Skip to main content

eindrapport.pdf

Page 1

RUILVERKAVELINGSPROJECT WEELDE Uitvoering monitoringprogramma Avifauna, jaar ‘–1‘ (2001)

Vlaamse Landmaatschappij, Afdeling Antwerpen 2003 Stijn Leestmans, Piet Struyf & Tom Vermeulen 1


0. INHOUD 0. INHOUD............................................................................................................................................... 2 1. INLEIDING ........................................................................................................................................... 3 2. METHODE ........................................................................................................................................... 7

2.1 Uitgebreide territoriumkartering ............................................................................. 7 2.2 Ecologische vogelgroepen .................................................................................... 7 2.3 Kaartmateriaal en interpretatie ............................................................................ 10 3. RESULTATEN ................................................................................................................................... 12

3.1 Soortbespreking................................................................................................. 12 3.2 Verspreidingskaarten per soort/ecologische soortengroep ..................................... 15 3.3 Verspreidingskaarten in functie van de tijd............................................................ 17 4. SUGGESTIES VOOR EEN VERDERE AANPAK ............................................................................. 18 5. BESLUIT ............................................................................................................................................ 18 6. LEESWIJZER .................................................................................................................................... 20 7. BIJLAGEN ......................................................................................................................................... 21 8. REFERENTIES ................................................................................................................................. 22

2


1. INLEIDING Conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, werd een gericht monitoringprogramma opgemaakt. Dit monitoringprogramma werd goedgekeurd door de minister op 22 februari 2002. Het monitoringprogramma heeft als doel de effectiviteit na te gaan van de maatregelen die in de ruilverkaveling worden uitgevoerd voor het behoud of een verhoging van de actuele en potentiële natuurwaarden. Het beoogt een afwegingskader te creëren waaraan kan worden getoetst of de vooropgestelde natuurdoelstellingen bij een ruilverkaveling ook effectief worden gehaald. Aan de hand hiervan kan worden onderzocht of een bijstelling van het gevoerde beheer zich opdringt. De ruilverkaveling Weelde is gelegen in het noorden van de provincie Antwerpen op het grondgebied van de gemeente Ravels. In het westen grenst het gebied aan Nederland. Het gehele gebied omvat ongeveer 1.023 ha. Het gewestplan toont dat het ruilverkavelinggebied voor 95 % uit “landschappelijk waardevol gebied” bestaat. Een groot deel van het ruilverkavelingblok, nl. ca. 660 ha, valt krachtens het Besluit van de Vlaamse Executieve van 17/10/1998 (gewijzigd bij B.V.R 20/09/1996) onder de speciale beschermingszone inzake het behoud van de vogelstand (vogelrichtlijngebied “Gebieden gelegen te Turnhout, Oud-Turnhout en Ravels”) (zie bijlage 1). Binnen deze zone werden speciale beschermingsmaatregelen getroffen. Bij het ontwikkelen van de ecologische visie omtrent weidevogels werd er van de bestaande waarden van het gebied uitgegaan. Daarom werd binnen het structuurplan gekozen voor een open, nat weilandbeheer, dat perfect integreerbaar is met landbouw. Weidevogels hebben een duidelijke voorkeur voor dergelijke gebieden waar opgaande vegetatie afwezig is. Ze broeden voornamelijk op lage, vlakvormige (cultuur)vegetaties. Daarom werd gekozen om het open gebied te versterken door de kleinere bosperceeltjes te rooien en de compenserende maatregelen uit te voeren nabij reeds bestaande bossen, om zo een groter aaneengesloten bos te verkrijgen. In het ruilverkavelinggebied zijn scholekster, kieviet, wulp, grutto, veldleeuwerik en graspieper de meest voorkomende weidevogels. Het gebied nabij Vlasroot omvat een centraal gelegen nat weiland, met een overgang naar drogere stukken. Dit vormt een uitgesproken weidevogelbiotoop. In dit rapport wordt de monitoring van het jaar voor de uitvoering van de werken beschreven. Deze beschrijving van de uitgangsituatie heeft als doel de evolutie van de natuur na te kunnen gaan in functie van de inrichtingsmaatregelen die op het terrein genomen zullen worden.

3


Kaart 1:Situering van het plangebied binnen een ruimere omgeving In onderstaande tabellen (tabel 1 en tabel 2) wordt een beschrijving gegeven van een onderdeel van het monitoringprogramma met betrekking tot de module avifauna. De tabellen geven het beoogd doel in de plansituatie weer, beschrijven de geplande inrichtings- en beheermaatregelen en de methodiek voor het verzamelen en verwerken van de gegevens in het kader van de monitoring.

4


Doelsoort / doelgemeenschap: avifauna; weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied Beoogd doel in plansituatie: veiligstellen van een minimumareaal voor leefbare weidevogelpopulaties; verhogen van biodiversiteit aan biotopen die belangrijk zijn als broed- en fourageergebied voor weidevogels en aandachtssoorten van het open en half open gebied. Geplande inrichtingsmaatregelen: •

Behoud van vochtige ruigten en weilanden met begrazings- en maaibeheer in functie van weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied

•

Ontwikkelen vochtige graslanden rondom vochtige ruigten en ontwikkelen slik- en oeverzone langsheen Ossevenbeek, dit door afplaggen

A. Beschrijving uitgevoerde inrichtingsmaatregelen in relatie tot geplande maatregelen: jaar 1 + resultaat: jaar 2 B. Raadplegen logboek uitgevoerd beheer: jaar 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Monitoringgebied / stratificatie: ruilverkavelingsgebied Parameters / aantal meetpunten

Monitoringfrequentie / tijdstip /

Apparatuur / expertise /

en ligging

methode

werkbelasting

Parameters:

Monitoringsfrequentie:

Apparatuur:

Weidevogels en aandachtssoorten

Jaar: -1 2 5 10

Verrekijker,

telescoop,

Het resultaat is, voor het ganse

vogeldeterminatiegids,

kaart

ruilverkavelingsgebied,

van het open gebied en half open gebied

Bemonsteringsfrequentie:

Resultaat

Resultaat:

op

schaal 1/5.000

gebiedsdekkende

8 x per aangeduid jaar Aantal meetpunten en ligging: Volledige

ruilverkavelingsgebied:

uitgebreide

territoriumkartering

territoriumkartering

voor

genoemde

Expertise:

soorten

Tijdstip:

Kennis van vogelsoorten, auditief

vogelgroepen,

Maart t.e.m. juni

en visueel kunnen determineren,

1/5.000.

volgens uitgestippeld traject

kennis Methode: Voor

methode

een

uit op

alle

schaal

uitgebreide

territoriumkartering (Hustings et al., het

volledige

1989)

ruilverkavelingsgebied: uitgebreide territoriumkartering volgende veldleeuwerik-groep,

voor

de

vogelgroepen: wulp-groep,

Werkbelasting: bioloog: 14 MD (m.i.v. interpretatie) per aangeduid jaar

grutto-groep, roodborsttapuit-groep (1) (1) De monitoring gebeurt aan de hand van verschillende ecologische soortengroepen, en niet volgens afzonderlijke soorten. De te monitoren soorten worden, afhankelijk van de ecologische eisen, opgedeeld in volgende vogelgroepen (naar Sierdsema H., Broedvogels en Beheer, Staatsbosbeheer, 1995): •

Veldleeuwerik-groep: patrijs, kwartel, scholekster, kievit, wulp, veldleeuwerik, grauwe gors en graspieper met als geschikt habitat: open gebied, nat tot droog grasland met lage vegetaties en open plekken

•

Wulp-groep: Blauwe kiekendief, grauwe kiekendief, kwartel, goudplevier, kemphaan, watersnip, wulp, tureluur, bosruiter, velduil, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart en paapje met als geschikt habitat: open gebied, vochtige tot natte graslanden en ruigten al dan niet grenzend aan cultuurland

•

Grutto-groep: krakeend, wilde eend, kwartelkoning, grutto, tureluur en paapje met als geschikt habitat: vochtige tot drassige graslanden en ruigten

•

Roodborsttapuit-groep: roodborsttapuit, grasmus, fitis, kneu en grauwe klauwier met als geschikt habitat: structuurrijke lage struwelen en heggen en hoge ruigten

Tabel 1: monitoringprogramma ruilverkaveling Weelde, module avifauna, weidevogels en aandachtssoorten van het open gebied en half open gebied

5


Doelsoort / doelgemeenschap: avifauna; aandachtssoorten van open bos, bosranden, boomgroepen met kale, zandige bodem Beoogd doel in plansituatie: ontwikkelen boomheide en schrale graslanden met het oog op vestiging van soorten uit de geelgors-groep. Meer specifiek de kolonisatie van boomleeuwerik (Vogelrichtlijn Annex I) vanuit de bestaande restpopulatie in Weelde-station. Geplande inrichtingsmaatregelen: •

Ontwikkelen boomheide, creëren geschikt habitat geschikt voor soorten uit de geelgors-groep

•

Occasioneel maaibeheer met oog op de ontwikkeling van schrale droge graslanden

A. Beschrijving uitgevoerde inrichtingsmaatregelen in relatie tot geplande maatregelen: jaar 1 + resultaat: jaar 2: B. Raadplegen logboek uitgevoerd beheer: jaar 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Monitoringgebied / stratificatie: ruilverkavelinggebied + uitbreiding Parameters / aantal meetpunten en

Monitoringfrequentie /

Apparatuur / expertise /

ligging

tijdstip / methode

werkbelasting

Monitoringsfrequentie:

Apparatuur:

Jaar –1 2 5 10

Verrekijker,

Parameters: Aandachtssoorten

van

open

bos,

bosranden, boomgroepen met kale, zandige bodem

vogeldeterminatiegids, Bemonsteringsfrequentie:

Resultaat

Resultaat: telescoop, kaart

op

schaal 1/5.000

Idem 1.1 + uitbreiding

ruilverkavelingsgebied uitbreiding,

8 x per aangeduid jaar Aantal meetpunten en ligging:

Het resultaat is, voor het ganse + een

gebiedsdekkende Expertise:

territoriumkartering

voor

Tijdstip:

Kennis van vogelsoorten, auditief en

soorten

genoemde

Maart t.e.m. juni

visueel kunnen determineren, kennis

vogelgroep, op schaal 1/5.000.

methode Methode: Voor gebied

uit

alle

uitgebreide

territoriumkartering (Hustings et al.,

het een

geselecteerde

1989)

uitgebreide

territoriumkartering geelgors-groep (1)

voor de

Werkbelasting: bioloog: gelijktijdig met module 1.1, bijkomend 2 MD (m.i.v. interpretatie) per aangeduid jaar

(2) De monitoring gebeurt aan de hand van verschillende ecologische soortengroepen, en niet volgens afzonderlijke soorten. De te monitoren soorten worden, afhankelijk van de ecologische eisen, opgedeeld in volgende vogelgroepen (naar Sierdsema H., Broedvogels en Beheer, Staatsbosbeheer, 1995): •

Geelgors-groep: nachtzwaluw, scharrelaar, hop, draaihals, groene specht, boomleeuwerik, boompieper, gekraagde roodstaart, klapekster, geelgors, heggenmus en ortolaan met als geschikt habitat: open bos, bosranden, boomgroepen en kapvlakten met kale, zandige bodem

Tabel 2: monitoringprogramma ruilverkaveling Weelde, module avifauna, aandachtssoorten van open bos, bosranden, boomgroep met kale, zandige bodem

6


2. METHODE 2.1 Uitgebreide territoriumkartering De inventarisatie werd uitgevoerd door middel van de uitgebreide territoriumkartering zoals beschreven door Hustings (Hustings & al., 1989). Het nadeel van deze methode is dat ze zeer arbeidsintensief is. Door haar gestandaardiseerde opzet is ze echter vergelijkbaar bij verschillende waarnemers en geeft ze een idee omtrent de absolute aantallen. Bovendien is deze methode voor uitgesproken territoriale soorten (bv. zangvogels) zeer nauwkeurig en leidt ze slechts tot een lichte onderschatting van het werkelijke aantal broedparen. Aangezien de nauwkeurigheid van de inventarisatie staat of valt met het aantal bezoeken dat aan een gebied wordt gebracht, werd het hele gebied zes keer bezocht. Het aantal bezoeken werd evenwichtig verdeeld over de maanden april en mei. Op basis van landschappelijke kenmerken werd het totale projectgebied ingedeeld in 16 deelgebieden (zie bijlage 2). Op voorhand werd een duidelijke route uitgestippeld die heel het gebied doorkruist en die bij elke inventarisatieronde werd afgefietst (zie bijlage 3). Hierbij was het belangrijk dat elke plaats zo dicht mogelijk werd benaderd, zodat soorten, die niet over een luide zang beschikken, toch werden waargenomen. Ook het samenvallen van heen-en terugweg werd zoveel mogelijk vermeden, om dubbeltellingen te vermijden. De waarnemingen werden auditief en visueel verricht. Elke waarneming werd genoteerd op een topografische kaart (1/5.000) en bestond uit 4 delen: 1. de precieze plaats 2. de datum 3. de soort 4. het gedrag Om de kaart leesbaar te houden en om snel te kunnen noteren, werden geen soortnamen opgeschreven, maar afkortingen. De inventarisatieronden vonden steeds plaats tussen 7.00 ’s ochtends en 15.00 in de namiddag. Na de laatste inventarisatieronde werden alle gegevens gedigitaliseerd met behulp van ArcView 3.2. en verder verwerkt. Onderstaande tabel geeft de verschillende data weer wanneer de inventarisatierondes werden uitgevoerd. INVENTARISATIERONDES eerste inventarisatieronde tweede inventarisatieronde derde inventarisatieronde vierde inventarisatieronde vijfde inventarisatieronde zesde inventarisatieronde

DATA 18/04/2001 21/04/2001 22/04/2001 24/04/2001 10/05/2001 11/05/2001

Tabel 3: data waarop de inventarisatierondes werden uitgevoerd.

2.2 Ecologische vogelgroepen 2.2.1 Indeling van de ecologische vogelgroepen Voor de keuze van de te inventariseren soorten, werd gebruik gemaakt van het onderzoeksrapport ‘Broedvogels en beheer’ (Sierdsema, 1995). In dit rapport wordt beschreven hoe broedvogelgegevens kunnen worden gebruikt ten behoeve van natuurinrichting. Vooral de toepassing op planning en evaluatie van uit te voeren en uitgevoerde maatregelen, is in het kader van bv. een ruilverkavelingproject een zinvol instrument. Broedvogels vormen immers een belangrijk onderdeel van de levensgemeenschap van elk gebied. Door een grote kennis over

7


biotoopvoorkeuren, dichtheden en aantalsontwikkelingen zijn ze daarom uitstekend geschikt om effecten van een ruilverkaveling op het broedvogelbestand te evalueren. Op basis van deze conclusies kan eventueel het gevoerde beheer worden bijgestuurd. Het vermelde onderzoeksrapport is opmerkelijk doordat het broedvogels groepeert tot ecologische vogelgroepen. Om een terrein met haar levensgemeenschappen goed te kunnen beheren, is het belangrijk om inzicht te hebben in de eisen die de verschillende soorten stellen aan hun leefomgeving. Om het directe verband tussen het landschap, de vegetatie en een specifieke broedvogelsoort te begrijpen, is veel ecologische kennis vereist. Wanneer het broedvogelbestand echter wordt opgedeeld in groepen, waarbij soorten die ongeveer dezelfde biotoopeisen gemeen hebben, worden geclusterd, wordt het verband tussen de aanwezige broedvogels en de terreinkenmerken vaak veel duidelijker. Bovendien wordt door het gebruik van deze zgn. ecologische vogelgroepen de hoeveelheid aan gegevens meer overzichtelijk. Gemeenschappelijke biotoopeisen liggen aan de basis van de indeling in ecologische vogelgroepen. Door een beperkt aantal soorten op te volgen die typerend zijn voor de landschapsstructuur en vegetatiesamenstelling van een plangebied, kan dan ook veel relevante informatie worden bekomen over de kwaliteit en de ecologische infrastructuur van dat gebied. Wanneer in een gebied gerichte beheersingrepen worden gepland, is het opportuun om die ecologische vogelgroepen op te volgen die door de ingrepen kunnen worden beïnvloed. Op basis van de bestaande natuurlijke structuur en vegetatiesamenstelling werd in het kader van het ruilverkavelingproject Weelde geopteerd om volgende ecologische groepen te inventariseren: Veldleeuwerik-groep, Wulp-groep, Grutto-groep, Roodborsttapuit-groep en Geelgors-groep. De Veldleeuwerik-groep, zoals gedefinieerd door Sierdsema (Sierdsema, 1995) omvat patrijs, kwartel, scholekster, kievit, wulp, veldleeuwerik, grauwe gors en graspieper. Als biotoop verkiest deze groep drogere, maar wel structuurrijke grazige vegetaties. De Wulp-groep, zoals gedefinieerd door Sierdsema (Sierdsema, 1995) omvat blauwe kiekendief, grauwe kiekendief, kwartel, goudplevier, kemphaan, watersnip, wulp, tureluur, bosruiter, velduil, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart en paapje. Als biotoop verkiest de Wulp-groep voornamelijk open gebied, vochtige tot natte graslanden en ruigten al dan niet grenzend aan cultuurland. De Grutto-groep, zoals gedefinieerd door Sierdsema (Sierdsema, 1995) omvat krakeend, wilde eend, kwartelkoning, grutto, tureluur en paapje. Het biotoop dat verkozen wordt door de gruttogroep kan omschreven worden als nat tot droog grasland. De Roodborsttapuit-groep, zoals gedefinieerd door Sierdsema (Sierdsema, 1995) omvat roodborsttapuit, grasmus, fitis, grauwe klauwier en kneu. Het biotoop dat verkozen wordt door deze ecologische groep zijn lage struwelen en heggen en hoge ruigten. De Geelgors-groep ten slotte, zoals gedefinieerd door Sierdsema (Sierdsema, 1995) omvat nachtzwaluw, scharrelaar, hop, draaihal, groene specht, boomleeuwerik, boompieper, gekraagde roodstaart, klapekster, geelgors, heggenmus en ortolaan. Het biotoop dat verkozen wordt door de Geelgors-groep wordt getypeerd door open bos, bosranden, boomgroepen met kale, zandige bodem. In het kader van dit monitoringproject werd de Veldleeuwerik-groep, Wulp-groep, Grutto-groep, Roodborsttapuit-groep en Geelgorsgroep onderzocht. Zowel voor de groep als voor elke soort die er deel van uitmaakt, worden in onderstaande tabellen de belangrijkste biotoopeisen vermeld en voor elke soort wordt ook de mate van veeleisendheid weergegeven (zie 2.2.2). Veldleeuwerik-groep Veeleisendheid Voorkeurbiotoop Patrijs 3 pioniervegetaties (akkers), grasland, kruidenrijk Kwartel 2 pioniervegetaties (akkers), grasland, kruidenrijk, open Scholekster 2 open gebied, lage grazige en pioniervegetaties Kievit 2 open gebied, lage grazige en pioniervegetaties Wulp 2 open gebied, ruigten, open pioniervegetaties Veldleeuwerik 1 lage vegetaties met open plekken, open gebied Graspieper 1 lage vegetaties met open plekken, open gebied Grauwe gors 3 kruidenrijke pioniervegetaties Tabel 4: biotoopeisen en veeleisendheid van de Veldleeuwerik-groep

8


Wulp-groep Veeleisendheid Voorkeurbiotoop Kwartel 2 pioniervegetaties (akkers), grasland, kruidenrijk, open Goudplevier 5 hoogveen Kemphaan 4 structuurrijke grazige vegetaties, nat Watersnip 3 natte, open pioniervegetaties Wulp 2 open gebied, ruigten, open pioniervegetaties Tureluur 3 natte grazige vegetaties, bij voorkeur zilt Bosruiter 5 hoogveen Velduil 3 randen, ruigten, overhoeken, grote open natuurgebieden Veldleeuwerik 1 lage vegetaties met open plekken, open gebied Graspieper 1 lage vegetaties met open plekken, open gebied Gele Kwikstaart 3 lage vegetaties met open plekken, vochtig-nat Paapje 2 Bloemrijke ruigten en randen, vochtig tot nat Tabel 5: biotoopeisen en veeleisendheid van de Wulp-groep Grutto-groep Veeleisendheid Voorkeurbiotoop Krakeend 2 ondiep open water, grasland Wilde Eend 1 water, grasland Kwartelkoning 3 pioniervegetaties (akkers), grasland, kruidenrijk Grutto 2 grazige vegetaties, heide, nat Tureluur 2 natte grazige vegetaties, bij voorkeur zilt Paapje 3 bloemrijke ruigten en randen, vochtig tot nat Tabel 6: biotoopeisen en veeleisendheid van de Grutto-groep Roodborsttapuitgroep Roodborsttapuit

Veeleisendheid

Geelgors-groep Nachtzwaluw

Veeleisendheid 3

2

Voorkeurbiotoop

structuurrijke lage vegetaties, ruigten, (struiken, paaltjes,etc.) Grasmus 2 struwelen Fitis 1 struiken, struwelen, jong bos Grauwe Klauwier 3 grote insecten, hagedissen, struweel Kneu 2 struwelen, kruidenrijke vegetaties Tabel 7: biotoopeisen en veeleisendheid van de Roodborsttapuit-groep

Scharrelaar Hop Draaihals Groene Specht

5 5 3 2

Boomleeuwerik

2

Boompieper

1

uitkijkposten

Voorkeurbiotoop open bos, bosranden met kale bodem, nachtvlinders, rust (verstoringsgevoelig) ruigten, overhoeken, grote insecten, droog en warm grote holten (bomen, gebouwen), grote insecten kale zandige bodem, holten in bomen (berk!), mieren opgaand bos met open plekken, mieren, dikke loof- en dode naaldbomen kale, zandige vegetaties, verspreide boomgroei, bosranden, open bos open bos, bosranden, boomgroepen, bomen met open plekken open bos, bosranden, open holten (vliegdennen, berken)

Gekraagde 2 Roodstaart Klapekster 3 grote insecten, hagedissen, open, zandig bos Geelgors 2 bosranden, boomgroepen, kruidenrijke pioniervegetaties Ortolaan 4 bosranden, boomgroepen, kruidenrijke pioniervegetaties Tabel 8: biotoopeisen en veeleisendheid van de Geelgors-groep 2.2.2 Veeleisendheid

Broedvogels stellen verschillende eisen aan hun leefomgeving. Er zijn soorten met een ruime en soorten met een smalle biotoopkeuze. Hiervoor wordt de term veeleisendheid gebruikt. Soorten met een brede biotoopkeus noemen we ‘weinig kritisch’. Over het algemeen komen in slecht

9


ontwikkelde terreintypen alleen ‘weinig kritische’ soorten voor. In goed ontwikkelde terreinen komen ook kritische soorten voor. De aanwezigheid van kritische soorten zegt dus veel over de kwaliteit van de broedvogelgemeenschap en het terreintype. De veeleisendheid is niet altijd voor een soort in alle landschaptypen hetzelfde. Soorten kunnen in het ene landschapstype weinig kritisch zijn en in een ander landschapstype erg kritisch. De Gele kwikstaart bijvoorbeeld is een soort die hoge eisen stelt aan de kwaliteit van graslanden en dat geldt in nog sterkere mate voor heideterreinen. Op akkers is de soort echter minder kritisch. De toegekende maat voor veeleisendheid aan soorten is gebaseerd op de situatie in Nederland in 1995. De indeling is niet gebaseerd op uitgebreid ecologisch onderzoek en houdt ook geen waardeoordeel in. Het is een praktische indeling, die moet helpen bij het terreinbeheer. De geïnventariseerde soorten die deel uitmaken van de onderzochte ecologische vogelgroepen, behoren bijna allen tot de eerste drie klassen van veeleisendheid. De volgende zeer zeldzame soorten goudplevier, kemphaan, bosruiter, scharrelaar, hop en ortelaar behoren tot een indicatiewaarde 4 of 5, maar werden niet waargenomen in het projectgebied. De indicatiewaarden van veeleisendheid kunnen als volgt worden geduid. Soorten uit klasse één worden beschouwd als weinig kritische soorten, soorten die weinig eisen stellen aan hun leefomgeving. Deze soorten bewonen een breed spectrum aan vegetatietypen of zijn tevreden met een (zeer) kleine oppervlakte van dat vegetatietype. Het voedselspectrum van deze soorten is meestal breed en/of overvloedig aanwezig. Bij verarming van de vogelgemeenschap van een terreintype zijn dit de soorten die het laatste overblijven, soms in onnatuurlijk hoge aantallen. Voorbeelden uit het voorliggend rapport zijn Graspieper, Veldleeuwerik, Boompieper en Fitis. Soorten uit klasse twee zijn vrij kritische soorten die tamelijk strenge eisen stellen aan hun leefomgeving. Ze bewonen een breder spectrum aan ecotopen dan kritische soorten en hebben een vrij breed voedselspectrum. Deze soorten zijn bij uitstek geschikt om de kwaliteit van een terrein(deel) te bepalen. Het zijn soorten die vaak in redelijke aantallen voorkomen. Voorbeelden uit het voorliggend rapport zijn Kievit, Scholekster, Wulp, Grutto, Kwartel, Geelgors, Kneu en Roodborsttapuit. Soorten uit klasse drie staan bekend als kritische soorten die hoge eisen stellen aan hun leefomgeving. Deze vogels hebben een grote variatie aan vegetaties of structuren nodig. Ook is het mogelijk dat een soort maar een beperkt aantal vegetatietypes bewoont of dat er een grote oppervlakte van dat vegetatietype moet aanwezig zijn. Kritische soorten stellen hoge eisen aan hun voedsel, bv. grote insecten, hagedissen of een grote variatie aan onkruidzaden. Bij verarming zijn dit de eerste soorten die verdwijnen. In de meeste (Nederlandse) natuurgebieden komen ze al niet meer voor. Door de lage aantallen spelen toeval en externe omstandigheden een grote rol bij het al dan niet aanwezig zijn. Voorbeelden uit het voorliggend rapport zijn Patrijs en Gele kwikstaart.

2.3 Kaartmateriaal en interpretatie Onder interpretatie verstaan we het bepalen van het aantal territoria of broedparen op basis van alle verzamelde gegevens. Op basis van de veldkaarten (1/5.000) werden alle gegevens gedigitaliseerd met behulp van Arcview 3.2. Per waargenomen soort werd een verspreidingskaart aangemaakt. Waarnemingen worden opgesplitst per datum en het resultaat is een kaart die een patroon van waarnemingen vertoont. Tussen deze waarnemingen bevinden zich ‘uitsluitende waarnemingen’ 1. Deze kunnen in de richting wijzen van meerdere territoria. Om het aantal territoria of broedplaatsen te bepalen werd eerst gekeken naar waarnemingen die in groepjes (‘clusters’) voorkwamen. Op plaatsen waar de dichtheid van waarnemingen klein was, kon men gemakkelijk verschillende clusters onderscheiden, die steeds wezen op de aanwezigheid van een territorium of broedplaats. Op plaatsen met hoge dichtheden werden de territoria enkel op basis van de uitsluitende waarnemingen bepaald. Enkel zo konden we met zekerheid vaststellen of binnen een diffuus groepje waarnemingen 1 of meerdere territoria aanwezig waren. 1

Uitsluitende waarneming: meerdere waarnemingen die op éénzelfde dag werden verricht 10


Bij onzekerheden rond de territoriumafbakening per soort werd enerzijds gekeken naar het gedrag (territoriumconflicten, zangposten,…) en/of anderzijds naar de afstand die tussen twee concentraties van waarnemingen aanwezig was. De afstanden tussen verschillende territoria is namelijk sterk soortgebonden. Op basis hiervan werden per ecologische groep de territoria in kaart gebracht (zie bijlage 5).

11


3. RESULTATEN 3.1 Soortbespreking 3.1.1 Patrijs (Perdix perdix) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen: opmerkingen:

ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Roepende mannetjes, paren, solitaire dieren op basis van de beperkte waarnemingen is het moeilijk om een biotoopvoorkeur vast te stellen. De waarnemingen zijn verspreid in ruimte en tijd. er werden weinig ‘uitsluitende waarnemingen’ genoteerd, bijgevolg is het aflijnen van duidelijke territoria op veronderstellingen gebaseerd. Veldleeuwerik-groep kwetsbaar 2

3.1.1 Kwartel (Coturnix coturnix) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen: opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Roepende mannetjes, paren, solitaire dieren Uit de beperkte waarnemingen blijkt een lichte voorkeur voor open graslanden. Veldleeuwerik-groep kwetsbaar 2

3.1.3 Scholekster (Haematopus ostralegus) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Lokaliseren van broedparen Nestwaarnemingen, paren, solitaire vogels en groepen (geen paargedrag). Bijna alle broedgevallen situeren zich in het noordelijk deel van het projectgebied. hieruit blijkt dat de scholekster een duidelijke broedvoorkeur heeft voor open landschappen. de nesten bevonden zich voornamelijk op graslanden. Solitaire vogels die zich op een verhoging bevinden zijn vaak waakzame partners van een broedende scholekster. Veldleeuwerik-groep / 8

3.1.4 Kievit (Vanellus vanellus) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen: opmerkingen:

ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Lokaliseren van broedparen Nestwaarnemingen, paren en baltsgedrag, juvenielwaarnemingen De kievit komt over heel het projectgebied voor, met een lichte voorkeur voor het meer open landbouwlandschap. men ziet vaak grote groepen kieviten foerageren op akkers. Door de hoge trefkans van de kievit werden een groot aantal waarnemingen opgenomen. Daarom werd er zoveel mogelijk gezocht naar nesten en waarnemingen van juvenielen om met zekerheid te kunnen spreken van een broedgeval. Veldleeuwerik-groep / 78

12


3.1.5 Grutto (Limosa limosa) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen: opmerkingen:

ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Lokaliseren van broedparen Nestwaarnemingen, paren, solitaire vogels en groepen (geen paargedrag). daar waar de oppervlakte aaneengesloten grasland het grootste is, vinden we de meeste grutto’s, nl. te bloksgoor, flaasheide en ten noorden van de litse heide. De grutto heeft een hoge trefkans. Een broedgeval wordt dan ook reeds erkend vanaf één waarneming tijdens de optimale periode april-mei). De grutto is sterk gebonden aan structuurrijke, vochtige graslanden. Grutto-groep / 15

3.1.6 Wulp (Numenius arquata) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen: opmerkingen:

ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Lokaliseren van broedparen Nestwaarnemingen, juveniel-waarnemingen, baltsgedrag en solitaire vogels Zoals blijkt uit de broedvogelinventarisatie, vinden we wulpen vaak terug in open gebied, op vochtige graslanden. Wulpen zijn zeer mobiele vogels. Broedende wulpen leggen soms enkele kilometers af om elders te gaan foerageren. Door deze hoge mobiliteit is het vaak moeilijk om met grote zekerheid territoria af te bakenen. Wulp-groep / 6

3.1.7 Veldleeuwerik (Alauda arvensis) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

opmerkingen:

ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Zingende mannetjes De veldleeuwerik vinden we vooral terug in het noordelijk deel van het ruilverkavelinggebied. Hier vinden we voornamelijk grootschalige landbouw, het landschap is er veel opener met weinig of geen opgaande structuren. Omwille van de hoge trefkans bij de veldleeuwerik zijn minstens drie zangwaarnemingen vereist om te mogen spreken van een aanwezig territorium. Eénmalige zangwaarnemingen kunnen afkomstig zijn van doortrekkende exemplaren (vooral voor half april). Veldleeuwerik-groep Achteruitgaand 13

3.1.8 Boompieper (Anthus trivialis) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

Territoriumkartering Zingende mannetjes De boompieper is een broedvogel van open heidevlakten met verspreide boomgroepen, jonge bosaanplanten en van grote, open plaatsen in het bos, hetgeen duidelijk tot uiting komt binnen het projectgebied. De meeste waarnemingen

13


opmerkingen:

ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

gebeurden ter hoogte van de bossen aan Eindegoorheide en Vlasroot. Gezien het aantal terreinbezoeken, zijn minimaal drie zangwaarnemingen vereist om zeker te zijn van de aanwezigheid van territoria. Eénmalige waarnemingen kunnen wijzen op doortrekkende exemplaren. Geelgors-groep Achteruitgaand 7

3.1.9 Graspieper (Anthus pratensis) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Zingende mannetjes De meeste zangposten werden waargenomen op grasland. Het is duidelijk dat de meeste territoria werden aangetroffen daar waar de oppervlakte aaneengesloten grasland het grootste is, nl. thv Litse Heide, ten noorden van Flaasheide en Bloksgoor. De zingende mannetjes zijn zeer honkvast. Eens een zangpost werd uitgekozen binnen het territorium, zal steeds vanuit deze locatie gezongen worden. Veldleeuwerik-groep Achteruitgaand 14

3.1.10 Gele kwikstaart (Motacilla flava) inventarisatie: geldige waarnemingen:

Territoriumkartering Aanwezige paren, zingende mannetjes en alarmerende exemplaren. voorkomen: Het blijkt dat de gele kwikstaart sterk gebonden is aan vochtige graslanden. We vinden ze voornamelijk in Bloksgoor en ten noorden van Flaasheide. opmerkingen: De territoria van de gele kwikstaart kunnen tientallen hectare groot zijn. Men moet dus rekening houden met verplaatsingen over aanzienlijke afstanden. Enkel wanneer de afstanden voldoende groot zijn mag men spreken van verschillende territoria. ecologische vogelgroep: Wulp-groep rode lijst-categorie: / aantal territoria: 5 3.1.11 Heggenmus (Prunella modularis) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Zingende mannetjes De heggenmus kan overal broeden waar een dichte onderbegroeiing aanwezig is. Daar het zuidelijk deel van het ruilverkavelinggebied een eerder gesloten karakter heeft door de aanwezigheid van talrijke houtkanten, moeten er daar nog ongetwijfeld een aantal broedparen te vinden zijn. De heggenmus is een zeer honkvaste vogel, waardoor één waarneming voldoende is om het territorium te erkennen. Geelgors-groep / 2

14


3.1.12 Roodborsttapuit (Saxicola torquata) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen: opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Aanwezige paren, zingende mannetjes, solitaire individuen en juveniel-waarnemingen. Roodborsttapuiten worden hoofdzakelijk op graslanden aangetroffen. Roodborsttapuit-groep Bedreigd 5

3.1.13 Kneu (Carduelis cannabina) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Zingende mannetjes, aanwezige exemplaren Ondanks dat volgens de literatuur de kneu een voorkeur heeft voor struwelen of kleine houtkanten, grenzend aan open cultuurland, werden de meeste territoria in het open landbouwgebied gevonden. Enkel de zingende mannetjes werden ter kartering gebruikt. Roodborsttapuit-groep / 6

3.1.14 Geelgors (Emberiza citrinella) inventarisatie: geldige waarnemingen: voorkomen:

opmerkingen: ecologische vogelgroep: rode lijst-categorie: aantal territoria:

Territoriumkartering Zingende mannetjes en aanwezige paren. Binnen het ruilverkavelinggebied werd de geelgors steeds waargenomen op de grens van bosgebied met het open landschap. Uit de literatuur blijkt dat ze dekking zoeken binnen bossen, maar vaak foeragerend worden aangetroffen in het open gebied. Enkel territoriaal gedrag werd op kaart weergegeven. De geelgors is immers ook een belangrijke doortrekker en overwinteraar binnen het gebied. Geelgors-groep Bedreigd 3

3.2 Verspreidingskaarten per soort/ecologische soortengroep Verspreidingskaarten van afzonderlijke soorten kunnen ons veel leren over de biotoopvereisten van een soort binnen het projectgebied. De aan- of afwezigheid van bepaalde soorten of soortengroepen kan gebruikt worden om de voorkeur te bepalen van soorten. Eens men deze voorkeur achterhaald heeft, kan men desgewenst door verscheidene beheermaatregelen te nemen het voorkeurbiotoop in oppervlakte laten toenemen. De effecten van beheer worden slechts duidelijk indien er een continue monitoring gebeurt van het broedvogelbestand binnen het projectgebied over een aantal jaren. Tabel 9 geeft een overzicht van de gemonitorde soorten en het aantal territoria binnen het ruilverkavelinggebied. In bijlage 4 vindt men per ecologische soortengroep een tabel met het aantal territoria per deelgebied en per soort. Verder vindt men er een aantal kaarten met de ruimtelijke spreiding van de verschillende soorten binnen het projectgebied. De resultaten werden reeds besproken in ‘3.1 Soortbespreking’.

15


Aantal territoria/ broedgevallen Geelgors-groep boompieper 7 Geelgors-groep geelgors 3 Geelgors-groep heggenmus 2 Grutto-groep grutto 15 Roodborsttapuit-groep fitis 9 Roodborsttapuit-groep kneu 6 Roodborsttapuit-groep roodborsttapuit 5 Veldleeuwerik-groep graspieper 14 Veldleeuwerik-groep kievit 78 Veldleeuwerik-groep kwartel 2 Veldleeuwerik-groep patrijs 2 Veldleeuwerik-groep scholekster 8 Veldleeuwerik-groep veldleeuwerik 13 Wulp-groep gele kwikstaart 5 Wulp-groep wulp 6 Totaal 175 Tabel 9: Aantal territoria binnen de ruilverkaveling Weelde, opgedeeld per opgenomen soort Soort

Ecologische soortengroep

Op de verspreidingskaarten van de ecologische soortengroepen vinden we territoria van verschillende soorten terug. Naarmate de territoria meer geconcentreerd liggen, is die plek blijkbaar geschikter voor die groep. Hieronder volgt een korte bespreking van de voorkeur per ecologische soortengroep. Veldleeuwerik-groep Deze groep weidevogels vindt men meestal terug op de iets drogere, structuurrijke graslanden. Het grootste deel van de soorten vinden we terug op gronden met drainageklasse a-b tot c. De grootste concentratie van de veldleeuwerik-groep vinden we ten noorden van Flaasheide. Wulp - en Grutto-groep De soorten van zowel de Wulp- als Grutto- groep houden van open, structuurrijke graslanden en heideterreinen. Een groot deel van de soorten kan naast heideterreinen perfect leven binnen grootschalig landbouwgebied waar voldoende voedsel aanwezig is. Buiten veldleeuwerik, kwartel en graspieper hebben de overige soorten een sterke voorkeur voor natte graslanden en vochtige heidevelden. Net zoals bij de veldleeuwerik-groep vinden we de grootste concentraties ten noorden van Flaasheide. Roodborsttapuit-groep In vergelijking met de twee vorige groepen zien we een duidelijk verschil in verspreidingspatroon. De soorten van de Roodborsttapuit-groep hebben een duidelijke voorkeur voor structuurrijke landschappen, afgewisseld met bosjes. Binnen het projectgebied vinden we ze dan ook op het grensgebied met de bossen van Eindegoorheide en Flaasheide. Geelgors-groep Zoals blijkt uit de broedvogelinventarisatie hebben de soorten van deze ecologische groep een sterke voorkeur voor bossen in open gebied, bosranden en houtkanten. Zoals ook blijkt uit de beschrijving van Sierdsema (1995) vinden we deze soorten vaak terug in de nabijheid van dennenbossen op zandige gronden zoals Eindegoorheide en Flaasheide.

16


3.3 Verspreidingskaarten in functie van de tijd (zie bijlage 6) In het kader van de opmaak van het Structuurplan voor de ruilverkaveling Weelde werd in 1995 een broedvogelinventarisatie uitgevoerd door GTE, in opdracht van Soresma nv. Door de gegevens van de broedvogelinventarisatie uit 1995 te vergelijken met de inventarisatie uitgevoerd in 2001 krijgen we een duidelijker beeld van de terreingeschiktheid per soort en eventuele aantalsverschuivingen. Naarmate er meer territoria bij elkaar liggen, is het terreindeel geschikter voor die bepaalde soort. Deze vergelijking is vooral interessant voor soorten die slechts in beperkte mate voorkomen in het projectgebied. Door de resultaten van een aantal jaren op één kaart te plaatsen krijgt men een juister beeld van de biotoopvoorkeuren van die bepaalde soort. Als men de resultaten van 1995 vergelijkt met deze van 2001 is het eerste dat opvalt het verschil in aantallen (zie figuur 1). Het verschil in aantallen kan een aantal oorzaken hebben, zoals oa het verschil in voedselaanbod, weersomstandigheden, …. Zo ziet men een duidelijke daling van het aantal grutto-koppels ter hoogte van Eindegoor-Bloksgoor. De reden hiervoor kan gezocht worden bij het omzetten van vochtige graslanden naar akkerlanden, waardoor het broedbiotoop van deze weidevogel verdween. Kieviten en scholeksters blijken veel minder gebonden te zijn aan deze graslanden. Deze soorten kunnen zich veel beter aanpassen aan de grootschalige maïsculturen, waardoor hun aantallen minder sterk achteruitgaan. Ook de achteruitgang van het aantal geelgorzen (ook op Vlaams niveau) is te wijten aan het verdwijnen van het broedbiotoop door intensivering van de landbouw. Echter de meest voor de hand liggende reden is het verschil in het aantal terreindagen tijdens de inventarisatie. Het spreekt voor zich dat naarmate men meer tijd investeert in een bepaald gebied, dat het aantal waargenomen soorten (vnl. die met een lagere trefkans) toeneemt.

heggem us

r o o d b o r s tta p u it 40

b o o m p ie p e r

30 p a tr ijs

20

kneu

10 g e e lg o r s

0

s c h o le k s te r

v e ld le e u w e r ik

g r a s p ie p e r g r u tto

g e le k w ik s ta a r t w u lp

figuur 1: Vergelijking aantal waargenomen territoria/broedparen per soort, tussen 1995 (groen) en 2001 (rood).

17


4. SUGGESTIES VOOR EEN VERDERE AANPAK Zoals reeds vermeld in de inleiding kadert deze broedvogelinventarisatie in het kader van een monitoringsprogramma opgesteld voor de ruilverkaveling Weelde. Monitoring kan gedefinieerd worden als ‘het periodiek, herhaald waarnemen en gestandaardiseerd beschrijven van parameters met als doel de overeenkomst met of de mate van afwijking van vooropgezette normen vast te stellen’. Doordat men zo een herhaalde verzameling van gegevens doorheen de tijd krijgt, is het mogelijk om eventuele trends, veranderingen te detecteren. Bij monitoring gaat het dus voornamelijk over het vergaren van kennis, gericht op ‘evaluatie’. Deze beschrijving behandelt enkele belangrijke punten die extra aandacht verdienen. Vooreerst wordt er gesproken van “gestandaardiseerd beschrijven van parameters”. Deze standaardisatie is uiterst belangrijk. Door bv. bij een volgende inventarisatie het aantal terreindagen te verdubbelen gaat men een vertekend beeld krijgen van het aantal aanwezige territoria. Het spreekt voor zich dat naarmate men meer tijd doorbrengt op het terrein, de trefkans van weinig opvallende soorten groter wordt. Een dergelijke standaardisatie moet men doortrekken naar alle mogelijke parameters (periode van terreinwerk, avifaunistische kennis van observator, materiaal, …). Uit hoofdstuk 3.3 blijkt inderdaad dat dergelijke maatregelen onlosmakelijk verbonden zijn aan een goede monitoring. Probleem bij deze vergelijking is dat het voorafgaande (1995) geen monitoring maar een inventarisatie inhield en dat beide in principe sowieso niet kunnen vergeleken worden. Een tweede belangrijk aspect in de beschrijving van ‘monitoring’ is de “herhaalde verzameling van gegevens doorheen de tijd”. In het monitoringsprogramma van de ruilverkaveling Weelde wordt er een monitoringfrequentie voorzien van 4 opnames, gespreid over een periode van 10 jaar 2. Bij het interpreteren van dergelijke opnamereeksen moet men voorzichtig zijn. Indien men jaarlijks zou inventariseren kan men na 10 jaar een duidelijke trend zien inzake het broedvogelbestand. Door de lage frequentie van de inventarisatie kunnen we een vertekend beeld krijgen van het aantal territoria tijdens een bepaald jaar. Als door externe invloeden (omstandigheden in overwinteringsgebied; voedselarmoede, …) of simpelweg door toeval (vaak onderschatte rol) de broedvogelstand veel lager ligt, moet men niet onmiddellijk concluderen dat men van beheer moet veranderen. Een deel van onze problemen kan worden opgelost, wanneer we informatie opzoeken over de algemene tendens van de broedvogelstand in België (en Nederland).

5. BESLUIT Als start van een meerjarig monitoringprogramma in het ruilverkavelingsgebied Weelde werd de avifauna gemonitord, 1 jaar voor de uitvoering van de werken. Samen met de polders zijn de Noorderkempen een van de belangrijkste weidevogelgebieden in Vlaanderen. Daarom is het zeer belangrijk om de bestaande populaties in stand te houden en op te volgen. Monitoring kan hierbij een belangrijke rol spelen. Door een systematische inventaristie uit te voeren gedurende een aantal jaren kan men duidelijke tendensen waarnemen in het weidevogelbestand en indien er negatieve tendensen waargenomen worden hierin bijsturen. Daarom is het uiterst belangrijk de uitgangssituatie op een juiste manier vast te leggen. Omdat het ruilverkavelingsgebied voor bijna 70 % overlapt met het vogelrichtlijngebied, werden de maatregelen tot landinrichting voornamelijk toegespitst op het vogelbestand in het open gebied in het noorden. Meer ten zuiden van het ruilverkavelingsgebied krijgt het landschap een half-open karakter doordat er meer houtkanten, bomenrijen en andere kleinschalige landschapselementen aanwezig zijn. Ook in het ruilverkavelingsplan is hier rekening mee gehouden door onder andere nieuwe houtkanten aan te planten, of reeds bestaande te herstellen. Door het duidelijk verschil in biotoop vinden we hier dan ook een andere soortensamenstelling. De soorten van het open landbouwareaal, zoals grutto en wulp maken hier plaats voor soorten zoals heggenmus en roodborsttapuit.

2

jaar –1: 1 jaar voor de uitvoering van de ruilverkaveling Weelde jaar 2, 5 en 10: respectievelijk 2, 5 en 10 jaar na de uitvoering van de ruilverkaveling Weelde 18


Als soort verdient de grutto extra aandacht. De populatieschatting voor Vlaanderen bedraagt momenteel 1042 - 1272 broedparen. Er zijn twee kernen: twee derde van de populatie huist in de Antwerpse Kempen, de rest leeft in de westelijke polders. In de Kempen hebben ze de heide van vroeger hebben ingeruild voor vochtig grasland. Begin jaren ’30 liep de populatie grutto’s sterk achteruit. In de polders kende de grutto’s in de jaren ’50 een bescheiden succes. Tot in het begin van de jaren ’90 gingen hun aantallen er sterk op vooruit . In de Kempen zien we een omgekeerde evolutie. Sinds de jaren ’80 zien we een halvering van het aantal broedende koppels. Binnen de perimeter van het onderzoeksgebied vinden we 15 koppels terug, wat relatief hoog is in vergelijking met de rest van Vlaanderen. De maatregel voor het behoud van weidevogels in de vorm van de aanleg van maatregelen tot landinrichting zijn zeer positief, maar niet voldoende. Naast het effectieve inrichtend werk mag men de zones daarbuiten niet vergeten. Men moet blijven streven naar een mozaïek in het landschap. Om dat te bereiken is nauwe samenwerking nodig per gebied tussen natuurverenigingen, boeren, wetenschappelijke instellingen en overheden. Ook beheerovereenkomsten kunnen hier nauw op inspelen. Als laatste, maar daarom niet in het minst moet men de verschillende gebruikers van het buitengebied blijven informeren (sensibiliseren) en hen steeds blijven wijzen op de grote verantwoordlijkheid die zij dragen omtrent het behoud van de weidevogelstand in de Noorderkempen.

19


6. LEESWIJZER De bijgevoegde Cdrom bevat volgende digitale bestanden: Rapport • het eindrapport “Uitvoering monitoringprogramma Avifauna, jaar ‘–1‘ (2001): Ruilverkaveling Weelde • bijlage 1 tot en met 6 in .pdf-formaat

GIS • Algemeen: algemene shapefiles zoals topografische kaarten, bossen, afbakening ruilverkavelingsgebied, ….(shapefiles cfr. ArcView 3.x of ArcGis 8.3) • Avifauna: specifieke shapefiles rond monitoring van de avifauna, zoals aanduiding territorria, puntwaarnemingen,… (shapefiles cfr. ArcView 3.x of ArcGis 8.3) • Leeswijzer GIS: Overzicht shape-files met verklarende uitleg

20


7. BIJLAGEN -

Bijlage 1: Situering Vogelrichtlijngebied V.15 Bijlage 2: Situering deelgebieden Bijlage 3: Inventarisatie-route Bijlage 4: Tabel: aantal territoria per deelgebied en per soort Bijlage 5: Kaartmateriaal: territoriumkartering per soort/ecologische soortgroep (5) Bijlage 6:Kaartmateriaal: territoriumkartering per soort 1995 – 2000 CD-ROM met als inhoud: 1) GIS-algemeen (blokgrens,…); 2) GIS-territoria 3) GIS-waarnemingen (punten,…); 4) rapport (figuren, rapport); 5) Leeswijzer – GIS

21


8. REFERENTIES - Buker, J.P., Groen, N.M. (1989): Verspreiding van Grutto’s Limosa limosa over verschillende typen grasland in het broedseizoen. Limosa 62(1989) 4, 182-190. - Hustings M.F.H., Kwak R.G.M., Opdam P.F.M. & Reijnen M.J.S.M. (1989). Natuurbeheer in Nederland, Deel 3, Vogelinventarisatie, richtlijnen en verslaglegging. Pudoc Wageningen. pp 492 -Leestmans J. en Verschraegen T. (1997). Zijn weidevogels echt beschermd? Het voorkomen van weidevogels in de streek van Hoogstraten, met speciale aandacht voor de Grutto Limosa Limosa. Oriolus 63 (4), 1997:97-103 -Menschaert, L. (1991). Zijn er nog vogels? Waarnemingen van vogels in het zuidwesten van OostVlaanderen. Wielewaal Schelde-Leien (1991), pp 519 -Paulussen, W. (1998). De broedvogels van de Turnhoutse Kempen. The caliologists’ series N°10, Brighton pp124. - Sierdsema H. (1995). Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVON-onderzoeksrappport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. pp. 88. - Soresma nv (1996). Rapport Landschapsvisie Weelde. Rapport opgemaakt door Soresma nv, ism Groep Toegepaste Ecologie vzw, in het kader van de ruilverkaveling Weelde. Antwerpen pp 103. Vandewalle J. (1991). Faktoren die het broedsucces van weidevogels in landbouwgebied beïnvloeden. Eindverhandeling ingediend tot het behalen van de graad van licentiaat in de wetenschapppen, groep Dierkunde. Universitaire instelling Antwerpen. - Vlaamse Avifauna Commissie, (1989). Vogels in Vlaanderen: voorkomen en verspreiding. I.M.P. Bornem (1989) pp 448

22


Weelde

Bijlage 1: Situering Vogelrichtlijngebied

V.15: Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Open-half open 1

Bijlage 2: Situering deelgebieden

bosranden 1 Flaasheide Litse heide Ossevenloop

Open-half open 2

Vlasroot

Bosgebieden 3

Rouw

Bosgebieden 1

Noordheidekant

Bosgebieden 2 Bebouwde zone - Meer Open-half open 3

Eindegoor - Bloksgoor

bosranden 2

Tussengebied Weelde - Mee

Bosgebieden Hummelsbroek

Bebouwde zone - Weelde Tussengebied Eindegoor

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Bijlage 3: Inventarisatie-route

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Bijlage 4 Tabel: aantal territoria per deelgebied en per soort


VELDLEEUWERIK-GROEP

Veldleeuwerik-groep: patrijs, kwartel, scholekster, kievit, wulp, veldleeuwerik, gele kwikstaart, grauwe gors, graspieper met als geschikt habitat: open gebied, nat tot droog grasland met lage vegetaties en open plekken

DEELGEBIED Vlasroot Litse heide Eindegoor - Bloksgoor Ossevenloop Flaasheide Open-half open 3 Tussengebied Eindegoor Open-half open 2 Open-half open 1 Noordheidekant Bosgebieden Tussengebied Weelde - Meer Bosgebieden 3 *

2

TOTAAL*

78

1

TOTAAL

1

Wulp

14

1

Veldleeuwerik

5

8 9 9 21 3 3 5 4 3 4 3 2 2 2

Scholekster

1 1 1 1 1

Patrijs

3 3 3

Kwartel

TOTAAL

3 1 1

Kievit *

Litse heide Vlasroot Eindegoor - Bloksgoor Ossevenloop Open-half open 3 Tussengebied Eindegoor Flaasheide Open-half open 1 Open-half open 2 Noordheidekant Bosgebieden Bosgebieden 3 Rouw Tussengebied Weelde - Meer

Graspieper

DEELGEBIED

Gele kwikstaart

AANTAL TERRITORIA PER SOORT

3 3 1

4 2 3 3

2 2 1 1

22 22 19 26 5 5 6 5 4 4 3 2 2 2

14 13 10 5 2 2 1 1 1

12

6

127

49

1 1

2

8

DICHTHEID

DICHTHEID*

(territoria/per 100 ha)

(territoria/per 100 ha)

45,7 31,0 30,3 27,8 29,6 10,7 7,1 8,5 9,7 11,7 5,6 4,7 2,5

27,0 19,7 16,0 5,3 4,9 4,3 2,9 2,1 1,9

Kievit is de minst kritische soort van deze vogelgroep en komt voor in 15 van de XX deelgebieden. Habitatgeschiktheid voor soorten van de veldleeuwerik–groep zonder rekening te houden met verspreiding van de kievit.


Rouw

2,4 ROODBORSTTAPUIT-GROEP

Roodborsttapuit-groep: roodborsttapuit, grasmus, fitis, kneu, heggemus, braamsluiper met als geschikt habitat: structuurrijke lage struwelen en heggen en hoge ruigten

1 1

2 2

1 2

1 2 1 2

9

2

1 6

5

7 3 2 1 3 2 1 2 1 22

DICHTHEID*

(territoria/per 100 ha)

TOTAAL

Roodborsttapuit

6

Kneu

Bosranden 2 Vlasroot Open-half open 3 Bosgebieden 2 Bosgebieden 3 Rouw Open-half open 2 Ossevenloop Eindegoor - Bloksgoor TOTAAL

Heggemus

DEELGEBIED

Fitis

AANTAL TERRITORIA PER SOORT

12,3 6,2 4,3 3,9 3,8 2,4 2,1 2,1 1,6


WULP-GROEP en GRUTTO-GROEP

Wulp-groep: watersnip, wulp, tureluur, graspieper, gele kwikstaart, kwartel, velduil met als geschikt habitat: open gebied, vochtige tot natte graslanden en ruigten al dan niet grenzend aan cultuurland Grutto-groep: grutto, paapje, krakeend, wilde eend, tureluur, kwartelkoning met als geschikt habitat: open gebied, vochtige tot drassige graslanden en ruigten

Vlasroot Litse heide Eindegoor - Bloksgoor Flaasheide Ossevenloop Open-half open 2 Open-half open 3 Open-half open 1 Tussengebied Eindegoor TOTAAL

3 1

3 3 3 1

1

5

7 5 1

1 1

2 1 1 1 1 14

2 2 1 1

2

6

15 11 7 1 4 1 1 1 1 27

DICHTHEID

(territoria/per 100 ha)

TOTAAL

Wulp

Kwartel

Grutto

Graspieper

DEELGEBIED

Gele kwikstaart

AANTAL TERRITORIA PER SOORT

31,1 15,5 10,0 4,8 4,3 2,1 2,1 1,9 1,4


GEELGORS-GROEP

Geelgors-groep: groene specht, boomleeuwerik, boompieper, gekraagde roodstaart, geelgors, heggemus met als geschikt habitat: open bos, bosranden, boomgroepen en kapvlakten met kale, zandige bodem

1

4 2 1 2 1 1 1 12

1 1 1 7

3

2

DICHTHEID

1 1

(territoria/per 100 ha)

TOTAAL

2 1 1 2

Heggemus

Bosranden 2 Bosranden 1 Flaasheide Bosgebieden 3 Open-half open 3 Vlasroot Open-half open 1 TOTAAL

Geelgors

DEELGEBIED

Boompieper

AANTAL TERRITORIA PER SOORT

7,0 5,6 4,9 2,5 2,1 2,1 1,9


Weelde

Territoriumkartering: Geelgors-groep

boompieper (7) geelgors (3) heggemus (2)

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Veldleeuwerik-groep

kievit (78)

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Roodborsttapuit-groep

Fitis (9) Kneu (6) Roodborsttapuit (5)

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Veldleeuwerik-groep

scholekster (8) graspieper (14) kwartel (2) veldleeuwerik (13) patrijs (2) wulp (6)

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Wulp- en Grutto-groep

gele kwikstaart (5) graspieper (14) grutto (15) kwartel (2) veldleeuwerik (13) wulp (6)

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Boompieper broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Geelgors broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Gele kwikstaart broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Grasmus broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Grutto broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Kneu broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Patrijs broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Roodborsttapuit broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Scholekster broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Veldleeuwerik broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Weelde

Territoriumkartering: Wulp broedvogelinventarisatie '95 broedvogelinventarisatie '01

Bron: Digitale versie van de Topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1978-1993 (OC GIS-Vlaanderen).

Schaal : 1:20.000 VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN

Vlaamse Landmaatschappij - Provinciale Afdeling Herentals, Cardijnlaan 1, 2200 Herentals


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
eindrapport.pdf by Vlaanderen-be - Issuu