VIONA-OPROEP VOOR EEN STUDIEOPDRACHT - 24/03/2015 DE ACTIVERING UIT DE ARBEIDSONGESCHIKTHEID: MAATSCHAPPELIJKE DOELMATIGHEID IN HAAR SOCIALE EN ECONOMISCHE ASPECTEN 1. Probleemstelling Het verhogen van de werkzaamheidsgraad blijft een belangrijke rode draad doorheen het Vlaamse arbeidsmarktbeleid, al is duidelijk dat deze groei er niet vanzelf zal komen. Het is dan ook belangrijk om deze beleidsdoelstelling op diverse manieren te bevorderen. Zo kan men nastreven dat personen die arbeidsongeschikt verklaard zijn, niet verglijden naar een permanente inactiviteit. Daarnaast is het eveneens van belang dat wie tijdelijk arbeidsongeschikt is bevonden, waar mogelijk sneller (en meer duurzaam) terug aan het werk kan dan wat het geval zou zijn geweest in afwezigheid van een gepast beleid. Hier staat echter tegenover dat de (monetaire) kosten en baten van een activeringsbeleid gericht op de arbeidsongeschiktheid, niet gelijk verdeeld zijn tussen de verschillende betrokken overheden. Waar de Federale Overheid vooral wint bij een succesvolle activering naar werk (minder uitkeringen, meer fiscale en parafiscale ontvangsten), is er voor de Gewestelijke Overheid, althans in eerste instantie, vooral sprake van een investeringskost. Deze overwegingen hebben ertoe geleid dat het RIZIV samenwerkingsovereenkomsten heeft afgesloten met de Gewesten, in het geval van Vlaanderen met de VDAB. In deze overeenkomst engageert de VDAB zich om een gepast activeringsaanbod te doen aan arbeidsongeschikte personen, voor zover deze hiertoe bereid zijn, het RIZIV van zijn kant stelt hier dan een vergoeding tegenover. Om dit soort van samenwerkingen in de toekomst nog beter te kunnen onderbouwen, is er behoefte aan een meer accurate inschatting van de effectieve (monetaire) opbrengsten en kosten van het activeren van personen in arbeidsongeschiktheid en van het maatschappelijk nut van deze acties. Enkele cijfers : Eind 2014 waren er bijna 5000 werkzoekenden ingeschreven in de VDAB in categorie 32, dit zijn mensen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet inbegrepen zijn in de NWWZ. (54% zijn mannen, 46% vrouwen; 2% jonger dan 25 jaar, 72% tussen 25 en 50 en 26% van 50 en meer). Sinds enkele jaren zijn er jaarlijks meer dan 1000 in een traject.
2. Onderzoeksvragen Op het eerste zicht zou men hier een oefening kunnen ondernemen analoog aan de studie m.b.t. budgettaire kost van een werkloze 1987 – 2002, zoals die door het Federaal Planbureau werd uitgevoerd in 2004. Zo een macro-perspectief noopt echter tot de keuze voor typegevallen, waarbij men dan tot op zekere hoogte arbitraire keuzes moet maken over de hoogte van de gemiddelde RIZIVuitkering, over de hoogte van het gemiddelde loon bij tewerkstelling, en waarbij veel heterogeniteit verloren gaat. Het lijkt daarom meer zinvol en realistisch om te werken met micro-simulaties, vertrekkende van historische cohorten van arbeidsongeschikte personen die effectief een activeringsaanbod kregen van de VDAB. Voor deze cohorten zou men dan vb. kunnen in kaart brengen welke uitkeringen ze ontvingen voorafgaand aan de activering, welk aandeel na activering naar werk gaat en tegen welk loon, wie zelfstandige arbeid opneemt, in welke mate die tewerkstelling al dan niet duurzaam is, etc. Bij het modelleren van kosten en opbrengsten zal daarnaast op een of andere manier moeten worden bepaald wat de toegevoegde waarde is van het activeringstraject in de uitkomst naar werk. Gezien een afzonderlijke impactstudie de scope van dit onderzoek te boven gaat, zal men hier wellicht het best een beroep doen op sensitiviteitsanalyse. Het onderzoek moet dan toelaten om te bepalen, wat, gegeven een bepaalde effectiviteit, de kostprijs van de interventie mag zijn. Het onderzoek dient eveneens een antwoord te geven op de vraag naar het soort werksituaties waarin die mensen aan de slag gaan (terugkeer naar de vorige werkgever ? ander soort jobs ? met aanpassingen ? overstap naar zelfstandige arbeid ? etc.), en een beschrijving en analyse bevatten van knelpunten in de huidige praktijk van activering van deze groep door de VDAB, het RIZIV en de mutualiteiten, dit alles eventueel in relatie tot bepaalde ziektebeelden.
3. Beleidsrelevantie Er zijn nieuwe initiatieven, waaronder een nauwere samenwerking tussen het RIZIV, de ziekenfondsen, de VDAB en GTB, die erop wijzen dat er ook in de uitkeringsstelsels voor arbeidsongeschikten een 'activerende' wind opsteekt. In de "Algemene beleidsnota van de staatsecretaris voor Sociale Zaken voor Gezinnen en voor Personen met een handicap, belast met de beroepsrisico's” (2011 en 2012), stak een 'Back to Work plan", waarvan vooral het luik herscholingen in het kader van het RIZIV uitvoering heeft gekregen. In de beleidsbrief van de Staatssecretaris voor personen met een beperking (2014) wordt een gestroomlijnd systeem van cumulatie van inkomsten uit een beroepsactiviteit en een uitkering aangekondigd (zowel voor ZIV-uitkeringen als voor tegemoetkomingen aan gehandicapten) en de initiatieven zoals die in het reeds vermelde “Back To Work” plan zullen worden uitgebreid naar de gerechtigden op een tegemoetkoming aan gehandicapten. In het federaal regeerakkoord van 9 oktober 2014 staat : “Ten laatste 3 maanden na de start van de arbeidsongeschiktheid wordt een reintegratieplan en voor wie het nodig is tevens een tijdelijk herinschakelingstraject opgemaakt met prioritaire aandacht voor de (rest)mogelijkheden op de arbeidsmarkt”. De Commissie Diversiteit bij de SERV roept in een recent advies op om dit soort acties te stimuleren (Commissie Diversiteit, 2015). Aangezien noch het RIZIV, noch de mutualiteiten, noch de Dienst Tegemoetkomingen voorzieningen heeft om personen te activeren (te begeleiden, op te leiden, …) zal hiervoor steeds een beroep worden gedaan op regionale voorzieningen zoals die van de VDAB.
De plannen rond de re-integratieplannen van Minister De Block zullen zorgen voor een nog grotere focus op activering van arbeidsongeschikt erkende personen, waardoor de resultaten van deze studie zeker kunnen bijdragen tot een toekomstgerichte visie en operationalisering.
. 4. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op dinsdag 21 april 2015 om 12u worden ingediend. De Stuurgroep VIONA zal in de eerste helft van de maand mei een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. De projectindieners zullen in de loop van de maand mei worden geĂŻnformeerd over de beslissing van de minister.
5. Kandidaatstelling Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiĂŤle en administratieve opvolging van het project.
6. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen Erik Samoy, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 40 27, erik.samoy@wse.vlaanderen.be).
Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor studiesopdrachten
Situering en gunningsprocedure
1. het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd destijds binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: - Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). - Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor de steunpunten beleidsrelevant onderzoek in 2011 (die leidde tot o.m. de erkenning van het nieuwe Steunpunt WSE), werd het model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”) begin 2012 hertekend. Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep VIONA respectievelijk de Stuurgroep Steunpunt WSE lopen twee complementaire initiatieven: het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma en de werkpakketten binnen de vier thematische onderzoekslijnen (Arbeidsmarktmonitoring, Activerend Arbeidsmarktbeleid, Sociale Economie en Transitionele Loopbanen) van het Steunpunt Werk en Sociale Economie. Verder wordt ook onderzoek betreffende de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen en ander relevant strategisch arbeidsmarktonderzoek maximaal ontsloten binnen het Vlaamse programma. Binnen dit model worden de VIONA-middelen doorheen het jaar en op meerdere tijdstippen ingezet voor het uitbesteden van studieopdrachten (SO) of onderzoeks- en ontwikkelings-opdrachten (O&O) met het oog op wetenschappelijke ondersteuning van het werkgelegenheidsbeleid. Op het programma Werkgelegenheid is in 2015 in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 373.000 € beschikbaar voor SO en O&O-opdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt WSE opneemt. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, de heer Philippe Muyters, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep VIONA- de VIONA-oproepen en -projecten goed.
2. Modaliteiten en gunningsprocedure 2.1
De deelnemers
Oproepen voor studieprojecten staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen.
2.2
De projectvoorstellen
Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten: 1) titel van het studieproject 2) vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres Indien de opdrachtnemer een beroep wenst te doen op één of meerdere experten extern aan de onderzoeksploeg, moet een indicatie worden gegeven van de aard van de experten (indien mogelijk met de namen), hun expertise (juridisch, fiscaal, economisch, …) en dient geduid te worden hoe die expertise in het onderzoek kadert. 3) een omschrijving van het studieproject (max. 5 blz) 4) een gedetailleerd tijdschema 5) een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief); de financiering van studieopdrachten door VIONA bedraagt altijd minder dan 65.000 euro (exclusief BTW) Voor deze studieopdracht wordt een bedrag van maximaal 64.000 euro (inclusief BTW) vooropgesteld. 6) een beschrijving van de wijze waarop de studieresultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien 7) een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties.
2.3
Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen
De ingediende voorstellen worden beoordeeld op hun beleidsmatige relevantie. De beoordeling van de beleidsmatige relevantie gebeurt door de Stuurgroep VIONA. Die Stuurgroep bestaat uit de volgende stemgerechtigde leden: de Vlaamse regering (afgevaardigden van de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk en de Vlaamse Minister bevoegd voor Sociale Economie), de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en het Vlaamse departement Werk en Sociale Economie. De evaluatie en selectie verlopen als volgt: - de stemgerechtigde stuurgroepleden krijgen alle projectvoorstellen toegestuurd en scoren de projectvoorstellen op basis van vier criteria (aansluiting bij de onderzoeksvragen uit de oproep, helderheid van de aanpak en de planning, beleidsrelevantie en kwaliteit van de valorisatievoorstellen); - de stuurgroepleden drukken over elk projectvoorstel een globaal oordeel uit in één eindscore gaande van A tot C: A: zeer goed, met daarbinnen een kopgroep (A1), ter onderscheiding van andere zeer goede projecten (A2) B: goed, met daarbinnen ook weer een onderscheid tussen B1 en B2 C: onvoldoende Bovendien staat het de stuurgroepleden vrij om bij elk projectvoorstel, ongeacht de score, suggesties voor bijsturing te formuleren.
Enkel projectvoorstellen met een gemiddelde score B+ of meer worden tijdens de eerstvolgende vergadering van de Stuurgroep VIONA besproken. De Stuurgroep beslist tijdens de vergadering en rekening houdend met de beleidsscore welk voorstel ze aan de minister voor gunning adviseert. Projectvoorstellen kunnen een hoger gewicht krijgen al naargelang de geplande valorisatieinitiatieven. Voor dringende beleidsvragen kan de Stuurgroep ook via een schriftelijke procedure selecteren. Het best gekwalificeerde projectvoorstel met een gemiddelde score van minstens B+ wordt dan voor gunning aan de minister geadviseerd. Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het projectvoorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten.
2.4
Kandidaatstelling
De projectvoorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (willem.deklerck@wse.vlaanderen.be + erik.samoy@wse.vlaanderen.be + johan.troch@wse.vlaanderen.be) en met digitale handtekening uiterlijk te bereiken op het tijdstip vermeld in de oproep.
Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor studiesopdrachten
Financieel plan en rapportering
In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht.
1.
Kwalificatie van de opdracht
Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een studieopdracht. Bij studieopdrachten in antwoord op beleidsvraagstukken verwachten we dat de opdrachtnemer een voorstel van analyse en oplossing van een specifiek probleem formuleert met behulp van bestaande kennis binnen een korte termijn. Het voorstel en de analyse moet praktisch bruikbaar zijn voor het beleid. Studieopdrachten kunnen maximum 8 onderzoekersmaanden in beslag nemen en de financiering door VIONA bedraagt altijd minder dan 65.000 euro (exclusief BTW). Voor deze studieopdracht wordt een bedrag van maximaal 64.000 euro (inclusief BTW) vooropgesteld.
2.
Financiële planning en rapportering
In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. - Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project. - Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen. - Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken. Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft.
Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten. Op die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Tussentijdse uitbetaling is niet mogelijk voor studieopdrachten. Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen. Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard.
3.
Inhoudelijke rapportering
De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting. Het concept van eindrapport wordt besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden vijftig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het onderzoeksproject te bezorgen.
4.
Contactpersonen
Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Dienst Studie en Beleidscoördinatie t.a.v. de heer Willem De Klerck (diensthoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel
Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen Erik Samoy, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 40 27, erik.samoy@wse.vlaanderen.be). Contactpersoon m.b.t. de procedure en inhoudelijke en financiĂŤle rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02/553 44 18, johan.troch@wse.vlaanderen.be