Gezamenlijk advies
Gezamenlijk advies Bufferstroken naast waterlopen
Advies over de bufferstroken langs waterlopen Datum van goedkeuring
16/09/2021
Datum goedkeuring SALV
17/09/2021
Volgnummer Minaraad Volgnummer SALV
2021|023 2021-15
Coördinator + e-mailadres
Wim Van Gils, wim.van.gils@minaraad.be
Co-auteur + e-mailadres
Koen Carels, kcarels@serv;be
Inhoudstafel Inhoudstafel ....................................................................................................................................... 2 Krachtlijnen ........................................................................................................................................ 3 Procesbeschrijving.............................................................................................................................. 4 Situering ............................................................................................................................................. 5 1 Adviesvraag ........................................................................................................................ 5 2 Bestaande kaders............................................................................................................... 5 2.1 Wettelijke kaders.............................................................................................. 5 2.2 Handhaving ....................................................................................................... 7 3 Veranderende regels ......................................................................................................... 8 3.1 Waterlichamen versus grachten ...................................................................... 8 3.2 Gemeenschappelijk Landbouwbeleid .............................................................. 9 4 Functies van bufferstroken: ecosysteemdiensten ........................................................... 11 5 Effectinschattingen .......................................................................................................... 12 Aanbevelingen.................................................................................................................................. 17 6 Het gevoerde proces........................................................................................................ 17 7 Aanbevelingen over het verder proces ........................................................................... 18 8 Inhoudelijke aanbevelingen ............................................................................................. 18
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
2
Krachtlijnen De raden werden om advies gevraagd over wenselijke evoluties inzake de bufferstroken, gegeven de veranderingen die aangekondigd worden in de definitie van waterlichamen in het Decreet Integraal Waterbeleid en de wijzigingen binnen het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid. De raden kaderen deze vraag in een ecosysteembenadering. Ze behandelen op hoofdlijnen de belangrijkste gegevens die hen bekend zijn over de effecten van bufferstroken, zowel de effecten op milieu- en natuurdoelstellingen als de socio-economische effecten. Deze gegevens blijken beperkt, terwijl de intentie om de regelgeving te wijzigen, al van 2016 dateert. De raden betreuren dan ook dat de beleidsvoorbereiding niet ernstiger en doortastender is opgevat. De raden herhalen daarom met aandrang hun vraag naar de opmaak van een ex-ante beoordeling. Gezien de timing, dient deze beoordeling opgemaakt te worden op basis van de bestaande studies, modellen en cijfers, en dient deze rekening te houden met de daaruit voortvloeiende onzekerheden. De raden bevelen aan om de CIW opdracht te geven om deze beoordeling op te maken en vragen om de maatschappelijke actoren te betrekken bij de belangrijkste milestones in het proces. De raden zijn bereid hierin verder een faciliterende rol te spelen. Ze menen immers dat er vooruitgang kan geboekt worden door de bestaande kennis toe te lichten aan en te bespreken met de doelgroepen, met het oog op de gevraagde objectivering en afweging.. Aanvullend vragen de raden om een onderzoeksagenda op te starten en uit te voeren om de kennishiaten te vullen. In aanloop naar dit proces, formuleren de raden nu al enkele inhoudelijke krachtlijnen. De raden vragen een objectivering van de kosten en baten uit te voeren. Ze vragen daarbij om niet alleen de impact en de kosten voor de verschillende opties in beeld te brengen, maar ook de kansen, via een SWOT benadering. De raden wijzen verder op de noodzaak tot verduidelijkingen, de relaties met de milieudoelen en kansen voor synergiën, zonder daarbij een voorafname te willen doen over de finale keuzes, net omdat daarbij de impact van die keuzes moet gekend zijn.
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
3
Procesbeschrijving Datum adviesvraag
16 juli 2021
Naam adviesvrager + functie
Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme
Adviestermijn
13 september 2021, uitstel verleend tot 16 september 2021
Samenwerking
SALV
Overlegcommissie
Water
Vergaderingen: soort + datum
2/9/2021: werkgroepvergadering (digitaal) 9/9/2021: werkgroepvergadering (digitaal)
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
4
Situering 1
Adviesvraag
[1]
Dit advies werd opgemaakt in reactie op de vraag tot advies van minister Zuhal Demir. In de adviesvraag wordt gewezen op de verschillende kaders die bepalingen bevatten omtrent bufferstroken rond waterlopen, wordt aangemerkt dat een aantal van deze kaders aan verandering onderhevig zijn en wordt herinnerd aan de vraag van de raden naar een coherent kader inzake (afstands)regels in oeverzones en bufferstroken en een afstemming tussen de betrokken beleidsdomeinen.
[2]
De adviesvraag stelt dat de Minaraad om advies wordt gevraagd tegen 13 september. Uitstel is verleend tot 16 september. Het is de bedoeling om eventuele wijzigingen mee te nemen in het voorstel van decreet met diverse wijzigingen aan de waterwetgeving1. Achterliggend is er de deadline voor de goedkeuring van de derde stroomgebiedbeheerplannen, 21 december 2021.
[3]
De raden zien hierbij vijf kwesties:
2 2.1
−
Welke ecosysteemdiensten zouden we maatschappelijk willen van die waterlichamen? (➔ 4: functies van bufferstroken)
−
Hoeveel oppervlakte zou er nodig zijn om die waterlichamen toe te laten op een afdoende wijze deze diensten aan te leveren? Waar is die oppervlakte het beste gelokaliseerd? Wat is het bereik van de waterlopen dat we hiertoe in het blikveld van het beleid moeten brengen? (➔ [17] t.e.m. [19])
−
Welke zijn de maatregelen (investeringen, lasten, planologische of andere normstelling, subsidies enz.) die best verbonden worden aan (delen van) dat bereik? Welke maatregelen bestaan er, en welke zijn er in aantocht? Fricties en synergiën? Wat is het optimale stelsel? (➔ 3: veranderende regels en [44])
−
Wat zijn de sociaaleconomische lasten die verbonden zijn aan deze maatregelen (incl. veranderingskosten) en bij welke doelgroepen komt deze aan? Hierbij komt in hoofdzaak, maar niet exclusief, Landbouw in beeld. Hoe kunnen de lasten (althans deels) worden geremedieerd? (➔[27 en 44])
−
Wat zijn de sociaaleconomische voordelen van deze maatregelen voor de onderscheiden doelgroepen? In spiegelbeeld: wat zijn de sociaaleconomische nadelen en risico's bij het uitblijven (of het minder effectief zijn) van de ingestelde maatregelen? (➔[27])
Bestaande kaders Wettelijke kaders
1
Zie advies 21|022
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
5
[4]
In de huidige situatie zijn er drie decretale bepalingen relevant, uit het decreet integraal waterbeleid, de wet op de onbevaarbare waterlopen en het mestdecreet. Voor de volledigheid wijzen de raden op de mogelijkheid in het DIWB om gebiedsgericht andere noodzakelijke bepalingen op te leggen, waarbij particuliere grondeigenaars of gebruikers aan het Vlaamse Gewest een vergoeding kunnen vragen, evenals op de specifieke regels rond pesticiden die bestaan voor bepaalde doelgroepen en pesticiden2, maar de raden gaan hier in dit advies niet verder op in.
