Skip to main content

M&L_10_2.pdf

Page 1

7 W^

w-'

"»-* ••''

^ • ' ' '

\l

MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 10/2 / /

MAART-APRIL 1991 / /

/EEMAANDELUKS / /

.-.


OVENGRONDS EN ONDERGRONDS MILIEUBEWUST AKTIEF

• Pijpleidingen, waterleidingen en collectoren • Industriële leidingen en electromechanische uitrustingen • Pompstations en waterzuiveringsinstallaties • Renovatiewerken en speciale technieken • Grondwerken en burgerlijke bouwkunde • Tunnels, buisdoorpersingen en boringen.

DENYS

Industrieweg 124 - 9032 GENT (WONDELGEM) Tel. 091/54 01 11 - Fax 091/26 77 71 - Telex 11515 Denys B


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948

•

10e jaargang Nr. 2

•

maart-april 1991

MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie : M.M. Cells. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat : D. Torbeyns. Vormgeving : M.M. Celis + L. Tack.

Redactiecomité Voorzitter: E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.). F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans. J. Braeken, M. Buyle. M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlatijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.

Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel. (050) 36 25 89.

Druk

Inhoud Generiek

_3

„Wilt gij het Volkshuis van Brussel leren kennen?" Jos Vandenbreeden, Sint-Lukasarchief

16

Van Volkshuis tot schroot. Achtergronden van een kwarteeuw falen Marcel M. Celis, B.M.L.

23

Een "Evocatie" van de feestzaal uit het voormalige Volkshuis te Brussel Walter Slock, B.M.L.

36

Huib Koste's woning voor Dr. De Beir in Knokke Luc Verpoest, K.U.L.

44

De antitankgracht Mare De Borgher, B.M.L.

49

Summary

72

M&L Binnenkrant

Die Keure Oude Gentweg 108. 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

Abonnementsvoorwaarden 1991 België ; 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen : 950 fr. Buitenland: 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1991". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Proefopstelling van het Volkshuis, geëvoceerd als Business-Center (foto Nadine Tasseel)

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


REWAH n.v. VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.

Restauratie toren Sint-Maartenskerk Kortrijk

NATUURSTEEN

AMINCK

VAN AMSTELSTRAAT 63 2100 ANTWERPEN TEL. 03/325.03.83 TELEX 32158 NAVLAM TELEFAX 03/325.68.66

GASSTRAAT 11 A 9100 LOKEREN TEL. 091/48.12.17 TELEFAX 091/48.96.61


GENERIEK Een ijzeren Volkspaleis Zelden in de annalen van de architectuur nam een bouwwerk diezelfde mytische dimensies aan als Victor Horta's Socialistisch Volkshuis. Ontstaan in de roes van een triomferende arbeiderspartij kwam de kater van de sloping dan ook des te harder aan. Dat ruim een kwarteeuw later fragmenten van de zo geroemde grote feestzaal zouden verwerkt worden tot precies een business-center, vormt slechts één der wispelturigheden van een onwaarschijnlijk vervolgverhaal: een trilogie waar Jos Vandenbreeden, Marcel M. Celis en Walter J. Slock elk het zijne in kwijt wil.

Een glazen huis In het licht van zijn rationalistische-traditionalistische opleiding is de stap van de in-Vlaamse architect Huib Hoste naar de internationale Moderne scène nauwelijks te overschatten. De beslissing van hogerhand om een beschermingsprocedure in te leiden voor diens dokterswoning De Beir vormt alvast de -lateerkenning van een uitzonderlijk moment in een hoogstaand oeuvre. Grasduinend in archieffoto's en architectuurtractaten laat Luc Verpoest de kans niet onbenut om dit reëel belang te duiden van een omstreden meesterwerk.

Het recht van de sterkste

Spijts steeds opnieuw geconcipieerde strategieën zou de omvangrijke Antwerpse fortengordel zijn wezenlijke nutteloosheid met ware zelfverloochening blijven bewijzen. Sluitstuk en struikelblok vormde hierin de door het landschap zigzaggende, groots opgevatte anti-tankvaart. Toch bleek - wat Mare De Borgher onverbloemd weet aan te tonen de natuur de ware overwinnaar.


Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont

ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75


lyjEC "^

1

\>Akrryi-rr Ik

^h \ j

\

•

fc-^J^»-»"' -

wm

|

ks W A S S5"

M

% •

tó^Ü-

ft

*&?•

i w

.

•

:

••

ij^ilfl

^iljpsa^s*^^ '/<

-^N. -~Z~

'

TIM

^'3JL^

fj i

Restauratie Art Nouveau gebouw

Arch. Horta

Louisalaan 224

1050 Brussel

fA

N v Reinigingswerken Peetermans

NI

HET ENIGE VERSCHIL "ONZE ZORG VOOR KWALITEIT"

Restauratiewerken - Gevelreinigen - Steenverharding - Waterdichting - Kelderdichting

Wijnegemsteenweg 40, 2160 WOMMELGEM - Tel. 03/353.75.75 (4L.)

j


lt

RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.

BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc -Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek)

Depigeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij

Oost veld kouter 26 • 9920 Lovendegem

Solar

Kleine Breedstraat 33, 9100 Sint-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.

Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig

DEPIGEONAL

SchudelW 091/221753

DeClercqL 03/233 82 27

Van Molle M. 016/22 67 06 Van Der Biest l 03/7714466

VanDiickL. 015/2180 78 Huet P 03/233 09 57

Vandenborre H. & Lauwers M.

091/72 63 03

Smederij

IMPERPLEX

O iRESTAUHATIE

MOLENBAAN 18 2160WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87

MnflërMÜcöhen

De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mechelsestraat 125, 3000 Leuven Tel. 016/23.98.25

• • • •

Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tuinmeubels

Gediplomeerd restaurateur

P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ ESLaan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (091)86 07 6 3 - 8 6 61 50 F a x : (091)86 04 15 Restauratie : 'De Vijfsterren' Gent


Toestand vóór restauratie

Toestand na restauratie

EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg . WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING

EXHYDRO® : goedkeuring

• DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT

BUTGB ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie

. VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...

REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)

. CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...

REMAL : - volledig gamma

RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE

Tel. (010) 22 82 88 Fax (010) 22 84 58

PVBA


Domein Bokrijk.

2 jaar renovatie met PROXYL. M

Voor het genoegen van mensen met een hart voor hout. Als prachtige getuige van het verleden, laat het Domein van Bokrijk op 90 Ha, de 'tijd van toen' herieven, In Bokrijk is hout alom tegenwoordig en onderhevig aan aanslagen van zon, regen, insekten of zwammen. Om de aangetaste delen te genezen en het geheel te beschermen tegen alle toekomstige aanvallen, heeft het Domein de PROXYL-produkten gekozen omwille van hun doeltreffendheid, eenvoudige toepasbaarheid en lage giftigheid. Het PROXYL gamma; gespecialiseerde produkten voor de behandeling tegen 'insekten en zwammen', produkten voor de bescherming en dekoratie van hout. Alle produkten verkregen een toelating van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu voor toepassingen buiten zowel als binnen.

VOOR MOOI HOUT. Inlichtingen, advies en verkoop: PROXYL Vaartdijk 40 - 2100 DEURNE •Tel. 03/326 07 48 - Fax 03/326 07 98


RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT

N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken

OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37

GROUP Tl

f

MOMIENT


de rust en het evenwicht van mineralen

SUPPORT - SURFACE •RESTAURATIE +

CONSERVATIE.

Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wi| vatten dit in 5 puntjes samen:

n H El

De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zijn en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vrij van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.

Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object. H H e t restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn. Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkelijk verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa-

Q

1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN

i&na.

Solar Kleine Breedslraat 33. 9100 St -Niklaas

voor meer informatie belt u'. oj/yyó.yi. 61

^ifi-*'

Maatsch. zetel ; Kortrijkse Steenweg 382. 9000 Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetel : Wapenstraat 12B. 2000 Antwerpen (03) 248 12 97

BANKIEREN EEN KUNST IS

Een solide bankrelatie is van vitaal belang voor dynamische ondernemingen. Steeds meer zijn technologische vernieuwing en financiële kracht met elkaar verbonden Paribas beoefent het bankieren als een kunst. Zij brengt kwalitatief hoogstaande produkten. uitgebreid advies en een komplete service. Perfektie en professionalisme primeren. Paribas' financiële kow-how en internationale gerichtheid bieden de grootst mogelijke zekerheid.

2000 Antwerpen, Meir 85 2000 Antwerpen. Van Meterenkaai 4 bus 6 2018 Antwerpen, Desgumlei 102 bus 1 2018 Antwerpen, Schupstraat 13-15 bus 21 2030 Antwerpen, Noorderlaan 139

PARIBAS WAAfl

BAHKIËftEM

BMH

KU»|ST

IS


ONZICHTBAAR RESTAUREREN VAN STEEN met een VOLLEDIG MINERALE RESTAURATIEMORTEL Samengesteld uit: GEBROKEN NATUURSTEEN EN MINERAAL BINDMIDDEL

Onderscheidt zich door: - volkomen krimpvrije doorharding - zeer gemakkelijke verwerking - niet van echt te onderscheiden kleur- en textuurgelijkheid - even kleurvast als steen - perfecte aanhechting - net zo duurzaam als steen

Closter tuinmeubelen, uit het goede hout * gesneden Je koestert je tuin met veel zorg. De prachtige grasmat, de kleurrijke bloemperken, de stijlvol geknipte haag en het tuinpad rond de treurwilgen. Met andere woorden, je hebt van je tuin een park gemaakt. En... om daar optimaal van te kunnen genieten zijn tuinmeubelen wel erg belangrijk. Tuinmeubelen van "Closter" natuurlijk. Omdat "Closter", buiten zijn uitgebreide keuze, voor iedere smaak en elke plaats een gepaste oplossing weet te bieden.

^

AMONIT

AMONIT N.V. VISPLUK 27 - VORSELAAR B 2290 Tel. 32 14 50 03 24 Fax 32 14 50 03 23

ORIGINAL ENGLISH TEAK FURNITURE

TUINMEUBELEN, OOK OM NAAR TE KITKEN. Voor documentatie en een verdeler in uw buurt, bel, schrijf of fax Afra, KerkstraatlO, 2330 Merksplas, Tel; 014/63 36 39 - Fax: 014/63 50 90


OOK VOOR CULTUUR

DE

BANK

DIE

JE

RUIMTE

GEEFT


Maurice Delens Openbareindustriële&

privaatwerken Renovatie Restauratie Brugmannlaan 27 -1060 Brussel Telefoon 02/538 2970 Warenhuis W a u c q u e z van Architekt Horta


GTI KAARTEN 1

:

1 OO OOO

Deze kaart is de ideale streekkaart opl tl aardrijkskundig, kultureel en toeristisch gebied. Bedrukt op beide zijden, vormt zij een origineel geheel van topografische en vrijetijdsgegevens. De topografische voorzijde, is een samenvoeging en een generalisatie van de kaarten op schaal 1 : 50 000 en geeft een goed beeld van de geografische strukturen van het gekarteerde gebied. De toeristische en kulturele keerzijde is een interessante aanvulling van de topografische voorzijde en biedt benevens utilitaire gegevens, de mogelijkheid om de vrije tijd in een gekozen streek optimaal te gebruiken. Zijn ondermeer voorgesteld: de grote routepaden, de bewegwijzerde autocircuits, een selectie van de fietsroutes, natuurreservaten, ontspanningsoorden, merkwaardige gebouwen, enz. Het hoekvignet GTI (Geografie, Toerisme, Informatie) illustreert de verschillende aspecten van de kaart.

VERKOOPDIENST Louizalaan, 306 B-1050 BRUSSEL

HET NATIONAAL GEOGRAFISCH I N S T I T U U T

Tel: (02) 648 52 82 FAX : (02) 646 25 18

— Zo kan de geschiedenis

zich blijven

Zo treedt op een dag ons patrimo-

herhalen —

speelt, is dit een steuntje voor een monument, een stukje verleden of een

nium uit de schaduw. Zo maken we op een dag kennis

kunstwerk. Zo komen elk jaar tientallen miljoe-

met ons verleden. Zo verruimen we op een dag onze

nen vrij om onze geschiedenis te bewaren. En betekent een kans met de

blik met kunst; Al die dagen komen er mede dank-

Nationale Loterij tegelijk een kans voor talrijke opgravingen, restauraties

zij de Nationale Loterij. Want telkens wanneer iemand

of ontdekkingen.

© De Nationale Loterij. Een kans hebben is tegelijk een kans geven.


ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER...

• ALGEMENE BOUWCB • VERNIEUWBOUW • RESTAURATIEWt • GEVELWERKEN • NATUURSTEEN1 • BETON R EP A R ^ ^ SPECIALE IIC'HN

Heeft U zich al eens afgevraagd hoe het komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse klokkestoel van de prachtige Sint-Romboutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar nv vernieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Bèta systeem. Voor jaaareir Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangingswerken, Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel. doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert. Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/^^6.91.62

U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...

Solar

K.e ne Breeastraat 33,9100 St -Nik!;

Ook sterk in: gevelreimging - steenverhardmg - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtingswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremming.

.RNNINGHN:,

aüi^\ssh 5

Fax 050/31 03"73

DKLASSEB D2I KLASSE^

N.V. MODERN RENOVATION TECHNICS S A STABILITEIT

RENOVATIE - RESTAURATIE

-

- Droogleggen van muren. - Reinigen van gevels. - Verharden en waterwerend maken van natuur- en baksteen. - Restauratie van natuursteen. - Betonherstelling - Zwambestrijding - Houtwormbestrijding.

Technische studie-Berekeningen. Scheurinjekties van steen en beton. Consolidatie van muren. Plaatsen van chemische verankeringen. Plaatsen van trekkers-vijzeltechniek. Opvijzelen van konstrukties. Polymeerchemische restauratie van hout.

SOUVERAINESTRAAT 38/42 - 9800 DEINZE - TEL. 091/86.97.67 - FAX 091/86.98.26

RfWlOVE

Wat baat het historische gebouwen te restaureren als ze beklad worden met GRAFFITI ? Met het Zweedse natuurprodukt PSS 20, beschermt U de nobele gevelmaterialen, zonder deze van uitzicht te doen veranderen. Bovendien kan alle nieuwe graffiti verwijderd worden met WARM WATER. Proefrapport WTCB beschikbaar. Talrijke referenties. Info: Adviesburo André ROELANTS Fuchsiasstraat 17, B 2 1080 BRUSSEL Tel. / Fax : 02/425.95.94 We nemen deel aan de Vakbeurs "Uitrusting van Openbare Diensten". Van 14 tot 17/5/1991 op de Heizel te Brussel. Palais 9, stand 9129


16

M&L

(WILT

GIJ HET VOLKSHUIS VAN BRUSSEL LEREN KENNEN ?" J O S V A N D E N B R E E D E N , Si n t - L u k a s a r c h i e f

Groepsfoto van de .dienst der beenhouwerijen', op het dakterras van het Volkshuis (foto Smt-Lukasarchief)

"80.000 personen voeden zich met het verkochten geen sterke dranken, maar wel brood, het vleesch en de kruideniers- uitmuntende bieren en goede wijnen. De wijnen werden door het Volkshuis gewaarwaren van het Volkshuis". borgd "als zijnde natuurlijk en vervaardigd wet Deze zinnen en nog veel andere dingen druivensap, niet geklaard bij middel van pleister kan men lezen In de propagandaen vrij van versnijding of vermenging". brochures (1) uitgegeven door de Al de koffiehuizen bezaten "eene groote feestzaal Coöperatieve van het Volkshuls: vóór de voor de vergaderingen, toneelopvoeringen en Eerste Wereldoorlog beschikte zij over cinema-vertooningen". De kolendienst leverde drie bakkerijen, een kolenmagazijn, een tweemaal per week aan huis de beste Belgische magazijn van "gemaakte kleederen en kolen. De "Groote Magazijnen van Gemaakte Kleeren en Nieuwigheden"waren 25 % beterkoop ellewaren", vijf beenhouwerijen, zeven dan 't is eender waar. Volkshulzen, een "middenmagazijn voor kruidenierswaren en 28 bijhuizen. Zij verkochten "het beste, het goedkoop- En dan was er de onderlinge verzekering voor personen tussen 18 en 40 jaar. Om kosteloos te ste en het profijtelijkste brood". kunnen genieten van dokter en medicijnen "Het smakeiijk, gezond en krachtig volstond het om in 1911 voor 75 franken per zes vleesch van allereerste keuze" werd in maand aan te kopen in het Volkshuis of voor de model beenhouwerijen van eerste 2.90 frank wekelijks. De raadplegingen bij een orde te koop aangeboden. 25-tal geneesheren in het Brusselse konden ook op zonen feestdagen in de voormiddag. Bestellingen werden opgenomen door De "kostelooze geneeskundige raadplegingen " "den loopjongen". konden in het "Dispensaar César De Paepe "; een leger van apothekers en van vroedvrouwen waren erkend door het Volkshuis in alle gemeen'e "dienst der kruidenierswaren" had een ( ten van de Brusselse agglomeratie en tot in centraal magazijn en 28 hulphuizen in Brussel en Vilvoorde. omliggende. De koffiehuizen van het Volkshuis

D


M&L

17

Tenslotte was er de Socialistische pers, "het machtigste middel om de ontvoogding der arbeidsklasse te bewerken ", tegenover de Kapitalistische pers. Deze "behoudt de arbeiders in de onwetendheid nopens hetgeen hen ontvoogden kan: ieder bewuste socialist, ieder werkman die zich over de verdediging zijner rechten bekommert, ieder werkman die door geleerdheid tot de ontvoogding wil komen, leest de bladen der Werkliedenpartij, sluit zich aan bij zijne Vakvereeniging en bij zijnen Werkersbond. Hij woont de leergangen en de voordrachten bij en bezoekt regelmatig de bibliotheken der Partij".

"WIJ WAREN RODEN" (2)

De triomfalistische affiche van IJ. Van Biesbroeck voor de inhuldigingsfestiviteftenvanhetVolkshu\s.Dimanche2et Lundi 3 avril (WW) Jours de Paquef (verzameling Horta Museum, Sint-Gillis)

verbeteringen die tegen een hoge prijs werden bereikt bij de transformatie van de wijk" (4). In een artikel, verschenen op 2 april 1899 in de krant l'Indépendance Beige lezen we een en ander over het moeizame ontstaan van het gebouw. De architect, Victor Horta, had zes maand nodig om de plannen voor te bereiden, drie maand voor het nettekenen op schaal. Een vijftiental tekenaars onder de deskundige leiding van architect Richard Pringiers, een belangrijk medewerker van Horta, werkten gedurende anderhalf jaar aan het uittekenen van plannen en details op ware grootte. De architekt gebruikte voor zijn plannen ongeveer 75 rollen papier van 75 meter lengte op 1,5 meter breedte. Dat geeft een oppervlakte van 8.437,5 m2; het komt ongeveer overeen met de oppervlakte van de Brusselse Grote Markt die bijna één hectare groot is. De tekenaars werkten van 8.30h 's morgens tot dikwijls laat in de avond. Van 1897 tot eind 1898 werden de uitvoeringstekeningen gemaakt door vijf tekenaars, op basis van de ontwerpschetsen van de architect. Alle plannen werden nadien nagezien en verbeterd door Horta zelf, voor ze definitief werden uitgetekend. De grondwerken begonnen eind 1895, vooraleer het totaal concept was uitgewerkt en toegestaan. Dat had een onderbreking van de werkzaamheden voor gevolg; men kon nog niet aan de funderingen beginnen.

In 1895 besliste de Brusselse Arbeiderspartij een nieuw Volkshuis te bouwen. Het zou de verzamelplaats worden van vele diensten van de partij en het zou tevens door zijn vooruitstrevende architectuur het imago van de partij vormen. Zij kocht, voor de prijs van 228.000 frank, op een strategisch uitgelezen plek halverwege de hoogstad en de laagstad, een terrein aan van 13 are, voor de prijs van 228.000 frank. Hoewel het terrein een onregelmatige vorm had, was een lange gevelontwikkeling van de Samaritanessestraat en de Duivenstraat over het later naar Emile Vandervelde genoemde plein tot de Joseph Stevensstraat mogelijk. Op 26 maart 1896 werd de bouwaanvraag ingediend door de afgevaardigde bestuurder van het Volkshuis, Camille Standaert (3). Het rapport van de ambtenaar van de Stad vermeldt dat volgens het bouwreglement in elke gevel de toegelaten hoogte wordt overschreden: in de Samaritanessestraat zelfs met 15 meter, in de Duivenstraat met 8 meter en aan de Joseph Stevensstraat met 2 meter! Ondanks een geargumenteerde nota van Emile Vandervelde moeten de plannen toch aangepast worden. Maar de Stad geeft voor de gevels in de Samaritanessestraat en de Duivenstraat 90 centimeter toe en voor de gevels langsheen de Stevensstraat 1,6 meter, op basis van het bouwreglement en omwille van precedenten in de omgeving. Uiteindelijk wordt er in de zijstraten een hoogte van 16 meter toegestaan en aan de Stevensstraat wordt de voorgestelde 23 meter hoogte toch aanvaard. Een nota van de Hoofdinspecteur van de Divisie Hygiëne meldt evenwel: "het valt nochtans te betreuren dat deze voor de arbeidersklasse belangrijke op te richten constructie een aantal kleine arbeidershuizen in de onmiddellijke nabijheid zal beroven van de hygiënische


18

• De gevel aan de Joseph Stevensstraat met ondermeer het magazijn en - net onder het groot dakterras de repetrtiezaal en de scène (in Rehme W„ Moderne Stadfebilder. Neubauten in Brussel, Verlag von Ernst Wasmutti Berlin, 1900, pi. 23)

Grondplan van het gelijkvloers, oorspronkelijke toestand (tekening Sint-Lukasarchiel). Men herkent er de hoofdingang (1) met voorportaal (2), grote hal (3) en monumentale trap; de kruidenierswinkel (6), de beenhouwerij (10), de cafézaal (13) en het magazijn voor linnengoederen en stoffen

M&L

Op 9 juni 1896 wordt de bouwtoelating officieel gegeven. Nadat men besliste de funderingen te bouwen en amper 300 a 400 m3 metselwerk had uitgevoerd, werden de werken onderbroken door vertraging in de levering van de blauwe hardsteen voor de plinten en de sokkels. De winter van 1896-1897 was erg hard, zodat men de volgende lente moest afwachten vooraleer de werken te kunnen hervatten. In een brief van 13 april 1897 vraagt aannemer Désiré Hulet aan de Stad de toelating om drie piketten op te richten aan de hoeken van het terrein om de niveau's te kunnen bepalen en de stenen van het in opbouw zijnde Volkshuis te kunnen oprichten. Midden 1897, toen men volop de grote metalen liggers optrok, dacht men dat het Volkshuis niet groot genoeg zou zijn en werden er aan de zijde van de Kapellemarkt twee nieuwe terreinen aangekocht. In plaats van verder te kunnen bouwen werd de pas opgerichte gemeenschappelijke muur weerom afgebroken, tot groot ongenoegen van de Samenwerkers die de werken niet zagen vooruitgaan. Dan bouwde men verder aan de verdiepingen en maakte de architect de plannen voor de grote spektakelzaal. Vanaf begin 1898 liep alles normaal. In oktober 1898 was de ruwbouw af. Het metaalwerk werd uitgevoerd door de ateliers Bertaux, het schrijnwerk door het Coöperatief Atelier van de Brusselse schrijnwerkers. Een veertigtal werklieden werkten gedurende anderhalfjaar hieraan. Glas en glasramen werden geleverd door een zekere Beukendorp en alle schilderwerk werd uitgevoerd door de Coöperatieve maatschappij, de Unie van Brusselse schilders. De uitvoering van de metaalwerken nam twee en een halfjaar in beslag.

Het kunstsmeedwerk werd uitgevoerd door Geesbergen, uit Ukkel. Met vijftien ambachtslui werkte hij er achttien maanden lang aan. Het ijzer en staal verwerkt in het Volkshuis woog tesamen 600.000 kg. Er was 2000 kubiek meter metselwerk, arbeid voor vijfentwintig metselaars gedurende twee en een half jaar. Er werd 250 kubiek meter witte steen verwerkt en 150 kubiek meter blauwe steen. Het Volkshuis werd met grote feestelijkheid ingehuldigd op zondag 2 april 1899, Rode Pasen.

"AH ! WAT EEN MOOI PROGRAMMA" (5) "Een paleis bouwen dat geen paleis zou zijn, maar 'een huis' waar licht en lucht de luxe zouden zijn, die in de krotwoningen van de arbeiders gemist werd" (6). Dat was het ideale programma, waarmee Horta voortdurend begaan was. Het feitelijk programma kon hij zodanig organiseren, dat de diverse belangrijke functies achter de gevels een uitdrukking in deze gevels kregen. Aan de zijde van de Joseph Stevensstraat lag het "Groot Magazijn" op de benedenverdieping, gedeeltelijk in de kelder, op de tussenverdieping en op een deel van de


M&L

De gevel aan het Emile Vanderveldeplem met ondermeer de hoofdingang Oinks), de cofézaal (midden) en het foyer van de spektakelzaal (boven) (jn Rehme W„ Moderne Stadtebilder. Neubauten in Brussel, Verlag von Ernst Wasmuth, Berlin, 1900, pi. 25)

De ingangspoort naar de grote hal en de spektakelzaal, op de hoek van het Emile Vanderveldeplem en de Duivenstraat (foto AC L, Brussel)

19

eerste verdieping. Uiterst rechts was er een dienstingang, die toegang gaf naar een grote binnenkoer en tot de stookplaats (een centrale verwarming met twee stookketels). Centraal gelegen aan het plein bevond zich op de benedenverdieping het "koffiehuis" (café): 8,5 meter hoog, 16 meter breed, 25 meter lang, zonder enige tussensteun of kolom. Het belang ervan als de grote "ontvangstruimte" werd duidelijk in de gevel uitgedrukt. Links van het café bevond zich de hoofdtoegang van het gebouw. Langs twee monumentale trappen bereikte men de spektakelzaal op de dakverdieping. In de Duivenstraat was er een beenhouwerij en in de Samaritanessestraat de kruidenierswinkel. Op de eerste verdieping bevonden zich de kantoren van de Coöperatieve. Op de tweede verdieping was er een kleinere feestzaal van 10 meter op 7,5 meter op 6,5 meter en 15 zalen voor de afdelingen, voorzien van ruime bergingen. Op de derde verdieping, was er buiten de spektakelzaal een repetitiezaal, een vergaderzaal voor de "Sectie Kunsten " en een foyer. De grote spektakelzaal kon 3000 personen bevatten. Ér waren 1700 zitplaatsen voorzien. Ze was de grootste ruimte, op het dak gebouwd en bekroond met een dakterras dat later tot tuin moest omgevormd worden. Vandaar had men een prachtig vergezicht over de stad. De spektakelzaal was groter dan de zaal van de Muntschouwburg : 60 meter lang, 16,5 meter breed. Tussen de scene en het uiteinde van de zaal was er een oplopend hoogteverschil van 1,4 meter. In de breedte was er een doorbuiging van ± 15 cm. Ze volgde er de curve van het plafond. De hoogte van de zaal varieerde van 10 meter tot 8,5 meter. Een galerij van 3,5 meter breedte liep aan weerszijden van deze zaal. Om een degelijke akoestiek te bekomen plaatste Horta klankschermen op 1,5 meter afstand van het plafond, gelijklopend met de galerijen. De spektakelzaal werd zijdelings verlicht door strokenramen onder en boven de klankschermen en ook achteraan in de zaal was er één groot venster. Zo kon ze ook gemakkelijk tijdens de dag gebruikt worden. Op de gevelplannen die Horta tekende, zien we als bekroning van de travee die de grote toegangspoort bevat, een halfopengewerkte koepelvorm. Het was zijn bedoeling om dit gedeelte van de gevel af te werken met een koepel in rode glazen bouwstenen, die inwendig voorzien van electrisch licht 's avonds zou oplichten en zo zijn rode gloed over heel de stad verspreiden ... op de feestdagen van de partij.

"MEN HEEFT MIJ GEKOZEN OM HET VOLKSHUIS TE BOUWEN" (7) Horta beweert in zijn memoires dat hij werd uitgekozen omdat men een architectuur wilde volgens zijn esthetiek, een nieuwe esthetiek die hij reeds voldoende tot ontplooiing had gebracht in de burgerhuizen die hij voordien creëerde: het


20

De dwarsdoorsnede toont duidelijk de ingenieuze inplanting van de spektakelzaal, haaks over de cafézaal (tekening Sint-Lukasarchief)

M&L

Tasselhuis, het Solvayhuis, het Van Eetveldehuis, om er een paar van de belangrijkste te citeren. Niet toevallig waren een aantal van zijn vorige opdrachtgevers "vrienden die zoals hij dezelfde algemene ideeën hadden". Men kan zelfs stellen dat Horta een hoogtepunt had bereikt in de vernieuwing van de bouwkunst met het ontwerp voor het Van Eetveldehuis aan de Palmerstonlaan nummer 4, dat hij midden 1895 maakt. Het Volkshuis is evenwel zijn eerste bestelling op het vlak van de grote bouwprogramma's. Nochtans blijft zijn ingesteldheid analoog met deze waarmee hij de diverse burgerwoningen ontwierp. Het programma van het Volkshuis wordt opgevat zoals een programma voor een "groot" huis, waarin de arbeiders zich thuis moeten voelen. De gevelontwikkeling van het Volkshuis vormde, zoals meer dan eens voorkomt in Horta's werk, een discontinu geheel, dat duidelijk zo bedoeld was door de ontwerper. De verschillende functies samengebracht achter één gevel werden er afzonderlijk tot uitdrukking in gebracht. Er werden enkele grote accenten gelegd. De hoofdtoegang naar de grote feestzaal, op de hoek van het Emile Vanderveldeplein en de Duivenstraat, werd benadrukt door de monumentale poort en - zij het slechts op tekening - door de lichtgevende koepel" op het dak. In het uitgeholde deel van de gevel aan het Emile Vanderveldeplein was het de dubbelhoge ruimte van het café met zijn glazen gevelwand, die duidelijk uitkwam. Langsheen de Joseph Stevensstraat was het "Groot Magazijn " met zijn zes grote uitstalramen opvallend in de gevelcompositie. Het doorlopend balkon op de derde verdieping vormde een ononderbroken verbindingselement in de horizontale compositielijnen van de gevel, samen met de continue balustrade van het dakterras, waarachter de bedaking van de grote spektakelzaal verborgen lag. De gevel, die bijna volledig uit glasoppervlakten bestond, kon zich "feestelijk" tooien : 's avonds, met interieurverlichting, straalde hij het licht naar het plein toe (de niet-gebouwde roodglazen koepel zou vanuit vele gezichtshoeken in de stad zichtbaar geweest zijn). Bij feestelijkheden kon er niet alleen op het plein zelf en in het café een massa volk samenstromen, maar ook op de balkons en op het dakterras vonden zij plaats. De toeschouwers op het plein konden toegesproken worden vanaf een speciaal daarvoor ontwor-

pen balkon, aansluitend bij de vergaderzaal, rechtsboven de grote toegangspoort. Het gebouw, getooid met vlaggen en wimpels, waarvoor speciale masten werden voorzien, kon samen met het aanwezige volk omgetoverd worden tot één grandioos feestpaleis, een nieuwsoortig paleis uit staal en glas... . Het kwam pas volledig tot leven samen met zijn bewoners en zijn gebruikers. Horta's architectuur is duidelijk op die vorm van symbiose gesteund. Hij maakte in dit gebouw een zeer mooie evokatie van het specifieke bouwprogramma en van de eigen noden van een vooruitstrevende en militante socialistische partij. Zijn nieuwe aanpak in architectuur geeft daaraan nog een sterker karakter. Op het vlak van de constructie zijn er twee ruimten die vermeldenswaard zijn door de eigen en tegelijk rationele wijze van aanpak door Horta. De constructie is er een zichtbaar en een essentieel element van de totale ruimte-opvatting : dat is erg opvallend in het café en in de grote spektakelzaal. In Horta's oorspronkelijke optiek waren deze beide ruimten, hoewel respectievelijk op de benedenverdieping en op de derde verdieping gelegen, bedoeld om structureel-constructief één


M&L

21

Door het schuinstellen van de kolommen in de spantstructuur, zoals hij ze voor deze zaal bedacht, waren de optredende buigmomenten, die in de constructie ontstonden door de dakbelasting en door de windkrachten, kleiner dan in een conventionele (rechthoekige) portiekstructuur. Met zijn oplossing benaderde hij tevens de boogvorm. Ook werd er de overspanning van de ruimte mee gereduceerd, vermits de uiteinden van de vertikale spantbenen door de inclinatie dichter naar elkaar toekwamen. De golving van het plafond had weliswaar een akoestische functie, maar suggereerde bovendien de doorbuiging van de grote en slanke horizontale spantliggers.

Binnengezicht in de cafezcral, naar de langszij geplaatste toog ön Rehme W„ Moderne Stadtebilder, Neubauten in Brussel, Verlag von Ernst Wasmuth, Berlin, 1900, pi. 25)

geheel te vormen. Hij wou het gewicht van de grote spektakelzaal, samen met dat van de verdiepingen opvangen in de constructieve structuur van het café zelf (8). Het metalen spantwerk van het plafond van de caféruimte werd in een lichte boogvorm opgesteld. De kolommen werden vóór de zijmuren van deze ruimte opgericht en bovenaan ontdubbeld tot sierlijk golvende consoles, die aldus door hun uitkragende vorm de totale overspanning van 16 meter breedte reduceerden. De stalen poutrellen verdeelden het plafond in een soort van vlakke "ribbengewelfstructuur" . Structuur werd hier gelijkgesteld aan architectuur. Met de metaalstructuur in de grote spektakelzaal ontwikkelde Horta nog andere mogelijkheden. Hier ontstond zijn bouwkunst uit het raffinement van een uiterst lichte spantconstructie die zuiver haar eigen structurele kenmerken aantoonde. Horta nam zomaar niet het metaal over uit de wereld van de ingenieur of uit de voorbeelden van de grote overspanningen die hij in dat materiaal elders had gezien. Hij gaf aan het ijzer en het staal vooral doorheen zijn gevoelsmatig constructief denken, een symbolische uitdrukking van krachten, spanningen, vervormingen en doorbuigingen om er uiteindelijk evenwicht mee voor te stellen.

De wijze waarop Horta met de overkragende galerij en met het hoger aangebrachte klankscherm een ingewikkeld spel van gewichten en tegengewichten opbouwde, verdient evenzeer de aandacht. De grote overkraging van de galerij (±3,5 meter), haar eigen gewicht en de mobiele belasting van de toeschouwers, zouden in de opstaande kolommen op het aanhechtingspunt plaatselijk een groot inklemmingsmoment doen ontstaan. Dat ving Horta echter op door de uiteinden van de galerij te verbinden via trekstaven met de erboven verwerkte structuur die de klankschermen droeg. De zijbalkons hingen dus op aan de spantstructuur, terwijl in deze zone van ophanging aan het andere uiteinde een tegengewicht werd gevormd. Zo werd een groot inklemmingsmoment praktisch opgeheven en vervangen door een langskracht in de schuin opstaande spantstructuur zelf. Dat Horta de metaalstructuur zichtbaar liet als volwaardig element in deze ruimte was nieuw en interessant. De spanten waren helrood geschilderd tegenover de beige achtergrond van de muren. Zo werd de constructie duidelijk, zuiver en rationeel in al haar eigenheid getoond aan de toeschouwer en was ze tevens het enige decoratieelement in de ruimte. De structuur, deed zich in feite voor als een "levende" (doorbuigende) structuur en als één en ondeelbaar met de architectuur. De rol van het daglicht in zijn architectuur was even primordiaal. Het zacht golvend nervurenplafond van de spektakelzaal werd als het ware ondersteund door twee stroken daglicht, dat er op die plaats in de ruimte viel. De zichtbare stalen spantstructuur, waartussen de wanden als dunne membranen spanden, riep op zichzelf reeds tot en met het kleinste detail een hele natuurachtige wereld op. Van het podium tot aan het uiteinde van de zaal glooide de vloer zacht om er uiteinde-


22

M&L

De grote spektakelzad (oorspronkelijke toestand) gezien vanop het balkon achteraan fln Rehme W, Moderne Stadtebilder Neubauten in Brussel. Verlag von Ernst Wasmuth, Berlin, 1900, pi. 28)

lijk een niveauverschil van bijna anderhalve meter te vormen. In de breedterichting had de vloer een kleine doorbuiging (in het midden ± 15 centimeter) en sloot zo in zijn curvevorm organisch aan bij het licht golvend plafond. Horta creëerde er een interieur dat "efemeer" scheen te leven rond de bewoners. Met de natuur als referentie vormde hij uit steen, glas en staal een architectuur die haar leidend beginsel vond in de mens en in zijn beleving van het "wonen" in dit specifiek voor hem ontworpen gebouw. Een volledige bespreking van het interieur van het Volkshuis zou ons te ver voeren (9). Over het geheel, maar ook over alle details, tot en met de kleinste werd er nagedacht en werd er een oplossing gegeven die anders was dan de gangbare. Elk element, hoe klein ook, werd thema voor architectuur. Er werd niets aan het toeval overgelaten.

aan de Regering ongeveer 2000 frank per vierkante meter bebouwde oppervlakte en het Justitiepaleis ongeveer 2100 frank". De partij had ook haar steentje bijgedragen tot de verfraaiing van de stad Brussel... zij had immers een nieuw monument voor de toekomst opgericht. En in feite was dit nog maar een begin... "Nu dat het Nieuw Volkshuis ingehuldigd is, dat de feesten die plaats gehad hebben eenen bijval genoten hebben zonder weerga, moeten wij ons allen beijveren om nog meer vooruit te gaan, want er zijn nog groote dingen te verwezentlijken".

VOETNOTEN

(1)

(2)

(3) Op esthetisch, architectonisch en constructief vlak scheerde het Volkshuis de hoogste toppen. (4) Meer dan eens vroeg men zich af hoeveel dat speciaal gebouw, opgericht onder impuls van een (5) jonge en dynamische partij dan wel gekost had ? (6) In de krant L'lndépendance van 2 april 1899 lezen (7) we het volgende: "Een beetje meer dan één miljoen (8) frank, prijs van het terrein inbegrepen. (...) Per vierkante meter bebouwde oppervlakte kost het nieuwe Volkshuis 550 frank, een niet te hoog bedrag, als men weet dat een gewoon huis met twee(9) verdiepingen 300 frank kost. Het Paleis voor (10) Schone Kunsten aan de Regentschapsstraat kostte

Titel en teksten uit een propagandabrochure, verspreid door "Het Volkshuis van Brussel, Samenwerkende Werkersmaatschappij". Brussel, 1911. Horta V., Mémoires, Texte établi, annoté et introduit par Cécile Dulière, Bruxelles, 1985. Stadsarchief Brussel, Dossiers Openbare Werken nr. 13071, bouwaanvraagdossier. Verslag d.d. 15 april 1896 van de "Inpecteur en chef de la Division d'Hygiène, Stadsarchief Brussel, dossiers Openbare Werken nr. 13071. Horta V., Mémoires, op. cit., p. 48. Horta V., Mémoires, op. cit., p. 48. Horta V., Mémoires, op. cit. Horta vertelt in zijn memoires dat de jonge ingenieur Charles De Keyser een fout begin in de berekeningen, waardoor het gehele opzet van de draagstructuur in het gedrang kwam. Men moest zijn toevlucht nemen in het aanbrengen van zware stalen balken op de verdiepingen om zo het eigen gewicht van de grote spektakelzaal op te vangen. Zie hiervoor: Delhaye J., Dierkens-Aubry F., La Maison du Peuple de Victor Horta. Bruxelles. 1987. La Maison du Peuple, Bulletin spécial de la Cooperative Ouvrière, 5me Année, avril 1899, Vlaamsch Overzicht, p. 6.


M&L

23

VAN VOLKSHUIS TOT SCHROOT. ACHTERGRONDEN VAN EEN KWARTEEUW FALEN MARCEL M. CELIS,

"Au moment de partir en mission a l'étranger, J'apprends que la Maison du Peuple de Victor Horta estmenacée de destruction. Ainsi disparaïtrait i'une des oeuvres les plus significative du maitre et qui appartient incontestablement a l'hlstoire glorieuse de 1'architecture moderne en Belgique".

B.M.L.

Het telegram dat de Société Centrale d'Architecture de Belgique (S.C.A.B.) op 19 september daaropvolgend aan Voorzitter Lefebure laat geworden, laat alvast weinig meer aan de verbeelding over: "Apprenom avec stupefaction Ieprojet de demolition d'une oeuvre majeure de Victor Horta, Ia Maison du Peuple de Bruxelles. Osons compter sur votre intervention pour éviter Ia disparition d'un chef d'oeuvre d'architecture de reputation internatiomIe,\

Met deze door een bang voorgevoelen gedragen woorden aan René Lefebure, Voorzitter van de nog unitaire Konink-

EEN "INTERESSANT" DOCUMENT

lijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, leidt Robert Puttemans, "Architecte S.A.D.BR. et S.C.A.B., Ingénieur E.T.P." (1) en sinds 1960 lid van deze Koninklijke Commissie, op 14 september 1963 een nieuw, kennelijk lastig en vaak passioneel, maar — achteraf beschouwd — uitermate navrant dossier in (2).

Jette, voorjaar 1988: een vracht spantonderdelen van de voormalige spektakelzaal wacht op de verhuizing naar Gent (eigen foto)

Wat hieraan voorafging, de ware beweegredenen tot de fatale afloop, de voorgehouden bouwvalligheid van het complex, maakten sindsdien het voorwerp uit van nogal wat geschriften en publikaties (3), samen te vatten tot in het bijzonder twee figuren, twee uitspraken. Camille Huysmans vooreerst, die op 16 oktober 1964 in het dagblad Le Peuple de beruchte boutade zou verkopen: "Laissez done Horta en paix! Il ne vaut pas qu'on s'occupe de lui. La Maison du Peuple de la Place Emile Vandervelde est une construction lamenta-


24

M&L

ble". Victor Horta zelf, vervolgens, die zich in zijn conserver ce document interessant; toutefois les memoires bitter zou uitlaten over het eigen leven circonstances du moment nous paraissent peu dat het Volkshuis was gaan leiden: "Depuis lors la propices a la realisation de pareil sauvetage". Maison du Peuple a été agrandie sans mon Wordt met "circonstances du moment" concours, peinte et repeinte sans souci de ce qu'elle dan misschien bedoeld dat verder aandringen étaitd l'inauguration. Elle n'apu grandirproportio- nauwelijks nog zin heeft, vermits intussen, nellement au parti. A la refaire, il faudrait lui op 26 november 1963, onherroepelijk de bouw- en donner un tout autre caractère, car elle n'est plus endus slopingsvergunning door het Bestuur van de rapport avec un parti dominant les autres. Stedebouw werd afgeleverd (5). L'enseigne d'hier n'est plus celle d'aujourd'hui. Si — comme déja plusieurs autres de mes oeuvres - on la démolissait, je n'en serais guère étonné" (4).EEN M4N/f£5r PROTEST Welk onmiddellijk concreet gevolg door de Ondanks de ruim 600 meest eminente verontwaarKoninklijke Commissie gegeven werd aan de digde protesten, volgend op het gezamenlijk door noodkreet van de S.C.A.B. is niet meer met de Société Centrale d'Architecture de Belgique en zekerheid te achterhalen. Feit is dat haar Brabants de Société des Urbanistes et Architectes Modernistes Comité van Briefwisselende leden in vergadering (S.B.U.A.M.) eind 1963 verspreide drietalig van 23 december 1963 in kennis wordt gesteld van Manifest (6), spijts de unaniem, onder Voorzitterhet uitermate lovend verslag van architect Alfred schap van Piero Gazzola, door de meer dan 700 Ledent, die met betrekking tot het bedreigde aan het 2de Congres International des Architectes Volkshuis zondermeer besluit dat "Pour nous, elle et Techniciens des Monuments Historiques est un document précieux qui se doit d'etre conservedeelnemende deskundigen goedgekeurde Motie et nousfaisons appel a la logique pour que soit allié tot behoud van het Volkshuis, is het nu overduideIe beau a futile et que soit respectée l'oeuvre du lijk dat alle middelen tot een behoud in situ zijn XlXe siècle en proposant son classement". uitgeput. Dat "Ce rapport a donné lieu a un échange de vue au sein du Comité" moet dan ook als een nogal Dit laatste, in de annalen van de Monumentenzorg doorzichtig eufemisme worden geïnterpreteerd, unieke gebeuren, waarvan de verdienste dient te gezien het — minstens sibillijns te noemen — door worden toegeschreven aan Victor G. Martiny, Gouverneur Jean de Néeff op 14 januari 1964 aan toenmalig Voorzitter van de S.C.A.B. (7), wordt de Commissie kenbaar gemaakt advies: "{...} sans in de Franstalige Socialistische pers overigens la mettre sous la protection de la loi du 7 aoütl931 schamper naar de prullenmand verwezen: sur la conservation des monuments et des sites, la "Plus de 700 architectes, archéologues, historiens maison du peuple devrait être conservée comme Ie d'art et juristes représentant 58 pays différents ont témoin d'une époque en raison de sa valeur done voté une motion par acclamation oü Us historique et architecturale. La possibilité de s'adressent "aux autorités belges pour que tout soit conserver eet immeuble devrait dés lors être mis en oeuvre pour protéger ce qui peut être sauvé examinee a ioccasion de l'élaboration des projets de cette oeuvre maitresse de Victor Horta" qu'est la de construction du nouveau complexe a ériger". Maison du Peuple de Bruxelles. Nous savons ce que valent les resolutions, même approuvées par acclamation par 700 congressistes: Dat ook de Koninklijke Commissie nog maar cela ne coüte pas grand-chose de les voter. weinig verwacht te bereiken ten gunste van het (...) Que veulent ces messieurs? Que Ie gouverneVolkshuis, geeft ze reeds op 6 februari te kennen ment de Theo Lefèvre fasse arrêter les travaux en aan Henri Janne, Minister van Nationale Opvoecours place Emile Vandervelde et que Ton continue ding en Cultuur, in duidelijke, weinig aan de a payer des millions chaque année pour entretenir verbeelding overlatende bewoordingen: "L'attention de notre College est appelée sur Ie un edifice branlant et poussiéreux?" (8) projet de demolition de eet immeuble qui serait remplacé par un grand complexe avec marché Er blijft de nu vrijwel geïsoleerde S.C.A.B., en couvert. Cette demolition priverait Ie patrimoine meer in het bijzonder de leden van haar in 1960 monumental de notre pays d'un jalon, témoin de opgericht Comité Victor Horta (9), geen andere revolution artistique en Belgique au début du siècle keuze meer dan tegen beter weten in op zoek te actuel (...). Tout comme nos collègues de la gaan naar kandidaten om eventueel te demonteren province du Brabant, nous souhaiterions voir gedeelten van het Volkshuis een onderkomen te


M&L

De cafézaal lijdens de ontmantelingswerken,, (foto's J. Delhaye)

25

bezorgen, èn naar middelen om de operatie te bekostigen. De Henegouwse gemeente La Louvière laat haar aanvankelijke belangstelling al gauw varen; de schenking van een Art Nouveau-concertzaal aan Stavelot kent geen concreet gevolg, noch de verwerking van het Volkshuis tot een nieuw gemeentehuis in Bastogne; de Rijksuniversiteit Gent verklaart zich bij monde van A. Van de Walle, hoofdconservator van het Gentse Museum voor Sierkunsten, bereid een bouwterrein ter beschikking te stellen, maar stuit op de koele houding van de Stad. 's Lands Musea reageren overigens schoorvoetend — Philippe RobertJones, hoofdconservator van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten heeft plaats noch

geld — of helemaal niet. Ook een schriftelijke oproep tot mogelijk geïnteresseerde buitenlandse instellingen kent niet het verhoopte resultaat, al geven ondermeer het Museum of Modern Art (New York), die Neue Sammlung (München), het Museum of Art (Philadelphia) het American Institute of Architects (Baltimore), het Stadtliche Museum (Berlin) het Finlands Arkitektermuseum (Helsinki) en het Frankfurter Stadelsches Kunstinstitut te kennen wel enkele decoratieve elementen te kunnen gebruiken.

EEN SLOPING MET STAATSTOELAGE

Intussen nadert de aanvangsdatum van de slopingswerken met rasse schreden. Volgend op een voorafgaand onderhoud, laat het Comité Horta op 15 april 1965 de Inspectie van Financiën van het Ministerie van Nationale Opvoeding een gedetailleerde raming geworden van de kosten verbonden aan de beoogde recuperatie van enkele architecturale ensembles van het Volkshuis (de grote feestzaal, het café, de hal met monumentale trap) en van fragmenten bestemd voor diverse musea, te zamen 2.982.000 frank, vergoeding van de sloper, demontage, transport, berging en toezicht op de werken inbegrepen. Nog moet met lede ogen aanzien worden hoe begin mei met de afbraak van het bouwwerk wordt gestart ... tot eindelijk, op 14 mei, de allerlaatste Ministerraad vóór de Parlementaire verkiezingen van 23 mei daaropvolgend, op de valreep beslist tot de vastlegging "van een uitgave van 3.000.000 frank met het oog op de toekenning van een uitzonderingstoelage bestemd voor het uiteennemen, het vervoer en het ineenzetten van het Volkshuis te Brussel, oeuvre van Victor Horta". Slechts op 1 september 1965 zal een besluit van de Franstalige en Nederlandstalige Ministers van Nationale Opvoeding en Cultuur, Paul de Stexhe en A. De Clerck, ook formeel deze subsidie toekennen aan de S.C.A.B. "teneinde deze vereniging in de mogelijheid te stellen de uitgaven te dragen voortvloeiende uit de verbintenissen onderschreven in haar hierbijgevoegde verklaring van 2 juli 1965".

mm

M

Met de verklaring waarvan sprake, namens de S.C.A.B. ondertekend door Pierre Puttemans en Jean Delhaye, verbindt deze zich ertoe de subsidie effectief te besteden voor het beoogde doel. In een amendement op deze verklaring neemt de S.C.A.B. daarenboven de verbintenis aan


26

M&L

De grote spektakelzoal - met de resten van het podium-tijdens de demontage van de spontonderdelen (foto J, Delhaye)

"1. a ne disposer des elements provenant de Ia Delhaye, Louis Herman De Koninck en Pierre Maison du Peuple qu'avec l'accord du Ministre dePuttemans; op hun verzoek worden ze hiervoor {'Education Nationale et de la Culture; bijgestaan door ingenieurs van het studiebureau 2. a imputer sur Ie décompte des dépenses afférentesEtudes et Constructions N.M.V.. Door Minister aux operations visées ci-dessus, Ie montant des van Openbare Werken Georges Bohy was in cessions éventuelles". Tervuren, nabij het Museum voor Midden-Afrika, een open, onafgewerkte, betonnen skeletbouw ter beschikking gesteld waar de stenen, stalen, gietijzeren en zelfs houten elementen vrij zorgEN NU? vuldig en voorzien van een demontage-nummer vrachtwagen na vrachtwagen worden verzameld. De spectaculaire maar omslachtige ontmanteling Toch maakt Jean Delhaye reeds op 13 september van het reusachtige Volkshuis zal pas beëindigd worden op 24 februari 1966. Die hele tijd wordt de van hetzelfde jaar André Leveque, de nieuwe delicate — maar niet altijd met zorg uitgevoerde Voorzitter van de S.C.A.B., erop attent dat operatie — namens de S.C.A.B. van nabij gevolgd sindsdien — "il y a plus de 7 mois!" — geen stap en georganiseerd door de architecten Jean verder werd gezet. Terwijl aan het Brusselse


M&L

Tetvuren, voorjaar

1981. Eén der Iwee drieledige konsoles die het balkon van de voorgevel schraagden, boven de hoofdingang (eigen foto)

De stapelruimte in Tervuren, voorjaar 1981, Tussen de ijzeren onderdelen herkent men de sierlijke éénledige konsoles van het balkon oan de hoofdgevel, naast spantelementen van de spektakelzaal (eigen foto)

27

Emile Vanderveldeplein de — tot op heden — meest wandrochtelijke hoogbouw van de hoofdstad uit zijn grondvesten groeit, raken de brokstukken van het Volkshuis stilaan in de vergeetboek, in 1968 nauwelijks even opgeschrikt bij het verschijnen, in de Cahiers Henry Van de Velde, van Jean Delhaye's Victor Horta et la Maison du Peuple, de allereerste monografie over het vroegtijdig ter ziele gegane, voortaan mythische bouwwerk (10). Hoop, maar ook nieuwe verwikkelingen dagen, wanneer Raymond M. Lemaire, bij schrijven van 22 mei 1969 aan Provinciaal Hoofdarchitect Victor G. Martiny te kennen geeft belangstelling te hebben voor de gedemonteerde elementen van de vroegere feestzaal. In het Waals-Brabantse Ottignies worden immers plannen gesmeed voor de verdere uitbouw van de nieuwe U.C.L.De Raad van Beheer van de V.U.B., bij monde campus, en "Pour une nouvelle ville, ce serait van zijn Voorzitter August De Winter, houdt zich evidemment une benediction que de pouvoir ontwijkend. Typerend is de latere reactie van enrichir son jeune patrimoine d'une construction Renaat Braem die, hierover door V.G. Martiny aussi prestigieuse que cette grande oeuvre de Victorop 22 juni 1971 aangeschreven, per kerende laat Horta". weten door het voorstel bijzonder vereerd te zijn, concrete plannen nog voorbarig acht maar, zelf gelast met de bouw van het administratie- en Nog gaat bijna een jaar voorbij vooraleer de rectoraatsgebouw niet meteen ziet hoe de feestzaal geadresseerde op 2 februari 1970 Robert Puttevan het Volkshuis daarin zou kunnen passen. mans — nog steeds voorzitter van het Comité Horta — op het hart drukt de U.L.B, vooreerst, de V.U.B, vervolgens, aan te sporen om de Teneinde de U.C.L. voldoening te geven maar fragmenten van het Volkshuis te verwerken bij de tegelijkertijd tegemoet te komen in de heropbouwuitbouw van hun nieuwe campus op het Etterkosten — door Jean Delhaye geraamd op een beekse voormalige oefenplein: "la maison du 10 miljoen frank — dient de S.C.A.B. op Peuple de Bruxelles a incontestablement marqué la11 december 1973 en op handtekening van haar vie politique du pays comme revolution de Voorzitter V.G. Martiny, bij Baron Pierre Wigny, l'architecture; son architecte fut Professeur a sinds eind 1968 Voorzitter van de Franstalige l'Université de Bruxelles (...). Et s'il s'avérait que sectie van de Koninklijke Commissie voor l'U.L.B. veuille les méconnaitre par mépris du Monumenten en Landschappen, een verzoek in "style 1900", je crois que la V.U.B, ne diraitpas tot bescherming als monument "de toutes les pieces non, d'autant plus que Horta était un enfant de métalliques de l'ancienne Maison du Peuple Gand". En verder: "Cinq années ont passé depuis actuellement entreposées a Tervueren...". Ie demontage; il suffirait de tien peu de choses — un nouveau déménagement des elements par exemple — pour que tous nos efforts soient anéantis". Het antwoord van Henri Simonet, Voorzitter van de Raad van Beheer van de U.L.B., laat niet op zich wachten. Reagerend op diens brief van 16 februari 1970 laat hij Robert Puttemans op 10 maart weten dat "Après examen de votre proposition, j'ai Ie regret de vous informer que l'Université ne peut envisager de réutiliser ces matériaux pour les nouvelles constructions prévues".


'Ê

MA

'-

I

(

j S èsM ',\.


M&L

29

Het duurt toch nog 5 maand eer de — sinds 1968 in twee autonome secties opgesplitste — Koninklijke Commissie op 17 mei 1974 aan Henri-Franfois Van Aal, Minister van Franse Cultuur, een voorstel laat geworden tot bescherming als monument van de gevrijwaarde grote ensembles van het Voikshuis.

Voikshuis in dit in aanleg zijnde park. Geconfronteerd met de dreigende verdwijning van het Voikshuis naar het buitenland, geeft deze in februari 1979 zijn Directeur-generaal Max Wasterlain opdracht bij de S.C. A.B. een haalbaarheidsstudie te bestellen. De conventie terzake, tussen het Ministerie van de Franse gemeenschap enerzijds en de architecten Jean Delhaye, Robert Op 2 april 1975 brengt Constant Pirlot, Bestuurs- Courtois en Pierre Puttemans anderzijds, wordt gesloten in oktober daaropvolgend. directeur van de Administration du Patrimoine culturel, de Franstalige sectie van de Koninklijke Vergaderingen, plaatsbezoeken en cijferwerk resulteren nochtans pas in mei 1982 in een Commissie in kennis van de — negatieve — voorontwerp: een cultureel- en sportcentrum, met beslissing van de Franstalige en Nederlandstalige herbruik van de grote feestzaal, het café, de excellenties. Geen wonder, wanneer uit de nota Matteod-zaal en enkele elementen van de van zijn administratie aan de Ministers H.-F. Van ingangshal en van de voorgevel. De kostprijs van Aal en Rika De Backer-Van Ocken, blijkt dat de heropbouw, geraamd op een 61 miljoen frank, "Nous estimons qu'un tel classement n'est pas possible. En effet, la loi de 7aoütl931 dispose que dient overigens nog te worden vermeerderd met (...) les monuments et edifices dont la conservation een bijkomende 132 miljoen voor de aanbouw van est d'intérêt national au point de vue historique, een nieuwe multi-sportzaal (11). artistique ou scientifique sont, en tout ou en partie, De onmogelijkheid om de zowat 130 ton in classes par arrêté royal et places sous la protectionTervuren opgestapelde bouwmaterialen te de l'Etat. Les elements architecturaux vises en la verzetten, te identificeren en op te meten, naast matière ne peuvent dans l'état ou ils se trouvent être de financiële prioriteit die door de Franse Gemeenschap te Brussel gegeven wordt aan de considérés comme monument ou edifice. geschiktmaking van het Kruidtuin-gebouw en de Au surplus, l'arrêté royal de classement doit Hallen van Schaarbeek, zetten inderdaad een mentionner la commune ainsi que les parcelles nieuwe domper op de kortstondige vreugde. cadastrales sur lesquelles les biens classes se trouvent, ce qui n 'est pas possible puisqu 'il sagit ici d'elements architecturaux démontés". < • Ruim 7 jaar liggen de ijzeren, gietijzeren en stenen bouwonderdeien van het Voikshuis te grabbei op een weide in Jette, enkei beschermd door de overwoekerende plantengroei (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief)

VAN KWAAD NAAR ERGER De sloping van Horta's Voikshuis is nu 10 jaar oud, zonder enig verder perspectief op een bevredigende eindbestemming voor de in Tervuren door onkruid en zaailingen overwoekerde brokstukken. In 1976 duikt enige belangstelling op vanuit Waterloo; in 1977 wordt de oprichting op de U.L.B.-campus overwogen van de Matteotizaal en van de grote trap; in 1978 polst het Henegouwse Quaregnon naar de kansen op een eigenzinnig cultureel centrum... maar stelt ook het Italiaanse Turijn haar kandidatuur. In het najaar 1978 krijgt een nieuw initiatief concreet vorm. Op 15 december stuurt Michel Parent, Schepen voor Cultuur van de Brusselse gemeente Jette en voorzitter van de nieuw opgerichte v.z.w. Pavilion Horta-Parc Regional Roi Baudouin, een schrijven naar Franfois Persoons, Staatssecretaris voor Franse Cultuur, met verzoek een subsidie te verlenen om de studiekosten te dekken van de heropbouw van het


30

• Bij de uitbouw van het Koning Boudewijnpark, in Jette, zouden de onderdelen van het Volkshuis geïntegreerd worden in een cuNureel- en sportcentrum,. fln La Demiére Heure, 6 maart 1981) • Het stichtingsgedenkteken, door Victor Horta handig verwerkt in de zijgevel, op de hoek van de Duivenstraat en de Samaritanessenstraat (foto A.CL, BrusseD

M&L

December 1980 brengt intussen een waar coup de theatre, wanneer de S.C.A.B. door het Ministerie van Openbare Werken wordt aangemaand de stapelplaats in Tervuren vóór augustus eerstkomend te ontruimen, teneinde de voltooiing van de ruwbouw toe te laten. Op de koop toe blijkt al het rumoer rond het Volkshuis ook minder scrupuleuze nieuwsgierigen te hebben gelokt... . Merkwaardigerwijs is de Socialistische Partij nu één der eersten om de aandacht op te eisen. Een op 30 januari 1981 via het agentschap Belga verspreid communiqué signaleert dat "een 5 man sterk actiecomité werd geïnstalleerd" waarvan deel uitmaken "Gerrit Creveld, Nationaal Secretaris van de S. P.; Marcel Boon, Directeur van het Rijkshoger Onderwijs voor Beeldende Kunsten te Etterbeek; Benedetti Wieser, cineast en auteur van Histoire de l'Architecture; Jean Delhaye, architect en discipel van Horta, en L. Denonne, Geneesheer/ Directeur-generaal bij het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling". Het is trouwens deze laatste die meteen, namens het actiecomité, een hardnekkig verwijt poogt te nuanceren: "De bewering als zou de Socialistische Partij besloten hebben het gebouw te doen afbreken is vals. Gerrit Creveld en ikzelf houden eraan te verduidelijken dat de partij zelfbij die beslissing niet was betrokken. Het gebouw zelf was eigendom van de Socialistische Coöperatieven met hun mutualiteiten en vakbondsorganisaties. De Partij zelf was één van de huurders van het gebouw. Omdat de Coöperatieven met financiële moeilijkheden te kampen hadden werd besloten het gebouw te verkopen aan bouwpromotor Blaton". Op 4 mei 1981 maakt Vice-eerste Minister José Desmarets zijn collega Staatssecretaris voor de Vlaamse Gemeenschap Rika De Backer-Van


M&L

Jette, 1984. Een zwaar gehavend fragment van ditzelfde herdenkingsgedenkteken (eigen foto)

31

M-&-

-

'*#£ -

% ^~.^ ^ - ^ ^ ^ ' • i

t ^/

^: 1

^

" « • • • 1^^

-f ' '"'^f^

Volkshuis zo gaaf mogelijk te houden, aldus het kabinet van minister Desmarets. Daarom heeft de Franse gemeenschap besloten om zelf iets te doen...".

Ernstiger is de inhoud van de brief die Voorzitter Charles Hanin namens de Koninklijke Commissie op 27 augustus richt aan de S.C.A.B.: "L'attention des sections autonomes franqaise et néerlandaise de la Commission est attirée sur Ie sort lamentable réserve aux vestiges (de la Maison du Peuple), oeuvre maitresse de Victor Horta. Les témoins subsistants se dégradent de plus en plus suite a l'entreposage — nous devrions dire Ie "déversage" — sans soin ni methode sur un terrain vague sis a Jette". Het is pas op 22 maart 1982 dat de S.C.A.B. zal Ocken — samen bevoegd voor de monumenten- reageren met "Non sans difficultés, nous avons zorg in Brussel — attent op de dringende aard van obtenu la mise a disposition d'un terain communal par la Commune de Jette et un subside du Ministère een beslissing terzake. Op zijn voorstel om alle de la Communauté frangaise pour en effectuer Ie bouwelementen over te brengen naar een terrein in Jette "en attendant que les elements puissent être déplacement avec Ie maximum de precautions par utilises pour la reconstruction d'un Centre Culturel une entreprise spécialisée". et Sportifdans Ie pare regional roi Baudouin" geeft De verhuizing zal alvast de drie in 1979 aanze bij schrijven van 15 mei te kennen gezamenlijk gestelde ontwerpers in staat gesteld hebben de nog overblijvende fragmenten te inventariseren : hun collega Jos Chabert, Minister van Openbare een 148 pagina's dik document (13). Over de Werken om een bevredigender oplossing te willen verzoeken. Reeds op 20 mei daaropvolgend blijkt nieuwe bewaarplaats maken deze zich overigens uit een nieuw perscommuniqé dat "A l'intervention weinig illusies: "Ce terrain est une prairie située entre Ie chemin de f er et l'A.Z. de la V. U.B. de M. José Desmarets, Vice-Premier Ministre Les pieces métalliques et de pierre de Toeuvre de Adjoint a la Commumnauté frangaise et de Madame Rika De Backer, Secrétaire d'Etat a la Victor Horta y ont été transportées sans que la Communauté flamande, diverses pieces venant de S.C.A.B, ait été chargée d'une mission de direction l'ancienne Maison du peuple ont pu être sauvées de ces operations, qui se sont déroulées tres par les soins des Services des Travaux Publics" rapidement (...). (12). Les pieces sont entreposées sans protection, en plein vent, au vu et au su des passants. La cloture du terrain est toute théorique, puisqu'on y rencontre Onder de wat opruiende krantekop "Laat de Vlaamse gemeenschap zich zomaar het volkshuis aussi bien de nombreux promeneurs que du bétail" afsnoepen " brengt de Gazet van Antwerpen in haar (14). uitgave van 30 juli 1981 een eigen versie van de feiten: "Met welk recht heeft de Franse gemeenschap zomaar een gebouw uit het nationaal HOOG BERAAD... cultuurpatrimonium in het eigen patrimonium gebracht? Op het kabinet van minister Desmarets Reeds eerder had de Maatschappij voor Intercomantwoordt men ons lakoniek dat de Vlaamse munaal Vervoer van Brussel (M.I.V.B.) door gemeenschap nooit ernstige belangstelling voor hettoedoen van Jean Delhaye bij de S.C.A.B. Volkshuis heeft getoond. Toen op zeker ogenblik stappen gezet om — Horta's woonplaats Sint-Gillis enkele stukken van het Volkshuis moesten worden indachtig — wat decoratieve elementen van het verhuisd, omwille van de barslechte toestand van Volkshuis te verwerken in het in opbouw zijnde de legerloods in Tervuren, had Mw. De Backer, metro-station Van Meenen. Hierover om nadere toen Minister van Nederlandse Cultuur, opdracht uitleg gevraagd door het Kabinet van Daniël Coens, Minister van Onderwijs naar wie intussen gegeven voor die verhuis. Dat gebeurde met schoppen, houwelen, kruiwagens en bulldozers ensamen met zijn Franstalige collega de bevoegdheid zonder enige bezorgdheid om de resten van het voor de Brusselse monumenten was overgeheveld,

•^^' ^ C ^

. " -•' >


32

M&L

stelt de Rijksdienst voor Monumenten- en zondermeer schroothandelaar Alphonse Stevens, Landschapszorg op 17 september 1982 op handeveneens in Sint-Jans-Molenbeek, en verkoopt tekening van Secretaris-generaal R. Roose hem het geheel aan een vriendenprijs. Minstens 70 ondermeer dat "elke gedeeltelijke reaffectatie van ton spanten, gietijzeren kolommen en Art elementen van het Volkshuis slechts kan overwogen Nouveau-smeedwerk verdwijnt aldus — doorverworden nadat een gezamenlijk akkoord is bereikt kocht aan 5 frank per kilogram — naar ... Japanse over een globaal project, zo mogelijk na gemeen- smeltovens. De veroordeling van de roekeloze schappelijk overleg van alle betrokken partijen". initiatiefnemer tot ondermeer 175.000 frank Pas op 20 april 1983 geven de Ministers Michel provisionele schadevergoeding aan de S.C.A.B. Tromont en Daniël Coens hem opdracht "gezien wegen alleszins niet op tegen de reëel geleden de elementen van het voormalig Volkshuis bij schade, daar "les elements de structure avaient en hoogdringendheid een bestemming dienen te eux-mêmes une autre valeur, d'ordre artistique, qui krijgen, een vergadering met alle mogelijke est cependant indeterminable, si ce n'est en se geïnteresseerden en betrokken partijen te beleggen".référant aux prix qui auraient été off erts par les musées pour Ie rachat des fragments de "La Maison du Peuple" (17). De vergadering zelf volgt op 27 juni, maar levert weinig noemenswaardige resultaten op. Wèl dringt Herman Craeybeckx, Voorzitter van De vergadering van 27 juni 1983 mag dan nog niet de Nederlandstalige sectie van de Koninklijke geleid hebben tot kant-en-klare oplossingen, voor Commissie voor Monumenten en Landschappen, goedbedoelde reacties uit gevarieerde hoek zorgt bij herhaling aan op een oplossing voor alle nog ze alleszins. bewaarde elementen van het Volkshuis, terwijl Nationaal SP-secretaris Gerrit Creveld bijt reeds duidelijk wordt dat deze zonder verwijl een beter twee dagen later de spits af met het toezenden, ter onderkomen dienen te vinden. informatie, van een voorstel uit 1981 van toenmaAfgesproken wordt verder dat de M.I.V.B. lige Minister van Tewerkstelling en Arbeid Roger uiterlijk begin 1984 uitsluitsel zal krijgen over het De Wulf tot oprichting — "mits eventuele recongevolg dat aan haar verzoek kan gegeven worden structie van een gedeelte van Horta's Volkshuis" — (15) en, wat de nieuwe verhuizing betreft, wordt van een centrum voor sociale documentatie, in ondergetekende ermee gelast de operatie te navolging van het vooroorlogs overwogen coördineren, maar tevens uit te kijken naar "Nationaal paleis voor de arbeid en de sociale financiële en praktische middelen. Dit was echter zonder de waard gerekend. Jette. Spantelementen - voor het 2de balkon - van de spektakelzaal (foto P. De Prins, Sint-Lukasarchief)

... DROEVE MISDAAD Op woensdag 13 juli 1983 staat de anders makke zomerpers plots bol van het onwaarschijnlijke nieuws: "Lesfers moulurés de la Maison du Peuple découpés et vendus a 2,50 F Ie kilo!" (16). Het is dan ook zuiver toeval dat enkele dagen voordien, op 5 juli, de politie van Jette een aantal vrachtvoerders had bedrapt die, koopcontract in de hand, de metalen bouwonderdelen van het Volkshuis stonden op te laden. Wat er precies gebeurd was zal later blijken uit de opeenvolgende arresten van de correctionele rechtbank van Brussel van 4 november 1983, en van het Hof van Beroep van 4 januari 1984. Een zekere Roland Devillers uit het naburige Sint-Jans-Molenbeek, vrachtvoerder van beroep, vaststellend dat — sinds meer dan twee jaar — op een afgelegen weide in Jette massa's oud ijzer blijkbaar onbeheerd liggen te roesten contacteert


M&L

33

vooruitgang". Agglomeratie-schepen Serge vrachtrijders door de politie van Jette worden Moureaux verklaart zich van zijn kant bereid in 'betrapt' bij het opladen van metalen elementen. Neder-Over-Heembeek een — naar achteraf zou Bij navraag blijken deze, met akkoord van de blijken onbewaakte en bouwvallige- industriële betrokken partijen, bestemd te zijn voor de Stad loods ter beschikking te stellen. Gent, als blikvanger op het Sint-Pietersplein voor Minister van Landsverdediging Freddy Vreven de industrieel-archeologische tentoonstelling Vrij laat op 29 augustus weten dat de ingeroepen hulp gedacht in ijzer (18). van de Strijdkrachten "om de overblijfselen van het Gestimuleerd door het succes van het initiatief voormalig Volkshuis van Brussel weg te voeren verklaart het Gentse Museum voor Industriële naar een veiliger plaats" om diverse redenen van Archeologie en Textiel (M.I.A.T.) zich bij monde technische en organisatorische aard niet toelaat van Johan Baele en René De Herdt al snel "nu reeds een concreet antwoord te verschaffen engeïnteresseerd in nog méér "industrieel-archeolodienvolgens de kostprijs te bepalen", een standpunt gische bruikbare stukken" (19). dat overigens op 30 maart 1984 en 12 augustus 1985 zal worden bevestigd. Staatssecretaris voor Op 1 februari 1984, nauwelijks twee weken na het het Brusselse Gewest Anne Marie Neytsafsluiten van de tentoonstelling, wordt het nieuwe Uyttebroeck zal, wat haar betreft, het nodige voorstel in de kantoren van het Bestuur Monudoen om het eventueel onderbrengen van de menten en Landschappen op de haalbaarheid Volkshuis-elementen in één der leegstaande onderzocht, samen met de verantwoordelijken Brusselse kazernes te laten onderzoeken "in het van het M.I.A.T. en de afgevaardigden van de kader van de ganse problematiek van de militaire S.C.A.B., Jean Delhaye en Robert Courtois. domeinen ". Een nieuw feit zal trouwens aanzetten tot enige spoed, wanneer op 11 oktober 1984 Staatssecretaris voor het Brusselse Gewest Cécile Goor-Eyben haar collega Minister van Nationale Opvoeding NAAR EEN CONCRETE OPLOSSING Daniël Coens bericht dat de 3de fase van het Koning Boudewijnpark te Jette aan uitvoering toe De nu reeds 18 jaar aanslepende lijdensweg van is: "Het is evident dat de opstapeling van deze het Volkshuis krijgt onverwacht een nieuwe stenen en ijzerwerk met zekere architecturale wending, wanneer op 6 oktober alweer twee waarde de aanleg van dit gedeelte van het park zou verhinderen". Jette Spantelementen-voor het 1ste balkon - van de spektakelzaal (foto P. De Prins, Slnt-Lukasarchief)

^^^^^^HU|

Beslissingen volgen nu — in de gegeven omstandigheden — bemoedigend snel. Op 9 januari 1985 laat het M.I.A.T. het Bestuur Monumenten en Landschappen een lijst geworden van 105 stenen, ijzeren en gietijzeren "te recupereren onderdelen van het Volkshuis van Horta (...), een keuze die gedeeltelijke constructie en/of museologisch verantwoorde opstelling toelaat". Mits enig voorbehoud — het afstaan van enkele elementen aan de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, het toekennen van een reeks balustrades aan de M.I.V.B. en het behoud in Sint-Gillis van de grote stenen trap — verklaart Minister van Nationale Opvoeding André Bertouille zich op 8 april akkoord met het voorstel van zijn collega Daniël Coens, op 15 mei daarin gevolgd door de S.C.A.B. Toch is nog geen akkoord ingetreden, wanneer op 27 april 1987 de S.C.A.B. opnieuw wordt aangemaand — ditmaal door E. Laurent, Eerste Adviseur van de Dienst voor Groenvoorziening van het Brussels Gewest - de weide in Jette vóór 1 augustus eerstvolgend te ontruimen.


34

M&L

Het Bestuur Monumenten en Landschappen van zijn kant is intussen samen met de betrokken partijen, blijven zoeken naar een globale en 2. definitieve oplossing. Het is dan ook met enige voldoening dat Adviseur-Hoofd van Dienst, Edgard Goedleven op 4 mei 1987 S.C.A.B.-Voorzitter Fran9oise Vandevoorde-Blomme kan meedelen "dat het Gentse Museum voor Industriële Archeologie en Textiel (...) thans kandidaat is voor 3. de overname van alle nog bewaarde onderdelen van het Volkshuis".

Jette, voorjaar 1988. Door hun eigen gewicht waren de meeste spantonderdelen van de voormalige spektakelzaal verzonken geraakt in de drassige weidebodem. Stuk voor stuk gelokalizeerd en opgevist, liggen ze nu klaar voor transport naar Gent, De stenen onderdelen van ondermeer de voorgevel, de Matteotizaal en de grote hal-lagen oorspronkelijk gestapeld op houten transportpaletten. Na 7 jaar butenregime waren deze laatste grotendeels vergaan, met het zichtbare gevolg (eigen foto's)

van: de grote spektakelzaal; de zaal Matteoti; de cafézaal; de concave gevel. Worden voorbehouden voor de Gemeente Sint-Gillis: de delen afkomstig van het bouwwerkje voor de inwijding, samen met de resterende delen van de grote trap die de Gemeente reeds heeft verworven; de bovenste sluitsteen, voorzien van het merkteken H 79. Worden voorbehouden voor het Musée des Archives d'Architecture Moderne: de delen die een gedeeltelijke of gehele reconstructie van de trapaanzet van de dubbele trap van de grote hal mogelijk maken; de bovenste sluitsteen, voorzien van het merkteken H 82".

In acht genomen het reeds eerder geformuleerd voorbehoud en voor zover ook het Musée des Archives d'Architecture Moderne de kans geboden wordt enkele representatieve kleinere fragmenten Gedreven door tijdsnood is intussen in november uit te kiezen, verklaart de S.C.A.B. zich op 17 juni 1987 in Jette door de N.V. Gebroeders Vandekerckhove uit Ingelmunster een aanvang dan ook akkoord met dit globale voorstel: "Notre société qui depuis 22 ans oeuvre dans Ie butgemaakt met het transport naar de voormalige textielfabriek De Porre, in Gentbrugge. de la conservation des elements architecturaux Toch is het pas op 18 augustus 1988 dat ir. J. De "patrimoine Horta" voit dans cette dernière Poorter — na herhaalde noodgedwongen ondersolution une réponse au but qu'elle a poursuivi brekingen ingevolge de erbarmelijke weersomstandepuis autant d'années". digheden en het drassige terrein — namens de aannemer kan mededelen "dat het vervoer van de Het bekomen van eensgezindheid over de natuurstenen en metalen gebinten afkomstig van het modaliteiten van de verdeling en de betrokkenheid huis Horta beëindigd is". van niet minder dan 7 partijen zouden de ondertekening van de Overeenkomst inzake Toewijzing Opgejaagd door oprukkende bulldozers bleek het van de overblijvende Onderdelen van het VolkshuisSocialistisch Volkshuis uiteindelijk nog goed voor 12 vrachtwagens metalen elementen en van Victor Horta nog uitstellen tot maart 1988. 27 containers bouwstenen, kostprijs een goed Mede bekrachtigd door de Nederlandstalige en miljoen frank, ten laste van het Ministerie van de Franstalige Ministers van Onderwijs Daniël Coens Vlaamse Gemeenschap. en A. Duquesne wordt hierbij onder meer bepaald dat de onderdelen van het Volkshuis "in hun huidige staat zoals deze gekend is door de afnemers EPILOOG (...) gebeurt als volgt: 1. Worden overgebracht naar de Stad Gent voor het M.I.A. T.: de delen te selecteren en te Hoewel nu een voorlopig punt gezet lijkt achter beschrijven op het ogenblik van de verhuizing een 23 jaar lange diaspora, blijkt al snel het laatste (...) in metaal, steen en houtwerk afkomstig woord over de resten van het Volkshuis nog niet


M&L

35

(2)

^W

HF

-.'-

^

•-«adf^BM^H (3)

(4)

Jette, 1984, Stilleven met dekstenen en gedenktekens,, (eigen foto)

gezegd. Zo ontsnappen nogal wat stenen — maar vooral (giet)ijzeren stukken — aan de officiële verdeling, en belanden in het Brussels Centrum voor het Beeldverhaal, het Institut d'Architecture Victor Horta van de U.L.B., de kelders van het stadhuis van Sint-Gillis en ... het Horta Museum. Ook het 12-tal smeedijzeren borstweringen van de voorgevel, bestemd voor het metro-station Van Meenen, wordt in de depots van de M.I.V.B. met rust gelaten. In Gent daarentegen, wordt duidelijk dat de omvang van de vracht grondig werd onderschat; bovendien wordt elke beslissing over de definitieve inplanting van het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel alsmaar verder uitgesteld. Pas in 1990 lijkt de heroprichting van een gedeelte van het Volkshuis in het kader van het tweejaarlijkse Flanders Technology International, mede dank zij de mogelijkheid tot sponsoring, een eerste ernstige stap te zullen vormen in de revalorisatie van Victor Horta's meesterwerk. Drie bijkomende volle containers zullen begin maart 1991 nog her en der in het Brusselse verspreide stukken afvoeren naar de assemblagewerf in ... Ingelmunster. Het zoveelste oponthoud van een onvoorspelbare, veel te lange reis. VOETNOTEN

(1)

S.A.D.B.R.: Société des Architectes Diplomés de l'Académie Royale des Beaux Arts de Bruxelles; S.C.A.B.: Société Centrale d'Architecture de Belgique; E.T.P.: Ecole des Travaux Publics.

(5) (6) (7)

(8) (9)

Wat dit artikel betreft, en tenzij anders vermeld, is alle geciteerde briefwisseling herkomstig uit 1. Bestuur Monumenten en Landschappen, dossier Volkshuis, nr. 4438; 2. autonome Brusselse sectie van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dossier Maison du Peuple, nr. 2.88; 3. persoonlijk archief van V.G. Martiny, dossier S.C.A.B.I Comité HonalMaison du Peuple, Fondaüon pour l'Architecture, Eisene. In het bijzonder: Delhave J., Victor Horta et la Maison du Peuple. in Cahiers Henry Van de Velde, 9-10 (1968), p. 5-57; Delhaye ].,Le Sort de la Maison du Peuple, in Delhaye J. en Dierkens-Aubry Fr., La Maison du Peuple de Victor Horta, Atelier Vokaer, Brussel, 1987, p. 135-143; Dierkens-Aubry Fr., La fortune critique de la Maison du Peuple, in Delhaye J. en Dierkens-Aubry Fr., La Maison du Peuple de Victor Horta, Atelier Vokaer, Brussel, 1987, p. 145-147. Horta V.. Mémoires. Texte établi, annoté et introduit par Cécile Dulière, Ministère de la Communauté fran^aise de Belgique, Administration du Patrimoine Culmturel, 1985, p. 57, Stadsarchief Brussel, Openbare Werken, dossier 84.186. De volledige lijst van de intekenaars verscheen in Rythme, nr. 39, april 1964, p, 32. V.G. Martiny treedt tot de S.C.A.B. toe als "aspirant" in 1937, wordt lid in 1946, secretaris in 1947, ondervoorzitter in 1962 en, tot tweemaal toe voorzitter, in 1964-1965 en 1972-1973. Sinds 15 januari 1987, in navolging van Charles Buis in 1898 en Victor Horta in 1946, is hij er ere-voorzitter van, Little D,, Le voeu des architectes, in Le Peuple, 26 augustus 1964. Het Comité Victor Horta werd opgericht op 28 januari 1960, in de schoot van de Société Centrale d'architecture de Belgique, met het oog op de viering van de honderste verjaardag van haar voormalig erelid. In 1965 omgedoopt tot v,z,w. Comité Horta. zal de vereniging op 22 maart 1981 ontbonden worden ten gunste van de v.z.w. Musée Horta. Zie hierover Martiny V.G., La Société Centrale d'Architecture de Belgique depuis sa fondaüon (1872-1974), Brussel, 1974, p. 229-231.

(10) Zie voetnoot 3.

(11) Delhaye J., Puttemans P. en Courtois R., Reconstruction de la Maison du Peuple. Centre culturel et sportif dans de Pare Roi Baudouin a Jette, comportant le remontage de 3 salles de la Maison du Peuple de l'architecte Victor Horta. na 6 mei 1982 (niet gepubliceerd). (12) De verhuizing van Tervuren naar Jette zou worden uitgevoerd door het transportbedrijf De Cock, voor een bedrag van 1.400.000 frank ten laste van de Franse Gemeenschap. (13) Ibidem. (14) Ibidem, p. 21. (15) Een conventie van 21 augustus 1986 tussen de S.C.A.B. en Minister van Verkeerswezen Herman De Croo zal de afstand van 14 elementen van de borstweringen van de hoofdgevel bezegelen. (16) J-C V,, Lesfers moulurés de la Maison du Peuple découpés et vendus d 2,50 F le kilo, in Le Soir, woensdag 13 juli 1983. (17) Nota van Mr. Van Doosselaere aan de S.C.A.B., omstreeks begin november 1984. Persoonlijk archief V.G. Martiny, zie voetnoot 2. (18) Gent, Centrum voor Kunst en Cultuur Sint-Pietersabdij, van 28 oktober 1983 tot 15 januari 1984. (19) Brief van R. De Herdt aan E. Goedleven, Adviseur-Hoofd van Dienst van de Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, van 9 februari 1984. Dossier B.M.L., 4438.


36

M&L

EEN "EVOCATIE" VAM DE FEESTZAAL UIT HET VOORMALIGE VOLKSHUIS TE BRUSSEL WALTER S L O C K ,

B.M.L.

Proefopstelling von het Business-Center, in maart 1991 (Detail eigen foto)

Architect Baron Victor Horta mag dan nog sterk het vermoeden gehad hebben dat zijn zo omstreden Volkshuis te Brussel toch wel eens zou afgebroken worden, tot jolijt van velen, dan nog mag het geen reden zijn om de resterende bouwelementen ten prooi te gooien aan schroothandelaars of verkopers van oude bouwmaterialen.

Velen waren misschien opgelucht met deze gang van zaken, anderen daarentegen niet. De hevige protesten in binnen- en buitenland midden de jaren zestig, naar aanleiding van de aangekondigde en uitgevoerde afbraak van dit gebouw, liegen er niet om. Verschillende architecturale en culturele groeperingen maakten duidelijk dat dit waanzin was. Men wilde maar niet beseffen dat opnieuw een waardevol monument zou verdwijnen.

Om de pil te vergulden werd, zoals gebruikelijk in oorlogstijden, het woord 'afbreken' vervangen door 'demonteren', een eventuele heropbouw suggererend. Geen enkele steen bleef overeind maar alles werd netjes opgetekend, gefotografeerd en vervolgens 'afgevoerd'. De belangstelling bij deze omstreden afbraak was heel groot waardoor, hoe cynisch ook, de Art Nouveau in België terug werd ontdekt. Wie het gebouw kende kan zich best inbeelden hoe groot de af te voeren massa moet zijn geweest. Het geheel aan gerecupereerd materiaal was zó groot dat verschillende terreinen en loodsen van diverse gemeenten, in en rond Brussel, dienst gingen doen als laatste rustplaats. Contradictorisch genoeg werden de restanten van het socialistisch Volkshuis ter aarde besteld met de vrome hoop op de verrijzenis. Eens zou het complex worden heropgebouwd. Jammer genoeg is het de realiteit dat alles wederkeert tot stof. Vele metalen elementen welke zich bevonden op het open "kerkhof" van


ML BINNENKRANT Nr. 51 Bijlage bij M&L 10/2 maart-april 1991


2

B.M.LACTIVITEITEN DE TECHNISCHE SCHOOL VAN HENRY VAN DE VELDE TE LEUVEN BESCHERMD Weinige beschermingsdossiers konden zich beroepen op zo'n brede publieke belangstelling als de voormalige Technische School (1936-1942) van Henry Van de Velde in de Rijschoolstraat te Leuven. Na een moeizame procedure werd het schoolcomplex op 14 december 1980 door Gemeenschapsminister Waltniel definitief beschermd. Het is uiteindelijk de minimale optie een bescherming van de gevels met karakteristieke roodbruine tegelbezetting langs de Rijschool- en Diestsestraat als monument en het achterliggende volume als stadsgezicht - die het haalde. Dat het ooit zo ver zou komen was lange tijd niet evident; wel integendeel. Van bij het begin was de Stad sterk gekant tegen de bescherming van

deze sinds 1984 gedesaffecteerde school, eigendom van de Staat. De intentie bestond namelijk om ter plaatse een nieuwbouw te realiseren die de stadsbibliotheek, kantoren voor het Ministerie van Financiën, een winkelcentrum en een parkeersilo zou bevatten. De plannen bevonden zich reeds in de voorontwerpfase. Ironisch genoeg was het de Stad zelf die in 1936 de internationaal bekende architect Henry Van de Velde gelaste met de bouw van een moderne beroepsschool. Het resultaat was inderdaad innoverend: een betonnen skelet-structuur opgevuld met baksteenmetselwerk en grote glaspartijen, waarachter een flexibele doorzichtige binnenruimte met overal natuurlijke lichtinval (Voor een meer gedetailleerde analyse van de architecturale en stedebouwkundige kwaliteiten van dit voor Leuven zeldzame voorbeeld van moderne bouwen, verwijzen we naar de uitstekende bijdrage van dr. L. Verpoest in het M&L-nummer 1987/6). Ondanks de controverse rond het dossier besliste toenmalig Cultuurminister Dewael begin 1988 om toch de beschermingsprocedure in te zetten. Hiermee was het slopingsgevaar nog niet definitief afgewend, aangezien een voorontwerp geen bindende kracht bezit en de Stad intussen een principiële vergunningsaanvraag had ingediend. Ook was er de vrees dat de wisseling van

bevoegdheid inzake monumentenzorg in 1989 op zijn minst voor vertraging van de procedure zou zorgen. De Leuvense school kwam volop in de actualiteit, via persartikels, interpellaties in de Vlaamse Raad, tot zelfs in de Nederlandse Eerste Kamer. Het is vooral echter de oprichting van een Comité Henry Van de Velde dat een belangrijke ondersteuning zou vormen van dit moeilijke dossier. Ongetwijfeld heeft de indrukwekkende respons (meer dan 2000 handtekeningen) op een petitie, met reacties zowel vanuit de culturele wereld, van representatieve personen en instellingen als van de gewone burger er toe bijgedragen dat de school uiteindelijk toch werd beschermd. Dat een wettelijke bescherming in dit geval niet tot loze woorden beperkt blijft moge blijken uit de lofwaardige intentie van de Stad om haar bibliotheek en archief in het beschermde complex onder te brengen. G. Paesmans

M&L-ANTIQUARIAAT Geregeld ontvangt de redactie van M&L radeloze lezersbrieven, op zoek naar oude, sindsdien uitgeputte nummers. Bij wijze van dienstverlening aan verknochte abonnees brengt de binnenkrant (gratis) telkens nodig deze rubriek, en dit op eenvoudige aanvraag bij de redactie. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. De M&L-afleveringen 1/1 (november 1981) en 2/4 (juni 1983) worden gezocht door Jan Gastmans, Heideland 8,2510 Mortsel. De M&L-aflevering 2/4 (juni 1983) wordt gezocht door A. Viersen, G. de Haenstraat 18, 2612 JJ Delft, Nederland (S 015-784252). De M&L-afleveringen 1/1 (november 1981) en 1/3 (maart 1982) en 1/5 (juli 1982) en 2/2 (januari 1983) en 2/4 (juni 1983) en 3/3 (mei-juni 1984) worden gezocht door A.T. Klein, Seringenplantsoen 249, 2982 BL Ridderkerk, Nederland (S 01804-10828).

B I N N E N K R A N T


EEN NIEUWE COMPACTDISC MET VLAAMSE ORGELPRACHT Leuven, Begijnhof, vrijdag 1 maart 1991. In de uitnodiging aan pers en publiek stond te lezen dat de kans zou geboden worden om het historische orgel in de Begijnhofkerk te bekijken, te beluisteren en desgewenst zelfs te bespelen. Toen wij om 10 uur de poort openden, bleek dat reeds enkele geïnteresseerden hadden postgevat in het portaal, ondanks het grauwe weer. Voor het organiserende Bestuur Monumenten en Landschappen leek het dus allerminst een sombere dag te worden: het onverhoopt talrijke publiek werd in de kerk opgevangen door A. Fauconnieren onszelf, beiden orgeldeskundigen bij het Bestuur Monumenten en Landschappen, en vermits het doksaal in de Sint-Jan-deDoperkerk voldoende plaatsruimte biedt kon iedere genodigde tot bij het orgel begeleid worden en daar alle gewenste uitleg krijgen. Tegen 11 uur kwam ook L.G. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, een kijkje nemen in de prachtig gerestaureerde Begijnhofkerk: hij was het immers die de eer had de pers en het talrijke publiek uit te nodigen tot de officiële voorstelling van de compactdisc van het Peter Goltf us-orgel in de Begijnhofkerk Sint-Jan-de-Doper te Leuven.

De heer E. Goedleven, inspecteurgeneraal van het Bestuur Monumenten en Landschappen, legde kort de bedoeling uit van de CD-realisaties, en liet enkele korte fragmenten beluisteren uit de nieuwe GD in de reeks Orgels In Vlaanderen; hij diende hierbij ook ten dele te spreken namens de uitgever R. Gailly, die op het laatste ogenblik wegens ziekte verhinderd werd aanwezig te zijn. Vervolgens kreeg organist Joris Verdin het woord om een toelichting te geven bij het programma dat hij voor deze CD samengesteld en vertolkt had. Ter afsluiting nam minister Waltniel, als verantwoordelijke Vlaamse minister voor de monumentenzorg, zelf het woord: de Leuvense Begijnhofkerk met orgel werden immers gerestaureerd met subsidie van de Vlaamse Gemeenschap. De minister benadrukte de inspanningen die reeds door de overheid geleverd werden maar deed terzelfdertijd ook een oproep tot een grotere inbreng van privé-initiatief, bijvoorbeeld door sponsoring, omdat een goed monumentenbeheer op lange termijn voor

iedereen rendabel is. Verder verduidelijkte hij de rol die het Bestuur Monumenten en Landschappen in dit alles te spelen heeft: het is immers door het veldwerk - bijvoorbeeld de inventarisatie - en het studiewerk in verband;met restauraties, verricht door d? diverse deskundigen bij dit Bestuur, dat de minister de juiste informatie krijgt en bijgevolg goede beleidsopties kan nemen. Zoals gebruikelijk zorgde de receptie, aangeboden door de Kredietbank voor het meer luchtige orgelpunt op deze bijeenkomst. De Leuvense CD is reeds de 7de in de reeks Orgels van Vlaanderen, en de opnamen voor een volgende plaatje zijn reeds naar het geluidslabo. De promotor van dit initiatief is E. Goedleven, die het als diensthoofd van het Bestuur Monumenten en Landschappen terecht jammer vond dat de rol van Monumentenzorg zou ophouden na het klassieke rijtje inventarisatie-bescherming-restauratie. Een orgel is net één van de meest dankbare aspecten in de monumentenzorg om er wat animatie rond te brengen. Daarom worden deze

Om niet in herhaling te vallen met een beschrijving van dit unieke, recent gerestaureerde kerkgebouw, willen we verwijzen naar M&L, jaargang 4 nr. 4 (juli-augustus 1985), waarin een uitvoerige beschrijving van de kerk en haar restauratie, alsook een voorlopige nota over het orgel, te consulteren is. Omdat de sacrale ruimte van een nog in gebruik zijnde kerk niet de meest geëigende plaats is om een persvoorstelling te houden, had de Kredietbank het Begijnhofhuis De Engelbewaarder \er beschikking gesteld; dit historisch huisje werd verworven en volledige gerestaureerd door de Kredietbank en wordt regelmatig benut voor culturele doeleinden. Om 11 uur was de groep genodigden verzameld in de krap bemeten ruimte waar het welkomwoord werd uitgesproken door de lokale K.B.-verantwoordelijke.

B I N N E N K R A N T


klankopnamen gemaakt, liefst kort na de restauratie, omdat het instrument in kwestie dan in optimale conditie verkeert. De uitgave en verspreiding worden verzorgd door René Gailly International Productions - Belgium. Deze CD's vormen een exclusieve documentatie aangaande het Vlaams orgelpatrimonium, die onmisbaar is voor de kennis en studie van de eigen cultuur; niettemin bereiken ons ook uit het buitenland positieve reacties, met name de CD opgenomen in de Sint-Germanuskerk te Tienen kreeg in Amerika een lovende bespreking. Opnamen en montage gebeuren met de digitaal-techniek, en worden enkel uitgebracht op compact-plaat. Er wordt beroep gedaan op organisten van eigen bodem. Het tekstboekje bevat een historisch-technische uiteenzetting over het orgel en zijn restauratie, geschreven door de orgelspecialisten van het Bestuur Monumenten en Landschappen (en vertaald in het Frans en het Engels), alsook een toelichting over de programmakeuze door de vertolker. De gekozen muziek is aangepast aan de stijl en het karakter van het instrument, en tracht daarbij de mogelijkheden en registercombinaties maximaal te demonstreren. Het orgel in de Leuvense Begijnhofkerk werd in 1690-1692 gebouwd door Peter Goltfus uit Haacht, zoon van een uit Duitsland ingeweken orgelmaker. Hoewel het orgel als een Brabants kunstwerk moet aanzien worden, is er door die Duitse achtergrond toch een iets ruimere muziekkeuze mogelijk op dit instrument. In de periode 1983-1986 werd het gewijzigde instrument naar zijn oorspronkelijke toestand gerestaureerd, dit als sluitstuk van de gehele kerkrestauratie die in het laatste decennium plaatsvond. De werken aan het orgel werden uitgevoerd door orgelbouwer Chislain PotvliegheDe Maeyer uit Denderwindeke, naar ontwerp van orgeladviseur G. Loncke uit Overmere, en onder permanent toezicht van het Bestuur Monumenten en Landschappen. Deze restauratie is de eerste in Vlaanderen geweest die consequent een 17de-eeuws klankbeeld wedersamengesteld en geprofileerd heeft; dit instrument is van groot belang voor het tot klinken brengen van orgelwerk van Vlaamse componisten als Pieter Cornet en Abraham van den Kerckhoven enerzijds, en voor de studie van de 17de-eeuwse Zuid-Brabantse orgelstijl anderzijds.

De organist Joris Verdin heeft dan ook enkele werken van beide vernoemde componisten geprogrammeerd, alsook nog enkele anonieme en onuitgegeven werkjes uit het Vlaamse 18de-eeuwse repertorium: muziek zoals ze decennia lang in de oren van de Leuvense begijnen moet geklonken hebben. Spaanse muziek uit de 17de eeuw zal wellicht in de Leuvense kerken niet weerklonken hebben, maar op deze CD krijgt men ze wel te horen. Een anomalie? Beslist niet want alle elementen zijn aanwezig om deze muziek op verantwoorde wijze te brengen op het Goltfus-orgel. Het is bekend dat Zuidnederlandse orgelbouwers in Spanje werkten en er hun invloed nalieten; verdere overeenkomsten zijn de vele gehalveerde registers op één klavier en het solo-gebruik ervan, wat zich ook uit op compositorisch gebied. Tenslotte zijn ook het klavier met verkort octaaf en de (gemodificeerde) middentoonstemming accomodaties die hier voorhanden zijn en die een adequate uitvoering van Spaanse 17de-eeuwse muziek mogelijk maken.

B.M.L-JAARRAPPORT 1989 Zopas verscheen het jaarrapport 1989 van het Bestuur Monumenten en Landschappen. Deze overvloedig geïllustreerde publikatie is in zwart-wit uitgegeven, telt 96 pagina's en kost 150,-fr. M&L-abonnees kunnen dit rapport gratis verkrijgen: Bestuur Monumenten en Landschappen Pers & Voorlichting Markiesstraat 1 1000 Brussel S 02/507.42.58.

Over een weerklank in de geschreven pers kunnen we nu nog niet berichten, maar het Orgelmagazine van Radio 3 (BRT) besteedde alvast gans zijn uitzending van zondag 3 maart aan onze Leuvense CD. Het eerste gerestaureerde historisch orgel binnen een universiteitsstad als Leuven is die aandacht uiteraard meer dan waard. P. Roose.

Orgels in Vlaanderen, CD 88.806 (DDD) René Gailly International Productions - Belgium - 1991 The Peter Goltfus Organ of the Begijnhof at Leuven, Joris Verdin, orgel/ totaalduur 73'14" Vlaamse muziek van P. Cornet, A. van den Kerckhoven, en twee 18de-eeuwse manuscripten. Te verkrijgen in elke goede platenhandel, of in de winkel van de Stichting Monumenten en Landschappen, Bergstraat 72, 1000 Brussel.

HET WAPEN VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP In het mei-juni nummer van de 4de jaargang (1985) van M&L verscheen een bijdrage over de vlag en het volkslied van de Vlaamse Gemeenschap. Deze bijdrage verscheen naar aanleiding van de publikatie van de uitvoeringsbesluiten van het decreet van 6 juli 1973 tot instelling van een eigen vlag, een eigen volkslied en een eigen feestdag van de Nederlandse cultuurgemeenschap. Bij de stemming van dit decreet in de cultuurraad was evenwel het belangrijkste symbool van de Vlaamse Gemeenschap, namelijk het wapen, over het hoofd gezien.

B I N N E N K R A N T


5

Onmiddellijk na de uitvaardiging - met twaalf jaar vertraging - van de ministeriële besluiten van 11 juli 1985 tot vaststelling van de afbeelding in kleur en in zwart-wit van de vlag van de Vlaamse Gemeenschap enerzijds en van de versie van de tekst en de notatie van de melodie van het volkslied van de Vlaamse Gemeenschap anderzijds, stelde de Vlaamse Raad voor om een bijkomend decreet te laten goedkeuren met het oog op de vaststelling van het wapen van de Vlaamse Gemeenschap. Een ontwerp in overeenstemming met dit advies werd opgesteld door de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu - Bestuur Monumenten en Landschappen. Dit ontwerp werd in eerste lezing goedgekeurd door de Vlaamse Executieve. De Raad van State bracht er midden 1987 advies over uit, waarbij enkele tekstcorrecties werden voorgesteld. Het aan de opmerkingen van de Raad van State aangepaste maar niet ten gronde gewijzigde ontwerp werd begin oktober 1988 door de Vlaamse Executieve goedgekeurd. Helemaal op het einde van de regeerperiode werd het ontwerp opnieuw door de Vlaamse Executieve goedgekeurd, evenwel in een grondig gewijzigde vorm. Er werden twee elementen toegevoegd aan het wapen : het werd een gekroonde leeuw en deze werd omringd met vijf sterren. Alhoewel - ingevolge de ontbinding van de wetgevende kamer - de Vlaamse Raad op 20 oktober 1987 zijn laatste openbare vergadering gehouden had, werd het ontwerp op 27 oktober 1987 in zijn gewijzigde vorm bij de Vlaamse Raad ingediend. Het werd na de installatie van de nieuwe Vlaamse Raad opnieuw aanhangig gemaakt op 23 februari 1988. Volgens het verslag van de Commissie voor Cultuur van de Vlaamse Raad van 24 maart 1988, uitgebracht door mevrouw T. Merckx-Van Goey, waren de toevoegingen van de Vlaanse Executieve bedoeld om het wapen aan te passen aan het embleem dat sinds 1973 werd gebruikt op het briefpapier van de Vlaamse Raad. Het embleem van dit briefpapier bestaat evenwel niet uit een

gekroonde leeuw maar uit een schild waarop een leeuw is afgebeeld; boven het schild zweeft een kroon. Het gaat dus niet om een gekroonde leeuw maar om een schild dat getopt wordt met een kroon. Een gekroonde leeuw is een bekend en veel gebruikt heraldisch symbool. In het wapen van de provincie Limburg staat een gekroonde leeuw. De Vlaamse leeuw is evenwel geen gekroonde leeuw. Dat het hier een kennelijke vergissing betreft blijkt uit de commentaar bij de artikelen (Vlaamse Raad Stuk 233 (1987-1988-nr Ivan 27 oktober 1987)). Deze commentaar luidt als volgt: "Het wapen van de Vlaamse Gemeenschap stemt uiteraard overeen met de reeds bij decreet van 6 juli 1973 ingestelde vlag.... Op de vlag van de Vlaamse Gemeenschap, waarvan de afbeelding officieel werd vastgesteld bij ministerieel besluit van 11 juli 1985 (Belgisch Staatsblad 11 juli 1985), staan noch een "gekroonde" leeuw noch "sterren. De Vlaamse leeuw is een symbool waarvan de geschiedenis teruggaat tot in 1162, toen het door Filips van

de Elzas, Graaf van Vlaanderen, voor het eerst op een zegel werd gebruikt. In het wapen dat de Graven van Vlaanderen sindsdien voeren, heeft de leeuw nooit een kroon gehad en is hij evenmin omringd geweest door sterren. Er is totnogtoe geen enkele afbeelding bekend met een gekroonde Vlaamse leeuw. De beschrijving van de leeuw van het decreet was derhalve heraldisch en ook geschiedkundig fout. Het decreet vermeldde daarenboven ook niet welke de kleur was van de omringende sterren (één en dezelfde kleur - en welke - voor de vijf sterren, of elke ster haar eigen kleur ?). Bovendien vermeldden de memorie van toelichting of de commentaar bij de artikelen van het decreet nergens wat deze sterren moesten voorstellen. Naar verluidt ging het om de provincies: In de heraldiek is géén voorbeeld bekend waarbij een ster een provincie moet voorstellen. Het decreet werd op 30 maart 1988 aangenomen door de Vlaamse Raad, op 13 april 1988 bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Executieve en op 10 mei 1988 gepubliceerd in het Belgisch Staats-

B I N N E N K R A N T


6

blad. Onmiddellijk na de publikatie werd het decreet zowel in de Franstalige als de Vlaamse pers wegens zijn kennelijke fouten zeer negatief onthaald. De Gazet van Antwerpen aarzelde zelfs niet het een misbaksel te noemen. Gelet op het probleem om de afbeelding van de gekroonde Vlaamse leeuw officieel vast te stellen en uit te vaardigen, werd het decreet niet uitgevoerd. Op 26 januari 1989 werd een voorstel van decreet ingediend in de Vlaamse Raad door de Heren M. Olivier, L Hanche, A. Denys en A. De Beul, waarbij voorgesteld werd het decreet van 13 april 1988 in te trekken en het wapen van de Vlaamse Gemeenschap vast te stellen als volgt: "in goud een leeuw van sabel, geklauwd en getongd van keel" (in de heraldische taal wordt sabel gebruikt voor zwart en keel voor rood). Tevens werden de vlag, het volkslied en de feestdag, die voorheen in 1973 nog vastgesteld werden voor de toenmalige Nederlandse cultuurgemeenschap van België, uitgeroepen tot vlag, volkslied, en feestdag van de Vlaamse Gemeenschap. Dit decreet werd goedgekeurd door de Vlaamse Raad op 7 november 1990 en op 6 december 1990 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Bij de ministeriële besluiten van 2 januari 1991 werden de afbeeldingen in zwart-wit en in kleur vastgesteld; ze werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 2 maart 1991. Met de vaststelling van het wapen van de Vlaamse Gemeenschap is alweer een belangrijke stap gezet in de vastelling van de symbolen van de Vlaamse Gemeenschap. Een volgende stap zou de vastelling kunnen zijn van een eigen zegel van de Vlaamse Gemeenschap. Films en voor de pers bestemde afdrukken van de officieel door de Gemeenschapsminister van Cultuur goedgekeurde afbeeldingen van het wapen van de Vlaamse Gemeenschap kunnen verkregen worden bij het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, Secretariaat van de Vlaamse Heraldische Raad, t.a.v. Mevrouw J. Vermeulen, Markiesstraat 1, 7de verdieping, 1000 Brussel. E. Goedleven.

CONGRESSEN NEOGOTISCH EEKLO EN DE EEKLOSE BEGRAAFPLAATS-EEKIO17 NOVEMBER 1 9 9 0 Op 17 november 1990 richtte het Bethunianum opnieuw een studiedag in rond de 19de-eeuwse kunst, in casu de neogotiek. Een vijftigtal geïnteresseerden trotseerden die dag het bar slechte weer om zich naar Eeklo te begeven. Ze werden er bijzonder gastvrij ontvangen door Prudens Es, eerste schepen van de gemeente, die zich veel moeite getroost had om te verkrijgen dat de Raadszaal van het gemeentehuis als waardig decor van de voordrachten zou kunnen fungeren. Prof. Dr. Frieda Van Tyghem, die de sprekers telkens inleidde, wees erop dat het normaal was dat Eeklo aan bod kwam, vermits deze stad zich zeer intens met neogotiek inlaat. Bovendien leek de viering van 750 jaar Eeklo een ideale gelegenheid om het rijke patrimonium van deze stad in het licht te stellen. Als eerste spreker kwam Jean Van Cleven aan de beurt, die zeer verheugd was Eeklo - waar de neogotiek zo intens vertegenwoordigd is - in haar totaliteit te belichten. Zijn uiteenzetting was tweeledig : de vroege neogotiek als romantische evocatie van gotische architectuur, uit Gent geïmporteerd, kenmerkt een eerste periode. Als mecenas trad hierbij Ridder Karel Stroo op het voorplan.

In een tweede fase, na 1850, ging de neogotiek over naar een meer realistische benadering van de gotiek. Neogotiek werd meer een zaak van de massa, niet meer van een mecenas. J.B. Bethune introduceerde deze gerijpte gotiek in Eeklo met in zijn voetsporen architect de Noyette en de Sint-Lucasateliers van Rooms, Fierlefijn, De Beule en Vaerwijck. Een belangrijke bijdrage werd ook geleverd door beeldhouwer M. Zens. Op het einde van de 19de eeuw kwamen de eigen Eeklose kunstenaars op het voorplan : F. Van Wassenhove, F. Nisol, L. Steel en andere. Wat deze figuren te Eeklo realiseerden werd in een rijk gedocumenteerde diavoorstelling getoond. Tijdens de plaatsbezoeken zou alles meer uitvoerig toegelicht worden. Historicus C. Van Daele benaderde als tweede spreker het 19de-eeuwse Eeklo op politiek sociaal en economisch vlak. Zijn frappante conclusie was dat het neogotisch bouwen in de gemeente uitging van katholieke enkelingen en zeker niet kan beschouwd worden als een vertaling van een katholieke geest in Eeklo. Als derde spreker werd Theo Mertens ingeleid, schoolhoofd van de Steinerschool te Antwerpen en als historicus uitermate geboeid door het werk van Gust Ladon (1863-1942). Na een korte levensschets van deze belangrijke Gentse glazenier gaf de spreker een overzicht van zijn oeuvre, dat in vier delen uiteenvalt: zijn "romaans" werk (zeer kleine glasstukjes, typische brede boord, gotisch baldakijn en moderne hoofden); zijn "gotische" stijl geïnspireerd op de 13de eeuw (kleine medaillons in verschillende vormen, vierpassen, kleine stukjes glas, prachtige mozaïek met rood en blauw); de 14de-eeuwse "gotiek" (heiligenfiguren in nissen) losser opgesteld dan bij Bethune, één tafereel soms over meerdere lichtbanen verdeeld, steeds meer natuur); de 15de-eeuwse kunst van de 'V/aamsepnm/f/ei'en" tenslotte die in een vierde faze als inspiratiebron gebruikt wordt. Orgelpunt in de carrière van Ladon was het glasraam in het transept van de Sint-Vincentiuskerk te Eeklo (1913). Het reusachtige tafereel werd over de volledige breedte van het raam uitgewerkt. Omstreeks het middaguur begaf het gezelschap zich via het huis GoethalsAlleman (1886-arch. F. Van Wassenhove)

B I N N E N K R A N T


naar de Heilige Grafkapel (1900-arch. F. Van Wassenhove) en de begraafplaats, met de grafkapel van Ridder K. Stroo, de 'geestelijke vader' van de Eeklose neogotiek (1862 - arch. Bruggeman). Na de lunchpauze werden achtereenvolgens bezocht: de H. Hartklinkiek (kapel 1855-57-arch. P. De Vigne), de Paterskerk (1866-68 - arch. G. Van Haag), de Sint-Vincentiuskerk (1878-83-arch. M. de Noyette), de congregatiekapel Onze-Lieve-Vrouwten Doorn (1884 e.v.-arch. J.B. Bethune en andere) en de Psychiatrische kliniek Sint-Jan-Baptist (1905-arch. M. de Noyette) met kapel (1913-14-arch. W.J. Poschen). De gerespecteerde chronologie in de plaatsbezoeken stelde elkeen in de gelegenheid de evolutie van romantiek tot realisme in de Eeklose neogotiek te volgen. Wat ongetwijfeld aansprak was de pas gerestaureerde congregatiekapel van de Zusters van Liefde. Voor de restauratie werd een totale aanpak van dit werk van Bethune geviseerd. Mits toepassing van nieuwe technieken werden de wanden volgens het originele ontwerp hersteld. Verlichting, textielbekleding en meubels werden zorgvuldig uitgezocht. Het Gents restaurateurscollectief en G.J. Bral volgden hierbij het deskundig advies van J. Van Gleven. Ter gelegenheid van deze studiedag werd een brochure samengesteld waarin alle bezochte monumenten - begraafplaats incluis - uitvoerig besproken werden. Deze brochure kan gerust als gids gebruikt worden om achteraf en minder gehaast een bezoek te brengen aan de rijkdom van Eekloos neogotisch patrimonium. B. Baillieul, Bethunianum

NEOGOTIEK IN LUIK- LUIK 1 DECEMBER 1990 Op zaterdag 1 december 1990 had in Luik een nieuwe neogotiekstudiedag plaats. Dit seminarie werd georganiseerd door het KADOC (Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum, Leuven) in samenwerking met het stedelijk Musée d'Art Religieux et d'Art Mosan. Voor een zestigtal belangstellenden, waaronder een tiental Nederlanders, werden in de voormiddag drie lezingen gehouden die de Luikse neogotiek in zijn context situeerden. In de namiddag werden in situ verdere toelichtingen verstrekt. In een eerste uiteenzetting schetste dr. Paul Gérin, historicus en hoogleraar aan de Université de Liège, het politieke, religieuze en culturele klimaat van het 19de-eeuwse Luik, waarin de neogotiek kon gedijen. Tegenover een aanvankelijk sterke anticlericale liberale macht, erfgenaam van de Luikse revolutie van 1789 en geëngageerd in de succesvolle industriële ontwikkelingen, stond een katholieke groep, die diep getraumatiseerd was door de revolutionaire gebeurtenissen. Zij kon zich pas in de tweede helft van de 19de eeuw enigszins herstellen, zowel op sociaal als politiek vlak. De "underdog"-posïï\e van de katholieken verklaart hun sympathie voor de middeleeuwen, waarin de rol van de Kerk groot was en de sociale verhoudingen strikt waren geregeld. Hun voorliefde kwam tot uiting in diverse vieringen, op de sociale congressen van 1886,1887 en 1890 en in de promotie van de neogotische vormgeving. Gérin onderstreepte daarbij het belang van een figuur als Godefroid Kurth, de Société d'art et d'histoire, opgericht door het bisdom, de aanwezigheid van vele Vlamingen en van de Broeders van de Christelijke Scholen met hun Sint-Lucasschool, gesticht in 1880, en tenslotte de levende artistieke traditie, vooral op het vlak van de plastische kunsten. Het religieus, economisch en artistiek klimaat was ook voor drs. Albert Lemeunier, conservator van het Musée d'Art religieux et d'Art Mosan, dè stimulans voor de overvloed aan 19de-eeuwse religieuze kunst, die men in Luik ook nu nog aantreft. Hij wees op de verbazingwekkende kwaliteit van het "neo-patrimonium" in de Luikse kerken. Vooral de Sint

Pauluskathedraal bezit verscheidene "juweeltjes" die het ensemble tot één van de meest prestigieuze gehelen maken van 19de-eeuwse religieuze kunst. In de kerk bevindt zich werk uit de periode tussen 1840 en 1900 van kunstenaars en ateliers als Guillaume Geefs, de gebroeders Dehin, Joseph Wilmotte, Adolphe Tassin, Auguste Van Assche, Frangois-André Durlet, Joseph Osterrath en Henri Beyaert. Van Jean-Joseph Halleux, Jules Helbig, Edouard Van Marcke en Jean-Baptiste Capronnier treft men werk aan in de Sint-Kruiskerk. Aan beide kerken werd in de namiddag een bezoek gebracht. Op de bouwkundige aspecten van deze kerken werd dieper ingegaan door drs. Flavio dl Campli, kunsthistoricus en verbonden aan de Luikse Dienst voor inventarisatie van het Kultuurbezit. Hij onderstreepte vooral de betekenis van provinciaal architect Jean-Charles Delsaux, wiens naam verbonden blijft aan het vroegere Prinsbisschoppelijk Paleis. Di Campli gaf een overzicht van de verschillende neogotische bouwwerken, zowel religieus als burgerlijk, die Luik en omgeving rijk zijn. Architecten als Evariste Halkin, Joseph Jonas Dumont, Jean-Louis Mélotte - zijn kapel voor de Dochters van het Kruis werd bezocht - , Auguste Van Assche, Joris Helleputte en Edmond Jamar zijn er allen actief geweest. Di Campli sprak tenslotte de hoop uit dat de interesse voor het neogotisch erfgoed zou leiden tot de bescherming van de meest in het oogspringende voorbeelden ervan. Een feit zoals de afbraak van de Sint-Franciscus van Sales-kerk in 1988, een technisch meesterwerk van Helleputte, mag zich niet herhalen. (Over deze kerk schreef F. Fonck een artikel in De Woonstede door de eeuwen heen, 1990, nr.5, p. 7-19). Enkele schitterende voorbeelden van de plastische kunsten worden in elk geval goed bewaard in het Musée d'Art religieux et d'Art Mosan. Naar aanleiding van de studiedag bracht het museum zijn "neogotische schatten"samen in een erg verzorgde gelegenheidstentoonstelling. Alle aspecten - drukkunst, architectuur, schilder-, glasraam-, edelsmeed-, meubel- en textielkunst kwamen er aan bod. Ook voor dit seminarie werd door het KADOC een rijk gevulde documentatiebundel samengesteld, met de teksten van de uiteenzettingen,

B I N N E N K R A N T


8

aanvullende informatie over de sites, het genoemde artikel over de Sint-Franclscus van Saleskerk, een uitgebreide nota over het oeuvre van Joris Helleputte in Luik en de catalogus Le néo-gothique dans les collections du Musée d'Art religieux et d'Art Mosan. Deze bundel kan nog altijd worden besteld bij het KADOC (Vlamingenstraat 39, 3000 Leuven, S 016/28.35.00) en kost 550,-fr. (exclusief verzendingskosten). De reeks seminaries zal trouwens worden voortgezet, met in de loop van 1991 een studiedag over de "koninklijke neogotiek".

2-4 juli: Heideweekend te Kalmthout Een typisch heidekamp vol aandacht voor alles wat het natuurreservaat Kalmthoutse Heide als biotoop te bieden heeft (geologie, landschap, flora, herpetofauna). Vervoer: groepsreis met de trein. Verblijf in tenten. Prijs:750,-fr. (vanaf 12 jaar). 6-12 juli: Kalkstreekkamp Treignes Studie van de kalkgrashellingen in de Viroinvallei (orchideeën en andere typische flora). Vervoer: groepsreis. Verblijf in oud station. Prijs: 2.500,-fr. (vanaf 12 jaar). 9-13 juli: Werkkamp Sint-MartensLatem Beheerswerken in de Latemse Meersen (Oost-Vlaanderen). Vooral maaien en hooien zullen aan de orde zijn. Vervoer: groepsreis. Verblijf: kamphuis. Prijs: 650,-fr. (vanaf 14 jaar).

L Vints, KADOC

BUITENKRANT NATUUUR 2000 NATUURSTUDIE- EN WERKKAMPEN De Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud Natuur2000, is een vereniging voor jongeren van 8 tot 25 jaar. De zowat 1000 leden, verspreid over 40 afdelingen in het Vlaamse land, werken allen intensief mee aan het organiseren van talrijke activiteiten in verband met natuur en milieu. Zo is er jaarlijks een lange reeks kampen en excursies, voert men acties voor het behoud van onze leefomgeving, worden er diavoorstellingen en filmavonden gegeven en sluit de vereniging in december haar werkjaar af op een groot nationaal Congres. Allemaal erg boeiend, zelfs voor de allerjongsten, want voor deze 8- tot 12-jarigen bestaat een aparte kinderwerking. Tijdens de komende weekends en schoolvakanties heeft Natuur 2000 een ruim kampenpakket in petto. Voorkennis is niet vereist, wel een stevige interesse voor al wat groeit en bloeit!

15 juli-3 augustus: Pyreneeën Tocht doorheen de prachtige Spaanse Pyreneeën. Studie van de bergflora en de roofvogels (gieren, arenden,...). Vervoer: groepsreis. Prijs nog te bepalen (vanaf 16 jaar). 22 juli-7 augustus: Oost-Europa Bezoek aan beroemde natuurparken in Tsjechoslovakije en Polen (onder meer Bielowieza met de Europese Bizons). Vervoer: groepsreis. Prijs nog te bepalen (vanaf 14 jaar).

24-28 juli: Werkkamp Oude Landen Beheerswerken in de Oude Landen, een oud stukje Scheldepolder ten noorden van de grootstad Antwerpen. Vervoer: groepsreis vanuit Antwerpen. Verblijf in kamphuis. Prijs:650,-fr. (vanaf 12 jaar). 1 -8 augustus: Werkkamp Zwarte Beek Maai- en hooiwerk in de vallei van de Zwarte Beek, een waardevol biotoop met een unieke fauna en flora. Vervoer: groepsreis met de fiets. Verblijf in kamphuis. Prijs:800,-fr. (vanaf 14 jaar). 10-14 augustus: Werkkamp Fort Oelegem Zoals altijd, werk zat op het vermaarde Fort van Oelegem (Antwerpen): het ecologisch schatteneiland van de Voorkempen. Noodzakelijke beheerswerken in verband met vleermuizenreservaat (verbeteren overwinter/broedplaats en dergelijke). Vervoer: groepsreis met de fiets. Verblijf in het fort zelf en in tenten. Prijs:900,-fr. (vanaf 14 jaar). 12-20 augustus: jongerenkampen in de vallei van de Zwarte Beek Speciaal voor kinderen van 8 tot 12 jaar: twee natuurkampjes (12-16 en 16-20) in het natuurreservaat 'De Zwarte Beek', in de buurt van Beringen. Je komt oren en ogen tekort! Groepsreis met autobus. Verblijf in kamphuis. Prijs: 2.000,-fr.

B I N N E N K R A N T


9

23-31 augustus: Nazomerkamp Schouwen Ons twaalfde kamp ter plaatse: wadvogelonderzoek, HVP-tellingen, strandjutten,... Vervoer: groepsreis met de fiets. Verblijf in kampeerboerderij. Prijs:3.000,-fr. (vanaf 12 jaar). 8-9 september: Vleermuizenweekend Studie van vleermuizen in het vleermuizenreservaat Fort Oelegem (in beheer bij Natuur 2000). Gebruik van batdetector en andere technieken worden aangeleerd. Vervoer: groepsreis. Verblijf in Fortgebouw en tenten. Prijs:500,-fr. (vanaf 12 jaar).

Het a t o met communiebank in de Sint-Corneiiuskapel, teBeerse (foto A.C,L, Brussef)

28-29 september: Zeevogeltrekweekend Oostende De koningin der badsteden vormt een ideaal schuiloord voor het observeren van de (zee)vogels die langsheen onze kust zuidwaarts trekken. Vervoer: groepsreis. Verblijf in jeugdherberg. Prijs: 1.750,-fr. (vanaf 12 jaar).

in Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Scandinavië, Italië, Tunesië, enzovoort ook openstellen voor jonge Vlaamse natuurexplorators-in-dedop.

Wie meer inlichtingen wenst over deze kampen en weekends kan steeds contact opnemen met het nationaal secretariaat van Natuur 2000, Bervoetstraat 33,2000 Antwerpen, ® 03/231.26.04. Dit secretariaat is dagelijks open van 9 u tot 12 u 30, en van 13 u tot 18 u, vaak ook later.

RESTAURATIE V A N HET MEUBILAIR V A N DE SINT-CORNELIUSKAPEL TE BEERSE: F O N D S W E R V I N G S CAMPAGNE Sinds begin december 1990 wordt volop gewerkt aan de restauratie van de Sint-Gorneliuskapel (15de eeuw) te Beerse. Naast de algemene restauratiewerken, binnen en buiten, werd de restauratie van het tongewelf met waardevol stucwerk uit het globale dossier gelicht. Hiertoe werd besloten omwille van de sterk gespecialiseerde technieken die daarvoor aangewend moeten worden. De financiële steun van de Koning Boudewijnstichting (500.000,-fr. in het kader van de campagne "Monumenten. Wij zorgen ervoor" van 1989) kreeg op die manier een specifieke bestemming.

4-6 oktober: Ardennenweekend Zoogdierenstudieweekend met als centraal thema de bronst van de edelherten. Vervoer: groepsreis. Verblijf in kamphuis. Prijs: 1.250,-fr. (vanaf 12 jaar). 4-6 oktober: Bosweekend Gezellig studiekampje voor de jongsten (alleen voor leden tussen 8 en 12 jaar). Vervoer: groepsreis. Verblijf in kamphuis. Prijs: 1.090,-fr. 11-13 oktober: Paddestoelenweekend Studieweekendje rond het (loof)bos als biotoop: zwammen, bomen, bodem,... in het Meerdaalbos (Leuven). Vervoer: groepsreis. Verblijf in kamphuis. Prijs: 1.050,-fr. (vanaf 12 jaar). 26-29 december: Congres Sluitstuk van 1991 en aanloop tot 1992. Vergaderingen worden afgewisseld met natuurfilms, voordrachten en excursies. Prijs nog te bepalen (vanaf 12 jaar). Natuur 2000 kan bovendien nog de weg wijzen naar tal van kampen die bevriende jongerenorganisaties voor natuurstudie en natuurbescherming

B I N N E N K R A N T


10

Omdat men in Beerse - terecht - de mening toegedaan was dat het begrip 'volledige' restauratie slechts gehanteerd kon worden als ook het aanwezige meubilair een grondige opknapbeurt zou krijgen, werd voor deze restauratiefase een niet zo alledaags project uitgewerkt. Uit de samenwerking tussen het gemeentebestuur, de Koning Boudewijnstichting en het Heemkundig Museum Tempelhof van Beerse, groeide de overtuiging om die restauratie te realiseren via een fondswervingscampagne. Het Heemkundig Museum Tempelhof engageerde zich en sloot in dat verband een overeenkomst af met de Koning Boudewijnstichting, waardoor onder andere bedrijven, instellingen, verenigingen en particulieren voor elke gift vanaf 1000,-fr. een fiscaal attest krijgen. De giften moeten wel gestort worden op het rekeningnummer 000-0000004-04 ten name van het Fonds voor het Bouwkundig Erfgoed van de Koning Boudewijnstichting. Giften vanaf 15.000,-fr. geven recht op naamvermelding in de kapel.

De Oranjerietuin van Alden Biezen in aanieg

De totale kostprijs van het project werd geraamd op circa 1.500.000,-fr.. Het Heemkundig Museum Tempelhof zelf zorgde voor een startkapitaal van 325.000,-fr. dankzij haar deelname aan de Wies Andersenshow van 1 februari 1991 op de V.T.M., een bedrag dat ondertussen aangegroeid is tot ongeveer 680.000,-fr. Dit snelle resultaat werd zeker in de hand gewerkt door de verzorgde brochure die uitgegeven werd. In deze brochure wordt het te restaureren meubilair niet alleen beschreven, maar wordt tevens meegedeeld op welke wijze de restauratie aangepakt zal worden. Het volledige project werd opgesplitst in 10 deelprojecten: altaar, beeld van de Heilige Cornelius, kruisbeeld, Mariabeeld, Christusbeeld, reliekhouder van de Heilige Cornelius, preekstoel, communiebank, balustrade, doksaal en zitbanken. In de brochure wordt telkens de kostprijs vermeld, zodat eventuele sponsors zich kunnen identificeren met een concreet meubel en hun gift niet zien verdwijnen in de grote pot.

De brochure is gratis te verkrijgen bij de gemeentelijke cultuurdienst, Bisschopslaan 56 te 2340Beerse, SOU/61.19.71 (toestel 49). Voor meer inlichtingen kan steeds contact opgenomen worden met: Heemkundig Museum Tempelhof, p.a. Berenlaan 16, 2340 Beerse &014/61.28.74 Koning Boudewijnstichting Programma Bouwkundig Erfgoed, Brederodestraat 21, 1000 Brussel, S02/511.18.40. Gemeentelijke cultuurdienst. Bisschopslaan 56,2340 Beerse S014/61.19.71 (49).

ALDEN BIEZEN. OPEN TUINDAG De in aanleg zijnde formele Franse tuinen van Alden Biesen, ontworpen door tuinarchitecte Viviane Paelinck, zijn bijna klaar. Zij bevinden zich bij de Oranjerie en achter het kasteel. Het nieuwe park vóór de Oranjerie wordt aangelegd naar een voorbeeld uit het einde van de 17de eeuw. De aansluitende tuin van de Landcommandeur is geïnspireerd door de gravure van Romein de Hooghe van 1700. Dit heuglijke feit wordt uitgebreid gevierd. Op 4 mei vindt de officiële opening plaats in aanwezigheid van talrijke prominenten. Op 5 mei wordt iedereen uitgenodigd om de Oranjerietuin en de Landcommandeurstuin onder begeleiding van deskundige

gidsen, gratis te bezoeken. Vanaf 6 mei kunnen de tuinen tegen betaling bezocht worden. De inkomprijs bedraagt dan 50,-fr. voor individuele bezoekers en 20,-fr. per persoon voor groepen onder begeleiding van een Alden-Biesengids. Op 14 april, 12 mei, 22 juni en 8 september 1991, om 15 uur, richten de Landcommanderij Alden Biesen en de VZW Gidsen van Alden Biesen voor het derde opeenvolgende jaar een reeks "balijelezingen" in. Naar aanleiding van de opening van de nieuwe Franse tuinen, werd voor het thema Tuinen en parken gekozen. Drie lezingen/bezoeken geven een overzicht van het ontstaan en de evolutie van historische tuinen en parken in België, het laatste bezoek is gewijd aan een hedendaagse tuin: - Geometrische en landschappelijke tuinen: het ontstaan en de evolutie van deze tuinen in Europa met een bezoek aan het Engels Park van Alden Biesen, door Herman Van den Bossche; - De formele barokke tuinen van Alden Biesen: de architecte en de tuinier die tekenden voor de tuinen van Alden Biesen, zullen ingaan op de twee formele tuinen; - De historische tuinen van Heks en hun oude rozencollectie: de voormalige zomerresidentie van de PrinsBisschop van Luik is nog steeds omgeven door prachtige tuinen met één van de grootste rozencollecties van Europa. De huidige eigenares en een tuinier zullen ter plaatse ingaan op de geschiedenis van deze natuurpracht;

P. Neefs.

B I N N E N K R A N T


11

• Anlwerpen, Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Gezicht op de gewelven met de kruisingskoepel (foto A.C,L„ Brussel)

- De hedendaagse tuinen van de familie Boulez: de Nederlandse tuinarchitect Arend Jan Van der Horst legde in Sint-Truiden prachtige hedendaagse tuinen aan met talloze rozen. De eigenares en de architect zullen ter plaatse hun visie toelichten.

Toegangsprijs: 200,-fr. per lezing/bezoek. Vóór-inschrijving is noodzakelijk daar het aantal deelnemers tot 70 personen beperkt wordt. Dit kan schriftelijk of telefonisch gebeuren.

WEDSTRIJD VOOR HET BEHOUD VAN HET NATUUR-EN CULTUURPATRIMONIUM Ook in 1991 zal de Wedstrijd voor het Behoud van het Natuur- en Cultuurpatrimonium georganiseerd worden onder de auspiciën van de Conservation Foundation en met de financiële steun van Ford Motor Company. De wedstrijd loopt in 14 Europese landen waaronder België, waar in 4 categorieën één laureaat gekozen wordt die een trofee en een cheque ter waarde van 150.000,-Bfr. ontvangt. Enkel in de categorie Jongeren wordt de Prijs opgesplitst in 100.000,-Bfr voor de laureaat en 5 aanmoedigingsprijzen van elk 10.000,-Bfr voor jongerenprojecten die opgezet werden door jongeren onder de 18 jaar, alleen of onder toezicht van een volwassene. De jury kiest vervolgens de Nationale winnaar van de Wedstrijd die een bijkomende cheque van 200.000,-Bfr ontvangt en kan deelnemen aan de Europese finale, waarvan de prijs 10.000 dollar bedraagt. In 1990 beloonde de Wedstrijd voor het Behoud van het Natuur- en Cultuurpatrimonium diverse initiatieven, zoals de restauratie van de begijnenwoningen te Diest, de omvorming van het Domaine de la Chartreuse te Luik tot educatief reservaat, de functionele renovatie van hoevegebouwen te Herent en de actie van leerlingen uit Athus om het oude kerkhof van Guerlange te redden.

Zowel particulieren als verenigingen komen in aanmerking voor één van de prijzen. De kandidaturen, in te dienen vóór 1 augustus 1991, worden voorgelegd aan een onafhankelijke jury, voorgezeten door Edgar Kesteloot, ere-afdelingshoofd van de Afdeling Ecologie en Natuurbehoud bij het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en Beheerder van de Conservation Foundation.

Voor bijkomende informatie en inschrijvingsformulieren kan men terecht bij Ford Motor Company (Belgium) N. V., Afdeling Public Relations, Kanaaldok 200, te 2030 Antwerpen, S" 03/540.27.42.

nieuwe gewelfsculptuur in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Deze sculptuur zal tijdens de restauratiewerken bevestigd worden op één van de sluitstenen van het gewelf van het hoogkoor waarvan het 15deeeuwse beeldhouwwerk op een onbekend tijdstip verdween. De prijsvraag staat open voor alle personen van Belgische nationaliteit geboren of wonend in de Vlaamse provincies. De prijs bedraagt 75.000,-fr. Dead-line voor de inzendingen is 28 juni 1991.

ONZE-LIEVE-VROUWEKATHEDRAAL TE ANTWERPEN BINNENRESTAURATIE PRIJSVRAAG Het provinciebestuur van Antwerpen schrijft een prijsvraag uit voor een hedendaags ontwerp voor een

B I N N E N K R A N T

Reglement en inschrijvingsformulieren kunnen verkregen worden bij de Provinciale Cultuurdienst (Dienst Kunstpatrimonium), Koningin Elisabethlei 22, 2018 Antwerpen, S 03/237.28.00 (binnenpost 1481 of 1485).


12

VEILIGHEIDSTROFEEEN 1990 Bij de jaarlijkse uitreiking door de A.I.A. van haar Veiligheidstrofeeën, viel op 25 januari 1991 jongstleden ook het Bestuur Monumenten en Landschappen bij de prijzen en wel in het bijzonder Rob Buelens, inspecteur gelast met de beveiliging van het kunstbezit in beschermde monumenten. Deze trofee werd hem tijdens de gala-avond overhandigd door jury-voorzitter Gaston Van Pottelbergh, Voorzitter o.r. van de Commissie Diefstal van de B.V.V.O., "opdat de volgende eeuwen vol bewondering zouden blijven opkijken naar ai het mooie dat onze voorouders voor ons allemaal hebben tot stand gebracht".

overzichtelijke toelichting beoogt bij de nieuw ontwikkelde (en nog evoluerende) planning- en evaluatiemethode voor ruilverkavelingsprojecten. Aan de grondslag van deze methode liggen de vrij recent gegroeide opvatting en behoefte - die een wettelijke basis vinden in de gewijzigde ruilverkavelingswet van 1978, waarin tot een expliciete verruiming van de doelstellingen van ruilverkaveling wordt besloten - om de multifunctionaliteit van ruilverkavelingsprojecten te benadrukken. Naast landbouw-economische aspecten wordt in een multisectoriële aanpak voor de planvorming en de evaluatie van ruilverkavelingsprojecten ook rekening gehouden met elementen als landschap, natuur, milieu, woon- en werkomstandigheden, recreatie... Voor de ontwikkeling van de toepassing van deze methode werd de ruilverkaveling Poppel uitgekozen. De hier gebruikte werkwijze zal richtinggevend worden voor de ruilverkavelingen die in de toekomst zullen worden uitgevoerd. Het is de bedoeling van de Vlaamse Landmaatschappij om met deze nieuwe aanpak in te spelen op het milieubeleidsplan en het natuurontwikkelingsplan van de Gemeenschapsminister van Leefmilieu, Natuurbehoud en Landinrichting.

door de Nationale Landmaatschappij, is er een indeling in vier onafhankelijke hoofdstukken. In het eerste deel wordt de methode beschreven. De algemene uitgangspunten en de theoretische achtergronden van deze multi-criteriumanalyse worden uiteengezet. In het tweede deel beschrijft men de planvorming, van inventarisatie en interpretatie van de verzamelde gegevens tot de planalternatieven. In deel drie komen de planalternatieven en de evaluatie van hun effecten op het landschap aan bod en in deel vier wordt behandeld hoe de economische effecten worden berekend en ingeschat. Of men nu vóór of tegen ruilverkavelingen is en of men al dan niet gelooft in een nieuwe aanpak van ruilverkavelingensprojecten, deze brochure is alleszins het lezen waard, omdat zij een goed beeld geeft van de nieuwe denkwijze over de planvorming van de technische begeleider van de ruilverkavelingen, wat in alle omstandigheden meer dan nuttig is. Hoewel de brochure niet diep ingaat op de technische details en de uitwerking van de verschillende aspecten, is zij goed als eerste kennismaking en toch diepgaand genoeg om de nieuwe methode tot op een redelijk niveau te kunnen inschatten. M. De Borgher

De brochure geeft de basisprincipes en de belangrijkste stappen weer van de nieuwe planning- en evaluatiemethode. Omdat het een bundeling is van artikels die verschenen zijn in het tijdschrift Landeigendom, uitgegeven

PLANNING EN EVALUATE

LITERATUUR

iEUWE KIJK

PLANNING EN EVALUATIE. EEN NIEUWE KIJK OP RUILVERKAVELING. PILOOTPROJECT POPPEL Door de Vlaamse Landmaatschappij is een brochure uitgegeven die een

B I N N E N K R A N T

Planning en evaluatie, een nieuwe kijk op ruilverkaveling pilootproject Poppel is samengesteld door G. Van Huyienbroeck, Seminarie voor Landbouweconomie - R.U.G., en R. Gielis en J. Soetewey van de Vlaamse Landmaatschappij. Ze is een uitgave van de Nationale Landmaatschappij en is te vekrijgen bij de Vlaamse Landmaatschappij, Guldenvlieslaan 72 te 1060 Brussel, ® 02/538.81.60, fax 02/538.84.26.


13

WOLF SCHMIDT, D4S RAUMBUCH ALS INSTRUMENT DENKMALPFLEGERISCHER BESTANDSAUFNAHME UND SANIERUNGSPLANUNG. Verantwoord bezig zijn met monumenten veronderstelt een grondige kennis van de bestaande toestand. Historisch onderzoek en bouwfysisch vooronderzoek zijn daar aspecten van. Louter economisch bekeken is vooronderzoek in de praktijk van beschermen, onderhouden, restaureren altijd al lonend gebleken. Om optimaal te zijn voor het monument moet het registreren van de bestaande toestand echter aan bepaalde voorwaarden voldoen: het onderzoek moet zo min mogelijk beschadigen; het moet alle essentiële kenmerken en eigenaardigheden van het monument blootleggen en het moet een evaluatie van de bouwhistorische betekenis mogelijk maken. In hoever dit opzet slaagt hangt af van de gekozen onderzoeksmethode en hoe men zich documenteert, maar ook van de grondigheid en volledigheid van het onderzoek. De hier besproken uitgave brengt een voorstel voor het interieuronderzoek (en die beperking kan als kritiek gelden), bespreekt de toegepaste methode en bekijkt ze kritisch. De auteur, ingenieur Wolf Schmidt, heeft het "Raumbuch"ï\\óens zijn jarenlange praktijk als "Gebietsreferent" (inspecteur monumentenzorg) van het Bayerisches Landesamt für Denkmalpflege kunnen uittesten en verfijnen. Hij was er trouwens ook initiatiefnemer van. Een lichtend voorbeeld was er niet; wel kent Duitsland het "Raumbuch"'m de nieuwbouw, waarin niet per uit te voeren artikel van het lastenboek, maar ruimte na ruimte een overzicht wordt gegeven van de uit te voeren werken met het oog op een vlotte organisatie en controle. Een adequate vertaling voor "Raumbuch" naar de monumentenzorg toe, is er niet; elke omzetting in het Nederlands schiet óf taalkundig óf inhoudelijk ergens tekort: binnenhuisdossier? kameranalyse? interieurdocumentatie? afwerkingsboek? inrichtingsinventaris? interieuronderzoek? binnenhuisgegevens? Misschien dekt "Werkboek Inwendige Afwerking" a\ bij al nog het best de lading. Het documenteert namelijk de inrichting en aankleding van een monument, dus de afwerking van de

naakte ruimten van een historische constructie, of anders gezegd, al wat een ruwbouw tot een bewoonbaar of bruikbaar gebouw maakt. Dit gebeurt dankzij een kombinatie van foto's, opmetingstekeningen en verklarende teksten van en over de begrenzende vlakken van elke ruimte van het te onderzoeken monument. Hierbij komen aan bod de zoldering, vloer, wanden met al hun samenstellende delen en details, van versiering tot afwerkingslaag, tot het hang en sluitwerk van vensters en deuren. Dit levert een waaier aan informatie op die streng geordend wordt, in die ordening vastgelegd wordt en ook toegankelijk gemaakt. Er gebeurt dus niet alleen een grondige analyse, het onderzoek wordt met een synthese afgesloten. De dagelijkse ervaring en voortdurende confrontatie met uiteenlopende problemen van behoud van origineel materiaal is de beste leerschool om zo'n werkinstrument uit te werken en aan de praktijk te toetsen. Dit was hier het geval. Het profiel van de ideale onderzoeker, maar ook de randvoorwaarden waaraan het monument moet voldoen, worden in de uitgave geschetst. Uiteraard is het "Werkboek" in de eerste plaats een gegevensbank, maar het vervult probleemloos ook bijkomende opdrachten. Het beschrijft immers nauwgezet en systematisch het interieur van een monument en zodoende reikt het evenzeer inlichtingen aan in verband met bouwhistorisch onderzoek.

functie- en gebruiksmogelijkheden, en is het behulpzaam bij het opstellen van een onderhoudsplan. Uit de praktijk blijkt het "Werkboek" nog een bijkomende onverwachte troef te bezitten: het maakt niet alleen de architect, maar ook de vaklui en uitvoerders duidelijk welk onderdeel, fragment of zone van het monument extra omzichtigheid of speciale voorzorgen en aandacht vraagt bij ontwerp en uitvoering van werken. Het blijkt voor de monumentenzorger ook een gewichtige referentie en een krachtig argument te zijn bij de begeleiding van problemen waarvoor de vereiste kennis of bekwaamheid vooralsnog ontbreken. In elk geval verbetert het de lezing van het historisch gebouw en draagt het ook bij tot een beter onderhoud. Deze inzichten in de zorg voor historisch patrimonium (en in de taak van de overheid op dat vlak) zijn helaas niet algemeen aanvaard. Wie ze aanhangt en verdedigt blijft een zeldzame uitzondering. Nochtans zijn ze slechts de doorgedreven consequenties van de basishouding die van elk bewuste monumentenzorger mag geëist worden: erkenning van de onvervangbare waarde van het erfgoed en er daarom respectvol mee omgaan om het zo volledig mogelijk in de authenticiteit van beeld, materiaal en betekenis te bewaren en over te dragen naar de toekomst. Van deze standpunten - die in het voorwoord terug te vinden zijn, in het corpus omstandiger verdedigd worden en aan de hand van fotomateriaal met verhelderende onderschriften worden geïllustreerd - moet een ernstig, goedmenend en in de praktijk geharde monumentenzorger niet meer overtuigd worden. En toch is zo'n werkinstrument zelden voorhanden, niet voor het interieur, maar (ten onzent toch) ook niet voor de bouwkundige constructie. Vooronderzoek, van welke aard ook, gaat nog maar al te zelden restauratieen onderhoudswerken vooraf, en een uitvoering van werken, hoe "vernielend" ook, wordt onvoldoende gedocumenteerd. Authentiek materiaal, en dus meteen ook de bron van kennis, gaat zodoende nog altijd onherroepelijk verloren. Gemis aan onderzoek en gebrek aan documentatie zijn ook oorzaak dat onze kennis van bouwen, aankleden, inrichten, verbouwen en

B I N N E N K R A N T


14

Binnengezicht in een Neder-Frankisch Raadhuis, 1986 (in Dos Raumbuch, p,20)

wonen in het verleden veel te kort schiet, dat onze kijk op de materie wazig is en ons beeld van het verleden op dit vlak mank loopt. Het weinige wat aan documentatie toch al vergaard is, Is doorgaans moeilijk terug te vinden, her en der verspreid, of nauwelijks toegankelijk. Erger nog is dat nergens een poging wordt gedaan om gegevens centraal te bewaren, bijvoorbeeld in een documentatiecentrum. Men zou zelfs durven zeggen dat er "bij ons" niet eens belangstelling voor bestaat. Het vastleggen van bevindingen in situ, op welke wijze ook, is misschien niet de makkelijkste, maar in een lange-termijn-visie wellicht de belangrijkste bestaansreden voor een kwetsbare en gevoelige discipline als de monumentenzorg. Vooral als er in rekening wordt gebracht dat hoe ouder het monument is, hoe ingrijpender de restauratie, dus hoe minder authenticiteit of oorspronkelijk materiaal (uit het hele leven van het monument) er over blijft; in zoverre zelfs dat een gerestaureerd monument nog enkel getuigenis aflegt over de restauratieperiode en niet meer over ontstaans- of bestaansperiode. Juist omdat niet alles kan bewaard worden, is het registreren alleen al een vorm van bewaren, en dus een belangrijke wetenschappelijke taak. Ze wordt nu door geen enkele instantie vervuld. Het oprichtingsbesluit van I juni 1972 van een Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg, waar het huidige Bestuur de rechtsopvolger van is, bepaalt wel niet expliciet haar wetenschappelijke opdracht, maar voorziet wel in het publiceren van wetenschappelijke bijdragen. Documenten uit de praktijk, als historische bron, zijn tenslotte ook de vruchtbaarste voedingsbodem voor een wetenschappelijk verantwoorde monumentenzorg, en zelfs voor de kunsthistorie tout court. De monumentenzorg als historische discipline kan in die zin uniek genoemd worden: ze vernielt, wetens en nillens haar eigen bronnen.

'reconstructie' en 'restauratie' (hoe eng men deze begrippen ook moge definiëren) is dan adembenemend smal. Bovendien, elke 'historische' reconstructie of restauratie, hoe perfect ook uitgevoerd wat inzichten, materialen en technieken betreft en hoe degelijk ook door onderzoek gefundeerd, draagt altijd en onvermijdelijk de stempel van het maakjaar, gewoon omdat de tijdsgeest, het 'immaterieel' aspect, nu eenmaal niet na te bootsen, niet te evenaren is en altijd wel aanwezig is. Onderzoek in situ, het registreren, ordenen en interpreteren van bevindingen, het centraliseren van gegevens, het verspreiden van de verworven kennis zou, ons Inziens, tot de 'eerste-lijns-zorg' van elk monument moeten behoren. Vermits de discipline aan geen enkele universiteit (in Leuven gaat het om een postgraduaat, verbonden aan de Faculteit Toegepaste Wetenschappen) of kunsthistorisch instituut als historische, wetenschappelijke specialiteit wordt onderwezen, is deze taak des te meer van belang. Nu in de kersverse hervorming van het universitair onderwijs de Faculteiten Wijsbegeerte en Letteren toch herschikt worden en er een Faculteit Historische Wetenschappen voorzien wordt, zou elke opleiding in de monumentenzorg daar eigenlijk

moeten thuis horen. Maar, dit is een ander verhaal. Aan een 'eerste-lijns-monumentenzorg' zijn wij, als Bestuur, nog bijlange na niet toe. Elders heeft het al wel gedaagd. De uitgave, door de Nederlandse Rijksdienst voor de monumentenzorg, van het Restauratievademecum is in wezen niets anders dan het ordenen en publiceren, dus het ter beschikking stellen aan de gemeenschap, van tijdens jaren door meerdere veldwerkers in situ vergaarde kennis en documentatie. De uitgave van Das Raumbuch als Arbeitsheft nr. 44 van de Beierse dienst voor de monumentenzorg, is een leerrijke en interessante wegwijzer voor wie zich op hetzelfde pad wil begeven. Alleen, idealiter ware dat er geen onderscheid zou gemaakt worden tussen wat hier met 'Raum' bedoel wordt, en de totaliteit van het historisch monument. Al is het waar dat, zoals op p. 17 valt te lezen, een monument niet als plattegrond of constructieschema ervaren wordt, maar als een opeenvolging van kamers met hun esthetisch en functiegerichte eigenheid, óók de constructie, materialen en gevels verdienen een gelijkwaardige aandacht, bekommernis en behandeling. Zij zijn het tenslotte die de ruimten mogelijk maken, ze dragen en sluiten.

Het "werkboek" mag, ons inziens, niet dienen - en dat is een niet te onderschatten gevaar - als bronnenof modellenboek voor 'historische' interieurs. Intellectuele eerlijkheid moet de monumentenzorg daarvoor behoeden. Uit de schat aan gegevens die zulke "werkboeken"opleveren, moet bij restauratie één keuze gemaakt worden. De grens tussen

B I N N E N K R A N T


15 Onwetendheid of onkunde vernielt ook veel oorspronkelijkheid van dat aspect van het monument. Erfgoed als monument beschermen is immers het tot onsterfelijkheid veroordelen. Het restaureren is het uit de loop van de tijd wegrukken. De onmogelijkheid van die opdracht betekent hèt dilemma van de monumentenzorg, en is het grote ongenoegen en de felle pijn voor wie zich dat toch als taak kiest. Meteen is hier de ontologie van de monumentenzorg verwoord. C. De Maegd.

BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN. PROVINCIE ANTWERPEN. ARRONDISSEMENT MECHELEN. DEEL I3NI KANTON LIER In het najaar van 1990 verscheen andermaal een nieuw deel in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, uitgegeven door het Bestuur Monumenten en Landschappen in samenwerking met de uitgeverij Brepols-Turnhout. Op 26 oktober laatstleden werd het nieuwe inventarisboek in het Lierse stadhuis voorgesteld aan de pers en het publiek door de Heer LG. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting. Het nieuwe boekdeel behandelt het bouwkundig erfgoed van de stad Lier, haar deelgemeente Koningshooikt en de spilgemeente Berlaar, sinds 1965 gefusioneerd met Gestel. Het kieskanton Lier, gelegen in het noord-oosten van het arrondissement Mechelen, toont een duidelijke wisselwerking tussen stad en platteland. Het pittoreske "Lier-aande-beide-Neten" behleló het middeleeuwse stadspatroon, waarbij de omwalling uit de 14de-15de eeuw uitgroeide tot de zogenaamde

stadswandeling, een groene zone omheen de stad. Het bouwkundig patrimonium illustreert duidelijk de historische en socio-economische context. Sterk bepalend voor het huidige uitzicht waren de verwoestingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, waardoor een groot deel van de Grote Markt en enige hoofdstraten moesten wederopgebouwd worden. Onder invloed van de inherente zin voor het "pittoreske" en het monumentale ontstond aldus een historiserende, regionalistische architectuur. Rond de stad heeft zich tijdens de laatste decennia een intens woongebied ontwikkeld, dat begrensd word door de Ring en het Netekanaal, terwijl in de verdere omgeving evenals te Koningshooikt het agrarische karakter grotendeels behouden bleef. Typisch zijn de bakstenen hoevetjes van het langgestrekte type, die tot in de 20ste eeuw werden gebouwd. De landelijke gemeente Berlaar, gelegen ten oosten van Lier, bestaat uit een dorpskom met een langgerekt driehoekig plein, verwijzend naar de Frankische oorsprong, en een dorpsdrenkpoel, de enige resterende in de Kempen, tevens het bewijs van een eeuwenoude landbouwgemeenschap met veestapel. De omringende gehuchten illustreren duidelijk de geleidelijk verovering en ontginning van de Kempen. Grote hoeven met oude kern en verdedigende omgrachting zijn verspreid over de gemeente. Door de toenemende woningbouw aan de verbindingswegen is het geheel heden uitgegroeid tot één agglomeratie. Opzet en werkwijze voor het opstellen van de inventaris bleven identiek aan de reeds gepubliceerde delen: hij biedt een overzicht van het bouwkundig erfgoed en vormt een uitgangspunt voor het opstellen van lijsten ter bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten. Basis voor de samenstelling van het boek is het veldwerk met een systematisch bezoek aan alle gemeenten en straten in het behandelde gebied.

Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen, Provincie Antwerpen - Arrondissement Mechelen - Kanton Lier, deel 13n1,576p., meer dan 1.300 foto's, prenten en schetsen. Prijs: 1.895,-fr. Uitgave van Brepols (Turnhout) in samenwerking met het Bestuur Monumenten en Landschappen.

KASTELENGIDS VOOR BELGIË 1991 Inzake stiptheid van verschijnen hoeft de jaarlijkse kastelengids van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België nauwelijks onder de doen voor de Beaujolais nouveau.... Overigens heeft de huidige, ruim 120 pagina's tellende brochure, nauwelijks nog enig uitstaans met de weinig aanlokkelijke gestencilde lijsten van weleer. De ruim 115 bezoekbare historische kastelen zijn nu bondig maar voortreffelijk gedocumenteerd en worden elk voorafgegaan door een illustratie. Openingstijden, toegangsprijzen en wijze van bereiken vervolledigen de basis-informatie. Toch blijven een paar vreemde eenden halsstarrig de bijt ontsieren. Het Anderlechtse Erasmushuis, het Hotel Charlier te Sint-Joost-tenNoode en - nu ja - de voormalige woning van Victor Horta in Sint-Gillis willen we desgevallend nog een plaats gunnen tussen de werkelijke "kastelen". Wat het Henegouwse Grand-Hornu daarentegen in dit boekje verloren is blijft ons een raadsel, maar al te gortig is de parmantige aanwezigheid, pagina 26, van het Brusselse... Autoworld! Of moeten de doorgaans luxueuze old-timers beschouwd worden als historische woonsten-opverplaatsing? M.M. Celis

H. Kennis

B I N N E N K R A N T

De Belgische Kastelengids voor 1991, een uitgave van de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België v.z.w., is verkrijgbaar door overschrijving van 150,-fr. op P.R. 000-051739-38.


M&L CITAAT

,Jfany person for the sake of traffic should have purchased any building in hopes of gaining more by pulling it down than the sum for wich he bought it, then he shall be obliged to pay into the Exchequer double the sum for which he purchased it." (Als iemand uit winstbejag een gebouw zou hebben gekocht in de hoop er meer voor te krijgen door het te slopen dan de aankoopsom, dan moest hij worden verplicht de Schatkist het dubbele van dat bedrag te betalen). Inscriptie van vóór 63 v. Chr. in Herculaneum opgetekend door een 18de-eeuws Engels toerist, geciteerd door Marcus Binney in zijn artikel Even Michelangelo was a conservationist, verschenen in Tïie Independent van 4 april 1990.

•


M&L

37

Jette, een waar paradijs voor schroothandelaars en souvenierjagers, verdwenen als het ware in het niet. In een volgende wanhoopspoging, om toch nog één en ander te kunnen redden, werden eind de jaren tachtig in samenspraak met de S.C.A.B. en het B.M.L., alle overblijvende metalen elementen en steengoed van Jette overgebracht naar Gent. Zo kwam een groot gedeelte zwaar materiaal terecht — onder toezicht van de stedelijke diensten (M.I.A.T.) — op het terrein "De Porre". Vele andere, maar kleinere stukken kwamen reeds eerder terecht in het Horta-Museum (de vroegere woning van architect Baron V. Horta) en in de kelders van het gemeentehuis te Sint-Gillis en de Rijksbasisschool te Jette. Wellicht zullen de restanten van zo een omvangrijk gebouw nooit rust vinden. Reconstructie zal nooit meer mogelijk zijn omdat het complex een zeer typische inplanting had. Het geheel was genesteld binnen de stadsstructuur, ingekapseld en afgelijnd door grillige perceelsgrenzen. Daarenboven lag het gebouw op een hellend terrein in de Stevensstraat, tussen de Zavel en de Kapellekerk.

Een eerste studieschets voor het Business-Center

GRONDGEDACHTE VAN HET PROJECT Om de twee jaar heeft de beurs Flanders Technology International plaats. Het jaar 1987 was voor het Bestuur Monumenten en Landschappen de start, met als onderwerp de beveiliging van het Lam-Gods in de Sint-Baafskathedraal te Gent. Alle handelingen, sponsoring, technische bijstand en know-how, onderzoekingen enzovoort werden vanuit het bestuur gecoördineerd. De stand, gewijd aan de algemene beveiliging van roerende en onroerende goederen en in het bijzonder van het Lam-Gods, kende bijzonder veel belangstelling. Evenmin is 1989 onopgemerkt voorbijgegaan. In het teken van ons industrieel erfgoed werd opnieuw een stand succesvol uitgebouwd. De industriële revolutie en haar bouwkundig patrimonium werden, als bakermat van ons huidig 'zijn', in de schijnwerpers geplaatst en aandachtig bekeken. Begin 1990 werd door Edgard Goedleven, Inspecteur-Generaal van het Bestuur Monumenten en Landschappen, aan zijn medewerker, architect Walter J. Slock, de opdracht gegeven een ontwerp op te maken in het kader van het Volkshuis te Brussel. Alle bestaande bouwonder-


38

M&L

delen dienden hierbij zoveel mogelijk te worden gebruikt. Het thema voor de stand F.T.I. 1991 werd meteen de evocatie van de voormalige feestzaal.

EEN EVOCATIE

Waarom een evocatie en geen reconstructie? Reconstructie is onmogelijk en zou de waarheid geweld aandoen. Niet alle elementen zijn immers nog beschikbaar, bruikbaar en/of bouwfysisch Aangezien een administratief bestuur noch de betrouwbaar. Bovendien was de feestzaal — met middelen noch de mogelijkheden bezit zulk een een lengte van ongeveer 50 m en een breedte van groots project alleen te realiseren, werd uitgeke18 m — gesitueerd op de bovenste verdieping van ken naar een ruimer gebruik en/of partners. het voormalige Volkshuis. Deze enorme afmetinDe Stichting F. T.I. werd bereid gevonden hieraan gen zouden op zichzelf geen beletsel mogen mee te werken en lanceerde de gedachte in het betekenen voor een volledige reconstructie, doch project een Business-Center onder te brengen. hiervoor ontbreken er te veel elementen, alsook Net zoals de feestzaal het in haar glorietijd kende de gehele infrastructuur, zoals onder meer het podium met de bijhorende kleedkamers en zal het ook hier terug gonzen van de activiteiten. sanitaire blokken. Terzelfder tijd ontstaat er een sfeer waarbinnen oude en nieuwe technieken worden samengeDaarnaast zijn er tal van waardevolle en bruikbare bracht. Het sensibiliserende effect van het bewust resterende bouwonderdelen uit het vroegere koppelen van oude en nieuwe technieken, moet complex welke, mits goede integratie, kunnen een aanzet zijn tot nadenken. Aanleren om begrip bijdragen tot het creëren van een globale sfeer. en respect op te brengen voor ons verleden, met een bijzondere aandacht voor de architectuur (ruimte, materiaal en details). Hulde brengen aan architect Victor Horta, welke destijds de moed opbracht baanbrekend werk te verrichten door HET CONCEPT juist eigenzinnig, maar overtuigd creatief en consequent, zijn ideeën uit te werken, tot het Uitgangspunt is het ontwerpen van een ruimte, bittere einde, compromisloos. welke terzelfder tijd een evocatie zou bieden van Het thema past volledig in het concept van F.T.I. Horta's Volkshuis (met een bijzonder accent op de 1991 dat georganiseerd wordt onder het motto feestzaal); dit geheel ingekapseld en gekoppeld "Een technologie voor een betere wereld". aan hedendaagse mogelijkheden.

De tweede maquette van het Business-center, gezien op de achterzijde


M&L

Ontwerptekening voor de voorgevel van het BusinessCenter

Ontwerptekening voor de achtergevei van het Business-Center

39

Symbolisch beschouwd krijgt men een nieuw beschermend omhulsel waarbinnen de relikwieën bewaard worden van een op zijn minst eigenzinnige doch functionele originele constructie. Technisch beschouwd ontstaat de symbiose tussen een oude en een nieuwe metalen constructie, welke opgevat is als een meccano, waarbij vlugge montage en demontage als geperfectioneerde techniek vooropstaan. Op het gebruiksvlak past een Business-Center perfect binnen deze ruimte; net zoals vroeger wordt die opnieuw een ontmoetingsplaats, maar dan wel voor zakenlui. Het project is verder ontworpen om na de beurs opgebouwd te worden als een definitieve constructie en dit op een vooraf te bepalen terrein. Bedoeling is dit gebouw achteraf te gebruiken op promotioneel, educatief, cultureel en architecturaal gebied; op historisch vlak zal het in elk geval zorgen voor een blijvende herinnering aan het Volkshuis van Horta.

DE ONTWERPFASEN

De ontwerpperiode is een complexe aaneenschakeling en opeenvolging van verschillende fasen. Sommige fasen kunnen elkaar overlappen en/of hernomen worden, naar gelang van het stadium waarin het ontwerp zich bevindt. Om de basisidee in het ontwerp consequent te kunnen behouden dient de architect bijzonder waakzaam te zijn bij elke fase-verandering.

Volgende fasen kunnen als de belangrijkste bestempeld worden:

— veldwerk, kennisneming en onderzoek van de bestaande elementen; — technisch en literair speurwerk; — analyse der programma's ten overstaan van de gebruikers; — creatieve denkperiode; — visualiseren van het denkproces; — exacte opmetingen van de te gebruiken hoofdelementen (spanten); — uitwerken van het voorontwerp bij middel van de opmetingsresultaten en de desiderata op inhoudelijk vlak; — stabiliteitsonderzoek; — uitwerking der speciale technieken zoals sanitair, communicatie en electriciteit; — opmaken van de uitvoerings- en detailtekeningen.


40

M&L

HET ONTWERP

Overeenkomstig vorige fasen werd, rond mei 1990, een embryonaal ruimtelijk voorontwerp ontwikkeld. Deze eerste gedachte werd via een schets gevisualiseerd. Grosso modo bestaat het ontwerp uit een metalen buitenconstructie, opgebouwd met stalen kolommen en koperen tussenwanden, waarbinnen de oude constructie opgesteld staat. Aangezien het moeilijk is om ruimtelijke inzichten door te geven, was het maken van een maquette een absolute must. Daarenboven is een schaalmodel niet enkel nuttig om de toekomstige gebruikers een beter visueel en driedimensionaal inzicht te geven, het is eveneens een ideaal werkdocument voor de ontwerper zelf. Een maquette laat vele onderzoeksmogelijkheden toe op het gebied van ruimtelijke verhoudingen, opbouw en stabiliteitsgedragingen.

De ijzeren inkomooortvanhetVolkshuis, gestapeld in de voormalige textielfabriek De Porre, te Gent, vóór behandeling (toto MM Celis)

Een volgende stap bestond erin de oorspronkelijke metalen spanten weg te halen uit de Gentse stapelruimte "De Porre" om ze vervolgens op een groot vlak terrein naast elkaar te leggen. Zorgvuldig en nauwgezet werden alle spanten topografisch omgezet in exacte tekeningen. Deze werkwijze was absoluut noodzakelijk gezien: — de onmogelijkheid om op korte tijd de enorme spanten manueel op te meten; — een manuele opmeting nooit zo exact kan geschieden; — de topografische coördinaten de exacte weergave vormen van elk spant, waardoor de onderlinge vergelijking vrij gemakkelijk verloopt. Op deze wijze werden alle koppels vrij vlug teruggevonden en kon de exacte inplanting naar gelang van hun variërende hoogte worden bepaald. Topograaf E. Wyns (A.R.O.L., Oost-Vlaanderen) wist deze klus in minder dan drie dagen te klaren. Voor ontwerpers en constructeurs, waren deze exacte bepalingen één van de meest belangrijke constructieve gegevens. De verschillende basishoogten moesten immers herleid worden tot éénzelfde referentie vlak. De variërende hoogtes van de onderste draagarmen der spanten moesten eveneens precies gekend zijn omwille van de niveauverschillen van de balkons (in het ontwerp vermeld als promenade). In één van de volgende fasen werd een algemeen kritisch onderzoek uitgevoerd naar de stabiliteit van het geheel. Aangezien het gebouw niet alleen

een tijdelijk karakter bezit, diende ook rekening te worden gehouden met alle bouwtechnische aspecten : inklemming, stijfheid, knik, overlasten, windbelasting, enzovoort. Niet alleen moest voldoende stabiliteit worden gewaarborgd voor de nieuwe constructie, de oude diende aan dezelfde strenge voorwaarden te voldoen. De beide constructies vormen immers één coherent geheel, waarbij de oude en de nieuwe in elkaar overgaan. Ten einde voldoende inklemming der kolommen te bekomen werden trekstaven aangewend. Goede samenwerking tussen ingenieur, constructeur en architecten leidde tot de oplossing: een mastvormige kolom. Het ontwerp heeft aldus zijn definitieve vorm gekregen. Onmiddellijk werden de definitieve uitvoeringsplannen en detailtekeningen opgemaakt en al ras werd met de fabricatie begonnen. De herstellingswerken aan de oude bouwonderdelen gingen van start.

DE RESTAURATIE

De restauratie der spanten was op zichzelf een hele karwei en vormde de basis voor de totale opbouw. Vooraf moesten alle oude metalen constructiebouwonderdelen ontroest worden ten einde de ware (naakte) toestand der spanten te kunnen evalueren. Het gebruikte klassieke handelsstaal (heden ^föa/57 genaamd) was immers behoorlijk geroest. Het roest werd door middel van gritstralen — dit is stralen onder hoge druk met heel kleine stalen bolletjes — verwijderd.


M&L

41

Perspectieftekening vanhetF.T.1,91Business-Center

De ijzeren inkompoortvanhetVolkshuis, na behandeling van de roestvomning (foto P Lagaisse)

De straalgraad was gelijk aan SA 2, codenaam van de straalmethode, volgens de zweedse norm SIS 055900-1967 (in de vakomgangstaal "blankstralen" genaamd). De grote hoeveelheid losgekomen roestdeeltjes zorgde wel voor aanzienlijke moeilijkheden. Het stralen moest regelmatig onderbroken worden omdat de luchtfilters van de straalkabine verstopt raakten en gereinigd dienden te worden. Toch was de roestvorming nog aanvaardbaar, niettegenstaande deze elementen jarenlang en onbeschermd onder de blote hemel hebben gelegen. Op bepaalde plaatsen kon een roestkorst van ongeveer 6 a 8 mm gemeten worden. Aangezien ijzer bij oxydatie 10 maal in volume toeneemt mag aangenomen worden dat het ijzer met maximum 0,8 mm aangetast werd. Omwille van de toenmalige overdimensionering kan deze minieme verzwakking van geen noemenswaardige bouwfysische betekenis zijn. Om nieuwe roestvorming te voorkomen op de blank gestraalde spanten, diende onmiddellijk een roestwerende verflaag aangebracht te worden


42

M&L

Enkele specifieke kenmerken aangaande het Business-Center FJ.I. 1991: FTI SI

Busness Center

— de stichting Monumenten en Landschappen is bouwheer voor de opbouw van het roerend bouwwerk op Flanders Expo; — de stichting F. T.I. is gastheer voor het BusinessCenter; — voor de restauratie van de originele stukken, alsook voor de nieuwe constructie-elementen, werd beroep gedaan op drie privé partners: het Gemeentekrediet van België, de Lamitrefen U.C.A. Groepende Groep Vandekerckhove. Minolta, de Financieel Ekonomische Tijd en Interlabor maken door hun inbreng de exploitatie als Business-Center op F.T.I. mogelijk;

FTiq

Busmesf Cenlef

|

^3

•

• • • •

• A Plan van de verdiepingen 1 en 2 van het BusinessCenter • Plan van de begane grond van het Business-Center

welke echter niet hinderlijk mocht zijn bij later laswerk. Het werd een sneldrogende roestwerende verf op basis van alkydhars, ijzeroxyde en inerte vulstoffen, met een droge laagdikte van 20 a 25 micron. Deze verflaag biedt een tijdelijke bescherming van 2 a 3 maanden en is geschikt voor verdere opbouwsystemen als eindlagen. Eens de spanten gestraald en voorzien van een roestwerende laag werden deze overgebracht naar het atelier, voor verdere restauratie. Onder restauratie wordt verstaan: — rechttrekken en uitlijnen der gekromde en beschadigde delen;

de voornaamste ruimtes vervat in het complex zijn: Inkom 75,00 m Patio 80,00 m Keuken-bar-zithoek-berging 45,00 m Balie - secretariaat 44,00 m Servicebureau 33.00 m Berging 40,00 m Vergaderruimtes en standplaatsen der gebruikers 267,00 m Deckterrassen 67,00 m Promenades 30,00 m Trappen en restruimtes 52,00 m ontwerper van het geheel: Bestuur Monumenten en Landschappen Afdeling Architectuur - Gent Architect W.J.Slock en partner Architect W.Hulstaert; draagconstructie : metaalbouw opbouwtechniek : meccano-principe opbouwtijd F.T.I.: 15 kalenderdagen afmetingen van het complex : lengte : 25,20 m breedte : 20,00 m hoogte : 12,25 m grondoppervlak : 504 m totaal volume: 6.174 m gewicht aan staal van nieuwe en gerecupereerde Horta-elementen: 135 ton koperbekleding buitenwanden: 650 m

— vervangen en/of herstellen van zwaar beschadigde of ontbrekende elementen welke voor bouwfysische problemen kunnen zorgen; — aan elkaar lassen van de stukgebrande elementen; — bijwerken en aanbrengen van de roestwerende verflagen op de herstelde stukken. Na restauratie werden de metalen onderdelen voorzien van een eerste epoxyprimer, met een wachttijd van 24 uur na het aanbrengen van de roestwerende verflaag. Als eindlaag werd een epoxyfinish aangebracht in de gewenste kleur. De twee laatste lagen hebben elk een dikte van 75 micron.


M&L

Maart 1991, Proefopstelling van het Business-Center op de werf in Ingelmunster (foto N, Tosseel)

43

Ook de nieuwe constructie-elementen gingen in productie en kregen een identieke verfbehandeling als de oude elementen. De ontwerper bepaalde ten slotte de kleur van de eindlaag. Naarmate het voorbereidende constructiewerk vorderde, drong een proefmontage zich op.

DE PROEFOPSTELLING

Op 28 februari 1991 werd te Ingelmunster, in aanwezigheid van Gemeenschapsminister van Economie, Middenstand en Energie, vice-voorzitter van de Vlaamse Executieve Norbert De Batselier, op de terreinen van de firma Vandekerckhove het eerste spant van het Business-Center F.T.I. 799i opgericht. De proefmontage van een meccano-staalconstructie met dergelijke omvang en afmetingen is absoluut noodzakelijk. De opbouwtijd voor F.T.I. bedraagt amper vijftien kalenderdagen en verrassingen zijn niet welkom. Eens de proefconstructie volledig afgewerkt is en alle stukken perfect in elkaar passen wordt het geheel oordeelkundig uit elkaar gehaald en overgebracht naar Flanders Expo, te Gent, waar het opnieuw gemonteerd wordt en te bezoeken is van 21 april tot en met 28 april 1991. Het Business-Center met talrijke vergaderruimtes, kantoren, bar en patio, zal ondernemers, wetenschappers, managers, investeerders en overheidsfunctionarissen samenbrengen in een bijzondere ruimte vol exotische planten. Een ruimte welke cultuur koppelt aan oude en nieuwe technieken. Met dit project wordt gehoopt enig sensibiliserend effect te bekomen, waarbij de link gelegd wordt tussen technologie, cultuur en architectuur als erfgoed. Heden kunnen deze activiteiten als inleidende restauratiewerken beschouwd worden. Ze kunnen aanleiding zijn tot het herstellen van een aantal waardevolle elementen, kaderend in het geheel van de industriële archeologie.

Deze werkwijze biedt terzelfder tijd ruime mogelijkheid tot integratie van de vroegere bouwonderdelen waardoor behoud ervan verzekerd wordt. De totale aanpak, met reïntegratie van alle vroegere bouwelementen, is jammer genoeg niet mogelijk op Flanders Expo. Geen nood! Na F.T.I. 1991 zal de constructie opnieuw gedemonteerd en overgebracht worden naar een vaste bouwplaats te Gent, alwaar de definitieve opbouw kan beginnen met een maximum aan recupereerbaar materiaal uit het vroegere Volkshuis van architect Victor Horta; maar zoals het gewoonlijk gaat bij een lang stripverhaal eindigt deze episode met de woorden "wordt vervolgd!".


44

M&L

HUIB HOSTE'S WONING VOOR DR. DE BEIR IN KNOKKE LUC VERROEST, K.U.L.

In de geschiedenis van de Moderne Architectuur in België staat Huib Hoste (1881 -1957) naast Henry Van de Velde, Victor Bourgeois, Louis Van der Swaelmen, Gaston Eysselinck, Leon Stynen, Jean Eggericx, Louis Herman De Koninck ... Deze erkenning heeft Hoste mede te danken aan de oorspronkelijkheid van zijn oeuvre.

Smets dat "het uiteindelijk zo is dat Hoste ondanks zijn overtuiging dat 'het zal komen tot een internationale stijl van universele betekenis waarvoor natuurlijk alle locale, regionale en nationale uitingen zullen moeten zwichten', in deze periode werk voortbrengt dat een uitgesproken eigen (Vlaams?) karakter bezit" (2). Dat geldt in zekere zin ook voor het werk uit zijn zogenaamde "internationale periode", in de jaren dertig, vanaf de woning in Zele uit 1931: "Tegen de zich (op dat ogenblik) steeds sterker manifesterende drang naar regionaal (en nationaal) karakter brengt Hoste in dat het zo goed als zeker Xierre Puttemans schrijft dat "Hoste in België de is 'dat de internationale architectuur toch min of vertegenwoordiger was van een bepaalde vorm vanmeer de nationaliteit van de ontwerpers zal laten vermoeden'(...). Hij spreekt zelfs van een karaktede internationale stijl, maar tegelijkertijd iets ristiek Vlaamse benadering der nieuwe zakelijkheid, nationaals trachtte te geven aan zijn architectuur. Zijn gehele werk illustreert trouwens deze dualiteit, (...) een soort locale interpretatie van universeel die bij andere architecten een waar conflict was" geldende principes. Een nationale architectuur veronderstelt voor hem immers in de eerste plaats (1). In verband met de ontwerpen en realisaties architectuur zelf" (3). van Huib Hoste in de jaren twintig schrijft Marcel


M&L

45

In 1928 stichtte Le Corbusier in het Zwitserse La Ongetwijfeld heeft deze oorspronkelijke en Sarraz de Congres Internationaux d'Architecture karakteristieke dualiteit in het werk van Huib Moderne. Huib Hoste was, met Victor Bourgeois, Hoste te maken met de grondslagen van zijn één van de stichtende leden. In hetzelfde jaar architectuur: enerzijds het traditionalisme van zijn stichtte Hoste het maandblad Opbouwen, Brugse leermeesters Charles De Wulf en Adolf Duclos en het neogotisch rationalisme — in de lijn "een merkwaardig strijdblad dat er tijdens zijn vijf jaargangen (met Hoste als hoofdredacteur) als van Viollet-le-Duc — van Louis Cloquet, wiens colleges hij volgde aan de Gentse Rijksuniversiteit, geen enkel ander tijdschrift in geslaagd is van 'in Vlaanderen de zich steeds vernieuwende en en anderzijds zijn kennismaking, vóór en tijdens evoluerende architectuur te doen kennen en te de Eerste Wereldoorlog, met de Nederlandse verdedigen'" (5). architectuur van het begin van deze eeuw, het werk van H.P. Berlage, K.P.C. De Bazel, In 1932 kwam het tot een samenwerking tussen Le W. Kromhout, de Amsterdamse School ... en Corbusier en Hoste voor de Linkeroeverwedstrijd uiteindelijk de confrontatie met de eerste grondin Antwerpen. Pas vanaf dat ogenblik werd Huib slagen van de Moderne Architectuur, met Rob Hoste "een onvoorwaardelijk verdediger" van de van 't Hoff, J.J.P. Oud, Theo Van Doesburg, Cl AM-theorieën (6). De internationale oriëntatie De Stijl ... Marcel Smets schrijft dat Hoste èn erkenning van Huib Hoste op het einde van de "er getuige is van discussies waaruit de basisjaren twintig en het begin van de jaren dertig blijkt principes van de internationale stijl zullen geborenuit een aantal belangrijke publikaties die dan voor worden". En hij citeert Henry Van de Velde: het eerst een stand van zaken met betrekking tot "Ceuxparmi ces 'jeunes' que les circonstances (...) de Moderne Architectuur opmaken en waarin avaient rejeté pendant la guerre au-dela du realisaties van Huib Hoste worden opgenomen: Moerdijck se firent les apótres de la nouvelle Internationale Architektur van Ludwig expression architecturale; celle d'un radicalisme de Hilberseimer (1928), Die Baukunst der neuesten conception rationelle et d'effort vers la generalisa-Zeit van G.A.Platz (1930) en Gli elementi dell' tion d'une expression commune" (4). architettura funzionale van Alberto Sartoris (1932). Het is dus slechts vanaf het einde van de jaren twintig dat Huib Hoste werkelijk deel gaat Huib Hoste heeft de Moderne Architectuur, en uitmaken van de internationale beweging van de meer bepaald in Duitsland en Frankrijk, slechts in Moderne Architectuur. Des te opmerkelijker is 1927 leren kennen, meer in het bijzonder het werk dan ook de betekenis van het vroege modernistivan onder andere Le Corbusier, Gropius, Mies sche werk dat Hoste vóór 1927 realiseert. van der Rohe op de Werkbund-tentoonstelling, de Vandaar ook het belang van het behoud van zijn Weissenhof-Siedlung, in Stuttgart in dat jaar. realisaties uit de vroege jaren twintig als historische getuigen van zijn "recherche patiënte", zijn geduldig zoeken naar een eigentijdse architectuurtaai. Hoste is in deze periode zelfstandig tot de ontwikkeling van een eigen, moderne architectuur gekomen. "Het belangrijke is dat Hoste zonder invloed van buitenuit heeft voortgebouwd op de beginselen die hij langs De Stijl uit Nederland meebracht. Het denken dat in zijn gebouwen uit die periode verscholen ligt, is volkomen oorspronkelijk. (Buitenlandse voorbeelden waren er trouwens bijna niet). De bevindingen uit deze — tweede — vormingsperiode zullen blijven nawerken wanneer hij later volop in de internationale stijl terecht komt. Zij liggen aan de basis van de persoonlijke interpretatie die Hoste eraan wist te geven" (7). Hoste publiceerde in deze periode in diverse avantgarde-tijdschriften, zoals La Cité, Ter Waarheid, De Driehoek, Bouwkunde.. Marcel Smets beschrijft het atelier van Hoste in SintMichiels bij Brugge in de jaren twintig als


46

M&L

Melnikov — werd het 'Bureau-fumoir' naar het ontwerp van Hoste en de kunstschilder Victor Servranckx bekroond. In het buitenland werd regelmatig over het werk van Hoste gepubliceerd, onder meer in Bauwelt (Berlijn, 1922), L'Effort Moderne (Parijs, 1924), L'Architecture (Parijs, 1924), in een artikel van Hannes Meyer in Das Werk (Zurich, 1925) en van Emile Henvaux in Wasmuths Monatshefte für Baukunst (Berlijn, 1926), in L'Art Vivant (Parijs, 1926) (9).

Perspectieftekening van de dokterswoning De Beir en detail van de ingangspartij, met het als luifel fungerende balkon (foto verzameling Sint-Lukasarchief)

In deze periode kwamen een aantal belangrijke, zoniet de belangrijkste realisaties van Hoste tot stand die, met gelijktijdige realisaties van Victor Bourgeois en Louis-Herman De Koninck, behoren tot het vroegste modernistische werk in België: de tuinwijken Klein Rusland in Zelzate (1921-1923) en, in samenwerking met de architecten A. Pompe, P. Rubbers en J.F. Hoeben, Kapelleveld in Sint-Lambrechts-Woluwe (19231926), beide met een stedebouwkundige aanleg van Louis Van der Swaelmen (10), en tenslotte de woning voor dr. De Beir in Knokke uit 1924. Eerder, in 1916, had Huib Hoste door bemiddeling van zijn vriend dr. De Beir de opdracht gekregen voor het ontwerp van het zogenaamde Belgenmonument in Amersfoort (Nederland), gerealiseerd in samenwerking met Louis Van der Swaelmen en de beeldhouwers Hildo Krop en Francis Gos. De woning dr. De Beir wordt beschouwd als "zijn beste realisatie uit deze periode" (11). "De plattegronden zitten verrassend goed in elkaar (...). Uitwendig verwerkt Hoste de functies in een zuiver geometrisch volume. Het gelijkvloers is bekleed met gebakken tegels waardoor visueel een scheiding optreedt tussen dienstruimten en de eigenlijke woning (op de verdiepingen, LV). De woning staat als het ware op een sokkel, afgescheiden van de bodem. De kleur accentueert dit. De aarden tegels vormen een soort voortzetting "een progressief eilandje in een reaktionair milieu van de omliggende duinen, waarmee het zwarte van (...) . Zijn woning is de pleisterplaats voor zowat de gevel fel kontrasteert. Het formalistische alle progressieven uit het land. Zijn werken zowel volume-element op de hoek van de woning schijnt als zijn geschriften worden aangezien als karakteris-daarbij het onderste deel met het bovenste te verbinden? De overheersende indruk is een tiek voor een nieuwe tijd" (8). volume-indruk. De hoofdmassa blijft echter In 1922 en 1923 organiseerde Hoste met de samengesteld uit vlakken waaruit telkens een kunstschilder Jozef Peeters drie congressen voor nevenvolume springt. Waar ze samenkomen in het Moderne Kunst. Tijdens het tweede congres, in dak zijn deze vlakken bewust uit elkaar gehouden. Antwerpen in 1922, spraken onder andere De vlakken zelf zijn opnieuw onderverdeeld door De Sft/7-medewerkers Victor Huszar en Robert van 't Hoff. Op de Exposition des Arts Décoratifs de witte ramen die hoewel ze fel contrasteren met de et Industriels Modernes in Parijs in 1925 — met het zwarte gevel, toch de indruk verwekken van Pavilion de VEsprit Nouveau van Le Corbusier en vlakken in een groter vlak. Elke gevel wordt daardoor herleid tot een compositie van vlakken het paviljoen van de Sovjetunie van Konstantin


M&L

Plan van de eerste verdieping, met aanduiding van het meubilair (in Encyclopédie des Métiers d'Art. Decoration Moderne, lome 1, Editions Albert Morancé, Paris, pi, 80)

Binnengezicht op de eetkamer, met ondermeer de dienstlift, rechts vooraan, en de muurdecoratie naar ontwerp van Victor Servranckx (foto verzameling Sint-Lukasarchief)

47

die een derde dimensie krijgt door het uitspringend waarschijnlijk merken hoeveel rijker en waarachtivolumeëlement. Als zodanig illustreert de woning ger het is dan menig beroemd exploot" (16). De Beir hoe Hoste uiteindelijk de principes van De Bescherming en behoud van de woning dr. De Stijl op een eigen manier heeft geïnterpreteerd" (12). Beir zijn hiervoor een noodzakelijke voorwaarde. De woning dr. De Beir in Knokke is een belangrijk moment in het oeuvre van Hoste, een eerste synthese van zijn onderzoek naar een eigen bijdrage tot de Moderne Architectuur in volle ontwikkeling. In een nummer gewijd aan "L'habitationprivée en Belgique" publiceerde het Belgische tijdschrift Le Document plannen en foto's van de woning dr. De Beir, samen met werk van onder andere Gaston Brunfaut, Victor Bourgeois en Jacques Obozinski. Opvattingen van Adolf Loos en Le Corbusier inspireerden ongetwijfeld de inleidende tekst bij de documentatie van E. Taelemans, die hiermee het werk van Hoste situeert en karakteriseert als een architectuur van Rede en Gevoel: "Le sauvage couvre d'ornements tout ce qu'il rencontre. L' homme civilisé se distingue du sauvage en ce qu'il n'a pas le visage tatoué. Il est done possible de mesurer l'intensité de civilisation d'un peuple au degré de simplicité des objets dont ilfaitusage (...). Nousn'avonsplusd'artisansd'art a la puissance decorative d'autrefois. Mais nous avons les ingénieurs, les mécaniciens, et les pilotes d'avions (...). Les formes émotives d'Esprit Nouveau doivent se rechercher dans les activités humaines restées en dehors de l'intention decorative. L'oeuvre d'architecture réelle touche au sublime et ne supporte pas l'intrusion de formes superficielles (...). La maison moderne ne sera pourtant pas rebarbative d'aspect, sa conception est rationelle, mais harmonieuse" (15). In de catalogus Antoine Pompe et Teffort moderne en Belgique 1890-1940 schreef K.N. Elno in 1969 dat "de woningen en villa's (van Hoste) blijven getuigen van een tectonische sensibiliteit die sedertdien nog maar zelden in België aan het licht kwam. Het is rationeel overlegde, ongeaffecteerd doelgerichte doch ook buitengewoon uitgebalanceerde, harmonische bouwkunst, volstrekt gevrijwaard van het geometrisch en functionalistisch estheticisme dat zovele modernen heeft verschalkt (...). Huib Hoste vermocht het, de absolutistische radicaliteit van het Nieuwe Bouwen op te vangen in de beleving van de, door landaard, natuurbeeld en volksmentaliteit gedetermineerde culturele alledaagsheid en te doen wortelen, en zo creëerde hij een moderne architectuur die vanzelfsprekend aansloot bij de grote traditie van vakmanschap, visie en levensvreugde. Men zal dit schone, even waardige als pretentieloze werk hopelijk ooit nog eens situeren in een Europese samenhang en dan


48

M&L

VOETNOTEN

dl (2)

(3) (4)

Knokke, woning Dr De Beir, De ingang aan de voorgevel wordt in de straat gemarkeerd door het balkon van de eerste verdieping (foto verzameling Sint-Lukasarchief)

(5) (6) (7)

(8) (9)

(10)

(11) (12)

(13) (14) (15)

Puttemans P. Moderne bouwkunst in België. Brussel, 1975, p. 143. Smets M.. Huib Hoste, voorvechter van een vernieuwde architectuur, 1972, p. 49. Smets citeert Huib Hoste, Bouwkunst en de moderne samenleving, in Ter Waarheid, I (1921), nr. 2 (februari). Smets M., 1972, p. 54-55. Smets citeert Huib Hoste, Stand der architectuur I, in Opbouwen, III (1933), nr. 1 (15 maart). Van de Velde H , L'architecture moderne en Belgique, in L'Art Vivant, III (1927), nr. 67 (1 October) (geciteerd in: Smets M., 1972, p. 38). Zie ook: SmetsM., Huib Hoste en de Nederlandse architectuur, in Tijdschrift voor architectuur en beeldende kunsten, XXXVIII (1971), nr. 12 (juni); Van der Perren J., Architektuur en meubels van Huib Hoste (1881-1957), Gent, 1980; Dubois M., Invloed van de architectuur van W.M. Dudok in Vlaanderen, in Cramer M.. van Grieken H , Pronk H., W.M. Dudok 1884-1974. Amsterdam, 1981, p. 40-52. Smets M., 1972, p. 20. Smets citeert het editoriaal van Opbouwen. III (1933). nr. 1 (15 maart). Ibid., p. 110 en 71. Ibid., p. 49. Smets wijst er overigens ook op dat "het eerste gebouw van zijn 'internationaleperiode', het woonhuis te Zele (1931), er (...) schijnt op te wijzen dat Hoste in zijn evolutie naar de internationale stijl erg beïnvloed is geweest door de Parijseperiode van Van Doesburg", en met name de 'maison d'artiste" die deze met Cornelis Van Eesteren ontwierp in 1923 (ibid., p. 110). Ibid., p. 17-18. Zie ook de bibliografie van Huib Hoste (ibid., p. 163 e.v.). Behne U., Belgische Modernisten, in Bauwelt, (1924), nr. 4; L'Effort Moderne, (1924), (juli); Lafollye P., Le Monument beiged'Amersfoort, in L'Architecture, XXXVII (1924), nr. 16 (25 augustus); Meyer H , Junge Kunst in Belgien, in Das Werk, (1925), (september); Henvaux E., Ausgeführte Arbeiten modernistischer Architekten in Brussel und Umgebung, in Wasmuths Monatshefte für Baukunst, (1926), nr. 4 (april); Mesnil J., L'Architecture Moderne en Belgique, in L'Art Vivant, (1926), (januari) (deze bibliografische gegevens in, Smets M., 1972, p. 171). Zie in verband met de tuinwijken Smets M., De ontwikkeling van de tuinwijkgedachte in België: een overzicht van de Belgische volkswoningbouw, 1830-1930, Brussel-Luik, 1977; Stynen H.. Stedebouw en gemeenschap: Louis Van der Swaelmen (1883-1929), bezieler van de moderne beweging in België, Brussel-Luik, 1979. Smets M., 1972, p. 104. Ibid., p. 105 en 107. In hetzelfde jaar (1924) bouwde Gerrit Rietveld in Utrecht het Schröderhuis, "de meest poëtische en vindingrijke verwerking van de Stijl-beginselen" (Fanelli G., Moderne architectuur in Nederland 1900-1940, 's-Gravenhage, 1978, p. 135). Een vergelijkende studie van beide woningen zou de oorspronkelijkheid van Hostes interpretatie van de Stijl-principes kunnen verduidelijken. Cfr. supra. Eysselinck G., Hapert er iets 7, in Opbouwen, IV (1934), nr. 10 (1 juni). Taelemans E., L'habitation privée en Belgique, in Le Document, (1930?), nr. 70. In het vorige nummer van hetzelfde tijdschrift werd een eerste artikel over L'habitation privée en Belgique geïllustreerd met een foto van de woning Guiette te Antwerpen van Le Corbusier (1926). In de inleiding hierbij schrijft Taelemans: "L'architecture d'esprit nouveau (...) délaisse le faste illusionistepour exprimer le rationalisme. Art et utilitë ne sont plus deux monstres séparés. Le machinisme et le comfort materiel transforment les désirs de la foule et la sensibilité des artistes. La maison nouvelle est une machine a habiter de la même esthëtique qu 'un croiseur de haute mer, un avion ou une locomotive". Marcel Smets schrijft in verband hiermee: "Van het begin afzet (Hoste) zich schrap tegen een al te letterlijke interpretatie van Le Corhusters slagzin als zou de woning 'une machine d habiter' zijn. Hij zegt: 'in een huis gaat het niet slechts om het

blote feit: er kunnen wonen, gezond wonen, gemakkelijk wonen; wij willen er ons ook behaaglijk in gevoelen, wij willen er kunnen rusten wanneer het ons belieft, ons afzonderen, dansen en springen, of genoeglijk met vrienden omgaan; ons gevoelsleven ontwikkelen'. Het functionele heeft dus voor Hoste ook een geestelijke inhoud" (Smets M., 1972, p. 53-54; hij citeert Hoste H , Het woningvraagstuk, in Opbouwen, I (1928), nr.3). (16) Elno K.N., Vlaanderen 1900-1940, p. 75 (in, Antoine Pompe et l'effort moderne en Belgique 1890-1940. Brussel, 1969, p. 72-76).


M&L

49

DE ANTITANKGRACHT MARC DE BORGHER, B.M.L.

De antitankgracht maakt deel uit van het verdedigingsstelsel rond de stad Antwerpen dat juist vóór de Tweede Wereldoorlog werd uitgebouwd. Dit vestingbouwkundig monument Is na het wegvallen van de militaire functie uitgegroeid tot een te behouden landschapselement, door de aanwezigheid van een waardevolle fauna en flora. Hij wordt dan ook stilaan erkend als ideaal flets- en wandelgebied met educatieve waarde.

Zicht op het fort van Brasschaatide omwallingsgracht en een deel van het gedynamiteerde fort (foto O, Pauwels),

DE VERDEDIGINGSGORDEL ROND ANTWERPEN (1) Na de onafhankelijkheid van België in 1830 was de overheid verplicht een eigen verdedigingsstelsel uit te bouwen. Door een gebrek aan natuurlijke grenzen en hindernissen wendde men de taktiek aan van de geconcentreerde versterking. In 1851 bestond de Belgische verdediging uit twintig versterkte plaatsen en posten. Doordat al deze plaatsen bij gebrek aan eenheden niet konden verdedigd worden, legde men de nadruk op Antwerpen, Luik en Namen die zouden worden uitgebouwd tot de ruggegraat van het defensiesysteem.


M&L

Door zijn geografische ligging - de Schelde en de Rupel-Nete-Iijn waren gedeeltelijk een natuurlijke verdediging - en door zijn haven - nodig voor bevoorrading van de bevolking en het leger en voor het aanbrengen van (Engelse) hulptroepen zou Antwerpen in oorlogstijd dienst doen als hoofdplaats en laatste toevluchtsoord in België van de regering en het leger. De voortdurende nood aan expansie van stad en haven en vernieuwde ideeën over verdedigingstactieken hebben een hele evolutie van het verdedigigingssysteem tot gevolg gehad.

DE BRIALMONTVESTING

Tussen 1860 en 1865 werd de Brialmontvesting gerealiseerd. Zij bestond uit een polygonale verdedigingsgordel met 8 vooruitgeschoven forten op de rechteroever van de Schelde, opgetrokken op een 2 a 2,5 km van de Spaanse vesten uit 1542 waarbinnen de stad Antwerpen vóór 1852 lag. Hij was 13 km lang, begon aan de nieuwe Noordcitadel bij de Schelde en liep langs Berchem en Borgerhout tot de Zuidercitadel van 1567. De vesting werd in 1870 tot de Schelde doorgetrokken door de sloping van de Zuidercitadel, die vervangen werd door 2 forten. Tegelijkertijd werd een veiligheidsgordel van 8 afzonderlijke forten, genummerd van 1 tot 8, aangelegd op 2 a 2,5 km van de Brialmontvesting: te Wijnegem (fort 1), Wommelgem (fort 2), Borsbeek (fort 3), Mortsel (fort 4), Edegem (fort 5), Wilrijk (forten 6 en 7) en Hoboken (fort 8). Tussen deze forten die met elkaar verbonden waren door een militaire baan, lagen telkens een drietal schansen. In het noorden werden geen forten voorzien omdat dit gebied (de polders en de Schijnvallei) door inundatie kon beschermd worden. Wel werd de fortengordel uitgebreid met het fort van Merksem. Door de noodzaak om beide Scheldeoevers te beheersen, begon men in 1870 op linkeroever de uitbouw van een verschanst kamp dat bestond uit de forten van Kruibeke, Zwijndrecht en de verbindingsdijk met fort Sint-Marie (2). De verdediging van de Beneden-Schelde werd aangevuld met de forten Sint-Phüippe (1869-1880) en De Perel (3). Ook de versterking op linkeroever werd aangepast door de verdediging te concentreren in de bocht van Kallo met het hernieuwen van het fort Sint-Marie in 1859 (4).

VERDERE EVOLUTIES DOOR ZWAARDER GESCHUT

In de Frans-Duitse oorlog van 1870 bleek steeds zwaardere artillerie gebruikt te worden (5). Hierdoor ontstond de noodzaak om de buitenste gordel van de versterking verder van de agglomeratie te plaatsen. Hij werd geleidelijk aan uitgebouwd op 16 km van de stadsagglomeratie aan de overzijde van de waterbarrière Rupel-Nete (6). Eerst werden de overgangen van de Nete en de Dijle tussen Lier en Walem versterkt door de bouw van de forten van Lier en Walem (1878-1889, gewijzigd in 1891-1900). Ook de bouw van het fort van Wintham is te beschouwen als een veldfortificatie. Op de linkeroever van de Schelde nam de uitbouw van een verschanst legerkamp een aanvang: het bruggehoofd Bazel. Deze defensieve dijk (7) vertrok vanaf de Schelde in het noorden tot aan een heuvel - van waaruit de Schelde en de Rupel konden overzien worden - waar het fort van Steendorp werd opgericht. Tevens werden de forten van Kruibeke en Zwijndrecht uitgebouwd en voltooid. Van 1888 tot 1893 kwamen op de binnendijken in de Antwerpse polders volgende vestigingen tot stand: het fortje Oorderen op de Couwensteindijk en het fortje van Berendrecht op de Zwanendijk. Zij hadden als doel de verdediging van de inundatie, van de dijken en van de tramlijn Antwerpen-Bergen op Zoom. Het fort van Schoten werd gebouwd van 1884 tot 1888 tussen het fort van Merksem en fort 1, ter verdediging van de weg naar Turnhout. Het fortje van Duffel (1886) vervolledigde het bruggehoofd Walem en diende tevens voor de verdediging van de spoorweg Brussel-Antwerpen. Voor de onverdedigde sector Oorderen-Schoten met de spoorlijn Antwerpen-Essen werd de schans van Kapellen gebouwd (van 1888 tot 1893). In 1902 werd de Netestelling aangevuld met het fort van Sint-Katelijne-Waver en de verdediging in het noorden met het fort van Stabroek (8).

REORGANISATIE MET DE EERSTE WERELDOORLOG IN ZICHT

Begin deze eeuw konden de militaire instanties de overheid overtuigen dat een reorganisatie van het verdedigingssysteem nodig was. De wet van 30 maart 1906 voorzag in de afbraak


M&L

51

van de Brialmontvesting (9) en de voltooiing van de versterking; deze van 18 augustus 1907 beoogde de reorganisatie van de verdedigingsgordels.

Oveizicht van de verschillende verdedigingsgordels rond de stad Antwerpen, met aanduiding van de forten (*), de schansen (A) en de antitankgracht (tekening Simon Stevinstichting, aangevuld met eigen gegevens).

ter hoogte van het fort Steendorp en twee forten, Doel en Oudendijk, op de Beneden-Schelde. Tenslotte moest de Hoofdverdedigingslinie op de rechteroever voltooid worden. Er zouden gepantserde forten opgericht worden te Kapellen, De veiligheidsgordel werd versterkt ter hoogte van Ertbrand, Brasschaat, 's Gravenwezel, Oelegem, Broechem, Kessel, Koningshooikt, Breendonk, de fortenlinie 1 tot 8 van 1859. Tussen de Schelde Liezele en Bornem met ertussen schansen te en de grens van de overstroombare zone zou hij Stabroek, Smoutakker, Schilde, Massenhoven, vervolledigd worden door de aanleg van een Koningshooikt (Tallaart), Sint-Katelijne-Waver gracht (een afleiding van de Schijn). Het zuidelijke {Bosbeek en Dorpveld), Liezele {Letterheide), en zuidoostelijke deel zou tussen de aangepaste Puurs (Sint-Pietersburcht). De mogelijkheid tot fortenlinie van 1859 voorzien worden in gebetoninundatie maakte werken overbodig tussen de neerde redoutes en een ijzeren sperhek. Ter vervollediging van de Beneden-Schelde-verde- forten van Lier en Broechem en tussen de forten diging zouden in Doel en Zandvliet forten en vijf van Walem en Breendonk. kustbatterijen geplaatst worden. Voor de Hoofdverdedigingslinie op linkeroever Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voorzag men twee forten en twee nieuwe schansen waren de bouwwerken van de forten op de Beneden-Schelde nog niet aangevat en was van de forten van de hoofdverdedigingslinie enkel de ruwbouw af (10). De veiligheidsgordel op de rechteroever was ook ver van voltooid: de grachten en het sperhek waren niet aangelegd en - Q T ? A VERSTIERKTE STELLING ANTWERPES L F r \ POSITK POSITION F0RTIF1EE D ANVER3 de schansen waren enkel ruwbouw, terwijl een deel van de gordel van 1859 was gesloopt. In 1914 werden in allerijl veldfortificaties aangebracht, doch de overgave bleef niet lang uit. Vooraf werden wel een aantal schansen — zoals die van Stabroek — door de Belgische troepen gedynamiteerd. Bevreesd voor een aanval uit het west-zuidwesten en het noord-noordoosten of vanaf de Schelde, lieten de Duitsers nog tal van werken uitvoeren. Zo plaatsten ze in de noord-noordoostelijke sector wel 588 kazematten (11), bunkers en batterijen. Aan het kanaal Dessel-Antwerpen - vanaf het fort van Schoten tot Turnhout - en in het zuidwestelijk deel van het arrondissement Antwerpen werden een reeks gebetonneerde bunkers gebouwd. \

ERTBRAMO

EEN NIEUWE VERDEDIGINGSTACTIEK

De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van de tactiek van de geconcentreerde versterking: de rol van het verschanste Antwerpen was uitgespeeld. Door het opnieuw dreigende oorlogsgevaar werden in de dertiger-jaren drie anti-Duitse stellingen opgericht. Antwerpen werd het linker steunpunt in dit verdedigingssysteem. Men voorzag in eerste instantie een Dekkingstelling (12) die liep van de Versterkte Stelling Antwerpen langs het Albertkanaal (13) naar de


52

Zicht op de antitankgracht in de polder van Stabroek. Het wilgenstruweel overwoekert plaatselijk de gracht (foto 0 Pauwels) Op de achtergrond, de koetoren van de kerncentrale van Doel.

Colntet-element; een beweegbare antitankhindernis die aan de antitankgracht gebruikt werd om de overgangen af te sluiten (tekening Simon Stevinstichting),

M&L

Versterkte Stelling Luik en via de Maas naar de Versterkte Stelling Namen. Zo zouden de geallieerde legers bij een Duitse inval de tijd hebben zich op te stellen bij de Hoofdweerstandstelling die liep van de Versterkte Stelling Antwerpen via de KW-lijn (14), tot de Versterkte Stelling Namen. De drie stellingen werden vanaf 1936 voorzien van een antitanksysteem als verweer tegen een snelle opmars van gemotorizeerde of gepantserde eenheden. Het bestond uit een geprefabriceerd ijzeren hek met zogenaamde Co/nte/-elementen. In de Versterkte Stelling Antwerpen werd bovendien een antitankgracht van ongeveer 33 km gegraven tussen de Schelde en het Albertkanaal. Hij volgde de vroegere hoofdverdedigingslinie. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren de werken alweer niet voltooid. De verdediging rond Antwerpen bestond toen uit

17 forten, 11 redoutes en 197 bunkers langsheen de antitankgracht. De forten en schansen werden niet gemoderniseerd met meer beton en moderner geschut; ze werden enkel ingericht als infanteriesteunpunten. De verdediging van de stelling werd aangevuld met verhakkingen, loopgraven, versperringen en artillerie-opstellingen (in hoofdzaak langsheen de


M&L

53

Duitse linie van 1917). In de polders werden inundaties voorbereid. Het gebied KalmthoutEssen ten noorden van de antitanklinie werd slechts zeer miniem verdedigd (door vemielingsen bewakingsdetachementen).

DE VERDEDIGINGSTACTIEK ALWEER ACHTERHAALD Door de evolutie van de krijgskunde verloren deze militaire bouwwerken hun functie en werden ze bij Regentsbesluit van 2 april 1947 opgeheven. Bij ministerieel besluit van 27 september 1949 werden een aantal kazernes en de vestinggordel van 1859 overgedragen aan het Ministerie van Financiën. In 1971 werden ook de forten 2, 3, 5, 6, 7 en 8 en de antitankgracht overgedragen. De forten Stabroek, Ertbrand en 's Gravenwezel werden verkocht aan privé-eigenaars. Het fort van Oelegem werd sedert 1984 in erfpacht gegeven aan de Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud - Natuur 2000. De antitankgracht wordt nu beheerd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Dienst van het Albertkanaal.

De antitankgracht zou voor de bevriende legers slechts een beperkte rol spelen (15). Reeds op 16 mei 1940, zes dagen na de Duitse inval in België, worden de geallieerde troepen achter de Schelde teruggetrokken, wanneer de Duitse pantserdivisies onder meer te Sedan doorbreken. Er waren op dat moment reeds bombardementen vanuit vijandelijke vliegtuigen en artilleriegevechten tussen Duitse troepen en Belgische stellingen, doch tot een echte veldslag is het hier niet gekomen. Er bestaat momenteel geen volledig relaas van de geleverde gevechten aan de antitankgracht (16). Tijdens de bezetting wordt de antitankgracht door de Duitsers goed onderhouden. Bij de herovering door de geallieerde legers is hij van weinig nut omdat de vijand uit "de verkeerde richting" komt. DE ANTITANKGRACHT (17) Er wordt wel gevochten aan de overgangen van de grote wegen. Het traject van de gracht

Ter hoogte van 's Gravenwezel loopt de antitankgracht doorheen urtgestrekte eikenberkenbossen en heideachtige terreinen. (foto O, Pauwels)

Het traject volgt in grote lijnen de voormalige Hoofdverdedigingslinie rond Antwerpen: vanaf de Schelde te noorden van het oude fort FrederikHendrik, langs het fortje van Berendrecht, de Schans van Smoutakker, het fort Ertbrand, het fort van Brasschaat tot aan het kanaal DesselAntwerpen-Schoten en vandaar langs het fort van 's Gravenwezel, de schans van Schilde, het fort van Oelegem tot het Albertkanaal nabij de schans van Massenhoven. Tussen het fort van Brasschaat en dat van 's Gravenwezel werd de gracht om waterbouwkundige redenen ten oosten van de linie (en het fort van Schoten) gelegd. De totale lengte van de gracht bedroeg ongeveer 40 km. Na 1945 verdween bij de havenuitbreidingen de anti-tankverdediging tussen de Schelde en de rijksweg Blauwhof-Berendrecht. Bij de aanleg van de aanzet van het duwvaartkanaal verdween het meest zuidelijke deel. Te Sint-Job-in-'t-Goor is de gracht vanaf het kanaal Dessel-AntwerpenSchoten naar het zuiden toe ingebuisd over een lengte van 500 meter.

De evolutie van het profiel In 1936 werd gestart met de studie van de aanleg van de antitankgracht en in 1937 werden, na een openbare aanbesteding, de graafwerken toegewe-


54

M&L

De antitankgracht heeft een "getenateerd" of zaagvormig tracé (tekening Simon Stevinstichtmg)

automatische wapens

vijandelijke aanval

Daarom werd spoedig gekozen voor een natte gracht. Eerst wilde men een 5 meter brede en 2 meter diepe gracht met twee verticale wanden. Maar hier zorgde het tekort aan geschikte en betaalbare bomen weer voor onoverkomelijke problemen, zodat uiteindelijk een derde profiel werd uitgevoerd. De gracht zou een bodem van ten minste 6 meter breedte hebben, een diepte van minstens 3 meter met een minimum waterstand van 2 meter en taluds van 8/4. Een toenmalige pantserwagen kon niet doorheen dergelijke gracht: hij was te diep en er bestonden nog geen amfibiewagens. Aldus zou de vijand gedwongen worden met de infanterie per boot aan te vallen.

De waterhuishouding Bij deze uitvoering diende door het hoogteverschil in het gebied de gracht in delen aangelegd te worden, waartussen sluizen voorzien werden.

De verschillende ontwerpen voor het antitonkgrochtproflel Bovenaan wordt het oorspronkelijk geplande profiel afgebeeld, In het midden het tweede ontwerp en onderaan het uiteindelijk uitgevoerde profiel (tekening Simon Stevlnstlchting)

zen aan enkele grote Antwerpse bouwondernemingen. De bouw van sluizen, bunkers, duikers, bruggen en dergelijke werd toegewezen aan andere ondernemingen. De graafwerken werden uitgevoerd met - in verhouding tot de huidige - kleine kranen en een groot aantal grondwerkers. Met een deel van het zand werden de oevers afgewerkt, de rest werd in Z)m«m7/ewagentjes (18) geladen en zo vervoerd ,tot aan de vrachtwagens die het wegbrachten. Het kanaal werd gegraven in een getenailleerd tracé. Dit is een zaagtandvormig tracé waarin de rechte stukken door stompe hoeken met elkaar verbonden zijn om afweergeschut, geplaatst in betonnen bunkers, mogelijk te maken. Deze flankering gebeurde dus vanuit de in het verdedigingsfront inspringende hoek. De rechte stukken zijn gemiddeld 500 meter lang zodat ze met automatische wapens konden verdedigd worden. De eerste plannen voorzagen in een droge gracht die aan de vijandelijke kant een schuine oever van ongeveer 35, aan de bevriende een steile oever en een vlakke bodem van ongeveer 5 meter zou hebben. Met dit opzet zou een pantserwagen in de gracht vóór de steile wand tot stilstand gebracht worden en zo vanuit de flankeerbunkers vernietigd worden. Bij de uitvoering van deze plannen (19) stuitte men algauw op onoverkomelijke problemen: de uitgegraven delen liepen bijna meteen onder water (door regen en opwellend water) en men had een tekort aan dennebomen die werden geheid in de steile oever.

Ter hoogte van de forten werd de gracht aangesloten op de omwalling (20). Het Kanaal DesselAntwerpen-Schoten vormde de waterscheidingslijn van het complex. Het noordelijk en het zuidelijke deel van de gracht kon zo via twee tapsluizen met kanaalwater gevoed worden. Door het natuurlijk hoogteverschil moest de gracht onderverdeeld worden in 16 panden:

bevriende zijde

vijandelijke zijde

houten paal (6 m)

bevriende zijde

vijandelijke zijde

houten paal {3 rn

bevriende zijde

vijandelijke zijde


M&L

55

6 ten zuiden van het kanaal en 10 ten noorden ervan. Ze zijn afgescheiden door betonnen dammen, voorzien van afsluitbare kokers. Het zijn in feite stumluizen waarmee het water kan opgestuwd of afgelaten worden in één of meerdere panden. Bij een gesloten sluis kon het water boven een bepaald peil overlopen via een open sleuf in de constructie. Door deze sleuf af te sluiten kon het water opgestuwd worden in de aan weerszijden verlopende sloten van het omgevend

Zicht op de ingang van het fort van Stobroek (O Pauwels),

Grondplan van het fort van Oeiegem. 1, Ingang met intrekbare rolbrug, 2, Keelcaponnière met traditore batterijen; 3. Zijgang met burelen en nutsvoorzieningen; 4, Hoofdgang met depots; 5 Kazernement en kazematten; 6. Kommandokamer; 7. Infanterieuitgangen; 8. Geschutstoren met 2 kanonnen van 150 mm; 9, Geschutstoren voor 1 kanon van 75 mm; 10. Geschutstoren voor 1 houwitser van 120 mm; 11. Schouderhoekcaponnière met 5 kanonnen van 57 mm; 12 Obseivatietoren; 13. Keelsaillant met hefkoepel voor 1 kanon van 57 mm; 14. Overdrukventilatie

gebied of kon het via overlaten in de waterlopen van de omgeving gestort worden om zo het gebied nat of moerassig te maken. Van de 15 sluizen werden er 13 beveiligd door een sluisbunker, de 2 overige hebben een eenvoudige betonnen beveiliging van het sluismechanisme. In het noorden kwam het water via een uitlaatsluis in de Schelde terecht, in het zuiden mondde de gracht uit in het Albertkanaal.

DE FORTEN

De antitankgracht werd gegraven ter hoogte van de Hoofdverdedinginggordel van Antwerpen, ook de tweede fortengordel genoemd. Het fort van Oelegera, dat goed bewaard is gebleven omdat het tijdens de oorlogsperiode buiten de Duitse aanvalszone lag, kan als typevoorbeeld gelden voor de forten van de tweede gordel. Het fort werd gebouwd tussen 1909 en 1914. Het heeft de vorm van een rechthoek en wordt omringd door een brede, natte gracht. De antitankgracht is aangesloten op deze gracht. De enige ingang bevindt zich aan de achterzijde, ook het keelfront genoemd. Via een intrekbare rolbrug over de gracht en een ijzeren poort komt men in de hoofdgang die de gebouwencomplexen van het keelfront verbindt met deze van het hoofdfront. Langs weerszijden van deze ingang bevinden zich bomvrije kamers, de keelcaponnières waarin de traditore batterijen opgesteld stonden (voor het opvangen van de vijand die reeds in de zones tussen de forten doorgedrongen waren). De benedenverdieping van zo"n keelcaponnière was uitgerust met snelvuurkanonnen aan iedere kant en met schietgaten voor geweren ter flankering van de keelgracht. Op de bovenverdieping stonden kanonnen voor de flankering van de zones tussen de torten en de schansen. Er waren ook twee schijnwerpers voorzien om bij nacht te kunnen bewaken. Langsheen de hoofdgang liggen depots en voorraadkamers voor materialen en munitie. Op de hoofdgang komt aan weerszijden een zijgang uit waarlangs verschillende kamers gelegen zijn: het zijn burelen, wasplaatsen, de officierenmess, lokalen voor nutsvoorzieningen, enzovoort. Tijdens de Duitse bezetting werd de functie van vele kamers aangepast aan de eigen behoeften zoals bijvoorbeeld "Krankenstube"oi "Pferdestatl der Artillerie" (achteraan in de hoofdgang).

In het gebouw van het hoofdfront waren de verblijfskwartieren van de soldaten gelegen: slaapzalen, keuken, cachot, enzovoort. In het midden bevindt zich de Commandokamer. In dit gebouw stond ook het geschut opgesteld voor de verdediging op grote afstand: in het midden twee pantserdraaikoepels met telkens twee kanonnen en aan de uiteinden twee draaikoepels voor een houwitzer. Hiertussen bevond zich aan iedere zijde een draaikoepe! voor een mortier, ter verdediging van het fort bij een frontale aanval. Bij een belegering van het fort konden de infanteristen vanuit de open binnenplaatsen via trappen en aarden opritten het dak bereiken en op de borstwering stelling nemen. Hier konden zo nodig ook de mobiele kanonnen, opgeborgen in nissen, opgesteld worden. Vanuit het hoofdfrontgebouw vertrekken langs beide zijden betonnen gangen naar de schouderhoekcaponnières, van waaruit de voor- en de zijgracht konden verdedigd worden met kanonnen (later vervangen door machinegeweren). Tevens vertrekken er vanuit het hoofdfront kokers naar beide keelsaitlanten. waar hefkoepels voorzien waren met een kanon waarmee de dode hoeken voor de schouderhoek- en de keelcaponnières konden bereikt worden. Elk van de saillanten (de hoeken van de gracht) was daarenboven voorzien van een bewapening met twee draaikoepels met kanon en een observatietoren met schijnwerpers. Het fort was uitgerust met een mechanische verluchting om tijdens de beschietingen de kruitdampen via luchtkokers in de muren uit het fort te kunnen verwijderen. De luchtmonden waren voorzien aan de keelzijde.


56

Dwars en overlangse doorsnede van een sluisbunker (tekening Simon Stevinstichting)

M&L

DE SLUISBUNKER VUAMDEUJXE ZUDC

De 13 sluisbunkers zijn alle van eenzelfde grondtype, maar er zijn verschillen in uitvoering. De sluis zelf is een eenvoudige buis waarvan het debiet van het doorstromend water kan geregeld worden door een schuif. Naar de bevriende zijde is er een overloop (betonnen sleuf) voorzien.

fransatserpgal

lucbllnlaal

(ranattm

E

: ]-

si uu mee ha mi me m portaal

Deze sluizen die een noodzaak zijn voor de goede werking van het verdedigingssysteem, worden beschermd door een bunker uit gewapend beton die rust op een zool. Het dak en buitenmuren zijn 1,3 meter dik om te kunnen weerstaan aan 15 cm-geschut. Het beton is afgewerkt met een "eitjescamoufflage". Deze structuur heeft als doel het invallend licht te verstrooien waardoor de bunker, vooral vanuit de lucht, minder zichtbaar wordt. Op het grondplan herkent men een blinde muur aan de vijandelijke zijde waarin enkel granaatwerpgaten voorzien zijn. In beide zijmuren komen schietgaten voor die tegen beschietingen vanaf de vijandelijke oever beschermd zijn door een uitbouw, oreillon genaamd. De bunker bevat gewoonlijk een schietkamer en een centraal gelegen kamer waar zich de periskoop bevond. Wanneer er een voldoende hoogteverschil is tussen de twee grachtpanden, bevindt er zich stroomafwaarts nog een derde (schiet)kamer die toegankelijk is door een trap vanuit de centrale kamer. In de schietkamers zijn affuiten aangebracht voor het plaatsen van een machinegeweer. De behuizing van het sluismechanisme bevindt zich aan de bevriende zijde, in een uitsprong aan de bunker die tevens als portaal dienst doet. Dit portaal is aan de buitenzijde afgesloten met een stalen hek, gedubbeld door een plaat. De kamers worden afzonderlijk afgesloten door een deur. Er is ook een nooduitgang voorzien. De wand is hier slechts één baksteen dik en wordt verder opgevuld met zandzakjes. Er is geen electrische verlichting voorzien, wel een aansluiting voor een veldtelefoon.

De afwerking van de gracht Aan de benedenkant van de oever werd een dubbel vlechtwerk van wilgetenen aangebracht dat vastgehouden werd door palen. De 30 cm brede tussenruimte werd opgevuld met kiezelstenen. Deze constructie wordt kieltuin genoemd en was bedoeld om oeververzakkingen tegen te gaan. Op elke oever van de gracht liep er een (niet verharde) weg (21) met ernaast een afwateringsgracht.

Pagina rechts Zicht op de sluisbunker (foto 0, Pauweis)

De antitankgracht kruist een aantal waterlopen op zijn traject. Deze lopen gaan via een duiker onder de gracht door. Deze duikers zijn - voor onderhoud - voorzien van schotbalken. Sommige hebben bijkomende schotbalken om

De bevriende zijde van de bunker en de twee flanken kunnen beschermd worden door de in de steunpunten opgestelde troepen. Dit is niet het geval voor de blinde muur. Voor deze bunkers, waarvan laatstgenoemde niet vanuit een nabije schans of fort kon verdedigd worden, wordt er op enkele tientallen meters afstand stroomopwaarts een dochterbunker voorzien. Deze bunkers hebben slechts één kamer en een portaal. Bunkers van dit type zijn ook geplaatst op die tenaillestukken van de gracht die niet vanuit forten, schansen of sluisbunkers konden verdedigd worden. Zij worden dunflankeringsbunkers genoemd.

overtollig water vanuit de antitankgracht af te voeren. Vermits alle waterlopen richting Antwerpen lopen zou, bij blokkering van deze duikers, steeds de vijandelijke zone onder water komen te staan. De kruising van de grote wegen werd verwezenlijkt door een aarden dam met erin grote buizen. De dammen werden afgesloten met ijzeren hekken, de wegen door Cointet-elementen. Aan de kleinere overgangen werden lichte, metalen bruggen gebouwd (22) die konden afgebroken worden (nu vervangen door aarden dammen). De antitankgracht was klaar begin 1940. De kostprijs van de aanleg bedroeg toen 40.000.000 fr (23).


M&L

DE ONTWIKKELING TOT EEN NIEUW LANDSCHAPSELEMENT Na zijn demilitarisatie zou de antitankgracht lange tijd geen gebruiksfunctie meer hebben. Dit had uiteenlopende gevolgen. Enerzijds groeiden de gracht en zijn oevers uit tot een nieuw landschapselement van formaat, met een eigen uitgebreide fauna en flora. De vegetaties en beplantingen konden weelderig tieren en de relatieve rust en plaatselijke onbereikbaarheid waren onmiskenbare factoren voor de aanwezigheid van tal van fauna-elementen. Zoals verder zal verduidelijkt worden groeide het militair bouwkundig monument uit tot een natuurwetenschappelijk en esthetisch waardevol geheel, een apart natuurgebied. Anderzijds staat daartegenover een voortdurende verwaarlozing met dan weer ongunstige gevolgen voor het waardevol geheel. Zo werd de waterhuishouding grondig verstoord door het aanbrengen van aarden dammen ter vervanging van de brugovergangen. Hierdoor was er geen waterdoorstroming meer mogelijk. De wateraanvoer uit het kanaal was eveneens verbroken, met sterk wisselende waterstanden tot gevolg. Doordat een aantal duikers verstopt geraakten, werden de dammen tussen de waterloop en de antitankgracht opengebroken. Het water van sterk vervuilde lopen, zoals onder meer het Klein Schijn en de Zwanebeek, kwam zo doorheen de gracht, met als resultaat de afzetting van slib en de nodige pollutie. Ook door het ongebreideld uitgroeien van de struiklaag op de oevers, in het bijzonder bij de wilgestruwelen, werd de gracht overwoekerd, waardoor er verlandingsverschijnselen ontstonden en de oevers afbrokkelden.

DE ESTHETISCHE WAARDE Volgens de classificatie van de traditionele landschappen in België (24) is het westelijk deel van de gracht gelegen in de Scheldepolders, het overige in de Voorkempen. Het eerstgenoemde deel komt voor in een open, vlak landschap met een vrij zware bodem die varieert van sterk gleyige gronden (25) op klei tot natte gronden op licht zandleem (klei op geringe diepte) en op lemig zand (26). In dit deelgebied is de gracht één van de weinige landschapselementen van enige betekenis.

In de Voorkempen is het landschap meer gevarieerd. Vanuit bodemkundig oogpunt valt de overgang naar zandige gronden op. Het wordt gekenmerkt door duinen, matig droge tot natte zandgronden, matig natte lemige zandgronden en matig natte gronden op zand. Enkel in de valleigebieden van de waterlopen die doorkruist worden, zijn zeer sterk gleyige gronden op lichte klei aanwezig. De begroeiingen wisselen af van open graslanden, akkers en heideachtige zones tot meer gesloten structuren als houtkanten, loof- en naaldbossen of gemengde bestanden. De gracht zelf kent ook verscheidene verschijningsvormen op zijn traject. Dit is ten dele een gevolg van de verschillende begroeiingstypes die op hun beurt veroorzaakt worden door verschillen in bodemsamenstelling, vochtigheidsgraad, beheer en dergelijke. De begroeiingen gaan van dichte struwelen, die soms de gracht totaal overwoekeren, tot meer open houtkanten, rietgordels en graslandachtige of heideachtige zones. Soms treft men geheel open water aan, dan weer is de gracht geheel of fragmentair begroeid met water- of moerasplanten. Zij is soms breed soms vrij smal. Nu eens treft men steile en hoge oevers aan, dan weer vrij vlakke. De gracht zelf vormt een lineair landschapselement dat soms voorkomt als een apart gegeven maar in andere omstandigheden bijna volledig opgaat in zijn omgeving. Dit laatste is zeker het geval in de bossen ter hoogte van Brasschaat en Schilde.

DE NATUURWETENSCHAPPELIJKE WAARDE De botanische waarde In juni 1990 werden zes dagen lang de plantesoorten geïnventariseerd. Beide oevers, op enkele nagenoeg ontoegankelijke plaatsen na (27), werden verkend. Aangezien de antitankgracht ongeveer 30 km lang is, kwam dit neer op een wandeling van een tiental km per dag. Bij deze eerste verkenning, die zeker geen volledige inventaris van de aanwezige kruiden, struiken en bomen kan opgebracht hebben, werden reeds 296 verschillende soorten genoteerd. Bij een meer systematisch onderzoek (28) zal deze voorlopige lijst ongetwijfeld nog merkbaar toenemen.


M&L ,

59

Fytogeografisch is de antitankgracht nagenoeg geheel gelegen in het Kempens district (29). Door de waargenomen plantesoorten te groeperen en in te delen volgens socio-oecologische groepen (30) wordt een beeld bekomen van de verschillende begroeiingstypen die voorkomen in en langs de gracht. Bij de vermelding van de soortnamen (31) worden tevens de frekwentie en de relatieve abundantie voor het Kempens district aangegeven (32). Enkel indien de soort (al dan niet gedeeltelijk) het predikaat vrij zeldzaam (VZ), zeldzaam (Z) of zeer zeldzaam (ZZ) heeft, wordt dit weergegeven (33). Dit is één van de factoren die mede de wetenschappelijke waarde van het gebied kunnen bepalen. De in het gebied aangetroffen socio-oecologische groepen zijn: - Planten van zoete tot zwak brakke waters en oevers 20 % - Planten van (licht) bemeste graslanden op matig voedselrijke tot voedselrijke, vochtige tot natte grond 20% - Planten van (zeer) droge graslanden 3% - Planten van heiden, en schraallanden .... 6 % - Planten van kaalslagen, zomen en struwelen 8 % - Bosplanten 15 % - Pioniers van sterk antropogeen gestoorde plaatsen: akkers, wegranden en droge ruigten .... 16 % - Pioniers van meer natuurlijke gestoorde plaatsen, op open vochtige tot natte humusarme grond 9% - andere, niet inheemse planten 3% Planten van zoete waters en oevers Deze groep vertegenwoordigt 1/5 van de aangetroffen plantesoorten. Hij wordt verder onderverdeeld in vijf subgroepen, waarvan er drie in belangrijke mate aanwezig zijn. Een eerste subgroep is deze van planten die voorkomen in zoete (matig) voedselrijke waters. Het betreft overwegend obligate waterplanten als Waterviolier, Smalle (VA-VZ) en Brede waterpest. Middelste waterranonkel (VZ-ZZ), Drijvend fonteinkruid (A-VZ), Gewoon sterrekroos (VZ-Z) die plaatselijk massaal voorkomen, naast Citroengeel blaasjeskruid (ZZ) (34), Grof hoornblad (VA-Z), Gekroesd fonteinkruid, Aarvederkruid VZ-ZZ), Klein kroos en Puntkroos (VA-VZ). Zowat 38% van de in het Kempens district voorkomende planten van deze subgroep is in het onderzochte gebied aan te treffen.

Klein blaasjeskruid (Z-ZZ), Knolrus en Naaldwaterbies (Z) (34) zijn de enige vertegenwoordigers van meer voedselarme waters. Tot de derde subgroep behoren de planten van verlandingsvegetaties in zoete, matig voedselrijke, stagnerende of licht-stromende, ondiepe tot diepe waters. In het onderzocht gebied komt de helft (51%) van de in het Kempens district voorkomende planten van deze subgroep voor. Pinksterbloem (moerasvorm) (Z), Gele lis (VA-VZ), Riet, Liesgras en Wolfspoot zijn over zowat de hele lengte weer te vinden. Moeraszegge, Scherpe zegge (VA-VZ), Pluimzegge (VZ), Geverzegge (Z-ZZ), Valse ciperzegge, Holpijp (VA-VZ), Watermunt, Waterzuring, Blauw glidkruid (VA-VZ), Grote egelskop (VA-VZ) en Kleine en Grote (VA-VZ) lisdodde worden eerder plaatselijk, doch soms vrij talrijk aangetroffen. Ook van de vierde subgroep, de planten van aanspoelingsgordels, natte ruigten, rivierbegeleidende wilgestruwelen van voedselrijk milieu is 48% van de in het Kempens district voorkomende planten aanwezig. Hiervan zijn Koninginnekruid, Hop, Grote kattestaart, Groot hoefblad (VZ-Z), Bitterzoet, Moerasandoorn (A-VZ), Schietwilg (VA-VZ) en Katwilg (VZ-Z) vernoemenswaardig. Van de laatste subgroep, de verlandingsvegetaties in zoete, voedselrijke, stromende of periodiek droogvallende waters, is de aanwezigheid van Waterbies (VA-VZ), Grote waterweegbree, Mannagras, Watertorkruid, Witte en Gele waterkers vermeldenswaardig.

Planten van (licht) bemeste graslanden Deze groep vertegenwoordigt eveneens 1/5 van de waargenomen plantesoorten. Hierin worden twee subgroepen onderscheiden voor de planten voorkomend op vochtige grond of op natte grond. Van beide subgroepen werd de helft van de in het Kempens district voorkomende plantesoorten waargenomen. Van de meest karakteristieke op vochtige gronden kunnen we Pinksterbloem (gewone vorm), Hopklaver, Grote bevernel (VZ-Z), Smalle weegbree. Kruipganzerik (VA-VZ), Gewone brunel, Grasmuur, Veldzuring, Glanshaver, Grote vossestaart (VZ) en Gewoon reukgras aanhalen. Wilde bertram. Kruipend zenegroen (Z), Dotterbloem, Tweerijige zegge (VA-VZ), Bosbies,


M&L

60

K -* ^ 'MÊgr,. flMBWK Hfap"* ^*Tfjj|tNfcj-

^

jiÊ ». " ^ ^ ^ g<a

k»»,., ' V j f S S

% lË.MLi£l ''S--i •*•./••;

^'jKpjiSfö*gL ^ ^

Si^ i

' v . r •. '.iN •

^ • T ^ : M*"

ÊkM

••

J ^ ^

••, V

^Ü^I»

lp ' ' V.' •V-

Ï<V 'w; *T»I' •

•

r'A" ' ' /

< •

-

1

! r • •

,

Planten van helden, schraallanden en moerassen De subgroep droge heide op zeer voedselarme grond in het Kempens district is voor 40% vertegenwoordigd in het onderzocht gebied. Het behelst plantesoorten als Struikheide, Brem, Gaspeldoorn (VZ) en Grote bremraap (ZZ). Van de subgroep natte heiden en onbemeste graslanden op natte, zeer voedselarme grond worden slechts twee plantesoorten aangetroffen: Pijpestrootje massaal en Wilde gagel (VZ) plaatselijk. Kantig Hertshooi, Veldrus, Biezeknoppen (VA-VZ) en Kruipwilg horen thuis in de subgroep van onbemeste graslanden op vochtige tot natte voedselarme grond. De subgroep van matig voedselarme laagveenmoerassen is slechts beperkt aanwezig met soorten als Moeraswalstro (A-VZ), Waternavel, Melkeppe (VZ) en Egelboterbloem.

Planten van kaalslagen, zomen en struwelen Van de subgroep jonge aanplanten en zomen op voedselrijke, humeuze, matig vochtige grond komen Zevenblad, Fluitekruid (VZ), IJle dravik, Kleefkruid, Robertskruid (VZ), Dagkoekoeksbloem (VZ), Gewone vlier en Heggewikke (Z) plaatselijk massaal voor. Asperge (VA-Z), Rode kornoelje (VZ-Z), Eenstijlige meidoorn en Hondsroos (VZ) behoren tot de subgroep van struwelen op matig vochtige tot droge, voedselarme tot matig voedselarme grond.

Bosplanten Tot deze groep behoort 15% van de waargenomen plantesoorten in en aan de antitankgracht. Echte valeriaan, Echte koekoeksbloem (VA-VZ), Moerasspirea zijn de voornaamste vertegenwoordigers die voorkomen op natte gronden. 1. Koningsvaren

Breedbladige Wespenorchis,

Gaspeldoorn,

Struikheide en Pijpestrootje (eigen foto's)

Planten van (zeer droge) graslanden Van de vijf deelgroepen komen er twee voor. Van de subgroep van graslanden op droge, voedselarme, kalkarme, zure grond wordt 45% van de in het Kempens district voorkomende plantesoorten aangetroffen. Gewoon struisgras, Zandstruisgras, Buntgras, Gewone veldbies (A-VZ) en Schapezuring (VA-VZ) zijn enkele typische voorbeelden. Van de subgroep op droge voedselarme grond kunnen Zandzegge, Muizeoor, Ruw vergeet-mijnietje (VZ), Jacobskruiskruid, Kleine veldkers, Vroegeling en Liggende klaver (Z) aangehaald worden.

Twee subgroepen zijn erg goed vertegenwoordigd ten overstaan van de plantesoorten die voorkomen in het Kempens district. Voor de bossen op matig voedselarme, droge, zure grond gaat het om 68%, voor de bossen op gerijpte, matig voedselrijke tot voedselrijke, matig vochtige tot droge grond om 49 %. Van eerstgenoemde subgroep kunnen in de boomen struiklaag van de begroeiingen langs de gracht Zomereik, Tamme kastanje, Ratelpopulier, Amerikaanse vogelkers. Wilde lijsterbes. Ruwe en Zachte berk en Pontische rododendron over het hele traject werden waargenomen. In de kruidlaag zijn dit Bochtige, Smalle en Brede (VA-VZ) stekelvaren. Wilde kamperfoelie. Valse salie (VZ). Meer plaatselijk kunnen Dubbelloof, Brede wespenorchis (VA-VZ), Hengel, Echte guldenroede (VA-VZ), Boshavikskruid en


M&L

61

grond zijn Speerdistel, Zachte ooievaarsbek, Vlasbekje, Witte honingklaver (VZ-Z) en Klein hoefblad waar te nemen. Boerenwormkruid, Hartgespan, Kleine klit (VZ-Z) en Bijvoet zijn voorbeelden uit de subgroep ruigten op weinig betreden, matig droge grond en Grote zandkool (Z-ZZ) en Slangekruid In een aantal delen van het traject komt de (VA-VZ) uit de verwante subgroep op droge subgroep bossen op relatief voedselrijk, vochtige grond. tot natte grond fragmentair voor met soorten als Zwarte els, Sporkehout, Geoorde wilg. Grauwe Pioniers van meer natuurlijke gestoorde plaatsen wilg (VA-VZ), Elzenzegge (VZ), Koningsvaren op open, vochtige tot natte humusarme grond (Z), Moerasmuur (VA-VZ) en Bittere veldkers Ook deze plantesoorten worden aangetroffen in (ZZ) (35). de bermen van de paden en in delen van de oevers van de gracht. Pioniers van sterk antropogeen gestoorde piaatsenVan de subgroep pioniers van relatief voedselrijke plaatsen met wisselende waterstand wordt in het Doordat de antitankgracht in een aantal gevallen onderzochte gebied 52 % van de in het Kempens doorheen landbouwgebieden loopt, worden op en district voorkomende plantesoorten aangetroffen. langs de paden een reeks plantesoorten aangetrofFioringras, Geknikte vossestaart. Ruige zegge, fen die in akkers groeien. Tengere rus. Ruw beemdgras, Tormentil, VijfvinHarig knopkruid. Stijve klaverzuring. Grote gerkruid (ZZ), Kluwenzuring en Krulzuring klaproos (Z), Herik (Z), Zwarte nachtschade. (A-VZ) zijn enkele karakteristieke voorbeelden. Gekroesde en Gewone melkdistel. Witte krodde Van de pioniers op open, voedselrijke, natte (ZZ), Rood guichelheil (Z-ZZ), Ringelwikke en gronden kunnen Greppelrus, Waterpeper, Vogelmuur zijn voorbeelden van de plantesoorten Beklierde duizenknoop, Blaartrekkende boterdie voorkomen op akkers op voedselrijke halhbloem (VZ-Z) en Moeraskers vermeld worden. houdende maar niet halkrijhe grond. Valse kamille (VZ), Hanepoot, Bleke klaproos (A-VZ) en Gewone spurrie groeien op akkers op Als besluit kunnen we stellen dat de antitankgracht relatief voedselarme, kalkarme grond. een rijk gevarieerde begroeiing heeft en zelfs in Van de subgroep ruigten op betreden, voedselrijke vrij representatieve mate een groot deel van de in Blauwe bosbes aangetroffen worden. Van de tweede subgroep komen Gewone es, Boswilg en Gelderse roos en Bosanemoon (Z), Wijfjesvaren, Mannetjesvaren, Klimop (VZ), Drienerfmuur (VZ), Schaduwgras (Z) en Knopig helmkruid talrijk voor.

In het poldergebied, op het grondgebied van Stabroek, komen vrij uitgebreide rietgordels voor (foto O Pauwels),


M&L

Overzicht van de gevonden grotere ongewervelde dieren (Macro-Invertebraten) in het water van de antitankgracht (herfst 1989) (a) Latijnse naam

Nederlandse naam

1

COELENTERA Hydra PLAtYhËLMtNMS Polvcelis Dugesia Deiulrocoeliuin lactcum OLIGOCHAETA Lurabriculus varieptus Tubit'icidaespp.ind. Peloscolex ferox Naididaespp.ind. Stvlaria lacustris Eiseniella tetraedra HIRUDINEA Piscicola geomctra Glossiphonta heteroclita Hemiclepsis marginata Helobdella stapalis Erpobdella octoeulata GASTROPODA Valvata piscinalis Bithjnia tentaculata Physa acuta Physa fontinalis Lymnaeajseregra Lymnaea gr. palustris Planorbis planorbis Gyraulus albus Anisus vortex Armiger crista Bathvoraphalus contortus Hippeutis complanatus Acrolovust'luviatiüs BIVALV1A Pisidium amnicum Pisidiumsp. ACARI Parasitenjiona spp.md. Oribatidaspp.ind. CRUSTACEA AMPHIPODA Gammaruspiilcx ISOPODA Asellus aquaticus Proascilus incndiaiuis INSECTA COLLEMBOLA Podura acjuatica Isotomidaespp.ind. Sminthurides EPHEMEROPTERA Cloeon dipterum Caenis cf. C. horaria Cacnis luctuosa ODONATA ZYGOPTERA Platycnemis pennipes Ischnura eiegans HETEROPTERA Notonecla giauca Cymatia bonnsdorfi He^pcroconxa Imnei Sicara f.illem

HOLTEDIEREN Armpoliep PLATWORMEN

al X

Melkwittcjlatworm BORSTELWORMEN Trilwormen

2

X

i

4

3

1

9

•1

+

6

X X

X X XX

XX

X X

XX

X X

X

XXX XX

X XX

XX

+ XX XX

BLOEDZUIGERS Visbloedzutger Doorschijnende bloedegel * Gezoomde clepsine Tweeogige clepsine Achtogige clepsine * SLAKKEN Vijverpluimdragcr Grote d i e p s l a k " " Puntige blaashorenslak Bronhla.ishoieiislak Poelslak Gewone schiifhorcnslak"** Witte schijfhorenslak**»* Draaikolkschijfhorenslak**** Nautilusschijfliorenslak Riempje Vlakke schijfliorenslak kapslakic TWEEKLEPP1GEN Rivierfijnschaal**1,,! Envtemossel MIJTEN Echte watermijten Mosmijtcn SCHAALD1EREN VLOKREEFTEN PISSEBEDDEN Waterezeltje

X

7 +

+

+

X

XX

+

XX

+

+

+

X X

X

+ +

+

+

XX

xxxx X X

+

XX

XXX

+ XX

X

+

+ XX

+

X X

XX XX

XXX XXX

X

X X

XX

+ XX

(+) XX

X

XX XX

X XX

+

+

XX

XXX X

INSEKTEN SPRINGST AARTEN

XX

XXX

X XXX

xxxx

XXX

+

X X

XXX X

X

+

X X

+ +

+

X

X

+

X

XXX

ËËMÖAGSVLIÈÖEN XX X XX

LIBELLEN JUFFERS Breedscheenjuffer Gewoon blauwgatje ,,! WANTSEN Gewoon bootsmannetje

het Kempens district voorkomende begroeiingstypen hier een toevluchtsoord vindt. Mits een aantal inspanningen kan dit vrij toegankelijke gebied uitgroeien tot een uiterst interessant natuureducatief domein. Belangrijk is hierbij te stellen dat, naast de essentiële vereiste van zuiver water, een deskundig beheer van deze begroeiingen een uiterste noodzaak vormt voor een goede ontwikkeling van de verschillende vegetatietypen.

XXX XX

xxxx XXX

+ + +

X

+

+ + + +

X

Si^.iii UiLi.ihs

Sigara semistriata Sigara striata

X X

X

+ X

(+)

X

X XX

De faunistische waarde Naast het botanisch aspect wordt de natuurwetenschappelijke waarde van de antitankgracht ook bepaald door de aanwezige fauna. De grote ongewervelde dieren (Macro-Invertebraten) in het grachtwater (36) Onderzoek uitgevoerd in 1989 in het kader van de


M&L

63

j

Latijnse mam

Nederlandse naam

NEUROPTERA Sisyra MEGALOPTERA Siaits iutaria COLEOPTERA Haliplussp. Apabus didymus Agabus sturmi Graptodytes pictus Hydioporus palustris Hvdrovatus cuspidatus Hygroius versicolor Hyphvdrius ovatus Uybius Laccophilus hyalinus Gyrinus substriatus Oulimnius TRICHOPTERA

NETVLEUGELIGÉN

i

2

3

4

5

6

X

+

X

+ +

+

SLIJKVLIEGEN

+

X

KEVERS + X

X

+

X

+

X X

X

X

+

S C H I b l M ü l ï E N . KUKtKJUFFERS met netspinnende larven

+ meï kokerbouwende larven

te te te te te te

^

+

1

Legende l: monsterplaats 2 : monsterplaats 3 ; monsterplaats 4 : monsterplaats 5 : monsterplaats 6 ; monsterplaats

\ 4

Cyrnus flavidus

Phryganea Agrypnia varia Limnephilm Liranephilus ? rhombicus 1 Umnephiiusgr. decipiens-hinatus ! Glyphotaelmspcllucidus Atripsodes atterrimus Mystacides D1PTERA NEVfATOCERA Psychoda Chironoraidae Chironomus Chironomus gr. plumosus Chironomus gr. thumni Cryptochironomus Dicrotendipes gr. nervosüs Endochironomus albipennis Glyptotendipes Gtvptotendipes gr. gnpenkoveni Microtendipes chloris ag|. Phaenopsecta Polypediiura gr. nubecuiosum Stictochironomus Tribelos intextus Tanytarsinispp.ind. Cricotopus Cricotopus gr. sylvestris Coiynoneura cf. Macropelopia Procladius Psectrotanypus varius cf. Conchapelopia Ceratopogonidae spp.ind. | Limoniidae spp.ind. BRACHYCERA Ephydridae spp.ind.

X

X

+ X

+

XXX

X

X

X?

X X

' xl " X jfl

"• XX

XX X?

1

K

XXX X?

X

TWEEVLEUGELIGEN

MUGGEN Motmugje Dansmuggen

+ X

Vedërmug Vedemiug

XX

+

XX X

XX X

X SXXX

X

xxxx

X

+

?

+ +

XX

xxxx

XX

XX XX

X X

X

xxxx xxxx

X

XX

XXX XXX X

XX X X

X X

X X X

XX

X

+ XXX

X

Knijten Steltmuggen VLIEGEN Watervliegen

X

X X

+ XX

Stabroek aan de Abtsdreef (zijde Fort van Stabroek) Stabroek aan het Hoogeind (lussen Hoogemd en sluisbunker) Stabroek aan het Hoogemd (ten oosten van de sluisbunker) Brasschaat aan het Weverbos (oostzijde van de straat) Brasschaat aan de Pioegsebaan (oostzijde van de straat) Brasschaat ter hoogte van het domein Inslag (aan oostelijk uiteinde van het viswater)

+ x xx xxx xxxx ? x?

Aanwezig (i exemplaar aangetroffen) Sporadisch (minder dan 10 exemplaren) Regelmatig (10-50 exemplaren) Algemeen (50-100 exemplaren) Zeer algemeen (maar dan 100 exemplaren) Waarschijnlijk aanwezig Opgegeven abundantie onzeker

(a) De Pauw N. & Vanaevel R. (Red.). Macro-lnvenebmen en waterkwaliteit^ Dossiers Stichting Leefmilieu, nr. 11. Stichting Leefmilieu. Antwerpen. 1991. in samenwerking met Jeugdbond voor Natuurstndie eö Milieubescherming. 316 blz. Dresscher Th. G. N. & Higler L.W.G.. De Nederlandse bloedzmgers-Hirudinea, Wetenschappelijke Mededelingen K.N.N.V., nr. 154. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Hoogwoud (Nederland). 1982.84 blz. DuijmF. & Dutmer G.. liM^/i&tèc/Jeugdbondsuitgevenj. Zeist-'s Graveniand (Nederland). 1985.60blz. Nteser N. De Nederlandse wam- en oppervlaktewantsen (Heteroptera: Nepomorpha en Gerromorphai. Wetenschappelijke Mededelingen K.N.N.V..nr. i55. Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Hoogwoud (Nederland), 1982.78 blz. + bijlage. Van GoethemJ.L-.MeMHettaöm/ysfmet (Wnteitenirtgen van de recente niet-manene weekdieren van België. Studiedocumeoten. nr. 44. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Brussel. 1987. 65 blz. (b) Beide punten zijn gelegen tussen het fort van Brasschaat en de verbindingsweg Brasschaat-Wuusiwezel. Het Domein De Inslag ligt juist ten zuiden van deze weg.

biologische kwaliteitsbeoordeling wijst uit dat het noordelijke deel van de antitankgracht (het traject Stabroek-Brasschaat) (37) zeer rijk is aan ongewervelde zoetwaterdieren. De meeste van de aangetroffen diergroepen en -soorten zijn typisch voor stilstaande of zwak vloeiende wateren. Hierbij dient de aandacht gevestigd te worden op het voorkomen van grote aantallen Kokerjuffer-

larven die vrij zuiver water vereisen en hierdoor in Vlaanderen niet langer algemeen zijn. Het vermelden waard zijn ook de waarnemingen van de larven van diverse soorten Eendagsvliegen, alle gebonden aan weinig of niet stromend water, de talrijke soorten Slakken, Wantsen en Kevers en de plaatselijke aanwezigheid van de Vlokreeft, Gammarus pulex.


64

M&L

De huidige gegevens zijn nog te beperkt om duidelijke variaties of zonaties van de levensgemeenschappen te beschrijven. De verschillende samenstelling van de stalen hangt immers ook samen met de plaatselijke biotoopkenmerken, zoals de nabijheid van bomen en de oeverstructuur.

• Ijsvogel, Deze kleurrijke soort die als biotoop visrijke waters kiest, is een regelmatig waar te nemen standvogel aan de anfitankgracht (foto M, Slootmaekers)

Platbuik, een llbellesoort die in de sterk begroeide oevers van de antitankgracht een ideaal jachtterrein vindt (foto M. Slootmaekers)

Detibellenfauna(38) Libellen die tot de insekten behoren, komen bijna uitsluitend aan de waterkant voor. Hun larven leven in het water. Zowel volwassen individuen (imagos) als larven zijn sterk afhankelijk van water van een vrij goede kwaliteit.

Van de algemene soorten waterjuffers - één van Het staal genomen aan de Abtsdreef te Stabroek de twee families (39) - zijn volgende talrijk is bijvoorbeeld beïnvloed door de nabijgelegen vertegenwoordigd : Vuurjuffer, Lantaarntje, wal van het Fort van Stabroek. Het bevat duidelijk Azuurwaterjuffer en Pantser juf f er. Op de dichte meer typische bewoners van vijversystemen, zoals overhangende struiken op de oevers zijn Houtde Melkwitte platworm en slakken als de Vijver- pantserjuffer (in de zomermaanden) en Breedpluimdrager en de Bron-blaashorenslak. scheenjuffer zeer talrijk aanwezig. Op plaatsen Laatstgenoemde lijkt op de andere plaatsen te zijn waar de Gele plomp voorkomt, treft men Grote vervangen door een verwante soort, de Puntige roodoogjuffer aan. Nabij het fort van Oelegem blaashorenslak. weet een kleine populatie stand te houden van Weidebeekjuffer, een soort die uiterst gevoelig is Zowel in Stabroek (aan het Hoogeind) als in voor vervuiling en hier voor ons land en de Brasschaat (aan het Weverbos en de Ploegsebaan) komen de Puntige blaashorenslak en de Gewone provincie Antwerpen het meest westelijke voorkomen heeft. Watersnuffel komt lokaal schijfhorenslak algemeen voor. Vlokreeften (te 's Gravenwezel) en in erg lage aantallen voor. worden daarentegen enkel in Brasschaat aangeIn 1987 werd een kleine populatie Tengere troffen. De aanwezigheid van deze drie soorten grasjuffer in de pijpestrootjesvegetatie waargenokan verband houden met de aanvoer van het water men, een soort die erg zeldzaam is in België (40). uit het kanaal Dessel-Turnhout-Schoten. Zij worden immers in dit kanaal algemeen tot massaal weergevonden. Het verdwijnen van de Van de tweede familie, de Glazenmakers, vormt Vlokreeft naar het noorden toe hangt waarschijn- de antitankgracht met zijn matig voedselrijk lijk samen met de fysische barrières en/of geleide(mesotroof) water een ideaal jachtterrein voor lijke veranderingen in de eigenschappen van het Blauwe en Bruine glazenmaker die er in de water (gradiënt). zomermaanden algemeen voorkomen. Op open plekken met een goed ontwikkelde Dichter bij het kanaal, in het Domein Inslag, oevervegetatie kan Keizerlibel waargenomen bevatten de herfststalen van 1989 noch de Puntige worden. De Plasrombout die een voorkeur heeft blaashorenslak noch de Gewone schijfhorenslak en voor stilstaand water met zandige oevers, is elk slechts één Vlokreeftje. Ontbreken deze soorten hier tijdelijk als gevolg van de uitzonderlijke droge jaar in lage aantallen aan te treffen. De Smaragdlibel komt erg algemeen voor op plaatsen met veel zomer van 1989 of kunnen ze zich wegens bomen op de oever. Beide soorten zijn zeldzaam plaatselijke omstandigheden niet handhaven? voor België te noemen (41). Ook Metaalglanslibel, Verder onderzoek is dus duidelijk vereist om de maar dan wel veel minder algemeen, kan er samenstelling en de dynamiek van de levensaangetroffen worden (42). gemeenschappen in de antitankgracht beter te Vermeldenswaardig zijn nog Platbuik Oeverlibel, leren kennen.


M&L

Westelijke baordvleermuis (foto H Willockx),

Watewleermuis (foto M. Slootmakers).

65

veelal rustend aan te treffen op een elzeblad, Bloedrode Heidelibel, vooral in de heideachtige zones en Viervlek, op stroken met weinig bomen en struiken. Nabij de Kleine beek komt de voor België erg zeldzame Bruine korenbout voor (43). De antitankgracht en een aanpalend verruigd grasland vormen het jachtterrein van deze soort.

De visfauna in het grachtwater (44) Het milieu van de antitankgracht leunt vrij sterk aan bij het "snoek-zeelt"-viswatertype (45) met typische vissoorten als snoek, zeelt, rietvoorn en kroeskarper. Dit type treft men aan in helder water met een rijke plantengroei. De vissen die in dit type voorkomen, zijn in het bijzonder voor hun voortplanting sterk afhankelijk van waterplanten. Dit viswatertype is in Vlaanderen vrij zeldzaam geworden en verdient dus bescherming. Als typische vissoorten in dit ecosysteem worden naast Snoek en Zeelt ook Rietvoorn en Baars aangetroffen. Verder worden minder specifieke soorten als Aal. Blankvoorn en Karper waargenomen. Op bepaalde delen van de gracht is door hengelaars Brasem en Snoekbaars uitgezet (46).

De Avifauna Meer nog dan voor de vegetatiestructuur is er een wisselwerking met de omgeving. In het poldergebied zal de antitankgracht als enig (lineair) landschapselement van enig formaat een waardevolle en geschikte broed-, schuil- en rustplaats zijn voor tal van vogels. In de meer beboste gebieden gaat hij als het ware op in het geheel. Er is nog geen systematisch onderzoek verricht naar de broedvogelpopulatie en naar het voorkomen van vogelsoorten in het gebied. Een uitzondering hierop vormt het fort van Oelegem. Een inventarisatie van de broedvogels van dit gebied (47) gaf volgende resultaten. Er werden broedgevdlen vastgesteld van vier meer strikt aan water gebonden vogelsoorten (48): Wilde eend (vijf koppels) en Fuut, Bergeend, Waterhoen (telkens 1 koppel). De overige waargenomen broedvogelsoorten zijn nagenoeg allen zangvogels, die vrij talrijk tot talrijk en zeer talrijk (49) voorkomen in houtkanten, tuinen, parken en bossen: Holenduif, Houtduif, Tortelduif, Koekoek, Grote Bonte Specht, Kleine Bonte Specht, Boerenzwaluw, Witte Kwikstaart, Winterkoning, Heggemus, Merel, Gekraagde Roodstaart, Nachtegaal, Tuinfluiter, Zwartkop, Fitis, Tjiftjaf, Koolmees,

Pimpelmees, Boomkruiper, Vink, Huismus, Spreeuw, Ekster en Vlaamse Gaai. Als losse waarnemingen, genoteerd tijdens de inventarisatie van de plantesoorten van de antitankgracht, kunnen Kleine Karekiet (in de rietkragen), Bosrietzanger (in de wilgestruwelen), Oeverloper, Ijsvogel en Kneu vermeld worden.

De vleermuizenfauna (50) Het fort van Oelegem is één van de bekendste winterverblijfplaatsen voor vleermuizen in Vlaanderen. Dit is in belangrijke mate te danken aan een gericht beheer door Natuur 2000, Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud. Het fort werd in 1984 in erfpacht gegeven aan deze vereniging. Zij stelde zich als doel de natuurwetenschappelijke waarde van dit domein te behouden en zo mogelijk uit te breiden. Uit literatuurgegevens bleek de potentiële waarde voor vleermuizenpopulaties (51). Er werden een reeks beheersmaatregelen getroffen om deze


M&L

REVALORISATIE EN HERSTEL VAN HET LANDSCHAP

waarde te bevestigen en uit te breiden. In eerste instantie werd het fort voor bezoekers gesloten in de winterperiode (52), dit ter optimalisering van de rust in deze voor vleermuizen kritieke periode. Daarnaast werden talrijke openingen (53) afgesloten om tocht te verhinderen en de temperatuur te stabiliseren. In de open gangen werden open bakstenen geplaatst. Het plaatselijk wegkappen van bakstenen in de muren heeft in het bijzonder goede resultaten afgeleverd voor de populatie van de Westelijke baardvleermuis (54).

Door de uiteenlopende waarden die de antitankgracht momenteel bezit, hebben verschillende verenigingen en instellingen dit landschapselement onder de aandacht gebracht en wordt er gestreefd naar het behoud van dit uniek gegeven. Naar een bescherming van de antitankgracht

Deze beheersmaatregelen zorgden voor een spectaculaire stijging van het aantal soorten en het aantal exemplaren. De negen waargenomen vleermuissoorten en hun aantallen worden weergegeven in bijgaande tabel (55). Bij deze tabel moet nog opgemerkt worden dat de spectaculaire stijging voor de telresultaten in de winterperiode 78-88 in hoofdzaak te wijten is aan het feit dat vanaf dan ook in de waterafvoerkanalen werd geïnventariseerd. Het bakstenen metselwerk met 10 cm diepe, smalle groeven van deze afvoerwegen is een structuur die uiterst geschikt is voor de overwintering van voornamelijk Watervleermuis en Franjepoot (56).

De problemen en de bedreigingen voor de antitankgracht zijn velerlei. Het meest cruciale punt wordt gevormd door de voortdurende bedreiging in verband met de aanleg van het duwvaartkanaal. Van de uitvoering van deze aanleg werd mede door een enorm verzet vanuit natuurbeschermingsverenigingen wel afgezien, doch in de gewestplannen Antwerpen (57) en Turnhout (58) is nog steeds de voorziene reservatiestrook niet afgeschaft. Deze strook (met een breedte van 100 m) volgt op een paar kleinere delen na (59) volledig het tracé van de antitankgracht. Dit houdt de mogelijkheid open de vroegere plannen alsnog uit te voeren. Dit is op zichzelf al een voldoende reden om de antitankgracht een statuut te geven dat zijn Ook tijdens de zomer worden verschillende voortbestaan kan garanderen. soorten in en rond het fort waargenomen. Een van de middelen die de wetgever heeft In het fort is een kraamkolonie van een zestigtal Watervleermuizen aanwezig en er worden afzon- uitgewerkt om een gebied te beschermen en voor de toekomst te vrijwaren is een rangschikking als derlijke exemplaren van Gewone grootoor en landschap, overeenkomstig de bepalingen van de Franjepoot aangetroffen. Rond het fort werd wet van 7 augustus 1931 op het behoud van tevens (met behulp van vleermuisdetectoren) de monumenten en landschappen. aanwezigheid van de Rosse vleermuis, vermoedeIn deze wet wordt bepaald dat een landschap lijk in de acacia's, en van de laatvlieger, de Ruige waarvan het behoud in historisch, esthetisch of dwergvleermuis en de Meervleermuis vastgesteld.

85-86

86-87

87-88

88-89

89-90

17 4 4 2 4

50 14 25 4 2 6

62 12 81 1 4 3

212 69

275 105

_ -

-

10

101 69 14 8 11 3 1 31

7

10

3

34

16

26 1 1 15

70

111

176

337

362

497

84-85 Watervleermuis Westelijke baardvleermuis Baard/Watervleermuis Gewone grootoor Franjestaart Ingekorven vleermuis Meervleermuis Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Grijze grootoor Spec, ongedetermineerd Totaal

' 32

-

—

-

5 35 2 4 19

5 63 5 1


M&L

67

Nu de bevoegdheden voor deze materie en de betrokken administraties volledig in handen zijn van het Vlaamse gewest, lijkt stilaan de tijd rijp om het standpunt van de bevoegde overheid over deze aangelegenheid te vragen. Een dermate belangrijke beslissing dient door de Vlaamse Executieve genomen te worden, temeer daar in een recent arrest van de Raad van State (62) wordt bepaald dat een rangschikking als landschap een bestemming op het gewestplan niet onuitvoerbaar mag maken. Met andere woorden, als voor een bescherming als landschap wordt gekozen, dient de Vlaamse Executieve in zulke gevallen eerst het gewestplan aan te passen.

Op het grondgebied van de gemeente Schilde is één van de vroeger miltaire paden ingericht als fiets- en wandelpad (eigen foto)

wetenschappelijk opzicht van nationaal belang is, kan gerangschikt worden en onder bescherming van de staat gesteld. Bij de Staatshervorming is deze bevoegdheid overgeheveld, eerst naar de Vlaamse Gemeenschap (60) en daarna naar het Vlaamse Gewest (61). Zoals uitgebreid beschreven in de voorgaande hoofdstukken, komt het gebied ongetwijfeld in aanmerking om gerangschikt te worden als landschap, aangezien het voldoet aan alle drie de criteria die in de wet worden voorgeschreven. Het Fort van Oelegem dat als nagenoeg intact typevoorbeeld kan beschouwd voor de forten van de tweede verdedigingsgordel van Antwerpen, wordt momenteel, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 7 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten, voorgesteld om opgenomen te worden op het voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, omwille van zijn historische waarde. Dit artikel is dan ook te beschouwen als een pleidooi voor een beschermd statuut. Daar de beslissing tot een rangschikking als landschap meteen de aanleg van een duwvaartkanaal, zoals dit momenteel uitgetekend is, onmogelijk zal maken, is het duidelijk dat deze aangelegenheid een moeilijke politieke keuze zal worden. Alhoewel de waarde van de antitankgracht meer en meer ook door openbare instanties onderschreven wordt, is de mening dat de aanleg van het duwvaartkanaal niet meer haalbaar is, doordat de kosten niet meer tegen de baten opwegen en doordat het project te zeer gecontesteerd wordt, zeker nog geen zienswijze die door ieder zal gedeeld worden.

Indien de reservatiestrook voor de aanleg van het duwvaartkanaal zou geschrapt worden, dan is de bestemming voor de antitankgracht in de gewestplannen in grote delen gepast te noemen. Op een aantal forten en kleinere locaties na (63) is hij integraal groengebied. Delen zijn natuurgebied, andere parkgebied, bosgebied of buffergebied. Een zodanig waardevol gebied is gebaat met een bescherming als landschap, omdat enerzijds de eigenheid van het gebied bepaald wordt door erg uiteenlopende aspecten, van natuur tot historische bouwwerken, en omdat anderzijds er door het opleggen van specifieke verbodsbepalingen tot een integraal behoud en beleid kan gekomen worden. Het is tot dusver in vele gelijkaardige gevallen een geschikt beleidsinstrument gebleken.

Nieuwe toekomstplannen Het toekennen van een beschermd statuut dient gepaard te gaan met een gepast onderhoud of beheer van de gracht (64). Dit hangt samen met het toewijzen van een nieuw gebruik of functie aan het gebied en met de aanstelling van een gepaste beheerder (65). Zoals reeds vermeld was er een langdurige verwaarlozing sinds het wegvallen van de militaire functie. De laatste jaren zijn er een aantal afzonderlijke, weinig of niet gecoördineerde intiatieven tot stand gebracht en uitgebouwd om (delen van) het gebied een nieuwe functie te geven. In 1984 werd het Fort van Oelegem in erfpacht gegeven aan de Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud Natuur 2000 die deze locatie als vleermuizenreservaat inrichtte, met alle successen vandien zoals hiervoor uitgebreid werd gesteld. De vereniging heeft rond dit gegeven


M&L

tevens een miüeu-educatief project uitgewerkt dat duidelijk aanslaat bij het brede publiek (66). De Simon Stevin Stichting, onder impuls van J. de Hasque, zet zich reeds lange tijd in voor het tot stand brengen van een wandelpad langsheen het traject van de antitankgracht. Hun initiatief bevat momenteel vier wandelleerpaden. Deze paden, samen met een historische beschrijving van de antitankgracht, zijn gepubliceerd in De Antitankgracht te Antwerpen, een uitgave van 1990. Deze publicatie beschrijft de militair-bouwkundige bezienswaardigheden op het traject. De gemeente Schilde heeft als eerste overheidsinstantie in een globale aanpak gepoogd de antitankgracht op haar grondgebied te revaloriseren. Men heeft er ingezien dat dit lineaire landschap, dat bovendien doorheen een prachtige omgeving loopt, een ideaal fiets- en wandeltraject kon vormen en dat de gracht daarenboven een ideaal viswater is. Het gemeentebestuur heeft met de Dienst der Scheepvaart een contract afgesloten nopens het beheer van het deel van de antitankgracht dat op zijn grondgebied loopt. Op eigen kosten liet het een aantal duikers herstellen of vernieuwen zodat de zijlopen (67), die bijna alle in min of meerdere mate vervuild waren, opnieuw onder de gracht door gaan. Het liet betonnen buizen plaatsen in de aarden dammen die als oversteekplaats waren aangebracht om opnieuw een waterdoorstroming te bekomen en het liet de sluizen onder de sluisbunker kuisen en de sluizen zelf herstellen. Door het uitvoeren van geregelde controles had de technische dienst van de gemeente vastgesteld dat het waterpeil in de gracht te snel zakte in periodes van droogte. De hernieuwing van een wateraanvoer vanuit het kanaal DesselAntwerpen-Schoten bleek een noodzaak te zijn. Om dit te bekomen werden pompen geplaatst en een inbuizing aangelegd tot de gracht. Door overstorten wordt het eventuele overtollige water afgeleid. Op het oude militaire pad langs de westelijke oever werd een fiets- en wandelpad aangelegd met een dolomietverharding. De houtkanten werden gekapt door gemeentewerklieden. Dit initiatief kreeg een beperkte navolging van de andere betrokken gemeentebesturen. Zo werden op het grondgebied Brasschaat op beperkte deeltrajecten langsheen dezelfde oever, aanpassingen doorgevoerd om wandelen en fietsen mogelijk te maken.

Vorig jaar heeft ook de gemeente Stabroek een educatief wandelpad geopend dat voor een groot gedeelte langsheen de antitankgracht loopt en waar door middel van een brochure en infoborden het historische en het natuuraspect van dit landschapselement worden toegelicht. Voor de tak ten noorden van het Kanaal DesselAntwerpen-Schoten blijven de problemen met de watertoevoer en -doorstroming bestaan. Twee delen van de antitankgracht maken deel uit van door het Vlaamse Gewest aangekochte gebieden: de Uitlegger en de Inslag. Zij worden beheerd door de dienst Groen, Water en Bossen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap die hier een bosleerpad heeft uitgebouwd. In een poging om de verschillende initiatieven van de gemeenten te stroomlijnen en op elkaar af te stellen, werd de intercommunale I.G.E.A.N. (68) verzocht als overkoepelende instantie de zaken te coördineren. Als doel werd gesteld de gracht te saneren en te revaloriseren en een globaal beheer uit te werken. Dit heeft om verschillende redenen, zowel financiële als technische, nog niet tot globaal afgewerkt resultaat geleid. Allicht speelt de twijfel rond de toekomst van de antitankgracht ook een rol. De intercommunale kan ook slechts op verzoeken van de gemeenten inspelen. Momenteel wordt wel in samenwerking met de Dienst van het Albertkanaal, de Provincie, de Provinciale Visserijcommissie Antwerpen en de Universitaire Instelling Antwerpen het traject te Oelegem onderzocht om, in aansluiting op het deel van Schilde, waterdoorstroming te verkrijgen en het fietspad aan te sluiten op dat van het Albertkanaal. Het ligt in de bedoeling de gemeenten het beheer toe te vertrouwen. Er zou dan wel de zekerheid moeten bestaan dat het tot de technische en financiële mogelijkheden behoort en dat er een eenvormig beheer tot stand komt met aandacht voor alle deelaspecten van de antitankgracht. Er zijn dan ook redenen om te stellen dat een zodanig belangrijk gebied nood heeft aan een instantie die een integraal deskundig beheer kan verzekeren. Het Bestuur Monumenten en Landschappen dat voor zulke gevallen aangewezen lijkt, kan echter slechts een begeleidende rol spelen omdat in de wet op het behoud van monumenten en landschappen het voeren van een actief beheer niet voorzien is. Dit probleem zou zich zeker stellen bij het schrappen van de plannen voor de aanleg van een duwvaartkanaal, want dan


M&L

69

heeft de Dienst van het Albertkanaal er geen baat meer bij de gracht in eigendom te hebben, temeer daar zij niet over de deskundigheid beschikt om een gepast beheer te voeren voor het gebied.

gracht, zeker niet wat het beheer betreft. Doordat het de gracht een beschermd statuut op lange termijn geeft - wat hij zonder twijfel verdient - kan dit wel de aanleiding zijn om de bevoegde overheid tot een definitieve beslissing aan te zetten inzake de toekomst van dit gebied.

BESLUIT

Met dit artikel is gepoogd een beeld te schetsen van de uitzonderlijke waarde van de antitankgracht, zowel wat betreft de historische waarde als militair-vestingbouwkundig monument als de esthetische en natuurwetenschappelijke waarde die hij door de jaren heen ontwikkeld heeft. Dit is een meer dan voldoende verantwoording voor een afdoende bescherming. Een rangschikking als landschap is niet het middel dat alle problemen kan oplossen voor de antitank-

Het getenailleerd of zaagtandvormig tracé van de antitankgracht

Een rangschikking als landschap geeft daarenboven de mogelijkheid tot het voeren van een integraal beleid dat alle deelaspecten van het gebied behelst. Het voortbestaan van de antitankgracht dient naast een passieve bescherming ook verzekerd te worden door het tot stand brengen van een nieuwe functie: het gebied is uitermate geschikt voor een passief recreatief en een historisch en natuureducatief gebruik. Hierbij is een uniform, deskundig opgesteld en uitgevoerd beheer een vereiste.


M&L

VOETNOTEN (1)

(2) (3) (4)

(5) (6)

(7) (8) (9) (10)

(11) (12) (13)

(14) (15) (16)

(17) (18) (19) (20) (21) (22)

(23) (24) (25)

(26)

Havermans R.. Militaire werken in polder en kempen benoorden Antwerpen, in Calmpthoutonia, 23ste jaargang, 1971, nrs, 1 en 2. Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Bouwen door de eeuwen heen, inventaris van het cultuurbezit in België, architectuur, deel 10n 1, Provincie Antwerpen, arrondissement Antwerpen, Gent, 1985. De Borgerweertpolder werd zo gevrijwaard van overstromingen zodat hij kon dienen als onderkomen voor de veestapel. Dit fort werd nooit afgewerkt. Daar waren eerst 3 gebastioneerde forten : Vlaams hoofd (van 1576, gesloopt tijdens de aanleg van de Antwerpse linkeroever), Isabella (van 1605 en gesloopt in 1911) en Burcht. De bocht van Kallo werd verdedigd door Fort Sint-Marie (van 1584). de toegang tot Antwerpen door de forten van Lillo (1759-82) en Liefkenshoek (tegenover fort Lillo. 1582-1584 en ca. 1800). Het geschut was zo geëvolueerd dat een stad vanop 7 km afstand kon beschoten worden. Ook de Maasgordel met de stellingen Luik en Namen ging een belangrijke rol spelen omdat gevreesd werd dat een conflict tussen Frankrijk en Duitsland zou beginnen met een schending van het Belgisch grondgebied. Ter beschutting tegen overstroming voor het plaatsen van de veestapel, nodig voor de bevoorrading van de stad. Beide waren nog onvoltooid bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Evenals van de Spaanse vesten werd er niets bewaard van deze historische verdedigingsstructuren. De bewapening, de electrische installaties en de machinerie ontbraken geheel of gedeeltelijk, evenals de organisatie van de tussenruimten. Verzamelnaam voor beschermde wapenopstellingen die deel uitmaken van een groter verdedigingswerk. De Hasque J., De antitankgracht te Antwerpen (Met vier wandelingen), Simon Stevinstichting, Antwerpen, 1990. Het Albertkanaal, gegraven in de periode 1930-1939 (het gedeelte tussen Antwerpen en Herentals omvatte enkel uitbreidingen, aangezien dit reeds werd gegraven in de periode 1846-1856 als deel van het Kempisch kanaal), werd verdedigd door middel van om de 500 m geplaatste flankeerbunkers. Een stelling die van Koningshooikt tot Waver liep. Zie voetnoot 13. Dit zou kunnen gereconstrueerd worden uit de velddagboeken van de betrokken eenheden, die bewaard worden bij de Historische Dienst van het leger. Zie voetnoot 13. Dit zijn kipwagentjes die op sporen rijden, zoals die ook in de mijnbouw gebruikt worden. Te Kapellenbos en Schilde. Een droge gracht had men een honderdtal meter vóór deze omwalling dienen aan te leggen. Deze wegen waren verboden voor de burgers. Deze snel opbouwbare en afbreekbare bruggen bestonden uit een aantal stalen balken die op onder water gelegen betonnen sokkels werden aangebracht. Zij werden niet verankerd. Op deze balken lagen horizontale balken (langsliggers) die op hun beurt de houten vloer droegen (dwarsliggers). De brug was drie meter breed. Aan beide zijden werd een lichte leuning gemonteerd. De onteigeningen zijn hierin niet begrepen. Antrop M , (1989) Het landschap meervoudig bekeken. Monografieën Stichting Leefmilieu, 1989. 30. De morfologie van de natuurlijk goed gedraineerde of droge gronden verschilt van die van de minder goed gedraineerde of natte bodems, onder andere door de aanwezigheid in deze laatste van roestkleurige en grijze vlekken in de horizonten die tijdelijk met water verzadigd zijn. Deze vlekken worden aangeduid met de benaming gleyverschijnselen. Snacken F. en De Coninck F. (1964), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Ekeren 15 W.

(27) (28)

(29)

(30)

(31)

(32)

(33)

(34)

(35)

(36)

(37)

(38) (39)

(40)

(41) (42) (43) (44)

De Coninck F.. (1959), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Brecht 16 W. De Coninck F., (1963), Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, Kaartblad Schilde 29 W. Ontoegankelijk door de dicht gegroeide oeverzones of door het afsluiten door privé-eigenaars. Hoewel de maand juni een uiterst geschikte maand is om de meerderheid van de plantesoorten met succes en met de nodige zekerheid te kunnen determineren, is een verder onderzoek naar de voor- en najaarbloeiers aangewezen. Daarenboven heeft de ervaring geleerd dat één waarnemer wel eens meerdere plantesoorten voorbij durft te lopen. Daar staat dan wel tegenover dat verschillende begroeiingstypes op meerdere plaatsen voorkomen zodat er tot op een bepaald niveau al wel een goed beeld over kan gevormd worden. Indeling volgens De Langhe J.E. e.a.. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden IPleridofyten en Spermatofylen). Meise, 1988, Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België. Indeling volgens Stieperaere H. en Fransen K.. Slandaardlijst van de Belgische vaatplanlen, mei aanduiding van hun zeldzaamheid en socio-oecologische groep. Dumortiera, 1982, 22, 1- 41. Naamgeving volgens De Langhe J.E. e.a.. Flora van België, hel Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofylen), Meise, 1982. Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België. Zeldzaamheidsgraad volgens De Langhe J.E. e.a.. Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden (Pteridofyten en Spermatofylen). Meise, 1988, Patrimonium van de Nationale Plantentuin van België. Dit voorkomen van plantesoorten wordt in volgende kategoriën ingedeeld : zeer algemeen (AA), algemeen (A), vrij algemeen (VA), vrij zeldzaam (VZ), zeldzaam (Z) en zeer zeldzaam (ZZ). Het voorkomen van deze plantesoort wordt vermeld in: Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming afdeling Voorkempen, Wielewaal-Voorkempen & Studie- en Werkgroep Red de Schijnvallei v.z.w.. De Vallei van De Grote Schijn en De Rundvoort te Oelegem, 1990, Niet gepubliceerd. Het voorkomen van deze plantesooort wordt vermeld in een niet gepubliceerde inventaris (1990) van het fort van Oelegem uitgevoerd door de Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud - Natuur 2000. Vercauteren T.. Onderzoek van de biologische kwaliteit op basis van macro-invertebraten in hel anlilankkanaal lussen Slabroek en Brasschaat in de periode najaar 1989 - zomer 1990, Provinciaal Instituut voor Hygiëne, 1990, Niet gepubliceerd. De zuidelijke sector, vanaf het kanaal Dessel-AntwerpenSchoten is nog niet bemonsterd en onderzocht. Dit onderzoek is wel gepland. Van Assche h.,Libellen (Orde Odonala) in de Voorkempen : een balans, 1989, Niet gepubliceerd. Wielewaaljongeren en Jeugdbond voor Natuurstudie, natuurbelevingen en Milieubehoud, 1982. Libellenlabel voor België. Deze soort wordt in 13 uurhokken (vierkante zones van 10 km2) waargenomen in België tussen 1979 en 1985 volgens Voorlopige verspreidingsatlas van de Libellen van België en hel Groothertogdom Luxemburg. 1986, Gezamenlijk nummer Glena, 5. 2 en Gonphus. 3, 2. Eerstgenoemde is in 25 uurhokken waargenomen, laatstgenoemde in 29. Deze soort was tot noch toe alleen in het oosten van de provincie Antwerpen bekend. Deze soort is slechts in 5 uurhokken waargenomen. Yseboodt R., Hel Anlilankkanaal: viswalertype en visbestand. Universitaire Instelling Antwerpen - Departement Biologie, 1990. Niet gepubliceerd.


M&L

71

• Het gebouwencomplex van het Fort van Oelegem

• • Detailbeeld van de gracht met beide militaire paden en een sluisbunker

(45) In de in het Vlaamse gewest voorkomende stilstaande en traagstromende wateren komt naast deze visgemeenschap van helder plantenrijk water een tweede voor, deze van troebel water. Door de eutrofiëring van de Vlaamse oppervlaktewateren kan plantaardig plankton zich explosief ontwikkelen met een algemene vertroebeling van het water voor gevolg. Het weinige licht dat dan nog de bodem kan bereiken, laat bijna geen plantengroei meer toe. In dit type water treffen we vooral soorten aan die weinig eisen stellen aan schuil- en paaiplaatsen. Vandaar de benaming "snoekbaars-brasem "-viswatertype. Uiteraard zijn vele viswateren in een tussenstadium van de twee hoger vermelde types. (46) Hoewel goed bedoeld horen deze soorten niet thuis in dit milieu. De officiële visuitzetplaatsen van de Provinciale Visserij-commissie op het antitankgracht bevinden zich te Stabroek, Kapellen en Brasschaat. (47) Van Schoor L., De Vallei van De Grote Schijn en de Rundvoort te Oelegem. 1985, Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming afdeling Voorkempen, Wielewaal Voorkempen & Studie- en Werkgroep Red de Schijnvallei v.z.w. (1990). Niet gepubliceerd. (48) Naamgeving volgens Vlaamse Avifauna Commissie, Vogels in Vlaanderen: voorkomen en verspreiding, Bornem, 1989, I.M.P. (49) Indeling volgens idem als (61) (50) Waterschoot J., 5 jaar Vleermuizenbestand in Fort Oelegem, in Beenbreek, Tweemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud - Natuur 2000 v.z.w., nr. 5. december 1989. Vlaamse Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubehoud Natuur 2000, niet gepubliceerde gegevens van jaarlijkse tellingen van het vleermuizenbestand in Fort Oelegem tijdens de winterperiode 1989-1990. (51) Er was vastgesteld dat in de jaren '70 een 15-tal vleermuizen van twee soorten, de Watervleermuis en de Westelijke Baardvleermuis in het fort verbleven. (52) Deze periode loopt van 15 oktober tot 15 april. Tijdens de rest van het jaar is het fort te bezoeken onder begeleiding. (53) Het afsluiten van tochtgaten en van luchtcirulaties aan de bovenzijde van de lokalen gaf de beste resultaten, zeker voor de Watervleermuis die heel gevoelig is voor de aanwezigheid van een constante temperatuur en vochtigheid. (54) Dit verklaart de spectaculaire stijging van deze soort vanaf de winter 78-88. (55) Er komt hier heel het jaar door een vochtigheidsgraad van 100 % voor en de temperatuur is vooral tijdens de winterperiode zeer stabiel (10 - 12C). (56) Naamgeving volgens Fairon J., Gilson R., Jooris R., Faber T. & Meisch C , Cartographic provisoire de la faune chiroptérologique belgo-luxembourgeoise, in Bulletin du Centre de Baquement et de Recherche Cheiroterologique de Belgique, 1982, 7, 125 pp.

(57) Staatssecretariaat voor de Nederlandse Gemeenschap en het Vlaams Gewest (1979). Gewestplan Antwerpen. Brussel, Bestuur voor de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening, kaartbladen Ekeren 7/7, Brasschaat 7/8, Brecht 8/5 en Schilde 16/1. (58) Staatssecretariaat voor Streekeconomie (1977), Gewestplan Turnhout, Brussel, Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening, kaartblad Schilde 16/1. (59) Een tweetal kilometer tussen de weg Putte-Kapellen en het Fort Ertbrand, een deel met eenzelfde lengte even ten noorden van het fort van Brasschaat en een deel ter hoogte van Sint-Job-in-'t-Goor tussen het Hof ter Mik en de weg St-Job-in-'t-Goor - 's Gravenwezel (om de dorpskern van eerstgenoemde te vermijden). (60) De bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (61) De bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot hervorming der instellingen, inzonderheid artikel 6 1,1,7. (62) Raad van State, Vile kamer, arrest nr. 34.063 van 15 februari 1990. (63) Fort Ertbrand en de Schans van Schilde zijn gebieden voor dagrecreatie. Het fort van 's Gravenwezel is een gebied voor verblijfsrecreatie. Het gebied Ringven is een gebied voor golfsport. De meest westelijke strook over de weg naar Berendrecht is industriezone en een strook te St-Job aan het sanatorium De Mik is een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Een deel vanaf de Regenbooghoeve tot het fort van Oelegem heeft de bestemming van agrarisch gebied met ecologische waarde. Een aantal kleine delen nog meer naar het zuiden hebben de bestemming agrarisch gebied. (64) De nu nog vaak efficiënte wet van 1931 op het Behoud van Monumenten en Landschappen gaat voorbij aan dit aspect. In die tijd is men van een statisch beeld van een landschap vertrokken om een behoud en bescherming te bekomen door middel van het opleggen van beperkingen aan de rechten van de eigenaars. Het landschap is echter een dynamisch gegeven dat een voortdurend beheer vergt. Door het gericht verlenen van toelatingen voor het uitvoeren van werken in het gebied kan wel al in belangrijke mate een integraal beleid gevoerd worden voor het kappen van de houtgewassen, ruimingen, de inrichting van het gebied, e.d. (65) De huidige beheerder, de Dienst van het Albertkanaal, heeft duidelijk redenen om geen al te actief beheer toe te passen en is beperkt in zijn mogelijkheden om het natuurwetenschappelijk aspect van het gebied op een gepaste manier te beheren. (66) Er werd een vleermuizenbrochure samengesteld en er worden begeleide bezoeken (vleermuizenavonden) georganiseerd. (67) Aan het Klein Schijn, de Zwanebeek, de Hofbeek, de Steinhoefse beek, Kleine beek en het Groot Schijn, (68) Intercommunale voor Grondbeleid en Expansie Antwerpen. Bij deze coöperatieve vereniging zijn alle gemeenten aangesloten op wiens grondgebied de antitankgracht loopt.


72

M&L

SUMMARY

THE SOCIALIST "VOLKSHUIS"' BY VICTOR HORTA i ORIGIN, DECAY AND EVOCATION As early as 1895 the Brussels Worker's Party decided to build a new Volkshuis. According to Victor Horta's plans a real palace would be inaugurated in 1899 on Easter Day. Because of its outstanding concept it was immediately a substantial component of architectural history. Two essential parts have been studied more in particular by Jos Vandenbreeden : The café and the theatre hall. Despite intense and international protest, the Volkshuis was destroyed in 1965 to make room for an office block. Because of the ever persisting efforts of the Brussels architectural society S.C.A.B. - of which Victor Horta once was the president substantial parts of the building have been dismounted in order to be reconstructed later. With the aid of correspondence which had been preserved. Marcel M. Cells tells the story of the martyrdom of these fragments, which lasted 25 years. Eventually in 1991, one of the many plans for reconstruction, led to a concrete project; more in particular the integration of some iron rafters in the festivity hall in the business centre of the biennal exchange ''Flanders Technology International". Walter J. Slock designed this "evocation". He supplies some explanation and discusses the problems as well as the solutions which had to be found. * Peoples House

THE RESIDENCE OF DR. DE BEIR BY HUIB HOSTE, IN KNOKKE The architectural oeuvre of Huib Hoste is remarkable for several reasons. He was trained in the traditionalism of Bruges and the neo-gothic rationalism of Ghent. This makes his political commitment in the international movement of Modern Architecture - from the late twenties on - all the more remarkable. Nevertheless - somewhat contradictory to his own views - that part of his work shows a typical Flemish touch. His works from the early twenties were carried out before his acquaintance with Modern Architecture, his first confrontation with the work of Le Corbusier, Gropius and Mies van der Rohe dating from 1927. For all that they were already, as a result of a personal vision, an early-modernist model of the more international architecture which was still to come. Besides the gardenquarters "Klein Rusland" (Small Russia) in Zelzate and "Kapelleveld" (Chapelfield) in St Lambrechts-Woluwe, the corner house of Dr. De Beir is one of the purest and most famous examples hereof. It was decided to put this residence on the list of monuments qualifying for pro»ection. For Luc Verpoest this was a reason to take a look at all critical views on this matter of colleagues and architectural historians. This was done with the aid of archive pictures, although appearance and surrounding of the residence have undergone some slight changes.

THE ANTITANK TRENCH Due to its geographical situation and its international port, Antwerp has always been essential for the development of a Belgian defence-system. In Belgium it was the government and the army's find resort. The constant need for expansion of town and port as well as the modern ideas about defence tactics changed the evolution of the defence-system thoroughly. Until the first world war the technique of concentrated fortification was quite common : in the beginning of this century the Antwerp defence consisted of two lines of defence-works. Because of the threatening war in the early thirties, the Belgian defence was rearranged in three anti-German positions (Antwerp, Liège and Namur). of which Antwerp was the eastern base. These three positions were provided with an antitank system to prevent a quick push of motorized or armoured units. The fortification of Antwerp includes an antitank trench of approx. 33 km. It is filled with water and its shape is serrated. It runs along the exterior fortification line surrounding the town between the river Schelde and the Albert-canal. The difference in level made it necessary to divide it bymeans of fortified lock weirs, protected by adjacent bunkers. After World War II this military construction was no longer necessary. Therefore the trench remained unused for a long time. This resulted in the trench and its banks developing into a new element in the landscape, with a particular fauna and flora. The vegetation and plantings flourished. The rich variation was, among others, due to differences in soil condition, humidity and management as well as to the hardly polluted trenchwater. The varied vegetation, the fairly clean water, the relative peace and local inaccessability certainly contribute to the presence of quite some fauna. The Oelegem Fort is a well-known breeding ground and winter resort for bats. The military architectural monument has developed into a nature-historical and aesthetical unity, in fact a separate nature reserve. On the other hand this long-lasting negligence disturbed the soil hydrology and the quality of the water, caused the trench to overgrow and silt up partly. Because the antitank trench is so valuable, different organisations and institutions have brought this part of the landscape to the attention of the public. They strive for the preservation of this unique biotope. The first threat to avert is the digging of a push-towing canal. The cassification as a protected landscape would guarantee this. Furthermore it is necessary to provide this area with a new function and a proper management of the area. Partly because of the numerous possibilities in the natural and historical-educational field, the terrain is very appropriate for passive recreational use. Until now, only few parts of the stretch have been restored and arranged as a walk and cycle route (partly with educational facilities). The Oelegem Fortress is now being managed as a bat reserve.


RESTAURATIE SCHILDERWERKEN vergulden, marmer- en houtimmitatie: polychromeren, patineren, garneren restauratie en renovatie schrijnwerk algemeen onderhoudsschilderwerk studie en ontwerp

ENKELE RECENTE REALISATIES -

Kasteel Lilare - St. M a r i a - O u d e n h o v e Kasteel Kruikenburg - Ternat Kasteel Terlinden - Melle Salons Van der Eist, Ufsia - Antwerpen Rijhovesteen - Gent Kerk Vrasene Kerk Volkegem Kerk Merendree Kapel Zuster Presentatie - Ledeberg Kerk Waasmunster Casino - Knokke St. Janshospitaal - O C M W - Oostende ASLK Direktiegebouw - Wolvengracht - Brussel Pandhotel - Brugge

Met moderne middelen en materialen en met kennis en respekt van en voor het verleden zijn de resultaten zoveel zekerder.

R

O

V

O

SCHILDERS- EN AFWERKINGSBEDRIJF SINT-JORISKAAI TEL. 091-23.12.96

7 -

9000

GENT

FAX 09 1-33,27.56


lp de neef EMGIMEERIH if

SA

INDUSTRIEPARK 8, B-2220 HEIST O/D BERG, BELGIUM - TEL(015)24 62 31 - FAX (015)24 80 72 - TELEX 62926 B

I

m


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook