappelijke uitdagingen niet door de Vlaamse overheid alleen kunnen worden opgelost, en dat ze in samenspel met andere bestuursniveaus en relevante maatschappelijke actoren en de burgers moeten worden beantwoord. Dat brengt vanzelfsprekend grote uitdagingen met zich mee voor de wijze waarop de Vlaamse administratie ermee moet omgaan, in het bijzonder op het vlak van beleidscoördinatie (zie hoofdstuk 2).
01 / Inleiding: de grote uitdagingen
In deze inleiding zijn de belangrijkste recente boodschappen opgenomen die de Europese Commissie (EC), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), het Internationaal Monetair Fonds (IMF) , de Raad van Europa en de Verenigde Naties (VN) hebben verstrekt (zie hoofdstuk 1). We gaan in op de wijze waarop Vlaanderen al een antwoord heeft gegeven op de uitdagingen die hierboven zijn geformuleerd. Tot slot geven we een overzicht van de waarden die ons overheidshandelen moeten bepalen en de beleidsbrede prioriteiten waar we de volgende vijf jaar versterkt op moeten inzetten.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afsprakenen bEleidskaders
2.1
De Europese Unie: het Europees semester en de Europa 2020-strategie
Op Europees niveau kan concreet verwezen worden naar de toenemende invloed die de Europese Unie uitoefent op het beleid van de lidstaten. Het Europees economisch bestuur1 is ingevolge de financieeleconomische crisis met een aantal instrumenten versterkt (sixpack2, twopack3, bankenunie …) en dat zorgt ervoor dat er meer druk op de lidstaten (met inbegrip van de regionale en (boven)lokale besturen) komt om zich te conformeren aan het Europese beleid. Dat is misschien het opvallendste in het kader van het sixpack waarmee de EC door de mogelijke oplegging van boetes een belangrijke stok achter de deur heeft om de lidstaten in de pas te laten lopen als de begrotingsdoelstellingen niet worden gehaald. Zo stelde de EC op 29 mei 2013 in het kader van de buitensporigtekortprocedure een aanbeveling voor waarin België werd aangemaand de nodige maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporige tekorten te verhelpen. Ook in het kader van de beleids- en beheerscyclus van de Vlaamse overheid en van de lokale en bovenlokale besturen zijn de gevolgen van een versterkt Europees economisch bestuur zeer ingrijpend. Zo voorziet het sixpack ex ante en ex post in rapporteringen op verschillende niveaus en moeten binnen de lidstaten de nodige coördinatiemechanismen worden uitgebouwd. Ook op andere terreinen is de opvolging door de Europese Unie van het beleid van de lidstaten versterkt. Er kan hier concreet verwezen worden naar de Europa 2020-strategie. Die Europese langetermijnstrategie op sociaal-economisch vlak zal ook in de komende beleidsperiode zijn impact blijven uitoefenen op het Vlaamse beleid omdat de doelstellingen raken aan de bevoegdheden van de Vlaamse overheid. Europa 2020 heeft drie prioriteiten: een slimme groei (een economie die gebaseerd is op kennis en innovatie), een duurzame groei (lage CO2-emissies en zuinige omgang met natuurlijke hulpbronnen), een inclusieve groei (veel werkgelegenheid en gelijke kansen voor iedereen).
Om die drie prioriteiten te bereiken, stelt de EU vijf doelstellingen voorop die ze wil bereiken in 2020: werk (75% van de bevolking tussen 20 en 64 jaar moet werk hebben), innovatie (3% van het bbp moet 1 http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/index_en.htm 2
Het pakket bevat de volgende zes punten: (1) bevordering van verstandig begrotingsbeleid door de EU-lidstaten, (2) versterking van de controlemogelijkheden van de Europese Commissie op het begrotingsbeleid van de EU-lidstaten, (3) de mogelijkheid om (automatische) sancties op te leggen aan EU-lidstaten bij overtreding van de bepalingen van het Stabiliteits- en Groeipact, (4) nieuwe voorschriften waaraan de nationale begrotingskaders moeten voldoen, (5) versterking van de controlemogelijkheden van de Europese Commissie op macro-economische onevenwichtigheden tussen de EU-lidstaten, (6) de mogelijkheid om sancties op te leggen aan EU-lidstaten waar bij herhaling macroeconomische onevenwichtigheden zijn vastgesteld (http://www.europa-nu.nl/id/vj0xfyt09iqs/six_pack).
3 http://www.europa-nu.nl/id/vj0xm0l84tzm/two_pack
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
geïnvesteerd worden in onderzoek en ontwikkeling), klimaat en energie (20/20/20-doelstelling: 20% minder energieverbruik, 20% energie uit hernieuwbare energiebronnen, 20% minder uitstoot broeikasgassen), onderwijs (percentage vroegtijdige schoolverlaters moet lager zijn dan 10% en 40% van 30-34-jarigen moet een diploma hoger onderwijs hebben), armoede (het aantal mensen in armoede of sociale uitsluiting moet met 20 miljoen dalen). De zeven vlaggenschepen of kerninitiatieven (Een digitale agenda voor Europa, Innovatie-Unie, Jeugd in Beweging, Efficiënt gebruik van hulpbronnen, Industriebeleid in een tijd van globalisering, Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen, Europees platform tegen armoede) moeten de prioriteiten en doelstellingen ondersteunen. Op 5 maart 2014 maakte de EC een stand van zaken op m.b.t. de Europa 2020-strategie4. Algemeen kan vastgesteld worden dat er m.b.t. de klimaat- en energiedoelstellingen (de ’20-20-20-doelstellingen’) en onderwijsdoelstellingen goede vooruitgang werd geboekt, maar dat de doelstellingen inzake onderzoek en ontwikkeling, werkzaamheid en armoede of sociale uitsluiting bijzonder moeilijk of helemaal niet zullen worden gerealiseerd. Het is de bedoeling dat de EC in de eerste helft van 2014 een brede bevraging organiseert en dat de Europese Lenteraad 2015 zich zal uitspreken over de mid-term review van de Europa 2020-strategie. De lidtstaten hebben een zeer belangrijke rol om deze Europa 2020-strategie te doen slagen. Er zijn vijf Europa 2020-doelstellingen die aan de hand van acht indicatoren worden opgevolgd. Elke lidstaat heeft een Nationaal Hervormingsprogramma (NHP) moeten opstellen, waarin het zijn eigen Europa 2020-doelstellingen moest vastleggen en ook de acties moest opstellen die ervoor moeten zorgen dat iedere lidstaat de Europa 2020-doelstellingen haalt. Vlaanderen stelde ook een eigen Vlaams Hervormingsprogramma5 (VHP) op waarin het eigen doelstellingen heeft opgenomen. Op die manier neemt het het nodige ownership op voor de Europa 2020-strategie. Aangezien Vlaanderen al een langetermijnstrategie had met ViA/Pact 2020, is het VHP daarop gebaseerd. De Vlaamse Europa 2020-doelstellingen zijn op verschillende punten ambitieuzer dan de Europese en elk jaar wordt in het VHP de vooruitgang in beeld gebracht. Als we nagaan in hoeverre Vlaanderen op weg is om zijn Europa 2020-doelstellingen te behalen, stellen we het volgende vast:
••
Vlaanderen wil in 2020 een werkzaamheidsgraad van ruim 76% realiseren. Vooral de laatste jaren is de werkzaamheidsgraad gestagneerd en gedaald ingevolge de economische crisis, tot 71,5% in 2012 en volgens voorlopige cijfers voor 2013 zouden we uitkomen op 71,9%. Projecties wijzen uit dat de Vlaamse werkzaamheidsgraad in 2020 zou kunnen stranden op 72%, zelfs na inrekening van (federale) beleidsmaatregelen die een hogere arbeidsdeelname beogen (gewijzigd eindeloopbaanbeleid), en dat de doelstelling van 76% dus niet gehaald zal worden. Die geprojecteerde werkzaamheidsstijging is echter veel te beperkt om de ‘natuurlijke’, door vergroening en vooral vergrijzing gestuwde opmars van de economische afhankelijkheidsratio (de verhouding tussen het aantal niet-werkenden en het aantal werkenden) te counteren. Hoewel de werkzaamheidsgraad van de ouderen is gestegen, blijft voornamelijk de tewerksteling van personen met een migrantenachtergrond ondermaats. Bij die groep is dus veel progressiemarge mogelijk en ook noodzakelijk. De conclusie is dat de doelstelling van 76% haalbaar blijft, maar dat daarbij heel sterk zal moeten worden ingezet op de kansengroepen, waar er nog een zeer groot
4 http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm 5
http://www.vlaandereninactie.be/over/eu-2020
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
potentieel is om aan te boren. In 2012 hadden acht EU-lidstaten een hogere werkzaamheidsgraad dan Vlaanderen en volgens voorlopige cijfers voor 2013 zijn dit er inmiddels 9 (Zweden, Duitsland, Nederland, Denemarken, Oostenrijk, Verenigd Koninkrijk, Finland, Estland en Tsjechië). Zes EUlidstaten (Zweden, Duitsland, Nederland, Denemarken, Oostenrijk en Finland) hebben ook een hoger ambitieniveau in vergelijking met Vlaanderen geformuleerd.
••
Inzake vroegtijdig schoolverlaten wil Vlaanderen gaan voor maximaal 5,2% vroegtijdige schoolverlaters (18-24 jaar), terwijl de Pact 2020-doelstelling met 4,3% zelfs nog wat scherper is. De afgelopen jaren bleef het percentage tamelijk stabiel en in 2012 bedroeg het vroegtijdig schoolverlaten 8,7% en volgens voorlopige cijfers voor 2013 zouden we uitkomen op 8%. Extra inspanningen zullen noodzakelijk zijn, anders zal het bijzonder moeilijk worden om in 2020 de doelstelling van 5,2% te behalen. Hoewel Vlaanderen het in Europees verband zeker niet slecht doet, moet het in 2012 acht EU-lidstaten en volgens voorlopige cijfers voor 2013 negen EU-lidstaten (Kroatië, Slovenië, Tsjechië, Polen, Litouwen, Luxemburg, Slovakije, Zweden, Oostenrijk) laten voorgaan. Vlaanderen wil ook dat minstens 47,8% van de 30-34-jarigen een diploma hoger onderwijs behaalt. In 2012 bedroeg het Vlaamse cijfer 45,3%, volgens voorlopige cijfers 2013 komen we uit op 44,4% zodat de ambitie van 47,8% dus zeker haalbaar lijkt te zijn. In 2012 en 2013 (voorlopige cijfers) waren er zeven EU-lidstaten (Ierland, Litouwen, Luxemburg, Zweden, Cyprus, Verenigd Koninkrijk en Finland) die beter scoorden dan Vlaanderen en drie EU-lidstaten (Ierland, Luxemburg en Frankrijk) hebben, in vergelijking met Vlaanderen, een hoger ambitieniveau uitgesproken.
••
Wat onderzoek en ontwikkeling betreft, blijkt dat hoewel Vlaanderen met een percentage van 2,42% in 2012 het hoogste percentage ooit bereikte, het in 2011 wel zes EU-lidstaten (Finland, Zweden, Denemarken, Duitsland, Oostenrijk en Slovenië) moet laten voorgaan. Als dat groeitempo zich ook de volgende jaren doorzet, moet het mogelijk zijn in 2020 de 3%-doelstelling te bereiken. Merk wel op dat drie EU-lidstaten (Finland, Zweden en Oostenrijk) een ambitieuzere O&O-doelstelling dan Vlaanderen hebben geformuleerd.