[5]
De bepalingen in het DIWM gelden voor alle waterlichamen en bepalen dat er, gerekend vanaf de kruin van de talud: −
In een strook van één meter geen pesticiden mogen gebruikt worden
−
In een strook van één meter geen grondbewerking mag gebeuren
−
In een strook van vijf meter geen constructies mogen geplaatst worden (behoudens specifieke toestemming)
−
In een strook van vijf meter, geen bemesting mag worden toegepast (in VEN en hellende gebieden is dat 10 meter). Samengevat in een tabel geeft dit:
Tabel 1: bepalingen in het DIWB
bevaarbare en gecategoriseerde waterlopen grachten stilstaande waterlichamen
[6]
pesticiden
grondbewerking
1m 1m 1m
1m 1m 1m
standaard 5m 5m 5m
mest in VEN/hellend 10 m 10 m 10 m
In het mestdecreet staan enkel bepalingen inzake bemesting, daar wordt de bepaling uit het DIWM in essentie herhaald, doch tegelijk beperkt tot "de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie". Samengevat:
2
Zie bv https://www.zonderisgezonder.be/ en https://www.health.belgium.be/sites/default/files/uploads/fields/fpshealth_theme_file/1662387/brochure%20oppervl aktewater.pdf
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
6
Tabel 2: bepalingen in het Mestdecreet
pesticiden
grondbewerking
bevaarbare en gecategoriseerde waterlopen grachten stilstaande waterlichamen
standaard
mest in VEN/hellend
5m
10 m
[7]
Tenslotte zijn ook de erfdienstbaarheden die bestaan langs onbevaarbare waterlopen en publieke grachten, die bepalen dat de waterbeheerder een recht van doorgang heeft in functie van het onderhoud, en toelaten dat bepaalde ruimingproducten en maaisel in deze zone worden gedeponeerd3. Deze erfdienstbaarheden vallen verder buiten de scope van de bespreking.
2.2
Handhaving
[8]
De handhaving van deze regels is tijdsintensief. De handhavingscapaciteit van de betrokken overheden is beperkt, de bevoegdheden zijn verdeeld en de verschillende overheden leggen elk hun prioriteiten. Voor de waterbeheerders ligt de prioriteit bij het niet bebouwen van de vijf-meter zone, mede in functie van het onderhoud. Voor VLM zijn de bepalingen inzake mest prioritair. Verschillende instanties kijken toe op de wetgeving inzake pesticiden.4 Dit maakt het moeilijk een volledig overzicht te krijgen.
[9]
In het omgevingshandhavingsrapport5 zijn geen cijfers terug te vinden die specifiek handelen over de handhaving in oeverzones. De handhaving van de betreffende bepalingen is blijkbaar geen prioriteit voor de omgevingsinspectie. Het mestrapport geeft een inzicht in de inspanningen van VLM. VLM controleert op de afstandsregels inzake bemesting en de teeltvrije zone, en dit zowel langs gecategoriseerde waterlopen, grachten en stilstaande waterlichamen. VLM doet specifieke gebiedsgerichte controles in de VODKA-gebieden, d.w.z. geselecteerde gebieden waar er een verhoogde controle wordt uitgevoerd omdat de waterkwaliteit er nog niet goed is en waar VLM tracht om door een verhoogde en zichtbare aanwezigheid, te komen tot een betere naleving van de mestwetgeving om de MAP-doelstellingen te behalen6. In deze gebieden werd in 2019 de naleving van de bemestingsvrije zone gecontroleerd op ongeveer 700 percelen, met een inbreukpercentage van 7,4% op perceel niveau7.
3
Wet op de onbevaarbare waterlopen, art. 17 en 23
4
Zie de uiteenzetting van A. Carette via https://www.minaraad.be/themas/hinder/handhaving-waterbeleid, slide 14
5
https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/37210
6
https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Controle/handhaving/VODKA/Paginas/default.aspx
7
Mestrapport, 2020, tabel 35
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
7
Door een uitbreiding van de toezichtsbevoegdheden van de Mestbank, kunnen de toezichthouders sinds 2018 controle uitoefenen op de teeltvrije zone langs waterlopen. Dit gebeurt in samenwerking met de toezichthouders van de VMM en de provincies. Ook de controleagenten van het Departement Landbouw en Visserij hebben aandacht voor de teeltvrije zone bij controles van de rand- en vergroeningsvoorwaarden89. In 2019 werden 639 percelen bezocht, langs 30 waterlopen verspreid over volledig Vlaanderen, geselecteerd op basis van de slechte waterkwaliteit, waarbij op 39% van de akkers overtredingen werden vastgesteld10. Volgens de studie bemestingsvrije stroken zou het aantal betrokken percelen die grenzen aan een gecategoriseerde waterloop, gracht of stilstaand water, in de grootte orde van 140 000 – 148 000 liggen11. Volgens het mestrapport heeft de handhaving van de regels een positief effect op de naleving. Niettemin wordt gesteld dat er nog steeds, ondanks dat de regelgeving reeds vele jaren bestaat, te veel overtredingen worden vastgesteld12.De naleving van de regelgeving is echter belangrijk voor het effectieve milieuresultaat ervan (zie verder).
3 3.1 [10]
Veranderende regels Waterlichamen versus grachten Zoals de minister aangeeft, zijn er veranderingen in de regelgeving gepland. In het ontwerp-stroomgebiedbeheerplan werd door de CIW de intentie geuit om de nietgecategoriseerde waterlopen niet langer als "waterlichamen" aan te duiden, maar er een apart statuut voor te ontwikkelen onder “grachten”. In de motivering daarvoor werden twee redenen aangehaald. Vooreerst wil de CIW vermijden dat het SGBP onwerkbaar wordt en wil de commissie daarom enkel voor de grotere oppervlaktewaterlichamen analyses en maatregelen voorstellen; de richtlijn staat dit ook toe13. Om de bescherming van het leefmilieu te garanderen, zou een (aan)gepast normenkader voor de basismilieukwaliteitsnormen en gevaarlijke stoffen van toepassing gesteld worden voor grachten en een minimale bufferzone van toepassing gesteld wordt voor grachten14.
8
Mestrapport 2020, p 146
9
https://www.vlm.be/nl/themas/Mestbank/Controle/handhaving/teeltvrije-zone/Paginas/default.aspx
10
Mestrapport 2020, p 148 – 150. De systematische controle gebeurt in geselecteerde gebieden waar de waterkwaliteit nog ondermaats is en waar extra aandacht voor de bemesting langs waterlopen kan helpen om de waterkwaliteit te verbeteren.
11
Tits M., et al. (2018). Bemestingsvrije stroken langs waterlopen. BDB en ILVO i.o.v. de Vlaamse Landmaatschappij. Eindrapport, 23/11/2018. Tabel 15
12 13
14
Mestrapport 2020, p 147-148 De definitie in de KRW luidt: “„oppervlaktewaterlichaam”: een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater; CIW werkplan 2020, p9
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
8
In het ontwerp-stroomgebiedbeheerplan werd een aangepast normenkader voorgesteld. Een aanpassing van het DIWB met aangepaste afstandsregels, werd voorbereid, maar hierover werd geen informatie aan de raden werd meegedeeld. In de huidige definitie in het waterwetboek van oppervlaktewaterlichamen zijn ook kleinere stilstaande wateren gevat. Zij vallen niet onder de voorgestelde definitie van grachten. Er lijkt geen nieuwe regeling inzake afstandsregels te worden voorzien. Zonder bijkomende bepalingen zullen er geen afstandsregels gelden ten opzichte van deze kleinere stilstaande waterlichamen. Samengevat geeft het voorstel:
Tabel 3: voorstellen CIW (voor zover gekend)
bevaarbare en gecategoriseerde waterlopen grachten stilstaande waterlichamen
3.2 [11]
pesticiden
grondbewerking
1m ? /
1m ? /
standaard 5m ? /
mest in VEN/hellend 10 m ? /
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Naast wettelijke regels zijn er ook de regels binnen het landbouwbeleid. Deze regels hebben een ander statuut dan de wettelijke bepalingen: ze dienen gerespecteerd te worden door alle landbouwers die subsidies wensen te ontvangen via dit systeem, maar zijn niet van toepassing op anderen. Deze regels zijn, op EU niveau, vastgesteld in de politieke besluitvorming, het legistieke proces loopt nog15. Over de implementatie ervan in Vlaanderen is het proces nog volop lopende. De raden wijzen op drie relevante bepalingen. Randvoorwaarde bufferstroken. In de ontwerpverordening voor het nieuwe GLB, is een bijkomende randvoorwaarde (GLMC 4) met als doelstelling “ protection of river courses against pollution and run-off”. Deze bepaalt “ The GAEC buffer strips along water courses shall, as a general rule and in compliance with Union law, respect a minimum width of 3 meters without using pesticides and fertilizers.”. In de bijhorende voetnoot wordt gesteld: “In areas with significant dewatering and irrigation ditches, Member States may adjust, if duly justified for those areas, the minimum width in accordance with specific local circumstances.” Deze tekst hanteert de begrippen “water courses” en “river courses” zonder ze te definiëren, en refereert niet naar de definitie van "water bodies" (waterlichamen), zoals bepaald in de KRW. Er is dus sprake van drie naast elkaar staande, Engelstalige, begrippen, waarvan in deze fase niet duidelijk is hoe die zullen doorwerken of zich onderling zullen verhouden in Vlaamse context. Meteen is dus
15
Voor een stand van zaken van het legistieke proces, zie https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/EN/HIS/?uri=COM:2018:392:FIN
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
9
onduidelijk of (en zo ja, welke) grachten onder deze bepalingen zouden vallen .Samengevat geeft dit onderstaand beeld in de tabel, waarbij aangemerkt moet worden dat er via de beheerseisen algemene verplichtingen blijven bestaan voor landbouwers om zich aan de geldende milieuwetgeving (en dus afstandsregels) moeten houden16. Tabel 4: voorstellen GLB (voor zover gekend)
bevaarbare en gecategoriseerde waterlopen grachten stilstaande waterlichamen
pesticiden
grondbewerking
3m ? /
/ / /
standaard 3m ? /
mest in VEN/hellend 3m ? /
Afhankelijk van de invulling van het GLB, en de uitwerking hiervan op het Vlaamse niveau, zouden er in de toekomst dus afzonderlijke voorwaarden kunnen gelden, bovenop de de eerder genoemde, voor het gebruik van pesticiden en mest voor landbouwers die subsidies ontvangen uit het GLB. [12]
Randvoorwaarde erosie. Ook de randvoorwaarde GMLC 6 is relevant. Deze heeft als doelstelling “Minimaal grondbeheer op basis van de specifieke omstandigheden ter plaatse om erosie tegen te gaan” en omvat Bodembewerkingsbeheer of andere passende teelttechnieken om het risico van bodemdegradatie te beperken, rekening houdende met de hellingsgraad. In de huidige randvoorwaarden gelden er gebiedsgerichte verplichtingen voor landbouwers op de zogenaamde “rode” en “paarse” percelen om maatregelen uit te voeren. De landbouwers kunnen zelf kiezen uit een brede waaier aan maatregelen, waarbij één mogelijkheid de aanleg van grasbufferstroken omvat.17. De evaluatie en zo nodig herziening van deze randvoorwaarde maakt deel uit van de opmaak van het Vlaamse Strategisch GLB-Plan18.
[13]
Randvoorwaarde niet-productieve oppervlakte. Tenslotte is er de randvoorwaarde GLMC 9a met als doelstelling “instandhouding van niet productieve kenmerken en oppervlakte ter verbetering van de biodiversiteit op boerderijen”. De basisvoorwaarde19 luidt "Minimum share of at least 4% of arable land at farm level devoted to nonproductive areas and features, including land lying fallow.” Een invulling van oeverzones die een verbetering van de biodiversiteit tot doel heeft zou hiervoor in aanmerking kunnen komen.
16
Zie tabel 2.2 in Vlaams Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027, Strategisch MER – Kennisgeving/ontwerp-MER
17
Zie https://lv.vlaanderen.be/sites/default/files/attachments/fiche_randvoorwaarden_-_erosiebestrijding_2021.pdf
18
Vlaams Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027, Strategisch MER – Kennisgeving/ontwerp-MER, p.17
19
Hierbij zijn uitzonderingen voorzien, die echter vrij complex zijn en daarom verder niet behandeld worden.
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
10
4 [14]
Functies van bufferstroken: ecosysteemdiensten Bufferstroken werden en worden opgelegd met een functie en doelstelling voor ogen. Deze functies kunnen opgevat worden als ecosysteemdiensten20. In deze context worden hieronder een aantal ecosysteemdiensten schetsmatig besproken21. Een meer doorgedreven analyse kan deel uit maken van het vervolgproces (zie verder in het advies). −
Levering van water van afdoende kwaliteit: een eerste doelstelling is om de waterloop te beschermen tegen directe inspoeling van pesticiden, sediment en nutriënten. Deze doelstelling is vooral belangrijk in landbouwgebied, maar daartoe niet beperkt. Het is vanuit deze doelstelling dat de oeverzones breder zijn in hellende gebieden, waar er immers meer afstroming is. Voor deze doelstelling zijn normen vastgelegd, in uitvoering van de kaderrichtlijn water. Voor het bereiken van deze doelstelling worden verschillende maatregelen ingezet, via de stroomgebiedbeheerplannen. Deze doelstellingen zijn zowel belangrijk voor grachten als waterlichamen.
−
Tegengaan van droogte en overstromingen. Ook voor het kwantitatief functioneren van waterlopen, zijn de oeverzones belangrijk. De 1 meter bewerkingsvrije zone is ingegeven door de wens van waterbeheerders dat de oevers niet instorten of afkalven. De erfdienstbaarheden inzake toegankelijkheid zijn belangrijk om met machines de waterloop te kunnen bereiken voor onderhoud. Het tegengaan van afstroming van sediment in de waterloop, is belangrijk voor de diepte en het profiel ervan. Oeverzones kunnen een positief effect hebben op de stroomsnelheid en turbulentie van het water, met minder erosie in de waterloop als gevolg. Ze dragen ook bij tot de natuurlijke dynamiek van de waterloop en geven het water meer ruimte om te stromen en te overstromen. In deze is ook het tegengaan van het inspoelen van nutriënten belangrijk; deze nutriënten kunnen immers zorgen voor overmatige groei van waterplanten, waardoor het vermogen om water te bergen en af te voeren wordt aangetast. Voor de doelstellingen inzake overstromingen en droogte zijn geen kwantitatieve normen vastgelegd, maar de doelen zijn wel verduidelijkt in de ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen. Ook hier worden verschillende maatregelen ingezet, die tegen elkaar worden afgewogen in deze plannen. Deze doelstellingen zijn zowel belangrijk voor grachten als waterlichamen.
−
De bepalingen hebben ook als doel om de (natuurlijke) vegetaties op de oevers te beschermen. Deze vegetaties zijn erg belangrijk voor het ecologisch functioneren van de waterloop zelf. Ze hebben een belangrijke impact op het zelfzuiverend vermogen (en dus de voorziening van proper water), de ruwheid van het waterloopprofiel (en dus de kwantitatieve diensten) en de mogelijkheid voor populaties ongewervelden, vissen en vogels om in en aan die waterlopen te
20
Zie https://purews.inbo.be/ws/portalfiles/portal/547187/VanDerWelle_Decleer_2001_BufferzonesHerstelWaterlopenVlaa nderen.pdf
21
Zie o.a. https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/beleidsinstrumenten/oeverzones
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
11
overleven. De vegetaties in de talud hebben daarbij een grotere impact dan die in de oeverzone. De impact hangt in grote mate af van de inrichting en het beheer van de oeverzone. De doelstellingen hiervoor zijn terug te vinden in de ecologische doelstellingen voor de oppervlaktewaterlichamen. Deze doelstellingen zijn vooral van belang voor de waterlichamen, aangezien de grachten kunstmatige waterlichamen zijn, waarvoor nu lagere biologische doelstellingen worden voorgesteld. Gebiedsgericht kunnen er voor grachten wel afgeleide doelstellingen voortkomen uit het natuurbeleid (VEN, N2000).
5
−
Oeverzones bepalen ook de landschappelijke waarde van de waterlopen, en ondersteunen aldus een reeks culturele ecosysteemdiensten, die zich deels doorvertalen in economische sectoren zoals toerisme en recreatie. Hiervoor zijn beleidsmatig gebiedsgericht doelen van toepassing en instrumenten in voege.
−
Oeverzones functioneren ook als verbindingen waarlangs terrestrische planten en dieren zich kunnen verplaatsen in het landschap. Hiervoor zijn beleidsmatig gebiedsgericht doelen van toepassing en instrumenten in voege.
−
Tenslotte kunnen oeverzones ook beschouwd worden als akkerranden, die een positieve impact zouden kunnen hebben op de agrobiodiversiteit, en daardoor voordelen opleveren in de vorm van bv. bestuiving of plaagbestrijding. Belangrijk is te noteren dat het effect daarvan mee afhangt van het omringende landschap, waardoor een aanpak op gebiedsniveau optimaal wordt geacht door onderzoekers22.
Effectinschattingen
[15]
Uit de ecosysteembenadering valt af te leiden dat oeverzones effecten kunnen hebben op meerdere doelstellingen die verbonden zijn aan milieu- en natuurdoelstellingen. De beperkingen en/of verplichtingen die hiermee gepaard gaan, hebben echter ook socioeconomische effecten. In dit onderdeel bespreken we op hoofdlijnen de belangrijkste gegevens die bekend zijn bij de raden. Deze gegevens zijn beperkt, een meer doorgedreven gegevensverzameling en analyse moet deel uit maken van het vervolgproces (zie verder in het advies).
[16]
Hoeveel waterlopen, percelen, oppervlakte ? Een eerste moeilijkheid betreft het inschatten van enkele basis-cijfers: over hoeveel (kilometer) waterlichamen gaat het, en hoeveel percelen / oppervlakte landbouwgrond wordt mogelijk is gevat. In tabel 5 worden de huidige lengtes (in km) van de waterlopen volgens de VHA vergeleken met het aantal kilometer dat, volgens de studie bemestingsvrije stroken, relevant is voor de discussie over bufferzones.
22
Zie bv. https://www.vlm.be/nl/SiteCollectionDocuments/Beheerovereenkomsten/Solabio/Onderzoek_effect_akkerranden_op _functionele_biodiversiteit_natuurlijke%20plaagbeheersing_eindrapport_Inagro_VLM_SOLABIO_2012.pdf p 93
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
12
Tabel 5 Aantal kilometer waterlopen per klasse volgens de VHA23, aantal kilometer relevant voor de landbouw en de grenslengte van landbouwpercelen, beide volgens de studie bemestingsvrije stroken 24. Merk op dat een aantal gegevens in deze studie dateren van 2012.
VHA Bevaarbaar Onbevaarbaar categorie 1 Onbevaarbaar categorie 2 Onbevaarbaar categorie 3 Publieke gracht Niet-geklasseerd Stilstaand
[17]
relevant (BDB / ILVO)
grenslengte
1588 1398 11820 1808 4682,5
250 1020 12581 2318
253 929 11273 2101
4822,5 /
7849 /
6712 1565
Twee zaken vallen op −
Er is een deel van de waterlopen waar de afstandsregels geen impact hebben op de landbouw, omdat er geen landbouwgrond direct naast gelegen is. Dit is bv. evident en in de tabel zichtbaar voor de bevaarbare waterlopen, waar de overheid dikwijls de dijken in eigendom heeft.
−
Er zijn uit te klaren onduidelijkheden: afwijkingen kunnen een gevolg zijn van aanpassingen in de VHA-atlas tussen 2018 en nu en/of door een andere selectie van de gebruikte grachten.
[18]
De studie heeft aldus een set van 147 628 percelen (26% van de landbouwpercelen) verder weerhouden25. Verder rekenend met de grenslengtes van deze percelen, kan een ruwe inschatting bekomen worden van de oppervlaktes in landbouwgebruik waar een beperking op rust, of zou kunnen komen, afhankelijk van de breedte (tabel 6).
[19]
Er dient op gewezen te worden dat de spreiding van deze stroken regionaal varieert, en dat de impact op landbouwbedrijven varieert afhankelijk van deze spreiding en van de precieze ligging van de gebruikspercelen. De oppervlakte en de impact wordt uiteraard beïnvloed door de selectie van de waterlopen, in het bijzonder de afbakening van de relevante grachten en stilstaande waterlopen. Een grote impact op een aantal landbouwers die deze percelen gebruiken, is niet uit te sluiten.
23
Data aangeleverd door VMM,per mail, dd 20 augustus 2021
24
Tits M., et al. (2018). Bemestingsvrije stroken langs waterlopen. BDB en ILVO i.o.v. de Vlaamse Landmaatschappij. Eindrapport, 23/11/2018. Tabel 11 en 15
25
Tits M., et al. (2018). Bemestingsvrije stroken langs waterlopen. BDB en ILVO i.o.v. de Vlaamse Landmaatschappij. Eindrapport, 23/11/2018. p 61.
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
13
Tabel 6: aantal ha landbouwgrond die gevat zou zijn in bufferzones van verschillende breedtes (eigen berekeningen op basis van de grenslengtes uit de studie bemestingsvrije stroken).
opp, 1 opp, 3 opp, 5 opp, 10 grenslengte meter meter meter, meter 253 25 76 127 253
Bevaarbaar Onbevaarbaar categorie 1 929 Onbevaarbaar categorie 2 11273 Onbevaarbaar categorie 3 2101 Grachten 6712 stilstaand 1656 TOTAAL (opp) TOTAAL (% van landbouwgebruik)26
93
279
465
929
1127
3382
5637
11273
210 671 166 2292 0,37%
630 2014 497 6877 1,11%
1051 3356 828 11462 1,84%
2101 6712 1656 22924 3,69%
[20]
Effecten op waterkwaliteit . De effecten van bufferstroken op de waterkwaliteit hangen af van een reeks factoren (breedte, teeltvrij of niet, inrichting, helling, ..) Deze relaties zijn complex, en leiden tot verschillende berekeningen. In de scenario-oefening bij het SGBP327 verklaren de auteurs de grote verschillen (95%) tussen de inschattingen door het NEMO model en de resultaten uit de studie bemestingsvrije stroken door te wijzen op de verschillende methodieken. De directe verliezen werden in NEMO begroot “met behulp van een inschatting door experten van typische verliezen bij gangbare praktijken”. “In de studie bemestingsvrije stroken is uitgegaan van volledige naleving en perfect toegepaste bemestingstechnieken”. De naleving van de beperkingen en verplichtingen lijkt dus een belangrijke factor in de effectiviteit van bufferzones.
[21]
Daarnaast is duidelijk dat niet alle heil van bufferstroken kan verwacht worden. Uit de scenario’s blijkt bv. dat de invoering van een teeltvrije strook, onder de genoemde assumpties, aanzienlijk zou bijdragen aan de reductie van de afstroming van P, maar veel beperkter impact zou hebben op de afstroming van N. In geen enkel scenario zouden de maatregelen volstaan om de doelen van de KRW, of die van het derde SGBP te bereiken28. De inzet van bufferstroken moet dus aangevuld worden met, en afgewogen tegen andere instrumenten. 26
De huidige landbouwareaal is 622000 ha. Bron: https://www.statistiekvlaanderen.be/nl/landbouwareaal
27
https://www.volvanwater.be/documenten/achtergronddocumenten/10-scenario2019s-voor-de-onderbouwing-vanhet-stroomgebiedbeheerplan-deel-oppervlaktewaterkwaliteit/view
28
SGBP, achtergronddocument “scenario’s” – pagina 35, scenario “maatregelenprogramma”. “2.4.1.3 Afstandsregels . Als onderdeel van het mestbeleid wordt in het maatregelenprogramma landbouw van het SGBP3 een teeltvrije en bemestingsvrije strook van 3 m voorgesteld. Volgens de studie over bemestingsvrije stroken uitgevoerd in opdracht van VLM zorgt dit voor meemesteffecten van 48.381 kg N en 3.195 kg P per jaar (scenario sh3) op basis van bemestingsdata voor 2016. In de studie wordt uitgegaan van de huidige bemestingstechnieken en een halve werkgangbreedte afstand tussen de tractor en de bemestingsvrije zone langs de waterloop. De directe verliezen volgens de huidige praktijken en met de huidige regelgeving worden in NEMO begroot op 865.637 kg N en 102.579 kg P in 2016. Deze hoeveelheden zijn echter met een andere methodiek bepaald, m.n. met behulp van een inschatting door experten van typische verliezen bij gangbare praktijken. Het verschil met de meemesteffecten in de studie bemestingsvrije stroken is zeer groot, maar in die studie wordt uitgegaan van volledige naleving en perfect toegepaste bemestingstechnieken. De nieuwe directe verliezen bedragen nog 5,6 % voor N en 3,1 % voor P van de startsituatie in NEMO. Maar dit is dus de theoretisch maximaal
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
14
[22]
Voor de volledigheid vermelden we dat een inschatting van de effecten voor nietbeteelde oeverzones op basis van literatuurgegevens is opgenomen in het ontwerpdocument “ruimtelijke afwegingskader oeverzones”. De relatie tussen de cijfers die daar gebruikt worden en de hierboven genoemde studies, is onduidelijk29.
[23]
Effecten op pesticiden en sedimenten. De effecten van afstandsregels voor pesticiden of sedimenten zijn niet modelmatig ingeschat in de scenario-studie bij de derde stroomgebiedbeheerplannen. Een inschatting van deze effecten voor niet-beteelde oeverzones op basis van literatuurgegevens is opgenomen in het eerder genoemde ontwerpdocument. De effecten hangen af van de breedte, inrichting, etc … Ook inzake erosie vormen bufferstroken één mogelijke maatregel in een bredere discussie.
[24]
Effecten op waterkwantiteit en de ecologische toestand30. De effecten van een meer natuurlijke oeverzone op hydromorfologie zijn nog niet ingeschat, voor zover de raden kunnen nagaan. Er is dus ook geen informatie over de te verwachten effecten op de biologische parameters of de effecten op waterkwantiteit. In het eerder genoemde ontwerpdocument wordt de relatie met de ecologische toestand wel verkend, echter niet in functie van effect-inschatting, maar in functie van prioritering van acties31.
[25]
Economische kosten. De belangrijkste economische lasten liggen bij de gebruikers van de aanpalende gronden in de landbouwsector. De effecten op de economische activiteiten van andere sectoren lijken minimaal in deze context32. De eerder genoemde studie bracht de opbrengstverliezen in beeld, samen met besparingen door minder kunstmest en nood aan extra machine-investeringen. De kunstmestbesparingen blijken miniem; de bijkomende investeringen voor bepaalde scenario’s zijn naar verhouding groot, en de opbrengstverliezen variëren in functie van de breedte van de strook en de teeltbeperking (0 – 25 miljoen EUR/jaar). Op te merken valt: −
dat de opbrengstverliezen groter zullen zijn bij teeltvrije stroken dan bij bemestingsvrije stroken;
−
dat de opbrengstverliezen van de huidige regeling niet volledig zijn ingeschat33;
−
dat de studie de economische effecten statisch inschat, terwijl in de landbouwsector teeltoppervlaktes wijzigingen onder invloed van overheids- en marktprikkels;
mogelijke reductie bij een teeltvrije en bemestingsvrije strook langs alle waterlopen en mits volledige naleving en optimale landbouwpraktijken. De reductie van de directe verliezen wordt toegepast in alle jaren van MAP7 en MAP8 (2023-2027).” 29
RUIMTELIJK AFWEGINGSKADER OEVERZONES. Functiebepaling, prioritering en ontwerp van oeverzones langs waterlopen. Projectgroep visievorming oeverzones. Versie 27/08/2021, hoofdstuk 6
30
Zie bv https://www.omgeving.vlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/5.%20Petra%20Deproost%20%20Erosiebestrijding.pdf
31
RUIMTELIJK AFWEGINGSKADER OEVERZONES. Functiebepaling, prioritering en ontwerp van oeverzones langs waterlopen. Projectgroep visievorming oeverzones. Versie 27/08/2021, hoofdstuk 3.3 “oeverzones voor structuurherstel”.
32
De gevolgen van afstandsregels / oeverzones voor andere sectoren zijn in eerste instantie een gevolg van de regelgeving uit de wet op de onbevaarbare waterlopen, die beperkingen oplegt inzake bebouwing, reliëfwijziging en aanplanten van houtige gewassen.
33
Er is geen scenario met een 5 meter mestbeperking én 1 meter teeltvrij langs alle relevante wateren. Het scenario “S0b” komt het dichtst in de buurt – de opbrengstverliezen worden ingeschat tussen 10 miljoen euro (1e jaar) en bijna 14 miljoen euro (na 10 jaar).
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
15
−
dat de studie enkel opbrengstverliezen inschat, en niet bv grondwaardeverliezen.
[26]
Economische baten. De belangrijkste sociaaleconomische baten liggen in de realisatie van de genoemde ecosysteemdiensten. De belangrijkste directe baten zouden kunnen liggen in het onderhoud van de waterlopen, door het verminderen van de afstroom van sedimenten en nutriënten. Een vermindering van de vervuiling in de waterlopen zou ook zorgen voor minder zuiveringskosten voor watergebruikers die stroomafwaarts water gebruiken. Indirecte baten omvatten zaken als een stijging van de visstand, aantrekkelijker landschap voor toerisme, … ten gevolge van ecologisch herstel. Tenslotte zouden er baten voor bestuiving en pestbestrijding kunnen zijn voor de landbouwsector zelf. Er is geen kwantificering en/of monetarisering van deze baten gekend.
[27]
Wie draagt de kosten ? De raden wijzen op drie elementen: Op dit moment dragen de gebruikers/eigenaars van de oeverzones de kosten / gemiste opbrengsten ten gevolge van de beperkingen die zijn opgelegd in deze zones. De watergebruikers en belastingbetalers dragen dan weer de kosten voor het tegengaan van de effecten van de afstroming van nutriënten, pesticiden en sedimenten die niet worden tegengehouden door oeverzones (of andere maatregelen). Er bestaan wettelijke bepalingen die relevant zijn terzake. De raden wijzen bv. op Art. 1.3.2.2 §2 van het decreet integraal waterbeleid dat stelt dat de Vlaamse Regering in de oeverzones noodzakelijke maatregelen kan opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden, en dat particuliere grondeigenaars of gebruikers enkel een vergoeding kunnen vragen “als maatregelen worden opgelegd die verder gaan dan wat voor het bereiken van de basismilieukwaliteitsnormen is vereist of die verder gaan dan de maatregelen die vereist zijn voor het realiseren van het standstillbeginsel”. De basismilieukwaliteitsnormen worden op de meeste plaatsen in Vlaanderen vandaag niet gehaald. Tenslotte valt op te merken valt dat er binnen het landbouwbeleid de mogelijkheid bestaat om “betalingen voor gebied specifieke nadelen ten gevolge van Kaderrichtlijn Water” te voorzien. Deze mogelijk wordt onderzocht in Vlaanderen, tenminste voor de drinkwaterwingebieden34.
34
Vlaams Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027, Strategisch MER – Kennisgeving/ontwerp-MER, p. 33
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
16
Aanbevelingen 6
Het gevoerde proces
[28]
In december 2016 gaf de CIW goedkeuring aan het voorstel om in de SGBP 2022-2027 enkel de gecategoriseerde waterlopen (bevaarbare en onbevaarbare van categorie 1, 2 en 3 af te bakenen als waterlichamen, mits een (aan)gepast normenkader en een minimale bufferzone35. Dit voorstel werd pas actief gecommuniceerd bij de start van het openbaar onderzoek voor de derde stroomgebiedbeheerplannen op 15 september 2020. In hun advies hebben de raden gevraagd om “de beoogde wijzigingen verder te verduidelijken, in het bijzonder de wijzingen inzake de afstandsregels “ en om “de effecten van de beoogde wijzigingen vooraf te beoordelen in het licht van de doelstellingen van het voorliggende plan en te toetsen aan de doelstellingen van de KRW, zodanig dat er geen verslechtering van de toestand van watersystemen optreedt en er voor de landgebruiker een duidelijke en werkbare situatie ontstaat”36.
[29]
In hetzelfde advies hebben de raden de aanpak gesteund “om de doelstellingen van het stroomgebiedsbeheerplan als uitgangspunt te nemen voor het doorrekenen van de nood aan maatregelen, die dan geïntegreerd worden in respectievelijk het Mestactieplan (MAP) en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)”. De raden wezen er echter op dat “doordat er in dit plan geen concrete voorstellen zijn opgenomen, ontstaat onzekerheid die zowel de geloofwaardigheid van de doelstellingen, als van de disproportionaliteitsanalyse hypothekeert. De raden vragen dan ook om de discussie te objectiveren door voor een reeks maatregelen zowel de kosten, de baten als de mogelijke financieringsbronnen nader in beeld te brengen37. De CIW kondigde hierover in april de oprichting aan van de projectgroep “Versterken landbouwbeleid-waterbeleid”38.
[30]
De raden moeten vaststellen dat er geen zichtbare vooruitgang lijkt te zijn geboekt bij het beantwoorden van de vragen over de afstandsregels, noch bij de gevraagde objectivering. Niettemin moet het stroomgebiedbeheerplan eind dit jaar goedgekeurd worden, en is ook duidelijkheid nodig over de inhoud van het strategisch plan voor het GLB. De raden betreuren dan ook dat de beleidsvoorbereiding niet ernstiger en doortastender is opgevat.
35
CIW werkplan 2020, p. 9
36
Minaraad, SALV, SERV, Advies derde stroomgebiedbeheerplan, 2021|007, § 35
37
Minaraad, SALV, SERV, Advies derde stroomgebiedbeheerplan, 2021|007, synthese
38
Verslag CIW-Klankbordgroep: startoverleg 25/03/2021. Deze werkgroep zou input geven voor de voorziene managementdiscussie m.b.t. engagementen vanuit landbouw. Het gaat daarbij om een concretisering van engagementen vanuit het MAP, het GLB, …
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
17
7 [31]
Aanbevelingen over het verder proces Maak een ex ante-beoordeling met de aanwezige kennis en betrek de maatschappelijke actoren daarbij. De raden herhalen daarom met aandrang hun vraag vraag naar de opmaak van een ex-ante beoordeling. Gezien de timing, lijkt het weinig realistisch om daarvoor nieuwe studies uit te voeren. De beoordeling zal moeten opgemaakt worden op basis van de bestaande studies, modellen en cijfers, en rekening houden met de daaruit voortvloeiende onzekerheden. De raden bevelen daarom aan om de CIW opdracht te geven om deze data en kennis bijeen te brengen (bv. in de CIW projectgroep “Versterken landbouwbeleid-waterbeleid) ten einde op die basis de gevraagde ex ante beoordeling door te voeren.
[32]
.. De raden menen verder dat er vooruitgang kan geboekt worden door de bestaande kennis toe te lichten aan en te bespreken met de doelgroepen, met het oog op de hierboven gevraagde objectivering en afweging. Ze vragen daarom om de maatschappelijke actoren te betrekken bij de belangrijkste milestones in het proces; de raden zijn bereid hierin verder een faciliterende rol te spelen.
[33]
Ontwerp een onderzoeksagenda. De raden vragen om, aanvullend aan de hierboven genoemde oefening, een onderzoeksagenda op te starten en uit te voeren om de kennishiaten te vullen.
8
Inhoudelijke aanbevelingen
[34]
De raden vragen om in de ex-ante-beoordeling een objectivering van de kosten en baten te maken. Ze vragen daarbij om niet alleen de impact en de kosten voor de verschillende opties (bufferstroken, bemestingstechnieken, …) in beeld te brengen, maar ook de kansen (SWOT benadering). In aanloop naar dit proces, formuleren de raden nu al enkele inhoudelijke krachtlijnen. Deze krachtlijnen willen geen voorafname doen over de finale keuzes, omdat daarbij de impact van die keuzes moet gekend zijn.
[35]
Creëer duidelijkheid over de afbakening van de grachten. De onduidelijkheid die een gevolg is van de huidige afbakening van de waterlichamen, dient vermeden te worden op het moment dat een definitie van “gracht” wordt geïntroduceerd. De aanbeveling is aldus om én de waterlichamen, én de grachten éénduidig te definiëren en af te bakenen op kaart.
[36]
Creëer duidelijkheid over de stilstaande waterlichamen. In de huidige definitie van waterlichamen zijn ook kleinere stilstaande wateren gevat. Zij vallen niet onder de voorgestelde definitie van grachten. Zonder bijkomende bepalingen zouden er geen afstandsregels gelden ten opzichte van deze stilstaande waterlichamen, hetgeen mogelijk ongewenst is.
[37]
Vermijd achteruitgang van milieubescherming. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting, die voorkomt dat de wetgever het beschermingsniveau in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
18
daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang39. De huidige tekst van het Decreet Integraal Waterbeleid beoogt een zeker niveau van bescherming van het leefmilieu. Er dient over gewaakt te worden dat een alternatieve regeling dit niveau van bescherming niet aanzienlijk vermindert, tenzij aangetoond kan worden dat hiervoor redenen zouden zijn die verband houden met het algemeen belang. Zorg voor handhaafbaarheid en handhaving. Uit diverse hoorzittingen vernemen de raden dat de huidige capaciteit om te handhaven beperkt is4041. De raden herhalen daarom hun vraag om aandacht te hebben voor de handhaafbaarheid van de wetgeving42. Vanuit het oogpunt van handhaving zal het invoeren van uiteenlopende regels voor verschillende gebieden de complexiteit verder verhogen. In de studie bemestingsvrije stroken is ook de optie bestudeerd om éénzelfde afstandsregel voor bemesting en grondbewerking te hanteren, vanuit het oogpunt van handhaving43. Daarbij valt op te merken dat het opleggen van uniforme regels in verschillende uitgangssituaties, ook disproportionele effecten met zich mee kan brengen. [38]
Waterkwaliteit: leg de relatie met de reductiedoelstellingen. De afstandsregels kunnen een bijdrage leveren aan de reductie van de N en P vrachten in waterlopen, aan de afstroom van sedimenten en aan de inspoeling van pesticiden. De raad wijst op de reductiedoelstellingen die opgenomen zijn in de stroomgebiedbeheerplannen, en vraagt om in te schatten welk aandeel van de beoogde reducties kan bewerkstelligd worden door de beoogde oeverzone-bepaling, en welk aandeel aldus via andere maatregelen (in het landbouwbeleid, het mestbeleid, bemestingstechnieken, het pesticidenbeleid, …) kan gerealiseerd te worden.
[39]
Sediment: meer inspanningen zijn noodzakelijk. De raden wijzen specifiek op de rol van bufferstroken in het voorkomen van de afstroming van sediment. Ze wezen er eerder al op dat erosiebestrijding ook een bijzonder kosteneffectieve maatregel is om fosforvervuiling terug te dringen44, en op de stijgende urgentie van een effectiever beleid, gezien de klimaatverandering de erosieproblematiek zal verzwaren45. Ook hier is de vraag om de discussie te objectiveren door voor een reeks maatregelen zowel de kosten, de baten als de mogelijke financieringsbronnen nader in beeld te brengen.
[40]
Ecologische doelen: verduidelijk het belang van de oeverzone. De raden vragen om voor de waterlichamen te verduidelijken welk type oeverzone noodzakelijk is om de GET / het GEP te bereiken. Voor dit aspect lijken op het eerste zicht geen alternatieve 39
http://www.const-court.be/public/n/2016/2016-012n.pdf
40
Zie bv. de cijfers gepresenteerd tijdens de hoorzitting over de handhaving in het waterbeleid (2019)
41
42 43
44 45
Verslag van de hoorzitting namens de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Energie over de omgevingshandhaving 873 (2020-2021) nr. 1 waarin VLM toelicht “Wegens de beperkte capaciteit kan maar een beperkt aantal gemeenten worden geselecteerd.” Minaraad, SALV, SERV, Advies derde stroomgebiedbeheerplan, 021-03, § 175 Dit is de aanname in de zogenaamde “handhaafbaarheidsscenario’s” in Tits M., et al. (2018). Bemestingsvrije stroken langs waterlopen. BDB en ILVO i.o.v. de Vlaamse Landmaatschappij. Eindrapport, 23/11/2018 Minaraad, SALV, SERV, Advies tweede stroomgebiedbeheerplan; 2014|041; p 53 Minaraad, SALV, SERV; Advies derde waterbeleidsnota; 2019|009; §64, zie ook https://www.vmm.be/publicaties/sedimentmeetnet-onbevaarbare-waterlopen-2020
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
19
maatregelen mogelijk - een afweging tussen maatregelen is dus niet aan de orde. Gezien het kunstmatig karakter van de grachten, lijkt dit aspect daar minder aan de orde tenzij gebiedsgericht in functie van het natuurbeleid. [41]
Waterkwantiteit: verduidelijk het belang van de oeverzone. De raden onderschrijven het belang van de bestaande teeltvrije zone voor oeverstabiliteit en het bestaande recht van doorgang in functie van onderhoud. Ze vraagt om te verduidelijken welke beperkingen in de oeverzone verder noodzakelijk zouden zijn in functie van waterkwantiteit en om deze af te wegen tegen alternatieve maatregelen. (stuwtjes in grachten, bv).
[42]
Landschap en connectiviteit: pak het gebiedsgericht aan. Oeverzones kunnen een bijdrage leveren aan het ecologisch functioneren van het bredere landschap. Die bijdrage hangt af van de breedte, de inrichting en het beheer. De raden verwijzen hier naar hun advisering betreffende blauwgroene netwerken in hun advies over de derde stroomgebiedbeheerplannen46.
[43]
Relatie met het landbouwbeleid: De raden wijzen op de eerder genoemde randvoorwaarden en instrumenten in het landbouwbeleid. De raad beveelt aan om te bekijken in hoeverre, en onder welke voorwaarden een oplossing zou kunnen gevonden worden die ertoe leidt dat bufferstroken zouden kunnen in rekening gebracht worden bij de randvoorwaarden (bv. als niet-productieve oppervlakte). De raad vraagt verder om te verkennen wat het potentieel is van vrijwillige instrumenten om de genoemde ecosysteemdiensten te verbeteren.
46
Minaraad, SALV, SERV, Advies derde stroomgebiedbeheerplan, 2021|007; p 33 en volgende
Minaraad, advies Bufferstroken naast waterlopen, 16/09/2021
20