Historische tuinen en parken IVlaanderen >*v>4
t^l^v
*&*J&
JKI
Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw: Geetbets, Hoegaarden, Kortenaken, Landen, Linter, Tienen, Zoutleeuw
r%
; VLAAMSE OVERHEID 1 Agentschap R-O Vlaanderen i Onroerend Erfgoed
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris
Vlaams-Brabant
Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw
Historische tuinen en parken van Vlaanderen Inventaris
Vlooms-Brobant
Zuidoostelijk Brabant - Haspengouw Geetbets, Hoegaarden, Kortenaken, Landen, Linter, Tienen, Zoutleeuw
Résumés frangais - English summaries
Roger Deneefjo Wijnant, Greta Paesmans, Paul Kempeneers, Lutgart Vrancken, Jacques Herlinde De Jaeck, André Cresens, LucVan Eeckhoudt, Chris De Maegd, Monique Siscot, José Arnauts, Hubert Pitsaer &. Alphonse Cartuyvels
Eindredactie & synthese: Roger Dene e f
Vlaamse Overheid — Agentschap R-O Vlaanderen Onroerend Erfgoed Brussel 2008
Halflants,
Dit boek verscheen in 2008 en werd uitgegeven door de Vlaamse Overheid - Agenschap R - O Vlaanderen Onroerend Erfgoed
Auteurs Roger Deneef, Jo Wijnant, Greta Paesmans, Paul Kempeneers, Lutgart Vrancken, Jacques Halflants, Herlinde De Jaeck, André Cresens, Luc Van Eeckhoudt, Chris De Maegd, Monique Siscot, José Arnauts, Hubert Pitsaer & Alphonse Cartuyvels Met medewerking van Louis Blockx, Julia Meulemans, José Huypens (oude ansichtkaarten) en Jacques Halflants (reconstructietekening)
Lay-out Bart Delva (drukkerij-uitgeverij 'die Keure', Brugge)
Coördinatie & concept Luc Tack
Eindredactie & synthese Roger Deneef
Fotografie Oswald Pauwels, Kris Vandevorst, Jo Wijnant, Roger Deneef, Herman Loosen, Greta Paesmans, Andre Cresens, Guido Eckelmans
Correctie Marijke Hoflack
Verantwoordelijke uitgever: Luc Tack Vlaamse Overheid — Agentschap R-O Vlaanderen — Onroerend Erfgoed Koning Albert Il-laan 19 bus 3, 1210 Brussel - tel. (02) 553 16 11 - fax (02) 553 16 05 Niets uir deze uitgave mag op enigerlei wijze worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteurs en de uitgever.
D/2OO8/3241/1OI
ISBN NUR
978-90-403-0275-6 648
INHOim
Voorwoord Inleiding DEFINITIES
I l
BRONNEN, INTERNE VERWIJZINGEN EN AFKORTINGEN
II
WAT ZIJN MERKWAARDIGE BOMEN?
12
INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE
I2
BEVINDINGEN
I3
GEETBETS (Geetbets) H O F VAN VLIERBEEK
I8
KASTEEL VAN BETS - ELSMEREN
21
WAALZEKER
26
PASTORIE VAN DE SINT-PAULUSKERK
28
VILLA LORIERS
30
VILLA CEYSSENS
32
LANDGOED ARNAUTS
34
VILLA COENEN
36
KASTEEL VAN TALLON
37
SlNT-ROCHUSKAPEL
39
GEETBETS (Rummen) ORIËNTE
40
KLEINE BERG
43
TER LENEN
46
PASTORIE VAN DE SINT-AMBROSIUSKERK
50
KASTEEL VAN RUMMEN
54
HOEGAARDEN (Hoegaarden) KASTEEL VAN OVERLAAR
57
MARIADAL
60
KAPITTELHUIS - VLAAMSE TOONTUINEN
66
PASTORIE VAN DE SINT-GORGONIUSKERK
70
HOEGAARDEN (Meldert) KASTEEL VAN MELDERT
72
HOEGAARDEN (Sint-Katarina-Houtem) HOEVE VAN PETEN
88
KORTENAKEN (Kersbeek-Miskom) KASTEEL VAN KERSBEEK
89
HOGEMEYER
93
H E T KASTEELTJE
97
KORTENAKEN (Kortenaken) VROENHOVEN
99
KORTENAKEN (Ransberg) KASTEEL VAN RANSBERG (A SPECULO) .
105
KORTENAKEN (Waanrode) KASTEEL VAN WAANRODE HOEVE VANDERVELPEN
108 I 13
LANDEN (Attenhoven) Huis
ROBYNS
I 14
LANDEN (Ezemaal) PACHTHOF PERSOONS,,
I 16
LANDEN (Landen) RUFFERDINGE KASTEEL HOOLEYCK .
I 19 121
LANDEN (Neerwinden) KASTEEL VAN NEERWINDEN VlLLATUIN MlDDELWlNDENSTRAAT 8 .
124 130
LANDEN (Overwinden) PASTORIE VAN DE SINT-ALDEGONDISKERK
31
LANDEN (Rumsdorp) PITSAERMOLEN
132
LANDEN (Waasmont) KASTEEL VAN WAASMONT
35
LANDEN (Walsbets) JANSHOVEN
139
LANDEN (Walshoutem) KASTEEL VAN PIERCO
42
L1NTER (Neerhespen) KASTEEL VAN NEERHESPEN
144
L1NTER ( N e e r l i n t e r ) KASTEEL VAN NEERLINTER PASTORIE VAN DE SINI-FOLIANUSKERK
148 15
L1NTER (Orsmaal) H O F TEN STEEN
153
L1NTER (Overhespen) VILLA GOOSSENS
155
L1NTER (Wommersom) KASTEEL VAN WOMMERSOM.
M&L
57
TIEMEN (Goetsenhoven) DEN AST
161
TIENEN (Hakendover) PASTORIE VAN DE SINT-SALVATORKERK
I 65
KASTEEL VAN HAKENDOVER - TEN HAGHEDORNE
I 67
DOMEIN TEN LANGVELD
I 71
TIENEN (Kumtich) PASTORIE VAN DE SINT-GILLISKERK
174
HERENHUIS SMOLDERS
175
HOEVE TASSIN
176
TIENEN (Oorbeek) KASTEEL VAN OORBEEK
17 8
TIENEN (Oplinter) KLEIN HOE TER MEREN
I 83
TIENEN (Tienen) STADSPARK - HORTUS THENENSIS
I 85
VOORMALIG AUGUSTIJNENKLOOSTER
200
SINT-JORISPARK
Huis
VAN CHANTRIJN
202
204
H E T OOIEVAARSNEST / ONZE-LIEVE-VROUWINSTITUUT
206
HULS VELDBORNSTRAAT 5
209
BEGIJNHOFCONVENT HUIS POTTERIJSTRAAT 10
210 21 3
VOORMALIG WITTEVROUWENKLOOSTER
2 14
HUIS AANDORENSTRAAT 37 VESTEN
2 I 7 218
VIANDERDOMEIN
222
TIENEN (Vissenaken) PASTORIE VAN SINT-PIETERSBANDEN
225
GUNNINGEN
227
VILLA DELVAUX
230
ZOUTLEEUW (Budingen) KASTEEL VAN PARDON
232
ZOUTLEEUW (üormaal) KASTEEL DE SCHRYNMAKERS
234
ZOUTLEEUW (Halle-Booienhoven) VILLA MARIE-BERNARD
237
ZOUTLEEUW (Zoutleeuw, Halle-Booienhoven) H E T VINNE
238
ZOUTLEEUW (Zoutleeuw) VILLA VAN GOIDTSNOVEN
243
VILLA ARNAUTS
246
VILLA FINEAU
249
M&L
Résumés
25 1
Summaries
257
Kaarten met situering van de besproken tuinen en parken
262
Overzicht van kwaliteiten en kenmerken
265
Personenregister
268
Dankwoord
272
vnnRwnnRn
Het vijfde inventarlsdeel over Vlaams-Brabant behandelt de historische tuinen en parken In het zuidoosten van de provincie, het 'Haspengouwse' gedeelte, dat geografisch, bodemkundig, cultuurhistorisch en landschappelijk nauw aansluit bij het zuiden van Limburg en het Waalse 'Hesbaye'. Voor de streek rond Sint-Truiden werd al in 2003 een inventaris gepubliceerd (1), terwijl de gepubliceerde delen van 'Inventaire des Pares et jardins historigues de Wallonië' (2) de aangrenzende gebieden aan de overzijde van de taalgrens bestrijken. Vergelijkingen en extrapolaties naar een ruim gebied zijn voortaan mogelijk. Wie de gepubliceerde delen van de Inventaris en de inventaire naast elkaar legt zal ongetwijfeld vaststellen dat (r)evoluties en stijlveranderingen in de tuincultuur - bijvoorbeeld de overgang van strak geometrische tuinen naar landschappelijke, 'Engelse' parken - een algemeen Europees fenomeen zijn. Naarmate men echter Inzoomt op bepaalde regio's en afdaalt naar het locale niveau, ontdekt men specifieke regionale en lokale kenmerken en varianten. Onder meer het 'herenboerenparkje' - een In de late 19de eeuw aangelegd landschappelijke tuin In de schaduw van de 'gecastelllseerde' vleugel van een gesloten vlerkanthoeve - Is Iets wat men bulten Haspengouw-Hesbaye zelden aantreft, ook niet In de meer westelijke gedeelten van de Belgische leemstreek (3). Dat dergelijke Inzichten voor het beleid en de dagelijkse zorg voor het patrimonium van essentieel belang zijn, hoeft geen betoog. Het is mij ook opgevallen dat In dit boek een domein wordt besproken, dat wellicht een plaats verdient In de Europese tulngeschiedenls: de door Louis Van der Swaelmen in 1910 ontworpen functionele heraanleg van de onmiddellijke omgeving van het kasteel van Meldert met een parterre, die de modernistische tuin van het Interbellum aankondigt. Het cultuurhistorisch belang van dit ontwerp, dat ondanks decennialange verwaarlozing talrijke sporen heeft nagelaten en allicht een restauratie of zelfs reconstructie verdient, wordt door de auteurs op overtuigende wijze aangetoond. Ook de andere teksten In dit boek, gebaseerd op grondig terrein-, literatuur- en archiefonderzoek, overstijgen meestal het niveau van de droge zakelijke beschrijving.
.
/ Dirk VAN MECHELEN De Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening
(1) DE MAEGD C., Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg, deel I: Gingelom, Halen, Herk-de-Stad, Nieuwerkerken, Sint-Truiden, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2003, 235 pp. (2) de HARLEZ de DEULIN N. e.a., Porcs et jardins hlstorlques de Wallonië. Inventaire. Tome 1: Province de Liége.Arrondissements de Huy et de Waremme, Region wallonne. Division des monuments sites et fouilles, 1993, 269 pp.; IDEM, Porcs et jardins hlstorlques de Wallonië. Inventaire. Tome 5: Province de Brabant Wallon. Arrondissement de Nlvelles, 2003, 224 pp. (3) Zie DENEEF R. e.a.. Historische tuinen en parken van Vlaanderen: zuidwesten van Vlaams-Brabant - het Pajottenland (M&L Cahier nr. 11), Brussel, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2005, 304 pp.; de HARLEZ de DEULIN N. e.a Pares et jardins hlstorlques de Wallonië, vol.2, province de Halnaut, arrondissements de Ath, Tournol, Mouscron-Comlnes, Region wallonne, Division des monuments sites et fouilles,, 1997, 258 pp.
^7*v* -ï'^-^-r
^mst
-jKV*»^
M
1*^.
m
W :
^r. •**f'*^:.
<&:. m . >
•
-
.
Rozentuin bij de voormalige pastorie van Rummen (foto R. Deneef, 2006)
•
•
. .
|
iiMiFiniNfi
Definities Voor ons is "tuin: omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden" (eerste betekenis in: http://www.vandale.nl/current). In eerdere edities van het 'Groot Woordenboek der Nederlandse taal' (bijvoorbeeld die van 1984) werd ook het behoren "bij een huis en daaraan sluitende, of het omgevende" als essentieel onderdeel van de definitie gegeven. In dat geval zouden volkstuintjes, kerkhoven, begraafplaatsen... ten onrechte buiten de definitie vallen. Voor de definities van park en plantsoen verlaten we ons echter op de oude uitgaven: "Park: terrein bij of om een kasteel of landhuis, bestaande uit bos en weiland, meestal door vijvers en kunstmatige aanleg verfraaid." (tweede betekenis in: Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). "Plantsoen: aanleg met bomen en planten als openbare tuin, publieke wandelplaats" (3de betekenis in: Van Dale, Croof Woordenboek der Nederlandse taal, 1992). Deze definities van tuin en park sluiten nauw bij elkaar aan en we vinden ze niet alleen in Franse en Engelse taaiwoordenboeken terug, maar ook in de vakliteratuur, zowel in de oudere, bijvoorbeeld bij j . Vacherot (Les pares et jardins au commencement du XXe siècle, ^908) als in recente, bijvoorbeeld in de Glossary of Garden history van M. Symes (1993), in de Dictionnaire historique de l'art des jardins van M. Conan (z.d., 1997?) en in jardin - Vocabulaire typologique et technique van M.-H. Bénetière (2000). Wij zullen 'tuin' en 'park' zo consequent mogelijk gebruiken om een verschil in schaal en intensiteit (of intensiviteit) aan te geven: intensief, min of meer kleinschalig (tuin) versus extensief, grootschalig (park). Voor 'h/stor/sc/i'verkiezen we de derde definitie van de 'Petit Robert' (uitgave 1983): "Qui est ou mérite d'etre conserve par l'histoire" - een pseudodefinitie die niets afbakent, maar in de teksten hopen wij duidelijk te maken waarom het de moeite waard was om een bepaalde tuin of een bepaald park in de inventaris op te nemen. De term 'dubbelhuis'wordt
gebruikt voor een huis met een symmetrisch uitzicht en grondplan:
een oneven aantal traveeën (drie, meestal vijf, soms tot negen) met de voor- en achterdeuren in het midden - een woningtype dat vooral in de 18de en de eerste helft van de 19de eeuw in zwang was.
Bronnen, interne verwijzingen en afkortingen Alle vermelde kadastrale documenten werden geraadpleegd in het archief van het Kadaster- Directie Brabant, Stevensstraat 7 te 1000 Brussel. Andere bronnen en vindplaatsen van archiefmateriaal worden bij name genoemd. Soms wordt verwezen naar de beschrijving van een ander domein dat aan bod komt in dit inventarisdeel: in dat geval wordt de naam van het domein gevolgd door een asterisk (*). - DLG = voluit Dépót de la Guerre et de la Topographie, opgericht in 1831, in 1878 opgevolgd door het ICM. - ICM = Institut Cartographique Militaire, in 1976 opgevolgd door het huidige NCI. - NGI = Nationaal Geografisch Instituut.
Wat zijn merkwaardige bomen? Onder de titel 'Merkwaardige bomen' worden voor enkele domeinen bomen opgesomd gevolgd door hun stamomtrek. Deze bomen worden merkwaardig geacht wegens hun afmetingen, ouderdom en/of de zeldzaamheid van de soort of variëteit - vaak cultuurvariëteit ('cultivar'). Het meetgetal wordt in het vet afgedrukt. In België wordt de stamomtrek doorgaans gemeten op 150 cm boven het maaiveld. Door de aanwezigheid van gesteltakken, knobbels, aanwassen... moet hij soms op een andere, meestal lagere, hoogte worden gemeten. In dat geval wordt het vet gedrukte stamomtrekgetal gevolgd door een tweede getal tussen haakjes, dat staat voor de afwijkende meethoogte. De regels die gevolgd werden bij het meten van bomen - ook op hellingen of bij scheefgezakte, vanaf de grond vertakte of zelfs liggende exemplaren... - worden uiteengezet in: R. DENEEF & A. DE HAECK, Borsthoogten en stamomtrekken door de eeuwen heen, p. 26-48 in: Jaarboek van de Belgische Dendrologische Vereniging 1996. Het nummer voor de naam van de boom is het nummer dat we binnen elke tuin of park aan elke geregistreerde boom hebben toegekend en dat ook voorkomt op de plattegrond die we voor elk domein hebben uitgetekend. Deze plattegronden kunnen geraadpleegd worden in het archief van de Inventaris te Leuven (Agentschap RO-Vlaanderen, Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Waaistraat 1, 3000 Leuven). Bij de determinatie van bomen en struiken werd meestal gebruikgemaakt van: - BOOM B.K., Nederlandse dendrologie (12de druk), Wageningen, Veenman & zonen, 1982. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Laubgehölze (3 delen), Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1976-1978. - KRÜSSMANN C , Handbuch der Nadelgehölze, Berlin-Hamburg, Verlag Paul Parey, 1972. Soms van: - REHDER A., Manual of cultivated trees and shrubs (2nd ed.), New-York, MacMillan Publishing Co, 1974. - MITCHELL A., A field guide to the trees of Britain and northern Europe, London, Collins, 1992.
invalshoeken en werkwijze Cultuurhistorische, artistieke, architecturale, esthetische, sociaal-economische, dendrologische, tuinbouwkundige en zelfs ecologische aspecten (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) kregen in deze inventaris een belangrijke rol toebedeeld. Potentieel interessante objecten werden opgespoord aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, oude kaarten (bijvoorbeeld de Ferrariskaart, oude stafkaarten) en terreinonderzoek. Ook relicten van grotendeels verdwenen tuinen en parken werden besproken, met name het Sint-jorispark en het voormalig augustijnenklooster te Tienen. De schaal en de functie van de objecten kunnen zeer uiteenlopend zijn, van kleine moes- of villatuinen tot parken en (niet in dit inventarisdeel) tuinwijken van bij de honderd hectare. Het Vinne te Zoutleeuw (80 hectare) werd in de inventaris opgenomen omdat het tweemaal het voorwerp was van grootschalige aanleg: de drooglegging en de omzetting in landbouwgrond in 1841 en het 'natuurontwikkelingsproject' van 2004. In beide gevallen werd de vormgeving niet alleen bepaald door respectievelijk economische en ecologische, maar ook door esthetische uitgangspunten. Ook 20ste-eeuwse creaties kregen aandacht, in dit inventarisdeel de aanleg rond het kasteel van Meldert naar ontwerp van Louis Van der Swaelmen, het Vianderdomein te Tienen en de heraanleg van de tuin voor het kasteel van Neerhespen door Jacques Wirtz. Het terreinonderzoek omvatte een gedetailleerde inventaris van bomen, architecturale kenmerken en elementen zoals zichtassen en panorama's, parkmeubilair in de ruimste zin van het woord, paviljoens, kunstmatige heuveltjes en ander architecturaal microreliëf. Ook de spontane plantengroei (flora, vegetatie) kreeg aandacht. Aan het opmeten en beschrijven van bomen werd relatief veel tijd besteed, voor sommige domeinen zoals het stadspark van Tienen (voormalige 'Hortus Thenensis') of het kasteelpark
van Meldert zelfs meerdere dagen. De stamomtrek van bomen kan tot op zekere hoogte als dateringsmiddel worden aangewend. Niet zelden kon een verband worden gelegd tussen de diverse generaties van aanplantingen en de opeenvolgende aanleg- en bouwcampagnes. Het belang van dit soort 'dendrochronologie' bij park- en tuininventarisaties werd al eerder benadrukt door Tom Williamson (Garden history and systematic survey, p. 59-78 in: Garden history. Issues, approaches, methods. Washington D.C., 1992). Archiefonderzoek is onontbeerlijk. Het archief van het kadaster bleek de voornaamste en vaak de enige beschikbare bron van historische gegevens. Bij de datering van gebouwen, landschapselementen, afbraak en heropbouw speelden de kadastrale opmetings- of mutatieschetsen (beschikbaar vanaf 1833) een belangrijke rol. Normaliter worden die opgemaakt binnen het jaar na de wijziging in de toestand van een perceel, maar enkele keren kwam het voor dat er veel meer dan één jaar verlopen was tussen een belangrijke verbouwing en de registratie ervan. Bovendien stelden we vast dat bepaalde wijzigingen in het landschap, bijvoorbeeld van contouren van vijvers of padentracés, in het geheel niet of pas veel later tot het kadastrale beeld zijn doorgedrongen. De datering bij middel van kadastrale gegevens werd dus zoveel mogelijk gecontroleerd en gecorrigeerd aan de hand van andere bronnen, zoals jaarstenen in de gevel, militaire topografische kaarten, getuigenissen van de eigenaars of notariële akten.
A De dreef naar het kasteel vaan
Met 'primitieve' kadasterkaart wordt de eerste kadasterkaart met de hedendaagse nummering
Oorbeek met In
(zonder exponenten) bedoeld, opgesteld tussen 1815 en 1830. Het gaat dus niet noodzakelijk om de
!80 aan geplante
oudste kadasterkaarten, zoals de niet genummerde 'plans géométriques' uit de Franse periode, die we
(foto 0. Pauwels,
voor Kortenaken hebben teruggevonden. De 'primitieve legger' en 'primitieve eigenaar' refereren aan de
zomerllnden 2007)
eigendomstoestand en de perceelsbeschrijving, die in 1831 het uitgangspunt vormden voor het nog steeds vigerende systeem. Om 'primitief' in kadastrale zin te onderscheiden van de meer gangbare betekenissen, zullen we het woord met een hoofdletter schrijven: Primitieve kadasterkaart. Onderzoek van oud beeldmateriaal zoals prentbriefkaarten, familiekiekjes, etsen, litho's... bleek bijzonder vruchtbaar, omdat zij een inkijk geven in het dagelijkse leven tijdens de hoogdagen van tuinen en parken. Slechts in twee gevallen - het kasteelpark van Meldert en het stadspark van Tienen ('Hortus Thenensis') - was er een archief met ontwerpen of aanlegplannen voorhanden en/of kon de naam van de ontwerper worden achterhaald.
Bevindingen Dit inventarisdeel omvat zeven gemeenten in het zuidoosten van de provincie Vlaams-Brabant met een totale oppervlakte van bijna 327,2 vierkante kilometer en met 81.000 inwoners. Tienen is de enige belangrijke agglomeratie; de graad van verstedelijking en de verstedelijkingsdruk binnen dit
M&L
^
gebied is in vergelijking met de rest van het Vlaamse gewest aan de lage kant. Het grootste gedeelte van het inventarisgebied ligt immers in de leemstreek, een gebied dat aansluit bij het Limburgse en het Waalse Haspengouw, één van de vruchtbaarste en oudste cultuurgebieden van België, met talrijke sporen uit de Callo-Romeinse tijd - niet alleen in de vorm van tumuli, maar ook met een wegenpatroon, waarin de centuratio's van het Romeinse kadaster nog doorschemeren. Het wordt gekenmerkt door grootschalige, vrijwel ongerepte kouters en kleine, regelmatig verspreide dorpen. De zandlemige noordrand van het gebied (gemeenten Kortenaken en Ceetbets) kent een meer uitgesproken lint- en morsbebouwing. De inventarisatie van deze zeven gemeenten leidde tot de selectie van 76 parken, tuinen, tuintjes en plantsoenen van zeer uiteenlopende aard, functie, historische achtergrond en schaal - van kleine villatuinen van amper twintig are tot grote kasteelparken zoals dat van Meldert (50 hectare) en - buiten categorie - het Vinne te Zoutleeuw (circa 80 hectare). Ook nu is gebleken dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken - zelfs na een ingrijpende landschappelijke, 19de-eeuwse 'fase' - in hoge mate schatplichtig zijn aan de primitieve vorm of de functie van het object waaromheen ze aangelegd werden of gegroeid zijn. Landschapsgenetische aspecten wogen minstens even sterk door als stijl- of modetrends. Een rudimentaire 'genetische' typologie en classificatie bevinden zich achteraan in het boek. De 'landschappelijke' heraanleg in de loop van de 19de eeuw is in enkele gevallen niet veel meer dan recyclage van oude elementen: De moestuin, een onbetaalbare luxe
een beek wordt verbreed en opgestuwd zoals in het kasteelpark van Meldert of dat van Hakendover.
— de ïoormalige
De dubbelstructuur met ringgrachten van de feodale motte blijft niet zelden herkenbaar, zoals rond het
moestuin bij het
kasteel van Bets te Ceetbets, Ter Lenen te Rummen, het kasteel van Neerlinter of het kasteel van Overlaar
kasteel Hooleyck te Landen (foto 0. Pauwels, 2007)
te Hoegaarden. Op het vrij beperkte belang van brede cultuurstromingen, literaire teksten zoals de
'Georglca' van Vergllius, handboeken en essays over tuinaanleg om veranderingen in de tuin- en parkaanleg te verklaren, werd - in een Engelse context - al gewezen door de voornoemde Tom Williamson. In parken en tuinen wordt in de eerste plaats geleefd; financiële overwegingen, kostenafwegingen, recreatiebehoeften, landbouwstructuren en de economische en sociale structuur van de plaatselijke gemeenschap waren belangrijke vormdeterminanten. Deze vaststelling geldt des te meer voor het gebied dat in dit inventarisdeel wordt besproken: de financiële draagkracht (en culturele horizon) van de bouwers van parken en tuinen in de 19de eeuw was vrij beperkt. België heeft nooit een bloeiende slavenhandel gekend en kreeg pas in 1908 een kolonie. Geldgebrek, overlijden of veranderingen in de ruimere omgeving zoals de aanleg van een nieuwe steenweg, konden lang gekoesterde ambities en plannen doen verzanden of ombuigen (bijvoorbeeld in het landgoed Hogemeyer te Kersbeek-Miskom). Het aandeel van de 'herenboerenparken' - kleine landschappelijke tuinen die vanaf 1850 werden aangelegd bij grote boerderijen, vaak gecombineerd met een brouwerij of een distilleerderij - is vrij groot (10 op de 76 geïnventariseerde objecten). Dit geldt trouwens voor de hele oostelijke leemstreek (inclusief Limburgs en Waals Haspengouw). Opvallend onder de bouwheren is ook het aantal notarissen (12), die zich meestal niet veel meer konden permitteren dan een riante villa omgeven door een klein park. De meeste van deze tuinen zijn verkleinde versies van de late landschappelijke tuin. Het 50 hectare grote kasteelpark van Meldert, rond 1850 aangelegd door een kapitaalkrachtige, adellijke familie (maar absentee owners), en de 'Hortus Thenensis' (nu stadspark van Tienen), een unieke plantencollectie gebaseerd op het persoonlijk fortuin van een diplomaat met belangen in de suikerindustrie, zijn uitzonderlijke gevallen. In het gebied komen geen voorbeelden van goed bewaarde vroege landschappelijke aanleg voor. De 'jardins a l'anglaise'van de late 18de en de vroege 19de eeuw waren vaak het werk van een vooruitstrevende, vaak met het Franse bewind gelieerde of sympathiserende elite, die in het zuidoosten van Vlaams-Brabant grotendeels ontbrak. Het kasteelpark van Meldert (Hoegaarden), in 1845-1850 aangelegd door graaf d'Oultremont rond een neogotisch kasteel, is het oudste landschappelijke park van het inventarisgebied - een weids rivierlandschap met een rotscascade en eilandjes, zonder de kleinschaligheid van de oudste 'Engelse' tuinen. De 'rivier' was in feite een verbrede en opgestuwde beek. Meldert is ook een uniek geval van neofeodale zelfbediening: om dit park aan te leggen werd niet alleen 1 800 meter openbare weg geprivatiseerd, maar werd in volle landbouwcrisis ook het grootste gedeelte van het gehucht Keulen - een tiental daglonershuisjes met tuintjes - met de grond gelijkgemaakt. Neoformele en architecturale tuinstijlen zijn vrijwel afwezig. De revival van de regelmatig-geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw is aan het inventarisgebied grotendeels voorbijgaan. De 'style Duchêne' - naar de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne) heeft alleen bij het kasteel van Bets (Geetbets) en in het landgoed Vroenhoven (Kortenaken) sporen nagelaten. Interessante voorbeelden van aanleg geïnspireerd op de 'Nouveau jardin pittoresque' - een Belgisch uitvloeisel (opgericht in 191 3) van de 'Arts and Crafts'-beweging - werden evenmin gevonden. De door Louis Van der Swaelmen jr. in 1910 ontworpen functionele heraanleg van de onmiddellijke omgeving van het kasteel van Meldert met zwembad, golf, tennisveld, moestuin, bloemenweide, rozentuin en een 'straklijnige' parterre, vormt een apart geval, wellicht een voorafschaduwing van de modernistische tuin van het interbellum. Zoals blijkt uit de al gepubliceerde inventarisdelen was (en is) de pastorie een opvallende aanwezigheid in het dorpsbeeld in het oostelijke gedeelte van de provincie Vlaams-Brabant. Soms gaat het om een omwald en omgracht goed dat min of meer beantwoordt aan het model van een bescheiden 'huis van plaisantie' uit de 1 7de eeuw, meestal om een huis naar het model 'vivre entre cour et jardin' dat in de 18de eeuw opgang maakte (Hoegaarden, Neerhespen). Interessant is de voormalige pastorie van Rummen, resultaat van een poging om een 1 7de-eeuws gebouw met opkamer om te bouwen tot een 1 8de-eeuws dubbelhuis dat in het cour-jardinschema paste. Rond 1850 werden bovendien de meeste Oost-Brabantse pastorietuinen, een bij het huis aansluitend perceel met een padenkruis, uitgebreid naar het aanpalende 'pastoorsbosje', waarin een parkje met sierbomen en -struiken werd aangelegd. Dit is duidelijk zichtbaar te Neerlinter en min of meer ook te Rummen.
Van het tuinmeubilair, tuinvazen, beelden, paviljoenen... is in de meeste parken en tuinen weinig overgebleven en veel van wat werd aangetroffen, werd aangevoerd door de huidige, recente eigenaars. Dat is uiteraard niet alleen een gevolg van verwaarlozing. Antieke tuinornamenten liggen goed in de markt. Bij de situering, beschrijving en evaluatie van deze 'roerende' zaken werd daarom enige discretie aan de dag gelegd. Een uitdrukking van de toenemende belangstelling voor lichaamshygiëne, sport en openluchtleven, maar ook van de esthetische voorkeuren van de bouwheer of de ontwerper, zijn de zwembaden bij het kasteel van Meldert en het kasteel de Schrynmakers te Dormaal. Verbredingen en rechttrekkingen van wegen zijn nefast gebleken voor enkele tuinen en parken. Dat ging vaak ten koste van de randbeplanting - oude hagen of bomenrijen, dikwijls bruine beuken, soms van oude tuinmuren en hekken. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog, bij de opkomst van het autoverkeer, was er een opmerkelijke piek. De pas uitgebroken iepenziekte werd toen volgens sommigen niet zelden als alibi gebruikt om door massale vellingen van iepen aanpassingen van het wegennet mogelijk te maken en ze bovendien, dankzij de houtverkoop, te financieren. Een verbolgen commentator in het 'Maandelijks Bulletin van de Vereeniging voor Natuur- en Stedenschoon' (maart 1927, p. 33-34) was daar alleszins van overtuigd. Een bijzonder destructief moment was de 'macadamizering' van het wegennet aan het einde van de jaren 1940 en in de eerste helft van de jaren 1950, toen ook talloze secundaire wegen op een standaardbreedte van 5 of 6 meter werden gebracht en bochten werden afgesneden. Door het toenemende snelverkeer en de risico's die objecten langs de wegbermen vertegenwoordigen, is er bovendien steeds minder tolerantie ten opzichte van bomen. Door de heraanleg en de verbreding van de steenweg Tienen-Sint-Truiden na de Tweede Wereldoorlog verloren het domein Langveld te Hakendover, het kasteel de Schrynmakers te Dormaal en de tuin rond de Villa Marie-Bernard te Halle-Booienhoven een gedeelte van hun oorspronkelijke randbeplanting. Het is niet eenvoudig om zich een beeld te vormen van de veranderingen en verwoestingen die de opeenvolgende uitbarstingen van de iepenziekte sinds 1919 in onze parken en in het landschap in het algemeen hebben aangericht. Op de stadsvesten van Tienen waren ze ooit prominent aanwezig. De laatste ons bekende iependreef in Vlaams-Brabant - bij het kasteel van Snoy te Steenokkerzeel
(Meisbroek), de huidige 'Brabantse Golf' - is doodgegaan in 1983. De enige min of meer dikke iepen binnen het hier beschouwde gebied werden teruggevonden bij het kasteel Hooleyck te Landen en het kasteel van Hakendover. De opslag van bonte Engelse iep (Ulmus procera 'Argenteovariegata',) bij de Villa Delvaux te Vissenaken is waarschijnlijk een relict van grote iepen die ooit het park bij de villa hebben opgesierd. Historische tuinen en parken worden soms vanuit onverwachte hoek bedreigd. Bij de vaststelling van de gewestplannen in de jaren 1970 werden ettelijke landgoederen geheel of gedeeltelijk - vaak de met hoogstammige bomen beplante randzone - ingekleurd als 'woongebied', al dan niet met een 'landelijk karakter'. Dat leidde en leidt nog steeds tot de opdeling van tuinen en parken in dure bouwpercelen en de vernietiging van een groot deel van hun historische beplanting. Slachtoffers zijn vooral de typische, eclectische villa's uit de belle époque, omringd door relatief bescheiden parkjes, maar waarvan het volume en de kleur van de boomkruinen beeldbepalend zijn voor de straat of de wijk. Met hen verdwijnen ook de getuigen van een woonvorm die typisch was voor de bourgeoisie in de steden en voor de notabelen in het dorp. De astronomische schadeclaims die bij een eventuele bescherming (als monument, dorps- of stadsgezicht of landschap) kunnen worden opgeworpen, verijdelen elke poging tot behoud en zijn bovendien niet in verhouding tot de reële waarde van de goederen. Alleen al op grond van de vigerende gewestplannen verkeert ongeveer één vierde van de tot nog toe geïnventariseerde objecten in Vlaams-Brabant in een dergelijk geval; het aantal 'goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen' buiten de woongebieden is vooralsnog onbekend. Zuidoostelijk Vlaams-Brabant benadert dit gemiddelde: 19 van de 76 geïnventariseerde items worden stedenbouwkundig bedreigd. Het onderzoek van historische tuinen en parken is tot op zekere hoogte een vorm van archeologie: de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaaleconomisch bestel dat sinds de Tweede Wereldoorlog tot het verleden behoort. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals hagen en prielen - zijn dan ook de regel. De naoorlogse 'superette' heeft bovendien een fatale slag toegebracht aan de groente- en fruittuinen, die een belangrijk onderdeel vormden van nagenoeg alle tuinen en parken.
Roger Deneef
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) HOE VAN VLIERBEEK KASTEELLAAN S, 3 4 5 0 GEETBETS (PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
• De gele trompetboom op de binnenplaats (foto 0. Pauwels, 2007)
Landschappelijk park van 1 hectare 60 are, aangelegd In 1925 rond het voormalige leenhof van de abdij van Vlierbeek, met relicten van de oude ringgracht. Het leenhof van Vlierbeek, ook het Monnikenhof of Vlierbeeks Winning genoemd, behoorde tijdens het ancien régime toe aan de abdij van Vlierbeek bij Leuven, de grootste grondbezitter te Geetbets (1). O p de Ferrariskaart (1771-1775) wordt het afgebeeld als een bijna gesloten hoevecomplex op een omgracht perceel van iets meer dan één hectare. Het werd als 'nationaal goed' openbaar verkocht in 1798 aan een zekere de Lannoy, die het later doorverkocht aan Antoine Krösz, van Hongaarse afkomst, officier in het napoleontische leger. Krösz was bij de start van het Primitief kadaster nog steeds eigenaar van het Hof van Vlierbeek, samen met
144 hectaren gemeentelijk grondgebied (2). Het gebouwencomplex was omringd door percelen bouwland, weide en (binnen de ringgracht) boomgaard. Ongewoon groot (1 hectare 15 are) was het tuinperceel ten westen van het hof, dat twee relicten van een ringgracht omvatte. Krösz liet de hoeve renoveren in 1835, maar tot een eerste ingrijpende verbouwing kwam het pas in 1864 onder zijn opvolgers, de Antwerpse familie Bervoets. Het gebouwtje dat het complex aan de noordzijde afsloot, werd toen aanmerkelijk verdiept (3). In 1882 werd het Hof van Vlierbeek verkocht aan Pierre Craninx, hoogleraar aan de medische faculteit van de universiteit van Leuven, de bekendste bewoner (4). Notaris Paul Tallon liet in 1925 de verbouwing uitvoeren die tot het huidige uitzicht heeft geleid (5). De zijvleugels werden voor de helft afgebroken, zodat er twee afzonderlijke volumes ontstonden: het dienstgebouw met U-vormige plattegrond, een
• Hel voormalige
gesloten en
leenhof van de
omgracht complex
abdij van Vlierbeek
op de Ferrarlskaart
(door ons rood
(1771-1775)
Het Hof van Vlierbeek
aangestipt) als
na de verbouwing
soort van neerhof, min of meer symmetrisch ten opzichte van de inrijpoort en de brug over de overblijvende arm van de ringgracht; en de residentie (het in 1864 verdiepte gebouw) van baksteen en met witte steen omlijste gevelopeningen, met vijf traveeën onder een schilddak, de drie middelste geaccentueerd door lisenen, dakvensters en een met balustrades omgeven bordes. De aanbouwen, die sinds 1864 een binnenplaatsje omsloten, werden later grotendeels afgebroken. De achtergevel vertoont geen enkele versiering. Talion liet ook het huidige park van 1 hectare 60 are aanleggen en beplanten. Een zuidelijke oprijlaan, gekasseid en gedeeltelijk met zomerlinden (Tilia platyphyllos) afgezoomd, leidt vanaf de Kasteellaan via de poort in het neerhof tot voor het huis, dat verborgen ligt achter de brede, gele kroon van een laagvertakte trompetboom (Catalpa bignonioides 'AureaV- Een tweede oprijlaan vertrekt vanuit het
noorden, bij het hek in de Kwadestraat, en mondt u i t bij d e a c h t e r z i j d e v a n h e t h u i s . A a n d e z u i d w e s telijke en de noordoostelijke randen zijn nog sporen zichtbaar van de door Tallon aangelegde paden. Geen enkele boom is ouder dan 1925, ook niet de dikste bomen (meer dan 3 m stamomtrek) zoals de zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'LaciniatumV bij de noordelijke toegang. De ruimte ten noordwesten van het huis bestaat uit een open grasvlakte omzoomd door hoogstammig groen, onder meer twee tamme kastanjes met bont blad (Castanea sativa 'VariegataV. een zeldzame cultivar. De ruimten ten oosten en ten zuiden van het hof worden in beslag genomen door een min of meer dicht, gemengd plantsoen. Het bovenvermelde lindedreefje en een taxusprieel ten westen van het huis zijn de enige sporen van groene architectuur. De grafstèle en het grafkruis behoren vermoedelijk niet tot het oorspronkelijke 'parkmeubilair'. Twee doorgeschoten beuken (Fagus sylvatica) in de
(molled» losé Huypens, Dormaal)
1VI&L
NOTEN (1) BORGERS F., De feodaliteit te Geetbets. Etgen Schoon & De Brabander il, 1949, p. 58-60. WAUTERS A., Giographie et histom des communes heiges. Arrondissement de Louvain - canton de Léau, Bruxclles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1887), 1963, p. 173. LEUS G., De heren van Geetbets. Kroniek van de rijke historiek van een dorp "zonder"geschiedenis, Geetbets, Limes Gatia
i.s.m.
het
gemeentebestuur
van
Geetbets,
1999,
p. 272-275 en p. 368. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 156 nrs. 43-52. (3) Oudste kadastrale legger 212 Geetbebets art. 156 nr. 132 en art. 703 nrs. 11-15; kadastrale opmetingsschets Geetbets 1865 nr. 17. (4) Pierre Craninx (1803-1890). De 'Craninx-pil' werd tot in de jaren 1940 nog voorgeschreven bij de behandeling van chronische bronchitis; zie: BRUYNOGHE R., La faculté de médecine de Louvain. Revue médicale de Louvain nr. 13, 1942, p. 204-208. (5) Oude kadastrale legger 212A Geetbets, art. 2148 nrs. 13, 14 en
Relict van de ring-
57; kadastrale opmetingsschets Geetbets 1926 nr. 8.
gracht van het Hof van Vilerbeek (foto 0. Pauwels, 2007)
Twee doorgeschoten beuken met kronkelige takken (cultivar 'Tortuosa in de haag aan de zuidrand van het domein (foto R. Deneef, 2002)
haag die de zuidrand van het landgoed vormt, trekken de aandacht door hun kronkelige takken (cultivar 'Tortuosa'?). Merkwaardige bomen (opname 4 juni 2002) 1. tamme kastanje met bont blad (Castanea sativa 'VariegataV 279 2. tamme kastanje met bont blad (Castanea sativa 'VariegataV 192 3. moeraseik (Quercuspalustris) 2 6 7 11. zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'Laciniatum'j 3 1 3 41. gewone beuk (Fagus sylvatica) 130(120), kronkelige takken ('Tortuosa'?) 42. gewone beuk (Fagus sylvatica) 95(100), kronkelige takken ('Tortuosa'?) 65. trompetboom met geel blad (Catalpa bignonioides 'AureaV 245(50), kroon 20 m breed 66. canadapopulier (Populus x canadensis) 4 3 5
M&L
Roger Deneef, Jo Wijnant
Greta
& Jacques
Paesmans, Haljlants
GEETBETS (GEETBETS): KASTEEL VAN BETS - ELS1VIEREN WEG OP HALEN 2, 3450 GEETBETS (PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR HET PUBLIEK)
Het feodale Hof van Elsmeren werd in 1667 afgebroken en door het huidige kasteeicomplex vervangen; verbouwingswerken in de jaren 1880 gingen gepaard met de aanieg van een eerste landschappelijk park (1 hectare 73 are), de restauratie- en verfraaiingswerken in 1923-1927
met de uitbouw van neotra-
ditionele, regeimatig-symmetrische structuren (parterretuin op de binnenplaats van het neerhof, terras, watertuin) en de landschappelijke verfraaiing
(kleurrijke
solitairen en bomengroepjes) van de grotere omgeving.
Van feodale motte tot 'huis van plaisantie' Het "Thofter Elsemer", voor het eerst vermeld in 1365 (1), gaat vermoedelijk terug tot een feodale motte, een tweeledig omgracht complex bestaande uit twee 'eilanden': één voor de donjon of het hooghof en één voor het neerhof. O f het om het in 1299 vermelde kasteel van Bets {"castro de Bece") gaat (2), is niet zeker. Rond 1667 liet Jacques van de Ven, heer van Bets en rentmeester-generaal van de Staten van Brabant, het oude hof afbreken (3) en een nieuw kasteel bouwen, ongeveer volgens het huidige, bijna gesloten grondplan en met het huidige volume. Resten van het oude kasteel, onder meer funderingen en een gotische schouw, werden in het nieuwe verwerkt (4). Mogelijk werd alleen het neerhof heropgebouwd, want op de Ferrariskaart (1771-1775) is ten zuiden van het kasteeleiland nog een tweede, onbebouwd driehoekig eilandje zichtbaar, misschien een relict van het donjoneiland, waarvan de omtrekken min of meer
(S
Het kasteel van Bets op de Ferrariskaart (1771-1775)
- —-
,
«re a
ït> nro.d'ofm cmli Jetra • Net kasteel van Bets, reconstructietekening door Jacques Halflants op basis van de Ferrariskaart (1771-1775)
bewaard bleven in de zuidelijke grachtarm (perceel 170a). Het huidige aspect van de kasteelsite werd in belangrijke mate bepaald door 19de- en 20steeeuwse verbouwingen, maar de ligging, configuratie en volumes van de 17de eeuw werden zo goed als niet gewijzigd. Het merkwaardige hoektorentje in de zuidwesthoek van het kasteel getuigt nog van een oorspronkelijke 17de-eeuwse stijl. O p de Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door J.L. Voncken in 1828, heeft het driehoekige eiland plaats gemaakt voor een rechthoekig eiland iets meer naar het oosten (perceel 169). Het nieuwe kasteelcomplex had eveneens een tweeledige struc-
M&L
Het kasteel van
door J.L. Voncken
Bets op de
in 1829
Primitieve kadas-
(archief Kadaster
terkaart opgemaakt
Brabant, Brussel)
tuur: een residentieel gedeelte (zuid) en een neerhof (noord). Het rond 1800 herbouwde neerhot — dit wordt bevestigd door een sluitsteen met het jaartal 1806 — werd van de binnenplaats van het kasteel gescheiden door de wagenhuisvleugel, op de plaats waar vroeger een kapel zou hebben gestaan. Zowel op de Ferrariskaart als op de Primitieve kadasterkaart wordt in de boomgaarden en weiden ten zuiden van het kasteel, buiten de ringgracht, een langwerpige vijver (perceel 166) afgebeeld, 140 m lang en 25 m breed. Ten zuiden van dit 'kanaal' lag een tweede vijver (perceel 165). In de boomgaard ten zuidwesten van het kasteel lag nog een kleine, bijna vierkante vijver (perceel 176). De monumentale poorttoren aan de westkant van het complex - op de reconstructietekening van Halflants voorgesteld als een toren met ingesnoerde spits en lantaarn — vormde de ceremoniële toegang en de dreef, die van daar in westelijke richting vertrok en na 320 m aanknoopte bij het openbare weggennet (de Baanstokstraat). Een 12 m brede, door kanaaltjes afgezoomde, noord-zuidgerichte dreef (perceel 178) vormde en vormt nog steeds de westrand van het domein.
Bij de vaststelling van het Primitief kadaster in 1831 was het domein eigendom van de weduwe van de tien jaar eerder overleden Lambert de Ryckman, een van de belangrijkste grondbezitters van Geetbets (5). De gefortuneerde Luikse familie de Ryckman was al sinds 1696 in het bezit van de heerlijkheid Bets en het kasteel van Elsmeren. Het domein bleef tot 2002 in eigendom van de familie, die nog Ryckman de Betz genoemd wordt. De noordelijke arm van de ringgracht was gedempt. Het kasteel vormde het middelpunt van vier tuinpercelen, waaronder het eiland (perceel 169) en het perceel (nr. 175) dat op de reconstructietekening van Halflants als een omheinde, barokke siertuin wordt afgebeeld. 'Tuin' in de kadastrale legger betekent moestuin, maar de aanwezigheid van bloemen en sierstruiken is niet uitgesloten. Ten zuidwesten bevond zich een boomgaard met het vermelde rechthoekige vijvertje. Tussen steenweg en spoorlijn In 1860 registreert het kadaster verschillende veranderingen (6). Het wagenhuis dat het neerhof van de binnenplaats van het kasteel scheidde, werd afgebroken. Aan de oostzijde van het kasteelcomplex werden nieuwe dreven aangelegd, onder meer degene die na de voltooiing van de baan op Halen (circa 1890) de hoofdtoegang zal vormen. Belangrijk was ook de aanleg van de spoorweg Tienen-
Diest in 1878 (7), waardoor de oorspronkelijke hoofdingang aan de westzijde nog tot 1957 relevant zou blijven omdat, desgewenst, de trein ook bij de overweg van de oude oprijlaan stopte... Bij een volgende verbouwing in het begin van de jaren 1 880 ontstonden het middenrisaliet en het polygonale hoektorentje in de zuidgevel (de tuinzijde) van het kasteel en werd de poorttoren vervangen door een neoclassicistische poort (8). De oostelijke neerhofvleugel werd met 7 m ingekort, waardoor het complex een minder gesloten karakter kreeg. De oostelijke, als oranjerie of wintertuin bedoelde aanbouw, wordt in 1888 geregistreerd (9). De verbouwingen waren zo ingrijpend dat historicus Alphonse Wauters het kasteel enkele jaren later als een 'modern' gebouw zou omschrijven (10). Rond die tijd werd ook het tuineiland ten zuidoosten van het kasteel - nog afgebeeld op de stafkaart van 1 870 aan het grote kasteeleiland toegevoegd. Een met kleinbladige linden (Tilia cordata) beplant heuveltje getuigt van een poging om deze ingreep landschappelijk in te kleden. In 1885 duikt voor het eerst de term 'lustpark' op met betrekking tot het oude boomgaardperceel (nr. 176bis, 1 hectare 73 are), voortaan zonder vijvertje, ten zuidwesten van het kasteel (11). De mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), enkele bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, en een troppeltje haagbeuken (Carpinus betulus) zijn getuigen van deze omschakeling.
-4 Eén van de 18deeeuwse tamme kastanjes en, op de achtergrond, het met zuilen, hinokischijncipressen en taxusbollen afgezoomde 'kanaal', voorbeeld van een door klassieke modellen geïnspireerde aanleg uit het interbellum (foto 0. Pauwels, 2007)
1870
1884
de stafkaarten van 1870, 1884 en, in
]-[ e t hiiichge u i t z i c h t van h e t k a s t e e l c o m p l e x w o r d t . , i ij j r •
een 'verlandschap-
in hoge mate bepaald door restauratie- en verrraaiingswerken uitgevoerd tussen 1923 en 1927 in opdracht van baron Fernand de Ryckman. Deze restauratiecampagne werd gekenmerkt door een terugkeer naar traditionele vormelementen, vooral zichtbaar in de barokke, in- en uitgezwenkte topgevels aan de kant van de binnenplaats van het kasteel en de topgevels van het neerhof. Daarbij zou ook materiaal van elders zijn aangevoerd, onder meer van het nabijgelegen, deels gesloopte kasteel van de Heren van Hoen te Rummen* (12).
pelijkte' omgeving, 1931 (DLG 1878, ICH 1897 en ICH 1951
Monumentale mammoetboom en de landschappelijke aanleg van de voormalige boomgaard, circa 1885
1931
Het symmetrisch uitgebouwde, met natuurstenen keermuurtjes tussen pilaartjes met bollen afgezoomde terras aan de tuinzijde van het kasteel en de parterretuin met padenkruis in de binnenplaats van het neerhof (in plaats van boerenkarren en mesthoop), passen in dit nieuwe kader. De vermelde kanaaivijver ten zuiden van het kasteel kreeg eveneens een neoclassicistische aankleding: de lange, strak afgelijnde oevers werden langs de lange zijden afgezoomd met taxusbollen, hinokischijncipressen (Chamaecyparis obtusa) en een 2,5 m hoge haagbeukhaag, halverwege onderbroken door apsisachtige uitstulpingen met rododendrons en stenen zitbanken, het smalle uiteinde met zitbanken en door tuinvazen bekroonde zuilen. De stamvoet van de monumentale tamme kastanje (Castanea sativa) aan het noordelijke uiteinde van het 'kanaal' - één van de drie die vermoedelijk rond 1750 werden aangeplant — werd omringd met een stenen zitbank.
(foto 0. Pauwels. 2007)
De ontwerper liet zich ongetwijfeld inspireren door de revival van de regelmatig-geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw, onder impuls van publicaties zoals de 'Traite general de la composition des pares et jardins', 1879, van Edouard André en het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, de 'style Duchêne' (13). Ook de ruime omgeving werd opgesmukt. De oude oprijlaan tussen de spoorweg en de Westpoort werd met bruine beuken beplant, de laan vanaf de Weg op Halen met vier rijen groene en bruine beuken en - voor de buitenste rijen - zomerlinden (Tilia platyphyllos). De lusthof van 1880 en weiden ten zuiden en ten oosten van het kasteel, tot aan de Weg op Halen, werden bezaaid met bruine beuken, Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra), weymouthden (Pinus strobus), Amerikaanse en moeraseiken (Quercus rubra, Q.
M&L
Chateau de Betz. Het in 1923-1927 met traditionele vormelemcntcn verfraaide kasteel van Bets en de parterretuin tussen het kasteel en het neerhof, circa 1950 (collectie José Huypens, Dormaal)
palustris), witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum), amberboom (Liquidambar Noorse esdoorn (Acer platanoides),
(3) DE RYCKMAN DE BETZ F., les Ryckman. Cinq cents ans
styraciflua),
plataan
d'histoire familiale, sociale et économique, Bruxelies, Librairie de
(Plata-
nus x hispanica), zilverlinde (Tilia petiolaris)...
—
solitair of in groepjes, in de zuiverste 'landschap-
Nobele, 1952,p.43. (4) DE RYCKMAN DE BETZ E, op. at., p. 47. (5) Volgens de oudste kadastrale legger 212 Geetbets art. 76 iets
pelijke' traditie. Deze opgesmukte, 'verlandschappelijkte' omgeving wordt duidelijk in beeld gebracht
meer dan 113 hectare. (6) Kadastrale opmetingsschets Geetbets 1860 nr. 5; volgens de mu-
op de stafkaart van 1931.
tatieschets werden de kasteelvleugel en de oostelijke vleugel van
Merkwaardige bomen
de correctie van een vroegere metingsfout, cf. oude kadastrale
het neerhof merkelijk verbreed, maar het gaat vermoedelijk om (opname 5 mei 2002) 8.
bontbladige gewone esdoorn
legger 212 Geetbets art. 510 nrs. 18 en 19. (Acerpseudopla-
tanus 'Leopoldii'y) 2 7 8 14. mammoetboom (Sequoiadendron
(7) Kadastrale opmetingsschets Geetbets 1879 nr. 18. (8) Kadastrale opmetingsschets Geetbets 1884 nr. 1.
giganteum)
592
(9) Kadastrale opmetingsschets Geetbets 1884 nr. 3. (10) WAUTERS A., op. cil, p. 172.
29. tamme kastanje (Castanea sativa) 5 1 6
(11) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets art. 820 nr. 31.
42. tamme kastanje (Castanea sativa) 5 0 4
(12) LEUS G., «/>. a t , p. 315.
43. tamme kastanje (Castanea sativa) 5 3 4
(13) ANDRÉ E., L'art des jardins. Traite general de la composition des pares et jardins. Paris, G. Masson, 1879; DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du
NOTEN
Labyrinthe; zie ook JELLICOE G. e.a., The Oxford companion to gardens, Oxford, New-York, Oxford University Press, 1986,
(1) BORGERS R, De feodaiiteit te Geetbets. Eigen Schoon & De
p. 204-205.
Brabander 31, 1949, p. 30-34; WAUTERS A., Geographic et histoire des communes belges. Arrondissement de Louvain - canton de Léau, Bruxelies, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1887), 1963, p. 163, 171-172. (2) Mogelijkheid geopperd in LEUS G., De heren van Bets. Kroniek van de rijke historie van een dorp "zonder"geschiedenis, Geetbets, Limes Gatia i.s.m. Gemeentebestuur, 1999, p. 309-310.
M&L
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) WALZEKER KASTEELLAAN
12, 3450
GEETBETS
(PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
• Het kasteel van Walzeker, op enkele details na, ongewijzigd sinds 1919; let op de oosterse levensboom rechts van het gebouw, ook al zichtbaar op de ansichtkaart (foto R. Deneef, 2002)
Informele tuin van circa 1,5 hectare, bestaande uit een open grasvlakte omringd door een gemengde bomengordel, aangelegd naast een in 1847 gebouwd landhuis. Het landgoed Walzeker - ook Walzek, Waalzek, Waelseyck, Waerscher... geschreven (1) - wordt op de Ferrariskaart (1771-1775) weergegeven als een bescheiden pachthoeve met een vijvertje en omringd door hooiweiden en boomgaarden, op 70 m van de Grote Gete. In 1844 werd het aangekocht door een zekere Nicolas Alen uit Herk-de-Stad. Hij liet de noordelijke vleugel van de hoeve afbreken, richtte het overblijvende gedeelte in als koetshuis met stallingen en liet ernaast een landhuis optrekken (2), dat op een paar details na ongewijzigd
bleef. Het sobere, witgepleisterde gebouw is typisch voor de landhuizen uit het midden van de 19de eeuw: vijf traveeën met de voordeur in het midden, symmetrisch, met een schilddak (oorspronkelijk pannen, later vervangen door kunstleien). Alleen de mezzanine, waarin bij de meeste villa's het huispersoneel werd ondergebracht, ontbreekt hier. Rond 1887 werd een tweede dienstvleugel toegevoegd, evenwijdig met de bestaande en symmetrisch ten opzichte van het huis (3). De moestuin (14,5 are, perceel 38) lag zoals voorheen naast de zuidelijke dienstvleugel. Op het perceel landbouwgrond dat zich voor het huis uitstrekte (nr. 41) werd in 1847 een lusttuin {"plaisir hof) van 1,5 hectare aangelegd, waarvan de structuur pas doorschemert op de stafkaart van 1932. O p de oudere stafkaarten (1871, 1886 en 1904)
• Het landschappelijk
(linksj en het
Het door Nicolas
rechts van het huis
park|e bij het kas-
kasteel van Tallon
Alen gebouwde
de silhouet van een
teel van Waalzeker
(links onderaan)
landhuis op een in
oosterse levensboom
(rechtsboven), het
op de stafkaart van
1919 verstuurde
(collectie José
Hof van Vlierbeek
1932 (ICH. 1949)
ansichtkaart,
Huypens. Dormaal)
wordt alleen een boomgaard getoond. Een 300 m lange oprijlaan doorheen het veld verbindt de Kasteellaan met het landgoed. Het landhuis ligt aan de noordoostelijke rand van het park, een open grasvlakte omringd door een gordel van hoogstammige bomen, die naar het zuidwesten toe verbreedt en uit verschillende soorten en variëteiten is samengesteld. Bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldiiV en een geelbladige es (Fraxinus excelsior 'Aurea'j zorgen voor kleur. De bomengordel was rond 1900 aan de zuidrand onderbroken, zoals blijkt uit een in 1905 afgestempelde ansichtkaart; vanuit het huis kon men over de beemden langs de Gete uitkijken. De meeste bomen dateren van na de Eerste Wereldoorlog, maar twee bruine beuken en een zomereik (Quercus robur) behoren ongetwijfeld tot de oorspronkelijke beplanting. Het park wordt ontsloten door een rondweg, die langs de binnenrand van de bomengordel loopt en er soms in verdwijnt.
De kleurri|ke zoom van hoogstammige
NOTEN
bomen rond het park van Waalzeker (foto R. Deneef,
(1) Een verbastering van 'Waelswijc' al vermeld in 1433. volgens:
2002)
RUYTINX L, Geethets, Rummen, Grazen. Het is niet meer zoals
Merkwaardige bomen (opname 16 mei 2002) 1. oosterse levensboom, geelachtige cultivar (Thuja orientalis 'Elegantissima'j 211(50) 5. geelbladige gewone es (Fraxinus excelsior 'AureaV 262 7. bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV 3 8 8
het was, 1995, toelichting bij foto 71. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geerbets, art. 117nrs. 12-19enart. 503 nrs. 15-21, 41, 43, 55; kadastrale opmetingsschets Geerbets 1848 nr. 6. (3) Kadastrale opmctingsschers Geerbets 1888 nr. 8.
1VI&L
Roger Deneef & Jo Wijnant
GEETBETS (GEETBETS): PASTORIE VAN ÜE S1MT-PAULUSKERK DORPSSTRAAT
37, 3450
GEETBETS
• De ginkgo in de voortuin van de pastorie van Geetbets, één van de twee dikste van
België (foto F.A. Cresens,
2006)
Pastorietuin van 30 are bij een in 1752 gebouwde pastorie; in de voortuin één van de dikste en oudste ginkgo's van België. De huidige pastorie van Geetbets werd gebouwd in 1752-1753 op kosten van de belangrijkste tiendheffers (het kapittel van de Sint-Pieterskerk van Leuven en de abdijen van Rothem, Sint-Gertrudus te Leuven en Vlierbeek te Kessel-lo). Het gaat om een bakstenen, zogenaamd dubbelhuis, vijf traveeën breed met de voor- en de achterdeuren in het midden, twee bouwlagen, een zadeldak (momenteel met eternietleien). De hardstenen omlijsting van de rondboogdeur aan de straatzijde en de omlijstingen in Gobertange van de vensters van de
benedenverdieping vormen zowat het enige ornament. Tot in de jaren 1970 was ook de straatgevel witgepleisterd of-gekalkt (1). Ten gevolge van het concordaat tussen Napoleon en paus Pius VII werd de genationaliseerde pastorie aan de gemeente toegewezen, met beschikkingsrecht voor de pastoor. De schuur van de pastorie, die de voortuin aan de rechterzijde afsloot, werd rond 1830 als schoolgebouw gebruikt. Twaalf jaar later werd ze om reden van bouwvalligheid gesloopt en door een nieuw schoolgebouwtje vervangen, dat op zijn beurt in 1870 werd afgebroken (2). Het pastoorsgoed besloeg niet meer dan 30 are, in vergelijking met de andere pastorieën van de regio eerder krap bemeten. Het grootste gedeelte daarvan werd gevormd door de achtertuin, een onregel-
matig perceel van 23 are, dat recentelijk werd heringericht (buxushaagjes, leilinden e t c ) . Van de achtertuin zijn ons geen oude foto's of afbeeldingen bekend en oude bomen komen er niet in voor. Van de voortuin bestaan verschillende ansichtkaarten, waarop telkens een rond waterbekken te zien is, te midden van een cirkelvormig grasplein, waarrond de weg loopt. De nog bestaande esdoorn (Acer pseudoplatanus) rechts van de pastorie en enkele min of meer in vorm gesnoeide taxussen (Taxus baccata) komen eveneens op deze foto's voor. O p recenter fotomateriaal is ook het lage bakstenen muurtje langs de straat te zien met bijzonder fraaie Lodewijk XV-hekpijlers, vermoedelijk gerecycleerde ornamenten die in 1974 werden geplaatst. Het merkwaardigste element komt echter nooit in beeld, namelijk de reusachtige boom rechts vooraan, een Japanse notenboom {Ginkgo biloba L.) met 5 m stamomtrek (3). De boom vertakt op 2 m hoogte en de totale hoogte bedraagt circa 24 m. Volgens de dendrologische inventaris van België (4) staat de dikste Ginkgo van België, met 496 cm stamomtrek, in het kasteeldomein van Rouillon te Anhée-Annevoie. De meting van Rouillon dateert intussen van 1990, maar de Ginkgo van Geetbets, die niet wordt vermeld in deze inventaris, is hoe dan ook veruit een van de tweede dikste van België en zou zelfs niet misstaan in de 'kampioenenlijst' van China, het thuisland van deze soort (5). In Vlaams-Brabant komen diverse ginkgo's voor met stamomtrekken van meer dan 400 cm, onder meer te Tienen (stadspark, Veldbornstraat, Danebroekestraat) en Leuven (Sint-Geertruiabdij, Villerscollege). Deze bomen behoren ongetwijfeld tot de oudste generatie aanplantingen van deze soort, die in 1727 vanuit Oost-Azië via de plantentuin van Utrecht in Europa werd ingevoerd (6). Opmerke-
lijk is dat bomen van deze oudste generatie in de regio Leuven-Tienen-Diest steeds in voormalige kerkelijke goederen worden aangetroffen. Het bouwjaar van de pastorie van Geetbets is wellicht ook het aanplantingsjaar van de ginkgo in de voortuin. Een interpretatieprobleem: de standplaats van deze boom stemt min of meer overeen met de plaats waar volgens de kadastrale opmetingsschetsen het in 1870 afgebroken schooltje stond...
Merkwaardige bomen (opname 15 mei 2002) 1. Japanse notenboom {Ginkgo biloba) 501
NOTEN (1) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 113. PAESMANS G. & DENEEF R., Beschermingsvoorstel St.-Pauluskerk en pastorie met Ginkgo biloba, 1999. LEUS G., De heren van Geetbets. Kroniek van de rijke historiek van een dorp "zonder"geschiedenis, Geetbets, Limes Gatia i.s.m. het gemeentebestuur van Geetbets, 1999, p. 209213. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 100 nrs. 5 en 10; kadastrale opmetingsschetsen Geetbets 1843 nr. 3 en 1870 nr. 8. (3) In 1999 bedroeg de stamomtrek slechts 489 cm. (4) BAUDOUIN J.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch-Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 359. (5) L1N JIN-XING, HU YU-SI & WANG XIAN-PU (1995), Old Ginkgo trees in China. Yearbook 1995 International Dendrological Society, 1996, p. 32-37. (6) ANDREWS S., Tree of the year: Ginkgo biloba. Yearbook 1995 International Dendrological Society, 1996, p. 14-27.
Roger Dene e f & Jo
Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) VILLA LORIERS OVERBEEKSTRAAT 2 0 , 3 4 5 0 GEETBETS (PRIVÉBEZIT, N I E T T O E C A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)
^ ^
De door Arthème
^Ssim*
Loriers in 1908 gebouwde vdla vanaf de straat (foto 0. Pauwels,
^
w^
M*ê-l
•
•
•- M
•^f-
•
2007)
. "-
^•Br
•
3 "
!
.. '
Ki
* • -
1
t'fr?':\'|?
*
I"
}
,:-
4 • ,-•.. . m
•
Informele tuin van 70 are rond een in 1908 gebouwde, laateclectische villa; enkele verbazingwekkend dikke bomen.
De meest westelijke en tevens recentste villa, de laatste in de rij - zowel ruimtelijk als chronologisch - langs de Overbeekstraat, werd in 1 908 gebouwd door Arthème Loriers, één van de dorpsnotabelen (1). Het ging om een bescheiden specimen van laateclectische architectuur, typisch voor een groot aantal villa's uit die tijd, naast de opkomende cottagearchitectuur: baksteenmetselwerk met ontlastingsbogen van blekere bakstenen en speklagen van witte glazuurstenen, op een plint van onregelmatige arduinen breukstenen, een zadeldak met een trapgevel langs de straatzijde, gecombineerd met een schilddak (nu met grote eternietleien). De ordonnantie van de trapgevel herinnert aan de 'Brugse travee': een van de grond opgaande nis die hier
in drie afzonderlijke boogjes eindigt. Er was geen afzonderlijk dienstgebouw, maar aan de westzijde bevindt zich een eenlaagse uitbouw onder een plat dak en in het hoofdgebouw doorlopende speklagen, bedoeld als garage (2). De villa vormde (en vormt nog steeds) het middelpunt van een lusttuin van 80 are, later verkleind tot 70 are. De informele structuur van deze tuin wordt weergegeven op de stafkaart van 1932: open ruimte rond de villa, omgeven door een gordel van hoogstammige bomen, die mogelijk later naar het zuiden toe werd opengelegd. De zoom langs die zijde bestaat momenteel uit laagstammige appelaars. De tuin wordt ontsloten door een dubbele lus van paden en heel het domein wordt omringd door een haag van eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna). Verbazingwekkend zijn de afmetingen van sommige bomen - bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV, Amerikaanse eik (Quercus rubra),
Merkwaardige bomen (opname 31 mei 2002) 1. zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'LaciniatumV 3 4 2 15. gewone plataan (Platanus x hispanica) 371 2 1 . reuzenlevensboom (Thuja plicata) 2^5, talrijke afleggers
De villa's en landgoederen langs de Overbeekstraat op de stafkaarten van 1932, van links naar rechts: 1. Loriers; 2. Ceysscns; 3. Arnauts; 4. Coenen
NOTEN
(ICM, 1937 S 1949)
(1) In 1923 voorzitter van het 'Bureel van Weldadigheid', cf. LEUS G., De heren van Geethets. Kroniek van de rijke historiek van een dorp "zonder" geschiedenis, Geetbets, Limes Gatia i.s.m. het gemeentebestuur van Geetbets, 1999, p. 270. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 1108 nrs. 4, 37, 38, plataan
(Platanus x hispanica) en zilveresdoorn
(Acer saccharinum 'LaciniatumV met stamomtrekken
41,45-48 en oude kadastrale legger 212A Geetbets, art. 1108 nrs. 46 en 48; kadastrale opmetingsschetsen Geetbets 1909 nr. 14,
tot 3,70 m — in een beplanting die nog geen eeuw oud
1913 nr. 9 (herkalibrering straat) en 1914 nr. 28 (bouw veranda
is.
aan achterzijde).
Roger Deneef & Jo Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) VILLA CEYSSENS OVERBEEKSTRAAT 1 2 , 3 4 5 0
GEETBETS
(PRIVÉBEZIT, NIET T O E G A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)
• De tuinaanleg bij de Villa Ceyssens bleef beperkt tot de ruimte tussen de villa en de straat (foto R. Deneef, 2002)
Informele tuin van 40 are voor een in 1865 gebouwde villa.
De Villa Ceyssens werd geregistreerd door het kadaster in 1865, maar op hetzelfde perceel, tegen de Overbeek aan fzie kaart p. 31], stond al sinds minstens 1830 een klein gebouw waarin een brouwerij was gevestigd, bij de aanvang van het Belgisch kadaster in 1831 eigendom van Ludovicus Arnauts, burgemeester van 1844 tot 1853, en zijn broer Felix (1). Dit brouwerijtje werd in 1843 afgebroken en heropgebouwd op hetzelfde perceel tegen de Overbeek aan. Omstreeks 1860 werd de brouwerij stopgezet en het gebouw werd tien jaar later afgebroken (2). De villa werd opgetrokken door een erfgenaam van de Arnautsen, dokter Edouard Ceyssens (3), naar een model van landelijke villa's dat rond 1850
erg populair was: twee bouwlagen en een mezzanine, met een symmetrische plattegrond (een zogenaamd dubbel huis), hier met slechts drie brede traveeën in plaats van de meer gebruikelijke vijf, en een laag tentdak in plaats van het meer gebruikelijke schilddak. Er zijn nog enkele andere afwijkingen van het model: het hoofdgebouw wordt geflankeerd door eenlaagse aanbouwen onder halve schilddaken, en het werd niet bepleisterd. Het baksteenmetselwerk vertoont fraaie details, met name de hoeklisenen en de als fries uitgewerkte mezzanine, waarin de raampjes - afwisselend kleine ronde en grote halfronde - door trigliefen worden gescheiden. Voorts wordt het verlevendigd door een cordonlijst van blauwe hardsteen en geprofileerde venster- en deuromlijstingen. De tuinaanleg bleef beperkt tot het perceel tussen de villa en de straat, een perceel van nagenoeg 40
are. De ruimte achter de villa bleef gewoon weiland en werd in een recent verleden ook bebouwd. Een ansichtkaart uit het begin van de 20ste eeuw toont een grazige vlakte, mogelijk een door de op- en afritten omschreven rotonde, en een zweem van symmetrische aanplanting — de vier boomjes voor het huis, mogelijk kerspruim met donkerrood blad (Prunus cerasifem 'Nigra'/ Een zilverlinde (Tilia tomentosa) met 361 cm stamomtrek, een Ierse taxus (Taxus baccata 'Fastigiata'j en een buxusmassief (Buxus sempervirens) vormen momenteel de enige sporen van oude beplanting.
NOTEN (1) Cf. De familie Arnauts, persoonsblad 117 in http:llusers.skynet.bel walans/JULARN-p/plI7.htm; LEUS G., De heren van Geetbets.
De villa van dokter
Kroniek van de rijke historiek van een dorp "zonder" geschiedenis,
Ccyssens op een in
Geetbets, Limes Gatia i.s.m. het gemeentebestuur van Geetbets, 1999, p. 441. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 4 nrs. 11, 20, 37, 42-
1909 afgestempelde ansichtkaart (collectie José Huypens, Dormaal)
45; kadastrale opmetingsschetsen Geetbets 1837 nr. 76, 1843 nr. 9, 1865 nr. 23, 1874 nr. 6. (3) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 1095.
1VI&L
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) LANDGOED ARNAUTS OVERBEEKSTRAAT 7, 3 4 5 0
GEETBETS
(PRIVÉBE2IT, NIET T O E C A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)
Het goed van dokter Arnauts: landschappelijke aanleg in miniatuur van rond 1880 bij een I8de-eeuws landhuis (foto 0. Pauwels, 2007)
Landschappelijke tuin van 22 are 30 centiare, aangelegd rond 1880 bij een 18deeeuws huis. De kern van het landgoed naast de in 1878 aangelegde en in 1957 buiten gebruik gestelde spoorweg Tienen-Diest, op een oude ansichtkaart vermeld als 'propriété du Dr. Arnauts', wordt als hofstede weergegeven op de Ferrariskaart (1771-1775). Het huidige woonhuis (1) zou volgens de jaarsteen boven de voordeur in 1786 zijn gebouwd. Het gaat om een dubbelhuis (met symmetrische plattegrond) van twee bouwlagen onder een leienzadeldak, vijf traveeën breed, van baksteen met witte zandsteen voor de hoekkettingen en de deur- en vensteromlijstingen. In 1830 hoorde het toe aan en werd bewoond door dokter Ludovicus Arnauts (2), dezelfde die op een aanpalend perceel ook een kleine brouwerij bezat [zie kaart p. 31]. Het woonhuis
vormde samen met het koetshuis en de stallen een bijna gesloten complex; daarachter lag een moestuin van 15 are. Zijn zoon Richard, eveneens dokter, liet in 1881 de vleugel langs de Overbeekstraat en een schuurtje langs de pas aangelegde spoorweg slopen, zodat de huidige L-vormige plattegrond ontstond. O p de voormalige binnenplaats werd een lusttuin aangelegd, die op een aanpalend perceel landbouwgrond tot tegen de spoorweg werd uitgebreid en 22 are 30 centiare besloeg (3). Zelfs op deze beperkte oppervlakte zijn de gebruikelijke kunstgrepen van de landschappelijke architectuur herkenbaar. Typisch is het slingerende rondpad dat een ' 8 ' vormt en in het oostelijke gedeelte over twee kunstmatige heuveltjes loopt, soms overschaduwd door groenblijvende taxussen (Taxus baccata). Van de oorspronkelijke beplanting resten slechts het grote taxusmassief naast het huis — al zichtbaar op een
ansichtkaart van vóór de Eerste Wereldoorlog (4) - , een bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en wellicht ook een zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'LaciniataV aan de oostrand van de tuin. Het merendeel van de andere bomen werd waarschijnlijk na 1940 aangeplant: groene en bruine beuk, gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), witte en rode paardenkastanje (Aesculus hippocastanum, A. x carnea), vederesdoorn (Acer negundo), zomereik (Quercus robur), grove den (Pinus sylvestris) en treures (Fraxinus excelsior PendulaV- Het park werd door de huidige eigenaars uitgebreid naar het achterliggende perceel en ten westen van het gebouwencomplex werd een fraaie moestuin aangelegd.
NOTEN' (1) Beschreven onder Overbeekstraat nr. 35 in: Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministetie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 113. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 3 nrs. 26-31. Voor de genealogie van de Geetbetse Arnautscn, 7,ie: Genealogie van Robert ERNAUTS (ERNOULST), 2002, p. 7, in: www.geocittes.com/ johanvandenbemptl genealogie_Rob_Ernauts.rtf. (3) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, att. 1275 nrs. 9-15, 2122, 63-64; kadasrrale opmetingsschetsen Geetbets 1881 nr. 11 (afbraak), 1882 nr. 17 (verbouwing woonhuis) en 1883 nr. 15 (vorming lusttuinperceel). (4) Weergegeven in: RUYTINCKX L , Geetbets, Rummen, Grazen. Het is niet meer zoals het was, 1995, foto 15.
Merkwaardige bomen (opname 31 mei 2002) 10. zomerlinde met ingesneden blad (Tilia platy/ / ^ / / O J ' L a c i n i a t a j 151
(120)
22. gewone taxus (Taxus baccata), 10-stammig, dikste stam 120
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) VILLA COEMEM OVERBEEKSTRAAT 1 , 3 4 5 0 GEETBETS (PRIVÉBEZIT, N I E T T O E C A N K E L I | K V O O R HET PUBLIEK)
De voortuin van de villa van notaris Coenen, gebouwd in 1850 (foto R. Deneef, 2002)
Symmetrische
voortuin,
oorspronkelijk
13,5 are, bij een in 1850 gebouwde
M&L
vilia.
Notaris Jean Framjois Coenen liet in 1850 in het oostelijk gedeelte van de Overbeekstraat [zie kaart p. 31J een villa bouwen (1), die min of meer beantwoordt aan een in die periode (1840-1860) veel voorkomend model: een symmetrisch, dubbelhuis van bak- en zandsteen op een arduinen plint, vijf traveeën breed en met twee hoge bouwlagen onder een schilddak. De monumentaliteit wordt benadrukt door de hoeklisenen en door de als middenrisaliet opgevatte toegangstravee — witte zandsteen met Franse voegen voor de benedenverdieping, een met arduin omlijst balkonraam en witte hoekkettingen voor de bovenverdieping. De hoeve ernaast werd verbouwd tot een soort neerhof (stallen en koetshuis) met een naar de villa toe geopende U-vormige plattegrond (2). In 1940 werd dit neerhof grotendeels afgebroken (3), maar de villa bleef ongeschonden bewaard. Achter de villa werd een moestuin van 23 are aangelegd en daarnaast, achter het neerhof, een boomgaard van 17 are. Zoals bij de Villa Ceysens* verderop, werd de 'lusthof' beperkt tot de ruimte tussen de straat en de villa, amper 13,5 are. Een lage bakstenen muur met een lanspuntenhek en met het poorthek pal tegenover de voordeur, scheidde de tuin van de straat. Deze voortuin, momenteel gras.
symmetrisch met het pad in het midden, was niet veel meer dan een omkadering van de imposante voorgevel van het huis. Van de huidige bomen in de vier hoeken van de tuin - treures (Fraxinus excelsior 'PendulaV, gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), geelbonte beshulst (Ilex aquifolium 'AureomarginataV en witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) - is vermoedelijk alleen de laatstgenoemde een overblijfsel van de oorspronkelijke beplanting. Merkwaardige bomen (opname 31 mei 2002) 3. geelbonte beshulst (Ilex aquifolium 'AureomarginataV 99 4. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 540, laagvertakt
NOTEN (1) Op een zuil- of balusterfragment op het bordesje bij de achtetdeur staat het jaartal 1856 met daaronder de initialen van de bouwheer (1FC) en zijn echtgenote Felicita De Hertoghe (FDH), maar de villa werd kadastraal geregistreerd in 1851. (2) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 586 nrs. 4-7, 10-14, 41-43; kadastrale opmetingsschetsen Geetbets 1851 nr. 2; 1884 nr. 7;nr. 1898 nr. 7. (3) Kadastrale opmetingsschetsen Geetbets 1941 nr. 8.
Roger Dene e f & Jo Wijnant
GEETBETS (GEETBETS) KASTEEL VAN TALLON STEENSTRAAT 6 - 8 , 3 4 5 0 GEETBETS (PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
• Het kasteel van notaris Tallon vóór 1908 (collectie José Huypens, Dormaal)
Landschappelijk park van circa 1 hectare, aangelegd bij een in 1879 gebouwd herenhuis, met centraal gazon omringd door een gordel van bomen; een poging in de jaren 1920 om het park landschappelijk uit te breiden heeft geen sporen nagelaten.
Notaris Arnold Tallon, vanaf 1885 burgemeester van Geetbets, liet in 1879 op de Molenkouter ten noorden van de dorpskern een herenhuis bouwen (1). Het beantwoordde grotendeels aan het rond die tijd gangbare model voor landhuizen: een symmetrisch dubbelhuis van vijf traveeën en twee bouwlagen, met de voordeur in het midden, witgepleisterd, onder een leien schilddak. De enige versiering zijn geblokte lisenen tussen de traveeën van de benedenverdieping. Het mansardedak werd mo-
gelijk aangebracht bij een van de latere verbouwingen, bijvoorbeeld die van 1891 (2), ter vervanging van een oorspronkelijke mezzanine. Het huis stond aan de zuidrand van een lusttuin {"jardin d'agrémenf) van 1 hectare 8 are en kreeg twee bijgebouwen; één vlak naast het huis, en een koetshuis aan de overzijde van de tuin, tegen de Oudestraat aan. Tot het eigendom behoorde ook een in 1838 gebouwde hoeve langs de Steenstraat, waarvan Tallon een gedeelte liet afbreken en de rest als tuiniers- of conciërgewoning inrichtte. Het gebouwtje achter het huis, dat in 1914 door het kadaster wordt geregistreerd, herbergde vermoedelijk een installatie om acetyleengas voor de verlichting te maken (3). In 1950 werd de ruimte tussen het landhuis en de eerstgenoemde aanhorigheid dichtgebouwd, nadat eerder de zuidgevel tot een blinde wachtgevel was herbouwd. De lage, min of meer modernistische aanbouw onder een zadeldak past daar niet zo goed
bij.
1886
1932
De dorpskern van Geetbets en, linksboven In beeld, het park van notaris Arnold In I886, vlak na de aanleg, en in I932 (ICN, I897 en I949)
• Het kasteel van Tallon met de tot blinde wachtgcvel verbouwde zuidgevel en de aanbouw uit de jaren I9S0 (foto R. Deneef, 2002)
O p de stafkaart van 1886 wordt het parkje van Tallon getoond enkele jaren na de aanleg: een bijna vierkant perceel van iets meer dan één hectare, met het kasteel in de zuidoosthoek en wegen die een dubbele lus beschrijven. De hoofdtoegang, gevormd door een prachtig smeedijzeren hek (4) tussen bakstenen pijlers (op arduinen sokkels en met dito banden en dekstenen), bevond zich op de hoek van de Oudestraat en de Steenstraat. In die omgeving bleef nog een stuk van de meidoornhaag (Crataegus monogyna)> die de oorspronkelijke omheining vormde, bewaard. De stafkaart van 1904 toont nog hetzelfde beeld, maar in 1932 lijkt de oppervlakte meer dan verdubbeld. Het achterliggende perceel 156a, anderhalve hectare groot, werd met fruitbomen beplant en met een brede gordel bosplantsoen afgezoomd. De golvende rand van dit
plantsoen suggereert dat Paul Storms, schoonzoon van notaris Tallon en toenmalige eigenaar, ook esthetische bedoelingen had. Het boomgaard-bosperceel liep ook naadloos over in het oorspronkelijke park. In 1964 werd dit perceel door het kadaster opnieuw als weide omschreven en van enige sierbeplanting is niets meer te bespeuren (5). Het huidige park, herleid tot zijn oorspronkelijke dimensie, bestaat uit een open ruimte, omgeven door hoogstammig plantsoen, dat aan de oostrand bijna een bos vormt waarin het koetshuis verscholen ligt. De parkwegen afgebeeld op de stafkaart van 1886 bleven bewaard en worden nog gebruikt. Typisch voor de landschappelijke aanleg aan het einde van de 19de eeuw is de ophoging aan de oostrand, waarachter de weg tussen kasteel en wagenhuis min of meer verdwijnt. Op dit langgerekte heuveltje staat nog de oorspronkelijke beplanting: vier bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en een plataan (Platanus x hispanica). De andere bomen - zomerlinde (Tilia platyphyllos), witte paardenkastanje en rode bastaardpaardenkastanje (Aesculus hippocastanum, A. x carnea), zomer- en Amerikaanse eik (Quercus robur, Q. rubra), zilverlinde (Tilia tomentosa), gewone beuk {Fagus sylvatica) en plataan, zijn relatief jong, vermoedelijk van na de Eerste Wereldoorlog, of nog recenter zoals de Magnolia x soulangeana en de twee blauwe Atlasceders (Cedrus atlantica 'GlaucaV in het centrale gazon. Merkwaardige bomen (opname 31 mei 2002) 25. gewone plataan (Platanus x hispanica) 341 34. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 345
NOTEN (1) Kadastrale opmetingsschets Geetbets, 1879 nr. 20; oudste kadastrale legger 212 Geetbets, art. 1214 nrs. 1 en 2. Gegevens over notaris Arnold Tallon in: LEUS G., De heren van Geetbets. Kroniek van de rijke historiek van een dorp "zonder"geschiedenis, Geetbets, Limes Gatia i.s.m. het gemeentebestuur van Geetbets, 1999, p. 441 en 460. (2) Kadastrale opmetingsschets Geetbets, 1891 nr. 4. (3) Kadastrale opmetingsschets Geetbets, 1914 nr. 19. Over de uitrustingsgraad van het huis, zie: RUYTINCKX L., Geetbets, Rummen. Grazen. Het is niet meer zoals het was, 1995, commentaar bij foto 51. (4) Momenteel (mei 2002) opgeborgen in het koetshuis. (5) Oude kadastrale legger 212A Geetbets, art. 2385 nr. 111 en 113.
M&L
_ u
Roger
Deneef
GEETBETS (GEETBETS): SINT-ROCHUSKAPEL HOEK HETTELBERGWEG - S T E E N W E G OP K O R T E N A K E N , 3 4 5 0 GEETBETS
• De linde naast de Sint-Rochuskapel te Geetbets rond 1980 (archief Onroerend Erfgoed VlaamsBrabant, Leuven)
• Stompie van de oude linde en een nieuwe linde naast
Aandenken aan een kleinbladige linde, relict van de oorspronkelijke beplanting rond een 16de eeuwse kapel. De holle kleinbladige linde (Tilia cordata) (1) naast de Sint-Rochuskapel behoorde met 7,80 m stamomtrek tot voor kort tot de oudste bomen van België, en is wellicht even oud als de kapel. De steen met het jaartal 1 542 in de gecementeerde puntgevel verwijst naar de stichtingsdatum, maar of het gebouw dat in 1987 werd gerestaureerd — in feite gesloopt en een meter verder heropgebouwd - nog beantwoordde aan de oorspronkelijke vormgeving valt moeilijk na te gaan, want geen enkel detail verwijst naar een bepaalde stijlperiode (2). De rijke inboedel, onder meer gepolychromeerde beelden, dateert uit verschillende perioden. Landelijke kapellen met lindebomen - minstens twee, vaak meerdere in een halve cirkel — zijn legio. Waarschijnlijk stond de linde bij de Sint-Rochuskapel aanvankelijk niet alleen. In het proces van teloorgang van de linde hebben de restauratiewerken aan de kapel, die met de boom letterlijk vergroeid was, vermoedelijk een rol gespeeld, maar vooral het vrachtverkeer — een eerste zware aanrijding in 1994, een fatale in 2006. Na de
aanrijding in 1994 werd enkele meters verderop de Sint-Rochuskapel ln ul1 2(l( een nieuwe linde aangeplant. Bij de laatste aanriji " ( d i n g k w a m d e b o o m o p d e H e t t e l b e r g w e g te liggen •• en werd de stam grotendeels losgescheurd van het wortelgestel. De meeste lindesoorten hebben een groot regeneratievermogen en daarom werd bij de opruimingswerken een stompje als aandenken gespaard.
NOTEN (1) Ais grootbladige linde (Tilia platyphyllos) vermeld in DECUYPF.RE Y. e.a., Merkwaardige bomen in Vlaanderen, Brussel, Dienst Groen, Waters en Bossen, 1989, p. 104, en in BAUDOUIN J.C. e.a., Bomen in België. Dendrologische inventaris 1987-1992, Stichting Spoelberch Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 471. (2) PAESMANS G., Sint-Rochuskapel met oude lindeboom, dossier beëindigd onderzoek n.a.v. bescherming, 21-01-1985 (archief Monumenten & Landschappen, Leuven).
1VI&L
Roger Deneef, Jo & Jacques
Wijnant
Halflants
GEETBETS (RUMMEN): 0R1Ë1MTE LUTZESTRAAT 55, 3454 RUMMEN (PRIVEBEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR HET PUBLIEK)
Informele tuin van circa 1 hectare, aangelegd omstreeks omstreeks 1850 bij de tot distilleerderij met herenwoning verbouwde relicten van een voormalige abdij. De voormalige abdij van de cisterciënzerinnen, voor het eerst vermeld in 1234 (1), mag niet verward worden met het verdwenen Hof Ter Weiden aan de oever van de Meisterbeek één kilometer zuidwaarts, dat op de stafkaarten van 1886 en 1904 als 'Chateau d'Oriente' wordt aangeduid (2). De abdij werd in 1798 als 'nationaal goed' in twee loten verkocht. Het gesloten abdijcomplex, dat op de Ferrariskaart (1771-1775) wordt afgebeeld, werd grotendeels afgebroken. O p de Primitieve kadasterkaart (1828) worden nog slechts twee gebouwen getoond: een langgerekt volume, vermoedelijk het
vroeg-18de-eeuwse abdissenkwartier, en een veel kleiner gebouw. Een zekere Constant Jamin uit Zoutleeuw was toen de enige eigenaar (3). In 1841 kwam Oriënte in handen van notaris Pierre-Louis Vinckenbosch uit Tienen (4). De vergunning voor de uitbating van een distilleerderij werd afgeleverd in 1842 en enkele jaren later werd het gebouwencomplex fors uitgebreid. De residentiële vleugel werd naar het noordoosten toe verlengd tot in 1868 de huidige lengte van 100 m werd bereikt (5) — een heterogene opeenvolging van trapsgewijs afdalende volumes (6). Maar in het hoogste gedeelte, de zes zuidelijke traveeën, is het 18de-eeuwse gebouw nog herkenbaar, ondanks de voor de periode 18401860 obligate mezzanine. De industriële vleugel met zijn pakzolders, ontsloten door grote, uit de gevel oprijzende, beluikte dakvensters, is ook typisch voor die tijd. In 1901 werd de distilleerderij uitgerust met een stoommachine (7). Evenwijdig
• De residentiële vleugel van Oriênte
•
met serre en twee
Relicten van de
door Denis in 1827
voormalige abdij
- noorden rechts
van Oriènte op de
(archief Kadaster
paviljoens op een oude ansichtkaart (collectie José
Primitieve kadaster-
Huypens, Dormaal)
Brabant, Brussel)
kaart, opgemaakt
met de woonvleugel bouwde notaris Vinckenbosch voor zijn zoon-landbouwer nog een grote overwelfde stal met een centrale zuilenrij. Twee secundaire constructies trekken nog de aandacht: een langgerekt eenlaags gebouwtje met boogdeurtjes, dat de binnenplaats visueel afscheidt van de lusttuin bij de residentiële vleugel — kennel en/of kippenren; en een zeshoekig, bakstenen tuinpaviljoen, geregistreerd in 1879 (8).
De achtenijde van
kornoelje
de residentiële
(foto R. Deneef,
vleugel vanuit het
2002)
De voormalige
prieel met gele
abdij Oriënte
In de tijd van de cisterciënzerinnen was er al een siertuin en een moestuin aanwezig (9), maar de oudste kadastrale omschrijving (1831) suggereert een hoge graad van landelijkheid: buiten een tuinperceel van 25 are bestond Oriënte alleen maar uit weiland, akkers en vijvers (in feite de oude ringsloten). Het perceel ten westen van de woonvleugel, 91 are groot, wordt in de loop van de daaropvolgende jaren als 'hof' geregistreerd, maar het lijdt geen twijfel dat het al sinds de eerste Vinckenbosch om een informele lusttuin ging. Twee monumentale, laagvertakte esdoorns (Acer pseudoplatanus), een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), een bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV — op een heuveltje —, en een door gele kor-
(linksboven) in 1904 en in 1932; niet te verwarren met het verdwenen Hof Terweiden bij de Helsterbeek, op sommige kaarten 'Chateau d'Oriente' genoemd (ICM, 1925 en 1949)
1V1&L
• Het in 1878 gebouwde tuinpaviljoen (foto R. Deneef. 2002)
noeljes (Cornus mas) gevormd prieel achter de woonvleugel, getuigen van deze periode. O p een oude ansichtkaart is, buiten het nog bestaande bakstenen paviljoen, een tweede, rustiek paviljoen zichtbaar, dat geen sporen heeft nagelaten - een kegelvormig strodak met lantaarn, rustend op pijlers van knoestige boomstammen. De tegen de zijgevel gebouwde serre werd later vervangen door de huidige veranda.
NOTEN (1) WOLTERS M.J., Notice histonque sur la commune de Rummen et sur les anciensfiefsde Grasen, Wile, Bindervelt et Weyer. en Hesbaye, Gand, 1846, p. 61-94; WAUTERS A., Géographie et histoire des communes heiges. Arrondissement de Louvain - canton de Léau, Bruxeiles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1887), 1963, p. 200-203. (2) Maar de naam Terweiden wordt op sommige kaarten - onder meer de kadasterkaart van Popp (1860) en de stafkaarten van
Merkwaardige bomen (opname 18 juni 2002) 6. gewone esdoorn (Acerpseudoplatanus) 635(50), tweestammig 8. gewone esdoorn (Acerpseudoplatanus) 533(50), tweestammig 11. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j 448(130) 13. witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) 399, afgebroken gesteltakken
1877 en 1886 - ook gegeven aan het nabijgelegen HofteRodeop grondgebied Zoutleeuw. (3) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 90 nrs. 1-10. (4) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 317 nrs. 20 en volgende. (5) Kadastrale opmetingsschetsen Rummen 1846 nr. 13 en 1869 nr. 10. De uitbatingsvergunning stond volgens WAUTERS A., op. cit., p. 185, op naam van Alpbonse en Victor Vinckenbosch (zonen van Pierre-Louis?). (6) Uiterst summier beschreven in: Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 340. (7) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 903 nrs. 3 en 26. (8) Kadastrale opmetingsschets Rummen 1879 nr. 8. (9) WAUTERS A., op. cit, p. 202.
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
GEETBETS (RUMMEM): KLEINE BERG GROTE S T E E N W E G 1 8 7 , 3 4 5 4
RUMMEN
(PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
Het kasteel Kleine Berg te Hummen (foto R. Deneef, 2002)
Landgoed, circa 10 hectare, ooit met een 'jardin anglais' van 29 are en elementen van de 'ferme ornée', aangelegd circa 1800 in een site waar klei werd gewonnen, bij een tot kasteel omgebouwde hoeve, die in 1860 afbrandde en in bescheiden vorm werd heropgebouwd; diverse heuveltjes met lindeprielen en talrijke oude zomereiken. Het Hof van Kleine Berg of Ten Berg, voor het eerst vermeld in 1251, was een afhankelijkheid van de abdij van Averbode (1). In het grote kaartboek van de abdij van Averbode, opgesteld door Cornelis Lowis (2), wordt de Hoeve ten Berge omstreeks 1660 afgebeeld: een U-vormige, naar het zuiden geopende
plattegrond, die de mest-hoffoms\vM, een moes-hojf met het traditionele padenkruis, drie boomgaardpercelen (een groeten, een kleynen en een derde), een kemp-hoff [ttn hennepveld) en enkele weiden en akkers. De Ferrariskaart (1771-1775) toont de Kleine Berg in een ruimer kader, nog vóór de aanleg van de steenweg van Sint-Truiden naar Herk-deStad, omringd door grote boomgaarden, velden en bospercelen. O p de Primitieve kadasterkaart, opgemeten in 1827 door J.B. Hannay, wordt een bijna gesloten gebouwencomplex afgebeeld. Ten zuiden van de hoeve, naast een perceel dat door Lowis in 1660 al als paen-hoff landt in kaart was gebracht, stond een langgerekt gebouw met een centrale ronde uitstulping, volgens de kadastrale legger een dakpannenfabriekje (perceel nr. 123). In de schaduw van de noordvleugel van het complex, ongeveer op de plaats van de moestuin van 1660, lag een kleine
M&L
• De omwalde pastorie van Hummen en, bovenaan, de hoeve ten Berge of Kleinen Berg in het grote kaartboek van de abdij van Averbode door C. Lowls, rond 1660 (Algemeen Rijksarchief Brussel)
• De boerderij van het domein Kleine
ommuurde tuin (nr. 139, 7 are 60 centiare) met een bakhuisje (nr. 138). Ten westen van de hoeve en de ommuurde tuin lag een grotere, niet ommuurde tuin (nr. 137, 30 are 20 centiare), in 1660 de kleynen boomgaert.
Berg vóór de Eerste Wereldoorlog (collectie José Huypens, DormaalZoutleeuw)
Heuveltje met lindeprieel bij het kasteel Kleine Berg (foto R. Dencef, 2002)
M&L
Ten noorden van dit alles lag ten slotte een bijna driehoekig perceel van 29 are dat in de kadastrale legger als Engels hof werd geregistreerd (nr. 135). Aan de rand daarvan stond een piepklein gebouwtje (nr. 136), een speelhuis. Kleine Berg was eigendom van de toenmalige burgemeester van Sint-Truiden, Jan Arnold Van den Berck (3). Bij een 'Engelse tuin' van nog geen 30 are mag men in geen geval denken aan de grootschalige Engelse voorbeelden, die vanaf
het einde van de 18de eeuw ook in onze contreien doordringen, maar aan een ouder, continentaal type van 'jardin anglais'. Het ging om kleinschalige, gesloten, welomlijnde tuinen of tuincompartimenten zonder grote zichtlijnen of uitkijkpunten, met een woelige topografie, een kluwen van uitzichtloos kronkelende wandelpaden, veelal met een overdaad van 'fabriekjes' en 'follies', vaak chinoiserie (dan sprak men uiteraard van 'anglo-chinois'). Engelse of Schotse tuinarchitecten zoals Thomas Blaikie staken hun minachting voor deze 'Engelse' tuinen trouwens niet onder stoelen of banken (4). Het is misschien geen toeval dat deze 'Engelse' tuin werd aangelegd op een site waar sinds geruime tijd pannen werden geproduceerd. Het 'Engelsch Hof" van Groot Asdonk, op de grens van Tessenderlo en Molenstede, is een ander voorbeeld uit de regio, waar een kleiontginning samengaat met een vroege 'jardin anglais', waar een verzameling plassen en hopen een ideaal uitgangspunt vormde voor een 'Engels Hof'... De site van Kleine Berg omvat talrijke ontsluitingen van zware tertiaire klei, of quasi-ontsluitingen, bedekt met een dunne laag zandleem (5) - vandaar het toponiem 'Bruineveld' - en vertoont talrijke sporen van grondverzet. Naast een verlande poel op het smalle uiteinde van het Engels hof-perceel bevindt zich een heuveltje met drie zomerlinden (Tilia platyphyllos), maar tot ver buiten dit perceel komen nog dergelijke, tot 2,5 m hoge heuveltjes voor. De stafkaart van 1932 geeft twee van die heuveltjes weer, maar niet op de plaats waar ze zich in werkelijkheid bevinden. Het mooiste ligt langs de Bruinenveldweg, die de steenweg met het kasteel verbindt. Het wordt bekroond door een prieel van zeven zomerlinden die ooit op 2,5 m hoogte werden geknot. Het prieel is geopend naar een 2 m breed dreefje met linden die eveneens oude knotsporen vertonen en vermoedelijk werden aangeplant als palissade of loofgang. Architectuur met planten komt nog op andere plaatsen voor, zoals een prieeltje met haagbeuk (Carpinus betulus) naast het kasteel en een tweede lindeprieel in het bosplantsoen ten oosten van het kasteel, ditmaal met tien Hollandse linden (Tilia x europaea) waarvan de stammen met elkaar vergroeid zijn. In dit bosplantsoen komen talrijke zomereiken (Quercus rohur) voor met stamomtrekken tussen 3 en 4 m, bomen die minstens tweehonderd jaar oud zijn. Ondanks de aanwezigheid van een 'Engels hof' aan het begin van de 19de eeuw, is er weinig te bespeuren van de karakteristieke landschappelijke architectuur, die in de loop van de 19de eeuw het uitzicht van de meeste landgoederen ging bepalen. Het landgoed
Kleine Berg is vooral opgebouwd uit rechtlijnige elementen: grachten, houtwallen en dreefjes die waarschijnlijk werden aangelegd na, en georiënteerd op de nieuwe steenweg. De 18de-eeuwse idee van de 'ferme ornée' - de herenhoeve in een opgesmukt, arcadisch landbouwlandschap - heeft bewust of onbewust een grotere rol gespeeld dan de grote Engelse voorbeelden van landschappelijke aanleg. In 1860 brandde het kasteel af; het werd enkele jaren later werd heropgebouwd en kreeg in 1900 zijn huidige vorm (6): een sobere, bescheiden baksteenbouw van twee bouwlagen met een L-vormige plattegrond en een boerderijvleugel. Alleen de vierkante hoektoren herinnert aan het kasteel van weleer. Rond 1890 verdween het 'speelhuisje' van Van den Berck (7). In 1966 nam de 'Communauté de la Poudrière' haar intrek, een in 1958 door de pater oblaat Léon Van Hoorde gestichte, pluralistische gemeenschap, die thans het domein huurt en uitbaat (8). Merkwaardige bomen (opname 16 mei 2002) 4. zomereik (Quercus rohur) 5. zomereik f'Q«É7Y«.f ra^wrj 6. zomereik (Quercus robur) 13. Amerikaanse eik (Quercus 15. elsbes (Sorbus torminalis) 20. zomereik (Quercus robur)
384 342 364 rubra) 375 127 393
NOTEN (1) WAUTERS A., Géographie et htstoire des communes belges. Arrondissement de Louvam - canton de Léau, Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1887), 1963, p. 184 en 198. (2) REGISTRUM OMNIUM BONORUM MONASTERIIAVERBODENSIS; lussu Adm. Rever: Domini Servatii Vaes Abatis Anno 1650 [...] (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Kerkelijk Archief Brabant, nr. 5009), gereproduceerd in: VAN ERMEN E., Het kaartboek van Averbode, 1650-1680, Brussel, Gemeentekrediet, 1997. p. 119. (3) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 207 nrs. 11-22. (4) BLAIKIE Th., Sur les terres d'un jardinier. Journal de voyages, 1775-1792 (rrad. J. Barrier), Besan^on, Editions de l'Imprimeur, 1997, p. 160. (5) BAEYENS L, Rodemkaart van België: kaartblad Rummen 91E. Centrum voor Bodemkartering, 1965. (6) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 503 nrs. 20, 21, 42, 55 en art. 800 nr. 22; kadastrale opmetingsschetsen Rummen 1860 nr. 4, 1866 nr. 4, 1881 nr. 4 en 1901 nr. 3. (7) Kadasrrale opmetingsschets Rummen 1890 nr. 11. (8) Zie: www.inti.be/ecotopie/compoud.html.
Greta Roger Deneef
Paesmans, & Jo Wij nan t
GEETBETS (RUM ME IN): TER LEMEN OPPENSTRAAT 102, 3454 RUMMEN (PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK VOOR HET PUBLIEK)
Landhuis gebouwd in 1820 bij een oude
kunstmatig heuveltje voor het huis.
meer twee schuren, twee schaapstallen en een paardenstal (1). O p de Ferrariskaart (1771 -1775) wordt de " cense Ter Lenen" afgebeeld als een complex van losstaande gebouwen op een omgracht, rechthoekig 'eiland'. Een moestuin besloeg het grootste gedeelte van de noordelijke helft van dit eiland. Beemden, hoogstamboomgaard en akkergronden vormden de ruimere omkadering.
Het landgoed Ter Lenen ligt op de rechteroever van de Meisterbeek, te midden van het weide- en beemdengebied. Tot de Franse Revolutie maakte de hoeve Ter Lenen deel uit van de uitgestrekte bezittingen van de iets zuidelijker gelegen cisterciënzerinnenabdij van Oriënte, die de "curia de Leenen in 1240, samen met 52,5 bunder of ruim 60 ha akker- en weiland, had gekocht van zekere Rolin de Lare. In de 14de eeuw was Ter Lenen een belangrijke exploitatie, want de hoeve omvatte onder
Bij de openbare verkoop in 1798 kwam de Ter Lenen in handen van de Zoutleeuwse familie Coenen, die onafgebroken eigenaar bleef tot 1963. De Primitieve kadasterkaart die landmeter Denis in 1827 uittekende, geeft in vergelijking met de Ferrariskaart een totaal gewijzigd beeld. Het hoevecomplex is tot twee vleugels gereduceerd en op de plaats van het zuidoostelijke deel van de deels gedempte omgrachting bevindt zich een nieuw, nagenoeg vierkant volume, te identificeren met het huidige kasteeltje. Van de ringgracht op de Ferrariskaart valt
pachthoeve, achteraf verbouwd; vijver als relict van een vroege landschappelijke aanleg achter het huis, sporen van een symmetrische sierbeplanting van circa 1900 (oorspronkelijk 1 hectare) op een
• Het pachlhof Ter Lenen op de Ferrariskaart (1771-1775)
Het domein Ter
de zuidwestelijke
Lenen in 1871,
toegangsweg
vóór de aanleg van
(DLG, 1877)
niets meer te bespeuren. Het kasteeltje kijkt in noordwestelijke richting uit op een grillige, langgerekte vijver, in oorsprong misschien wel een baksteenkleiput (2), maar een "lustvijver" van 34,5 are volgens het Primitief kadaster (3), die het bestaan suggereert van een vroege landschappelijke tuin, een 'jardin anglais'. Tussen 1800 en 1820 (zwaartepunt rond 1810) werden tal van tuinen en parken in de regio - meestal beperkt in oppervlakte en formeel, regelmatig, geometrisch, 'Frans' of hoe ook genoemd — in een nieuw, 'onregelmatig' kleedje gestoken. D e golvende contouren van de waterpartijen, verbredingen, aanzwellingen en plotse vernauwingen - vaak gaat het om opgestuwde en verbrede beken en grachten, soms om ontginningskuilen — is typisch voot deze vroegromantische of vroeglandschappelijke aanleg. De "lustvijver"weid in 1827 volgens de kadastrale legger eigenaardig genoeg omgeven door utilitaire
Het pachthof Ter Lenen met 'land-
percelen: boomgaard (nr. 49), weide (nr. 48), tuinzonder-meer (nrs. 42 en 46) en rond het kasteeltje zelfs ordinair bouwland (nr. 43bis). Het 320 m lange en 15 m brede strookperceel nr. 40 was een dreef, die vanuit het zuidoosten bij de hoevegebouwen uitmondde. Hij verbond Ter Lenen via de Oppenstraat met de dorpskern van Rummen en vormde de hoofdtoegang. De huidige toegangsweg vanuit het zuidwesten, aan de Verdaelstraat gemarkeerd door een hek met twee pijlers van rode en gesinterde baksteen en een flankerend hekwerk, werd rond 1880 aangelegd (de in het smeedwerk verwerkte initialen 'VC' staan voor de toenmalige eigenaar Victor Coenen) (4), maar de monumentale, arduinen rondboogpoort met gegroefde omlijsting getuigt van het oorspronkelijke belang van de noordoostelijke toegang, hoewel deze poort deel uitmaakt van een rond 1897 gebouwde stalvleugel. Aan de hand van kadastergegevens kunnen de drie grote fasen van de late bouwgeschiedenis worden gereconstrueerd. Rond 1844 werd het kasteeltje achteraan (aan noordwestzijde) uitgebreid met twee haakse stalvleugels waardoor een ruime binnenplaats ontstond (5). Het balkonhekken geeft het jaartal 1820 aan, maar de mezzanine onder het overkragend leien schilddak met klokkenruiter is typisch voor een groot aantal landhuizen in de regio gebouwd in de periode 1840-1865 en werd mogelijk aangebracht tijdens de in 1844 of 1869 geregistreerde verbouwingen (6). Het jaartal 1820 is als chronogram ook verwerkt in de gedenkplaat boven de ingangstravee, waarop de naam van de oorspronkelijke bouwheer wordt vermeld: "Francisco Ludovico Coenen". De rood- en witgeschilderde cementbepleistering met schijnvoegen is wei-
schappelijke' vijver op de Primitieve kadasterkaart. opgemaakt door landmeter Denis in 1828 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
het nieuwe poortgebouw een tweede binnenplaats omsluiten (8). In 1900 wordt melding gemaakt van de installatie van een stoommachine en vanaf 1903 is er ook sprake van een stoomstokerij. De brouwerij-stokerij sloot haar deuren vlak voor de Eerste Wereldoorlog en werd nadien volledig ontmanteld.
De vijver van Ter Lenen, relict van een 'jardm anglais' uit liet begin van de 19de eeuw, maar in oorsprong wellicht een kieiput, op een in 1920 afgestempelde ansichtkaart (collectie José Huypens, DormaalZoutleeuw)
Het kasteeltje van Ter Lenen vanuit de lucht in 2001 (archief Onroerend Erfgoed, Leuven)
1VI&L
licht van latere datum. Een van de twee oudere hoevevleugels bleef bewaard, werd verlengd en vormde de aanzet tot een tweede binnenplaats. Circa 1869 werd in het verlengde van deze oude vleugel een vrijstaande, open berging opgetrokken terwijl meer zuidwestwaarts, aan de overzijde van de Meisterbeek een groot rechthoekig volume met cirkelvormige aanbouw verscheen (7). Hoewel de leggers van een "peerdenstaf spreken, gaat het ongetwijfeld om de huidige langsschuur waarvan de aanleunende rosmolen intussen verdwenen is. De campagne werd rond 1897 afgerond met de bouw van de stalvleugel haaks op de Meisterbeek en van een brouwerij en een stokerij die samen met
Rond de 'lustvijver' zijn geen sporen van sierbeplanting aanwezig. O o k de boomgaard rond de vijver, afgebeeld op de stafkaarten van 1871, 1886 en 1904, is verdwenen. De siertuin sterkte zich uit voor (ten zuidoosten van) het kasteeltje. De oorspronkelijke twee percelen werden in 1869 verenigd tot één 'lusttuin' van iets meer dan één hectare (perceel nr. 42b). O p de stafkaarten van 1886 en 1904 wordt een regelmatige, uit vier kwadraten bestaande tuin afgebeeld. Deze symmetrie is nog min of meer bewaard in de huidige toestand. De centrale as wordt gevormd door een circa 40 m lang grindpad op de kruin van een langwerpige ophoging, die vanaf het monumentale, bijna gevelbrede bordes naar het uiteinde van de ophoging leidt, dat gemarkeerd wordt door een bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'LeopoldüV (gestorven in 2000). Symmetrisch ten opzichte van dit pad staan oude struiken opgesteld, met name hulst (Ilex aquifolium) en gele kornoelje met witgerand blad (Cornus mas 'VariegataV. Naast het kasteeltje en aan de rand van de ophoging bevinden zich nog
De monumentale, arduinen rondboogpoort met gegroefde omlijsting getuigt van het oorsproiikeli|ke belang van de
^aSËSUÉBt
noordoostelijke toegang (foto R. Deneef,
2002)
twee sierbomen, respectievelijk een vederesdoorn
1963), p. 198; WOUTERS M.]., Notice histonque sur la commune
met geel gerand blad (Acer negundo 'Aureomargina-
de Rummen et sur les anciensfiefsde Grasen, Wilre, Bindervelt et
tumV en een zomereik met witgemarmerd
blad
(Quercus robur 'Albomarmorata'j, de dikste geregi-
Weyer, Gent, 1846. (2) Volgens RUYTINX L. e.a., Geethets, Rummen, Grazen - Het is
streerde voor België (9). Deze bomen en struiken werden vermoedelijk rond 1900 aangeplant.
niet meer zoals het was, 1995, p. 85. (3) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 29 nrs. 33-43. (4) Vergelijk de stafkaarten van 1871 (DIG, 1877) en 1886 (ICM,
Merkwaardige bomen
1897).
(opname 4 juni 2002)
(5) Kadastrale opmetingsschets Rummen 1844 nr. 7
1. vederesdoorn met geel gerand blad (Acer ne-
(6) Beide "agrandissement" volgens de oudste kadastrale legger Rum-
gundo 'Aureomarginatum'j 2 6 3 2. zomereik met witgemarmerd blad (Quercus robur AlbomarmorataV 2 7 9 7. gele kornoelje met witgerand blad (Cornus mas
men, art. 29 nrs. 37, 57 en 82. (7) Kadastrale opmetingsschets Rummen 1869, nr. 16. (8) Kadastrale opmetingsschets Rummen 1897, nr. 14. (9) BAUDOUINj.C. e.a.. Bomen in België. Dendrologische inventaris
'VariegataV 65(30), dikste van twee 9. gele bindwilg (Salix x rubens) 399( 120)
1987-1992, Stichting Spoelberch Artois i.s.m. de Belgische Dendrologische Vereniging, 1992, p. 386.
NOTEN (1) BROUETTE E., Abbaye d'Orienten, a Rummen, in: Monasticon beige, IV, Province de Brabant, vol. 2, 1968, p. 499-509; BUVE C., Beschtijving der Kioostetgoedeten van Otiente gelegen te Rummen, Hageland Gedenkschriften, IX, 1915, p. 187-197; WAUTERS A., Geographic et histoire des communes heiges. Arrondissement de Louvain. Canton de Léau, Brussel, 1887 (herdrukvan
M&L
Roger
Deneef
GEETBETS (RUMMEM): PASTORIE VAN ÜE SIMT-AMBROSIUSKERK PERSOONSTRAAT 55, 3454
RUMMEN
(PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
De omwalde pastorie van Rummen in het grote kaartboek van de abdij van Averbode door C. Lowis, rond 1660 (Algemeen Rijksarchief Brussel)
Door een ringgracht omgeven tuin van 70 are naast een in 1630 gebouwde pastorie, classicistisch verbouwd tijdens het tweede kwart van de 18de eeuw; een gedeelte (16 are) van de tuin werd rond 1820 als 'Engels hof' omschreven.
De voormalige pastorie van Rummen zou volgens een jaarsteen in de gevel dateren uit 1630. Het was een norbertijnenpastorij, maar het gebouwencomplex dat in het rond 1660 opgemaakte kaartboek van de abdij van Averbode wordt afgebeeld, verschilt op het eerste gezicht sterk van het huidige. Het sluit nog erg aan bij de I6de-eeuwse lusthoven (gesloten complex, vierkante hoektoren met klokdak en ajuinspits) en de traditionele bouwkunst
(kruis- en kloosterkozijnen, baksteenmetselwerk met speklagen, trapgevels, opkamer). Zoals talrijke 'huizen van plaisantie' en pastorieën uit die periode is ze omgeven door een ringgracht, die een bijna rechthoekig eiland (in dit geval 170 m bij 40 m) omsluit. Los van het complex, op het oostelijke uiteinde van het eiland, staat een dwarsschuur met in oker gekleurde muren - vermoedelijk leembouw. Een boomgaard en een in vierkante bedden verdeelde moestuin beslaan de ruimte tussen de schuur en het hoofdgebouw. De westelijke helft van het eiland, door bomen overschaduwd, was ongetwijfeld het 'pastoorsbosje'. Tot het midden van de 19de eeuw zullen dergelijke bosjes als bron van brand- en geriefhout een belangrijke economische functie vervullen in de pastoriehuishouding. Een gedeelte van dit bosje lag op een afzonderlijk eilandje.
De huidige pastorie is het resultaat van verbouwingen in het tweede kwart van de 18de eeuw. De woonvleugel werd van zijn torentje ontdaan - misschien was het al vroeger verdwenen (1) - en de symmetrie werd benadrukt, zowel in het grondplan als in de ordonnantie van de voor- en achtergevels (2). De asymmetrie veroorzaakt door de opkamer die de rechterhelft van het gebouw beslaat, werd zoveel mogelijk getemperd door alle ramen - voortaan zonder kruis- of kloosterkozijnen - hetzelfde formaat en dezelfde omlijsting te geven. Het zadeldak met de trapgevels werd vervangen door een lichtjes geknikt schilddak. Perfect symmetrische 'dubbelhuizen' — in dit geval zeven traveeën breed met de voordeur in het midden — onder schilddaken vormden het model voor de meeste pastorieën in de 18de eeuw. De keuken bevond zich in een kleine aanbouw - een eenlagig dwarsvleugeltje (tot in 1970 met een mansardedak) aan de noordzijde van de pastorie. Het oostelijke uiteinde van het eiland met de schuur, de moestuin en de boomgaard, werd uitgebouwd tot een heus neerhof, met een wagenhuis, stallen en een schuur (op de plaats van de oude, evenwijdig met het woonhuis). De tuin verhuisde naar de ruimte achter het huis en de boomgaard werd buiten de slotgracht aangelegd. Dit is het beeld dat de Ferrariskaart (1771-1775) geeft en dat ook terugkomt op de Primitieve kadasterkaart. De pastorie beantwoordde daarmee ook aan het voor die tijd populaire model voor herenhuizen 'vivre entre cour et jardin'. De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door J.B. Hannay in 1827, toont een grote overeenkomst met de situatie op de Ferrariskaart. Het perceel (nr. 299, bijna 21 are groot) dat onmiddellijk aansluit bij de pastorie, wordt in de kadastrale legger gewoon als "hof bestempeld, traditioneel een combinatie van moes- en bloementuin ('nut en sier') met een padenkruis. Het 'pastoorsboseilandje' uit de tijd van Averbode is nog herkenbaar als een afzonderlijk perceeltje, nummer 298, bijna 16 are groot. Dit perceel wordt in de Primitieve kadastrale legger (circa 1831) als "Engels hof (later doorgestreept en vervangen door "hof) omschreven en het vierkante gebouwtje in dit perceel als uspeelhuys (later doorgestreept en vervangen door "huys') (3). 'Engels hof' staat hier zonder twijfel voor wat de toenmalige pastoor als zijn 'jardin anglais' beschouwde. Dit is een miniatuurvariante op de 19de-eeuwse landschappelijke tuin, een nieuwlichterij die in de meeste pastorieën pas doordrong rond 1850, toen de pastoorsbosjes hun economische functie verloren en omgevormd werden
De pastorie van Hummen volgens de
tot een informele lusttuin met een slingerpaadje en wat bruine beuken, rododendrons en andere sierstruiken (4). Het 'speelhuis' was uiteraard een vierkant tuinpaviljoen, waarvan de funderingen bewaard bleven maar waarover verder geen enkel detail bekend is. De oudste 'Engelse tuinen' worden doorgaans gekenmerkt door een bewogen microreliëf; het heuveltje in de zuidwesthoek van het perceel, tegen de gracht aan, zou hiervan een relict kunnen zijn. Mogelijk stond hier ooit een beeld, geen Diana of andere figuur uit het antieke pantheon, maar naar alle waarschijnlijkheid een heiligenbeeld, want pastorietuinen vormden het kader voor meditatie en het obligate breviergebed. De taxus (Taxus haccata) naast het heuveltje kan een restant zijn van de oude omkadering.
Primitieve kadasterkaart, opgemaakt in 1827 door IB
Oude zwarte els op de buitenoever van
Rond 1860 werd het pastoriecomplex tot zijn huidige volumes herleid: de schuur werd gesloopt.
de ringgracht van de voormalige pastorie van Rummen (foto R. Deneef. 2006)
M&L
De vervallen, geel
circa 1970
gekaleide pastorie
(archief Jaspers-Van
van Hummen en de de Wauwe, verwilderde tuin vóór de restauratie.
Rummen)
Y De voormalige pas torie van Rummen 'cóté jardin' (foto R. Deneef, 2006)
1VI&L
samen met een gedeelte van de dwarsvleugels. Van de neerhofgebouwen resten alleen het poortgebouw, de dienstwoning onder het wolfsdak rechts ervan (oorspronkelijk bestemd voor de onderpastoor?) en het koetshuis zonder de stallen. Ook het inhammetje van de ringgracht met het brugje tussen de keuken en het koetshuis is verdwenen (5). Toen de pastoor in 1970 naar een woning nabij de kerk verhuisde, verkeerde het pastoriecomplex - tien jaar eerder beschermd als 'monument' - in een vergevorderde staat van verval. De gebouwen werden grondig gerestaureerd. Zich spiegelend aan de modelrestauratie van die periode (het groot begijnhof te Leuven) werden de gele kaleilagen verwijderd en het metselwerk blootgelegd. De ringgracht, die jarenlang als gemeentelijke stortplaats was gebruikt, werd geruimd en de oevers werden beschoeid. Het voorplein (neerhof) werd in twee, door een taxushaag gescheiden delen opgesplitst: de grotendeels gekasseide ruimte tussen het koets-
•4 Het voorplein of vroegere neerhof van de voormalige pastorie van (Uiiiiinen (foto R. Deneef, 2006)
huis en de dienstwoning, en de ruimte voor de pastorie: door lage taxushagen omzoomde gazons en een gekasseid pad recht naar de voordeur. Aan de beplanting werd weinig veranderd. De Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'j langs de oprijlaan werden vervangen door geknotte platanen (Platanus x hispanica). De bomen op de oevers van de ringgracht - voor het merendeel opslag van zwarte els (Alnus glutinosa), in mindere mate gewone es (Fraxinus excelsior), zoete kers (Prunus avium), gewone esdoorn (Acer pseudoptatanus), maar ook enkele oudere zomereiken (Quercus robur) — werden ongemoeid gelaten. Opslag van zomerlinde (Tilia platyphyllos) laat vermoeden dat de binnenoever ooit met linden beplant was. Twee zomereiken — zogenaamde spaartelgen op nog oudere, 50 cm hoge stronken — doen denken aan traditionele knoteiken, een bron van geriefhout (spadestelen...), die bij diverse pastorieën worden aangetroffen. O p de plaats van de rond 1860 gedempte inham van de ringgracht staan drie zomerlinden, mogelijk relicten van een prieel, en een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), die vermoedelijk rond 1900 werden aageplant. De enige toevoeging is de fraaie, omhaagde rozentuin aan de noordzijde [foto op p. 10].
Merkwaardige boom (opname 11 augustus 2006) 7. zwarte els (Alnus glutinosa) 3 0 6 (20)
NOTEN (1) Zie een reconstructietekening door J. Halflants, in het bezit van de eigenaars. (2) Beschreven en afgebeeld als 'Hoeve ter Borg', die in feite 300 m meer naar het oosten ligt, in Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven. Brussel, Ministerie van Nederlandse Culmui, 1971, p. 341, (3) Oudste kadastrale legger 212 Rummen, art. 165 nrs. 4-9. (4) Zie bijvoorbeeld de pastorieën van Korbeek-Lo en Roosbeek, respectievelijk p. 61-62 en 125-126 in DENEEF R. (red.), Historische tuinen en parken van Vlaanderen: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee (Cahier M&L nr. 9), Brussel, afdeling Monumenten & Landschappen, 2004. (5) Kadastrale opmetingsschets Rummen 1860 nr. 6.
M&L
Roger Dene e f & Greta
Paesmans
GEETBETS (RUM ME IN): KASTEEL VAN RUMMEM KASTEELLAAN, 3 4 5 4
RUMMEN
(PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
• Het kasteel van Jean Hoen in vogelperspectief vanuit het zuiden, na de restauratie en renovatie volgend op de brand van 1657, gravure uit de 'Chorographia Sacra Brabantia' (1658-1663) van Sanderus
Vervallen hoevegebouwen, een hoektoren van een In 1906 afgebroken kasteel, een deel van de oude rlnggracht en het perceelspatroon - monumentale relicten van een kasteelcomplex uit 1629 met parterretuin en dreven.
Het kasteel van Rummen mag niet verward worden met het oorspronkelijke feodale slot dat in 1365 met succes werd belegerd en vervolgens met de grond gelijkgemaakt (1). De 'Warande', een beboste, ronde heuvel ten westen van het dorp, geeft de plek aan waar het stond. Het huidige kasteel bevindt zich één kilometer westwaarts, halverwege Geetbets. Het werd gebouwd in 1629 door de pas tot graaf gepromoveerde Jean de Hoen. In 1657
werd het gedeeltelijk door brand vernield. Een gravure uit de 'Chorographia Sacra Brabantia' (16581663) van Sanderus (2) toont het kasteel in vogelperspectief vanuit het zuiden, na de restauratie en renovatie. Het omgrachte gebouwencomplex lag naast een 2,5 km lange, kaarsrechte dreef (de huidige Kasteellaan), die het met Rummen en Geetbets verbond. Het was enkel toegankelijk via de massieve poorttoren met een ophaalbrug, die het erf van het neerhof aan de zuidzijde afsloot. Vanuit het neerhof leidde een driebogige brug naar de voorburcht, gevormd door drie vleugels rond een binnenplaats, met twee ronde hoektorens aan de zuidzijde en een barokkapel met een zeshoekig torentje als uiteinde van de oostelijke vleugel. De burcht zelf - op een vierkante plattegrond met vier ronde hoektorens en het toegangsrisaliet van de voorgevel versierd met overkragende spietorentjes -
stond met de voorburcht in verbinding via een tweede brug. Buiten de ringgracht, helemaal rechts in beeld, lag een omhaagde siertuin met acht vierkante, door buxushaagjes afgelijnde parterres. De tracering van de parterres is nog duidelijk geïnspireerd op renaissancistische modellen. Het geheel oogt erg sober: geen 'bersauwen', paviljoentjes of 'houbetten', geen kunstige snoeivormen of gesofisticeerde latwerkarchitectuur. Met de restauratie van de gebouwen was misschien een groot gedeelte van het budget opgesoupeerd... Een tekening door Remacle Leloup (3), eveneens een vogelperspectief maar ditmaal vanuit het zuidoosten, geeft de toestand rond 1740 weer. Het woongedeelte heeft zijn versterkte allures verloren en lijkt, met zijn steile schilddak en grote ramen met kruiskozijnen, op een 17de-eeuws 'huis van plaisantie'. Twee hoektorens (op de tekening is er slechts één zichtbaar) en de spietorentjes boven de ingang hebben de verbouwing overleefd. De andere gebouwen zijn min of meer hetzelfde gebleven. Het tuincompartiment, schematisch afgebeeld op de voorgrond, heeft zich aan de heersende mode aangepast: de hoekpunten van de parterres worden geaccentueerd door in vorm gesnoeide boompjes, er zijn ook potplanten (laurier of oranjeboomjes) en de tekenaar geeft in één van de parterres een barokke 'broderie' van loofwerk weer. De Ferrariskaart (1771-1775) bevestigt niet alleen de door Leloup afgebeelde situatie tot in het detail, maar T Het kasteel van
in 1827 door C.F.
• Het kasteel van Hoen vanuit het
toont ook een moestuincomplex, dat bij de siertuin aansloot. Ook de landschappelijke positie van het kasteel komt hier duidelijk tot uiting: op het snijpunt van twee loodrechte, door lijnbeplantingen geaccentueerde assen, de bovenvermelde Kasteellaan en een noord-zuidgerichte as. De Kasteellaan tussen het kasteel van Hoen en de dorpskern van Rummen wordt geflankeerd door dubbele bomenrijen; de zuidelijke (verdwenen) arm van de noordzuidas door enkele bomenrijen. De Ferrariskaart weerspiegelt mogelijk onafgewerkte intenties. Zij werd opgemaakt op een beslissend moment in de geschiedenis van het domein: de kinderloze dood van gravin Marie-Henriette, de laatste de Hoen de Cartiels, die haar vaste woonplaats had in Rummen en die mogelijk grootse plannen had gekoesterd voor de omgeving van het kasteel. De erfgenaam, haar neef Charles-Francois de Horion, liet Rummen aan zijn schuldeisers over (4).
zuidoosten circa 1740 op een tekening van Remacle Leloup
T Het kasteel van Hoen op het snijpunt van twee
Hoen op de
Boonaerts
Primitieve kadaster-
(archief Kadaster
op de Ferrariskaart
loodrechte assen,
kaart, opgemaakt
Brabant, Brussel)
(1771-1775)
• De overblijfselen van het kasteel van Hoen in 2002 (archief Onroerend Erfgoed. Leuven)
De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Boonaerts in 1827, toont een plattegrond die nauw aansluit bij de afbeelding van Leloup. O p een gravure van 1847 (5) wordt het herenverblljf getoond met de twee hoektorens, de spietorentjes, de ophaalbrug en de slotgracht, precies zoals Leloup het meer dan honderd jaar eerder had getekend. De slotgrachten stonden nog wel geregistreerd als lustvijver ('eau d'agrément'), maar van de parterretuin ten oosten van het kasteel bleef alleen de perceelsvorm bewaard. Het voormalige kasteel van de Hoen was toen eigendom van de weduwe van Pierre Van den Bossche uit Tienen (6), eigenares van bijna één derde van het grondgebied Rummen. Zij liet in 1837 de restanten van de voorburcht afbreken. Het herenverblljf werd op één hoektoren na gesloopt omstreeks 1906 (7). De resterende hoevegebouwen werden tot in de jaren 1980 nog als hoeve uitgebaat. Een poging tot restauratie rond 1990 verzandde in een pril stadium. Sindsdien ligt de voormalige kasteelhoeve er verlaten bij.
NOTEN (1) WOLTERS M.J., Notice histonque sur la commune de Rummenet sur les anciensfiefsde Grasen, Wilre, Bindervelt et Weyer, en Hesbaye, Gand, 1846, p. 144-153; WAUTERS A., Giographie et histoire des communes heiges. Arrondissement de Louvain - canton de Léau. Bruxelles, Guiture et Civilisation (facsimile van editie 1887), 1963, p. 188. (2) Gereproduceerd in: VERBOUWE A.. Iconografie van VlaamsBrahant (VII), Kanton Zoutleeuw, Brussel, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1950, afb. 5 (nr. 124). (3) Gereproduceerd in: VERBOUWE A., op. at., afb. 6 (nr. 127). (4) WAUTERS A., op. at., p. 195-196. (5) Gereproduceerd in: VERBOUWE A., op. al. afb. 7 (nr. 130). (6) Oudste kadastrale legger 212 Geetbets. art. 209, nrs. 156, 164175. (7) Kadastrale opmetingsschetsen Geetbets 1837 nr. 32 en 1907 nr. 14.
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
HOEGAARDEN (HOEGAARÜEM) KASTEEL VAN OVERLAAR K L E I N O V E R L A A R 77,
3320
HOECAARDEN
(PRIVÉBEZIT, NIET T O E C A N K E L I ) K V O O R HET PUBLIEK)
• De door bankier Trémouroux rond 1857 gebouwde villa en de 'verlandschappelijkte' arm van de rlngjracht (foto 0. Pauwels, 2007)
Landschappelijk aangelegd
park van 35
rond 1860 en uitgebreid
1900 tot 1,5 hectare, sche villa op de plaats feodale
are, rond
naast een eclectivan een
dubbele
de binnenplaats af. Buiten de ringgracht staat een laag gebouw, eveneens van baksteen en leien, waarschijnlijk een schuur of een stal. Een rechte oprijlaan verbindt het kasteel met de toen nog kronkelige weg van Tienen naar Hoegaarden.
motte.
De oudste afbeelding van "t'casteelken" van Overlaar of Bullekom (soms Bellekom) komt voor als referentiepunt op een kaart van de goederen van de abdij van 't Park uit 1655 (1). Het toenmalige waterkasteel wordt schematisch afgebeeld als een bescheiden bakstenen gebouw onder een leien zadeldak en met een torentje (mogelijk een traptoren) aanleunend bij een hoge, gekan teelde, ronde toren van natuursteen (vermoedelijk kwartsiet) met een torenspits binnen de kantelen - ongetwijfeld een middeleeuwse donjon. Een bakstenen muur met steunberen, mogelijk een relict van een verdwenen vleugel, sluit naar de kant van de kijker toe
Dat het gaat om een dubbele feodale motte blijkt duidelijk uit de Ferrariskaart {"ChAteau de Bellegome"), die werd opgesteld vlak na de aanleg van de huidige steenweg naar Tienen in 1771 (2), en nog duidelijker uit de Primitieve kadasterkaart, niet gedateerd maar vermoedelijk rond 1820 door landmeter Sablon uitgetekend. O p het vierkante eiland (perceel nr. 185) lag vermoedelijk het oude neerhof; op het bijna ronde eiland (nr. 1 82) stond ongetwijfeld het 'casteelken' met de donjon van 1655. De bebouwing bestaat rond 1820 uit een woonhuis (nr. 183) en twee dienstgebouwen {"badment ruraF). Geen spoor van siertuinen. Het voormalige kasteelgoed, samen met bijna 16 hectare omliggende
V•
• Het kasteel van Overlaat - t' Costeelten ran
landbouwgrond, was onverdeeld eigendom van brouwer-burgemeester Jean-Baptiste D u m o n t (3) en zijn broer Joseph (4).
Bullekom - op een kaart van de goederen van de abdi| van 't Park te Outgaarden en Hoegaarden uit 1655 door Guillaume Subil (Typographie-bocck T B, F. 87, archief Abdij van 't Park, Heverlee)
• Het gehucht Overlaar, het kasteel van ellegome' en de pas aangelegde steenweg naar Tienen op de Ferrariskaart (1771-1775)
• Het kasteel van Overlaar met twee rmggrachten op de
Na de afbraak van de gebouwen werd rond 1857 de huidige villa op het donjoneiland gebouwd in opdracht van de Tiense bankier Charles Trémouroux, die getrouwd was met Emilie Dumont, de dochter van Joseph (5). Dit bakstenen gebouw (momenteel wit geverfd) telt twee bouwlagen en een souterrain onder een afgeplat schilddak. De voor- en achtergevels zijn nagenoeg identiek, drie traveeën breed, met een brede centrale travee bekroond door een barok halsgeveltje met voluten. De traveeën worden van elkaar gescheiden door pilasters met geblokte natuurstenen basementen. Blauwe hardsteen werd gebruikt voor de boogfriezen onder de kroonlijst en onder de band tussen de verdiepingen. De erker in de achtergevel werd toegevoegd rond 1907 (6). Tegen de ringgracht aan werd een nieuw dienstgebouw (stal en koetshuis) op een U-vormig grondplan gebouwd, dat qua materiaalgebruik en stijl min of meer aansluit bij de villa. De villa noch het dienstgebouw werden opgetrokken op de funderingen van de afgebroken gebouwen, zoals blijkt uit de kadastrale mutatieschets (7). Sinds een verdeling in 1838 hoorde het vierkante neerhofeiland niet meer bij het kasteelgoed. O p de stafkaart van 1908 wordt de ringgracht van het neerhofeiland niet meer weergegeven, maar ze is nog steeds zichtbaar in het microreliëf (8). De ringgracht van het kasteeleiland bleef bewaard maar de westelijke rechte grachtarm werd in
Primitieve kadasterkaart, opgemaakt
T
door Sablon, met
Het klooster
landschappelijk
Manadal en, rechts-
parkje in 19
delijk circa 1820 -
boven, het kasteel
(ICM, 1933)
noorden linksboven
van Overlaar met
gedateerd, vermoe-
(archief Kadaster Brabant, Brussel)
M&L
*£
•-' SS'Ssv'•"•}!/
c.
/SSSJ
Y
MMfe
•JU. , . '"rs
St
gebogen vorm heraangelegd en de rechte hoeken werden weggewerkt. Het nieuwe kasteeleiland, bijna 35 are groot, wordt voortaan ook als 'lustgrond' geregistreerd - een informele landschappelijke beplanting, die aansluit bij de 'verlandschappelijkte' ringgracht. Een bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'j, een gewone plataan (Platanus x hispanica) en een witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) (9) met stamomtrekken rond 4 m, behoren ongetwijfeld tot de oorspronkelijke sierbeplanting van het eiland. Het kasteel is, zoals in 1655, bereikbaar langs een 230 m lange, nu gekasseide weg, die rond 1970 aan één zijde met bruine beuken werd afgezoomd. Een recente bakstenen brug vormt de toegang tot het eiland, op de plaats waar zich vanouds (zie Primitieve kadasterkaart) de brug bevond.
Het gros van de parkaanleg neemt de ruimte (96 are) in beslag tussen het eiland en de steenweg. Dit perceel (177c) wordt door het kadaster pas in 1922 als lusthof beschreven (10), maar op de stafkaart van 1908 wordt al een landschappelijke aanleg getoond: een naar de steenweg oplopende grasvlakte, omringd door bomen en een rondpad in de vorm van een langgerekte ellips. De hoogstammige randbeplanting omvat bruine beuken, een treurbeuk (Fagus sylvatica 'PendulaV. witte paardenkastanjes, zilveresdoorns (Acer saccharinum), soms met ingesneden blad (A. s. 'Laciniatum'j, tamme kastanje (Castanea sativa), Noorse esdoorn (Acerplatanoides), Hollandse linde (Tilia x europaea), zilverlinde (Tilia tomentosa), gewone esdoorn met purperrode bladonderzijde (Acer pseudoplatanus 'PurpureumV, gewone trompetboom (Catalpa bignonioides) en een hemelboom (Ailanthus altissima).
A Het kasteel van Overlaat omringd door nog jonge aanplantingen. vóór 1909 (met dank aan mevrouw B. Tassin, Kumticti)
Merkwaardige bomen (opname 29 juni 2001) 1. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'J 420 4. gewone plataan (Platanus x hispanica) 4 0 3 15. zilveresdoorn (Acer saccharinum) AA5 24. zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'Laciniatum'J 4 6 7 27. zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum 'LaciniatumV 4 6 7
NOTEN (1) WAUTERS A., Geographic et histoire des communes heiges. Arrondissement de Louvain - canton de Tirlemont, ville de Tirlemont, Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1876),
Het kasteel van
1963, p. 37, suggereert ten onrechte dat het kasteel van Bellekom
Overlaat vanuit het
en dat van Overlaat twee verschillende dingen zijn.
westen in 1985 (met dank aan de
heer (2) VANDER VELPEN ]., Geschiedenis van Hoegaarden, Hoegaar-
den, Gemeentebestuur, 1981, p. 120-122.
Ivan Struys,
Hoegaarden)
(3) Burgemeester van 1831 tot 1836 volgens VANDER VELPEN J., op. cit., p. 141. (4) Oudste kadastrale legger 212 Hoegaarden, art. 247, 248 en 249. (5) Kadastrale opmetingsschets Hoegaarden 1838 nr. 17; oudste kadastrale legger 212 Hoegaarden, art. 247 nr. 8 en 28. (6) Kadastrale opmetingsschets Hoegaarden 1908 nr. 18. (7) In tegenstelling tot wat gezegd wordt in het Beschermingsvoorstel Voormalige Villa Tremouroux-Dumont (dosskt nr. 3294), Leuven, Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant. (8) De kadastrale opmetingsschets Hoegaarden 1920 nr, 45 registreert de verdwijning van de ringgracht van het neerhofeiland. (9) De paardenkastanje is gestorven in 1995. (10) Oude kadastrale legger 212A Hoegaarden, art. 3836 nr. 34.
M&L
Roger Dene e f & Jo Wijnant
MOEGAARÜEN (HOEGAARDEN) MARIADAL KLEIN OVERLAAR 3, 3 3 2 0
HOECAARDEN
(PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
Het gebouwencomplex van Mariadal van over de vi|vcr (foto 0. Pauwels. 2007)
Domein van circa 4,5 hectare aangelegd in de loop van de 19de eeuw rond een kiooster-meisjeskostschool op de omwaterde site van een voormalig bogaardenklooster; landschappelijke aanleg met Lourdesgrot en sporen van een neo Franse tuin uit eerste kwart 20ste eeuw. Van bogaardenklooster tot 'Val Virginal'
plattegrond. O p de Ferrariskaart (1771-1775) heeft het een plattegrond in de vorm van een 'h' in spiegelbeeld, met een moestuin, een boomgaard en iets wat vermoedelijk een grote siertuin was met een padenkruis en een ovaal verbreed kruispunt. Dat deze siertuin een afzonderlijk eiland vormde, blijkt uit de Primitieve kadasterkaart die rond 1820 door Sablon werd opgemaakt. In 1797 werd het bogaardenklooster met bijbehorende gronden, in totaal drie hectare, verkocht als 'nationaal goed' aan ex-leden van de congregatie.
Het klooster Maagdendal of Mariadal van de bogaarden (ook begaarden), de mannelijke pendant van de begijnen, werd opgericht rond 1450 op een tot de verbeelding sprekende site: de brede ringgracht en de twee eilanden suggereren een oude castrale motte (1). O p een kaart van de cijnzen en lenen van de abdij van 't Park te Hoegaarden en Outgaarden uit 1663 (2) wordt het klooster weergegeven als een gesloten complex met een vierkante
In 1820 werd het voormalige kloosterdomein aangekocht door de congregatie 'Soeurs de l'Union au Sacré-Coeur' (nu vertaald 'Zusters van de Vereniging met het Heilig Hart'), een rond 1800 door priester Fran^ois-Joseph Delfosse gestichte orde die zich op het onderwijs toelegde (3). Nog datzelfde jaar opende 'Val Virginal', een kostschool voor meisjes, haar deuren. De Primitieve kadasterkaart
beukige Sint-Rochuskapel uit 1766-1768, werd niet geraakt (6). Het decor zou men als 'landschappelijk' kunnen omschrijven: informele beplanting, bomen en struiken met afwisselende vorm en textuur, onregelmatig golvende oevers... Rechts in beeld de dam die vanouds de hoofdtoegang van het klooster vormde, en de oude, nog bestaande rondboogpoort. Door de nieuwbouw van 1848 werden twee volledig omsloten binnenplaatsen gevormd en twee ruimten die slechts aan drie zijden omsloten waren: een naar het zuidoosten toe geopende, grazige vlakte met enkele kleine boompjes en struikmassieven, zichtbaar op de litho, 'hof' volgens het kadaster; en een naar het zuidwesten toe geopende ruimte, 'lusthof' volgens het kadaster (7). Dit lusthofperceel van 16 are groot sloot aan bij de eilandtuin op de Ferrariskaart, waar de moestuin was ondergebracht. Bij de verbouwing werd de tot 10 m brede gracht tussen het kloostereiland en het tuineiland versmald tot een recht kanaaltje met zoiets als een zwaaikom, een tot 5 m verbreed middengedeelte.
Een tot de verbeelding sprekende site: het door water omgeven bogaardenklooster op de ferrariskaart (1771.1775)
Het voormalige bogaardenklooster op de Primitieve kadasterkaart. opgemaakt door Sablon niet gedateerd, vcrmoedeli|k circa 1820 - noorden linksboven (archief Kadaster Brabant. Brussel)
sluit nauw aan bij de Ferrariskaart; het kloostercomplex heeft nagenoeg dezelfde plattegrond. De oudste kadastrale legger (1831), op naam van "ménagère" Petronelle Pierraerts en consoorten, omschrijft het hoofdgebouw als "Maison batiment et cour brasserie" en vermeldt drie tuinpercelen, samen met vijvers en ringgrachten 4 hectare 27 are groot. De congregatie bezat daarenboven te Hoegaarden nog 13 hectare landbouwgrond en had te Sint-Katarina-Houtem, op het hoogste punt van het plateau tussen de Grote Gete en de MolenbeekMenebeek, een kapel laten bouwen - de 'Marollenkapel' of'Klein Scherpenheuvel' (4).
Een ets, die rond 1900 als ansicht werd gebruikt, geeft een gestileerd overzicht van de gebouwen en de tuinen, met op de voorgrond andermaal spelevarende pensionaires, een met boompjes beplant eilandje en een gekanteeld neogotisch kapelletje dat rond 1900 werd gebouwd, maar nauw aansluit bij de 'middeleeuwse' tuinfollies uit de vroege Engelse parken. Het gaat ook om een religieuze thematuin en men mag aannemen dat, buiten het kapelletje, nog andere constructies en beelden de pensionaires op vrome gedachten moesten brengen - onder meer een Heilig Hartbeeld en een Lourdesgrot (nog niet zichtbaar op de ets) met een uitbundig door stalactieten omkranste lievevrouw. Voor de rest: onderhoudsvriendelijke gazons met
Het dagelijkse leven m de kostschool 'Val Virginal' omstreeks 1850. op een litho door J.B. De Verver (uit A. Verbouwe. 1946)
Landschappelijk decor Een litho uit circa 1850 toont het pensionaatklooster vanuit het zuidoosten, met op de voorgrond een twintigtal kuierende pensionaires onder de hoede van drie zusters, op de achtergrond een spelevarend gezelschap en het gebouwencomplex vlak na de door het kadaster in 1 848 geregistreerde uitbreiding, toen de bebouwde oppervlakte meer dan verdubbelde (5). Aan de kloosterkerk, de een-
M&L
Het pensionaat-
Jésus' op de staf-
De Lourdesgrot
klooster van de
kaart van 1893
van 'Val Virginal'
'Soeurs de l'Union
(ICM, 1900)
(collectie José Huypens. Dormaal)
au Sacré-Coeur de Gestileerde weergave
afgestempelde
van het pensionaat
prentbnefkaart
van Mariadal op
(collectie José
een in 1904
Huypens, Dormaal)
struiken en boompjes, brede grindpaden, die naar de voorgrond toe lussen beschrijven maar voor de rest evenwijdig lopen met de muren van het complex. Dankzij de overvloed van ansichtkaarten kunnen we ons niet alleen een beeld vormen van het dagelijkse leven op de kostsschool, maar ook van de beplantingen — veel Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV - en van de talrijk aanwezige, rustieke en pittoreske 'kleinarchitectuur' en het parkmeubilair in het algemeen - boogbrugjes van hout of met leuningen van vervlochten takken in cement, een eendenkooi met spits tentdak, tuinvazen en potten met agaven. Opmerkelijk is ook de aankleding van het hoevegebouw, met pseudovakwerk, een houten balkon, geprofileerde sleutelstukken, een geveltop met windveer en met rozetten in ajour en druipers...
Een 'jardm anglais' als religieuze thematuin: het verdwenen neogotisch kapelletje omringd door schijncipressen en thuja's, de engelbewaarder op de voorgrond (collectie José Huypens, Dormaal)
•
r.vi.'umi ju rw r rgiiiat, (tfiit;i par Ui Sarin ,!( t'V>. inihi Siicn-Catii HoHgatrdt, lc i
Italiaanse populieren
k
bij de rond 1848 gebouwde Villa Saint-Joseph, nu Villa Irena, op een in 1901
'M
^1» jtj|j^tt BJHBL IJ Bi
' -ïjH Sue i
SS Jg 9 11
afgestempelde
:
ansichtkaart (collectie José
H
Huypens, Dormaal)
P v ^ ^
M&L
yet*u*L
*ys~~4
'=. JÊM TTÏ^H^B
K
••
/.7/;./„~
v^,.„,... ^ m JfÊS^U 1 y^ .^K. — ? -*' « , '^mk•.,.;.. - i * . ^ ^ W
A
Franse tuin In de loop van de 19de en het begin van de 20ste eeuw werd het complex nog diverse malen verbouwd (8). In 1909 verdween de noordelijke, smalle arm van de ringgracht; de brede zuidelijke arm bleef als 'lustvijver' behouden. In datzelfde jaar werd ook de Sint-Annavleugel gebouwd. Maar de voornaamste ingreep was de bouw in 1922 van een nieuwe noordoostvleugel in het verlengde van de kapel met een monumentale fafade naar ontwerp van Piet Langerock, in een eclectische stijl die voor-
•II T
11
1
2
3
4 5
In de moestuin van 'Val Virginal' omstreeks 1900 (collectie José Huypens, Dormaal)
De Smt-Rochuskapel en de vleugel van Langerock (collectie José Huypens, Dormaal)
Rustieke boogbrug met leuningen in vervlochten cementen takken op een ansichtkaart uit het interbellum (collectie José Huypens. Dormaal) jpgp 1 tltal J.inK fl
ioügaerde pris fiflemont 1, ' " » pt' l.i 5cw> dl 1 u- .:... u Ut» C«w'
4 De 'jardin francais' tussen de in 1909 gebouwde vleugel
^HÜ^p ti^t-
'Sainte Anne' en de oude kloostervleugel (collectie José Huypens, Dormaal)
^5* 5.
ü^^^
Sporen van de 'Franse tuin'
(foto 0 . Pauwels, 2007)
M&L
en stroken ('plate-bandes') van gras en inlegplanten. De onbekende ontwerper was ongetwijfeld beïnvloed door de revival van de geometrische, regelmatige tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw, onder impuls van publicaties zoals de 'Traite general de la composition des pares et jardins' (1879) van Edouard André en het werk van de Franse tuinarchitecten Henri (vader) en Achille (zoon) Duchêne, de 'style Duchêne' (9).
• De moestuin en het bleekvcld van 'Val Virginal' op een in 1909 afgestempelde ansichtkaart (collectie José Huypens, Oormaal)
al geïnspireerd is door de Vlaamse renaissance. O p merkelijk zijn de twee rond hoektorens met spitse (ondertussen verdwenen) klokdaken. De historiserende architectuur van Langerock kreeg ook een echo in de tuinaanleg. In de bijschriften op de ansichtkaarten wordt een onderscheid gemaakt tussen een 'jardin anglais' rond het neogotisch kapelletje en de Lourdesgrot, ten zuiden van het complex, en een 'jardin francais' tussen de Sainte Anne-vleugel en de oude kloostervleugel. O p een ansichtkaart wordt deze Franse tuin getoond niet lang na de aanleg: strak afgelijnd, een rotonde met een waterbekken en een fontein, ingekaderd door nog jonge Ierse taxussen (Taxus baccata 'Fastigiata'j
De moestuin bevond zich op de plek waar op de Ferrariskaart een formele siertuin wordt afgebeeld, tussen het pensionaat-kloostercomplex en de hoeve. Een in 1909 verzonden ansichtkaart geeft een beeld van de in stroken verdeelde moestuin met kleinfruit en laagstamfruitbomen, met de westelijke uitloper van de vijver op de voorgrond. Uit deze en andere kaarten blijkt ook dat bepaalde soorten van handenarbeid niet tot het curriculum van 'Val Virginal' behoorden; voor het wassen en bleken van linnen en voor het werk in de tuin werd gespecialiseerd personeel aangetrokken. De veranderingen in het kloosterleven, in het profiel van de school (uitsluitend nog basisonderwijs en bijzonder lager en secundair onderwijs), in het onderwijs in het algemeen en in de globale sociaal-economische context - vooral sinds de jaren 1960 — hebben het uitzicht van Mariadal uiteraard
^ € f**
Mariadal vanuit het zuiden in het begin van de |aren 1970
.
*
.
'
'
:
•
(ansichtkaart verspreid door de
.iém
instelling Mariadal)
T
^ " - '
ïrKiïmk
PA&te*
<2^
M&L
beïnvloed. Door de opkomst van de naoorlogse 'superette' heeft de moestuin aan belang ingeboet; een gedeelte ervan werd aangelegd als sier- en speeltuin - opnieuw aangelegd want op die plaats bevond zich in de 18de eeuw de siertuin van de Bogaarden - en het resterende gedeelte heeft in de eerste plaats een didactische functie. De neogotische kapel is verdwenen, maar de Lourdesgrot en twee boogbrugjes zijn er nog. De structuur van de Franse tuin is nog herkenbaar in de huidige aanleg; de aankleding verschilt echter grondig van de oorspronkelijke (rotonde met rozen afgezoomd, een tweede rotonde met leilinden, met klinkers afgeboorde paden...). Gedeelten van de vijver werden aangestort. Het huidige bomenbestand - witte en rode paardenkastanje (Aesculus hippocastanum, A. x carnea)), groene en bruine beuk (Fagus sylvatica, F.s. 'Atropunicea'J, gewone es (Fraxinus excelsior), Oostenrijkse en weymouthden (Pinus nigra subsp. Nigra, P. strohus), bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'J, zilverlinde (Tilia tomentose) — dateert van na de Eerste Wereldoorlog, op enkele exemplaren na. Merkwaardig is de bultige plataan (Platanus x hispanica) met bijna 6,5 m stamomtrek aan het uiteinde van de Sint-Annavleugel. Deze boom is al met respectabele afmetingen zichtbaar op een foto uit 1909 (10).
Merkwaardige bomen (opname 6 juli 2001) 19. gewone plataan (Platanus x hispanica) 645 zeer bultige stam 28. Noorse esdoorn (Acerplatanoides) 336 33. bruine beuk (Fagus sylvatica Atropunicea'j 387
NOTEN (1) Misschien wel de plek waar prinsbisschop Balderik van Luik rond 1010 een burchr had willen oprichten en daartoe brede grachten had laten graven, directe aanleiding tot de slag van Hoegaarden in 1013, maar dit is verre van bewezen volgens WAUTERS A., Geographic et histoire des communes beiges. Arrondissement de Louvain - canton de Tirlemont, communes rurales (11). Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1876), 1963^.14-13 en 46. (2) Gereproduceerd in; VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN LAN1 S., Het kaartboek van de abdij van Park, 1665, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2000, p. 100-101. (3) SOILLE J,, L'ahbé Franfois-Joseph Delfosse, prêtre-missionnaire en Brabant- Wallon sous la Revolution Fran(aise, fondateur de la congregation des Soeurs de l'Union du Sacré-Coeur 1769-1848, Gembloux, J. Duclot, 1948. PEETERS L. & W1TTOUCK E, Congregation des Soeurs de l'Union au Sacré-Coeur, op; www.eatho.be/ vieconsacreelURBISrsdelUnilitaggiornamento. (4) Oudste kadastrale legger 212 Hoegaarden, art. 677 nrs. 18-25. (5) Kadastrale opmetingsschets Hoegaarden 1848 nr. 31. Lithografie door J.B. De Verver, afgebeeld in; VERBOUWE A., Iconografie van Vlaams-Brabant (V), Kanton Tienen, Brussel, Geschied- en
Een rond 1850
Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 1946, nr. 170. aangeplante plataan
(6) S1RAUX A., De voormalige Boogaardenkerk te Hoegaarden, C0'0 R- Vtmd, Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkum
Kring voor
2001)
Leuven en omgeving7(2), 1967, p. 11-124. (7) Oudste kadastrale legger 212 Hoegaarden, art. 1485 nrs. 36 (lusthof) en 38 (hof). (8) Kadastrale opmetingsschetsen Hoegaarden 1894 nr. 5, 1899 nr. 5, 1900 nr. 5, 1908 nr. 23, 1909 nr. 14. (9) ANDRE E., L'art des jardins. Traite general de la composition des pares et jardins. Paris, G. Masson, 1879. DUCHÊNE M. e.a., Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe. Zie ook JELL1COE G. e.a., The Oxford companion to gardens, Oxford, New-York, Oxford University Press, 1986, p. 204-205. (10) DODION M., Hoegaarden in oude prentkaarten, Zaltbommel, Europese Bibliotheek, 1973, nr. 24.
Roger Deneef & Jo Wijnant
MOEGAARÜEN (HOEGAARDEN) KAP1TTELHU1S - VLAAMSE TOOMTU11MEN HOUTMARKT 1, 3320 HOEGAARDEN
• Het Kapittelhuis (foto R. Deneef, 2005)
Informeel, door bomen overschaduwd park aangelegd in de jaren 1880 naast een 18de-eeuws kapittelhuis, oorspronkelijk 3 hectare 16 are 30 centiare, sinds 1991 uitstalraam voor modeltuinen. Het Kapittelhuis, tijdens het ancien régime de woonplaats van de kanunniken van het aloude kapittel van Hoegaarden (1), werd vermoedelijk gebouwd in het derde kwart van de 18de eeuw. Het is een dubbelhuis van vijf traveeën en twee bouwlagen onder een met leien bedekt wolfsdak, van baksteen maar met de plint, de hoekkettingen en de geprofileerde daklijst van witte zandsteen en met arduin omlijste steekboogramen (2). De stijlverwantschap met de nabije kerk blijkt uit de rocaillesluitstenen in de vensteromlijstingen en, vooral, uit de geprofileerde stijlen, de uitspringende water-
lijst en de accoladevormige tussendorpel van de voordeur. Het huis wordt geflankeerd door eenlaagse aanbouwen met mansardedaken en rondboogpoorten. De lage dienstvleugels aan de tuinzijden omsluiten een koertje dat door een smeedijzeren hek van de achterliggende tuin wordt gescheiden. Bij het begin van het Belgische kadaster in 1831 was het Kapittelhuis eigendom van Philippe Dezangré, burgemeester van 1813 tot 1830. Bij het huis hoorde ook een achterliggend tuinperceel van 11,5 are en de aanpalende landbouwgronden, in totaal circa 1,5 hectare. In 1850 werd het Kapittelhuis met de bijbehorende gronden geërfd door de weduwe van brouwer Jean-Baptiste Dumont, die Dezangré in 1831 als burgemeester was opgevolgd (3). Onder zijn erfgenaam Jacques D u m o n t werden rond 1885 verschillende percelen samengevoegd
•J cv
4 *St
I
Het Kapittelhuis
Primitieve kadaster-
(perceel nr. 617) en kaart opgemaakt
Het centrum van
delijk circa 1820 -
Hoegaarden en de
noorden rechtsboven
bijbehorende tuin
door Sablon, met
(archief Kadaster
(nr. 618) op de
gedateerd, vermoe-
Brabant, Brussel)
Landschappelijke tuin van het Kapittelhuis op de stafkaarten van 1893 en 1908
tot een perceel "hof van 3 hectare 16 are 30 centiare en ten oosten van het huis werd een kleine, nog bestaande spitboogserre gebouwd (4). De term lusttuin komt in de kadastrale legger niet voor; met 'hof' wordt normaliter een moestuin bedoeld. Uit de stafkaarten van 1893 en 1908 blijkt dat het wel degelijk om een 'lusttuin' gaat, een door bomen overschaduwd park, dat tot 1991, toen de 'Vlaamse Toontuinen' er hun intrek namen, zonder ingrijpende veranderingen bewaard bleef. Uit de afmetingen van enkele bomen, enkele bruine beuken (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV en - wellicht 18deeeuws - tamme kastanjes (Castanea sativa), kunnen we afleiden dat er voordien al een sierbeplanting aanwezig was, maar de stafkaart van 1864 (DLG, 1869) toont alleen maar moestuin, akker en boomgaard. Het huidige park werd vermoedelijk in twee etappes aangelegd. De stafkaart van 1893 toont een centrale open ruimte omsloten door een rondweg en een gordel van bomen en struikgewas. De zuidwestelijke helft van het door het kadaster als 'hof' geregistreerde perceel wordt gewoon als weide afgebeeld. Uit de stafkaart van 1908 blijkt dat ook dit gedeelte tenslotte in het park werd opgenomen. We zien opnieuw een centrale grasvlakte, ditmaal met een centraal bosje en - aan de rand van de omgevende bomengordel — een rondweg die vertrekt aan de inrijpoort links van het Kapittelhuis. O p een foto aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wordt de ruimte achter het Kapittelhuis getoond op een zomerse dag: bakken met yucca's en agaves, een rotonde met rozen en de pastoor op de voorgrond (5). In de daaropvolgende jaren - vanaf 1910 door vrederechter Albert Bail en zijn erfgenamen - werden tal van interessante boom- en struiksoorten aangeplant: gele kornoelje met witgerand blad
(Cornus mas 'VariegataV, zwarte walnoot (Juglans nigra), mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) en — recenter — redwood sequoia (Sequoia sempervirens), ruwe arizonacipres met blauwachtige schubben (Cupressus arizonica 'Glauca'J en balsemzilverspar (Abies balsamea) (6). Na de moord op Paul Bail, de laatste privé-eigenaar, werd het Kapittelhuis samen met het aanpalende pachthof en het park bij ontstentenis van erfgenamen staatsbezit. Het goed werd enkele jaren later aangekocht door de gemeente, die het park openstelde voor het publiek, maar geen passende bestemming vond voor het gebouw. In januari 1990 werd het park geteisterd door een hevige storm, die sommige oude bomen velde of zwaar beschadigde.
(ICM, 1900 & 1933)
De Slnt-Gorgonluskerk vanuit de tuin
O p 5 december 1990 besliste de gemeenteraad om het grootste gedeelte van het Kapittelhuis en het bijbehorende park in erfpacht te geven aan de v.z.w.
van het Kapittelhuls, op een m 1902 afgestempelde ansichtkaart (collectie José Huypens, Dormaal)
Souvenir de Hougaerde
Lé
*"*' As.c~~~^&fo
T M Smtmttri-Ltfrtrl, Itnujarrde.
A/l&L
A De tuin van het
Vlaamse Toontuinen. Het project van deze vereniging was geïnspireerd op de 'model- en toontuinen' van tuin- en kamerplantengoeroe Rob Herwig te Lunteren (Gelderland, Nederland) (7). Er zouden modellen getoond worden van twaalf tuintypen {"schaduwtuin, rozentuin, vijvertuin, geurtuin, hoektuinen, stadstuin, luilak- of vlondertuin, zitkuiltuin, gouden tuin, watertuin, patiotuin, snijbloemen-
Kapittelhuis in januari 1990, na een zware storm (foto R. Deneef, 1990)
• Een kwi|nende bruine beuk en de nieuwe visuele as, vanaf 1993 met bekken en spuitende fonteinen, in het voormalige Kapittelhuispark (foto R. Deneef, 2002)
M&L
tuin), kleinschalige modules rond een bepaald thema, naar ontwerp van laatstejaarsstudenten tuin- en landschapsarchitectuur. Het Kapittelhuis zou dienstdoen als informatiecentrum en café-restaurant, want naast didactische overwegingen speelden ook toeristische en recreatieve drijfveren een rol (8). De algemene structuur en de inplanting van de tuinmodellen werd bedacht door An Voets en de aanlegwerken werden aangevat in februari 1992. De opening van de 'Vlaamse Toontuinen' op 30 juni 1991 trok een massa volk (9), maar kon in vakkringen niet op onverdeelde bijval rekenen (10). De oude parkbomen hadden de operatie overleefd, maar de aanleg van een brede, straklijnige zichtas, loodrecht op het Kapittelhuis, en het mozaïek van vierkante, soms kubistische, meestal omhaagde tuintjes met betonklinkers, lichtarmaturen, speeltuigen... (11) - w a s niet helemaal te verenigen met de informele, landschappelijke ambiance van het 19de-eeuwse park. In de daaropvolgende jaren werden nog diverse tuintjes toegevoegd ^pollenvriendelijke tuin. Koning Boudewijntuin, hagenpadtuin, serretuin, kringlooptuin, Mercatortuin, misdaadtuin...") en — in het verlengde van de zichtas maar buiten het oude Kapittelhuispark - de " Tuin van hEden , een 'ideeëntuin' naar ontwerp van Jean-Paul Rausch, gerealiseerd
Een 'toontuin' met de Sint-Gorgomuskerk op de achtergrond (foto R. Deneef, 2002)
door de Vlaamse tuinaannemers in samenwerking
NOTEN
met het Vlaams Promotiecentrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM).
(1) WAUTERS A„ Geographic et histoire des communes beiges. Arrondissement de Louvain - canton de Tirlcmont, communes rurales
Merkwaardige bomen
(II). Bruxelles, Culture et Civilisation (facsimile van editie 1876), 1963, p. 39-40.
(opname 16 juli 2002) 1.
ruwe arizonacipres met blauwachtige schubben (Cupressus arizonica ' G l a u c a j 1 2 3
2.
gele kornoelje met witgerand blad (Cornus mas 'Variegata'; 8 1 (40)
(2) Uitvoerig beschreven in; PAESMANS G., Beschermingsvoorstel Houtmarkt nrs. 1, 2, 3 met omgeving en kiosk te Hoegaarden, 1986 (archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Leuven). (3) Oudste kadastrale legger 212 Hoegaarden, art. 222 (Dezangré)
3.
tamme kastanje (Castanea sativa) 5 4 4
nrs. 8-12 en art. 249 nrs. 67-71. Lijst van de burgemeesters in:
9.
zwarte walnoot (Juglans nigra) 3 6 3
VANDER VELPEN ]., Geschiedenis van Hoegaarden, Hoegaar-
10. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 4 6 7 11. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 4 5 8 15. mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) 35^ 16. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 4 6 4 17. sequoia (Sequoia sempervirens) 1 7 3 / 8 4 — tweestammig 24. hinokischijncipres (Chamaecyparis
den, Gemeentebestuur i.s.m. het comité 'Hoegaarden 1981', 1981,p. 141. (4) Oudste kadastrale legger 212 Hoegaarden, art. 2207 nr. 96. Kadastrale opmetingsschets Hoegaarden 1885 nr. 27. (5) Bijvoorbeeld in; DODION M., Hoegaarden in oude prentkaarten, Zaltbommel, Europese Bibliotheek, 1973, nr. 12.
obtusa)
213/130 27. Europese lork (Larix decidua) 3 2 2 28. bruine beuk (Fagus sylvatica AtropuniceaV 4 9 1 30. weymouthden (Pinus strobus) 2 8 4 32. fijnspar (Picea abies) 2 1 2 34. balsemzilverspar (Abies balsamea) 184
(6) Zie het bestand BELTREES nrs. 4285-4305 en 8124. (7) www. tuinkrant. comltoontuinenlmodeltuin_robherwig. htm. (8) Zie de brochure Vlaamse Toontuinen, een model voor iedere tuin, z.d. (9) Op drie maanden rijd meer dan 11.000 bezoekers, volgens Het Laatste Nieuws, 27 september 1991. (10) Negatieve commentaren door de auteurs opgetekend bij diverse leden van de Vereniging Belgische Dendrologie. (11) Want volgens de brochure Vlaamse Toontuinen...: "Voor de vele toeleveringsbedrijven in de tuinbouwsector ligt een forum breed open om in een aangepast kader honderden producten 'live' te tonen .
Roger
Deneef
HOEGAARÜEN (HOEGAARDEM) PASTORIE VAN DE S1MT-G0RG01\I1USKERK PASTORI)STRAAT 3 0 , 3 3 2 0
HOEGAARDEN
(PRIVÉBEZIT, NIET TOEGANKELI)K V O O R HET PUBLIEK)
Het 'landschappelijk' gedeelte van de pastorietuin met de stamvoet van een liggende magnolia en de stam van een oude ginkgo op de voorgrond (foto R. Deneef, 2005)
Pastorie van 1747 naar het model entre cour et jardin', duiventoren,
met
poortgebouw
binnenplaats,
hoofdgebouw
en achtertuin
met een fraai
XV paviljoen;
een deel van de
werd later landschappelijk monumentale
'vivre
Lodewijk achtertuin heraangelegd;
ginkgo.
De pastorie-dekenij van Hoegaarden, volgens het jaartal onder het schelpmotief boven de inrijpoort gebouwd in 1747, beantwoordt aan het voor die tijd populaire model voor herenhuizen Vivre entre cour et jardin'. De monumentale poorttoren met een duiventil en onder een mansardedak geeft toe-
gang tot de binnenplaats. Een gekasseid pad leidt tussen twee grasveldjes — vroeger tussen 'plate-bandes' met boompjes (zie oude ansichtkaart) - naar de voordeur van het woonhuis. Zoals de meeste pastorieën is ook die van Hoegaarden een dubbelhuis van vijf traveeën, met de voor- en de achterdeuren in het midden, en twee bouwlagen onder een leien wolfsdak, van baksteen maar met witte zandsteen (Gobertange) voor de plint, de lichtjes uitspringende hoekkettingen, de omlijstingen van deuren en vensters, de steigergaten, de kroonlijst en de omkadering van het driehoekig fronton boven de middentravee (1). Vermeldenswaardig in de voortuin is de kleine oranjerie tegen het aanpalende huis links en een oude fatsia (Fatsia japonica). De achtertuin, 25 m breed en 65 m diep, eindigt bij
a M*w*MiMK • ^«««
Het poortgebouw en de binnenplaats van de pastorie van Hoegaarden op een oude ansichtkaart (archief Onroerend Erfgoed Vlaams-
-'il.
Brabant, Leuven) « •
_ -
1
,. t'l"&$
:—
De pastorie van
en tuinpaviljoen,
1820; in de linker-
Hoegaarden, rechts
op de Primitieve
bovenhoek het
onderaan, met
kadasterkaart opge-
Kapittelhuis -
poortgebouw,
maakt door Sablon,
noorden rechtsboven
binnenplaats,
niet gedateerd,
(archief Kadaster
woonhuis, achtertuin
vermoedelijk circa
Brabant, Brussel)
een vrij uniek tuinpaviljoen aan de Doelstraat. Het is van baksteen maar de hoekpilasters, de kroonlijst en de venster- en deuromlijstingen zijn van witte zandsteen. Het heeft een vierkant grondplan met door pilasters afgeschuinde hoeken en een achthoekig leien klokdak. De oorspronkelijke inhoud van de nis boven het steekboogpoortje aan de tuinzijde, een terracottabeeldje van de godin Flora (2), maakt duidelijk dat het wel degelijk om een profaan lustpaviljoen ging en niet om een kapel. De ingang in de Doelstraat, een rechthoekig gat, werd in een later, minder frivool tijdperk aangebracht. De achtertuin werd later tot op een diepte van ongeveer 35 m grondig onder handen genomen. Het golvende reliëf, dat culmineert in een heuveltje met een treures (Fmxinus excelsior'VenAxAa ) erbovenop, duidt op een aanpassing aan de landschappelijke mode, die vanaf 1850 ook de pastorietuinen infecteerde (3). Het pad dat door dit tuingedeelte slingert, werd recentelijk met rood grind verhard en met betonelementen afgeboord. De ginkgo (Ginkgo biloba) aan de voet van het heuveltje behoort tot een jongere generatie dan de 18de-eeuwse ginkgo's die we in Geetbets, Tienen en Leuven hebben aangetroffen (4) en werd vermoedelijk omstreeks het midden van de 19de eeuw aangeplant. Opmerkelijk is ook een oude, liggende magnolia (Magnolia x soulangeana). Het achterste, vlakke gedeelte wordt momenteel gebruikt als moestuin en kippenren. Het tuinpaviljoen werd met zijn onmiddellijke omgeving bij het openbaar domein ingelijfd.
• Het lodewi|k XV-
Merkwaardige boom (opname 8 augustus 2005) 2. ginkgo (Ginkgo biloba) 365
tumpaviljoen aan de Doelstraat met een lege nis (foto R. Deneef, 2005)
NOTEN (1) Bouwen door de Eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen - arrondissement Leuven, Brussel, Ministerie van Nederlandse Cultuur, 1971, p. 157. (2) DE KEMPENEER]., Het regence-paviljoen in de Doelstraat te Hoegaarden. Mededelingen Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving 7(l), 1967, p. 155-156. (3) Bijvoorbeeld Bierbeek, Korbeek-Lo, Roosbeek, Vertrijk, cf. reeds gepubliceerde inventarissen van historische tuinen en parken. (4) Te Leuven in het Villerscollege; te Tienen in het Stadspark* en de Veldbornstraat*; te Geetbets voor de pastorie*.
M&L
Roger Deneef, Herlinde
Chris De
De Jaeck & Jo
Maegd, Wijnant
HOEGAARDEN (MELDERT) KASTEEL VAM MELDERT SINT-IANSCOLLEGE, WAVERSESTEENWEG 1 , 3 3 2 0
MELDERT-HOEGAARDEN
(PRIVÉBEZIT, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
• Het kasteel van Heldert vanuit het oosten met op de voorgrond een bruine beuk, mogelijk een rond 1850 aangeplante 'bundelboom' (foto 0. Pauwels, 2000)
'Rivierlandschap' met eiland en cascade van circa 50 hectare, aangelegd na de bouw van een neogotisch kasteel in 1845; oranjerie door Hendrik Beyaert in 1867; functionele heraanleg van de onmiddellijke omgeving van het kasteel naar ontwerp van Louis Van der Swaelmen jr. in 1910 met zwembad, golf, tennisveld, moestuin, bloemenweide, rozentuin en een naar het modernisme
"Getemperde straklijnigheid'. Zo vatte Louis Van der Swaelmen het resultaat samen van zijn poging om in 1911 (voor België) nieuwe inzichten in de tuinarchitectuur toe te passen op een landschappelijk park uit het midden van de 19de eeuw, het kasteeldomein van Meldert, als alternatief voor wat hij de "faillieten boedel van den Romantischen tuin" noemde. Bijna zeventig jaar later meende Herman Stynen te mogen vaststellen dat Van der Swaelmens ontwerp in Meldert geen visuele sporen heeft nagelaten. Een grondig terreinonderzoek heeft echter het tegenovergestelde uitgewezen.
zwemende parterre; inspiratiebron voor de 'Nouveau jardin Pittoresque' tijdens
Het oude en het nieuwe kasteel van Meldert
het interbellum; verval vanaf
Tijdens het ancien régime was Meldert een leen, in het bezit van de ridders van Meldert die voor het eerst in 1279 worden vermeld, nadien van de families van Montenaken, d'Oyenbrugghe en - aan het einde van het ancien régime - vander Noot. D e I4de-eeuwse donjon langs de Kerkstraat, niet ver
1940,
vestiging van een kostschool, massieve aanplanting
van canadapopulieren;
eerste restauratiepogingen (velling van de populieren).
in 2005
V^'"S:-0
Het door boomgaarden omringde kasteel van Heldert '\\lA
•••ni
W
W
\
0
P ^ Ferrariskaart
(1770-1776); de dubbelstructuur van
u y, '.tii
het complex uit de
•'-"«Iv.,, > J 1 I^Utn ' 7 t"'
I7de-eeuwse afbeeldingen is niet
U ét '.l te
J
(meer) zichtbaar; opmerkelijk is de
'fcl
kruisvormig inge-
11 vn.»i...„.„„„, "i:„.
deelde eilandtuin
/.hlL\!ll
^
^/<Jf
f
ten noordwesten
J-C
MÊÊK,clah
van het kasteel; het gehucht Keulen ('Cuelstraet') zal in 1845-1850 groten-
A Het kasteel van
Heldert en Sluizen
deels worden
T B, f. I I , archief
Melden op een
opgemaakt in 1655 Abdi| van 't Park,
figuratieve kaart
door Joris Subil
van Hoegaarden,
(Typographieboeck
afgebroken
Heverlee)
van het dorpscentrum, vormde de zetel van de heerlijkheid. Na een brand in 1568 werd 700 m zuidelijker, op een hoger gelegen plaats, een nieuw kasteel gebouwd (1). Twee kaartboeken van de norbertijnenabdijen van 't Park (1665) en van Averbode (1650-1680) tonen het kasteel in het midden van de 17de eeuw: een gesloten complex met twee binnenplaatsen en twee torens — een slanke en een dikke (2). Dit beeld wordt min of meer bevestigd door een beschrijving in het familiearchief vander Noot. Opmerkelijk voor het einde van de 16de eeuw is dat het nieuwe kasteel nog de traditionele dubbelstructuur (opperhof-neerhof) heeft en dat ook de donjon-idee nog aanwezig is. Vermoedelijk ging het om baksteenbouw met overvloedig gebruik van lokale witte zandsteen (Gobertangesteen) voor speklagen, venster- en deuromlijstingen, hoekkettingen, plinten en steigergaten. De dubbelstructuur uit de 17de-eeuwse afbeeldingen is niet meer zichtbaar op de Ferrariskaart (1770-1776) en op de meer betrouwbare Primitieve kadasterkaart (18201830), die echter niet helemaal verenigbaar is met een 19de-eeuwse schets (3). O p de kadasterkaart worden drie volumes getoond die een binnenplaats bijna, maar niet helemaal omsluiten; het kasteelgebouw wordt aangeduid met het onregelmatige vlak onder het woord 'chateau'.
Met een halve eeuw tussentijd geven zowel de Ferrariskaart als de Primitieve kadasterkaart een vergelijkbaar beeld van de omgeving van het kasteel. O p beide kaarten vinden we ten noordwesten van het kasteel een omgracht perceel terug dat in de Primitieve kadastrale legger als tuin (nr. 468) en vijver (met name de gracht, nr. 469) staat omschreven.
Op de Primitieve kadasterkaart (opgemaakt door C.F. Boonaerts, niet gedateerd, 1820-1830) bestaat het kasteelcomplex uit drie volumes rond een binnenplaats; het kasteelgebouw is het onregelmatige vlak onder het woord 'chateau'; de eilandtuin is het omwalde perceel 469 (archief Kadaster Brabant. Brussel)
O p de Ferrariskaart wordt in deze eilandtuin, 28 are groot en vermoedelijk een combinatie van 'nut en sier', een padenkruis afgebeeld. Een groot gedeelte van de ruimte rond het kasteel wordt in beslag genomen door een circa 4 hectare grote boomgaard. Volgens het kadaster was daar vijftig jaar later nog slechts één hectare (perceel nr. 464) van overgebleven. De rest van het huidige park bestond zowel in 1770 als in 1820 uit weiden, hooilanden, akkers en bos, bescheiden landelijk vergeleken met andere domeinen van de familie vander Noot. Erfenisdisputen zijn hiervan wellicht de oorzaak, zoals een proces dat aansleepte van 1767 tot 1820 (4). De weg die naast het kasteelcomplex aftakte van de weg Tienen-Waver en in noordweste-
M&L
lijke richting het dal van een van de bronbeken van de Mene doorsneed, behoorde tot het openbaar domein. O p het ogenblik dat het Primitief kadaster werd opgemaakt (1820-1830), stond het landgoed op naam van graaf Charles-Ferdinand-Joseph d'Oultremont (1789-1852), voormalig ceremoniemeester aan het hof van koning Willem I. Dat was uit hoofde van zijn huwelijk met gravin Louise-Joséphine vander Noot de Duras, weduwe van prins Louis-Lamoral de Ligne en erfgename van de laatste feodale herenfamilie van Meldert (5). Alleen al in Meldert bezat de douairière de Ligne 80 hectare (circa één tiende van het gemeentelijke grondgebied), maar geen aaneengesloten blok rond het kasteel. Het gehucht Keulen vormde de grootste maar niet de enige enclave (6).
De aanleg van een 'rivierlandschap' bij het neogotische kasteel van Heldert een kadastrale opmetingsschets van 1850 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
De inkomzijde van het neogotische kasteel van Heldert enkele jaren na de bouw (litho uit A.-J.-A. VASSE, Le domoine et la chapëk Ste Ermelmde, ö / W o r t , 1855)
De inkomzijde van
verhoogd en
1872-1878, copy-
het neogotische
bekroond met een
right: FUNDP,
kasteel van Heldert
hoog schilddak
Bibliothèque univer-
niet lang vóór de
(litho van
sitaire Horetus Plantin)
brand van 1877;
H. Vasseur in E. de
de toren is na
Damseaux, La
1855 aanzienlijk
BelgKjue (Moresijue,
Het neogotische kasteel In 1845 (7) werd het 16de-eeuwse kasteelcomplex vervangen door een flamboyant-neogotisch kasteel naar ontwerp van architect AugusteVivroux (17951867) (8). Hij was de architect van het kasteel Les Mazures te Pepinster, het Waalse 'Strawberry Hill', volgens een overzicht van de Belgische neogotiek "een der eerste Belgische bouwsels, waar er van een zeker doelbewust streven naar het schilderachtig effect kan sprake zijn (9). De detailtekeningen en de ontwerpen voor het interieur dragen de handtekening van Jules Vivroux, zijn oudste zoon. Een eerste ontwerp voorzag in een gesloten complex van drie vleugels: de kasteelvleugel met een onaanzienlijk, zeshoekig, stomp torentje, een bijna even brede maar eenlaagse dienstvleugel met onder meer de keuken en een oranjerie, en een smalle, eveneens eenlaagse vleugel met een koetshuis en stallingen. De binnenplaats werd aan de oostzijde afgesloten door een muur met een gekanteelde spitsboogpoort. In de daaropvolgende versies bleef het bij twee evenwijdige volumes - het kasteel en het stalen koetshuis — die door twee muren met elkaar werden verbonden. Een van de plattegronden toont een fontein op de binnenplaats en een ijskelder achter het stal- en koetshuis (10). Toen Vivroux er uiteindelijk de brui aan gaf, nam de bouwheer zelf de taak van ontwerper op zich (11). Uiteindelijk werden er twee losstaande gebouwen opgetrokken zonder verbindingsmuren of dwarsvleugels. Uit de oudste afbeeldingen kan worden opgemaakt dat de uiteindelijke vormgeving in hoge mate beantwoordt aan het derde ontwerp van Vivroux, behalve de toren. Uit de kadastrale opmetingsschets die de nieuwe toestand in 1850 registreerde (12), blijkt ook dat een groot gedeelte van de funderingen van de oude kasteelvleugel werd hergebruikt, ook de
1
2
3
4
De inkomzijde van het neogotische kasteel van Heldert, gerestaureerd na de brand van 1877 (foto 0. Pauwels, 2007)
2 De oranjerie gebouwd in 1867-1868 naar ontwerp van Hendrik Beyaert (foto 0. Pauwels, 2000) 3 De kasteelaanhorigheden (wagenhuis, stallingen, personeelswoning) (foto 0. Pauwels, 2007)
4 Het neogotische kasteel van Heldert
oude donjon, die in een neogotisch kleedje werd gestoken. De binneninrichting werd toevertrouwd aan de bekende architect en restaurateur PierreVictor Jamaer (1825-1902) (13). Het resultaat werd in de toenmalige vakpers met een zeker enthousiasme begroet. Het nieuwe kasteel bestaat uit een rechthoekig volume, doorsneden door drie dwarse bouwlichamen, met zadeldaken en puntgevels. Enkele lithografieën in een boekje, dat vermoedelijk in opdracht van d'Oultremont in 1855 werd gepubliceerd (14), tonen het neogotische kasteel in zijn oorspronkelijke vorm. De toren was met kantelen bekroond en deed ongetwijfeld dienst als uitkijktoren, maar hij was minstens één derde lager dan de huidige. De huidige toren (15) sluit nu langs de tuinzijde aan bij het middelste dwarsvolume, maar toen was dat waarschijnlijk niet het geval. Het middelste dwarsvolume was ook veel lager. Aan de erfzijde bevindt zich centraal de ingangspartij. Alle gevels van witte Gobertangesteen zijn architecturaal gelijk behandeld, behalve de parkgevel, die met zijn opengewerkte bogengaanderij onder balkons de uitstraling heeft van een voorgevel. De rijk gevarieerde toepassing van het laatgotische ornamentele vocabularium, vooral in de bovenverdieping en de dakvensters, komt tot uiting in het veelvuldig gebruik van spits- en accoladebogen, blindarcades en balustra-
des, hogels, pinakels met kruisbloemen, nokversiering, vierpassen, ramen met kruiskozijnen... Een litho, vervaardigd naar een foto uit het begin van de jaren 1870 [p. 74], toont het kasteel in een vorm die al afwijkt van de oorspronkelijke: de toren is opmerkelijk hoger en wordt bekroond door een hoog schilddak (16).
enkele jaren na de bouw, in een mm of meer vertekend perspectief van over de noordelijke vijver gezien: rechts het eilandje, daarachter de rotscascade tussen de eerste en de tweede vijver
In augustus 1877 werd het kasteel zo ernstig door brand beschadigd dat de inspectie van het kadaster het als ruïne beschouwde. Pas in 1882 werd het opnieuw als kasteel belastbaar gesteld. De wederopbouw versterkte aanzienlijk het verticale karakter, dat voorheen hoofdzakelijk tot de toren met zijn hoog schilddak was beperkt. Het middelste dwarsvolume kreeg een hoger zadeldak en werd geflankeerd door twee vooruitspringende, ronde torentjes. De toren werd opnieuw vlak afgedekt, voorzien van spietorentjes en schietgaten - elementen uit de middeleeuwse vestingarchitectuur - en diende weer als belvedèretoren. De kasteelaanhorigheden (wagenhuis, stallingen, personeelswoning) werden op een U-vormig grondplan opgetrokken ten zuiden van het kasteel, buiten de vroeger bebouwde oppervlakte, en vallen dus niet samen met de zuidvleugel van het oude kasteelcomplex. Het gaat om een bakstenen gebouw met als steunbeer uitgewerkte lisenen van natuursteen.
(litho uit A.-J.-A. VASSE, Le domome et lo dnapék Ste Ermelinde, a Moillart, 1855)
Van bijzondere kunsthistorische betekenis is de oranjerie, gebouwd in 1867-1868 naar ontwerp van Hendrik Beyaert (1823-1894) (17). Het is een eenlaagse bakstenen constructie in 'zebrastijl' (regelmatige afwisseling van lagen bak- en zandsteen) onder een scherp zadeldak met neogotische dakkapellen, een hoge ronde toren met schietgaten, steunberen met pinakels, een trapgevel aan de noordzijde, maaswerk en een tweebeukige binnenruimte met graatgewelven. Fraaie architectuur, maar als oranjerie, winterbewaarplaats voor vorstgevoelige planten, totaal ongeschikt. Het gebouw bevond zich op de westflank van de ommuurde moestuin (perceel 467b). Langs de moestuinzijde had het (en heeft het nog) vijf hoge steekboogdeuren met smeedijzeren hekwerk. Het was dus waarschijnlijk geen echte oranjerie, maar eerder een tentoonstellingsruimte voor planten en bloemen. Een kleine eeuw later werd ze omgebouwd tot kapel. O p de stafkaart van 1893 en ook op de kadastrale opmetingsschetsen zijn binnen de moestuin nog andere constructies zichtbaar, vermoedelijk kweekkassen, serres en, in het midden, een waterbekken (18). Een landschappelijk park ten koste van Keulen Tussen 1845 en 1850 werden enclaves verworven, die het mogelijk maakten om het aaneengesloten vijfhoekige blok van circa 50 hectare te vormen waarop het huidige park werd aangelegd. Het totale grondbezit van de familie d'Oultremont zou in de loop van de 19de eeuw in Meldert trouwens meer dan verdubbelen (19). Hoewel het weinig voorstelt vergeleken met wat zich bijvoorbeeld in Engeland afspeelde — voor de aanleg van het park rond Castle Howard, North Yorkshire, werd in 1730 het dorp Henderskelfe compleet met kerk en al afgebroken (20) — is de 'enclosure'-operatie die
1864 Het kasteeldomein van Meldert in 1864, enkele jaren na de aanleg van het landschappelijk park (DLG, 1869), in 1893, met de door Beyaert ontworpen oranjerie (ICM, 1900), en in 1908. vlak voor de tieraanleg van het park door Louis Van der Swaelmen (ICM, 1939)
Charles-Ferdinand d'Oultremont en, na zijn dood in 1852, zijn zoon Adrien realiseerden voor de regio toch wel spectaculair. Niet alleen lijfde hij nagenoeg 1800 m openbare weg in bij zijn domein, ook liet hij het grootste gedeelte van het gehucht Keulen afbreken, met name een tiental woningen met tuintjes van dagloners (21). Op de stafkaart van 1864 beslaat het landgoed 'Maillard' - de tuinen en het park rond het pas gebouwde kasteel van Meldert - ongeveer de hele ruimte tussen de Waverse steenweg, de Bosbergstraat, de Meerstraat en de Keulenstraat (huidige straatnamen). De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk 'cordon sanitaire', het zich opsluiten in arcadische coulissenlandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of heraanleg van landgoederen. De overdrachten werden door het kadaster droogweg als verkoop geregistreerd, maar we hebben er het raden aan welke pressie- of lokmiddelen graaf d'Oultremont gebruikte om tien huisgezinnen ertoe te brengen in volle landbouwcrisis bijna gelijktijdig hun eigendom af te staan.
Door de uitgraving van de komgronden en de opstuwing van de zuidelijke tak van de Mene- of Molenbeek ontstonden twee langwerpige vijvers, gescheiden door een uit kwartsietblokken opgebouwde cascade; in de noordelijke, stroomafwaartse vijver werd een relatief groot eiland uitgespaard. Het domeingedeelte aan de overzijde van de beek, vroeger akkerland, werd gedeeltelijk met bomen beplant. Twee litho's van Vasse uit 1855 geven een ruimer beeld van het landschappelijk park onmiddellijk na de aanleg. Het is uiteraard niet altijd mogelijk om uit te maken in hoever dergelijke
1893
1908
afbeeldingen een getrouwe weergave zijn van de bestaande toestand of anticiperen op de wensen van de opdrachtgever. Eén litho [p. 75] toont het kasteel vanuit het noorden, omringd door een nog jonge beplanting, maar vermoedelijk zijn de grootste bomen resten van vroegere beplantingen, bijvoorbeeld de bomen (abelen?) op het eiland in de noordelijke vijver, dat rechts in beeld zichtbaar is. Daarachter ligt de rotscascade die de overloop tussen de twee vijvers vormt. De oevervegetaties zijn weelderig, maar links in beeld zien we een eigenaardige oeverbeplanting met een of andere naaldboomsoort, misschien wel jonge moerascipressen (Taxodium distichum). De hellende gazons naar het kasteel toe zijn gestoffeerd met enkele bloemperken of lage struikmassieven. De tweede litho [p. 76/van Vasse toont opnieuw het eiland - ditmaal vanuit de omgeving van het kasteel en met een of andere treurboom die normaal ook op de eerste afbeelding zichtbaar zou moeten zijn — en ook de hellingen aan de overzijde van de vijvers. O p een litho van Vasseur (1872-1878) [p. 74] zien we ook enkele details van het landschappelijk park. Een groep of rij Italiaanse populieren (Populus nigra 'ItalicaV, een soort die niet op de afbeeldingen van Vasse te zien is, accentueert het arcadische karakter van het parklandschap. Rechts van het kasteel wordt een glimp getoond van het rivierlandschap tegen de achtergrond van een bosmassief. Daar lag een tiental jaren eerder het gehucht Keulen. O p de voorgrond zien we enkele lage, niet te definiëren struikmassieven en, bij de ingang van het kasteel, de obligate kuipplanten, vermoedelijk laurier.
komen ook voor in Nederland, noordelijk Duitsland en Engeland (23). Een Twaalf-Apostelengroep van dicht bij elkaar geplanre bruine beuken vinden we ook aan de overzijde van de beek, ten noordoosten van het kasteel. Bomen uit de oorspronkelijke beplanting van het landschapspark komen ook voor in de onmiddellijke omgeving van het kasteel, bijvoorbeeld twee bruine beuken met stamomtrekken tot meer dan 5 m, mogelijk 'bundelbomen', ontstaan door het ineengroeien van verschillende bomen die in een zelfde plantgat werden neergepoot — een manier om snel dikke bomen te verkrijgen (24). Het landschappelijk park van Meldert werd ontsloten door kronkelpaden, die de meest schilderachtige hoeken van het domein aandeden
•4 Het kasteel van Meldert vanuit het noorden, vóór de heraanleg door Van der Swaelmen, op een in 1907 afgestempelde ansichtkaart (collectie José Huypens, Dormaal)
C U t m de Meldert (lei Ttrlemost).
Imp. Lintehnanji et Smet, Tirlemont
Het landschappelijk park van Meldert vanuit de omgeving van het kasteel
Twaalf Apostelen Opmerkelijk is de bult met hoogstammige bomen die Vasse (1855) afbeeldt op de helling aan de noordzijde van de vijvers. O p de nieuwe kadastrale mutatieschets van 1850, die ook het tracé van de oevers weergeeft, valt deze zone min of meer samen met een groot ovaal perceel (nr. 440a), die op de stafkaart van 1864 ook door een pad wordt begrensd. O p deze plaats staat nu een groep van taxussen (Taxus haccata) en bruine beuken (Fagus sylvatica AtropuniceaV. Deze beuken zijn misschien wel ouder dan hun huidige stamomtrekken (190 tot 320 cm) laten vermoeden; hun dikteaanwas kan geremd zijn door hun dichte, ovale plantverband, dat een typische stijlfiguur suggereert. De eigenaars duidden dergelijke groepen, die we in diverse parken in de omgeving hebben aangetroffen (22), steevast aan als 'de Twaalf Apostelen'. Boomcirkels die 'Twaalf Apostelen' worden genoemd — meestal met linden, soms met taxussen -
gezien en het eiland in de noordelijke vijver (litho uit A.-J.-A. VASSE, Le domoine et fa diapelle Ste ürmelinde, a Maikrt, 1855)
•4 De tuinzijde van het neogotische kasteel van Meldert enkele {aren na de bouw: links op de achtergrond het wagenhuis (litho uit A.-].-A. VASSE, Le domame et la chapek Ste Ermelinde, a Maillart, 1855)
1 WÊm^t'
Het ontwerp door
^msmëÊÊÊ
Louis Van der Swaelmen (1911)
m
in het kader van het I9de-eeuwse landschapspark 1
(Archief R. Verwilghen, K.U. Leuven)
Mk^ ^
^
^
m*ITP^
.-•_.-. .. .
^
en boeiende gezichten boden op en over de vijvers of op het kasteel. De enige min of meer rechte weg verbond het kasteel met het noordelijkste punt van het domein, niet ver van het dorpscentrum, waar een nieuwe toegang werd aangebracht in de vorm van een bijzonder fraai smeedijzeren poorthek tussen door piramides bekroonde pijlers van witte zandsteen, een lanspuntenhek met een gotisch pinakel op de makelaar en lanspunten die op hogels lijken. In 1859 werd het hele, niet bebouwde ge-
PLAN Het ontwerp door Louis Van der Swaelmen (1911) compromis tussen nut en pittoreske schoonheid, spitst zich toe op het zuidelijke gedeelte van het kasteeldomein van Heldert en weerspiegelt mm of meer de "gong des levens" en ook de hobby's en sportieve belangstelling van de opdrachtgever (Archief R. Verwilghen K.U. Leuven)
DU
DOMAIN
deelte van het domein door het kadaster versmolten tot één reusachtig perceel 'lustgrond' met een oppervlakte van 37,5 hectare (25). Van der Swaelmen en de 'moderne, regelmatige t u i n ' Bij het overlijden van Adrien d'Oultremont in 1898 werd het kasteel te huur gesteld. De eerste huurder was ridder de Schouteete de Tervarent (26). In 1905 werd hij opgevolgd door burggraaf August de Lantsheere, die vijfentwintig jaar lang burgemeester van Meldert zou zijn en het domein behandelde alsof het zijn bezit was. Hij rustte het kasteel uit met waterleiding, centrale verwarming en acetyleenverlichting en koesterde ook plannen om het park te 'moderniseren' (27). In 1911 werd een gedeelte van het landgoed heraangelegd naar ontwerp van de bekende stedenbouwkundige en tuinarchitect Louis-Martin Van der Swaelmen (1883-1929). De betekenis van Louis Van der Swaelmen — die overigens niet mag worden verward met zijn vader Louis-Léopold, die eveneens 'architecte-paysagiste' was (28) - voor het stedenbouwkundig denken en de tuinwijkbeweging in België tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw, was enorm (29). Zijn boek 'Préliminaires d'art
E
DL
MAILLARD
De hoofdas die
eindigt in een
(Archief R.
Het nu verdwenen
het gebied von voor-
loodrecht op het
"reposoir formant
Verwllghen, K.U.
curieuze patroon
hoven wel een weinig
door Van der Swaelmen
kasteclgebouw. die
chombre de fraf-
Leuven)
van wegen en gras-
ofwijkend toeschij-
(Archief R.
"ols de voorsteven
cheur", op een foto
parterres In het
nen", voorspelde Van
Verwilghen, K.U.
von een schip uit-
genomen vlak na
voorhof "zal wellicht
der Swaelmen;
Leuven)
steekt in het groene,
de heraanleg door
den vurigen oonhon-
foto genomen vlak
wijde dof' en
Van der Swaelmen
gers der traditie op
na de heraanleg
civique' (30), gepubliceerd in 1916 naar aanleiding van de discussies rond de wederopbouw, geeft niet alleen zijn opvattingen weer over de diverse aspecten van de ruimtelijke ordening, inclusief de natuurbescherming, maar over de hele samenleving. Zijn ideeën over tuinarchitectuur, die rechtstreeks verband houden met zijn opvatting over de verhouding mens-natuur, worden verwoord in enkele artikels (31) en voordrachtteksten (32). De "fa^' lieten boedel van den Romantischen tuin met zijn natuurnabootsingen in " vermicellistijr was de kop van jut. Hij illustreerde zijn afschuw met een foto van de intussen al dertig jaar oude Vossemvijver in het park van Tervuren, "teekenend voorbeeld van zulk 'n leugenachtige schepping, nog kort geleden door een vermaard tuinarchitect ontworpen . Ook de heraanleg van het Terkamerenbos van dezelfde architect - Edouard Keilig (1827-1895) - vond geen genade. Van der Swaelmens inspiratie is uitgesproken Engels: invloeden van Gertrude Jekyll (1843-1932) en Thomas H. Mawson (1861-1933) zijn zowel in zijn geschriften als in zijn realisaties aanwijsbaar. De regelmatige, geordende, "moderne, Engelsche" tuin, waarin (huishoudelijke) doelmatigheid wordt gekoppeld aan het 'schilderachtige', staat voor hem model. De schilderachtigheid wordt vooral geput uit de natuur, die ons moeiteloos "biologische associatief en "met bloemen bestardegrasperken levert. De verwijzingen naar het werk van botanicus-plantensocioloog Jean Massart zijn legio. Massart publiceerde in 1913 een artikel 'Pour la protection de la nature en Belgique', één van de eerste, wetenschappelijk gedocumenteerde manifesten van de
natuur- en landschapsbescherming in België (33). Hij verdedigde standpunten die nauw aansloten bij het credo van de beweging die zich, eveneens in 1913, als 'Nouveau Jardin Pittoresque' heeft geprofileerd en waarin Jules Buyssens tijdens het interbellum een stuwende rol zal spelen. In het manifest van de beweging wordt trouwens een foto van Van der Swaelmens tuinen te Meldert afgedrukt (34). Meldert was één van de weinige opdrachten waarbij Van der Swaelmen zich bijna zonder beperkingen heeft kunnen uitleven. Alles — ook de graagte waarmee hij deze realisatie als illustratie heeft aangewend in latere publicaties - wijst erop dat het in opdracht van Auguste de Lantsheere ontworpen 'domaine de Maillard' als exemplarisch mag worden beschouwd. De invloed van Mawson, een bijzonder productief tuinarchitect, auteur van een succesrijke reeks over tuinontwerpen, 'The art and craft of garden making' (1906-1926), bewonderaar van de Arts and Crafts'-beweging, is in Meldert tastbaar aanwezig. Mawson ontwierp tuinen met, aansluitend op het huis, een bak- of natuurstenen terras, via trappen verbonden met gazons, struiken bosmassieven en, als het enigszins kon, met een mooi uitzicht (35). Het ontwerp voor Meldert spitst zich toe op het zuidelijke gedeelte van het domein, de onmiddellijke omgeving van het kasteel. Het gedeelte ten noorden van de vijvers werd grotendeels onaangeroerd gelaten. In hoever hij zijn ideeën over de 'verrijkte natuur', een concept dat op om het even welke schaal kan worden toegepast, op de rest van het domein heeft kunnen botvieren, is niet bekend. In de floristische opnamen uit de jaren 1980 van de meer bosachtige gedeelten van het domein, is echter geen spoor merkbaar van
•;^f'?"clt
*£
• Close-up van de
en, achter de taxus-
Swaelmen, in spie-
De oranjerie van
ilocmenparterres,
kegels en hinoki-
gelbeeld afgedrukt
Beyaert vormt als
(Archief R.
met irissen,
cipressen, de 'cham-
in 'Le Nouveau
een open paviljoen
Verwilghen, K.U. Leuven)
tudbeckia's en
bre de fraicheur' op
Jardm Pittoresque'.
de overgang tussen
asters in de parter-
een foto genomen
1913
de ommuurde
res op de terrassen
vlak na de heraan-
moestuin en de
angs de hoofdas
leg door Van der
'wild garden'
verrijking met meer spectaculaire soorten, knol- of bolgeofyten als narcis, wilde hyacint of herfsttijloos (36). Toen Van der Swaelmen werd belast met de aanleg van het park "leek het kasteel als ingebouwd in een inloopend terrein, wat drukkend werkte op den aanblik van het geheel; het lag dicht op de flank van een berg, de hoofdgevel was naar het dal gekeerd, het binnenhof lag bijna geheel aangedrukt tegen zware boschpartijen, terwijl de vrij plotselinge stijging van het terrein dicht voor den oostelijken zijgevel de algemeene gedruktheid nog verergerde" (37). Hoe kon hieraan verholpen worden? In een als artikel gepubliceerde toelichting bij het project, dat in 1916 werd gepubliceerd, verduidelijkt Van der Swaelmen zijn uitgangspunt: " Geen enkele bepaalde stijl bleek hier gewenscht, en zulks des te minder, daar de stijl van het kasteel zelf al een nabootsing was; slechts krachtige rangschikking was er noodig. Daar het gebouw niet op een grondmuur stond, en vooral wijl de bodem naar het oosten opglooide in de vorm van een amphitheater, zag het kasteel er vanuit de oprijlaan, die op het voorplein uitkwam, al zeer onvoordeelig uit. Het uitgangspunt voor de compositie kon geen ander zijn dan het kasteel beter te doen uitkomen en de groepering van een behoorlijke lijst rondom het gebouw. Ik ontwierp een aantal terrassen beneden de oppervlakte van het platform der kasteelomwalling. Deze terrassen met hun spel van trappen en afgeschuinde taluds lagen evenwijdig en vormden tezamen een scherp hellend en
M&L
erachter
naar verhouding evenredig voetstuk voor het kasteel, hetwelk zich aldus hooger en rijziger zou voordoen, en met een doorvoering der lange evenwijdige terraslijnen op verschillende plans en hoogten, — hagen, randen, perken en lanen, zou een overeenkomst in karakter tusschen huis en hof verkregen worden. [...] De gehele rechtlijnige rangschikking werd versterkt door de zuiverlijnige hagen van hulst, rechte reek[s]en van welgesnoeide taxusboomen (38). Het pittoreske zal echter de straklijnigheid temperen bij middel van brede perken met vaste planten " welker taak het is de strakke lijnen en meetkunstige figuren een weinig meer golvend en aangenamer voor het oog te maken en de hoekigheid van den onderbouw met een bloeiender leven te bezielen . In de naam van het pittoreske worden ook enkele oude magnolia's gespaard. O p de foto's die niet lang na de aanleg (alleszins vóór 1913) werden genomen zien we verschillende close-ups van de bloemenparterres, met stokrozen, pioenen, irissen, rudbeckia's... en vooral asters. De tuin als weerspiegeling van de 'gang des levens' Het ontwerp weerspiegelt min of meer het leefpatroon - "gang des levens" in de woorden van Van der Swaelmen - en ook de hobby's en sportieve belangstelling van de opdrachtgever: een met palissades van leilinden afgebakend, licht verzonken tennisveld in spiegelvorm met lunetachtige uitstul-
Het kasteel op een
de "zuiver/ijnige
(collectie José
De terrassen van de
(archief
sokkel van terrassen
hagen ran hukt,
Huypens, Dormaal)
door Van der
Aalmoezeniers van de Arbeid, Heldert)
met trappen en
rechte reekfsjen ran
Swaelmen ontwor-
afgcschulnde taluds
we/gesnoeide toxus-
pen omkadering
in een "rechtlijnige
hoornen" op een
van het kasteel
rangschikking", die
ansichtkaart uit de
werd versterkt door
jaren 1920
pingen; een "pelouse dejeux" met een golf van negen holes; een door haagbeukhagen afgeschermd "gymnase" - vermoedelijk bedoeld als solarium — dat onmiddellijk aansluit bij het zwembad. Het zwembad (met rustiek-cementen kleedcabine) bevindt zich aan het stroomopwaartse uiteinde van de zuidelijke vijver en is ervan gescheiden door een betonnen dam {"barrage avec Iris et plantes aquatiquef). De pittoreske ingesteldheid blijkt uit de tot "rivière" versmalde zuidelijke vijver met een aanlegsteiger. Het bucolische gezicht vanuit het kasteel of vanaf de terrassen over de beekvallei, waar ooit de daglonershuisjes stonden, wordt door Van der Swaelmen als volgt beschreven: "Op groote weiden naar Engelschen trant, omringd door witgeverfde houten hekken, grazen de koeien, die zoozeer leven en kleur aan het landschap verleenen . Het meest in het oog springend is de strakke symmetrie die, vanuit de lucht gezien, in een andere context en op een grotere schaal Von Daniken op bepaalde ideeën had kunnen brengen (39). Dit geldt in de eerste plaats voor het patroon van 'landingsbanen' dat zich tussen de vijvers en het kasteel aftekent. Het is opgebouwd uit een hoofdas die loodrecht op het kasteelgebouw naar de 'rivier' afdaalt - in de woorden van Van der Swaelmen - "als de voorsteven van een schip uitsteekt in het groene, wijde dat', tweemaal (bij elk terras) door trappen onderbroken, en op 60 m van de aanlegplaats eindigt in een soort van exedra {"reposoir formant
chambre de fraicheur"). In een hoek van 45 graden en in perfecte symmetrie, zijn op deze hoofdas twee zijassen geconstrueerd, die op hun beurt via loodrechte zijassen met de hoofdas verbonden zijn. De hoofdas wordt geaccentueerd door een rij in kegel geschoren taxussen, de omtrek van de exedra door hinokischijncipressen (Chamaecyparis ohtusa), die ook meer informeel, in kleine groepjes, over de rest van het domein staan verspreid. Het woord 'reposoir' wordt hier niet gebruikt in de door de 'Petit Robert'toegestane betekenissen, maar in de betekenis van rustplaats; op foto's van vlak na de aanleg zijn zitbanken zichtbaar, weliswaar geen marmeren (behalve misschien die voor de taxusrij), zoals Van der Swaelmen in zijn toelichting laat uitschijnen. De stenen bank op de foto is mogelijk niet van marmer maar van kunststeen op basis van cement of beton, of zelfs van met cement beklede baksteen, zoals alle boordstenen, trap- en keermuurfragmenten die nog op het terrein zichtbaar zijn. Van een "springbron, die hare wateren hoog van een marmeren zuil in een Venetiaansch bekken neer laat klateren" valt er op de foto's die vlak na de aanleg werden genomen niets te bespeuren. Het curieuze net van wegen en grasparterres tussen het kasteel en het wagenhuis, het voorhof {"cour d' honneur"), doet denken aan een sierspeld, een Keltische fibula of zo. Het "zal wellicht den vurigen aanhangers der traditie op het gebied van voorhoven wel een weinig afwijkend toeschijnen', voorspelde Van der Swaelmen, maar het is volgens hem volko-
1VI&L
A De overdekte aan-
|aren 1920
Het tennisveld op
legplaats nabij de
(collectie José
een ansichtkaart
Van der Swaelmens
op een kleine
cascade op een
Huypens, Dormaal)
uit de jaren 1920
'rozenberg' ontsloten
"reposoir" of
(collectie José
(collectie José
door een lijnrechte
"geurige kamer",
Huypens, Dormaal)
Huypens, Dormaal)
weg die eindigde
op een ansichtkaart
ansichtkaart uit de
uit de jaren 1920
Lichaamscultuur als component van de moderne "gong des levens": het zwembad en de ruimte tussen kasteel en rivier gezien vanuit het kleedhok|e op een ansichtkaart uit de jaren 1920
men in overeenstemming met het karakter van het geheel en sluit aan bij de terrasvormige aanleg van de kasteelsokkel. Hoe dan ook, erg functioneel als aankomst- of manoeuvreerruimte of verkeersknooppunt kan het niet geweest zijn; mooi is het vooral vanuit vogelperspectief.
(collectie José Huypens, Dormaal)
1VI&L
Het eclectisch mengen van informele beplantingsschema's met strakke, formele structuren was kenmerkend voor de 'Arts and Crafts garden' en — bijvoorbeeld — de 'paved parterres' naar het ontwerp van Inigo Triggs en andere 'Edwardians', die door Gertrude Jekyll worden getoond in haar boek 'Gardens for small country houses' (40). Een continentale inpiratiebron was wellicht ook de herboren 'jardin fran9ais', de revival van de regelmatig-geometrische, 'Franse' tuinstijl aan het einde van de 19de eeuw, onder impuls van publicaties zoals de 'Traite general de la composition des pares et
jardins', 1879, van Edouard André en het werk van de Franse tuinarchitecten vader (Henri) en zoon (Achille) Duchêne, de 'style Duchêne' (41). Dit zou bijvoorbeeld de barokke spiegelvorm van het tennisveld kunnen verklaren. Het totaalpatroon van Van der Swaelmens ontwerp en de nadruk op het functionele gaan echter verder dan de Edwardiaanse schema's of de Duchêne-stijl en kondigen de modernistische tuinontwerpen van het interbellum aan (42). In latere ontwerpen zoals de 'sunken garden' bij de buitenplaats 'De Boekel' te Enschede tijdens de oorlogsjaren, zal hij veeleer de toer van de 'Nouveau Jardin Pittoresque' opgaan (flagstones, muurtjes van onbewerkte stenen en andere pittoreske elementen zoals tafels van oude molenstenen). De tuinaanleg die Van der Swaelmen ontwierp rond het 'Belgenmonument' van Huib Hoste te Amersfoort, sloot misschien nog het meest aan bij de strakke architectuur van Meldert (43).
Bloemenhof 'naar Franschen trant' ft 'wild garden' De toegangsweg, die zoals vanouds ten oosten van het kasteel van de Waverse steenweg aftakt, doorkruist de ruimte tussen het kasteel en het wagenhuis en vormt de basis van enkele loodrechte aftakkingen. Een eerste loopt door de "Mont des Roses" en eindigt in een kleine "reposoir", in een Nederlandstalige toelichting omschreven als "geurige kamer'; een tweede aftakking voorbij het kasteel ontsluit het tennisveld. De loodrechte aftakkingen aan de andere (zuid)zijde omkaderen en ontsluiten een kruisvormig ingedeelde bloementuin, waarvan elke parterre op zijn beurt andrieskruisvormig en tenslotte in langwerpige bedden is ingedeeld. Deze tuin valt precies samen met de oude moestuin en moest worden herschapen in "een bloemenhof naar Franschen trant met een wintertuin". Dit was het enige waarop de eigenaar heeft aangedrongen; voor de rest had Van der Swaelmen carte blanche.
• Het kasteel van Heldert in een populierloos landschap vanuit het noorden tijdens het
Van deze ommuurde bloementuin is ons enkel een winterfoto bekend, zodat het moeilijk is uit te maken of het in de praktijk inderdaad om een snijbloementuin {"jardin fleuriste") ging, maar één van de vier hoofdcompartimenten is alleszins met fruitbomen beplant. De bedden lijken met buxushaagjes afgelijnd, zoals Van der Swaelmen had voorgeschreven, maar van de taxushagen " waarin figuren zijn gesneden" valt weinig te bespeuren. Aan de zuidkant van de bloementuin staan serres, kassen en wachtbedden en de buitenzuide van de noordmuur wordt geflankeerd door halve serres met - centraal, als hoofdtoegang tot de ommuurde tuin een hoge glazen constructie. De zogenaamde oranjerie vormt als een open paviljoen de overgang, via een strook met kleinfruit (frambozen, kruisbessen en een onleesbare soort) naar een "jardin sauvage", op de plaats van de vroegere boomgaard. De " wild garden", contradictie in terminis, was sinds Francis Bacon ('Of gardens', 1625) een niet weg te branden thema in de tuinliteratuur, maar hij kreeg vooral in de 'Arts and Crafts'-tuinen, na de publicatie van William Robinsons 'Wild garden' (1870) en Gertrude Jekylls 'Wood and Garden' (1899) een eigen, formele plaats (44). De 'wild garden'-idee heeft volgens Robinson (45) geen uitstaans met de traditionele idee van 'wildernis' en kan evenmin gelijkgesteld worden met de 'pittoreske tuin'; het komt in essentie neer op het inbrengen van winterharde, exotische planten in een milieu waarin zij zonder verdere zorg kunnen gedijen. Dit sluit enigszins aan bij wat in de doctrinaire ecologie als 'biotoopvervalsing'
interbellum (collectie José Huypens, Dormaal)
De tummuren van de snijbloementuin werden in 1958 afgebroken om plaats te maken voor sportvelden (archief
wordt gebrandmerkt. Bovendien wordt de 'wild Aalmoezeniers van garden' niet als tegengesteld gezien aan de tuin met dc Arlleld' Meldert' bloembedden en -perken, maar als complementair (46). O p Van der Swaelmens plan gaat het om een Het kasteelpark van besloten ruimte, omgeven door bosschage en pit- Heldert vanuit het zuiden in 1959. toresk uitgewerkt, "waar vaste planten en bolgewasmet een nieuw sen welig opschieten". De "mont des roses" aan de schoolgebouw en andere zijde van het kasteel, vlakbij de hoofdin- met canadapopuliegang, vormt een tweede pittoresk uitgewerkt comren beplant partiment. Deze rozenberg ligt in een " amphithea(archief Aalmoezeniers van de Arbeid, Meldert)
1VI&L
Net kasteel van Heldert vanuit het noorden, opnieuw zonder populieren (foto 0. Pauwels, 2007)
ters-gewijze" uitgegraven helling, een uitgraving die noodzakelijk was om de terrasvormige sokkel van het kasteel aan de oostzijde mogelijk te maken. Grote aantallen rozelaars werden aangeplant "/« zoo schilderachtige groepeering, dat het leek of zij daar in het wilde tierden", soms gegroepeerd in contrasten, soms als nuanceringen van een zelfde hoofdkleur, een toepassing van de 'colour schemes' van Jekyll (47). De rozenberg werd ontsloten door een lijnrechte weg, die eindigde op een kleine " reposoir of "geurige kamer". Het hertenkamp {"pare aux daims') dat de Lantsheere liet inrichten, komt niet voor op het plan van Vander Swaelmen en het erbijbehorende rustieke schuilhok met twee torentjes in pseudovakwerk heeft geen sporen achtergelaten. De op het plan vermelde overdekte aanlegplaats {"embarcadère") aan de overzijde van de zuidelijke vijver, nabij de cascade, is eveneens verdwenen.
Meldertbos, een ingeslapen tuin De renovatie van het kasteel en de heraanleg van het park waren nauwelijks voltooid toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Het kasteel werd geplunderd
M&L
en bewoond door Duitse troepen; sommige vertrekken op de benedenverdieping werden zelfs als paardenstal gebruikt. Na de oorlog werd het landgoed opgeknapt, maar in 1932 overleed Auguste de Lantsheere en in 1940 werd het huurcontract door de familie de Lantsheere opgezegd. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog had het kasteel zwaar te lijden onder de Duitse bezetting (48). In 1957 werd het met de aanhorigheden en ongeveer één derde van het park aangekocht door de Aalmoezeniers van den Arbeid, die er het Sint-Janscollege installeerden. Hoewel de oranjerie werd omgebouwd (in feite eenzijdig vergroot) tot kapel en het wagenhuis een aanzienlijke uitbreiding onderging, betekende deze overname de redding van het kasteel. De open gedeelten van het park werden met canadapopulieren beplant. Het voorhof verdween onder het asfalt, op een grazige rotonde na; de muren van de 'snijbloementuin' werden afgebroken om plaats te maken voor sportvelden en ten westen en ongeveer in het verlengde van het kasteel verscheen een 65 m lang, modernistisch gebouw, waarin de klaslokalen werden ondergebracht (49).
De bescherming als 'dorpsgezicht' van het hele domein en als 'monument' van de gebouwen plus het zwembad en kleedhokje, op 14 januari 1993, na een aanslepende procedure, bracht weinig soelaas. Het is tekenend dat aan het einde van de jaren 1980 het noordelijke gedeelte van het domein globaal als 'Meldertbos' werd aangeduid, zowel door de eigenaars van het niet bebouwde gedeelte als door de kandidaat-koper v.z.w. Natuurreservaten (het latere 'Natuurpunt'), die in 1986 op de bescherming had aangedrongen. De krantenkop " Eikenbos in ere hersteld' boven het verslag van een gesponsorde boomplantingsactie in maart 1993 (50) - "44 nieuwe, inheemse en streekeigen zomereiken - spreekt voor zichzelf. Anderzijds werden de canadapopulieren op de door Natuurreservaten verworven gedeelten systematisch verwijderd, waardoor niet alleen het parkachtige uitzicht maar ook het hooilandbeheer als traditionele beheersvorm — ook binnen landschapsparken - in ere werd hersteld. Op de als reservaat beheerde stukken — voornamelijk het noorden en het westen van het domein - werden ook alle 'niet-inheemse soorten' gespaard, met name een groot aantal westerse levensbomen (Thuja occidentalis), hinokischijncipressen (Chamaecyparis obtusa), moerascipressen (Taxodium distichum) — voornamelijk bomen die Van der Swaelmen had laten aanplanten. In 1979 stelde Herman Stynen ietwat voortvarend vast dat van Van der Swaelmens ontwerp in Meldert geen duidelijke sporen zijn overgebleven (51). Een grondig terreinonderzoek in juni 1997 heeft uitgewezen dat onder de canadapopulieren het grootste gedeelte van Van der Swaelmens aanplantingen wel nog aanwezig was, soms zwaar gehavend maar in sommige gevallen nog recupereerbaar. Dit geldt onder meer voor de taxussen die de ruggengraat vormen van de 'scheepsboeg', hoog uitgegroeid in concurrentiestrijd met de omringende populieren; onder de huidige levende kroon was de kegelvormige kroon, zoals ze verschijnt op de foto's die vlak na de aanleg genomen werden, nog aanwezig, weliswaar verdroogd; de bomen zijn nog vitaal en kunnen weer in de oorspronkelijke kegelvorm gesnoeid worden. Dit geldt ook voor de lindepalissades rond het tennisveld, de haagbeukenhagen rond het "gymnase", en een klein gedeelte van de solitairen of groepjes van hinokischijncipressen en westerse levensbomen. Het zwembad is nog in restaureerbare staat en onder de strooisellaag tussen de canada's en het struweel doken hier en daar muurtjes en trappen op. De tuin van Van der Swaelmen was immers niet vernietigd maar inge-
slapen en kon zonder exorbitante kosten en zon-
NOTEN
der al te veel blindelings plamuurwerk opnieuw tot leven worden gewekt. Het verslag van dit on-
(1) Gegevens hoofdzakelijk afkomstig uit: DOPERE E e.a., Meldert,
derzoek (52) leidde in 2 0 0 4 - 2 0 0 5 tot een tweede
voormalige heerlijkheid van het hertogdom Brabant (tentoonstel-
onderzoek (53), uitgevoerd in opdracht van de
lingscatalogus), Hoegaarden-Meldert, Hoegaardse Heemkundige
Vlaamse Landmaatschappij
(VLM), waarin het
uitzonderlijke cultuurhistorische belang van het kasteeldomein, zelfs op internationaal vlak, werd
Kring, 1984,381 p. (2) Figuratieve kaarten gereproduceerd in VAN ERMEN E., VANHOVE L. & VAN LANI S., Het kaartboek van de abdij van Park,
bevestigd en nader omschreven. Het werd ook
1665, Brussel, Algemeen Rijksarchief, 2000, p. 29, en VAN
duidelijk dat binnen dit kader ook belangrijke na-
ERMEN E., Het kaartboek van Averbode 1650-1680, Brussel,
tuurwaarden aanwezig zijn, soms op onverwachte plekken, bijvoorbeeld rode kelkzwam (Sarcoscypha coccinea) op een uitermate 'verstoorde' plek als het
Gemeentekrediet, 1997, p. 77. (3) Gereproduceerd in ALBERS L, HAARTSEN A, SMEETS E. & VAN DEN BROEK Th., Cultuurhistorisch onderzoek kasteelpark
voormalige tennisveld. O p initiatief van de vereni-
Meldert (eindrapport), Haaften, adviesbureau Lantschap i.o.v.
ging N a t u u r p u n t , die nagenoeg de helft van het
Vlaamse Landmaatschappij, 2005, p. 11.
kasteeldomein in bezit heeft, werd in de zomer van 2005 een volgende belangrijke stap gezet: de canadapopulieren tussen het kasteel en de vijvers werden gerooid, waardoor het 19de-eeuwse
parklandschap
oorspronkelijke,
opnieuw
een
stap
(4) LEJOUR E., La familie Vander Noot et parriculièrement la btanche des seigneurs de Carloo, (overdruk uit: Intermediaire des généalogistes, nr. 51, p. I-U). (5) POPLIMONT Ch., La Belgique héraldique, VIII, Paris, Imprimerie de Henri Carion, 1866, p. 244. Zie ook WAUTERS A.,
dichterbij komt.
Geographic et histoire des communes belges. Arrondissement de Lou
Merkwaardige bomen
(facsimile van editie 1876), 1963, p. 72-73.
vain - canton de Tirlemont (II). Bruxelles, Cultute et Civilisation (opname 6 juni 1997) (54)
(6) Oudste kadastrale legger 212 Meldert, art. 124.
1.
(7) WAUTERS, op. cit., p. 73. Na een brand in 1844 volgens AL-
mammoetboom (Sequoiadendron giganteum)
BERS L. e.a., op. cit., p. 9. In de kadastrale legger wordt geen
520 2.
Italiaanse cipres (Cupressus
sempervirens)7Q
(30)
melding gemaakt van een brand. (8) Voluit: Henri-Auguste-Marie Vivroux (1795-1867), zie: GOF-
5.
bruine beuk {Fagus sylvatica 'AtropuniceaV
FAUX A.-F. & WODON B., Répertoire des architectes wallons du
551 (80)
XUIe au XXe siècle (Etudes et Documents, Aménagement et Ur-
6.
bruine beuk {Fagus sylvatica 'AtropuniceaV
banisme 4), Namur, Ministère de la Region Wallonne, Division
467
de rAménagement et de l'Urbanisme, 1999, p. 149-150. platyphyllos
(9) VAN CLEVEN ]., Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als
8.
wingerdbladige zomerlinde (Tilia 'VidfoliaV 2 8 2 (40)
component van de 19 -eeuwse stijl in België, p. 28 in: J. De
12.
mammoetboom (Sequoiadendron giganteum)
Maeyer (red.). De Sint-Lucasscholen en de neogotiek, 1862-1914 (Kadoc-studies 5), Universitaire Pers Leuven, 1988.
381 15.
mammoetboom (Sequoiadendron
giganteum)
boisl3C, 4000Liège.
460 17.
westerse levensboom (Thuja occidentalis) 2 6 8
32.
gewone taxus (Taxus baccata) 2 6 8
53.
gewone beuk {Fagus sylvatica) 4 0 9
72.
moerascypres (Taxodium distichum)
75.
zuilvormige zomereik {Quercus robur 'Fasügi-
tions 6(i), 1854. 356
(12) Kadastrale opmetingsschets Meldert 1850 nr. 31. (13) Restaureerde onder meer verschillende huizen op de Brusselse Grote Markt en het stadhuis; biografische nota in: GOSSE A.
101. ruwe arizonacipres met blauwachtige schubben (Cupressus arizonica 'GlaucaV 8 0 Atropuniceaj
363 115. bruine beuk {Fagus sylvatica AtropuniceaV 390
(11) Althans volgens ANON., Chateau de Meldert prés de Tirlemont, p. 45 m Journal beige de l'Architecture et de la Science des Construc-
ataV212
105. bruine beuk {Fagus sylvatica
(10) Bundel Virvoux in het archief van de C.R.M.S.E, rue du Vert-
e.a., Poelaert en zijn tijd (tentoonstellingscatalogus), Brussel, Gemeentekrediet, 1980, p. 220-221; zie ook STYNEN H., De onvoltooid verleden tijd. Een geschiedenis van de monumenten- en landschapszorg in België, Brussel, Stichting Vlaams Erfgoed, 1998, p. 365. (14) VASSE A.-j.-A., Le domaine et la chapelle Ste Ermelinde, a Maillart, Bruxelles, 1855. (15) Binnenin gedateerd 1640-1879. Wat de eerste datum betekenent is niet duidelijk. De tweede datum vetwijst ongetwijfeld naar de restauratie na de brand van 1877. Op de eerste verdieping van
bet kasteel zijn trouwens een reeks datumstenen ingemetseld,
(33) MASSART J., Pour la protection de la nature en Belgique, p. 1-
waarvan een inventaris in DOPERE E e.a., op. cit.
308 in Bulletin de la Société Royale de Botanique de Belgique 52,
(16) DE DAMSEAUX E. & VASSEUR M., La Belgiquepittoresque. Album illustré des chateaux, Mons, Daquin, 1870-1878.
1913. (34) VAN B1LLOEN A., Le Nouveau Jardin Pittoresque. Son programme, Brussel, Association nationale pour la Renovation dans L'Art
(17) VICTOIR J. & VANDERPERREN J., Hendrik Beyaert. Van
des Jardin, 1913, tegenover p. 14.
classicisme tot Art Nouveau, Sint-Martens-Latem, De Dijle, 1992, p. 144-145.
(35) The Oxford companion to gardens, Oxford/New York, Oxford
(18) Kadastrale opmetingsscbetsen Meldert 1877, nr. 4 en 1912, nr. 26.
University Press, p. 360. (36) Cf. MEERT E., Het parkbos van Meldert. Betekom, Studiecen-
(19) Zie de oudste kadastrale legger 212 Meldert, art. 124, 343 en 1151.
trum Natuur en Landschap, 1986, 11 p. (37) VAN DER SWAELMEN L, Ontwerp eener moderne schoon-
(20) WATKIN D., The English vision. The picturesque in architecture, landscape and garden design. London, Murray Ltd., 1982. (21) Zie onder meer de kadastrale mutatieschetsen Meldert 1856 nr. 6 en 1858nrs. 4en5.
1916, handelt in detail over Meldert. (38) VAN DER SWAELMEN L, op. cit. (39) VON D A N I K E N E., Waren de goden astronauten? Kluwer, 1969
(22) Bij bet Nieuw Kasteel van Boutersem, bet kasteel van Kersbeek te
(oorspronkelijk: Erinnerungen an die Zukunft, (Ingeloste Rdtsel
Kortenaken (Kersbeek-Miskom), bet domein Gellenberg te I.ubbeek, bet domein van Rivieren te Aarscbot (Gelrode)...
heidsleer voor den tuinaanleg, p. 165-168 in Buiten, 1 april
der Vergangenheit, 1968). (40) JEKYLL G. & WEAVER L, Gardens for small country houses,
(23) MEULENKAMP W. & COENEN L, De Twaalf Apostelen als
London, Country Life Ltd, 1912. Zie ook; A history of
semi-religieus motief in de tuinkunst, p. 34-39 in Cascade, bul-
British gardening, in www.bbc.co.uk/gardening/design/nonflash_
letin voor tutnkunst \d{\), 2004.
edwardian l.shtml
(24) ALBERS L. e.a., op. cit., p. 17-18. Een vermoedelijke bundel-
(41) ANDRE E., L'art des jardins. Traite general de la composition des
boom, ditmaal plataan (Platanus x hispanica) komt ook voor
pares et jardins, Paris, G. Masson, 1879; DUCHÊNE M. e.a.,
naast bet kasteel van Kwabeek te Boutersem (Vertrijk).
Architectes-paysagistes 1841-1947. Le style Duchêne, Editions du Labyrinthe
(25) Oudste kadastrale legger 212 Meldert, art. 124 nr. 163; kadastrale opmetingsschets Meldert 1859 nr. 8.
(42) Zie IMBERT D., The modernist garden in France, New Haven London, Yale Univ Press, 1993-
(26) die in 1906 in het Vijverhof te Bierbeek (Korbeek-Lo) een nieuw
kasteel zal bouwen, zie Inventaris Historische tuinen en parken van (43) De Boekei en Amersfoort worden besproken in ALBERS L. e.a., Vlaanderen: Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee (M&L op. cit., p. 20-21. Cahier 9), Brussel, Afdeling Monumenten en Landschappen,
(44) The Oxford companion to gardens, p. 604-606.
2004, p. 47-54.
(45) ROBINSONW., The wild garden or the naturalisation and natural grouping of hardy exotic plants with a chapter on the garden of
(27) DE CHANCY H., Propriétaires du Chateau de Meldert (manuscript), Tervuren, 1978, 3 p.
British wildflowers,London [...], Century Hutchinson Ltd., The National Trust, 1983 (orig. edit. 1870), p. xxiv-xxv.
(28) De aanleg van de tuin rond het kasteel van Laurensart te GrezDoiceau is vermoedelijk het werk van de vader, cf. de lijst met
(46) ROBINSONW, op. cit., p. 10-11.
referenties in zijn brief aan bet Leuvense stadsbestuur van 23 no-
(47) JEKYLL G. & WEAVER L, op. cit.
vember 1900 (Stedelijk Atchief Leuven, M.A. nr. 9222 - open-
(48) DE CHANCY H., op. cit.
bare wandeling allerlei 1871-1902).
(49) Kadastrale opmetingsschets Meldert 1961 nr. 6.
(29) STYNEN H., Stedehouw en gemeenschap. Louis Van der Swaelmen (50) Het Laatste Nieuws, 12 maart 1993. (1883-1029), bezieler van de moderne beweging in België, Brus- (51) STYNEN H., o/». o>., p. 63. sel/Luik, Pierre Mardaga, p. 58-64. (30) VAN DER SWAELMEN L, Préliminaires dart civique, mis en
(52) Gepubliceerd als DENEEF R., DE MAEGD C, DE JAECK. & WIJNANT J., "Getemperde straklijnigheid"; Louis Van der
relation avec Ie 'cas climque de la Belgique, Leyde, A.W. Sijthof,
Swaelmen en de "krachtige rangschikking" van het kasteeldo-
1916, XVI + 300 p. (heruitgave CIAUD/ICASD, Brussel,
mein van Meldert (Hoegaarden), p. 51-70 in Monumtmtn &
1980).
Landschappen 19(2), 2000.
(31) VAN DER SWAELMEN L, Ontwerp eener moderne schoonheidsleer voor den tuinaanleg, Buiten 109, 1916, p. 106-107, p. 118-119; p. 130-131, p. 141-144, p. 154-156, p. 166-168, p. 178-179, p. 185-187. (32) VAN DER SWAELMEN L, Twee voordrachten over moderne tuinkunst. Nieuwe vooruitzichten en toekomstige richting (overdruk uit: Architectura jg. 24, 1916, nr.14).
(53) ALBERS L. e.a., op. cit. (54) Vergelijk met het bestand 'iWwfj'(Belgische Dendrologie Beige, Wespelaar) nrs. 4223, 4224, 4225, 4226 en 4227.
Roger Dene e f & Jo
Wijnant
HOEGAARÜEM (SllMT-KATARllMA HOUTEIVI): HOEVE PETEN HAUTHEM 104, 3320
HOECAARDEN
(PRIVEBEZIT, N I E T T O E G A N K E L I ) K V O O R HET PUBLIEK)
Het parkje bi{ de Hoeve Peten, eer baken in het landschap (foto R. Deneef, 2001)
Informeel herenboerenparkje dendrologisch
interessant
van 31,5
are,
en van ver
zichtbaar. De tuin bij de gesloten hoeve van Peten of'Poit' in de plaatselijke volksmond, het laatste gebouw aan de oostrand van het gehucht Sint-Katarina-Houtem op de kruin van het plateau tussen de Grote Gete en de Menebeek, mag gelden als bescheiden, maar gezien zijn ligging een opvallend specimen van een 'herenboerenparkje', een type dat in de Haspengouwse leemstreek schering en inslag is. De mammoetboom (Sequoiadendron giganteum), de zomerlinde (Tilia platyphyllos), de bruine beuk (Fagus sylvativa 'Atropunicea'J, de bontbladige esdoorn (Acerpseudoplatanus 'Leopoldii'j en de Amerikaanse tulpenboom (Liriodendron tulipifera) — van ver in het golvende plateaulandschap zichtbaar - werden na de Eerste Wereldoorlog aangeplant door Egide Peten (1850-1927) (1) en zijn zoon Leon.
Een tuinarchitect is er niet bij te pas gekomen; er is geen duidelijke structuur, wel een tunnel met blauweregen (Wisteria sinensis), een grote verscheidenheid van bloeiende struiksoorten, onder meer Europese pimpernoot (Staphylea pinnata) en twee zeldzaamheden: Magnolia grandiflora en dadelpruim (Diospyros lotus). Merkwaardige bomen (opname 29 juni 2001) 5. mammoetboom (Sequoiadendron 342 8. Magnolia grandiflora 91(10) 10. dadelpruim (Diospyros lotus) 9 4
giganteum)
NOTEN (1) Oude kadastrale legger 212A Hoegaarden, art. 2367. Zie ook www.chez.com/peten/nl/fam00161.html.
Roger
Deneef
& Jo
Wijnant
KORTENAKEN (KERSBEEK-MISKOM) KASTEEL VAN KERSBEEK O U D E HEERBAAN 9 , 3 4 7 2
KERSBEEK-MISKOM
(PRIVÉBEZ1T, N I E T TOEGANKELIJK V O O R HET PUBLIEK)
%
Het kasteel van
^^^M'fy bfv ?^ •»-«
Kersbeek vanuit
• ' *0.
het westen
%
\ ^^--h
(foto 0. Pauwels, 2007)
i
iJ
• V UiT-5 I l iHlT^
tsjjèli 2I;JJ
ÉÊk
1m Landschappelijk park met vijver aangelegd rond I860 op een site met een feodale motte en ouder 'huis van plaisantie', oorspronkelijk circa 4 hectare, rond 1890 (na de bouw van een neogotisch kasteel) uitgebreid tot bijna 5,5 hectare (zonder moestuin en de boomgaard), na 1930 gereduceerd tot circa 4 hectare. De hoefijzervormige gracht op de Ferrariskaart (1771-1775) laat iets vermoeden, maar de Primitieve kadasterkaart (1824) laat weinig twijfel bestaan: de site ten zuiden van de dorpskerk is een feodale motte en de vierkanthoeve ernaast zou de voortzetting kunnen zijn van het oorspronkelijke neerhof. In de Primitieve kadastrale legger (1831) wordt het grootste gedeelte van het gebouwencomplex (perceel 338) als 'lusthuis' omschreven - vier volumes rond
een binnenplaats, eigendom van een niet nader genoemde baron de Baudequin de Peuthy (1). Bij het lusthuis hoorde een pachthoeve, bestaande uit de drie kleinere gebouwen ten oosten van het lusthuis. Het perceel binnen het hoefijzer was een 'tuin' — lees moestuin maar de combinatie met bloemen was gebruikelijk - en de ruimte tussen de kerk en het kasteelcomplex was een boomgaard. De vier als water (blauwgroen) ingekleurde percelen, inclusief het 'hoefijzer', werden samen met de omgevende percelen (nrs. 336 en 346) — samen 2 hectare 22 are — als 'lustgrond' geregistreerd, wat zou kunnen wijzen op een vergevorderde staat van verlanding. De term lustgrond werd meestal gebruikt voor percelen van informele sierbeplantingen zonder een duidelijk geometrisch patroon, de 'jardin anglais'. Over het uitzicht van deze tuin bestaat geen enkele aanduiding. In 1837 werd het goed verkocht aan de weduwe van de Tiense rentenier Jean-Baptiste Vandermon-
• De dorpskern en het kasteel van Kersbeek en, bovenaan (door ons rood aangestipt^ Hogemeier, op de Ferranskaart (1771-1775)
De dorpskern en het kasteel van
de die - althans volgens het kadaster - de verlande vijvers liet ontslibben en de U-vormige vijver (nr. 344) liet hergraven tot een landschappelijke vijver met golvende contouren. Van het 'lusthuis' bleven slechts twee vleugels gespaard, de woning en het koetshuis, en het grootste hoevegebouw werd omgebouwd tot 'kasteel'. In 1862 werd Vandermondes kasteel grondig verbouwd, het oude 'speelhuis' werd afgebroken en achter (20 m oostwaarts van) het nieuwe kasteel, tegen de muur van de nieuwe moestuin (72 are), werd een stal-met-koetshuis gebouwd. Later volgde een oranjerie. De diverse percelen lusttuin werden verenigd tot één groot perceel van bijna 3,5 hectare, zodat het park samen met de waterpartijen meer dan 4 hectare besloeg (2). Het huidige, neogotische kasteel werd rond 1890 gebouwd door Béla de Timary, zoon van een Hongaarse immigrant die na de mislukte opstand van 1848 naar België was gevlucht. Béla de Timary was van 1904 tot 1916 burgemeester van KersbeekMiskom (3). De neogotiek is hier duidelijk van late, 'helleputiaanse' signatuur: massief en relatief sober, baksteen (op de plint, vensterdorpels en de consoles van de spietorentjes na), Brugse traveeën alom, trapgevels boven de ingangstraveeën en de dakvensters (4). De architect is onbekend.
Kersbeek op de Primitieve kadasterkaart opgemaakt door J. Gulikers in 1824 (archief Kadaster Brabant, Brussel)
1VI&L
De vorm van de vijvers op de kadasterkaart is sinds 1837 niet meer gewijzigd. Ook over de reële bestemming van percelen in en rond het kasteeldomein blijft het kadaster in gebreke. Het domein ligt op de grens van twee stafkaarten, die bij elke uitgave dan nog van uiteenlopende datum zijn, maar een collage loont de moeite, omdat duidelijk wordt hoe vanuit disparate elementen (relicten van een ringgracht en viskweekvijvers) één 'landschappelijke' waterpartij kon worden gevormd en hoe het landschap ten noorden van het huidige park in de aanleg werd betrokken. Deze ingrepen werden uitgevoerd door de Timary tijdens of onmiddellijk na de bouw van het neogotische kasteel. O p de stafkaartcollages van 1864-1871 en 1893-1886 zijn het Primitieve patroon met het hoefijzer van de hooghofmotte en de trapeziumvormige vijver nog zichtbaar. Het hoefijzer is als een serpentine verbonden met de in 1836 aangelegde landschappelijke vijver. O p de stafkaartcollage van 19081904 hebben hoefijzer en trapezium plaats geruimd voor één landschappelijke, U-vormige vijver met een schiereilandje, dat uiteindelijk een eiland zal worden. De stafkaart van 1 893 toont een kronkelpad in de weilanden ten noorden van het park (perceel nr. 320 en deel van nr. 319). De percelen die daar ten westen bij aansloten (nrs. 300 en
opirviunil
• Het neogotische kasteel van Kersbeek op een in 1904 afgestempelde ansichtkaart (collectie José Huypens, Dormaal)
De lustgronden bij het kasteel van
300bis), werden sinds de vorige versie van de stafkaart (1864) bebost, op een smalle, oost-west georiënteerde strook na. Deze tra was geen traditionele brandgang maar een 'vista', gericht op het nieuwe kasteel. De verwevenheid van bos en weiland met de oude lusttuin via tra en kronkelpad blijkt nog duidelijker op de stafkaart van 1908. Het weiland met het kronkelpad heeft aan de oostrand bovendien een beboste zoom met een golvende rand gekregen. In 1930 is het kronkelpad nog aanwezig, nu in een volledig bebost perceel, maar van de tra geen spoor meer. In 1970 zijn alle sporen van deze parkuitbreiding - circa 5,5 hectare - verdwenen. De huidige oprit vanaf de O u d e Heerbaan volgt nog gedeeltelijk het door Vandermonde bedachte tracé: een grote rotonde die bij het kasteel uitmondt. Drie heuveltjes behoren tot het microreliëf dat bij de heraanleg van het park rond 1890 werd gecreëerd. O p het grootste heuveltje, ten noorden van de vijver, bevindt zich een groep van twaalf
Kersbeek, na óe bruine beuken: de 'Twaalf Apostelen', een stijlfiguur die we in diverse parken in de regio hebben veranderingen van 1836 - noorden aangetroffen (5). O p een tweede heuveltje aan de rechtsboven andere kant van de vijver staat de dikste boom van (uit de 'Atlas Cadastral de het park, eveneens een bruine beuk. O p een derde ie', P.C. Popp, heuveltje komen oude taxussen (Taxus baccata) en I860) Oostenrijkse dennen (Pinus nigra subsp. nigra) voor. Deze bomen werden rond 1890 door de Timary aangeplant en zijn even oud als het neogotische kasteel. Het gros van de beplantingen, ook de dikke zilveresdoorns (Acer saccharinum) langs de oprijlaan en de bruine beuken op het eiland, dateren echter van na de verkoop in 1919. De door jonge bomen — bruine beuken, zomereik (Quercus robur), zomerlinde (Tilia platyphyllos), gewone es Evolutie van het (Fraxinus excelsior), grauwe abeel (Populus canes- park bij het kasteel cens), witte paardenkastanje (Aesculus hippocasta- van Kersbeek 18641976 op collages num) - overschaduwde poel ten oosten van de opvan stakaarten rijlaan komt nog niet voor op de stafkaart van (ICM, 1884 + OLG, 1878; 1930. De fontein voor het kasteel werd aangebracht ICM, 1900 + 1897; door de huidige eigenaars, de heer en mevrouw ICM, 1923 + 1925; Raskin-Van Lancker. ICM, 1937 + 1937; MGI, 1970 + NGI, 1976)
1864+ 1871
1893 + 1886
1908 + 1904
1930 + 1932
1 9 7 0 + 1976
M&L
stetl van Kersbeek Kas/ca
Het kasteel van
{GLAUBEEK)
U i t g . Swinncn-Arnaiits, G l a b b c c k
Kersbeek met de dorpskerk op de achtergrond (collectie José Huypens, Dormaal)
NOTEN
Merkwaardige bomen (opname 4 september 1998) 2.
zilveresdoorn (Acer saccharinum)
495(80)
(1) Oudste kadastrale legger 212 Kersbeek-Miskom, art. 46.
3.
zilveresdoorn (Acer saccharinum)
473(80)
(2) Kadastrale opmetingsschetsen Kersbeek-Miskom 1837 nr. 45 en
5.
bruine beuk (Fagus sylvatica 'AtropuniceaV
1863 nr. 3. Oudste kadastrale legger 212 Kersbeek-Miskom,
499(100)
art. 413 nrs. 1-11, 20-23, 47, 51-55, 82-83, 92-95, 144-145.
6.
reuzenlevensboom (Thujaplicata)
22$
(3) Kadastrale opmetingsschets Kersbeek-Miskom 1893 nr. 22. Oud-
13. gewone haagbeuk (Carpinus betulus) 2 2 5
ste kadastrale legger 212 Kersbeek-Miskom, art. 953. DE VAJAY
28. bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropuniceaj
S., Les origines d'une noble lignée hungaro-belge: les Timary.
4 1 1 , dikste van de 'Twaalf Apostelen'
Recueil XIII de l'Office Généalogique & Héraldique de Belgique, 1964, p. 14-15. (4) Zie VAN CLEVEN J., Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als component van de 19de-eeuwse stijl in België, p. 17-55 in: J. De Maeyer (red.), De Sint-Lucasscholen en de neogotiek 18621914 (Kadoc Studies 5), Leuven, Universitaire Pers, 1988. (5) Zie onder meer het kasteel van Meldert (Hoegaarden)*, het Nieuw Kasteel van Boutersem, het kasteel van Rivieren te Gelrode (Aarschot), het domein Gellenberg te Lubbeek.