••
Wat de vermindering van het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting betreft, gaat Vlaanderen voor een 30%-reductie op de drie Europa 2020-indicatoren (armoederisico, ernstige materiële deprivatie, huishoudens met lage werkintensiteit), zonder dubbeltelling. Die ambitieuze Vlaamse doelstelling komt overeen met een daling van het aantal armen of sociaal uitgeslotenen met 280.000 personen tegen 2020 (met 2008 als referentiejaar). Vlaanderen neemt anno 2012 in Europees verband een toppositie in, waarbij het enkel Nederland en Tsjechië moet laten voorafgaan. Er moet wel opgemerkt worden dat het percentage personen in armoede of sociale uitsluiting in 2012 is gestegen tot 16,3%, het hoogste cijfer sinds 2006 (16,5%). Dat betekent dat de doelstelling van 30% minder (10,5%) moeilijk zal worden. Hoewel kinderarmoede geen expliciete doelstelling in het kader van de Europa 2020-strategie is, heeft Vlaanderen die doelstelling uitdrukkelijk opgenomen in het VHP. In 2012 leefde 11,5% van de Vlamingen tussen nul en zeventien jaar in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de Belgische armoederisicodrempel. De doelstelling om te komen tot een halvering van het aantal kinderen in armoede tegen 2020 komt overeen met een daling met 60.000 kinderen (met 2008 als referentiejaar). Op het vlak van kinderarmoede scoort Vlaanderen goed in de Europese Unie en duidelijk beter dan het Waalse Gewest en België in zijn geheel. Vlaanderen moet enkel Denemarken en Finland laten voorafgaan, maar rekening houdende met een stijging van de kinderarmoede zal de doelstelling van een halvering van de kinderarmoede tegen 2020, namelijk 5%, ook hier bijzonder moeilijk worden.
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
••
Wat de klimaat- en energiedoelstellingen betreft, vinden er momenteel burdensharinggesprekken plaats tussen de federale overheid en de gewesten om te bepalen wie wat doet. In Vlaanderen nam het aandeel hernieuwbare energie in het finale energiegebruik toe van 2,2% in 2008 tot 5,6% in 2012. In vergelijking met de andere lidstaten van de Europese Unie neemt Vlaanderen daarmee een staartpositie in; enkel Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg doen het minder goed. Bovendien hebben verschillende lidstaten van de EU zeer ambitieuze doelstellingen geformuleerd, waaronder Zweden, waar een percentage van 49% hernieuwbare energie wordt nagestreefd en het al in 2012 de kaap van 50% behaalde. Vlaanderen gaat voor minstens 9% energiebesparing in 2016, op basis van het gemiddelde finale energieverbruik (2001-2005) conform de doelstelling van de richtlijn energie-efficiëntie. Uit de geactualiseerde berekeningen blijkt dat eind 2016 een energiebesparing van 13% kan worden gerealiseerd. Vlaanderen ligt dus op koers. Wat broeikasgassen betreft, geeft de EC aan dat volgens de laatste projecties zes lidstaten het verst van de 2020-doelstellingen (een kloof van vijf percentpunten of meer) verwijderd zijn, namelijk Malta, Luxemburg, Ierland, België, Spanje, Griekenland, Oostenrijk en Litouwen. Als we, waar mogelijk, de Europa 2020-doelstellingen in Europees vergelijkend perspectief plaatsen, doet Vlaanderen het niet zo goed, en is een Europese top 5-notering nog veraf.
Het is duidelijk dat voornamelijk de Scandinavische landen (Zweden, Finland, Denemarken) de ‘koplopers’ zijn als hun ‘scores’ op de voorliggende Europa 2020-indicatoren worden bekeken en zeker Zweden steekt er met op kop en schouders bovenuit. Ook lidstaten als Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië nemen voor meer dan één EU2020-indicator een top5-positie in. Vlaanderen doet het zeer goed wat de armoedecijfers betreft, is een hoge middenmoter wat de indicatoren inzake werkzaamheidsgraad, onderwijs en onderzoek en ontwikkeling betreft, maar neemt een staartpositie in wat de klimaat- en energiedoelstellingen betreft. Bij de lancering van de Europa 2020-strategie werd een Europees semester ingevoerd, namelijk een jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie. Die start bij de lancering van de Jaarlijkse groeianalyse van de Europese Commissie, waarin de EU-prioriteiten voor groei en werkgelegenheid voor het komende jaar zijn opgelijst. Zowel bij de jaarlijkse groeianalyse 2012, 2013 als 2014 stonden dezelfde vijf prioriteiten centraal: (1) een gedifferentieerd, groeivriendelijk beleid van begrotingsconsolidatie voeren, (2) de kredietverschaffing aan de economie normaliseren, (3) groei en concurrentievermogen bevorderen, nu en voor de toekomst, (4) de werkloosheid en de sociale gevolgen van de crisis aanpakken, (5) het overheidsapparaat moderniseren. Een belangrijk ijkpunt in het Europees semester is het moment waarop de lidstaten hun nationale hervormingsprogramma’s en hun stabiliteits- en convergentieprogramma’s medio april aan de EC moeten voorleggen. De jaarlijkse rapportage via de hervormingsprogramma’s, in het kader van het Europees semester, is niet vrijblijvend aangezien de EC die aangrijpt om lidstaatspecifieke aanbevelingen te formuleren die vervolgens besproken en goedgekeurd worden door de Europese Raad en definitief aangenomen worden door de Raad Ecofin. Tijdens de tweede jaarhelft, het ‘nationale semester, is het dan aan de lidstaten – en voor haar bevoegdheden, de Vlaamse overheid – om gevolg te geven aan de aanbevelingen bij de opmaak van de begroting voor het daaropvolgende jaar. In 2013 werden zeven landenspecifieke aanbevelingen (LSA) aan België gericht en verschillende van die aanbevelingen zijn ook voor Vlaanderen relevant. Die LSA hebben betrekking op (1) duurzame publieke financiën (wegwerken buitensporig tekort), (2) sociale zekerheid voor ouderen (langer werken: het dichten van de kloof tussen werkelijke en wettelijke pensioenleeftijd), (3) herstellen van de competitiviteit van
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
de economie (kostencompetitiviteit en loonvorming), (4) betere concurrentie in de netwerkindustrieën en diensten, (5) de verschuiving van de belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen, (6) arbeidsmarkt (het nemen van maatregelen om mensen aan de slag te krijgen) en ten slotte (7) de broeikasgassen (verdeling van de inspanningen tussen de federale overheid en de gewesten in het kader van de vermindering van de broeikasgasemissies). In de landenspecifieke aanbevelingen 2013 wordt de noodzaak van samenwerking tussen de federale overheid en de deelstaten benadrukt. Het is ook duidelijk dat heel wat van de bovenstaande aanbevelingen ook voor Vlaanderen relevant zijn en dat dus structurele hervormingen noodzakelijk zijn. In het kader van de uitrol van de zesde staatshervorming zullen die aanbevelingen voor Vlaanderen nog relevanter worden omdat de regio’s meer sociaal-economische hefbomen in handen zullen hebben.
De landenspecifieke aanbevelingen 20136 LSA 1: Aanvullende maatregelen nemen om de structurele aanpassingsinspanning te realiseren die is gespecificeerd in het besluit tot aanmaning om maatregelen te treffen om het buitensporige tekort uiterlijk in 2013 te corrigeren en om de consolidatie een duurzamer en geloofwaardiger karakter te verlenen. Een duurzame correctie van de budgettaire onevenwichtigheden vereist een geloofwaardige implementatie van ambitieuze structurele hervormingen die de aanpassingscapaciteit verhogen en de potentiële groei doen toenemen. Na de correctie van het buitensporige tekort de structurele aanpassing in een passend tempo voort te zetten teneinde uiterlijk in 2016 de middellangetermijndoelstelling te realiseren, en er tevens voor te zorgen dat de hoge schuldquote een duidelijke neerwaartse tendens te zien geeft. Te dien einde uiterlijk op 15 oktober 2013 groeivriendelijke structurele maatregelen voor het jaar 2014 te presenteren die een duurzame correctie van het buitensporige tekort en voldoende vooruitgang in de richting van zijn middellangetermijn-doelstelling waarborgen. Erop toe te zien dat de aanpassing evenwichtig is gespreid in de tijd of zelfs overwegend in de eerste jaren plaatsvindt. Expliciete coördinatieregelingen te treffen om te garanderen dat de begrotingsdoelstellingen bindend zijn op federaal en subfederaal niveau binnen een planninghorizon op middellange termijn – onder meer door de spoedige aanneming van een regel betreffende het overheidssaldo/overschot die strookt met de vereisten van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie –, alsook om de lastenverdeling over en de verantwoordingsplicht van de diverse geledingen van de overheid transparanter te maken. LSA 2: De inspanningen te intensiveren om de kloof tussen de werkelijke en de wettelijke pensioenleeftijd te dichten, onder meer door de lopende hervormingen ter beperking van de vervroegde-uittredingsmogelijkheden voort te zetten. De hervormingen van de socialezekerheidsstelsels voor ouderen te onderbouwen met werkgelegenheidsbevorderende maatregelen en arbeidsmarkthervormingen die actief ouder worden in de hand werken. De werkelijke pensioenleeftijd te verhogen door de pensioenleeftijd of de pensioenuitkeringen aan de veranderingen in de levensverwachting aan te passen. Door te gaan met het kosten-efficiënter maken van de overheidsuitgaven voor langdurige institutionele zorg.
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
LSA 3: De aangevatte inspanningen tot hervorming van het loonvormingsmechanisme, met inbegrip van de loonindexering, voort te zetten om het concurrentievermogen te herstellen, met name door in overleg met de sociale partners en conform de nationale praktijken structurele maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de loonvorming aansluit bij de productiviteitsontwikkelingen, subregionale en lokale verschillen in productiviteit en arbeidsmarktomstandigheden weerspiegelt, en in automatische correcties voorziet wanneer de loonontwikkeling het kostenconcurrentievermogen ondermijnt. LSA 4: Concrete en aan een specifiek tijdschema gebonden structurele maatregelen te presenteren om een betere concurrentie in de dienstensector te waarborgen door belemmeringen in de detailhandel uit de weg te ruimen, buitensporige beperkingen op professionele diensten op te heffen en in een betere verschaffing van mobiele breedband te voorzien. De werking van de energiesector te blijven verbeteren door de distributiekosten terug te schroeven en de retailkosten te monitoren; de onafhankelijkheid te versterken van de toezichthouders in de energie-, telecommunicatie- en vervoersectoren (spoorwegen, luchthavens). De resterende belemmeringen van regelgevende aard in de postsector op te heffen. LSA 5: Concrete en aan een specifiek tijdschema gebonden voorstellen uit te werken om een verschuiving van de belastingen op arbeid naar minder groeiverstorende belastinggrondslagen te bewerkstelligen, met name door de mogelijkheden te onderzoeken die worden geboden door milieubelastingen (bijvoorbeeld op diesel en stookolie) en door de belastingheffing op het particuliere gebruik van bedrijfswagens. Het belastingstelsel te vereenvoudigen door het aantal aftrekken in de inkomstenbelasting te verminderen, de efficiëntie van de btw te verhogen en tevens voor een betere naleving van de belastingwetgeving te zorgen door bestaande lacunes te dichten. LSA 6: De prikkels die werken onaantrekkelijk maken, verder te reduceren door effectief de hand te houden aan de verplichting om werk te zoeken en ervoor te zorgen dat alle werklozen gepersonaliseerde bijstand wordt geboden bij het zoeken naar werk. Maatregelen te treffen om de intergewestelijke arbeidsmobiliteit te vergroten. De coherentie te vereenvoudigen en te versterken tussen prikkels om aan het werk te gaan, het activeringsbeleid, de afstemming van arbeidsvraag en –aanbod, onderwijs, een leven lang leren en beleidsmaatregelen op het gebied van beroepsopleiding voor ouderen en jongeren. Alomvattende strategieën uit te stippelen met het oog op de sociale inclusie en de integratie in de arbeidsmarkt van mensen met een migrantenachtergrond. LSA 7: Concrete maatregelen te treffen en afspraken te maken over een duidelijke verdeling van de inspanningen tussen de federale en gewestelijke overheden om vooruitgang te boeken bij de verwezenlijking van de doelstellingen voor het verminderen van de broeikasgasemissies van niet onder de emissiehandelsregeling vallende activiteiten, en met name van vervoer en gebouwen. 6
België was ook een van de landen die in het kader van de preventie van macro-economische onevenwichten door de EC opnieuw aan een diepgaand onderzoek werd onderworpen. Hoewel in maart 2014 werd vastgesteld dat de onevenwichten niet buitensporig zijn, is het interessant om de belangrijkste conclusies
6
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:C:2013:217:FULL:NL:PDF, pp. 5- 10
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
van het diepgaande onderzoek op te lijsten, waarvan een aantal grote parallellen vertonen met de hierboven aangeven landenspecifieke aanbevelingen. Samenvattend werd gesteld dat Belgie macroeconomische onevenwichtigheden blijft ondervinden die monitoring en beleidsactie vereisen. Er werd gesteld dat met name de ontwikkelingen in verband met de externe competitiviteit van goederen blijven aandacht verdienen omdat een persistente afkalving de macro-economische stabiliteit zou bedreigen7. De belangrijkste bevindingen van de evaluatie waren8:
••
De tweevoudige trend van een verslechterend saldo van de lopende rekening en zorgbarende verliezen van exportmarktaandelen duurt voort. De gerichtheid op minder dynamische, geografisch nabije exportmarkten en een afnemende kostencompetitiviteit blijven aan de grondslag daarvan liggen. Alhoewel productsamenstelling als een neutralere factor wordt beschouwd, heeft specialisatie in producten die zich in het midden van de waardeketen bevinden de verliezen niet kunnen goedmaken. Een verbreding van het innovatiespectrum en sterkere productpenetratie van technologie blijven daarom van essentieel belang om duurzame jobcreatie en de hoge loonkosten van België met elkaar te verzoenen. (…)
••
De opvatting is dat de arbeidskosten een belangrijke rol spelen in het verlies van externe kostencompetitiviteit. Men name de verwerkende nijverheid ondervindt de gevolgen van de snelle loongroei voor hun internationale concurrentiepositie, wat zich weerspiegelt in krimpende marges en vernietiging van arbeidsplaatsen (…). Het verkleinen van de kloof om de industriële basis van België in stand te houden, zou bijgevolg meer ambitieuze en onmiddellijke maatregelen vereisen, waaronder de langverwachte belastinghervorming met een vermindering van de fiscale druk op arbeid en een loonvorming die het mogelijk maakt rekening te houden met de economische realiteit en de verschillen tussen sectoren.
••
Aanhoudende problemen met de werking en het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt dragen bij tot het algemene concurrentieprobleem en hollen het groeipotentieel van de economie uit. De totale werkgelegenheidsgraad stagneert op een benedengemiddeld peil. Bovendien is de arbeidsparticipatie van bepaalde doelgroepen en in sommige geografische gebieden bijzonder laag, waardoor ook de risico’s van armoede en sociale uitsluiting toenemen. Als oorzaken daarvan kunnen worden aangewezen, de ontmoedigende fiscale behandeling van arbeid in combinatie met de werkloosheidsuitkeringen, de kwalificatie- en geografische onevenwichtigheden, het haperende activeringsbeleid, de wijdverspreide toepassing van vervroegd en brugpensioen en de loonrigiditeit als gevolg van de loonvormingsmechanismen. (…)
7
http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/occasional_paper/2014/pdf/swd_172.pdf, pag. iii
8
http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/occasional_paper/2014/pdf/swd_172.pdf, pag. 9-10
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
••
De overheidsschuld blijft met 100% van het bbp hoog, maar een aantal factoren temperen de daarmee samenhangende macro-economische risico’s en het overheidsoptreden sinds de vorige diepgaande evaluatie heeft een verdere stijging voorkomen. (…).
In deze diepgaande evaluatie wordt ook stilgestaan bij mogelijke beleidspistes die het overwegen waard zijn9:
••
Op het stuk van de loonvorming zou de Belgische overheid zou een ambitieuzere hervormingsagenda kunnen nastreven. (…)
••
In de plaats van de huidige benadering waarbij de parafiscale druk op arbeid wordt verminderd met telkens kleine ingrepen zou de algehele opzet van de Belgische fiscaliteit kunnen worden heroverwogen. Dit zou gepaard moeten gaan met een inkomstenneutrale verschuiving van de fiscale lasten op arbeid naar andere inkomstenbronnen, zowel op federaal als op regionaal niveau. (…).
••
Om de hoge arbeidskosten in België te verzoenen met het duurzaam scheppen van banen en het op peil houden van een hoge levensstandaard, zal het nietkostenconcurrentievermogen moeten worden versterkt door, meer dan momenteel gebeurt, om te schakelen op technologisch hoogwaardigere producten. Om het innovatieve potentieel van de Belgische economie aan te zwengelen en innoverende bedrijven gemakkelijker te laten doorgroeien, zou het beleid nog meer kunnen focussen op ondersteuning van clusters en de subsidiëring meer kunnen concentreren en administratief kunnen vereenvoudigen zodat de bedrijven meer investeren in onderzoek en ontwikkeling. Een andere cruciale factor om de overgang naar een kenniseconomie te bespoedigen, is ervoor te zorgen dat de onbalans tussen aangeboden en gevraagde kwalificaties wordt verkleind, zodat de arbeidsmarkt kan beschikken over voldoende arbeidskrachten met de juiste kwalificaties.
9 http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/occasional_paper/2014/pdf/swd_172.pdf, pag. 10-11
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
••
Het terugdringen van de overheidsschuld blijft op middellange tot lange termijn een van de grote beleidsuitdagingen, a fortiori vanwege het geringere groeipotentieel van de Belgische economie, de voorspelde grote impact van de vergrijzing in België en de belastingdruk die al hoog is. (…) Gelet op de toezegging van België om zijn middellangetermijndoelstelling in 2016 te halen, blijft verdere schuldafbouw via de uitgaven noodzakelijk om de schuldquote op een duurzaam neerwaarts traject te brengen. De verdere fiscale decentralisatie vereist in dit verband een stipte nakoming van de gemaakte fiscale coördinatie-afspraken en een evenwichtige bijdrage van alle bestuursniveaus aan de consolidatie. Ook de impliciete staatsschuld van de vergrijzing zou moeten worden aangepakt door nieuwe pensioenhervormings-maatregelen om te voorkomen dat de schuldniveaus opnieuw de pan uit rijzen (…) .
De data waarvan de EC in haar werkdocument in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen gebruikmaakt, zijn ook terug te vinden in het kader van het rapport inzake industriële competitiviteit dat de EC jaarlijks opstelt. Naast de algemene situatie op EU-niveau wordt ook jaarlijks de industriële competitiviteit van de EU-lidstaten, waaronder België, in beeld gebracht. Die rapportage is ook in het kader van het Europa 2020-vlaggenschip ‘Industriebeleid in een tijd van globalisering’ van bijzonder belang. Als op België wordt ingezoomd, wordt de volgende vaststelling gedaan10:
Hoewel België absoluut gesproken nog steeds een van de hoogste productiviteitsniveaus in de EU heeft, is de productiviteit de afgelopen jaren weinig gegroeid. Zo is de arbeidsproductiviteit in 2011 met 1,3% gedaald, terwijl de productiviteit in de eurozone als geheel met 1,2% is gestegen. Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon was in België echter hoger dan het EU-gemiddelde. Gezien de lage productiviteitsgroei in België moet het accent worden gelegd op factoren die het nietkostenconcurrentievermogen stimuleren, zoals infrastructuur, innovatie en menselijk kapitaal. Op het punt van de infrastructuur zou België veel baat hebben bij effectieve maatregelen om verkeersopstoppingen, die de Belgische economie aanzienlijk belasten, te verminderen. Met betrekking tot innovatie is de belangrijkste uitdaging voor België het verbreden van zijn innovatiebasis en het streven naar een bredere verdeling van bedrijfsuitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) onder een groter aantal sectoren.
Op 4 september 2013 publiceerde het Wereld Economisch Forum zijn globale competitiviteitsindex 2013201411. België blijft op de 17de plaats staan. België scoort zeer goed wat de gezondheidsindicatoren betreft en heeft een systeem van basisonderwijs dat tot de absolute wereldtop behoort (tweede plaats). België
10 http://ec.europa.eu/enterprise/policies/industrial-competitiveness/monitoring-member-states/files/be_countrychapter_nl.pdf, pag. 2 11
http://www.weforum.org/issues/global-competitiveness/index.html
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
kan ook bogen op een uitzonderlijk goed hoger onderwijs- en opleidingssysteem (5de plaats), excellent wiskundig en wetenschappelijk onderwijssysteem, zeer goede managementonderwijsinstellingen, een inzet voor on-the-jobtraining die bijdraagt tot een redelijk hoge capaciteit om te innoveren (14de plaats). De goederenmarkt wordt gekenmerkt door een hoge concurrentie en een omgeving die bijdraagt tot de oprichting van nieuwe bedrijven. De bedrijfsvoering wordt ook gekenmerkt door een hoog niveau van complexiteit en professionele managementprocessen. Aan de andere kant zijn er wel kanttekeningen te plaatsen met betrekking tot de overheidsinefficiëntie (56ste plaats) en het verstorende belastingssysteem die in het bijzonder de stimulansen om aan het werk te gaan verminderen (142ste plaats). Ook is het zo dat de macro-economische omgeving gekenmerkt wordt door ‘deficitspending’ en een hoge overheidsschuld.
2.2 OESO
Ook andere internationale instellingen, zoals de OESO, richten regelmatig aanbevelingen aan België. Een aantal daarvan zijn ook relevant voor Vlaanderen. In het bijzonder kan verwezen worden naar het landenrapport dat de OESO om de twee jaar publiceert. In het landenrapport 2013 van de OESO worden aan België vier sleutelaanbevelingen gericht. Die hebben betrekking op de versterking van de fiscale houdbaarheid, het stimuleren van arbeidsmarktparticipatie, het verzekeren van een meer kostenefficiënt en responsief gezondheidssysteem, het verbeteren van het gebruik van de transportinfrastructuur12.
De fiscale duurzaamheid versterken
•• •• ••
Zorgen voor een gestage schuldreductie door te evolueren naar een onderliggend fiscaal evenwicht door middel van structurele fiscale hervormingen. De automatische stabilisatoren in werking laten treden als de groei niet beantwoordt aan de verwachtingen. Een sterk kader invoeren voor de lastenverdeling inzake de fiscale consolidatie. Dit zou voor alle bestuursniveaus duidelijke en transparante meerjarenregels moeten bevatten voor evenwichtige uitgaven en een begrotingsevenwicht. De link versterken tussen de professionele carrière en het pensioen in de vervroegde pensioensregeling en alle oudere werklozen onderwerpen aan basisvoorwaarden voor de opvolging van hun zoektocht naar werk en hun activering.
12 http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/economics/oecd-economic-surveys-belgium-2013_eco_ surveys-bel-2013-en
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
De arbeidsmarktdeelname verhogen
•• •• ••
De sectorale minimumlonen verlagen tot het wettelijke niveau en zorgen voor een meer geleidelijke invoering van het minimumloon voor jongeren. De besparingen in de uitkeringsbijdragen voor de sociale zekerheid toespitsen op werknemers met een laag loon. De overheid en de sociale partners moeten een nieuw loonvormingsproces overwegen. Als onderdeel van een dergelijke hervorming moeten de sociale partners aangemoedigd worden om het systeem van automatische loonindexering te laten uitdoven om te vermijden dat de effecten van negatieve externe schokken een permanent karakter krijgen. De creatie van werkgelegenheid en het behoud van de concurrentiepositie op externekostengebied ondersteunen door de loongroei afhankelijker te maken van de ontwikkelingen van de binnenlandse productiviteit.
Zorgen voor een kostenefficiënter en responsiever gezondheidsstelsel
•• •• •• •• ••
De ziekenfondsen een actievere rol laten spelen bij het bevorderen van kostenefficiënte zorg door hen in staat te stellen de prestaties van leveranciers te vergelijken (benchmarken) en op een beperkte schaal te experimenteren met selectieve uitbesteding. De incentives voor dienstverleners/zorgverleners en de informatiestromen vergroten door een grotere centralisering en coördinatie van het databeheer op één enkel platform, door de voltooiing van de verschuiving naar een pathologiefinanciering van ziekenhuizen en door meer te steunen op een capitatiefinanciering van artsen. De hoge uitgaven voor geneesmiddelen aanpakken door middel van sterkere procedures om een rationeel voorschrijfgedrag te stimuleren en het buitensporige voorschrijfgedrag een halt toe te roepen, door de regels inzake terugbetaling regelmatig te herzien en door de farmaceutische markt te liberaliseren. Zodra er voldoende stimulansen voorhanden zijn om de kosten onder controle te houden, zorgen voor een flexibelere voorziening van gezondheidszorg door de overdreven prescriptieve regelgeving over leveringen aan ziekenhuizen te laten uitdoven. Patiënten die gedurende lange tijd zorg nodig hebben, de autonomie geven om hun zorg thuis te organiseren. De zorgbehoeften bepalen op basis van één geriatrische beoordeling en ontradende sancties invoeren om een overschatting van de zorgbehoeften te ontmoedigen.
