Skip to main content

Speurgids_2021.pdf

Page 1

SPEURGIDS 2021 Ondernemen & Innoveren De besteding van 4,357 miljard euro Vlaamse overheidsmiddelen voor economie, wetenschap en innovatie toegelicht

www.ewi-vlaanderen.be


Speurgids 2021 Het Vlaamse overheidsbudget voor Economie, Wetenschap & Innovatie


Colofon De Speurgids Ondernemen & Innoveren is een publicatie van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) van de Vlaamse overheid.

Contactadres: Vlaamse overheid, Departement EWI Afdeling Ondernemen & Innoveren Koning Albert II-laan 35, bus 10 1030 Brussel Tel.: 02 553 59 80 speurgids@vlaanderen.be www.ewi-vlaanderen.be | www.speurgids.be

Verantwoordelijke uitgever: Johan Hanssens, Secretaris-generaal Samenstelling en redactie: Stefanie Maris

Datum van uitgave: juli 2021

De inhoud, cijfers en berekeningen van de Speurgids 2021 werden gemaakt op basis van gekende begrotingsbudgetten bij begrotingsopmaak 2021 tenzij anders vermeld.

Overname is alleen toegestaan met bronvermelding. Het departement EWI aanvaardt geen aansprakelijkheid voor het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

Coverfoto © www.unsplash.com

D/2021/3241/228


Woord vooraf 2020 moest het jaar worden waarin de uitvoering van onze beleidsnota een vliegende start zou nemen en we de maatschappelijke impact van economisch beleid en innovatie zouden versterken. In december 2019 maakte de wereld echter kennis met het coronavirus Covid 19. Naast een zeer zware medische prijs, heeft de globale verspreiding van het virus ook voor een bijzonder grote economische impact op ons dagelijkse leven, werken en ondernemen gezorgd. Door de opgelegde sluitingen van vele handelszaken en andere noodmaatregelen, werden heel wat sectoren in Vlaanderen buitengewoon zwaar getroffen. Ons lokale kmoweefsel werd in het hart geraakt door de sluitingen en exploitatiebeperkingen. Het beleidsdomein EWI is er in 2020 evenwel in geslaagd de ambities van de beleidsnota voor de ondersteuning van het economisch beleid, de innovatie en het wetenschappelijk onderzoek onverminderd uit te voeren. Tegelijkertijd werd een nooit geziene ondersteuning op touw gezet van de getroffen sectoren, doorlopend in 2021. De innovatie in het bedrijfsleven is niet teruggevallen zoals aanvankelijk werd gevreesd, en ook de kmo’s worden steeds meer betrokken bij de noodzakelijke innovatie. De samenwerking bedrijfsleven – kennisinstellingen, onder meer via de speerpuntclusters, verloopt uitstekend en ook het fundamenteel onderzoek ondersteund door het FWO bleef productief. Onze economie heeft zich veerkrachtig getoond. Het ondernemersvertrouwen is doorheen het jaar hersteld en het aantal starters is – zelfs na het recordjaar 2019 – verder blijven toenemen in onze regio. Daarnaast was 2020 natuurlijk ook het jaar waarin we ons hebben voorbereid op de Brexit. Om snel en adequaat te reageren op de coronacrisis hebben we gewerkt volgens een gefaseerde roadmap naar herstel. Hierbij voorzagen we in een eerste fase in directe steun om intrinsiek gezonde ondernemingen overeind te houden. Daarnaast werken we aan de financiële draagkracht van de bedrijven (fase 2) en is een relanceplan opgezet om de groei van de economie aan te zwengelen (fase 3). Het Agentschap Innoveren & Ondernemen (VLAIO) heeft sinds maart 2020 met verscheidene maatregelen directe steun verleend aan ondernemingen die getroffen werden door de coronacrisis en de bijhorende sanitaire maatregelen. De hoofddoelstelling van deze steun is gezonde bedrijven doorheen de crisis te loodsen en de Vlaamse economie te ondersteunen. Tot eind 2020 werd gewerkt met onderstaande maatregelen: • corona hinderpremie, • corona compensatiepremie, • corona ondersteuningspremie, • Vlaams beschermingsmechanisme (steunperiode augustus-september 2020), • Nieuw Vlaams beschermingsmechanisme (steunperiode 1/10/2020 t.e.m. 15/11/2020), • Vlaams Beschermingsmechanisme 3 (steunperiode 16/11/2020 t.e.m. 31/12/2020). In totaal werden voor de periode van half maart 2020 tot eind december 2020 meer dan 350.000 aanvragen goedgekeurd voor een totaal van meer dan 1,8 miljard euro. De belangrijkste maatregel (zowel qua aantal begunstigden, als qua budget) was de Corona Hinderpremie: met ca. 106.000 begunstigden voor 1,1 miljard euro. De aanvragen voor het Vlaams Beschermingsmechanisme ‘drie’ (steun voor de periode van 16 november tot 31 december 2020), werden op 15 februari 2021 afgesloten. We noteren meer dan 56.000 goedgekeurde aanvragen voor een bedrag van 180 miljoen euro. Er werden ook verscheidene Vlaamse maatregelen getroffen om via financiering, de liquiditeit en de solvabiliteit van ondernemingen te ondersteunen.


Vele ondernemingen ondervonden ernstige moeilijkheden om de handelshuur te betalen. Om hen te ondersteunen werd het systeem van handelshuurlening in het leven geroepen, waarbij de Vlaamse overheid een aantal maanden huur voorschiet d.m.v. een lening aan de huurder, terwijl de verhuurder een of twee maanden huur kwijtscheldt. Om de financiële effecten van de coronacrisis voor Vlaamse bedrijven op de middellange termijn te temperen, verstrekt PMV achtergestelde coronaleningen op drie jaar, met een maximumbedrag van 2,8 miljoen euro. De focus ligt daarbij op start-ups en scale-ups, maar ook op mature kmo’s die tijdelijk in moeilijkheden komen door de coronacrisis en nood hebben aan financiële versterking om de gevolgen ervan te boven te komen. Om ook private middelen te mobiliseren om kmo’s van meer kapitaal te voorzien, heeft de Vlaamse Regering de bestaande Winwinlening uitgebreid en versoepeld. Bijkomend worden kapitaalparticipaties in kmo’s met het nieuw gecreëerde Vriendenaandeel in deze crisisperiode fiscaal gestimuleerd. Familie en vrienden worden zo aangemoedigd aandelen te verwerven in kmo’s. In december 2020 richtte PMV, samen met meer dan veertig financiële partners, ook het Welvaartsfonds op. De doelstelling van dat fonds is om gezonde Vlaamse bedrijven die door de coronacrisis nood hebben aan extra financiering om hun solvabiliteit te versterken of hierin net een momentum zien om hun groei te versnellen, van voldoende solvabiliteitsmiddelen te voorzien. De Vlaamse Regering voerde hiervoor een kapitaalverhoging van 240 miljoen euro door bij PMV. Het fonds beoogt een uiteindelijke grootte van 500 miljoen euro. Om ondernemingen te ondersteunen in hun financiële situatie beschikt PMV nu over een totale waarborgcapaciteit van 3,4 miljard euro, die volop zal worden ingezet. Naast de gewone jaarlijkse waarborgregeling, verdubbelt ook de waarborgcapaciteit van Gigarant (waarborgen boven anderhalf miljoen euro) tot 3 miljard euro. Ten slotte verleent PMV financiële assistentie aan haar klanten. PMV bekijkt samen met de ondernemers wat de impact is van de coronacrisis op de onderneming, welke nodige en nuttige maatregelen genomen werden en welke andere beslissingen zich nog opdringen. PMV verleende zelf ook betalingsuitstel aan haar klanten, om zo de eerste liquiditeitsnoden op te vangen. In het relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’ - beslist in het najaar van 2020 - staan productieve investeringen en innovatie centraal, met de nadruk op digitalisering, duurzaamheid en zorg. Het was dan ook essentieel dat het voorziene beleid van versterking van O&O en productiviteitsgroei en de beleidsprojecten voor digitalisering, klimaatinnovatie en circulaire – en bio-economie onverkort werd uitgevoerd. De impact van de Corona-maatregelen maakte ook duidelijk dat de snelle ontwikkeling van een kernversterkend detailhandelsbeleid een prioriteit was. We innoveren ons uit de crisis want ondernemingen bleven ook vooruitkijken naar de toekomst en investeren in innovatie. In 2020 hebben bijna 700 Vlaamse bedrijven innovatiesteun ontvangen, wat ruim een derde meer is dan in 2019. In totaal gaat het om meer dan 260 miljoen euro. Net als de voorbije jaren is ook in 2020 het aandeel gesteunde kleine (ko’s) en middelgrote ondernemingen (mo’s) aanzienlijk groter dan het aandeel gesteunde grote ondernemingen (go). Van het totale toegekende steunbedrag voor innovatie ontvangen de kmo’s 60% van de middelen. Met de speerpuntclusters werd ook samenwerking tussen ondernemingen onderling en tussen ondernemingen en kennisinstellingen verder gestimuleerd. In 2020 hebben de speerpuntclusters samen 51 samenwerkingsprojecten voor een totaal steunbedrag van 55 miljoen euro gegenereerd. Het gaat om een mix van projecten die gespreid zijn over de TRL-levels: strategisch basisonderzoek, ICON, Coöperatieve bedrijfssteun en collectieve projecten. Het moonshot-onderzoeksprogramma om de noodzakelijke klimaatsprong te realiseren draait op volle toeren en de roadmap voor flankerend transitiebeleid werd opgeleverd. Het voorbije jaar werd extra geïnvesteerd in Europese onderzoeksprojecten en -infrastructuren waar Vlaamse instellingen aan deelnemen. Het FWO coördineerde ook 2 oproepen voor Covid-gerelateerd onderzoek, waarbij een groot aantal projecten werden geselecteerd die in uitvoering zijn.


Zowel IMEC als VIB ontwikkelden nieuwe producten (IMEC ontwikkelt een Covid-test op basis van uitgeademde lucht, VIB ontwikkelt een geneesmiddel voor Covid waarvoor een spin off werd opgericht). 2020 en 2021 worden jaren om nooit te vergeten met ongeziene uitdagingen, maar ook veel kansen. Jaren waarin het beleidsdomein EWI alles in het werk heeft gesteld om onze economie en onze ondernemers de broodnodige steun te bieden, maar we tegelijkertijd de fundamenten van ons economisch en kennissysteem zijn blijven versterken en zo de basis hebben gelegd voor een versnelling van het economische herstel. Met deze Speurgids 2021 Ondernemen & Innoveren biedt het Departement EWI een gestructureerd overzicht van de overheidskredieten voorzien voor het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. De Speurgids levert hiermee de basis voor verdere analyse en monitoring van beleidsindicatoren in het beleidsdomein economie, wetenschap en innovatie. De gids is overzichtelijk opgedeeld in zes delen. Het eerste deel geeft een overzicht van de instrumenten en overheidsbudgetten die het Vlaams economisch beleid vormgeven. Het betreft een budget van meer dan 515 miljoen euro en gaat om instrumenten die de competitiviteit van de ondernemingen ondersteunen, het ondernemerschap bevorderen, de omgevingsfactoren faciliteren, de internationalisering van de Vlaamse eonomie stimuleren en de duurzaamheid versterken. Ook enkele initiatieven uit andere beleidsdomeinen die een bijdrage leveren aan ons economisch beleid worden kort toegelicht. Deel twee gaat dieper in op het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid. Bij begrotingsopmaak 2021 wordt er een budget van 3,842 miljard voorzien voor wetenschap en innovatie. Hiervan is 1,999 miljard euro voor onderzoek en ontwikkeling. Het EWI-beleidsdomein is verantwoordelijk voor 76% van deze middelen. In het derde deel worden de O&O-overheidsuitgaven en de O&O-kredieten van Vlaanderen in nationale en internationale context besproken. Met een O&O-intensiteit van 3,35 % van het regionaal bbp in 2019 doorbreekt Vlaanderen voor het eerst de 3%-norm en komen we in de wereltop wat betreft O&O-intensiteit. In deel vier wordt dieper ingegaan op het Vlaams relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’, waarmee we in de volgende jaren maar liefst 4,3 miljard € investeren in de Vlaamse economie en samenleving. In deel vijf wordt het Programma Innovatief Aanbesteden (PIO) geduid. Tot slot wordt in deel zes ingegaan op de resultaten van de recentste Europese en Regionale innovatiescoreborden. Zowel België als land, als Vlaanderen als regio, komen in de kopgroep van

‘innovatieleiders’ in Europa op een respectievelijke 4de en 27e plaats. Kortom, de Speurgids 2021 bevestigt dat het Vlaams beleid stevig inzet op wetenschap en innovatie als drijvende kracht achter onze Vlaamse economie. Want innovatie zal de sleutel zijn om sterker uit de crisis te komen. We wensen de lezer een verrijkende lectuur.

Hilde Crevits Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw


Inhoudsopgave Woord vooraf ...........................................................................................................................................................................................3 Ten geleide Transformatief O&O&I - beleid in co- en postcoronatijd............................................................... 12

Deel 1 Vlaams economisch beleid: 515 miljoen euro ..................................................45 Inleiding: actoren en budgetten in het Vlaams economisch beleid ........................................................................ 46

Hoofdstuk 1 Competitiviteit van ondernemingen ondersteunen ........................................................................ 53 1.

Instrumenten binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO)

.................................. 53

1.1. Strategische Transformatiesteun .................................................................................................................................. 53 1.2. Kmo-portefeuille ..................................................................................................................................................................... 54 1.3. Kmo-groeisubsidie ................................................................................................................................................................. 54 1.4. Carbon Leakage ...................................................................................................................................................................... 55 1.5. Openbare werken: nieuwe hinderpremie/sluitingspremie ............................................................................. 55 1.6. ‘Oude’ rentetoelage als gevolg van hinder openbare werken ...................................................................... 56 1.7. ‘Oude’ inkomenscompensatievergoedingen hinder openbare werken .................................................... 56 1.8. Screen Flanders ........................................................................................................................................................................57 1.9. Corona-maatregelen om bedrijven door de crisis te helpen .......................................................................... 57 2.

Instrumenten binnen PMV ................................................................................................................................................ 58 2.1. PMV................................................................................................................................................................................................ 58 2.2. “PMV/Z” ....................................................................................................................................................................................... 60 2.3. Media Invest Vlaanderen.................................................................................................................................................... 62

3.

Instrumenten binnen de Limburgse Investeringsmaatschappij (LRM) ..................................................... 63

4.

Instrumenten binnen Gimv .............................................................................................................................................. 66

5.

Instrumenten binnen de sociale economie: het Sociaal Investeringsfonds (SIFO) ............................. 67

Hoofdstuk 2 Ondernemerschap bevorderen .................................................................................................................... 69 1.

Initiatieven vanuit het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO)................................................ 69

2.

Initiatieven vanuit het beleidsdomein WSE .............................................................................................................72

Hoofdstuk 3 Vlaams clusterbeleid 1.

...................................................................................................................................75

Speerpuntclusters ...................................................................................................................................................................76 1.1. Portfolio aan speerpuntclusters..................................................................................................................................... 76 1.2. Geoormerkte middelen voor clusterprojecten ....................................................................................................... 77 1.3. Historiek benutting geoormerkte middelen voor speerpuntclusters ........................................................ 77 1.4. Speerpuntclusters onder de loupe ................................................................................................................................78

2.

Innovatieve BedrijfsNetwerken ....................................................................................................................................... 81


2.1. Portfolio aan Innovatieve BedrijfsNetwerken......................................................................................................... 81 2.2. Interclusterprojecten in de transitieprioriteiten .................................................................................................. 82 2.3. Moonshot ................................................................................................................................................................................... 83

Hoofdstuk 4 Omgevingsfactoren faciliteren ...................................................................................................................... 85 1.

Activeringsbeleid voor on(der)benutte bedrijventerreinen............................................................................ 85 1.1. Leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten ............................................................................................ 85 1.2. Niet-beheerde bedrijventerreinen ................................................................................................................................ 85

2.

Brownfieldconvenantenbeleid ........................................................................................................................................ 85

3.

Herontwikkeling Ford-site ................................................................................................................................................ 86

4.

Steunverlening bedrijventerreinen, bedrijvencentra en incubatoren ...................................................... 86 4.1. Bedrijventerreinen ................................................................................................................................................................ 86 4.2. Bedrijvencentra en incubatoren.................................................................................................................................... 86

Hoofdstuk 5 Internationalisering van de Vlaamse economie stimuleren.........................................................87 1.

Beleidskredieten Flanders Investment & Trade (FIT) ........................................................................................... 87

2.

Werkingsmiddelen FIT voor het binnen- en buitenlands FIT-netwerk ..................................................... 90 2.2. Doelstellingen .......................................................................................................................................................................... 95 2.3. Realisatie: verover de wereld .......................................................................................................................................... 95 2.4. Realisatie: branding toolkit.............................................................................................................................................. 96

3.

Overige initiatieven .............................................................................................................................................................. 96 3.1. Agentschap voor Buitenlandse Handel...................................................................................................................... 96 3.2. Buitenlandse economische missies .............................................................................................................................. 96 3.3. Enterprise Europe Network (EEN) ................................................................................................................................. 96

Hoofdstuk 6 Duurzaamheid van de Vlaamse economie versterken ....................................................................97 Hoofdstuk 7 Transversaal economisch en innovatiebeleid: Vlaanderen Circulair, Industrie 4.0, Energietransitie, Klimaatvisie 2050 en Flanders Care .................................................................................................. 99 1.

Circulaire economie.............................................................................................................................................................. 99 1.1. Situering Vlaanderen Circulair als transversaal thema .................................................................................... 99 1.2. Roadmap Circulaire Economie 2020-2030 ............................................................................................................ 100

2.

Industrie 4.0 ............................................................................................................................................................................. 101

3.

Zorgen voor een energietransitie ............................................................................................................................... 102

4.

Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 en de Vlaamse Klimaatvisie 2050 .............................................103 4.2. Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 ...........................................................................................................104 4.3. Vlaamse Klimaatstrategie 2050 ....................................................................................................................................104 4.4. De Europese klimaatwet ...................................................................................................................................................105 4.5. Moonshot Vlaanderen CO2-arm: industrieel innovatieprogramma ..........................................................106

5.

Flanders’ Care .........................................................................................................................................................................106


Hoofdstuk 8 Investeringen in Vlaanderen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)....................................................................................................................................................................................................... 108 1.

Situering ................................................................................................................................................................................... 108

2.

EFRO algemeen: 347,6 miljoen euro Europese middelen voor Vlaanderen .......................................... 108

3.

Het EFRO Vlaanderen programma: 175,6 miljoen euro Europese middelen .........................................109

4.

De EFRO Interreg programma’s: 172 miljoen euro Europese middelen .....................................................111 4.1. Waar staat Interreg voor? .................................................................................................................................................111 4.2. Wat komt in aanmerking? ................................................................................................................................................112 4.3. Wie komt in aanmerking? ................................................................................................................................................112 4.4. Omvang steun .........................................................................................................................................................................113

Deel 2 Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid: 3,842 miljard euro .............. 115 Inleiding: definities en actoren in het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB)................................................ 116 1.

Internationale definities: terminologische driedeling ....................................................................................... 116

2.

Overheidslandschap van het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid ................................................ 117

3.

Andere beleidsdomeinen binnen de Vlaamse overheid

4.

De vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen ................................................................................................. 119

...........................................................................118

4.1. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO - beleidsdomein Omgeving) ...................................... 119 4.2. Agentschap ‘Onroerend Erfgoed’ (beleidsdomein Omgeving) ...................................................................... 119 4.3. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen (KMSKA – beleidsdomein CJSM) .............. 119 4.4. Instituut voor Landbouw- en visserijonderzoek (ILVO – beleidsdomein LV) ..................................... 120

Hoofdstuk 9 Het wetenschaps- en innovatiebeleid toegelicht.............................................................................. 121 1.

Wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door het Beleidsdomein EWI..................................... 121 Begrotingsopmaak 2021: opstappen ....................................................................................................................................122

5.Vlaanderen Circulair ......................................................................................................................................................................122 Daarnaast o.a. middelen voor het impulsprogramma Ruimtevaart en het beleidsplan bio-economie, … 122 1.1. Programma ‘Wetenschappelijk onderzoek - Excellentie voor alles’ (PROG EE): 877,47 miljoen euro .......................................................................................................................................................................................................123 1.2. Programma ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’ (PROG EF): 683,37 miljoen euro 129 1.3. Programma ‘Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie’ (PROG EG): 10,23 miljoen euro .......................................................................................................................................................................... 133 1.4. Programma ‘Duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap’ (PROG EC): 11,560 miljoen euro ........................................................................................................................................................................ 135 1.5. Programma ‘Apparaat’ (PROG EA): 0,55 miljoen euro ...................................................................................... 136 1.6. Totaal budget beleidsdomein EWI over de vijf programma’s: 1,581 miljoen euro ........................... 137 2.

Wetenschapsbeleid gefinancierd door het beleidsdomein OV ....................................................................140


3.

Wetenschapsbeleid gefinancierd door de acht andere beleidsdomeinen............................................. 146

4. Totaal: ‘Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid’ (exclusief werkingsuitkeringen Hogescholen) .......................................................................................................................................... 148

Hoofdstuk 10 Analyse van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid: 3,017 miljard euro ................................................................................................................................ 150 1.

Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) 150

2.

Analyse volgens beleidsdomein .................................................................................................................................... 154

3.

Analyse volgens bevoegde minister ........................................................................................................................... 156

4.

Het O&O budget: analyse volgens NABS-classificatie ....................................................................................... 157

5.

Het O&O budget: analyse van gericht versus niet-gericht onderzoek .................................................... 159

6.

Het O&O budget: analyse volgens initiatiefnemer ............................................................................................. 163

7.

Het wetenschaps- en innovatiebudget: analyse volgens zes grote indelingen .................................. 166 7.1. Niet-gericht onderzoek ...................................................................................................................................................... 167 7.2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen ...................................................................................... 168 7.3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven......................................................................................................................................................................................170 7.4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s ........................................................ 172 7.5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies ........................................... 173 7.6. Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid .................................................... 174

Deel 3 O&O-overheidsuitgaven van Vlaanderen in nationale en internationale context ............................................................................................................................................ 175 Inleiding ................................................................................................................................................................................................... 176

Hoofdstuk 11 Internationale vergelijking van de O&O-uitgaven (GERD) ......................................................... 180 1.

De O&O-intensiteit in het Vlaams Gewest (3%-norm) .................................................................................... 180

2. Nationale en internationale vergelijking: Vlaanderen tweede hoogste O&O-intensiteit binnen EU-27 181

Hoofdstuk 12 Directe en indirecte O&O-overheidssteun in België ......................................................................183 Hoofdstuk 13 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD) .............................. 187 Hoofdstuk 14 Groeipad naar de 1% norm voor overheidskredieten ................................................................. 190 1. Benaderende berekeningswijze voor publiek-gefinancierde O&O-intensiteit (“1%-norm”) op basis van GBARD.................................................................................................................................................................................190 2.

Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm ................................................................................. 193

Deel 4

Het Relance Beleid .................................................................................................. 197

Hoofdstuk 15 Van crisissteun naar relance: ‘Vlaamse Veerkracht’ ......................................................................198 3.

Inleiding .....................................................................................................................................................................................198


4.

Vlaams Relanceplan – Vlaamse Veerkracht ........................................................................................................... 199 4.1. Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten met Europese middelen gefinancierd ............................................ 199 4.2. Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten, niet ingebracht in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en dus Vlaams gefinancierd .......................................................................................................................... 200 4.3. projecten die met de reguliere begrotingsmiddelen gefinancierd worden. ....................................... 201

1.

Overzicht EWI-budget Vlaamse Veerkracht ......................................................................................................... 202

Deel 5

Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten ............................. 203

Hoofdstuk 16 Wat is PIO?............................................................................................................................................................ 204 1.

Publieke koopkracht als katalysator van innovatie .........................................................................................204

2.

Wat zijn innovatieve overheidsopdrachten? .......................................................................................................204

3.

De 5 fases binnen PIO .......................................................................................................................................................205

4.

Innovatieve overheidsopdrachten, waarom? ......................................................................................................205

5.

Aanbod ......................................................................................................................................................................................206

6.

Lopende projecten ..............................................................................................................................................................206

Deel 6 Analyse van het Europees en Regionaal Innovatie Scorebord opgesteld door de Europese Commissie ........................................................................ 207 A. De analyse samengevat .......................................................................................................................................................... 208 1.

Rangschikking op basis van een samengestelde indicator .......................................................................... 210

2.

Welke indicatoren zitten in de samengestelde index en hoe worden ze gemeten?........................ 211

B. Resultaten Europese Unie: Zweden, Finland, Denemarken en België vormen de top-4 binnen de EU-27 214 1.

Prestaties van de individuele lidstaten ....................................................................................................................214

2.

Vergelijking van de EU-prestaties als geheel met de wereldwijde concurrenten ............................ 215

C. Resultaten België: 4de plaats binnen EU-27, in de kopgroep van ‘innovatieleiders’ ..........................216 1.

De Belgische positie binnen de EU-27 .......................................................................................................................216

2.

Aanvullende ‘contextuele analyse’ in het scorebord ...................................................................................... 220

D. Uitbreiding van het Europees Innovatie Scorebord tot het Regionaal Innovatie Scorebord: Vlaanderen als ‘innovatieleider’, op een 27ste plaats in EU .................................................................................. 223 1.

240 regio’s binnen Europa gebenchmarkt .............................................................................................................223

2.

Resultaten ................................................................................................................................................................................225

3.

Prestaties van Vlaanderen: ‘innovatieleider’......................................................................................................... 227

Bijlagen ............................................................................................................................................ 231 Bijlage I: Terugblik op de opstapmiddelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 en toelichting bij de begrotingsopmaak 2020.............................................................................................................................................................. 232 1.

Terugblik op de bijgekomen middelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 .......................................... 232


1.1. Totale vrij beleidsruimte voor alle Vlaamse bevoegdheden samen: recurrente middelen en investeringsenveloppe ................................................................................................................................................................232 1.2. Vrije beleidsruimte voor het beleidsdomein EWI............................................................................................... 233 1.3. De recurrente opstap van 280 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 ........................ 236 1.4. De investeringsenveloppe van 120 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 ................ 237 1.5. Begrotingsopmaak 2020 .................................................................................................................................................. 238

Bijlage II: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Not for Profit Instellingen (PNP) en Hoger Onderwijs (HE) in het kader van de GERD-berekening. ......................................................................................................................241 Bijlage III: Definities van de 32 indicatoren in het Europees Innovatie Scorebord..................................245 Figuren.....................................................................................................................................................................................................253 Tabellen ...................................................................................................................................................................................................255 Glossarium.............................................................................................................................................................................................259 Medewerkers ........................................................................................................................................................................................263


Ten geleide Transformatief O&O&I - beleid in co- en postcoronatijd A. De Speurgids Ondernemen & Innoveren is een jaarlijkse publicatie van het Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) van de Vlaamse overheid. Hierin worden de overheidsbudgetten voor zowel het economisch als het wetenschaps- en innovatiebeleid belicht. Het totaal aan vastleggingskredieten 1 ingeschreven in de Vlaamse begroting 2021, voor alle Vlaamse bevoegdheden samen, bedraagt afgerond 56,5 miljard euro. Organisatorisch is de Vlaamse overheid ingedeeld in 10 beleidsdomeinen

Figuur 1 Organogram van de Vlaamse overheid: 10 beleidsdomeinen

1

Belangrijk voor ogen te houden is dat we in de Speurgids steeds focussen op de vastleggingskredieten (voor ESRconsolidatie) zoals opgenomen in de ‘administratieve tabel’ bij de begrotingsdocumenten, zoals neergelegd in het Vlaams Parlement. Dit zijn de kredieten die aangeven voor welk bedrag de Vlaamse overheid verbintenissen kan aangaan in een welbepaald begrotingsjaar. Deze zijn te onderscheiden van de vereffeningskredieten, die het geheel van kredieten omvatten waarmee ook eerder aangegane verbintenissen kunnen worden vereffend (i.c. betaald).

12


Het jaar 2021 zal ongetwijfeld de geschiedenis in gaan als het jaar van het veerkrachtig herstel uit de coronacrisis. De wereld van Onderzoek, Ontwikkeling en Innoveren (O&O&I) werd in 2020, en wordt vandaag nog altijd, grondig door elkaar geschud door de wereldwijde uitbraak van de covid-19 pandemie. Het analyseren van de impact van de pandemie op de Vlaamse economie en de wereld van onderzoek en innovatie is evenwel niet de focus van de Speurgids, al zullen we er op het einde van deze ten geleide wel enkele beschouwingen aan wijden. Traditioneel vertrekt de Speurgids van de cijfers van de begrotingsopmaak van een begrotingsjaar, in casu 2021. De uitgaven 2021 zoals door het Vlaams Parlement eind december 2020 gestemd 2, vormen het uitgangspunt van de analyse. In Figuur 2 worden de beschikbare vastleggingskredieten 2021 per beleidsdomein weergegeven 3. Figuur 2 Overzicht van de vastleggingskredieten binnen de Vlaamse begroting per beleidsdomein bij begrotingsopmaak 2021 (in duizend euro).

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

13.141

Onderwijs en Vorming

12.983

Financiën en Begroting

10.577

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie

4.685

Mobiliteit en Openbare Werken

4.040

Omgeving

4.009

Werk en Sociale Economie

3.673

Economie, Wetenschappen en Innovatie

2.083

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

1.082

Landbouw en Visserij

168

Hogere Entiteiten (Vlaams Parlement, …)

137 0

2.000

4.000

6.000

8.000

10.000 12.000 14.000

De beleidsdomeinen ‘Welzijn, Volksgezondheid en Gezin’ (WVG) en ‘Onderwijs en Vorming’ (OV) hebben het grootste aandeel in het Vlaams overheidsbudget, respectievelijk 23,2% en 23,0% van het totaal.

2

Zie parlementair stuk 15 (2020-2021) Nr. 12 Tekst aangenomen door de plenaire vergadering van het ontwerp van decreet houdende de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2021. 3 “Hogere Entiteiten” vormt geen beleidsdomein maar groepeert de kredieten voor de werking van het Vlaams Parlement en de apparaatskredieten van de kabinetten van de Vlaamse Regering. 13


Het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) tekent in deze voorstellingswijze – traditioneel gebruikt in de begrotingsdocumenten 4 – voor ruim 2,083 miljard euro aan vastleggingskredieten of 3,7% van het totaal. Deze 2,083 miljard euro is evenwel een onderschatting van de vastleggingskredieten die vanuit de Vlaamse begroting geïnvesteerd worden in het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. Ook andere beleidsdomeinen bevatten immers middelen voor het beleid gerelateerd aan economie, wetenschap en innovatie. In de eerste plaats het beleidsdomein Onderwijs en Vorming waar zich de werkingsuitkeringen voor de universiteiten 5 en hogescholen 6 bevinden. Met onder meer deze werkingsmiddelen (de zogenaamde “eerste geldstroom”) finangcieren de universiteiten hun drieledige opdracht onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening. Bij conventie wordt geacht 25% van die 1ste geldstroom-middelen bestemd te zijn voor onderzoek. De hogescholen financieren met hun werkingsmiddelen hun drieledige opdracht van onderwijs, maatschappelijke dienstverlening en projectmatig wetenschappelijk onderzoek. Voor die laatste opdracht krijgen ze een aparte dotatie via de begroting van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Maar ook de andere acht beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid voorzien middelen voor het wetenschapsbeleid. Ook die worden toegevoegd, om zo het totaal aan vastleggingskredieten in de begroting 2021 te bekomen.

Zie parlementair stuk 13 (2020-2021) Nr. 1 Toelichtingen bij de middelenbegroting en de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2021 en bij de tweede aanpassing van de middelenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2020. Algemene toelichting. Ingediend 21 oktober 2020. https://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1611615 5 De werkingsmiddelen voor de universiteiten zijn samengesteld uit vier componenten: 1) een onderwijssokkel 2) een variabel onderwijsdeel 3) een onderzoekssokkel en 4) variabel onderzoeksdeel. De verhouding per instelling tussen enerzijds ‘onderwijssokkel + variabel onderwijsdeel’ en anderzijds ‘onderzoekssokkel + variabel onderzoeksdeel’ is gelijk aan 55 versus 45%. 6 Sinds de Speurgids 2019 brengen we ook de werkingsuitkeringen van de hogescholen mee in beeld. Hogescholen maken immers een integraal deel uit van het Vlaams O&O&I ecosysteem. Ten opzichte van vroegere edities van de Speurgids stijgt door deze opname van de hogescholen het totale overheidsbudget voor economie, wetenschap en innovatie in brede zin (dus inclusief de middelen voor hoger onderwijs) tot vier miljard euro. Met het oog op een integrale beleidsen systeembenadering is deze voorstellingswijze te verkiezen. 4

14


Tabel 1 Overzicht van de belangrijkste overheidsmiddelen (vastleggingskredieten) voor het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in brede zin bij begrotingsaanpassing 2018 en 2019, 2020 en begrotingsopmaak 2021 (in miljoen euro) 2018BA

2019BA

2020BA

2021BO

A. Economisch beleid

352,718

376,108

399,353

515,014

Vanuit het beleidsdomein EWI via het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO

352,718

376,108

399,353

515,014

B. Wetenschaps- en innovatiebeleid

3.213,75

3.640,83

3.648,88

3.841,65

B.1 Wetenschaps- en innovatiebeleid vanuit het beleidsdomein EWI

1.232,51

1.475,25

1.418,11

1.583,18

B.1.1. Via Departement EWI

858,18

999,3

990,169

1158,93

B.1.2. Via Fonds voor Innoveren en Ondernemen bij VLAIO

374,33

475,95

427,9432

424,27

1.848,06

1.945,23

2.069,38

2.122,13

1.474,30

1.551,00

1.655,60

1.704,09

100% werkingsmiddelen hogescholen = bij conventie onderwijs

667,94

708,528

783,597

825,108

75% werkingsmiddelen universiteiten = bij conventie onderwijs 75% van andere middelen universiteiten en gelijkgestelde en andere instellingen 7 B.2.2. onderzoeks-financiering (O&O)

674,16

699,5

721,639

734,11

132,2

142,97

150,361

144,87

373,76

394,23

413,783

418,04

224,72

233,17

240,546

244,703

28,57

29,32

30,011

30,321

120,47

131,74

143,226

143,016

133,18

220,35

161,39

136,34

3.525,49

4.016,94

4.048,24

4.356,66

B.2 Wetenschapsbeleid vanuit het beleidsdomein OV

B.2.1. hogeronderwijs-financiering

25% werkingsmiddelen universiteiten = bij conventie onderzoek Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek aan de hogescholen (PWO) 25% van andere middelen universiteiten en gelijkgestelde en andere instellingen B.3 Wetenschapsbeleid vanuit de acht andere beleidsdomeinen C. Totaal overheidsmiddelen voor het economisch, wetenschapsen innovatiebeleid (A+B)

In Tabel 1 worden zo alle middelen gerelateerd aan economie, wetenschap en innovatie in brede zin (dus inclusief de middelen voor hoger onderwijs) gegroepeerd weergegeven en ze totaliseren in 2021 tot 4,36 miljard euro. De stijging in 2021 ten opzichte van 2020 met 308 miljoen euro valt uiteen in een stijging met 115 miljoen euro voor het economisch beleid en 193 miljoen euro voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. De stijging voor het economisch beleid is hoofdzakelijk het gevolg van toegenomen middelen voor carbon leakage (48 miljoen euro), de inkanteling van de Syntra vzw’s in VLAIO (43 miljoen euro), en eenmalige cofinacieringsmiddelen voor EFRO en interreg in het kader van de technische bijstand voor de verschillende programma’s (18 miljoen euro). De stijging voor het wetenschaps- en innovatiebeleid laat zich hoofdzakelijk verklaren door toegenomen middelen voor het FWO in het kader van de meerjarige oproepen Odysseus en EOS die in 2021 plaats vinden (126 miljoen euro). Daarnaast zijn er bij de regeringsvorming afgesproken recurente O&O-opstappen (30 miljoen euro) evenals de afgesproken bijkomende O&O-investeringsmiddelen (15 miljoen euro).

7

Het betreft 75% van uitgaven zoals toelagen studentenvoorzieningen Hoger onderwijs, kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen, investeringen Hoger Onderwijs, subsidie ITG, werkingsmiddelen Vlaamse Autonome Hogere Zeevaartschool, …. 15


Het is de ambitie van deze Speurgids de lezer te verduidelijken waaraan deze 4,36 miljard euro overheidsmiddelen besteed worden. Naast daadkracht, vertrouwen en wendbaarheid vormt openheid immers de vierde kernwaarde van de Vlaamse overheid. Zo zal deel 1 van de Speurgids toelichten aan welke initiatieven de 515 miljoen euro voor het economisch beleid besteed worden. Deel 2 licht dan de besteding van de 3,842 miljard euro voor het wetenschaps- en innovatiebeleid toe. Deel 3 verlegt dan de focus naar de middelen specifiek voor onderzoek & ontwikkeling (O&O) in Vlaanderen en plaatst die in een internationale context. De O&O-uitgaven zijn immers onderwerp van regionaal, nationaal en Europees afgesproken streefcijfers en monitoring. In Deel 4 wordt het plan Vlaamse veerkracht besproken. De relance middelen zitten niet in de klassieke O&Oanalyse van de Speurgids. Desalniettemin is het belangrijk om te melden dat hiermee geïnvesteerd wordt in wetenschap en innovatie. Deel 5 is een thematisch hoofdstuk dat inzoemt op een in de legislatuur 2014-2019 nieuw opgestart initiatief: het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO). Vooraleer in de details te duiken, wordt de lezer eerst een helikopterzicht geboden op de grote verdelingen van de totaliteit van de 4,36 miljard euro middelen voor het economisch en wetenschaps- en innovatiebeleid. En dit volgens twee invalshoeken: 1) 2)

Uitsplitsing van de middelen volgens de drieledige onderverdeling onderzoek en ontwikkeling (O&O), onderwijs en vorming (O&V) en wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T); Uitsplitsing van de middelen naar doelgroepen in het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid volgens de vierdelige onderverdeling kennisinstellingen, bedrijven, overheid en burger: in de innovatieliteratuur ook de ‘Quadruple Helix’ genoemd.

B. De drieledige onderverdeling: de grote bestedingscategorieën O&O, O&V en W&T Conform internationale definities laten wetenschappelijke activiteiten zich opdelen in drie categorieën: 1)

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): “op stelselmatige wijze uitvoeren van creatieve

werkzaamheden met het doel het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens, cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen 8” Het is m.a.w. elke wetenschappelijke activiteit die tot doel heeft

2)

wetenschappelijke kennis te ontwikkelen (fundamenteel onderzoek), toepasbaar te maken (toepassingsgericht onderzoek) en ze toe te passen (ontwikkeling). Onderwijs en Vorming (O&V): “alle opleidingen en vormingen van personen in natuur-,

ingenieurs-, medische wetenschappen, agricultuur, sociale- en humane wetenschappen in universiteiten en andere instelling voor hoger en postsecundair onderwijs 9”. Naar Vlaanderen vertaald betreft het de financiering van het hoger onderwijs via vooral de werkingsuitkeringen aan de universiteiten en hogescholen. Het deel daarvan bij de universiteiten, dat wordt aangewend voor onderzoek (bij conventie 25%), zit in de categorie O&O.

8 9

Frascati-Manual, OECD, 2015, p. 44 Frascati-Manual, OECD, 2002, p. 31

16


3)

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening (W&T): “activiteiten met betrekking tot

onderzoek en ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis 10”. Dit gaat om elke vorm van dienstverlening en wetenschappelijke en technologische informatieverstrekking, zoals wetenschapscommunicatie. In Figuur 3 worden de 4,36 miljard euro overheidsmiddelen overzichtelijk uitgesplitst over deze drie categorieën. Vertrekpunt vormt de totale Vlaamse begroting van 56,6 miljard euro aan vastleggingskredieten. Via de beleidsdomeinen EWI (515 miljoen euro economisch beleid + 1,583 miljard euro wetenschaps- en innovatiebeleid = 2,098 miljard euro) en OV (2,122 miljard euro) evenals de acht andere beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid (136 miljoen euro) wordt een bedrag van 4,36 miljard euro uitgetrokken voor het economisch en wetenschaps- en innovatiebeleid (cfr supra Tabel 1). Trekken we daarvan de middelen voor het economisch beleid (515 miljoen euro) af, dan komen we tot een bedrag van 3,842 miljard euro voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. Deze 3,842 miljard euro overheidsmiddelen ventileren we vervolgens over de drie categorieën: • • •

O&O: 1,999 miljard euro O&V: 1,704 miljard euro W&T: 138 miljoen euro.

In de onderste blokken van Figuur 3 worden dan de belangrijkste instrumenten opgelijst die onder die rubriek thuishoren, met hun corresponderende budgetten uit de Vlaamse begroting.

10

Frascati-manual, OECD, 2015, p. 379 17


Figuur 3 Overzicht van de financiële overheidsstromen (vastleggingskredieten) binnen het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in 2021


C. De vierledige onderverdeling kennisinstellingen, bedrijven, overheid en burgers/middenveld in het Vlaams ‘Quadruple Helix model’ Naast het voorstellen van de overheidsbudgetten volgens de logica O&O, O&V en W&T is nog een andere voorstellingswijze mogelijk. Een wijze die focust op de doelgroepen van de overheidsfinanciering én op de financiering van de interacties tussen die doelgroepen. Een dergelijke voorstellingswijze bekijkt het economisch, wetenschaps- en innovatieproces vanuit systeemoogpunt. Om dit te duiden maken we een korte zijsprong naar enkele gangbare innovatiemodellen in de innovatieliteratuur. Er zijn er namelijk meerdere modellen in omloop. Welk model ook gehanteerd wordt, steeds is het nuttig een conceptueel onderscheid te maken tussen drie, door Joseph Schumpeter in de eerste helft van de 20ste eeuw 11 geïntroduceerde begrippen: inventie, innovatie en diffusie.

Figuur 4 Schumpeter-model

Een inventie is een (wetenschappelijke) uitvinding, een ontdekking zeg maar. Innovatie is de toepassing van de vinding in een product, een dienst, een proces(technologie) of een

organisatievorm.

Diffusie tenslotte is de verspreiding van de innovatie in de economie en/of de samenleving. Maatschappelijke en economische vooruitgang dient volgens Schumpeter steeds dit pad te doorlopen. Want een inventie die geen toepassing noch verspreiding kent, biedt weinig maatschappelijke en/of economische meerwaarde. In elk innovatiesysteem dient bovenvermelde triloog op een of andere manier georganiseerd te worden. Er zijn verschillende (concurrerende) modellen in omloop om dit proces van inventie -> innovatie -> diffusie vorm te geven.

De inzichten van Schumpeter blijven relevant, ook in de 21ste eeuw. Zie BOELS, J. (2012) Joseph Schumpeter, honderd jaar economische ontwikkeling. Een historisch-theoretische beschouwing. Proefschrift, Universitaire Pers Maastricht.

11

19


Klassiek is er het lineaire innovatiemodel, waarbij innovatie verondersteld wordt te lopen langsheen de lijn fundamenteel onderzoek -> strategische basisonderzoek -> toegepast onderzoek -> valorisatie. Na de fase van toegepast onderzoek zijn er in dit model ofwel marktpartijen in de profitsector die dan de resultaten van het onderzoek via prototype -> opschaling -> marktintroductie -> diffusie omzetten in nieuwe producten, diensten, processen en/of organisatievormen. Ofwel zijn er non-profit actoren die de onderzoeksresultaten omzetten in nieuwe maatschappelijke toepassingen.

Figuur 5 Klassiek lineair innovatiemodel

In het lineaire model zitten de kennisinstellingen steeds vooraan in de innovatieketting en de bedrijven en non-profit actoren achteraan. Het model is sterk aanbodgedreven: ‘technology push’. En de wereld van de kennisinstellingen en de bedrijven/non-profit is relatief gescheiden. Er zijn weinig terugkoppelingen - of ‘feedback loops’ in het jargon – tussen kennisinstellingen en bedrijven. Ook de rol van ondernemerschap – ‘entrepreneurial discovery’ – is afwezig of wordt onderbelicht. Er wordt voorbij gegaan aan de cruciale rol van ondernemers die nieuwe ideeën (inventies) transformeren in marktklare producten, diensten, processen en/of businessmodellen (innovaties) die op potentiële markten verspreid kunnen worden (diffusie). In dit model is de rol van de overheid vooral het financieren van fundamenteel onderzoek. Vervolgens doorloopt het innovatieproces als vanzelf de verdere fasen over strategisch basisonderzoek en toegepast onderzoek tot economische en/of maatschappelijke valorisatie met als impact economische groei en/of oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Een dergelijk model kent dus enkel een financieringsrol toe aan de overheid en al helemaal geen rol aan de burger/middenveld (als groepering van burgers) die via zijn belastingsbijdragen het onderzoek financiert. Nochtans is de rol van de overheid in een samenleving ruimer dan enkel financierder. De overheid is ook regelgever en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de (arbeids)marktordening- en regulering. Hij is beheerder van omvangrijke overheidsbudgetten in beleidsvelden als gezondheid, mobiliteit, enz. Hij speelt een belangrijke rol in het voorzien van fysieke (wegen, havens, energieleidingen, …) en digitale (breedband, 5G, …) infrastructuur. Hij bepaalt het internationale handelsbeleid. Kortom, allemaal rollen die een belangrijke impact hebben op de randvoorwaarden waarbinnen economische en maatschappelijke innovatie kan ontstaan.

20


Precies om recht te doen aan die diverse rollen kwam een nieuw innovatiemodel tot leven: het ‘Triple Helix’model. In tegenstelling tot het lineaire model wordt daarin de nadruk gelegd op de onderlinge afhankelijkheid van en wederzijdse beïnvloeding door de drie sleutelactoren in het innovatiemodel: kennisinstellingen, bedrijven en overheid.

Figuur 6 ‘Triple Helix’-model

Van het lineaire naar het Triple Helix-model is al een hele vooruitgang. Doch er ontbreekt nog een belangrijke actor in de triple helix benadering: de burger en het middenveld. Ook de burger/middenveld is een relevante speler in het economisch, wetenschaps- en innovatieproces. En dat in meerdere rollen. Als belastingbetaler financiert hij het onderzoek en dient er draagvlak (in de rol als kiezer) te zijn om dit te blijven doen. Vandaar het belang van een heldere wetenschapscommunicatie. Als consument-gebruiker plukt hij de vruchten van het economisch- en innovatieproces. Die zijn over het algemeen zeer positief, maar kunnen soms toch ook zuur smaken. Denk bijvoorbeeld aan het privacy-verlies dat gepaard gaat met recente innovaties. Bovendien kan de gebruiker een belangrijke inspiratiebron zijn voor innovaties. Men spreekt van user-driven innotatie. Verder wordt de burger in zijn hoedanigheid van ‘werkende’ (werknemer-zelfstandige-ambtenaar) ook geconfronteerd met de impact van de snelle veranderingen die het innovatieproces genereert op zijn werkomgeving. Denk bijvoorbeeld aan de impact van digitalisering en globalisering op het dagelijks (arbeids)leven die noodzaakt tot bij- en/of omscholing en levenslang leren. Wanneer men weet dat het aandeel 25-64-jarigen dat deelneemt aan een opleiding in Vlaanderen slechts 8,7% bedraagt (ten opzichte van het Europees gemiddelde van 11%) en dat 82% van de Vlamingen aangeeft niet zo bereid te zijn een opleiding te volgen, ligt hier een hele uitdaging 12.

12

Zie Beleidsdomein Onderwijs en Vorming (2019) Bijdrage van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming aan het regeerakkoord. Beleidsprioriteiten Onderwijs en Vorming. Beleidsprioriteit 3. 21


Maar ook in de rol van student middelbaar en hoger onderwijs is de burger betrokkene in het innovatieverhaal. Het middelbaar en hoger onderwijs vormt vandaag immers het ‘human capital’ dat later de bron vormt van het inventie-innovatie-difussie proces. Wat het middelbaar onderwijs betreft kunnen we niet om twee vaststellingen heen. Ten eerste is er de verontrustende trend van dalende leerlingenprestaties in internationaal vergelijkende testen. Ten tweede is er de STEM-problematiek: te weinig instroom in de science, technology, engineering en mathematics richtingen in het middelbaar onderwijs. Ook voor het hoger onderwijs zijn er uitdagingen te over: welke antwoorden bieden op de skills mismatch op de arbeidsmarkt en op de levenslang leren agenda? Tenslotte is er ook de rol van de burger als lid van de samenleving waarin hij - al dan niet verenigd met andere burgers - optreedt. Burgers en burgerbewegingen (civil society) eisen meer en meer hun eigen plaats op in het maatschappelijke debat en laten zich niet zonder meer vertegenwoordigen door overheden, kennisinstellingen en bedrijven. Voorbeelden zijn legio, denk maar aan de klimaatmarsen en gele hesjes. En tot welke gevolgen een groeiende kloof tussen enerzijds de klassieke ‘Triple Helix’ en anderzijds de burger kan leiden, valt vast te stellen in het Amerika van Trump en de brexit in het Verenigd Koninkrijk. Gevolgen die dan rechtstreeks inwerken op de externe omgeving waarbinnen economisch, wetenschappelijk en innovatieprocessen kunnen plaatsvinden. Er zijn dus goede redenen om het ‘Triple Helix’-model uit te breiden tot een ‘Quadruple Helix’-model.

Figuur 7 Overgang van ‘Triple Helix’ naar ‘Quadruple Helix’

22


Zo een – meer toekomstbestendig – ‘Quadruple Helix’ model ziet innovaties juist ontstaan als een dynamisch en interactief proces tussen vier actoren: kennisinstellingen, bedrijven, overheden én burgers 13. In dit model heeft elke actor zijn specifieke hoedanigheden, maar wordt de klemtoon gelegd op de onderlinge verwevenheid tussen de actoren en hun wederzijdse afhankelijkheden. Het zijn de verbindingen – (kennis)uitwisselingsrelaties - tussen deze actoren in een dynamisch ecosysteem die leiden tot economische en maatschappelijke innovatie.

Figuur 8 (Kennis)uitwisselingsrelaties tussen de vier actoren van het Quadruple Helix-model

Innovatie is in dit model veelal geen individueel, maar een collectief proces met veel betrokken partijen. Zeker in een economische en maatschappelijke wereld die ingevolge digitalisering, klimaatverandering en globalisering in volle transitie is, moeten we inzetten op een ‘transformatief’ innovatiemodel om de uitdagingen aan te gaan. Ook Europa trekt sinds 2020 volop de kaart van de transformatieve innovatie. De nieuwe Europese Commissaris voor Innovatie, Onderzoek, Cultuur, Onderwijs en Jeugd – de Bulgaarse Mariya Gabriel – vat het als volgt samen in haar voorwoord bij het uiterst lezenswaardige ‘Science, Research and Innovation Performance of the EU 2020 14’ rapport: ‘Research, innovation and education are also key drivers for Europe’s

sustainable and inclusive recovery, boosting the resilience of our production sectors, the competitiveness of our economies and the transformation of our socio-economic systems.’

Voor de toenemende rol van burgers in het innovatieproces zie ook Winickoff D.E. en Pfotenhauer S.M. (2018), ‘Technology governance and the innovation proces’ in OECD Science, Technology and Innovation Outlook 2018: Adapting to Technological and Societal disruption, OECD Publishing, Paris. 14 Sience, Research and Innovation performance of the EU 2020. A fair, green and digital Europe, European Commission, 27 mei 2020. 13

23


Het bovenvermelde ‘SRIP 2020’ rapport plaatst transformatie als één van de vijf centrale EU O&O&I beleidsprincipes voorop, naast co-creatie, diffusie, economische en maatschappelijke valorisatie (‘uptake’) en directionaliteit. Ook in de conclusies van de Raad Concurrentievermogen, luik Onderzoek van 1 december 2020 onderlijnden de Europese ministers van wetenschapsbeleid het belang van een transformatieve onderzoeks-, innovatieen diffusiestrategie om de Europese objectieven van duurzaamheid, productiviteit en competitiviteit te bereiken. Het Europese O&O&I-beleid heeft voortaan nog meer dan vroeger sociale, ecologische en economische duurzaamheid als doelstelling, zoals weergegeven in onderstaande figuur uit de executive summery van het ‘SRIP 2020’ rapport.

Figuur 9 Sociale, ecologische en economische duurzaamheid als doelstelling in het Europese O&O&I-beleid

Het nieuwe beleidsparadigma van transformatieve innovatie kan gezien worden als een derde generatie van innovatiebeleid.

24


Figuur 10 Transformatief innovatiebeleid: derde generatie

Bron: Rathenau Instituut (gebaseerd op Schot & Steinmeuller, 2018) 15

In de hedendaagse innovatieliteratuur worden nu drie generaties van innovatiebeleid onderscheiden, waarbij elke generatie van belang blijft voor het huidige beleid. Het is een en-en verhaal, geen of-of. De eerste generatie (2de helft vorige eeuw) van beleid vertrok van de vaststelling van een ‘marktfalen’. Uitgangpunt daarbij is dat bedrijven spontaan onvoldoende zullen investeren in O&O omwille van het feit dat die investeringen moeilijk toe te eigenen zijn omwille van oversijpelingseffecten naar andere bedrijven die gratis meesurfen op de (kennis)investeringen. Daarom lag de nadruk op een ‘O&O-beleid’ strictu senso, waarbij bedrijven via subsidies en fiscale stimuli verleid werden toch voldoende te investeren. Ook de bescherming van intellectueel eigendom stond centraal. Dit beleid is sterk industrie- en technologiegedreven. De tweede generatie innovatiebeleid – jaren ’90 vorige eeuw - stelde ook een ‘systeemfalen’ vast. Innovatie geschiedt niet door bedrijven op een eiland, maar in interactie met een veelheid aan actoren zoals financiers, kennisinstellingen, gebruikers en maatschappelijke organisaties opererend in een innovatie-systeem. Het beleid moet niet alleen subsidiëren, maar ook maximaal inzetten op het verbinden van al die actoren. De triple helix – interactie tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijven – kwam centraal te staan. Recent ontwikkelde zich dus een derde generatie innovatiebeleid dat vertrekt van de grote complexe maatschappelijke 21ste eeuwse uitdagingen inzake klimaat, energie, mobiliteit, voeding, gezondheid, … en daarin een ‘transitiefalen’ vaststelt. Het innovatiebeleid moet daarbij inzetten op het versnellen van maatschappelijke transities richting duurzaamheid. De focus van het innovatiebeleid wordt meer maatschappij-gedreven en doelgericht en verbreedt daarbij ook naar niet-technologische innovatie en betrekt een veelheid aan actoren 16. Naast de traditionele focus van het innovatiebeleid op wetenschap en innovatie komt ook nadruk te liggen op sociale, bedrijfsmodel, en infrastructuur innovatie. Het innovatiebeleid wordt daardoor meer ‘horizontaal’.

15

Zie Rathenau Instituut, Missiegedreven innovatiebeleid: wat, hoe en waarom, 20 maart 2020.

16 Zie Frank W. Geels, Transformative innovation and socio-technical transitions to address grand challenges (p. 574-607) in Sience, Research and Innovation performance of the EU 2020. A fair, green and digital Europe, European Commission, 27 mei 2020.

25


En transformatieve innovatie kan maar plaats vinden in interactie tussen de vier actoren in de Quadruple Helix. In complexe transitiedomeinen zoals energie, klimaat, voeding, gezondheid, mobiliteit, circulaire economie, industrie 4.0, … zijn immers niet alleen technologische doorbraken en innovaties nodig (het terrein van kennisinstellingen en bedrijven) maar ook flankerende maatregelen zoals nieuwe infrastructuurvoorzieningen, aangepaste regelgeving, zetten van standaarden, … (het terrein van overheden) en last but not least, ook maatschappelijke aanvaarding door de leden van de samenleving en/of gedragsverandering door de burgers. Alleen door alle actoren in een co-creërende rol te vatten, verhoogt de slaagkans van het transitiepad. Een instrument om deze co-creatie vorm te geven is een meer missiegedreven innovatiebeleid waarbij specifieke doelen worden gezet in relatie tot een maatschappelijke uitdaging. Vervolgens wordt een open proces geïnitieerd dat moet leiden naar creatieve oplossingen voor de missie: uitnodigend, inspirerend en bottum up, met en tussen verschillende disciplines, actoren en sectoren 17. De rol van de overheid is daarbij niét die van een een ‘top-down’ dirigent, maar een die in nauwe samenspraak met de drie andere actoren (kennisinstellingen, bedrijven en burgers) tot stand komt. Normstellend waar het moet, maar veelal agenderend, mobiliserend en verbindend.

Figuur 11 Het ‘Quadruple Helix’-model

17

Zie Goetheer, A., F.A. van der Zee, M.J.L. de Heide (2018) De staat van Nederland Innovatieland 2018. Missies en ‘nieuw’ missiegedreven beleid. Den Haag: TNO, p. 10.

26


Het Departement EWI heeft het bovenstaande ‘Quadruple Helix’ model vertaald naar de Vlaamse context en de belangrijkste spelers binnen elk van de vier actoren geïdentificeerd die het Vlaamse onderzoeks- & ontwikkelings- & innovatie model (O&O&I-model) schragen. Figuur 12 geeft dat weer.

27


Figuur 12 Actoren in het Vlaamse EWI 'Quadruple Helix' O&O&I-model

Nu we dit model hebben gedefinieerd kunnen we er ook de budgettaire stromen op enten. Om het beeld niet al te verzwaren, geven we niet alle budgetten (4,039 miljard euro) weer, maar enkel de belangrijkste. Dat wordt weergegeven in Figuur 13.


Figuur 13 Overzicht van de belangrijkste financiële stromen binnen het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in 2021 volgens het Vlaamse EWI ‘Quadruple Helix’-model


D. Zoals hoger gesteld, wordt binnen het wetenschaps- en innovatiebeleid ook steeds specifiek gefocust op de uitgaven voor onderzoek & ontwikkeling (O&O). Deze uitgaven zijn onderhevig aan regionale (Pact 2020, Vizier 2030), nationale (Nationale Hervormingsplan) en Europese (Europa 2020) streefcijfers. Men spreekt van de 3% O&O-norm. Daarmee wordt bedoeld dat de regio, het land en/of Europa er moeten naar streven drie procent van het regionale, nationale en/of Europese bruto binnenlands product te besteden aan O&Ouitgaven 18. Waar staan we vandaag? Volgens de meest recente internationaal vergelijkbare cijfers – voor het jaar 2019 – staat Vlaanderen op 3, 35% van het regionaal bbp, België op 3,17% van het Belgisch bbp en Europa (EU-28) op 2,10% van het Europees bbp 19. Zoemen we meer in detail in op de Vlaamse cijfers In Tabel 2 worden de meest recente cijfers van deze O&O inspanningen in Vlaanderen weergegeven: in 2019 totaliseren ze tot 9,35 miljard euro of 3,35% van het Vlaams bbp 20. Tabel 2 GERD in miljoen euro (in lopende prijzen) en als percentage van het bruto binnenlands product voor het Vlaams Gewest (BBPR) (ESR2010-rekeningenstelsel)

in miljoen als % BBPR

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

4.116 2,01

4.149 2,06

4.641 2,21

5.088 2,33

5.676 2,53

5.827 2,55

6.073 2,59

6.469 2,68

6.904 2,76

7.499 2,89

7,905 2,93

9,350 3,35

Bron: 3%- nota Ecoom (juni 2021), meest recente officiële cijfers

In grafiek-vorm geeft dit volgend beeld: op 10 jaar tijd een stijging van de O&O-intensiteit met maar liefst 1 procentpunt bbp. Figuur 14 Evolutie van de O&O-intensiteit (in % bbp) 4 3,5 3 2,5 2 1,5 1 0,5 0 2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bron: 3%- nota Ecoom (juni 2021), meest recente officiële cijfers

18 Belangrijk op te merken dat de 3%-norm gaat over bestedingen aan O&O. Wie deze bestedingen financiert (overheid of privé) is een andere vraagstelling. 19 Vergelijk met drie buurlanden: Duitsland 3,18 % bbp, Nederland 2,16% bbp en Frankrijk 2,19 % bbp. 20 Zie ‘Totale O&O-activiteit in Vlaanderen 2008-2019. ‘3% nota, ECOOM en Departement EWI, juni 2021.

30


Deze bruto binnenlandse uitgaven voor O&O - internationaal de zogenaamde ‘Gross Expenditures on Research and Development (GERD)’ - zijn de optelsom 21 van de O&O-uitgaven van vier sectoren: 1) 2) 3) 4)

bedrijven en de collectieve centra publieke onderzoekscentra hoger onderwijsinstellingen en instellingen zonder winstoogmerk.

In Tabel 3 worden de uitgaven voor elk van de vier O&O-sectoren weergegeven. Tabel 3 GERD voor het Vlaamse Gewest in miljoen euro (in lopende prijzen) 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2,601

2,7522 2 44

2,670

3,045

3,416

3,892

3,956

4,182

4,469

4,650

5,172

5,436

6,639

49

48

54

57

64

69

63

66

62

64

62

66

Publieke onderzoekscentra 23

451

491

517

549

572

635

652

684

745

859

923

989

1,104

Hoger Onderwijs

741

820

904

984

1,032

1,069

1,136

1,122

1,167

1,306

1,313

1,389

1,505

8

8

9

9

10

16

15

22

22

27

27

29

36

3,849

4,116

4,149

4,641

5,088

5,676

5,827

6,073

6,469

6,904

7,499

7,905

9,350

Bedrijven collectieve centra 22

Particuliere Not for Profit GERD

Bron: 3%- nota Ecoom (juni 2021), meest recente officiële cijfers

De stijging van de O&O-bestedingen van de bedrijven is iets sterker zoals gevisualiseerd in onderstaande figuur. ‘Overheden’ staat in deze figuur voor de publieke onderzoekscentra.

Figuur 15 O&O-bestedingen naar uitvoeringssector (Vlaams Gewest, 2009-2019, in miljoen euro) 6.800 5.800 4.800 3.800 2.800 1.800 800 -200

2007

2008

Bedrijven

2009

2010 Overheden

2011

2012

2013

Hoger Onderwijs

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Instellingen zonder winstoogmerk

Bron: 3%- nota Ecoom (juni 2021), meest recente officiële cijfers

De lezer vindt de respectievelijke instellingen onder de categorieën: bedrijven, collectieve centra, publieke onderzoekscentra, hoger onderwijs en particuliere not for profit instellingen in bijlage achteraan, zie p 202. 22 Bedoeld worden centra zoals SIRRIS, Centexbel, WTCB, …. 23 Bedoeld worden centra zoals VIB, imec, VITO, Flanders Make, ILVO, VLIZ, … 24 Bedoeld worden instellingen zoals Orpheus Instituut, Von Karman Instituut, Waterstofnet, BioBaseEurope Pilot Plant,… 21

31


De stijgende percentages in Tabel 2 (O&O-uitgaven uitgedrukt in % van het bruto binnenlands product van het Vlaams Gewest) tonen de aangehouden inspanning van zowel de Vlaamse overheid als het Vlaamse bedrijfsleven, de instellingen van hoger onderwijs als de instellingen zonder winstoogmerk om de O&Ouitgaven te verhogen. De 3%-norm wordt behaald.

E. In de analyses over de O&O-uitgaven wordt ook steevast een onderscheid gemaakt tussen wie O&O activiteiten uitvoert en wie ze financiert 25. Op die wijze wordt de GERD uitgesplitst per uitvoeringssector en per financieringssector. Vanuit het oogpunt van welke actor O&O uitvoert, wordt een onderscheid gemaakt tussen de BERD (Business Expenditures on R&D) en de non-BERD of dus de niet bedrijfsactoren (publieke onderzoekscentra, hoger onderwijs en de instellingen zonder winstoogmerk). Sinds 2008 is ongeveer 70% van de totale bruto binnenlandse uitgaven voor O&O afkomstig van de private uitvoeringssector.

Tabel 4 Wie voert de O&O-activiteiten uit? Het aandeel van de BERD en non-BERD in de GERD voor het Vlaams gewest (gebaseerd op lopende prijzen).

BERD Non-BERD GERDgew BERD/GERDgew NonBERD/GERDgew

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2.796 1.319 4.116 68% 32%

2.718 1.431 4.149 66% 34%

3.099 1.542 4.641 67% 33%

3.474 1.614 5.088 68% 32%

3.956 1.720 5.676 70% 30%

4.025 1.803 5.827 69% 31%

4.245 1.828 6.073 70% 30%

4.535 1.934 6.469 70% 30%

4.712 2.192 6.904 68% 32%

5.236 2.263 7.499 70% 30%

2018

2019

5,498 6,705 2,407 2,645 7.905 9,350 70% 72% 30% 28%

Bron: 3%- nota Ecoom (juni 2021), meest recente officiële cijfers

Ook vanuit het oogpunt van wie de O&O-activiteiten financiert, de private sector of de overheidssector, kan een opdeling worden gemaakt.

Tabel 5 toont de meest recente cijfers voor het jaar 2019 26. Tabel 5 Wie financiert de O&O-activiteiten? Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (in % bbp)

GERD/BBPR

2009

2011

2013

2015

2017

2019

2,08

2,35

2,56

2,67

2,88

3,35

GERD opgesplitst volgens financieringssector Private financiering / BBPR

1,54

1.77

1.95

1.99

2.15

2.55

Publieke financiering / BBPR

0,52

0.58

0.61

0.68

0.72

0.80

Bron: 3% nota, ECOOM, juni 2021

25

Zie voor details de inleiding bij deel 3 van de Speurgids. Zie ‘Interpretatieve nota bij de 3%-nota. Totale O&O-intensiteit in Vlaanderen 2007-2017, ECOOM en Departement EWI, oktober 2019. In de nota wordt benadrukt dat onder publieke financiering - conform de richtlijnen in de Frascati Manual - enkel de directe overheidssteun wordt verstaan (subsidies) en niét de indirecte steun (fiscale voordelen; bv. vermindering bedrijfsvoorheffing). De indirecte overheidssteun voor O&O dient beschouwd te worden als eigen middelen van de ondernemingen. 26

32


Uit de cijfers kan men afleiden dat ongeveer 76% privaat gefinancierd wordt en 24% overheid gefinancierd. Belangrijk aandachtspunt hierbij is de grote concentratie van de private O&O-financiering bij een beperkt aantal bedrijven in Vlaanderen, veelal onder buitenlandse controle. Belangrijk dus in het Vlaamse verankeringsdebat de nadruk te leggen op ‘kennis-verankering’. Het dynamisch lokaal eco-systeem van universiteiten, hogescholen, strategische onderzoekscentra en clusters speelt daarin een sleutelrol. Naast de directe overheidssteun in de vorm van subsidies kunnen overheden O&O-activiteiten van bedrijven ook indirect, langs fiscale weg ondersteunen. In België ligt de bevoegdheid daartoe bij de federale overheid, daar waar de directe steun een verantwoordelijkheid is van de deelgebieden. Onderstaand wordt het relatieve belang van beide steuntypes weergegeven voor het meest recente jaar waarvoor data beschikbaar zijn. De tabel leert dat op een massa van 5,1 miljard € aan O&O-uitgaven van bedrijven in Vlaanderen in 2017 de Vlaamse subsidies goed waren voor 206 miljoen € en de federale fiscale O&O-steun voor 756 miljoen €. In deel 3, hoofdstuk 12 in de Speurgids wordt dit verder geanalyseerd.

