Culturele verschuivingen in Vlaanderen Een survey-instrument voor de Vlaamse overheid Luk Bral adviseur Planning en Statistiek administratie Planning en Statistiek
Waarden, normen en gedragingen zijn in volle evolutie en dit zowel in de persoonlijke levenssfeer als in de samenleving. Elke overheid, dus ook de Vlaamse, moet hier rekening mee houden. Het is namelijk van het grootste belang om zo goed mogelijk het maatschappelijk draagvlak voor haar beleid in te kunnen schatten. Om dat mogelijk te maken, doet de overheid een beroep op een immens netwerk van organisaties, instellingen en instituties, die haar vrijwel constant op de hoogte houden van wat er onder de bevolking leeft. In vele gevallen gaat het om belangengroepen die gelieerd zijn aan diverse sociale en maatschappelijke bewegingen, het zogenaamde middenveld. Recent blijkt de impact van het middenveld op zijn leden onder druk te staan. Van sterk ideologisch en filosofisch bewogen organisaties zijn vele verenigingen in het middenveld meer en meer geëvolueerd naar dienst- en serviceverlenende instellingen. De sterk betrokken en geëngageerde leden maken meer en meer plaats voor kritische klanten en consumenten, waarop de instellingen zeker inzake houdingen en opvattingen minder en minder vat hebben. Onder meer daardoor zoekt de overheid naar andere kanalen om te weten wat er onder de bevolking leeft. Ze beseft trouwens dat haar relatie met de burger de jongste jaren meer en meer als problematisch wordt ervaren. De beeldvorming bij de publieke opinie over overheid en overheidsoptreden is zeer negatief. “De kloof met de burger” is meer dan een politieke slogan : de communicatie tussen de burger en zijn overheid loopt allesbehalve vlot. Zo leven er heel wat vragen over hoe de bevolking de overheid en haar optreden waarneemt en in welke mate de bevolking overheidsmaatregelen kent en draagt. Om het contact met de burger te bevorderen, heeft de Vlaamse overheid een eigen communicatiebeleid ontwikkeld waarbij ze gretig gebruik maakt van de strategieën die het bedrijfsleven aanreikt. Een typisch voorbeeld is het Charter van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarin klantgerichtheid centraal staat. Maar als kiesgerechtigde is de burger meer dan een afnemer of gebruiker van de overheidsdiensten en de relatie tussen de overheid en de burger is veel complexer dan die tussen producent en consument. Zowel burgers als ondernemingen en instellingen krijgen in steeds wisselende posities met "de overheid" te maken.. Belastingen en taksen worden betaald of ontdoken, premies of subsidies worden geïnd, infrastructuur wordt gebruikt en er wordt een beroep gedaan op de enorme waaier van dienstverlenende overheidsinstellingen voor bijvoorbeeld onderwijs, mobiliteit of welzijn. Meer dan het bedrijfsleven wordt de overheid ook constant bevraagd door allerhande belangenorganisaties en zorgt de burger met zijn stem voor de ultieme legitimatie van het overheidsoptreden. Het is geen wonder dat de overheid constant op zoek is naar instrumenten om de ontwikkelingen in de samenleving en haar relatie met de bevolking beter in het vizier te krijgen. Het survey-instrument ‘Culturele verschuivingen in Vlaanderen’ dat de administratie Planning en Statistiek (APS) in opdracht van de Vlaamse regering heeft ontwikkeld, situeert zich in die context. Het survey-instrument moet de Vlaamse overheid een middel aan de hand doen waarmee ze systematisch de wijzigingen en verschuivingen in de houdingen, opvattingen en gedragingen van de Vlaamse bevolking kan volgen. Het instrument heeft aandacht voor algemene waarden en opvattingen maar focust ook op waarden en opvattingen die nauw samenhangen met de bevoegdheden en beleidsopties van de Vlaamse overheid zelf. De methodologische en wetenschappelijke ondersteuning komt van een begeleidingscommissie met de professoren Jaak Billiet (KULeuven), Marc Elchardus (VUB), Thérèse Jacobs (UIA), Hilary Page (RUG) en Marc Swyngedouw (KUBrussel en KULeuven).
Bij de ontwikkeling van het instrument hebben we geopteerd voor een globale en systematische benadering in eigen beheer. • Globaal, want we wilden niet de specifieke beleidsmaatregelen als dusdanig opvolgen : daarvoor zijn instrumenten nodig die de betrokken doelgroepen in beeld brengen. Dat neemt niet weg dat bepaalde beleidsdomeinen wel onderzocht kunnen worden, maar dan alleen om algemene patronen bij de bevolking te achterhalen. • Systematisch, zodat we tijdreeksen kunnen aanmaken om langetermijnontwikkelingen te schetsen en belangrijke verschuivingen aan het licht te brengen. • In eigen beheer, om in te spelen op specifieke vragen die het overheidsmanagement zich stelt en om eigen beleids- en omgevingsindicatoren te kunnen ontwikkelen ter ondersteuning van het strategisch management. 1. Onderzoeksontwerp Vermits het survey-instrument moet dienen om verschuivingen en trends in beeld te krijgen, werd geopteerd voor zowel een beschrijvend als verklarend onderzoek met een repetitief karakter. Bij de ontwikkeling van het instrument hebben we ons laten inspireren door de standaard Eurobarometer van de Europese Commissie. Tweemaal per jaar laat DGX onderzoek uitvoeren naar de opvattingen van de burgers in de verschillende lidstaten. Naast Europese items komen daarbij ook algemeen-maatschappelijke onderwerpen aan bod. Andere inspiratiebronnen waren de peilingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar sociaal-culturele veranderingen in Nederland en de peilingenb van Social and Community Planning Research , een onafhankelijk sociale onderzoeksinstelling die jaarlijks het British Social Attitudes report publiceert. Telkens gaat het om een survey-onderzoek dat gebruik maakt van kwantitatieve onderzoeksmethoden op basis van een representatieve steekproef bij de bevolking en face to face interviews. Een dergelijke onderzoeksmethode maakt het mogelijk om uitspraken te doen over de globale bevolking. Afhankelijk van de omvang van de survey kunnen die uitspraken verder worden geanalyseerd in functie van een aantal specifieke bevolkingsgroepen op basis van een aantal achtergrondkenmerken. 2. Onderzoeksthema’s Zowel Eurobarometer als het SCP hanteren een multicliënt-onderzoekssysteem. Naast een vast onderzoeksgedeelte met gestandaardiseerde vragen kunnen dus ook specifieke onderzoeksvragen over bepaalde beleidsaspecten aan de vragenlijst worden toegevoegd. De efficiëntie van het instrument kan hiermee worden opgedreven. Ook het APS-onderzoeksinstrument “Culturele verschuivingen in Vlaanderen” is opgevat als een multicliëntsysteem. Het vaste gedeelte bevat een aantal onderzoeksvragen die peilen naar het algemeen welbevinden van de burger, politieke houdingen en gedragingen van de bevolking en verwachtingen tegenover de overheid in het algemeen. Daaraan worden een reeks achtergrondkenmerken toegevoegd die betrekking hebben op een aantal sociaal-demografische gegevens zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, gezinssituatie, arbeidssituatie en vrijetijdsbesteding. 2.1. Algemeen welbevinden van de burger Voor de overheid is het belangrijk om een inzicht te hebben in hoe de bevolking zich voelt en om een duidelijk beeld te krijgen van de problemen waar de bevolking van wakker ligt. De survey biedt een soort monitoring van de maatschappelijke problemen die het publiek ervaart. Aspecten die daarbij aan bod kunnen komen zijn o.a. de perceptie van de eigen situatie (individueel als maatschappelijk), toekomstverwachtingen op diverse terreinen en problemen of onlustgevoelens waarmee de burger wordt geconfronteerd.
2.2. Politieke houdingen en gedragingen Er is de jongste jaren heel wat te doen over de kloof tussen de burger en de politiek. Het is daarom angewezen om permanent de politieke houdingen en gedragingen van de bevolking te screenen. Bij de houdingen kan worden gepeild naar de tevredenheid over het politieke optreden en krijgen de geënquêteerden de kans om zichzelf op een aantal politieke scheidingslijnen te plaatsen (onder meer partijaanhankelijkheid / materialistisch-postmaterialistisch / ecologisch / filosofisch). Bij de gedragingen kan de politieke en maatschappelijke betrokkenheid worden nagegaan. 2.3. Rol en verwachtingen ten aanzien van de overheid Naast de discussie over meer of minder staat dringt zich ook de vraag op naar de prioritaire terreinen waar overheidsoptreden het meest aangewezen lijkt. Die terreinen zij voor de overheid interessant om acceptatie- en tolerantiedrempels af te tasten. 2.4. Houding tegenover arbeid en vrije tijd Een instrument zoals de APS-survey is niet bedoeld om grondige arbeids- en vrijetijdsonderzoek door te voeren. Naast een aantal elementaire beschrijvende elementen peilt dit onderdeel naar elementen van arbeidsethos en vrijetijdsbeleving. Het variabel gedeelte focust op een aantal specifieke beleidsthema’s waarbij houdingen en gedragingen bij de bevolking worden bevraagd. De enquête polst naar het maatschappelijk draagvlak voor de overheid. De eerste survey ging in op het milieuvraagstuk en de dualisering van de samenleving. De tweede survey onderzocht de houding tegenover nieuwe technologische ontwikkelingen en het draagvlak voor een overheidsoptreden inzake ruimtelijke ordening en mobiliteit.
3. Onderzoeksmethode De enquête bestaat uit een jaarlijks face tot face onderzoek : bij de respondenten thuis wordt en vragenlijst doorgenomen. Het eerste onderzoek liep in 1996 en het tweede in 1997. 4. Steekproef Het steekproefplan wordt opgemaakt door het ISPO (Interuniversitair Steunpunt PolitiekeOpinieonderzoek). Het gaat daarbij om een representatieve steekproef van de Nederlandstalige bevolking van Belgische nationaliteit, tussen 16 en 75 jaar in het Vlaamse Gewest of in Brussel. In totaal moeten telkens 1500 enquêtes effectief gerealiseerd worden en dit tijdens de maanden april tot juni. Het steekproefplan voorziet in een selectie van gemeenten en sets per gemeente volgens het principe van een toevallige tweetrapssteekproef met gelijke kansen voor de elementaire steekproefeenheden (personen), proportioneel voor de vijf Vlaamse provincies en met een afzonderlijk steekproefplan voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De steekproeftrekking gebeurde door het Rijksregister. Een controle naar verdeling op sekse en leeftijd werd doorgevoerd en de steekproef werd strikt toevallig ingedeeld in sets van 4*15 eenheden (1 effectief en 3 reserves). Het veldwerk en de codering worden, op basis van een beperkte offertevraag, uitbesteed aan een marktonderzoeksbureau. Dit staat in voor veldwerk, codering en levering van univariate tabellen met de resultaten.
5. Responsverslag
Voor de eerste survey lukte 66,3% van de contactnames, 16,9% van de mensen weigerde deel te nemen. Het percentage geslaagde interviews mag zeer hoog genoemd worden. Bij de tweede survey viel het aantal geslaagde interviews terug op 56,4%. tabel 1: respons survey 1996 en 1997
(non)respons Geslaagde interviews Weigeren Geen contact Overleden Verhuisd op adres anderen Taalbarrière Niet instaat deel te nemen Tijdelijk afwezig Thuis, niet in gelegenheid Thuis, niet opengedaan afspraak gemaakt Totaal
survey 1996 absoluut percentage 1577 66,3 402 16,9 151 6,4 8 0,3 89 3,7 29 1,2 14 0,6 17 0,7 33 1,4 39 1,6 11 0,5 7 0,3 2377 100,0
survey 1997 absoluut percentage 1500 56,4 490 18,4 406 15,3 4 0,2 69 2,6 18 0,7 46 1,7 31 1,2 36 1,4 48 1,8 7 0,3 5 0,2 2660 100,0
6. Representativiteit In onderstaande tabellen vergelijken we een aantal achtergrondvariabelen uit de beide surveys met de populatiegegevens. Zo zien we dat de steekproefverdeling naar geslacht vrijwel dezelfde is als deze in de beoogde populatie. Volgens leeftijd en opleiding zijn de verschillen iets groter. Zo waren de jongeren (<25 jaar) in de eerste steekproef iets ondervertegenwoordigd in vergelijking met de ouderen (+65 jaar). De jongste steekproefverdeling sloot nauwer aan bij de populatiegegevens. tabel 2: representativiteit naar geslacht (%)
NIS (1 januari 1997) Survey 1996 Survey 1997
man 50,1 48,2 50,8
vrouw 49,9 51,8 49,2
1996 chi²=2,2828 df=1 p=0,31 1997 chi²=0,294 df=1 p=0.588
totaal 4.498.264 1577 1500
tabel 3: representativiteit naar leeftijd (%)
15-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 totaal
NIS 16,2 20,0 20,1 16,9 14,3 12,6 4.498.264
survey 1996 12,9 18,0 21,2 17,4 14,8 15,7 1577
survey 1997 16,2 18,5 21,0 17,9 14,2 12,1 1500
1996 chi²=28,637 df=1 p=0,000027 1997 chi²=3,3443 df=1 p=0.647
7. Onderzoeksresultaten De eerste ruwe onderzoeksresultaten worden jaarlijks opgenomen in de APS-publicatie VRIND (Vlaamse Regionale Indicatoren ). Voor de Vlaamse overheid fungeert VRIND als een globale omgevingsanalyse die het optreden van de overheid kadert binnen een algemene maatschappelijke context. Daarnaast geeft VRIND aan hoe de overheid op een aantal ontwikkelingen heeft gereageerd, welke maatregelen zij heeft genomen en tot welke resultaten deze al dan niet hebben geleid. De survey-resultaten stofferen deze publicatie door in een inleidend hoofdstuk de sociaal-culturele ontwikkelingen bij de bevolking te schetsen en door, afhankelijk van de topics in de survey, omgevingsindicatoren te leveren voor de diverse beleidsdomeinen.