Het gebruik van de vervoersinfrastructuur verbeteren
•• •• ••
Een geïntegreerd infrastructuurplan op lange termijn ontwikkelen dat ondersteund wordt door de regio’s en de federale overheid en dat alle vervoerstypes omvat. De kostenbatenanalyse gebruiken als basisinstrument voor de evaluatie van de economische waarde van afzonderlijke projecten. De kosten van openbaredienstverplichtingen expliciet maken en dienstverleners vergoeden voor de uitvoering van die openbaredienstverplichtingen. Een systeem van rekeningrijden en gedifferentieerde tarieven voor het openbaar vervoer invoeren om congestie te vermijden. Wat het rekeningrijden betreft, eerst een congestieheffing invoeren in de grote steden alvorens een nationaal systeem te overwegen. Deze maatregelen moeten nauwkeurig afgestemd worden om een onbedoelde verschuiving naar andere vervoerswijzen te vermijden.
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
2.3 IMF
Het resultaat van de jaarlijkse doorlichting van België door het IMF (16 december 2013) kan als volgt worden samengevat13:
Het IMF stelt vast dat het risico van financiële instabiliteit verdwijnt, maar dat het versterken van de groeiprestaties als kritieke uitdaging naar voor komt. Volgens het IMF moet die uitdaging worden aangepakt door de werkzaamheid van het onderbenutte arbeidspotentieel te verhogen en de economie toe te laten haar positie in de globale waardeketen te versterken. Daarom moeten de beleidsprioriteiten gaan naar de verhoging van de productiviteit van de economie en de verhoging van de capaciteit van de ondernemingen om zich aan te passen aan de internationale concurrentie. Daarbij moet ervoor gezorgd worden dat de lonen beter gealigneerd zijn op de productiviteitsontwikkelingen en dat het activeringsbeleid versterkt wordt. Hoge publieke schulden en de fiscale kosten van de veroudering roepen op tot voortdurende, vaste fiscale aanpassingen die herijkt moeten worden om de groei te ondersteunen door belastingstijgingen die incentives om te werken en te investeren beperken, en door het behoud van ruimte voor productiviteitsverhogende uitgaven.
Een vrij analoge boodschap was het resultaat dat in het IMF-rapport over België (maart 2014)14 besloten lag. Ook hier was het verhogen van de competitiviteit het belangrijkste aandachtspunt:
13
https://www.imf.org/external/np/ms/2013/121613a.htm
14
IMF Country Report nr. 14/76, http://www.imf.org/external/pubs/ft/scr/2014/cr1476.pdf, n.a.v. een artikel 4-missie.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
1.
Terwijl financiële stabiliteitsrisico’s wijken, komt het versterken van de groeiprestaties als een kritische uitdaging naar voren;
2.
Volgehouden loonmatiging en, nog belangrijker, structurele hervormingen om de toewijzing van middelen en de productiviteit te verbeteren, zijn nodig om het concurrentievermogen te herstellen;
3.
In combinatie met een grotere product- en arbeidsmarktflexibiliteit, zou een verschuiving van de publieke middelen van een passief naar een actief arbeidsmarktbeleid helpen de arbeidsdeelname te verhogen;
4.
Een hoge schuld roept op tot voortdurend, gestage begrotingsaanpassingen en deze zouden herijkt moeten worden van fiscale maatregelen naar structurele hervormingen van de uitgaven;
5.
Het zich aanpassen aan de eisen van het EU-begrotingspact creëert een kans om de efficiëntie van het begrotingsbeleid te verbeteren;
6.
De herstructurering van de banken heeft geleid tot een verminderde financiële kwetsbaarheid, maar de banken moeten zich nog aanpassen aan een evoluerende bedrijfs-en regelgevende omgeving.
2.4
Raad van Europa
Vanuit de Raad van Europa werden in 2013 aan België met betrekking tot het jeugdbeleid elf aanbevelingen15 gericht, waarvan verschillende ook voor Vlaanderen bijzonder relevant zijn. De Raad van Europa duidt een aantal positieve elementen van het jeugdwerk in Vlaanderen aan. Zo wordt vermeld dat Vlaanderen over een goed uitgebouwd systeem voor de ondersteuning van jeugdorganisaties en over een sterke jeugdwerksector beschikt die gericht is op kansenjongeren. Het systeem garandeert de expertise die nodig is om de kwaliteitsmaatregelen voor jeugdwerk te bepalen. Dat is voor de Raad van Europa belangrijk omdat om het jeugdwerk te erkennen als een methode van niet-formeel onderwijs/leren, maatregelen nodig zijn die de kwaliteit van het jeugd(werk)aanbod bepalen. Voor de Raad van Europa ligt een belangrijke meerwaarde van jeugdwerk onder andere op het vlak van niet-formeel en informeel leren en kan het aldus een aanvulling vormen op het formele onderwijs en dienst doen als een methode voor nietformeel onderwijs/leren, die ook aanzienlijk kan bijdragen tot de sociale integratie (inclusie) van jongeren. Wat de sociale integratie betreft, wordt opgemerkt dat de integratie van kwetsbare jongeren, vooral migrantenjongeren, in het traditionele jeugdwerk een mogelijke uitdaging in Vlaanderen vormt en dat die migrantenjongeren ook meer betrokken moeten worden bij het besluitvormingsproces rond jeugdwerk. Er moeten gemeenschappelijke referentiepunten worden bepaald tussen het traditionele en het specifieke/
15
Gebaseerd op een review van het jeugdbeleid in België door het internationale team van de Raad van Europa (http://www.coe.int/t/dg4/youth/IG_Coop/youth_policy_reviews_en.asp).
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
professionele jeugdwerk. De Raad van Europa ziet ook een rol weggelegd voor het jeugdwerk in andere belangrijke domeinen, zoals werkgelegenheid, onderwijs en welzijn, en vindt daarom meer aandacht voor de promotie van een transversale aanpak van het jeugdbeleid op gemeentelijk en provinciaal niveau noodzakelijk. Op die bevoegdheidsniveaus is volgens de Raad van Europa een frequentere evaluatie van de jeugdbeleidsplannen noodzakelijk. Er is ten slotte een zekere bezorgdheid over de onafhankelijkheid van de niet-gouvernementele organisaties omdat die voor hun werking overheidsmiddelen ontvangen, maar daardoor mogelijk moeilijker overheidsbeleid aan de kaak kunnen stellen. Op 25 juni 2012 ondertekende België de Faro-conventie (voluit de “Council of Europe Framework Convention on the Value of Cultural Heritage for Society”). De Faro-conventie is te beschouwen als het sluitstuk van de reeks erfgoedconventies die onder impuls van de Raad van Europa tot stand zijn gekomen.16 Ondertussen heeft de Vlaamse overheid deze conventie bekrachtigd bij decreet van 14 februari 2014. Ook bij de andere gemeenschappen en gewesten wordt dit voorbereid met het oog op ratificatie door België. De Faro-conventie gaat inhoudelijk verder dan de eerdere conventies, die vanuit het erfgoedobject vertrekken en het fysiek en ruimtelijk vrijwaren ervan centraal stellen. In het bijzonder hanteert ze een bredere definitie van het cultureel erfgoed en wordt, naast het onroerend, ook het roerend en immaterieel cultureel erfgoed bedoeld. Zij beschrijft eveneens “waarom” en “voor wie” de zorg voor erfgoed belangrijk is en in welke mate die bijdraagt tot de cohesie van de samenleving. Daarnaast lanceert zij het nieuwe begrip “erfgoedgemeenschap”17. De Faro-conventie stelt erfgoed voor als een bron voor menselijke ontwikkeling, de bescherming van culturele diversiteit en de bevordering van een interculturele dialoog én als onderdeel van het economische ontwikkelingsmodel dat gebaseerd is op de principes van het duurzame gebruik van hulpbronnen. De conventie pleit ervoor om erfgoed een meer systematische plaats te geven in processen die een verbetering van de leefomgeving en de levenskwaliteit beogen, waarbij ook een niet onbelangrijk economisch potentieel kan worden uitgespeeld. Deze erfgoedbeleidsinvalshoek is ook voor Vlaanderen relevant, en verdient concretere uitwerking. Deze conventie was één van de internationale teksten die als basis hebben gediend voor het Cultureelerfgoeddecreet van 23 mei 2008. In het nieuwe Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012 zijn deze uitgangspunten behouden. Ook het nieuwe Onroerend Erfgoeddecreet van 12 juli 2013 heeft de maximale implementatie van verschillende conventies en andere verdragen voor ogen, in het bijzonder de conventies van de Raad van Europa (Granada, Valletta, Firenze en Faro). Beschermen wordt daarbij slechts beschouwd als een van de mogelijke instrumenten. Meer en meer wordt de erkenning van de betekenis van het erfgoed voor de gehele gemeenschap benadrukt. In afwachting van de ratificatie, die een nog sterkere stimulans zou betekenen om daadwerkelijk aan de slag te gaan met het ideeëngoed waarvoor de Faro-conventie staat, kan Vlaanderen het voortouw nemen om de conventie alvast een volwaardige toepassing te geven vanuit de respectievelijke beleidsvelden.
16
De Europese Culturele Conventie (1954), de Conventie voor de Bescherming van Architecturaal Erfgoed van Europa (1985), de Europese Conventie over de Bescherming van het Archeologisch Erfgoed (1992, herwerkt) en de Europese Conventie over het Landschap (2000).
17
Een erfgoedgemeenschap is een gemeenschap die bestaat uit organisaties en personen die een bijzondere waarde hechten aan het cultureel erfgoed of specifieke aspecten ervan, en die het cultureel erfgoed of aspecten ervan door publieke actie ondersteunen.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
2.5
Verenigde Naties
In december 2013 formuleerde het VN-Comité voor economische, sociale en culturele rechten een aantal aanbevelingen18 m.b.t. de mensenrechten in België. België kreeg van het comité positieve punten voor de ratificatie van de belangrijkste internationale instrumenten inzake mensenrechten, voor de goedkeuring van wetten ter versterking van de bescherming van de economische, sociale en culturele rechten alsook voor maatregelen genomen door de staat. Toch meent het Comité dat België nog steeds werk heeft om de mensenrechten beter te garanderen en verschillende van de door het Comité verstrekte aanbevelingen zijn ook voor Vlaanderen relevant.
18
••
De doelstelling van 0,7% voor internationale ontwikkelingshulp nakomen;
••
Ervoor zorgen dat personen met een handicap en personen van vreemde afkomst in staat zijn om ten volle te genieten van hun economische, sociale en culturele rechten. Het uitvaardigen van een alomvattend nationaal wettelijk kader tegen discriminatie (…). Het voortzetten en het versterken van de anti-discriminatie bewustmakingscampagnes voor het brede publiek en de verschillende maatschappelijke sectoren, evenals de campagnes om de maatregelen ter ondersteuning van personen met een handicap op federaal, regionaal en gemeenschapsniveau te bevorderen;
••
De inspanningen tot het verminderen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen te versterken (…); Het versterken van het beleid ter bevordering van gelijke kansen op de werkplek, met name het beleid van een gender-neutrale functie-indeling;
••
Het versterken en continueren van de acties om jeugdwerkloosheid, ook voor de minst gekwalificeerde (en vooral in het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), werkloosheid onder personen van 55-64, vrouwen en personen met een handicap effectief te bestrijden. Het versterken van de impact van de specifieke plannen en het beleid om de werkloosheid te verminderen onder migranten afkomstig van buiten de EU. (…);
••
Specifieke wetgeving op te stellen m.b.t. huiselijk geweld, met name geweld tegen vrouwen. Het besteden van bijzondere aandacht aan huiselijk geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap en ervoor zorgen dat zij voldoende bescherming en bijstand krijgen (…);
••
In te zetten op sterkere maatregelen ter bestrijding van de armoede in de meest kansarme en gemarginaliseerde sectoren van de bevolking, met inbegrip van kinderen en personen van vreemde origine. (…) Versterking van de andere federale en regionale maatregelen, zodat ze een reële impact op armoedebestrijding hebben. De meest kansarme en gemarginaliseerde sectoren van de bevolking moeten kunnen blijven genieten van meer specifieke anti-armoede maatregelen;
http://www.unric.org/nl/nieuwsoverzicht/26575-mensenrechten-in-belgie-waarnemingen-en-aanbevelingen-van-hetvn-comite-voor-economische-sociale-en-culturele-rechten
02 / Europa 2020 en andere relevante internationale en Europese afspraken- en bEleidskaders
••
Het nemen van krachtigere maatregelen voor het bevorderen van de toegang, zonder discriminatie, tot adequate huisvesting voor personen met lage inkomens, gemarginaliseerde en kansarme bevolkingsgroepen en personen van vreemde origine. Het verderzetten van het in de verschillende regio’s gelanceerde beleid van de bouw van sociale woningen en het bevorderen van de toegang tot deze woningen voor de betrokken bevolkingsgroepen. (…);
••
Het krachtig bestrijden van dakloosheid door het aanpakken van de onderliggende oorzaken;
••
Het beschermen van de kleinschalige landbouw in België en het implementeren van de betrokken plannen;
••
Het systematisch invoeren van effectbeoordelingen inzake mensenrechten om ervoor te zorgen dat projecten ter bevordering van biobrandstoffen geen negatieve gevolgen voor de economische, sociale en culturele rechten van de lokale gemeenschappen in derde landen (voor de Belgische bedrijven die op dit terrein actief zijn);
••
Het versterken van de inspanningen om kinderen met een handicap in het reguliere onderwijsstelsel op te nemen, door het aanpassen van de bestaande faciliteiten en het nemen van alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat kinderen met een handicap hun recht op onderwijs op voet van gelijkheid met andere kinderen volledig kunnen uitoefenen.
De UNWTO (United Nations World Tourism Organization) ziet toerisme als economische groeimotor. Niet alleen zorgt toerisme voor een economische meerwaarde, het creëert ook een hefboomeffect voor andere sectoren. In Europa draagt de toeristische industrie 6% bij aan het bruto binnenlands product (Bron: OESO, 2014). Het aandeel van toerisme in het BBP voor Vlaanderen bedraagt 5%. De directe bruto toegevoegde waarde van toerisme is in Vlaanderen 2,8%. Nederland haalt 2.9%, Oostenrijk meer dan 5%. Er is dus nog ruimte voor groei. Globaal staat ons land 18de gerangschikt op de Travel & Tourism Competitive Index (op 144 bestemmingen). Vooral de relatief slechte score (66e plaats) op het vlak van prioritering van toerisme binnen het beleid valt op.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
Voor de Vlaamse overheid wint het werken met (middel)lange termijnkaders steeds meer aan belang en ook de inbedding van het Vlaamse beleid in Europese en internationale afsprakenkaders is een evidentie geworden.
3.1
Toekomstplannen voor Vlaanderen
3.1.1 Vlaanderen in Actie/Pact 2020 en het belang van meten is weten
Al in 2006 werd Vlaanderen in Actie (ViA) voorgesteld. De eerste jaren is er intensief overlegd met meer dan 2000 captains of society, de belangrijkste middenveldorganisaties en lokale overheden om te komen tot een gemeenschappelijke toekomstvisie.
Vlaanderen in Actie stelt als ambitie dat Vlaanderen tegen 2020 in de top 5 van de Europese regio’s zal staan. Vlaanderen is tegen 2020 een economisch-innovatieve, duurzame en warme samenleving. Met het Vlaanderen in Actie/Pact 2020 had Vlaanderen zijn ‘2020-doelstellingen’ al begin 2009 vastgelegd. Het was gewapend om heel snel op de nieuwe Europese agenda, in het kader van de Europa 2020-strategie, in te spelen. Het ViA-Pact 2020 bevat twintig doelstellingen rond vijf clusters: (1) Meer welvaart en welzijn, (2) Een competitieve en duurzame economie, (3) Meer mensen aan de slag, (4) Levenskwaliteit van hoog niveau en (5) Efficiënt en doeltreffend bestuur. De benchmarking met andere Europese regio’s neemt een belangrijke plaats in om te kijken of Vlaanderen op de goede weg is. Daarom wordt Vlaanderen jaarlijks met vijftien excellente EU-regio’s vergeleken aan de hand van enkele indicatoren: het aandeel hooggeschoolde werknemers, de deelname aan levenslang leren, de O&O-intensiteit, het aandeel werknemers in kennisintensieve branches, het aandeel werknemers in creatieve branches en het aantal patentaanvragen. De resultaten worden in de Flanders Outlook-brochure van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) gepubliceerd. Naast die interregionale benchmarking wordt jaarlijks aan de hand van een reeks indicatoren gemeten of Vlaanderen op weg is om de Pact 2020-doelstellingen te halen. De Vlaamse overheid legde immers samen met de sociale partners en het georganiseerde middenveld de concrete doelstellingen voor Vlaanderen in Actie vast in het Pact 2020. Voor een belangrijk deel van de doelstellingen is het streefdoel nog niet bereikt. De meting van het Pact 2020 (juni 2013), aan de hand van 136 indicatoren, toont aan dat vier op de tien indicatoren de goede richting uit gaan, wat een hoger aandeel is dan in 2012. Ten opzichte van 2012 is het aantal negatieve ontwikkelingen meer dan gehalveerd zodat slechts één op de tien indicatoren ongunstig evolueert.
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
Grafisch voorgesteld ziet dat er per doorbraak als volgt uit:
Figuur 119: Evolutie indicatoren doorbraken (2013)
Voor één op de vier indicatoren met een streefdoel werd het streefdoel voor 2020 al gehaald; voor drie van de vier indicatoren is er nog werk om de doelstellingen tegen 2020 te halen. De volgende legislatuur moet er met andere woorden onverkort verder op inzetten. Ook wat de monitoring van projecten (de monitoring van het regeerakkoord/ViA) en effecten (monitoring van de indicatoren van Pact 2020) betreft, beschikt de Vlaamse administratie over degelijke en transparante monitoringsystemen om de voortgang van de projecten en de realisatie van de doelstellingen beleidsdomeinoverschrijdend op te volgen en zo nodig bij te sturen. Ook in de nieuwe legislatuur zal het noodzakelijk zijn om van nabij de voortgang van ViA/Pact 2020 te blijven meten.
3.1.2 ViA is meer dan een toekomstplan
ViA is de voorbije legislaturen gaandeweg geëvolueerd naar een langetermijnvisie die binnen de Vlaamse administratie en daarbuiten algemeen gedragen en coherent is. Tijdens het ViA-Toekomstforum van 30 april 2013 bevestigden alle ministers van de Vlaamse Regering, de sociale partners, het middenveld via de Verenigde Verenigingen, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP) en de Vlaamse administratie, alsook honderden deelnemers hun engagement om ViA voort te zetten in een volgende legislatuur. Op die manier werd voldoende draagvlak verworven om de ontwikkeling die zich in 2011 heeft ingezet met betrekking tot de verdere verdieping en versterking van ViA, door middel van de transitiemethodiek te borgen.
19
Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering, bewerking door de Stafdienst van de Vlaamse Regering
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
We beschouwen ViA daarbij niet als een optelsom van acties en projecten die binnen de verschillende beleidsdomeinen worden opgezet, maar als een maatschappelijk programma dat beleidsdomeinoverschrijdend de bakens uitzet. Het is een programma dat innovatie, duurzaamheid en sociale verbondenheid uitdraagt en door de dertien transities van ViA symbool staat voor de noodzakelijke systeeminnovatie die we binnen de Vlaamse overheid willen maken: een transparante en integrale aanpak in combinatie met een verhoogde samenwerking met partners binnen en buiten de overheid. De dertien transities zijn:
•• •• •• •• •• •• •• •• •• •• •• ••
Nieuw industrieel beleid Gazellesprong Stroomlijning gericht innovatiebeleid Iedereen mee, iedereen actief Kinderarmoedebestrijding Hernieuwbare energie en smart grids Duurzaam wonen en bouwen Duurzaam materialenbeheer Ruimte voor morgen Slimme mobiliteit Versnelling investeringsprojecten Creatieve en duurzame steden
Waarom transities of duurzame systeeminnovatie? Het huidige denken rond duurzame ontwikkeling en transities vertrekt van de vaststelling dat oplossingen op korte termijn niet langer een uitweg bieden. De structuren en praktijken die de complexe en hardnekkige problemen en onrechtvaardigheden veroorzaken, zitten diep verankerd in onze samenleving, in onze cultuur en in het sociaal-economische systeem. Die hardnekkige problemen kunnen onmogelijk weggewerkt worden louter met technologische innovaties. Ze vergen een aangepaste sociale, juridische, culturele en commerciële logica en context. Zo blijft het potentieel van duurzame energie (bijvoorbeeld windenergie) onderbenut omdat de technologische innovaties (nog) niet gepaard gaan met veranderingen in andere delen van het systeem, zoals een meer gedecentraliseerde energieproductie. Als we de omslag willen maken naar een echt duurzame ontwikkeling, voor iedereen in de samenleving van vandaag én voor de volgende generaties, moeten we de technologische aanpak ontstijgen, en meer fundamentele innovaties doorvoeren op systeemniveau: in ons energiesysteem, het systeem van produceren en consumeren enzovoort. Zulke systematische veranderingen noemen we transities: structurele maatschappelijke omslagbewegingen van een oud naar een nieuw evenwicht, als gevolg van een samenspel van economische, sociale, ecologische, institutionele, culturele, technologische en ethische veranderingen en ontwikkelingen. Alle spelers in de samenleving - overheden, bedrijven, organisaties, kennisinstellingen en burgers - spelen hun rol en evolueren mee. Ten slotte mogen ook de doelgroepen voor wie het beleid wordt uitgetekend niet uit het oog worden verloren. Zo biedt het overkomen van belangrijke bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming meer mogelijkheden om ervoor zorgen dat een meer integraal beleid kan worden ontwikkeld en er naar de doelgroepen toe meer op maat kan worden gewerkt. Een sterkere samenwerking met het lokale bestuursniveau en lokale actoren kan deze dienstverlening nog verder versterken.
03 / De Vlaamse (middel)langetermijnkaders
De Vlaamse administratie krijgt steeds vaker te maken met complexe dossiers waarbij verschillende beleidsdomeinen, beleidsniveaus en partners van buiten de (Vlaamse) overheid betrokken moeten worden. De klassieke thematische grenzen tussen verschillende beleidsdomeinen vervagen dan ook. Dat alles gaat gepaard met een toenemende vraag vanuit de bredere samenleving naar een meer participatief beleid. Zodoende lijkt het overheidsbeleid vandaag stilaan te evolueren naar een open netwerkmodel waarbij de betrokken partners zich minder formeel moeten gedragen ten aanzien van elkaar en derden om tot beleidsvoorbereiding en -uitvoering te kunnen overgaan. Een belangrijke, waardevolle verruiming was de oefening vanuit de culturele sector die ertoe leidde dat het Cultuurforum 2020 op basis van de beproefde ViA-methodologie 7 strategische doelstellingen en 32 doorbraken formuleerde. Om transities en systeemveranderingen te kunnen doen slagen, moeten we stilstaan bij de rol van de overheid en de manier waarop we als overheid samenwerken met verschillende actoren en belanghebbenden in de samenleving. Systeemveranderingen kunnen pas slagen in partnerschap en met betrokkenheid en steun van de belanghebbenden. De overheid wordt daarbij een actor tussen actoren (multiactorbeleid) die in partnerschap en cocreatie initiatieven neemt en beleid uittekent, in samenwerking met federaties, bedrijven, kennisinstellingen, ngo’s, verenigingen en actoren uit het brede maatschappelijke veld, de verschillende overheidsniveaus en ook niet-georganiseerde burgers. Die aanpak vergt veel flexibiliteit, zowel binnen de overheid als in de samenwerking met externe partners, waarbij belanghebbendenmanagement de traditionele dialoog met de strategische adviesraden ver voorbij moet en er tot een echte cocreatie en een echt cobestuur kan worden overgegaan. Verschillende van de hierboven aangereikte elementen hangen nauw samen met de in maart 2014 door de Raad van Wijzen geïdentificeerde zeven werkpunten om de transities verder succesvol uit te bouwen. De rode draad daarin is het faciliteren en stimuleren van transversaliteit in bestuur, organisatie, processen en inzet van middelen. De zeven werkpunten zijn:
••
Gedeelde focus en gedeeld eigenaarschap: de maatschappelijke vijfhoek: naast een duidelijk engagement van de overheid is ook het engagement en het opnemen van eigenaarschap door het bedrijfsleven, kenniscentra, de financiële wereld en de bredere civil society (en haar burgers) noodzakelijk.
••
Transversaliteit binnen de overheid en daarbuiten: Een governance die samenwerking over de grenzen van beleidsdomeinen, entiteiten en sectoren heen mogelijk maakt.
••
Het transitiedenken en –handelen: Vanuit een goed inzicht in het bestaande ecosysteem rond elke complexe uitdaging worden er door de belangrijkste spelers uit de maatschappelijke vijfhoek voor dat thema gemeenschappelijke ambities geformuleerd. Om die ambities om te zetten in uitvoering kan roadmapping als methodologisch kader worden gehanteerd.
••
Organisatie van de transversaliteit:
De organisatie van een transitie: De transitie zelf vindt plaats in partnerschap met de vijf spelers uit de maatschappelijke vijfhoek. Die partners hebben een gedeelde verantwoordelijkheid en zetelen, samen met een afvaardiging uit het transitieteam dat de operationele processen coördineert en opvolgt, in het bestuur van de transitie. Dat bestuur houdt toezicht op de uitrol, de consolidatie,
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
de begeleiding en de opvolging van die initiatieven en gaat het engagement aan om de visie en de ambitie van de betreffende transitie te (laten) realiseren. Binnen het transitie-ecosysteem, o.l.v. de transitiemanager met zijn transitieteam, vindt de echte uitvoering van de transitie plaats in de vorm van projecten, initiatieven, acties … Het transitieteam coördineert en werkt de transities uit, steunend op een voldoende transversale werking zowel binnen als buiten de Vlaamse overheid. Een interministerieel comité zorgt voor de aansturing van de transitie. De transversale aansturing over de beleidsthema’s heen: de organisatorische onderbouw van de transities en de organisatie van een gedeeld, transversaal eigenaarschap en van verantwoordelijkheid zijn uitdagingen waar verschillende transities mee te kampen hebben. De Vlaamse Regering houdt het overkoepelende en finale toezicht op de transitieportefeuille en volgt periodiek de voortgang van de transities op, en wordt daarbij bijgestaan door het CAG en de ViARaad van Wijzen.
••
Gericht inzetten van middelen en voorzien van experimenteerruimte: Als transities ingezet worden als dé prioritaire hoekstenen van een duurzame toekomst, vereist dat het vrijmaken en het adequaat inzetten van mensen en middelen door zowel de Vlaamse overheid als de externe partners. Dat is zowel mogelijk vanuit de transversale bundeling van bestaande middelen als vanuit nieuwe financieringsmodellen (bijvoorbeeld coöperatieve fondsen). Er moet voldoende ruimte zijn voor de ondersteuning van experimenten.
••
Communicatie en brede sensibilisering: Een sterke communicatie en sensibilisering over de gemeenschappelijke doelstellingen die in de transities gevat worden, is wezenlijk en moet dus op elk moment blijven plaatsvinden.
••
Rol van het onderwijs: Voldoende aandacht voor de grote maatschappelijke uitdagingen en de nieuwe oplossingsrichtingen in de diverse onderwijscurricula is noodzakelijk. Dit zowel met het oog op sensibilisering en het opnemen van verantwoordelijkheden door de burger als m.b.t. het inzetten op competentieontwikkeling.
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
In het kader van de zesde staatshervorming wordt Vlaanderen bevoegd voor belangrijke sociaaleconomische hefbomen. Vlaanderen heeft voor de uitoefening van zijn bevoegdheden belang bij goede betrekkingen met de (boven)lokale besturen in Vlaanderen, maar uiteraard ook met het federale en het Europese niveau. Voor heel wat dossiers zijn een goed overleg en goede samenwerking met de federale overheid noodzakelijk. Ook in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen 2013 vraagt Europa bijzondere aandacht voor de samenwerking tussen de federale overheid en de gewesten. Voor de eerste keer wordt dat signaal zo sterk gegeven door Europa in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen. Vlaanderen schaart zich achter de meerwaarde die multilevelgovernance met zich meebrengt. Multilevelgovernance als concept staat voor een systeem van continue samenwerking tussen overheden en niet-gouvernementele actoren op verschillende territoriale niveaus (Europees, nationaal, subnationaal en lokaal). Daarbij is het uitgangspunt dat er 1) een toegenomen afhankelijkheid is tussen overheden op verschillende territoriale niveaus (de zogenaamde verticale dimensie) en 2) een toegenomen afhankelijkheid tussen overheden en niet-gouvernementele actoren op verschillende territoriale niveaus of tussen overheden op dezelfde territoriale niveaus (de zogenaamde horizontale dimensie). In het kader van multilevelgovernance wordt meestal gestreefd naar samenwerking en afstemming tussen het beleid van verschillende overheden op verschillende territoriale niveaus en met de betrokkenheid van nietgouvernementele actoren. Multilevelgovernance werd in eerste instantie gebruikt om de betrokkenheid van regio’s (zoals Vlaanderen) en van lokale actoren (zoals de gemeenten) bij het Europese besluitvormingsproces te bepleiten. Dat element neemt nog altijd een belangrijke plaats in, zoals uit het advies20 (artikel 2) van het Comité van de regio’s van 16 februari 2012 blijkt: “Multilevelgovernance is een bestuursvorm die berust op gecoördineerd optreden van de EU, de lidstaten en de lokale en regionale overheden, met inachtneming van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, en op partnerschap. In de praktijk komt dit laatste neer op een functionele en geïnstitutionaliseerde vorm van samenwerking om EU-beleid tot stand te brengen en ten uitvoer te leggen.” Voor de opvolging en implementatie van Europees beleid is de multilevelgovernancedimensie van groot belang. In het kader van de Europa 2020-strategie wordt die multilvelgovernancedimensie trouwens al ten volle toegepast. Dat wordt bijvoorbeeld door het Comité van de Regio’s (CoR) onderkend. In een in opdracht van het CoR uitgevoerde studie van 2013 scoorde België hoog wat betreft de exhaustiviteit van informatie met betrekking tot de betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij het opstellen van de nationale hervormingsprogramma’s. Hoewel die score voornamelijk betrekking had op de samenwerking
20
Advies van het Comité van de Regio’s betreffende “Een vervolg op het witboek van het Comité van de regio’s: bouwen aan een Europese cultuur van multilevel governance” http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?ur i=OJ:C:2012:113:0062:0072:NL:PDF
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten bij het opstellen van het nationaal hervormingsprogramma, betrok de Vlaamse overheid in 2013 de VVSG en de VVP actief bij het opstellen van het VHP 2013, zodat er voor het eerst een bijdrage van de VVSG en de VVP in het VHP was terug te vinden. Ook bij het Vlaams hervormingsprogramma 2014 was dit het geval.21 De meerwaarde van multilevel governance ligt o.a. ook in de bijdrage die elk bestuursniveau aan beleids(oplossingen) kan bieden. Vanuit deze optiek is het belangrijk dat er sterke, bestuurskrachtige gemeenten zouden zijn, die zowel vanuit hun bevoegdheden als hun beleids- en bestuurservaring dicht bij de bevolking daadwerkelijk een meerwaarde kunnen bieden aan de complexe maatschappelijke uitdagingen. Een duidelijke en zichtbare decentralisatie (met behoud van het belfortprincipe) is daarom noodzakelijk, maar daartegenover staat dat de bestuurskracht voldoende groot moet zijn om mede een antwoord te kunnen bieden op deze uitdagingen. In de beleidsthema’s wordt de bijdrage en expertise van de lokale besturen om, samen met de Vlaamse overheid, de uitdagingen op te nemen uitdrukkelijk erkend. Een aantal voorbeelden kunnen de belangrijke rol en bijdrage van de lokale besturen bij de realisatie van de beleidsvoorstellen illustreren: het aanpakken van de capaciteitsnoden in het onderwijs (infrastructuur,…) (beleidsthema Lerende Vlaming), het versterken van de lokale invalshoek in het kansengroepenbeleid (beleidsthema Werkende Vlaming), de vergroening van de mobiliteit; het duurzaam materialenbeheer (groen en dynamisch stedengewest), het opstellen van een ontwikkelingsagenda en het mee afstemmen van de middelen op de gezamenlijke programma’s van lokale besturen; de verenigende rol van het ruimtelijk beleid binnen een transparant bestuurlijk samenspel (beleidsthema Ruimte voor Morgen), betrouwbare en efficiënte netwerken; een meer duurzame en efficiënte stedelijke mobiliteit; het verbeteren van de mobiliteit van minder mobielen (beleidsthema Slimme Mobiliteit), het gezondheidsbeleid en de bestrijding van (kinder)armoede (beleidsthema Warme Samenleving), het intra- en interbestuurlijk gegevensverkeer; het reduceren van de bestuurlijke drukte (beleidsthema Slagkrachtige overheid). Naast die verticale dimensie mag ook de horizontale dimensie niet vergeten worden. Vlaanderen heeft al een goede traditie bij het betrekken van de sociale partners (in het kader van VESOC) bij het sociaaleconomische beleid en die horizontale dimensie van multilevelgovernance wint steeds meer aan belang. Hierboven werd al gesteld dat om transities en systeemveranderingen te kunnen doen slagen, we moeten stilstaan bij de rol van de overheid en de manier waarop we als overheid samenwerken met verschillende actoren en belanghebbenden in de samenleving. Die nieuwe manier van werken wordt al volop toegepast bij de betrokkenheid van tal van stakeholders bij de dertien transities in het kader van Vlaanderen in Actie/Pact 2020. Drie evoluties, namelijk (1) de toegenomen invloed van Europa en de noodzaak om onder andere op verzoek van Europa sterker over de bestuursniveaus heen te gaan samenwerken, (2) de samenwerking tussen de Vlaamse overheid en andere relevante actoren (onder andere in het kader van Vlaanderen in Actie / Pact 2020 en het Cultuurforum 2020) en (3) de nieuwe bevoegdheidspakketten die naar aanleiding van de zesde staatshervorming naar Vlaanderen overkomen, stellen bijzondere uitdagingen voor de Vlaamse administratie. Het is duidelijk dat die evoluties niet alleen een versterkte Europese opvolging door de Vlaamse administratie en overleg met de andere bestuursniveaus, maar ook een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie zelf noodzakelijk maken. Op die manier kan door de Vlaamse overheid krachtdadiger opgetreden worden en een antwoord geboden worden op de maatschappelijke uitdagingen die beleidsdomeinoverschrijdend zijn. Die noodzaak aan zowel een versterkte Europese opvolging als aan een grotere afstemming en samenwerking binnen de Vlaamse administratie
21 http://www.vlaandereninactie.be/over/vlaams-hervormingsprogramma-2014
04 / Transversale beleidsaangelegenheden en de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie binnen de Vlaamse administratie
wordt door tal van actoren (SBOV, SERV …) zeer duidelijk naar voren geschoven. Van de Vlaamse overheid wordt terecht verwacht dat ze met één stem spreekt. Verschillende maatregelen die door de Vlaamse overheid de afgelopen jaren zijn uitgerold (ondernemersloket, omgevingsvergunning …) geven aan dat de Vlaamse overheid de boodschap begrepen heeft. In de volgende legislatuur zal daarop verder moeten worden ingezet. Wat de uitdaging van een versterkte beleidscoördinatie betreft, is gaandeweg het inzicht gegroeid dat categoriaal beleid, uitgevoerd door een functioneel beleidsdomein, tot betere en duurzamere resultaten leidt als er tegelijkertijd ook een horizontaal, transversaal beleid gevoerd wordt dat diverse gerelateerde problemen op verschillende terreinen in kaart brengt en aanpakt, en als rekening wordt gehouden met de kruispunten waar problemen of maatschappelijke barrières elkaar raken. Transversaal en categoriaal beleid behoren elkaar te versterken en zullen tot betere resultaten leiden als ze niet in abstractie van elkaar worden ontwikkeld en uitgevoerd, maar juist in samenhang worden ontwikkeld, uitgevoerd en opgevolgd. De beleidscoördinatie en de afstemming van categoriale en domeinoverstijgende beleidsinspanningen is dus belangrijk en er moet een goede en afgewogen mix zijn van reactief en proactief beleid, zowel in het functionele domein als vanuit het overkoepelende transversale perspectief. Op dit ogenblik zijn er heel wat Vlaamse beleids- en actieplannen met een horizontaal karakter waarover in Vlaanderen afspraken zijn gemaakt. Het is absoluut noodzakelijk om een echte governance te ontwikkelen, zodat er overheidsbreed en in overleg met de relevante partners een gezamenlijke prioriteitsstelling kan worden opgesteld waarop overheidsbreed versterkt kan worden ingezet. Op die manier kan de sturingskracht worden verhoogd en kan mee een antwoord worden geboden op de veelheid van (deels overlappende) plannen die nu al te vaak aanleiding geven tot een verspreide inzet van personeel en middelen. Dat moet er ook toe leiden dat er meer meta-afstemming gebeurt over de diverse beleidsthema’s heen zodat er voldoende zicht is op ontwikkelingen die zich in diverse thema’s voordoen en die ook een meerwaarde voor de aanpak binnen een ander thema kunnen betekenen. Om een meerwaarde te realiseren met een effect op de samenleving is het van belang dat de samenwerking tussen beleidsdomeinen in functie van een samenhangend, gecoördineerd en afgestemd beleid wordt versterkt, waarbij het belang van het voeren van horizontaal beleid zowel op politiek als op ambtelijk niveau door iedereen wordt erkend, gevalideerd en in partnerschap wordt gerealiseerd.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
05 / Implicatie voor de overheidsfinanciering
De Vlaamse administratie wil een goede budgetbewaker zijn. De nasleep van de financieel-economische crisis bracht het thema van gezonde overheidsfinanciën prominent in beeld. Vanuit de EC worden de overheidsfinanciën van de lidstaten van de EU van zeer nabij opgevolgd en voor België is dat des te meer het geval. Vlaanderen krijgt in het kader van de zesde staatshervorming bijkomende bevoegdheden, maar heeft ook een belangrijke bijdrage te leveren in het kader van de budgettaire sanering ter uitvoering van het stabiliteitsprogramma. Dit betekent dat in de nieuwe legislatuur niet alleen beleidskeuzes zullen moeten worden gemaakt, maar dat het bijzonder belangrijk is om omzichtig elke budgettaire uitgave te evalueren. Programma’s en projecten die hun toegevoegde waarde onvoldoende of te weinig leveren voor de maatschappij, moeten in vraag worden gesteld en de vrijgekomen budgetten moeten geïnvesteerd worden in projecten die wel een maatschappelijk toegevoegde waarde opleveren. Een goede budgetbewaker kijkt ook vooruit en speelt in op (internationale) ontwikkelingen en kansen die voor Vlaanderen een meerwaarde opleveren. De beleidsvoorstellen worden zo veel mogeljk budgettair onderbouwd. Een bijzondere uitdaging doet zich voor op het vlak van de begroting. De afgelopen jaren zorgde de Vlaamse Regering voor een begroting in evenwicht, maar rekening houdend met zowel de verwachte bijdrage van Vlaanderen aan het behalen van de middellangetermijndoelstelling van België als het gegeven dat samen met de overdracht van de bevoegdheden in het kader van de staatshervorming niet alle middelen overkomen, rijst op het vlak van de begroting voor de volgende legislatuur een bijzondere uitdaging. De deelstaten zullen bij het opstellen van hun begrotingen onmiddellijk rekening moeten houden met die context. Ze zullen de saneringsinspanningen dus niet kunnen spreiden in de tijd door het tekort tijdelijk te financieren met bijkomende schulden die ze aangaan. Dat is conform het stabiliteitsprogramma 2013 - 2016, voorgelegd en gemonitord door de EC. België ressorteert immers sinds 2 december 2009 onder de procedure voor buitensporige tekorten, die in een stipte opvolging van de engagementen inzake tekort- en schuldinperking voorziet. De EC heeft binnen het stabiliteitsprogramma gevraagd dat België het begrotingskader zou aanpassen om te garanderen dat de begrotingsdoelstellingen bindend zijn op federaal én subfederaal niveau, waardoor de lastenverdeling over en de verantwoordingsplicht van de diverse geledingen van de overheid transparanter worden. De inschrijving in het voorstel van bijzondere financieringswet van de inhouding geeft deze bijdrage van elk van de entiteiten transparant weer. De vooropgestelde sanering is aanzienlijk, maar doenbaar. (Ze bedraagt circa 5% van de totale middelen, waarover Vlaanderen zal beschikken.) In het rapport over de budgettaire ruimte in de legislatuur 2014-2019 (deel 2 van de bijdrage aan het regeerakkoord) wordt een meerjarenprognose opgenomen, die ook rekening houdt met de implicaties van de zesde staatshervorming. De Vlaamse administratie wil haar verantwoordelijkheid nemen om, rekening houdend met deze grote uitdagingen, de nieuwe regeringsploeg te ondersteunen om de budgettaire onderbouwing volledig en sluitend te maken. Zoals hierboven werd aangegeven, werd in de verschillende beleidsvoorstellen budgettaire informatie opgenomen. Mede op basis van deze budgettaire elementen kan de Vlaamse regering de nodige politieke beleidskeuzes maken. De Vlaamse administratie is bereid om samen met de Vlaamse Regering in
05 / Implicatie voor de overheidsfinanciering
dialoog te gaan over de budgettaire impact van deze beleidsvoorstellen en om daarmee samenhangend met de Vlaamse Regering te evalueren welke keuzes kunnen worden gedaan. Vlaanderen gaat voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument. Tot op heden werd de Vlaamse Gemeenschap door de grote meerderheid van de Vlamingen louter aangezien als een dienstenleverancier. Met de zesde staatshervoming verandert dat beeld grondig. Voortaan zal elk Vlaams gezin rechtstreeks op zijn aanslagbiljet van de personenbelasting kunnen merken welk gedeelte van zijn inkomsten hij verplicht is af te staan aan de Vlaamse Gemeenschap. Dat is een tweede, herkenbare relatie tussen de Vlaming en de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zal voortaan niet alleen beoordeeld zal worden op de diensten die ze levert, maar ook op de wijze waarop ze die tweede relatie uitbouwt. Die fiscale relatie zal dan ook meer dan ooit in de kijker komen. Fiscaliteit, ook Vlaamse fiscaliteit, was in het verleden vaak ingegeven door ad-hocdesiderata en kortetermijnplanning, waardoor er een myriade aan kleine, soms tegenstrijdige maatregelen bestaat. Het inzetten van fiscaliteit als een beleidsbrede prioriteit, moet de fiscaliteit in Vlaanderen niet alleen meer stroomlijnen, maar ook meer fundering geven. Fiscaliteit wordt al lang niet meer beschouwd als louter een instrument om middelen te vergaren. Fiscaliteit kan ook een belangrijk instrument zijn ter ondersteuning van de bevoegdheden van de Vlaamse overheid. Het hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument moet evenwel doordacht gebeuren. Vooreerst betekent dit dat de bestaande fiscaliteit meer gestroomlijnd moet worden over de bestaande belastingen heen waarbij de coherentie van het Vlaamse belastingstelsel (in zijn geheel, per belasting en over de doelstellingen heen) moet worden bewaakt. Niet alleen een vormelijke stroomlijning maar ook, als dat mogelijk, is, een beleidsmatige stroomlijning staat voorop door:
•• •• ••
de transparantie te verhogen in fiscale regelgeving door een eenduidig begrippeninstrumentarium na te streven (begrippen worden, als dat mogelijk is, in de diverse belastingen op vergelijkbarewijze ingevuld); de coherentie van het fiscale beleidskader na te streven (met inbegrip van het vermijden van beleidsmatige tegenstrijdigheden tussen diverse fiscale maatregelen); de Vlaamse fiscaliteit aan te passen om meer duurzame (ecologie, armoede ….) accenten te leggen.
Bovendien moeten fiscale uitgaven niet als vanzelfsprekend worden beschouwd, maar moet telkens worden nagegaan of een fiscale uitgave het meest geschikte instrument is om het nagestreefde doel te bereiken. Dat vergt een afweging van diverse maatregelen die mogelijk zijn om de doelstelling in kwestie te bereiken. Het doordacht hanteren van fiscaliteit moet dus een aandachtspunt zijn bij de uitwerking van de beleidsthema’s op het ogenblik dat fiscaliteit als beleidsinstrument aan bod komt.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
Rekening houdend met de internationale, Europese en Vlaamse beleidskaders en de ontwikkelingen die besproken zijn in de algemene omgevingsanalyse, dient zich een noodzaak aan van een versterkte beleidscoördinatie en samenwerking binnen de Vlaamse overheid. Die beleidscoördinatie moet een gemeenschappelijk referentiekader bieden voor alle sectorspecifieke en transversale beleidsprioriteiten. Daarop voortbouwend worden door de Vlaamse administratie vier beleidsbrede waarden en tien beleidsbrede prioriteiten naar voren geschoven die niet exclusief met specifieke beleidsvelden verbonden zijn, maar die wel de krachtlijnen voor een onderling versterkende gemeenschappelijke aanpak vormen. Die voorstellen getuigen van het feit dat de administratie krachtdadig wil samenwerken en de geselecteerde waarden en prioriteiten zijn richtinggevend voor de beleidsthema’s (met inbegrip van de beleidsvoorstellen).
6.1
Waarden van de Vlaamse overheid 2020
De Vlaamse overheid is open en wendbaar en anticipeert daadkrachtig op de evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met alle belanghebbenden werkt ze aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Deze waarden zijn daarvoor de bouwstenen: Vertrouwen Wij gedragen ons deontologisch correct, zijn eerlijk en loyaal aan het algemeen belang. We geven en verdienen vertrouwen. We stimuleren de kwaliteiten in de eigen organisatie en in de maatschappij. We zijn authentiek en doen wat we zeggen. Duidelijkheid en voorbeeldig werkgeverschap maken ons geloofwaardig. De Vlaamse administratie erkent het belang om in haar overheidsoptreden ten aanzien van vele maatschappelijke uitdagingen in eerste instantie ruimte te geven aan de verantwoordelijkheidszin en de eigen kracht van actoren in de samenleving die voor een eerstelijnsaanpak kunnen zorgen. In ons regelgevend en dienstverlenend optreden vertrekken we meer vanuit ‘vertrouwen’ en minder vanuit ‘wantrouwen’. Dat uit zich onder andere door sterker in te zetten op preventieve acties, waardoor dure herstelmaatregelen kunnen worden vermeden, of door een meer gede-institutionaliseerde aanpak die de verbindende krachten in de samenleving mobiliseert. Openheid We hebben oog voor wat er leeft in de samenleving. We werken samen met alle betrokken actoren binnen en buiten de overheid en stellen onze gegevens, informatie, kennis en vaardigheden ten dienste van de maatschappij. We zeggen wat we doen.
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
De Vlaamse administratie wil een samenwerkende overheid zijn. Dat moet een evidentie zijn op bestuurlijk vlak, zowel op Vlaams niveau (samenwerking tussen de entiteiten van de Vlaamse overheid) als tussen de verschillende overheden (Europees, nationaal, Vlaams, provinciaal en gemeentelijk). De Vlaamse overheid erkent daarbij dat ze niet alles alleen kan doen en roept op tot responsabilisering van de burger en de stakeholders. Ook in het kader van de transitiemethodiek die in het kader van Vlaanderen in Actie een steeds belangrijkere plaats heeft ingenomen, wordt ingezet op die versterkte cocreatie en coproductie tussen overheid, burgers en stakeholders. Wendbaarheid We reageren alert op de ontwikkelingen in de samenleving.
We definiëren onze dienstverlening proactief naargelang de behoeften, wensen en verwachtingen van de klanten en belanghebbenden. We zetten onze talenten flexibel in. De Vlaamse administratie wil een dienstbare overheid zijn. De Vlaamse overheid is er niet voor zichzelf, maar wil een pro-actief maximaal ondersteunende en flankerende rol bieden bij het teweegbrengen van positieve maatschappelijke evoluties in Vlaanderen. De Vlaamse burger mag daarom terecht een efficiënte en effectieve Vlaamse overheid verwachten. Daadkracht We nemen met respect voor alle belanghebbenden weloverwogen beslissingen die we kordaat en gezwind uitvoeren. We grijpen opportuniteiten en ondernemen gedurfde, adequate acties om innovatieve oplossingen te bieden. We nemen daarbij verantwoorde risico’s en leren uit fouten. De Vlaamse administratie wil een innovatieve overheid zijn die vanuit een sterke langetermijnvisie op zoek gaat naar duurzame oplossingen. Die oplossingsrichtingen worden niet alleen samen met relevante partners uitgedacht, maar ook effectief samen uitgevoerd. Iedereen wordt daarbij ingezet vanuit zijn eigen competenties en expertise. De administratie handelt nu, met een blik op de toekomst. Ze handelt samen, gericht op vooruitgang.
4 beleidsbrede waarden Vertrouwen Openheid Wendbaarheid Daadkracht
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
6.2 Beleidsbrede prioriteiten
Met Vlaanderen in Actie / Pact 2020 werd de basis gelegd om Vlaanderen in 2020 te laten uitmunten (Europese top 5-regio) als economisch innovatieve, duurzame en sociaal warme samenleving. De legislatuur 2014-2019 zal cruciaal zijn om de nodige maatregelen te nemen alle beleidsvelden bij de beleidsbrede prioriteiten te betrekken en om de hoge ambitie te realiseren. Het beleid dat Vlaanderen ontwikkelt, wordt ook steeds meer bepaald door internationale en Europese beleidskaders en de introductie van het Europees semester in 2010 is daar zeker niet vreemd aan. Het Europees semester, de jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie, heeft een grote impact op de beleidsmaatregelen van de lidstaten van de Europese Unie, zowel op budgettair als op sociaal-economisch vlak. In hoofdstuk 2 van deze inleiding zagen we dat in het kader van het Europees semester in 2013 zeven aanbevelingen aan België werden gericht en een aantal van die aanbevelingen zijn ook voor Vlaanderen bijzonder relevant. Bovendien zal het belang ervan in het kader van de implementatie van de zesde staatshervorming nog verder toenemen omdat Vlaanderen, bijvoorbeeld in het kader van het arbeidsmarktbeleid, belangrijke hefbomen verwerft. Ook andere internationale organen (OESO, IMF, Wereldbank …) richtten een aantal gelijkaardige boodschappen aan België. Een aantal elementen die steeds terugkomen, zijn het verhogen van de werkzaamheidsgraad (met bijzondere aandacht voor de werkzaamheid van een aantal kwetsbare groepen), het verhogen van de competitiviteit van de ondernemingen (belang van onderzoek en ontwikkeling, innovatie, ondernemerschap, infrastructuurbeleid, efficiënte en effectieve overheid), het inzetten op gezonde en houdbare overheidsfinanciën (en de bijzondere uitdagingen die daarmee verband houden, zoals de vergrijzing). Naast die topprioriteiten worden vaak een aantal belangrijke elementen vermeld die voor Vlaanderen zeer relevant zijn, zoals onderwijs (onder andere levenslang leren), de klimaat- en energiedoelstellingen, de samenwerking tussen de verschillende overheidsniveaus, de integratie van migranten in de diverse geledingen van de maatschappij (jeugdwerk, arbeidsmarkt …). Om te beantwoorden aan de boodschappen van internationale en Europese instellingen, aan de uitdagingen die vermeld zijn in de algemene omgevingsanalyse, en aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en het Pact 2020 is Vlaams beleid zowel op korte als op (middel)lange termijn noodzakelijk. Op korte termijn moet volop ingespeeld worden op de eerste tekenen van economisch herstel en het doorvoeren van structurele hervormingen, terwijl ook het langetermijnperspectief niet uit het oog mag worden verloren en versterkt moet worden ingezet op transities die in het kader van de beleidsbrede prioriteiten in ruime zin en meer specifiek in Vlaanderen in Actie worden geformuleerd, als antwoord op de grote maatschappelijke uitdagingen. Op basis van de bovenstaande invalshoeken vanuit internationaal, Europees en Vlaams perspectief schuift de Vlaamse administratie voor de legislatuur 2014-2019 tien beleidsbrede prioriteiten naar voren, die een milieu- en maatschappelijk verantwoorde economische groei met een maximale toegevoegde waardecreatie mogelijk moeten maken, en die niet voorbijgaan aan het potentieel en het engagement dat zich in alle geledingen van de samenleving bevindt. Die tien beleidsbrede prioriteiten zijn richtinggevend voor de uitwerking van de negen beleidsthema’s. Met de 119 beleidsvoorstellen die in de negen beleidsthema’s worden ontwikkeld, wordt een antwoord geboden op de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen.
06 / Beleidsbrede waarden en prioriteiten
Vlaanderen gaat voor een innovatieve, duurzame en warme samenleving: 10 prioriteiten
1. 2. 3. 4.
5. 6. 7. 8. 9. 10.
Vlaanderen zet in op meer mensen aan de slag in langere, werkbare loopbanen en draagt op die manier bij tot een verhoogde competitiviteit. Vlaanderen evolueert naar een (levenslang) lerende samenleving met de bedoeling elk talent te ontwikkelen en ontplooiingskansen te geven en de verworven ontwikkelingen duurzaam te verankeren. Vlaanderen zet in op een efficiënt en duurzaam gebruik van hulpbronnen en ruimte, de evolutie naar een klimaatvriendelijke samenleving met een aangepast energiesysteem en een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Vlaanderen blijft investeren in alle sectoren, van de primaire tot en met de quartaire sector en stimuleert verder de ondernemingszin. Door slimme specialisatie (als onderdeel van een nieuw industrieel beleid) zetten we in op verduurzaming en vergroening, op creativiteit en cultuur, op infrastructuur en communicatie. Zo blijft onze regio groeien en zo blijft Vlaanderen competitief. Vlaanderen dringt de armoede terug, bestrijdt sociale uitsluiting en zet in op het versterken van de maatschappelijke cohesie om te komen tot een rechtvaardigere samenleving die kansen biedt aan alle burgers zodat die op een volwaardige wijze aan het maatschappelijke leven kunnen participeren (cultuur, sport, toerisme, onderwijs,…). Vlaanderen geeft een antwoord op gezondheids- en zorgbehoeften en stimuleert een gezonde en actieve levenswijze. Vlaanderen is gericht op de wereld. Het denkt en handelt Europees. Het verdedigt actief zijn internationale belangen, en voert een beleid dat in lijn is met Europese en internationale beleidskaders. Vlaanderen zet in op een open en wendbare overheid, die daadkrachtig anticipeert op evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met en gericht op alle belanghebbenden werkt de Vlaamse overheid aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Vlaanderen zet in op digitalisering en minder regelgeving. Vlaanderen gaat voor het bewaken van gezonde en houdbare overheidsfinanciën en voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument. Vlaanderen heeft een langetermijnperspectief en blijft daarom inzetten op duurzame systeeminnovaties (transities) in functie van de complexe maatschappelijke uitdagingen.
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
07 / Link met de beleidsthema’s en beleidsvoorstellen De administratie kiest ervoor om de beleidsbrede prioriteiten en waarden mee te nemen als ankerpunten en toetsstenen voor de voorstellen en denkpistes voor toekomstig beleid. Die worden geoperationaliseerd door middel van negen beleidsthema’s.
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Lerende Vlaming Werkende Vlaming Open ondernemer Innovatiecentrum Vlaanderen Groen en dynamisch stedengewest Ruimte voor morgen. Slimme mobiliteit Warme samenleving Slagkrachtige overheid
Deze negen beleidsthema’s vallen verder uiteen in 119 beleidsvoorstellen.
Aantal beleidsvoorstellen / beleidsthema De lerende Vlaming
10
De werkende Vlaming
9
Open Ondernemer
12
Innovatiecentrum Vlaanderen
14
Groen en dynamisch stedengewest
13
Ruimte voor Morgen
10
Slimme mobiliteit
10
Warme samenleving
28
Slagkrachtige overheid
13
van hulpbronnen en ruimte, de evolutie naar een klimaatvriendelijke samenleving met een aangepast energiesysteem en een hoge kwaliteit van leefomgeving.
3. Vlaanderen zet in op een efficiënt en duurzaam gebruik
evolueert naar een (levenslang) lerende samenleving met de bedoeling elk talent te ontwikkelen en ontplooiingskansen te geven en de verworven ontwikkelingen duurzaam te verankeren.
2. Vlaanderen
werkbare loopbanen en draagt op die manier bij tot een verhoogde competitiviteit.
1. Vlaanderen zet in op meer mensen aan de slag in langere,
Beleidsbrede prioriteit
EC, OESO, IMF, VN, Raad van Europa
EC, OESO, IMF
EC
EC, OESO
Europa 2020
EU2020-doelstelling werkzaamheid Vlaggenschepen: Een Agenda voor nieuwe vaardigheden en banen / Jeugd in Beweging LSA (2013) 2, 6
EU2020-doelstelling onderwijs Vlaggenschip: Jeugd in Beweging LSA (2013): 6
EU2020-doelstelling Klimaat en energie (20/20/20) Vlaggenschip: Efficiënt gebruik van hulpbronnen LSA (2013): 7
Bijlage: Samenvattend overzicht
7,8,14,15 en 16
11
9 en 10
Doelstellingen Pact 2020
Ruimte voor morgen
Groen en dynamisch stedengewest
Lerende Vlaming Werkende Vlaming Warme samenleving
Werkende Vlaming
Beleidsthema’s
Bijlage: Samenvattend overzicht
dringt de armoede terug, bestrijdt sociale uitsluiting en zet in op het versterken van de maatschappelijke cohesie om te komen tot een rechtvaardigere samenleving die kansen biedt aan alle burgers zodat die op een volwaardige wijze aan het maatschappelijke leven kunnen deelnemen participeren (cultuur, sport, toerisme, onderwijs,…).
5. Vlaanderen
blijft investeren in alle sectoren, van de primaire tot en met de quartaire sector en stimuleert verder de ondernemingszin. Door slimme specialisatie (als onderdeel van een nieuw industrieel beleid) zetten we in op verduurzaming en vergroening, op creativiteit en cultuur, op infrastructuur en communicatie. Zo blijft onze regio groeien en zo blijft Vlaanderen competitief.
4. Vlaanderen
Beleidsbrede prioriteit
EU2020-doelstelling Onderzoek en ontwikkeling Vlaggenschip: Industriebeleid in een tijd van mondialisering Innovatie-Unie LSA (2013) 3,4
EC, OESO, Raad van Europa, VN
EC, OESO, IMF
Europa 2020
EU2020-doelstelling Armoede en sociale uitsluiting Vlaggenschip: Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting
EC, OESO, IMF, VN, Raad van Europa
2 en 13
1,3,4,5,6,7,8
Doelstellingen Pact 2020
Lerende Vlaming
Werkende Vlaming
Warme samenleving
Open ondernemer Innovatiecentrum Vlaanderen Ruimte voor morgen Slimme mobiliteit Werkende Vlaming Warme samenleving
Beleidsthema’s
VLAANDEREN GAAT VOOR EEN INNOVATIEVE, DUURZAME EN WARME SAMENLEVING: 10 PRIORITEITEN
daarom inzetten op duurzame systeeminnovaties (transities) in functie van de complexe maatschappelijke uitdagingen.
10. Vlaanderen heeft een langetermijnperspectief en blijft
gaat voor het bewaken van gezonde en houdbare overheidsfinanciën en voor het doordacht hanteren van fiscaliteit als beleidsinstrument.
9. Vlaanderen
zet in op een open en wendbare overheid, die daadkrachtig antcipeert op evoluties en behoeften in de samenleving. Samen met en gericht op alle belanghebbenden werkt de Vlaamse overheid aan een duurzame dienstverlening in vertrouwen en vanuit het algemeen belang. Vlaanderen zet in op digitalisering en minder regelgeving.
8. Vlaanderen
Europees. Het verdedigt actief zijn internationale belangen, en voert een beleid dat in lijn is met Europese en internationale beleidskaders.
7. Vlaanderen is gericht op de wereld. Het denkt en handelt
geeft een antwoord op gezondheids- en zorgbehoeften en stimuleert een gezonde en actieve levenswijze.
6. Vlaanderen
Beleidsbrede prioriteit
Alle EU2020-doelstellingen, Alle Vlaggenschepen
LSA (2013) 2
LSA (2013) 2
Europa 2020
OESO, IMF
EC
EC, OESO
EC, OESO, IMF, VN, Raad van Europa
20
18 en 19
3
12 en 17
Doelstellingen Pact 2020
Alle beleidsthema’s
Alle beleidsthema’s
Slagkrachtige overheid (Alle beleidsthema’s)
Alle beleidsthema’s
Warme samenleving
Beleidsthema’s
Bijlage: Samenvattend overzicht