Tabel 6 Directe en indirecte overheidssteun voor O&O bij ondernemingen in Vlaanderen in 2017 (i.e., de meest recente data over indirecte overheidssteun), in miljoen euro

Financieringsbron

Totaal

Percentage

Directe overheidssteun (subsidies)

206

3.98%

Indirecte overheidssteun (fiscaal)

756

14.61%

Overige financieringsbronnen 27

4,211

81.41%

Totaal BERD ondernemingen

5,172

100.00%

Bron: 3% nota, ECOOM, juni 2021

F. Om aan het dataprobleem (afnemen van enquêtes met inherente vertraging) te verhelpen heeft men internationaal nog een andere belangrijke indicator uitgewerkt: de O&O-overheidskredieten of de GBARD (Government Budget Appropriations of R&D). Deze indicator moet men niet berekenen uit enquêtes bij alle O&O-actoren, maar kan men rechtstreeks aflezen uit de overheidsbegroting van de regio en/of het land. In het kader van de globale 3% O&O-norm is men zo gaan spreken van de ‘1%-norm voor O&Ooverheidskredieten’ en de 2%-norm voor private O&O-kredieten. Waar positioneert Vlaanderen zich op deze norm anno 2021? Wel, op 0,88% van het regionaal bbp. Daarbij dient wel voor ogen gehouden dat het cijfer voor 2020 ernstig (positief) beïnvloed is door de krimp van het bbp in 2020 ingevolge de covid-19 pandemie die het Vlaams bbp volgens de meest recente ramingen van juli 2021 in de ‘Regionale Economische Vooruitzichten 2021-2026’ met meer dan 6% doet krimpen…

27

Overige financieringsbronnen betreffen eigen financiering, financiering uit andere ondernemingen of uit private nonprofitinstellingen 33


Figuur 16 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% 1,10% 1,00% 0,90% 0,80%

0,76% 0,77% 0,79% 0,77% 0,75% 0,75%

0,81%

0,73% 0,74%

0,81% 0,78%

0,87% 0,90% 0,88%

0,70% 0,60% 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 werkelijke groei

lineaire groei tot 1%

1% norm

Bron: Eigen berekening, voor meer details zie Hoofdstuk 13

Vertrekkende van de Regionale Vooruitzichten 2021-2026 valt te berekenen dat wil Vlaanderen in deze legislatuur, dus tegen 2024, de 1%-norm overheidskredieten O&O halen, dan dient er in de begroting 2024 653 miljoen euro meer O&O-budget voorzien te worden dan in 2021 BO, of een jaarlijkse budgetaire opstap van 211 miljoen euro. G. Naast middelen worden er in het Vlaams O&O&I-landschap natuurlijk ook mensen ingezet. Ook die inzet wordt internationaal gemonitord. Men spreekt van het ‘O&O-personeel’ van een regio en/of land. Het aantal eigen medewerkers betrokken bij interne O&O-activiteiten van de uitvoeringsactoren in het Vlaamse O&Olandschap wordt weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 7 Totaal eigen O&O-personeel in voltijdse equivalenten 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bedrijven

21.402

21.530

21.116

22.160

22.652

23.397

25.389

26.866

28.725

31.131

33,614

37,813

Collectieve Centra

421

424

452

461

603

629

745

733

561

563

564

573

Publieke Onderzoekscentra Instellingen zonder winstoogmerk Hoger Onderwijs (gemeenschap)

2.962

3.196

3.262

3.365

3.722

3.832

4.141

4.212

4.486

4.767

5,241

5,465

152

153

167

172

120

131

241

252

269

280

279

302

13.104

13.794

14.499

14.749

14.966

15.358

15.821

16.022

16.127

16.312

16,732

17,325

Hoger Onderwijs (gewest)

11.569

12.205

12.881

13.149

13.408

13.817

14.299

14.454

13.917

14.107

14,455

14,957

TOTAAL (gemeenschapsbenadering)

38.041

39.098

39.496

40.907

42.063

43.347

46.337

48.085

50.168

53.052

56,431

61,478

TOTAAL (gewestbenadering)

36.507

37.508

37.878

39.307

40.505

41.806

44.815

46.517

47.959

50.847

54,154

59,109

Bron: 3%- nota Ecoom (juni 2021), meest recente officiële cijfers

Uit de tabel valt af te leiden dat er een duidelijke stijging zit in het aantal eigen O&O-personeel, zowel bij de bedrijven, de collectieve centra, de publieke onderzoekscentra als in het hoger onderwijs. Kijken we naar

34


de gewestbenadering 28, dan blijkt dat ongeveer 65% van het O&O-personeel terug te vinden is binnen de bedrijven, 25% bij de instellingen voor hoger onderwijs en 9% bij de publieke onderzoekscentra. H. De inzet van bovenvermelde O&O (overheids) middelen én mensen moet o.a. bijdragen aan het verhogen van de duurzame economische groei in Vlaanderen. Meer in het bijzonder moeten ze bijdragen tot de verhoging van de productiviteitsgroei in Vlaanderen. En daar ligt een hele uitdaging. De Vlaamse economie kent een hoog niveau van productiviteit, maar sinds de jaren 2000 wordt een dalende productiviteitsgroei opgetekend. In alle geavanceerde economieën vertoonde de productiviteit een algemene groeivertraging sinds het begin van de jaren 2000, maar die vertraging was meer uitgesproken in ons land dan in de EU 29. Bovendien is het verloop van de productiviteit binnen de economie zeer uiteenlopend. Productiviteitswinsten worden bijna volledig in de technologische grensbedrijven geboekt – ‘voorlopers’ en vaak in dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven. Zo dreigt een duale economie te ontstaan tussen de voorlopers en de achterblijvers 30. Productiviteit wordt gedefinieerd als toegevoegde waarde die gecreëerd wordt door een uur arbeid. Hoe meer toegevoegde waarde gecreëerd wordt, hoe meer inkomen dat kan verdeeld worden tussen werknemers en investeerders en hoe gemakkelijker de politieke afwegingen op het vlak van de publieke financiën 31. Kort door de bocht kent economische groei – toename van het bbp per inwoner - maar twee bronnen. Figuur 17 De twee drijvers van economische groei

28

Het verschil tussen de gewest- en gemeenschapsbenadering houdt verband met het al dan niet meerekenen van de O&O-activiteiten van de Vlaamse gemeenschapsinstellingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In internationale vergelijkingen gaat men uit van een gewestbenadering, waarbij de voormelde activiteiten dus niet meegerekend worden. 29 Voor een analyse zie Mulder J. en Godefroid H. (2018), ‘De vertraging van de productiviteit: bevindingen en poging tot verklaring. NBB, Economisch Tijdschrift, december. 30 Zie Nationale Raad voor de Productiviteit. Jaarverslag 2019. 19 december 2019 evenals het tweede Jaarverslag ‘Van gezondheidscrisis een opportuniteit maken voor een veerkrachtige economie’, 27 november 2020. 31 Idem 30. 35


De eerste bron is de toename van het arbeidsaanbod. Wanneer meer mensen werken en/of meer mensen meer uren werken, neemt de economische groei toe. We weten evenwel dat het arbeidsaanbod in Vlaanderen ingevolge demografische evoluties – ontgroening en vergrijzing – zal afnemen. Met negatieve gevolgen voor de economische groei. Dat moet ons niet beletten inspanningen te leveren om meer mensen (langer) aan het werk te krijgen, maar van deze bron zal substantiële toekomstige economische groei niet komen. Gelukkig is er een tweede bron van economische groei en die heet productiviteitsgroei: een toename van de hoeveelheid toegevoegde waarde die geproduceerd wordt per gewerkt uur. Productiviteitsgroei van haar kant is op zich weer afhankelijk van twee zaken: kapitaalverdieping en/of multifactorproductiviteit. Met kapitaalverdieping wordt het inzetten van meer kapitaalgoederen – machines - per gewerkt uur bedoeld. Dit is logisch te begrijpen. Een magazijnier met een heftruck kan meer goederen verplaatsen dan een magazijnier met blote handen. Een bediende met een PC is productiever dan een zonder. Vandaar het belang van bedrijfsinvesteringen die de kapitaalgoederenvoorraad doen toenemen. Complexer is de multifactorproductiviteit: dat deel van de groei dat niet gekoppeld is aan de veranderde inzet van de factoren arbeid en kapitaal. Het begrip verwijst naar de efficiëntie waarmee inputs (arbeid en kapitaal) worden omgezet in output, zoals bijvoorbeeld toegevoegde waarde. Factoren die in die multifactorproductiviteit een rol spelen zijn o.a. openheid naar mondiale waardeketens, zuinige maar heldere en afdwingbare regelgeving, een state of the art fysieke en digitale infrastructuur, vlotte integratie van ICT in de productieprocessen, aanwezigheid van voldoende concurrentiële prikkels en ruimte voor startups, kwaliteit van menselijk kapitaal … én technologische en niet-technologische innovatie. Reden waarom investeringen in O&O ook de volgende jaren dienen versterkt te worden.

I. Een beleid dat inzet op het verhogen van de productiviteit is per definitie een multi-level governance beleid gezien de beleidshefbomen die gunstig kunnen inwerken op de productiviteit zich op maar liefst vijf bestuurlijke niveaus bevinden: lokaal (infrastructuur, …), Vlaams (regelgeving, infrastructuur, O&O-subsidies, vorming menselijk kapitaal, …) federaal (Belgische marktordening, fiscaliteit, sociaal vangnet, digitale infrastructuur, …), Europees (Europese marktordening, handelsbeleid, O&O-subsidies, …) en globaal (wereld marktordening, klimaatafspraken, geopolitiek, …). In het licht van de COVID-19 crisis heeft het Europees niveau haar belang bewezen. Zowel het Europese monetaire beleid via de Europese Centrale Bank als het Europese budgettaire beleid via het Europese Recoveryplan van 750 miljard € zijn van cruciaal belang voor het opvangen van de schokken van de crisis evenals voor de relance. Maar in een wereld waar ‘economics’ meer en meer ‘regio-nomics’ wordt en de natiestaten als economische actoren aan belang inboeten, dient het Vlaamse bestuursniveau het vertrekpunt te zijn van waaruit zowel naar beneden (lokaal) als naar boven (federaal, Europees en globaal) de noodzakelijke beleidsafstemming plaats vindt. J. En dat brengt ons bij de stand van de Vlaamse economie medio 2021. Sinds het voorjaar 2020 gaat de Vlaamse economie, ingevolge de coronapandemie, door extreem zwaar weer. Volgens de projecties van de ‘Regionale Economische Vooruitzichten 2021-2026’ 32 van medio juli 2021 zou het Vlaams bbp in 2020 een - in de naoorlogse periode nooit geziene - krimp van -6,1% opgetekend hebben. Voor Brussel en Wallonië zouden dat krimpen zijn van respectievelijk -6,1% en -6,9%. Figuur 18 laat zien dat

32

HERMREG - Regionale economische vooruitzichten 2021-2026, Federaal Planbureau, Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse, Institut Wallon de l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique, Vlaamse Statistische Autoriteit, juli 2021. 36


de impact van de coronapandemie vele malen erger is dan die van de financiële crisis uit 2008, die het Vlaams bbp in 2019 deed krimpen met ‘slechts’ 1,6%. In 2021 zou dan wel een krachtig, maar onvolledig herstel voor de Vlaamse, Brusselse en Waalse economie van respectievelijk +5,8%, +4,2% en +5,7% volgen. Al in de tweede helft van 2020 was er een uitgesproken herstel van de economische activiteit in de verwerkende nijverheid en de bouw. Deze bedrijfstakken bereiken reeds in 2021 hun activiteitsniveau van vóór de crisis. Daartegenover staat dat het herstel in de dienstensectoren, waarvan sommige nog steeds beperkingen ondervinden als gevolg van gezondheidsmaatregelen, trager verloopt en zou aanhouden in 2022. Rekening houdend met deze sectorale verschillen en met de tendensen die in de jaren vóór de crisis werden vastgesteld, voorziet de raming voor 2021 een volumegroei van het bbp van 5,8 % voor Vlaanderen, van 5,7 % voor Wallonië en van 4,8% voor Brussel. In 2022 zou de bbp-groei respectievelijk 2,8 %, 3,0 % en 3,1% bedragen. Daardoor zouden de drie gewesten hun bbp-niveau van vóór de crisis opnieuw bereiken in 2022. In de periode 2023-2026 zou de volumegroei van het bbp gemiddeld niet meer dan 1,0 % per jaar bedragen in Brussel, terwijl hij in Vlaanderen 1,5 % en in Wallonië 1,3 % zou bedragen. In alle gewesten zou de bbpgroei tussen 2023 en 2026 licht afnemen, in lijn met de groeivertraging in de eurozone en de verminderde impulsen die uitgaan van de relanceplannen. Figuur 18 bbp in volume, reële economische groei voor het Vlaams Gewest (1996 – 2026) 8,0 3,7

4,0

-4,0

2,2

0,6

1,1

3,0

2,6 2,4 1,0 0,8

1,7

2,7

2,8

1,8 1,7 1,9 1,7

1,7

1,6 1,4 1,4

0,3

1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026

-2,0

1,3

1,8

4,4

3,8

3,9 1,8

2,0 0,0

5,8

4,8

6,0

-1,6

-6,0 -8,0

-6,1

Bron: Regionale Economische Vooruitzichten 2021-2026 (VSA), juli 2021

K. Gegeven de zware impact van de coronapandemie op het Vlaamse economisch en maatschappelijk weefsel stelde de Vlaamse regering eind april 2020 twee adviserende comités samen: een ‘Economisch Adviescomité’ 33 en een ‘Maatschappelijk Relancecomité.’ Deze comités leverden medio juli hun rapporten af. Het Economisch Adviescomité heeft in haar rapport ‘Vlaanderen: welvarender, weerbaarder en wervender’ vier centrale doelstellingen geformuleerd: (1) Vlaanderen bij de sterkste drie regio’s brengen qua BBP/capita, (2) de Vlaamse werkzaamheidsgraad naar 80% verhogen, (3) transformatieve doorbraken realiseren en (4) de Vlaamse begroting terug naar een evenwicht brengen.

33

Het comité bestaat uit 11 leden: naast 5 afgevaardigden van de Vlaamse ministers zes onafhankelijke experten (Koenraad Debackere als voorzitter, Wouter De Geest, Geert Noels, Ans De Vos, Marion Debruyne en Stijn Baert). Naast het rapport van het Economisch Adviescomité publiceerde ook de SERV interessante rapporten m.b.t. de economische en maatschappelijke relance. Zie www.serv.be/serv/relance. 37


Ze formuleren elf aanbevelingen waarvan zes fundamentele aanbevelingen en vijf op doorbraken gerichte. U vindt ze in Figuur 19. Vlaanderen moet daarbij inzetten op een beperkt aantal transversale en toekomstgerichte investeringen in drie doorbraakthema’s, gekoppeld aan belangrijke maatschappelijke en economische transities: digitaal Vlaanderen, duurzaam Vlaanderen en zorgzaam Vlaanderen. Een transformatief innovatiemodel in digitalisering, duurzaamheid en zorg moet Vlaanderen een top-vijf positie doen verwerven tussen de meest innovatieve regio’s en landen van de EU. Voor details verwijzen we naar het rapport.

Figuur 19 Synthese aanbevelingen Economisch Adviescomité juli 2020

L. Het Economisch Relancecomité houdt o.a. een pleidooi voor een systeemdenkende overheid. Dit past in de moderne economische en innovatie literatuur die de economische ontwikkeling van regio’s en of landen steeds meer analyseert vanuit een ecosysteem benadering. Basisinzicht daarbij is dat economische groei en innovatie niet tot stand komen in een vacuüm, maar de resultante zijn van veelvuldige interacties tussen met elkaar verbonden factoren én actoren in een ecosysteem. Stam (2020) 34 onderscheidt tien elementen in het ecosysteem. De basis van deze benadering bestaat uit het institutioneel kader van een regio/land. Concreet gaat het over: 1. 2. 3.

34

De formele instellingen of instituties (wet- en regelgeving, fiscaliteit, arbeidsmarktinstituties, kwaliteit van de overheid, …), De cultuur (waardering voor ondernemerschap in de samenleving, houding inzake risico-appetijt of integendeel risico-aversie, tolerantie voor falen, …) en De aanwezigheid van netwerken (bedrijfsnetwerken waarbinnen vlotte uitwisseling van kennis, arbeid en kapitaal plaats vindt versus eilanden en silo’s, …).

Stam, E., Leendertse J. en Schrijvers S., Measure Twice, Cut Once. Entrepreneurial Ecosystem Metrics, Utrecht School of Economics, Working Paper Series nr: 20-01, februari 2020. 38


Figuur 20 Een 'ondernemend ecosysteem' -benadering

Bron: aangepast op basis Stam (2020)

Bovenop deze institutionele basis is er het belang van een vlotte toegang tot hulpbronnen die ondernemerschap en economische groei mogelijk maken: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De infrastructuur: zowel fysieke (wegen, havens, luchthavens, waterwegen, …) als digitale (breedbandnetwerken, 5G, …) Vraaggerichtheid: de potentiële marktvraag in een regio (binnenlandse en toegang tot buitenlandse markten) Intermediairen: mate waarin ondersteunende diensten, zoals zakelijke dienstverlening (juridisch, financieel, fiscaal, IT, marketing, …) voor bedrijven is uitgebouwd Talent: aanwezige talentpool (kwantitatief en kwalitatief aanbod van arbeidskrachten, kenniswerkers, …) Kennis: toegang tot kennis via universiteiten, hogescholen, onderzoekscentra, … Leiderschap: succesvolle rolmodellen (economisch, sociaal, wetenschappelijk, politiek, …) Financiering: toegang tot (risico-) kapitaal, publiek en privaat en/of publiek-privaat

Deze tien elementen van een goed functionerend ecosyteem maken uiteindelijk productief werknemer- en ondernemerschap – en dus finaal welvaart - mogelijk en zijn door het overheidsbeleid in min of meerdere mate beïnvloedbaar. Zo beschikt de Vlaamse overheid over sterke agentschappen die in een ‘systemische interactie’ het verschil kunnen maken en het Vlaams ecosysteem daadwerkelijk ondersteunen: -

FWO voor het voeden van de kennisbasis via fundamenteel en strategisch basisonderzoek; VLAIO en haar netwerkpartners voor het ondersteunen van ondernemen en innoveren; PMV en LRM voor de financiering; FIT voor de toegang tot buitenlandse markten en het aantrekken van buitenlandse investeringen; VDAB als activerings-, loopbaan-, en dataregisseur van talent.

Omgekeerd versterkt het productief werknemer- en ondernemerschap ook het ecosysteem, zoals de terugkerende pijl in Figuur 20 aangeeft.

39


Het ecosysteem-denkraam biedt dus nuttige handvaten voor overheden en stakeholders om gezamenlijk strategisch het beleid te analyseren, de zwakke schakels te remediëren en de sterke verder uit te bouwen met het oog op een ecosysteem-versterkend beleid. In dat perspectief is niet alleen een goede interactie tussen de Vlaamse overheidsagentschappen belangrijk, maar ook een goede afstemming tussen de diverse financieringsinstrumenten in het Vlaams O&O&I landschap. Het betreft zowel de instrumenten die het fundamenteel als diegene die het toegepast onderzoek in Vlaanderen ondersteunen. In figuur 21 worden die instrumenten weergegeven met hun bijhorende budgetten. Verder in de Speurgids verneemt U er meer over. Hier volgt enkel het overzicht. Links in de figuur- in de blauwe tekst weergegeven - staan de instrumenten ter ondersteuning van het fundamenteel onderzoek in Vlaanderen: -

het onderzoeksgedeelte van de basisfinanciering van de universiteiten (25% van de 1ste geldstroom); de fundamentele onderzoeksmandaten en -projecten evenals de wetenschappelijke infrastructuurondersteuning bij het FWO; de bijzondere onderzoeksfondsen (BOF) bij de universiteiten.

Samen slaan deze instrumenten op afgerond 770 mio € overheidsmiddelen. Naast deze financieringskanalen voor fundamenteel onderzoek zijn er in Vlaanderen de kanalen voor ondersteuning van toegepast onderzoek. Die instrumenten kunnen conceptueel gesitueerd worden op een assenkruis bestaande uit vier dimensies naargelang het instrument enerzijds vraag- dan wel aanbodgedreven is en anderzijds naargelang het dienstig is voor een individueel bedrijf dan wel voor een collectief van bedrijven. Tevens kunnen ze geplot worden op de dimensie van de zogenaamde Technology Readiness Level (TRL) waarbij een lager TRL-niveau zich verder van een (markt)toepassing bevindt dan een hoger TRL-niveau. Links bovenaan situeren zich de instrumenten die vertrekken vanuit een bedrijf en vooral het aanvragende bedrijf ten goede komt: de onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten bij VLAIO, goed voor 217 mio €. Links onderaan de instrumenten met een sterke invloed vanuit de kennisinstellingen (‘aanbodkant’), maar ten voordele van een of enkele bedrijven: de Baekenland- en de innovatiemandaten evenals de ICONprojecten. Rechts bovenaan vinden we de instrumenten die vertrekken vanuit de bedrijven (‘vraagkant’) maar ten voordele zijn van meerdere bedrijven: de clusterwerking, Blikopener vanuit de hogescholen en de partners ondernemerschap en innovatieversnelling. Rechts onderaan tenslotte staan de instrumenten met opnieuw een sterke sturing vanuit de kennisinstellingen maar ten voordele van meerdere bedrijven of een groep van bedrijven: het strategisch basisonderzoek bij het FWO, de TETRA-projecten bij VLAIO, de PWO-middelen vanuit de hogescholen, de Industriële Onderzoeksprojecten bij de universiteiten, de Landbouwtrajecten bij VLAIO en het Collectief Onderzoek en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK) eveneens bij VLAIO. Bovenop deze instrumenten financiert de Vlaamse overheid ook vier strategische onderzoekscentra (SOC’s) die de brug tussen fundamenteel en toegepast onderzoek slaan: imec (nano- en digitale technologie), vito (cleantech en duurzame ontwikkeling), vib (levenswetenschappen) en Flanders Make (maakindustrie). Omwille van hun gevarieerde taalstelling laten deze instellingen zich niet plotten op het assenkruis. Toelichting vindt de lezer verderop in de Speurgids en op de websites van het Departement EWI (voor Bijzondere Onderzoeksfondsen, Industriële Onderzoeksfondsen, PWO en de SOC’s), VLAIO (Onderzoeks- en Ontwikkelingsprojecten, Clusterwerking, Blikopener, partners ondernemerschap en innovatieversnelling, 40


Baekeland- en Innovatiemandaten, ICON, TETRA, Landbouwtrajecten en COOCK) en FWO (fundamentele onderzoeksmandaten- en projecten, infrastructuur en strategisch basisonderzoek).

41


Figuur 21 Belangrijkste instrumenten en budgetten 2021 in het O&O&I-landschap gesitueerd op een assenkruis; () = mio €


K. Mede op basis van de adviezen van het economisch en maatschappelijk relancecomité maakte ministerpresisent Jan Jambon naar aanleiding van zijn Septemberverklaring 2020 het Vlaamse Relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’ bekend. Het betreft een nooit geziene éénmalige (overheids)investeringsimpuls in de Vlaamse economie en samenleving ten belope van maar liefst 4,3 miljard €. De 4,3 miljard euro middelen werden doorvertaald naar 158 projecten met een achterliggend relancebudget en gebundeld in 34 grotere logische clusters. Daarnaast zijn er 22 projecten zonder middelen uit de Vlaamse relanceprovisie, gebundeld in de 35ste cluster. Een groot aantal van de projecten werd opgenomen in het interfederaal Belgisch 'Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht' en overlegd met de Europese Commissie ten einde gefinancierd te worden via de subsidieenveloppe uit de Europese 'Faciliteit voor Herstel en Veerkracht' (FHV). Vlaanderen krijgt uit de Europese subsidie-enveloppe 2,255 miljard €, waarmee dus gedeeltelijk het Vlaams relanceplan gefinancierd wordt. De resterende middelen voor het relanceplan zal Vlaanderen lenen op de kapitaalmarkt. Voor het beleidsdomein EWI zijn binnen de enveloppe van 4,3 miljard € van het Vlaams relanceplan investeringen voorzien ten belope van 511 miljoen €. De focus ligt op investeringsprojecten in de domeinen duurzaamheid, digitalisering en gezondheid. In deel 4, hoofdstuk 15 van deze Speurgids wordt dit verder toegelicht. L. In 2021 besteedt het beleidsdomein EWI ook volop aandacht aan het monitoren en evalueren van het Vlaams O&O&I-beleid. Dit gebeurt in het kader van het regeringsbrede project “Vlaamse Brede Heroverweging” (VBH). Daarbij werd aan alle beleidsdomeinen gevraagd hun uitgaven kritisch tegen het licht te houden en ze te onderwerpen aan o.a. een relevantie-, effectiviteits- en efficiëntietoets. In het najaar zal het beleidsdomein EWI daartoe een rapport opleveren. M. Met het hierboven geschetste ontwikkelingen en het pleidooi voor een systemische benadering van het O&O&I-beleid sluit ik af, maar niet zonder nog een woord van dank aan alle medewerkers aan de Speurgids Ondernemen & Innoveren 2021 en in het bijzonder aan Stefanie Maris. Door hun inbreng is het gelukt om alle informatie te bundelen en ter beschikking te stellen aan het rijke stakeholdersveld, zo kenmerkend voor het Vlaams ecosysteem.

Veel leesplezier.

Johan Hanssens Secretaris-generaal van Departement Economie, Wetenschap en Innovatie

43


Deel 1 Vlaams economisch beleid: 515 miljoen euro


Inleiding: actoren en budgetten in het Vlaams economisch beleid Dit eerste deel bestaat uit zeven korte hoofdstukken en heeft de ambitie de instrumenten en overheidsbudgetten van het Vlaams economisch beleid te belichten. Die van het wetenschaps- en innovatiebeleid komen aan bod in deel twee. De beleidsinstrumenten van het economisch beleid werden ingedeeld in volgende thematische hoofdstukken: • • • • • • • •

Competitiviteit ondersteunen (hoofdstuk 1) Ondernemerschap bevorderen (hoofdstuk 2) Clusters (hoofdstuk 3) Omgevingsfactoren faciliteren (hoofdstuk 4) Internationalisering stimuleren (hoofdstuk 5) Duurzaamheid versterken (hoofdstuk 6) Transversaal beleid: circulaire economie, industrie 4.0, energietransitie, klimaatvisie 2050 (hoofdstuk 7) Investeringen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) (hoofdstuk 8).

A. Actoren in het Vlaams economische beleid In dit deel wordt in de eerste plaats gefocust op de instrumenten uit het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI). Maar ook enkele initiatieven uit andere beleidsdomeinen die bijdragen tot het economisch beleid en die een breed doelpubliek aanspreken, worden kort toegelicht. De organisaties uit het beleidsdomein EWI die in het economisch beleid een belangrijke rol spelen zijn terug te vinden in het organogram van het beleidsdomein EWI zoals weergegeven in Figuur 22.

46


Figuur 22 Organogram beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie 35

Het beleidsdomein is logisch gestructureerd in functie van de verschillende doelgroepen: • •

• • •

het Departement EWI; het nieuwe Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO), in 2016 ontstaan uit een fusie tussen het Agentschap Ondernemen (AO) en het Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT); de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV); de Limburgse Investeringsmaatschappij (LRM); de adviesraden SERV en VARIO.

De minister bevoegd voor economie, wetenschap en innovatie heeft in het begrotingsjaar 2021 een budget van 2,083 miljard euro aan vastleggingskredieten ter beschikking die hun weg vinden naar de respectievelijke doelgroepen enerzijds via het Departement EWI en anderzijds via het VLAIO.

Voor de volledigheid wijzen we erop dat ook het Agentschap Plantentuin Meise evenals de Vlaamse Participatiemaatschappij (VPM) tot het beleidsdomein EWI behoren. De Plantentuin Meise is sinds 1 januari 2014 een agentschap van de Vlaamse overheid. Het is een internationale wetenschappelijke onderzoeksinstelling en een botanische tuin die vooral de tropische en Europese plantkunde centraal stelt. De openbare investeringsmaatschappij VPM heeft als enige opdracht het aanhouden van bijna 27% van de aandelen van het Vlaams Gewest in de beursgenoteerde vennootschap Gimv en vormt haar referentieaandeelhouder. Daarom vermelden we ze niet specifiek in het organogram. De SERV behoort dan weer formeel niet tot het beleidsdomein EWI, maar tot het beleidsdomein Kanselarij en Buitenlandse Zaken. Gezien haar centrale rol als strategische adviesraad voor het beleidsveld Economie vermelden we ze toch. 35

47


B. Wie vervult nu welke rol binnen het beleidsdomein EWI? a. Het Departement EWI 36 staat allereerst in voor de beleidsvoorbereiding, -monitoring, -evaluatie en rapportering van het gehele economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid. Daartoe behoort ook de beleidsvoorbereiding in het kader van de Europese eengemaakte markt en de Europese onderzoeksruimte. Het departement is verantwoordelijk voor het wetenschapsbeleid. Daartoe financiert ze het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek via een dotatie aan het FWO. Daarnaast stimuleert het departement enerzijds het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten via de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen en anderzijds de tech transfer en valorisatie van onderzoek binnen de associaties via de financiering van de Industriële Onderzoeksfondsen en de Interfacediensten. Het departement financiert eveneens de vier Vlaamse strategische onderzoeksinstellingen (imec, VIB, VITO en Flanders Make), vijf ‘kennisinstellingen’ (Plantentuin Meise, Vlaams Instituut voor de Zee, Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Antwerpen, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschap en Kunsten en Alamire Foundation) en vier instellingen voor post-initieel onderwijs (Vlerick Business School, Antwerp Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde en het Orpheus Instituut). Het departement is daarnaast verantwoordelijk voor het beleid inzake wetenschapspopularisering en communicatie dat ze uitrolt samen met vele partners op het terrein. Tenslotte is het departement ook dienstverlener inzake personeel, human resources, facility, boekhouding en IT aan het eigen departement + VLAIO + Plantentuin Meise binnen het beleidsdomein en aan het departement WSE buiten het beleidsdomein. In totaal slaat deze dienstverlening op een duizendtal personeelsleden van bovenvermelde instellingen. b. Op 1 januari 2016 werd het Agentschap voor Innoveren & Ondernemen (VLAIO) 37 boven de doopvont gehouden. Het VLAIO is voortaan hét aanspreekpunt van de Vlaamse overheid voor alle ondernemers in Vlaanderen. VLAIO stimuleert en ondersteunt innovatie en ondernemerschap en draagt bij tot een gunstig ondernemersklimaat. VLAIO legt de focus op: • het stimuleren van groei en innovatie: door ondernemingen financieel te ondersteunen via subsidies om te kunnen groeien, transformeren of innoveren; • het bevorderen van ondernemerschap: dit in samenwerking met partners die KMO’s kunnen begeleiden van (pre)start over groei tot overname. Ook netwerking gericht op groeibedrijven wordt ondersteund; • het ondersteunen van clusters: organisaties die samenwerking en dynamiek op gang brengen binnen een groep van ondernemingen en kennisinstellingen worden gesteund; • het bevorderen van omgevingsfactoren: zo wordt o.a. de ontwikkeling van bedrijventerreinen en het voorzien van adequate bedrijfshuisvesting gefaciliteerd. c. PMV is een doe- en durfbedrijf van de Vlaamse overheid dat beloftevolle ondernemingen financiert met kapitaal, leningen en waarborgen. Dit van bij de prille start tot en met de groei en internationalisering. d. De LRM is een investeringsmaatschappij van de Vlaamse overheid die economische groei in Limburg ontgint en stimuleert. LRM richt zich tot alle sectoren en bedrijven, van starter over groeiende KMO tot grote onderneming.

36

Zie Jaarondernemingsplan 2021 van het Departement EWI. Zie Jaarondernemingsplan 2021 VLAIO. 48 37


e. Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) is een belangrijke actor in het wetenschapsbeleid en komt aan bod in deel twee van de Speurgids. f. Op 10 juni 2016 besliste de Vlaamse Regering principieel tot het opstarten van de Vlaamse adviesraad voor Innoveren en Ondernemen (VARIO). De Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie (VRWI) hield op te bestaan eind 2016. Haar rol werd ten dele overgenomen door de VARIO 38. g. De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) is hét overlegorgaan van de Vlaamse werkgeversen werknemersorganisaties. Daarnaast functioneert de SERV als strategische adviesraad (SAR) voor materies die nauw verband houden met het sociaaleconomisch overleg: werk en sociale economie, economie, energie, algemeen regeringsbeleid. Vanuit de andere beleidsdomeinen dragen de volgende agentschappen bij tot het economisch beleid: Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen (FIT) vanuit het beleidsdomein Internationaal Vlaanderen (iV); de afdeling ESF en de ‘starterslabo’s’ vanuit het beleidsdomein Werk en Sociale Economie (WSE); Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) vanuit het beleidsdomein Omgeving.

C. Budgetten binnen het Vlaams economisch beleid In Tabel 8 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste budgettaire maatregelen binnen het Vlaams economisch beleid. Ze worden weergegeven in volgorde van de zeven hoofdstukken die verder volgen. Zoals te zien lopen de middelen voor het economisch beleid op tot 520 miljoen euro. Dit zijn de belangrijkste instrumenten in 2021: ‒ ‒ ‒ ‒ ‒ ‒

Flanders Investment and Trade: 57 miljoen euro KMO-portefeuille: 40 miljoen euro Ondernemerschapsbevordering: 30 miljoen euro Strategische Transformatiesteun: 28 miljoen euro Ecologiesteun: 25 miljoen euro Subsidies bedrijventerreinen: 19 miljoen euro

Details worden verder gegeven in de hoofdstukken 1 t.e.m. 7

38 Leden VARIO: Lieven Danneels (voorzitter), Katrin Geyskens, Wim Haegeman, Johan Martens, Koen Vanhalst, Vanessa Vankerckhoven, Dirk Van Dyck, Marc Van Sande, Reinhilde Veugelers en Hilde Windels. De directeur van het VARIOsecretariaat en secretaris van de VARIO-raad is Danielle Raspoet. Zie website: http://www.vario.be/nl 49


Tabel 8 Overzicht van de belangrijkste budgettaire maatregelen voor het economisch beleid voor 2018 na begrotingsaanpassing, begrotingsopmaak 2019, 2019 na begrotingsaanpassing, begrotingsopmaak 2020, 2020 na begrotingsaanpassing en begrotingsopmaak 2021 (in miljoen euro) Maatregel

2018BA

2019BO

2019BA

2020BO

2020BA

2021BO

1. Competitiviteit van ondernemingen stimuleren (zie hoofdstuk 1)

111,750

82,570

120,750

84,250

84,250

93,902

Kmo-portefeuille

53,000

38,820

62,000

40,000

40,000

40,000

Strategische Transformatiesteun (STS)

43,000

28,000

43,000

28,000

28,000

28,000

Kmo-groeisubsidie

11,000

11,000

11,000

12,500

12,500

12,500

Screen Flanders (steun aan audiovisuele sector)

4,500

4,500

4,500

3,500

3,500

3,500

Vergoeding aan het Vlaams Audiovisueel Fonds voor taken i.k.v. Screen Flanders

0,250

0,250

0,250

0,250

0,250

0,250

0,000

9,652

Innovatie en projecten SYNTRA 2. Het ondernemerschap bevorderen (zie hoofdstuk 2)

31,865

28,355

22,318

30,433

27,883

65,148

Initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap (financiering partnerorganisaties)

26,154

22,693

22,318

30,033

27,183

30,183

4,711

4,862

0,000

0,000

0,500

0,500

0,000

0,400

0,700

0,700

0,500

0,300

0,000

0,000

ondernemerschapstrajecten Syntra

0,000

32,659

toegewezen projecten aan Syntra

0,000

1,606

VLAIO Team Bedrijfstrajecten vzw (vroegere 5 Innovatiecentra) Overheidsopdrachten in functie van continuering beleidsgericht onderzoek inclusief opdrachten en samenwerkingsovereenkomsten met de POM’s Onderzoeken ter ondersteuning van het beleid inzake toegang tot financiering ondernemerschapsbevordering (studies, …)

en/of

3. De omgevingsfactoren faciliteren (zie hoofdstuk 4)

23,069

35,073

37,135

32,478

36,316

32,236

Uitgaven voor de aanleg van bedrijventerreinen en voor de heringebruikname van industriële sites

20,000

25,000

25,000

23,000

14,280

19,030

Sanering en herontwikkeling Ford-site (via steun aan De Scheepvaart)

0,736

0,465

7,544

7,000

0,120

0,100

Projecten in het kader van gebiedsgerichte partnerschappen en/of het Vlaams ruimtelijk-economisch beleid

2,000

2,000

2,000

1,600

1,600

1,600

Steun aan De Scheepvaart in kader van sanering en herontwikkeling Ford-site

0,220

7,544

2,528

0,818

20,238

11,488

0,113

0,064

0,063

0,060

0,078

0,018

4. Internationalisering van de Vlaamse economie bevorderen (zie hoofdstuk 5)

54,625

55,675

54,083

57,344

57,398

57,452

Werkingskredieten Flanders Investment and Trade (FIT)

41,565

42,365

42,523

44,960

45,014

45,533

Subsidies ter bevordering van internationaal ondernemen

13,060

13,310

11,560

12,384

12,384

11,919

Beheer researchpark Zellik

50


Maatregel

2018BA

2019BO

2019BA

2020BO

2020BA

2021BO

5. Duurzaamheid van de Vlaamse economie bevorderen (zie hoofdstuk 6)

52,600

54,610

65,430

123,110

118,071

160,525

Compensatie voor indirecte emissiekosten (carbon leakage) van energie-intensieve bedrijfstakken

32,400

34,551

35,990

92,786

92,786

140,240

Ecologiesteun (-20% beschouwd als O&O; opgenomen in deel 2)

20,060

19,927

20,149

20,149

20,149

20,149

0,000

0,000

0,000

5,000

5,000

0,000

0,101

0,101

0,101

0,101

0,101

0,101

OVAM – Vlaanderen Circulair

0,035

0,035

0,035

0,035

0,035

0,035

6. Investeringen in Vlaanderen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (zie hoofdstuk 8)

7,282

7,505

6,267

6,438

6,438

24,500

Vlaamse cofinanciering voor EFRO-projecten

7,144

7,367

5,367

6,300

6,300

6,300

CCS (CARBON CAPTURE & STORAGE) BACKBONE Overdrachten aan VITO – Strategische ecologieprojecten

Vlaamse cofinanciring voor EFRO-projecten (Technische bijstand EFRO – Vl en EFRO - INTEREG) - eenmalig Storting aan FIT ter uitvoering van EFRO-project

18,200 0,138

0,138

0,900

0,138

0,138

0,000

2,600

2,600

0,000

0,000

0,000

0,000

Provisie opstap economie en innovatie (recurrente opstap van 195 miljoen euro in 2017)

2,600

2,600

0,000

0,000

0,000

0,000

8. Ondersteunende en facilitaire activiteiten

12,785

13,747

15,749

11,970

6,117

6,204

Beleidsgerelateerde werkingsuitgaven van het Agentschap Innoveren en Ondernemen

4,613

5,853

5,853

5,853

Beheersvergoedingen aan derden voor verschillende maatregelen (Participatiefonds Vlaanderen)

2,081

2,081

3,000

2,820

2,820

2,820

Allerlei werkingsuitgaven voor het economisch ondersteuningsbeleid

1,945

1,813

5,176

1,867

1,867

2,254

E-loket

3,822

4,000

0,970

1,130

1,130

1,130

Validata

0,000

0,000

0,250

0,300

0,300

0,000

Studiebeurzen universiteiten en hogescholen

0,324

0,000

0,000

0,000

Herlocatiesteun

0,000

0,000

0,500

0,000

9. Openbare werken

14,030

6,140

10,340

10,190

10,192

10,192

Hinderpremie (vanaf juli 2017)

10,000

5,938

10,000

10,000

10,000

10,000

Rentetoelagen als gevolg van hinder door openbare werken (uitdovend, nieuwe Hinderpremie in voege per juli 2017)

3,235

0,200

0,200

0,100

0,100

0,100

Inkomenscompensatie als gevolg van hinder door openbare werken

0,790

0,000

0,142

0,092

0,092

0,092

10. Financieringsinstrumenten

42,121

39,464

44,035

44,530

52,688

64,855

Uitgaven voor de verliesfinanciering waarborgregeling van PMV

14,255

16,562

16,562

14,360

15,938

21,579

7. Budgettaire opstappen


Maatregel

2018BA

2019BO

2019BA

2020BO

2020BA

2021BO

9,903

10,289

10,289

10,289

17,981

24,000

10,000

10,000

10,000

10,000

10,000

10,000

Fiscale minderinkomsten federale overheid in het kader van de winwinlening (artikel 132 decreet)

5,575

0,000

4,571

7,197

6,095

6,584

Beheervergoeding Waarborgregeling

2,203

2,228

2,228

2,246

2,236

2,254

European Fund for Strategic Investments (EFSI)

0,000

0.200

0.200

0.250

0,250

0,250

0,185

0,185

0,185

0,188

0,188

0,188

352,718

325,741

376,108

400,743

399,353

515,014

Netto verliesfinanciering van de NV Waarborgbeheer Subsidie aan Limburg Sterk Merk (LSM) vanuit winstuitkering LRM

Beheersvergoeding voor PMV voor Win-Win lening TOTAAL

52


Hoofdstuk 1 Competitiviteit van ondernemingen ondersteunen 1. Instrumenten binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) 39 1.1. Strategische Transformatiesteun De Strategische Transformatiesteun (STS) werd gelanceerd op 1 oktober 2013. Deze maatregel ondersteunt investerings- en opleidingsprojecten die in belangrijke mate bijdragen aan de versterking van het economisch weefsel in Vlaanderen. Meer specifiek gaat het om: investeringen in strategische clusters en lead plants in Vlaanderen; investeringen in de internationale doorgroei van innovatiegerichte kmo’s in Vlaanderen; transformerende investeringen, die belangrijke tewerkstelling in Vlaanderen duurzaam verankeren. Vanaf 1 november 2016 werd het beoordelingskader aangepast ten einde de meest innovatieve ondernemingen te ondersteunen. Door de coronapandemie werd binnen het Temporary Framework van de Europese Commissie een uitbreiding van de maatregel voorzien. Zo werd investeringssteun mogelijk specifiek voor de productie van voor Covid-19-relevante producten. In 2020 werden 43 steundossiers goedgekeurd voor een totaalbedrag van 31,9 miljoen euro (16,7 investeringssteun, 9,4 opleidingssteun, 1,2 miljoen euro bonussteun voor bijkomende tewerkstelling, en 4,5 investeringssteun Covid-19), zie Tabel 9. Bij begrotingsopmaak 2021 werd een budget van 28 miljoen euro voorzien. Tabel 9 Strategische Transformatiesteun volgens provinciale verdeling (2020) Provincie

Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Totaal

Aantal dossiers

10 8 6 4 15 43

Steunbedrag in euro

7.099.193,42 8.491.288,36 5.003.807,28 2.611.328,20 8.662.381,78 31.867.999,04

Voor details wordt verwezen naar het Jaarverslag 2021 van het Agentschap Innoveren en Ondernemen en het ‘Fonds voor Flankerend Economisch en Innovatiebeleid’

39

53


1.2. Kmo-portefeuille De kmo-portefeuille bestaat sinds 2009. Via de online kmo-portefeuille kunnen kmo’s en beoefenaars van vrije beroepen, met steun van de Vlaamse overheid, diensten inkopen die het ondernemerschap bevorderen. Vanaf 1 december 2019 werd het subsidiepercentage verminderd van 40% naar 30% voor kleine ondernemingen en van 30% naar 20% voor middelgrote ondernemingen. Het steunpercentage wordt berekend op de subsidiabele opleidings- of advieskost Sinds 1 januari 2020 geldt een maximum steunplafond van 7.500 euro per jaar voor zowel kleine als middelgrote ondernemingen. Tabel 10 geeft een overzicht van de verleende steun voor steunaanvragen ingediend in 2020. In 2020 werden in totaal 133.640 projecten gesteund via de kmo-portefeuille, goed voor een toegekende subsidie van afgerond 37,5 miljoen euro. Tabel 10 Kmo-portefeuille: verdeling van subsidie en aantal steunaanvragen per dienst in 2020 (bedragen in euro) Dienst Advies Opleiding Totaal

Aantal projecten

% projecten

5.223 128.417 133.640

4% 96% 100%

Subsidie in euro

% subsidie

8.393.722,68 29.133.536,08 37.527.258,76

22% 78% 100%

Bij begrotingsopmaak 2021 is er een bedrag van 40 miljoen euro voorzien. De verhouding projecten tussen kleine ondernemingen en middelgrote ondernemingen is respectievelijk 88% versus 12% van de projecten.

1.3. Kmo-groeisubsidie Vanaf mei 2016 zijn de pijlers strategisch advies en coaching (van de oude kmo-portefeuille) opgegaan in de nieuwe kmo-groeisubsidie. Deze nieuwe subsidie bundelt strategisch ICT-advies, strategisch personeelsmanagementadvies, de aanwervingspremies voor strategische functies en de kmohaalbaarheidsstudies met starterspakket. Tijdens belangrijke kantelmomenten in de levensfases van een onderneming zoals een transformatie-, innovatie- of internationaliseringstraject, dient de onderneming een nieuwe groeistrategie uit te werken om haar doelstellingen te bereiken. Kmo’s en beoefenaars van vrije beroepen die een strategische groeisprong willen realiseren (via inkopen van advies of aanwerven van een strategisch medewerker) kunnen voortaan dus met de Kmo-groeisubsidie aan de slag. De steunvoorwaarden zijn weergegeven in Tabel 11. Tabel 11 Kmo-groeisubsidie: subsidieplafond en subsidiepercentage per type steun Externe dienstverlening Subsidieplafond Subsidiepercentage

25.000 euro 50%

Aanwerving 25.000 euro 50%

In 2020 werden er een beslissing genomen in 853 dossiers. 522 dossiers werden positief beoordeeld voor een totaalbedrag van 14.015.810 euro.

54


Tabel 12 geeft een overzicht van de verleende steun in 2020 volgens ondernemingsgrootte. Bij de begrotingsopmaak 2021 werd voor dit instrument 12,5 miljoen euro voorzien. Tabel 12 Kmo-groeisubsidie: verdeling goedgekeurde dossiers naar grootte van de onderneming Toegekende steun

Grote Onderneming Kleine Onderneming Middelgrote Onderneming Niet van toepassing Totaal

25.000 11.814.243 2.151.567 25.000 14.015.810

1.4. Carbon Leakage De compensatie voor indirecte emissiekosten is een tijdelijke compensatiesteunregeling (van 2013 tot 2020) om te vermijden dat bepaalde elektriciteitsintensieve bedrijven zich als gevolg van de indirecte emissiekosten in het kader van EU-ETS (EU Emissions Trading System) gaan delokaliseren naar landen buiten de Europese Unie. Bij begrotingsopmaak 2021 werd een budget van ruim 140 miljoen euro voorzien. Deze middelen zijn afkomstig uit het ETS-klimaatfonds. Tabel 13 Compensatie indirecte emissiekosten volgens provincie van de vestiging Provincie Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant West-Vlaanderen Totaal

Goedgekeurde dossiers

Steunbedrag in euro

42 14 27 5 20 108

49.437.924,43 17.671.351,23 20.176.413,39 668.183,54 1.991.133,88 89.945.006,47

1.5. Openbare werken: nieuwe hinderpremie/sluitingspremie Momenteel lopen er nog drie maatregelen die financiële ondersteuning bieden aan ondernemingen die lijden onder de hinder van openbare werken. Voor werken gestart vóór 1 juli 2017 gelden de Rentetoelage Hinder Openbare Werken en de Inkomenscompensatievergoedingen Hinder Openbare Werken. Deze maatregelen zijn uitdovend. Voor werken gestart vanaf 1 juli 2017 kunnen getroffen ondernemingen steun genieten met de Hinderpremie. In 2017 werden de hindermaatregelen grondig gewijzigd. De hinderpremie werd ingevoerd vanaf 1 juli 2017 als radicaal digitale maatregel, administratief eenvoudig. Bijzonder innovatief is het concept dat de ondernemingen die in aanmerking komen hiervan zelf worden verwittigd. De selectie gebeurt op basis van de authentieke bronnen GIPOD voor de hindergegevens en het KBO voor de ondernemingsgegevens. De hinderpremie is een financiële tussenkomst voor zelfstandigen en kleine ondernemingen met maximum 9 werknemers die ernstige hinder ondervinden van wegenwerken in de buurt van hun zaak. Het bedrag van de premie is 2.000 euro en biedt de ondernemers de kans om zich voor te bereiden op de gevolgen van de geplande werken. Wie genoodzaakt is om zijn zaak toch te sluiten als gevolg van de hinder kan vanaf de 22ste kalenderdag van de sluiting bijkomend gebruik maken van de sluitingspremie van 80 euro per dag.

55


Ondernemers die niet in aanmerking komen voor de bovenvermelde hinderpremie en sluitingspremie kunnen in bepaalde gevallen toch nog een afzonderlijke sluitingspremie aanvragen. Deze sluitingspremie bedraagt ook 80 euro per dag en wordt toegekend vanaf de 8ste kalenderdag van de sluiting. In 2020 werd aan 4.559 verschillende ondernemingen een hinderpremie uitbetaald. De totaal toegekende steun bedroeg 9.130.000 euro. Van de groep van ondernemingen die de hinderpremie gekregen hebben, hebben 174 verschillende ondernemingen ook een beroep gedaan op de sluitingspremie. Hier bedroeg de steun 1.363.760 euro. In totaal hebben 16 verschillende ondernemingen gebruik gemaakt van de afzonderlijke sluitingspremie, waarvoor in totaal 108.000 euro steun werd toegekend. Bij begrotingsopmaak 2021 werd er een budget van 10 miljoen euro voorzien voor de hinderpremie. Tabel 14 Aantal toekenningen en budget voor premie volgens type (bedragen in miljoen euro) Type premie

Hinderpremie Bijkomende sluitingspremie Afzonderlijke sluitingspremie (groep1) Afzonderlijke sluitingspremie (groep 2) Totaal

Aantal ondernemingen

Aantal toekenningen

Steunbedrag in euro

Gemiddeld steunbedrag

174

723

1.363.760

1.886

2

6

10.000

1.667

14

55

98.000

1.782

4.749

5.349

10.601.760

4.559

4.565 40

9.130.000

2.000

1.6. ‘Oude’ rentetoelage als gevolg van hinder openbare werken In uitvoering van het decreet van 7 juli 2006 kunnen zelfstandigen en kmo’s die verstoorde bereikbaarheid ondervinden door openbare werken, vanaf 10 juli 2007 een rentetoelage aanvragen bij het Agentschap Innoveren & Ondernemen. Door de aanpassing van het decreet op 19 november 2010 werd deze steunmaatregel vanaf 1 januari 2011 uitgebreid naar bestaande beroepsleningen die voor de start van de openbare werken werden aangegaan. Voordien was de maatregel alleen bestemd voor nieuwe overbruggingskredieten. Omdat het moet gaan om openbare werken die gestart zijn vóór 1 juli 2017, werd in 2020 geen enkele nieuwe aanvraag meer ingediend die positief kon worden beslist. In 2020 werden wel nog twee positieve beslissingen genomen voor dossiers ingediend in 2019 voor een steunbedrag van 54.668,57 euro. Daarnaast werden in 2020 1 ouder dossier van 2018 herzien (een steunverhoging) voor een steunbedrag van 4.113,28 euro. In 2020 bedroeg het totale steunbedrag voor deze uitdovende maatregel 58.781,85 euro.

1.7. ‘Oude’ inkomenscompensatievergoedingen werken

hinder

openbare

De inkomenscompensatievergoeding als gevolg van hinder door openbare werken is een maatregel die door de 6de staatshervorming werd overgedragen van het federale naar het Vlaamse niveau. Zelfstandigen kunnen bij sluiting van hun zaak omwille van openbare werken een compensatie per dag krijgen. Er loopt

40

Per onderneming kan de hinderpremie en de sluitingspremie meerdere keren toegekend worden, vandaar het verschil tussen aantal toekenningen en aantal ondernemingen. Bij de hinderpremie gaat het dan om een andere werkopdracht waarvoor de kennisgeving minstens 12 maanden na de vorige kennisgeving is gebeurd.

56


een samenwerkingsovereenkomst tussen het agentschap en het Participatiefonds Vlaanderen dat het dagelijkse beheer van de maatregel opgenomen heeft. In 2020 werden geen aanvragen meer ingediend. Begin 2020 werden de laatste betalingen op de dossiers van 2019 uitgevoerd. Daarvoor werd nog een provisie van 14.575,45 euro gestort aan PMV/z-leningen nv. De samenwerkingsovereenkomst tussen het agentschap en PMV/z-leningen nv liep de facto af op 31 december 2019.

1.8. Screen Flanders Sinds 2012 geeft de Vlaamse overheid extra financiële steun aan de audiovisuele sector. Via Screen Flanders worden audiovisuele projecten (fictie-, documentaire- en animatiefilms en animatiereeksen) ondersteund, waarbij een deel van de bestedingen specifiek in het Vlaamse Gewest gebeuren. Het Agentschap Innoveren & Ondernemen behandelt het dossier, terwijl het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) de communicatie en de promotie van de maatregel verzorgt. Er werd bij begrotingsopmaak 2021 een budget van 3,75 miljoen euro voorzien waarvan 250.000 euro voor het VAF. In 2020 werd het voorziene budget van 3.500.000 euro opgesplitst in twee oproepen: • •

De eerste oproep 2020 liep van 30 januari tot 6 maart 2020. De budgetenveloppe bedroeg 1.500.000 euro. Er werden 12 aanvragen ingediend en hiervan werden 10 projecten gunstig gerangschikt. De tweede oproep liep van 7 maart tot 11 september 2020. De budgetenveloppe bedroeg 2.000.000 euro. Er werden 12 aanvragen ingediend en hiervan werden 9 projecten gunstig gerangschikt.

1.9. Corona-maatregelen om bedrijven door de crisis te helpen De uitbraak van Covid-19 eind 2019 heeft tot op vandaag een wereldwijde impact op zowel het maatschappelijk als economisch leven. Ook Vlaanderen bleef en blijft hiervan niet gespaard en elke dag doen de gevolgen van deze crisis zich meer voelen, niet alleen op vlak van gezondheidszorg en openbaar leven maar ook op economisch vlak. Ook Vlaamse ondernemingen worden nog steeds geconfronteerd met omzetdalingen en verplichte sluitingen. In 2020 werd binnen VLAIO een heel ondersteuningspakket opgezet om ondernemingen met exploitatievestigingen in Vlaanderen door deze crisis te helpen en de continuïteit van deze ondernemingen te verzekeren. Hierna een overzicht van de steun verleend in de vorm van een coronapremie of Vlaams Beschermingsmechanisme op begroting 2020: Steunmaatregel Corona Compensatiepremie Corona Hinderpremie (inclusief dagpremie) Corona Ondersteuningspremie Vlaams Beschermingsmechanisme Nieuw Vlaams Beschermingsmechanisme Vlaams Beschermingsmechanisme 3 Eindtotaal

Aantal ingediende aanvragen 95.566 132.344 35.879 15.377 63.857 57.644 400.667

Aantal uitbetaalde aanvragen 78.241 106.342 34.672 14.399 61.873 52.838 348.365

Uitbetaalde steun in euro 236.229.000 1.160.789.280 71.301.000 56.501.374 172.262.821 166.777.499 1.863.860.974

57


2. Instrumenten binnen PMV PMV heeft één eenvoudige boodschap naar ondernemend Vlaanderen: elk goed ondernemingsplan of project in Vlaanderen dat wordt gedragen door een degelijk team, moet financiering kunnen vinden en PMV heeft alle instrumenten om de ontbrekende stukken in die financiering te helpen invullen. PMV werkt daarvoor met twee “PMV/Z”.

merken: het overkoepelende moedermerk “PMV” en het dochtermerk

“PMV/Z” werd gecreëerd speciaal voor starters, zelfstandige ondernemers en kleinere kmo’s. Mensen met goede ideeën kunnen er terecht voor gestandaardiseerde leningen tot 700.000 euro, voor de registratie van een Winwinlening of voor een waarborg tot 1,5 miljoen euro. Binnen het merk “PMV” zullen meer mature groeibedrijven en de innovatoren van de toekomst kunnen blijven rekenen op de expertise en het maatwerk van de PMV-investeringsmanagers. Zij monteren financieringsoplossingen met kapitaal, leningen en waarborgen, of een combinatie daarvan. In 2020 werden er voor 40,5 miljoen euro aan leningen, 90,9 miljoen euro aan kapitaal en 256 miljoen euro aan waarborgen toegekend. Daarnaast investeert PMV indirect in Vlaamse bedrijven via fondsen. Hiervoor heeft PMV in 2020 kapitaal toegezegd aan 15 investeringsfondsen ten belope van 85,8 miljoen euro. We gaan nu dieper in op de instrumenten van enerzijds PMV en anderzijds PMV/Z.

2.1. PMV A. Kapitaal Als starter, scale-up of sterke groeier heeft een bedrijf meestal onvoldoende stabiele cashflows en moet er nog een belangrijke investeringsperiode overbrugd worden. Dan ligt het aantrekken van (risico)kapitaal voor de hand. Maar ook in een latere fase kan een bijkomende kapitaalinjectie belangrijk zijn, denk bijvoorbeeld aan verdere internationale expansie of snelle groei. Als actieve maar ‘geduldige’ investeerder is PMV een aandeelhouder die jaren samen met de bedrijven aan de toekomst wil bouwen. PMV neemt hierbij een actieve rol, zowel bij de structurering van de financieringsronde (waarbij er rekening wordt gehouden met zowel de noden van het ondernemingsteam als met die van co-investeerders) als in de opvolging na investering. Hierbij komt de uitgebreide ervaring van PMV als financiële investeerder en het sinds jaren uitgebouwde netwerk in allerlei sectoren, uitstekend van pas. PMV verschaft risicokapitaal – steeds in cofinanciering met de markt - aan seed, early stage tot meer mature ventures met heel uiteenlopende financieringsbehoeften gaande van (heel) beperkte tickets (dewelke meestal gestructureerd worden als converteerbare achtergestelde leningen) tot grote tickets (veelal gestructureerd als kapitaal of een combinatie van beide). Een goed onderbouwd en realistisch businessplan, competent managementteam met een duidelijk visie en engagement en positieve impact op de Vlaamse economie, zijn belangrijke criteria voor elke investeringsbeslissing. Sterke teams maken het succes van uw onderneming. PMV evalueert de businessplannen grondig en toetst deze op hun haalbaarheid. Daarbij wordt er onder meer gekeken naar technische haalbaarheid, marktpotentieel, USP tov de concurrentie, commerciële aanpak, een realistische inschatting van de kosten, de (volledige) financieringsbehoefte en het exit potentieel.

58


Zoals elke kapitaalverschaffer investeert PMV om financiële meerwaarde te creëren, maar voor PMV is het ook van belang maatschappelijk meerwaarde op te bouwen en zodoende bij te dragen aan de welvaart in Vlaanderen.

B. Leningen: PMV-bedrijfsleningen PMV-bedrijfsleningen zijn financieringsoplossingen op maat met een lange looptijd voor kmo’s en grote ondernemingen. Deze leningen bedragen minimum 350.000 euro en maximaal 5.000.000 euro. Ze kunnen zowel achtergesteld (voornamelijk “mezzaninefinanciering”) als niet-achtergesteld zijn. De leningen zijn complementair aan bestaande (of nieuwe) bankfinanciering. Via PMV-Bedrijfsleningen verstrekt PMV-kredieten op maat aan Vlaamse ondernemingen in het kader van: • •

•

financiering van materiële, immateriële en/of financiële investeringen, evenals de financiering van bedrijfskapitaal bij de uitbouw van activiteiten; financiering van overnames van aandelen van een bestaande vennootschap, en/of overname van (een deel van) het handelsfonds. Deze overnames kunnen kaderen in een familiale opvolging, management buy-out (MBO) of management buy-in (MBI). Ook de instap van een financiële partij onder de vorm van een leveraged buy-out (LBO) behoort tot het werkkader; herfinanciering van bestaande schulden om zo voldoende werkingsmiddelen in de onderneming te houden en ter versterking van de balans.

C. Waarborgen: Gigarant Gigarant is er voor ondernemingen die behoefte hebben aan kredietwaarborgen boven 1,5 miljoen euro. De waarborg kan oplopen tot 80% van het onderliggende krediet. De maximale looptijd bedraagt acht jaar. Het fonds beschikt over een totaal garantiebudget van drie miljard euro. Ter ondersteuning van de waarborgen kan Gigarant ook investeren via leningen en kapitaal. In 2020 werden vanuit Gigarant 27 waarborgen toegekend, goed voor een totaal waarborgbedrag van 257 miljoen euro en een financieringsbedrag van 398 miljoen euro. Figuur 23 Gigarant: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen (cumulatief). 3000

140 125

2500 1974

2000 1500

1143

1000 500 0

1515

1425

695

736

318 3989

125 2 2009

2010

13 428 2011

1170

2012

cumulatief waarborgbedrag

2488

84

29

25 682

698

2013

2014

100 80 60

65 48

759 18 444

1606

2090 98

120

40

37

20 851 2015

893 2016

cumulatief kredietbedrag

940 2017

1121 2018

1170 2019

1427 2020

0

cumulatief aantal verbintenissen

59


D. Investeringen via fondsen PMV Fondsinvesteringen voorziet in het ter beschikking stellen van risico- en groeikapitaal via onafhankelijke fondsen. Zo investeert PMV samen met andere, private investeerders (‘limited partners’) in investeringsfondsen beheerd door onafhankelijke fondsbeheerders (‘general partners’). Het zijn deze fondsen die risicokapitaal dan wel groeikapitaal verschaffen aan resp. start-ups & scale-ups en kmo’s. Op deze manier activeert PMV Fund-of-funds het beschikbare risico- en groeikapitaal in Vlaanderen en kunnen de investeringsmiddelen aanzienlijk toenemen om de ‘first equity gap’ van start-ups en de ‘second equity gap’ van scale-ups te dichten en het groeitraject van kmo’s te ondersteunen. PMV Fondsinvesteringen heeft in 2020 kapitaal toegezegd aan 10 nieuwe investeringsfondsen ten belope van 60 miljoen euro.

E. Coronaleningen Om de effecten van de coronacrisis voor Vlaamse bedrijven te temperen, creëerde PMV een financiële buffer op middellange termijn met achtergestelde leningen op 3 jaar. Dit als aanvulling op overbruggingskredieten op heel korte termijn vanuit het federale niveau. Hiermee komt Vlaanderen tegemoet aan de vraag van vele bedrijven om een financiële buffer op middellange termijn te creëren en zo de tijd te hebben om omzet en cashflow opnieuw op peil te brengen. De bedrijven krijgen uitstel van betaling van kapitaal en interest voor twee tot drie jaar. Zo creëert Vlaanderen extra financiële ademruimte voor gezonde bedrijven die mikken op een snelle doorstart met maximale tewerkstelling. De focus ligt op intrinsiek gezonde en levensvatbare start-upbedrijven en scale-ups, en ook mature bedrijven die tijdelijk in moeilijkheden komen door de coronacrisis en nood hebben aan financiële versterking om de gevolgen van de crisis bovenop te komen. Eind 2020 waren 358 coronaleningen goedgekeurd, waarvan 210 voor de doelgroep van de kmo’s en zelfstandigen en 148 voor de doelgroep van de start- en scale-ups. Het goedgekeurde kredietbedrag kwam neer op 155 miljoen euro.

2.2. “PMV/Z” Speciaal voor zelfstandige ondernemers, starters en kmo’s lanceerde PMV in mei 2016 het nieuwe label PMV/Z. Hiermee vereenvoudigt PMV het financieringsaanbod voor deze doelgroep en benadert zij dit marktsegment beter en op een meer commerciële manier. Dit specifieke label werkt daarvoor met een “standaardoplossing op maat”, die specifieke financieringsinstrumenten groepeert: de Startlening+, kmo-cofinanciering, de Waarborgregeling en de Winwinlening.

A. Startlening De Startlening van PMV/z is een achtergestelde lening voor alle starters (werkzoekenden én anderen) die nog niet of gedurende hoogstens 4 jaar actief zijn als zelfstandige in hoofdberoep. Er kan tot maximum 100.000 euro geleend worden. De lening heeft een looptijd van 3 tot 10 jaar en de rentevoet bedraagt 3% per jaar. In 2020 werden 93 startleningen aangegaan voor een gemiddeld bedrag van 51.780 euro. Dit betekent een totale investering van 4,8 miljoen euro.

B. Cofinanciering De Cofinanciering is een achtergestelde lening van maximum 350.000 euro, bestemd voor starters en bestaande ondernemingen. De lening wordt altijd gecombineerd met een financiering van een andere

60


partner, ofwel van een bank, investeringsfonds of crowdfunding platform waarmee PMV een samenwerkingsovereenkomst heeft, ofwel van een of meerdere business angels, van wie er minstens één lid is van BAN Vlaanderen. Een financiering door meerdere van voornoemde partijen is ook mogelijk. De cofinancier moet instaan voor minstens 20% van de globale financieringsbehoefte. PMV/Z komt tussen voor maximaal 50% van de totale investeringsbehoeften. In 2020 werden 117 Cofinancieringen aangegaan met een gemiddeld toegekend bedrag van 177.501 euro. Dit betekent een totale investering van 20,8 miljoen euro.

C. Cofinanciering+ De Cofinanciering+ is een achtergestelde lening van minimum 350.000 euro en maximum 700.000 euro, bestemd voor starters en bestaande ondernemingen die al een positieve cashflow genereren De lening wordt altijd gecombineerd met een cofinanciering, ofwel van een bank of investeringsfonds waarmee PMV/z een samenwerkingsovereenkomst heeft. Een cofinanciering door meerdere van deze partijen is ook mogelijk. De cofinancier moet instaan voor minstens 20 % van de globale financieringsbehoefte. PMV/z komt tussen voor maximaal 50 % van de globale investeringsbehoeften. In 2020 werden 14 Cofinanciering+ aangegaan met een gemiddeld toegekend bedrag van 613.421 euro. Dit betekent een totale investering van 8,6 miljoen euro.

D. Waarborgregeling De Waarborgregeling wil tegemoetkomen aan het tekort aan zekerheden waarmee ondernemingen vaak geconfronteerd worden, als zij een krediet willen verkrijgen van een bank. Ondernemingen die geen financieringsovereenkomst kunnen afsluiten door een gebrek aan voldoende waarborgen, kunnen via de waarborgregeling van PMV, bij 'financiële instellingen erkend als waarborghouder', tot 75% van de verbintenissen laten waarborgen door de Vlaamse overheid en dit tot een maximum bedrag van 1,5 miljoen euro. Ook voor bepaalde leasingcontracten geldt deze regeling. Figuur 24 Waarborgregeling: toegestaan waarborgbedrag, kredietbedrag en investeringsbedrag (miljoen euro) 800

729

700

630

600 457

500 400

334

300 200 100 0

504

101824

249 203 180 162 129 128 101 78 100 59

352 214

2005 2006 2007 2008 2009 2010 waarborg

754

639

559 453 319 204

2011

385

271 169

2012

492

454

420

259 165

2013

kredietbedrag

390 244 162

2014

380 305 194

2015

233

2016

420 259

2017

427 272

2018

295

485 300

2019 2020

investeringsbedrag

Van 2007 tot 2010 steeg het waarborgbedrag continu. Na een daling van de productie in de periode 20112014, knoopte de waarborgregeling terug aan met groei vanaf 2015. In 2020 werd een recordbedrag van 300 miljoen euro aan waarborgen gerealiseerd in 1914 verbintenissen (Figuur 25). De hefboomwerking blijft nog steeds groot, in 2020 werd namelijk voor elke euro waarborg 2,5 euro aan investeringen gerealiseerd.

61


Figuur 25 toont het aantal waarborgen en verbintenissen. Figuur 25 Waarborgregeling: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen 350

2500

300 250

1497

1668

1771 1576 1261

780

100 50 0

684

1914

1500

1286

1136

1000

706

500

246 10

2000

1572

200 150

1939 2005 1936

59

78

100

203

214

204

169

165

161

194

232

259

272

295

300

0

2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 waarborgbedrag

aantal verbintenissen

E. Winwinlening De Winwinlening is een mechanisme van PMV dat het voor kmo’s gemakkelijker maakt om financiering te vinden in hun directe omgeving. In juli 2013 werd het maximumbedrag opgetrokken tot 200.000 euro per kredietnemer. Voor deze gedeeltelijk gewaarborgde lening met fiscaal voordeel werden er in 2020 een recordaantal van 4.166 leningen geregistreerd bij PMV, voor een totaal financieringsbedrag van maar liefst 101 miljoen euro. Figuur 26 Winwinlening: bedragen (in miljoen euro) versus aantal verbintenissen 4166

120

4000

100

3500

80

2554

60 40

1669

1944

1905

2624

3000

2634

2500

2127

2000

1312

1500

851

1000

20 0

4500

24

36

47

53

48

50

60

59

63

101

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bedrag

500 0

Aantal

2.3. Media Invest Vlaanderen Media Invest Vlaanderen (MIV) is een joint venture tussen VRT, de Vlaamse Openbare Omroep (50%); en PMV NV, de onafhankelijke investeringsmaatschappij van het Vlaams Gewest (50%). PMV en VRT wensen hun krachten en expertise te bundelen om samen €10 miljoen te investeren in beloftevolle bedrijven binnen het Vlaamse media-ecosysteem. MIV streeft ernaar om een rendabele investeringsportefeuille uit te bouwen en 62


de professionalisering en het internationaal potentieel van de Vlaamse mediasector te ondersteunen en versterken. Media Invest Vlaanderen investeert via (converteerbare) achtergestelde leningen en/of kapitaalparticipaties van €250.000 tot €1.000.000 (richtbedragen). Voor hogere bedragen kan partner PMV aanvullend optreden. Naast de financiële middelen, stellen VRT en PMV hun uitgebreid netwerk en expertise ter beschikking van de ondernemers.

3. Instrumenten binnen de Limburgse Investeringsmaatschappij (LRM) LRM is een investeringsmaatschappij die economische groei in Limburg ontgint en stimuleert. LRM zorgt voor een stevige basis zodat bedrijven en projecten die duurzame jobs in Limburg creëren, kunnen groeien. Samen met de troeven van de regio Limburg, zorgen de financiële middelen en expertise van LRM voor een unieke voedingsbodem. LRM heeft vier kernactiviteiten. Als risicokapitaalverschaffer voorziet LRM bedrijven met een veelbelovend plan van ‘smart money’: naast de nodige financiële middelen, geeft LRM ook inhoudelijk en strategisch advies om de groeiplannen van startups, groeiende kmo’s en grote ondernemingen te helpen realiseren. LRM is een investeringsmaatschappij die impact wil hebben. LRM streeft bij haar investeringen naar winstgeneratie en werkt als een rollend fonds. Iedereen die met impact onderneemt in Limburg kan aankloppen bij LRM. In die zin is de Limburgse Investeringsmaatschappij een generalist, maar door de jaren heen werden wel specifieke competenties opgebouwd rond een aantal sectorgeoriënteerde investeringsthema’s: Technologie & Diensten, Slimme Maakindustrie, Duurzame Samenleving, Gezondheid & Zorg, en Vastgoed. Die focus zorgt ervoor dat LRM actief kan bijdragen tot de transformatie van het economische DNA van Limburg en dat portfoliobedrijven kunnen rekenen op relevante introducties binnen een uitgebreid netwerk. LRM ontwikkelt en beheert ook innovatief vastgoed om een stimulerend omgevingskader te scheppen voor ondernemers en doet dat aan de hand van campussen – zoals Corda Campus, DronePort en Thor Park –, een uitgebreid incubatorennetwerk van zeven sectorspecifieke incubatoren, bedrijventerreinen – zoals Kristalpark III in Lommel – en sectorspecifieke infrastructuur. LRM bouwt op die manier mee aan de werkplekken van de toekomst. Investeringen in innovatieve bedrijven, vastgoed en infrastructuur versterken de kennisopbouw en stoppen de ‘brain drain’. Het is dat verstrengelde aanbod van risicokapitaal en infrastructuur dat LRM uniek maakt. De herbestemming van de voormalige mijnsites in Limburg is ook één van de kernopdrachten van LRM. Het meest actueel zijn vandaag de herbestemming van be-MINE – de voormalige mijnsite van Beringen – en Terhills, de voormalige mijnsite van Eisden in Maasmechelen/Dilsen-Stokkem. LRM investeert er gericht in toeristische projecten en bovenregionale attracties die een positief langetermijneffect hebben op de regio. Tot slot zet LRM in op innovatieve en impactvolle klimaatprojecten en eco-initiatieven die niet alleen kaderen binnen het eigen (klimaat)investeringsplan, maar ook binnen de Vlaamse en internationale klimaatdoelstellingen. LRM heeft de expertise en de middelen in huis om strategische impactprojecten in de groene energieproductie te realiseren: windmolens, zonne-energie, energieopslag… Bij de hernieuwbare energieprojecten gaan economie en ecologie steeds hand in hand. LRM engageert zich ook om haar steentje bij te dragen aan de ‘Sustainable Development Goals’ of ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen’ van de Verenigde Naties. In 2020 investeerde LRM 54,700 miljoen euro in 74 bedrijven en projecten (zie Figuur 27).

63


Figuur 27 Evolutie van het Investeringsvolume (in 1000 euro) en het aantal investeringsdossiers LRM, 2005 - 2020 120

90000 80000

104 86

70000

100 89

60000

73

50000

40

30000 20000 15

17

21

45

47

74

80

63

58

40000

10000

84

60

49

40

27 20

0

0 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 investeringsvolume

investeringsdossiers

Om de drempel naar groeifinanciering zo laag mogelijk te houden voor de Limburgse kmo’s, heeft LRM twee standaardproducten geïntroduceerd: de KlimOp-lening en de Plus-lening. Daarnaast zijn er verschillende mogelijkheden om groeiverhalen van bedrijven te ondersteunen door middel van risicokapitaal.

A. LRM Plus-lening LRM heeft met de PLUS-lening een gestandaardiseerde achtergestelde lening zonder waarborgen voor kleine en middelgrote ondernemingen. Dat kan voor bedragen van 50.000 tot 600.000 euro. De PLUS-lening is een aanvulling op de eigen middelen van de kmo zelf en dient dan ook als ideale financieringshefboom voor bancaire kredieten en financiering. Bankiers beschouwen de PLUS-lening immers quasi als eigen vermogen. In 2020 gingen acht KMO’s deze lening aan voor een totaalbedrag van 1,780 miljoen euro.

B. LRM KlimOp-lening Voor kleine ondernemingen voorziet LRM met de Klimop-lening een laagdrempelige achtergestelde lening van 50.000 euro tot maximum 250.000 euro. De rentevoet is vast (4%) en verlaagt tot 3% vanaf het moment dat de onderneming vijf nieuwe werkplaatsen creëert. De KlimOp-lening is zo een hefboom voor extra bankfinanciering. In 2020 gingen twintig ondernemingen een dergelijke lening aan voor een totaalbedrag van 2,225 miljoen euro.

C. LRM Venture capital LRM financiert ondernemingen in een vroeg ontwikkelingsstadium met kapitaal. In 2020 werden vierentwintig ondernemingen met venture capital gefinancierd voor een totaalbedrag van 16,169 miljoen euro.

D. LRM Private equity LRM financiert ondernemingen in hun groeifase of in een situatie van reorganisatie met risicodragend vermogen (private equity). In 2020 werden vier ondernemingen gefinancierd voor een totaalbedrag van 1,802 miljoen euro.

64


E. LRM Mezzanine LRM geeft ook achtergestelde leningen (mezzanine) die tussen het eigen vermogen en de bank instaan. In 2020 verstrekte LRM twee nieuwe mezzanineleningen voor een totaalbedrag van 2,225 miljoen euro.

F. LRM Fund-of-fund Om sectorverbreding mogelijk te maken, investeert LRM ook in andere investeringsfondsen. In 2020 realiseerde LRM vijf fund-of-fundinvesteringen voor een totaalbedrag van 1,973 miljoen euro.

G. LRM Infrastructuur LRM investeerde in 2020 ten slotte 38,496 miljoen euro in elf infrastructuurdossiers.

65


4. Instrumenten binnen Gimv Gimv is een Europese investeringsmaatschappij met 40 jaar ervaring in private equity en venture capital. Gimv is sinds 1997 genoteerd op Euronext Brussel en heeft vandaag 2,0 miljard EUR onder beheer. De portefeuille is geïnvesteerd in ongeveer 50 portefeuillebedrijven die samen een omzet van 2,5 miljard EUR realiseren en 14 000 professionals tewerkstellen. Als erkend marktleider in geselecteerde investeringsplatformen identificeert Gimv ondernemende en innoverende bedrijven met een groot groeipotentieel en begeleidt ze in hun transformatie tot marktleiders. De vier investeringsplatformen zijn: Connected Consumer, Health & Care, Smart Industries en Sustainable Cities. Elk van deze platformen werkt met een bekwaam en toegewijd team in de thuismarkt van Gimv (Benelux, Frankrijk en Duitsland) en kan rekenen op een uitgebreid internationaal netwerk van deskundigen. INVESTERINGSCRITERIA -

ambitieuze en innovatieve bedrijven met een sterk groeipotentieel kleine tot middelgrote bedrijven met een ondernemingswaarde tot 250 miljoen EUR bedrijven met een kapitaalbehoefte van 5 tot 50 miljoen EUR bedrijven met hoofdzetel in de Benelux, Frankrijk en de DACH-landen bedrijven met een sterk management, een heldere bedrijfsvisie en een strategie gebaseerd op duurzame waardecreatie en een betekenisvolle meerwaarde voor de samenleving

De maatregelen hier besproken zijn geen overheidssteun in strikte zin en Gimv is evenmin onderdeel van de Vlaamse overheid: via VPM en met 26,82% van de aandelen is de Vlaamse overheid wel de grootste referentieaandeelhouder van Gimv.

66


5. Instrumenten binnen Investeringsfonds (SIFO)

de

sociale

economie:

het

Sociaal

Het Sociaal Investeringsfonds (SIFO) verleent voordelige leningen aan bedrijven uit de sociale economie. De doelgroep zijn ondernemingen die focussen op die sectorwerkgelegenheid en werkgelegenheid voor mensen met een bepaalde afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn ook een democratische besluitvorming en voorrang van realisatie van het maatschappelijk doel op de vergoeding van de aandeelhouders, belangrijk. Het Sociaal Investeringsfonds doet dat door trekkingsrechten te verlenen aan erkende financiers (Socrowd, Hefboom, Trividend en Trividend Provincie Antwerpen). Trekkingsrechten geven de erkende financiers het recht om cofinanciering te krijgen van het SIFO. Zij kunnen die gebruiken om, samen met eigen middelen, organisaties te financieren die actief zijn in de sociale economie. Het SIFO komt tussen bij volgende financieringen: investeringskredieten, bedrijfskapitaalkredieten, achtergestelde leningen en overbruggingskredieten.

A. Socrowd Socrowd staat voor Sociale Crowdfunding en werd opgericht in juni 2013, als eerste sociaal crowdfundingplatform voor Vlaanderen en Brussel. Socrowd geeft financiële zuurstof aan duurzame en sociale initiatieven in de sectoren Onderwijs, Socio-Cultureel, Welzijn, Noord-Zuid, Sociale Economie en Ecologie. Socrowd geeft renteloze leningen die voor 1/3 bestaan uit kapitaal dat door de ontvanger is gecrowdfund in zijn omgeving. Socrowd legt daar vanuit zijn eigen kapitaal 2/3 van het bedrag bij, in de vorm van een rentevrije lening. Zo versterkt een crowdfundingsactie de banden met de achterban en kan de organisatie ethisch geld lenen aan een laag tarief. Door een solide begeleiding klokt bijna ieder project af op minstens 100% van het doelbedrag. Binnen PMV wordt Socrowd erkend door twee ondersteuningsfondsen: • Waarborgbeheer NV: erkenning als waarborghouder • Sociaal Investeringsfonds: erkenning als cofinancier.

B. Hefboom & Impulskrediet Hefboom ondersteunt sociaal en duurzaam ondernemen. Hefboom doet dat door het verschaffen van advies, dienstverlening en financiering. Hefboom financiert organisaties die zich inzetten voor een sociale en duurzame samenleving, ondernemingen zoals maatwerkbedrijven, organisaties werkzaam in gezondheid, gelijke kansen, welzijn, sociaal-cultureel werk, non-profit, ecologie en duurzaamheid. Hefboom beheert daarnaast ook financieringsproducten op maat van een sector of een specifieke doelgroep zoals Impulskrediet, Cultuurkrediet en de Renteloze Kunstlening. Voor die financiering werkt Hefboom samen met het Sociaal Investeringsfonds (SIFO) onder de vleugels van PMV. Het SIFO cofinanciert kredieten van Hefboom aan organisaties die sociale tewerkstelling creëren. Hefboom is een door het SIFO erkend financier. Impulskrediet verstrekt microkredieten tot 25.000 euro aan (startende) ondernemers in Vlaanderen en Brussel die omwille van bepaalde redenen niet (meer) terecht kunnen bij een reguliere bank. Op die manier krijgen kansengroepen de mogelijkheid om uit een negatieve maatschappelijke en sociale spiraal te stappen, hun zakelijke plannen concreet gestalte te geven en hun professionele leven een duwtje in de rug te geven. Voor het verschaffen van de microkredieten werkt Impulskrediet ook samen met het SIFO die tevens de microkredieten van Impulskrediet cofinanciert.

67


C. Trividend Trividend cv is het Vlaams Participatiefonds voor de sociale economie. Trividend ondersteunt sociaal ondernemerschap door risicokapitaal ter beschikking te stellen aan bedrijven die bijdragen aan de tewerkstelling van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt en aan sociale ondernemingen die bijdragen aan de realisatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Trividend financiert enerzijds via achtergestelde en converteerbare leningen van 50.000 tot 450.000 euro en anderzijds via participaties voor 50.000 tot 150.000 euro. Voor grotere bedragen wordt vaak samengewerkt met andere financiers. Dankzij de steun van haar aandeelhouders, de Vlaamse overheid, SIFO en Waarborgbeheer NV kan Trividend gunstige tarieven aanbieden.

D. Trividend Provincie Antwerpen Trividend Provincie Antwerpen is een fonds dat achtergestelde leningen van €10.000 tot €50.000 verschaft aan bedrijven uit de sociale economie in de provincie Antwerpen. De toegekende lening moet minstens twee van de volgende doelstellingen beogen: • meer doorstroom van kansengroepen op de arbeidsmarkt bewerkstelligen • nieuwe ecologisch duurzame activiteiten genereren, • een samenwerking tussen de sociale en de reguliere economie bevorderen of tot stand brengen.

68


Hoofdstuk 2 Ondernemerschap bevorderen Initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap worden zowel genomen binnen het beleidsdomein EWI, via het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO), als binnen het beleidsdomein Werk en Sociale Economie.

1. Initiatieven vanuit het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) Om ondernemerschap te stimuleren ontwikkelt het Agentschap Innoveren en Ondernemen acties om de (potentiële) ondernemers te ondersteunen in hun ambitie. Er worden initiatieven aangeboden die de ondernemer trachten sterker te maken en die ervoor zorgen dat hij meer bewust is van de uitdagingen waar hij voor staat. De ondernemer kan dan volgens zijn eigen behoeften gebruik maken van dit aanbod en zich vervolgens laten bijstaan door ondersteunende (private) organisaties en/of een professioneel netwerk. In die context richt de overheid zich hoofdzakelijk op: a)

de toegang tot competenties en vaardigheden, hieronder ingevuld door: o sensibilisering, bewustmaking, cultuur en beeldvorming ondernemerschap o de levenscyclusbenadering van ondernemerschap m.i.v. ondernemende jeugd & ondernemend onderwijs, (pre)start, (hoge) groei en continuïteit b) de toegang tot financiering c) de toegang tot kennis. Rond deze thema’s worden acties opgezet, meestal vanuit een levenscyclusbenadering. De gekozen methodieken behoren veelal tot de volgende categorieën: inspireren, informeren, adviseren, begeleiden en coachen, opleiden, vervullen van formaliteiten, een netwerk aanbieden, enz. In juli 2015 keurde de Vlaamse Regering de visienota ‘Meer en ambitieuzer ondernemerschap’ goed. In uitvoering hiervan duidde de Vlaamse overheid enerzijds een aantal structurele partners aan (de innovatiecentra, FDC, Vlajo, Stichting Ondernemen en Onderwijs, BAN-Vlaanderen en Dyzo) en anderzijds besliste ze om de brede levenscyclusbegeleiding van ondernemingen uit te besteden via een overheidsopdracht. Deze overheidsopdracht werd eind 2015 uitgeschreven. Na onderhandelingen werden in mei 2016 elf vooral private partners geselecteerd die elk een sterk aanbod hebben om de doelstelling ‘meer starters, meer blijvers en meer groeiers’ vorm te geven. Deze acties spelen in op 3 domeinen: • • •

creëren van een cultuur van (ambitieus) ondernemerschap begeleiding op maat van de levenscyclus van het bedrijf met focus op (pre)starters en met aandacht voor financiering en continuïteit hoge groeibedrijven/ambitieus ondernemerschap

Volgende partners zullen samen met VLAIO voor elke levensfase van een onderneming een aanbod in de markt zetten: EY, Flanders DC, Netwerk Ondernemen, NSZ, Ondernemingsplanwedstrijd, Sirris, Startups.be, TBVOB, Unizo, VCB en Voka. Op de website www.sterkondernemen.be, of via de coaching en adviesdatabank op de website van VLAIO kan de laatste stand van zaken van het aanbod teruggevonden worden.

69


In 2019 zette VLAIO verder in op het samenbrengen van de partnerorganisaties in een hecht netwerk waarin de verschillende actoren met elkaar samenwerken en elkaar inspireren. VLAIO nam zijn regierol in het landschap opnieuw op en rolde opnieuw een activiteitenprogramma uit voor en door het VLAIO Netwerk. Voor beeldvorming op het vlak van ondernemerschap, ondernemen en innoveren heeft het agentschap in de lopende overheidsopdracht ondernemerschap enkele dienstverleners aangeduid die in de periode 20172020 campagnes met bijhorende acties uitrollen om hieraan te werken. Enerzijds is er Flanders DC. De VOKA OpenBedrijvendag trekt nog steeds elk jaar ruim 500.000 bezoekers naar Vlaamse bedrijven die hun deuren openstellen. De formule blijft succesvol en kiest jaarlijks een thema. Daarnaast liep ook de campagne ‘Met falen en opstaan’ (Failing Forward) van Startups.be verder in 2019. Het doel van deze campagne is de perceptie op falen bij het grote publiek te verbeteren. Via de werkgroep STEM die maandelijks samenkomt, faciliteert VLAIO een afstemming tussen beleidsdomeinen. Tijdens deze werkgroep wordt vanuit de verschillende entiteiten informatie gedeeld over evoluties binnen het eigen beleidsdomein en wordt de ruimte gegeven om samen mee te denken om actielijnen op basis van deze evoluties uit te werken. Daarnaast worden ook samen initiatieven opgezet zoals bijvoorbeeld de voorbereiding voor het nieuwe STEM-actieplan en nieuwe oproepen. Naast de overheidsopdracht werd eind 2015 ook een EFRO-projectoproep gelanceerd rond ecosystemen voor student-ondernemers. Aalst, Antwerpen, Brugge, Geel, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk en Leuven – de Vlaamse studentensteden – zullen via deze oproep student-ondernemers een duwtje in de rug kunnen geven. In 2017 werd dit aanbod vernieuwd en werd Mechelen toegevoegd aan de ecosystemen studentensteden. Steden, onderwijsinstellingen, lokale bedrijven, organisaties en studentenverenigingen slaan de handen in elkaar en zullen zorgen voor een ondernemende omgeving voor studerende jongeren. Deze kruisbestuiving moet resulteren in een goede ondersteuning van studenten en jongeren inzake ondernemingszin en ondernemerschap. Het ondersteunen van deze ecosystemen moet leiden tot een reële werking die niet alleen de studenten stimuleert, maar evenzeer de andere partners zoals docenten en bedrijven. Met de nodige ondersteuning zullen studenten nog tijdens hun studies de stap naar ondernemerschap kunnen zetten. Binnen de hogescholen wordt veel kennis opgebouwd die een meerwaarde kan zijn voor ondernemingen. Deze kennis vindt echter niet altijd zijn weg naar de onderneming, maar ook kmo’s vinden niet altijd hun weg naar de hogescholen. Door de hogescholen werd onder coördinatie van VLHORA een nieuw kennisdiffusie-instrument ontwikkeld genaamd ‘Blikopener’. Het instrument zet in op de expertise binnen het netwerk van hogescholen en legt de nadruk op het versterken van: (1. De interne organisatie; 2. Het dienstenaanbod; 3. De externe zichtbaarheid en relaties; 4. De rapportering). VLAIO ondersteunde dit instrument financieel. Daarnaast streefde VLAIO naar het inbedden van dit instrument en de individuele hogescholen in het VLAIO Netwerk. Met de Sociale InnovatieFabriek, afgekort SIF, had VLAIO een partnerschap voor 3 jaar (2017-2019). De missie van SIF is het stimuleren, ondersteunen en promoten van sociaal ondernemerschap en brede sociale innovatie. Voor de periode 2017-2019 zette SIF in op inspireren en sensibiliseren – versterken – verbinden – internationalisering - trajecten - ontwikkeling. Er werd een subsidie van 400.000 euro per jaar toegekend of 1,2 miljoen euro voor de periode van 3 jaar. In 2019 bereikte SIF via 75 events (inspiratiesessies en netwerking) in totaal zo’n 2.677 geïnteresseerde personen. De werking van bovenvermelde partners wordt zoals gezegd aangevuld met de werking van een aantal andere structurele partners: innovatiecentra (in 2018 gefusioneerd tot vzw Bedrijfstrajecten), Flanders DC, Vlajo, Stichting Onderwijs & Ondernemen, vzw BAN Vlaanderen en Dyzo. In het jaarverslag van VLAIO kan u terecht voor meer informatie over de partners.

70


Op 26 juni 2020 besliste de Vlaamse regering dat ook de komende 4 jaar Vlaanderen 90 miljoen euro investeert om ondernemerschap en innovatie in Vlaanderen te stimuleren via “structurele partners ondernemerschap en innovatieversnelling binnen het VLAIO netwerk”. 11 geselecteerde organisaties zullen een waaier aan dienstverlening aan Vlaamse ondernemingen aanbieden. Zij engageren zich om ondernemers te sensibiliseren, te begeleiden en te ondersteunen op cruciale momenten in hun levenscyclus. Een selectie van 11 dienstverleners van VLAIO zal de komende 4 jaar jaarlijks 22,5 miljoen euro steun krijgen om een sterk en enthousiasmerend aanbod te creëren voor het Vlaams ondernemerslandschap. Zij zullen zich tot 2024 toeleggen op: 1. 2. 3. 4.

Sensibilisering, bewustmaking en beeldvorming rond ondernemen en innoveren; Begeleiding van ondernemers op kantelmomenten in hun werking; Geïntegreerde selectieve begeleiding van ambitieuze starters en groeiers; Creatie van lerende netwerken rond vernieuwing van de bedrijfsvoering en de versnelde adoptie van bewezen technologieën.

Doelstelling is ondernemers via honderden acties en initiatieven te versterken. Het pakket omvat een mix van werkvormen zoals evenementen, infosessies, webinars, online-tools, missies, bootcamps, individuele en collectieve begeleiding. Dat zal onder meer gebeuren via nieuwe methodes zoals podcast of Whatsapp. De 11 dienstverleners zijn: Unizo, Voka, NSZ, Sirris, Agoria, Starterslabo, Scale-ups.eu, Netwerk Ondernemen, Netwerk voor Innovatieversnelling in de Bouw, Verso en Syntra West. Sirris, Agoria, Verso en Syntra West zijn nieuw. Innovatie staat voorop met thema’s zoals Artificiële Intelligentie en Cybersecurity. Circulaire economie, klimaat & energie zijn nieuw binnen de dienstverlening. Met Verso is er voor het eerst een partner uit de social profit.

71


2. Initiatieven vanuit het beleidsdomein WSE 2.1.1. Begeleidingstrajecten sociaal ondernemen (Start SOON) Kandidaat-ondernemers die aan een maatschappelijke uitdaging willen werken en sociale impact willen realiseren worden in deze trajecten begeleid bij het vertalen van hun idee naar een realiseerbaar ondernemingsplan. Het aanbod toont de ondernemers de mogelijkheden, opportuniteiten en uitdagingen van een sociale onderneming. De trajecten focussen zich daarom niet enkel op bedrijfseconomisch vlak, maar ook op de bredere werking; zoals maatschappelijk verantwoord ondernemen en de betrokkenheid van stakeholders, het HR-beleid voor start-ups, de uitdagingen in de begeleiding van kansengroepen als werknemer, de aanpassing van arbeidsprocessen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt, etc. De deelnemers kunnen zo een economisch relevante dienstverlening uitbouwen die sociale impact realiseert. Concreet is de doelstelling van deze opdracht om de deelnemers klaar te stomen voor de effectieve opstart. Het aanbod is daarom tweeledig. Er is een basistraject en een acceleratietraject beschikbaar. Het basistraject reikt de deelnemers een algemene introductie aan in alle aspecten die komen kijken bij de oprichting van een sociale onderneming en biedt begeleiding aan bij de opmaak van het ondernemersplan. Het acceleratietraject beloont sterke ondernemersideeën met een doorgedreven individuele begeleiding. Deze ondernemingsideeën stromen door uit het basistraject na beoordeling van de jury in een pitchmoment. In het acceleratietraject is er voornamelijk aandacht voor de specifieke behoeften uit het eigen ondernemersidee.

2.1.2. Oproep sociaal ondernemen oprichting Kandidaat-ondernemers die aan een maatschappelijke uitdaging willen werken en sociale impact willen realiseren kunnen door deel te nemen aan deze oproep een deel van hun oprichtingskosten recupereren bij de effectieve opstart van hun zaak. Het kan daarbij gaan om volledig nieuwe initiatieven of samenwerkingsverbanden tussen bestaande (sociale) ondernemingen die leiden tot de oprichting van een nieuwe, sociale onderneming. Ook zijn alle organisatievormen toegelaten, zoals de coöperatieve vennootschap en de vzw. Wanneer de ondernemers met relevante informatie voldoende het maatschappelijke nut en de concrete meerwaarde van het ondernemersidee aantonen komen de kosten die relevant zijn voor de opstart in aanmerking voor een gedeeltelijke terugbetaling tot 14.000 euro. Het kan daarbij gaan over advieskosten bij de oprichting van de nieuwe sociale onderneming; zoals het schrijven van de statuten, boekhoudkundig, financieel, juridisch of management advies, … Maar evenzeer over uitgaven zoals, de kosten voor de publicatie in het staatsblad, voor de neerlegging van de jaarrekening of de notariskosten,…. Daarnaast krijgen geslaagde projecten een forfait van 6.000 EUR als compensatie van hun tijdsinvestering om het project te realiseren. De publicatie van de statuten in het Belgisch Staatsblad vormt de verplichte output van dit project.

72


2.1.3. Oproep sociaal ondernemen innovatie De Vlaamse economie blijft veranderen. Maar zulke veranderingen, vb. onder de vorm van nieuwe technologieën en digitalisering, betekenen ook opportuniteiten voor ondernemers. Met deze oproep ondersteunt men ondernemers die antwoorden zoeken op deze uitdagingen en innovatie-opportuniteiten detecteren. Men ondersteunt enerzijds het conceptualiseren en ontwikkelen van innovatieve activiteiten met als doelstelling om onaangesproken markten aan te spreken. Deze activiteiten kunnen betrekking hebben op zowel de dienstverlening, producten, businessmodellen als samenwerkingsmodellen. Daarnaast komt het optimaliseren en innoveren van de bestaande bedrijfsprocessen om toekomstgericht te ondernemen en optimaal te kunnen reageren op toekomsttrends in aanmerking. De subsidie kan verleend worden aan maatwerkbedrijven, maatwerkafdelingen en lokale diensteneconomieondernemingen. Maar evenzeer aan samenwerkingsverbanden tussen bovenstaande ondernemingen en derden, zoals wetenschappelijke instellingen of reguliere bedrijven. De subsidie bedraagt 70% van de aanvaarde projectkosten met een maximumsteun van 50.000 euro. Zowel loonkosten als werkingskosten komen in aanmerking.

2.1.4. Starterslabo Een starterslabo (voorheen activiteitencoöperatie) coacht niet-werkende werkzoekenden naar zelfstandig ondernemerschap met behoud van hun werklozenstatuut en eventuele uitkering. Het starterslabo biedt begeleiding en coaching aan bij de uitwerking van het ondernemingsplan en laat de kandidaat-zelfstandigen toe hun ondernemingsidee binnen een beschermde onderneming te testen. Op basis van hun reële ervaringen kunnen de kandidaat-ondernemers dan beslissen of hun ondernemersproject in de praktijk haalbaar is en of ze de stap zetten naar het zelfstandigenstatuut. Hiermee wil men de reële slaagkans van de toekomstige onderneming verhogen. Daarnaast moet de coaching vanuit een starterslabo ondernemerszin (empowerment) bijbrengen die tevens kan uitmonden in een baan in loondienst op maat van de kandidaat-ondernemer. Elke provincie in Vlaanderen telt één starterslabo. Zij zijn erkend en worden gesubsidieerd door de Vlaamse overheid (beleidsdomein WSE).

2.1.5. Trajecten naar ondernemerschap Als vervolg van het ESF-project ‘Maak Werk van je Zaak’ en het AZO-project (begeleiding van vluchtelingen naar ondernemerschap) binnen het Europees Sociaal Fonds (ESF) werd een nieuw project opgestart: Jumpstarters. . Wie als werkzoekende droomt van een zaak, wordt gratis begeleid tot aan de opstart van zijn bedrijf. Dit project wordt mogelijk gemaakt door SYNTRA Limburg, Stebo, de afdeling ESF en duurzaam ondernemen binnen het departement WSE, VDAB en het Agentschap Innoveren en Ondernemen. De kandidaatondernemers zijn niet-werkende werkzoekenden, deeltijds werkenden met inkomensgaranties. Ook personen bedreigd door een collectief ontslag, sluiting van de onderneming of die individueel ontslagen werden omwille van economische redenen vormen de doelgroep. Er wordt specifieke begeleiding geboden voor elke werkzoekende/kandidaat-ondernemer op zoek naar zelfstandig werk. Dit betekent hulpverlening op maat inzake oriëntering, advies en begeleiding aan de hand van een menukaart. Deze bestaat uit (kortlopende) activiteiten waarop de kandidaat-ondernemer een beroep kan doen om de haalbaarheid van zijn projectidee te toetsen en vervolgens de opstart grondig voor te bereiden. Deze menukaart is een verzameling van reeds

73


bestaande activiteiten, georganiseerd door diverse private en publieke organisaties, waaronder ook initiatieven van VLAIO.

2.1.6. Transitiepremie Een maandelijkse transitiepremie voor ondernemers kan toegekend worden aan een werkzoekende die zich in het Vlaamse Gewest vestigt als zelfstandige in hoofdberoep nadat hij een prestarterstraject met succes heeft beëindigd. De werkzoekende dient minstens 45 jaar oud te zijn in de maand waarin met start als zelfstandige en mag nog geen recht hebben op een pensioen. Het totale bedrag dat de ondernemer ontvangt bedraag 16.230€ en wordt uitbetaald over een periode van twee jaar. De eerste maand ontvangt de ondernemer 1.040€. Dit bedrag neemt af doorheen de tijd en de laatste maand ontvangt men 312€. Een prestarterstraject focust op de voorbereiding van de opstart van een eigen onderneming. Het prestarterstraject heeft tot doel aan te leren hoe een ondernemings- en financieel plan wordt opgesteld, waarbij de haalbaarheid van het ondernemersidee wordt ingeschat. Dit moet garanderen dat een kandidaat ondernemer met een realiseerbaar ondernemingsidee start. Het prestarterstraject omvat daartoe de volgende elementen: De opmaak van een goed uitgewerkt en haalbaar businessplan; Het versterken van de algemene ondernemingscompetenties. Het prestarterstraject heeft een minimum doorlooptijd van zes weken. In het kader van het VESOC-akkoord ‘Alle hens aan dek’ is er een tijdelijke verruiming van de doelgroep goedgekeurd door de Vlaamse regering. Vanaf 1 april 2021 kunnen alle werkzoekenden die aan de voorwaarden voor het ontvangen van de transitiepremie voldoen, de premie ontvangen. Tegelijk wordt het bedrag van de premie gewijzigd naar 7.800€. Voor werkzoekenden ouder dan 45 jaar zal deze wijziging pas in werking treden vanaf 1 juni 2021. Deze verruiming van de doelgroep en de wijziging van het bedrag van de premie is niet meer in voege vanaf 1 april 2022. Meer informatie is beschikbaar via volgende link (https://www.vlaanderen.be/transitiepremie).

74


Hoofdstuk 3 Vlaams clusterbeleid

41

Het Vlaams clusterbeleid wil onbenut economisch potentieel ontsluiten en de competitiviteit van Vlaamse ondernemingen verhogen via een actieve en duurzame samenwerking tussen actoren. Het programma valt onder de verantwoordelijkheid van VLAIO. Dit clusterbeleid richt zich naar samenwerkingsverbanden van Vlaamse ondernemingen met groeiambities, innovatiebewust, met internationale blik en openstaand voor samenwerking met andere ondernemingen en kenniscentra, zowel voor de realisatie van hun individuele bedrijfsdoelstellingen als voor het bijdragen aan een competitiviteitsverhoging bij een grote groep van Vlaamse ondernemingen. Het clusterbeleid is complementair aan het reguliere steuninstrumentarium voor individuele ondernemingen. Er zijn twee types van clusters: de speerpuntclusters en de innovatieve bedrijfsnetwerken. Het verschil wordt uitgelegd in Tabel 15. Tabel 15 Overzicht van de voorwaarden voor speerpuntclusters en innovatieve bedrijfsnetwerken

A) Speerpuntclusters B) Innovatieve bedrijfsnetwerken Voorwaarden voor zowel speerpuntclusters als innovatieve bedrijfsnetwerken: • Actieve betrokkenheid en directe sturing door bedrijven • Samenwerking tussen bedrijven als rode draad • Gedragen visie: actieplan/competitiviteitsverhoging op maat van leden • Clusterorganisatie als facilitator • Gericht op wegwerken gemeenschappelijke (kennis)drempels • Activiteiten langsheen het innovatiespectrum • Internationale oriëntatie Voorwaarden specifiek voor Voorwaarden specifiek voor innovatieve speerpuntclusters bedrijfsnetwerken Aansluiting bij strategische domeinen / 5-tal Bottom up / 15-tal Ambitieus, grootschalig, LT visie Beperktere ambitie / KT actieplan Triple helix constellatie vereist Alle relevante actoren, focus op bedrijven Overeenkomst uitvoering comp progr. + Overeenkomst uitvoering actieplan clusterpact Max 10j, 50% private bijdr., Max 3j, 50% private bijdr, max 500 k€/j steun max 150 k€/j steun Inmiddels werden in totaal 7 speerpuntclusters erkend en 20 innovatieve bedrijfsnetwerken. Samen bereikten de speerpuntclusters in 2020 ruim 2000 ondernemingen en de innovatieve bedrijfsnetwerken nog eens circa 1150 ondernemingen. Het gaat hierbij om een goede mix van grote, middelgrote en kleine Vlaamse ondernemingen.

41 Met dank aan Annie Renders en Jeroen Fiers van VLAIO voor het aanleveren van de gegevens. Meer details over de Speerpuntclusters vindt de lezer in de Speurgids 2019.

75


Figuur 28 Bereik Vlaams clusterbeleid in 2020

1. Speerpuntclusters Het zwaartepunt van het Vlaams clusterbeleid ligt bij een beperkt aantal grootschalige en ambitieuze speerpuntclusters. Voor deze speerpuntclusters geldt dat ze voor een voor Vlaanderen strategisch domein, in een samenwerkingsverband tussen ondernemingen, kennisinstellingen en overheid (triple-helix) een ambitieuze LT-strategie en competitiviteitsprogramma ontwikkelen en uitvoeren. Er werden voor de speerpuntclusters drie rollen gedefinieerd. −

De eerste rol bestaat erin dat een speerpuntcluster (en de clusterorganisatie die optreedt als facilitator) in het Vlaams innovatiesysteem als centrale actor of spil fungeert voor het strategisch domein en door alle betrokkenen in die hoedanigheid erkend wordt. − Een tweede rol van speerpuntclusters bestaat in het opzetten en genereren van samenwerkingsinitiatieven tussen en/of voor de clusterleden langsheen het gehele innovatiespectrum, en passend in het behalen van de doelstellingen van het competitiviteitsprogramma. − Een derde rol voor speerpuntclusters bestaat erin dat ze van alle betrokken actoren het mandaat hebben om programma-middelen ter uitvoering van het competitiviteitsprogramma te beheren en eveneens middelen (inclusief mensen) mobiliseert bij de relevante Vlaamse actoren (ondernemingen, kennisinstellingen, onderzoekscentra, …) voor het realiseren van de LT-strategie. De steun aan de clusterorganisatie voor speerpuntclusters is maximaal 500.000 euro per jaar. Het steunpercentage bedraagt 50%, waarbij de overige 50% van de middelen rechtstreeks van de bedrijven dient te komen.

1.1. Portfolio aan speerpuntclusters Momenteel telt Vlaanderen 6 speerpuntclusters. Voor FLUX50 en de Blauwe cluster geldt dat het gaat om nieuwe initiatieven. De overige vier speerpuntclusters kennen een verleden als competentiepool en/of lichte structuur. De speerpuntclusters beschikken voor de basiswerking over een bezetting tussen de vijf en tien medewerkers.

76


Tabel 16 Portfolio van gesteunde speerpuntclusters

Catalisti VIL SIM FLUX 50 Flanders’ Food Blauwe Cluster flanders.healthTech

Domein Duurzame chemie Logistiek Materialen Energie Agri-voeding Blauwe economie Gepersonaliseerde en digitale geneeskunde, gezondheidszorg en zorginnovatie

Historiek Gestart als competentiepool Gestart als initiatief van de Vl. Regering Gestart als competentiepool Nieuw bottom-up initiatief Gestart als competentiepool Nieuw bottom-up initiatief Voortbouwend op IBN Flanders.Health en erkend medio 2021

1.2. Geoormerkte middelen voor clusterprojecten Specifiek voor de speerpuntclusters geldt dat ze voor de uitvoering van hun competitiviteitsprogramma aanvullend kunnen beschikken over uit het Fonds Innoveren en Ondernemen geoormerkte middelen voor het faciliteren van samenwerkingsprojecten die passen in de clusterroadmap. In 2020 was in totaal 55 mio EUR aan gereserveerde middelen beschikbaar voor clusterprojecten van speerpuntclusters. In Tabel 17 wordt een overzicht gegeven van de benutting van de geoormerkte middelen door de verschillende speerpuntclusters. Tabel 17 Benutting van geoormerkte middelen door de speerpuntclusters in 2020

Catalisti

De Blauwe Cluster Flanders' FOOD Flux50 SIM VIL

Intercluster Totaal

# projecten 7 7 8 9 4 12 4 51

Beslist in 2019 steun (MEUR) 10.4 7.9 8.5 8.5 8.0 6.1 5.3 55

Naast de projectgeneratie van clusterprojecten op de geoormerkte middelen zijn de speerpuntclusters ook betrokken bij het actief inkoppelen van de clusterleden in andere projectoproepen in Vlaanderen en Europa.

1.3. Historiek benutting geoormerkte middelen voor speerpuntclusters Inmiddels loopt het clusterbeleid sinds 4 jaar. Tabel 18 geeft weer wat de historiek is van de inzet aan geoormerkte middelen.

77


Tabel 18 Evolutie Clusterprojecten van de speerpuntclusters

2017 # projecten CATALISTI De Blauwe Cluster FLANDERS' FOOD FLUX50 SIM VIL Intercluster TOTAAL Bron: VLAIO, ICAROS

11

steun (MEUR) 12,7

2018 # projecten steun (MEUR) 7 10,1

13 29 17 9 6 85

4,9 2, 7 22,7 2,1 2,6 47,7

8 10 3 11 2 41

9,1 16,9 6,0 3,4 0,3 45,8

2019 # projecten steun (MEUR) 5 11,0 14 17,2 10 19,1 16 13,7 6 11,7 11 6,4 5 6,2 67 85,3

2017: Projecten op de geoormerkte middelen beslist in 2017: Inclusief de projecten als lichte structuur van Flanders’ Food en de projecten in de oproep transitieprioriteiten, 2018: Projecten op de geoormerkte middelen beslist in 2018 : 2019: Projecten op de geoormerkte middelen beslist in 2019 inclusief projecten binnen transitieprioriteiten en projecten binnen de beleidsagenda’s AI en CS, exclusief moonshot-projecten Intercluster: in 2017 en 2018 ook met Innovatieve Bedrijfsnetwerken, in 2019 met minstens 2 speerpuntclusters

1.4. Speerpuntclusters onder de loupe In de volgende paragrafen wordt meer in detail ingegaan op de werking en realisaties van de speerpuntclustes in 2019.

1.4.1. Catalisti De speerpuntcluster Catalisti heeft als missie om de chemie- en kunststofsector in Vlaanderen te verankeren, nog innovatiever te maken, de competitiviteit te versterken en hun internationale bereik te vergroten. De prioritaire thema’s bij Catalisti zijn hernieuwbare chemicaliën, valorisatie van nevenstromen, geavanceerde duurzame producten en procesintensificatie. In 2019 telde Catalisti 117 leden en waren er 138 unieke ondernemingen actief in de cluster. Er werden 5 projecten gesteund op de geoormerkte clustermiddelen met een totale subsidieomvang van 11,0 miljoen euro. Het betrof 4 ICONs en 1 cSBO-project. Het cSBO-project werd gelabeld als passend binnen de transitieprioriteit Circulaire Economie. Ook werkte Catalisti mee aan een intercluster ICON-project met Flanders FOOD. Naast deze projecten ondersteund door de clusterprojectwerkingsmiddelen, heeft Catalisti verschillende andere projectdossiers actief ondersteund en begeleid, zowel Europese als Vlaamse projecten. Zo heeft Catalisti bijgedragen aan 6 Europese projecten (Interreg, H2020, Erasmus+ en SPIRE). Als gevolg van de clusterwerking werden in 2019 acht nieuwe waardeketens gerealiseerd en 6 nieuwe octrooiaanvragen ingediend. In 2019 ging ook een belangrijke inspanning naar de verdere uitwerking van het initiatief Moonshot “Vlaamse industrie koolstofcirculair en CO2-arm”. De regie van dit initiatief werd aan Catalisti toegewezen.

1.4.2. De Blauwe Cluster De Blauwe Cluster (DBC, www.blauwecluster.be) is opgericht door enkele Vlaamse technologieleiders en ondersteunt Vlaamse bedrijven bij het opzetten van partnerschappen met andere bedrijven, kenniscentra en overheidsinstellingen met het oog op de ontwikkeling en de bevordering van economische activiteiten op zee. Deze cluster faciliteert het innovatieproces doorheen de volledige keten, van ideegeneratie tot en met de (internationale) vermarkting. DBC is actief in 6 thematische domeinen: kustbescherming en minerale rijkdommen; hernieuwbare energie en zoetwaterproductie; maritieme verbinding; duurzame zeevoeding en mariene biotechnologie; blauw

78


toerisme; oceaanvervuiling en afvaloplossingen. Daarnaast zijn er 2 transversale domeinen: ecosysteemaspecten (toepasselijk op alle thematische domeinen, met het oog op het ontwikkelen van duurzame activiteiten) en smart sea (Industrie 4.0 voor de offshore sector). Deze domeinen worden opgevolgd aan de hand van meerdere taskforces (interactieve workshops met bedrijven) waar dieper ingezoomd wordt op de specifieke onderzoeksuitdagingen, en door de wetenschappelijke adviesraad voor afstemming met de onderzoeksagenda's van de Vlaamse kennisinstellingen. Om de dienstverlening goed af te stemmen op kmo’s werd een kmo-comité opgericht. Dit comité is niet enkel een toetssteen voor de werking, maar dient ook om de kmo’s onderling elkaar beter te leren kennen. Enkele verwezenlijkingen uit 2019: -

DBC telt 162 actieve bedrijfsleden, waarvan 101 kmo's. Dit is te danken aan de inkanteling van Flanders Maritime Cluster eind 2018 en aan het partnerschap met Belgian Offshore Cluster, waarbij de leden van BOC automatisch als toetredend lid deelnemen aan DBC.

-

Er werden 14 projecten positief geëvalueerd door VLAIO voor een totale steun van 17,15 miljoen Euro. Deze projecten betreffen een ruim scala van haalbaarheidsstudies, over coöperatieve onderzoeksen ontwikkelingsprojecten, ICON's, tot en met cSBO's. Daarnaast heeft DBC de opzet van 8 bijkomende samenwerkingsinitiatieven ondersteund. In totaal namen hieraan 51 unieke bedrijven deel (waarvan 19 kmo's), alsook een 10-tal onderzoeksorganisaties.

-

DBC is als partner actief in 4 internationale projecten, en bijkomend ook betrokken als waarnemer in diverse andere projecten.

-

Er werden finale afspraken gemaakt voor samenwerking met het IBN Offshore Energie, met het oog op de inkanteling van de werking in DBC in 2020.

-

Daarnaast heeft DBC ook heel wat internationale contacten gelegd, zowel met andere clusters, wetenschappelijke instellingen, maar ook met internationale organisaties (EC, OESO, VN) relevant voor de blauwe economie. Dit leidde o.m. tot de organisatie van de “Ocean Day” in het kader van de internationale G-STIC-conferentie te Brussel, rond hoe technologie en innovatie kan bijdragen aan het behalen van de Strategic Development Goals van de Verenigde Naties, en tijdens dewelke DBC twee workshops organiseerde.

1.4.3. Flanders’ FOOD Flanders’ FOOD organiseert sinds 1 januari 2018 de speerpuntcluster van en voor de Vlaamse agrovoedingsindustrie. Dit strategisch open innovatieplatform versterkt de innovatieslagkracht van de doelgroep door het verhogen van de wetenschappelijke en technologische kennis, hanteert hiervoor een geïntegreerde aanpak, en draagt op deze manier bij tot de economische en maatschappelijke ontwikkeling van Vlaanderen. In 2019 vertegenwoordigt Flanders’ FOOD 289 ledenondernemingen actief in deze sector. Om de doelstellingen van het innovatieplatform te bewerkstelligen kan Flanders’ FOOD bogen op 15 jaar ervaring op het vlak van kennisontwikkeling (via projectwerking), -verspreiding (o.a. website, nieuwsbrief, activiteiten), -vertaling (in het bijzonder naar innovatievolgers) en -valorisatie (leidend tot nieuwe producten, procesaanpassingen, investeringen, jobs, …). Samenwerking tussen verschillende actoren (bedrijven, kennisinstellingen en overheidsdiensten) in het agro-voedingssysteem staat daarbij centraal. De grootste realisaties van Flanders’ FOOD in 2019 situeerden zich op volgende vlakken: (1) de goedkeuring van 13 projecten op de geoormerkte middelen en de impulsmiddelen AI bij VLAIO, goed voor een totaalbudget van 19,1/24,4 MEUR (excl./incl. interclusterprojecten waarbij Flanders’ FOOD als leidende speerpuntcluster aangemerkt was); (2) de indiening van vijf en goedkeuring van twee Horizon 2020-projecten waar Flanders’ Food bij betrokken is; (3) de goedkeuring van 2 EFRO-projecten, Belgian Fries Pilot en Plant Protein Pilot, waarmee apparatuur bij respectievelijk UGent en de ILVO Food Pilot zal worden gefinancierd voor het onderzoek naar respectievelijk

79


aardappelverwerking (en bij uitbreiding verwerking van vlees en groenten en onderzoek naar innovatieve vetten) en de productie van vleesvervangers ; (4) de opstart van het eiwittransitieplatform, dat het onderzoek naar vleesvervangers bij bedrijven en onderzoeksinstellingen in een hogere versnelling moet brengen.

1.4.4. Flux50 De missie van de Vlaamse energiecluster bestaat er in een slimme energieregio Vlaanderen op te bouwen. De speerpuntcluster energie wil hiervoor inzetten op 5 welgekozen innovator zones of thema’s, waarbij de marktopportuniteiten en uitdagingen evenals de specifieke troeven van Vlaanderen voor elk van de innovator zones in overweging genomen worden. Volgende 5 innovator zones werden gedefinieerd: 1) Energiehavens, waarbij men zal focussen op flexibele thermische vermogenstations en warmtenetwerken, demand side management, bi-directionele vermogensstromen van en naar de kust en energieopslag door power-to-products, 2) Microgrids, groepen van geconnecteerde verbruikers, verdeelde bronnen van hernieuwbare energie en energieopslag, binnen een goed gedefinieerde elektrische perimeter; 3) Multi-energie oplossingen voor districten; 4) Energy cloud platforms, die data ter beschikking te stellen van derde partijen, op een uniforme, transparante, kwalitatieve en juridisch correcte wijze; 5) Intelligente renovatie. In 2019 telde Flux50 een 160 leden (ca. 80 % KMO). Er werden 22 projectaanvragen ingediend waarbij 61 unieke bedrijven en 5 kennisinstellingen waren betrokken. Hiervan werden er 16 positief beoordeeld door VLAIO onder de clustermiddelen en 1 geherkwalificeerd naar de reguliere middelen. De ingediende projecten waren evenwichtig verdeeld over de verschillende innovatorzones. 44% van de ingediende projecten waren haalbaarheidsstudies, 19% ICON projecten en 37 % ontwikkelingsprojecten (demonstratoren). Flux50 nam deel aan de Moonshot in 2019. Buiten de werking op basis van de speerpuntclusterfinanciering is Flux50 ook actief in 2 EFRO-aanvragen, 2 Interreg-projecten en 1 COSME Excellence project. EFRO: In het kader van de recente oproep infrastructuur voor speerpuntclusters heeft Flux50 twee voorstellen ingediend die beiden werden goedgekeurd. In het MERIC-project wordt geïnvesteerd in een mobiele installatie waarmee installatiebedrijven in aanraking kunnen komen met Extended Reality. Het SMEL I project omvat infrastructuur rond het creëren van een Slim Multi-Energie Lab waardoor een realistische belasting van twee gebouwen en een centrale elektrische laadpaal wordt gesimuleerd. In het kader van Interreg maakt Flux50 deel uit van het project SOLARISE dat specifiek handelt rond de uptake van zonne-energie in minder evidente situaties zoals historische gebouwen. Verder is Flux50 aanwezig in het consortium REGENERGY waar energiedelen tussen rurale en stedelijke gebieden wordt onderzocht. Voor Flux50 past dit in zijn activiteiten rond lokale energiegemeenschappen. Tenslotte verenigt het COSME-project SmartEnergy 6 energieclusters over heel Europa waar gewerkt wordt aan een gezamenlijke roadmap alsook aan kennisdeling tussen de verschillende clusters. Ook worden uitwisselingsprogramma’s voor kennisinstellingen en KMO’s uitgetest (ClusterXchange pilot scheme).

1.4.5. SIM SIM, de speerpuntcluster in het domein van de materialen, heeft als missie bij te dragen tot de competitieve positie van de materiaalindustrie in Vlaanderen. Deze missie wordt vertaald naar vier strategische doelstellingen: het versterken van de wetenschappelijke basis en het opzetten van technologieplatformen in relevante thema's; het genereren van een 'open innovatie' omgeving voor nauwe samenwerking tussen de industrie en kennisinstellingen; het ondersteunen van de transitie naar hogere TRL niveaus en internationalisatie. In 2019 werden 4 ICON-projecten opgestart binnen verschillende SIM programma’s (MARES, SOPPOM, MADUROS en STREAM), waarvan één project binnen de transitiedomeinen Industrie 4.0 en Circulaire

80


Economie. In 2019 werden 4 nieuwe ICON-projecten, één cSBO (in samenwerking met het Von Karman Instituut) en 1 COOCK-project goedgekeurd voor een steunbedrag van ca. 11 MEUR. Belangrijk voor de werking als speerpuntcluster is de samenwerking met het IBN Composieten, met het oog op de inkanteling van dit initiatief als Special Interest Group binnen SIM vanaf 2020. Na 2 jaar werking als speerpuntcluster, werd SIM tussentijds positief geëvalueerd met het oog op een verderzetting van de financiering in de periode 20202021.

1.4.6. VIL VIL is sinds 2017 erkend als speerpuntcluster Logistiek en heeft als missie om Vlaanderen de Europese draaischijf in de wereldwijde supply chain te maken. In 2019 slaagde VIL er opnieuw in een stijging in het aantal leden op te tekenen met 622 leden waaronder overwegend kmo’s. De VIL-leden worden aangespoord om actief deel te nemen aan innovatieve projecten als belangrijke trigger om logistieke innovaties in het bedrijfsleven te stimuleren en zo hun competitiviteit te verhogen. In 2019 werd de verlenging voor de werking van VIL als speerpuntcluster goedgekeurd voor de periode 20202021. Eveneens in 2019 werd een nieuwe roadmap-oefening gedaan waaruit de 4 prioritaire thema’s voor de komende periode werden bepaald als digitale transformatie, groene supply chains, hinterland connectie en last mile. Naast 8 collectieve onderzoeksprojecten (COOCK) en 1 coöperatief ontwikkelingsproject heeft VIL in 2019 voor het eerst ingezet op twee ICON-projecten waarbij samengewerkt wordt tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven. Daarnaast is VIL ook trekkende speerpuntcluster van 2 goedgekeurde interspeerpuntclusterprojecten. Naast projectwerking werd o.a. meegewerkt aan een VLAIO-studie rond Hyperloop en bouwde VIL verder aan de invulling van Log!Ville, het in opbouw zijnde logistiek demonstratiecentrum.

2. Innovatieve BedrijfsNetwerken Innovatieve bedrijfsnetwerken zijn bedoeld voor kleinschalige clusterinitiatieven die tot doel hebben om binnen een kort tijdsbestek een dynamiek van samenwerking op gang te brengen tussen ondernemingen rond een specifiek thema, vaak in een nichemarkt. De focus ligt hierbij op zowel het uitbouwen en versterken van het ecosysteem als onderling doen samenwerken van de ondernemingen en andere actoren binnen de cluster.

2.1. Portfolio aan Innovatieve BedrijfsNetwerken In 2016 en 2018 werd, respectievelijk bij een eerste en tweede oproep voor innovatieve bedrijfsnetwerken steun toegekend aan 14 en 6 initiatieven voor een totaalbedrag van 4,7 respectievelijk 1,5 miljoen euro. Dit brengt het totaal aantal door VLAIO gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken op 20. Van deze 20 innovatieve bedrijfsnetwerken liepen er 10 af in 2019, 4 in 2020 en blijven er 6 doorlopen in 2021.

81


Tabel 19 Portfolio van gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken die afliepen in 2019 en 2020

Uitvoerende organisatie(s) Agelopen 2019 Power to Gas Aircargo Belgium B-HIVE BIM Digitizing Manufacturing EUKA Composieten Smart Digital Farming Innovatieve Coatings Afgelopen 2020 Offshore energie FLAG Groen Licht Vlaanderen Flanders Bike Valley

Waterstofnet vzw ACB vzw B-hive vzw WTCB Sirris EUKA vzw AGORIA ILVO Sirris – Centexbel Sirris – Ugent FLAG GLV vzw FBV vzw

Tabel 20 Portfolio van gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken die doorlopen in 2021

MAAS IoT4Society – Smart Cities Vlaanderen Flanders.Health Smart Buildings in use Space 4.0 IoTValuechain – The Beacon

Uitvoerende organisatie(s) ITS.be DSP Valley- Citlylab Flanders.bio- DSP Valley - Medtech WTCB VRI vzw Agoria

Einddatum IBN-project 30.06.2021 31.07.2021 31.08.2021 31.10.2021 30.09.2021 31.12.2021

2.2. Interclusterprojecten in de transitieprioriteiten In het kader van de langetermijnstrategie VISIE2050 van de Vlaamse Regering werden in 2017 zeven transitieprioriteiten vastgelegd. Voor elk van deze transitieprioriteiten werd een transitiemanager aangeduid en een startnota goedgekeurd. De speerpuntclusters zijn via hun respectievelijke clusterpacten actief ingekoppeld met de transitieprioriteiten Circulaire economie, industrie 4.0 en Energie. Dit sluit aan bij de verwachting van het beleid dat de speerpuntclusters ook mede oplossingen ondersteunen voor belangrijke maatschappelijke uitdagingen. In 2017 werd door VLAIO een specifieke oproep gedaan voor clusterprojecten in de transitieprioriteiten circulaire economie, industrie 4.0 en energie. Deze oproep, waarbij de speerpuntclusters in de lead waren en met betrokkenheid van de respectievelijke transitiemanagers, resulteerde in 11 (industrie 4.0), 6 (circulaire economie) en 3 (energie) samenwerkingsprojecten voor een totaal steunbedrag van 10 miljoen euro. Om de bijdrage van de speerpuntclusters aan de transitieprioriteiten te intensifiëren werd in 2018 een 2jarige overheidsopdracht gegund aan IDEA Consult om de speerpuntclusters te ondersteunen bij de opzet en uitwerking van clusterprojecten in de transitiedomeinen (inclusief mobiliteit). De focus ligt hierbij op projecten waar meerdere speerpuntclusters bij betrokken zijn. In 2019 en 2020 werd in totaal respectievelijk 6,2 miljoen euro en 5,3 miljoen euro steun besteed aan interclusterprojecten.

82


2.3. Moonshot Binnen het beleidsdomein EWI werd er op de begroting 2019, binnen de budgettaire opstap, 20 miljoen EUR vrijgemaakt voor de financiering van Moonshot-projecten. Het gaat hierbij om projecten die een fundamenteel probleem oplossen dan wel een disruptieve, baanbrekende technologie voorstellen die bovendien een potentieel groot effect hebben op het concurrentievermogen van onze economie. De speerpuntclusters werden uitgedaagd om samen met hun ondernemingen dergelijke Moonshotprojecten te definiëren die de werkingstermijn van de clusterprogramma’s overstijgen. Eind maart 2019 werd een Moonshot gelanceerd door de Vlaamse minister voor Economie en Innovatie om in te zetten op beloftevolle en baanbrekende technologische innovaties die een belangrijke bijdrage leveren aan een CO2-arm Vlaanderen tegen 2050 en waarbij het mogelijk is met deze technologieën impactvolle doorbraken te realiseren. Gezien de cruciale rol die chemie en kunststoffen speelt in zowel de CO2-emissies als in het vermijden ervan, krijgt de speerpuntcluster Catalisti een centrale regisseursfunctie in het Moonshot-programma. In 2019 werd voor de eerste maal een aanvraagronde georganiseerd van projecten in Moonshot “Vlaanderen CO2-neutraal”. In totaal werden 12 Moonshot-projecten goedgekeurd (moonshotflanders.be) waarvan 9 in de vorm van Moonshot SBO’s (“sprint” SBO’s of ‘versnellingsprojecten’) met als doel om op korte termijn (18 maanden) een opbouw van kritische massa rond strategische onderzoeksthema’s te realiseren. Eveneens worden 3 Later Stage Innovation projecten (LSI) gesteund die zich richten op een experimentele productdemonstratiefase voor toekomstige marktintroductie om innovatieve producten, processen en diensten te versnellen. In totaal werd voor 18,4 miljoen euro steun toegekend aan deze projecten. In totaal werden in 2020 13 Moonshot-projecten goedgekeurd (moonshotflanders.be) waarvan 6 in de vorm van Moonshot sprint SBO’s (“sprint” SBO’s of ‘versnellingsprojecten’) met als doel om op korte termijn (18 maanden) een opbouw van kritische massa rond strategische onderzoeksthema’s te realiseren. Eveneens worden 7 full SBO projecten gesteund die over een looptijd van 48 maanden als uitgangspunt een significante technologische doorbraak willen realiseren. In totaal werd voor ca. 19,7 miljoen euro steun toegekend aan deze projecten.

5.5. Lerend netwerk Naast het louter financieel ondersteunen van de clusters wordt door het agentschap ook veel belang gehecht aan een faciliterende en operationele ondersteuning van de clusterorganisaties. Deze rol wordt in hoofdzaak opgenomen via de accountmanager die de cluster van nabij opvolgt. Daarnaast worden op groepsniveau een aantal initiatieven uitgewerkt om de werking van de clusters te ondersteunen. Het lerend netwerk voor clusterorganisaties is daar het belangrijkste van. In dit netwerk komen de clustermanagers en medewerkers van de speerpuntclusters en innovatieve bedrijfsnetwerken samen om kennis op te doen en ervaringen uit te wisselen rond clusterspecifieke topics. De uiteindelijke doelstelling is om hun competenties te verhogen zodat de clusters aangestuurd worden door een professioneel team om op die manier de clusterexcellentie te verhogen. In 2020 werd als gevolg van de corona crisis slechts één fysieke bijeenkomst van t ‘lerend netwerk voor clusterorganisaties’ georganiseerd. Deze sessie werd opgebouwd rond de ervaringen die opgedaan werden na 3 jaar clusterwerking, wat men daaruit geleerd had en hoe men de toekomst van het iniatief zag na wegvallen van de overheidssteun. Hieruit bleek dat het merendeel van de initatieven verder zal blijven lopen en dat ofwel via inkanteling in een bestaande organisatie ofwel volledig op eigen middelen als zelfstandige structuur.

83


In het najaar van 2020 werd gestart met digitale sessies, de zogenaamde SPeaCkers hoek, waarin erveringsuitwisseling en kennisdeling rond specifieke thema’s centraal staat. Er werd gewerkt rond een 5tal thema’s: communicatie, ledenbeheer, projectwerking, omgaan met intellectuele eigendom en internationalisatie.

84


Hoofdstuk 4 Omgevingsfactoren faciliteren Onderstaande instrumenten bevinden zich allen binnen het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO). VLAIO wil ervoor zorgen dat bedrijven in Vlaanderen over voldoende ruimte beschikken om te ondernemen. De activiteiten gericht op bedrijfshuisvesting en -ruimtelijke economie zijn voornamelijk gericht op het faciliteren van de omgevingsactoren voor ondernemingen, meer bepaald door opdrachten en activiteiten uit te voeren in het kader van het economisch locatiebeleid, het activeringsbeleid van on(der)benutte bedrijventerreinen, handelsvestigingsbeleid en -steunverlening bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen, bedrijvencentra en incubatoren. Het agentschap is eveneens verantwoordelijk voor de herontwikkeling van de Ford-site en het beheer van het Researchpark Zellik.

1. Activeringsbeleid voor on(der)benutte bedrijventerreinen 1.1. Leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten Om in de toekomst over een betere inventaris te kunnen beschikken over de leegstaande en of verwaarloosde bedrijfsruimten en die informatie ook te kunnen aanwenden voor een activeringsbeleid is een service design traject doorlopen om goed te kunnen inschatten wat er nodig is om het hele inventarisatie-en beleidsproces te verbeteren. Via de portaalsite voor professioneel vastgoed, bizLocator, streeft het Agentschap Innoveren & Ondernemen ernaar het diverse aanbod aan werklocaties kenbaar te maken voor de verschillende doelgroepen van ondernemingen en die informatie over kavels en bedrijfsruimten ook te verrijken met informatie die relevant is voor ondernemers. Voor de communicatie via social media betaalde het Agentschap in 2020 30.000 euro. De projecten “van leegstaande naar verweven werklocaties” werden verdergezet. Tegelijk werd gepoogd om het site- en projectgerichte aanpak uit te breiden naar een wezenlijk onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk-economisch beleid. Het idee van verweefcoaching slaat intussen ook aan bij meer steden dan de 5 steden waarvoor het Agentschap een verweefcoach heeft gesubsidieerd en meer en meer steden proberen ook via het plannings-en vergunningsbeleid oog te hebben voor het behoud van de bestaande werklocaties of de creatie van nieuwe werklocaties in het stadsweefsel.

1.2. Niet-beheerde bedrijventerreinen De 5 POM’s hebben in 2018 subsidies verkregen om een project rond niet-beheerde bedrijventerreinen uit te voeren. Na de zoektocht hoe die niet-beheerde terreinen geïdentificeerd konden worden, is vorig jaar het traject gestart om voor minstens 50 niet-beheerde terreinen waar nog ruimtewinst te behalen valt, uit te zoeken welke beheermaatregelen opportuun zijn om die ruimtewinst ook effectief te realiseren.

2. Brownfieldconvenantenbeleid Op 25 maart 2020 werd de 10de oproep brownfieldconvenanten gelanceerd. In totaal werden 16 dossiers ingediend. In totaal werden 9 dossiers ontvankelijk en gegrond verklaard met het oog op het opstarten van de onderhandelingen. Voor 5 dossiers loopt nog een remediëringsmogelijkheid tot 6 maart 2021. In 2020 werden 8 brownfieldconvenanten ondertekend, 1 brownfieldconvenant werd succesvol beëindigd, van 1 dossier werden de onderhandelingen stopgezet. In totaal zijn momenteel 87 brownfieldconvenanten in uitvoering, 18 brownfieldconvenanten zijn beëindigd en 46 aanvragen zijn in onderhandelingsfase.

85


Het afsluiten van brownfieldconvenanten heeft voor het Fonds Innoveren en Ondernemen normaliter geen specifieke financiële consequenties. Als een brownfieldproject in aanmerking komt voor subsidies, gebeurt dit via de reguliere subsidiemogelijkheid voor brownfields.

3. Herontwikkeling Ford-site Op 10 december 2015 werd de akte verleden waardoor het Vlaamse Gewest eigenaar is geworden van de Ford-site. Parallel daarmee besliste de Vlaamse Regering d.d. 11 december 2015 ook om de Ford-site over te dragen van de rechtspersoon Vlaamse Gewest naar het Fonds Innoveren en Ondernemen en op het Fonds Innoveren en Ondernemen vanaf 2016 de nodige middelen te voorzien voor de herontwikkeling. In 2016 werd hiervoor reeds 9,5 miljoen euro vastgelegd, in 2017 nog 90.000 euro. In 2017 hadden de voornaamste vastleggingen te maken met de kosten van de opmetingen door een landmeter (bureau) in functie van het verlijden van de akten en met studiewerk in het kader van de bodemsaneringsproblematiek (Tractebel), alles samen ten belope van 507.000 euro. In 2018 werd na een langdurige selectie-en onderhandelingsfase de Bzone van de Ford-site verkocht aan Genk Green Logistics voor meer dan 3,3 miljoen euro. De akte werd verleden op 24 september 2018. Deze middelen werden vervolgens ter beschikking gesteld van De Vlaamse Waterweg als voorschot en prefinanciering op de overeengekomen investeringen waarvan er een gedeelte subsidiabel is. Voor het watergebonden gedeelte is een overeenkomst opgemaakt met De Vlaamse Waterweg (voorheen NV De Scheepvaart) en werd de daarbij horende grondoverdracht afgerond. De Vlaamse Waterweg zal instaan voor de infrastructurering van het terrein en kan daarvoor ook rekenen op subsidies. Bij begrotingsopmaak 2021 werd er 100.000 euro vastgelegd voor de sanering en herontwikkeling van de Fordsite en 11,488 miljoen euro voor de scheepvaart in kader van deze sanering.

4. Steunverlening bedrijventerreinen, bedrijvencentra en incubatoren 4.1. Bedrijventerreinen Op 19 juli 2019 heeft de Vlaamse Regering het nieuwe subsidiebesluit tot toekenning van steun voor de (her)aanleg van bedrijventerreinen goedgekeurd. De subsidiëring van de voortrajecten, infrastructuurwerken en het beheer van bedrijventerreinen worden gefinancierd vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen. Voor de dossiers bedrijventerreinen werd in 2020 31.026.163,98 euro vastgelegd waarvan 13.238.000,00 euro voor de herontwikkeling van de FORD site te Genk.

4.2. Bedrijvencentra en incubatoren In 2020 werd een concept uitgewerkt op basis waarvan kan beslist worden welk type incubatoren nog steun kan bekomen voor de oprichting of uitbreiding en op basis van welke steunregeling die middelen zouden kunnen toegekend worden. Hoewel er al enkele ‘vooraanmeldingen’ zijn, zijn er in 2020 geen dossiers ingediend.

86


Hoofdstuk 5 Internationalisering van de Vlaamse economie stimuleren Flanders Investment & Trade (FIT), het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen beheert het merendeel van de middelen voor de begeleiding, de ondersteuning en de stimulering van Vlaamse ondernemers bij hun internationaliseringsprojecten. Tevens wil het ook buitenlandse ondernemers overtuigen om te investeren in Vlaanderen. De financiering van internationaliseringsprojecten kan via PMV gebeuren. Het Enterprise Europe Network (EEN) is een initiatief van de Europese Commissie om kmo’s te informeren en adviseren.

1. Beleidskredieten Flanders Investment & Trade (FIT) FIT beheert vier generieke types van financiële steun aan kmo’s die willen internationaliseren en een subsidie voor een internationaal maatwerkproject. Daarnaast ondersteunt FIT ook collectieve projecten van ondernemersorganisaties en gemengde kamers van koophandel. Bij de begrotingsopmaak 2021 werd een totaalbudget van 10,6 miljoen euro voorzien voor subsidies.

1.1.1. Subsidies ter bevordering van internationaal ondernemen In 2020 werden voor dit subsidie-instrument 2.435 dossiers goedgekeurd voor een totaalbedrag van 7.754.652 euro. Het budget voor de bevordering van internationaal ondernemen voor 2021 bedraagt 9.739.000 euro. De volgende types van projecten zijn mogelijk: -

prospectiereizen buiten de EER deelname aan buitenlandse beurzen of niche-evenementen de ontwikkeling en vertaling van digitale commerciële bedrijfscommunicatie de oprichting van een buitenlands prospectiekantoor. internationale maatwerkprojecten

Naast bedrijven kunnen ook (gemengde) kamers van koophandel, ondernemersorganisaties en samenwerkingsverbanden van dit systeem gebruik maken. In 2020 ontving FIT een extra subsidiedotatie van 3.000.000 euro in het kader van het corona exit-plan. Deze extra kredieten werden aangewend onder de vorm van twee nieuwe steunmaatregelen: het starterspakket Internationalisering en de bijzondere exportsteun corona. De eerste maatregel is gericht op jonge innovatieve startende exporteurs en de tweede maatregel op mature, gevestigde ondernemingen die voor de uitbraak van de Covid-pandemie al een mooi exportaandeel hadden opgebouwd. In 2020 kende FIT 171 starterspakketten internationalisering van elk 7.000 euro forfaitair goed. Voor de bijzondere exportsteun corona werden 440 steunpakketten van 5.000 euro forfaitair toegekend. Beide steunmaatregelen worden verder gezet in de komende jaren, met die nuance dat de regelgeving geheroriënteerd werd van corona naar brexit/relance/veerkracht. Mede dankzij Europese financiering uit de Brexit Adjustment Reserve is hiervoor in 2021 een extra budget van 8.000.000 euro beschikbaar.

1.1.2. Uitvoer van uitrustingsgoederen Ook voor een subsidie bij de uitvoer van uitrustingsgoederen konden Vlaamse bedrijven bij FIT aankloppen. De eindklant in een ontwikkelingsland (volgens de OESO-consensus) geniet zo een rechtstreekse korting op

87


de aankoop van uitrustingsgoederen en Vlaamse leveranciers blijven concurrentieel. In 2020 werden er voor dit instrument 15 projecten goedgekeurd voor een totaalbedrag van 2.817.156 euro. Voor 2021 bedraagt het budget voor de export van Vlaamse uitrustingsgoederen 0 euro. Voor dit steuninstrument kunnen geen nieuwe aanvragen of verlengingen meer goedgekeurd worden.

88


Figuur 29 Overzicht beleidskredieten FIT 2008 – 2020 (miljoen euro)

10,0

9,340 8,733

9,0

8,405 7,755

8,0 7,240 7,0 6,0

5,110 5,0

4,406 4,000

4,0

3,422

3,397

3,196

3,0 2,0 1,0

0,904

0,905

0,905 0,810

0

0,0 Bevordering van internationaal ondernemen 2016

2017

2018

2019

2020

Export van Vlaamse uitrustingsgoederen

Steun activiteiten bedrijfsgroeperingen / Kamers van Koophandel

Extra ondersteuning corona


1.1.3. Ondernemersorganisaties, gemengde samenwerkingsverbanden

Kamers

van

Koophandel

en

Op 3 oktober 2017 ondertekende Flanders Investment & Trade samenwerkingsakkoorden met 17 partners (ondernemersorganisaties, gemengde kamers van koophandel en samenwerkingsverbanden). De partnerschappen lopen van 2017 tot en met 2021. 42 FIT gaat zo een lange termijnrelatie aan met partners en versterkt de samenwerking. Inspanningen om Vlaamse bedrijven te ondersteunen op buitenlandse markten, en om investeerders naar Vlaanderen te halen en hier te houden, renderen beter als ze gezamenlijk gebeuren. Als we de internationalisering van de Vlaamse economie willen versnellen, moeten we gaan voor een duurzame impact. Daarom engageert FIT zich samen met de partners om via deze partnerschappen de internationaliseringsstrategie Vlaanderen Versnelt! uit te voeren. De cofinanciering van de partnerschappen is gelijk verdeeld tussen de partners en FIT. De selectie van de partners gebeurde na een oproep voor structurele partners eind 2016. Het budget voor 2021 bedraagt voor dit instrument 950.000 euro. Ondernemersorganisaties, gemengde kamers van koophandel en samenwerkingsverbanden die niet onder de structurele financiering vallen, kunnen gebruik maken van het subsidiesysteem ter bevordering van het internationaal ondernemen. In 2021 zal er voor deze doelgroep een nieuwe oproep gelanceerd worden. FIT werkt daarnaast ook met de speerpuntclusters en strategische onderzoekscentra als strategische partners samen om de doelstellingen van Vlaanderen Versnelt! en de internationale valorisatie van innovatie nog beter te realiseren.

Bron: Visie, ambitie & suggesties voor de internationalisering van de economie, Flanders and Trade

2. Werkingsmiddelen FIT voor het binnen- en buitenlands FIT-netwerk Verder kunnen zowel bedrijven die internationaal actief (willen) zijn als buitenlandse investeerders ook rechtstreeks een beroep doen op dienstverlening van FIT. Voor deze dienstverlening en voor prospectie in

42

Door de stopzetting van B-Hive zijn er momenteel 16 structurele partners.

90


binnen- en buitenland is een budget van 45,5 miljoen euro aan werkingsmiddelen ter beschikking bij begrotingsopmaak 2021. Dit bedrag bevat de budgetten voor personeel en huisvesting van 66 kantoren in het buitenland, personeel en kantoren in het binnenland én de werkingsmiddelen voor de organisatie van groepsacties, marketing en lokale acties.

2.1.1. Aantrekken van buitenlandse directe investeringen naar Vlaanderen Er wordt zeer gericht gezocht naar potentiële investeerders in het buitenland, zowel in de klassieke landen van herkomst van buitenlandse investeerders, als in nieuwe groeilanden. De prospectie naar investeerders is gericht op bedrijven die met hun activiteit het Vlaamse economische weefsel kunnen versterken. FIT begeleidt nieuwe buitenlandse investeerders en geeft in samenwerking met het VLAIO, advies op maat over alle aspecten van een nieuwe of uitbreidingsinvestering.

2.1.2. Stimuleren van internationaal ondernemen vanuit Vlaanderen Een uitgebalanceerd programma van acties en prospectieactiviteiten is erop gericht om enerzijds marktaandeel te veroveren in groeilanden en anderzijds marktaandeel te consolideren in mature exportmarkten. Er wordt doelgericht en proactief gewerkt op een aantal focuslanden en -sectoren. Ondersteuning van bedrijven uit Vlaanderen in niet-focusmarkten is ook een opdracht van FIT die gebeurt op basis van specifieke vragen vanwege de bedrijven uit Vlaanderen. FIT geeft Vlaamse ondernemers informatie en advies over internationale markten, en begeleidt hen in de zoektocht naar goede partners. Het agentschap versterkt Vlaamse kmo’s in hun internationale groei met aandacht voor de exportvaardigheid van het bedrijf. Om deze opdracht te realiseren, beschikt het agentschap over een reeks instrumenten.

2.1.3. Een netwerk in het buitenland FIT is op ongeveer 100 plaatsen in de wereld actief, via eigen kantoren of antennes, of via de kantoren van Wallonië of Brussel met wie een samenwerkingsakkoord bestaat. FIT heeft 173 eigen personeelsleden in het buitenland die proactief opportuniteiten voor Vlaamse ondernemers signaleren, buitenlandse potentiële investeerders opsporen en informatie en advies verstrekken aan Vlaamse bedrijven. In 2021 versterkt FIT de Vlaamse economische diplomatie met Science & Technology Offices in innovatiehotspots wereldwijd. Het agentschap heeft 10 techpoten: in New York, Palo Alto, Parijs, Londen, Kopenhagen, München, Mumbai, Singapore, Guangzhou en Tokio. Daar versterken technologieattachés en techdeputy’s de economische diplomatie en focussen op een of meer van deze 3 domeinen: Digital Tech, Health Tech en Climate Tech.

91


Figuur 30 Wereldwijde netwerk van FIT


2.1.4. Een netwerk in het binnenland FIT beschikt in Vlaanderen over een netwerk van vijf kantoren in de verschillende provincies en 14 adviseurs Internationaal Ondernemen, die bedrijven uit hun regio ondersteunen bij de opmaak van hun strategische plannen, hun prospectievragen en hen de weg wijzen naar informatie die voor het bedrijf relevant is. Er staan ook twee adviseurs Exportvaardigheden ter beschikking van de bedrijven om hen bij het ontwikkelen van hun exportrijpheid te begeleiden.

2.1.5. Advies en begeleiding op maat van Vlaamse bedrijven Beide netwerken werken samen om individuele bedrijven antwoord te bieden op vele vragen en hen met de juiste partners in contact te brengen. Jaarlijks worden duizenden individuele dossiers behandeld en B2Bafspraken opgezet in het buitenland.

2.1.6. Een actieprogramma voor Vlaamse bedrijven Een programma van groepsacties verlaagt (organisatorische en financiële) drempels voor Vlaamse bedrijven die stappen willen zetten op internationale markten. Bedrijven kunnen deelnemen aan groepszakenreizen, internationale beurzen en conferenties, seminaries met buitenlandse sprekers, contactdagen met aankopers en decision makers, contactdagen in Vlaanderen met de buitenlandse vertegenwoordigers van FIT, enz.

2.1.7. Kennisdatabase buitenlandse markten Via de website en de nieuwsbrieven van FIT krijgen bedrijven toegang tot marktinformatie over landen, sectoren, reglementering, zakelijke opportuniteiten, financiering van projecten door internationale financiële instellingen, enz. Deze informatie wordt hoofdzakelijk aangeleverd door de buitenlandse kantoren. Bedrijven kunnen informatie op maat krijgen via een MijnFIT-/MyFIT-profiel.

2.1.8. Ondernemingswedstrijden ‘Leeuw van de Export’ en Foreign Investment Trophy Met de Leeuw van de Export bekroont Flanders Investment & Trade jaarlijks de exportsuccessen van Vlaamse bedrijven, om zo het belang van export voor onze Vlaamse economie te onderstrepen. Er worden twee Leeuwen uitgereikt. Eén in de categorie bedrijven die maximaal 49 medewerkers tewerkstellen en één in de categorie bedrijven met 50 of meer medewerkers. De Foreign Investment Trophy kent sinds 2013 prijzen toe aan buitenlandse investeerders in Vlaanderen en onderstreept het belang van buitenlandse investeerders voor Vlaanderen. In 2020 werden vier prijzen uitgereikt: de foreign investment of the year, de newcomer of the year, de lifetime achievement en de exceptional investment trophy.

2.1.9. Eén internationaliseringsstrategie voor de Vlaamse economie Vanaf oktober 2015 bracht Flanders Investment & Trade honderden Vlaamse bedrijven, middenveldpartners, kennisinstellingen en overheidsactoren samen, om na te denken over deze cruciale vragen: • • •

Hoe willen we Vlaanderen internationaal beter in de markt plaatsen? Wat hebben de bedrijven het meest nodig? Hoe kunnen actoren in Vlaanderen nog beter samenwerken?

93


Het resultaat van dit co-creatieproces is de internationaliseringsstrategie 'Vlaanderen versnelt!' (2017-2021), die bepaalt welke inspanningen alle actoren samen moeten leveren om de internationalisering van de Vlaamse economie te versnellen, aanvullend op de basiswerking van FIT. De strategie werd op 25 november 2016 door de Vlaamse Regering aangenomen. Om 'Vlaanderen versnelt!' succesvol te implementeren kwam het EFRO-fonds met 800.020 euro en het Fonds Innoveren en Ondernemen met 900.022 euro over de brug in de periode 2017-2019. Een nieuw EFRO-project ging van start in februari 2020. Het EFRO-fonds komt met gelijkaardige bedragen over de brug voor de periode 2020-2022.

2.1.10.Het Science & Technology-team van FIT Vlaanderen ademt onderzoek en technologie. Onze bedrijven, onderzoekscentra en kennisinstellingen aan de basis van baanbrekende innovaties. Breken Vlaamse spelers internationaal door met hun innovaties, dan zorgen ze voor groei, jobs en welvaart in onze regio. Samen met buitenlandse technologiespelers die zich in Vlaanderen vestigen, staan ze zo in voor een gezond economisch weefsel. Het is dan ook cruciaal om de internationale faam van Vlaamse innovatie te boosten en Vlaamse innovatiespelers te ondersteunen in het buitenland. Dit past bovendien in de ambitie van Vlaanderen om bij de meest innovatieve regio’s van Europa te horen. Om dat te bereiken, versterkt FIT de Vlaamse economische diplomatie met Science & Technology Offices in innovatiehotspots wereldwijd. Daar spelen onder meer onze technologieattachés (TA’s) een essentiële rol en focussen we op 3 technologische domeinen: Digital Tech, Health Tech en Climate Tech. Science & Technology Offices als innovatiebakens Wereldwijd zijn er 10 Science & Technology Offices: in New York, Palo Alto, Parijs, Londen, Kopenhagen, München, Mumbai, Singapore, Guangzhou en Tokio. In samenwerking met onze partnerorganisaties zetten ze hun schouders onder 4 doelstellingen: 1. 2.

3.

4.

Technologiegedreven bedrijven uit Vlaanderen een voorsprong geven in buitenlandse markten door hen in contact te brengen met de juiste partners. Technologiegedreven spelers uit het buitenland naar Vlaanderen aantrekken – met name ‘ontbrekende schakels’. Dat zijn spelers die het innovatieve en economische weefsel van Vlaanderen complementeren en versterken, en samen met Vlaams toptalent onze regio verder uitbouwen tot een wereldhub voor innovatie. Vlaamse bedrijven, onderzoekscentra, clusters, ondernemersorganisaties, incubatoren en acceleratoren connecteren met buitenlandse spelers. Denk aan sectorgenoten, prospects, partners, distributeurs, potentiële investeerders, kapitaalvertrekkers en talent. Vlaanderen als techregio wereldwijd sterker op de kaart zetten.

Elk Science & Technology Office is verantwoordelijk voor een geografisch focusgebied en legt de klemtoon op een of meerdere van deze 3 focusdomeinen: Digital Tech, Health Tech en Climate Tech. Stuk voor stuk technologische thema’s die bijdragen tot oplossingen voor de maatschappelijke en socio-economische uitdagingen van vandaag. Sterk techteam Samen met onze Science & Technology Coordinator spelen onze technologieattachés (TA’s) een cruciale rol in de techmissie van FIT. Ze bouwen in het buitenland een uitgebreid netwerk op van techbedrijven, venture capitalists, kennis- en onderzoekscentra, clusters, incubatoren, acceleratoren enzovoort. Daarbij zorgen ze voor connecties met het Vlaamse ecosysteem.

94


Dit team verstrekt bovendien de technologische expertise en werking van FIT. Ze maken deel uit van het uitgebreide buitenlandse netwerk economische vertegenwoordigers en werken daarin nauw samen met de collega’s binnen hun regio en in Vlaanderen. Zo voeden ze FIT zowel in Vlaanderen als in het buitenland met kennis en expertise. En op die manier is FIT gesterkt om de bedrijfswereld nog beter bij te staan.

2.2. Doelstellingen Minder belemmeringen De strategie pakt de belemmeringen en hindernissen aan die Vlaamse bedrijven ondervinden bij het internationaal ondernemen. We bekijken intern onze klantengroepen en analyseren de customer journeys die deze klantengroepen moeten afleggen, met het oog op een verbetering van de klantenervaring. Daarnaast voeren we een studieproject uit rond digitale handel, dat internationaal ondernemend Vlaanderen moet voorbereiden op de toenemende impact van digitalisering op onze handel. Meer bedrijven doen internationaliseren, meer bedrijven hier doen verankeren 'Vlaanderen Versnelt!' heeft tot doel meer Vlaamse bedrijven te laten internationaliseren en meer internationale bedrijven in Vlaanderen te verankeren. FIT bekijkt daarom hoe het startups efficiënter kan begeleiden in hun internationaliseringsplannen en hoe het op een innovatieve manier internationale bedrijven naar Vlaanderen kan halen. Vlaanderens internationale positie versterken in 5 domeinen We brengen het potentieel van Vlaanderen in onderstaande 5 domeinen sterker naar buiten: • • • • •

Life Sciences & Health; Food; Solution Driven Engineering & Technology; Smart Logistics; Sustainable resources en Materials & Chemistry.

FIT bekijkt samen met VLAIO hoe het een methodiek kan ontwikkelen die clusters en ecosystemen helpt bij hun internationalisering. De Vlaamse Regering stemde op 12 maart in met een update van de internationaliseringsstrategie “Vlaanderen Versnelt!” 2021-2025 43.

2.3. Realisatie: verover de wereld Op www.veroverdewereld.be, web platform van Flanders Investment & Trade gelanceerd in april 2019 in samenwerking met veel organisaties, kunnen Vlaamse bedrijven wereldwijd terecht voor het deelnemen aan of organiseren van events rond internationaal ondernemen in Vlaanderen. Handig voor Vlaamse bedrijven Ondernemers die denken aan internationaliseren of exporteren naar het buitenland kunnen terecht op dit online platform voor het meest uitgebreide overzicht van groepszakenreizen, events en exportmogelijkheden naar het buitenland.

43

Zie mededeling aan de Vlaamse Regering onder referentie VR 2021 1203 MED.0093/1 95


Perfect voor organisatoren Organisatoren van internationale events of groepszakenreizen naar het buitenland vinden op het missieplatform de meest uitgebreide opsomming van Vlaamse initiatieven naar het buitenland en kunnen hun event toevoegen om zo de gepaste hulp en ondersteuning te krijgen.

2.4. Realisatie: branding toolkit Samen met stakeholders, partners en bedrijven co-creëerde FIT een branding toolkit rond 5 economische domeinen: Life Sciences & Health; Food; Solution Driven Engineering & Technology; Smart Logistics and Sustainable resources and Materials & Chemistry. De toolkit biedt foto’s, video’s, handige teksten en facts & figures die Vlaanderen ‘herkenbaar’ maken in het buitenland, onze oplossingsgerichte aanpak benadrukken en ondernemers helpen bij het uitbreiden van hun internationale activiteiten.

3. Overige initiatieven 3.1. Agentschap voor Buitenlandse Handel Het Agentschap voor Buitenlandse Handel (ABH) werd opgericht via het Samenwerkingsakkoord van 24 mei 2002 tussen de federale overheid en de gewesten. Het ABH stelt zich ten dienste van de drie gewestelijke export bevorderende instellingen en de federale overheid. De werking van het ABH omvat twee grote pijlers. Een eerste pijler betreft het organiseren van twee economische zendingen per jaar die vooral focussen op buitenlandse economische groeiregio’s en –landen. De organisatie hiervan gebeurt samen met het Agence wallonne à l’Exportation et aux Investissements étrangers (AWEX), Brussels Invest & Export by Hub.brussels en Flanders Investment & Trade (FIT).

3.2. Buitenlandse economische missies Jaarlijks worden onder leiding van de minister-president meerdere buitenlandse economische missies georganiseerd voor de ondersteuning en de verdediging van de belangen van Vlaanderen en de Vlaamse economie in het buitenland. De organisatie van het economische en B2B-luik van de missie, incl. de bekostiging, zijn in de regel voor rekening van FIT.

3.3. Enterprise Europe Network (EEN) Het Enterprise Europe Network (EEN) is een initiatief van de Europese Commissie (DG GROW) dat de Europese kmo’s wil ondersteunen en adviseren. De netwerkpartners zijn stevig verankerd in de diverse Europese regio's en goed geplaatst voor het verlenen van informatie omtrent Europese regelgeving en financiering, voor het faciliteren van bedrijvencontacten en het helpen opstarten van transnationale innovatieve projecten. In Vlaanderen zijn VLAIO en FIT de partners die het Enterprise Europe Netwerk Vlaanderen vormen en die elk vanuit hun expertise kmo's wegwijs maken bij het ondernemen in Europa en de andere partnerlanden van het programma. Enterprise Europe Network Vlaanderen behoort tot een netwerk van meer dan 600 partnerorganisaties in de EU, met 4.000 ervaren medewerkers. Dankzij dit netwerk kan men snel betrouwbare informatie leveren over de Europese wetgeving en de regelgeving in andere lidstaten. Daarnaast kan men via dit netwerk contacten leggen met bedrijven uit andere landen die op zoek zijn naar samenwerking op economisch of technologisch vlak. Het netwerk heeft bovendien ook heel wat partners buiten Europa die als Business Cooperation Centers ten dienste van de bedrijven in Vlaanderen staan.

96


Hoofdstuk 6 Duurzaamheid van de Vlaamse economie versterken A. Ecologiepremie Plus (EP) en strategische ecologiesteun De ecologiepremie is een financiële tegemoetkoming aan ondernemingen die hun productieproces willen vergroenen door te investeren in milieuvriendelijke of energiezuinige technieken. Het Agentschap Innoveren & Ondernemen neemt een deel van de extra kost die een dergelijke investering meebrengt op zich. In 2020 werden in het kader van de subsidiemaatregel Ecologiepremie Plus 193 steunaanvragen goedgekeurd voor een totaal subsidiebedrag van 8.989.241,02 euro en een investeringsbedrag van 49.307.641,85 euro. De strategische ecologiesteun heeft dezelfde doelstelling als de ecologiepremie. In dit geval gaat het over grotere specifieke investeringsprojecten op maat van een bedrijf. In 2020 werden er zes steunaanvragen goedgekeurd voor een totaal subsidiebedrag van 12.000.000,00 euro en een investeringsbedrag van 77.591.207,00 euro. Bij begrotingsopmaak 2021 werd een budget voorzien van 25,186 miljoen euro voor ecologiesteun.

B. Promotie- en demonstratiecentrum van milieu- en energievriendelijke technologieën (PRODEM) PRODEM is een steunmaatregel voor kmo’s om via het onderzoekscentrum VITO milieu- of energietechnologieën te evalueren. Ontwikkelaars kunnen via PRODEM hun nieuwe technologieën testen in een reële situatie. Eindgebruikers kunnen PRODEM gebruiken voor het zoeken van milieu- en energievriendelijke technologieën en het implementeren ervan in hun bedrijfsvoering. Door de steun van de Vlaamse overheid en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) krijgen kmo’s minstens 66% subsidies voor de kosten van een haalbaarheidsstudie, een test op laboratoriumschaal, een piloottest of een test op het vlak van milieu of energie.

C. Eco-efficiëntie, Eco-efficiëntiescan en materialenscan De voorbije jaren werd door OVAM aan geïnteresseerde bedrijven een eco-efficiëntiescan aangeboden. Door een online eco-efficiëntiescan ontdekken bedrijven hun eco-efficiëntiemogelijkheden. Door de verschuivende focus van het beleid en het bedrijfsleven naar duurzaam materialenbeheer, biedt VLAIO in nauwe samenwerking met OVAM ook een materialenscan aan. Bij begrotingsopmaak 2021 is er een budget van 35.000 euro voorzien.

D. Groenestroom- en warmte-krachtcertificaten Sinds 2002 is in Vlaanderen een systeem van groenestroomcertificaten (GSC) van kracht ter ondersteuning van elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen. Dit systeem bestaat uit 2 delen: 1.

2.

Enerzijds krijgen producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, zoals zon, wind, biomassa en biogas (bv. vergisting van groente-, fruit- en tuinafval, vergisting van mest of slib of verbranding van houtafval), … GSC’s die kunnen aangevraagd worden bij het Vlaams Energieagentschap. Anderzijds moeten elektriciteitsleveranciers/toegangshouders een bepaald aantal GSC’s (het quotum) inleveren bij de VREG. Een toegangshouder is een natuurlijke persoon of rechtspersoon

97


die een contract heeft gesloten met een netbeheerder, beheerder van het transmissienet of beheerder van het vervoersnet met betrekking tot de toegang tot diens net op een bepaald toegangspunt. Er geldt een gelijkaardig systeem voor warmte-krachtcertificaten, die worden toegekend voor primaire energiebesparing. Beide certificatensystemen moeten ertoe bijdragen dat de vooropgestelde doelstellingen worden gerealiseerd. In 2018 werden er binnen deze certificatensystemen meer dan 6,4 miljoen GSC’s uitgereikt (voor een groenestroomproductie van 8,5 TWh) en 8,5 TWh primaire energie bespaard waarvoor ook meer dan 5,2 miljoen warmte-krachtcertificaten werden uitgereikt. De minimumwaarde voor nieuwe projecten bedraagt 93 euro per groenestroomcertificaat en 31 euro per warmtekrachtcertificaat. Uitgaande van de ruwe benadering dat installaties met een vermogen groter dan 10kW toe te schrijven zijn aan bedrijven, staan er eind 2019 7215 zonnepanelen-installaties bij Vlaamse bedrijven. Dit zijn er ca. 507 meer dan in 2018. Daarnaast stegen ook de overige groenestroomproductie-installaties en de warmtekrachtinstallaties. Concreet waren er eind 2019 in Vlaanderen 716 overige groenestroomproductieinstallaties en 897 warmtekrachtinstallaties waarvoor Vlaamse bedrijven certificaten ontvingen.

E. Calls groene warmte Ondernemingen en entiteiten die in het Vlaamse Gewest investeren in nieuwe groenewarmte-installaties, restwarmtegebruik of de productie (en injectie) van biomethaan, kunnen via een oproep subsidies ontvangen. Deze steun is niet cumuleerbaar met het groenestroom- of WKK-certificatensysteem of de ecologiepremie. De ontvankelijke investeringsprojecten worden beoordeeld en gerangschikt. Het beschikbare subsidiebedrag wordt verdeeld over de gunstig gerangschikte investeringsprojecten tot de budgettaire enveloppe opgebruikt is. Voor de calls is een jaarlijks budget van 10 miljoen euro beschikbaar.

F. Investeringssteun voor kleinschalige windturbines en voor micro-WKK Sinds 2018 is een nieuwe steunregeling beschikbaar voor de plaatsing van WKK tot 10 kW en voor de plaatsing van windturbines van 10 tot 300 kW. Deze installaties komen niet langer in aanmerking voor groenestroomcertificaten. De steunregelingen worden beschreven op energiesparen.be. De steun voor kleinschalige windturbines wordt toegekend via een oproep en selectieprocedure.

G. Vlaams EnergieBedrijf Het Vlaams EnergieBedrijf heeft als missie de publieke sector op vlak van energie te ontzorgen, duurzamer en efficiënter te maken. Ten eerste door centraal en goedkoper energie aan te kopen. Ten tweede door energiedata te centraliseren en ermee aan de slag te gaan. Ten slotte door overheidsinstellingen en lokale besturen te begeleiden om efficiënter om te springen met hun energie.

H. Ecologisch en veilig transport van goederen Ondernemingen die uitgaven doen in het kader van ecologisch en veilig transport van goederen over de weg (EVT) komen in aanmerking voor een subsidie van de Vlaamse overheid. De steunmaatregel ging op 20 november 2017 van start. Hij wordt door het Departement Mobiliteit & Openbare Werken gecoördineerd en gefinancierd. Het Agentschap Innoveren & Ondernemen staat in voor het operationeel beheer. De EVT-steun bedraagt maximaal 100.000 euro per onderneming voor uitgaven verricht in de drie kalenderjaren 2017, 2018 en 2019. In 2019 werden er 2.163 steunaanvragen 2019 uitbetaald op de begroting 2019 voor een totale subsidie van 26.480.773,32 euro. Daarnaast werden 1.163 steunaanvragen 2019 uitbetaald op de begroting 2020 voor een totale subsidie van 18.984.509,56 euro wegens overschrijding van de begroting 2019.

98


Hoofdstuk 7 Transversaal economisch en innovatiebeleid: Vlaanderen Circulair, Industrie 4.0, Energietransitie, Klimaatvisie 2050 en Flanders Care Hieronder worden drie transitieprioriteiten: circulaire economie, Industrie 4.0 en de energietransitie besproken. Hoewel de transities met elkaar interageren en samen werken, zijn deze drie prioriteiten het sterkst gelinkt met het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie. De startnota’s van deze drie transities, “De sprong maken naar Industrie 4.0”, “De transitie naar de circulaire economie doorzetten” en “Zorgen voor een energietransitie’, werden in 2017 goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

1. Circulaire economie 1.1. Situering Vlaanderen Circulair als transversaal thema Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 en meerdere beleidsnota’s bevestigen het belang van de transitie naar een circulaire economie om de Vlaamse economie ‘future proof’ te maken. Op 10 juli 2020 nam de Vlaamse regering de mededeling ‘Een transversale werking voor de circulaire economie van Vlaanderen’ evenals de conceptnota ‘Circulaire economie beleidsdomein EWI’ aan. Vandaag beseffen we meer dan ooit dat we zeer bewust moeten omspringen met onze materialen. We willen ervoor zorgen dat de materialen die we vandaag ter beschikking hebben, er ook nog morgen zullen zijn om in onze behoeften te voorzien. Daarom moeten we bewuster produceren en consumeren, minder materialen gebruiken en de kringlopen maximaal sluiten. Het gaat over consumptiegoederen, bouwmaterialen, maar evengoed water, voeding en natuurlijke hulpbronnen. Door zorgzaam om te gaan met deze materialen, water en natuurlijke hulpbronnen beogen we tegelijk een gunstig effect op ons ruimte- en energieverbruik. Om praktische oplossingen te genereren is er heel wat innovatie nodig voor de Vlaamse economie. De circulaire economie brengt nieuwe innovatiekansen met zich mee, onder meer in het productontwerp, de maakindustrie, de dienstverlening en de businessmodellen. Niet onbelangrijk is de sociale innovatie: we kiezen voor meer ketensamenwerking. Dat vraagt innovatieve, diverse partnerschappen, nieuwe productie- en consumptiesystemen (zoals in de deeleconomie, dematerialiseren, levensduurverlenging door herstel of hergebruik…). We kiezen ook als overheid voor een circulair aankoopbeleid. De circulaire economie geeft eveneens impulsen aan een nieuw soort ondernemerschap en aan de jobs van de toekomst, zowel in de reguliere als in de sociale economie. Door die ketenbenadering biedt de circulaire economie dus veel kansen voor ondernemingen en de samenleving. Het leidt tot minder grondstoffenverbruik en afval, geeft toegang tot duurzame materialen en diensten. Het zorgt ervoor dat we ook in de toekomst toegang hebben tot betaalbare grondstoffen, water en voeding. Vlaanderen toont zich innovatief en creatief in de circulaire economie. De kennis die we opbouwen, zullen we internationaal valoriseren.

99


Een omslag naar een circulaire economie vereist een samenwerking van alle actoren in de samenleving: overheden, ondernemers, middenveldorganisaties, onderzoekers en financiers. Het gaat zeker ook over de burger die nieuwe jobs uit zal oefenen, nieuwe vaardigheden zal leren in de circulaire economie en die bewuster kiest als consument. De oplossingen waarvoor we kiezen moeten voor iedereen haalbaar en betaalbaar blijven. Daarom wordt voorzien in een publiek-privaat partnerschap ‘Vlaanderen Circulair’ als centraal platform. Voor de coördinatie binnen de Vlaamse overheid wordt er gewerkt met een beleidsdomein-overschrijdende coördinatiegroep, onder leiding van de 2 ministers die de meest relevante thema’s onder hun bevoegdheid hebben: Minister Hilde Crevits, Viceminister-president en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw en Minister Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.

1.2. Roadmap Circulaire Economie 2020-2030 Vlaanderen was tot op heden al zeer actief in de omslag naar een circulaire economie. Wat er de afgelopen twee jaar gebeurde kunt u terugvinden in https://vlaanderen-circulair.be/nl/terugblik. In een volgende fase van de transitie naar een circulaire economie moeten we hetgeen we leren en uitproberen op het terrein ook verankeren in nieuw beleid, nieuwe businessmodellen en economische kansen. We werken samen aan een circulaire samenleving. De circulaire economie is te benaderen als een transversaal thema (cf. Mededeling VR ‘Nieuwe aanpak transversaal beleid/horizontale doelstellingenkaders’ (VR 2020 0702 MED.0050/1)), met de ambitie om de materialenvoetafdruk maximaal te reduceren (-30% tegen 2030), jobs en welvaart te creëren, de waterschaarste tegen te gaan en de natuurlijke hulpbronnen optimaal in te zetten via het sluiten van kringlopen en via een bewuster gebruik. Dat kan door het inzetten van diverse circulaire strategieën zoals de inzet van ecodesign, nieuwe businessmodellen en deeleconomie, herstel, hermaken (remanufacturing), hoogwaardige recyclage en hergebruik. We zorgen ervoor dat we met zijn allen aan onze behoeften kunnen voldoen met minder verlies aan materialen, water, natuurlijke hulpbronnen, energie en ruimte. Door dit samen, innovatief en creatief op te nemen zorgen we ervoor dat we een koploperspositie innemen in Europa. Bij de opmaak van de Roadmap worden de ambities voor Vlaanderen geconcretiseerd en omgezet in een plan van aanpak. Dit doen we door samen met de partners een aantal thematische Werkagenda’s op te bouwen. Deze zitten in lijn met de thema’s die ook aangegeven worden als relevant voor de circulaire economie vanuit de Europese Commissie. De mate waarin en de wijze waarop er op elk thema wordt ingespeeld hangt af van de noden van en de opportuniteiten die zich voordoen in Vlaanderen. Elke werkagenda wordt uitgewerkt met de relevante publieke en private partners in een publiek-privaat partnerschap waarin de relevante trekkers worden aangeduid vanuit zowel overheid als privé. Ze maken samen een werkagenda op. Deze omvat een afsprakenkader rond de wijze waarop ze zullen samenwerken, welke ambities ze samen delen voor het desbetreffende thema (gekaderd in de algemene ambities) en welke concrete doelstellingen ze willen realiseren. In de werkagenda beschrijven ze de diverse werkpaden en de acties voor de eerste jaren. Ze maken concreet hoe ze zich zullen engageren. Dit partnerschap wordt gevormd door het samenbrengen van actoren uit de maatschappelijke vijfhoek. Het is de ambitie dat voor elk van deze strategische thema’s concrete voorstellen/projecten vorm krijgen die een duidelijke meerwaarde bieden voor de Vlaamse maatschappij via tastbare vooruitgang richting circulaire en duurzame economische activiteiten. Onderstaande thema’s worden geïnitieerd als Werkagenda’s:

100


1) 2) 3) 4) 5) 6)

Agenda Circulair Bouwen Agenda Chemie/Kunststoffen Agenda andere productieketens zoals textiel en elektronica/technologiesector Agenda waterkringloop Agenda Bio-economie Agenda Voedselketen

Per werkagenda wordt er gewerkt met hefbomen die kunnen zorgen voor de versnelling van de transitie naar een circulaire economie. We noemen ze hefbomen, omdat ze vertrekken vanuit de aandacht voor concrete knelpunten en vanuit het goede praktijkvoorbeeld. Dankzij deze ‘hefbomen’ werken we aan de oplossing van deze knelpunten, en zorgen we ervoor dat de goede praktijken navolging krijgen. De hefboomwerking zorgt dat het geleerde verankerd wordt in nieuwe kennis, productie- en consumptiemodellen, marktopportuniteiten, jobs en vaardigheden, nieuwe allianties, een andere cultuur en gedrag in de samenleving. De hefbomen worden de aandachtspunten in elk van de werkagenda’s, en worden opgevolgd binnen Vlaanderen Circulair. Het is belangrijk dat alle overheidsinstanties (van lokaal naar Europees) die relevant zijn ook betrokken en geëngageerd zijn in een verruimde werking rond de circulaire economie. Bij het uitwerken van de werkagenda’s door de relevante publieke en private spelers, wordt er samen met de transitiemanager en team Vlaanderen Circulair gezocht naar samenwerkingen met de juiste partners om de volgende hefbomen te realiseren: 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7)

Beleid en beleidsinstrumenten Onderzoek Innovatie en ondernemerschap Financiering van initiatieven en ondernemerschap in de circulaire economie (publiek, privaat, Europese projectwerking) Jobs en vaardigheden in de circulaire economie Voorbeeldrol van de overheid en circulair aankopen Communicatie en rapportering

2. Industrie 4.0 De maakbedrijven in Vlaanderen staan voor grote uitdagingen als gevolg van digitalisering (IoT, data) en moeten zich opnieuw positioneren in een sterk geconnecteerde wereld en tegelijk de verwachtingen qua duurzaamheid invullen. De transformatie van de bedrijven nodig om zich in deze nieuwe context duurzaam te ontwikkelen, ondersteunen we met het actieprogramma ‘Transitie naar Industrie 4.0’. De noodzakelijke transformaties liggen zowel op het vlak van technologie, als van businessmodellen en werk. Vermits een van de grote gevolgen van de digitalisering is, dat bedrijven steeds meer onderling afhankelijk worden, vullen we de doelgroep maakindustrie breed in en betrekken we ook activiteiten zoals bouw en logistiek. Het doel is zo gunstig mogelijke omgevingsvoorwaarden te creëren voor de ontwikkeling van een industrie 4.0 omgeving in Vlaanderen en zoveel mogelijk bedrijven stappen te laten zetten in hun transformatie. Een transitie heeft per definitie een lange termijn horizon. Dit hebben we in 2019 onder andere behandeld in een transitie-arena en in de insteken voor de beleidsteksten. In 2019 hebben we ingezet op vijf actielijnen, waar mogelijk in samenwerking en overleg met andere actoren die de bedrijven gericht kunnen ondersteunen. Hiermee volgen we de lijnen van de vorige jaren. • In de platformwerking verspreiden we informatie, onderhouden we netwerken en ondersteunen we het beleid. De uitbouw van de website www.industrie40vlaanderen.be, die een verbinding vormt tussen de (onderzoeks-)partners en de bedrijven, is een belangrijke realisatie. • Voor de versterking van de kennisbasis kan verwezen worden naar de ondersteuning van de verdere uitbouw van Flanders Make, naar de explicitering van het thema binnen imec en naar de betrokkenheid van de clusters. Onder andere via (collaboratieve) bedrijfsprojecten en via de ICON-

101


projecten van Flanders Make, imec en de clusters is hier ook een belangrijke directe betrokkenheid van bedrijven. • Voor het stimuleren van toepassingen werd het volledige instrumentarium van VLAIO ingezet: steun, dienstverlening en het netwerk. De samenwerking met de clusters en IBN’s is daarbij belangrijk. De 17 driejarige industrie 4.0-proeftuinen geven hieraan een extra impuls. Die proeftuinen hebben zeer verschillende invalshoeken op het vlak van technologie, thema (bijvoorbeeld nieuwe businessmodellen, competenties, …) of toepassingsdomein (bijvoorbeeld voeding). Zowel de individuele proeftuinen als het netwerk kwamen tot ontplooiing in 2019. • Met betrekking tot de omgevingsvoorwaarden was er vooral aandacht voor competenties, in aansluiting met de transitie rond werk. • Op het vlak van internationale samenwerking waren er drie invalshoeken: positionering van Vlaanderen op verwante thema’s binnen het Europees beleid (digitalisering en industrie), ondersteunen van Vlaamse actoren bij het verwerven van Europese subsidies en internationale outreach van Vlaanderen (Hannover Messe, acties met andere regio’s, enz.). Meer info en een overzicht van alle lopende acties voor Industrie 4.0 is te vinden op de nieuwe website www.industrie40vlaanderen.be.

3. Zorgen voor een energietransitie Onder ‘energietransitie’ verstaan we de evolutie naar een koolstofarm en zeer energiezuinig energiesysteem waar hernieuwbare energiebronnen de plaats hebben ingenomen van fossiele energiebronnen. Van een systeem waarbij energie vooral centraal wordt geproduceerd en nadien wordt verdeeld, moeten we evolueren naar een decentraal energiesysteem waarbij energie vooral lokaal wordt geproduceerd en verbruikt. Digitale apparatuur zal zorgen voor de aansturing en slimme koppeling van de verschillende energiediensten en/of energietechnologieën. In die zin is er een belangrijke link met de transitieprioriteit Industrie 4.0. Energie is verbonden met alle componenten van de huidige samenleving en de energietransitie is dan ook een onmisbare schakel in de overgang naar een klimaatneutrale samenleving.

Aanpak Om de energietransitie te verwezenlijken, werden vier concrete prioriteiten gedefinieerd. Drie aandachtspunten staan centraal in het bereiken van deze prioriteiten. De doelstelling is niet alleen het energiesysteem duurzamer maken, maar er ook voor zorgen dat de energiefactuur betaalbaar blijft voor de gezinnen en de bedrijven terwijl de bevoorradingszekerheid op elk moment gegarandeerd blijft. De vier prioriteiten zijn de volgende:

1)

Sterk verbeterde energie-efficiëntie realiseren

In eerste instantie moet het energieverbruik sterk worden gereduceerd in alle sectoren. Dit zorgt niet alleen voor een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, maar beperkt ook de energiekosten van gezinnen en bedrijven. De evolutie naar een energiezuinig energiesysteem zal gepaard gaan met de ontwikkeling van nieuwe aangepaste producten en diensten, wat kan zorgen voor bijkomende exportmogelijkheden, stijgende lokale omzet en daarbij horende extra banen.

102


2) Hernieuwbare energieproductie structureel verhogen Het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix moet richting 2030 en 2050 nog fors omhoog. Als algemeen principe wordt ingezet op de meest rendabele en efficiënte technologieën of op nieuwe technologieën met de beste vooruitzichten op dat vlak. Ondersteuning door de overheid gebeurt enkel voor de meest kostenefficiënte technologieën en is steeds tijdelijk.

3) Flexibel energiesysteem bewerkstelligen Wind- en zonne-energie kunnen door hun variabele productieverloop niet op elk moment voorzien in onze energiebehoeftes. Er moet werk gemaakt worden van verschillende vormen van vraagsturing en energieopslag zodat de energievraag en het -aanbod op elk moment op elkaar zijn afgestemd. Ook een betere koppeling tussen de elektriciteitsnetten van de verschillende lidstaten is essentieel om schommelingen in vraag en aanbod optimaal op te vangen.

4)

Ontwikkelen van een doordachte innovatiestrategie

De technologische oplossingen om de energieomslag te verwezenlijken, zijn vandaag al grotendeels aanwezig. Er is nog nood aan de doorontwikkeling van bestaande technologieën of processen om de kostprijs verder te verlagen of de efficiëntie ervan te verhogen. In bepaalde sectoren zullen meer ingrijpende of zelfs disruptieve innovaties nodig zijn. De opgave bestaat erin om de verschillende technologieën slim te combineren tot een geïntegreerd geheel. Een weloverwogen energie- en innovatiebeleid biedt de Vlaamse technologieaanbieders de ruimte om aangepaste of nieuwe innovatieve oplossingen te vinden voor de Vlaamse energie-uitdagingen. Die kunnen nadien worden opgeschaald zodat ze inzetbaar zijn in een zo groot mogelijke afzetmarkt.

Werking en Governance De energietransitie zal worden verwezenlijkt in nauw partnerschap met alle betrokken stakeholders. Voor de transitieprioriteit energie wordt de transitieruimte opgebouwd rond de vijf pijlers van het visietraject Stroomversnelling, nl. Energie-efficiëntie, Hernieuwbare Energie, Flexibiliteit, Financiering en Governance. Vanuit Stroomversnelling worden linken gelegd met andere lopende langetermijn (visie)trajecten zoals het Renovatiepact en de Vlaamse Klimaatvisie 2050. In samenspraak met de partners uit Stroomversnelling en een burgerpanel werd een Vlaamse Energievisie opgesteld. De Energievisie werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 mei 2017 en legt de krijtlijnen vast voor ons toekomstig energiesysteem. In de loop van 2018 en daarna zullen de werkgroepen samen werken om de visie te vertalen naar concrete acties die de energietransitie beleidsmatig en op het terrein gestalte geven. Tot slot zal ook regelmatig worden overlegd met de speerpuntcluster Energie (Flux50) om barrières die worden geïdentificeerd bij concrete projecten te verhelpen.

4. Vlaams Klimaatbeleidsplan 2021-2030 en de Vlaamse Klimaatvisie 2050 In december 2019 keurde de Vlaamse Regering definitief het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 (VR 2019 0912 DOC 1208/1BIS en 1208/3BIS) en de Vlaamse klimaatstrategie 2050 (VR 2019 2012 DOC. 1356/1 en 1356/2) goed. Na integratie in een Belgisch plan werd dit aan de Europese Commissie bezorgd.

103


4.2. Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030 Dit geïntegreerd plan moet conform Europese afspraken de vijf dimensies van de Energie-unie behandelen. De vijf thema’s zijn bevoorradingszekerheid, interne markt, energie-efficiëntie, decarbonisatie en onderzoek en innovatie en concurrentievermogen. Hierbij moeten steeds doelstellingen, maatregelen en onderbouwde prognoses naar voor geschoven worden. Vlaanderen streeft de doelstelling na om tegen 2030 zijn broeikasgasemissies in de niet-ETS sectoren te reduceren met 35% ten opzichte van 2005. Dit is voor Vlaanderen een enorme uitdaging. De opgelegde doelstelling voor België gaat dan ook veel verder dan wat volgens kostenefficiëntie berekend was (25%). In de periode 2005-2018, een periode van 13 jaar, zijn de niet-ETS emissies in Vlaanderen bovendien slechts met 5% gedaald. In dit Vlaams Energie- en Klimaatplan (VEKP) wordt voor klimaat gefocust op de sectoren die niet gevat worden door het Europees Systeem van Verhandelbare Emissierechten (EU ETS). Het is immers enkel voor deze niet-ETS sectoren - de gebouwen, transport, landbouw, afval en een klein deel van de industrie - dat de lidstaten zelf doelstellingen moeten naleven.

4.3. Vlaamse Klimaatstrategie 2050 In 2018 publiceerde de Commissie een geactualiseerd voorstel van langetermijnstrategie onder de naam ‘A Clean Planet for All’ (COM (2018) 773). In dit voorstel – en vooral in de diepgaande analyse hierbij – wordt verkend via welke pistes de EU kan komen tot een netto-nuluitstoot tegen 2050. Op 12 december 2019 bekrachtigde de Europese Raad de doestelling van een klimaatneutrale EU in 2050, conform de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het engagement uit het Akkoord van Parijs om tegen 2020 een langetermijnstrategie te ontwikkelen, is voor EU lidstaten ook juridisch verankerd: artikel 15 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, vereist dat elke lidstaat uiterlijk op 1 januari 2020, en daarna om de tien jaar, een langetermijnstrategie indient bij de Commissie met een perspectief van minstens dertig jaar. Artikel 15 en Annex IV van die verordening legt ook de minimuminhoud vast waaraan de strategieën moeten voldoen. Vlaanderen streeft ernaar om de broeikasgasemissies van de sectoren die niet gedekt zijn door het EU ETS (zogenaamde niet-ETS sectoren) te reduceren met 85% tegen 2050 (ten opzichte van 2005), met de ambitie om te evolueren naar volledige klimaatneutraliteit. Voor de ETS sectoren schrijven we ons in binnen de context die Europa bepaalt voor deze sectoren met een steeds krappere emissieruimte onder het EU ETS en zetten we in op de ondersteuning van de bedrijven naar een verregaande omschakeling naar klimaatvriendelijke productiesystemen. Toekomstbeelden zijn beschreven voor 6 sectoren: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

104

productie van elektriciteit en warmte industrie (inclusief indicatieve bijdrage voor wat betreft de niet-ETS industrie) transport gebouwen landbouw en agrovoedingsketen bodems, bossen en biomassa


4.4. De Europese klimaatwet De Europese Raad schaarde zich in zijn conclusies van 12 december 2019 achter de doelstelling om in 2050 een klimaatneutrale EU tot stand te brengen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. De leiders erkenden daarbij de noodzaak van een faciliterend kader dat alle lidstaten helpt met adequate instrumenten, stimulansen, steun en investeringen om een kosten-efficiënte, rechtvaardige en tevens sociaal evenwichtige en faire transitie te waarborgen. Bij het bepalen van de startpunten moeten de nationale omstandigheden in aanmerking worden genomen. Op 4 maart 2020 presenteerde de Commissie haar voorstel voor een Europese klimaatwet, een belangrijk onderdeel van de Europese Green Deal. Op 17 september 2020 keurde de Commissie een wijziging van dat voorstel goed: het voor¬gestelde EU-emissie-reductie-doel voor 2030 bedraagt nu ten minste 55%. Daarnaast publiceerde de Commissie een mededeling over het klimaatdoelstellingsplan voor 2030, samen met een uitgebreide effectbeoordeling. Op 10-11 december 2020 schaarde de Europese Raad zich in zijn conclusies achter een bindende EUdoelstelling van een nettoreductie in de EU van uitgestoten broeikasgassen van ten minste 55% in 2030 ten opzichte van 1990. De Raad nam op 17 december 2020 zijn algemene oriëntatie (voorlopig standpunt) over het voorstel voor een Europese klimaatwet aan. Vervolgens hielden de Raad en het Parlement een reeks trialogen om een akkoord over de definitieve tekst te bereiken. De Raad en het Parlement bereikten op 21 april 2021 een voorlopig politiek akkoord over het voorstel. Op 28 juni 2021 naar de Raad haar standpunt in eerste lezing aan. Daarmee is de aannemingsprocedure afgerond. Naast de doelstelling van klimaat¬neutraliteit en een ambitieuze doelstelling voor de EU om te streven naar negatieve emissies na 2050, bevat de Europese klimaatwet de bindende doelstelling dat de netto-emissie van broeikas¬gassen (na aftrek van verwijderingen) in 2030 ten minste 55% lager moet zijn dan in 1990. Om ervoor te zorgen dat er tot 2030 voldoende inspanningen worden geleverd om emissies te verminderen en te voorkomen, wordt met de klimaatwet een plafond van 225 megaton CO2-equivalent ingevoerd voor het aandeel verwijderingen. De EU zal tevens proberen om uiterlijk in 2030 tot meer netto¬koolstof¬putten te komen. De Commissie zal (als nodig) een tussentijdse klimaatdoelstelling voor 2040 voorstellen, uiterlijk 6 maanden na de eerste algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs. Ze zal tegelijkertijd een indicatieve EU-broeikas-gasbegroting voor 2030-2050 publiceren, samen met de onderliggende methode. Met die begroting wordt bedoeld de indicatieve totale hoeveelheid netto-broeikasgas-emissies (uitgedrukt als CO2-equivalent, met aparte informatie over emissies en verwijderingen) die voor die periode verwacht wordt zonder dat de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs in het gedrang komen. De Europese klimaatwet voorziet ook in de oprichting van een Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering. Die adviesraad zal onafhankelijk wetenschappelijk advies geven en verslag uitbrengen over EU-maatregelen, klimaat¬doelstellingen en indicatieve begrotingen voor broeikas-gassen en de vraag of die stroken met de Europese klimaatwet en de internationale verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs. De Commissie zal in gesprek gaan met economische sectoren die ervoor kiezen vrijwillige indicatieve routekaarten op te stellen voor het behalen van de EU-doelstelling van klimaatneutraliteit in 2050. Naast

105


het monitoren van de ontwikkeling van die routekaarten zal de Commissie de dialoog op EU-niveau bevorderen en beste praktijken uitwisselen met de belanghebbenden.

4.5. Moonshot Vlaanderen CO2-arm: industrieel innovatieprogramma De Moonshot is een toekomstgericht industrieel innovatieprogramma, opgestart door de Vlaamse overheid in 2019. In plaats van naar de maan willen we met Vlaanderen naar een CO2-neutrale industrie tegen 2050. Binnen het initiatief werken Vlaamse kenniscentra, overheid en industrie samen aan doorbraaktechnologieën die vanaf 2040 moeten zorgen voor nieuwe klimaatvriendelijke producten en processen. Zo draagt de Vlaamse industrie haar steentje bij aan de Europese klimaatdoelstellingen en aan de afspraken in het Klimaatakkoord van Parijs. Om deze doorbraaktechnologieën mogelijk te maken, investeert de Vlaamse overheid tussen 2020 en 2040 jaarlijks 20 miljoen euro in het Moonshot-initiatief. In totaal gaat het dus om maar liefst 400 miljoen euro. De Moonshot heeft tot doel om tegen 2040 technologische doorbraken te realiseren, zowel in producten als in processen, die op hun beurt tegen 2050 kunnen bijdragen tot het behalen van de klimaatdoelstellingen in een economische leefbare context. Vlaanderen wil met deze Moonshot op innovatievlak een voortrekkersrol spelen door de komende twee decennia fundamentele doorbraken na te streven in het basisonderzoek aan de kennisinstellingen en die vervolgens toe te passen in de energie-intensieve industrieën (voornamelijk chemie, raffinage en staal). Momenteel lopen er vier onderzoekstrajecten (MOT): -

MOT 1: Biogebaseerde chemie MOT 2: Circulariteit van koolstof in materialen MOT 3: Elektrificatie en radicale procestransformatie MOT 4: Energie-innovatie

5. Flanders’ Care Flanders’ Care heeft de missie: "op aantoonbare wijze en door innovatie het aanbod van kwaliteitsvolle zorg verbeteren en verantwoord ondernemerschap in de zorgeconomie te stimuleren." Flanders' Care is een programma van de Vlaamse overheid dat streeft naar een verbetering van de zorgkwaliteit door - via innovatie - verantwoord ondernemerschap in de zorgeconomie te stimuleren. Het doel is om de vooruitgang in wetenschap en technologie in te zetten in de zorgsector en tegelijk een economische meerwaarde te creëren voor Vlaamse bedrijven. Een snel evoluerende maatschappelijke, economische, technologische en zorg- en welzijnsomgeving, maakt dat Vlaanderen (en aldus ook de Vlaamse overheid) absoluut verder moet inzetten op het realiseren van synergie tussen de ondernemerswereld, de zorg en de kenniscentra. En dit doen we met Flanders' Care 2.0. Actieplan 2.0 voor Flanders’ Care De Vlaamse Regering keurde op vrijdag 5 februari 2016 het Actieplan Flanders’ Care 2.0 goed. Voor het opbouwen van het Actieplan 2.0 werd gebruik gemaakt van de fundamenten die in de vorige legislatuur werden gelegd. Een snel evoluerende maatschappelijke, economische, technologische en zorg- en welzijnsomgeving, noopt Vlaanderen ertoe verder in te zetten op het realiseren van synergie tussen de ondernemerswereld, de zorg en de kenniscentra.

106


De Vlaamse gezondheidszorg geldt als één van de meest kwaliteitsvolle ter wereld, heeft een grote toegankelijkheid en de kostprijs is in vergelijking met andere Westerse landen vrij laag. Flanders’ Care 2.0 zal dan ook permanent oog hebben voor de kwaliteit van zorg en welzijn en aansluiting zoeken bij het Vlaamse beleid rond kwaliteitsindicatoren. 1.

Er wordt rekening gehouden met de megatrends. Het “internet of things”, de doorbraak van artificiële intelligentie, de mogelijkheden van robotica en 3D-printing, de explosie van slimme materialen, … Het zijn maar enkele van de innovaties waar we mee geconfronteerd worden.

2.

We moeten ook nadenken over nieuwe organisatievormen in de zorgsector waarbij innovatie en verantwoord ondernemerschap alle kansen moet krijgen.

3.

Health in All Policies is een voorwaarde voor een geïntegreerde zorg. Deze holistische visie vereist een gedeeld eigenaarschap van alle sectoren en actoren.

4.

De burger wordt steeds mondiger en dat leidt ons ertoe dat we veel belang hechten aan het feit dat de zorgbehoevende als het ware (mede-)regisseur wordt.

5.

De mate van noodzaak, sense of urgency, is nog niet bij alle actoren even duidelijk. Vandaar dat we ambassadeurs nodig hebben die de visie van Flanders’ Care mee uitdragen.

Aan de missie van Flanders’ Care wordt via onderstaande actielijnen concreet gestalte gegeven: -

Gegevensdeling M-health Assistieve technologie en medische hulpmiddelen Chronisch zorgmodel Nieuwe samenwerkings- en businessmodellen Zorg voor talent Internationalisering Aandacht voor ethische uitdagingen

Flanders’ Care 2.0 kiest nadrukkelijk voor een aanpak die gedragen wordt over de verschillende beleidsdomeinen heen. Het Actieplan Flanders’ Care wordt dan ook gezien als een vlaggenschip dat over beleidsdomeinen een aantal noodzakelijke transities in Vlaanderen wil stimuleren en verder op de kaart zetten. Samenwerking tussen de verschillende stakeholders is essentieel om innovatie en ondernemerschap in de zorg te creëren. Het verbinden van alle betrokken partijen is cruciaal om oplossingen te verkrijgen op maat en op vraag van de gebruiker. Deze samenwerking kan op verschillende manieren tot stand komen. Ze kan gestimuleerd worden binnen projecten, maar ook organisch groeien en zo leiden tot grote samenwerkingsverbanden. Het gedetailleerd actieplan en meer informatie is te vinden op de website van Flanders’ Care.

107


Hoofdstuk 8 Investeringen in Vlaanderen via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) 1. Situering Binnen de EU-begroting is voor de zevenjarige periode 2014-2020 bijna 470 miljard euro voorzien voor de Europese Structuur en Investeringsfondsen (ESI-fondsen) binnen de 28 lidstaten van de Europese Unie. De ESI-fondsen omvatten het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds (CF) het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Het Cohesiefonds kent geen uitvoering in Vlaanderen. De ESI-fondsen vormen één van de belangrijkste investeringsinstrumenten van de EU om de Europa 2020 doelstellingen te verwezenlijken: o.a. groei en banen scheppen, de klimaatverandering en de energieafhankelijkheid aanpakken en de armoede en sociale uitsluiting terugdringen. Daarnaast moeten deze fondsen de economische, sociale en territoriale cohesie binnen de Europese Unie versterken en bestaande onevenwichtigheden tussen de regio’s terugdringen. In het kader van dit hoofdstuk wordt enkel ingezoomd op het EFRO. Het VLAIO coördineert het beheer van EFRO.

2. EFRO algemeen: 347,6 miljoen euro Europese middelen voor Vlaanderen De Structuurfondsen worden voor de periode 2014-2020 georganiseerd rond 2 grote doelstellingen: -

-

108

‘Investeren in groei en werkgelegenheid’: met nadruk op de minder ontwikkelde regio’s binnen de Unie >> hieronder vallen de 175,6 miljoen euro Europese middelen voor het EFRO Vlaanderen programma; ‘Europese Territoriale Samenwerking’: ter bevordering van grensoverschrijdende, transregionale en interregionale samenwerking >> hieronder vallen de 172 miljoen euro Europese middelen voor het EFRO Interreg programma in Vlaanderen.


Figuur 31 Structuurfondsen per doelstelling en per periode (in miljoen euro) 400 319,6

350

347,6

300 250

201

200

175,6

172 118,6

150 100 50 0 EFRO - Vlaanderen

EFRO - Interreg 2007-2013

EFRO - Vlaanderen + Interreg

2014-2020

Het EFRO Vlaanderen programma valt onder de eerste doelstelling en subsidieert projecten die het regionaal Vlaamse concurrentievermogen vergroten en werkgelegenheid stimuleren. Op een totale enveloppe van 517,5 miljoen euro voor deze eerste doelstelling gaat er 175,60 miljoen euro naar het EFRO Vlaanderen programma. Het resterende bedrag zijn middelen voor het Europees Sociaal Fonds (ESF). De EFRO Interreg programma’s vallen onder de tweede doelstelling en subsidiëren internationale samenwerkingsprojecten op het vlak van regionale ontwikkeling. Vlaanderen verkreeg een bijdrage van 172 miljoen euro om bij te dragen aan de verschillende Interreg programma’s waarin het participeert. De bijdragen van partnerregio’s en lidstaten worden daarbinnen volgens een common pot principe beheerd.

3. Het EFRO Vlaanderen programma: 175,6 miljoen euro Europese middelen A. Wat komt in aanmerking? Het operationeel meerjarenprogramma 2014-2020 is opgebouwd rond 4 inhoudelijke prioriteitsassen en één as Technische Bijstand, samen goed voor een EFRO budget van 175,6 miljoen euro. ‒ ‒ ‒ ‒

As 1: Stimuleren van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie (87,6 miljoen euro) As 2: Versterken van het concurrentievermogen van kmo's (28,9 miljoen euro) As 3: Bevorderen van de overgang naar een koolstofarme economie (35,21 miljoen euro) As 4: Bevorderen van een duurzame grootstedelijke ontwikkeling (16,9 miljoen euro)

Verder wordt voor 3 gebieden een “Geïntegreerde Territoriale Investeringen” strategie toegepast, waarbij op een complementaire manier, gelabelde middelen uit verschillende fondsen (EFRO en ESF) worden ingezet: -

-

GTI Limburg: inspelend op de specifieke reconversieproblematiek in de provincie, als gevolg van de sluiting van Ford Genk, met als basis, het ‘Strategisch Actieplan voor Limburg in het Kwadraat – SALK’ (45 miljoen euro EFRO middelen); GTI West-Vlaanderen: gebaseerd op het strategisch plan ‘West Deal’ voor een toekomstgerichte transformatie van de provincie West-Vlaanderen (21,9 miljoen euro EFRO middelen); GTI Kempen: inspelend op de socio-economische en territoriale uitdagingen van dit gebied, met als basis, het ‘Dynamisch Actieplan Kempen – Dynak’ (10 miljoen euro EFRO middelen)

Acties in een GTI-gebied moeten beantwoorden aan een dubbel criterium: aansluiten bij de eigen regionale strategie en passen binnen de specifieke doelstellingen van het OP.

109


Figuur 32 Budget per prioriteitsas van het operationeel programma (2014-2020; in miljoen euro) 90

84,8

80 70 60 50 40

29,9

30

37,1 16,9

20

6,9

10 0

Onderzoek, TO & Innovatie

Concurrentievermogen Overgang koolstofarme Duurzame stedelijke kmo's economie ontwikkeling

Technische bijstand

B. Wie komt in aanmerking? Het EFRO-programma is vooral bedoeld voor projecten van publieke actoren. Private actoren kunnen evenwel in aanmerking komen op voorwaarde dat ze rechtspersoonlijkheid hebben in Vlaanderen en de Europese regels voor staatssteun respecteren. Prioriteitsas 4 (Bevorderen van een duurzame grootstedelijke ontwikkeling) is enkel toegankelijk voor actoren uit de steden Antwerpen en Gent.

C. Omvang steun De EFRO-subsidie voor de periode 2014-2020 bedraagt maximaal 40% van de totale subsidiabele projectkost. Het project moet zelf de overige financiering voorzien. Deze financiering kan zowel afkomstig zijn van de projectpartners (promotor, eventuele copromotoren) als van lokale en regionale overheden en/of de private sector. De hoogte en het % aan EFRO en andere publieke financiering(en) is in geval van dossiers waar staatsteunregels gelden, wel afhankelijk van de EU voorschriften hieromtrent. Het EFRO budget 2014-2020 bedraagt 175,6 miljoen euro voor geheel Vlaanderen waarvan er 45 miljoen euro gereserveerd is voor de GTI Limburg (zie hierboven). In 2020 werden verspreid over de verschillende prioriteiten en GTI’s - 14 projectoproepen gelanceerd, gericht op het bevorderen van kennisvalorisatie (via co-creatie en demonstratieprojecten), het versterken van de Vlaamse KMO’s (o.m. via intergemeentelijke samenwerking en digitalisering naar ondernemers, van innovatieve bedrijfsmodellen en internationalisering), het stimuleren van duurzame mobiliteit, energetische renovaties en het gebruik van groene warmte en het stimuleren van een duurzame stedelijke ontwikkeling in Gent en Antwerpen. Daarbij werden 37 projecten goedgekeurd door de Managementautoriteit voor een totale EFRO-steun van 14 miljoen euro. Hiervan werden 28 projecten binnen het bevoegdheidsdomein van het Agentschap, gecofinancierd vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen voor een totaal bedrag van 9,8 miljoen euro.

110


Tabel 21 Stand van zaken van de uitvoering van het programma eind 2020 Beschikbaar budget (miljoen euro)

Prioriteit

Toegekende EFRO – steun (miljoen euro)

Goedgekeurde projecten

%

Prioriteit 1 - Stimuleren van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie

87,63

91,56

104,48

78

Prioriteit 2 - Versterking van het concurrentievermogen van KMO’s

28,88

27,51

95,27

107

Prioriteit 3 - Ondersteunen van overgang naar koolstofarme economie

35,21

35,48

100,77

51

16,9

14?50

85,61

15

6,9

6,9

100

9

175,6

175,98

100,22

260

Prioriteit 4 -Bevorderen van een duurzame stedelijke ontwikkeling Prioriteit 5 - Programmawerking Totaal

4. De EFRO Interreg programma’s: 172 miljoen euro Europese middelen 4.1. Waar staat Interreg voor? EFRO Interreg is een verzamelnaam voor meerdere programma’s die - samen met andere EU Fondsen of programma’s (bijv. Horizon 2020) - functioneren binnen hetzelfde EU 2020 kader en gericht zijn op duurzame groei en jobs. Samen met het EFRO Vlaanderen programma vormen Interreg programma’s het EFRO luik van het Cohesiebeleid in Vlaanderen. Binnen dit EFRO luik wordt volop gefocust op de transformatie of structurele aanpassing van onze regionale economie. Vlaanderen heeft de keuze gemaakt om de Interreg programma’s in grote mate in te zetten als een versterkend instrument ten opzichte van het programma EFRO Vlaanderen. Elk programma is georganiseerd volgens vooraf afgebakende geografische regio’s (een grensregio, een groepering van meerdere landen, heel de EU28…) waarvoor een meer-jaren actieprogramma met gedeelde prioriteiten en uitdagingen overeengekomen werd door de deelnemende EU lidstaten en regio’s als Vlaanderen. Er zijn drie soorten programma’s die Vlaanderen beheert en uitvoert in samenwerking met andere regio’s:

4.1.1. Grensoverschrijdende programma's Dit zijn programma’s die gericht zijn op samenwerking tussen aangrenzende regio’s van buurlanden. Vlaanderen neemt deel aan 4 programma’s met volgend EFRO budget: -

Grensregio Vlaanderen- Nederland (152 miljoen euro); Euregio Maas-Rijn (96 miljoen euro); Frankrijk-Wallonië-Vlaanderen (170 miljoen euro); 2 Seas (257 miljoen euro).

111


4.1.2. Transnationale programma's Dit zijn programma’s die een groter gebied beslaan en gericht zijn op een bredere samenwerking tussen meer regio’s. Vlaanderen neemt deel aan twee programma’s met volgend EFRO budget: -

Noordzee Regio (167 miljoen euro); Noordwest Europa (396 miljoen euro).

4.1.3. Interregionale programma's Dit zijn meer thematische samenwerkingsverbanden tussen regio’s en kennen geen geografische afbakening in tegenstelling tot de vorige twee programma’s. Vlaanderen neemt deel aan vier programma’s met volgend EFRO budget: -

Interreg (359 miljoen euro); URBACT (74 miljoen euro); INTERACT (39 miljoen euro); ESPON (49 miljoen euro).

4.2. Wat komt in aanmerking? Alle Interreg programma’s focussen op een beperkt aantal aspecten van kernthema’s uit EU2020 die op hun beurt doorvertaald werden naar de context van een programmagebied: -

Overgang naar een kenniseconomie en versterking van innovatie; Overgang naar een koolstofarme economie; Versterken van het concurrentievermogen van KMO’s; Valorisatie en duurzaam gebruik van milieu en/of hulpbronnen.

Kernthema’s als klimaatverandering en een verbetering van de levenskwaliteit voor burger kleuren verder mee de invulling van deze thema’s. Het doel van EFRO Interreg is het mee stimuleren van transities binnen scherp afgebakende onderdelen van bovenstaande domeinen en waarvoor een geïntegreerde internationale aanpak vereist is door een veelheid aan spelers, sectoren en bestuursniveaus. Projecten hebben een hoog open innovatie gehalte en mogen geen onmiddellijk commercieel en/of winstgevend karakter hebben. Verder moeten ze passen binnen wettelijke beperkingen inzake staatssteun.

4.3. Wie komt in aanmerking? De publieke projectmiddelen uit deze programma’s zijn bestemd voor consortia van overheden, onderzoeksen kennisinstellingen, het bedrijfsleven en NGO’s die transitieprojecten met een langetermijnperspectief wensen uit te voeren waarvan ondernemingen en burgers beter worden. Als dusdanig vormen ze geen financieringskanaal voor individuele bedrijfsprojecten of voor projecten met een kortetermijnperspectief. De uiteindelijke begunstigden van Interreg projecten zijn ondernemingen en burgers in heel Europa. Projecten hebben een hoog open innovatiegehalte en mogen geen onmiddellijk commercieel en/of winstgevend karakter hebben. Verder moeten ze passen binnen wettelijke beperkingen inzake staatssteun.

112


4.4. Omvang steun De Interreg programma’s waarin Vlaanderen participeert beschikken over een gezamenlijk EFRO budget van ruim 1,7 miljard euro aan EFRO middelen. De grensoverschrijdende en transnationale programma's kunnen gemiddeld tot 50% à 60% financieren van de totaal goedgekeurde projectkosten. In het geval van interregionale samenwerkingsprogramma’s kan dit oplopen tot 85%. De overige financiering wordt (aan)gedragen door de projectindieners. Deze kunnen hiervoor eventueel aankloppen bij de bevoegde Vlaamse minister, andere overheden of private partijen. De hoogte en het percentage aan EFRO en andere publieke financiering(en) is in geval van dossiers waar staatsteunregels gelden wel afhankelijk van de EU voorschriften hieromtrent. Op datum van 1/1/2021 zijn binnen de programma’s waarin Vlaanderen participeert nagenoeg 100% van de beschikbare EFRO middelen voor projectwerking toegewezen. De programma's plannen in 2021 geen (grote) open oproepen meer en zullen eventuele restmiddelen van afgesloten projecten overwegend recycleren via kleine gerichte oproepen of kleine bijkomende kapitalisatie acties voor en door reeds goedgekeurde projecten. Wat het Fonds Innoveren en Ondernemen betreft, werden in 2020 in totaal 15 nieuwe Interreg steundossiers vastgelegd voor een totaal bedrag van 2,6 miljoen euro.

113


Deel 2 Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid: 3,842 miljard euro

115


Inleiding: definities en actoren in het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) Waar in deel 1 de instrumenten en budgetten van het Vlaams economisch beleid werden toegelicht, focust deel 2 op de instrumenten en middelen van het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid. In deze inleiding verduidelijken we voorafgaand enkele geldende internationale definities die we in dit deel hanteren. Vervolgens staan we stil bij het overheidslandschap waarbinnen het wetenschaps- en innovatiebeleid plaatsvindt.

1. Internationale definities: terminologische driedeling Dit deel geeft een overzicht van wat het wetenschaps- en innovatiebeleid precies inhoudt. Hiervoor respecteren we internationaal gehanteerde definities. Wil men internationale vergelijkingen mogelijk maken, dient men zich immers te houden aan de internationale afspraken. De term wetenschappelijke activiteiten, zoals gedefinieerd in de “Recommendation concerning the International Standardisation of Statistics on Science and Technology” – UNESCO, 1978 (Canberra- Manual – OESO, Parijs, 1995, p. 67) omvat een drieluik: 1)

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O): “op stelselmatige wijze uitvoeren van creatieve

werkzaamheden met het doel het kennisbestand, met inbegrip van kennis van mens, cultuur en maatschappij, te vergroten en deze kennis te gebruiken om nieuwe toepassingen te ontwerpen” (Frascati-Manual, OECD, 2015, p. 44). Het is m.a.w. elke wetenschappelijke activiteit die tot doel heeft wetenschappelijke kennis te ontwikkelen (fundamenteel onderzoek), toepasbaar te maken (toepassingsgericht onderzoek) en ze toe te passen (ontwikkeling). Het begrip O&O moet zeer eng geïnterpreteerd worden: de uitwerking van een idee tot een praktische toepassing met eventuele prototypes (ontwikkeling) wordt wel nog beschouwd als O&O; de fases die daarop volgen (design, testproductie, commercialisering, …) niet meer. 2)

Onderwijs en Vorming (O&V): “alle opleidingen en vormingen van personen in natuur-, ingenieurs-, medische wetenschappen, agricultuur, sociale- en humane wetenschappen in universiteiten en andere instelling voor hoger en postsecundair onderwijs” (Frascati-Manual, OECD, 2002, p. 31). Het betreft dus de financiering van de wetenschappelijke opleiding, bijvoorbeeld het deel van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten, dat wordt aangewend voor het verstrekken van onderwijs. Het deel dat wordt aangewend voor onderzoek zit in O&O.

3)

Wetenschappelijke en Technologische Dienstverlening (W&T): “activiteiten met betrekking tot

onderzoek en ontwikkeling, die bijdragen tot het genereren, verspreiden en toepassen van wetenschappelijke en technische kennis” (Frascati-Manual, OECD, 2015, p. 379). Dit gaat om elke vorm van dienstverlening, zoals het uitvoeren van routinemetingen (zoals medische routineanalyses), wetenschappelijke en technologische informatieverstrekking (bijv. door bibliotheken of informatiecentra) en gegevensverzameling van algemeen belang (o.a. verzamelen van gegevens over sociaaleconomische fenomenen). Beleidsgerelateerde studies en de werkzaamheden van administratieve entiteiten rond de analyse, evaluatie en monitoring van externe fenomenen zijn hierin inbegrepen. Het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid omvat dan ook deze drie activiteiten: O&O, O&V en W&T. De verdere analyses zullen volgens deze terminologische driedeling verlopen. De optelsom O&O + O&V + W&T duiden we aan met WIB (wetenschaps- en innovatiebeleid).

116


Vooral de activiteit ‘O&O’ is belangrijk, gezien die internationaal gebenchmarkt wordt en zowel nationaal als regionaal aan streefdoelen gekoppeld is.

2. Overheidslandschap van het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid Onderstaand wordt een bondig beeld geschetst van de overheidsstructuur voor het beheer van het wetenschaps- en innovatiebeleid. Achtereenvolgens komen het beleidsdomein EWI, de andere beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid en de vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen aan bod. Figuur 33 Organogram van het beleidsdomein EWI 44

Duiding bij het organogram vindt de lezer in deel 1 (zie p. 46).

Voor de volledigheid wijzen we erop dat ook het Agentschap Plantentuin Meise evenals de Vlaamse Participatiemaatschappij (VPM) tot het beleidsdomein EWI behoren. De Plantentuin Meise is sinds 1 januari 2014 een agentschap van de Vlaamse overheid. Het is een internationale wetenschappelijke onderzoeksinstelling en een botanische tuin die vooral de tropische en Europese plantkunde centraal stelt. De openbare investeringsmaatschappij VPM heeft als enige opdracht het aanhouden van bijna 27% van de aandelen van het Vlaams Gewest in de beursgenoteerde vennootschap Gimv en vormt haar referentieaandeelhouder. Daarom vermelden we ze niet specifiek in het organogram. De SERV behoort dan weer formeel niet tot het beleidsdomein EWI, maar tot het beleidsdomein Kanselarij en Buitenlandse Zaken. Gezien haar centrale rol als strategische adviesraad voor het beleidsveld Economie vermelden we ze.

44

117


3. Andere beleidsdomeinen binnen de Vlaamse overheid 45 Het wetenschapsbeleid is een horizontaal beleid en situeert zich binnen de tien beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. De beleidsdomeinen zijn bevoegd voor de wetenschapspolitieke initiatieven die hun beleid ondersteunen en gestalte geven. Naast EWI zijn er deze beleidsdomeinen, met uiteraard een belangrijke rol voor het beleidsdomein Onderwijs en Vorming: -

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie (KBBJ) Financiën en Begroting (FB) Onderwijs en Vorming (OV) Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG) Cultuur, Jeugd en Media (CJSM) Werk en Sociale Economie (WSE) Landbouw en Visserij (LV) Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) Omgeving (OMG)

Sinds 1 april 2017 vormen de vroegere departementen Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) en Ruimte Vlaanderen (RV) het nieuwe departement Omgeving. In september 2020 fusioneerden de beleidsdomeinen Kanselarij en Buitenlandse Zaken (KB) en internationaal Vlaanderen (IV) tot het beleidsdomein KBBJ. 45

118


4. De vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen 4.1. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO - beleidsdomein Omgeving) -

-

verricht beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek inzake behoud, ontwikkeling, beheer en duurzaam gebruik van biodiversiteit en haar milieu; verleent wetenschappelijke diensten ter ondersteuning van het beleid en van de doelgroepen, onder andere door advisering, experimentele analyses, het aanreiken van producten, technieken, concepten en documentatie; rapporteert periodiek over de toestand van de natuur en het natuurlijke milieu, over de effecten van het milieubeleid en de mate waarin de vooropgestelde milieubeleidsdoelstellingen werden bereikt, maakt toekomstverkenningen en evalueert de kennis en de monitoring ervan.

4.2. Agentschap ‘Onroerend Erfgoed’ (beleidsdomein Omgeving) Sinds 1 juli 2011 zijn het vroegere VIOE (Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed) en het deel ‘Erfgoed' van het agentschap Ruimte en Erfgoed één agentschap met de roepnaam ‘Onroerend Erfgoed’. Het agentschap Onroerend Erfgoed wil ‘De zorg voor onroerend erfgoed voor iedereen vanzelfsprekend maken om Vlaanderen nu en straks mee vorm en kleur te geven.’ Dit wil het agentschap doen door onroerend erfgoed een meer zichtbare plek en betekenis te geven, vertrekkende van een langetermijnvisie: -

via een geïntegreerde aanpak en in dialoog met een breed netwerk, door kaders en instrumenten te ontwerpen en in te zetten, met medewerkers, gepassioneerd door erfgoed en met een rijke en diverse expertise, op een wetenschappelijk onderbouwde manier, toonaangevend en inspelend op maatschappelijke en internationale ontwikkelingen, voor een heldere en transparante erfgoedzorg in een wereld in verandering.

4.3. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen (KMSKA – beleidsdomein CJSM) Het KMSKA: -

-

verwerft, conserveert, restaureert en exposeert eigen kunstbezit, verricht wetenschappelijk onderzoek, publiceert fondscatalogi en jaarboeken, organiseert tentoonstellingen in het KMSKA zelf en in het buitenland, organiseert educatieve activiteiten: vorming van educatieve assistenten, cursussen voor volwassenen, lessen voor leerkrachten en scholen, rondleidingen, voordrachten en jeugdateliers, publicaties, organiseert documentaire activiteiten: vakbibliotheek, archief en collectieregister.

119


4.4. Instituut voor Landbouwbeleidsdomein LV)

en

visserijonderzoek

(ILVO

–

Het ILVO: -

-

-

coördineert en voert beleidsonderbouwend wetenschappelijk onderzoek uit en de daaraan verbonden dienstverlening met het oog op een duurzame landbouw en visserij in economisch, ecologisch, sociaal en maatschappelijk perspectief, bouwt de nodige kennis op voor de verbetering van producten en productiemethoden, voor de bewaking van de kwaliteit en de veiligheid van de eindproducten en ter verbetering van beleidsinstrumenten als basis van sectorontwikkeling en agrarisch plattelandsbeleid, informeert het beleid, de sectoren en de maatschappij daarvoor regelmatig.

Onderstaand wordt in hoofdstuk 9 het Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 10 een analyse gemaakt van het “horizontaal begrotingsprogramma” wetenschaps- en innovatiebeleid.

120


Hoofdstuk 9 Het wetenschaps- en innovatiebeleid toegelicht De financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) vanuit de Vlaamse overheid kent drie bronnen: 1.

het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI)

2.

het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (OV)

3.

en de ‘8 andere beleidsdomeinen’ van de Vlaamse overheid.

We lichten de financiering vanuit deze bronnen achtereenvolgens toe. Steeds worden per financieringsbron de beleidskredieten in meer detail besproken. Begrotingstechnisch betreffen het vastleggingskredieten (VAK): het bedrag aan verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar mogen aangegaan worden.

1. Wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door het Beleidsdomein EWI De initiële vastleggingskredieten in 2021 voor wetenschap en innovatie die rechtstreeks ressorteren onder de minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid bedragen 1,583 miljard euro, waarvan bijna 1,519 miljard euro gecatalogeerd wordt als ‘onderzoek en ontwikkeling’ (O&O). We werpen nu een blik op de begroting van het beleidsdomein EWI zoals opgenomen in de parlementaire documenten. De zes programma’s worden hieronder weergegeven: - EA: Apparaatskredieten - EB: Provisies - EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap - EE: Wetenschappelijk onderzoek, excellentie voor alles - EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie - EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie. De verantwoordelijkheden van het Departement EWI situeren zich in de zes programma’s, maar het aandeel in het programma EC is beperkt. De verantwoordelijkheden van het VLAIO situeren zich via het Fonds Innoveren en Ondernemen (FIO) 46 onder programma’s EC en voor de apparaatskredieten onder EA. Onderstaand worden de bovenvermelde zes begrotingsprogramma’s geanalyseerd. Het programma EB “Provisies” is een nieuw programma sinds de begroting 2019i. De kredietlijnen die in de begrotingsdocumenten hieronder vallen brengen we evenwel onder bij programma EE waartoe ze voordien behoorden. Deze hergroepering laat toe om historische tijdsreeksen verder door te trekken.

46

FIO is het vroegere Hermesfonds bij VLAIO.

121


De individuele kredietlijnen uit het definitieve budget 2020 en de initiële begroting 2021 worden per programma weergegeven en onderverdeeld volgens type (zoals uiteengezet in de inleiding van Deel 2, pagina 115): -

O&O: onderzoek en ontwikkeling O&V: onderwijs en vorming W&T: wetenschappelijke en technologische dienstverlening.

Begrotingsopmaak 2021: opstappen Bij de regeringsvorming werden voor de legislatuur 2019-2024 voor het beleidsdomein EWI budgettaire opstappen voorzien. Het betreft zowel recurrente opstappen als (eenmalige) investeringsmiddelen: Jaar

Recurrente opstap (in miljoen euro)

2020 2021 2022 2023 2024 Totaal

Investeringsmiddelen (in miljoen euro) + 20 + 30 + 40 + 60 + 100 250

10 25 40 45 75 195

Conform deze afspraken werden bij begrotingsopmaak 2021 een opstap van 30 miljoen euro recurrente middelen en 15 miljoen euro investeringsmiddelen voorzien. Op datum van publicatie van de Speurgids, zijn volgende aanwendingen door de Vlaamse Regering beslist. Er wordt recurrent geïnvesteerd in het impulsprogramma innovatie in zorg en gezondheid (6 miljoen euro), Energyville voor het versterken van energieonderzoek (3 miljoen euro) en in VITO voor het versterken van wateronderzoek en innovatie (3 miljoen euro). Voor de VLIZ-InnovOcean campus wordt 2 miljoen euro voorzien en voor Vlaanderen Circulair 1 miljoen euro. Daarnaast zijn er middelen voor het impulsprogramma Ruimtevaart en het beleidsplan bio-economie. De 15 miljoen euro investeringsmiddelen worden gebruikt om de FWO-infrastructuurmiddelen te verhogen. Tabel 22 Recurrente opstapmiddelen en bijkomende investeringsmiddelen in 2021 voor het beleidsdomein EWI (in miljoen euro) Recurrente EWI-opstapmiddelen

30

1. impulsprogramma innovatie in zorg en gezondheid

6

2. versterken energieonderzoek in Vlaanderen: structurele financiering Energyville

3

3. versterken wateronderzoek en innovatie: via VITO

3

4. VLIZ-ILVO InnovOcean Campus

2

5.Vlaanderen Circulair

1

Daarnaast o.a. middelen voor het impulsprogramma Ruimtevaart en het beleidsplan bio-economie, …

…

Investeringsmiddelen EWI-infrastructuur

15

1. verhoging FWO-infrastructuurmiddelen

15

122


1.1. Programma ‘Wetenschappelijk onderzoek - Excellentie voor alles’ (PROG EE): 877,47 miljoen euro Het versterken van het algemeen kennisverruimend fundamenteel onderzoek enerzijds en van het strategisch basisonderzoek zijn de algemene beleidslijnen van dit programma. Het programma valt onder het beheer van het Departement EWI. De doelgroepen zijn de onderzoekers van universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen.

1.1.1. Evolutie van programma EE Onder programma EE worden bij begrotingsopmaak 2021 158,5 miljoen euro meer middelen voorzien dan bij begrotingsaanpassing 2020. De stijging situeert zich vooral bij het FWO ten belope van 117 miljoen euro. Dit in gevolge het feit dat de vijf-jaarlijkse Odysseus oproep (57,8 miljoen euro) en de vier-jaarlijkse EOS-oproep (69 miljoen euro) in 2021 plaats vinden. Verder werd ook de investeringsprovisie 2021 (15 miljoen euro) aan het FWO toegekend voor financiering van onderzoeksinfrastructuur. Ook de recurrente O&O provisie voor 2021, in gevolge de O&O-opstap, situeert zich in dit programma ten belope van 24 miljoen euro. Tabel 23 geeft het budget 2020 na begrotingsaanpassing en het initieel budget 2021 per kredietlijn weer. De kredietlijnen worden inhoudelijk gerangschikt 47. Figuur 34 toont de evolutie van de kredieten voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het begrotingsprogramma wetenschappelijk onderzoek - excellentie voor alles van 2008 tot 2021i. Deze figuur dient omzichtig geïnterpreteerd te worden omwille van de fluctuaties in de machtigingen van het FWO die op hun beurt het gevolg zijn van meerjarige oproepen (EOS, Odysseus, infrastructuur, …), die in het ene jaar plaatsvinden en dan wegvallen in de volgende jaren tot er een nieuwe oproep plaatsvindt. Ook eenmalige investeringen die in een bepaald jaar plaatsvinden spelen een rol. Figuur 34 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Wetenschappelijk onderzoek – Excellentie voor alles (PROG EE) 2008-2021i (miljoen euro) 1000,00 900,00 800,00 700,00 600,00 500,00 400,00 300,00 200,00 100,00 0,00

327,35 308,13 302,26 310,91 2008

2009

2010

2011

445,33 461,35 477,05 473,07

2012

2013

2014

2015

718,981 641,90 607,60 683,08 550,77

2016

2017

2018

2019

2020

877,467

2021

Onder programma EE worden kredietlijnen besproken uit programma EB ‘Provisies’ en programma EF ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’. Historisch werden ze meegenomen onder programma EE. Om de vergelijking met vorige Speurgidsen te waarborgen en om historische tijdslijnen te kunnen doortrekken worden ze hier ook onder programma EE opgenomen. Bovendien werden de middelen vastgelegd onder de O&O provisie in oktober 2018 later reeds verdeeld hoewel ze in de begroting nog onder de algemene provisie onder programma EB werden voorzien.

47

123


1.1.2. Het FWO in detail Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) verwerft de meeste middelen binnen dit programma, in totaal 496 miljoen euro (Tabel 23). Voor haar werking krijgt FWO bij begrotingsopmaak 2021 15,39 miljoen euro. Deze kredietlijn wordt gecategoriseerd als wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T) en niet als O&O middelen. De andere kredietlijnen voor FWO worden wel gelabeld als O&O en deze onderzoeksmiddelen bedragen in totaal 481 miljoen euro. De onderzoeksmiddelen van het FWO zijn onder te verdelen in vier pijlers: fundamenteel onderzoek, strategisch basisonderzoek 48, klinisch wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksinfrastructuur (zie Tabel 21). In Tabel 22 worden de middelen per pijler uitgesplitst. Voor de duidelijkheid zijn de bedragen uit de recurrente opstapmiddelen 2021 in het blauw opgenomen in de tabel. Tabel 23 Overzicht van de onderzoeksmiddelen van het FWO per pijler bij begrotingsaanpassing begrotingsopmaak 2021, in miljoen euro 2021i Pijler 1: Fundamenteel Onderzoek Mandaten

356,03 84,65

Onderzoeksprojecten

202,33

Excellence of Science programma (EOS)

69,05

Pijler 2: Strategisch Basisonderzoek

76,18

SBO

38,31

SB-beurzen

37,87

Pijler 3: Klinisch Wetenschappelijk onderzoek

17,23

Toegepast Biomedisch Onderzoek (TBM)

11,84

Fundamenteel klinische mandaten (FKM) Pijler 4: Onderzoeksinfrastructuur

5,39 31,38

Middelzware en zware infrastructuur European Strategic Fund Research Infrastructures (ESFRI) en Big Science (sinds 2018) International Research Infrastructures (IRI) (vervangt ESFRI en Big Science sinds 2018)

10,00

Investeringsmiddelen 2021 onderzoeksinfrastructuur

15,00

Vlaams Supercomputer (VSC)

6,38

FWO Werking

15,39

FWO Werking

15,39

TOTAAL

496,21

De middelen voor FWO nemen sterk toe. Dit is te verklaren doordat het FWO werkt met meerjaarlijkse machtigingen waardoor er schommelingen optreden. Zo wordt in 2021 69 miljoen euro voorzien voor EOS, dit gebeurt 4 jaarlijks. Voor Odysseus wordt 57,8 miljoen euro voorzien in 2021, dit gebeurt ook 5-jaarlijks. Verder is er een opstap van 15 miljoen euro uit de investeringsprovisie 2021 voor infrastructuur.

SBO betreft een financieringskanaal voor kwalitatief hoogwaardig op lange termijn gericht onderzoek dat het opbouwen van wetenschappelijke of technologische capaciteit beoogt die de basis vormt voor economische en/of maatschappelijke toepassingen en waarvoor om deze te realiseren een vervolgonderzoek nodig is.

48

124


Tabel 24 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma “Wetenschappelijk onderzoek Excellentie voor alles” (kredieten in miljoen euro) O&O

O&V

Omschrijving

2020

FWO Fundamenteel Onderzoek

223,638

356,034

0,000

0,000

FWO Klinisch Wetenschappelijk Onderzoek

75,238

17,228

0,000

FWO Strategisch Basisonderzoek

16,859

76,178

0,000

FWO investeringen (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur

44,381

16,381

0,000

Investeringsmiddelen 2021 Onderzoeksinfrastructuur FWO werking 1. Totaal FWO BOF: subsidie voor de universiteiten BOF: Methusalem-programma BOF: tenure track-stelsel aan de universiteiten

2021

2020

2021

W&T

2020

WIB

2021

2020

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

223,638 356,034 75,238 17,228

0,000

0,000

0,000

16,859

76,178

0,000

0,000

0,000

44,381

31,381

15,000

2021

15,000

0,000

0,000

0,000

0,000

14,828

14,728

360,116

480,821

0,000

0,000

14,828

14,728

374,844 496,206

191,299

193,288

0,000

0,000

0,000

0,000

191,299

193,288

19,047

19,245

0,000

0,000

0,000

0,000

19,047

19,245

9,610

9,710

14,828

15,385

9,610

9,710

0,000

0,000

0,000

0,000

219,956

222,243

0,000

0,000

0,000

0,000

Cofinanciering Steunpunt Circulaire Economie

0,188

0,188

0,000

0,000

0,000

0,000

0,188

0,188

Subsidie aan het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM)

2,880

3,350

0,000

0,000

0,000

0,000

2,880

3,350

Kenniscentrum Data en Maatschappij

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

0,750

0,000

0,750

3. Totaal beleidsrelevant onderzoek Subsidies voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek door de instellingen van postinitieel onderwijs en hoger instituten van schone kunsten (ITG) Vlerick Business School

3,068

4,288

0,000

0,000

0,000

0,750

3,068

4,288

2,961

3,992

0,000

0,000

0,000

0,000

2,961

3,992

0,487

0,742

0,000

0,000

0,000

0,000

0,487

0,742

Orpheus Instituut

0,536

0,542

0,000

0,000

0,000

0,000

0,536

0,542

Antwerp Management School (AMS) 4. Totaal instellingen voor post-initieel onderwijs IOF - Industrieel Onderzoeksfonds Vlaanderen

0,358

0,374

0,000

0,000

0,000

0,000

0,358

0,374

4,342

5,650

0,000

0,000

0,000

0,000

4,342

5,650

51,855

52,394

0,000

0,000

0,000

0,000

51,855

4,494

Subsidie aan de universitaire interfacediensten

0,000

0,000

0,000

0,000

4,494

4,494

4,494

52,394

Alamire foundation

0,758

0,824

0,000

0,000

0,000

0,000

0,758

0,824

5. Totaal Kennistransfer

52,613

53,218

0,000

0,000

4,494

4,494

57,107

57,112

Plantentuin Meise PLANTENTUIN MEISE INVESTERINGSSUBSIDIES (FFEU) Subsidie aan de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB) Subsidie aan de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde in Antwerpen (KMDA) Subsidie aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) Subsidie aan het Vlaams Instituut voor de Zee voor investeringsuitgaven (VLIZ) Beleidsagenda – Onderzoeksluik: Artificiële Intelligentie (AI) Beleidsagenda – Onderzoeksluik: Cybersecurity (CS)

12,738

12,623

0,000

0,000

0,000

0,000

12,738

12,623

4,835

5,000

0,000

0,000

0,000

0,000

4,835

5,000

1,166

1,166

0,000

0,000

0,000

0,000

1,166

1,166

1,146

1,158

0,000

0,000

0,000

0,000

1,146

1,158

6,198

6,198

0,000

0,000

0,000

0,000

6,198

6,198

0,910

0,910

0,000

0,000

0,000

0,000

0,910

0,910

10,000

12,000

0,000

0,000

1,404

1,835

11,404

13,835

5,000

8,000

0,000

0,000

1,500

1,500

6,500

9,500

2. Totaal BOF

219,956 222,243

125


O&O

O&V

W&T

WIB

6. Totaal domeinspecifiek fundamenteel en strategisch basisonderzoek

41,993

47,055

0,000

0,000

2,904

3,335

44,897

50,390

Subsidie aan het Europacollege voor United Nations University (UNU) in het kader van het programma Regionale Integratiestudies

1,000

1,000

0,000

0,000

0,000

0,000

1,000

1,000

Subsidie aan UNESCO voor de ondersteuning van het Vlaams UNESCO-Trustfonds wetenschappen

1,301

1,301

0,000

0,000

0,000

0,000

1,301

1,301

Uitgaven in het kader van internationale wetenschappelijke samenwerking

0,058

0,058

0,000

0,000

0,000

0,000

0,058

0,058

Subsidies in het kader van internationale wetenschappelijke en innovatiesamenwerking

0,539

0,539

0,000

0,000

0,000

0,000

0,539

0,539

7. Totaal internationalisering

2,898

2,898

0,000

0,000

0,000

0,000

2,898

2,898

Actieplan "Menselijk kapitaal voor Wetenschap, Technologie en Innovatie"

0,000

0,000

0,000

0,000

5,000

5,000

5,000

5,000

8. Omkadering Jonge onderzoekers (OJO)

0,000

0,000

0,000

0,000

5,000

5,000

5,000

5,000

VARIO - werking en toelagen

0,000

0,000

0,000

0,000

0,308

0,308

0,308

0,308

9. Adviesraad Uitgaven m.b.t. de conceptie, voorbereiding en uitvoering van acties met betrekking tot wetenschap en innovatie 10. Beleidsevaluaties

0,000

0,000

0,000

0,000

0,308

0,308

0,308

0,308

0,000

0,000

0,000

0,000

0,999

0,799

0,999

0,799

0,000

0,000

0,000

0,000

0,999

0,799

0,999

0,799

FRIS - onderzoeksruimte

0,000

0,000

0,000

0,000

1,500

1,500

1,500

1,500

FOSB – Open Science

0,000

0,000

0,000

0,000

3,275

4,725

3,275

4,725

Uitgaven ter bevordering van de Vlaamse Informatiemaatschappij in het kader van de Lissabon-strategie

0,000

0,000

0,000

0,000

0,033

1,442

0,033

0,033

11. Onderzoeksinfrastructuur (niet-FWO)

0,000

0,000

0,000

0,000

4,808

7,667

4,808

7,667

12. Provisie O&O

0,754

24,307

0,000

0,000

0,000

0,000

0,754

24,307

685,740

839,729

0,000

0,000

33,241

37,738

718,981

877,467

Totaal

1.1.3. BOF De tweede grootste begrotingspost onder programma EE is de basissubsidie voor BOF. De Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF) aan de universiteiten krijgen in totaal 222,24 miljoen euro ingeschreven. Voor de financiering van het fundamenteel onderzoek kunnen de universiteiten immers beschikken over twee grote financieringsbronnen, met name het FWO en het BOF. Beide bronnen zijn in principe complementair en de toekenning van de middelen gebeurt bij het FWO op basis van interuniversitaire competitie (tussen onderzoekers van de vijf universiteiten samen) en bij het BOF op basis van intrauniversitaire competitie (tussen onderzoekers binnen één universiteit). Op die manier kunnen de Vlaamse universiteiten hun onderzoeksbeleid zelf vorm geven, rekening houdend met de wettelijke kaders die de randvoorwaarden vormen.

126


Conform de regelgeving op het BOF legt de Vlaamse Regering drie types van overheidsbijdragen vast voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen: ‒ ‒ ‒

de basistoelage voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen; de middelen die bestemd zijn voor de financiering van tenure track-mandaten (hierna tenure trackfinanciering genoemd); de middelen die bestemd zijn voor de Methusalem-financiering (laat Vlaamse universiteiten toe toponderzoekers een zevenjarige financiering toe te kennen).

De basistoelage BOF bedraagt in totaal 193,29 miljoen euro bij begrotingsopmaak 2021. Dit is een lichte stijging ten opzichte van begrotingsaanpassing 2020 (191,30 miljoen euro). Het krediet voor het tenure track-stelsel blijft bij begrotingsopmaak 2021 nagenoeg constant t.o.v. BA 2020, nl. 9,7 miljoen euro (9,6 miljoen euro in 2020BA). Door de invoering van het tenure track-stelsel krijgen een beperkt aantal uitmuntende postdoctorale onderzoekers de mogelijkheid om op het niveau van docent gedurende vijf jaar zelfstandig onderzoek te verrichten. Na een positieve evaluatie kunnen deze personen zonder vacature onmiddellijk worden aangesteld als ZAP-kader. Voor de kredietlijn voor het Methusalem-programma wordt 19,25 miljoen euro vastgelegd bij begrotingsopmaak 2021. Dit budget blijft nagenoeg constant ten opzichte van BA 2020. Het Methusalemprogramma richt zich op het behoud van wetenschappelijk talent door het toekennen van langetermijnfinanciering aan excellente Vlaamse onderzoekers. Het gaat hier om ad personam toegekende excellentiefinanciering. µ

1.1.4. Beleidsrelevant onderzoek Onder programma EE wordt ook beleidsrelevant onderzoek gefinancierd. Meer concreet gaat het over de budgetten voor cofinanciering van het steunpunt Circulaire Economie en de subsidie aan het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM). Het steunpunt Duurzaam Materialenbeheer, de voorganger van het steunpunt Circulaire Economie, werd opgericht samen met het beleidsdomein Omgeving voor de periode 2017-2021. Na evaluatie wordt een nieuwe oproep gelanceerd. In 2018 werd ECOOM geëvalueerd en op de Vlaamse regering van 5 april 2019 werd de nieuwe samenwerkingsovereenkomst ECOOM 2019-2023 goedgekeurd. De stiging van de middelen voor ECOOM houdt verband met de integratie van STORE in ECOOM vanaf 2021. Sinds 2020 worden er middelen voorzien voor het nieuwe kenniscentrum Data en Maatschappij. In 2020 waren deze middelen afkomstig van de opstap voor de beleidsagenda Artificiële Intelligentie. Vanaf 2021 is er een eigen kredietlijn. De middelen zijn constant gehouden op 750.000 euro.

1.1.5. Postinitieel onderwijs De middelen voor het postinitieel onderwijs stijgen in 2021i ten opzichte van de begrotingsaanpassing 2020, omwille van gestegen middelen voor het ITG.

127


1.1.6. Kennistransfer Onder kennistransfer vallen de subsidie aan de interfacediensten bij de associaties, de middelen voor het Industrieel Onderzoeksfonds (IOF) en de subsidie aan de Alamire foundation. Met deze laatste instelling - die focust op de rijke Vlaamse polyfonie - keurde de Vlaamse regering op 20 juli 2018 een samenwerkingsovereenkomst 2018-2023 goed. De middelen voor ‘kennistransfer’ bedragen bij begrotingsopmaak 2021 57,71 miljoen euro.

1.1.7. Domeinspecifiek fundamenteel en strategisch basis onderzoek Onder de categorie domeinspecifiek fundamenteel onderzoek vallen de middelen voor Plantentuin Meise, KMDA, KVAB en VLIZ. Vanaf 2020 vallen hieronder ook de middelen voor de beleidsagenda’s artificiële intelligentie en cybersecurity, deel onderzoeksluik.

1.1.8. Internationalisering Er zijn vier kredietlijnen onder het programma EE die kaderen in internationaliseren. Deze middelen blijven constant.

1.1.9. Andere Vervolgens zijn er nog enkele specifieke kredietlijnen die apart vermeld worden, namelijk Omkadering Jonge Onderzoekers (OJO), VARIO, beleidsevaluaties en uitgaven voor (digitale) onderzoeksinfrastructuur (Lissabon strategie). De Lissabon-middelen stijgen bij begrotingsopmaak 2021 tot 31 miljoen euro van 22,7 miljoen euro bij begrotingsaanpassing 2020. Deze werden besteed aan FRIS (onderzoeksruimte), Cybersecurity, Artificiële Intellingentie en FOSB Open Science.

128


1.2. Programma ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’ (PROG EF): 683,37 miljoen euro 1.2.1. Evolutie van het programma Het programma “Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie” versterkt het technologisch basisonderzoek en genereert zo extra kennis gericht op het bedrijfsleven. Daarnaast wordt meer technologische innovatie in de Vlaamse bedrijven beoogd. Figuur 35 toont de evolutie van de kredieten voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het begrotingsprogramma ‘Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie’ van 2008 tot 2021i. Het budget voor programma EF is bij begrotingsopmaak 2021 toegenomen ten opzichte van begrotingsaanpassing 2020, in gevolge de opstap voor de subsidie aan Flanders Make ten belope van 6,5 miljoen euro.

Figuur 35 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (PROG EF) 2008-2021i (miljoen euro) 755,48

800,00 700,00 600,00 500,00 400,00

416,06 427,19 439,66 370,69 389,83 368,01

479,81

553,64

603,78

674,71 683,37

434,12 438,05

300,00 200,00 100,00 0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Om stand te houden in de huidige competitieve globale economie moeten bedrijven voortdurend streven naar verbeterde of nieuwe diensten, producten en processen. De ontwikkeling en verwerving van technologie speelt hierbij een cruciale rol. Tabel 23 toont de kredietlijnen van dit programma. De kredieten worden hieronder in meer detail toegelicht 49.

Zie voor duiding parlementair stuk 13 - F (2019-2020) – Nr. 1 Beleids en begrotingstoelichting Economie Wetenschap en innovatie begrotingsjaar 2020 evenals parlementair stuk 15 – (2019-2020) Nr 5-E Verslag namens de commisie voor Economie, Werk, Sociale Economie, Wetenschap en Innovatie over het ontwerp van decreet houdende de uitgavenbegroting + bijlage presentatie Minister Crevits.

49

129


Tabel 25 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (kredieten in miljoen euro) O&O Omschrijving

2020

O&V

2021

2020

W&T 2021

2020

WIB

2021

2020

2021

I. Via Departement EWI Subsidie aan imec Subsidie aan imec in het kader van de NERFactiviteiten Dotatie aan VITO Dotatie aan VITO voor de financiering van de referentietaken

111,55

110,69

0,00

0,00

0,00

0,00

111,55

110,69

0,86

0,87

0,00

0,00

0,00

0,00

0,86

0,87

45,21

44,91

0,00

0,00

0,00

0,00

45,21

44,91

8,09

8,16

0,00

0,00

0,00

0,00

8,09

8,16

Interne stromen – onderzoeksprogramma’s – VITO Subsidie aan VIB in het kader van de NERFactiviteiten Subsidie aan VIB

0,10

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,10

0,00

0,86

0,87

0,00

0,00

0,00

0,00

0,86

0,87

59,97

60,59

0,00

0,00

0,00

0,00

59,97

60,59

0,05

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,05

0,00

31,72

32,05

0,00

0,00

0,00

0,00

31,72

32,05

Interne stromen – onderzoeksprogramma’s – VIB Subsidie aan Flanders Make

Opstap 2021 Flanders Make Regeneratieve geneeskunde Totaal Departement EWI

6,5

6,5

0,91

2,94

0,00

0,00

0,00

0,00

0,91

2,94

259,31

267,58

0,00

0,00

0,00

0,00

259,31

267,58

II. Via Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO Bedrijfssteun Onderzoeksprojecten

128,55

128,55

0,00

0,00

0,00

0,00

128,55

128,55

Bedrijfssteun Ontwikkelingsprojecten

86,99

89,21

0,00

0,00

0,00

0,00

86,99

89,21

Bedrijfssteun Clusters (75) + Moonshot klimaat (20) Toekennen van specialisatiebeurzen en doctoraatsbeurzen in het kader van het Baekelandprogramma Wetenschappelijk en technologisch onderzoek met landbouwkundig doel

95,00

95,00

0,00

0,00

0,00

0,00

95,00

95,00

16,80

16,80

0,00

0,00

0,00

0,00

16,80

16,80

10,30

10,30

0,00

0,00

0,00

0,00

10,30

10,30

9,59

9,59

0,00

0,00

0,00

0,00

9,59

9,59

9,60

9,60

0,00

0,00

0,00

0,00

9,60

9,60

8,40

8,40

0,00

0,00

0,00

0,00

8,40

8,40

7,50

7,50

0,00

0,00

0,00

0,00

7,50

7,50

Actieplan: Artificiële intelligentie / Cybersecurity

0,00

0,00

0,00

0,00

2,85

2,85

2,85

2,85

Kennisdiffusie Hogescholen

0,00

0,00

0,00

0,00

7,50

7,50

7,50

7,50

Bedrijfssteun innovatiemandaten Vastleggingsmachtiging voor projecten op initiatief van de bedrijven en innovatie samenwerkingsverbanden Proeftuinen: City of Things & Industrie 4.0

5,60

5,60

0,00

0,00

0,00

0,00

5,60

5,60

2,32

1,60

0,00

0,00

0,00

0,00

2,32

1,60

3,60

3,60

0,00

0,00

0,00

0,00

3,60

3,60

Programma Innovatief aanbesteden (PIO)

3,78

3,78

0,00

0,00

0,00

0,00

3,78

3,78

VZW Team bedrijfstrajecten Provisie voor investeringen in O&O en het bedrijfsleven Totaal Fonds Innoveren en Ondernemen

5,21

5,21

0,00

0,00

0,00

0,00

5,21

5,21

11,807

10,71

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

10,71

405,04

405,44

0,00

0,00

10,35

10,35

415,39

415,79

Totaal

664,36

673,02

0,00

0,00

10,35

10,35

674,71

683,37

Bevordering van technologietransfer en onderzoek door instellingen van hoger onderwijs (TETRA) Bedrijfssteun COOCK (Collectief O&O en Collectieve kennisverspreiding) Beleidsagenda Artificiële intelligentie (AI) - luik implementatie Beleidsagenda Cybersecurity (SC) luik implementatie

130


Het programma EF bevat enerzijds kredietlijnen van het Departement EWI en anderzijds kredietlijnen vanuit VLAIO.

1.2.2. Kredietlijnen vanuit het departement EWI De subsidie aan imec bevat de subsidie aan imec en de subsidie in het kader van NERF-activiteiten (neuro electronics research flanders; baanbrekend hersenonderzoek). Deze blijven stabiel. Ook de toelage aan VIB met daaronder de toelage aan VIB en de subsidie in het kader van NERF-activiteiten blijft stabiel. De toelage aan VITO blijft ook stabiel. De subsidie aan Flanders Make stijgt bij begrotingsopmaak 2021 met 6,5 miljoen euro. Bij begrotingsopmaak 2021 nemen ook de middelen voor regeneratieve geneeskunde toe.

1.2.3. Kredietlijnen vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO Binnen het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO zijn volgende O&O&I-ondersteuningsinstrumenten onder gebracht. Onderzoeksprojecten De focus in onderzoeksprojecten ligt op het opbouwen van nieuwe kennis en het uitvoeren van hoog-risico onderzoek dat op termijn de basis vormt voor nieuwe of verbeterde producten, processen of diensten. De delen in het project die onderzoeksactiviteiten omvatten krijgen een basissteunpercentage van 50% en de delen die ontwikkeling omvatten krijgen een basissteunpercentage van 25%. Toeslagen voor kleine ondernemingen (20%), middelgrote ondernemingen (10%) en samenwerking (10%) kunnen daar bovenop komen. Het maximale steunpercentage is evenwel beperkt tot 60%. Ontwikkelingsprojecten In ontwikkelingsprojecten ligt de focus op de ontwikkeling van een volledig nieuw of beduidend vernieuwend (verbeterd) product, proces, dienst of concept; dat op eerder korte termijn een belangrijke impact heeft op de prestaties van het bedrijf. Het basissteunpercentage bedraagt 25%. Toeslagen voor kleine ondernemingen (20%), middelgrote ondernemingen (10%) en samenwerking (10%) kunnen daar bovenop komen. Het maximale steunpercentage is beperkt tot 50%. Baekeland-mandaten Met Baekeland-mandaten wil het Agentschap Innoveren & Ondernemen individuele onderzoekers de kans bieden een doctoraat uit te voeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. We voorzien in cofinanciering van de personeels- en werkingskosten die gepaard gaan met de projectuitvoering. Bij het Baekeland-mandaat is enerzijds een Vlaams bedrijf betrokken; het bedrijf bepaalt de strategische oriëntatie van het project en zorgt voor cofinanciering. Anderzijds staat een Vlaamse universiteit in voor de begeleiding naar en de toekenning van een doctoraat volgens de gangbare kwaliteitsnormen. Innovatiemandaten De Innovatiemandaten (IM) zijn een steuninstrument voor postdoctorale onderzoekers die verder basisonderzoek willen uitvoeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven, met het oog op een transfer van resultaten naar hetzij een bestaand bedrijf, hetzij een nieuw op te richten spin-off bedrijf met een industriële activiteit in Vlaanderen.

131


TETRA TETRA staat open voor onderzoeksgroepen van Vlaamse hogescholen en Vlaamse universiteiten, die actief bezig zijn met praktijkgericht onderzoek. TETRA-projecten beogen om in 2 jaar tijd recent beschikbare kennis (nieuwe technologie, recent afgewerkt onderzoek of bestaande kennis uit een ander domein of andere sector) te vertalen naar bruikbare innovatieve concepten of prototypes die nieuwe marktopportuniteiten bieden aan een collectief van ondernemingen en/of non profit organisaties. De resultaten zijn gericht op economische valorisatie en hebben eventueel ook een maatschappelijke impact. COOCK-projecten De doelstelling van het programma Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK) is het valoriseren van (basis)onderzoeksresultaten door het versnellen van de introductie van technologie en/of kennis bij een ruime groep ondernemingen. COOCK-projecten zijn steeds opgebouwd uit 2 onafhankelijke, maar onderling verbonden delen. Deel A is gericht op toepassingsgerichte kennisopbouw, vertaalonderzoek en kennisverspreidingsactiviteiten om de onderzoeksresultaten over te dragen naar ondernemingen uit de doelgroep. Het tweede deel (deel B) is een bundeling van alle onderneming-specifieke projecten waarbij de ontwikkelde technologie of gegenereerde kennis uit deel A in een onderneming-specifieke context geëvalueerd/geanalyseerd/toegepast wordt. Landbouw- of LA-trajecten Het doel van LA-trajecten is om vanuit een concrete vraag van een collectief van ondernemingen uit de primaire land- en tuinbouwsector, onderzoekers van Vlaamse universiteiten en hogescholen, onderzoeksinstellingen en erkende praktijkcentra, te ondersteunen om innovatieve oplossingen aan te bieden die op korte termijn toegepast kunnen worden en resulteren in zichtbare veranderingen met een duidelijke (economische) meerwaarde voor de ruime doelgroep (primaire sector en eventueel de toeleverings- en/of de verwerkende industrie). Het grootste budget binnen het programma gaat naar bedrijfssteun onderzoeksprojecten en ontwikkelingsprojecten. De middelen voor Landbouwkundig Onderzoek en TETRA blijven nagenoeg stabiel. Net als de middelen voor het Baekelandprogramma, proeftuinen en innovatief aanbesteden. De middelen voor COOCK, de Innovatiemandaten en de bedrijfssteun voor de clusterwerking dalen licht. In de investeringsenveloppe 2021 zit 10,71 miljoen euro. Per hypothese wordt hiervan 100% gecategoriseerd als O&O. De precieze aanwending is bij opmaak van de Speurgids nog niet gekend, er zullen substantiële budgetten voorzien worden voor Supernova Space, Health, gigabyte readiness, en voor ILVO/VLIZ gebouw. De investeringsenveloppe 2020 bedroeg 11,807 miljoen euro. Deze werd als volgt verdeeld: Project innovOcean VLIZ-ILVO gebouw Waterstofnet Vlaanderen voor IPCEI project waterstof Technology Accelerator Capture VIB (in kader van vaccin corona) PMV (extra beheersvergoeding in kader van handelshuurlening) Clusterproject (innovatie) t.g.v. VLIZ

Budget in miljoen euro 1,493 0,242 0, 430 0,350 0,350 0,782

Het saldo van 2,160 miljoen euro werd herverdeeld aan corona STS projecten.

132


1.3. Programma ‘Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie’ (PROG EG): 10,23 miljoen euro 1.3.1. Evolutie van het programma De algemene beleidslijnen voor het programma “Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie” zijn het stimuleren van wetenschapsvoorlichting en -communicatie. Via wetenschapsvoorlichting wordt getracht het maatschappelijk draagvlak van het wetenschappelijk en technologisch innovatiebeleid in Vlaanderen te versterken. Evenzeer wordt ingezet op het STEM-beleid. Het programma valt onder het beheer van het Departement EWI. Figuur 36 toont de evolutie van de kredieten van 2008 tot 2021. Bij begrotingsopmaak 2021 bedraagt het budget 10,3 miljoen euro. In vergelijking met de definitieve begroting 2020 zijn de middelen constant gebleven. Figuur 36 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (PROG EG) 2008-2021i (miljoen euro) 25,00

21,43

20,00 15,00

11,60

11,79

10,00

10,25

9,67

2010

2011

11,27

11,23

11,81

2012

2013

2014

10,09

9,13

11,17

13,04 10,18

10,23

2020

2021

5,00 0,00 2008

2009

2015

2016

2017

2018

2019

1.3.2. Wetenschapspopularisering en -communicatie Tabel 24 toont hoe het budget verspreid is over zes basisallocaties. De belangrijkste structurele partners van het Departement EWI voor popularisering van wetenschap zijn stichting Flanders Technology International (FTI), de expertisecellen wetenschapscommunicatie bij de associaties en de Society Roger Van Overstraete (RVO). Onder de kredietlijn “popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie” vallen nog verschillende structurele partners en projectfinanciering, zie Tabel 25 voor een overzicht van de belangrijkste partners.

133


Tabel 26 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (kredieten in miljoen euro)

O&O Omschrijving Popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie Subsidie aan de stichting Flanders Technology International (FTI) Subsidie aan Society Roger Van Overstraete Subsidies allerhande met betrekking tot de bekendmaking van het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek aan structurele partners 50 Subsidies voor de expertisecellen voor de popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie in de schoot van de associaties VLIR

Totaal

2020

O&V 2021

2020

W&T 2021

2020

WIB 2021

2020

2021

0,00

0,00

0,00

0,00

0,01

0,01

0,01

0,01

0,00

0,00

0,00

0,00

4,21

4,24

4,21

4,24

0,00

0,00

0,00

0,00

0,78

0,78

0,78

0,78

0,00

0,00

0,00

0,00

3,12

3,12

3,12

3,12

0,00

0,00

0,00

0,00

2,01

2,03

2,01

2,03

0,00

0,00

0,00

0,00

0,05

0,05

0,05

0,05

0,00

0,00

0,00

0,00

10,18

10,23

10,18

10,23

Tabel 27 Overzicht van de overige structurele partners en projectsubsidies 2021 (beeld 1/7/2021)

Structurele partners 6 Volkssterrenwachten

2.323.109 987.109

5 Olympiades

350.000

EOS Wetenschap vzw

500.000

Scriptie vzw

246.000

Jeugd, Cultuur en Wetenschap vzw

80.000

Natuur en Wetenschap vzw

80.000

Breinwijzer vzw

80.000

Projectsubsidies Kekulé-cyclus

435.611 18.500

EUSO

5.600

Congres Leraars Wetenschappen

9.000

Congres Leraars Wiskunde

7.000

Congres Leraars wetenschapsjournalistiek

80.000

Projecten Ict impulsprogramma

278.811

KBIN: Ik heb een vraag.be

29.700

Sound of Science festival

7.000

Totaal

50

2.758.720

Meer details in Tabel 25 Overzicht van de overige structurele partners en projectsubsidies 2021 (beeld 1/7/2021)

134


1.4. Programma ‘Duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap’ (PROG EC): 11,560 miljoen euro 1.4.1. Evolutie van het programma Figuur 37 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma “duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (prog EC) 2008-2021i" (miljoen euro) 60,00 50,00

48,47 41,40

40,00 30,00 30,00

30,00

25,00 25,00 25,00

20,00 8,36

10,00

4,00

8,36

8,04

2017

2018

14,32

13,311

11,56

2019

2020

2021

0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Figuur 37 toont de evolutie van de middelen onder programma EC. De afname van het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) onder programma EC weerspiegelt de afname van de ecologiepremie over deze periode. De piek in 2016 is te verklaren door de eenmalige opstap voor investeringen in O&O en bedrijfsleven van 31,8 miljoen euro uit de 90 miljoen euro die in 2016 onder programma EC werd geplaatst.

1.4.2. Kredietlijnen in detail Tabel 26 geeft een overzicht van de kredietlijnen onder programma EC die belangrijk zijn voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. Op het Steunpunt economie en ondernemen (STORE) na valt dit programma onder het beheer van VLAIO. Voor het steunpunt is 0,470 miljoen euro vastgelegd. Vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen is in totaal een budget van 25,19 miljoen euro bestemd voor de ecologiepremie. In het verleden werd ervan uitgegaan dat 20% van het budget voorzien voor de ecologiepremie gebruikt wordt voor O&O. Bij begrotingsopmaak 2021 betekent dit dat 5,04 miljoen euro vanuit de ecologiepremie als O&O beschouwd wordt.

Tabel 28 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (kredieten in miljoen euro)

Omschrijving

O&O 2020 2021

O&V 2020 2021

W&T 2020 2021

2020

WIB 2021

0,470

0,000

0,000

0,470

0,000

Departement EWI Steunpunt Economie en Ondernemen (STORE)

0,000

0,000

0,000

135


O&O VLAIO/Fonds Innoveren en Ondernemen EFRO Fonds Innoveren en Ondernemen: 20% ecologiesteun STEM Flanders DC

O&V

W&T

WIB

1.37

0,000

0,000

0,000

0,000

0,000

1.37

0,000

5,037

5,037

0,000

0,000

0,000

0,000

5,037

5,037

0,000

0,000

2,500

2,500

0,000

0,000

2,500

2,500

0,000

0,000

0,000

0,000

2,323

2,385

2,323

2,385

1,111

1,138

0,000

0,000

0,000

0,000

1,111

1,138

Onderzoek ter ondersteuning van het beleid inzake toegang tot financiering en/of ondernemerschapsbevordering

0,500

0,500

0,000

0,000

0,000

0,000

0,500

0,500

Totaal

8,488

6,675

2,500

2,500

2,323

2,385

13,311

11,560

Flanders Future Tech Fund

1.5. Programma ‘Apparaat’ (PROG EA): 0,55 miljoen euro 1.5.1. Evolutie van het programma Figuur 38 toont de evolutie vanaf 2008. De budgetten zijn sterk afgenomen na 2015. Dit komt doordat de werkingskosten van het IWT gedeeltelijk zijn weggevallen of niet meer af te zonderen zijn door de inkanteling in het VLAIO. Er wordt enkel nog een werkingskost specifiek voor de uitkering van de ex-IWT maatregelen opgenomen. Figuur 38 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma apparaat (prog EA) 2008-2021i (miljoen euro) 16,00 14,00 12,00

11,60

13,00

12,59

13,00

13,43

13,27

13,57

12,18

10,00 8,00 6,00 4,00

2,18

2,00

0,94

0,51

0,94

0,94

0,55

2017

2018

2019

2020

2021

0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.5.2. Kredietlijnen in detail Tabel 27 geeft een overzicht van de kredietlijnen onder programma EA relevant voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. De middelen ter financiering van het programma “Apparaat” omvatten de middelen voor communicatie (116.000 euro) enerzijds en de middelen nodig voor de werking specifiek voor de toekenning van ex-IWT maatregelen (433.000 euro). Deze kredieten dalen bij begrotingsopmaak 2021.

136


Tabel 29 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma apparaat (kredieten in miljoen euro)

O&O

O&V

W&T 2020

WIB

2020

2021

2020

2021

2021

2020

2021

Communicatiebeleid EA–VLAIO/Fonds Innoveren en Ondernemen VLAIO: Werking

0,000

0,000

0,000

0,000

0,117

0,116

0,117

0,116

0,000

0,000

0,000

0,000

0,820

0,433

0,820

0,433

Totaal programma EA

0,000

0,000

0,000

0,000

0,937

0,549

0,937

0,549

EA – Departement EWI

1.6. Totaal budget beleidsdomein EWI over de vijf programma’s: 1,581 miljoen euro Figuur 39 en Tabel 29 tonen de verdeling van de vastgelegde middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid van het beleidsdomein EWI over de verschillende programma’s: -

EE: Wetenschappelijk onderzoek – Excellentie voor alles,

-

EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie,

-

EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie,

-

EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap,

-

EA: Apparaatskredieten.

Van het totale budget maakt het programma EE ruim de helft uit (55,5%), opgeteld met het programma EF ligt dit aandeel rond de 98,7%.

137


Tabel 30 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid begrotingsaanpassing 2020 en begrotingsopmaak 2021 in het beleidsdomein EWI (miljoen euro)

(1) O&O 2020 EE: Wetenschappelijk onderzoek/ Excellentie voor alles EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EA: Apparaat Totaal

(2) O&V

2021

2020

(3) W&T

2021

2020

(1+2+3)WIB

2021

2020

2021

685,74

839,73

0,00

0,00

33,34

37,74

718,98

877,47

664,36

673,02

0,00

0,00

10,35

10,35

674,71

683,37

0,00

0,00

0,00

0,00

10,18

10,23

10,18

10,23

8,49

6,68

2,50

2,50

2,32

2,39

13,31

11,56

0,00

0,00

0,00

0,00

0,94

0,55

0,94

0,55

1.358,58

1519,43

2,50

2,50

57,13

61,25

1.418,11

1583,18

Grafisch geeft dit het volgende beeld.

Figuur 39 Procentuele verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid 2021 (initieel) van het beleidsdomein EWI over de vijf begrotingsprogramma’s, bedragen in miljoen euro en %

11,56; 0,73%

683,37; 43,16% 877,467; 55,42%

22,34; 1,41%

0,55; 0,03% 10,23; 0,65%

EE. Wetenschappelijk onderzoek/Excellentie voor alles EF. Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG. Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technoligie EC. Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EA. Apparaat

Hergroepering van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid binnen het gehele Beleidsdomein EWI over de verantwoordelijke overheidsinstanties Departement EWI en het Agentschap Innoveren en Ondernemen, geeft het volgend beeld in Tabel 30.

138


Tabel 31 Verantwoordelijkheid voor de begrotingsmiddelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid 2021, initieel in het beleidsdomein EWI (in miljoen euro) voor departement en VLAIO O&O EWI EE: Wetenschappelijk onderzoek/ Excellentie voor alles EF: Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie EG: Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie EC: Een duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap EA: Apparaat Totaal

839,73

O&V

VLAIO/ Hermes fonds

EWI

0,00

0,00

267,58

405,44

0,00

W&T

VLAIO/ Hermes fonds

EWI

0,00

37,74

0,00

0,00

0,00

0,00

1,14

5,54

0,00 1108,45

1.519,43

WIB (totaal)

VLAIO/ Hermes fonds

EWI

VLAIO/ Hermes fonds

0,00

877,47

0,00

10,35

267,58

415,79

0,00

10,23

0,00

10,23

0,00

0,00

2,50

2,39

0,01

3,53

8,05

0,00

0,00

0,00

0,12

0,43

0,12

0.43

410,98

0,00

2,50

50,48

10,79

1158,93

424,27

2,50

61,25

0,00

1.583,18

Figuur 40 Procentuele verdeling van de begrotingsmiddelen voor het W&I-beleid over de verantwoordelijke entiteiten Departement EWI en VLAIO (budget in miljoen euro; 2021i)

VLAIO/Fonds Innoveren en Ondernemen; 424,27; 27%

Departement EWI; 1158,93; 73%

139


2. Wetenschapsbeleid gefinancierd door het beleidsdomein OV Het beleidsdomein Onderwijs en Vorming is inzake wetenschapsbeleid in de eerste plaats de financierder van de werkingsuitkeringen voor de universiteiten en hogescholen. Met onder meer deze werkingsmiddelen financieren de universiteiten hun drieledige opdracht onderwijs, onderzoek en maatschappelijke dienstverlening. Bij conventie wordt geacht 25% van die middelen bestemd te zijn voor onderzoek. De hogescholen financieren met hun werkingsmiddelen hun drieledige opdracht van onderwijs, maatschappelijke dienstverlening en projectmatig wetenschappelijk onderzoek. Voor die laatste opdracht krijgen ze een aparte dotatie via het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Daarnaast financiert het beleidsdomein ook de aanvullende werkingsmiddelen en andere toelagen aan de universiteiten en aan ‘gelijkgestelde’ instellingen. Al deze kredietlijnen zitten vervat in het begrotingsprogramma “Financiering van het Hoger Onderwijs” van het beleidsdomein OV. We zoemen even in op de financiering van de Vlaamse universiteiten 51. Die werken hun eigen onderwijs- en onderzoeksbeleid uit binnen het raamwerk aan wetgeving dat met betrekking tot het hoger onderwijs binnen de Vlaamse Gemeenschap van toepassing is. De Vlaamse universiteiten beschikken daartoe over vier belangrijke geldstromen: 1.

2.

De zogeheten 1ste geldstroom: de eerste geldstroom bestaat uit toelagen van de Vlaamse overheid en vormt de basisfinanciering. Deze toelagen dragen bij tot de dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening, de financiering van de investeringen, de afbetaling van leningen en de administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrustingen. Deze geldstroom is afkomstig uit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. De 2de geldstroom: deze geldstroom is bedoeld voor fundamenteel onderzoek en wordt op competitieve basis toegekend. Universiteiten en aspirant bursalen kunnen er projectgeld en beurzen mee aanvragen voor onderzoek dat op zich niet streeft naar directe toepassingen. De middelen worden steeds op competitieve basis toegewezen. Deze competitie situeert zich intra- of interuniversitair en kan zich richten op verschillende niveaus van onderzoek. De gelden zijn beschikbaar voor alle disciplines van het wetenschappelijk onderzoek. De 2de geldstroom omvat een aantal belangrijke financieringsbronnen, waaronder het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (FWO) en de Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF). De middelen die het FWO ter beschikking stelt, worden verdeeld op basis van interuniversitaire competitie, terwijl de middelen voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen subsidies (aan de universiteiten) zijn die (over de universiteiten) verdeeld worden op basis van een aantal vaste criteria en vervolgens binnen de universiteit intern worden toegekend op basis van intra-universitaire competitie. Zoals hoger toegelicht zijn deze middelen afkomstig van het Beleidsdomein EWI.

Voor meer details over de financiering van het hoger onderwijs, zie het Verslag over de financiële toestand en de evolutie van het personeelsbestand van het hoger onderwijs in 2018. 51

140


3.

4.

De 3de geldstroom: de derde geldstroom is die voor toegepast wetenschappelijk onderzoek. Samen met of op vraag van bedrijven, overheden of particulieren gaan wetenschappers op zoek naar interessante toepassingen of innovaties. Het betreft voornamelijk de middelen voor de Industriële Onderzoeksfondsen (IOF) en de middelen die de universiteiten verwerven vanuit VLAIO en vanuit Europese fondsen. De 4de geldstroom: onder de vierde geldstroom verstaan we de samenwerking met de privésector, inclusief de wetenschappelijke dienstverlening. Dit laatste staat naast het academisch onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek als derde grote opdracht ingeschreven in de Codex Hoger Onderwijs. Deze geldstroom omvat:

a.

Contractonderzoek met de privésector. Universiteiten sluiten met organisaties en bedrijven contracten af waarin wordt vastgelegd dat de universiteit tegen een financiële tegenprestatie onderzoek uitvoert voor deze organisatie of dit bedrijf.

b.

Onderzoek met de privésector met overheidssteun. Met Baekeland-mandaten wil het VLAIO individuele onderzoekers de kans bieden een doctoraat uit te voeren in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Het VLAIO voorziet in cofinanciering van de personeels- en werkingskosten die gepaard gaan met de projectuitvoering. Bij het Baekeland-mandaat is enerzijds een Vlaams bedrijf betrokken dat de strategische oriëntatie bepaalt van het project en zorgt voor cofinanciering. Anderzijds staat een Vlaamse universiteit in voor de begeleiding naar en de toekenning van een doctoraat volgens de gangbare kwaliteitsnormen.

c.

Wetenschappelijke dienstverlening (zonder contract). Wetenschappelijke dienstverlening omvat alle prestaties ten behoeve van derden, tegen vergoeding geleverd door de diensten van de universiteit of hieraan verbonden personen in uitoefening van hun opdracht aan de universiteit en die voortvloeien uit aan de universiteit aanwezige kennis, resultaten van wetenschappelijk onderzoek of technologie. Deze prestaties worden zonder contract uitgevoerd of rangschikken zich binnen langlopende raamovereenkomsten.

d.

Valorisatie onderzoeksresultaten. Valorisatie of ‘technologie’ transfer is de terbeschikkingstelling van (intellectuele) eigendomsrechten op universitaire kennis door verkoop of het verlenen van de toestemming tot het gebruik ervan, aan derden (waaronder overheid en bedrijven). Op die manier wordt aan derden toegestaan deze kennis verder te ontwikkelen tot een product (in de ruimste zin van het woord) dat vervolgens wordt gecommercialiseerd, al dan niet door dezelfde partner

Bovenop deze vier geldstromen zijn er nog de ‘andere opbrengsten verbonden aan onderwijs, onderzoek en dienstverlening’. De financiële bijdrage van de overheid is niet de enige inkomstenbron van de universiteiten. Andere bronnen zijn o.a. de inschrijvingsgelden van studenten, de huuropbrengsten van de sociale sector, de opbrengsten van studentenrestaurants en de opbrengsten van boeken en cursussen. Onderstaand worden voor het jaar 2018 deze vier geldstromen geduid. Het aantal unieke studenten onder diplomacontract bij de universiteiten steeg in 2018 tot 105.000. De personeelskosten van de universiteiten bedroegen in 2018 66% van de totale bedrijfskosten. De geaggregeerde personeelstewerkstelling bedroeg op 1/2/2018 25.906 VTE’s. De aantallen waren als volgt verdeeld over de personeelscategorieën - Zelfstandig (ZAP) en assisterend (AAP) academisch personeel: 5.365 VTE - Integratiekader onderwijzend personeel (IK OP): 642 VTE - Wetenschappelijk personeel (WP): 11.498 VTE - Administratief en technische personeel (ATP): 8.224 VTE - Integratiekader administratief en technisch personeel (IK ATP): 177 VTE.

141


Tabel 32 Overzicht van de geldstromen voor 2019 (in euro)

A.

B. C. D. E.

Opbrengsten verbonden aan onderwijs, onderzoek en dienstverlening A.1. Overheidstoelagen en subsidies - basisfinanciering (1ste geldstr) A.1.1. Werkingsuitkeringen A.1.2. Uitkeringen DGOS A.1.3. Investeringsuitkeringen A.1.4. Sociale toelagen A.1.5. Andere overheidstoelagen en subsidies A.2. Overheidsbijdrage fundamenteel basisonderzoek (2de geldstr) A.2.1. BOF A.2.2. IUAP A.2.3. FWO A.2.4. IWT: bench fee (specialisatiebeurzen) A.3. Overheidsbijdragen toegepast wetenschappelijk onderzoek (3de gs) A.3.1. Federale overheid excl. IUAP A.3.2. Vlaamse Gemeenschap A.3.2.1. Ministerie Vlaamse Gemeenschap A.3.2.2. FWO & VLAIO A.3.2.3. IOF A.3.2.4. Andere Vlaamse intermediaire organisaties A.3.2.5. Andere bijdragen Vlaamse gemeenschap A.3.3. Steden en provincies A.3.4. Internationale organen A.3.4.1. Europese Unie A.3.4.2. Internationale instellingen A.3.4.3. Andere buitenlandse overheden A.3.5. Andere overheidsbijdragen toegepast wetenschappelijk onderzoek Contractonderzoek met de privé - sector en wet. dienstverlening A.4. (4de geldstroom) A.4.1. Contractonderzoek met de privé – sector A.4.2. Contractonderzoek met de privé - sector met overheidssteun A.4.3. Wetenschappelijke dienstverlening (zonder contract) A.4.4. Valorisatie onderzoeksresultaten Andere opbrengsten verbonden aan onderwijs, onderzoek en A.5. dienstverlening A.5.1. Reguliere inschrijvingsgelden A.5.2. Andere inschrijvingsgelden A.5.3. Huuropbrengsten sociale sector A.5.4. Opbrengsten studentenrestaurants A.5.5. Opbrengsten boeken en cursussen A.5.6. Andere Waardewijziging projecten in uitvoering Geproduceerde vaste activa Giften, schenkingen en legaten Andere bedrijfsopbrengsten Totaal 4 geldstromen Totaal alle opbrengsten

Budget % in % in 4 in 2019 totaal geldstromen 2.440.565.381 1.104.677.626 42% 51% 1.038.452.496 416.536 33.032.234 24.929.478 7.846.882 374.818.015 14% 17% 209.207.247 11.940.821 153.695.435 25.488 444.782.277 17% 20% 37.456.933 224.746.182 40.417.334 72.566.118 46.272.387 40.484.588 25.005.756 4.659.225 170.746.031 157.310.558 12.195.753 1.239.720 7.173.906 255.171.453

10%

12%

134.720.904 25.891.545 12.672.842 81.886.162 261.116.010

10%

99.356.699 26.367.508 21.942.535 7.773.072 1.461.254 104.214.942 55999806 0 22.343.619 114.296.419 2.179.449.371 2.633.205.225

Bron: Verslag over de financiële toestand en de evolutie van het personeelsbestand van het hoger onderwijs in 2019; https://onderwijs.vlaanderen.be/nl/rapporten-van-het-college

Voor het vervolg van deze Speurgids gaan we niet verder in op deze vier geldstromen maar spitsen we ons enkel toe op de globale middelen die vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming ter beschikking worden gesteld voor het wetenschapsbeleid.

142


Vanuit OV is ruim 2,1 miljard euro voorzien voor wetenschapsbeleid bij begrotingsopmaak 2021 (zie Tabel 32). Deze middelen zijn onder te verdelen in de drie rubrieken O&O, O&V en W&T (zie inleiding bij Deel 2). Het aandeel van de O&O uitgaven daarin is ruim 413 miljoen euro. Het voornaamste onderdeel van deze 413 miljoen euro wordt gevormd door 25% van de werkingsuitkeringen en gelijkaardige uitkeringen aan universiteiten, die bij conventie worden beschouwd als O&O-middelen. De werkingsuitkeringen van de universiteiten bedragen in 2021 979 miljoen euro waarvan dus 25% of 245 miljoen euro als O&O-kredieten gelabeld worden. De middelen voor wetenschapsbeleid nemen toe ten opzichte van de definitieve begroting 2020. Figuur 41 somt de kredietlijnen op van het wetenschapsbeleid uit het beleidsdomein OV. Bij begrotingsopmaak 2021 is de basisfinanciering van de universiteiten onderhevig aan een aantal wijzigingen. De grootste worden hieronder uitgelicht: -

-

Het klikmechanisme Hoger Onderwijs zorgt voor een toename van 9,916 miljoen euro. Het kliksysteem houdt in dat indien de opgenomen studiepunten binnen een bepaald onderwijsdeelbudget met meer dan 2% stijgen ten opzichte van de referentiepunten, ook de onderwijsdeelbudgetten met 2% moeten toenemen. In overeenstemming met de onderwijsdeelbudgetten dienen ook de onderzoeksdeelbudgetten mee te stijgen. Door maatregelen genomen in het regeerakkoord worden de vooropstelde stijgingen in het integratiegroeipad Hoger Onderwijs (14,5 miljoen euro) niet ingeschreven in de begroting 2021. De groeivoet Graduaten zorgt in 2021 voor een bijstelling van ruim 15 miljoen euro In uitvoering van de beleidsnota worden de puntengewichten van enkele studiegebieden in de hogescholen verhoogd (4 miljoen euro). In uitvoering van artikel III.24 §10 (cao V) dienden de werkingsmiddelen van de hogescholen (inclusief de Hogere Zeevaartschool) en de werkingsmiddelen van de universiteiten vermeerderd te worden (10,573 miljoen euro).

Figuur 41 Middelen voor het wetenschapsbeleid uit het beleidsdomein OV (in miljoen euro) 2500,00 2000,00 1500,00

3,28 740,38

3,23 681,97

2,57

2,95

3,02

0,00

2,36

783,60

825,11

2,44

2,47

575,54

625,89

641,85

667,94

787,76

749,48

780,72

792,02

839,45

869,40

876,62

717,77

2,56 606,93

708,53

1000,00 500,00

2,60

600,82

606,34

239,20

259,36

306,09

338,74

327,64

356,14

373,74

394,23

413,78

418,04

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

O&O

O&V

O&V(hogescholen)

W&T

143


Tabel 33 Kredietlijnen 2020 (BA) en 2021i (initieel) voor het wetenschapsbeleid van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (kredieten in miljoen euro) O&O

O&V

W&T

WIB

2020

2021

2020

2021

2020

2021

2020

2021

Werkingsuitkeringen 5 universiteiten

240,546

244,703

721,639

734,110

0,000

0,000

962,185

978,813

Aanvullende onderzoeksmiddelen aan universiteiten ter ondersteuning integratie academisch gerichte hogeschoolopleidingen Toelagen studentenvoorzieningen voor het hoger onderwijs Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen universitair onderwijs Bijdrage wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen universiteiten

85,964

86,838

0,000

0,000

0,000

0,000

85,964

86,838

13,781

13,870

41,342

41,609

0,000

0,000

55,123

55,478

7,492

8,411

22,476

25,233

0,000

0,000

29,968

33,644

7,837

7,946

23,511

23,837

0,000

0,000

31,348

31,783

Investeringen hoger onderwijs

9,208

8,290

27,624

24,869

0,000

0,000

36,832

33,158

Aanvullende werkingsmiddelen hoger onderwijs in Brussel Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen ITG

2,205

2,232

6,614

6,696

0,000

0,000

8,818

8,928

0,178

0,178

0,533

0,533

0,000

0,000

0,711

0,711

Subsidiëring open hoger onderwijs

0,166

0,168

0,498

0,503

0,000

0,000

0,664

0,671

Toelage associaties

0,142

0,143

0,425

0,429

0,000

0,000

0,566

0,572

0,000

0,000

783,597

825,108

0,000

0,000

783,597

825,108

30,011

30,321

0,000

0,000

0,000

0,000

30,011

30,321

2,766

2,794

8,297

8,383

0,000

0,000

11,062

11,177

1,362

1,309

4,085

3,927

0,000

0,000

5,447

5,236

0,566

0,572

1,697

1,715

0,000

0,000

2,263

2,287

Subsidie aan de Vlerick Business School

0,478

0,483

1,433

1,448

0,000

0,000

1,910

1,930

Subsidie aan de Vrije Universiteit Brussel ten behoeve van het Instituut voor Europese Studiën (IES) Investeringsmiddelen en eigenaarsonderhoud Hogere Zeevaartschool

0,506

0,512

1,518

1,535

0,000

0,000

2,024

2,046

2,049

0,074

6,146

0,221

0,000

0,000

8,194

0,294

Subsidie aan de Antwerp Management School

0,247

0,249

0,740

0,748

0,000

0,000

0,987

0,997

Subsidie aan de Evangelische Theologische faculteit en de faculteit Protestantse Godsgeleerdheid Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten behoeve van het Instituut voor Joodse Studies (IJS)

0,229

0,231

0,686

0,692

0,000

0,000

0,914

0,923

0,046

0,046

0,138

0,138

0,000

0,000

0,184

0,184

Omschrijving 1. Universiteiten

2. Hogescholen Werkingsuitkering 13 hogescholen Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek (PWO) 3. Andere gelijkgestelde instellingen Subsidie verleend aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde 'Prins Leopold" in Antwerpen (ITG) Werkingsmiddelen Vlaamse autonome Hogere Zeevaartschool Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten bate van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en Beheer (IOB)

144


O&O

O&V

W&T

WIB

2020

2021

2020

2021

2020

2021

2020

2021

5,500

3,248

0,000

0,000

0,061

0,000

5,561

3,248

1,505

3,916

0,000

0,000

0,000

0,000

1,505

3,916

1,003

1,509

0,000

0,000

0,000

0,000

1,003

1,509

0,000

0,000

0,000

0,000

2,539

2,356

2,539

2,356

Totaal (exclusief werkingsmiddelen voor hogescholen; opgenomen in verdere analyse van het W&I beleid)

413,783

418,040

869,400

876,624

2,600

2,356

1.285,783

1.297,020

Totaal (inclusief hogescholen)

413,783

418,040

1.652,997

1.701,732

2,600

2,356

2.069,380

2.122,128

Omschrijving 4. Financiering van beleidsondersteunend onderzoek vanuit OV OV: Algemene werkingskosten Beleidsvoorbereiding, beleidsondersteuning en beleidsevaluatie OV: Universitair Steunpunt Toetsontwikkeling en Peilingen OV: Steunpunt Beleidsgericht Onderwijsonderzoek Werkingsuitkering aan de Nederland-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO)

145


3. Wetenschapsbeleid gefinancierd door de acht andere beleidsdomeinen Het wetenschapsbeleid in de andere beleidsdomeinen omvat de wetenschappelijke beleidsinitiatieven waarvoor de bevoegdheid bij de beleidsdomeinen zelf ligt en die erop gericht zijn het eigen beleid wetenschappelijk te ondersteunen en gestalte te geven. Opnieuw worden de middelen weergegeven in de drie categorieën O&O, O&V en W&T (zie inleiding bij Deel 2). Een evolutie van het wetenschaps- en innovatiebudget per beleidsdomein is weergegeven in Tabel 37. Tabel 34 Middelen voor wetenschapsbeleid van de andere beleidsdomeinen 2020 initieel (in miljoen euro)

Omgeving

O&O 26,10

O&V 0,00

W&T 30,48

WIB 56,59

Landbouw en Visserij

21,78

Cultuur, Jeugd en Media

4,87

0,00

6,16

27,94

0,00

17,29

22,16

Mobiliteit en Openbare Werken

0,14

0,00

11,88

12,02

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie Werk en Sociale Economie

3,23

0,00

8,47

11,71

3,96

0,00

0,00

3,96

1,51

0,00

0,00

1,51

Financiën en Begroting

0,00

0,00

0,46

0,46

Totaal

61,60

0,00

74,75

136,34

A. Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie (KBBJ): 3,96 miljoen euro Bij begrotingsopmaak 2021 is er vanuit het departement Kanselarij en Bestuur een wetenschapsbudget van 3,96 miljoen euro voorzien. Hieronder valt de Vlaamse Statistische Autoriteit en de nieuwe studiedienst.

B. Financiën en Begroting (FB): 458.000 euro In het beleidsdomein FB is een wetenschapsbudget van 460.000 euro voorzien voor ondersteuning van beleidsvoorbereidende capaciteit. Dit wordt volledig beschouwd als W&T.

C. Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG): 11,71 miljoen euro In 2021 is er vanuit WVG een budget van 11,71 miljoen euro voorzien voor wetenschapsbeleid, waarvan 3,23 miljoen voor O&O. WVG financiert de dotatie aan het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Louis Pasteur en de subsidies voor de erkende centra voor menselijke erfelijkheid, de Koninklijke Academie voor Geneeskunde en subsidies voor epidemiologisch onderzoek en indicatorenverzameling. Ook Kind en Gezin en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap voorzien een luik wetenschappelijk onderzoek binnen de eigen begroting. Bovendien financiert WVG onderzoek naar welzijn, volksgezondheid en gezin en onderzoek in het kader van armoedebeleid.

D. Cultuur, Jeugd en Media (CJM): 22,16 miljoen euro In totaal voorziet het beleidsdomein CJSM bij begrotingsopmaak 2021 voor 22,16 miljoen euro aan middelen voor het wetenschapsbeleid, waarvan 4,87 miljoen voor O&O. Het grootste gedeelte van dit budget is voor

146


de basisdotatie aan VRT waarvan 13,52 miljoen euro beschouwd wordt als W&T. Verder steunt het beleidsdomein de Vlaamse wetenschappelijke instelling KMSKA (2,93 miljoen euro), en zijn er middelen voorzien voor wetenschappelijk onderzoek (600.000 euro).

E. Landbouw en Visserij (LV): 27,94 miljoen euro Het beleidsdomein LV voorziet in 2021 globaal voor 27,94 miljoen euro aan middelen voor het wetenschapsbeleid, waarvan 21,78 miljoen voor onderzoek en ontwikkeling. Voor de Vlaamse wetenschappelijke instelling ILVO is er in 2021 een budget voorzien van 25,31 miljoen euro (dotatie, wedden en toelagen). Het ILVO heeft als missie het uitvoeren en coördineren van beleidsonderbouwend wetenschappelijk onderzoek en de daaraan verbonden dienstverlening met het oog op een duurzame landbouw en visserij in economisch, ecologisch, sociaal en maatschappelijk perspectief. Bovendien is er nog de subsidie aan VLAM, het Vlaams Promotie-Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (465.000 euro).

F. Werk en Sociale Economie (WSE): 1,51 miljoen euro In 2021 voorziet het beleidsdomein WSE voor studies en onderzoek 760.000 euro. Het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering, kortweg VIONA, bevordert sinds 1994 het strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen. Dit onderzoeksnetwerk is een initiatief van de Vlaamse Regering en de Vlaamse sociale partners. De focus van VIONA ligt op concrete vraagstukken met betrekking tot het actuele werkgelegenheidsbeleid. WSE steunt onderzoek naar het faciliteren van de sociale economie voor een budget van 750.000 euro.

G. Mobiliteit en Openbare Werken (MOW): 12,02 miljoen euro Een budget van 12,02 miljoen euro is in 2021 voorzien voor financiering van het wetenschapsbeleid, waarvan 140.000 voor O&O. MOW financiert mobiliteitsstudies, mobiliteitsconvenants, onderzoek over havenmateries, uitgaven voor het Waterbouwkundig Laboratorium en Hydrologisch onderzoek, en onderzoek uit het Vlaams Infrastructuurfonds (VIF). Vanaf 2019 wordt Xperta ondersteund. Met Xperta bundelt het departement de expertise die verspreid zat over verschillende diensten binnen één website en naar één aanspreekpunt (voor meer info zie: https://overheid.vlaanderen.be/nieuws/departement-mobiliteit-en-openbare-werkenbundelt-technische-expertise)

H. Omgeving (OMG): 56,59 miljoen euro Sinds 1 april 2017 vormen de vroegere departementen Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) en Ruimte Vlaanderen (RV) het nieuwe departement Omgeving. Bij begrotingsopmaak 2021 wordt door het departement Omgeving een budget van 56,59 miljoen euro vastgelegd voor wetenschap en innovatie. Het departement 0mgeving financiert onderzoek en andere wetenschappelijke activiteiten vanuit de algemene begroting en het MINA-fonds (Fonds voor Preventie en Sanering inzake Milieu en Natuur). Het programma Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu of het TWOL-programma zorgt voor afstemming tussen de onderzoeksprojecten van de diverse afdelingen van Leefmilieu, Natuur en Energie, de Vlaamse openbare instellingen VLM, VMM en OVAM en het Vlaams Wetenschappelijk Instituut INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek). De belangrijkste kredietlijn vanuit het vroegere RWO is de dotatie aan het Agentschap Onroerend Erfgoed.

147


4. Totaal: ‘Horizontaal Begrotingsprogramma WetenschapsInnovatiebeleid’ 52 (exclusief werkingsuitkeringen Hogescholen)

en

Het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) is het wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door de volledige Vlaamse overheid (zie Tabel 34). Het wetenschaps- en innovatiebeleid gefinancierd door EWI en OV vormen daarvan de hoofdmoot. Vooral voor het O&O beleid is het beleidsdomein EWI de belangrijkste financier (76%). Het beleidsdomein OV financiert 21% van het O&Obeleid en de andere beleidsdomeinen 3%. Tabel 35 Aandeel van de drie financiers in het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) bij begrotingsopmaak 2021 (miljoen euro en procentueel)

Wetenschaps- en innovatiebeleid vanuit het beleidsdomein EWI Wetenschapsbeleid vanuit het beleidsdomein OV (zonder werkingsuitkeringen Hogescholen) Wetenschapsbeleid vanuit de andere beleidsdomeinen HBPWIB

totaal WIB

O&O

O&V

W&T

1.519,43

2,50

61,25

1.583,18

76,01%

0,28%

44,27%

52,48%

418,04

876,62

2,36

1.297,02

20,91%

99,72%

1,70%

43,00%

61,60

0,00

74,75

136,34

3,08%

0,00%

54,02%

4,52%

1.999,06

879,12

138,36

3.016,54

Tabel 35 geeft een overzicht van de stijging van de middelen voor O&O vanaf 2009 tot 2021. Absoluut is het O&O budget de voorbije 10 jaar toegenomen met ruim 751 miljoen euro. Bij begrotingsopmaak 2021 stijgen de O&O middelen, dit is vooral te wijten aan de stijging bij FWO (fluctuerende middelen i.f.v. meerjarige oproepen & investeringsprovisie voor infrastructuur). Tabel 36 Evolutie van de O&O middelen van 2009 tot 2021 (in miljoen euro) O&O

2011 1.227,58

2012 1.236,01

2013 1.243,50

2014 1.397,77

2015 1.298,43

2016 1.394,711

2017 1.597,69

2018 1.625,73

2019 1951,59

2020 1.858,01

2021 1.999,06

Figuur 42 geeft een overzicht van de evolutie van het wetenschaps- en innovatiebeleid per financier (beleidsdomein EWI, beleidsdomein OV en de andere beleidsdomeinen samen). Hieruit blijkt dat inzake O&O financiering de middelen vanuit het beleidsdomein EWI toenemen, terwijl de financiering voor O&O vanuit beleidsdomein OV en de andere beleidsdomeinen relatief constant blijft.

Voor de analyse van horizontaal begrotingsprogramma wetenschaps- en innovatiebeleid worden de werkingsuitkeringen van de hogescholen niet meegenomen omdat we hier een historische tijdsreeks hanteren die teruggaat tot 1993. Om die reden totaliseert het WIB in deze voorstellingswijze slechts tot 3,017 miljard euro in plaats van tot 3,842 miljard.

52

148


Figuur 42 Evolutie van het wetenschaps- en innovatiebeleid per financier (2008 - 2021i; in miljoen euro)

O&O 2000,00 1500,00 1000,00 500,00 0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013 EWI

2014

2015

OV

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2017

2018

2019

2020

2021

2017

2018

2019

2020

2021

2017

2018

2019

2020

2021

andere

O&V 1000,00 800,00 600,00 400,00 200,00 0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013 EWI

2014

2015

OV

2016 andere

W&T 150,00 100,00 50,00 0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013 EWI

2014

2015

OV

2016 andere

WIB 2000,00 1500,00 1000,00 500,00 0,00 2008

2009

2010

2011

2012

2013 EWI

2014 OV

2015

2016 andere

149


Hoofdstuk 10 Analyse van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschapsen Innovatiebeleid: 3,017 miljard euro

53

1. Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) Figuur 43 en Tabel 36 geven de evolutie van de HBPWIB’s vanaf 1993 weer, samen met de verdeling naar het type activiteit: Onderzoek en Ontwikkeling (O&O), Onderwijs en Vorming (O&V) en Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T) (cfr. inleiding bij deel 2 voor de definities). We wijzen er nogmaals op dat de werkingsuitkeringen aan de hogescholen (825 miljoen euro) in deze analyse niet meegenomen worden omdat we hier werken met een historische tijdsreeks die teruggaat tot 1993. In de vorige edities van de Speurgids werden ze ook nooit meegenomen. Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T) neemt slechts een klein aandeel in het HBWPB in. In 1993 was het aandeel Onderwijs en Vorming (O&V) nog groter dan dit voor O&O. Vanaf 1996 kwam hier een kentering in. In 1996 zijn het O&O- en het O&V-aandeel nagenoeg gelijk. Sinds dan stijgen de O&Okredieten. In 1996 was het procentueel aandeel van O&O, O&V en W&T respectievelijk 49%, 47% en 4%. In 2021i is het O&O-aandeel gestegen tot 66%, O&V maakt 29% uit van het HBPWIB en W&T 5%. We bespreken de evolutie van de kredieten in de laatste twee legislaturen.

A. Legislatuur 2009 -2014 Tijdens de legislatuur 2009-2014 is het budget voor wetenschaps- en innovatiebeleid toegenomen. In 2009 was er initieel een structurele toename van het Vlaamse overheidsbudget voor wetenschap, technologie en innovatie met 29 miljoen euro en daarnaast een eenmalige kapitaalinjectie in imec via een herinvestering van de participatie in Finindus, ten bedrage van 35 miljoen euro. In 2010 waren grotere besparingen noodzakelijk. De middelen voor het HBPWIB namen desondanks toe door investeringen in het TINA-Fonds (100 miljoen) en Vinnof (20 miljoen), voor de opstart van een zaaikapitaalfonds in het kader van Flanders’ Care (20 miljoen euro) en door middelen vanuit het FFEU (20 miljoen euro) voor de Proeftuin Elektrische Voertuigen, de archivering van audiovisueel materiaal, bodemsanering en het Vlaams Supercomputer Centrum. In 2011 steeg het budget licht.

53 Voor de analyse van horizontaal begrotingsprogramma wetenschaps- en innovatiebeleid worden de werkingsuitkeringen van de hogescholen (825 miljoen euro) niet meegenomen omdat we hier een historische tijdsreeks hanteren die teruggaat tot 1993. Om die reden totaliseert het WIB in deze voorstellingswijze slechts tot 3,017 miljard euro in plaats van tot 3,842 miljard.

150


In 2012 was er een totaal wetenschaps- en innovatiebudget van 1,925 miljard euro beschikbaar, waarvan 1,236 miljard euro voor O&O. Een gedeelte van deze verhoging is enerzijds wel te wijten aan enkele eenmalige acties waaronder de investering in de cleanroom bij imec en anderzijds de nieuwe aanrekeningsregels in het kader van de inwerkingtreding van het Rekendecreet. In 2013 was een opstap ingeschreven van 32,5 miljoen aan recurrente middelen (voor BOF, FWO, IWT, IOF, …) en van 30 miljoen aan eenmalige middelen voor SOFI 2 en de cleanroom van imec. Het budget voor het HBPWIB bedroeg 1.944,05 miljoen euro waarvan 1.243,50 miljoen euro voor O&O. In 2014 werd de stijgende evolutie verder gezet dankzij het competitiviteitspact, de integratie van het hoger onderwijs en eenmalige investeringen in SOFI. In de definitieve begroting 2014 bedraagt het wetenschapsbudget 2.206 miljoen euro waarvan 1.398 miljoen euro voor O&O bedoeld is.

B. Legislatuur 2014 -2019 In 2015 werd de stijgende trend doorbroken. Door de economische crisis en de budgettaire gevolgen van de zesde staatshervorming werd de Vlaamse Regering verplicht keuzes te maken. Vooral de inspanningen voor O&O dalen door het wegvallen van eenmalige opstappen uit 2014, terwijl de investeringen in het globaal wetenschaps- en innovatiebeleid licht dalen. Dit is te verklaren doordat er, ondanks de besparingen, geïnvesteerd werd in het beleidsdomein OV. Hierdoor nemen de middelen voor O&V toe. In de definitieve begroting bedraagt het wetenschaps- en innovatiebudget 2,185 miljard euro waarvan 1,298 miljard euro voor O&O. In 2016 werd 2,235 miljard euro vastgelegd voor wetenschap en innovatie. Hiervan was 1,394 miljard voor O&O. Deze stijging was onder andere te danken aan de provisies in het Hermesfonds (voorganger Fonds Innoveren en Ondernemen; provisie opstap: 2,05 miljoen en provisie investeringen: 37,301 miljoen) en aan een eenmalige investering voor imecXpand van 30 miljoen euro. Daarnaast speelde ook het effect van de overstap van vastleggingskredieten naar machtigingen bij het FWO. In 2017 wordt de stijging doorgezet en werd een historisch hoogtepunt bereikt. Het wetenschaps- en innovatiebudget bedraagt ruim 2,477 miljard euro waarvan 1,598 miljard euro voor O&O. Deze sterke toename was te danken aan een eenmalige investeringsenveloppe van 100 miljoen euro, waarvan 39,160 miljoen voor O&O, en een recurrente opstap van 195 miljoen euro. Van deze recurrente opstap werd 111,5 miljoen euro verdeeld via het departement EWI aan imec (29 miljoen euro), VIB (14,7 miljoen euro), FWO (30,3 miljoen euro), PWO (10 miljoen euro), BOF (10 miljoen euro), …. Er werd 83,5 miljoen verdeeld via het Hermesfonds (Voorganger Fonds Innoveren en Ondernemen), hiervan werd 40,5 miljoen euro besteed aan O&O (FWO, VLIZ en VIB). In 2018 blijven de middelen voor wetenschap en innovatie lichtjes toenemen (een stijging van 2% t.o.v. de middelen bij begrotingsaanpassing 2017). Het totale wetenschaps- en innovatiebudget bedraagt 2,534 miljard euro waarvan bijna 1,626 miljard voor O&O investeringen. De middelen voor O&O stijgen licht (2%) ten opzichte van begrotingsaanpassing 2017 en dit is te wijten aan de eenmalige investeringsprovisie van 115 miljoen euro waarvan 72 miljoen in O&O geïnvesteerd wordt. In 2019 namen de middelen sterk toe. De middelen voor wetenschap en innovatie stegen met 16% en deze voor O&O zelfs met 20% ten opzichte van de begrotingsaanpassing 2018. Deze sterke stijging was het gevolg van de grote recurrente opstap voor O&O en bedrijfsleven van 280 miljoen euro en van de eenmalige investeringsprovisie van 120 miljoen euro.

C. Nieuwe legislatuur vanaf 2020 Zie bijlage voor duiding van de kredieten begroting 2020 en hoofdstuk 9 voor de kredieten begroting 2021.

151


Figuur 43 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2021) (miljoen euro) 3.500,00

3.000,00

2.500,00

2.000,00

1.500,00

1.000,00

500,00

0,00 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 onderzoek en ontwikkeling (O&O)

onderwijs en vorming (O&V)

wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T)

Tabel 37 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2021) (miljoen euro) 2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2018

2019

2020

2021i

O&O

1993 326,78

…

967,95

952,67

1.121,43

1.130,07

1.224,02

1.227,58

1.236,01

1.243,50

1.397,77

1.298,43

1 394,711

1.597,69

1.630,74

1.951,59

1.858,01

1.999,06

O&V

365,13

…

532,92

531,17

580,39

566,59

567,39

578,81

601,51

608,61

718,85

788,21

755,156

780,85

792,33

841,96

871,90

879,12

31,88

…

75,10

77,52

80,17

80,26

78,75

74,27

88,32

91,95

87,81

98,41

85,959

98,87

111,33

145,51

135,47

138,36

723,79

…

1.575,97

1.561,36

1.781,99

1.776,92

1.870,17

1.880,66

1.925,84

1.944,05

2.206,06

2.184,97

2.235,824

2.477,43

2.534,40

2.932,28

2.865,28

3.016,54

W&T Totaal WIB

…

2014

2015

2016

2017


In het vervolg analyseren we de ruim 3 miljard euro middelen door verschillende ‘brillen’ op te zetten: • • • • • •

analyse volgens beleidsdomein analyse volgens bevoegde minister analyse volgens O&O-budget volgens NABS-classificatie analyse van het O&O-budget volgens ‘gericht’ en ‘niet-gericht’ onderzoek analyse van het O&O-budget volgens initiatiefnemer analyse van het W&I-budget volgens zes grote indelingen.

153


2. Analyse volgens beleidsdomein Figuur 44 en Figuur 45 geven de verdeling van de middelen van enerzijds het wetenschaps- en innovatiebeleid en anderzijds het O&O-beleid over de beleidsdomeinen. KBBJ FB EWI OV WVG

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie Financiën en Begroting Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

CJSM

Cultuur, Jeugd en Media

WSE LV MOW OMG

Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving

De beleidsdomeinen EWI en OV beschikken over het grootste volume aan kredieten voor het wetenschaps-en innovatiebeleid. Beide beleidsdomeinen zijn samen goed voor 95% van het totaal budget voor wetenschap en innovatie (zie Figuur 44). Het wetenschapsbudget uit OV is voor een groot deel samengesteld uit de werkingsuitkeringen aan de universiteiten. Deze worden beschouwd als 25% O&O en 75% O&V. Het wetenschapsbudget uit EWI bevat daarentegen kredieten die vooral als O&O worden beschouwd. Hierdoor is EWI met voorsprong het beleidsdomein met het grootste O&O-budget (zie Figuur 45). Figuur 44 Verdeling van de middelen in 2021i voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid WVG 0,39%

KBBJ 0,13%

OV 43,00% LV 0,93%

Overig 4,52%

OMG 1,88%

EWI 52,48%

KBBJ Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie FB Financiën en Begroting EWI Economie, Wetenschap en Innovatie OV Onderwijs en Vorming WVG Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

CJSM WSE LV MOW OMG

WSE 0,05%

CJSM 0,73%

MOB FB 0,40% 0,02%

Cultuur, Jeugd en Media Werk en Sociale Economie Landbouw en Visserij Mobiliteit en Openbare Werken Omgeving

Figuur 45 Verdeling van de middelen in 2021i van Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid

OV 20,91% Overig 3,08% EWI 76,01%

154

CJSM KBBJ 0,24% 0,20%

LV 1,09%

WVG 0,16% OMG 1,31%

WSE MOB 0,08% 0,01% FB 0,00%


Tabel 37 geeft per beleidsdomein het totale budget, opgesplitst in de drie wetenschappelijke activiteiten (definities zie vooraan deel 2): onderzoek en ontwikkeling (O&O), onderwijs en vorming (O&V) en wetenschappelijke en technologische dienstverlening (W&T) aan. WIB is de optelsom.

Tabel 38 Verdeling Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid (HBPWIB) voor de definitieve begroting 2020 (2020) en voor begrotingsopmaak 2021 (2021i), over de beleidsdomeinen, gerangschikt volgens afnemend krediet voor wetenschap en innovatie in 2020i (miljoen euro)

2020 EWI

O&O

2021i

2020

O&V

2021i

2020

W&T

2021i

2020

WIB

2021i

2020

% O&O

2021i

2020

% WIB

2021i

0,00

0,00

0,00

0,00

0,46

0,46

0,46

0,46

0,00%

0,00%

0,02%

0,02%

1358,58

1.519,43

2,50

2,50

57,03

61,25

1387,28

1418,11

73,12%

76,01%

48,42%

47,01%

LV KBBJ

413,78 2,63 3,87

418,04 3,23 4,87

869,40 0,00 0,00

876,62 0,00 0,00

2,60 8,48 18,81

2,36 8,47 17,29

1285,78 11,11 22,68

1.297,02 11,71 22,16

22,27% 0,14% 0,21%

20,91% 0,16% 0,24%

44,87% 0,39% 0,79%

43,00% 0,39% 0,73%

WVG

1,23

1,51

0,00

0,00

0,00

0,00

1,23

1,51

0,07%

0,08%

0,04%

0,05%

CJSM

23,31

21,78

0,00

0,00

6,49

6,16

29,80

27,94

1,25%

1,09%

1,04%

0,93%

WSE

0,13

0,14

0,00

0,00

12,59

11,88

12,72

12,02

0,01%

0,01%

0,44%

0,40%

MOB

30,65

26,10

0,00

0,00

0,000

30,484

30,649

56,586

1,65%

1,31%

1,07%

1,88%

FB

23,83

3,96

0,00

0,00

28,91

0,00

52,74

3,96

1,28%

0,20%

1,84%

0,13%

1858,01

1.999,06

871,90

879,12

135,37

138,36

2865,28

3016,54

100,00%

100,00%

100,00%

100,00%

OV OMG

Eindtotaal


3. Analyse volgens bevoegde minister De Vlaamse Regering telt negen ministers die bevoegd zijn voor de beleidsvelden uit de tien beleidsdomeinen. Alle negen ministers van de Vlaamse Regering hebben in de uitgavenbegroting middelen voor wetenschap en innovatie ingeschreven in de beleidsvelden waarvoor ze bevoegd zijn. Hetzelfde geldt voor de middelen specifiek voor onderzoek en ontwikkeling. De verdeling, zoals weergegeven in Figuur 46 en Figuur 47 zijn opgemaakt op basis van de code ‘ordonnancerend minister’ bij de betreffende basisallocaties in de begrotingstabel. De minister van innovatie is bevoegd voor 53% van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid en de minister van onderwijs voor 43%. De overige 4% valt onder de bevoegdheid van de andere zeven ministers van de Vlaamse Regering. Figuur 46 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) 2021i volgens de ministeriële bevoegdheden

43,00% 0,69%

0,12%

0,02% 0,40%

0,39%

0,65%

4,47%

2,20% 52,53%

Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Vlaams minister van Brussel, Jeugd en Media

De minister van innovatie is bevoegd voor 76% van de middelen voor het O&O beleid en de minister van onderwijs voor 21%. De overige 3% valt onder de bevoegdheid van de andere zeven ministers van de Vlaamse

156


Regering. Net zoals bij de verdeling over de beleidsdomeinen is het verschil tussen beide figuren uit te leggen door het feit dat de werkingsuitkeringen aan de universiteiten bij conventie samengesteld zijn uit 25% O&O en 75% O&V. Figuur 47 Verdeling van de middelen voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) 2021i volgens de ministeriële bevoegdheden

0,18%

0,18% 0,16%

0,01% 0,00%

20,91%

0,41% 3,01%

2,07% 76,08%

Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Onderwijs, Sport, Dierenwelzijn en Vlaamse Rand Vlaams minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding Minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlandse Zaken, Cultuur, ICT en Facilitair Management Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Vlaams minister van Brussel, Jeugd en Media

4. Het O&O budget: analyse volgens NABS-classificatie Figuur 48 deelt het ganse O&O-budget op bij begrotingsopmaak 2021 volgens NABS-classificatie. NABS staat voor “nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en –programma’s” en is een EU-classificatiesysteem dat de overheidskredieten voor O&O onderverdeelt naar sociale-economische doelstellingen. Deze indeling van de O&O-kredieten biedt als belangrijk voordeel dat het internationale vergelijking mogelijk maakt (zie hiervoor hoofdstuk 10). De NABS-indeling toegepast op de Vlaamse O&O-overheidskredieten houdt echter ook een belangrijke beperking in. Met de globale subsidies of dotaties voor de strategische onderzoekscentra, wetenschappelijke

157


instellingen, departementale diensten en Vlaamse openbare instellingen verricht men in vele gevallen onderzoek dat thuishoort in meerdere NABS-domeinen (bv. milieu, energie, industriële productie en technologie, …). Omdat deze opsplitsing niet steeds eenduidig vast te stellen is, wordt aan één kredietlijn ook maar één NABS-code toegekend. Het ontbreken van middelen voor energieonderzoek (NABS 5) betekent met andere woorden niet dat er door de Vlaamse overheid geen onderzoek in dat domein wordt gefinancierd. De NABS-klassen kunnen geaggregeerd worden in grotere indelingen: economische ontwikkeling, gezondheid en omgeving (sociale structuren, bescherming van het milieu en exploitatie en exploitatie van het aardse milieu), onderwijs en maatschappij, ruimtevaartprogramma’s, niet-georiënteerd onderzoek en algemene universiteitsfondsen. Figuur 49 laat de verdeling van het O&O-budget 2021 over deze klassen zien. Ten opzichte van het totale O&O-budget, dalen de kredieten voor het onderzoek gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen (GUF): 20,8% in 2020BA t.o.v. 19,3% in 2021BO. Het relatief aandeel O&O-budget besteed aan niet-georiënteerd onderzoek stijgt sterk van 25,4% in 2020BA naar 30,8% in 2021BO. Het O&O-budget besteed aan economische ontwikkeling daalt van 45,2% in 2020 BA naar 42,4% in 2021BO . In deel 3 worden deze Vlaamse cijfers internationaal vergeleken. Figuur 48 Verdeling O&O-budget 2021i volgens NABS-classificatie 1,24%

0,84%

0,19%

30,50% 42,35%

19,28% 0,97% 2,21% 0,30%

1,68% 0,44%

Exploratie en exploitatie van het aardse milieu Milieu Transport, telecommunicatie en andere infrastructuur Industriële productie en technologie Gezondheid Landbouw Onderwijs Cultuur, recreatie, religie en media Overheids- en maatschappelijke systemen, structuren en processen Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit algemene universiteitsfondsen Algemene kennisopbouw: O&O gefinancierd uit andere bronnen

158


Figuur 49 Verdeling O&O-budget 2021i volgens geaggregeerde NABS-klassen Onderwijs en maatschappij 2,96%

Gezondheid en omgeving 1,81%

Algemene universiteitsfondsen (GUF) 19,28% Economische ontwikkeling 45,46% Niet-georiënteerd onderzoek 30,50%

5. Het O&O budget: analyse van gericht versus niet-gericht onderzoek In 2021 is er bij begrotingsopmaak een budget van 1,999 miljard euro voorzien voor O&O, hiervan kan 985 miljoen beschouwd worden voor het niet-gericht onderzoek en 1014 miljoen voor het gericht onderzoek, m.a.w. een verhouding niet-gericht ten opzichte van gericht van 49/51. Het budget voor het niet-gericht onderzoek is samengesteld uit de middelen voor FWO (kredietlijn FWO en FWO fundamenteel onderzoek), de Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF), 50% van de middelen voor (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (bij FWO), 25% van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten en van de aanvullende werkingsmiddelen, het O&O-aandeel van de andere toelagen aan de universiteiten (zie Tabel 29) en ten slotte de middelen voor internationale wetenschappelijke samenwerking. Het gericht onderzoek omvat de middelen voor FWO (strategisch basisonderzoek en klinisch wetenschappelijk onderzoek), de middelen voor VLAIO en het Fonds Innoveren en Ondernemen (zie programma EF, pagina 129), de subsidies aan de strategische onderzoekscentra imec, VITO, VIB, iMinds (tot voor de fusie met imec in 2016), Flanders Make, 50% van de middelen voor (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (FWO), subsidie aan bv. ITG en andere gelijkgestelde instellingen, de subsidies aan de wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s, het O&O-aandeel van de horizontale initiatieven in de verschillende beleidsdomeinen (zie Hoofdstuk 9, pagina 173), de subsidie aan de steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek (de algemene werking met ondersteuning van steunpunten uit EWI is gestopt vanaf 2016, steunpunten binnen beleidsdomeinen blijven tot het gericht onderzoek behoren) en ook allerhande uitgaven i.v.m. het globale wetenschaps-en innovatiebeleid. Belangrijk is op te merken dat het onderscheid tussen niet-gericht en het gericht onderzoek niet gelijk te stellen is aan het onderscheid tussen fundamenteel en toegepast onderzoek en evenmin met het onderscheid bottom up en top-down. Ook binnen het gericht onderzoek is er plaats voor kennisgrensverleggend fundamenteel onderzoek op initiatief van de vorser.

159


Figuur 50 en Figuur 51 tonen de evolutie van deze verhouding en de totale kredieten vanaf 1995. In 1995 was de verhouding niet-gericht/gericht 60/40, terwijl bij begrotingsopmaak 2019 deze verhouding gewijzigd is naar 42/58. Vanaf 2002 is het aandeel gericht onderzoek groter dan het aandeel niet-gericht en is sindsdien blijven stijgen tot 59% in 2010 door de extra middelen voor Vinnof, TINA-Fonds, Zaaikapitaalfonds Flanders’ Care en de eenmalige middelen vanuit FFEU, samen goed voor 160 miljoen euro. In 2015 en 2016 is de verhouding 50/50. In 2017 neemt het aandeel gericht onderzoek toe tot bijna 51% door eenmalige investeringen en door recurrentie investeringen in bijvoorbeeld de SOC’s. In 2018 en 2019 blijft het aandeel van het gericht onderzoek toenemen tot 58%. Dit is te wijten aan de recurrente opstappen uit 2017 en 2019 en aan de eenmalige investeringsenveloppes. In 2018 werd er bijna 70 miljoen bijkomend geïnvesteerd (uit de investeringsprovisie) in gericht onderzoek. Ook in 2019 gaat een groot deel van de investeringsprovisie en de recurrente opstap naar gericht onderzoek, bijvoorbeeld: 52 miljoen euro naar beleidsagenda Artificiële Intelligentie en Cybersecurity en 20 miljoen naar IOF. In 2020 neemt het aandeel van de middelen voor niet gericht onderzoek lichtjes toe. Het aandeel van het gericht onderzoek daalt, vooral in gevolge het in 2020 wegvallen van de eenmalige investering in het Flanders Future Tech Fund van 75 miljoen euro in 2019. Bij begrotingsopmaak 2021 neemt het aandeel van het niet-gericht onderzoek verder toe. Door de schommelende middelen in de begroting van het FWO (ingevolge meerjarige oproepen die in een bepaald jaar plaats vinden) en door eenmalige investeringen in FWO infrastructuur, nemen de middelen voor het niet-gericht onderzoek toe in 2021BO. De middelen voor het gericht onderzoek blijven in 2021BO constant. Hierdoor is het aandeel voor gericht en niet-gericht onderzoek bij begrotingsopmaak 2021 bijna gelijk.

160


Figuur 50 Evolutie aandeel gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2021i 65% 60,40% 58,89% 58,04%

60% 56,31%56,28%

55,73%

54,19%

55%

52,54% 52,16% 51,68%51,56% 51,60% 51,04% 50,86%

58,29%

56,60% 55,15%

54,99%

53,72%

52,87%

45%

48,96%

49,14% 45,81% 48,44% 43,69%43,72%

47,13% 46,28%

44,85%

45,01%

43,40% 41,96% 41,11%

40%

35%

50,71 %

50,24%50,33%

48,32%

47,84%

55,46%

50,97%

50% 48,40% 47,46% 44,27%

55,30%

54,91%

45,09%

49,29%

49,76% 49,67% 49,03% 44,70%

44,54%

41,71%

39,60%

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021i

% Niet-gericht onderzoek

% Gericht onderzoek


Figuur 51 Evolutie van de kredieten voor gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2020i (in miljoen euro) 1.200

1.137,64 1.030,471.013,75 985,32

1.000 901,85 767,56

800

720,79 712,50 634,71 623,29

600 506,85 459,45 400

200

315,61 325,42 294,48 289,51 304,24 282,48 268,63 253,17 251,96 240,51 228,67 216,53 191,02 141,97

399,66 375,64 386,11 388,33 393,31 352,95

542,75 421,63

511,73

486,72

506,78 503,23 515,07

679,73 556,28

657,41 586,09

652,30 630,21 646,13

813,95 827,55

814,35 783,34 701,91 692,80

728,89

440,94

0 1995

1996

1997

1998

1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021i

niet gericht onderzoek

gericht onderzoek


6. Het O&O budget: analyse volgens initiatiefnemer De voorgaande benaderingen om de O&O-overheidskredieten te categoriseren als gericht of niet-gericht onderzoek gaan voorbij aan bepaalde essentiële verschillen in de totstandkoming van het onderzoek dat gefinancierd wordt met deze middelen. Een alternatieve invalshoek is gericht op de initiatiefnemer en focust bovendien op onderzoek met een relevantie voor het industrieel weefsel in Vlaanderen. In deze benadering worden de middelen gecategoriseerd als volgt: -

middelen die ingezet worden op initiatief van kennisinstellingen – aanbod gedreven onderzoek (KI); middelen die ingezet worden op initiatief van (individuele) bedrijven – vraag gedreven onderzoek (B); middelen die gemengd ingezet worden, d.w.z. met zowel een vraag- als aanbod gedreven karakter – hybride kanalen (H).

Een aantal initiatieven worden buiten beschouwing gelaten en opgenomen in een vierde categorie, niet van toepassing. Het betreft onder andere het O&O-gedeelte van de middelen voor werkingsuitkeringen aan de universiteiten. Ook middelen voor diverse coördinatie-opdrachten (bv. werking VIN, Flanders DC, ondersteuning SERV, …) worden niet in rekening gebracht. Bovendien is de analyse beperkt tot bestedingen die een impact hebben op het industrieel weefsel. De middelen die ingezet worden op initiatief van kennisinstellingen in de Sociale en Humane Wetenschappen worden dus buiten beschouwing gelaten omdat deze industrieel minder directe impact hebben. Tabel 38 geeft een overzicht van de opdeling van de beschouwde overheidskredieten voor O&O in de vier verschillende categorieën. Tabel 39 Categorisatie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten naar initiatiefnemer*

Kennisinstellingen (KI) • • • • • •

71% FWO-middelen1 71% BOF-middelen2 50% FWO investeringen infrastructuur (voor 2016 Hercules) Toegepast biomedisch onderzoek NERF Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek

Hybride kanalen (H) • • • • • • • • • • • • •

1)

Initiatief Vlaamse Regering3 Innovatieve mediaprojecten Strategisch basisonderzoek Specialisatiebeurzen en Baekeland-programma Lichte structuren3 Landbouwonderzoek Tetra-fonds SOC’s3 Industrieel Onderzoeksfonds 50% FWO investeringen infrastructuur (voor 2016 Hercules) Vlaamse excellentiepolen Onderzoek staalindustrie EFRO - Hermes

Bedrijven (B) • • • • • •

•

Initiatief bedrijven en innovatieve samenwerkingsverbanden Deelnemingen in de spinoffs van de SOC’s en associaties Aandeel innovatie van Fonds Innoveren en Ondernemen Participaties O&O via PMV PMV – Vinnof Participaties in PMV – Zaaikapitaalfonds Vlaanderen Medisch Centrum Participaties in het kader van innovatie: PMV – TINAfonds

Niet van toepassing • • • • • • •

Vlaams Innovatie Netwerk Vlaamse deelname aan de Europese programma's Interfacediensten Stichting Innovatie & Arbeid Flanders DC FFEU O&O-aandeel van de middelen uit de categorieën 4, 5 en 6 in de verdeling in de zes grote categorieën (zie infra 7)

Opsplitsing van FWO-middelen naar wetenschapsgebieden: Domein Wetenschap & Technologie: 28%; Domein Medisch: 29%; Domein Biologisch: 14%

Deze percentages zijn gebaseerd op een bestedingsanalyse van de FWO-middelen voor de periode 2005-2011. De overige FWO-middelen (Cultuurwetenschappen, Gedrags- en maatschappijwetenschappen, Interdisciplinair) worden buiten beschouwing gelaten. Voor deze analyse wordt elk jaar hetzelfde percentage gehanteerd. In een meer diepgaande analyse kan dit zeker nog verder verfijnd worden. 2)

Voor de BOF-middelen wordt hetzelfde percentage gehanteerd als voor de FWO-middelen. Uit de recentste jaarverslagen van de verschillende universiteiten blijkt immers dat, voor zover beschikbaar, ongeveer 30% (over de Vlaamse universiteiten heen) wordt ingezet voor Sociale en Humane Wetenschappen, de overige middelen worden toegewezen aan Biomedisch, Wetenschap en Technologie. Voor deze analyse wordt, net zoals voor de FWO-middelen, elk jaar hetzelfde percentage gehanteerd.

3)

Om pragmatische redenen worden deze middelen als hybride gecategoriseerd. Voor een meer gedetailleerde analyse is een verdere uitsplitsing over de verschillende categorieën noodzakelijk.

163


Figuur 52 toont het aandeel van de verschillende initiatiefnemers bij begrotingsopmaak 2021. Figuur 52 Aandeel van de verschillende categorieën bij begrotingsopmaak 2021

24,97% 35,31% %KI %H %B

39,72%

De evolutie van 2004 tot 2021i van de verdeling volgens deze categorisatie wordt weergegeven in Tabel 39 en Figuur 53. In het verleden maakten de middelen voor de hybride kanalen duidelijk het grootste aandeel uit. De middelen op initiatief van kennisinstellingen en op initiatief van de bedrijven zijn echter sterk toegenomen. Figuur 54 toont een overzicht van het relatieve aandeel van de verschillende categorieën ten opzichte van het totale O&O-budget (zonder het budget dat als ‘niet van toepassing’ werd gecategoriseerd). Het aandeel in het totale O&O budget voor initiatieven van kennisinstellingen is toegenomen van 23% in 2004 tot 25% in 2021i. Het aandeel van de initiatieven door bedrijven is toegenomen, van 28% in 2004 naar 36% in 2021i. Het aandeel van initiatieven van hybride kanalen is afgenomen van 49% in 2004 naar 39% in 2021i.

164


Tabel 40 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) 2004

2005

KI

145,17

162,79

H

250,17

B

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

180,7

194,68

216,93

228,52

225,85

233,06

259,58

156,35

273,83

273,12

224,43

229,93

260,71

315,51

314,83

302,91

328,4

382,32

379,69

436,43

114,85

203,21

224,27

155,77

183,33

168,25

296,42

271,42

172,39

160,46

NVT

310,48

308,21

333,05

341,52

405,65

418,47

398,83

394,78

421,71

Totaal O&O

820,67

898,64

967,95

952,67

1 121,43

1 130,07

1 224,02

1 227,66

1 236,01

2020

354,11

377,59

340,23

394,93

384,87

474,68

352,83

361,94

431,71

498,93

568,86

504,88

533,92

180,89

162,93

174,30

249,67

253,13

249,35

334,21

335,73

382,63

506,52

509,54

504,36

538,68

538,45

738,44

634,06

654,72

1 243,50

1397,77

1 298,43

1 394,71

1 597,65

1 630,74

1 951,59

1858,01

1999,06

Figuur 53 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) 800 600

KI

400

H B

200

NVT

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Figuur 54 Evolutie van relatief aandeel van de verschillende categorieën ten opzichte van het totale O&O-budget 1500 1000 500 0

28% 49% 23%

28% 38% 34%

28%

2004

2005

2006

36% 35%

32% 43%

30%

32%

27%

44%

44%

37%

28% 39%

32% 47%

22% 55%

31%

35%

26%

24%

36%

33%

21%

23%

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

33%

31%

35% B 40%

47%

41%

23%

21%

27%

25%

2018

2019

2020

2021

41%

46%

21%

20%

24%

2015

2016

2017

45%

25%

31%

41%

49% 20%

40%

36%

H KI

2021i


7. Het wetenschaps- en innovatiebudget: analyse volgens zes grote indelingen Tabel 40 toont de verdeling van het totale budget van het HBPWIB over zes grote categorieën in de periode 1994-2021 Het is een opsplitsing naar de aard van het wetenschappelijk onderzoek (O&O) en van de andere wetenschappelijke activiteiten (O&V en W&T). We herhalen dat de werkingsuitkeringen van de hogescholen (825 miljoen euro) niet meegenomen worden in deze analyse omwille van de historische tijdsreeks.

166

Werking universiteit en gelijkgestelde instellingen

Onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven

Wet. instellingen, dep. Diensten en VOI's

Horizontale initiatieven – beleidsondersteunend onderzoek

1994

73,89

547,84

141,34

19,25

27,09

11,14

820,55

1995

78,55

544,77

132,55

19,22

25,42

7,35

807,86

1996

94,99

551,37

158,49

40,18

28,33

17,92

891,29

1997

112,18

547,65

191,19

39,89

29,85

22,10

942,86

1998

125,26

553,16

220,05

40,38

41,70

32,70

1 013,26

1999

139,94

584,86

235,24

45,81

39,34

61,80

1 106,98

2000

156,42

600,46

231,69

54,37

43,77

40,35

1 127,06

2001

164,28

612,78

243,41

52,92

68,87

23,42

1 165,67

2002

172,70

641,86

311,01

48,98

67,34

26,91

1 268,80

2003

177,77

664,78

347,89

71,80

50,50

22,47

1 335,20

2004

200,24

676,16

396,66

65,30

31,20

23,31

1 392,87

2005

213,09

694,73

453,76

69,03

33,86

24,37

1 488,83

2006

234,78

718,49

487,20

72,74

36,43

26,33

1 575,97

2007

253,34

716,17

450,31

74,49

37,07

29,98

1 561,36

2008

280,52

770,61

572,56

86,49

41,77

30,04

1 781,99

2009

296,84

778,97

555,44

80,18

34,21

31,28

1 776,93

2010

293,03

780,15

654,70

79,99

32,53

29,76

1 870,17

2011

301,67

795,87

637,38

82,02

32,35

31,38

1 880,66

2012

333,96

827,67

595,11

96,85

35,63

36,62

1 925,84

2013

347,01

852,79

580,62

96,32

31,25

36,07

1 944,05

2014

349,01

1 006,97

651,24

106,76

50,65

34,43

2 199,06

2015

343,90

1 108,44

561,76

111,61

28,73

30,54

2 184,97

2016

421,17

1 057,85

599,79

103,20

31,38

22,44

2 235,82

2017

466,43

1 139,27

701,40

115,18

30,84

24,32

2 477,43

2018

411,94

1 136,08

801,17

122,25

39,26

23,70

2 534,40

2019

496,31

1 210,63

974,58

164,62

46,08

39,82

2 932,05

2020

491,40

1249,60

894,92

120,91

75,36

33,09

2865,28

2021i

614,08

1261,47

936,68

121,59

50,07

32,65

3016,54

Globaal wetenschapsbeleid

Jaar

Niet-gericht onderzoek

Tabel 41 Verdeling van het totale budget van het HBPWIB (miljoen euro)

Totaal WIB


Figuur 55 toont op basis van de initiële kredieten 2021 de verdeling van het ganse overheidsbudget voor het wetenschaps-en innovatiebeleid (HBPWIB) over de zes categorieën. De middelen voor de werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen vormen het grootste aandeel, in 2021i goed voor 41,8% van het totale wetenschaps- en innovatiebudget. Dit aandeel is afgenomen ten opzichte van de definitieve begroting 2020 (44,1%). Ook het aandeel van het niet-gericht onderzoek via FWO, BOF en 50% van de middelen voor FWO investeringen (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur is bij begrotingsopmaak 2021 toegenomen t.o.v. het aandeel in 2020 (definitieve kredieten): 20,4% in 2021i vs. 16,5% in 2020. De middelen voor het “industrieel onderzoek” vormen het tweede grootste aandeel. In 2021i vormen de middelen voor “industrieel onderzoek” een aandeel van 31,1% van het totale wetenschaps- en innovatiebudget. Dit is een lichte daling ten opzichte van 2020 BA (31,3%). Hieronder worden de zes grote indelingen van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid 2021 meer in detail besproken. Figuur 55 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) 2021i 4,03% 1,66%

1,08% niet gericht onderzoek 20,36%

31,05%

41,82%

werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen onderzoek ten behoeve van het bedrijfsleven wetenschappelijke instellingen, departementale diensen en VOI's horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek globaal wetenschapsbeleid

7.1. Niet-gericht onderzoek Tabel 41 somt de middelen op voor het niet-gericht, grensverleggend onderzoek die verdeeld worden via FWO en BOF. Tabel 42 Niet-gericht onderzoek via FWO, BOF en Hercules (50%) (miljoen euro) 2021i FWO

391,38

FWO fundamenteel onderzoek

356,03

FWO investeringen (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (50%)

15,39

FWO werking

15,69

Open Science: FOSB

4,27

BOF

222,24

Basissubsidie

193,29

Methusalem-programma Tenure Trackstelsel TOTAAL

19,24 9,71 614,08

167


Het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en het Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) zijn de twee financieringskanalen voor het niet-gericht kennisverruimend onderzoek aan de Vlaamse universiteiten: terwijl FWO de budgetten toekent op basis van wetenschappelijke interuniversitaire competitie, gebeurt dit bij BOF op basis van een intra-universitaire competitie. FWO is het financieringskanaal voor het stimuleren en ondersteunen van het grensverleggend fundamenteel wetenschappelijk onderzoek op initiatief van de onderzoeker (bottom-up) in alle wetenschapsgebieden aan de Vlaamse universiteiten. De BOF-middelen worden tussen de universiteiten verdeeld op basis van een verdeelsleutel waarin onder meer prestatiegerichte parameters zijn opgenomen: de BOF-sleutel. FWO en BOF werken complementair en versterken elkaar. De FWO investeringen voor (middel)zware en bijzondere onderzoeksinfrastructuur (ex Hercules-middelen), worden voor 50% bij het niet-gericht onderzoek gerekend, terwijl de andere helft bij het gericht industrieel onderzoek ondergebracht wordt.

7.2. Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen Van het totaal aan kredieten voor wetenschaps- en innovatiebeleid nemen de toelagen voor de universiteiten een belangrijk deel voor hun rekening (Tabel 42). De initiële kredieten in 2021 bedragen 978,81 miljoen euro. Van dit bedrag is bij conventie 75% of 734 miljoen euro bestemd voor onderwijs en vorming (O&V) en 245 miljoen euro of 25% voor onderzoek en ontwikkeling (O&O).

Figuur 56 Evolutie van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten (miljoen euro) van 1993 tot 2021i 1200 1000 800

700,74

717,59

2012

2013

978,81

682,46 2011

2021

661,04 2010

962,19

659,04 2009

932,66

647,92 2008

2019

614,28 2007

2020

596,80 2006

887,50

583,08

870,37

566,79 2004

2005

2017

553,83 2003

2018

539,53 2002

891,78

512,27 2001

833,63

500,98 2000

2016

489,01 1999

2015

479,02

449,78 1996

464,64

434,77 1995

1997

418,67

1998

401,47

1994

200

1993

400

820,61

600

168

2014

0


Tabel 43 Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen (miljoen euro) 2021i

Universiteiten (1)

1229,92

Werkingsuitkeringen Universiteiten

978,81 KU Leuven - KUB

360,05

UGent

302,25

UAntwerpen

144,89

VUB

109,05

UHasselt

62,58

Andere toelagen aan de universiteiten

251,11

Toelagen studentenvoorzieningen voor het hoger onderwijs

55,48

Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen universitair onderwijs

33,64

Investeringen hoger onderwijs

33,16

Bijdrage wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen universiteiten

31,78

Aanvullende werkingsmiddelen hoger onderwijs in Brussel

8,93

Kapitaaloverdrachten voor onroerende investeringen ITG

0,71

Toelage associaties

0,57

Subsidies in het kader van de versterking van de onderzoeksbetrokkenheid van de academische opleidingen aan de hogescholen Overige gelijkgestelde instellingen (2)

86,84

Subsidie verleend aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde 'Prins Leopold" in Antwerpen Werkingsmiddelen Vlaamse autonome hogere zeevaartschool

11,18

31,54

5,24

Subsidies voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek door de instellingen van post-initieel onderwijs en hogere instituten van schone kunsten (ITG)

3,99

Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten bate van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en Beheer (IOB) Subsdie aan de Vrije Universiteit Brussel ten behoeve van het Instituut voor Europese Studiën (IES) Subsidie aan de Vlerick Leuven Gent Management School

2,29 2,05

Subsidie aan de Antwerp Management School

1,00

Subsidie aan de evangelische theologische faculteit en de faculteit protestantse godsgeleerdheid Alamire Foundation

0,92

Vlerick

0,74

Orpheus

0,54

AMS

0,37

Investeringsmiddelen en eigenaarsonderhoud hogere zeevaartschool Subsidie aan de Universiteit Antwerpen ten behoeve van het Instituut voor Joodse Studies (IJS) TOTAAL (1) + (2)

0,29 0,18

1,93

0,82

1 261,47

169


7.3. Financiering van onderzoek en ontwikkeling technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven

van

nieuwe

Tabel 43 geeft een overzicht van de kredieten voor het gericht industrieel onderzoek. Op basis van de initiële kredieten in 2021 is er 913,34 miljoen euro beschikbaar. Het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO beheert het grootste budget: 46%. Daarnaast is een groot aandeel van deze middelen bestemd voor onderzoek uitgevoerd door de strategische onderzoekscentra (SOC’s) imec (inclusief iMinds), VITO, VIB (inclusief NERF) en Flanders Make, samen goed voor ruim 29%.

Figuur 57 Verdeling van de middelen voor wetenschap en innnovatie van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 2021, initieel

28,60%

11,67% 5,60%

3,24%

14,67%

2,60% 1,48% 1,02% 0,48% 0,12% 0,12%

45,06%

170

Hermesfonds

SOC's

FWO

IOF

PWO

provisie O&O

Artificiële Intelligentie

Cybersecurity

interface

regeneratieve geneeskunde

Flanders Future Tech Fund


Tabel 44 Kredieten voor wetenschap en innovatie (hoofdzakelijk O&O) van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven (miljoen euro), 2021i FWO (1)

109,10

FWO Strategisch Basisonderzoek

76,18

FWO Klinisch Wetenschappelijk Onderzoek

17,23

(50%) FWO investeringen (middel)zware Herculesstichting) Fonds Innoveren Ondernemen (2)

en

bijzondere

onderzoeksinfrastructuur

(voormalige

15,69 421,26 128,55

Bedrijfssteun onderzoeksprojecten Bedrijfsteun Clusters (75) en Moonshot Klimaat (20)

95,00

Bedrijfsteun Ontwikkelingsprojecten

89,21

Toekennen van specialistatiebeurzen en doctoraats-beurzen in het kader van het Baekeland-programma

16,80 10,71

Provisie voor investeringen in O&O en het bedrijfsleven

10,30

Wetenschappelijk en technologisch onderzoek met landbouwkundig doel Bedrijfsteun COOCK (Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding)

9,60

Bevordering van technologietransfer en onderzoek door instellingen van hoger onderwijs (TETRA)

9,59

Beleidsagende Cybersecurity - implementatieluik

8,40

Beleidsagenda Artificiële intelligentie - implementatieluik

7,50

Kennisdiffusie hogescholen

7,50

Bedrijfsteun Innovatiemandaten

5,60 5,21

VZW Team bedrijfstrajecten

5,04

20% ecologiesteun als O&O

3,78

Progamma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO)

3,60

Proeftuinen City of Things en Industrie 4.0 Artificiële intelligentie/Cybersecurity Vastleggingsmachtiging voor projecten samenwerkingsverbanden

2,85 op

initiatief

van

de

bedrijven

en

innovatie

1,60 0,43

Werking Stategische Onderzoekscentra (SOC) (3)

267,39

Subsidie aan imec

110,69

NERF – imec Toelage aan VIB

0,87 60,59

NERF – VIB

0,87

Toelage aan VITO

44,91

Toelage aan VITO voor de financiering van de referentietaken – vanuit departement EWI

8,16

Toelage aan VITO voor de financiering van de referentietaken – vanuit departement Omgeving

2,75

Toelage aan Flanders Make Overige (4)

38,55 138,93

IOF - Industrieel Onderzoeksfonds Vlaanderen

52,39

Projectmatig Wetenschappelijk Onderzoek (PWO)

30,32

Provisie O&O

24,31

Artificiële Intelligentie – onderzoeksluik & outreach

13,84

Cybersecurity – ondezoeksluik & outreach

9,50

Toelage aan de universitaire interfacediensten

4,49

Regeneratieve Geneeskunde RegMed Xb

2,94

Flanders Future Tech Fund Totaal (1)+(2)+(3)+(4)

1,14 936,68

171


7.4. Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s De vierde categorie bevat de kredieten verdeeld over de Vlaamse wetenschappelijke instellingen, bepaalde departementale diensten of Vlaamse Openbare Instellingen (VOI’s) die ook onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening in hun opdracht voeren. In 2021 staan hier initiële kredieten vermeld voor een totaal bedrag van 121,6 miljoen euro. Tabel 44 geeft een opsomming van deze wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en VOI’s en het overeenkomstige budget. Tabel 45 Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en Vlaamse Openbare Instellingen (miljoen euro), 2021i Vlaamse Wetenschappelijke Instellingen (1)

64,68

Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO)

25,31

Agentschap Onroerend Erfgoed

17,36

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)

15,51

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA)

6,51

Departementale diensten en VOI’s (2)

56,91

Agentschap Plantentuin Meise

17,62

VRT

13,52

Vlaamse Milieumaatschappij (VMM)

8,94

Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ)

7,11

OVAM

6,00

Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde (KMDA)

1,16

Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid

0,97

Vlaamse Landmaatschappij (VLM)

0,62

Xperta

0,58

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH)

0,30

Kind & Gezin TOTAAL (1) + (2)

0,09 121,59

Voor de vier Vlaamse wetenschappelijke instellingen ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek), INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek), het agentschap Onroerend Erfgoed, en KMSKA (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen) zijn er in 2021 voor een totaal van 65 miljoen euro aan middelen voor wetenschaps- en innovatiebeleid voorzien. De financiering gebeurt vanuit de betrokken beleidsdomeinen: ILVO vanuit LV, INBO vanuit Omgeving, Onroerend Erfgoed vanuit Omgeving en KMSKA vanuit CJSM. Voor VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee) is er in 2021 een totaal budget van 7,11 miljoen euro voorzien. Dit is zowel voor de werking als voor de investeringsuitgaven. Voor andere instellingen zoals Kind & Gezin, VRT of VAPH is er slechts een beperkt gedeelte van de globale dotatie voor de financiering van wetenschaps-en innovatiebeleid voorzien. Voor de Plantentuin Meise is er bij begrotingsopmaak 2021 een toelage van 17,62 miljoen euro voorzien.

172


7.5. Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies In 2021 is er bij begrotingsopmaak voor de horizontale initiatieven en voor het beleidsondersteunend onderzoek 50 miljoen euro voorzien (zie Tabel 45). De initiatieven staan ingedeeld volgens de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. Voor EWI werd hier de kredietlijn “onderzoeken ter ondersteuning van het beleid inzake toegang tot financiering en/of ondernemerschapsbevordering”. Tabel 46 Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies (miljoen euro), 2021i

Beleidsdomein

Wetenschaps- en innovatiebeleid

Onderwijs en Vorming

11,70

Mobiliteit en Openbare Werken

11,45

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

10,34

Omgeving

5,40

Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie

3,96

Landbouw en Visserij

2,63

Cultuur, Jeugd, Sport en Media

2,12

Werk en Sociale Economie

1,51

EWI

0,50

Financiën en Begroting

0,46

TOTAAL

50,07

173


7.6. Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid In de zesde categorie kaderen de initiatieven ter ondersteuning van het wetenschapsbeleid. Bij begrotingsopmaak 2021 is een bedrag van 58 miljoen euro vastgelegd. Tabel 47 Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid (miljoen euro), 2021i

Omschrijving Bevordering van de Vlaamse informatiemaatschappij in het kader van de Lissabon-strategie

Budget 1,44

FRIS onderzoeksruimte

1,50

Actieplan "Menselijk kapitaal voor Wetenschap, Technologie en Innovatie"

5,00

Subsidie aan de stichting Flanders Technology International (FTI)

4,24

Subsidie aan het Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring (ECOOM)

3,35

Subsidies allerhande met betrekking tot de bekendmaking van het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek aan structurele partners STEM

3,12

Subsidies voor de expertisecellen voor de popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie in de schoot van de associaties Subsidie aan UNESCO voor de ondersteuning van het Vlaams UNESCO-Trustfonds wetenschappen Subsidie aan de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten

2,50 2,03 1,30 1,17

Subsidie aan de Europacollege voor United Nations University (UNU) in het kader van het programma Regionale Integratiestudies Uitgaven m.b.t. de conceptie, voorbereiding en uitvoering van acties met betrekking tot wetenschap en innovatie Subsidie aan Society Roger Van Overstraete

1,00 0,80

Kenniscentrum Data & Maatschappij

0,75

Subsidies in het kader van internationale wetenschappelijke en innovatiesamenwerking

0,54

VARIO - werking en toelagen

0,31

Cofinanciering Steunpunt Duurzaam Materialenbeheer

0,19

Communicatie beleid

0,12

Uitgaven in het kader van internationale wetenschappelijke samenwerking

0,06

0,78

VLIR

0,05

CJSM: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde - Gent

0,02

Popularisering van wetenschap, techniek en technologische innovatie

0,01

Flanders DC

2,39

Subsidies ten behoeve van de academische prijzen van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde Totaal

0,01

174

32,65


Deel 3 O&O-overheidsuitgaven van Vlaanderen in nationale en internationale context


Inleiding Waar in Deel 2 het volledige Vlaams wetenschaps- en innovatiebeleid werd geanalyseerd met haar drie componenten: 1. 2. 3.

Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) Onderwijs en Vorming (O&V) Wetenschappelijke en Technologische dienstverlening (W&T)

focussen we hier in Deel 3 enkel op het O&O-luik. De reden is dat voor de O&O-bestedingen zowel regionaal, nationaal als Europees streefcijfers zijn bepaald en internationale vergelijkingen worden gemaakt. Op de Europese Top in Barcelona (maart 2002) werd het streefdoel gesteld om tegen 2010 de O&O-uitgaven (GERD) in de EU te verhogen tot 3% van het BBP (bruto binnenlands product), waarbij een derde van de O&O-bestedingen gefinancierd moest worden door de overheid en de andere twee derden door de industrie. Vlaanderen sloot in 2003 het Innovatiepact af waarin alle betrokken actoren in het Vlaamse innovatielandschap het engagement aangingen om door gezamenlijke en complementaire inspanningen deze 3%-norm in Vlaanderen te realiseren. In 2009 namen de Vlaamse Regering en de Vlaamse sociale partners het initiatief om in het kader van ‘Vlaanderen in Actie’ een nieuw toekomstpact voor Vlaanderen af te sluiten met doelstellingen en acties: het Pact 2020. Dit pact weerspiegelde de gezamenlijke langetermijnvisie, -strategie en -acties van de Vlaamse Regering en de sociale partners. Voornoemde 3%-doelstelling werd hierin opnieuw hernomen. De deadline werd nu op 2020 gelegd, conform de EU 2020-strategie, de nieuwe langetermijnstrategie van de Europese Unie en de opvolger van de Lissabonstrategie. Vooraleer hier dieper op in te gaan is het belangrijk enkele internationale definities te duiden.

1.

Wat wordt precies verstaan onder O&O?

Voor het meten van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten (O&O; in het Engels R&D) bestaan internationale richtlijnen in OESO-kader vastgelegd in de zgn. Frascati Manual 54. De basisdefinitie luidt als volgt: ‘Onderzoek en experimentele ontwikkeling (O&O) omvat het creatieve werk dat op systematische wijze ondernomen wordt met als doel de beschikbare kennis uit te breiden (inbegrepen ook de kennis van mens, cultuur en maatschappij) en het gebruik van deze beschikbare kennis om nieuwe toepassingen te ontwerpen’. Onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten hebben dus altijd als doel tot nieuwe bevindingen te komen en wetenschappelijke of technische onzekerheden weg te werken.

OECD (2015) Frascati Manual 2015: guidelines for collecting and reporting data on research and experimental development. The measurement of Scientific, Technological and Innovation Activities, p. 44. 54

176


Om van een O&O-activiteit te kunnen spreken, moet aan vijf criteria voldaan zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

nieuw: in vergelijking met de bestaande kennis binnen de sector; creatief: geen routinematig karakter; onzeker: O&O begint wanneer de oplossing van een probleem niet evident is en de uitkomst onzeker; gepland: er wordt tijd, budget en personeel aan besteed; overdraagbaar en/of reproduceerbaar.

Drie types activiteiten worden met deze definitie gevat: -

-

fundamentele onderzoeksactiviteiten (‘basic research’): gericht op het bekomen van nieuwe kennis, zonder al nieuwe mogelijkheden tot toepassing in gedachten te hebben; toegepaste onderzoeksactiviteiten (‘applied research’): gericht op het bekomen van nieuwe kennis, waarbij men wel al nieuwe toepassingsmogelijkheden in gedachten heeft. Er wordt dus rekening gehouden met bestaande kennis met als doel welbepaalde problemen op te lossen. Toegepast onderzoek resulteert in een proefmodel van een product, het proces of de werkwijze. Men kan de kennis of de informatie die uit het toegepast onderzoek komt, in het algemeen patenteren of beschermen door geheimhouding; experimentele ontwikkeling (‘experimental development’): dit is de testfase van de ontwikkeling en heeft als doel op een systematische manier te komen tot nieuwe of verbeterde goederen, diensten of processen.

De bovenvermelde O&O-activiteiten kunnen: -

uitgevoerd worden door verschillende actoren in het O&O-landschap -> men spreekt van een analyse per uitvoeringssector van O&O; gefinancierd worden door verschillende actoren in he O&O-landschap -> men spreekt van een analyse per financierder van O&O.

177


2. De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O: analyse volgens uitvoeringssector De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O of GERD (‘Gross Expenditures on Research and Development’) worden geanalyseerd per uitvoeringssector, waarbij de uitgaven geïdentificeerd worden volgens locatie van activiteit, met name door:

•

bedrijven: BERD of Business Expenditures on R&D: de bedrijvencomponent en de Collectieve Onderzoekscentra (COC; voorbeeld Sirris, SIM, WTCB, Centexbel,…)

•

overheden: GOVERD of Government Expenditures on R&D (publieke onderzoekscentra zoals ILVO, imec, VIB, Flanders Make, VITO,…)

•

hoger Onderwijs: HERD of Higher Education Expenditures on R&D (zowel universiteiten, als onderzoeksinstellingen verbonden aan universiteiten, als hogescholen)

•

instellingen zonder winstoogmerk: PNP of Private Not for Profit

Organisations Expenditures on R&D (zowel semi-publieke als private organisaties en internationale organisaties; bv. Von Karman Institute, KMDA,…) Of dus GERD = BERD + GOVERD + HERD + PNP. In het jargon spreekt men hier over de vier Frascati sectoren. De GERD kan men berekenen voor om het even welke territoriale omschrijving en relateren aan het bruto binnenlands product van de territoriale omschrijving. Dan bekomt men de ‘O&O-intensiteit’ van de territoriale omschrijving. De meest gangbare territoriale omschrijvingen zijn uiteraard Vlaanderen, België en Europa. Men heeft het dan over de ‘O&O-intensiteit’ van respectievelijk het Vlaams Gewest, België en EU-28. Deze cijfers worden gegeven in hoofdstuk 10. Daarnaast worden in analyses de totale O&O-uitgaven (GERD) ook vaak opgesplitst volgens private versus publieke uitvoeringssector (zie eveneens hoofdstuk 10): -

ratio BERD/BBPR = bijdrage van de private sector als uitvoeringssector van de O&O-uitgaven in % van het BBPR

-

ratio non-BERD/BBPR = bijdrage van de publieke sector (GOVERD + HERD + PNP) als uitvoeringssector van de O&O-uitgaven in % BBPR.

3. De bruto binnenlandse uitgaven voor O&O: analyse per financieringssector Tenslotte worden ook analyses gemaakt die focussen op de financier van de O&O-uitgaven: private versus publieke financiering van de O&O activiteiten. Men kijkt hier dus naar de oorsprong van de middelen, los van de sector (overheid, bedrijven, …) waar het onderzoek wordt uitgevoerd. In het kader van de 3%-norm wordt algemeen aangenomen dat de private sector ernaar streeft om 2% bbp van de O&O-uitgaven te financieren en de overheden 1% bbp. Het officiële aandeel private versus publieke financiering van de O&O-uitgaven wordt in Vlaanderen bepaald via de O&O-enquêtes, afgenomen onder verantwoordelijkheid van het Expertisecentrum voor O&O Monitoring (ECOOM).

178


Om steeds zo recent mogelijke en internationaal vergelijkbare gegevens te hebben, worden door ECOOM bij de bedrijven de O&O-gegevens op twee manieren verzameld. Voor de andere uitvoeringssectoren (overheden, hoger onderwijs en instellingen zonder winstoogmerk) levert het Departement EWI de cijfers. Voor de uitvoeringssector “bedrijven” wordt er door ECOOM:

4.

-

tweejaarlijks (in de even jaren) een “O&O-enquête” georganiseerd die specifiek peilt naar de O&Ouitgaven; de resultaten daarvan verschijnen in de ‘3%-nota’ van ECOOM;

-

tweejaarlijks (in de oneven jaren) ook de ‘Community Innovation Survey’ (CIS-bevraging) gehouden, uitgevoerd in opdracht van Eurostat, die naast een brede bevraging naar de innovatie-inspanningen van de bedrijven ook peilt naar de O&O-uitgaven. De resultaten daarvan verschijnen in de ‘3% nota light’ van ECOOM: ‘light’ genoemd omdat op basis van de CIS-bevraging geen opsplitsing kan gemaakt worden tussen de publieke en private financiering van de O&O-uitgaven van de bedrijven.

O&O-overheidsbudgetten

uitgedrukt

in

(Government Budget Appropriations or outlays on R&D’)

%

van

het

BBPR:

GBARD

Er bestaat ook nog een andere berekeningswijze om de publieke financiering van O&O te achterhalen: aan de hand van de ‘budgettaire overheidskredieten O&O. In het jargon spreekt men van ‘GBARD’ of ‘Government Budget Appropriations or outlays on R&D’. Hier kijkt men naar de geplande (dus niet noodzakelijk gerealiseerde) budgetten voor O&O voorzien door een overheid. De Vlaamse begrotingsbudgetten worden opgevolgd door het Departement EWI. Op basis van deze O&Ooverheidskredieten wordt door het Departement jaarlijks een schatting gemaakt van de publieke O&Ointensiteit. Tot zover de definities. Het vervolg van dit deel van de Speurgids is als volgt gestructureerd. In hoofdstuk 10 worden de totale O&O-uitgaven (GERD) in Vlaanderen vergeleken met andere landen binnen en buiten Europa. In hoofdstuk 11 wordt een blik geworpen op de directe en indirecte overheidssteun voor O&O in België. In hoofdstuk 12 vergelijken we de O&O-overheidskredieten (GBARD) in Vlaanderen en België internationaal. In hoofdstuk 13 tenslotte, analyseren we het groeipad naar de zgn. ‘1%-bbp norm’ inzake overheidskredieten in Vlaanderen.

179


Hoofdstuk 11 Internationale vergelijking van de O&Ouitgaven (GERD) 1.

De O&O-intensiteit in het Vlaams Gewest (3%-norm)

Een van de meest gebruikte indicatoren om de O&O-activiteit van een regio weer te geven, is de O&Ointensiteit: het percentage van het BBPR (bruto binnenlands product van een regio) dat besteed wordt aan O&O. Voor het BBPR is ondertussen het nieuwe ESR2010 rekeningenstelsel in gebruik. Dit vormt een update van het ESR1995 rekeningenstelsel, waarop de vorige BBPR waren gebaseerd. Over het algemeen werden de grondslagen en algemene principes van het ESR1995 overgenomen in het ESR2010 rekeningenstelsel. De doorgevoerde wijzigingen hebben als doel de huidige economische omgeving nog nauwgezetter in te schatten. Deze verandering brengt met zich mee dat het BBPR voor het Vlaams Gewest relatief stijgt ten opzichte van de ESR1995-berekening. De O&O-intensiteit, het percentage van het bruto binnenlands product (BBP) dat besteed wordt aan O&O door alle onderzoeksactoren samen, wordt voor 2017 berekend op basis van de resultaten van de O&O-enquête 2018 (zie hiervoor ook de “3% nota”, ECOOM, juni 2019). Tabel 47 laat de evolutie zien van: -

de globale Vlaamse O&O-intensiteit (GERD) in het Vlaams Gewest de opsplitsing van GERD in private en publieke financiering (de 2%- en de 1%-norm) de opsplitsing van GERD in BERD (O&O-uitgaven in de private sector) en non-BERD (O&O-uitgaven in de publieke sector).

We herinneren er aan dat de opsplitsing van de O&O-intensiteit volgens financieringssector (gefinancierd door de private of publiek sector) niet te verwarren is met die volgens uitvoeringssector (besteed binnen de private of publieke sector). De eerste heeft betrekking op de oorsprong van de middelen (privaat of publiek), los van de sector waar het onderzoek wordt uitgevoerd. De laatste heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, los van de oorsprong van de middelen, zijnde de bedrijven (BERD), het hoger onderwijs (HERD), de publieke onderzoekscentra (GOVERD) of de non-profit organisaties (PNP). De laatste drie worden samen ook de non-BERD (publieke sector) genoemd. Tabel 46 toont de evolutie na retroactieve herberekening op basis van de meest recente BBPR-cijfers (NBB, 2018).

180


Tabel 48 Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (juni 2021) 2009 2010 2011 GERD/BBPR 2,08 2,21 2,35 GERD opgesplitst volgens financieringssector Private financiering / 1,54 n.b. 1,77 BBPR Publieke financiering / 0,54 n.b. 0,58 BBPR GERD opgesplitst volgens uitvoeringssector BERD / BBPR 1,35 1,48 1,59 Non-BERD/BBPR 0,71 0,73 0,74

2012

Bron: 3% nota, ECOOM, juni 2021

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2,53

2,56

2,59

2,67

2,76

2,88

2,92

3,35

n.b.

1,95

n.b.

1,99

n.b.

2,15

n.b.

2,55

n.b.

0,61

n.b.

0,68

n.b.

0,72

n.b.

080

1,76 0,77

1,76 0,79

1,81 0,78

1,87 0,80

1,87 0,87

2,01 0,87

2,04 0,89

2,40 0,95

2. Nationale en internationale vergelijking: Vlaanderen tweede hoogste O&O-intensiteit binnen EU-27 Tabel 48 toont de evolutie van de O&O intensiteit van Vlaanderen en België in een internationale context. Hieruit blijkt dat Vlaanderen en België in 2019 hoger scoren dan het EU-gemiddelde, respectievelijk 3,35% en 2,89% in vergelijking met 2,1%. In 2019 komt Vlaanderen aldus op de tweede positie binnen Europa wat betreft O&O-intensiteit. Tabel 49 Evolutie van de GERD van 2007 tot 2019 (% van bbp) jaar

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

..

2,71

..

..

..

3,19

..

..

3,37

..

3,18

..

..

Zweden

3,26

3,49

3,41

3,17

3,19

3,24

3,27

3,11

3,23

3,25

3,36

3,32

3,4

Vlaanderen

1,92

2,01

2,08

2,23

2,35

2,54

2,56

2,60

2,67

2,75

2,88

2,93

3,35

Oostenrijk

2,42

2,57

2,6

2,73

2,67

2,91

2,95

3,08

3,05

3,12

3,06

3,14

3,19

Duitsland

2,46

2,62

2,74

2,73

2,81

2,88

2,84

2,88

2,93

2,94

3,05

3,12

3,18

Denemarken

2,52

2,77

3,06

2,92

2,94

2,98

2,97

2,91

3,05

3,09

3,03

3,02

2,96

België

1,85

1,94

2

2,06

2,17

2,28

2,33

2,37

2,43

2,52

2,67

2,67

2,89

Finland

3,34

3,54

3,73

3,71

3,62

3,4

3,27

3,15

2,87

2,72

2,73

2,75

2,79

Frankrijk

2,02

2,06

2,21

2,18

2,19

2,23

2,24

2,28

2,27

2,22

2,2

2,2

2,19

Nederland

1,67

1,62

1,67

1,7

1,88

1,92

1,93

1,98

1,98

2

2,18

2,14

2,16

Noorwegen

1,56

1,55

1,72

1,65

1,63

1,62

1,65

1,72

1,94

2,04

EU (27 landen, vanaf 01/02/2020)

1,69

1,76

1,83

1,83

1,87

1,91

1,92

1,94

1,95

1,94

2,1 2,03

2,05 2,07

2,15 2,1

Slovenië

1,43

1,63

1,81

2,05

2,41

2,56

2,56

2,37

2,2

2,01

1,87

1,95

2,04

Verenigd Koninkrijk

1,61

1,61

1,67

1,65

1,65

1,58

1,62

1,64

1,65

1,66

1,68

1,73

1,76

Estland

1,06

1,25

1,39

1,57

2,28

2,11

1,71

1,42

1,46

1,25

1,28

1,41

1,61

Hongarije

0,96

0,98

1,13

1,14

1,19

1,26

1,39

1,35

1,35

1,19

1,32

1,51

1,48

Italië

1,13

1,16

1,22

1,22

1,2

1,26

1,3

1,34

1,34

1,37

1,37

1,42

1,45

Portugal

1,12

1,44

1,58

1,54

1,46

1,38

1,32

1,29

1,24

1,28

1,32

1,35

1,4

Polen

0,56

0,6

0,66

0,72

0,75

0,88

0,87

0,94

1

0,96

1,03

1,21

1,32

Griekenland

0,58

0,66

0,63

0,6

0,67

0,7

0,81

0,83

0,96

0,99

1,15

1,21

1,27

Spanje

1,24

1,32

1,36

1,36

1,33

1,3

1,28

1,24

1,22

1,19

1,21

1,24

1,25

Ierland

1,23

1,39

1,61

1,59

1,56

1,56

1,57

1,52

1,18

1,17

1,22

1,17

1,23

Luxemburg

1,59

1,62

1,68

1,5

1,46

1,27

1,3

1,26

1,27

1,26

1,27

1,17

1,19

Zwitserland

181


jaar

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Litouwen

0,8

0,79

0,83

0,79

0,91

0,9

0,95

1,03

1,04

0,84

0,9

0,94

0,99

Slovakije

0,45

0,46

0,47

0,61

0,66

0,8

0,82

0,88

1,16

0,79

0,89

0,84

0,83

Letland

0,55

0,58

0,45

0,61

0,7

0,66

0,61

0,69

0,62

0,44

0,51

0,64

0,64

Bron: ‘3% nota’ Ecoom, juni 2021, en OECD, Main Science and Technology Indicators. Data gedownload mei 2021

Tabel 49 toont de privaat gefinancierde O&O intensiteit 2017. In 2017 scoren Vlaanderen en België beiden 0,72% van het bbp. Tabel 50 Privaat en publiek gefinancierde GERD van 2017 (% van BBP)

Regio Noorwegen Zweden Denemarken Finland Oostenrijk Duitsland Frankrijk Nederland België Vlaanderen Estland Portugal Verenigd Koninkrijk Griekenland Luxemburg Spanje Slovenië Litouwen Italië Hongarije Polen Slovakije Letland Ierland

Privaat totale % Private Financiering % publieke financiering totaal GERD GERD GERD 49 2,1 1,03 1,07 69 3,36 2,32 1,04 66 3,03 2,00 1,03 65 2,73 1,77 0,96 69 3,06 2,11 0,95 70 3,05 2,14 0,92 60 2,2 1,32 0,88 64 2,18 1,40 0,78 73 2,67 1,95 0,72 75 2,88 2,16 0,72 46 1,28 0,59 0,69 48 1,32 0,63 0,69 63 1,68 1,06 0,62 48 1,15 0,55 0,60 53 1,27 0,67 0,60 51 1,21 0,62 0,59 70 1,87 1,31 0,56 39 0,9 0,35 0,55 60 1,37 0,82 0,55 64 1,32 0,84 0,48 55 1,03 0,57 0,46 55 0,89 0,49 0,40 30 0,51 0,15 0,36 72 1,22 0,88 0,34

Bron: ‘3% nota’ Ecoom, juni 2021, en OECD, Main Science and Technology Indicators. Data gedownload mei 2021

182


Hoofdstuk 12 Directe en indirecte O&Ooverheidssteun in België België streeft naar de Europese 3%-norm voor uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling en concreet naar de subdoelstellingen dat 2% gerealiseerd wordt door de private sector en 1% door de publieke sector. De bevoegdheden voor O&O en innovatie zijn in België over verschillende beleidsniveaus verdeeld. Vereenvoudigd gezegd zijn de gewesten bevoegd voor de directe O&O-steun en de federale overheid voor de indirecte O&O-steun. De gewesten kennen heel wat directe steun toe in de vorm van steun en subsidies voor onderzoek, technologische ontwikkeling en bevordering van innovatie. De gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor het onderwijs en kennen directe steun toe in de vorm van financiering van het hoger onderwijs. Omwille van beschikbaarheid van gegevens slaan de cijfers op het jaar 2019. In 2019i is Vlaanderen verantwoordelijk voor bijna 60% van de directe O&O-steun. De federale overheid van haar kant stimuleert de investeringen van ondernemingen in onderzoek en ontwikkeling vooral door fiscale en parafiscale maatregelen. Dit noemt men indirecte O&O-steun. Het gaat om: vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op het loon van bepaalde doelgroepen (bv. onderzoekers), belastingaftrek voor investeringen in O&O, belastingkrediet voor O&O, en belastingaftrek van inkomsten uit octrooien. In 2017 hebben de fiscale- en parafiscale steunmaatregelen een budgettaire impact van bijna 1,7 miljard euro. Inzake directe steun kan de federale overheid alleen steun (subsidies) toekennen voor hoofdzakelijk kernenergie, ruimtevaart en wetenschappelijk onderzoek nodig voor de eigen bevoegdheden. Hieronder worden zowel de directe als de indirecte O&O-steun in meer detail besproken.

A. Directe O&O steun in België: GBARD Tabel 50 geeft een overzicht van de budgettaire overheidskredieten O&O van de verschillende overheden in België (GBARD). Deze budgetten zijn gebaseerd op de begrotingsgegevens en volgen de Frascati definities. Er wordt gebruik gemaakt van conventies en sleutels voor het bepalen van het O&O-deel van de kredieten. De budgetten voor O&V en W&T worden niet opgenomen in onderstaande tabel omwille van de focus op O&O. De Vlaamse cijfers vermeld in deze tabel wijken lichtjes af van de budgetten vermeld in Deel 2. In de Speurgids cijfers werden namelijk nog correcties uitgevoerd die hier nog niet doorgevoerd werden. Figuur 58 geeft een overzicht van het procentuele aandeel van de verschillende overheden bij begrotingsopmaak 2019. De Vlaamse overheid is verantwoordelijk voor ruim de helft van de Belgische overheidskredieten (56%) en de federale overheid is goed voor een vijfde (21%). De overige Belgische O&O-overheidskredieten zijn afkomstig van de Franse gemeenschap (12%), van de Waalse gemeenschap (9%) en van het Brussels Hoofdstedelijk gewest (2%).

183


Figuur 58 Evolutie van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 1989 tot 2020i (in miljoen euro) 2.000,000 1.800,000 1.600,000 1.400,000 1.200,000 1.000,000 800,000 600,000 400,000 200,000 0,000 2005

2006

2007

2008

Federale overheid

2009

2010

Vlaamse overheid

2011

2012

2013

2014

Franse Gemeenschap

2015

2016

Waals Gewest

2017

2018

2019

2020i

Brussels Hoofdstedelijk gewest

Tabel 51 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 2005 tot 2020i (in miljoen euro) Overheid

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Federale overheid Vlaamse overheid Franse Gemeenschap Waals Gewest

462,507

511,042

537,636

593,173

515,269

563,458

569,171

591,368

601,232

601,447

560,635

573,726

678,355

589,863

583,297

675,219

898,638

967,954

952,670

1 121,429

1 130,072

1 224,024

1 227,577

1 236,008

1 243,501

1 397,775

1 298,426

1 394,711

1 597,687

1 630,744

1.951,589

1.847,397

234,718

245,796

255,832

272,768

288,057

290,091

305,202

313,010

309,345

314,843

319,489

333,874

344,537

378,156

394,386

403,607

169,709

200,019

257,162

332,113

326,748

263,577

262,197

312,220

338,569

379,636

324,536

340,355

265,309

254,471

331,407

298,238

Brussels Hoofdstedelijk gewest Totaal

22,095

20,855

21,554

24,988

29,225

33,896

31,404

36,947

29,812

34,441

34,248

43,713

45,051

52,975

52,182

54,903

1 787,667

1 945,666

2 024,853

2 344,471

2 289,370

2 375,046

2 395,551

2 489,552

2 522.459

2 728,142

2 537,333

2 686,378

2 930,939

2 906,208

3.312,861

Bron: Budgettaire kredieten voor O&O van de overheden in België in de periode 2005-2020;; https://www.belspo.be/belspo/stat/b32_nl.stm Voor 2020 worden hier de initiële budgetten vermeld, in de rest van de Speurgids worden telkens de 2020BA budgetten gemeld, dit verklaart het verschi l.

184

2020i

3.279,364


Figuur 59 Procentueel aandeel van de verschillende overheden bij begrotingsopmaak 2020i

Waals Gewest; 298,238; 9,09%

Brussels Hoofdstedelijk Federale gewest; 54,903; overheid; 1,67% 675,219; 20,59%

Franse Gemeenschap; 403,607; 12,31%

Vlaamse overheid; 1.847,397; 56,33%

B. Indirecte O&O-steun in België: fiscale en parafiscale maatregelen t.b.v. 2,3 miljard euro De federale overheid stimuleert de investeringen van ondernemingen in onderzoek en ontwikkeling door het toekennen van verschillende belastingvoordelen. Deze indirecte O&O-steun is een belangrijk hulpmiddel in het streven naar de 3%-norm, maar mag volgens internationale afspraken evenwel niet zomaar opgeteld worden bij de directe O&O-steun (voor meer informatie: zie Frascati Manual 2015, p. 131, en p. 343) om de O&O intensiteit (% O&O-uitgaven als % van het bbp) van ons land te bepalen. Ze dragen dus niet bij tot het verhogen van de publieke financiering van de O&O-uitgaven als % van het bbp. Die houden slechts rekening met de ‘echte’ overheidsuitgaven voor O&O en niet met de minderontvangsten die de overheid ondergaat als gevolg van de fiscale en parafiscale voordelen. Nochtans is de omvang van deze indirecte steun de afgelopen jaren enorm gestegen. De fiscale en parafiscale steun voor aanslagjaar 2018 voor heel België liep op tot 2,340 miljard euro 55. In volgorde van budgettaire omvang voor aanslagjaar 2018 bestaan de federale belastingvoordelen uit: ‒ ‒ ‒ ‒

gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op het loon van bepaalde onderzoekers: 1,123 miljard euro belastingaftrek voor inkomsten uit octrooien: 0,782 miljard euro belastingkrediet voor O&O: 0,268 miljard euro belastingaftrek voor innovatie-inkomsten: 0,167 miljard euro

De octrooi-aftrek werd recent opgeheven en vervangen door de innovatie-aftrek, vanaf 1 juli 2016. De innovatie-aftrek is niet enkel geldig voor inkomsten uit een octrooi, maar ook voor inkomsten uit auteursrechtelijk beschermende software, kwekersrecht, weesgeneesmiddelen en data- en marktexclusiviteit.

Zie inventaris van de federale fiscale uitgaven op de website van de FOD financieën. Laatste versie december 2020 slaat op de fiscale uitgaven 2018, dus aanslagsjaar 2018 voor de vennootschapsbelasting en jaar 2018 voor de bedrijfsvoorheffing. (https://financien.belgium.be/nl/Statistieken_en_analysen/cijfers/inventaris_van_de_federale_fiscale_uitgaven)

55

185


Onderstaande figuren geven de enorme stijging van de fiscale O&O-uitgaven in de laatste tien jaar. Figuur 60 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de bedrijfsvoorheffing (in miljoen euro) 1.200,00 1.000,00 800,00 600,00 400,00 200,00 0,00 Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar 2005 2006 2007 2008 2009 2010

Jaar 2011

Jaar 2012

Jaar 2013

Jaar 2014

Jaar 2015

Jaar 2016

Jaar 2017

Jaar 2018

Jaar 2019

Onderzoekers tewerkgesteld bij privé-ondernemingen met bachelordiploma Onderzoekers tewerkgesteld bij privé-ondernemingen met een master of een gelijkwaardig diploma (lijst 2) Onderzoekers tewerkgesteld bij privé-ondernemingen met een diploma van doctor in de toegepaste wetenschappen, exacte wetenschappen, enz. (lijst 1) Onderzoekers tewerkgesteld bij Young Innovative Companies Samenwerkingsovereenkomsten met universiteiten, hogescholen, erkende wetenschappelijke instellingen Onderzoekers tewerkgesteld bij erkende wetenschappelijke instellingen Onderzoekers tewerkgesteld bij universiteiten, hogescholen, het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek NFWO en het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen

Figuur 61 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de vennootschapsbelasting (in miljoen euro) 1400 1200 1000 800 600 400 200 0

Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten Inkomsten 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

Aftrek voor innovatie-inkomsten - vanaf 01.07.2016 Aftrek voor octrooi-inkomsten - overgangsregeling tot 30.06.2021 Belastingkrediet onderzoek en ontwikkeling

186


Hoofdstuk 13 Internationale vergelijking van de O&Ooverheidskredieten (GBARD) Het overheidsbudget voor onderzoek en ontwikkeling wordt internationaal GBARD (Government Budget Appropriations for R&D) genoemd. Deze indicator, gehanteerd door OESO en EUROSTAT, geeft een idee van de input die de overheid geeft voor O&O. Tabel 51 toont een internationale vergelijking van de GBARD als % BBP(R). De berekeningswijze van het Vlaamse cijfer wordt in hoofdstuk 13 toegelicht. Een internationale vergelijking (voor Vlaanderen en alle vergeleken landen: 2019) toont dat Vlaanderen op het vlak van O&O-overheidskredieten hoger dan gemiddeld scoort. In 2019 ligt het Vlaamse cijfer (0,80%) boven het EU28-cijfer (0,63%). Korea en Noorwegen zijn wereldwijd koploper, gevolgd door Zwitserland, Duitsland, Denemarken en Finland. Tabel 52 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD), uitgedrukt in % BBP(R) land

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Korea

1,14%

1,14%

1,14%

1,10%

1,06%

1,04%

1,09%

Noorwegen

0,81%

1,00%

1,03%

0,98%

1,02%

1,08%

Zwitserland

0,86%

0,93%

0,85%

0,87%

2020

0,94%

Duitsland

0,90%

0,87%

0,88%

0,90%

0,93%

0,95%

0,98%

1,10%

Denemarken

1,02%

1,00%

1,00%

0,91%

0,89%

0,89%

0,88%

0,95%

Finland

0,99%

0,97%

0,95%

0,84%

0,83%

0,83%

0,84%

Vlaanderen

0,68%

0,73%

0,65%

0,67%

0,74%

0,71%

0,80%

Zweden

0,82%

0,82%

0,78%

0,78%

0,79%

0,78%

0,74%

Oostenrijk

0,80%

0,79%

0,80%

0,80%

0,78%

0,76%

0,76%

0,88%

Nederland

0,73%

0,73%

0,71%

0,70%

0,67%

0,71%

0,70%

0,74%

België

0,64%

0,68%

0,61%

0,62%

0,66%

0,63%

0,70%

Japan

0,72%

0,71%

0,65%

0,67%

0,66%

0,70%

0,77%

0,83%

US

0,65%

0,64%

0,63%

0,67%

0,65%

0,70%

0,70%

0,79%

EU gemiddelde – 27 landen (from 01/02/2020) Luxemburg

0,67%

0,65%

0,64%

0,63%

0,63%

0,63%

0,63%

0,64%

0,64%

0,64%

0,61%

0,61%

0,59%

0,64%

Israël

0,61%

0,62%

0,62%

0,62%

0,61%

0,62%

0,62%

Estonia

0,81%

0,70%

0,68%

0,66%

0,60%

0,70%

0,62%

Czech Republic

0,64%

0,63%

0,60%

0,58%

0,60%

0,62%

0,62%

IJsland

1,01%

0,52%

0,53%

0,55%

0,60%

Frankrijk

0,71%

0,69%

0,64%

0,63%

0,59%

0,59%

0,55%

UK

0,56%

0,55%

0,53%

0,51%

0,52%

0,55%

0,56%

Nieuw-Zeeland

0,47%

0,52%

0,51%

0,50%

0,52%

Spanje

0,56%

0,56%

0,56%

0,54%

0,52%

0,52%

0,52%

Canada

0,53%

0,49%

0,50%

0,50%

0,52%

Italië

0,52%

0,52%

0,51%

0,52%

0,51%

0,51%

0,55%

Griekenland

0,48%

0,44%

0,52%

0,54%

0,50%

0,62%

0,70%

Australië

0,44%

0,43%

0,41%

0,39%

0,42%

0,39%

0,38%

Slovenië

0,48%

0,43%

0,41%

0,40%

0,40%

0,42%

0,45%

Portugal

0,40%

0,36%

0,38%

0,38%

0,37%

0,36%

0,35%

0,87%

0,64%

0,49%

187


land

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Slovak Republic

0,39%

0,38%

0,41%

0,37%

0,36%

0,37%

0,38%

0,40%

Polen

0,37%

0,43%

0,41%

0,33%

0,36%

0,29%

Hongarije

0,65%

0,28%

0,28%

0,39%

0,35%

0,30%

0,27%

Turkije

0,38%

0,33%

0,34%

0,35%

0,34%

0,35%

0,35%

Lithuania

0,36%

0,34%

0,33%

0,31%

0,31%

0,29%

0,31%

Ierland

0,40%

0,37%

0,28%

0,27%

0,25%

0,23%

0,23%

Mexico

0,31%

0,33%

0,32%

0,28%

0,23%

0,22%

0,20%

Latvia

0,14%

0,16%

0,19%

0,21%

0,22%

0,22%

0,23%

Chili

0,20%

0,21%

0,20%

0,22%

0,22%

Colombia

0,09%

0,09%

0,10%

0,08%

0,08%

0,08%

0,08%

0,28%

0,23%

Bron: idem Figuur 61

Sommige landen voorzien een substantieel deel van hun O&O-uitgaven voor defensie. Op dat vlak is de VS de absolute koploper, met een O&O budget meer dan de helft voorzien voor defensieonderzoek. De Vlaamse overheid financiert helemaal geen onderzoek in de sector defensie. Figuur 62 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD) 2019, uitgedrukt in % BBP(R)

Colombië

Ierland

Mexico

Hongarije

Australië

Lithuania

Slovenia

Slovak Republic

Spanje

Italië

Frankrijk

VK

Czech Republic

Estonië

EU-27

Luxemburg

België

Nederland

VS

Zweden

Griekenland

Oostenrijk

Japan

Finland

Vlaanderen

Denemarken

Duitsland

Korea

1,20% 1,00% 0,80% 0,60% 0,40% 0,20% 0,00%

Bron: Main Science and Technology Indicators, OESO, maart 2021 Vlaanderen: Vlaamse overheidskredieten + Vlaams aandeel van de federale kredieten (35,5% ESA en de rest aan 56%) BBPR: Bruto Binnenlands Product Vlaanderen – Hermreg– Studiedienst van de Vlaamse Regering – juli 2020

Volgens de sociaaleconomische doelstellingen kunnen we de civiele O&O-kredieten (dit is de GBARD zonder defensie-O&O) indelen in volgende geaggregeerde NABS-klassen: -

-

“economische ontwikkeling” gezondheid en omgeving - de term ‘omgeving’ dient ruim geïnterpreteerd te worden: bescherming van het milieu, exploratie en exploitatie van het aardse milieu, zowel als maatschappelijke en sociale structuren onderwijs en maatschappij ruimtevaartprogramma’s niet-georiënteerd onderzoek, zonder algemene universiteitsfondsen algemene universiteitsfondsen (GUF).

Wat in deel 2 als ‘niet-gericht onderzoek’ werd beschouwd, is de som van de twee voormelde categorieën ‘niet-georiënteerd onderzoek’ en ‘algemene universiteitsfondsen’. Figuur 62 vergelijkt Vlaanderen internationaal, met per land de verhoudingen van voormelde indelingen ten opzichte van de totale civiele GBARD. De landen staan gerangschikt volgens afnemend aandeel in de rubriek

188


“economische ontwikkeling”. Opmerkelijk is dat de Vlaamse overheid, vergeleken met de vermelde andere landen relatief het grootste deel van de onderzoeksfinanciering richt op economische ontwikkeling: bijna de helft. De Vlaamse overheid financiert geen onderzoek dat rechtstreeks gerelateerd is aan ruimtevaartprogramma’s. Figuur 63 Internationale vergelijking van de civiele GBARD (excl. defensieonderzoek): verhoudingen economische ontwikkeling, gezondheid en omgeving, onderwijs en maatschappij, ruimtevaartprogramma’s, niet-georiënteerd onderzoek en algemene universiteiten, voor het jaar 2019 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

economische ontwikkeling

gezondheid en omgeving

onderwijs en maatschappij

ruimte

niet-geörienteerd onderzoek

GUF

Bron: Main Science and Technology Indicators, OESO, maart 2021 Vlaanderen: enkel Vlaamse overheidskredieten, Jaar: 2019

189


Hoofdstuk 14 Groeipad naar de 1% norm voor overheidskredieten 1. Benaderende berekeningswijze voor publiek-gefinancierde O&Ointensiteit (“1%-norm”) op basis van GBARD Zoals toegelicht in de inleiding van Deel 3 wordt in het kader van de ‘3%-norm’ algemeen aangenomen dat de private sector ernaar streeft om 2% bbp van de O&O-uitgaven te financieren en de overheden 1% bbp. Om deze inspanningen te meten worden officiële O&O-enquêtes georganiseerd, in Vlaanderen onder verantwoordelijkheid van ECOOM, het (interuniversitair) Expertisecentrum O&O Monitoring. Doch deze enquêtes kijken noodgedwongen naar het verleden en zijn met enige vertraging beschikbaar. Zo zijn voor de jaren na 2017 nog geen enquêtegegevens volgens financieringssector beschikbaar. Daarom wordt ook gewerkt met een alternatieve methode: er wordt een voorlopige raming gemaakt van de resultaten van de publiek gefinancierde O&O-inspanningen in Vlaanderen op basis van de O&Ooverheidskredieten. Deze methode wordt ook internationaal gebruikt: GBARD (Government Budget Appropriations or outlays on R&D’). Hierbij wordt benadrukt dat het om een ruwe benaderingsmethode gaat, waarbij men zich baseert op een aantal veronderstellingen. De benadering gebeurt volgens drie varianten, van eng naar ruimer:

1. De budgettaire inspanningen van de Vlaamse overheid alléén Dit is de Vlaamse GBARD in strikte zin, uitsluitend gefinancierd door de Vlaamse overheid.

2. De inspanningen van de Vlaamse overheid + het Vlaamse aandeel in de federale overheidskredieten In Vlaanderen worden ook O&O-activiteiten gefinancierd met federale O&O-overheidskredieten. Wanneer dit aandeel van de federale overheid bij de Vlaamse GBARD in strikte zin (variant 1) wordt geteld, bekomt men een GBARD voor Vlaanderen die wellicht dichter bij de realiteit ligt. Deze variant is bijgevolg het meest geschikt voor internationale vergelijking. Bij de berekening van het aandeel van Vlaanderen in de federale overheidskredieten wordt volgende verdeelsleutel gehanteerd: 35,5% Vlaams ESA (Bron: VRWI) en 56% Vlaams voor de rest van de federale O&O-overheidskredieten.

3. De inspanningen van de Vlaamse overheid + het Vlaamse aandeel in de federale overheidskredieten + het Vlaamse aandeel in de kredieten van de EU- onderzoeksprogramma's (Kaderprogramma's) Bij deze derde variant rekent men bijkomend de Vlaamse return van de EU-onderzoeksprogramma’s, aangezien het hier ook gaat om O&O-activiteiten uitgevoerd in Vlaanderen en gefinancierd met overheidskredieten. Dit resultaat kan, conform de internationale afspraken, niet als GBARD worden beschouwd, maar is wel geschikt voor de benaderende berekening van het publiek gefinancierde gedeelte van de O&O-intensiteit (de 1%-norm).

190


De resultaten van deze oefening staan in Tabel 52. Op basis van de initiële begrotingscijfers van 2021 en ramingen voor wat betreft de federale en Europese bijdragen, worden de publieke inspanningen voor O&O in Vlaanderen (variant 3) geraamd op 0,88% van het BBPR. Dit betekent dat het geraamde percentage afneemt ten opzichte van 2020. Echter wanneer we de relance middelen die verwacht worden vanuit het Veerkracht plan voor O&O mee opnemen in deze schatting, worden de publieke inspanningen voor O&O in Vlaanderen (variant 3) geraamd op 1,02% van het BBPR. In het laatste onderdeel van Tabel 52 wordt de gemeten publiek gefinancierde O&O-intensiteit (onderdeel van de O&O-intensiteit, uit Tabel 47) van voorbije jaren opgenomen ter vergelijking. Tot 2017 zijn er metingen beschikbaar uit de O&O-enquête. Voor de raming van de meest recente jaren wordt het cijfer gebruikt uit scenario 3. In het verleden was er een systematische afwijking tussen de gemeten en de geraamde 1%-norm. Vanaf 2010 zien we dat die afwijking geleidelijk vermindert; voor 2013 zijn de gemeten en geraamde waarden zelfs zo goed als identiek. Dit heeft mogelijk te maken met de grote inspanningen die worden geleverd om betere en meer volledige resultaten te bekomen uit de O&O-enquête, wat tot een meer volledige rapportering van de O&O-uitgaven leidt.

191


O&O-kredieten als % BBPR (1%norm)

O&O-kredieten in miljoen euro

Tabel 53 Evolutie O&O-inspanningen en O&O-inspanningen als % BBP-Vlaanderen O&O gefinancierd door EWI (1) O&O gefinancierd door OV (2) O&O gefinancierd door andere beleidsdomeinen (3) Vlaamse overheid (1) (1)+(2)+(3) Vlaams aandeel in federale kredieten (4) Vlaams + Vlaams aandeel in federale kredieten (2) Vlaams aandeel in EUKaderprogramma (5) Vlaams + federaal + EU-KP (3) (1)+(2)+(3)+(4)+(5) Vlaams + federaal + EU-KP + relance budget (4) bbp(R) (miljoen euro) (5) O&O gefinancierd door EWI (1) O&O gefinancierd door OV (2) O&O gefinancierd door andere beleidsdomeinen (3) Vlaamse overheid (1) (1)+(2)+(3) Vlaams + Vlaams aandeel in federale kredieten (2) Vlaams + federaal + EU-KP (3) (1)+(2)+(3)+(4)+(5) Vlaams + federaal + EU-KP + relance budget O&O-uitgaven als % BBPR (1%-norm) - Publieke financiering (gerapporteerde uitgaven aan ECOOM)

(1) (2)

(3)

(4) (5)

2008 758,54 303,74

2009 721,47 311,27

2010 712,84 311,79

2011 744,29 317,48

2012 921,37 234,04

2013 890,92 259,36

2014 957,11 306,09

2015 899,96 338,74

2016 974,782 327,640 92,289

2017 1 183,145 356,137 58,405

59,15

97,34

199,39

165,80

80,60

93,22

134,57

59,73

1 121,43

1 130,07

1 224,02

1 227,58

1 236,01

1 243,50

1 397,77

281,85

260,27

282,81

283,96

297,78

301,06

1 403,28

1 390,34

1 506,83

1 511,54

1 533,79

160,00

160,00

160,00

160,00

1 563,28

1 550,34

1 666,83

1 671,54

2020 1.358,584 413,783 85,646

2021i 1519,425 418,040 61,596

1 298,43

1 394,711

1 597,687 1 625,732

1.951,589

1.858,013

1.999,062

295,30

297,19

276,326

286,946

326,972

333,512

1 544,56

1 693,07

1 595,62

1 671,037

1 932,232 1 924,222 2.238,535

2.184,985

2.332,573

160,00

160,00

190,00

190,00

190,000

190,000

190,000

190,000

1 693,79

1 704,56

1 883,072

1 766,345

1 867,077 2 120,498 2 114,222 2.428,535

2.374,985

2.522,573

332,811

190,000

2018 2019 1 198,517 1.420,723 373,738 394,225 53,477 136,641

298,490

190,000

2.849,573 204.548,3 0,37% 0,15%

201.219,1 0,36% 0,15%

210.003,7 0,34% 0,15%

218.478,8 0,34% 0,15%

224.665,0 0,41% 0,10%

228.326,9 0,39% 0,11%

233.234,7 0,41% 0,13%

242.129,3 0,37% 0,14%

251.412,6 0,39% 0,13%

261.263,4 269.886,2 279.227,3 0,45% 0,44% 0,51% 0,14% 0,14% 0,14%

0,03%

0,05%

0,09%

0,08%

0,04%

0,04%

0,06%

0,02%

0,04%

0,02%

0,02%

0,05%

0,55%

0,56%

0,58%

0,56%

0,55%

0,55%

0,60%

0,54%

0,55%

0,61%

0,60%

0,70%

0,69%

0,69%

0,72%

0,69%

0,68%

0,68%

0,72%

0,65%

0,67%

0,74%

0,71%

0,80%

0,76%

0,77%

0,79%

0,77%

0,75%

0,75%

0,80%

0,73%

0,74%

0,81%

0,78%

0,87%

264.986,2 0,51% 0,16% 0,03%

285.679,5 0,53% 0,15% 0,02%

0,70% 0,82%

0,70% 0,82%

0,90%

0,88% 1,02%

0,56%

0,61%

0,69%

0,70%

0,78% (ESR1995) 0,75% (ESR2010)

0,79% (ESR2010)

0,72% (ESR2010)

0,80%

O&O-kredieten Vlaamse overheid stricto sensu: samengesteld uit het eigenlijk wetenschaps-en innovatiebeleid vanuit EWI en OV en uit het niet-eigenlijk wetenschapsbeleid vanuit de andere beleidsdomeinen Vlaamse overheid zoals vastgelegd in het HBPWIB; definitieve kredieten 2008-2020; 2021: initiële kredieten • Vlaams aandeel in de federale O&O-kredieten: verdeelsleutel ESA aan 35,5% Vlaams (Bron: VRWI) en rest federale kredieten aan 56% Vlaams. • Bron federale O&O-kredieten: Overleggroep CFS/STAT, bewerkingen Federaal Wetenschapsbeleid. Voor 2014 en 2019: initiële kredieten 2020 2008- 2013 volgens berekende return voor het Zevende Kaderprogramma (status eind 2014). Bronnen: Vlaanderen in het Europese Zesde Kaderprogramma voor Onderzoek, De Vlaamse deelname aan de Europese programma’s voor Onderzoek en Innovatie (2007-2013), Vanaf 2014: berekening op basis van de tussentijdse analyse H2020 maart 2018 waaruit blijkt dat gemiddeld jaarlijks 190 miljoen euro naar Vlaanderen vloeit, dit is een herberekening ten opzicht van de voorgaande Speurgidsen waar het bedrag van 160 miljoen euro werd opgenomen. In het relanceplan is een budget voorzien van 545 miljoen euro tot 2024, er wordt geschat dat er in 2021 327 miljoen geïnvesteerd zal worden in O&O. Bij hypothese werden de relancemiddelen verdeeld als volgt: 60% in 2021, 30% in 2022 en 10% in 2024 BBPR: Bruto Binnenlands Product Vlaanderen; Bron 2005-2020: NBB – mei 2021; Bron 2020-2021: HERMREG-FPB, BISA, IWEPS, VSA (2021). HERMREG - Regionale economische vooruitzichten 2021-2026, Federaal Planbureau, Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse, Institut wallon de l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique, Vlaamse Statistische Autoriteit, juli 2021.


2. Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm In het VRWI advies 153 (februari 2011) en 194 (december 2013) werden verschillende hypothetische scenario’s uitgewerkt om de O&O overheidskredieten te laten groeien naar de 1%-norm. Analoog wordt hier het groeipad van de O&O-overheidskredieten besproken. 56 Onder punt 1 wordt het groeipad voor O&O overheidskredieten naar de 1% norm besproken zonder rekening te houden met de verwachte investeringen vanuit het relance beleid voor O&O. Dit is vergelijkbaar met de groeiscenario’s besproken in vorige edities van de Speurgids. In punt 2 wordt het groeipad voor O&Ooverheidskredieten naar de 1%-norm besproken inclusief de relance middelen en verwachte opstappen.

1.

Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm exclusief de verwachte opstappen uit het regeerakkoord en de Vlaamse relance middelen

In Figuur 64 wordt eerst de evolutie getoond van de geraamde O&O-intensiteit (O&O-overheidskredieten + Vlaamse aandeel federale middelen + Vlaams aandeel EU middelen). Dit is dus de geraamde O&O-intensiteit zonder rekening te houden met de bijkomende relance middelen. De geraamde O&O-intensiteit schommelt de laatste jaren. In 2014 namen de O&O-overheidskredieten sterk toe, door eenmalige investeringen en het competitiviteitspact. In 2015 namen de O&O-overheidskredieten weer sterk af door het wegvallen van de eenmalige investeringen en een gedeelte van het competitiviteitspact. In 2016 nemen de O&Ooverheidskredieten toe dankzij éénmalige investeringen (provisie investeringen Fonds Innoveren en Ondernemen en investeringen in imec Xpand). In 2017 blijven de inspanningen voor O&O toenemen. Er was een sterke toename dankzij de grote recurrente opstap voor economie en innovatie (185,5 gelabeld als O&O) en de eenmalige investeringen in O&O (de eenmalige investering van 100 miljoen euro waarvan 39,160 miljoen euro gelabeld als O&O). In 2018 was er een lichte terugval in de geraamde O&O-intensiteit door de beperkte bijkomende opstappen ten opzichte van 2017, maar in 2019 was er opnieuw een sterke toename door de grote recurrente opstap (280 miljoen euro) en eenmalige investeringsenveloppe (120 miljoen euro). In 2020 blijft de geschatte O&O-intensiteit verder toenemen, dankzij de beperkte besparingen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling en de sterke terugval van het BBP (door de coronacrisis). In 2021 daalt het geschatte O&O-intensiteit lichtjes desondanks de investeringen in onderzoek. Dit is vooral het gevolg van het verwachte herstel van de economie. In het Hermregmodel van juli 2021 wordt verwacht dat het bbp van Vlaanderen sterker stijgt dan de middelen voor O&O. Figuur 64 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% 1,20% 1,00% 0,80%

0,76% 0,77% 0,79% 0,77% 0,75% 0,75% 0,81% 0,73% 0,74% 0,81% 0,78%

0,87% 0,90% 0,88%

0,60% 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 werkelijke groei

lineaire groei tot 1%

1% norm

De lichtblauwe lijn toont hoe de geraamde O&O-intensiteit dient te evolueren om de 1%-norm te behalen tegen het einde van deze legislatuur, namelijk het jaar 2024. Om de 1% norm te halen is evenwel een opstap van 653 miljoen euro nodig tegen 2024 t.o.v. begrotingsopmaak 2021 (variant 3, inclusief federale en Europese middelen). Indien we ervan uitgaan dat de Europese middelen constant blijven en de federale middelen

56 Hypothese voor deze raming: Vlaams aandeel van de federale middelen groeit jaarlijks met 2% - het Vlaams aandeel van de middelen voor EU-onderzoeksprogramma’s werd constant gehouden op 190 miljoen euro (zoals berekend op basis van de tussentijdse analyse van H2020 maart 2018). De BBP projectie is gesteund op de Regionale Economische Vooruitzichten, juli 2020.

193


toenemen met 2% betekent dit dat de Vlaamse middelen voor O&O moeten toenemen met 633 miljoen euro de komende 3 jaar, of een jaarlijkse opstap van 211 miljoen euro. Figuur 65 toont hoe het groeipad evolueert, indien er niets extra geïnvesteerd wordt, indien alleen geïndexeerd wordt en indien het Vlaamse O&O krediet het BBP(R) volgt. Deze drie scenario’s zorgen voor een evolutie tot respectievelijk 0,73%, 0,84% en 0,87% van de verhouding O&O kredieten t.o.v. BBP(R). Het BBP(R) neemt sneller toe dan het O&O krediet indien het Vlaamse krediet het BBP(R) volgt (terwijl het federale aandeel slechts toeneemt met 2% en Europese middelen constant blijven). Figuur 65 Groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBP(R) volgens verschillende scenario’s 0,90% 0,85% 0,80% 0,75% 0,70% 0,65% 0,60%

2021

2022

2023

2024

niets extra

0,88%

0,78%

0,76%

0,73%

enkel indexatie

0,88%

0,86%

0,85%

0,84%

O&O inspanningen volgen BBP

0,88%

0,88%

0,87%

0,87%

Om de grootteorde van de nodige opstappen meer direct duidelijk te maken, werden in Figuur 66 verschillende mogelijke groeipaden uitgetekend, waarbij het effect van jaarlijkse opstappen van de O&O overheidskredieten varieert van 50 tot 300 miljoen euro met tussenstappen van 50 miljoen euro. Wat opvalt in deze figuur is dat een jaarlijkse opstap van 50 miljoen euro zorgt voor een afname van de geraamde O&O intensiteit. Het toont duidelijk dat naarmate het bbp sterker toeneemt grotere inspanningen nodig zijn om de 1% norm te bereiken. Met jaarlijkse opstappen van 100, 150, of zelfs 200 miljoen euro zal de 1% norm nog niet behaald worden binnen de drie jaar. Met jaarlijkse opstappen van 250 miljoen euro is dit mogelijk tegen 2024 en met jaarlijkse opstappen van 300 miljoen euro komt de 1% norm binnen handbereik vanaf 2023. Figuur 66 Het effect van jaarlijkse opstappen van 50, 100, 150, 200, 250 en 300 miljoen euro op de O&Ooverheidskredieten t.o.v. het BBP(R) 1,10% 1,05% 1,00% 0,95% 0,90% 0,85% 0,80%

194

2021

2022

2023

2024

jaarlijkse opstap 50 miljoen

0,88%

0,87%

0,86%

0,85%

jaarlijkse opstap 100 miljoen

0,88%

0,88%

0,89%

0,90%

jaarlijkse opstap 150 miljoen

0,88%

0,90%

0,92%

0,94%

jaarlijkse opstap 200 miljoen

0,88%

0,92%

0,95%

0,99%

jaarlijkse opstap 250 miljoen

0,88%

0,93%

0,99%

1,04%

jaarlijkse opstap 300 miljoen

0,88%

0,95%

1,02%

1,08%


2. Groeipad voor O&O-overheidskredieten naar 1%-norm inclusief de verwachte opstappen uit het regeerakkoord en de Vlaamse relance middelen Tabel 53 en Figuur 67 tonen de verwachte evolutie van de O&O-kredieten en geschatte O&O-intensiteit ten opzichte van het bbp op basis van de verwachte opstappen uit het regeerakkoord en de verwachte bijkomende middelen voor O&O uit het plan voor de Vlaamse Veerkracht (relance middelen). Tabel 54 Verwachte evolutie van de O&O-kredieten op basis van de aangekondigde opstappen/investeringen

O&O-kredieten (miljoen euro) O&O overheidsbudget (1) Verwachte opstappen in gevolge Regeerakkoord (2)

2021 2022 2023 2024 1.999,062 2.060,542 2.125,542 1.999,062

O&O infrastructuur (cumulatief 195 miljoen euro) Opstap groeipad O&O (cumulatief 250 miljoen euro) mildere groeipaden universiteiten: kliks O&O overheidsbudget + Verwachte opstappen in gevolge Regeerakkoord (1)+ (2)

Eenmalige Relance Middelen beleidsdomein EWI; 631 miljoen euro waarvan 60% in 2021, 30% in 2022 en 10% in 2023 (3) (1)+(2)+(3) (1)+(2)+(3) + Vlaams aandeel O&O federale overheid (1)+(2)+(3) + federale overheid + EU-Horizon Europe Vlaams bbp (1)+ (2) + (3) (1)+(2)+(3) + Vlaams aandeel O&O federale overheid (1)+(2)+(3) + federale overheid + EU-Horizon Europe

15 40 6,48

5 60 0

30 100 6,48

1.999,062

2.060,542

2.125,542

2.262,022

378,600

189,300

63,100

2.377,662 2.711,173 2.901,173

2.249,842 2.339,243 2.529,243

2.188,642 2.407,527 2.597,527

2.262,022 2.479,467 2.669,467

285.679,5

297.606,8

307.500,2

317.567,9

0,83% 0,95% 1,02%

0,76% 0,79% 0,85%

0,71% 0,78% 0,84%

0,71% 0,78% 0,84%

In de meerjarenbegroting werd een groeipad voor O&O-infrastructuur voorzien van cumulatief 195 miljoen euro, hiervan wordt nog een opstap verwacht van 15 miljoen euro in 2022, 5 miljoen in 2023 en 30 miljoen in 2024. Daarnaast werd er groeipad voor O&O voorzien van cumulatief 250 miljoen euro. Door de besparingen werden de groeipaden voorzien voor de integratie van het hoger onderwijs milder, desondanks wordt er nog een opstart voorzien van 6,5 miljoen euro in 2022 en 2024. Deze middelen worden recurrent doorgerekend in de berekening van de verwachte O&O-kredieten. Vanuit het plan Vlaamse veerkracht worden ook bijkomende investeringen voorzien voor O&O. Voor meer details zie hoofdstuk 15. Per hypothese werden de bijkomende relancemiddelen verdeeld over 2021 tot 2023. Deze middelen zijn eenmalig en worden dus slechts alleen in het ingedeelde jaar opgeteld bij de verwachte O&O-kredieten.

195


Figuur 67 Evolutie van O&O kredieten op basis van de verwachte opstappen t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% 1,10%

1,02%

1,00% 0,90% 0,80%

0,87% 0,90% 0,88% 0,79% 0,77% 0,75% 0,76% 0,77%

0,81%

0,81% 0,75%

0,73% 0,74%

0,78%

0,85% 0,84% 0,84%

0,70% 0,60% 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 werkelijke groei

verwachte groei door relance budget

1% norm

Dankzij de grote investeringen vanuit het plan Vlaamse veerkracht in 2021 stijgt de geschatte O&Ointensiteit boven de 1%. Echter doordat deze middelen eenmalig zijn, zakt de geschatte O&O-intensiteit in 2022 tot 0,88% en in 2023 en 2024 tot 0,87%.

196


Deel 4 Het Relance Beleid

197


Hoofdstuk 15 Van crisissteun naar relance: ‘Vlaamse Veerkracht’ 3. Inleiding In de Septemberverklaring 2020 stelde minister-president Jan Jambon dat de Vlaamse Regering 4,3 miljard euro vrij zou maken voor haar relanceplan. Dat plan moet de Vlaamse welvaart en het welzijn van de Vlamingen helpen versterken na corona. Het relanceplan rust op zeven speerpunten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Economie en samenleving verduurzamen Investeren in infrastructuur Vlaanderen digitaal transformeren Investeren in mensen en talenten Het Vlaamse zorg- en welzijnssysteem versterken De coronacrisis beheren en Brexit De overheid efficiënter maken

Het plan is verder onderverdeeld in 35 clusters en 180 projecten. Een eerste rapportering over de voortgang van deze projecten werd uitgevoerd in april 2021. De 4,3 miljard euro middelen werden doorvertaald naar 158 projecten met een achterliggend relancebudget en gebundeld in 34 grotere logische clusters. Daarnaast zijn er 22 projecten zonder middelen uit de Vlaamse relanceprovisie, gebundeld in de 35ste cluster. Een groot aantal van de projecten werd opgenomen in het interfederaal Belgisch 'Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht' en overlegd met de Europese Commissie ten einde gefinancierd te worden via de subsidieenveloppe uit de Europese 'Faciliteit voor Herstel en Veerkracht' (FHV). De FHV zal immers financiële steun bieden aan de lidstaten voor investeringen en hervormingen, onder meer met betrekking tot de groene en digitale transities en de verduurzaming en veerkracht van de nationale economieën, en dit ten belope van 672,5 miljard euro, waarvan X subsidies. Om aanspraak te kunnen maken op de middelen binnen de FHV moeten lidstaten een plan voor herstel en veerkracht (PHV) opstellen waarin zij hun hervormings- en investeringsagenda vastleggen. Betalingen aan de lidstaten kunnen uiterlijk tot eind 2026 gebeuren. De finale plannen dienden ingediend te worden tegen 30 april 2021 bij de Europese Commissie.

Belangrijk is dat de hervormingen en investeringen zoveel mogelijk aansluiten bij de uitdagingen in het kader van het Europees Semester (landenspecifieke aanbevelingen 2019 en 2020), een bijdrage aan de groene (37% van de middelen voor klimaat) en digitale transitie (20% van de middelen) leveren en o.a. rekening houden met het principe ‘do no significant harm’.

198


Op het overlegcomité van 12 januari 2021 werd een akkoord bereikt over de verdeling van de 5,925 miljard euro dewelke aan België is toegewezen in het kader van de Europese herstel- en veerkrachtfaciliteit (FHV). Vlaanderen kan aanspraak maken op 2,255 mia €. Daartoe heeft de Vlaamse regering op 30 april haar goedkeuring gegeven aan de Vlaamse inbreng in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht. Er zijn binnen het relanceplan Vlaamse Veerkracht aldus drie categorieën van projecten: 1) projecten met middelen uit de 4,3 miljard € Vlaamse Veerkracht-enveloppe die ingebracht worden in het ‘Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht’ en dus met Europese middelen (aan België toegewezen) gefinancierd zullen worden; 2) projecten met middelen uit de 4,3 miljard € VV-enveloppe die niét ingebracht worden in het ‘Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht’ en dus via Vlaamse schuldcreatie gefinancierd zullen worden; 3) projecten die geen beroep doen om de VV-enveloppe van 4,3 miljard € en dus met de reguliere voorziene begrotingsmiddelen gefinancierd worden.

4. Vlaams Relanceplan – Vlaamse Veerkracht Onderstaand gaan we enkel in op de projecten die vallen onder de verantwoordelijkheid van het beleidsdomein EWI. Voor een totaalzicht op de Vlaamse Veerkrachtprojecten verwijzen we naar het monitoringdocument. In totaal gaat het om 511 mio € middelen uit de enveloppe van 4,3 miljard € aangevuld met 50 mio € Breximiddelen en met 70 mio € Vlaamse ESR-8 kapitaalinvesteringsmiddelen voor imec. Samen dus 631 mio €.

4.1. Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten gefinancierd

met

Europese

middelen

Voor de cluster ‘versterking O&O’ werd 280 miljoen euro voorzien. Hiervan gaat 100 miljoen euro naar het versterken van O&O bij bedrijven, 60 miljoen naar het versterken van het onderzoeksveld en het versnellen van O&O, 100 miljoen euro voor het versterken van onderzoeksinfrastructuur, en 20 miljoen euro naar het actieplan bio-economie. Onder de cluster ‘waterstofonderzoek’ vallen investeringen in het kader van de IPCEI (important Projects of Common European Interest). Via IPCEI-projecten stimuleert de EU de lidstaten om middelen te bundelen in grote geïntegreerde projecten die bijdragen aan de concurrentiekracht van de Unie. Via zo’n projecten kunnen aanzienlijk marktfalen of grote maatschappelijke uitdagingen aangepakt worden waarvoor er anders geen oplossing zou komen. Dit gaat om een budget van 125 miljoen euro. In de cluster ‘uitbouwen circulaire economie’ wordt 55 miljoen euro vastgelegd. Hiervan gaat 25 miljoen euro naar het beleidsdomein EWI, namelijk 15 miljoen euro naar circulaire economie/industrie en 10 miljoen euro naar circulair bouwen. Er wordt 30 miljoen euro voorzien voor de recyclagehub, bij het beleidsdomein Omgeving. Voor de cluster ‘blue deal’ wordt een budget van 233 miljoen euro voorzien. Binnen het beleidsdomein EWI is hier 10 miljoen euro voor waterbesparende technieken via Ecologiesteun van VLAIO en 6 miljoen euro voor kennisopbouw rond droogteresistente teelten en nieuwe teelten. Voor droogteresistente teelten is er bijkomend nog 10 miljoen euro voorzien bij het beleidsdomein Landbouw en Visserij.

199


Tabel 55 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht en ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en Europees gefinancierd worden: ingedeeld in 'clusters' van projecten (in miljoen euro) Cluster 'versterking O&O'

280

1. versterking O&O bedrijven

100

2. versterking onderzoeksveld en versnelling O&O 3. versterken onderzoeksinfrastructuur

60 100

4. actieplan bio-economie (10 mio € in 2020 en 10 mio € in 2022)

20

Cluster 'waterstofonderzoek'

125

1. investeringen in kader 'Important Projects of Common European Interest' (IPCEI) Waterstof

125

Cluster 'uitbouwen circulaire economie'

55

1. circulaire economie/industrie

15

2. circulair bouwen

10

Recyclagehub (beleidsdomein omgeving)

30

Cluster 'blue deal' 1. investeren in waterbesparende technieken via Ecologiesteun bij VLAIO 2. kennis opbouwen rond droogteresistente teelten en nieuwe teelten

droogteresistente teelten (beleidsdomein Landbouw en Visserij)

233 10 6

10

4.2. Vlaamse EWI-Veerkrachtprojecten, niet ingebracht in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en dus Vlaams gefinancierd Er zijn ook dossiers binnen het Relanceplan Vlaamse Veerkracht die niet opgenomen worden in het Nationale Plan voor Herstel en Veerkracht. In de cluster ‘digitaliseren Vlaamse media- en cultuursector’ wordt in totaal 50 miljoen euro geïnvesteerd. Hiervan is 10 miljoen euro binnen het beleidsdomeien EWI voor het project digitaal transformatieprogramma voor de Vlaamse mediasector. Er gaat ook 29 miljoen euro naar het beleidsdomein Cultuur, Jeugd en Media. Binnen de cluster 'verbetering en verduurzaming ruimtelijke ordening' wordt in totaal 93 miljoen euro voorzien. Hiervan is 25 miljoen euro binnen het beleidsdomein EWI: 10 miljoen euro voor vernieuwing bedrijventerreinen en 25 miljoen euro voor handelskernversterking. In de cluster ‘iedereen lokaal digitaal’ wordt 120 miljoen euro geïnvesteerd. Hiervan wordt 20 miljoen euro voor Smart Cities voorzien, niet opgenomen in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht. Er wordt 100 miljoen euro geïnvesteerd via het departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken en deze wordt wel opgenomen in het Nationale Plan voor Herstel en Veerkracht. In de cluster ‘Brexit’ wordt een budget van 83 miljoen euro voorzien. Via VLAIO wordt er 50 miljoen euro voorzien voor het Brexit-actieplan voor de ondersteuning van bedrijven. Het agentschap zal deze steun vanaf 1 februari 2021 aanwenden om een ‘Brexit veerkrachtsubsidie’ toe te kennen aan Vlaamse kmo's die door Brexit genoodzaakt zijn hun strategisch businessplan te herzien. Onder deze cluster wordt voor FIT 30 miljoen euro en voor VLAM 3 miljoen euro voorzien. De meeste van de hierboven vermelde acties worden gefinancierd via Vlaamse schuldopbouw. De maatregelen met betrekking tot Brexit worden gefinancierd met een deel van de inkomsten van de Brexit Adjustment Reserve (BAR), die in totaal 198,8 miljoen euro bedragen. De Europese Commissie wil met “Brexit Adjustment Reserve “ de economische en sociale gevolgen van Brexit helpen opvangen in de lidstaten en sectoren die het zwaarst getroffen zijn. De totale begroting zal 5 miljard euro bedragen.

200


Tabel 56 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar NIET ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (in miljoen euro) Cluster 'iedereen lokaal digitaal'

120

Smart Cities - toepassingen

20

Kanselarij en Buitenlandse Zaken

100

Cluster 'Brexit'

83

ondersteuning bedrijven: Brexit-acieplan via VLAIO

50

FIT

30

VLAM Cluster 'Digitaliseren Vlaamse media- en cultuursector'

3 50

digitaal transformatieprogramma voor de Vlaamse mediasector

10

Beleidsdomein CJM

29

Cluster 'verbetering en verduurzaming ruimtelijke ordening'

93

1. vernieuwing bedrijventerreinen

10

2. handelskernversterking

25

4.3. projecten die met de reguliere begrotingsmiddelen gefinancierd worden. Tabel 57 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar geen beroep doen op de 4,3 mio € financiële middelen die werden uitgetrokken (in miljoen euro) Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar GEEN beslag leggen op de 4,3 mia € financiële middelen die werden uitgetrokken 1. imec: uitbreiding clean room (40 mio €) en 2de Xpand Fonds (30 mio €)

70

2. verschillende instrumenten in de schoot van PMV: 4 projecten (achtergestelde leningen / waarborgen / Welvaartsfonds / win-win lening en vriendenaandeel) 3. uitrol glasvezelnetwerk en 5G 4. Flanders Future Tech Fund bij PMV 5. investeringen in vlaggenschipprojecten van Vlaamse havens inzake CO2-capatie & hergebruik 6. eenmalige investeringsimpulsen om mee te spelen in mogelijke Europese subsidie-enveloppes

Tot slot zijn er voor Vlaanderen ook nog bijkomende middelen voorzien uit React-EU (114,7 miljard euro). React-EU is een voorstel van de Europese Commissie om een financiële top-up van de traditionele cohesie programma's te doen in de nasleep van de coronacrisis. De middelen moeten vooral aangewend worden om crisismaatregelen te nemen, de economie verder te ondersteunen en de capaciteit voor crisisrespons in de zorg uit te breiden. Van de 37,5 miljard euro die in 2021 verdeeld wordt, zal 245 miljoen euro naar België stromen.

201


1. Overzicht EWI-budget Vlaamse Veerkracht Het beleidsdomein EWI kan vanuit het Relanceplan Vlaamse Veerkracht 631 miljoen euro investeren. Hiervan wordt 22% geïnvesteerd in bedrijven (O&O versterking, handelskernversterking en bedrijventerreinen), 18% in onderzoeksinfrastructuur, 10% in imec, 9% naar het versterken van O&O en 7% naar het brexit-actieplan. Figuur 68 Vlaamse Veerkrachtmiddelen via beleidsdomein EWI: 631 miljoen euro imec - kapitaalinvestering; 70; 11,09% versterking O&O-veld; 60; 9,51%

Brexit; 50; 7,92% handelskernversterking; 25; 3,96% bio-economie; 20; 3,17% smart cities; 20; 3,17%

onderzoeksinfrastructuur; 100; 15,85% Overig; 126; 19,97%

circulaire maakindustrie; 15; 2,38% media; 10; 1,58% circulair bouwen; 10; 1,58%

O&O bedrijven; 100; 15,85%

ecologiesteun - blue deal; 10; 1,58% bedrijventerreinen; 10; 1,58% blue deal - droogte; 6; 0,95% waterstofonderzoek; 125; 19,81%

202


Deel 5 Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten


Hoofdstuk 16 Wat is PIO? 1. Publieke koopkracht als katalysator van innovatie Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO) heeft als doel de enorme koopkracht van de Vlaamse overheid en de publieke sector meer strategisch in te zetten voor innovatie. Het PIO creëert via innovatieve overheidsopdrachten extra mogelijkheden om, samen met ondernemingen en onderzoekscentra, de werking van de Vlaamse publieke sector te vernieuwen en innovatieve antwoorden te bieden op tal van maatschappelijke uitdagingen. Het PIO draagt zo bij tot: − − −

een performante overheid competitieve ondernemingen oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen.

Vlaanderen besteedt jaarlijks ruim 30 tot 40 miljard aan overheidsaankopen. Dit vertegenwoordigt een belangrijk economisch potentieel. Het is de bedoeling om elke Vlaamse beleidsmaker, overheidsmanager en aankoper in de publieke sector te overtuigen van de meerwaarde van innovatieve overheidsopdrachten. En ‘innovatieve overheidsopdrachten’ te ontwikkelen tot een structureel instrument voor het optimaliseren van de werking en dienstverlening van de publieke sector en het realiseren van toekomstgerichte beleidsdoelstellingen.

2. Wat zijn innovatieve overheidsopdrachten? Innovatieve overheidsopdrachten zijn overheidsaankopen gericht op de ontwikkeling of de validering van innovatieve oplossingen. Dit kunnen nieuwe of sterk verbeterde producten of diensten zijn, maar ook business-innovatie zoals de ontwikkeling van nieuwe financieringsvormen of organisatorische en sociale innovatie. Technologie kan een belangrijke rol spelen, maar het hoeft niet. Bij de aankoop van innovatieve oplossingen is een goede voorbereiding essentieel. Een diepgaande analyse van de behoeften en een vroege interactie met bedrijven en onderzoekscentra zijn sleutels tot een succesvolle innovatieve overheidsaankoop. De complexiteit en innovatiegraad van de beoogde oplossing bepalen de keuze van de aankoopprocedure. De beschrijving van de gewenste oplossing zal de leveranciers ruimte laten om de opdracht creatief en innovatief in te vullen.

204


3. De 5 fases binnen PIO 1

Behoefte-analyse Samen met eindgebruikers en stakeholders analyseren wat de beoogde oplossing precies moet kunnen. Wat is echt nodig? Wat is prioritair? Marktconsultatie Samen met bedrijven en onderzoekscentra bepalen welke oplossingen haalbaar zijn en onder welke voorwaarden. Aankoopstrategie Op basis van de innovatiegraad en complexiteit van de opdracht, een geschikte aanpak en procedure kiezen. Aankoopproces Na interactie met de kandidaat-leveranciers het meest waardevolle (prijs/kwaliteit/innovatie) voorstel aankopen. Ontwikkelen, testen en valideren van innovatieve oplossing In nauw overleg met de leveranciers het ontwikkelings- of pilootproject uitvoeren.

2

3

4

5

4. Innovatieve overheidsopdrachten, waarom? Innovatieve overheidsopdrachten hebben tal van voordelen, zowel voor de overheid als voor ondernemingen en kenniscentra. De voordelen van innovatieve overheidsopdrachten voor de overheid zijn legio:

•

de overheid versterkt zijn kennis van de ‘state of the art’ door marktverkenningen en consultaties te houden;

•

de ontwikkelde oplossingen sluiten beter aan bij de reële noden en uitdagingen doordat de overheid sterk interageert met de opdrachtnemers tijdens het ontwikkelingsproces;

•

door de inzet van aankoopprocedures zoals het innovatiepartnerschap waarbij verschillende concepten van oplossingen worden ontwikkeld en getest, verminderen voor de overheid de (technologische) risico’s bij de eigenlijke aankoop;

•

door het maximaal laten spelen van de mededinging is de ontwikkeling van de oplossingen vaak goedkoper dan bij gesubsidieerde ontwikkelingen;

•

de overheid verwerft gebruiksrechten op de resultaten van de O&O of innovatieactiviteiten, wat niet zo is bij subsidies.

•

innovatieve overheidsopdrachten beleidsdomeinen en niveaus heen;

mobiliseren

middelen

voor

innovatie

over

alle

Ook ondernemingen en kennisinstellingen zijn gebaat bij innovatieve overheidsopdrachten: •

ondernemers en kennisinstellingen krijgen via de directe contacten met de overheid een beter inzicht in de publieke innovatiebehoeften; dit biedt perspectieven op nieuwe onderzoeks- en innovatiethema’s en de ontwikkeling van nieuwe markten of veelbelovende niches;

205


•

er komen meer financiële middelen voor O&O- en testactiviteiten ter beschikking en meer mogelijkheden om samenwerkingsverbanden op te zetten; er komen nieuwe mogelijkheden om ‘the valley of death’ tussen productontwikkeling en commercialisering te overbruggen wanneer de overheid als 'launching' of 'lead costumer' optreedt; dit kan ook de mogelijkheden voor export positief beïnvloeden; de toegang voor kmo’s en starters tot de overheidsmarkten verbetert door het aankoopproces bij innovatieve overheidsopdrachten zo eenvoudig mogelijk te houden, door te kiezen voor een interactieve en gefaseerde aanpak en door minder technische specificaties op te nemen in de bestekken, maar wel gewenste functionaliteiten en mogelijke varianten.

•

•

5. Aanbod Elke Vlaamse overheidsorganisatie of organisatie uit de publieke sector wordt geconfronteerd met grote en kleine uitdagingen die om innovatieve oplossingen vragen. Het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO) helpt om deze innovatieve producten en diensten te laten ontwikkelen, testen en/of aan te kopen. Alle overheidsorganisaties in Vlaanderen en organisaties uit de publieke sector die vallen onder de Wet op de Overheidsopdrachten kunnen bij PIO terecht voor informatie, advies, begeleiding en cofinanciering bij innovatieve aankoopprojecten. •

PIO informeert via zijn website en nieuwsbrief over alle relevante activiteiten en initiatieven in Vlaanderen en Europa. Tegelijk werkt het PIO-team aan een gids voor innovatieve overheidsopdrachten met de ambitie om aankopers uit de publieke sector te helpen bij hun innovatieve initiatieven. PIO staat gedurende het volledige aankooptraject paraat voor adviesverlening. PIO zorgt voor de begeleiding bij het voortraject van innovatieve overheidsopdrachten, zoals onder meer het organiseren van marktconsultaties, het inhuren van externe expertise, … PIO kan cofinanciering verlenen voor de ontwikkeling en validering van innovatieve oplossingen.

• • •

Begeleiding en cofinanciering biedt PIO enkel aan projecten die in het kader van oproepen voor projectvoorstellen door PIO geselecteerd worden. Bij begrotingsopmaak 2021 is er voor PIO 3,7 miljoen euro voorzien. De specifieke noden van elk traject bepalen de omvang van de mogelijke cofinanciering. Er zijn in principe geen maximale bedragen voorzien. Om toch enige houvast te bieden voorziet PIO voor een ‘gemiddeld’ project in volgende indicatieve bedragen: • •

tot 30.000 euro voor de inzet van externe expertise, uitvoering van marktconsultaties, organisatie van gebruikersbevragingen enz. tot 1.000.000 euro voor de cofinanciering van de ontwikkeling of validering van innovatieve oplossingen (gaande van beperkte proof of concepts tot belangrijke pilootprojecten).

6. Lopende projecten Momenteel zijn er meer dan 70 projecten geselecteerd binnen het PIO. Ze situeren zich op zeer diverse vlakken. Meer informatie over deze projecten en hun uitvoering is terug te vinden op http://www.innovatieveoverheidsopdrachten.be/lopende-projecten.

206


Deel 6 Analyse van het Europees en Regionaal Innovatie Scorebord opgesteld door de Europese Commissie

207


A. De analyse samengevat • •

België op de 4de plaats binnen de EU-27, voor het eerst in de 1ste groep ‘innovatieleiders’ Vlaanderen als regio in EU-27 in de 1ste groep ‘innovatieleiders’, 27ste plaats op 240 regio’s

De Europese Commissie publiceerde op 21 juni 2021 zowel haar Europees Innovatie Scorebord (EIS) als het Regionaal Innovatie Scorebord (RIS) 57.

Het Europees Innovatie Scorebord De EIS rangschikt de 27 EU-lidstaten en een aantal niet-EU landen evenals hun regio’s, volgens hun onderzoeks- en innovatieve sterkte in vier ‘prestatiegroepen’ op basis van hun prestatie t.o.v. het Europees gemiddelde: innovatieleiders (groep landen met performantie >125% van het Europees gemiddelde), sterke innovatoren (tussen 100% en 125% van het Europees gemiddelde), gematigde innovatoren (tussen 70% en 100%) en ontluikende innovatoren (<70% van het EU-gemiddelde). België komt – op basis van de methodologie gehanteerd in deze editie 2021 - voor het eerst sinds het bestaan van het scorebord in de eerste groep ‘innovatieleiders’, op de vierde plaats in de EU-27. Vergelijking met voorgaande edities van het EIS en het RIS zijn niet mogelijk wegens gewijzigde methodologie in de 2021 editie.

Deze analyse werd opgemaakt door Johan Hanssens (EWI), met dank aan Daniëlle Raspoet (VARIO), Peter Viaene (EWI) en Annelies Wastyn (VARIO). 57

208


Het Regionaal Innovatie Scorebord Vanuit dit Europees Innovatie Scorebord werd ook een Regionaal Innovatie Scorebord ontwikkeld dat 240 Europese regio’s analyseert binnen 22 EU-27 lidstaten 58 én Noorwegen, Servië, Zwitserland en de UK. Vlaanderen als regio prijkt daar op de 27ste plaats en behoort tot de eerste groep van ‘innovatieleiders’.

26 East of England 27 Vlaanderen 28 Noord-Holland 29 Utrecht … 67 Wallonië

Cyprus, Estland, Letland, Luxemburg en Malta worden op landniveau meegenomen aangezien in die landen NUTS1 en NUTS2 niveau samenvallen.

58

209


1. Rangschikking op basis van een samengestelde indicator De performantie-meting gebeurt op basis van een door de Commissie (nieuwe) samengestelde indicator (‘Summary Innovation Index’):

210

•

met een indeling in 4 hoofdcategorieën (in oranje weergegeven): o ‘kadervoorwaarden voor onderzoek en innovatie’ o ‘investeringen’ o ‘innovatieactiviteiten’ o ‘impact’

•

12 innovatiedimensies (in blauw weergegeven)

•

die in totaal 32 indicatoren in kaart brengen (voor omschrijving van de indicatoren zie bijlage p 245).


2. Welke indicatoren zitten in de samengestelde index en hoe worden ze gemeten? De vier hoofdcategorieën werden aangebracht om een beter onderscheid te kunnen maken tussen: • • • •

kadervoorwaarden die extern aan de onderneming zijn publieke en private financiering van O&O in het land/regio de innovatieactiviteiten van de onderneming zelf de impact die innovatie genereert op werkgelegenheid, verkoop en duurzaamheid.

In de editie 2021 van het EIS en het RIS zijn evenwel een aantal belangrijke methodologische wijzigingen aangebracht. • • •

Van sommige indicatoren werd de definitie aangepast (5 indicatoren). Andere indicatoren werden als nieuwe indicatoren toegevoegd ten einde recente tendensen – digitalisering en verduurzaming - in het O&O-landschap beter capteren (11 indicatoren). Tevens werden een aantal vroegere indicatoren geschrapt (4 indicatoren).

In de volgende tabel worden de wijzigingen aan bestaande indicatoren evenals de nieuwe indicatoren weergegeven. Voor de definities van de 32 indicatoren wordt verwezen naar de bijlage (zie p 245).

211


EIS 2021 measurement framework (herziene indicatoren in rood, nieuwe indicatoren in groen) FRAMEWORK CONDITIONS • Human resources o 1.1.1 New doctorate graduates o 1.1.2 Population aged 25-34 with tertiary education o 1.1.3 Lifelong learning • Attractive research systems o 1.2.1 International scientific co-publications o 1.2.2 Top 10% most cited publications o 1.2.3 Foreign doctorate students • Digitalisation o 1.3.1 Broadband penetration o 1.3.2 Individuals who have above basic overall digital skills INVESTMENTS • Finance and support o 2.1.1 R&D expenditure in the public sector (universities and government research org) o 2.1.2 Venture capital expenditures o 2.1.3. Direct government funding and government tax support for business R&D • Firm investments o 2.2.1 R&D expenditure in the business sector o 2.2.2 Non-R&D innovation expenditures o 2.2.3 Innovation expenditures per person employed in innovation active enterprises • Use of information technologies o 2.3.1. Enterprises providing training to develop or upgrade ICT skills of their personnel o 2.3.2. Employed ICT specialists INNOVATION ACTIVITIES • Innovators o 3.1.1 SMEs with product innovations o 3.1.2 SMEs with business process innovations • Linkages o 3.2.1 Innovative SMEs collaborating with others o 3.2.2 Public-private co-publications o 3.2.3 Job-to-job mobility of Human Resources in Science and Technology • Intellectual assets o 3.3.1 PCT patent applications o 3.3.2 Trademark applications o 3.3.3 Design applications IMPACTS • Employment impacts o 4.1.1 Employment in knowledge-intensive activities o 4.1.2 Employment in innovative enterprises • Sales impacts o 4.2.1 Medium and high tech product exports o 4.2.2 Knowledge-intensive services exports o 4.2.3 Sales of product innovations • Environmental sustainability o Resource productivity o Air emissions by fine particulates PM2.5 in industry o Development of environment-relates technologies 212


Deze indicatoren werden als volgt gedefinieerd (voor details zie bijlage p 245):

213


B. Resultaten Europese Unie: Zweden, Finland, Denemarken en België vormen de top-4 binnen de EU-27 1. Prestaties van de individuele lidstaten Zweden is in de EU opnieuw de beste van de kopgroep van innovatieleiders, gevolgd door Finland, Denemarken en nu dus België (deze laatste voor het eerst in de groep van innovatieleiders). Dan volgt een groep ‘sterke innovatoren’, aangevoerd door Nederland en gevolgd door Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, Estland, Frankrijk en Ierland. Tussen 2021 en 2020 verbeterde de performantie voor 20 lidstaten en verslechterde ze voor 7. Landenrangorde van het Europees innovatiescorebord 2021:

Bron: European Innovation Scoreboard 2021

De bovenstaande figuur is als volgt te lezen. Y-as: gekleurde balkjes (innovatieprestaties in 2021 t.o.v. EU in 2014), horizontale streepjes (innovatieprestaties in 2020 t.o.v. 2014) en grijze balkjes (innovatieprestaties 2014 t.o.v. EU in 2014) – totaal voor 32 indicatoren. X-as: EU-landen Geografisch blijft de innovatie-kloof in de EU bestaan, tussen enerzijds de Noord- en West-Europese en anderzijds de Zuid- en Oost-Europese landen.

214


2. Vergelijking van de EU-prestaties als geheel met de wereldwijde concurrenten Wereldwijd gezien vertoont – t.o.v. 2014 - de EU als geheel een performance achterstand t.o.v. Zuid-Korea, Canada, Australië, de Verenigde Staten en Japan. Tussen 2014 en 2021 verminderde de performance-gap van de EU met Australië en Canada. Maar die met Japan, Zuid-Korea en de Verenigde Staten nam toe en de performantievoorsprong van de EU t.o.v. China verminderde.

Ter info: KR= Zuid-Korea / CA = Canada / AU = Australië / US = Verenigde Staten / JP = Japan / CN = China / BR = Brazilië / RU = Rusland / SA = Zuid-Afrika / IN = Indië

215


C. Resultaten België: 4de plaats binnen EU27, in de kopgroep van ‘innovatieleiders’ 1. De Belgische positie binnen de EU-27 België komt in de editie 2021 van het European Innovation Scoreboard voor het eerst in de kopgroep van de EU-lidstaten wiens performantie meer dan 125% van het EU-27 gemiddelde bedraagt. Deze groep worden de ‘innovatieleiders’ binnen de EU genoemd. België haalt een score van 143,5% t.o.v. het EU-27 gemiddelde in 2014. Zweden, het best presterende land, scoort 156,5 %.

Bron: European Innovation Scoreboard 2021

Over de jaren heen, verbeterde de positie van België gestaag zoals te zien op onderstaande figuren.

216


217


Kijken we in detail naar de innovatiedimensies en de indicatoren waarop België de hoogste relatieve score haalt t.o.v. het EU-27 gemiddelde (zie kolom ‘relative to EU 2021 in 2021’) dan zien we dat de dimensies met hoogste relatieve score ‘use of information technologies’, ‘linkages’ ‘attractive research systems’, en ‘employment impacts’ zijn. We scoren goed voor de volgende indicatoren (zie donkergroen gekleurd in de tabel; opm. EU-27 gemiddelde = 100%) • • • • • • • • • • • • • • • •

218

Population with tertiary education (150,6%) International scientific co-publications (134,8%) Most cited publications (128,4%) Foreign doctorate students (223%) Government support for business R&D (146,6) R&D expenditures in the business sector (141,1%) Innovation expenditures per employee (141,3%) Enterprises providing ICT training (186,7%) Employed ICT specialists (139,3%) Business process innovators (158,1%) Innovative SMEs collaborating with others (226,6%) Public-private co-publications (184,7%) Employment in knowledge-intensive activities (125,6%) Employment in innovative enterprises (156,7%) Sales of innovative products (139,9%) Resource productivity (178,8%)


Bovenstaande tabel leert ook dat België relatief zwakker scoort op de dimensie ‘intellectual assets’ en op de indicatoren (zie geel gekleurd in de tabel; opm. EU-27 gemiddelde = 100%): • • • • • • •

Lifelong learning (73,7%) Non R&D innovation expenditures (94,1%) Product innovators SME’s (99,4%) Job-to-job mobility of Human Resources in Science and Technology (91,1%) Design applications (76,6%) Medium and high tech goods exports (84%) Environment-related technologies (76,4%)

Vergelijken we de Belgische positie op de 12 dimensies, telkens met het EU-27 gemiddelde en met de EU-27 landen top-3, dan krijgen we volgend beeld.

Kadervoorwaarden en dimensies

Positie België

Positie EU-27

Top 3 landen EU-27

Framework conditions Human resources

11

15

Attractive research systems

5

13

Digitalisation

9

15

Investments Finance and support

Zweden, Denemarken en Luxemburg Luxemburg, Nederland en Denemarken Denemarken, Finland en Nederland

2

8

Firm investments

3

6

Use of information technologies

3

15

Innovation activities Innovators

9

16

Linkages

5

17

Intellectual assets

12

11

Impacts Employment impacts

6

16

Sales impacts

4

7

Environmental sustainability

6

13

Frankrijk, België Finland Duitsland, Zweden België Finland, Zweden België

en en en

Cyprus, Griekenland en Estland Cyprus, Estland en Finland Denemarken, Finland en Zweden Zweden, Estland en Cyprus Duitsland, Ierland en Zweden Malta, Denemarken en Nederland

Op drie dimensies zitten we in de EU-top 3 (finance and support / firm investments / use of information technologies) en op 6 dimensies in de EU-top 5.

219


2. Aanvullende ‘contextuele analyse’ in het scorebord Naast de samengestelde indicator (32 indicatoren binnen 12 dimensies en 4 hoofdcategorieën) wordt door de diensten van de Europese Commissie per land (en regio) ook een ‘contextuele analyse’ gegeven. Die contextuele analyse moet toelaten de invloed van • • • • •

structurele verschillen in de economie van de landen (en regio’s) verschillen in de bedrijfsomgeving en ondernemerschapskenmerken verschillen in innovatieprofielen van de bedrijven de duurzaamheidsuitdaging socio-demografische verschillen

op de onderzoeks- en innovatie-prestaties te duiden.

Zo worden zes relevante structurele verschillen onderscheiden: •

Structuur van de economie. Landen met een hoog aandeel industrie en daarbinnen landen met een hoog aandeel hoogtechnologische industrie 59 doen meer aan innovatie dan andere landen en zullen dus hoger scoren in de rankings op indicatoren zoals O&O-bedrijfsuitgaven, patenten, aandeel innovatieve bedrijven, …. Ook landen met een hoog aandeel buitenlands aandeelhouderschap (van EU en/of niet-EU landen) kennen hogere O&O-uitgaven 60.

•

Bedrijfskenmerken en ondernemerschap. Ondernemerschap is belangrijk om innovaties naar de markt te brengen. Daarom spelen context indicatoren zoals geboortegraad nieuwe ondernemingen en ondernemerschapsactiviteiten een rol. Ook invoer van buitenlands kapitaal is belangrijk, gezien dat vaak gepaard gaat met invoer van technologie. Ook bedrijfskenmerken spelen een rol: ondernemingen met > 250 werknemers staan voor 80% van de O&O-bedrijfsuitgaven in de EU, daar waar kmo’s (tss 10 en 250 werknemers) voor 20% staan. Ook de vraagkant in de economie speelt een rol: vraag naar nieuwe producten en diensten lokt innovatie. Dit wordt gevat met de indicator ‘buyer sophistication’.

•

Innovatieprofielen. Volgende taxonomie van 7 types van innoverende en niet-innoverende bedrijven wordt gehanteerd, gebaseerd op de 2018 Community Innovation Survey (CIS-survey). De al dan niet aanwezigheid van veel of weinig van een bepaald type speelt een rol. Onderstaand worden deze 7 typologieën van bedrijven weergegeven, evenals hun relatieve aandelen in de totaliteit van bedrijven en in de werkgelegenheid.

Zo is binnen de EU-27 gemiddeld 85% van de O&O-uitgaven in de industrie afkomstig van O&O-uitgaven binnen medium high en high-tech industrietakken. 60 Zo is 30% van de O&O-bedrijfsuitgaven in de Europese Unie afkomstig van O&O-uitgaven in zogenaamde ‘foreign affiliates’. 59

220


•

Governance and policy framework. Ook verschillen in regelgevende kaders spelen een rol in de context waarbinnen dient geïnnoveerd te worden. Zo is er het belang van snel een onderneming te kunnen oprichten (‘ease of starting a business’) evenals van ondernemerschapsvaardigheden. Ook systemen van innovatieve overheidsopdrachten kunnen innovatie bevorderen. Tenslotte speelt al dan niet rechtszekerheid (‘rule of law’) in het land een sleutelrol.

•

Climate change. Gegeven het belang van de duurzaamheidstransitie worden in de contextuele analyse voortaan ook indicatoren opgenomen die relevant zijn voor het verband tussen klimaatverandering en innovatie. Het betreft contextuele informatie over circulair gebruik van materialen, CO2-intensiteit van de energie-consumptie en informatie over eco-innovatie.

•

Socio-demografisch. Landen met een hoge bevolkingsdichtheid hebben eveneens een hogere innovatiegraad: hoge dichtheden zijn bevorderlijk voor kennisdiffusie, meer opleidingsmogelijkheden, …

221


Voor ons land geeft dit het volgende onderstaand ‘Structural difference’ – beeld.

Aldus zijn de merkbare verschillen in ons land t.o.v. het EU-gemiddelde de volgende: 222

een hoger bbp per capita een kleiner aandeel industrie hoger omzetaandeel kmo’s en lager omzetaandeel grote ondernemingen lagere geboortegraad ondernemingen hoog aandeel O&O-bedrijfsuitgaven per 10 miljoen inwoners hogere ‘circular material use’ ratio (circulair gebruik van materialen t.o.v. totaal materiaalgebruik) lagere eco-innovation index (samengestelde indicator bestaande uit 16 sub-indicatoren) een hogere groei van de bevolking; een hogere bevolkingsdichtheid.


D. Uitbreiding van het Europees Innovatie Scorebord tot het Regionaal Innovatie Scorebord: Vlaanderen als ‘innovatieleider’, op een 27ste plaats in EU De Europese Commissie publiceerde op 21 juni 2021 eveneens haar Regionaal Innovatie Scorebord (RIS) 61.

1. 240 regio’s binnen Europa gebenchmarkt Het Regionaal Innovatie Scorebord (RIS) is een regionale uitbreiding van het Europese Innovatiescorebord, EIS, waarbij de innovatieprestaties van de Europese regio's worden beoordeeld op 21 van de 32 indicatoren van het Europees Innovatie Scorebord 62. Dit omwille van minder beschikbare regionale data. De RIS 2021 dekt 240 regio’s af in 22 EU-landen, verder ook Noorwegen, Servië, Zwitserland en de UK. Daarnaast zijn Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Groot-Hertogdom Luxemburg en Malta op landelijk niveau opgenomen in het scorebord. Het aantal indicatoren in de editie 2021 is gestegen ten opzichte van de vorige RIS 2019 editie door het toevoegen van vier nieuwe indicatoren: digitale vaardigheden, innovatie-uitgaven per tewerkgestelde persoon, tewerkgestelde ICT-specialisten en emissies van fijne partikels (PM2.5) in lucht door de industrie. Net als bij het Europees Innovatie Scorebord zijn de Europese regio’s in de RIS verdeeld in vier categorieën van innovatie-prestatiegroepen: -

innovatieleiders (38 regio’s met prestaties >125% van het EU-gemiddelde) sterke innovatoren (67 regio’s met prestaties tussen 100% en 125% van EU-gemiddelde) gematigde innovatoren (68 regio’s met prestaties tussen 70% en 100% van EU-gemiddelde), ontluikende innovatoren (67 regio’s met prestaties <70% EU-gemiddelde).

Een meer gedetailleerde uitsplitsing van deze prestatiegroepen wordt verkregen door elke groep nog eens op te splitsen in drie segmenten, namelijk het beste derde van de groep (+), het middelste derde en het onderste derde van de groep (-).

61 62

Betreft de 10e editie. Omwille van methodologische wijzigingen zijn de edities evenwel niet vergelijkbaar. Binnen deze 21 indicatoren werden voor 9 indicatoren de definities aangepast t.o.v. deze in de EIS 2021. 223


Het Regionaal Innovatie Scorebord 2021 geeft volgend geografisch beeld:

224


2. Resultaten Het nieuwe scorebord bevestigt dat Europa's meest innovatieve regio's zich ook in de meest innovatieve landen bevinden. De meest innovatieve regio in de EU is Stockholm in Zweden, gevolgd door Etelä-Suomi in Finland, Oberbayern in Duitsland, Hovedstaden (Kopenhagen) in Denemarken en Zurich in Zwitserland. In België staat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op een 14de plaats in Europa. Vlaanderen op 27 en Wallonië op plaats 67.

Plaats 26 is voor East of England, plaats 27 is voor Vlaanderen, gevolgd door Noord-Holland (28) en Utrecht (29) en île de France (30).

225


Volgende 21 indicatoren werden dus in de samengestelde indicator opgenomen. RIS 2021 measurement framework (herziene indicatoren in rood, nieuwe indicatoren in groen, indicatoren die verschillend zijn van EIS 2021 met een (*)) FRAMEWORK CONDITIONS • Human resources o Population aged 25-34 with tertiary education o Lifelong learning • Attractive research systems o International scientific co-publications o Top 10% most cited publications • Digitalisation o Individuals who have above basic overall digital skills (*) (Own estimates using Households with broadband access) INVESTMENTS • Finance and support o R&D expenditure in the public sector (universities and government research org) • Firm investments o R&D expenditure in the business sector o Non-R&D innovation expenditures (*) (for SME’s) o Innovation expenditures per person employed in innovation active enterprises (*) (for SME’s) • Use of information technologies o Employed ICT specialists (*) (Estimates using employment in information and communication) INNOVATION ACTIVITIES • Innovators o SMEs with product innovations o SMEs with business process innovations • Linkages o Innovative SMEs collaborating with others o Public-private co-publications • Intellectual assets o PCT patent applications o Trademark applications o Design applications (*) IMPACTS • Employment impacts o Employment in knowledge-intensive activities (*) (Employment in medium-high and high-tech manufacturing and knowledge-intensive services) o Employment in innovative enterprises (*) (for SME’s) • Sales impacts o Sales of new-to-market and new-to-enterprise innovations (*) (for SME’s) • Environmental sustainability o Air emissions by fine particulates PM2.5 in industry

226


De gemiddelde indicator score per prestatiegroep wordt onderstaand weergegeven.

3. Prestaties van Vlaanderen: ‘innovatieleider’ België behoort als land tot de 1de groep van ‘innovatieleiders’ in het Europese Innovatie Scorebord 2021, op een 4de plaats binnen de EU-27. De ranking van de drie regio’s binnen België is als volgt:

227


Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staat op plaats 14 en behoort tot de categorie ‘innovatieleider’ (prestaties tussen 134,9% en 144,8% van het EU-gemiddelde). Het Vlaams Gewest staat op plaats 27 en behoort tot de categorie ‘innovatieleider –‘ (prestaties tussen 125% en 134,9% van het EU-gemiddelde). Het Waals Gewest staat op plaats 67 en behoort tot de groep ‘sterke innovator’ (prestaties tussen de Vlaanderen scoort in de EU-top 40 regio’s op volgende 6 van de 21 indicatoren: • • • • • •

228

SME’s with business process innovations (6de) Innovation expenditures per person employed (9de) Innovative SME’s collaborating with others (13de) Employment in innovative SME’s (24ste) Most cited scientific publications (31ste) Population aged 25-34 having completed tertiary education (37ste)


Vlaanderen vergeleken met het EU en Belgische gemiddelde geeft volgend beeld

229


In een spindiagram voorgesteld

Vlaanderen sluit nauw aan bij de Belgisch positionering. Gezien het gewicht van Vlaanderen in het Belgische O&O-landschap is dit niet verwonderlijk.

Voor meer info? Indien interesse in meer informatie m.b.t. de benchmarking van Vlaanderen t.o.v. andere landen en regio’s dan kan u de volgende VARIO-adviezen uit 2020 consulteren; VARIO-advies 10 ‘Innovatieve benchmarklanden en -regio’s voor Vlaanderen’ en VARIO-advies 14 ‘Naar de Top van kennis- en innovatieregio’s in 2030’.

Het volledige rapport van de EIS 2021 vindt u op: https://ec.europa.eu/growth/industry/policy/innovation/scoreboards_en.

Een interactieve online tool waarop de prestaties per criterium per land kunnen worden vergeleken staat op URL: https://interactivetool.eu/EIS/EIS_2.html.

Het volledige rapport van het RIS 2021 vindt u op: https://ec.europa.eu/growth/industry/policy/innovation/regional_en

230


Bijlagen


Bijlage I: Terugblik op de opstapmiddelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 en toelichting bij de begrotingsopmaak 2020 1. Terugblik op de bijgekomen middelen tijdens de legislatuur 2014 – 2019 1.1. Totale vrij beleidsruimte voor alle Vlaamse bevoegdheden samen: recurrente middelen en investeringsenveloppe Bij de regeringsvorming in 2014 werd een meerjarig begrotingspad 2014-2019 afgesproken waarbij onderstaande budgetaire impulsen voor diverse beleidsdomeinen werden voorzien. Voor “O&O en maatregelen bedrijfsleven” werden opstappen afgesproken oplopende tot 500 miljoen euro in 2019 (Tabel 58). Bijna de helft van de recurrente budgettaire ruimte in de vorige legislatuur (1,114 miljard euro) werd zo gealloceerd aan “O&O en maatregelen bedrijfsleven”. Tevens werden jaarlijks investeringsmiddelen voorzien voor “O&O en maatregelen bedrijfsleven” oplopend tot 120 miljoen euro in 2019 (zie Tabel 59). Tabel 58 Recurrent nieuw beleid 2015 - 2019 (in miljoen euro) voor alle Vlaamse bevoegdheden samen

Nieuw beleid 2014-2019 (VAK = VEK) in miljoen euro Internationaal Vlaanderen Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Werk en Sociale Economie Mobiliteit en openbare werken Kanselarij en Bestuur Omgeving Omgeving Totaal VAK = VEK

232

Vlaamse Statistische autoriteit, IT, Brexit O&O & maatregelen bedrijfsleven Scholenbouw Basisonderwijs Ziekenhuisscholen Welzijn

2015

2016

2017

2018

2019 2

20

65

25

78

220

210

220

500

2,5

7,5 20,0 0,8

300

500

Cultureel Erfgoed

9,6

Topsport Sociale Economie Overige Werk

1 10 5

Infrastructuur Vlaams Brusselfonds Instandhoudingsdoelstellingen Wonen

2,5

17,5

5

5 10

20 20

20 20

0,4 30 40

90

118

470

565

1 144


Tabel 59 Jaarlijkse investeringsenveloppen 2015 - 2019 (in miljoen euro)

Investeringen (VAK in miljoen euro) Economie, Wetenschap en Innovatie Onderwijs en Vorming Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Cultuur, Jeugd, Sport en Media Mobiliteit en openbare werken Kanselarij en Bestuur Omgeving Omgeving Omgeving Omgeving

2015 O&O & maatregelen bedrijfsleven Scholenbouw Welzijn Sportinfrastructuur Infrastructuur ICT Riolen Onroerend Erfgoed Asbest Droogte

Totaal investeringen (VAK)

50

10

60

2016

2017

2018

2019

90

90

115

120

100 100 10 20 10 60 10

100 100 10 110 10 50 10

140 115 10 160

150 140 0 150

50 20

50 30 10 4

400

480

610

654

1.2. Vrije beleidsruimte voor het beleidsdomein EWI De Vlaamse Regering kon in de legislatuur 2014-2019 rekenen op een vrije recurrente beleidsruimte van 1,1 miljard euro, voor al haar bevoegdheden. Maar liefst 500 miljoen euro daarvan werd besteed aan economie, wetenschap en innovatie. Het beleidsdomein EWI genoot de voorbije legislatuur van enkele grote recurrente budgettaire opstappen: 20 miljoen euro in 2015 + 5 miljoen euro in 2016 + 195 miljoen euro in 2017 en + 280 miljoen euro in 2019. Daarnaast werden grote oplopende investeringsenveloppes toegekend van 90 miljoen euro in 2016, 100 miljoen euro in 2017, 115 miljoen euro in 2018 en van 120 miljoen euro in 2019. In regel werden daarmee eenmalige investeringsuitgaven gefinancieerd. Onderstaande tabel geeft een overzicht aan welke doelgroepen en concrete beleidsinitiatieven de recurrente opstapmiddelen besteed werden, opgesplitst in O&O-kredieten (dus meetellend voor de 3%-norm) en nietO&O kredieten. Tabel 60 Uitsplitsing van de recurrente opstap van 500 miljoen euro in de jaren 2015 - 2019

2015

2016

2017

2018

2019

2014-2019

0,00

8,00

45,30

0,00

95,00

148,30

1. O&O-kredieten a. gericht op universiteiten FWO

30,30

40,00

70,30

BOF (Bijzondere Onderzoeksfondsen)

10,00

35,00

45,00

IOF (Industriële Onderzoeksfondsen)

5,00

20,00

25,00

TBM (Toegepast Biomedisch onderzoek met Maatschappelijke finaliteit, via FWO) b. gericht op Hogescholen Hogescholen (PWO-middelen in 2017 en Kennisdiffusie-instrument in 2019)

8,00 0,00

0,00

8,00 10,00 10,00

0,00

6,00 6,00

63

16,00 16,00

63

Er was 8 miljoen euro voorzien waarvan 2 miljoen euro verschoven is naar AI initiatieven van hogescholen in het AI beleidsplan. 233


c. gericht op SOC's

2015

2016

2017

2018

2019

2014-2019

5,00

1,50

51,70

0,00

6,50

64,70

1,50

29,00

30,50

14,70

14,70

imec (in kader fusie iMinds sept 2016) VIB (in kader nieuwe beheersovereenkomst februari 2017) Flanders Make (in kader nieuwe beheersovereenkomst) d. gericht op kennisinstellingen

5,00 0,00

8,00 0,00

2,51

0,00

6,50

19,50

3,50

6,01

AMS (Antwerp Management School)

0,06

0,06

ITG (Instituut Tropische Geneeskunde)

0,85

0,85

KMDA (Koninklijke Maatschappij Dierkunde Antwerpen) VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee)

0,35

0,35

1,00

Plantentuin Meise Orpheus Instituut (artistiek onderzoek muziek) e. gericht op bedrijven

2,00

3,00

1,50

1,50

0,25 0,00

0,00

60,00

0,25 0,00

78,07

138,07

Opstart nieuw Vlaams clusterbeleid

40,00

20,00

60,00

O&O bedrijfsprojecten

20,00

30,00

50,00

15,00

15,00

10,00

10,00

3,07

3,07

84,50

100,50

Baekeland (pre-doc)- en Innovatiemandaten (post-doc) bij bedrijven Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK) Transfert naar Fonds Innoveren en Ondernemen f. gericht op nieuwe beleidsprioriteiten

0,00

0,00

16,00

0,00

Programma Innovatieve Overheidsopdrachten (PIO) Industrie 4.0

5,00

5,00

4,00

4,00

City of Things – Slimme steden en gemeenten

4,00

4,00

beleidsplan Artificiële Intelligentie

32,00

32,00

beleidsplan Cybersecurity

20,00

20,00

5,00

5,00

Gepersonaliseerde geneeskunde - eenmalige ICON-call RegMed Xb (regeneratieve geneeskunde)

3,00

3,00

Open Science-beleid kennisinstellingen

5,00

5,00

STEM-beleid

2,50

2,50

20,00

20,00

6,43

46,28

Moonshot klimaat (Vlaanderen CO2-arm in 2050) 2. Vooral maatregelen bedrijfsleven kmo-portefeuille

15,00

15,35

3,00

5,00

8,00

3,00

3,00

kmo-groeisubsidie STS (strategische transformatiesteun)

3,00 5,30

1,00

4,00

9,30

1,00

e-loket

0,50

Flanders DC (Flanders Distict of Creativity)

0,55

Wetenschapscommunicatie

0,00

3,00

Ondernemerschapsbevordering Screen flanders (audiovisuele sector)

9,50

2,00 3,50

4,00 0,55

2,00

2,00

VLAIO-werking

2,00

2,00

FWO-werking (hervorming panels)

1,00

1,00

FRIS (Flanders Research Information Space) bij department EWI

1,50

1,50

234


2015

2019

2014-2019

ECOOM (addendum beheersovereenkomst)

0,88

0,88

PMV (in kader van Flanders Future Tech Fund en InvestEU) Allerlei

1,05

1,05

280,00

519,86

3. Totaal

2016

2017

2018

8,00 20,00

8,00 5,00

195,00

0,00

* de recurrente opstap van 20 miljoen euro in 2015 werd in 2016 herverdeeld, zodat in 2016 totaal > 5 miljoen euro en totaal 2014-2019 > 500 miljoen euro. Naast deze structurele middelen, waren er de voorbije legislatuur, vanaf 2016, ook investeringsmiddelen. Tabel 61 Overzicht van de investeringsprovisies voor de jaren 2016 – 2019 (in miljoen euro)

2016

2017

2018

2019

1. O&O kredieten Energyville – onderzoek naar duurzame energie en intelligente energiesystemen vier onderzoeksinfrastructuren (o.a. CERN)

36,65

39,17

69,90

56,64

Flanders Make Flanders Make ICON (interdisciplinair coöperatief onderzoek) FWO (2017: supercomputer 30 + Big Science 0,795) FWO internationale onderzoeksinfrastructuur

5,00

4,50 11,80 15,00

3,50 30,80 1,00

VLIZ - marine robot

3,00

VLIZ – gebouw (Innov Ocean Campus) zware infrastructuur universiteiten (in kader ESFRI) infrastructuur VIB (in kader ESFRI)

3,33 4,00 0,37

Innovatiestages

5,50

FISCH (vroegere competentiepool chemie)

1,35

interuniversitair centrum protontherapie

5,00

Project Internet of Water (imec/VITO) Project I-learn Vlaanderen: digitaal gepersonaliseerd leren (imec ondersteunt) EUROHpc (Europees high performance computing initiatief) project Terra (energie- en patrimoniumdatabank van de publieke sector – open data) City of Things : imec smart retail dashboard VLIZ ILVO: investeringssubsidie voor het bouwen van een nieuwe proefaccommodatie pluimvee

0,50 7,50

RegmedXb (regeneratieve geneeskunde)

Plantentuin Meise (digitalisering) O&O-bedrijfsprojecten bij Fonds Innoveren en Ondernemen Mobilidata (imec ondersteunt) 100 Gigabit VON (supersnelle internetverbindingen voor kennisinstellingen) Project Stressy – Stress in the city (imec)

totaal 202,36

1,90 15,00 30,00 5,24 1,19 9,72 20,00 3,50 1,58 0,40 0,24 1,00

235


2016

2017

2018

ITG: investering in infrastructuur voor een insectarium VLIZ: éénmalige investeringssubsidie Ocean Innovation Space (labo) VL Hora Hogescholen

2019 1,00 2,00 7,44

2. Vooral maatregelen bedrijfsleven

52,75

Bedrijventerreinen

20,00

kmo-portefeuille

10,00

10,00

12,00

22,27

6,70

15,00

15,00

15,00

STS (strategische transformatiesteun) Ondernemerschapsstimulering

2,10

Reconversie Ford-site

2,50

Flanders DC

0,65

rentetoelage hinder openbare werken

60,84

45,49

222,45

1,26

5,84

3,04 4,00

Beheersvergoeding WIN-WIN-lening bij PMV

0,18

inkomenscompensatie hinder openbare werken

0,79 10,80

4,06

0,14

WIN-WIN lening

5,58

FWO, Kom op tegen Kanker

1,00

STEM

2,50

Technopolis site Mechelen

4,57

10,00

Beheersvergoeding PMV Sport

0,92 0,35

30,00

FWO FRIS IT-aanpassingen WECOM 3. Totaal

63,37 5,00

Hinderpremie

EFRO/Interreg

totaal

0,20 1,00 89,4

100,0

115,4

120,0

424,8

1.3. De recurrente opstap van 280 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019 In de begroting 2019 werd er een opstap van 280 miljoen euro voorzien voor het beleidsdomein EWI. Hiervan werd 171,57 miljoen toegewezen aan het departement EWI. De grootste beleidsimpulsen worden gegeven aan FWO (40 miljoen), BOF (35 miljoen), IOF (20 miljoen), beleidsagenda’s Artificiële Intelligentie en Cybersecurity en de ICON-call Personalised Medicine (57 miljoen euro samen). Er werd 105,5 miljoen euro toegewezen aan het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO. De grootste impuls werd hier gegeven aan het clusterbeleid (20 miljoen euro), de onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten (30 miljoen euro), en de Moonschot klimaat (20 miljoen euro). Meer details staan in Tabel 62.

236


Tabel 62 Toekenning van de recurrente opstap van 280 miljoen euro in 2019 vanuit het Departement EWI en vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro)

Toegewezen via Departement EWI FWO BOF (Bijzondere Onderzoeksfondsen) IOF (Industriële Onderzoeksfondsen) Flanders Make (in kader nieuwe beheersovereenkomst) VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee) Plantentuin Meise FRIS (Flanders Research Information Space) bij department EWI Transfers naar Fonds Innoveren en Ondernemen

O&O 170,07 40,00 35,00

1,50 3,07 32,00 20,00 5,00 5,00 103,50 6,00

Moonshot klimaat (Vlaanderen CO2-arm in 2050) STEM-beleid Opstart nieuw Vlaams clusterbeleid O&O bedrijfsprojecten Baekeland (prédoc)- en Innovatiemandaten (postdoc) bij bedrijven Collectief O&O en Collectieve Kennisverspreiding (COOCK)

20,00 2,50 20,00 30,00 15,00 10,00

Totaal

totaal 171,57

20,00 6,50 2,00 1,50

Beleidsplan Artificiële Intelligentie Beleidsplan Cybersecurity Gepersonaliseerde geneeskunde - eenmalige ICON-call Open Science-beleid kennisinstellingen Toegewezen via het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO Hogescholen (PWO-middelen in 2017 en Kennisdiffusie-instrument in 2019)

ECOOM (addendum beheersovereenkomst) PMV (in kader van Flanders Future Tech Fund en InvestEU) Toegewezen aan VLAIO VLAIO-werking Toegewezen aan FWO FWO-werking (hervorming panels)

andere 1,50

0,00 0,00 273,57

1,93

105,43

0,88 1,05 2,00 2,00 1,00 1,00 6,43

2,00 1,00 280,00

1.4. De

investeringsenveloppe van 120 miljoen euro voor het beleidsdomein EWI in 2019

In de begroting 2019 werd de provisie voor investeringen in “O&O en het bedrijfsleven” van 115 miljoen euro uit 2018 verhoogd met 5 miljoen euro. Er werden dus investeringsmiddelen ten belope van 120 miljoen euro voorzien in 2019. Vijf miljoen euro werd toegekend aan een provisie bij het Departement EWI, de rest werd geplaatst op een provisie bij het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO. De tabel hieronder toont in detail de investeringsprovisie van 120 miljoen euro voorzien in de begroting 2019.

237


Tabel 63 Overzicht toekenning van de investeringsprovisie 2019 vanuit het Departement EWI en het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro)

Vanuit het Departement EWI ILVO: investeringssubisidie voor het bouwen van een nieuwe proefaccommodatie pluimvee ITG: investering in infrastructuur voor een insectarium VLIZ: éénmalige investeringssubsidie Ocean Innovation Space WECOM (call) Vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO VLIZ – gebouw (Innov Ocean Campus) 100 Gigabit VON (supersnelle internetverbindingen voor kennisinstellingen) Project Stressy – Stress in the city (via imec) Project Internet of Water (via imec/VITO) Project I-learn Vlaanderen (imec ondersteunt) EUROHpc (Europees high performance computing initiatief) Project Terra (energie- en patrimoniumdatabank van de publieke sector – open data) VLHORA Onderzoeksinfrastructuur – Hogescholen City of Things : imec smart retail dashboard FWO FRIS IT-aanpassingen VLIZ Bedrijventerreinen kmo-portefeuille STS (strategische transformatiesteun) Hinderpremie WIN-WIN lening Technopolis site Mechelen Beheersvergoeding Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) Sport Totaal

O&O 4,00

andere 1,00

Totaal 5,00

1,00 62,37

115,01

1,00 1,00 2,00 52;64 3,33 5,24 1,19 9,72 20,00 3,50 1,58 7,44 0,40 0,20 0,24

56,64

5,00 22,27 15,00 4,06 4,57 10,00 0,92 0,35 63,37

120,01

1.5. Begrotingsopmaak 2020 Bij de start van de nieuwe Vlaamse legislatuur 2019-2024 vertrok de - in oktober 2019 nieuw gevormde coalitie van N-VA, cd&v en Open Vld - bij de begrotingsopmaak 2020 met een negatieve beleidsruimte van 603,8 miljoen euro 64. Door het nemen van begrotingsmaatregelen ten belope van 726,3 miljoen euro werd een netto beleidsruimte gecreëerd. Maar aangezien er tevens voor 553,6 miljoen euro nieuwe beleidsmaatregelen werden genomen, sluit de begrotingsopmaak 2020 af met een tekort van -431,1 miljoen euro.

64 Zie Toelichtingen bij de middelenbegroting en de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap bij het begrotingsjaar 2020 en bij de aanpassing van de middelenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2019. Algemene Toelichting. Parlementair stuk 13 (2019-2020) – Nr 1 ingediend op 8 november 2019, p. 12-13.

238


Om de gestelde begrotingsdoelstelling voor het begrotingsjaar 2020 te halen diende de Vlaamse regering n.a.v. de begrotingsopmaak 2020 dus begrotingsmaatregelen te nemen ten belope van 726 miljoen euro voor alle beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid samen. Deze begrotingsmaatregelen situeren zich in vier categorieën: 1. 2. 3. 4.

Fiscaliteit – hervormingen: 80 miljoen euro Efficiëntie en kerntaken: 265 miljoen euro Milderen van bepaalde groeipaden in de uitgaven: 100 miljoen euro Punctuele maatregelen: 279 miljoen euro

Ook het beleidsdomein EWI diende bij te dragen tot die begrotingsdoelstelling en diende begrotingsmaatregelen (besparingsmaatregelen) te nemen in drie van de vier voormelde categorieën: 1.

efficiëntie en kerntaken: • • • •

2.

Besparing op de personeelskredieten binnen het beleidsdomein EWI (-260.000 euro bij het Departement EWI en VLAIO) Besparing op de werkingskredieten binnen het beleidsdomein (-74.000 euro bij het Departement EWI en VLAIO) De niet-indexering van de werkingsmiddelen van de door het beleidsdomein EWI gesubsidieerde instellingen (betreft de niet-indexering van de niét-loongebonden kredieten; -13,1 miljoen euro) Generieke 6%-besparing op de subsidies verstrekt door het beleidsdomein EWI (- 64,8 miljoen euro) milderen van bepaalde groeipaden in de uitgaven:

• 3.

Overslaan opstappen integratie hogescholen en universitairen (- 5 miljoen euro) punctuele maatregelen:

•

Vermindering van subsidies Economie t.b.v. – 73 miljoen euro (vermindering subsidiepercentage KMO-portefeuille 23 miljoen euro; vermindering subsidies via Fonds Innoveren en Ondernemen 10 miljoen euro; vermindering van de provisie binnen het Fonds Innoveren en Ondernemen 40 miljoen euro) Bij deze besparingsmaatregelen werden de O&O-uitgaven maximaal ontzien en werden de besparingen dus geconcentreerd op de uitgaven voor economie. Maar het beleidsdomein EWI geniet in 2020, in gevolge het afgesproken groeipad, ook van nieuwe middelen voor nieuwe beleidsimpulsen 65: • 20 miljoen euro nieuwe middelen voor beleidsimpulsen; • 10 miljoen euro investeringsmiddelen. De 20 miljoen euro nieuwe middelen worden vooral ingezet om de generieke 6%-subsidiemaatregel bij een aantal instellingen te verzachten en het overblijvende saldo gaat naar het FWO. Concreet worden onderstaand de correcties op de generieke besparing van 6 % op de subsidies - vanuit de 20 miljoen euro nieuwe middelen – weergegeven: a.

b.

65

Sommige instellingen worden vrijgesteld van de 6%-besparing: i. UNUCRIS ii. Werking en informatica van het FWO iii. het VLIZ iv. het Klinisch wetenschappelijk onderzoek bij het FWO v. strategisch onderzoekscentrum Flanders Make en VITO vi. Waarborgbeheer NV Voor andere instellingen is de besparing lager dan de 6%:

Zie parlementair stuk 15 (2019-2020) Nr 5 – E pagina 10. 239


i. Flanders Technology International ii. VIB (slechts besparing 2%) iii. IMEC c.

Het saldo dat na deze vrijstellingen en milderingen van de besparingen van de 20 miljoen euro nieuwe middelen over schiet, wordt bestemd voor het FWO (5,6 miljoen euro). Ook de 10 miljoen euro aan nieuwe investeringsmiddelen worden bestemd voor het FWO. Op deze wijze wenste de minister het signaal te geven dat de Vlaamse regering blijft investeren in lange termijn fundamenteel onderzoek die de basis vormt voor later toegepast onderzoek en mogelijke maatschappelijke en/of economische valorisatie. We wijzen er ook op dat de dotaties voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen en de Industriële Onderzoeksfondsen van in het begin uitgesloten waren van de besparingen. Zij blijven dus ook in 2020 volledig genieten van de budgettaire opstappen toegekend in 2019 ten belope van respectievelijk + 35 miljoen euro (BOF) en +20 miljoen euro (IOF).

240


Bijlage II: Overzicht van de Collectieve Onderzoekscentra (BERD Collectieve Centra), Publieke Onderzoekscentra (GOVERD), en Particuliere Not for Profit Instellingen (PNP) en Hoger Onderwijs (HE) in het kader van de GERD-berekening. Collectieve Onderzoekscentra Collectieve centra bevatten zowel sectorale centra (die uitgesplitst worden naar de drie gewesten), autonome centra als competentiepolen: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Centexbel (textielnijverheid) – Vlaams Gewest Sirris (technologische industrie) – Vlaams Gewest OCW (wegenbouw) – Vlaams Gewest WTCB (bouw) – Vlaams Gewest Wetenschappelijk en Technisch onderzoekscentrum voor Diamant (WTOCD) CRM (metallurgie) - Vlaams Gewest Belgische instituut voor de Lastechniek Koninklijk Belgisch Instituut tot verbetering van de biet Proefcentrum Fruitteelt vzw Proefcentrum voor de Sierteelt Proefstation voor de Groententeelt vzw BECETEL Inagro Proefcentrum voor Groententeelt - O,-Vlaanderen Nationale Proeftuin Witloof Vlaams Centrum voor de bewaring van tuinbouwproducten –VCBT Proefcentrum voor de aardappelteelt Vlaams Instituut voor de Logistiek (VIL) Strategisch Initiatief Materialen (SIM) Flanders District of Creativity (Flanders DC) Clusta vzw Vlaams Instituut voor de Mobiliteit Flanders Synergy Dierengezondheidszorg Vlaanderen (toegevoegd aan repertorium) Vlaams Adviescentrum voor Sensoriek van Voedingsmiddelen en Contactmaterialen/SENSTECH (toegevoegd aan repertoruim)

241


Publieke Onderzoekscentra Deze omvatten de vijf ‘grote’ onderzoekscentra, de Vlaamse wetenschappelijke instellingen gelegen in het Vlaams Gewest, de federale onderzoeksinstellingen die in het Vlaams Gewest gelegen zijn , en de lokale onderzoeksinstellingen die aan de provincie gelinkt zijn: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Departement Toegepaste Elektronica – Landmacht Alg. Rijksarchief en het Rijksarchief in de Provinciën - Vlaams Gewest Bodemkundige Dienst van België Studiecentrum voor Kernenergie – Mol Koninklijk Museum voor Midden-Afrika Plantentuin Meise Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Flanders Hydraulics Research Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek imec VIB Iminds (nog afzonderlijke entiteit in 2015) Flanders Make (toegevoegd aan repertorium – ontstaan uit FMTC en Flanders Drive) Vlaams Instituut voor de Zee Hooibeekhoeve Proefbedrijf voor de veehouderij Vlaams GebarentaalCentrum vzw (toegevoegd aan repertorium) Strategische projectenorganisatie Kempen (toegevoegd aan repertorium) Joint Research center Institute for Reference Materials and Measurements (JRC-IRMM)- Geel (vroeger PNP nu GOVERD)

Onderstaande Vlaamse onderzoeksinstellingen zijn gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun O&O inspanningen worden dan ook bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgenomen in plaats van bij het Vlaams Gewest: • • • • • •

• •

242

Studiedienst Vlaamse Regering Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België Agentschap Onroerend Erfgoed Stichting Innovatie & Arbeid -SERV Instituut Samenleving & Technologie Kenniscentrum Welzijn Vlaams Vredesinstituut (toegevoegd aan repertorium)


Particuliere Not for Profit Instellingen De particuliere non-profit instellingen bevatten semi-publieke instellingen, particuliere internationale instellingen uit het Vlaams Gewest: • • • • • • • • • • • • •

instellingen en

Vlaamse compostorganisatie (VLACO) Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde Mobiel 21 vzw Vormingscentrum voor de begeleiding van het jonge kind Transfusion Research Center Onderzoekcentrum kind en samenleving Passiefhuis Platform Orpheus Instituut vzw OLV Ziekenhuis Aalst Von Karman Institute for Fluid Dynamics Waterstofnet Bio Base Europe Pilot Plant vzw (toegevoegd aan repertorium) Agrobeheerscentrum ecokwadraat vzw (toegevoegd aan repertorium)

243


Hoger onderwijs Het hoger onderwijs omvat naast de universiteiten en de hogescholen de zelfstandige universitaire onderzoekscentra uit het Vlaamse Gewest. De belangrijkste wijziging in het hoger onderwijs is de integratie van de academische hogeschoolopleidingen in de universiteiten binnen de sector hoger onderwijs: • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Katholieke Universiteit Leuven Universiteit Gent Universiteit Antwerpen Universiteit Hasselt Stichting Born-Bunge Instituut voor Tropische Geneeskunde Life Research Foundation Vlerick Management School UNU-CRIS Centrum voor Agrarische Geschiedenis Centrum voor Innovatie en Stimulatie van Medicijnontwikkeling (CISTIM) Research in Advanced Medical Informatics and Telematics (RAMIT) Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen Karel de Grote-Hogeschool - Katholieke Hogeschool Antwerpen Thomas More Kempen/Mechelen/Antwerpen Katholieke Hogeschool Leuven Hogeschool Gent Odisee (campus(sen) Vlaanderen) PXL Hogeschool Katholieke Hogeschool Limburg Hogeschool West-Vlaanderen - Vlaamse autonome hogeschool Vives Noord/Zuid Hogere Zeevaartschool Arteveldehogeschool LUCA- School of Arts (campus(sen)Vlaanderen) Antwerp Management School (toegevoegd aan repertorium)

Voor het hoger onderwijs wordt er ook soms een gemeenschapsbenadering gebruikt (niet voor internationale vergelijkingen), waarbij ook de cijfers van Vlaamse instellingen uit het hoger onderwijs uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijkomend opgenomen zijn: • • • •

244

Vrije Universiteit Brussel Erasmushogeschool Brussel LUCA- School of Arts (campus(sen) Brussel) Odisee (campus(sen) Brussel)


Bijlage III: Definities van de 32 indicatoren in het Europees Innovatie Scorebord

245


246


247


248


249


250


251


252


Figuren Figuur 1 Organogram van de Vlaamse overheid: 10 beleidsdomeinen .................................................................................. 12 Figuur 2 Overzicht van de vastleggingskredieten binnen de Vlaamse begroting per beleidsdomein bij begrotingsopmaak 2021 (in duizend euro)............................................................................................................................................ 13 Figuur 3 Overzicht van de financiële overheidsstromen (vastleggingskredieten) binnen het Vlaams economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in 2021 ................................................................................................................. 18 Figuur 4 Schumpeter-model .......................................................................................................................................................................... 19 Figuur 5 Klassiek lineair innovatiemodel .............................................................................................................................................. 20 Figuur 6 ‘Triple Helix’-model ......................................................................................................................................................................... 21 Figuur 7 Overgang van ‘Triple Helix’ naar ‘Quadruple Helix’ ..................................................................................................... 22 Figuur 8 (Kennis)uitwisselingsrelaties tussen de vier actoren van het Quadruple Helix-model ............................ 23 Figuur 9 Sociale, ecologische en economische duurzaamheid als doelstelling in het Europese O&O&I-beleid ...................................................................................................................................................................................................................................... 24 Figuur 10 Transformatief innovatiebeleid: derde generatie ....................................................................................................... 25 Figuur 11 Het ‘Quadruple Helix’-model .................................................................................................................................................... 26 Figuur 12 Actoren in het Vlaamse EWI 'Quadruple Helix' O&O&I-model ............................................................................. 28 Figuur 13 Overzicht van de belangrijkste financiële stromen binnen het Vlaams economisch, wetenschapsen innovatiebeleid in 2021 volgens het Vlaamse EWI ‘Quadruple Helix’-model .............................................................. 29 Figuur 14 Evolutie van de O&O-intensiteit (in % bbp)................................................................................................................... 30 Figuur 15 O&O-bestedingen naar uitvoeringssector (Vlaams Gewest, 2009-2019, in miljoen euro) ...................... 31 Figuur 16 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% .... 34 Figuur 17 De twee drijvers van economische groei......................................................................................................................... 35 Figuur 18 bbp in volume, reële economische groei voor het Vlaams Gewest (1996 – 2026) ..................................... 37 Figuur 19 Synthese aanbevelingen Economisch Adviescomité juli 2020 ............................................................................. 38 Figuur 20 Een 'ondernemend ecosysteem' -benadering ............................................................................................................... 39 Figuur 21 Belangrijkste instrumenten en budgetten 2021 in het O&O&I-landschap gesitueerd op een assenkruis; () = mio € ....................................................................................................................................................................................... 42 Figuur 22 Organogram beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie ........................................................ 47 Figuur 23 Gigarant: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen (cumulatief). ................... 59 Figuur 24 Waarborgregeling: toegestaan waarborgbedrag, kredietbedrag en investeringsbedrag (miljoen euro) ........................................................................................................................................................................................................................... 61 Figuur 25 Waarborgregeling: waarborgbedragen (miljoen euro) versus aantal verbintenissen ............................ 62 Figuur 26 Winwinlening: bedragen (in miljoen euro) versus aantal verbintenissen .................................................... 62 Figuur 27 Evolutie van het Investeringsvolume (in 1000 euro) en het aantal investeringsdossiers LRM, 2005 2020 ........................................................................................................................................................................................................................... 64 Figuur 28 Bereik Vlaams clusterbeleid in 2020 .................................................................................................................................. 76 Figuur 29 Overzicht beleidskredieten FIT 2008 – 2020 (miljoen euro) ................................................................................ 89 Figuur 30 Wereldwijde netwerk van FIT ............................................................................................................................................... 92 Figuur 31 Structuurfondsen per doelstelling en per periode (in miljoen euro) ..............................................................109 Figuur 32 Budget per prioriteitsas van het operationeel programma (2014-2020; in miljoen euro).................. 110 Figuur 33 Organogram van het beleidsdomein EWI ............................................................................................................ 117 Figuur 34 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Wetenschappelijk onderzoek – Excellentie voor alles (PROG EE) 2008-2021i (miljoen euro).......................................................................... 123 Figuur 35 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (PROG EF) 2008-2021i (miljoen euro) .......................................................................... 129 Figuur 36 Middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid uit het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (PROG EG) 2008-2021i (miljoen euro) ............................................................. 133 Figuur 37 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma “duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (prog EC) 2008-2021i" (miljoen euro) ................................................. 135 253


Figuur 38 Middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid uit het programma apparaat (prog EA) 20082021i (miljoen euro).......................................................................................................................................................................................... 136 Figuur 39 Procentuele verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid 2021 (initieel) van het beleidsdomein EWI over de vijf begrotingsprogramma’s, bedragen in miljoen euro en %................... 138 Figuur 40 Procentuele verdeling van de begrotingsmiddelen voor het W&I-beleid over de verantwoordelijke entiteiten Departement EWI en VLAIO (budget in miljoen euro; 2021i).............................................................................. 139 Figuur 41 Middelen voor het wetenschapsbeleid uit het beleidsdomein OV (in miljoen euro) ............................. 143 Figuur 42 Evolutie van het wetenschaps- en innovatiebeleid per financier (2008 - 2021i; in miljoen euro) . 149 Figuur 43 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2021) (miljoen euro)..............................................................................................................................................................................152 Figuur 44 Verdeling van de middelen in 2021i voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid ....................................................................................................................................... 154 Figuur 45 Verdeling van de middelen in 2021i van Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) over de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid .............................................................................................................................................................................. 154 Figuur 46 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (WIB) 2021i volgens de ministeriële bevoegdheden .......................................................................................................................................................................... 156 Figuur 47 Verdeling van de middelen voor Onderzoek en Ontwikkeling (O&O) 2021i volgens de ministeriële bevoegdheden ..................................................................................................................................................................................................... 157 Figuur 48 Verdeling O&O-budget 2021i volgens NABS-classificatie ....................................................................................... 158 Figuur 49 Verdeling O&O-budget 2021i volgens geaggregeerde NABS-klassen ............................................................... 159 Figuur 50 Evolutie aandeel gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2021i ................................................................ 161 Figuur 51 Evolutie van de kredieten voor gericht versus niet-gericht onderzoek 1995-2020i (in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................162 Figuur 52 Aandeel van de verschillende categorieën bij begrotingsopmaak 2021 ....................................................... 164 Figuur 53 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) ...................................................................................................................................................................................................... 165 Figuur 54 Evolutie van relatief aandeel van de verschillende categorieën ten opzichte van het totale O&Obudget .....................................................................................................................................................................................................................165 Figuur 55 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) 2021i .................... 167 Figuur 56 Evolutie van de werkingsuitkeringen aan de universiteiten (miljoen euro) van 1993 tot 2021i ..... 168 Figuur 57 Verdeling van de middelen voor wetenschap en innnovatie van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven 2021, initieel ..........................................................................................................................................................170 Figuur 58 Evolutie van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 1989 tot 2020i (in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................184 Figuur 59 Procentueel aandeel van de verschillende overheden bij begrotingsopmaak 2020i ............................ 185 Figuur 60 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de bedrijfsvoorheffing (in miljoen euro)............................. 186 Figuur 61 Evolutie van de fiscale uitgaven O&O via de vennootschapsbelasting (in miljoen euro) ................... 186 Figuur 62 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD) 2019, uitgedrukt in % BBP(R) .....................................................................................................................................................................................................................................188 Figuur 63 Internationale vergelijking van de civiele GBARD (excl. defensieonderzoek): verhoudingen economische ontwikkeling, gezondheid en omgeving, onderwijs en maatschappij, ruimtevaartprogramma’s, niet-georiënteerd onderzoek en algemene universiteiten, voor het jaar 2019 ............................................................... 189 Figuur 64 Evolutie van O&O kredieten t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% .. 193 Figuur 65 Groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBP(R) volgens verschillende scenario’s...................................... 194 Figuur 66 Het effect van jaarlijkse opstappen van 50, 100, 150, 200, 250 en 300 miljoen euro op de O&Ooverheidskredieten t.o.v. het BBP(R) ...................................................................................................................................................... 194 Figuur 67 Evolutie van O&O kredieten op basis van de verwachte opstappen t.o.v. BBP en groeipad van de O&O kredieten t.o.v. BBPR naar 1% ......................................................................................................................................................... 196 Figuur 68 Vlaamse Veerkrachtmiddelen via beleidsdomein EWI: 631 miljoen euro .................................................... 202

254


Tabellen Tabel 1 Overzicht van de belangrijkste overheidsmiddelen (vastleggingskredieten) voor het economisch, wetenschaps- en innovatiebeleid in brede zin bij begrotingsaanpassing 2018 en 2019, 2020 en begrotingsopmaak 2021 (in miljoen euro) ............................................................................................................................................. 15 Tabel 2 GERD in miljoen euro (in lopende prijzen) en als percentage van het bruto binnenlands product voor het Vlaams Gewest (BBPR) (ESR2010-rekeningenstelsel) .............................................................................................................. 30 Tabel 3 GERD voor het Vlaamse Gewest in miljoen euro (in lopende prijzen)................................................................. 31 Tabel 4 Wie voert de O&O-activiteiten uit? Het aandeel van de BERD en non-BERD in de GERD voor het Vlaams gewest (gebaseerd op lopende prijzen). ............................................................................................................................... 32 Tabel 5 Wie financiert de O&O-activiteiten? Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (in % bbp) ................................................................................................................................................................ 32 Tabel 6 Directe en indirecte overheidssteun voor O&O bij ondernemingen in Vlaanderen in 2017 (i.e., de meest recente data over indirecte overheidssteun), in miljoen euro.................................................................................................. 33 Tabel 7 Totaal eigen O&O-personeel in voltijdse equivalenten ................................................................................................ 34 Tabel 8 Overzicht van de belangrijkste budgettaire maatregelen voor het economisch beleid voor 2018 na begrotingsaanpassing, begrotingsopmaak 2019, 2019 na begrotingsaanpassing, begrotingsopmaak 2020, 2020 na begrotingsaanpassing en begrotingsopmaak 2021 (in miljoen euro) ................................................................ 50 Tabel 9 Strategische Transformatiesteun volgens provinciale verdeling (2020) ............................................................ 53 Tabel 10 Kmo-portefeuille: verdeling van subsidie en aantal steunaanvragen per dienst in 2020 (bedragen in euro) .......................................................................................................................................................................................................................... 54 Tabel 11 Kmo-groeisubsidie: subsidieplafond en subsidiepercentage per type steun .................................................. 54 Tabel 12 Kmo-groeisubsidie: verdeling goedgekeurde dossiers naar grootte van de onderneming .................... 55 Tabel 13 Compensatie indirecte emissiekosten volgens provincie van de vestiging .................................................... 55 Tabel 14 Aantal toekenningen en budget voor premie volgens type (bedragen in miljoen euro) ........................ 56 Tabel 15 Overzicht van de voorwaarden voor speerpuntclusters en innovatieve bedrijfsnetwerken................. 75 Tabel 16 Portfolio van gesteunde speerpuntclusters....................................................................................................................... 77 Tabel 17 Benutting van geoormerkte middelen door de speerpuntclusters in 2020 ..................................................... 77 Tabel 18 Evolutie Clusterprojecten van de speerpuntclusters ....................................................................................................78 Tabel 19 Portfolio van gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken die afliepen in 2019 en 2020 ........................... 82 Tabel 20 Portfolio van gesteunde innovatieve bedrijfsnetwerken die doorlopen in 2021 ....................................... 82 Tabel 21 Stand van zaken van de uitvoering van het programma eind 2020...................................................................111 Tabel 22 Recurrente opstapmiddelen en bijkomende investeringsmiddelen in 2021 voor het beleidsdomein EWI (in miljoen euro).......................................................................................................................................................................................122 Tabel 23 Overzicht van de onderzoeksmiddelen van het FWO per pijler bij begrotingsaanpassing begrotingsopmaak 2021, in miljoen euro.............................................................................................................................................124 Tabel 23 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma “Wetenschappelijk onderzoek Excellentie voor alles” (kredieten in miljoen euro) .........................................................................................................................125 Tabel 24 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma Meer innovatie, kenniscreatie en kennisvalorisatie (kredieten in miljoen euro) .............................................................................................................................130 Tabel 25 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma Een groter draagvlak voor creativiteit, wetenschap en technologie (kredieten in miljoen euro) .................................................................................. 134 Tabel 26 Overzicht van de overige structurele partners en projectsubsidies 2021 (beeld 1/7/2021) .................. 134 Tabel 27 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma duurzaam economisch weefsel, het faciliteren van ondernemerschap (kredieten in miljoen euro)........................................................................................ 135 Tabel 28 Kredietlijnen 2020 (definitief) en 2021 (initieel) van het programma apparaat (kredieten in miljoen euro) ......................................................................................................................................................................................................................... 137 Tabel 29 Verdeling van de middelen voor het wetenschaps-en innovatiebeleid begrotingsaanpassing 2020 en begrotingsopmaak 2021 in het beleidsdomein EWI (miljoen euro) ................................................................................ 138

255


Tabel 30 Verantwoordelijkheid voor de begrotingsmiddelen voor het wetenschaps- en innovatiebeleid 2021, initieel in het beleidsdomein EWI (in miljoen euro) voor departement en VLAIO ........................................................ 139 Tabel 31 Overzicht van de geldstromen voor 2019 (in euro) .....................................................................................................142 Tabel 32 Kredietlijnen 2020 (BA) en 2021i (initieel) voor het wetenschapsbeleid van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming (kredieten in miljoen euro) ....................................................................................................................... 144 Tabel 33 Middelen voor wetenschapsbeleid van de andere beleidsdomeinen 2020 initieel (in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................146 Tabel 34 Aandeel van de drie financiers in het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en innovatiebeleid (HBPWIB) bij begrotingsopmaak 2021 (miljoen euro en procentueel) .............................................. 148 Tabel 35 Evolutie van de O&O middelen van 2009 tot 2021 (in miljoen euro) ............................................................... 148 Tabel 36 Evolutie van het Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps- en Innovatiebeleid (HBPWIB) (1993-2021) (miljoen euro)..............................................................................................................................................................................152 Tabel 37 Verdeling Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid (HBPWIB) voor de definitieve begroting 2020 (2020) en voor begrotingsopmaak 2021 (2021i), over de beleidsdomeinen, gerangschikt volgens afnemend krediet voor wetenschap en innovatie in 2020i (miljoen euro) ...................... 155 Tabel 38 Categorisatie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten naar initiatiefnemer* ......................................... 163 Tabel 39 Evolutie van de Vlaamse O&O-overheidskredieten volgens de categorisatie naar initiatiefnemer (miljoen euro) ...................................................................................................................................................................................................... 165 Tabel 40 Verdeling van het totale budget van het HBPWIB (miljoen euro) ..................................................................... 166 Tabel 41 Niet-gericht onderzoek via FWO, BOF en Hercules (50%) (miljoen euro) 2021i ........................................... 167 Tabel 42 Werking universiteiten en gelijkgestelde instellingen (miljoen euro) 2021i .................................................. 169 Tabel 43 Kredieten voor wetenschap en innovatie (hoofdzakelijk O&O) van nieuwe technologieën ten behoeve van het bedrijfsleven (miljoen euro), 2021i ...................................................................................................................... 171 Tabel 44 Wetenschappelijke instellingen, departementale diensten en Vlaamse Openbare Instellingen (miljoen euro), 2021i ............................................................................................................................................................................................................ 172 Tabel 45 Horizontale initiatieven en beleidsondersteunend onderzoek en studies (miljoen euro), 2021i ....... 173 Tabel 46 Allerhande uitgaven in verband met het globale wetenschapsbeleid (miljoen euro), 2021i ............... 174 Tabel 47 Evolutie O&O-intensiteit Vlaanderen (ESR2010 rekeningenstelsel), meest recente cijfers (juni 2021) ......................................................................................................................................................................................................................................181 Tabel 48 Evolutie van de GERD van 2007 tot 2019 (% van bbp) ..............................................................................................181 Tabel 49 Privaat en publiek gefinancierde GERD van 2017 (% van BBP) ............................................................................ 182 Tabel 50 Overzicht van de overheidskredieten voor O&O per overheid van 2005 tot 2020i (in miljoen euro) .....................................................................................................................................................................................................................................184 Tabel 51 Internationale vergelijking van de O&O-overheidskredieten (GBARD), uitgedrukt in % BBP(R) ........ 187 Tabel 52 Evolutie O&O-inspanningen en O&O-inspanningen als % BBP-Vlaanderen ................................................. 192 Tabel 53 Verwachte evolutie van de O&O-kredieten op basis van de aangekondigde opstappen/investeringen .....................................................................................................................................................................................................................................195 Tabel 55 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht en ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht en Europees gefinancierd worden: ingedeeld in 'clusters' van projecten (in miljoen euro) ........................................................................................................................................................................ 200 Tabel 56 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar NIET ingebracht worden in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (in miljoen euro) ................................................................................................. 201 Tabel 57 Dossiers die vallen onder het Relanceplan Vlaamse Veerkracht maar geen beroep doen op de 4,3 mio € financiële middelen die werden uitgetrokken (in miljoen euro) ............................................................................. 201 Tabel 58 Recurrent nieuw beleid 2015 - 2019 (in miljoen euro) voor alle Vlaamse bevoegdheden samen .... 232 Tabel 59 Jaarlijkse investeringsenveloppen 2015 - 2019 (in miljoen euro) ........................................................................ 233 Tabel 60 Uitsplitsing van de recurrente opstap van 500 miljoen euro in de jaren 2015 - 2019........................... 233 Tabel 61 Overzicht van de investeringsprovisies voor de jaren 2016 – 2019 (in miljoen euro) ............................. 235 Tabel 62 Toekenning van de recurrente opstap van 280 miljoen euro in 2019 vanuit het Departement EWI en vanuit het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro)....................................................................... 237

256


Tabel 63 Overzicht toekenning van de investeringsprovisie 2019 vanuit het Departement EWI en het Fonds Innoveren en Ondernemen bij VLAIO (in miljoen euro).............................................................................................................. 238

257


Glossarium ABH Agentschap voor buitenlandse handel

CERN Europese Raad voor Kernonderzoek

AMS

CFS/STAT

Antwerp Management School

Commissie Statistiek CJSM

AO Agentschap Ondernemen VLAIO Agentschap voor Innoveren en Ondernemen ARKimedes ARK = Activering RisicoKapitaal ARKIV private fondsen die investeren in beloftevolle kmo’s AWEX Waals Agentschap voor de uitvoer en de buitenlandse investeringen B2B Business-to-business BAN Business Angels Network BAN Vlaanderen Business Angels Network Vlaanderen BBB

Federale

Samenwerking

voor

Beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media DAR Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid ECOOM Expertisecentrum O&O monitoring EEN European Enterprise Network EFRO Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling EMBO European Molecular Biology Organisation ESA European Space Agency ESF Europees Sociaal Fonds ESFRI

BBP

European Strategy Forum on Research Infrastructures EU

Bruto Binnenlands Product

Europese Unie

BBP(R)

EU 2020

Bruto Binnenlands Product (per regio)

Europa 2020 strategie

BERD

EU-28

Business Expenditures on Research and Development BIE

de 28 EU-Lidstaten sedert 2014

Beter Bestuurlijk Beleid

Brussels Invest & Export Bizidee Bizidee is een Ondernemingsplanwedstrijd in Vlaanderen, een initiatief van het Agentschap Ondernemen BMI Belgische Maatschappij voor Internationale Investering BOF

EUROSTAT Statistical Office of the European Union EVA Extern Verzelfstandigd Agentschap EWI Beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie FB Beleidsdomein Financiën en Begroting

Bijzonder Onderzoeksfonds

259


FFEU

iMinds

Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eénmalige Investeringsuitgaven FFI

The Interdisciplinary Institute for Broadband Technology (former IBBT) INBO

Flanders Fashion Institute

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

FINMIX

Innotek

FinancieringsMix

Innovatie-, Technologie- en Kenniscentrum

FIT

IOB

Flanders Investment and Trade

Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en beheer IOF

FTI Flanders Technology International vzw FWO Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen GBARD Government Budget Appropriations on Research and Development GOVERD Government intramural expenditures on R&D GSC Groene stroomcertificaten GUF algemene universiteitsfondsen HE Hogere Entiteiten HBPWIB Horizontaal Begrotingsprogramma Wetenschaps-en innovatiebeleid HERD Higher Education intramural Expenditure on R&D Hermesfonds Fonds voor Flankerend Economisch Beleid HUB Hogeschool-Universiteit Brussel ICT Thematische prioriteit ‘Informatie- en communicatietechnologieën’ van het Zevende Kaderprogamma IES Instituut voor Europese Studies IJS Instituut voor Joodse Studies ILVO Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek imec Interuniversitair Micro-Electronica Centrum

260

Industrieel Onderzoeksfonds ITG Instituut voor Tropische Geneeskunde iV Beleidsdomein Internationaal Vlaanderen IVA Intern Verzelfstandigd Agentschap IWT Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie KB Beleidsdomein Kanselarij en Bestuur KMDA Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen kmo kleine en middelgrote onderneming(en) KMSKA Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen KU Leuven Katholieke Universiteit Leuven LED Laagdrempelige Expertise- en Dienstverleningscentra LNE Beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie LRM Limburgse Reconversiemaatschappij LV Beleidsdomein Landbouw & Visserij MINA-fonds Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur MOW Beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken


NABS

SOFI

Nomenclatuur voor de analyse en vergelijking van wetenschapsbegrotingen en -programma's NERF

Spin-Off FinancieringsInstrument

Neuro-Electronics Research Flanders NVAO Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie O&O Onderzoek en Ontwikkeling OBPWO Onderwijskundig Beleids- en Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek, OCMW Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn OESO Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OV

STRES Strategische ecologiesteun STS Strategische Transformatie Steun TBM Toegepast Biomedisch Onderzoek met een primair maatschappelijke finaliteit TETRA TEchnologie TRAnsfer TGO Transformationeel Geneeskundig Onderzoek TINA-fonds Transformatie, Innovatie en Acceleratiefonds tUL transnationale Universiteit Limburg TWOL

OVAM

Toegepast Wetenschappelijk Onderzoek Leefmilieu UA

Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij

Universiteit Antwerpen

PBB

UHasselt

Preventief BedrijfsBeleid

Universiteit Hasselt

PMV

UNESCO

ParticipatieMaatschappij Vlaanderen

United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization UNIZO

Beleidsdomein Onderwijs & Vorming

PNP Private Nonprofit PWO Praktitabejkgericht Wetenschappelijk Onderzoek PXL

Unie van Zelfstandige Ondernemers UNU Universiteit van de Verenigde Naties VAF

Hogeschool PXL

Vlaams Audiovisueel Fonds

RWO

VAPH

Beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed SAR

Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap VCK

Strategische AdviesRaad

Vlaams Centrum voor Kwaliteitszorg

SBO

VDAB

Strategisch Basisonderzoek

Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ViA

SERV Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen SIFO Sociaal Investeringsfonds SIOS Strategische Investerings- en Opleidingssteun

Vlaanderen in Actie - Pact 2020 VIB Vlaams Instituut voor Biotechnologie VIF Vlaams Infrastructuur Fonds

261


VIN Vlaams Innovatienetwerk VIONA Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering VITO Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek VLAM Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing Vlerick Vlerick Business School VLIR Vlaamse Interuniversitaire Raad

Vlaams Ondernemerschapsbevorderend Netwerk VREG Vlaamse Regulator voor Elektriciteits- en Gasmarkt VRT Vlaamse Radio- en Televisieomroep VRWI Vlaamse Raad voor Wetenschap en Innovatie VUB Vrije Universiteit Brussel VZW Vereniging zonder winstoogmerk W&T

Vlaams Instituut voor de Zee

Wetenschap en Technologische dienstverlening WIB

VLM

Wetenschaps- en innovatiebeleid

Vlaamse Landmaatschappij

WSE

VLOOT

Beleidsdomein Werk en Sociale Economie

VLIZ

Vlaamse Overkoepelende Organisatie voor Technologieverstrekkers VLUHR Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad

WVG

Vlaamse Milieumaatschappij

Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ZAP

VON

Zelfstandig Academisch Personeel

VMM

262


Medewerkers Beleidsdomein Kanselarij & Bestuur | Dieter Vanhee, Jacques Nicole, Jeroen Dejonckheere, Stuyk Karen. Beleidsdomein Financiën & Begroting | Frederik Delecluyse. Beleidsdomein Internationaal Vlaanderen | FIT: Francis Baert; Toerisme Vlaanderen: Sandra Geerts, Hans Hamelaer. Beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie | alle medewerkers van het Departement EWI; VLAIO: Yves Schouwaerts, Yves Dierckx, David Grzegorzewski, Erik De Gendt; PMV: Frank Kindt; LRM: Paulien Souveryns, Jeroen Bloemen; Gimv: Lut Van Renterghem. Beleidsdomein Onderwijs & Vorming | Melisa Avci; Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen: Linda Chan, Karel De Temmerman Beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin | Natalie Stragier, Koen Devroey, Marcel Lauwers, Lisse De Blick, Heidi Cloots, Jacob Koenraad, Herwig Deumens, Iris De Schutter, Marc Van Nuffel; VAPH: Ann Van Den Abbeele; Kind & Gezin: Tina Capiau. Beleidsdomein Cultuur, Jeugd, Sport en Media | Marijke De Wit, Bert Van Raemdonck, Truyens Jasper, Caroline De Pauw, Hilde Billiet, Maarten Vandekerkhove; KMSKA: Dieter Lampens, Marijke Smeets. Beleidsdomein Werk en Sociale Economie | Johan Troch; socrowd: Ludo Dhelft; Trividend: Sybile Vancoillie. Beleidsdomein Landbouw en Visserij | Els Soenen; VLAM: Thierry Wylleman. Beleidsdomein Omgeving | Philippe Van Haver; Joris Vaneetvelt, Valery Stevens, Ann Beckers, Peter Putteman, Lien Vanden Driessche; Vlaams Energieagentschap: Jan Vereecke, Wim Buelens; VREG: Jimmy Loodts; OVAM: An Van Pelt; VLM: Veerle Verguts, Koen Desimpelaere, Dirk Van Gijseghem; VMM: Dirk Van Brussel, Krista Van Malder; aquafin: Joke Callens. Beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken | Ilse De Schutter, Frank Mostaert, Lieve Van de Water.

263


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook