Skip to main content

Wat_na_collectief_ontslag_projectoproep.pdf

Page 1

VIONA-OPROEP VOOR EEN STUDIEOPDRACHT, 18/10/2011 ANALYSE VAN DE ARBEIDSMARKTPOSITIE NA GEDWONGEN ONTSLAG EN DE ROL VAN HET BELEIDSINSTRUMENTARIUM HIERBIJ

1. Probleemstelling Om de Europese en Vlaamse doelstellingen ter verhoging van de arbeidsparticipatie tegen 2020 te bereiken wordt door de Vlaamse regering ingezet op een meer flexibele arbeidsmarkt door het bevorderen van de omslag tussen de bescherming van jobs (jobzekerheid) naar de bescherming van jobmobiliteit op de arbeidsmarkt (werkzekerheid). Mobiliteit zou namelijk tot een hogere werkzaamheidsgraad en lagere werkloosheid leiden. Eén van de centrale instrumenten die Vlaanderen in dit kader naar voor schuift, is outplacement. Outplacement moet zorgen voor een balans tussen baanflexibiliteit en werkzekerheid. Outplacementrechten kunnen daarbij gezien worden als een instrument om transitiezekerheid te bevorderen. Daarnaast zet Vlaanderen sterk in op activering van 50+’ers. Ook hier is outplacement één van de centrale instrumenten. In totaal genoten 15.000 ontslagen werknemers in het kader van een herstructurering outplacementbegeleiding in 2009. De monitoring van de regionale toetsing (departement screent de begeleidende maatregelen en geeft advies over het activerend gehalte) geeft het beleid inzicht in het begeleidingsaanbod dat bedrijven daadwerkelijk voorzien voor hun ontslagen werknemers. Zo blijkt dat bijna de helft van de bedrijven meer uren outplacement voorzien dan wettelijk noodzakelijk, ruim 20% van de bedrijven voorziet een opleidingsbudget en 8% van de bedrijven voorziet een hertewerkstellingspremie wanneer de ontslagen werknemer (snel) opnieuw aan het werk gaat bij een ander bedrijf. Wat wij vandaag niet weten zijn de resultaten van dit aanbod: wordt dit aanbod daadwerkelijk gebruikt ? En wat is het effect van de begeleidende maatregelen op de uitstroom naar werk na een collectief ontslag? De vraag is dus of het ingezette instrumentarium nu ook de facto leidt tot ‘werkzekerheid’, de inzetbaarheid verhoogt (via competentieversterkende acties) en er in slaagt ouderen effectief aan het werk te houden. En wat de resultaten en effecten van de gevolgde aanpak zijn. Biblio: • B. Gazier & F. Bruggeman, 'Restructuring Work and Employment in Europe. Managing Change in an era of Globalisation', ed. Edward Elgar. • Hoge Raad voor de werkgelegenheid, Verslag 2011, Gevolgen van bedrijfsherstructureringen voor de werkgelegenheid • Departement WSE, Hoe actief zijn bedrijven bij een collectief ontslag, WSE-rapport 2011 (http://www.werk.be/sites/default/files/WSE_Rapport_Hoe_actief_zijn_bedrijven_bij_een _collectief_ontslag.pdf) 18-10-2011

1 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


2. Onderzoeksvragen De centrale vraag is deze naar het profiel van de ontslagen werknemers op de arbeidsmarkt en de (bruto) effectiviteit van het beleidsinstrumentarium. – Foto van het gebruik van het beleidsinstrumentarium: Hoeveel outplacementuren worden effectief opgenomen door werknemers? Hoeveel volgen opleiding tijdens outplacement? Welke opleiding? Hoe worden de opleidingsbudgetten die bedrijven voorzien in hun sociaal begeleidingsplan gebruikt? Hoe wordt omgegaan met hertewerkstellingspremies die in de sociale begeleidingsplannen worden voorzien? Hoeveel werknemers maken hiervan gebruik? – Wat zijn plaatsingsgraden en wat is de plaatsingsduur voor ontslagen werknemers? Wat zijn determinanten, ook in het beleidsinstrumentarium, om de werkhervatting te verklaren? Bijv. outplacement, opleiding tijdens outplacement, vacaturewerking, hertewerkstellingspremies, … – Wat zijn de kenmerken van de jobs waar de ontslagen werknemers naar doorstromen? – Hoeveel werknemers veranderen van statuut/sector? Is er sprake van jobheroriëntatie ? – hoeveel % van de 50 plussers stroomt door, wat is hun profiel en in welke sectoren komen ze terecht? Welke sectoren bieden meer kansen op doorstroom voor deze doelgroep? Wordt specifiek toegeleid naar sectoren met knelpuntberoepen? Uit een eerste beschrijvende evaluatie van CERTO (kwaliteitslabel voor OP kantoren) blijkt dat de uitstroom nà begeleiding door Certo kantoren hoger ligt dan bij niet-Certo kantoren. Hoe kan dit verklaard worden? 3. Beleidsrelevantie Het onderzoek brengt inzichten bij over het ondersteunend instrumentarium zowel wat betreft loopbaanmobiliteit als de activering van oudere werkzoekenden. Op basis van dit onderzoek kan het instrumentarium zeer gericht worden bijgestuurd. Het biedt daarnaast zicht op sectoren waar mogelijkheden liggen voor 50+’ers. 4. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op woensdag 9 november 2011 om 12u worden ingediend. De Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek zal in de loop van de maand november een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. Uiterlijk begin december zullen de projectindieners worden geïnformeerd over de beslissing van de minister. 5. Kandidaatstelling Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiële en administratieve opvolging van het project. 6. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij Willem De Klerck, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 43 80, willem.deklerck@wse.vlaanderen.be). 18-10-2011

2 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten

SITUERING EN GUNNINGSPROCEDURE

1.

HET VIONA-ARBEIDSMARKTONDERZOEKSPROGRAMMA

Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd destijds binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor de steunpunten beleidsrelevant onderzoek (waaronder het Steunpunt WSE), de hervormingen in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid en de evaluatie van 10 jaar VIONA werd in 2006 een nieuw operationeel model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen uitgetekend (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”). Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek lopen twee initiatieven: het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma en het Steunpunt Werk en Sociale Economie. Verder wordt ook onderzoek betreffende de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen en ander relevant strategisch arbeidsmarktonderzoek maximaal ontsloten binnen het Vlaamse programma. Binnen dit nieuwe model worden de VIONA-middelen doorheen het jaar ingezet voor het uitbesteden van studieopdrachten of onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten met het oog op wetenschappelijke ondersteuning van het werkgelegenheidsbeleid. Op het programma Werkgelegenheid is in 2011 in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 348.000 € beschikbaar voor studieopdrachten en ontwikkelings- en onderzoeksopdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt WSE opneemt. Vanaf 2007 schrijven we niet langer één algemene oproep per jaar uit, maar, voor zover de middelen reiken, meerdere specifieke oproepen doorheen het jaar. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, de heer Philippe Muyters, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek- de VIONA-oproepen en -projecten goed.

18-10-2011

3 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


2.

MODALITEITEN EN GUNNINGSPROCEDURE

2.1 De deelnemers Oproepen voor studieprojecten staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen. 2.2 De projectvoorstellen Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten: 1) titel van het studieproject 2) vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres 3) een omschrijving van het studieproject (max. 5 blz) 4) een gedetailleerd tijdschema 5) een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief); de financiering van studieopdrachten door VIONA bedraagt altijd minder dan 65.000 euro (exclusief BTW) Voor deze studieopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 55.000 euro (inclusief BTW) vooropgesteld. 6) een beschrijving van de wijze waarop de studieresultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien 7) een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties. 2.3 Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen De ingediende voorstellen worden beoordeeld op hun beleidsmatige relevantie. De beoordeling van de beleidsmatige relevantie gebeurt door de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek. Die Stuurgroep bestaat uit de volgende stemgerechtigde leden: de Vlaamse regering (afgevaardigden van de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk, de Vlaamse Minister bevoegd voor Sociale Economie en de Vlaamse Minister bevoegd voor Wetenschap), de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en de Vlaamse departementen Werk en Sociale Economie en Onderwijs en Vorming. De evaluatie en selectie verlopen als volgt: - de stemgerechtigde stuurgroepleden krijgen alle projectvoorstellen toegestuurd en scoren de projectvoorstellen op basis van vier criteria (aansluiting bij de onderzoeksvragen uit de oproep, helderheid van de aanpak en de planning, beleidsrelevantie en kwaliteit van de valorisatievoorstellen); - de stuurgroepleden drukken over elk projectvoorstel een globaal oordeel uit in één eindscore gaande van A tot C: A: zeer goed, met daarbinnen een kopgroep (A1), ter onderscheiding van andere zeer goede projecten (A2) B: goed, met daarbinnen ook weer een onderscheid tussen B1 en B2 18-10-2011

4 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


C: onvoldoende Bovendien staat het de stuurgroepleden vrij om bij elk voorstel, ongeacht de score, suggesties voor bijsturing te formuleren. Enkel voorstellen met een gemiddelde score B+ of meer worden tijdens de eerstvolgende vergadering van de Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek besproken. De Stuurgroep beslist tijdens de vergadering en rekening houdend met de beleidsscore welk voorstel ze aan de minister voor gunning adviseert. Voorstellen kunnen een hoger gewicht krijgen al naargelang de geplande valorisatie-initiatieven. Voor dringende beleidsvragen kan de Stuurgroep ook via een schriftelijke procedure selecteren. Het best gekwalificeerde voorstel met een gemiddelde score van minstens B+ wordt dan voor gunning aan de minister geadviseerd. Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het voorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten. 2.4 Kandidaatstelling De voorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (ann.vandencruyce@wse.vlaanderen.be + johan.troch@wse.vlaanderen.be) te bereiken uiterlijk op het tijdstip vermeld in de oproep.

18-10-2011

5 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor studieopdrachten

FINANCIEEL PLAN EN RAPPORTERING

In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht. 1.

KWALIFICATIE VAN DE OPDRACHT

Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een studieopdracht. Bij studieopdrachten in antwoord op beleidsvraagstukken verwachten we dat de opdrachtnemer een voorstel van analyse en oplossing van een specifiek probleem formuleert met behulp van bestaande kennis binnen een korte termijn. Het voorstel en de analyse moet praktisch bruikbaar zijn voor het beleid. Studieopdrachten kunnen maximum 8 onderzoekersmaanden in beslag nemen en de financiering door VIONA bedraagt altijd minder dan 65.000 euro. Voor deze studieopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 55.000 euro (inclusief BTW) vooropgesteld.

2.

FINANCIËLE RAPPORTERING

In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. -

Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project.

-

Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen.

-

Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken.

18-10-2011

6 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft. Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten. Op die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Tussentijdse uitbetaling is niet mogelijk voor studieopdrachten. Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen. Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard. 3.

INHOUDELIJKE RAPPORTERING

De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting. Het concept van eindrapport wordt besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden vijftig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het VIONA-project te bezorgen.

18-10-2011

7 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


4.

CONTACTPERSONEN

Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Afdeling Werkgelegenheidsbeleid t.a.v. mevrouw Ann Van den Cruyce (afdelingshoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij Willem De Klerck, Departement Werk en Sociale Economie (02/553 43 80, willem.deklerck@wse.vlaanderen.be). Contactpersonen m.b.t. de procedure en inhoudelijke rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02-553 44 18 Contactpersoon m.b.t. de financiële rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02-553 44 18

18-10-2011

8 VIONA-oproep studieopdracht Analyse van de arbeidsmarktpositie na gedwongen ontslag en de rol van het beleidsinstrumentarium hierbij


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook