Natuurindicatoren 2016 Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid
Natuurrapport Vlaanderen INSTITUUT NATUUR- EN BOSONDERZOEK
Colofon Auteurs: Heidi Demolder, Johan Peymen, Tim Adriaens, Anny Anselin, Claude Belpaire, Niko Boone, Lode De Beck, Luc De Keersmaeker, Geert De Knijf, Lieven De Smet, Koen Devos, Joris Everaert, Caroline Geeraerts, Ivy Jansen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Thierry Onkelinx, Geert Sioen, Maarten Stevens, Marijke Thoonen, Koen Van Den Berge, Beatrijs Van der Aa, Peter Van Gossum, Wouter Van Landuyt, Wouter Van Reeth, Jan Van Uytvanck, Hugo Verreycken & Pieter Verschelde. Vormgeving: Nicole De Groof Contact:
Anja De Braekeleer Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kliniekstraat 25, B-1070 Brussel e-mail: nara@inbo.be website: www.inbo.be tel: 02-525.02.28 fax: 02-558.18.05
Verantwoordelijke uitgever: Maurice Hoffmann Wijze van citeren: Heidi Demolder, Johan Peymen, Tim Adriaens, Anny Anselin, Claude Belpaire, Niko Boone, Lode De Beck, Luc De Keersmaeker, Geert De Knijf, Lieven De Smet, Koen Devos, Joris Everaert, Caroline Geeraerts, Ivy Jansen, Lon Lommaert, Dirk Maes, Thierry Onkelinx, Geert Sioen, Maarten Stevens, Marijke Thoonen, Koen Van Den Berge, Beatrijs Van der Aa, Peter Van Gossum, Wouter Van Landuyt, Wouter Van Reeth, Jan Van Uytvanck, Hugo Verreycken & Pieter Verschelde. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek,https://doi.org/10.21436/inbom.12382432. Š2016, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Mits bronvermelding wordt overname van teksten toegelaten en zelfs aangemoedigd. https://doi.org/10.21436/inbom.12382432 D/2016/3241/267
Natuurindicatoren 2016 <2>
Hoofdlijnen Inleiding Het Vlaams Milieubeleidsplan 2011-2015 (MINA-plan 4) bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid dat door het Vlaamse Gewest, en ook door de provincies en gemeenten in aangelegenheden van gewestelijk belang, moet worden gevoerd. De centrale hoofdlijn in het MINA-plan 4 is, zoals aangegeven in Pact 2020, dat Vlaanderen tegen 2020 op ecologisch vlak tot de allerbeste Europese regio’s behoort. Het plan bevat zowel langetermijn- als plandoelstellingen voor de periode 2011 - 2015. Hieraan zijn telkens een aantal specifieke indicatoren gekoppeld. Daarnaast zijn er bijkomende indicatoren opgenomen waarvoor geen doelstellingen zijn geformuleerd. Deze indicatoren worden bij een plandoelstelling besproken als ze hiermee inhoudelijk nauw verwant zijn. Dit rapport wil aan de hand van de natuurindicatoren de belangrijkste bevindingen rond de biodiversiteitsdoelstellingen uit het MINA-plan 4 samenvatten. De rapportering van de indicatoren is gebaseerd op data verzameld tot eind 2015, wat overeenstemt met het einde van de planperiode van het MINA-plan.
Langetermijndoelstellingen De langetermijndoelstellingen worden gedefinieerd met een volgende generatie als tijdshorizon (circa 2030) en streven een hoge milieukwaliteit na. Omwille van de termijn worden ze op zich niet hard geformuleerd. Het MINA-plan 4 bevat twee voor biodiversiteit relevante langetermijndoelstellingen. De eerste is het ‘Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen van belang’. Daarbij gaat onder meer aandacht naar belangrijke bedreigingen voor biodiversiteit zoals klimaatverandering en uitheemse soorten. In de natuur in Vlaanderen zijn steeds meer aanwijzingen te vinden van impact van klimaatverandering. Bij een aantal bomen, waaronder de berk, en grassoorten, komt de stuifmeelproductie vroeger op gang. Ook de bladontwikkeling bij eik en beuk vertoont wijzigingen. Het uitlopen van beide soorten verloopt vroeger in warme jaren dan in koude. Bij opwarming van het klimaat vervroegt en verlengt bijgevolg hun groeiseizoen. De langetermijngevolgen daarvan zijn nog onduidelijk. Naast temporele zijn er ook ruimtelijke verschuivingen. Zo breiden zuidelijke en zuidoostelijke soorten zich uit naar het noorden. Dat is
Natuurindicatoren 2016 <3>
Hoofdlijnen
onder meer het geval voor libellen zoals de vuurlibel en de gaffelwaterjuffer. In het verleden werden ze alleen als zwerver in Vlaanderen waargenomen. Actueel komen er verschillende populaties voor. Biologische invasies door exotische soorten worden internationaal als een van de belangrijkste bedreigingen voor de biodiversiteit beschouwd (Pimental et al. 2002; Vié et al. 2009; Cox, 2004). Behalve een bedreiging voor inheemse soorten, kunnen ze ook een ernstige impact hebben op de structuur of het functioneren van ecosystemen. Daardoor kunnen ze ook een negatieve impact hebben op maatschappelijke belangen (volksgezondheid, landbouw, economie). Het aantal uitheemse soorten vormt een indicatie voor het risico op invasieve soorten. Dat aantal neemt toe sinds 1800 en vertoont een exponentiële groei. In het kader van het Europees exotenbeleid werd een internationale signaallijst van problematische soorten opgesteld. In Vlaanderen komen minstens 89 uitheemse soorten voor die op deze signaallijst staan. Minstens 41 daarvan gedragen zich ook echt invasief in de natuur. Sinds 1 januari 2015 is de nieuwe Europese verordening inzake de preventie en het beheer van invasieve uitheemse soorten van kracht (Europese Unie 2014). Dit nieuw Europees wetgevend kader legt Vlaanderen een aantal nieuwe regels op met betrekking tot preventie van nieuwe introducties, het ingrijpen op introductiepaden van niet bedoelde introducties en het beheer van gevestigde invasieve exoten (Adriaens, 2014). In het kader van de Conventie van Bern wordt de uitheemse eendensoort rosse stekelstaart bestreden in het wild in Europa en Noord-Afrika met de bedoeling ze uit te roeien tegen 2015. In Vlaanderen zijn momenteel naar schatting 10-15 exemplaren aanwezig. Het doel van de Conventie van Bern is dus niet gehaald. In het intussen gereviseerde internationale actieplan is deze termijn verlengd naar 2020. Uit hoofdstuk 4 van NARA-T (Demolder et al. 2014) blijkt dat naast invasieve exoten en klimaatverandering ook habitatverlies, fragmentatie, nutriëntenaanrijking en verdroging nog steeds een belangrijke negatieve impact hebben op de biodiversiteit van ecosystemen in Vlaanderen. Ook versnippering van biotopen vormt nog steeds een belangrijke bedreiging voor de natuur. Zo vormt de fragmentatie van waterlopen door stuwen en sluizen nog steeds een ernstig knelpunt voor de instandhouding van vispopulaties (zie verder onder de plandoelstellingen). Vermesting is een van de belangrijkste factoren die de biodiversiteit gedurende de voorbije eeuw heeft beïnvloed. In 2013 werd nog voor 51% van het Natura 2000-areaal (± 71.200 ha) een overschrijding van de kritische depositiewaarde voor stikstof vastgesteld. Het afzetten van stikstof in speciale beschermingszones maakt de realisatie van de natuurdoelen moeilijk tot zelfs onmogelijk. Om deze natuurdoelen te kunnen verwezenlijken werd door de Vlaamse overheid de programmatische aanpak van stikstofdepoNatuurindicatoren 2016 <4>
Hoofdlijnen
sities (PAS) opgezet. Het PAS is een programma dat de problematiek van de depositie van stikstof in de speciale beschermingszones wil aanpakken aan de hand van brongerichte (aan de uitstootzijde) en effectgerichte maatregelen. Een andere langetermijndoelstelling stelt dat ‘Vlaanderen voor leefmilieu evengoed scoort als vergelijkbare regio’s’. Voor het behoud van de biodiversiteit focust de Vlaamse overheid actueel op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Daarin wordt gestreefd naar de gunstige staat van instandhouding van soorten en habitattypes van Europees belang. Meer dan de helft van de soorten vermeld in de bijlagen van de Habitatrichtlijn bevindt zich actueel in een ongunstige staat van instandhouding. Voor de broedvogels van Europees belang bijvoorbeeld, worden de instandhoudingsdoelstellingen momenteel voor slechts drie van de 20 soorten gehaald. Van de habitattypes vermeld in de Habitatrichtlijn bevond zich eind 2013 89% in een ongunstige staat van instandhouding. Het vraagt een grote inspanning om alle habitattypes en soorten tegen 2020 in een goede staat van instandhouding te brengen. Deze bevindingen stemmen op Europees niveau overeen met de conclusies uit de Mid Term Review van de Europese Biodiversiteitsstrategie 2020.
Plandoelstellingen De plandoelstellingen zijn gericht op te realiseren beleidseffecten binnen de komende planperiode en hebben hoofdzakelijk 2015 als streefdatum. Net als bij de langetermijndoelstellingen voor biodiversiteit, staat de verbetering van de staat van instandhouding van Natura 2000-habitattypes en -soorten centraal. Tegelijk worden doelstellingen naar voor geschoven met het oog op de verhoging van de beleving en toegankelijkheid van natuur-, bos- en parkgebieden. Biodiversiteit Een eerste plandoelstelling geeft aan dat in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend is om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitattypes te realiseren. De afbakening van de Vlaamse Natuurlijke Structuur kan hiertoe bijdragen. Deze wordt gevormd door de combinatie van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON). Dit IVON bestaat uit natuurverwevingsgebied (NVWG) en natuurverbindingsgebied. Natuurindicatoren 2016 <5>
Hoofdlijnen
Het MINA-plan 4 stelt dat tegen 2015 125.000 ha VEN-gebied (9,2% van de Vlaamse landoppervlakte) afgebakend moet zijn. Het Natuurdecreet bepaalt dat er 150.000 ha natuurverwevingsgebied (NVWG) (11% van Vlaanderen) afgebakend moet worden. In de tweede herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is 80.000 ha NVWG voorzien. Voor het NVWG stelt een bijkomende indicator in het MINA-plan 4 dat er binnen de planperiode naar een gunstige trend wordt gestreefd, er is geen plandoelstelling geformuleerd. Verder kan er een onbepaalde oppervlakte natuurverbindingsgebied afgebakend worden. Ongeveer 13 jaar na het verstrijken van de einddatum in het Natuurdecreet en het MINA-plan 2 en zeven jaar na het streefjaar in het RSV, zijn 74% van het VEN (ca. 92.000 ha) en 3% (of 6% volgens het herziene RSV) van het NVWG (ca. 5.000 ha) afgebakend. De plandoelstelling voor het VEN is niet gehaald. Met een toename van ca. 1.100 ha en een doelbereik van 6% (herziene RSV) voor het NVWG is er weinig vooruitgang geboekt binnen de planperiode. Een tweede plandoelstelling bepaalt dat de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd moet zijn tegen 2015. Voor de broedvogels wordt een toename van 10% t.o.v. de periode 20072008 tegen 2015 verwacht. Voor de bos- en landbouwvogels is het MINA- plan 4 doel niet gehaald, voor de generalisten is het onduidelijk. Ook voor de vlinders en de overwinterende watervogels is het doel (+ 10% t.o.v. 2004) niet gehaald. Het MINA-plan 4 geeft ook aan dat er in 2015 meer kwaliteitsvolle natuur onder effectief natuurbeheer gerealiseerd is. Met een oppervlakte van 79.521 effectief natuurbeheer is de plandoelstelling van 70.000 ha gehaald. Dat is een toename met 16.192 ha t.o.v. het begin van de planperiode in 2011. Sinds 2013 hanteert het Agentschap voor Natuur en Bos een categorie die niet in de definitie van deze indicator opgenomen is. Het gaat om natuurdomeinen met een goedgekeurd beheerplan, maar die nog niet het statuut van Vlaams natuurreservaat hebben. Met die oppervlakte erbij komt de totale oppervlakte met effectief natuurbeheer op 81.598 ha. Volgens het MINA-plan 4 nemen de beboste oppervlakte en de kwaliteit ervan aanzienlijk toe tegen 2020. Op basis van de laatste meting van de Boswijzer (2013) bedraagt de oppervlakte bos 185.686 ha (betrouwbaarheidsgrenzen -14.163 ha en +1.803 ha, Van der Linden et al. 2013). Omdat het verschil met de eerste meting (= nulmeting in 2010) van de Boswijzer, 8.362 ha, zich binnen dit betrouwbaarheidsinterval bevindt, is het niet mogelijk om een uitspraak de te doen over de recente trend en dus na te gaan of de beboste oppervlakte al dan niet toeneemt.
Natuurindicatoren 2016 <6>
Hoofdlijnen
Recreatie en toegankelijkheid Naast een kwaliteitsvol en duurzaam beheer van natuur- en bosgebieden, wil de Vlaamse overheid de mogelijkheid tot beleving en de toegankelijkheid van de natuur-, bos- en parkgebieden verhogen. Eind 2015 bedroeg de totale oppervlakte toegankelijke bossen 33.347 ha of 28% van de plandoelstelling. De trend vertoont een significante toename, maar de doelstelling is in 2015 niet gehaald. Dit heeft onder andere te maken met het vaak lange inspraaktraject dat nodig is bij de opmaak en de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling. De Vlaamse overheid wil ook de leefbaarheid van de steden in Vlaanderen verhogen door onder meer te zorgen voor meer bos nabij stedelijke gebieden. In 2015 hebben 62% van de 56 groot- en kleinstedelijke gebieden een stadsbosproject opgestart. Hiermee is de MINA-plan 4 plandoelstelling van 40% ruim gehaald. Zowel in private en openbare bossen en natuurreservaten kunnen speelzones aangeduid worden. In 2015 zijn er in totaal 2.319 ha bos en natuurreservaat aangeduid als speelzone. Hiermee is ± 69% van de plandoelstelling uit het MINA-plan 4 gerealiseerd. Natuurbeleid Volgens het MINA-plan 4 moet het grootste deel van de maatregelen, nodig voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen, in uitvoering zijn om de natuurdoelstellingen te halen. Om de soorten en habitattypes van de Habitat- en Vogelrichtlijn doeltreffender te kunnen beschermen werden in Vlaanderen 24 Vogelrichtlijngebieden en 38 Habitatrichtlijngebieden vastgesteld. Die gebieden vormen samen het Natura 2000-netwerk van ‘speciale beschermingszones’ (SBZ). De totale oppervlakte Natura 2000 bedraagt 166.322 ha en neemt ongeveer 12,3% van de Vlaamse landoppervlakte in. Hiervoor werden in eerste fase ‘Gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen’ uitgewerkt. In een tweede fase die nu ten einde loopt, werden voor elk van deze SBZ gebiedseigen instandhoudingsdoelen (S-IHD) opgesteld. Eind 2015 zijn er van de 41 op te stellen S-IHD rapporten 36 definitief goedgekeurd door de Vlaamse overheid. Hiermee is ca. 88% van de MINA-plan 4 doelstelling gerealiseerd. Halfweg 2016 zijn ook nog 3 nieuwe S-IHD rapporten voor SBZ-V voor de eerste keer principieel goedgekeurd. Een aantal SBZ-H werden in één rapport samen behandeld net als sommige SBZ-H en SBZ-V, waardoor het totale aantal rapporten lager is dan het totale aantal SBZ-H en SBZ-V samen.
Natuurindicatoren 2016 <7>
Hoofdlijnen
Het Agentschap voor Natuur en Bos werkt momenteel aan een nieuw kader voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, waarbij rekening gehouden wordt met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden. Dit kader omvat een planmatige aanpak: op het Vlaamse niveau via het Natura 2000 programma en op het niveau van de speciale beschermingszone via een managementplan Natura 2000. Het Natura 2000 programma omkadert alle beleidsmatige inspanningen en gebiedsgerichte acties die in Vlaanderen in de programmaperiode van 2014 tot 2020 geleverd zullen worden. Een managementplan Natura 2000 beschrijft voor elke Speciale Beschermingszone de realisatie van de doelen en prioritaire inspanningen zoals vastgelegd in het betrokken S-IHD-besluit. Daarnaast worden op het terrein een aantal nieuwe instrumenten ingezet zoals natuurbeheerplan en worden gebiedsgerichte projecten opgestart waaronder inrichtingsprojecten, de soortenbeschermingsprogramma’s en de programmatische aanpakken ter vermindering van bepaalde milieudrukken. Er zijn op dit ogenblik nog geen managementplannen en natuurbeheerplannen opgesteld en/of in werking. In heel wat SBZ zijn evenwel al meerdere jaren IHD-gerichte maatregelen uitvoering. Eind 2015 zijn er vijf soortbeschermingsprogamma’s vastgesteld (Antwerpse haven, bever, grauwe kiekendief, hamster en kwartelkoning) hiermee is 82% van de doelstelling gehaald. Negen soortbeschermingsprogramma’s zijn in opmaak en voor drie programma’s is het goedkeuringsproces lopende. Deze programma’s bieden sedert 2011 een vervolg op de soortbeschermingsplannen en kunnen worden opgemaakt voor de Vlaamse prioritaire en Europese te beschermen soorten. Ze bestaan uit specifieke en bindende maatregelen voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van Europees te beschermen soorten binnen en buiten SBZ. Een andere natuurbeleidsdoelstelling stelt dat het aantal gesaneerde prioritaire vismigratieknelpunten toeneemt. Dit sluit aan bij de BENELUX-beschikking vismigratie. Die stelt dat voor 31 december 2015 90% van de hindernissen van eerste prioriteit op de prioriteringskaart weggewerkt moeten worden (fase 1 – MINA-plan 4) en de hindernissen van tweede prioriteit voor 31 december 2021 (fase 2 – MINA-plan 4). Eind 2015 waren 19 van de 46 (41%) knelpunten van fase 1 gesaneerd. Fase 1 van het MINA plan 4 doel en de BENELUX-beschikking werd bijgevolg niet gehaald. Indien het huidige saneringstempo wordt aangehouden, zullen de geïnventariseerde vismigratieknelpunten op de prioritaire waterlopen van fase 2 waarschijnlijk pas na 2021 gesaneerd worden. De belangrijkste obstakels zijn de beschikbare budgetten, personeelscapaciteit en maatschappelijke hinderpalen.
Natuurindicatoren 2016 <8>
Hoofdlijnen
Bijkomend op te volgen indicatoren Het MINA-plan 4 bevat ook bijkomende indicatoren waarvoor geen doelstellingen zijn geformuleerd, maar die men in een gunstige richting wil laten evolueren in de periode 2011- 2015. Het MINA-plan 4 stelt dat de verwerving van gronden door het Vlaamse Gewest en de terreinbeherende verenigingen ten behoeve van natuur en bos een strategisch belangrijk instrument is en wil de oppervlakte binnen de planperiode verhogen. In 2015 kochten de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest samen 927 ha aan. Dat is 523 ha of 36% minder dan de oppervlakte die tijdens de vorige regeerperiode (medio 2009 - medio 2014) gemiddeld werd verworven op jaarbasis. Hoewel de aankopen door het Vlaams Gewest in 2015 als gevolg van uitzonderlijke besparingen lager lagen dan ooit, kent de verwerving van terreinen door de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest al jaren een dalende trend. De Vlaamse overheid wil dat de oppervlakte herbestemmingscategorieĂŤn volgens bestemmingen in de gewestplannen: bosgebied, natuurgebied, overig groen toeneemt in de periode 2011-2015. Bosgebied en natuurgebied nemen significant toe in de periode 1999-2015, de categorie overig groen vertoont daarentegen in dezelfde periode een significante afname. Daarnaast stelt het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) dat er voor de planologische bestemmingsplannen 38.000 ha extra bos-, natuur- en reservaatgebied moest bijkomen in vergelijking met de oppervlakte in 1994. 18 jaar na de vaststelling van het RSV is de vooropgestelde oppervlakte natuur-, reservaat- en bosgebied en overig groengebied niet gerealiseerd (doelbereik= 39%). Binnen de planperiode van het MINA-plan 4 vertoont deze indicator geen gunstige trend. De indicator ‘ontsnippering van planologisch groengebied’ toont de gemiddelde oppervlakte van de groen bestemde gebieden in Vlaanderen. De evolutie daarvan geeft een indicatie van de versnipperingsgraad van het planologisch groengebied. Een hogere gemiddelde oppervlakte wijst op een lagere versnipperingsgraad. De gemiddelde oppervlakte van aaneengesloten planologische groenbestemmingen steeg tussen 1994 en 2015 van 33,2 ha tot 35,4 ha, maar daalde licht binnen de planperiode van MINA-plan 4. Deze indicator doet echter geen uitspraak over de ontsnippering op het terrein. Het dichte wegennet in Vlaanderen veroorzaakt, ook binnen planologisch groengebied, problemen voor natuur. De Vlaamse overheid probeert daar door de aanleg van faunapassages een oplossing voor te bieden. Eind 2015 zijn op 4,5% van de 1200 km transport wegen waar ontsnippering een prioriteit heeft, maatregelen
Natuurindicatoren 2016 <9>
Hoofdlijnen
genomen. Er zijn wel een aantal grote projecten gestart, bijvoorbeeld in het ZoniÍnwoud, die in de loop van de volgende jaren afgewerkt zullen zijn. Om projectmatig aan natuurherstel, -behoud en -ontwikkeling te doen, heeft de Vlaamse overheid het instrument natuurinrichting in het leven geroepen. De totale oppervlakte waarbinnen op dergelijke planmatige manier natuurinrichtingswerken zijn gerealiseerd, vertoont een significante toename voor de periode 1999-2015. In 2015 zijn geen natuurinrichtingsprojecten afgerond. Ten opzichte van 2014 wijzigt de indicator niet. Eind 2015 waren 15 projecten gerealiseerd en werden natuurinrichtingswerken uitgevoerd binnen een oppervlakte van 4.441 ha. Daarnaast zijn 12 projecten in uitvoering. Om de soorten en ecosystemen van het landbouwgebied te beschermen, kunnen landbouwers, in het kader van de Vlaamse Programma’s voor Plattelandsontwikkeling, sinds 2000 vijf jaar durende beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse overheid. De meest populaire beheerovereenkomsten zijn deze voor soortbescherming. In 2015 nam de oppervlakte ervan toe met meer dan 400 ha. Deze maatregel vertoont daarmee opnieuw een stijgende lijn. Vooral enkele nieuwe of aangepaste beheerovereenkomsten zorgen voor deze stijging. De overeenkomst botanisch beheer kent ook in 2015 relatief weinig succes en stagneert. Dit geldt ook voor perceelsrandbeheer en beheer van houtkanten. Een echte doorbraak in het aantal afgesloten beheerovereenkomsten, en bijgevolg ook de beheerde oppervlakte, kon het in 2014 vernieuwde aanbod nog niet realiseren.
Natuurindicatoren 2016 <10>
Hoofdlijnen
MINA-plan 4 – Balans Er zijn op lange termijn nog extra inspanningen nodig om de staat van instandhouding van soorten en habitattypes van Europees belang te verbeteren en de Europese doelstellingen te halen. De Vlaamse overheid heeft hiertoe al initiatieven genomen, zoals het goedkeuren van een groot deel van de instandhoudingsdoelen. Deze doelen moeten evenwel nog gerealiseerd worden op het terrein. De afbakening van het VEN, dat hiertoe kan bijdragen, loopt achter op schema. Voor de Vlaamse prioritaire en Europese te beschermen soorten zijn een aantal soortbeschermingsprogramma’s in opmaak of vastgesteld, maar dit is nog niet genoeg om de doelstelling te realiseren. Op lange termijn is ook een blijvende inzet nodig om de impact van de klimaatverandering en van het toenemend aantal invasieve exoten op de biodiversiteit te verminderen. Ook versnippering van natuurgebieden vergt verdere beleidsinspanning. Om een samenhangend geheel van natuurgebieden te vormen moet verder ingezet worden op de realisatie van de natuurlijke structuur zoals voorzien in het RSV. Op soortniveau, namelijk voor de vissen, worden evenwel een toenemend aantal vismigratieknelpunten gesaneerd, maar ook hier zijn extra inspanningen nodig om de doelstellingen te halen. Met het gevoerde beleid is een van de vier plandoelstellingen rond biodiversiteit bereikt, er is meer kwaliteitsvolle natuur onder effectief natuurbeheer gerealiseerd. Dit heeft evenwel niet bijgedragen tot het halen van een andere plandoelstelling namelijk een afdoende bescherming van bedreigde en beschermende soortengroepen. Anderzijds kunnen het toenemend aantal beheerovereenkomsten voor soortbescherming de biodiversiteit in het landbouwgebied positief beïnvloeden. De doelstelling om de mogelijkheid tot beleving en de toegankelijkheid van de natuur-, bos- en parkgebieden te verhogen, is met wisselend succes gehaald. Zo zijn er voldoende stadbosprojecten opgestart. Toch zijn er nog extra beleidsinspanningen nodig om het aantal toegankelijke bossen en natuurreservaten te verhogen en om meer speelzones af te bakenen. Op dit moment is er geen nieuw MINA-plan voor de periode na 2015 opgestart. Het huidige MINA-plan 4 blijft hierdoor verder doorlopen.
Natuurindicatoren 2016 <11>
Leeswijzer Drieledige opdracht natuurrapportering De natuurrapportage (NARA) is een decretale taak van het INBO en omvat: • een beschrijving en evaluatie van de bestaande natuur in het Vlaamse Gewest; • de te verwachten evolutie van deze natuur bij ongewijzigd beleid en bij het door de Vlaamse Regering voorgenomen beleid; • de evaluatie van het voorbije beleid. Dit rapport maakt deel uit van de natuurrapportage (NARA) en geeft een invulling aan de jaarlijkse natuurindicatorenrapportage (toestandsbeschrijving) van het INBO. De natuurindicatoren brengen op een compacte wijze feiten en cijfers over de natuur en het natuurbeleid in Vlaanderen in beeld. Waar mogelijk gebeurt dit via tijdreeksen die weergeven hoe een fenomeen evolueert. Een uitgebreide set aan natuurindicatoren wordt weergegeven op de website natuurindicatoren (www.natuurindicatoren.be). Deze website bevat voor elke indicator een fiche met cijfermateriaal en beknopte achtergrondinformatie. Dit rapport bundelt de prioritaire indicatoren uit deze set. Het NARA maakt ook deel uit van het Milieurapport (MIRA). Een uitgebreide reeks van milieu-indicatoren is te raadplegen op de website van het milieurapport (www.milieurapport.be) van de Vlaamse Milieumaatschappij.
Prioritaire natuurindicatoren Dit rapport geeft een overzicht van natuurindicatoren die op basis van een aantal criteria als prioritair op te volgen indicatoren worden beschouwd. Ze zijn geselecteerd omdat ze op Vlaams niveau opgenomen zijn in het Milieubeleidsplan (MINA-plan 4), en/of sorteren onder een Pact 2020 indicator. Daarnaast worden ook indicatoren opgenomen als ze op Europese schaal een invulling geven aan de opvolging van de EU 2020 doelen uit de Biodiversiteitstrategie en/of invulling geven aan de indicatoren die door Forest Europe worden opgevolgd.
Natuurindicatoren 2016 <12>
Leeswijzer
Het MINA-plan 4 bepaalt de hoofdlijnen van het milieubeleid dat door het Vlaamse Gewest dient te worden gevoerd. In het MINA-plan 4 zijn zowel lange termijn- als plandoelstellingen opgenomen voor de periode 2011- 2015. Hieraan zijn telkens een aantal specifieke indicatoren gekoppeld. Daarnaast zijn er een aantal bijkomende indicatoren opgenomen waarvoor geen doelstellingen zijn geformuleerd. In dit rapport worden enkel MINA-plan 4 indicatoren besproken die betrekking hebben op de biodiversiteit (zie ook Hoofdlijnen). Aan de hand van een set indicatoren volgt de Vlaamse Regering de realisatie van de 20 doelstellingen van het toekomstplan voor Vlaanderen (Pact 2020) op. Het Pact 2020 weerspiegelt de gezamenlijke visie, strategie en acties op lange termijn van de Vlaamse Regering en de sociale partners. In dit rapport worden de Pact 2020 indicatoren van het thema ‘natuur’ behandeld. Daarnaast worden de Vlaamse natuurindicatoren gekoppeld aan het streefdoel uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 waaraan ze de meeste invulling geven. Met deze set van prioritaire natuurindicatoren wordt getracht de Vlaamse voortgang ten opzichte van de doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 te evalueren. Aan de hand van een set indicatoren volgt de Vlaamse Regering de realisatie van de 20 doelstellingen van het toekomstplan voor Vlaanderen (Pact 2020) op. Het Pact 2020 weerspiegelt de gezamenlijke visie, strategie en acties op lange termijn van de Vlaamse Regering en de sociale partners. In dit rapport worden de Pact 2020 indicatoren van het thema ‘natuur’ behandeld. Daarnaast worden de Vlaamse natuurindicatoren gekoppeld aan het streefdoel uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 waaraan ze de meeste invulling geven (zie ook Hoofdlijnen). Met deze set van prioritaire natuurindicatoren wordt getracht de Vlaamse voortgang ten opzichte van de doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 te evalueren. In 2004 startte het proces SEBI 2010 (Streamlining European Biodiversity Indicators). SEBI 2010 ontwikkelt en volgt kernindicatoren (‘headline indicators’), in functie van de focusgebieden van de Biodiversiteitsconventie om de voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling bekend te maken (EEA, 2007). In 2012 werd de oorspronkelijke set van 26 concreet uitgewerkte 2010-indicatoren aangepast in functie van de streefdoelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 (EEA, 2012a). Alle ontwikkelde SEBI indicatoren kunnen gebruikt worden om de vooruitgang t.o.v. deze doelen op te volgen (EEA, 2012a).
Natuurindicatoren 2016 <13>
Leeswijzer
Wanneer een Vlaamse natuurindicator afgestemd is op de SEBI indicator, wordt het overeenstemmende nummer van deze SEBI indicator vermeld. De doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie voor 2020 sluiten aan bij de mondiale ‘Aichi Targets’ opgesteld door Conventie voor Biodiversiteit in 2010. De ministeriële conferentie ter bescherming van de bossen in Europa, kortweg Forest Europe genoemd, ontwikkelt gemeenschappelijke strategieën voor het beschermen en duurzaam beheer van bossen door verschillende Europese landen, waaronder België. Forest Europe heeft onder meer richtlijnen, criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer opgesteld. De lijst van indicatoren werd recent uitgebreid en is bekrachtigd door de verschillende ministers uit deze landen verantwoordelijk voor bos en bosbeleid. De ministers verbinden er zich ook toe om elke 4 jaar over deze indicatoren te rapporteren. Deze rapporten worden voor elk land apart opgemaakt, en vervolgens gecompileerd in een ‘Forest Europe’ Rapport : ‘State of Europe’s Forests’.
Bespreking per indicator De bespreking van de indicatoren start met een overzicht van de verschillende doelen (EU 2020, Pact 2020 en MINA-plan 4 ). Hierbij wordt enkel voor de MINA-plan 4 doelstellingen met een concreet geformuleerde doelstelling (= de zgn. plandoelstellingen) het doelbereik (uitgedrukt in %) en de doelverwachting geëvalueerd. Daarna volgt een beschrijving van de indicator en vervolgens een bespreking van de evolutie en het doelbereik indien relevant. Tenslotte wordt indien mogelijk een verklaring voor het verloop van de trend gegeven. De beoordeling van de trend gebeurt op basis van een statistische trendanalyse. Dit is niet voor alle indicatoren mogelijk omdat de data dit (nog) niet toelaten. Er is bijvoorbeeld een te korte tijdsreeks of er ontbreken te veel waarden. Voor meer informatie over de trendbepaling van de indicatoren verwijzen we naar het rapport van Jansen I. (2016). Onderaan de tekst wordt onder ‘Trend’ het resultaat van deze trendberekening beknopt omschreven.
Natuurindicatoren 2016 <14>
Leeswijzer
Wanneer de trendbepaling niet gebeurd is, wordt ‘geen correcte trendbepaling mogelijk’ vermeld. Via een link in ‘Trend’ wordt een koppeling gemaakt met de figuur waarin de trendlijn wordt weergegeven. De beoordeling van de doelverwachting gebeurt op basis van een 95% predictie-interval dat voor de geëxtrapoleerde trendlijn wordt berekend in functie van het doeljaar 2015 (MINA-plan 4). Dit interval bevat met 95% zekerheid de waarde die in 2015 bereikt zal worden. Deze info staat voor elke indicator onder het item ‘ Doelverwachting 2015’ in Jansen I. (2015). Bevindt het doel zich binnen dit interval dan is de doelverwachting onduidelijk. De waarde in 2015 kan nog eender waar in het predictie-interval liggen. Bevindt het doel zich boven het interval, dan is de kans klein dat het doel gehaald wordt. We kunnen zeggen dat de waarde in 2015 met 95% zekerheid lager zal zijn dan het doel. Bevindt het doel zich onder het interval, dan is de kans groot dat het doel gehaald wordt. We kunnen zeggen dat de waarde in 2015 met 95% zekerheid hoger zal zijn dan het doel. Voor de indicatoren waarvoor geen trendberekening kan uitgevoerd worden, is er bijgevolg ook geen berekening van een predictie-interval. Bij doelverwachting wordt dan ‘onduidelijk’ vermeld. De indicatoren zijn gebaseerd op de meest recente data, in de meeste gevallen tot en met 2015.
Natuurindicatoren 2016 <15>
Leeswijzer
Kwaliteitsvolle indicatoren Kwaliteitsvolle indicatoren beantwoorden idealiter aan een aantal internationaal opgestelde criteria (zie kader). Bij de ontwikkeling van de natuurindicatoren wordt getracht om maximaal aan deze criteria te voldoen. Selectiecriteria voor natuurindicatoren (Ash et al. (2010), Bouckaert (1993), Bubb et al. (2010) EEA (2012b), Hatry (1999), Layke (2012), & (Pires 2011) • Wetenschappelijk en methodologisch goed gefundeerd: indicatoren moeten gebaseerd zijn op helder gedefinieerde, verifieerbare en wetenschappelijk aanvaardbare data. De dataverzameling moet volgens een gestandaardiseerde methode gebeuren (o.a. aanvaarde veldprotocols), met andere woorden, de methode voor de opmaak van een indicator moet wetenschappelijk correct zijn. • Helderheid en duidelijkheid: de indicator moet namelijk zo ontworpen zijn dat hij meet en communiceert wat hij beweert te meten of communiceren, zodat misinterpretatie vermeden wordt. • Beschikbaarheid data: voor het berekenen van de indicator moet de beschikbaarheid van de data op lange termijn gewaarborgd zijn. Dit betekent ook dat de update frequentie in de toekomst verzekerd is. • Reproduceerbaar en gebaseerd op meetnet : indicatoren moeten reproduceerbaar zijn en idealiter gebaseerd op een meetnet. • Praktisch haalbaar, eenvoudig te berekenen: idealiter is de opmaak van een indicator praktisch haalbaar: de data moeten vlot beschikbaar zijn en de indicator eenvoudig te berekenen. • Begrijpbaar en communiceerbaar: om de werking van een indicator te waarborgen moet de indicator begrijpbaar zijn voor niet–specialisten, zonder dat grondige voorkennis vereist is, en dit zowel qua presentatie, interpretatie als de relatie tussen de meting en hetgeen de indicator wil vertolken. • Gevoelig voor veranderingen in de tijd en ruimtelijk voldoende gedetailleerd: indicatoren moeten voldoende snel reageren om aan het beleid of andere gebruikers, veranderingen in relevante fenomenen te kunnen tonen. • Beleidsdoel gekend: indien er een beleidsdoel gekoppeld is aan de indicator moet deze indicator het toelaten om (beleids)doelstellingen te evalueren, gebruikmakend van vaststelbare baselines. • Functionaliteit: indicatoren moeten relevant zijn voor de missie/doelen en het resultaat dat de indicator tracht te meten. • Gebiedsdekkendheid: aangezien de indicatoren een beschrijving moet geven van de toestand van de natuur in Vlaanderen, is het meestal aangewezen dat indicatoren een gewestelijk bereik en/of betekenis voor heel Vlaanderen bezitten • Legitimiteit & aanvaarding door belanghebbenden: de kracht van een indicator voor de opvolging en sturing van beleid, hangt in belangrijke mate af van een voldoende brede gedragenheid bij belanghebbenden.
Natuurindicatoren 2016 <16>
Vlaamse natuurindicatoren
MINA-plan 4
Pact 2020*
EU biodiversiteitsstrategie 2020
Pag. nr.
1
Europese broedvogelindex
Plandoelstelling
15.1
Streefdoel 2
19
2
Graslandvlinderindex
Plandoelstelling
15.1
Streefdoel 2
20
3
Overwinterende watervogelindex
Plandoelstelling
15.1
Streefdoel 2
21
4
Rode Lijst van de amfibieĂŤn en reptielen
/
/
Streefdoel 1
22
5
Rode Lijst van de dagvlinders
/
/
Streefdoel 1
23
6
Rode Lijst van de lieveheersbeestjes
/
/
Streefdoel 1
24
7
Rode Lijst van de waterwantsen
/
/
Streefdoel 1
25
8
Rode Lijst van de zoetwatervissen
/
/
Streefdoel 1
26
9
Rode Lijst van de zoogdieren
/
/
Streefdoel 1
27
10
Status van soorten
/
/
Streefdoel 1
28
11
Toestand en trend van ecosysteemdiensten
/
/
Streefdoel 2
29
12
Soortbeschermingsplannen
Plandoelstelling
/
Streefdoel 1
30
13
Het aantal gesaneerde vismigratieknelpunten
Plandoelstelling
/
Streefdoel 2
31
14
Staat van instandhouding van soorten van Europees belang
Langetermijndoelstelling
15.2
Streefdoel 1
32
15
Staat van instandhouding van habitattypes van Europees belang
Langetermijndoelstelling
15.2
Streefdoel 1
33
16
Status van broedvogels van Europees belang
Langetermijndoelstelling
15.2
Streefdoel 1
34
17
Status van watervogels van Europees belang
Langetermijndoelstelling
15.2
Streefdoel 1
35
18
Oppervlakte Natura 2000-gebied
/
/
Streefdoel 1
36
19
Aantal S-IHD rapporten definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering
Plandoelstelling
15.2
Streefdoel 1
37
20
Oppervlakte met effectief natuurbeheer (planperiode: MINA-plan 4)
Plandoelstelling
15.2 & 15.3
Streefdoel 2
38
21
Verwerving van natuurgebieden door erkende terreinbeherende verenigingen en door het Vlaamse Gewest
Bijkomend op te volgen
/
Streefdoel 2
39
22
Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en Natuurverwevingsgebied (NVWG)
Plandoelstelling (enkel voor VEN)
/
Streefdoel 2
40
23
Oppervlakte bos volgens de Boswijzer
Plandoelstelling
15.3
Streefdoel 2
41
24
Aandeel beschadigde bosbomen
/
/
Streefdoel 2
42
25
Oppervlakteaandeel toegankelijke bossen (met toegankelijkheidsregeling)
Plandoelstelling
/
Streefdoel 2
43
26
Oppervlakte speelzones in bossen en natuurreservaten
Plandoelstelling
/
Streefdoel 2
44
27
Aandeel stedelijke of kleinstedelijke gebieden met een stadsbos of stadsbosproject
Plandoelstelling
15.3
Streefdoel 2
45
28
Overschrijding van de kritische stikstofdepositie in het Natura 2000- areaal
.
/
Streefdoel 2
46
*nummer overeenstemmende indicator in Pact 2020
Natuurindicatoren 2016 <17>
Vlaamse natuurindicatoren
MINA-plan 4
Pact 2020*
EU biodiversiteitsstrategie 2020
Pag. nr.
29
Trend van Zuid-Europese libellensoorten
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 2
47
30
Bladontwikkeling bij eik en beuk
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 2
48
31
Piekmoment van stuifmeelproductie berk en grassen
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 2
49
32
Trend uitheemse soorten in verschillende biotopen
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 5
50
33
Aantal uitheemse plantensoorten
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 5
51
34
Aantal uitheemse en invasieve uitheemse soorten op een signaallijst
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 5
52
35
Aantal rosse stekelstaarten in Vlaanderen
Langetermijndoelstelling
/
Streefdoel 5
53
36
Ontsnippering langs Vlaamse transportwegen
Bijkomend op te volgen
/
Streefdoel 2
54
37
Ontsnippering van planologisch groengebied
Bijkomend op te volgen
15.2
Streefdoel 2
55
38
Oppervlakte extra planologisch groengebied
Langetermijndoelstelling
15.2
Streefdoel 2
56
39
Oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten
Bijkomend op te volgen
/
Streefdoel 2
57
40
Oppervlakte bosbeheerplan
/
/
Streefdoel 3
58
41
Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen
Bijkomend op te volgen
/
Streefdoel 3
59
42
Bezoeken aan natuur- en bosgebieden
/
/
Streefdoel 1
60
43
Ledenaantallen van natuurverenigingen
/
/
Streefdoel 1
61
*nummer overeenstemmende indicator in Pact 2020
Natuurindicatoren 2016 <18>
Europese broedvogelindex 120
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 01) Broedvogelindex (2007=100%) Broedvogelindex (2007=100%)
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
110
100
Pact 2020 15.1
Inzake biodiversiteit kan Vlaanderen in 2020 de vergelijking met de Europese economische topregio’s aan.
MINA-plan 4 Plandoelstelling
In 2015 is de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd: + 10% t.o.v. 2007-2008.
Trend: vogels landbouwgebied: aantallen in 2013-2015 significant lager dan in 2007-2009 vogels bosgebied: geen statistisch significant verschil met 2007 vogels generalisten: lichte toename tussen 2007 en 2012, in 2010 significant meer dan in 2007
Open trend
90
80
70 2007 120
Broedvogelindex (2007=100%)
Broedvogelindex (2007=100%) Broedvogelindex (2007=100%)
110
100
90
80
70 2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
bosgebieden 115
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
110
generalisten doel MINA-plan 4 bos
100
doel MINA-plan 4 landbouw
2015
95
doel MINA-plan4 generalisten
90 85 80
2007 - 2009
2010 - 2012
2013 - 2015
2015
bosgebieden landbouwgebieden
105 110 100
generalisten doel MINA-plan 4 bos
95 100 Trend van 90
de aantallen broedvogels van bosgebieden, landbouwgebieden en diverse leefgebieden in Vlaanderen, jaarlijks (links) en per 8590 (rechts) periode 80
80 2007 - 2009 2010 - 2012 2013 - 2015 70 2007 2008 2009 2010 2011 2012
landbouwgebieden
105
115 120 110
Broedvogelindex (2007=100%) Broedvogelindex (2007=100%) Broedvogelindex (2007=100%)
De index van de algemene broedvogels beschrijft de trend van een selectie van algemene vogelsoorten sinds de start van het Algemene Broedvogels Vlaanderen (ABV)-meetnet in 2007, waarbij het referentiejaar 2007 op 100% werd gezet. Er zijn drie categorieĂŤn: vogels van het landbouwgebied, vogels van het bosgebied en vogels die in diverse leefgebieden broeden, de generalisten. Sedert 2014 wordt de index enkel berekend op de data bekomen via het speciaal ervoor ontworpen ABV-meetnet. Dit betekent dat de besproken trends betrekking hebben op de periode 2007-2015. De generalisten vertonen een lichte toename tussen 2007 en 2012. In 2010 is dit significant meer dan in 2007. Nadien zien we een terugval tot het niveau van 2007. In de periode 2010-2012 liggen de aantallen van deze groep significant hoger dan in de periode 20072009 (Onkelinx 2016). Voor de vogels van het landbouwgebied is er mogelijks een stelselmatige achteruitgang sinds 2007, maar dit is niet significant op jaarbasis. Echter, de aantallen in periode 2013-2015 zijn significant lager dan in de periode 2007-2009. De bosvogels gaan mogelijks geleidelijk achteruit sinds 2007. Momenteel is er evenwel geen statistisch significant verschil met 2007. Het MINA-plan 4 doel voor de bos- en landbouwvogels is niet gehaald, voor de generalisten is het onduidelijk of het doel gehaald is.
Doelbereik *: bos: 0,1%, landbouw: 0.3%, generalisten: 46% Doelverwachting: bos en landbouw: doel niet gehaald generalisten: onduidelijk
doel MINA-plan 4 landbouw doel MINA-plan4 generalisten Bron: INBO
* Kans dat de index gelijk of groter is dan het doel, m.a.w. de kans dat het doel bereikt is.
2015
2013
2014
2015
Natuurindicatoren 2016 <19> 115
Graslandvlinderindex Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 01)
Pact 2020 15.1
Inzake biodiversiteit kan Vlaanderen in 2020 de vergelijking met de Europese economische topregio’s aan.
MINA-plan 4 Plandoelstelling
In 2015 is de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd: + 10% t.o.v. 2004.
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
600
200
Graslandvlinderindex (1991 = 100%)
doel MINA-plan 4
180
160
140
120
100
icarusblauwtje
500
oranjetipje bruin zandoogje kleine vuurvlinder groot dikkopje
400
300
200
100 80
Trend van de aantallen graslandvlinders, geaggregeerd (links) en voor de individuele soorten (rechts) Bron: Vlinderwerkgroep Natuurpunt, INBO
Natuurindicatoren 2016 <20>
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
2015
2013
2011
2009
2007
2005
2003
2001
1999
1997
1995
1993
1991
0
60 1991
De Vlaamse graslandvlinderindex vertoont een wisselend verloop. De samengestelde indicator daalt licht gedurende de eerste 10 jaar van de monitoring maar schommelt sindsdien sterk. Twee soorten dalen beduidend (bruin zandoogje en groot dikkopje), twee soorten blijven stabiel (icarusblauwtje en kleine vuurvlinder) en een soort (oranjetipje) neemt beduidend toe. Voor de overige twee soorten (argusvlinder en hooibeestje) zijn er relatief weinig vlinderroutes. Het hooibeestje lijkt min of meer stabiel te blijven, maar de argusvlinder toont een bijzonder sterke achteruitgang (Van Dyck et al. 2015). Met een doelbereik van 59% is MINA-plan 4 doel niet gehaald.
220
Graslandvlinderindex (1991 = 100%)
In het kader van SEBI 2010-doelstellingen ontwikkelde de Nederlandse Vlinderstichting een Europese index voor graslandvlinders, gebaseerd op zeven wijdverspreide en 10 zeldzame graslandvlinders. In Vlaanderen zijn enkel voldoende gegevens beschikbaar voor 5 wijdverspreide soorten: bruin zandoogje, groot dikkopje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder en oranjetipje. De index geeft de veranderingen tussen jaren aan waarbij het referentiejaar 1992 op 100 werd gezet.
Doelbereik: 59% Doelverwachting: doel niet gehaald
1.400
1.400 Watervogelindex (1991-92 = 100%)
1.200
1.200
500
500
400
400
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van 300 de aangetaste ecosystemen te1.000 herstellen. (SEBI 1.000 01) 300
kolgans
Doelbereik: 72% 0 Doelverwachting: doel niet gehaald
2010-11 2005-06 2011-12 2006-07
2007-08 2002-03 2008-09 2003-04 2009-10 2004-05
2004-05 1999-00 2005-06 2000-01 2006-07 2001-02
2001-02 1996-97 2002-03 1997-98 2003-04 1998-99
1998-99 1993-94 1999-00 1994-95 2000-01 1995-96
2011-12
2013-14 2009-10
2011-12 2007-08
2009-10 2005-06
2007-08 2003-04
2005-06 2001-02
2003-04 1999-00
2001-02 1997-98
1999-00 1995-96
100
MINA-plan 4 doel MINA-plan 4 doel
kolgans 600
smient
smient
krakeend
krakeend
500
wintertaling
wintertaling
1.600
pijlstaart
pijlstaart
slobeend
slobeend 1.400 Watervogelindex (1991-92 = 100%)
tafeleend
tafeleend
wilde eend
1.200 wilde eend 1.000 800 600 400
400
300
200
100
2014-15
Trendkleine vanrietgans de aantallen overwinterende watervogels, geaggregeeerd (links) enMINA-plan voor de4 doel individuele soorten (rechts) kolgans grauwe gans
Met een doelbereik van 72% is het MINA-plan 4 doel niet gehaald.
Bron: Watervogeldatabank INBO
smient krakeend wintertaling
Trend: significante trend, sterker wordende afname
2013-14
2012-13
2010-11
2011-12
2009-10
2007-08
2008-09
2005-06
2006-07
2003-04
2004-05
2002-03
2000-01
2001-02
1998-99
1999-00
1997-98
1995-96
1996-97
1994-95
1992-93
2013-14
2011-12
2009-10
2007-08
2005-06
2003-04
2001-02
1999-00
1997-98
1995-96
0 1993-94
0
1993-94
200
1991-92
Daarnaast worden de trends in Vlaanderen minstens gedeeltelijk bepaald door lokale veranderingen in onder meer waterkwaliteit, menselijke activiteiten en natuurbeheer en -ontwikkeling. Deze factoren kunnen een grote invloed uitoefenen op de draagkracht van gebieden voor watervogels, in hoofdzaak via wijzigingen in het voedselaanbod, zoals recent vastgesteld langs de Zeeschelde. Ook de klimaatsverandering speelt mogelijk een toenemende rol in regionale veranderingen in aantallen en verspreiding.
0
kleine rietgans grauwe gans
grauwe gans
De aantallen watervogels zijn tussen de winter van 19911992 en de winter van 2002-2003 sterk toegenomen. Daarna zette zich een licht dalende trend in. Die is echter niet bij alle soorten gelijklopend en varieert van stabiel tot afname. De trend van watervogels in Vlaanderen is een gecombineerd effect van de ontwikkelingen op Noordwest-Europees niveau en van regionale en lokale factoren. In Noordwest-Europa namen nagenoeg alle ganzen- en eendensoorten tijdens de voorbije 20 tot 30 jaar toe. Een gevolg van enerzijds een betere bescherming van soorten en waterrijke gebieden, en anderzijds een toegenomen voedselaanbod. Na een jarenlange toename is meer recent bij heel wat soorten een afvlakking of kentering van die positieve trend merkbaar.
1993-94
kleine rietgans
Watervogelindex (1991-92 = 100%)
De index van overwinterende watervogels is gebaseerd op het aantalsverloop van de tien belangrijkste soorten ganzen en eenden in Vlaanderen, bepaald op basis van zes midmaandelijkse tellingen per winter.
1997-98 1993-94
0
0
1995-96 1991-92
200
1991-92
200
100
1995-96
In 2015 is de toestand van bedreigde en beschermde soortengroepen verbeterd: + 10% t.o.v. 2005-2006.
400
1996-97 1991-92 1997-98 1992-93
MINA-plan 4 Plandoelstelling
400
1993-94
Inzake biodiversiteit kan Vlaanderen in 2020 de vergelijking met de Europese economische topregio’s aan.
200
1994-95
Pact 2020 15.1
200
1991-92
600
1992-93
600
800
2013-14
800
1991-92
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Watervogelindex (1991-92 = 100%)
Overwinterende watervogels
600
Watervogelindex (1991-92 = 100%)
1.600
Watervogelindex (1991-92 = 100%)
1.600
600
Open trend
pijlstaart slobeend tafeleend wilde eend
Natuurindicatoren 2016 <21>
Rode Lijst van de amfibieën en reptielen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN).
1 2
Van de 22 inheemse amfibieën en reptielen worden tien soorten als ‘in gevaar’ beschouwd: twee soorten zijn ‘Ernstig bedreigd’, vier soorten zijn ‘Bedreigd’ en vier soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Eén soort is ‘Bijna in gevaar’. De resterende negen soorten beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. Eén soort is ‘Uitgestorven in Vlaanderen’. In totaal is de helft van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven (Jooris et al. 2012).
9
1
Hun achteruitgang is voornamelijk te wijten aan een afname van de oppervlakte geschikt leefgebied, met isolering van populaties tot gevolg. Door een sterke reductie in het aantal individuen en door afwezigheid van verbindingselementen, kunnen nauwelijks nieuwe gebieden worden gekoloniseerd. Genetische effecten in deze kleine populaties kunnen dan ook grote gevolgen hebben. Bij de knoflookpad (Ernstig bedreigd)en de kamsalamander (Kwetsbaar) vormt een achteruitgang van de kwaliteit van de voortplantingswateren een belangrijke rol. Een toename van voedingsstoffen in het water en verhoogde vispredatie zijn nadelig voor een succesvolle voortplanting. Gericht beheer van deze wateren kan op korte termijn wel resultaat opleveren, zoals het geval is bij de boomkikker. Voor deze soort heeft het visvrij maken van voortplantingswateren tot een spectaculaire toename van het aantal volwassen individuen geleid, met kolonisatie van nieuwe gebieden tot gevolg.
regionaal uitgestorven ernstig bedreigd
2
4
bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar
9
momenteel niet in gevaar regionaal uitgestorven ernstig bedreigd 4
bedreigd kwetsbaar
4
1
bijna in gevaar momenteel niet in gevaar
Procentuele verdeling van de amfibieën en reptielen in Vlaanderen over de verschillende Rode- Lijstcategorieën, met vermelding van het aantal soorten per categorie 1
4
Bron: Hyla (de amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt), INBO
Natuurindicatoren 2016 <22>
Rode Lijst van de dagvlinders Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). Van de 71 soorten dagvlinders die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen voorkwamen zijn er ondertussen 20 uitgestorven, 18 soorten worden als in gevaar zijn beschouwd: zes soorten zijn ‘Ernstig bedreigd’, vijf soorten zijn ‘Bedreigd’ en zeven soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Voorts zijn er zeven soorten ‘Bijna in gevaar’. De resterende 26 soorten beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. In totaal is 66% van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven (Maes et al. 2012).
20 26 regionaal uitgestorven ernstig bedreigd
In vergelijking met de Rode Lijst uit 1999 zet de negatieve trend zich voor heel wat soorten verder: vier soorten zijn uitgestorven tussen 1994 en 2003 en 12 soorten doen het slechter in vergelijking met de vorige Rode Lijst. Vooral soorten uit heiden (bv. de heivlinder), bloemrijke graslanden (bv. de veldparelmoervlinder) en grote bossen (bv. de rouwmantel) blijven achteruitgaan. Opvallend is ook de sterke achteruitgang van enkele voorheen algemene 26 soorten zoals de argusvlinder en de citroenvlinder. De oorzaken van hun voortdurende achteruitgang zijn vooral vermesting, een afname van het aantal bloemen en de steeds verdergaande versnippering van het Vlaamse landschap. Mogelijke herstelmaatregelen zijn het behoud van grote, goed met elkaar verbonden natuurgebieden. Daarnaast is een natuurbeheer dat rekening houdt met de ecologische eisen van dagvlinders en het verbeteren van de algemene milieukwaliteit ook van belang. Negen soorten doen het beter dan een tiental jaar geleden. Het kaasjeskruiddikkopje heeft zelfs op eigen kracht Vlaanderen gekoloniseerd vanuit het zuiden. Voor deze vrij mobiele soorten is de biotoopkwaliteit lichtjes verbeterd, vooral voor enkele bossoorten. Daarnaast hebben ook de warmere jaren recent gezorgd voor een vooruitgang van enkele warmteminnende soorten zoals de kleine parelmoervlinder en het bruin blauwtje.
bedreigd
20
kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar 6
regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd
5
7 7
kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar
6 Procentuele verdeling van de dagvlinders in Vlaanderen over de verschillende Rode- Lijstcategorieën, met vermelding van het aantal soorten per categorie 5
7
Bron: Vlinderwerkgroep Natuurpunt, INBO
7 Natuurindicatoren 2016 <23>
Rode Lijst van de lieveheersbeestjes Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). De Rode Lijst werd enkel opgemaakt voor de grotere, vlot herkenbare soorten uit de subfamilies echte lieveheersbeestjes, breedkoplieveheersbeestjes en bladetende lieveheersbeestjes. Ze vergelijkt de periode 1990-2005 met de periode 2006-2013. Exoten, zoals het Aziatisch lieveheersbeestje, worden niet gescoord met de IUCN methodiek.
0 3
Van de 36 soorten lieveheersbeestjes die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen werden waargenomen zijn er ondertussen twee uitgestorven. Drie soorten zijn ‘Bedreigd’ en zes soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Zeven soorten zijn ‘Bijna in gevaar’. De resterende 15 soorten beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. Voor drie soorten is onvoldoende informatie beschikbaar over hun status in Vlaanderen. In totaal is 31% van alle soorten bedreigd en/of uitgestorven (Adriaens et al. 2015). Het aandeel Rode-Lijstsoorten bij de lieveheersbeestjes is vergelijkbaar met andere terrestrische insectengroepen (Adriaens et al. 2015). Aangezien dit de eerste Rode Lijst voor lieveheersbeestjes betreft, kan nog geen trend besproken worden. Vaak hebben zeldzame soorten lieveheersbeestjes specifieke habitatvereisten (bv. droge heide, schraalgraslanden en moerassen met een specifiek microklimaat) of een gespecialiseerde levenswijze (bv. myrmecofilie). Tot de belangrijkste bedreigingen behoren habitatverlies, verlies aan habitatkwaliteit en exoten. Bepaalde soorten hebben een aangepast natuurbeheer nodig. Veel soorten lieveheersbeestjes zijn echter ook gebaat bij eenvoudige natuurvriendelijke maatregelen zoals ecologisch groenbeer van parken, tuinen en openbaar groen (Adriaens et al. 2014). 15
2
3
3
2
0
regionaal uitgestorven
3
ernstig bedreigd 6
bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar regionaal uitgestorven
15
onvoldoende ernstig bedreigd gekend
6
bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar
7
momenteel niet in gevaar onvoldoende gekend
Procentuele verdeling van de lieveheersbeestjes in Vlaanderen over de verschillende RodeLijstcategorieën, met vermelding van het aantal soorten per categorie Bron: Lieveheersbeestjeswerkgroep, Natuurpunt Studie (waarnemingen.be), INBO
7
Natuurindicatoren 2016 <24>
Rode Lijst van de waterwantsen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). De nieuwe Rode Lijst van water- en oppervlaktewantsen vergelijkt de periode 1989-1999 met de periode 2000-2011.
6
Van de 62 soorten water- en oppervlaktewantsen die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen werden waargenomen zijn er ondertussen zes uitgestorven. Twee soorten zijn ‘Ernstig bedreigd’, vijf soorten zijn ‘Bedreigd’ en zeven soorten zijn ‘Kwetsbaar’. Drie soorten zijn bijna in gevaar. De resterende 38 soorten beschouwen we als momenteel niet in gevaar. Eén soort werd enkel als zwerver waargenomen. De nieuwe Rode Lijst toont dat in totaal 32% van alle soorten bedreigd en/of uitgestorven is (Lock et al. 2013), wat de gevoeligheid van watervegetaties voor diverse milieudrukken bevestigt. De oude Rode Lijst (Bonte et al. 2001) werd opgemaakt met een verschillende methodiek dan de nieuwe, die de IUCN richtlijnen voor regionale Rode Lijsten volgt. Desondanks zijn beide lijsten erg gelijkaardig en is er vergeleken met de vorige Rode Lijst niet veel evolutie in het aantal bedreigde soorten. Het opvallendste verschil zijn 3 soorten van stromend water die erop vooruit gingen door een verbeterde waterkwaliteit (Lock et al. 2013): rivierbodemwants ging van ‘Ernstig bedreigd’ naar ‘Bijna in gevaar’, gewone beekloper van ‘Kwetsbaar’ naar ‘Momenteel niet in gevaar’ en beekschaatsenrijder van ‘Ernstig bedreigd’ naar ‘Momenteel niet in gevaar’. Een aantal soorten heeft echter nog steeds een bedreigingsstatus of is zeldzaam. Vensoorten, zoals het zwart bootsmannetje en het veenzwemmertje, alsook soorten van zoetwatermeren met weelderige vegetatie, bospoelen en wantsen gebonden aan licht brakke wateren, verdienen extra aandacht.
38
2
5
6
regionaal uitgestorven ernstig bedreigd
2
bedreigd
5
7
kwetsbaar bijna in gevaar
regionaal uitgestorven
momenteel niet in gevaar
38
ernstig bedreigd 3
7
bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar momenteel niet in gevaar
Procentuele verdeling van de waterwantsen in Vlaanderen over de verschillende Rode3 Lijstcategorieën, met vermelding van het aantal soorten per categorie Bron: VMM, KBIN, INBO, Natuurpunt
Natuurindicatoren 2016 <25>
Rode Lijst van de zoetwatervissen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN). Van de 42 geëvalueerde zoetwatervissen en prikken worden drie soorten als ‘Regionaal uitgestorven’ beschouwd terwijl zeven ‘Ernstig bedreigd’, drie ‘Bedreigd’ en acht ‘Kwetsbaar’ zijn. Daarnaast worden vijf soorten beoordeeld als ‘Bijna in gevaar’, 15 soorten als ‘Momenteel niet in gevaar’ en één soort komt terecht in de categorie ‘Onvoldoende data’. In totaal wordt 62% van de zoetwatervissen in Vlaanderen als bedreigd of uitgestorven beschouwd (Verreycken et al. 2012; 2013). Recent verbeterde rioolwaterzuivering heeft geleid tot de verbetering van de waterkwaliteit van het Schelde-estuarium waardoor enkele diadrome soorten zoals fint en zeeprik opnieuw in Vlaanderen voorkomen. Aldus verdwijnen ze uit de categorie ‘Regionaal uitgestorven’. Door enkele herintroductieprogramma’s doen serpeling en kopvoorn het opmerkelijk goed terwijl kwabaal hierdoor uit de categorie ‘Regionaal uitgestorven’ kon worden gehaald. Een opvallende achteruitgang kent de paling die in de categorie ‘Ernstig bedreigd’ komt ondanks de jaarlijkse bepotingen met glasaal.
1
3
7 15
3
regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar bijna in gevaar
5
8
momenteel niet in gevaar onvoldoende data
Procentuele verdeling van de zoetwatervissen in Vlaanderen over de verschillende Rode- Lijstcategorieën, met vermelding van het aantal soorten per categorie Bron: INBO, Natuurpunt vzw, ANB
Natuurindicatoren 2016 <26>
Rode Lijst van de zoogdieren Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Rode Lijsten geven aan hoe groot de kans is dat een soort zal uitsterven in Vlaanderen. Dit gebeurt op basis van objectieve en internationaal aanvaarde criteria van de International Union for Conservation of Nature (IUCN).
5
Van de 66 soorten zoogdieren die sinds het begin van de vorige eeuw in Vlaanderen voorkwamen zijn er ondertussen vijf uitgestorven en zijn er 25 in gevaar, waarvan zes ‘Ernstig bedreigd’, acht ‘Bedreigd’ en 11 ‘Kwetsbaar’. Daarnaast zijn er 12 soorten (18%) ‘Bijna in gevaar’. De resterende 19 soorten (29%) beschouwen we als ‘Momenteel niet in gevaar’. Van vijf soorten zijn er onvoldoende data beschikbaar (8%). In totaal is 45% van alle soorten in gevaar en/of uitgestorven (Maes et al. 2014). Enkele soorten, zoals boommarter, otter, wilde kat en das, vertonen recentelijk een comeback, maar hun populatietoestand is actueel nog precair. Het voorkomen van hazelmuis en hamster is geografisch beperkt; deze laatste staat op de rand van verdwijning. Veel andere soorten vertonen een sluipende en vaak onverklaarde achteruitgang, zoals bunzing, eikelmuis en ruim de helft van alle vleermuissoorten.
6 19
regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar
5 8
bijna in gevaar momenteel niet in gevaar
6 19
regionaal uitgestorven ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar 11
12
8
bijna in gevaar momenteel niet in gevaar
Procentuele verdeling van de zoogdieren in Vlaanderen over de verschillende Rode- Lijstcategorieën, met vermelding van het aantal soorten per categorie Bron:Natuurpunt, Vleermuizenwerkgroep, Kerkuilenwerkgroep, Likona, en INBO
12
11 Natuurindicatoren 2016 <27>
Status van soorten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
51
Doelbereik: n.v.t. Lijstsoorten Rode Doelverwachting: n.v.t. 2.101 soorten
183
155
De status van soorten wordt bepaald aan de hand van de internationaal aanvaarde categorieën van de ‘International Union for the Conservation of Nature’ (IUCN). Om een vergelijking met de vorige versie van deze indicator mogelijk te maken, beschouwen we de soorten die tot de categorieën ‘Ernstig bedreigd’, ‘Bedreigd’ en ‘Kwetsbaar’ behoren als Rode-Lijstsoorten sensu stricto.
51 51
183
Rode Lijstsoorten 2.101141soorten Rode Lijstsoorten 155
Volgens het Vlaamse Soortenbesluit (1/09/2009) moeten de Rode Lijsten opgesteld of gevalideerd worden door het INBO. Momenteel zijn er gevalideerde Rode Lijsten beschikbaar voor amfibieën, broedvogels, dagvlinders, hogere planten, libellen, lieveheersbeestjes, loopkevers, reptielen, sprinkhanen, vliegend hert, waterwantsen, zoetwatervissen en zoogdieren. Voor de spinnen, mieren, slankpootvliegen en dansvliegen zijn niet gevalideerde Rode Lijsten beschikbaar. Omdat er onvoldoende en betrouwbare data beschikbaar zijn, kunnen deze niet gevalideerd worden. Van de 2.101 soorten op de gevalideerde Rode Lijsten zijn er 146 in de loop van de voorbije eeuw uit Vlaanderen verdwenen. Van de overige geëvalueerde 1.955 soorten zijn ongeveer één op vier ‘Ernstig bedreigd’, ‘Bedreigd’ of ‘Kwetsbaar’. Deze soorten zijn over de onderzoeksperiode (verschillend volgens soortengroepen) sterk achteruitgegaan en/of hebben een kritisch niveau bereikt waardoor de soort op het punt staat te verdwijnen. Het verdwijnen of 996 achteruitgaan van soorten is een gevolg van de achteruitgang van de oppervlakte geschikt habitat en van de dalende habitatkwaliteit. Ook soorten uit het landbouwgebied komen steeds meer op de Rode Lijst terecht.
183
2.101 soorten
155
996 141 141 429
996
ernstig bedreigd bedreigd 429
kwetsbaar bijna in gevaar
429 Status van alle in Vlaanderen onderzochte soortengroepen
momenteel niet in gevaar onvoldoende data ernstig bedreigd bedreigd kwetsbaar
Bron: INBO
bijna in gevaar momenteel niet in gevaar ernstig bedreigd Natuurindicatoren 2016 <28> onvoldoende data
bedreigd
Toestand en trend van ecosysteemdiensten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Plandoelstelling
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Deze indicator geeft de toestand en trend van 16 ecosysteemdiensten in Vlaanderen weer.
* Regulerende ecosysteemdiensten verwijzen naar processen zoals waterzuivering, de regulatie van het klimaat of bestuiving.
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
h
Aanbod
>
h
wildbraadproductie
h
>
h
houtproductie
h
>>
h
productie van energiegewassen
h
>>
h
waterproductie
h
>
h
bestuiving
h
<
i
plaagbeheersing
h
>>
h
i
>
i
behoud van bodemvruchtbaarheid regulatie luchtkwaliteit regulatie geluidsoverlast regulatie erosierisico regulatie overstromingsrisico
i
>>
h
h
>
h
>
h
h
>>
kustbescherming
h
>
h h
h
>>
h
h
>>
h
>
h h
regulatie globaal klimaat regulatie waterkwaliteit groene ruimte voor buitenactiviteiten
Aanbod/vraag ondergaat:
h stijging h lichte stijging h
De vraag naar verschillende diensten neemt ook verder toe en is niet langer in evenwicht met het natuurlijke lokale aanbod. Voor sommige ecosysteemdiensten wordt dit aanbodtekort aangevuld door import (bv. hout, drinkwater), voor andere diensten (bv. waterzuivering, luchtzuivering, regulatie van overstromingsrisico of groene ruimte) blijft een deel van de maatschappelijke vraag onvervuld. Die onvervulde vraag neemt dan vaak de vorm aan van milieuhinder, economische schade of gezondheidskosten. Het aanbodtekort wordt voor sommige ecosysteemdiensten ook door technologische oplossingen opgevangen zoals bv. waterzuiveringsstations.
voedselproductie
Verhouding
h
Doordat voor zowat alle diensten de vraag het aanbod (ruimschoots) overstijgt, worden de meeste ecosysteemdiensten in Vlaanderen intensief gebruikt of benut, ook de regulerende na diensten. Zo is bijvoorbeeld de vraag naar nabij groen groter dan het aanbod. Ongeveer één op vijf Vlamingen beschikt niet over een groene ruimte op wandelafstand. Daarnaast is ongeveer 55% van de oppervlakte in Vlaanderen landschappelijk minder aantrekkelijk voor recreatie en beleving. Deze ruimte is minder aantrekkelijk omwille van bebouwing, geluidshinder of omdat natuur- en/of cultuurelementen ontbreken. Het behouden van bestaande groene ruimtes, het verbeteren van toegankelijkheid en het gericht creëren van groene infrastructuur kan hoge socio-economische baten genereren, vooral in stedelijke context waar die ruimte schaars is (Simoens et al. 2014).
Vraag
geen uitgesproken trend
h lichte daling h
Het natuurrapport uit 2014 onderzocht onder meer de toestand van 16 ecosysteemdiensten (Stevens et al. 2014 ). De toestand van een ecosysteemdienst wordt bepaald door de verhouding tussen aanbod en vraag, door de evoluties in die verhouding en door de impact van het gebruik van de ecosysteemdienst op het aanbod van andere ecosysteemdiensten. Voor vijftien van de 16 ecosysteemdiensten is de vraag steeds groter dan het aanbod, waarbij voor zeven ecosysteemdiensten de vraag zelfs veel groter is dan het aanbod. De trend van het aanbod van en de vraag naar de 16 ecosysteemdiensten is variabel. Zowel vraag als aanbod vertonen (licht) stijgende of dalende trends afhankelijk van de ecosysteemdienst. De vraag is wel vaker stijgend (13 ESD) dan het aanbod (7 ESD) (Jacobs et al. 2014).
daling
Vraag is:
>> veel groter dan aanbod > groter dan aanbod < kleiner dan aanbod << veel kleiner dan aanbod
Toestand en trend van 16 ecosysteemdiensten in Vlaanderen Bron: INBO
Natuurindicatoren 2016 <29>
Aantal soortbeschermingsplannen en -programma's
Soortbeschermingsplannen
soortb
soortb
doel M
20
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meet15 bare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt. 10
In het natuurbeleids- of MINA-plan kunnen deelplannen worden opgenomen voor het behoud van de soorten waarin de doelstelling en de maatregelen inzake de bescherming van levende organismen worden vastgelegd. In 25 die deelplannen kunnen soortenbeschermingsplannen worden opgenomen. Aantal soortbeschermingsplannen en -programma's
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
doel MINA-plan 4
soortbe
soortbe
doel MI
20
15
10
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2000
1999
1998
1997
1996
2015 1994
1995
2014 1993
0
2013
5 2012
2011
25
1992
* Een soortenbeschermingsprogramma wordt in overleg met de betrokken doelgroepen opgesteld en omvat een aantal maatregelen om ervoor te zorgen dat een soort (of meerdere soorten) binnen Vlaanderen in een gunstige staat verkeert. Het wordt door de minister vastgesteld en heeft een looptijd van 5 jaar.
2010
Aantal soortbeschermingsplannen en -programma's
soortbeschermingsplan
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1999
soortbeschermingsprogramma
15 voor de volgende soorten of soortengroepen: Tot eind 2015 zijn er 18 soortbeschermingsplannen opgesteld vroedmeesterpad, adder, das, boomkikker, grote pimpernel, vleermuizen, gentiaanblauwtje, hamster, hazelmuis, nachtzwaluw, bruine vuurvlinder, waterrietzanger, knoflookpad, vuursalamander, argusvlinder, bruine eikenpage, heivlinder en kleine rietgans. Sedert 2011 bieden soortbeschermingsprogramma’s (*) een vervolg op de soortbe10 schermingsplannen. Het Agentschap voor Natuur en Bos kan deze programma’s opmaken voor Vlaamse prioritaire en Europees beschermde soorten. Eind 2015 zijn er vijf soortbeschermingsprogamma’s vastgesteld (Antwerpse haven, bever, grauwe kiekendief, hamster en kwartelkoning). Negen soortbeschermingsprogramma’s zijn in opmaak en voor drie programma’s is het goedkeuringsproces lopende. Daarnaast stellen ook bepaalde provincies, 5 gemeenten en erkende natuurverenigingen plannen op voor de bescherming van soorten. Het aantal initiatieven om soorten via een plan te beschermen is in de praktijk daardoor hoger dan wat deze indicator weergeeft. Met een doelbereik van 82% is de MINA-plan 4 doelstelling niet gehaald. 1992
Doelbereik: 82% Doelverwachting: onduidelijk
30
Deze indicator betreft enkel soortbeschermingsplannen die zijn opgesteld op vraag van, of in samenwerking met het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). Het doel van de soortbeschermingsplannen is de achteruitgang van 20 deze soorten te stoppen, de gunstige staat van instandhouding van levensvatbare populaties te verzekeren of het herstel van (de populaties van) bedreigde soorten te bevorderen. De prioriteit gaat daarbij naar soorten van internationaal belang.
0
1998
Deze indicator geeft de evolutie van het aantal soortbeschermingsplannen weer.
1997
30
1996
0
1995
5 Voor soorten van internationaal belang worden soortenbeschermingsplannen opgemaakt: + 10 t.o.v. 2010.
1994
MINA-plan 4 Plandoelstelling
1993
/
1992
Pact 2020
2001
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
25
Evolutie van het aantal soortbeschermingsplannen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <30>
Gesaneerde vismigratieknelpunten (prioriteitsklasse 1 van de strategische prioriteitenkaart) Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 14)
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Plandoelstelling
Het aandeel gesaneerde prioritaire vismigratieknelpunten neemt toe: 90% in 2015.
Doelbereik: 41% Doelverwachting: doel is niet gehaald opgeloste knelpunten doel MINA-plan 4 en fase 1 KRW doel fase 2 KRW
De indicator toont het aantal opgeloste migratieknelpunten op de waterlopen van de strategische prioriteringskaart vismigratie. De BENELUX-beschikking vismigratie stelt dat 90% van de hindernissen van eerste prioriteit op deze prioriteringskaart voor 31 december 2015 weggewerkt moeten worden (fase 1 – MINA-plan 4 indicator 1) en de hindernissen van tweede prioriteit voor 31 december 2021 (fase 2 – MINA-plan 4 indicator 2).
60
Het MINA-plan 4 doel en Fase 1 van de BENELUX-beschikking werden bijgevolg niet gehaald. Indien het huidige saneringstempo wordt aangehouden zullen de geïnventariseerde vismigratieknelpunten op de prioritaire waterlopen van fase 2 waarschijnlijk pas na 2021 gesaneerd worden. De belangrijkste obstakels zijn de beschikbare budgetten, personeelscapaciteit en maatschappelijke hinderpalen.
Aantal opgeloste knelpunten
Het netwerk van waterlopen van eerste prioriteit is ongeveer 800 km lang. Hierop bevinden zich 51 vismigratieknelpunten, waarvan er 46 (90%) voor 31 december 2015 moeten weggewerkt zijn. Deze 46 knelpunten omvatten de 35 prioritaire migratieknelpunten van het palingbeheerplan. Op 31 december 2015 waren in totaal 19 van de 46 (41%) knelpunten van fase 1 gesaneerd. Van de 35 meest prioritaire knelpunten van het palingbeheerplan zijn er 11 (31%) gesaneerd. Eind 2015 moesten dus nog 24 knelpunten van het palingbeheerplan en drie andere knelpunten op waterlopen van eerste prioriteit opgelost worden.
60
50
40
Aantal opgeloste knelpunten
doel MINA-plan 4 en fase 1 KRW
Omdat de vismigratieknelpunten op een belangrijk deel van de waterlopen van tweede prioriteit nog niet geïnventariseerd zijn, kan de tweede indicator (fase 2) voorlopig niet berekend worden. Het totale aantal knelpunten is veranderlijk omdat een knelpunt soms van nature verdwijnt of bij verder onderzoek geen knelpunt blijkt te zijn.
opgeloste knelpunten
30
doel fase 2 KRW
50
40
30
20
10
20
0 2001
2003
2005
2007
2009
2011
2013
2015
2017
2019
2021
10
Aantal gesaneerde vismigratieknelpunten (prioriteitsklasse 1) Trend: significante toename
Open trend
0 2001
2003
2005
2007
2009
2011
2013
2015
2017 2019 2021 Bron: http://vismigratie.vmm.be/vismigratie
Natuurindicatoren 2016 <31>
Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020 15.2
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: soorten van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.
Deze indicator beschrijft de staat van instandhouding van de soorten van de Habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal soorten die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat dikwijls om soorten van specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die soorten wordt geëvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria: de populaties van de soort, het areaal of verspreidingsgebied, de habitat en de toekomstverwachtingen. Eind 2013 bevond meer dan de helft van de soorten (34 op 59) zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast hadden nog tien soorten (16%) een matige staat van instandhouding en was van zes soorten (10%) de toestand U2 +; 10 onbekend. Slechts negen soorten (15%), waarvan drie amfibieën (bastaardkikker, Europese meerkikker, bruine kikker), één vis (bittervoorn) en vijf vleermuizen (laatvlieger, baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis), bevonden zich in een goede staat van instandhouding. In vergelijking met 2007 verbeterde van 14 soorten de staat van instandhouding, maar tegelijk verslechterde de toestand van 17 soorten in Vlaanderen (Louette et al. 2013). Een volgende beoordeling van de staat van instandhouding gebeurt in 2019.
XX; 6 U2 =; 3
XX; 6
FV; 9
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
FV; 9
U2 =; 3 U1 x; 2
U1 x; 2
U1 +; 4
U1 +; 4
U2 +; 10
U1 =; 4
U2 x; 4
U2 x; 4
U1 =; 4
gunstig (FV) gunstig (FV) matig ongunstig matig (U1) ongunstig (U1) zeer ongunstig zeer (U2) ongunstig (U2)
U2 -; 17
U2 -; 17
ongekend (XX) ongekend (XX)
Beoordeling van de staat van instandhouding van de soorten (partim niet vogels) van Europees belang (2013). Per categorie geven we het aantal soorten weer dat verbetert (+), gelijk blijft (=), verslechtert (-) of waarvan de trend niet bekend is (x) Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Bron: INBO
Natuurindicatoren 2016 <32>
Staat van instandhouding van de habitattypes van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020 15.2
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: habitats van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Deze indicator beschrijft de staat van instandhouding van de habitattypes van de Habitatrichtlijn. FV; 5
De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal habitattypes die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat hier meestal om zeer specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die habitattypes wordt geëvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria: het areaal of verspreidingsgebied, de oppervlakte, de kwaliteit en de toekomstverwachtingen. Eind 2013 bevond meer dan drie kwart van de habitattypes (38 op 47) zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast waren er nog vier habitattypes (9%) in een matig ongunstige staat: een kustduinhabitat, een waterhabitat, een graslandhabitat en een veen- en moerashabitat. Slechts vijf habitattypes (11%) bevonden zich in een gunstige staat van instandhouding: een zilt habitat (bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten), een kustduinhabitat (duinen met duindoorn), een waterhabitat (kranswierwateren), een graslandhabitat (rotsbodemgrasland), en het grothabitat (niet voor publiek opengestelde grotten). Ondanks het overgrote deel aan habitattypes die in een zeer ongunstige staat van instandhouding verkeerden, kenden zeven ervan toch een lichte verbetering ten opzichte van 2007 (Louette et al. 2013). Een volgende beoordeling van de staat van instandhouding gebeurt in 2019.
U1=; 4
FV; 5
U2=; 31
U2=; 31
gunstig (FV) U1=; 4
U2+; 7
matig ongunstig (U1) zeer ongunstig (U2)
gunstig (FV) U2+; 7
matig ongunstig (U1) zeer ongunstig (U2)
Beoordeling van de habitattypes van de Habitatrichtlijn per staat van instandhouding. Per categorie geven we het aantal habitattypes weer dat verbetert (+), gelijk blijft (=), verslechtert (-) of waarvan de trend niet bekend is (x)
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Bron: INBO
Natuurindicatoren 2016 <33>
Status van broedvogels van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020 15.2
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: soorten van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.
De indicator toont voor de periode 2007-2012 het gemiddelde percentage in de afstand van de broedpopulatie (aantal broedparen of territoria) tot de gestelde gewestelijke doelpopulatie binnen de instandhoudingsdoelstellingen van de broedvogels van Europees belang* (distance to target).
100 50 0 -50 -100 -150 grote stern kwartelkoning kwak steltkluut strandplevier ooievaar porseleinhoen roerdomp grauwe klauwier woudaapje dwergstern lepelaar kluut zwartkopmeeuw bruine kiekendief visdief kleine zilverreiger middelste bonte specht slechtvalk kleine mantelmeeuw
* soorten van de Bijlage 1 van de Vogelrichtlijn én soorten waarvan in minstens één broedgebied de internationale 1%-norm wordt overschreden
150 % ten opzichte van doel
De populatiedoelen werden bereikt voor kleine mantelmeeuw, middelste bonte specht en slechtvalk. De twee laatste bleven sinds 2007 in aantal toenemen (Anselin et al. 2013). Eind 2012 is voor zes soorten de populatie nog tot 50% verwijderd van het doel, variërend van 13% bij kleine zilverreiger tot 45% bij lepelaar. Bij kleine zilverreiger, zwartkopmeeuw en visdief werd het doel een of twee keer bereikt in de onderzochte periode. Voor de andere 11 soorten blijft de afstand nog zeer groot, tussen 50-100% van het doel. Voor de meeste van deze soorten is hun populatie nog op een zodanig laag peil dat er zeer drastische maatregelen nodig zijn om tot een herstel te komen. Naast het behoud van hun leefgebieden kunnen grootschalige natuurontwikkeling en natuurherstel helpen om deze negatieve trend te keren, maar zeker voor soorten met grote homeranges is een algemene verbetering van de wijdere omgeving rond hun broedgebied noodzakelijk. Het verhogen van de algemene kwaliteit van (kleinschalige) landbouwlandschappen is hierbij belangrijk.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Evolutie “distance to target” van de broedvogels van Europees belang 2007-2012 Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Bron: Monitoringsproject Bijzondere Broedvogels, INBO, KBIN (Slechtvalk).
Natuurindicatoren 2016 <34>
Status van watervogels van Europees belang Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020 15.2
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren.
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Vlaanderen scoort – ook voor leefmilieu – evengoed als vergelijkbare regio’s: soorten van Europees belang in een gunstige staat van instandhouding.
150
100
% ten opzichte van doel
Eind 2013 werden de populatiedoelen bereikt voor alle vier de ganzensoorten, kleine zwaan, wulp en grote zilverreiger (Anselin et al. 2013). Bij smient, krakeend en kuifeend is de afstand tot de doelstellingen relatief klein (minder dan 10%). Voor negen soorten is die afstand aanzienlijk groter, variërend van 34% bij slobeend tot 74% bij goudplevier. Het gaat meestal om soorten die de voorbije tien winters een significante afname vertoonden in Vlaanderen. Die afname kan bij bepaalde soorten (bv. kemphaan) gedeeltelijk toegeschreven worden aan grootschalige verschuivingen binnen het Europese winterareaal. Bij de meeste soorten is er evenwel een duidelijk verband met ecologische veranderingen in waterrijke gebieden binnen Vlaanderen, zoals in het Zeeschelde-estuarium. Om de populatiedoelen te halen, kan in een groot aantal gebieden de draagkracht voor watervogels verhoogd worden via inrichtings- en beheermaatregelen (bv. vernatting en beperken van verstoring).
Bron: Meetnet/databank watervogeltellingen Vlaanderen INBO
De indicator toont voor 19 soorten watervogels van Europees belang (= die in Vlaanderen in Europees belangrijke aantallen voorkomen), de procentuele afstand van de gemiddelde Vlaamse winterpopulatie over de laatste vijf winters tot de gestelde gewestelijke doelpopulatie binnen de instandhoudingsdoelstellingen van de soort (distance to target).
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
50
0
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
rietgans
grote zilverreiger
kolgans
wulp
kleine zwaan
kleine Rietgans
grauwe gans
krakeend
kuifeend
smient
slobeend
steenloper
bergeend
kluut
pijlstaart
wintertaling
tafeleend
kemphaan
-100
goudplevier
-50
Evolutie “distance to target” watervogels van Europees belang 2008-2013
Natuurindicatoren 2016 <35>
Oppervlakte Natura 2000-gebied De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelin180000 gen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt. (SEBI 01)
Pact 2020
/
160000
MINA-plan 4
/
140000
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
120000 100000
Deze indicator toont de evolutie van de oppervlakte Natura 2000-gebied.
180000
De Vogel- en Habitatrichtlijn hebben tot doel een aantal soorten 80000 en habitattypes van Europees belang te beschermen. Om dat te helpen realiseren, werd het Europese Natura 2000-netwerk afgebakend. Het omvat momenteel ongeveer 26.000 Speciale Beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden60000 en Habitatrichtlijngebieden) en bestrijkt 18% van de landoppervlakte van de EU.
In 2013 is de oppervlakte Natura 2000 met ca.133 ha toegenomen door de uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied ‘Uiterwaarden langs de Limburgse Maas en Vijverbroek’. Er is geen verdere uitbreiding van het Natura 2000-netwerk in Vlaanderen in het vooruitzicht gesteld. Voor de definitieve aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden opteerde de Vlaamse overheid ervoor om per gebied een apart aanwijzingsbesluit goed te keuren, waarin meteen ook de instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied (S-IHD) worden opgenomen.
120000
2014
2012
2010
2008
2006
2004
2002
80000
2000
100000
1996
1994
140000
Oppervlakte (ha)
1992
1990
1988
In Vlaanderen werden 24 Vogelrichtlijngebieden aangewezen met een geza40000 menlijke oppervlakte van 98.243 ha of 7,3% van de landoppervlakte. Er werden 38 Habitatrichtlijngebieden vastgesteld met een gezamenlijke oppervlakte van 20000oppervlakte 105.022 ha of 7,8% van de Vlaamse landoppervlakte. De totale Natura 2000 bedraagt daarmee 166.322 ha of 12,3% van de Vlaamse landoppervlakte. De mariene gebieden zijn daar niet bij inbegrepen. Zij 0 behoren tot de bevoegdheid van de Belgische federale overheid. In 2008 was er een uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied nadat op vraag van de Europese Commissie, de vaargeul van het IJzer- en het Schelde-estuarium mee werd afgebakend.
160000
1998
Oppervlakte (ha)
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
60000
Vogelrichtlijngebied
40000
Habitatrichtlijngebied Natura 2000
20000
2014
2012
2010
2008
2006
2004
2002
2000
1998
1996
1994
1992
1990
1988
0
Oppervlakte Vogelrichtlijngebied, Habitatrichtlijngebied en Natura 2000-gebied in Vlaanderen Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Bron: ANB, INBO
Natuurindicatoren 2016 <36>
Voge
Habi
50 45
Aantal S-IHD rapporten definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering
Pact 2020 15.2
Aantal S - IHD rapporten
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
40 35
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meet30 bare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelin25 gen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt. 20
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen 15 van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. 10
MINA-plan 4 Plandoelstelling
De instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden zijn vastgesteld en het grootste deel van de maatregelen zijn in uitvoering. Alle aanwijzingsbesluiten zijn definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering.
Doelbereik: 88% 5 Doelverwachting: onduidelijk (geen 0 trendberekening) 2011
2012
2013
Deze indicator geeft de evolutie van de goedkeuring van de S-IHD rapporten weer. De implementatie van het Europese natuurbeleid verloopt in de verschillende lidstaten momenteel De implementatie van het Europese natuurbeleid verloopt in de verschillende lidstaten momenteel op kruissnelheid. Zo heeft Vlaanderen de doelstellingen uit de Habitatrichtlijn in grote mate vertaald naar zijn eigen wetgeving. Er werden gebieden, zogenaamde speciale beschermingszones (SBZ), afgebakend met als doel de gunstige staat van instandhouding (GSVI) van de daarin aanwezige habitattypes en soorten te realiseren. Voor de Habitatrichtlijn resulteerde dit in 38 SBZ-H, voor de Vogelrichtlijn in 24 SBZ-V. Onderling is er geregeld (sterke) overlap.
Eind 2015 zijn er van de 41 op te stellen S-IHD rapporten 36 (88%) definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Met een doelbereik van 88% is de MINA-plan 4 doelstelling niet gerealiseerd.
2de principiële goedkeuring definitieve goedkeuring
40
doel MINA- plan 4
Aantal S IHD rapporten
35
-
Vlaanderen heeft ervoor gekozen om de noodzakelijke maatregelen voor het behalen van deze GSVI eerst op regionaal niveau te definiëren. In een tweede fase, die nu ten einde loopt, worden voor elk van deze SBZ gebiedseigen instandhoudingsdoelen (S-IHD) opgesteld. Hierbij wordt bij de uitvoering op het terrein rekening gehouden met sociaaleconomische aspecten. Deze S-IHD rapporten resulteerden in aanwijzingsbesluiten die een bindend karakter hebben. In een eerste trein werden de S-IHD bepaald voor alle SBZ-H en de SBZ-V die een sterke overlapping vertonen. Een aantal SBZH werden in één rapport samen behandeld net als sommige SBZ-H en SBZ-V, waardoor het totale aantal rapporten lager is dan het totale aantal SBZ-H en SBZ-V samen. 36 S-IHD rapporten, waarin alle 38 SBZ-H behandeld worden, zijn definitief goedgekeurd. Halfweg 2016 zijn drie nieuwe S-IHD rapporten voor SBZ-V voor de eerste keer principieel goedgekeurd. Van de overige twee gebieden zijn er rapporten in diverse fasen van opmaak, waarbij gestreefd wordt om het rapport voor SBZ-V IJzervallei eind 2016 voor de eerste maal principieel goed te keuren. In heel wat SBZ zijn al meerdere jaren IHD-gerichte maatregelen in uitvoering.
1ste principiële goedkeuring
45
2 de princip goedkeuring
30
definitieve goedkeuring
25 20
doel MINA-p
15 10 5 0
2011
2012
2013
2014
2015
Overzicht van het aantal goedgekeurde S-IHD rapporten ste 1
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
1 ste princip goedkeuring
principiële goedkeuring
2de principiële goedkeuring
Bron: ANB, natuurverenigingen, INBO
definitieve goedkeuring doel MINA- plan 4
Natuurindicatoren 2016 <37>
Oppervlakte met effectief natuurbeheer (planperiode: MINA-plan 4) Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020 15.2 & 15.3
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. Zowel de beboste oppervlakte als de kwaliteit ervan nemen aanzienlijk toe en minstens de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart.
MINA-plan 4 Plandoelstelling
In 2015 is meer kwaliteitsvolle natuur 80.000onder effectief natuurbeheer gerealiseerd: 70.000 ha.
Volgens MINA-plan 4 omvat deze indicator de Vlaamse natuur- en bosreservaten, de erkende natuur- en bosreservaten, de militaire domeinen met70.000 een natuurprotocol, de domeinbossen en bossen in eigendom van derden met een goedgekeurd beheerplan conform de criteria duurzaam bosbeheer en parken in eigendom van de Vlaamse overheid of van derden met een goed60.000 gekeurd beheerplan conform principes harmonisch park- en groenbeheer.
30.000
Elk gebied opgenomen in deze indicator beschikt over een goedgekeurd beheerplan. De mate waarin het beheer er gericht is op het behalen van natuurdoelen kan echter sterk verschillen. In sommige gebieden met goedgekeurd beheerplan kan de natuurfunctie neven- of ondergeschikt zijn 20.000 aan de economische of de sociale functie. Voor meer info hierover verwijzen we naar een INBO advies over dit onderwerp (INBO.A.2011.14). Sinds 2013 hanteert het Agentschap voor Natuur en Bos een categorie die niet in de 10.000 definitie van deze indicator opgenomen is. Het gaat om natuurdomeinen met een goedgekeurd beheerplan, maar die nog niet het statuut van Vlaams natuurreservaat hebben. Met die oppervlakte erbij komt de totale oppervlakte met effectief natuurbeheer op 81.598 ha. 0
80.000
parken van derden met goedgekeurd beheerplan* parken in eigendom Vlaamse bossen in eigendom van derdenoverheid met met goedgekeurd beheerplan* beheerplan**
60.000
parken van derden met goedgekeurd domeinbossen met uitgebreid beheerplan* bosbeheerplan** bossen in eigendom van derden met
50.000
militair domein met natuurbeheer beheerplan** bosreservaat domeinbossen met uitgebreid bosbeheerplan**
erkend natuurreservaat
40.000
militair domein met natuurbeheer
Vlaams natuurreservaat bosreservaat
doel MINA-plan 4
erkend natuurreservaat
30.000
* conformVlaams principesnatuurreservaat harmonisch park- en groenbeheer ** conform criteria duurzaam bosbeheer doel MINA-plan 4 * conform principes harmonisch park- en groenbeheer ** conform criteria duurzaam bosbeheer
20.000
10.000
2011 0
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
parken in eigendom Vlaamse overheid met goedgekeurd beheerplan*
70.000
Oppervlakte (ha)
Oppervlakte (ha)
In 2015 bedroeg de oppervlakte ‘met effectief natuurbeheer’ 79.521 ha. Dat is een toename met 16.192 ha t.o.v. het begin van de planperiode50.000 in 2011. De plandoelstelling van 70.000 ha is daarmee behaald. De oppervlakte nam in 2015 het meest toe bij de bossen in eigendom van derden met een goedgekeurd beheerplan (+ 2.094 ha), de domeinbossen met een goedgekeurd beheerplan conform de criteria duurzaam bosbeheer (+691 40.000 ha) en de erkende natuurreservaten (+ 446 ha). In beperktere mate namen ook de oppervlakte bosreservaat (+ 52 ha) en de oppervlakte parken van derden met goedgekeurd beheerplan (+ 32 ha) toe.
Doelbereik: 100% Doelverwachting: doel is gehaald (geen trendberekening)
2012 2011
2013 2012
2014 2013
Oppervlakte met effectief natuurbeheer
2015 2014
2015
Bron: ANB, natuurverenigingen, INBO
Natuurindicatoren 2016 <38>
Verwerving van natuurgebieden door erkende terreinbeherende verenigingen en door het Vlaamse Gewest Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen
Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.
De indicator toont de evolutie van zowel de aankopen (in ha) voor natuur en bos door de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest als de middelen van het Vlaams Gewest waarmee die aankopen verricht werden (in 1000 ₏).
De focus van het natuurbeleid vandaag ligt op de realisatie van de Europese natuurdoelen. Hierbij zet de overheid in op het ondersteunen van iedereen die daarvoor een engagement wil aangaan. Dit wordt als complementair en deels als alternatief voor de verwerving van terreinen aanzien.
Trend: oppervlakte Vlaamse overheid, oppervlakte terreinbeherende verenigingen aankoopsubsidies: significante trend, top bereikt, afname ingezet sinds 2004 eigen uitgaven Vlaamse overheid: significante afname
Open trend
30.000 oppervlakte Vlaamse overheid 25.000
20.000 1.500 15.000 1.000
oppervlakte terreinbeherende verenigingen Uitgaven (1000 ₏ )
2.000
eigen uitgaven Vlaamse overheid uitgaven Vlaamse overheid onder de vorm van aankoopsubsidies
10.000
500
0
5.000
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
In 2015 kochten de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest samen 927 hectare aan. Dat is 523 ha of 36% minder dan de oppervlakte die tijdens de vorige regeerperiode (medio 2009 - medio 2014) gemiddeld werd verworven op jaarbasis. Hoewel de aankopen door het Vlaams Gewest in 2015 als gevolg van uitzonderlijke besparingen lager lagen dan ooit, kent de verwerving van terreinen door de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest al jaren een dalende trend. De belangrijkste redenen voor die daling zijn de afname van de beschikbare middelen en de stijging van de grondprijzen voor natuur- en bosgebieden, waardoor er met de beschikbare middelen steeds minder aangekocht kan worden.
2.500
Oppervlakte (ha)
Volgens MINA-plan 4 is de verwerving van gronden door het Vlaamse Gewest en de terreinbeherende verenigingen een strategisch belangrijk instrument. De aankoop van terreinen door de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest zorgt er immers voor dat natuur ook effectief de hoofdfunctie wordt op die terreinen. Van alle gebieden met de hoofdfunctie natuur hebben de natuur- en bosgebieden in eigendom van de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest doorgaans een hogere natuurwaarde.
Doelbereik: n.v.t Doelverwachting: n.v.t.
0
Evolutie van de aankopen voor natuur en bos door de erkende terreinbeherende verenigingen en het Vlaams Gewest en de middelen van het Vlaams Gewest waarmee die aankopen verricht werden Bron:ANB
Natuurindicatoren 2016 <39>
160000 140000 120000
Oppervlakte (ha)
Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en Natuurverwevingsgebied (NVWG) 100000
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. 80000
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Plandoelstelling (VEN) Bijkomend op te volgen (NVWG)
VEN: Totale oppervlakte VEN afgebakend: 125.000 NVWG: Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.
60000 40000
Om de versnippering van natuurgebieden tegen te gaan en tot grotere en beter verbonden leefgebieden voor planten en dieren te komen, voorzien het Natuurdecreet, de opeenvolgende MINA-plannen en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) de afbakening van een Vlaamse Natuurlijke Structuur. Deze wordt gevormd door de combinatie van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) en het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk (IVON). Dit IVON bestaat uit natuurverwevingsgebied (NVWG) en natuurverbindingsgebied (NVBG).
Trend: VEN significante toename NVWG: significante toename
Open trend
oppervlakte Natuurdoel VEN in verwevingsgebied
Natuurdecreet
doel VEN in doel NVWG in Natuurdecreet
120.000
Natuurdecreet
doel NVWG in oorspronkelijk doel VEN Natuurdecreet in RSV
100.000
oorspronkelijk doel doel in herziene RSV VEN in RSV doel in herziene doel MINA-plan 4 RSV
80.000
doel MINA- plan 4
60.000
40.000
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
0
2004
20.000
Oppervlakte afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk en Natuurverwevingsgebied
Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <40>
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
oppervlakte NVWG
140.000
2003
Ongeveer 13 jaar na het verstrijken van de einddatum in het Natuurdecreet en het MINA-plan 2, en zeven jaar na het streefjaar in het RSV, is 74% van h ​ et VEN (ca. 92.000 ha) en 3% (of 6% volgens het herziene RSV) van het NVWG (ca. 5. 000 ha) afgebakend. De plandoelstelling voor het VEN is niet gehaald en met een toename van ca. 1.100 ha en met een doelbereik van 6% (herziene RSV) voor het NVWG, is er weinig vooruitgang geboekt binnen de planperiode.
afgebakend afgebakend Vlaams VEN Ecologisch Netwerk
2002
Het Natuurdecreet bepaalt ook dat er 150.000 ha (11% van Vlaanderen) natuurverwevingsgebied afgebakend moet worden. In de tweede herziening van het RSV (bekrachtigd begin 2011) is 80.000 ha NVWG voorzien. Voor het NVWG stelt het MINA-plan 4 dat er binnen de planperiode naar een gunstige trend wordt gestreefd. Er is dus geen plandoelstelling geformuleerd. Verder kan er een onbepaalde oppervlakte natuurverbindingsgebied afgebakend worden.
160.000
Oppervlakte (ha)
In het MINA-plan 4 (2011-2015) werd de doelstelling voor het VEN verlegd naar 2015. De einddatum uit het Natuurdecreet is voortaan een streefdatum. Er diende 125.000 ha (9,2% van de Vlaamse landoppervlakte) VEN afgebakend zijn tegen 2015.
2003
2002
Doelbereik VEN: 74% 20000 Doelbereik NVWG: n.v.t. Doelverwachting VEN: doel is niet gehaald Doelverwachting NVWG: 0 n.v.t.
Oppervlakte bos volgens de Boswijzer Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020 15.3
Zowel de beboste oppervlakte als de kwaliteit ervan nemen aanzienlijk toe en minstens de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden 200.000 heeft er een opgestart: toename tegen 2020 t.o.v. de nulmeting (= data 2010). beschikt in 2020 over een stadsbos of
MINA-plan 4 Plandoelstelling
180.000 en de kwaliteit ervan aanzienlijk toe. ToeTegen 2020 nemen de beboste oppervlakte name (2020) t.o.v. nulmeting (= data 2010).
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: onduidelijk (geen trendberekening)
160.000
De indicator ‘Oppervlakte bos volgens de Boswijzer’ is een meting van de bosoppervlakte op grondgebied Vlaanderen op basis van een instrument 140.000 dat gebruik maakt van hoge resolutie digitale luchtfoto's, de Boswijzer. Aan de hand van vastgestelde criteria worden deze foto’ s geanalyseerd. 120.000 De Boswijzer geeft de bedekking van bomengroepen, wat resulteert in een hogere oppervlakte dan wat volgens het Bosdecreet als bos wordt beschouwd. Anderzijds geeft de Boswijzer terreinen zonder bomen, bij- 100.000 voorbeeld een tijdelijke open plek in het bos na een kapping voorzien in het bosbeheerplan, niet als bos weer, terwijl deze oppervlakte volgens het 80.000 Bosdecreet nog steeds bos is. Op basis van de laatste meting (2013) bedraagt de oppervlakte 185.686 ha (betrouwbaarheidsgrenzen -14.163 ha en +1.803 ha, Van der Linden et 60.000 al. 2013). Omdat het verschil met de eerste meting (8.362 ha) (= nulmeting in 2010) van de Boswijzer zich binnen dit betrouwbaarheidsinterval bevindt, is het niet mogelijk om een uitspraak de te doen over de recente 40.000 trend en dus na te gaan of de beboste oppervlakte al dan niet toeneemt t.o.v. de nulmeting. 20.000 0
oppervlakte bos volgens Boswijzer
200.000 180.000
Oppervlakte bos volgens Boswijzer (ha)
Oppervlakte bos volgens Boswijzer (ha)
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
160.000 140.000 oppervlakte bos volgens Boswijzer
120.000 100.000 80.000 60.000
2010
2013
40.000 20.000
0
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
2010
Oppervlakte bos in Vlaanderen volgens de Boswijzer
2013 Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <41>
Aandeel beschadigde bosbomen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t Doelverwachting: n.v.t.
80
60 In 1985 startte de geïntegreerde monitoring van de gezondheidstoestand van bossen op Europese schaal. Een van de criteria voor het bepalen van de gezondheid van bosbomen is de bladbezetting. Bomen met meer dan 25% blad- of naaldverlies worden als beschadigd beschouwd. Deze indicator geeft aan welk aandeel van de bomen beschadigd is. De aanwezigheid40van veel beschadigde bomen is een indicatie van een weinig evenwichtig bosecosysteem of met andere woorden een beperkte boskwaliteit.
100
Vlaanderen Europa 80
Tot 1995 was er een toename van het percentage beschadigde bosbomen in de Vlaamse bosvitaliteitsinventaris. Tussen 2000 en 2008 was er een verbetering 20 van de toestand, maar na 2008 nam het aandeel beschadigde bomen weer geleidelijk toe. In 2013 werd er een afname van het percentage beschadigde bomen genoteerd, gevolgd door een lichte toename in 2014 en 2015.
2014
2015
2008
2009
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2001 1994
2004
2000 1993
2003
1999 1992
2002
1998 1991
40
1997
Europa
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
0
1996
20
1995
De verminderende atmosferische deposities en de toenemende aandacht voor duurzaam bosbeheer zijn factoren die tot een verbetering van de bosgezondheid kunnen leiden. De toenemende verandering van het klimaat daarentegen kan de bosgezondheid aantasten.
Vlaanderen
1990
Een veelheid aan factoren beïnvloedt de bosgezondheid, waaronder atmosferische deposities, klimaatwijziging, bosbeheer en natuurlijke factoren (insecten, schimmels...). De variabiliteit van het bladverlies bij beuk heeft met de mastjaren (= jaren met hoge zaadproductie) te maken. Doorgaans gaat dit met een verminderde bladbezetting gepaard.
60
1994
1993
1992
1991
1990
In 2015 was 21,5% van de bosbomen in Vlaanderen beschadigd. De zomereik 0 en de Corsicaanse den waren de meest beschadigde boomsoorten in 2015. Er is ook een groep ‘overige loofboomsoorten’ met een hoog aandeel beschadigde bomen.
1995 Aandeel Beschadigde bosbomen (%) 1996
Aandeel Beschadigde bosbomen (%)
100
Percentage beschadigde bomen in de bosvitaliteitsinventaris (2015: 71 proefvlakken, 1611 bomen) Trend: periode 1995-2008: daling, vanaf 2009 terug stijging Open trend
Bron: INBO vitaliteitsmeetnet
Natuurindicatoren 2016 <42>
Oppervlakteaandeel toegankelijke bossen en natuurreservaten met toegankelijkheidsregeling Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Plandoelstelling
Het aandeel toegankelijke bossen en natuurreservaten in Vlaanderen verhoogt: 60% in 2015.
Doelbereik: 28% Doelverwachting: doel is niet gehaald
140.000
Deze indicator geeft de evolutie weer van de oppervlakte van toegankelijke bossen en van natuurreservaten met toegankelijkheidsregeling in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering (5/12/2008).
oppervlakte (ha) bossen en natuurgebieden met toegankelijkheidsregeling
120.000
MINA- plan 4 doel
80.000
oppervlakte (ha) bossen en natuurgebieden met toegankelijkheidsregeling
100.000 Oppervlakte (ha)
De oppervlakte toegankelijke bossen en natuurreservaten is in 2013 meer dan verdubbeld ten opzichte van 2012 en ging van 7.074 ha naar 15.486 ha. In 2014 en 2015 kwam daar nog eens 17.860 ha bij. De totale oppervlakte steeg zo tot 33.347 ha. Hiermee is 28% van de plandoelstelling (MINA-plan 4) gehaald. Er is dus een duidelijke toename, maar de doelstelling is in 2015 niet gehaald. Dit heeft onder andere te maken met het vaak lange inspraaktraject dat nodig is bij de opmaak en de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling.
140.000
100.000 Oppervlakte (ha)
Naast een kwaliteitsvol en duurzaam beheer van natuur- en bosgebieden, wil de Vlaamse overheid aandacht besteden aan de bereikbaarheid en de toegankelijkheid ervan. In zowel het Bos- als het Natuurdecreet staat de principiële toegankelijkheid ingeschreven. Dat betekent dat alle bossen en natuurreservaten voor voetgangers toegankelijk zijn op de wegen. Privé-boseigenaars kunnen dit principe steeds omkeren en hun bossen onvoorwaardelijk afsluiten. Beheerders van bossen en natuurreservaten kunnen deze principiële toegankelijkheid uitbreiden via de toegankelijkheidsregeling. Via dit instrument kunnen andere gebruikers dan voetgangers, bijvoorbeeld ruiters, toegelaten worden of kunnen bepaalde zones als speel- of bivakzone worden aangeduid.
120.000
60.000
MINA- plan 4 doel
80.000
40.000
60.000
20.000
40.000 0
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
20.000
0
Trend: significante exponentiële toename
Open trend
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
Evolutie van de oppervlakte van toegankelijke bossen en natuurreservaten met toegankelijkheidsregeling
Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <43>
Oppervlakte speelzones in bossen en natuurreservaten 4.000
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. 3.500 3.000
/
MINA-plan 4 Plandoelstelling
+ 45% (1.000 ha) t.o.v. 2009 ( = 3.362 ha).
Deze indicator geeft de evolutie weer van de oppervlakte speelzones in bossen en natuurreservaten. Speelzones zijn zones in bossen (privé en openbaar) en natuurreservaten (Erkende en Vlaamse) waar zonder voorafgaande toestemming van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en de eigenaar kan gespeeld worden. In 2015 zijn er in totaal ± 2.300 ha bos en natuurreservaat aangeduid als speelzone. Het merendeel van de speelzones is in bosgebied gelegen. Sinds de wijziging aan het Natuurdecreet in 2006 kunnen ook speelzones in natuurreservaten worden aangeduid. Eind 2015 bedroeg de oppervlakte speelzone in natuurreservaten 36 ha. Sinds de zomer van 2013 worden ook zomerspeelzones aangeduid. Dit zijn speelzones die uitsluitend tijdens de zomermaanden juli en augustus bespeelbaar zijn en die vooral gebruikt worden door de ca. 150.000 kinderen en jongeren die tijdens de zomermaanden op kamp trekken met de jeugdbeweging. Een groot deel van de zomerspeelzones liggen dan ook in de onmiddellijke buurt van de kamphuizen. Met een doelbereik van 69% (ca. 2300 ha) is de MINA-plan 4 plandoelstelling niet gerealiseerd.
2.500
Doelbereik: 69% Doelverwachting: kleine kans dat doel gehaald wordt
2.000
1.500 4.000 speelzones in Vlaanderen
1.000
doel MINA-plan 4
3.500 500 3.000 0 Oppervlakte (ha)
Oppervlakte (ha)
Pact 2020
2007 2.500
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2.000
1.500
speelzones in Vlaanderen
1.000
doel MINA-plan 4 500
0 2007
Trend: significante trend, top bereikt afname ingezet
Open trend
2008
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
Evolutie van de totale oppervlakte speelzones in Vlaanderen Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <44>
Aandeel stedelijke of kleinstedelijke gebieden met een stadsbos of stadsbosproject Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020 15.3
Zowel de beboste oppervlakte als de kwaliteit ervan nemen aanzienlijk toe en minstens de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart: de helft van de stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikt in 2020 over een stadsbos of heeft er een opgestart.
MINA-plan 4 Plandoelstelling
Meer stedelijke of kleinstedelijke gebieden beschikken over een stadsbos of zijn ermee gestart: 40% in 2015.
De provincies Oost- en West- Vlaanderen scoren het hoogst wat het aantal stadbosprojecten betreft, respectievelijk 15 en 14 projecten. De provincie Limburg scoort met één stadbosproject voor de tien aanwezige stedelijke of kleinstedelijke gebieden het laagst, maar in deze provincie is al heel wat bos aanwezig. De nood aan stadsbosprojecten in Limburg is daardoor kleiner.
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Doelbereik: 100% Doelverwachting: doel is gehaald
60
50 Aandeel stedelijke gebieden met een stadsbouwproject of stadsbos (%)
Vlaanderen is een van de dichtst bebouwde regio’s ter wereld. Ongeveer 21% van de bevolking in Vlaanderen beschikt niet over een groene ruimte op wandelafstand voor dagelijks gebruik (Simoens et al. 2014). Om de leefbaarheid van de steden in Vlaanderen te verhogen, wil de Vlaamse overheid onder meer zorgen voor meer toegankelijke stadbossen nabij stedelijke gebieden. Op basis van een aantal criteria opgesteld door het Agentschap van Natuur en Bos, wordt een bos al dan niet als stadsbos beschouwd. Zo wordt onder meer rekening gehouden met de oppervlakte, de toegankelijkheid, de bereikbaarheid met fiets en/of openbaar vervoer, de aanwezigheid van recreatieve functies en de aanwezigheid van een onthaalpunt. Bij voorkeur heeft een stadsbos op het gewestplan/ruimtelijk uitvoeringsplan een groene bestemming. Sedert 2010 neemt het aantal stedelijke gebieden met een stadsbos of een opgestart stadsbosproject toe. Tussen 2012 en 2015 zijn geen nieuwe projecten meer opgestart. In 2015 heeft 62% van de 56 groot- en kleinstedelijke gebieden een stadsbosproject opgestart. Hiermee is de MINA-plan 4 plandoelstelling van 40% ruim gehaald.
Aandeel stedelijke gebieden met een stadsbouwproject of stadsbos (%)
Deze indicator geeft de evolutie van het aandeel stadbos of stadbosprojecten binnen de stedelijke of kleinstedelijke gebieden weer.
70
40
30
20
10
0
70 % aandeel stedelijke gebieden met een stadsbosproject of stadbos
60
doel MINA-plan 4
50
% aandeel stedelijke gebieden met een stadsbosproject of stadbos
40
doel MINA-plan 4
30
20
2010
2011
2012
2013
2014
2015
10
0
2010
2011
2012
2013
2014
2015
Evolutie van het aandeel stadsbos of stadsbosprojecten binnen de stedelijke of kleinstedelijke gebieden
Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <45>
Overschrijding van de kritische stikstofdepositie in het Natura 2000- areaal Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen. (SEBI 09)
Pact 2020
/
MINA-plan 4
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
100%
percentage habitatoppervlakte met overschrijding KDW (%)
90%
percentage habitatoppervlakte met overschrijding KDW (%)
Een teveel van stikstof is een bedreiging voor een goede staat van instandhouding. Om na te gaan of er een verhoogd risico bestaat op verminderde habitatkwaliteit door de verzurende en vermestende impact van stikstof, wordt per habitat(sub)type een kritische depositiewaarde (KDW) gehanteerd. Wanneer de atmosferische stikstofdepositie hoger is dan de KWD van de habitat, bestaat er een duidelijk risico op een significant effect op de habitatkwaliteit. In deze indicator wordt nagegaan in welke percentage van het Natura 2000-areaal een overschrijding van de kritische stikstofdepositie plaatsvindt. Deposities van stikstof worden per kilometerhok gemodelleerd met het depositiemodel VLOPS16, waarbij vertrokken werd van emissie – meteorologische gegevens van het jaar 2013 (bron: VMM). In 2013 bedraagt de gemiddelde stikstofdepositie in Vlaanderen 24 kg ha-1 (in 2010-2012: 26 kg N ha-1). Sinds 1990 is de depositie met ca. 20 kg N ha-1 afgenomen. De daling van de stikstofdeposities heeft geleid tot een reductie van de habitatoppervlakte waar de kritische last overschreden wordt. In 2013 wordt nog voor 51% van het areaal (± 71.200 ha) een overschrijding vastgesteld. In 1990 bedroeg dit aandeel 90%. In de mariene habitats (kusthabitats en halofytenvegetaties) vindt in 2013 nagenoeg geen overschrijding van de KDW meer plaats. In graslanden wordt de KDW van stikstof in ongeveer 30% van de habitatoppervlakte overschreden. In kust-en landduinen en loofbossen wordt een overschrijding van de KDW vastgesteld in ± 60% van het areaal. In de zoetwater habitats wordt de KDW in 73% van het totale habitatoppervlakte overschreden. In heiden en veengebieden wordt de kritische last nog altijd in meer dan 90% van de gezamelijke habitatoppervlakte overschreden. De recente substantiële daling in gemodelleerde stikstofdepositie heeft geleid tot een navenante daling in de overschreden oppervlakte van bepaalde habitatgroepen (kust-en landduinen, loofbossen, graslanden). De (relatief hoge) KDW van minder vermestingsgevoelige habitats (zoals bv. alluviale bossen) wordt er minder overschreden. Omdat deze indicator op een andere wijze berekend is dan de MIRA indicator ‘Oppervlakte natuur met overschrijding kritische last vermesting’, kunnen beide indicatoren niet onderling vergeleken worden.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20%
10%
heiden/venen heiden/venen loofbossen loofbossen zoetwaterhabitats zoetwaterhabitats kust- en landduinen kust- en landduinen (half)natuurlijke (half)natuurlijke graslanden graslanden mariene habitats mariene habitats
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20%
10%
0% 0% 1990 1990
1995
1995
2000
2000
2005
2005
2010
2010
Procentueel aandeel habitatoppervlakte binnen Natura 2000-areaal met overschrijding van de KDW voor stikstof Bron: INBO, VMM
Natuurindicatoren 2016 <46>
Trend van Zuid-Europese libellensoorten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: impact op natuur als gevolg van klimaatwijziging.
Deze indicator toont de trend van het aantal vindplaatsen van Zuid-Europese libel700 sinds 1980. lensoorten en het aantal waargenomen soorten in Vlaanderen
10 700
Er zijn steeds meer aanwijzingen dat klimaatverandering een impact heeft op de biodiversiteit in Vlaanderen. Dit uit zich zowel in temporele veranderingen, bijvoorbeeld fenologie (bloeiperiode, aankomst van trekvogels, vliegtijd…), als in ruimte600 lijke verschuivingen.
8
zwervende zwervende heidelibel heidelibel
7
zuidelijke oeverlibel oeverlibel zuidelijke
600
8 500
zuidelijke
keizerlibel
7 6 300
5 200
4
100
5
3
0
2
4 3 2 1 0
Aantal soorten
6
400
Aantal soorten
Nooit eerder werd deze groep libellen op zo veel locaties in Vlaanderen waargenomen als in 2015. Soorten als de vuurlibel en de gaffelwaterjuffer waren voor 1980 enkel bekend als zwerver, maar hebben hier nu al verschillende jaren talrijke goede 200een influx van de populaties (De Knijf et al. 2006, 2010). Begin juni 2015 werd zwervende heidelibel vastgesteld in grote delen van Noordwest-Europa, waaronder ook Vlaanderen. Ook de zuidelijke keizerlibel nam fors toe in 2015, waardoor ze plaatselijk als een vrij algemene soort beschouwd kan worden. 100
9
zwervende zwervende pantserjuffer pantserjuffer
zuidelijke zuidelijke keizerlibel heidelibel
zuidelijke zuidelijke glazenmaker heidelibel zadellibel
zuidelijke vuurlibel glazenmaker
gaffelwaterjuffer
zadellibel aantal
zuiderse soorten vuurlibel
gaffelwaterjuffer aantal zuiderse soorten
1985 1987 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
Aantal locaties
Uit de figuur blijkt dat zowel het aantal vindplaatsen voor400 elk van deze soorten als het aantal Zuid-Europese soorten toenam sinds 1980. Een eerste toename dateert van 1994, gevolgd door een tweede sterke stijging vanaf 2006. Ondanks jaarlijkse schommelingen, meestal te wijten aan ongunstige weersomstandigheden tijdens de vliegtijd, is deze trend duidelijk en significant. 300
10
9
Aantal locaties
Zo breiden verschillende Zuid-Europese libellensoorten zich uit naar het noorden. Populaties van deze soorten waren tot 1980 onbekend in Noordwest-Europa. Met 500 deze indicator volgen we de evolutie van het aantal vindplaatsen van Mediterrane libellensoorten in Vlaanderen sinds 1980, en het totaal aantal waargenomen ZuidEuropese libellensoorten.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
1 Evolutie van het aantal locaties per soort (staafdiagram) voor negen zuiderse libellensoorten en evolutie van het totaal aantal van deze zuiderse libellensoorten (puntenlijn) 0
Open trend
0 Bron: Libellenvereniging Vlaanderen vzw, en de gemeenschappelijke databank van Natuurpunt Studie vzw en de Libellenvereniging Vlaanderen vzw die verzameld werden via www.waarnemingen.be
1985 1987 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
Trend: aantal locaties per soort: significante toename aantal soorten: significante toename
Natuurindicatoren 2016 <47>
Bladontwikkeling bij eik en beuk Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: impact op natuur als gevolg van klimaatwijziging
Door de grote jaarlijkse schommelingen in voorjaarstemperatuur is een vervroeging of verlenging van het groeiseizoen, die in literatuur ( Van der Aa et al.(2015). vermeld wordt, nog niet zichtbaar in deze tijdsreeks.
Open trend
20
15
10
15
0
2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
20
5
15
10
begin b
begin bladontplooiing eik en beuk blad volledig ontplooid eik en beuk
5
0
begin bladontplooiing eik en beuk
10
blad volledig ontplooid eik en beuk
5 Evolutie van de bladontwikkeling bij eik (rechts) en beuk (links) 0
Bron: INBO
2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
Trend: begin bladontplooiing eik: geen significante afname blad volledig ontplooid eik: geen significante toename begin bladontplooiing beuk: geen significante afname blad volledig ontplooid beuk: geen significante afname
20
25
Weeknummer in het jaar
Het beeld voor beuk is vrij gelijkaardig, maar de bladontwikkeling gebeurt sneller. Ook bij beuk begon bladontwikkeling het vroegst in 2007 en was het laatst ontwikkeld in 2013. De verschillen zijn echter kleiner dan bij eik. Een verlenging van het groeiseizoen lijkt op het eerste gezicht positief, maar het is onduidelijk wat dit betekent voor de boomvitaliteit. Vele organismen hebben hun levenswijze afgestemd op het huidige groeiritme. Wijzigende boomfenologie kan bijdragen tot het al dan niet voorkomen van insectenplagen of ziekten.
25
2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
Weeknummer in het jaar
Klimaatverandering heeft een impact op de biodiversiteit. Dit uit zich o.a. in temporele veranderingen. De fenologie kan dergelijke veranderingen in beeld brengen. Het uitlopen van zowel eik als beuk verloopt vroeger in warme jaren (bv. 2007) dan in koude (bv. 2013). Bladontwikkeling bij eik begint half april. Dit gebeurde in de periode 2003 - 2015 nagenoeg op hetzelfde moment, maar in 2007 (warm voorjaar) was dat 10 dagen vroeger. In jaren met een kouder voorjaar, zoals 2006 en 2013, was dit eind april tot begin mei.
25
Weeknummer in het jaar
Deze indicator bespreekt de evolutie van het begin en het einde van de bladontplooiing van eik en beuk. Sinds 2002 maakt het INBO fenologische opnames in Meerdaalwoud en ZoniĂŤnwoud. Voor deze indicator wordt de evolutie van de datum waarop de bomen beginnen in blad te komen en deze waarop ze volledig in blad staan, onderzocht.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Natuurindicatoren 2016 <48>
blad vo
Piekmoment van stuifmeelproductie bij berk en grassen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: impact op natuur als gevolg van klimaatwijziging.
Deze indicator toont de evolutie van het piekmoment van de stuifmeelproductie van berk en diverse grassoorten.
29 april
8 juli
19 april 14 april 9 april 4 april
29 april
28 juni
24 april
Datum stuifmeelpiek berk
24 april
Datum stuifmeelpiek grassen
18 juni
8 juni
29 mei
9 april
2014
2012
2010
2008
2006
2004
2002
2000
1998
1996
1994
1990
1992
1988
1986
1984
1982
30 maart
1974 1976 1978 1980 1982 1984 1986 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014
jaarlijkse piek
Evolutie van de jaarlijkse stuifmeelpiek en van de vijfjaarlijks gemiddelde stuifmeelpiek van berk (links) en van grassen (rechts
Open trend
14 april
1980
1978
1976
19 mei
vijfjaarlijks gemiddelde
Trend: significante toename (berk + grassen) bij grassen randgeval
19 april
4 april 30 maart
1974
Ook uit de trend van het vijfjaarlijkse gemiddelde van de grassoorten, blijkt er een duidelijke vervroeging te zijn over de jaren heen. Terwijl de piek in de periode 1975-1985 rond acht juni viel, lag die in de periode 1995-2015 ongeveer een week vroeger.
4 mei
1974 1976 1978 1980 1982 1984 1986 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014
Uit de trend van het vijfjaarlijkse gemiddelde van de berk, blijkt er een duidelijke vervroeging te zijn opgetreden over de jaren heen. Voor deze boomsoort lag de piek in de periode 1975-1985 rond 21 april, terwijl die in de periode 1995-2015 meer dan een week vroeger viel. De laatste tien jaar zijn de schommelingen beperkter.
4 mei
Datum stuifmeelpiek berk
Sinds 1974 meet het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid in Elsene de concentratie stuifmeel van berk en diverse grassen in de lucht. De datum waarop de stuifmeelconcentratie de hoogste waarde bereikt (= piekmoment), kan tussen jaren sterk schommelen.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
jaarlijkse piek vijfjaarlijks gemiddelde
Bron: Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid
Natuurindicatoren 2016 <49>
Trend uitheemse soorten in verschillende biotopen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5
Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen. (SEBI 10)
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.
80
Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds meer soorten planten en dieren in- en uitgevoerd. Sommige uitheemse soorten worden na verloop van tijd invasief en kunnen daarmee de inheemse biodiversiteit verstoren. Hoewel de introductie van uitheemse soorten in sommige gevallen kansen met zich meebrengt en de lokale soortendiversiteit verhoogt, kunnen andere soorten invasief worden en het ecologisch functioneren van een ecosysteem aantasten.
20 0 80 60
Aantal uitheemse soorten
40 20 0 80 60
terrestrisch
40 20 0 80 60
zoetwater
Sinds 1 januari 2015 is de nieuwe Europese verordening 1143/2014 inzake de preventie en het beheer van invasieve uitheemse soorten van kracht. Dit juridisch instrument beoogt een brede aanpak van invasieve uitheemse soorten om de inheemse biodiversiteit en ecosysteemdiensten te beschermen (Genovesi et al. 2014; Tollington et al 2015). Deze verordening legt Vlaanderen nieuwe regels op voor preventie van nieuwe introducties, surveillance van voor de EU zorgwekkende soorten en het beheer van gevestigde invasieve exoten.
40
marien
Omdat de laatste jaren het aantal uitheemse planten- en diersoorten in de natuur in Vlaanderen sterk toenam, vergroot de kans op bijkomende problemen met invasieve soorten. De kosten voor bestrijding van sommige invasieve soorten (bv. Japanse duizendknoop, Amerikaanse waternavel, parelvederkruid, grote Canadese gans, stierkikker) lopen nu al hoog op.
estuarien
Het cumulatief aantal uitheemse soorten nam sinds 1800 steeds toe en vertoont een exponentiĂŤle groei. De snelste toename doet zich voor in zoetwater en marien ecosystemen. Ook kustgebieden en estuaria zoals het Schelde-estuarium, waar havens, scheepvaart en transport van bijzonder belang zijn, zijn gevoelig voor biologische invasies en ontsnappen niet aan deze trend.
60
Bron: Alien Species Checklist op basis van data INBO, VLIZ en Plantentuin Meise
Deze indicator toont de evolutie van het aantal uitheemse soorten in verschillende biotopen.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
40 20 0 1800
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
1850
1900
1950
2000
Trend in het aantal uitheemse soorten in verschillende biotopen
Natuurindicatoren 2016 <50>
Aantal uitheemse plantensoorten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5
Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen. (SEBI 10)
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.
Deze indicator toont de evolutie van het aantal uitheemse plantensoorten.
Het aandeel uitheemse plantensoorten binnen de globale plantensamenstelling is sinds de jaren 70 verdubbeld van ongeveer 5% tot bijna 10% en neemt in de periode 1972-2015 significant toe. De toename van internationaal transport zorgt voor een permanente aanvoer van nieuwe plantensoorten. Een deel daarvan slaagt erin zich te vestigen en breidt zich spontaan uit.
12
10 Aandeel utiheemse soorten per km2 (%)
Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds meer soorten planten en dieren in- en uitgevoerd. Sommige uitheemse soorten worden na verloop van tijd invasief en kunnen daarmee de inheemse biodiversiteit verstoren. Hoewel de introductie van uitheemse soorten in sommige gevallen kansen met zich meebrengt en de lokale soortendiversiteit verhoogt, kunnen andere soorten invasief worden en het ecologisch functioneren van een ecosysteem aantasten.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
8
6
4
0
1972 1973 1974 1975 1976 1977 1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
2
Aantal uitheemse diersoorten Trend: significante toename
Open trend
Bron: Florabank (een initiatief van Flo.Wer, INBO en Agentschap Plantentuin Meise)
Natuurindicatoren 2016 <51>
Aantal uitheemse en invasieve uitheemse soorten op een internationale signaallijst Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5
Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Biologische invasies door exotische soorten worden internationaal als een belangrijke bedreiging voor de biodiversiteit beschouwd. De Conventie Biologische Diversiteit wil tegen 2020 invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht hebben en prioritaire soorten onder controle krijgen. De indicator geeft een beeld van de aanwezigheid van voor de biodiversiteit problematische uitheemse soorten in Vlaanderen en het aandeel hiervan dat zich invasief gedraagt in de natuur.
vaatplanten
De selectie van probleemsoorten gebeurde op basis van een internativaatplanten onale signaallijst van problematische soorten die als beleidsinstrument ontwikkeld werd in het kader van Europeeszoogdieren beleid. Het gaat om soorten die, indien ze invasief worden, een ernstige impact hebben op de strucmollusken tuur of het functioneren van ecosystemen, of die een bedreiging vormen voor inheemse soorten. Bijkomend kunnen zeinsecten ook een negatieve impact hebben op maatschappelijk belangen (volksgezondheid, vissen landbouw, economie). kreeftachtige In Vlaanderen komen minstens 89 uitheemse soorten voor die op deze vogels signaallijst staan. Minstens 41 daarvan gedragen zich ook echt invasief in de natuur. De meeste daarvan zijn planten (16 soorten), vissen (vijf amfibieĂŤn en reptielen soorten), zoogdieren (vier soorten), kreeftachtigen (vier soorten) en algen vogels (vier soorten). mosdiertjes
vissen
zoogdieren
aantal uithee opgenomen o signaallijst va 'problematisc
mollusken insecten kreeftachtige vogels amfibieĂŤn en reptielen algen mosdiertjes mossen
aantal uitheemse soorten die zich momenteel invasief gedragen
rondwormen neteldieren gelede wormen
mossen
0
rondwormen neteldieren
aantal uithee die zich mom gedragen
aantal uitheemse soorten opgenomen op een Europese signaallijst van 'problematische exoten'
5
10
15
20
25
30
35
Aantal uitheemse en invasieve uitheemse dier- en plantensoorten opgenomen op een Europese signaallijst van problematische soorten’
gelede wormen
Bron: INBO
0
5
10
15
20
25
30
35 Natuurindicatoren 2016 <52>
Aantal rosse stekelstaarten in Vlaanderen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 5
Tegen 2020 zijn invasieve uitheemse soorten en hun introductiemechanismen in kaart gebracht en is de prioriteit ervan bepaald, worden prioritaire soorten in de hand gehouden of uitgeroeid en worden hun routes beheerd om de introductie en vestiging van nieuwe invasieve uitheemse soorten te voorkomen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Bewaren van de biodiversiteit en de integriteit van ecosystemen: aantal bijkomende exoten.
De indicator toont het aantal overwinterende rosse stekelstaarten in Vlaanderen sinds 1979 berekend op basis van de midmaandelijkse watervogeltellingen (tellingen oktober-maart) en het maandmaximum van het aantal waargenomen vogels in Vlaanderen. Dat maandmaximum wordt berekend als de som van de maxima per maand en per gebied. Daarnaast geven we ook een overzicht van het aantal bestreden vogels.
*waarnemingen afkomstig van Waarnemingen.be, de website voor natuurinformatie van Natuurpunt en Stichting Natuurinformatie, dataset referentiecode INBODATAVR-104, 30-06-2015.
Trend: periodes 1993-2002 t.e.m. 1995-2004: significant dalende trend periodes 1997-2006 t.e.m. 2003-2015: significant stijgende trend
Open trend
12
10
8
6
4
2
0
1979-80 1980-81 1981-82 1982-83 1983-84 1984-85 1985-86 1986-87 1987-88 1988-89 1989-90 1990-91 1991-92 1992-93 1993-94 1994-95 1995-96 1996-97 1997-98 1998-99 1999-00 2000-01 2001-02 2002-03 2003-04 2004-05 2005-06 2006-07 2007-08 2008-09 2009-10 2010-11 2011_12 2012-13 2013-14 2014-15
In de periode 2009-2015 werden in Vlaanderen in totaal een 30-tal volwassen en een 20-tal juveniele vogels/pulli bestreden via afschot. Er werden ook enkele verzwakte vogels weggevangen die vermoedelijk uit kweek afkomstig waren. Deze acties worden in 2016 verdergezet. Het doel van de Conventie van Bern, het uitroeien van de rosse stekelstaart in het wild in Europa en Noord-Afrika tegen 2015 (Hughes 2006, Cranswick & Hall 2010), is dus niet gehaald.
14
Aantal overwinterende rosse stekelstaarten
Tijdens de midmaandelijkse watervogeltellingen in de winter van 2014-2015 werden in Vlaanderen maximaal 13 verschillende vogels (oktober) geteld, verspreid over 12 gebieden. Op basis van losse waarnemingen werd een maandmaximum (eveneens in oktober) van 17 waargenomen dieren berekend, verspreid over tien gebieden*. In Vlaanderen zijn anno 2015 naar schatting 10-15 exemplaren aanwezig. In 2015 werden geen broedgevallen vastgesteld. De aanwezigheid van in het wild levende uitheemse rosse stekelstaarten vormt een bedreiging voor de instandhouding van de bedreigde inheemse witkopeend. (Munoz-Fuentes et al. 2006, 2007; Rhymer & Simberloff, 1996; Kumschick & Nentwig, 2010).
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Evolutie van het aantal rosse stekelstaarten in Vlaanderen Bron: INBO, watervogeldatabank
Natuurindicatoren 2016 <53>
40
Ontsnippering langs Vlaamse transportwegen
Transportwegen met ontsnippering (%)
35 30 25
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen
Versnippering van groengebieden: binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd. 5
20 15 10
0
De vele transportwegen in Vlaanderen verdelen het landschap in steeds kleinere, versnipperde stukken en veroorzaken daardoor problemen voor de natuur. Het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) heeft als een van haar vijf strategische doelstellingen het terugdringen van de schade aan milieu en natuur, zelfs al neemt de mobiliteit verder toe. Het vermijden en verminderen van versnippering door transportinfrastructuur is hierbij een zeer belangrijk onderdeel.
De indicator toont dat het aandeel Vlaamse wegen waar faunapassages aangelegd werden, nog zeer beperkt is. Eind 2015 heeft ongeveer 4,5% van 1.200 km transportwegen met een bepaalde prioriteit voor ontsnippering, een matige tot goede ontsnippering voor een bepaalde diergroep. Deze matige tot goede ontsnippering is van kracht voor ongeveer 39% van de transportwegen met zeer hoge prioriteit, 9% van de transportwegen met hoge prioriteit, en telkens 1% voor de normale en lagere prioriteit transportwegen. In vergelijking met 2011 (Everaert & Peymen, 2011) en de vrijwel ongewijzigde situatie in 2012 en 2013, nam het aantal ontsnipperingsmaatregelen in 2014 lichte toe. Dit was voornamelijk te wijten aan de afwerking van het ecoduct Kempengrens en de aanleg van bijkomende geleidingsrasters langs bestaande faunapassages. In 2015 werden in het Zoniënwoud enkele bijkomende kleine ecotunnels geplaatst. Langs de E34 in het Zoerselbos waren er in 2015 ook twee ecoduikers in aanleg. De afwerking van deze faunapassages (incl. geleidingsrasters) zal pas in 2016 gebeuren. De situatie in 2015 is daarom quasi ongewijzigd in vergelijking met 2014.
1
1
2
2
3
3
4
2011-2013
2014-2015
2011-2013
2014-2015
2011-2013
2014-2015
2011-2013
Prioriteit voor ontsnippering (1= lage prioriteit, 2= normale prioriteit,3= hoge prioriteit, 4= zeer hoge priori direct ontsnipperd goed indirect ontsnipperd 40
matig indirect ontsnipperd
35 Transportwegen met ontsnippering (%)
Deze indicator tont de hoeveelheid huidige ontsnipperingsmaatregelen langs Vlaamse autosnelwegen, hoofdwegen, secundaire wegen, verbindingswegen, spoorwegen en kanalen, ten opzichte van een eerder opgemaakte prioriteitenatlas waarbij alle wegen een lage tot zeer hoge prioriteit toegewezen kregen om te ontsnipperen. Tegelijk geeft de indicator een globaal beeld van de kwaliteit van de bestaande ontsnipperingsprojecten: directe ontsnippering (= de faunapassage zelf) en matig of goede indirecte ontsnippering (= wegtraject met geleidingsraster naar een faunapassage) waarbij het verschil tussen matig en goede indirecte ontsnippering afhangt van de dagelijkse actieradius van de betreffende soort(groep).
30 25 20 15 10 5 0
1
1
2
2
3
3
4
4
2011-2013
2014-2015
2011-2013
2014-2015
2011-2013
2014-2015
2011-2013
2014-2015
Prioriteit voor ontsnippering (1= lage prioriteit, 2= normale prioriteit,3= hoge prioriteit, 4= zeer hoge prioriteit)
Aandeel (%) ontsnipperde wegen t.o.v.de totale lengte aan transportwegen, per ontsnipperings directtot ontsnipperd prioriteit één vier goed indirect ontsnipperd
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
matig indirect ontsnipperd
Bron: INBO; AWV
Natuurindicatoren 2016 <54>
Ontsnippering van planologisch groengebied
60
300.000 300.000
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. 50
250.000 250.000
Versnippering van groengebieden: binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd. 40
De gemiddelde oppervlakte van een planologische groenbestemming steeg tussen 1994 en 2015 van 33,2 ha tot 35,4 ha, maar daalde licht binnen de planperiode van MINA-plan 4. In het scenario, waarbij het gewenste VEN gerealiseerd zou worden, aanvullend op de bestaande groene gewestplanbestemmingen, zou er voor het eerst sprake zijn van een significante verandering in de versnippering van de groenbestemmingen. Het gewenste VEN is echter ruimer afgebakend dan de 125.000 ha af te bakenen oppervlakte (nl. 140.000 ha). In dit geval zou de gemiddelde oppervlakte stijgen tot 48,8 ha. * de polygonen kleiner dan 0.363 ha werden niet meegenomen in de berekening, het betreft dus niet de precieze gemiddelde oppervlakte van de groengebieden in Vlaanderen
Trend: significante trend, afname ingezet
Open trend
0 1994
1999
2002
2004
2006
2008
2010
2012
2014
versnipperingsgraad versnipperingsgraad in alle in alle groene planologische groene planologische bestemmingen bestemmingen versnipperingsgraad in alle
versnipperingsgraad versnipperingsgraad alle groene in alle groene groenein planologische bestemmingen planologische planologische bestemmingen bestemmingen + gewenst VEN + gewenst VEN versnipperingsgraad in alle groene planologische bestemmingen + gewenst VEN
6.000
150.000 150.000
250.000
5.000
100.000 100.000
bestemmingen
200.000
50.000 50.000
3.000
100.000
2.000
0 50.000
0
0
1994 1996 1999 1994 2001 1996 2002 1999 2003 2001 2004 2002 2005 2003 2006 2004 2007 2005 2008 2006 2009 2007 2010 2008 2011 2009 2012 2010
2014
150.000
4.000
1.000
0
totale oppervlakte totale oppervlakte groene bestemmingen groene bestemmingen bestaande bestaande groene planologische groene planologische bestemmingen bestemmingen + + gewenst VEN gewenst VEN
totale oppervlakte groene bestemmingen
bestaande groene planologische bestemmingen + gewenst VEN totaal aantal totaal gebieden aantal gebieden totaal aantal gebieden
totaal aantal totaal gebieden aantalbijgebieden gewenstbij VEN gewenst VEN
totaal aantal gebieden bij gewenst VEN
Evolutie van de gemiddelde oppervlakte van planologisch groengebied
Aantal gebieden
300.000
Oppervlakte (ha)
Deze indicator geeft een indicatie* van de gemiddelde oppervlakte van de 60 groen bestemde gebieden in Vlaanderen en geeft de evolutie van 30 de versnip30 peringsgraad van het planologisch groengebied weer. De versnipperingsgraad geeft per jaar de verhouding weer tussen de totale oppervlakte groen 50 bestemde gebieden en het aantal groen bestemde gebieden. Een hogere gemiddelde oppervlakte van de planologische groenbestemmingen 20wijst 20 op een lagere versnipperingsgraad. Deze indicator geeft aan of de doelstel40 ling (de creatie van een samenhangend geheel van natuurgebieden) van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN) gerealiseerd wordt. 30 10 10 Van 1994 tot 2002 is er ongeveer 10.000 ha groenbestemming bijgekomen. Door de aanduiding van het VEN “1e fase” was er een sprong van ca. 4.000 ha in 2003. In de periode 2003-2015 kwamen er ca. 8.500 ha groene bestem20 mingen bij. De impact van de afbakening van het VEN op de versnipperings0 0 graad van de ‘natuurlijke structuur’ was beperkt. Dit is omdat het grootste 1994 1999 1994 2002 1999 2004 2002 2006 2004 2008 2006 2010 2008 2012 2010 2014 2012 10 deel van dat VEN een overdruk betrof bovenop reeds bestaande groene gewestplanbestemmingen.
Oppervlakte (ha)
200.000 200.000
1994 1996 1999 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
40
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
bestemmingen bestemmingen
Oppervlakte (ha)
50
Oppervlakte (ha)
MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen
60
Oppervlakte (ha)
Pact 2020 15.2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Oppervlakte (ha)
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Evolutie van de totale oppervlakte planologisch groengebied en het totaal aantal gebieden Bron: Ruimte Vlaanderen
Natuurindicatoren 2016 <55>
Oppervlakte extra planologisch groengebied Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020 15.2
Hiertoe heeft Vlaanderen in 2020 voldoende habitat ingericht, herbestemd, verbeterd of afgebakend om 70% van de instandhoudingsdoelstellingen van de Europees te beschermen soorten en habitats te realiseren. Streefdoel: 38.000 ha extra natuurgebied en 10.000 ha extra bosgebied.
MINA-plan 4 Langetermijndoelstelling
Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
40.000
Deze indicator toont de toename van planologisch bos-, natuur- en groengebied sinds 1994 en vergelijkt die cijfers met het doel dat vastgelegd werd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 35.000 (RSV).
40.000
overig groen
natuur en reser
bos
Oppervlakte (ha)
10.000
Voortgaande op de huidige trend van de laatste tien en respectievelijk zes jaar, zal de uitgestelde doelstelling gehaald worden tegen 2062 en respectievelijk 2056. Het zal dus ongeveer 59 Ă 65 jaar 5.000 duren i.p.v. 10 jaar zoals oorspronkelijk voorzien.
bos
doelstelling RSV en reservaat
doelstelling RSV overig groen
25.000
18 jaar na de vaststelling van het RSV werd ca. 39% van de vooropgestelde oppervlakte natuur-, reservaat- en bosgebied en overig groengebied gerealiseerd. Dit komt neer op ca. 18.900 ha extra 15.000 planologisch groene bestemmingen en betekent dat we ca. 29.100 ha verwijderd zijn van de doelstelling.
overig groen
doelstelling RSV natuur en reservaat
30.000
20.000
doelstelling RSV bos
doelstelling RSV
doelstelling RSV
20.000 15.000 10.000 5.000
0
0
-5.000
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2005
2004
2003
2002
2006
Open trend
-10.000
1999
Trend: natuur- en reservaat: significante toename bos: significante toename overig groen: significante afname
2001
2000
-5.000 1999
-10.000
natuur en reservaat
35.000
2015
Oppervlakte (ha)
Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen introduceerde een nieuwe ruimteboekhouding voor de 30.000 bestemmingsplannen. Het doel was een toename van de oppervlakte bos - natuur- en reservaatgebied met 38.000 ha in vergelijking met de toestand in 1994. Oorspronkelijk moest dit gerealiseerd zijn tegen 2007. In het kader van de herziening 25.000 van het huidige RSV werd de doelstelling naar 2012 geplaatst, maar met de notie dat de doelstellingen van dit RSV ook nog geldig blijven na 2012 zolang het RSV niet wordt herzien.
Evolutie van de oppervlakte groene bestemmingen Bron: Ruimte Vlaanderen
Natuurindicatoren 2016 <56>
Oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 2
Tegen 2020 worden ecosystemen en ecosysteemdiensten gehandhaafd en verbeterd door groene infrastructuur op te zetten en ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen te herstellen.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen
Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.
35
Natuurinrichtingsprojecten verlopen in een aantal fasen: haalbaarheidsonderzoek, instelling van het project, vaststellen van maatregelen en modaliteiten, goedkeuring van het projectuitvoeringsplan en uitvoering. In 2015 zijn geen natuurinrichtingsprojecten afgerond. Eind 2015 waren wel twaalf projecten lopende. Er werd een nieuw project ingesteld, nl. Vrieselhof. Voor ‘De Liereman’ en ‘Berlarebroek-Donkmeer’ worden het plan en de bijhorende maatregelen uitgewerkt, de overige negen zijn reeds geruime tijd in uitvoering. In de meeste projecten zijn de laatste werken bezig. Voor ‘Schuddebeurzen’ en ‘Fondatie Heirnisse’ is het haalbaarheidsonderzoek afgerond sinds 2013. Beide projecten wachten op instelling. Het haalbaarheidsonderzoek voor ‘Vijvercomplex BokrijkKiewit’ en ‘Torfbroek’ was eind 2015 zo goed als rond en deze zullen beide ter instelling worden voorgelegd. Daarnaast is het onderzoek naar de haalbaarheid voor twee projecten nog lopende. De totale gerealiseerde oppervlakte bedraagt 4.441 ha. Als alle lopende projecten zullen uitgevoerd zijn, kan deze oppervlakte in de komende jaren toenemen tot ongeveer 13.000 ha.
Trend: significante toename
Open trend
4.500 30 4.000 5.000
Aantal projecten
35 25
3.500 4.500
30 20
Aantal projecten
Deze indicator geeft de evolutie van de totale oppervlakte van gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten weer. Het gaat hier over de oppervlakte projectgebied waarin inrichtingswerken zijn uitgevoerd. Dit betekent niet dat de volledige oppervlakte projectgebied heringericht is. Het instrument natuurinrichting wordt sinds 1998 ingezet door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) om gebieden zo goed mogelijk in te richten in functie van natuur. Natuurinrichting wil door actief ingrijpen betere omstandigheden creëren voor de ontwikkeling van natuur in gebieden die daarvoor aangewezen zijn.
5.000
3.000
4.000 2.500
25 15
3.500 2.000 3.000 1.500
20 10
15
2.500 1.000 5
10 0
2.000 500
1999
2001
2003
2005
2007
2009
2011
2013
2015
0
1.500 1.000
Oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten (ha) Oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten (ha)
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
projecten in haalbaarheidsonderzoek projecten opgestart projecten afgerond oppervlakte gerealiseerde projecten in natuurinrichtinsprojecten haalbaarheidsonderzoek
projecten opgestart projecten afgerond oppervlakte gerealiseerde natuurinrichtinsprojecten
5 500 0
1999
2001
2003
2005
2007
2009
2011
2013
2015
0
Evolutie van de oppervlakte van gerealiseerde natuurinrichtingsprojecten en het aantal projecten in haalbaarheidsonderzoek, opgestart en afgerond
Bron: VLM
Natuurindicatoren 2016 <57>
Oppervlakte bosbeheerplan Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 3 (Bossen)
Tegen 2020 zijn er bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten, in overeenstemming met duurzaam bosbeheer (SFM)21, voor alle bossen in overheidsbezit en voor bosgebieden vanaf een bepaalde omvang (door de lidstaten of de regio's vast te stellen en mee te delen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's) waarvoor financiering wordt verstrekt in het kader van het plattelandsbeleid van de EU, teneinde te zorgen voor een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van bosbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichte van de EU-referentiesituatie van 2010.
Pact 2020
/
70.000
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
60.000
Deze indicator toont de oppervlakte met beperkt en uitgebreid goedgekeurd 50.000 beheerplan, onafhankelijk van de beheerder.
70.000
Oppervlakte (ha)
Het bosbeheerplan vormt een belangrijke schakel in het duurzaam bosbeheer. Dergelijk beheer probeert een evenwicht te creĂŤren tussen de ecologische, 40.000 economische en maatschappelijke functies van bossen. Hiermee wil de Vlaamse overheid de ecologische kwaliteit en biodiversiteit van bossen versterken. Er zijn twee soorten bosbeheerplannen. Beperkte bosbeheerplannen moeten aan een basisniveau voldoen,30.000 terwijl uitgebreide beheerplannen de criteria duurzaam bosbeheer moeten halen. De criteria duurzaam bosbeheer zijn gebaseerd op de internationale FSC-principes (Forest Stewardship Council). Boseigenaars kunnen voor bossen met uitgebreid 20.000 beheerplan een FSC-certificaat halen.
uitgebreide bosbeheerplannen
60.000
uitgebreide bosbeheerplannen
40.000
beperkte bosbeheerplannen
2015
2013
30.000
2014
2012
2010
2009
2008
2006
2007
2005
2004
2002
2003
2000
2001
1999
1998
1997
1995
1996
1994
1992
1993
1991
1990
De geringe toename van de beperkte bosbeheerplannen heeft mogelijk te maken met de onduidelijkheid rond de nieuwe wetgeving, waardoor eigenaars wachten met de opmaak van een bosbeheerplan. Daarnaast stimuleert ANB boseigenaars om een uitgebreid bosbeheerplan te maken.
2011
Oppervlakte (ha)
50.000
Tussen 1990 en 2015 werd 35.117 ha uitgebreid en 31.526 ha beperkt bosbeheerplan goedgekeurd. De totale oppervlakte bos met beheerplan bedraagt daarmee 66.643 ha.10.000 Het totaal is mogelijk overschat omdat in de cijfers de oppervlakte vervat zit van bossen die ondertussen van eigenaar veranderden en daardoor deel kunnen uitmaken van een nieuw beheerplan, of van bossen die na afloop van de planningstermijn (nog) geen nieuw plan hebben. 0
beperkte bosbeheerplannen
20.000
Trend: uitgebreid bosbeheerplan: significante toename beperkt bosbeheerplan: significante trend, top bereikt, afname ingezet
Open trend
Oppervlakte beperkt en uitgebreid bosbeheerplan. De uitgebreide bosbeheerplannen voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2008
2009
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1995
1996
1994
1993
1992
1991
0
1990
10.000
Bron: ANB
Natuurindicatoren 2016 <58>
Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 3
Tegen 2020 zijn er bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten, in overeenstemming met duurzaam bosbeheer (SFM)21, voor alle bossen in overheidsbezit en voor bosgebieden vanaf een bepaalde omvang (door de lidstaten of de regio’s vast te stellen en mee te delen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s) waarvoor financiering wordt verstrekt in het kader van het plattelandsbeleid van de EU, teneinde te zorgen voor een meetbare verbetering in de staat van instandhouding van soorten en habitats die afhangen of invloed ondervinden van bosbouw en in de levering van ecosysteemdiensten ten opzichte van de EU-referentiesituatie van 2010.
Pact 2020
/
MINA-plan 4 Bijkomend op te volgen
Binnen planperiode wordt naar een gunstige trend gestreefd.
1.500 (meeste oppervlakte) zijn de beheerovereenkomsten voor soortbescherHet meest succesvol ming. Sinds 2015 is de oppervlakte terug in stijgende lijn. We tekenden een toename op van meer dan 400 ha t.o.v. 2014. Vooral enkele nieuwe (of aangepaste) beheerovereenkomsten 1.000 zorgen voor deze stijging zoals de aanleg van gemengde grasstroken en het telen van voedselgewassen voor fauna en het beheer van kuiken- en standweiden.
Een echte doorbraak in het aantal afgesloten beheerovereenkomsten en in de hierdoor beheer500 de oppervlakte kon het vernieuwde aanbod (sinds 2014) nog niet realiseren.
400.000
2.500 350.000
350.000
300.000 2.000
300.000
250.000
250.000
1.500 200.000
200.000
150.0001.000
150.000
100.000
100.000
aa
500 50.000
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
0
2001
0
2000
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
ho
aa
aanplant en onderhoud heg aanplant en onderhoud haag
50.000
Trend: soortbescherming: significante toename 0 botanisch beheer: significante trend, sterker wordende afname perceelranden: significante trend, top bereikt , afname ingezet houtkanten: significante trend, sterker wordende afname heg: significante trend, sterker wordende afname (toename tot 2006, daarna stabilisatie) haag: geen correcte trendbepaling mogelijk
Open trend
450.000
houtkanten (aanplant en onderhoud)
400.000
bo
pe
Lengte (m)
Oppervlakte (ha)
Het onderhoud2.500 van heggen en vooral van hagen (deze laatsten sinds 2012) zijn vrij succesrijk. De ogenschijnlijke stagnatie de laatste jaren geeft een enigszins vertekend beeld omdat hierin ook nieuwe aanplanten zitten. Deze verdwijnen uiteraard niet bij een aflopende beheerovereenkomst. Hoewel er sinds 2015 geen nieuwe beheerovereenkomsten voor aanleg meer wor2.000 den afgesloten, leverden de nog lopende contracten een toename van 88 km hagen en ±23 km heggen op. De lengte aan beheerde heggen en hagen is een veelvoud hiervan.
perceelranden
450.000 3.000
so
500.000
botanisch beheer +natuur
Lengte (m)
De beheerovereenkomsten ‘perceelrandenbeheer en –herstel’ en ‘ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen (KLE’s)’ streven de versterking van de natuurlijke infrastructuur 3.000 in het landbouwgebied na. De overeenkomst ‘botanisch beheer’ kent relatief weinig succes en stagneert, ook in 2015. Dit geldt ook voor ‘perceelsrandbeheer’ en ‘beheer van houtkanten’.
soortbescherming
500.0003.500
Oppervlakte (ha)
Deze indicator geeft de evolutie van cultuurgrond met natuurgerichte beheerovereenkomsten weer. In het kader van de Vlaamse Programma’s voor Plattelandsontwikkeling (2000–2006, 2007–2013) kunnen landbouwers vijf jaar durende beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse overheid. Daarbij verbinden ze zich om meer voor milieu, natuur en landschap te doen randvoorwaarden en verplichtingen. dan de wettelijke 3.500
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
0
Oppervlakte cultuurgrond met natuurgerichte beheerovereenkomsten Bron: VLM
Natuurindicatoren 2016 <59>
Bezoeken aan natuur- en bosgebieden Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun statusbereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
Deze indicator geeft de evolutie weer van de frequentie van bezoeken door Vlamingen aan natuur- en bosgebieden.
90%
80%
Percentate van respondenten (n%)
Twaalf percent van de Vlamingen bezocht minstens wekelijks een bos of natuurgebied in 2015. Ongeveer 30% van de Vlamingen bezocht tijdens de voorbije 12 maanden geen bos of natuurgebied en 27% bezocht deed dit slechts één keer. Het gemiddeld jaarlijks aantal bezoeken aan bossen en natuurgebieden schommelt sinds 2009 rond 14%. Het aandeel personen dat minimum eens per week een bos of natuurgebied bezoekt, is gestabiliseerd (7,3%) en het percentage van de Vlamingen dat nooit of slechts één keer per jaar een bos of natuurgebied bezoekt, schommelt de laatste drie jaar rond ca. 57%.
100%
Percentate van respondenten (n%)
Het meer toegankelijk maken van natuur- en bosgebieden wordt in het Vlaams natuurbeleid gezien als een stimulerende maatregel die het maatschappelijk draagvlak voor natuur en biodiversiteit vergroot. Ook het Vlaams regeerakkoord en de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur pleiten voor een grotere toegankelijkheid van natuur en bos voor iedereen. Er zijn geen concrete beleidsdoelen geformuleerd. De jaarlijkse survey van de studiedienst van de Vlaamse Regering peilt hoe dikwijls Vlamingen bos- en natuurgebieden bezoeken (Beyst & Pickery, 2006). De frequentie van bezoeken aan bossen en natuurgebieden is een van de draagvlakindicatoren voor natuur (VRIND 2012).
70% 60%
90%
80% 70% st
60%
dagelijks dagelijks meermaals per week meermaals per week wekelijks wekelijks meermaals per maand meermaals per maand maandelijks maandelijks een uitzonderlijke keer st een uitzonderlijke keer niet tijdens de voorbije 12 maanden niet tijdens de voorbije
12 maanden
50%
50%
40%
40%
30%
30%
20%
20% 10% 0%
Trend: geen correcte trendbepaling mogelijk
100%
10% 0%
2009
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
2010 2011 2012 2013 2014 2015 Frequentie van bezoeken aan bos- en natuurgebieden Bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering
Natuurindicatoren 2016 <60>
Europese Biodiversiteitsstrategie 2020 Streefdoel 1
De achteruitgang in de status van alle onder natuurwetgeving van de EU vallende soorten en habitats tot staan brengen en een aanzienlijke en meetbare verbetering van hun status bereiken zodat tegen 2020, vergeleken met huidige beoordelingen: (i) 100% meer habitatbeoordelingen en 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Habitatrichtlijn een verbeterde staat van instandhouding te geven; en (ii) uit 50% meer soortenbeoordelingen in het kader van de Vogelrichtlijn een veilige of verbeterde staat van instandhouding blijkt.
Pact 2020
/
MINA-plan 4
/
100.000
Doelbereik: n.v.t. Doelverwachting: n.v.t.
80.000
Trend: significante toename (totaal)
Ledenaantal
Natuurpunt Greenpeace
60.000
WWF
300.000
100.000
250.000
40.000
80.000
Vogelbescherming Vlaanderen JNM (Jeugdbond voor Natuur en Milieu)
N
Ledenaantal
20.000 150.000
G
60.000
W
V V
J v M
20.000
0
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
0
1994
50.000
1997
0
1996
100.000
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
40.000
1995
Lendenaantal
200.000
2015
2014
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
In 2015 steeg het totaal aantal lidmaatschappen met 5,2% ten opzichte van het jaar ervoor. Behalve voor JNM, nam het aantal lidmaatschappen per vereniging toe. Natuurpunt is met 97.362 lidmaatschappen de grootste natuurvereniging in Vlaanderen. WWF is de tweede grootste natuurvereniging met 69.775 leden, gevolgd door Greenpeace met 61.439 leden, Vogelbescherming Vlaanderen met 9.393 leden en JNM met 3.018 leden.
2004
2003
Deze indicator toont de evolutie van de ledenaantallen van natuurverenigingen actief over heel Vlaanderen. Met natuurverenigingen bedoelen we organisaties die als bestaansreden biodiversiteitsbehoud hebben. Statistische analyse van de gegevens leert dat het totaal aantal leden significant toenam in de periode 1994-2015. Dit kan geĂŻnterpreteerd worden als een uiting van een toenemend draagvlak voor natuur bij de bevolking.
2002
2001
Ledenaantallen van natuurverenigingen
Evolutie van de ledenaantallen van natuurverenigingen actief in Vlaanderen: totaal (links) en per vereniging (rechts) Bron: Natuurverenigingen
Open trend
Natuurindicatoren 2016 <61>
Literatuur Adriaens T., San Martin y Gomez G., Bogaert J., Crevecoeur L., Beuckx J.P., Lock K., Jonckheere K. & Maes D. (2014). Rode Lijst van de lieveheersbeestjes in Vlaanderen. Kansen voor een beter bescherming en een aangepast natuurbeheer. Natuur.focus 13: 118-128. Adriaens T., San Martin y Gomez G., Bogaert J., Crevecoeur L., Beuckx J.P. & Maes D. (2015). Testing the applicability of regional IUCN Red List criteria on ladybirds (Coleoptera, Coccinellidae) in Flanders (north Belgium): opportunities for conservation. Insect Conservation and Diversity (2015) doi: 10.1111/icad.12124. Anselin A., Devos K., Vermeersch G., Stienen E & T. Onkelinx (2013). Toelichting bij het opstellen van de rapportage in het kader van artikel 12 van de Vogelrichtlijn en status van vogelsoorten met instandhoudings-populatiedoelen en van typische vogelsoorten van Natura 2000 habitattypes. Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek, INBO, INBO.2014.1567208. Ash N., Blanco H., Brown C., Vira B., Zurek, Garcia K.§ Tomich T. (2010). Ecosystems and Human Well-Being: A Manual for Assessment Practitioners. Bern Convention. Draft Recommendation No. 149 (2010) adopted on 9 December 2010, on the eradication of the Ruddy Duck (Oxyura jamaicensis) in the Western Palaearctic. Beyst V. & Pickery J. (2006). Bezoek aan natuur- en bosgebieden. Nota van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel. Bonte D., Vandomme V., Muylaert J. & Bosmans R. (2001). Een gedocumenteerde Rode Lijst van de water- en oppervlaktewantsen van Vlaanderen. Onderzoeksopdracht K/IN99/JPM/01 - Universiteit Gent, Gent, 121 pp. Bouckaert (1993) Measurement and meaningful management in Public productivity and management review. Bubb, P.J., Almond, R., Kapos, V., Stanwell-Smith, D., Jenkins, M. (2010) Guidance for national biodiversity indicator development and use. UNEP-WCMC, Cambridge, UK. Cox G.W. (2004). Alien Species and Evolution: The Evolutionary Ecology of Exotic Plants, Animals, Microbes, and Interacting Native Species. Island Press: Washington. 400 p. Cranswick P.A. & Hall C. (2010). Eradication of the Ruddy Duck Oxyura jamaicensis in the Western Palaearctic: a review of progress and a revised Action Plan 2010–2015. WWT report to the Bern Convention. Wildfowl & Wetlands Trust (WWT), Slimbridge. De Knijf G. & Anselin A. (2010). When south goes north: Mediterranean dragonflies (Odonata) conquer Flanders (North-Belgium). In: Ott J. (Ed) Monitoring Climate Change With Dragonflies. BioRisk, 5: 141-153. De Knijf G., Anselin A., Goffart P. & Tailly M. (eds.) (2006). De libellen (Odonata) van België: verspreiding - evolutie - habitats. Libellenwerkgroep Gomphus i.s.m. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 368 pp. Demolder H., Schneiders A., Spanhove T., Maes D., Van Landuyt WK., & Adriaens T. (2014). Hoofdstuk 4. Toestand biodiversiteit. (INBO.R.2014.6194611). In Stevens, M. et al. (eds.), Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Technisch rapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, INBO.M.2014.1988582, Brussel. Europese Commissie (2011). Mededeling van de Commissie. Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU biodiversiteitsstrategie voor 2020. COM (2011) 244. Europese Commissie, Brussel.
Natuurindicatoren 2016 <62>
Literatuur
European Environment Agency (2007). Streamlining European Biodiversity Indicators (SEBI): EEA technical report. European Environment Agency, Copenhagen. European Environment Agency (2012a). Streamlining European biodiversity indicators 2020: Building a future on lessons learnt from the SEBI 2010 process EEA Technical report No 11/2012. European Environment Agency, Copenhagen. European Environment Agency (2012b). Report of the working group on Interlinkages of the Streamlining European Biodiversity Indicators project (SEBI). EEA Technical report. European Environment Agency, Copenhagen. Everaert J. & Peymen J. (2011). Indicator inzake ontsnippering van transportwegen in Vlaanderen. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2011 (INBO.R.2011.59). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Genovesi P, Carboneras C, Vila M, Walton P (2014) EU adopts innovative legislation on invasive species: a step towards a global response to biological invasions? Biol Invasions 17:1307-1311. Hatry H.P. (1999). Performance measurement. Getting results: Urban Institute. Hughes B., JA Robinson, A.J. Green, ZWD Li & Mundkur, T. (Compilers). (2006). International Single Species Action Plan for the Conservation of the White-headed Duck Oxyura leucocephala. CMS Technical Series No 13 & AEWA Technical Series No8. Bonn, Germany. Jacobs S., Spanhove T. & Panis P. (2014). Hoofdstuk 5 - Toestand en trend van ecosysteemdiensten in Vlaanderen (INBO.R.2014.6160407). In Stevens, M. et al. (eds.), Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Technisch rapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2014.1988582, Brussel. Jansen I. (2016). Trendbepaling Natuurindicatoren 2016. Rapport van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2013 (INBO.R.2016.12260699). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 88pp. Jooris R., Engelen P., Speybroeck J., Lewylle I., Louette G., Bauwens D. & Maes D. (2012). De IUCN Rode Lijst van de amfibieën en reptielen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2012 (22). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 19pp. Kumschick S. & Nentwig W. (2010). Some alien birds have as severe an impact as the most effectual alien mammals in Europe. Biological Conservation 143(11): 2757-2762. Layke C., Mapendembe A., Brown C., Walpole M. & Winn J. (2012) Indicators from the global and sub-global Millennium Ecosystem Assessments: An analysis and next steps. Ecological indicators 17(0):77-87. Lock K., Stoffelen, E., Vercouteren, T., Bosmans, R. & Adriaens, T. (2013). Updated Red List of the water bugs of Flanders (Belgium) (Hemiptera: Gerromorpha & Nepomorpha). Bulletin de la Société royale belge d’Entomologie/Bulletin van de Koninklijke Belgische Vereniging voor Entomologie, 149, 57–63. Louette G., Adriaens D., De Knijf G. & Paelinckx D. 2013. Staat van instandhouding (status en trends) habitattypes en soorten van de Habitatrichtlijn (rapportageperiode 2007-2012). INBO.R.2013.23, Brussel, 43 pp. Maes D., Vanreusel W., Jacobs I., Berwaerts K. & Van Dyck H. (2012). Applying IUCN Red List criteria at a small regional level: A test case with butterflies in Flanders (north Belgium). Biological Conservation, 145, 258-266. Maes D, Baert K, Boers K, Casaer J, Criel D, Crevecoeur L, Dekeukeleire D, Gouwy J, Gyselings R, Haelters J, Herman D, Herremans M, Huysentruyt F, Lefebvre J, Lefevre A, Onkelinx T, Stuyck J, Thomaes A, Van Den Berge K, Vandendriessche B, Verbeylen G & Vercayie D (2014). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. De IUCN Rode Lijst van de zoogdieren in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO.R.2014.1828211). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Natuurindicatoren 2016 <63>
Literatuur
Munoz-Fuentes V., Green A.J., Sorenson M.D., Negro J.J., & Vila C. (2006). The ruddy duck Oxyura jamaicensis in Europe: natural colonization or human introduction? Molecular Ecology 15(6): 1441-1453. Munoz-Fuentes V., Vila C., Green A.J., Negro J.J., & Sorenson M.D. (2007). Hybridization between white headed ducks and introduced ruddy ducks in Spain. Molecular Ecology 16(3): 629-638. Onkelinx, T. (2016) abvanalysis. Analysis of the Common Breeding Bird Survey. R package version 0.1. https://github.com/inbo/abvanalysis Pires S.M.M. (2011) Sustainability Indicators and Local Governance in Portugal. Universidade de Aveiro. Pimental D., McNair S., Janecka J., Wightman J., Simmonds C., O’Connell C., Wong E., Russel L., Zern J., Aquino T. (2002). Economic and environmental threats of alien plant, animal, and microbe invasions. Biological Invasions 307–329. Rhymer J.M. & Simberloff D. (1996). Extinction by hybridization and introgression. Annual Review of Ecology and Systematics 27: 83-109. Simoens I., Thoonen M., Meiresonne L. & Van Daele T. (2014). Hoofdstuk 26 – Ecosysteemdienst groene ruimte voor buitenactiviteiten. (INBO.R.2014.1987887). In Stevens, M. et al. (eds.), Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Technisch rapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2014.1988582, Brussel. Stevens M., Demolder, H., Jacobs, S., Michels, H., Schneiders, A., Simoens, I., Spanhove, T., Van Gossum, P., Van Reeth, W. & Peymen, J. (red.) (2014). Natuurrapport - Toestand en trend van ecosystemen en ecosysteemdiensten in Vlaanderen. Syntheserapport. Mededelingen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M. 2014.1988666, Brussel. Tollington S, Turbé A, Rabitsch W, Groombridge JJ, Scalera R, Essl F, Shwartz A (2015) Making the EU legislation on invasive species a conservation success. Conserv Letters. doi: 10.1111/conl.12214. Van der Aa B., Vriens L., Van Kerckvoorde A., De Becker P., Roskams P., De Bruyn L., Denys L., Mergeay J., Raman M., Van den Bergh E., Wouters J., Hoffmann M. (2015). Effecten van klimaatverandering op natuur en bos. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2015 (INBO.R.2015.9952476). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel Van der Linden S., Van Camp N. & Van Valckenborgh J. (2013). Opmaak van een digitale bos-, natuur- en groenkartering voor Vlaanderen op basis van digitale luchtopnames 2013 (versie 1.0). Rapport Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV), Gent. Van Dyck H., Puls R., Bonte D., Gotthard K. & Maes D. 2015. The lost generation hypothesis: could climate change drive ectotherms into a developmental trap? Oikos 124: 54-61. Van Landuyt W., Vanhecke L. & Brosens D. (2012). Florabank1 : a grid-based database on vascular plant distribution in the northern part of Belgium (Flanders and the Brussels Capital region). PhytoKeys 12: 59–67. van Swaay C.A.M., van Strien A.J., Aghababyan K., Åström S., Botham M., Brereton T., Chambers P., Collins S., Domènech Ferrés M., Escobés R., Fernández-García J.-M., Fontaine B., Goloshchapova S., Gracianteparaluceta A., Harpke A., Heliölä J., Khanamirian G., Julliard R., Kühn E., Lang A., Leopold P., Loos J., Maes D., Mestdagh X., Monasterio Y., Munguira M.L., Murray T., Musche M., Õunap E., Pettersson L., Popoff S., Prokotev S., Roth T., Roy D.B., Settele J., Stefanescu C., Švitra G., Marques Teixeira S., Tiitsaar A., Verovnik R. & Warren M.S. 2015. The European butterfly Indicator for Grassland species: 1990-2013, Rapport VS2015.009. De Vlinderstichting, Wageningen. Verreycken H., Van Thuyne G., Belpaire C., Breine J., Buysse D., Coeck J., Mouton A., Stevens M., Van den Neucker T., De Bruyn L. & Maes D. (2012). De IUCN Rode Lijst van de zoetwatervissen in Vlaanderen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2012, INBO.R.2012.23. 17pp. Natuurindicatoren 2016 <64>
Verreycken H., Belpaire C., Van Thuyne G., Breine J., Buysse D., Coeck J., Mouton A., Stevens M., Van den Neucker T., De Bruyn L. & Maes D. (2013). An IUCN Red List of freshwater fishes and lampreys in Flanders (north Belgium). Fisheries Management and Ecology. ViĂŠ J.C., Hilton-Taylor C. & Stuart S.N. (Eds.) (2009). Wildlife in a changing world: an analysis of the 2008 IUCN Red List of threatened species. World Conservation Union: Gland, Zwitserland. 180 p. Vlaamse Regering (2011). Milieubeleidsplan 2011- 2015, vastgesteld door de Vlaamse Regering op 27 mei 2011. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Studiedienst van de Vlaamse Regering. VRIND. Vlaamse regionale indicatoren, 2012.
Natuurindicatoren 2016 <65>
Afkortingen ANB
Agentschap voor Natuur en Bos
AWV
Administratie Wegen en Verkeer
EEA
European Environment Agency (Europees Milieuagentschap)
INBO
Instituut Natuur- en Bosonderzoek
KRW
Kaderrichtlijn Water
MINA-plan 4
Vlaams Milieubeleidsplan 2011-2015
MIRA
Milieurapport
NVWG
Natuurverwevingsgebied
RSV
Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen
RWO
Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed
SEBI
Streamlining European 2010 Biodiversity Indicators
SOVON
Vogelonderzoek Nederland
VEN
Vlaams Ecologisch Netwerk
VLIZ
Vlaams Instituut voor de Zee
VLM
Vlaamse Landmaatschappij
VMM
Vlaamse Milieumaatschappij
VRIND
Vlaamse Regionale Indicatoren
Natuurindicatoren 2016 <66>