• mi
MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 10/3 / /
MEI-JUNI 1991 / /
TWEEMAANDELIJKS
Aanleg van de barokke tuinen en infrastructuurwerken van Alden Biesen
b.v.b.a. GROMMEN W. Hiinaanleg - Wegenis en Bestratingswerken
ROMERSHOVENSTRAAT 29 Tel. (011) 41 62 42 - 41 58 05
3730 HOESELT Fax. (011) 41 81 05
Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening en Huisvesting Bestuur Monumenten en Landschappen ISSN 0770-4948
•
10e jaargang Nr. 3
•
mei-juni 1991
MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN Redactie Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Markiesstraat 1, 1000 Brussel. Tel. (02) 507 42 57. Eindredactie : M.M. Celis. Productie en promotie : L. Tack. Zetwerk en secretariaat: D. Torbeyns. Vormgeving : M.M. Celis + L. Tack.
Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Fierlafijn, P. Lagaisse, A. Malliet, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt.
Inhoud Generiek
_3
Mozart in Vlaanderen, 1763-1766 Irene Smets
10
De tuinen van Alden Biesen, een nieuwe hof naar oud model Herman van den Bossche, B.M.L.
25
De koorbanken van de Sint-Geertniikerk te Leuven . Maurits Smeyers en Marjan Buyle
41
Summary
59
M&L Binnenkrant
Advertentiewervino De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel. (050) 36 25 89.
Druk Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel. (050) 33 12 35 De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Abonnementsvoorwaarden 1991 België : 1150 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 220 fr.). CJP'ers betalen : 950 fr. Buitenland : 1300 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 470-0278201-29 van Monumenten & Landschappen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel met vermelding „M&L-jaarabonnement 1991". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.
De tuinen van Alden
Biesen
(foto E. Daniels)
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
EWAH n.v VOCHTWERING & INSTANDHOUDING VAN GEVELS - Chemisch reinigen van de ondergrond - Waterafstotend maken met WTCB-goedgekeurde produkten - Verstevigen van de verzande ondergrond Wij helpen u vrijblijvend aan het gepaste advies.
Nijverheidsweg 24
2240 Zandhoven
Tel. (03) 485 55 33
Restauratie toren Sint-Maartenskerk Kortrijk
J/B
1
A
ra
rMÊ ^Ü-.L
um
tL
NATUURSTEEN J* ii
ii
^L^^^fc^A^
fl^LAMINCK
VAN AMSTELSTRAAT 63 GASSTRAAT 11 A 2100 ANTWERPEN 9100 LOKEREN TEL 03/325.03.83 TELEX 32158 NAVLAM TEL 091/48,12.17 TELEFAX 03/325.68.66 TELEFAX 091/48.96 61
GENERIEK In Mozarts (karre)sporen De verbazende scherpzinnigheid waarmee de curiosa langsheen de reisroute van zijn muzikaal begenadigde zoon door vader Leopold Mozart werden opgetekend, getuigen zonder meer van een rotsvast vertrouwen in de historische dimensie van het gebeuren. Wat deze eind 18de-eeuwse Zuidelijke Nederlanden aan onze Oostenrijkse bezoekers te bieden hadden, kon Irene Smets met - relatief schaars - eigentijds iconografisch materiaal nog wel op suggestieve wijze voor de geest roepen. Maar bleef er van dit - gebouwde - patrimonium ook materieel nog iets bewaard?
Een historische tuin ... van heden Voor landcommandeur Hendrik van Wassenaer konden slechts strak gecompartimenteerde baroktuinen de oude burcht van Alden Biesen met de vereiste luister omringen. In latere tijden bij gebrek aan waardering verworden tot een boomgaard, maakte de fraaie oranjerietuin nu het voorwerp uit van een opmerkelijke evocatie. In woord en beeld gaat Herman van den Bossche na hoe deze droom opnieuw tot leven kwam.
Een luisterrijke zit Het mag een wonder heten - of een zeldzaam gunstige samenloop van omstandigheden - dat het flamboyante, gotische koorgestoelte van de Leuvense Sint-Geertruikerk tegelijk een vernielend bombardement èn de daaropvolgende, vrijwel onbegonnen geachte anastylose overleefde. Voor Maurice Smeyers vormt dit nochtans slechts een zoveelste onverwachte wending in een toch reeds overtuigend gestoffeerd ontstaansverhaal. De jongste opknapbeurt die het merkwaardig meubel onderging is anderzijds voor Marjan Buyle aanleiding tot enkele technisch-restauratieve conclusies.
«wuiu^tyiu; jvcauetme t co m eemae ueaon-» (fore Cabinetten be&houvd hebbende: is dit Dooriugilg üezelfchapiu Brir^Hweargekecid.
M
B,. Mozait aura J'honr^ur de donnet Mcrciedt i* Avtil i la. Salk du Concen de U Eomfe fït^nd Concert d-ins l?qac! fon R i l J j r d e s a r ü 5e f.i FiUe apc de q i u w r r e , ioueront d-^ difiétescei pieces Oir Ie C!aicraiis:outc» lesSympltootet CciODt Je la ctmipofitlon d e t e pedt Compoiiteui tjm a fs.t radiniranoii de la C o m de V i c n n c , de VcriiiUc*. de Londtes V de la Have i il jonectini enfemllc fut deux Clavtïc.ns N; auSi (ur un Clavficïn i tju»ttematiis: 1c p r s c ^ i d c tjuatre Efcheiins.oocomticaccra a l:x hetucs.
D En Hrcr de W I K Cl ' ::. ,-
u u t , Éitiiilaiiisci iüii verblyl ti.judcn mt op s Mcy, als wanneer hy van daei '.bikt te vertrecken, om
ONZICHTBAAR RESTAUREREN VAN STEEN met een VOLLEDIG MINERALE RESTAURATIEMORTEL Samengesteld uit: GEBROKEN NATUURSTEEN EN MINERAAL BINDMIDDEL
Onderscheidt zich door : - volkomen krimpvrije doorharding - zeer gemakkelijke verwerking - niet van echt te onderscheiden kleur- en textuurgelijkheid - even kleurvast als steen - perfecte aanhechting - net zo duurzaam als steen
Closter tuinmeubelen, uit het goede hout gesneden Je koestert je tuin met veel zorg. De prachtige grasmat, de kleurrijke bloemperken, de stijlvol geknipte haag en het tuinpad rond de treurwilgen. Met andere woorden, je hebt van je tuin een park gemaakt. En... om daar optimaal van te kunnen genieten zijn tuinmeubelen wel erg belangrijk. Tuinmeubelen van "Closter" natuurlijk. Omdat "Closter", buiten zijn uitgebreide keuze, voor iedere smaak en elke plaats een gepaste oplossing weet te bieden.
AMONIT
^
AMONIT N.V. VISPLUK 27 - VORSELAAR B 2290 Tel. 32 14 50 03 24 Fax 32 14 50 03 23
ORIGINAL ENGLISH TEAK FURNITURE
TUINMEUBELEN, OOK OM NAAR TE KIIKEN. Voor documentatie en een verdeler In uw buurt, bel, schrijf of fax: Afra, KerkstraatlO, 2330 Merksplas, Tel: 014/63 36 39 - Fax: 014/63 50 90 M&L-85X122-GLOSTER
c
O
O u
'— 3
e O
Restauratie HH. Petrus & Pauluskerk te Oostende - 2de fase : Torens De torens werden gerestaureerd met de natuursteen Vinalmont
ETN. FLOR BRUXELMAN & ZOON N.V. Restauratie - Nieuwbouw - Steenkapperij Reigerstraat 8, 9000 Gent Tel. (091) 22 22 39 - 22 20 48 / Fax (091) 20 27 75
Toestand vóór restauratie
Toestand na restauratie
EEN GAMMA PRODUKTEN VOOR RESTAURATIEWERKEN EN VOCHTIGHEIDSPROBLEMEN Tien jaar waarborg • WATERBESTENDIGE STEENBESCHERMING . DROOGMAKEN VAN MUREN TEGEN OPSTIJGEND VOCHT
EXHYDRO® : goedkeuring - BUTGB - ATG/H606 EXHYDRO® INJ. : - door inj. diffusie
• VERSTEVIGING VAN STENEN, BAKSTENEN, ENZ...
REMAFIX® : - K.I.K. 2L/13/87/3780 (rapport)
. CHEMISCHE GEVELREINIGING, ENZ...
REMAL : - volledig gamma
RENOVATION MAINTENANCE Avenue Galilee 5 - Zoning Nord 1300 WAVRE Tel. (010)22 82 88 Fax (010) 22 84 58
PVBA
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG ONDERZOEK Duiven zijn inderdaad zo vervelend dat u ik-weet-niet-wat zou doen om ze te verjagen. Zij vervuilen en ontsieren niet alleen onze historische gebouwen; zij werken aktief mee aan het verval ervan.
--
Solar
Kleine Breedstraat 33, 9100 Sint-Niklaas. Of bel (03) 776 91 62.
BEHANDELING Muurschilderingen • Stuc «Meubilair Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten ( hout en leder) Schilderijen ( paneel en doek)
HE f KAN Depiqeonal is een eenvoudig en doeltreffend systeem om duiven te weren. Onzichtbaar voor voorbijgangers en onschadelijk voor de dieren. Vraag meer informatie over Depigeonal en gebouwenconservatie en -restauratie in het algemeen bij
Kunsthistorisch • Technisch • Bouwkundig
Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem Schudel W, 09117117 53
Dekoninck L, 091/25 31 72
Van Molle M, 016/22 67 06
DEPIGEONAL
Van Dijck L, 015/52 09 32
Van Der Biest L. 03/771 4466
Huet P, 03/233 0957
Vandenborre H, & Lauwers M,
Smederij
IMPERPLEX
091/72 63 03
O
\V\ MOLENBAAN 18 2160 WOMMELGEM Tel.: (03) 353 97 87
-MnHërsiiïconcn
De ideale anti-grafitibescherming voor blauwe steen (petit granit) Inlichtingen : Mechelsestraat 121, 3000 Leuven Tel. (016) 23 98 25
• • • •
Restauratie alle smeedwerk Hedendaags smeedwerk Eigen ontwerp Tuinmeubels
Gediplomeerd restaurateur
P. NIJS N.v. ALGEMENE ONDERNEMING DAK-ZINK-BOUW- EN RESTAURATIEWERKEN STEENKAPPERIJ SCHRIJNWERKERIJ ESLaan 49 - 9800 DEINZE Tel. : (091) 86 07 63 - 86 61 50 Fax: (091)86 04 15 Restauratie : 'De Vijfsterren' Gent
GTI KAARTEN 1
:
1 OO OOO
Deze kaart is de ideale streekkaart opl tl aardrijkskundig, kultureel en toeristisch gebied. Bedrukt op beide zijden, vormt zij een origineel geheel van topografische en vrijetijdsgegevens. De topografische voorzijde, is een samenvoeging en een generalisatie van de kaarten op schaal 1 : 50 000 en geeft een goed beeld van de geografische strukturen van het gekarteerde gebied. De toeristische en kulturele keerzijde is een interessante aanvulling van de topografische voorzijde en biedt benevens utilitaire gegevens, de mogelijkheid om de vrije tijd in een gekozen streek optimaal te gebruiken. Zijn ondermeer voorgesteld: de grote routepaden, de bewegwijzerde autocircuits, een selectie van de fietsroutes, natuurreservaten, ontspanningsoorden, merkwaardige gebouwen, enz. Het hoekvignet GTI (Geografie, Toerisme, Informatie) illustreert de verschillende aspecten van de kaart.
VERKOOPDIENST Louizalaan, 306 B-1050 BRUSSEL
HET NATIONAAL GEOGRAFISCH I N S T I T U U T
Tel: (02) 648 52 82 FAX: (02) 646 25 18
Zo kan de geschiedenis
zich blijven
Zo treedt op een dag ons patrimo-
herhalen —
speelt, is dit een steuntje voor een monument, een stukje verleden of een
nium uit de schaduw. Zo maken we op een dag kennis
kunstwerk. Zo komen elk jaar tientallen miljoe-
met ons verleden. Zo verruimen we op een dag onze
nen vrij om onze geschiedenis te bewaren. En betekent een kans met de
blik met kunst; Al die dagen komen er mede dank-
Nationale Loterij tegelijk een kans voor talrijke opgravingen, restauraties
zij de Nationale Loterij. Want telkens wanneer iemand
of ontdekkingen.
© De Nationale Loterij. Een kans hebben is tegelijk een kans geven.
RESTAURATIE VAN DE SINT-NIKLAASKERK TE GENT
N.V. VANDEKERCKHOVE Herstelling monumenten en openbare werken
OOSTROZEBEKESTRAAT 54 INGELMUNSTER 8770 tel. (051) 30 22 41 fax. (051) 30 22 37
GROUP
•M
m
10
M&L
MOZART IN VLAANDEREN, 1 763-1 766 IRENE SMETS
Schaduwportret van W,A, Mozart (copyright Direktion der Museen der StadtWien)
Het artikel Mozart in Vlaanderen. 1763-1766 is een bewerking van mijn bijdragen in Mozart in België, Mercatortonds, Antwerpen 1990. Met dank aan het Mercatorfonds voor het ter beschikking stellen van de illustraties.
Wolfgang Amadeus Mozart heeft een
brieven van vader (Leopold) Mozart
groot deel van zijn jeugd 'onderweg'
aan Lorenz Hagenauer, hun vriend en
doorgebracht, op reis naar München,
huisbaas, die ze gelukkig zorgvuldig
Wenen, Parijs en Italië. Zijn vader liet
bewaarde. Zonder die brieven zouden
immers geen gelegenheid onbenut om
wij vandaag veel minder afweten van
hem als wonderkind buiten het provin-
de uitzonderlijke eerste jaren van het
cialistische Salzburgse kringetje te
wonderkind. Bovendien geven ze ons
laten optreden. Over die reizen zijn veel
een kleurrijk beeld van de 18de-eeuwse
bijzonderheden bekend dank zij de
samenleving in heel Europa (1).
M&L
11
In 1763 ondernam het gezin Mozart - de ouders Leopold en Maria Anna, het twaalfjarige dochtertje Nannerl en de zevenjarige Wolfgang - een grote concertreis, die drie jaar duurde en hen langs talloze steden en vorstenhoven van Europa voerde. Zij bezochten onder andere enkele plaatsen in Vlaanderen: Tienen, Leuven, Brussel, Gent, Antwerpen en Mechelen. Op 9 juni vertrokken ze uit Salzburg, gewapend met introductiebrieven en vergezeld van een negentienjarige bediende, een kapper, die ervoor moest zorgen dat alles in de beste materiële omstandigheden verliep. De route liep over Zuidwest-Duitsland en de Oostenrijkse Nederlanden (met een wekenlang oponthoud in Brussel) naar Parijs en Londen, de hoogtepunten van de reis; vandaar via Gent en Antwerpen naar Nederland; dan over Antwerpen en Mechelen naar Parijs en ten slotte over Zwitserland terug naar Oostenrijk. De drie jaren waren een aaneenschakeling van concerten in aristocratische kring, waarbij Wolfgang vaak samen met zijn eveneens uitzonderlijk begaafde zus optrad.
Een 18de-eeuwse reiskoets (uit Diderot et d'Alembert, Encyclopedie, 1751-1777)
Zij reisden in een eigen wagen, die Leopold kort voor hun vertrek had gekocht: een robuuste, vierwielige karos voor vier of vijf personen, stevig opgehangen met lederen riemen, want bij lange ritten was een goede "vering" geen overbodige luxe. De wagen had een groot raam in de achterwand en was, in tegenstelling met vele
andere koetstypes, geheel gesloten zodat de inzittenden beschermd waren tegen tocht, koude en neerslag. De voorwielen waren kleiner dan de achterwielen. Aan de achterkant konden koffers worden bevestigd en vooraan was er natuurlijk een zitje voor de koetsier. Zo'n rijtuig werd door minstens vier paarden getrokken. Zoals de meeste andere reizigers volgde de familie Mozart de postwegen of hoofdroutes die heel Europa doorkruisten. Op geregelde afstanden bevonden zich langs die wegen rustplaatsen of "posten", waar van paarden èn van koetsier of "postiljon" kon worden gewisseld. In de Zuidelijke Nederlanden waren er beduidend meer posten dan elders; ze lagen hier niet meer dan één of twee uur van elkaar verwijderd, meestal in de vele dorpen en steden onderweg, terwijl in Duitsland bijvoorbeeld slechts om de vier uur een nieuwe afspanning in zicht kwam. Het reizen met postpaarden heette "courir la poste" of "mit der Post reisen ". Men betaalde voor de koetsier en voor het huren van het gespan. Gewoonlijk bleven de reizigers middagmalen en overnachten in herbergen waar de paarden konden worden gewisseld. In geval van onvoorzien oponthoud onderweg moest men het eten, drinken en logement van de koetsier en de paarden plus desgevallend nog de kosten van de hoefsmid betalen. Het ligt voor de hand dat reizigers liever niet van de postroutes afweken, gezien de slechte staat van de toenmalige 'secundaire' wegen, de onveiligheid en de langdurigheid van de verplaatsingen. Ook de Mozarts vermeden omwegen; zijsprongetjes maakten zij slechts om een of ander vorstelijk buitenverblijf te bezoeken, waar zij hoopten te kunnen optreden. In tegenstelling echter met de rondreizende musici, die zich van het ene hof naar het andere, van de ene stad naar gene haastten om zoveel mogelijk concerten te geven, nam Leopold de tijd om plaatselijke bezienswaardigheden te gaan bewonderen. Uit zijn reisnotities en brieven blijkt dat hij met zijn gezin kerken, paleizen en kunstcollecties afliep. Een latere verklaring van Nannerl bevestigt dat: ze schreef in 1792 dat zij tijdens die Europese reis overal net zolang bleven tot zij alle merkwaardigheden hadden gezien. Mogelijk raadpleegde Leopold toeristische literatuur; rond het midden van de 18de eeuw waren bijvoorbeeld de in 1734 verschenen brieven en aantekeningen van baron
12 ,
M&L
LUIK
De reis was ongetwijfeld in menig opzicht uiterst leerzaam voor de kinderen, maar niettemin zeer vermoeiend. Wolfgang en Nannerl, en Leopold zelf, werden dan ook herhaaldelijk ziek, waardoor bijvoorbeeld het verblijf in Londen, Rijsel en Nederland langer duurde dan voorzien. Tot de minder aangename kanten van het reizen behoorden tevens de onvermijdelijke defecten en ongevallen en de daaruit voortvloeiende kosten en vertragingen. Leopold maakt voortdurend melding van beschadigde wielen en assen. Hij wijtte die pech meestal aan de erbarmelijke staat van de wegen.
Tienen, komende van Sint-Truiden, Anonieme gravure, begin 19de eeuw (Stadsarchief Tienen)
De Stad Tienen. Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, door graaf de Ferraris (1771-1778)
Karl Ludwig von Pöllnitz heel populair als reisgids voor Europa (2). Leopold kan ook beschikt hebben over kleinere brochures die in de steden te koop waren, en wellicht liet hij zich adviseren door herbergiers, winkeliers en koetsiers, die wel steeds dezelfde anecdotes aan de vreemdelingen opdisten.
"Van Aken zijn we naar Luik gereisd, waar we pas om 9 uur 's avonds arriveerden, omdat onderweg het ijzeren beslag van een voorwiel was afgesprongen. Luik is een grote, dichtbevolkte en welvarende stad, en er heerst een drukte van belang. De volgende morgen iets na halfacht zijn we vandaar vertrokken. Het was een prachtige dag. We hadden wel tegenslag: na amper drie uur rijden vloog van het andere voorwiel de helft van het beslag af. U moet zich daar niet over verbazen want
M&L
De Tiense Grote Markt in de 18de eeuw. Links van de Onze-Lieve-Vrouwten-Poelkerk; de Tinnen Schotel rechts het voormalig Stadhuis Houtsnede (foto H. Spelmans, Stedelijk Archlet en Museum)
De Tinnen Schotel huidige toestand Rond 1830 werd een nieuwe gevel aangebracht door stadsbouwmeester Ph. Robiets (toto 0. Pauwels)
Opmetingstekening door architect Drossaert van het Tiense stadhuis, vóór de afbraak van 1836 (foto H, Spelmans, Stedelijk Archief en Museum)
13
van Luik tot aan Parijs - stel u voor wat een onmetelijke afstand - is de postweg geplaveid als in een stad, en aan beide kanten met bomen beplant als een tuinlaan. U kunt wel begrijpen hoe zo'n lange bestrate weg de koets, de wielen en vooral het ijzerwerk beschadigt en ruïneert. Door op de reparatie van het wiel te wachten, moesten we het middagmaal twee uur vroeger nemen dan normaal. Maar de plaats, een eethuis voor koetsiers, viel niet mee. We zaten er op zijn Hollands op rieten stoelen bij een haardvuur, waarboven aan een lange ketting een ketel hing met vlees en wortelen enzovoort. Alles sudderde en compagnie door elkaar. We kregen een klein, gammel tafeltje toegewezen en er werd uit de grote ketel soep en vlees opgediend, met daarbij een fles rode champagne. Dat alles zonder een woord Duits, maar in zuiver Waals, dat is slecht Frans. De deur stond de hele tijd open, en zo hadden we dikwijls de eer varkens op bezoek te krijgen, die om ons heen liepen te knorren. U kunt zich ons middagmaal het meest natuurgetrouw voorstellen als een schilderij van een Hollands meester. Ettelijke keren zegden we tegen mekaar dat mevrouw Hagenauer ons daar had moeten kunnen zien zitten. Wat u zich vast moeiteloos kunt indenken, is dat wij het maal en het werk aan de wielen op zijn Luiks of echt Waals hebben mogen betalen. Want vooral tegenover buitenlanders is dit het boosaardigste volk ter wereld". Of de Zuidnederlandse steenwegen zo funest waren als Leopold Mozart beweerde, valt te betwijfelen. Alle reizigers van die tijd - behalve vader Mozart - spreken met lof over onze "chaussées" die er zo schilderachtig uitzagen, netjes geplaveid en aan weerszijden met rijen eikebomen of olmen afgeboord; nu nog wordt onze bewondering gewekt door die mooie lijnrechte tracés met hun festoen van groene stipjes op de Kabinetskaart van graaf de Ferraris. Naar het midden van de 18de eeuw toe was er in de Zuidelijke Nederlanden een tamelijk goed vertakt en degelijk wegennet ontstaan. In 1750 verklaarde Voltaire dat van alle moderne naties alleen Frankrijk en het kleine landje der Belgen de wegen van de Oudheid waardig waren.
i
/
i
^ im
m
De eerstvolgende halte na Luik was Tienen. Het gezin Mozart logeerde er op 3 oktober 1763 meer dan waarschijnlijk in de Tinnen Schotel, een hotel gelegen op de Grote Markt, als het ware
)
\ff!
ms
m m tüi 8H 118 88 88 88 Hi: :::: S U EIH
I l BI I I BB
mi 1 1 IIP. Il II | | II u m m ii f ? ! II 91 II
il IIIIII TIENEN
4
l i l II II
14
De tweede Leuvense ringmuur met de Brusselse Poort, Paul Vitzthumb, potloodtekening op papier, opgehoogd met sepia, 6 mei 1787 (Leuven, Stedelijk Museum)
De Stad Leuven, met de steenwegen naar Tienen en Brussel. Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden door graaf de Ferraris (1771-1778)
M&L
in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouw-tenPoelkerk. Het was een imposant gebouw met een stijlvolle gevel, talrijke hoge vensters en een grote toegangspoort. De rijtuigen konden door een brede gang naar de binnenkoer en de stallingen. In de gelagzaal werden de gasten dadelijk verwelkomd door de gloed van een grote open haard (3). Kon er, in de herfst- en wintermaanden, na een lange tocht in een koets voor een verkleumd reiziger iets heerlijkers bestaan dan de warmte van een houtvuur? Een stevige maaltijd misschien... De Tinnen Schotel stelde ook in dat opzicht zijn klanten niet teleur: het was in de 18de eeuw het belangrijkste spijshuis van Tienen. "In Tienen bleven we overnachten en we zaten er weer rond een haardvuur. Tienen moet destijds een belangrijke vesting geweest zijn: men ziet nog de verwoeste omwalling, muren, torens en het prachtige buitenwerk, een echt bedroevende LEUVEN aanblik. In het centrum van dit stadje ligt een plein, zo mooi als er in veel grote steden niet te vinden is". Een lekker maal, een gastvrij onthaal doen wonderen: de overnachting in de Tinnen Schotel had de Mozarts flink opgeknapt. Bovendien verliep 's anderendaags, 4 oktober, de tocht naar Brussel , 'S:.' i,;, : ït- l . zo vlot dat ze nog vóór de middag in Leuven aankwamen, waar ze rustig enkele uurtjes aan een stadswandeling en een noenmaal konden besteden, om 's avonds toch royaal op tijd in Brussel te arriveren. Ze dineerden in de Wildeman, op de hoek van de Koralengang en het Margarethaplein. Leopold weet over dit restaurant niets dan goeds te vertellen; het behoorde inderdaad tot de beste eethuizen van Leuven (4). De historische bezienswaardigheden van Leuven brachten hem definitief in een zonnige stemming. Met enthousiasme beschrijft hij in zijn reisnotities en in een brief aan Hagenauer wat ze zoal gezien hebben. We vernemen onder andere dat de SintPieterskerk veel altaren bezit van het mooiste "zwart en wit" marmer. Dat zwart en wit marmer trof hem bijzonder en hij komt er later, wanneer hij andere Vlaamse steden bezoekt, nog op terug. Het drieluik van Dirk Bouts, dat het Laatste Avondmaal voorstelt, maakte - te oordelen naar de reactie van Leopold Mozart - ook toen al grote indruk op kunstminnende toeristen. We kunnen ons moeiteloos inbeelden hoe de Mozarts, na hun maaltijd in de Wildeman, de stad gingen verkennen: eerst naar de daar vlak bij gelegen Sint-Pieterskerk, vandaar naar het stadhuis en dan een eindje de Naamsestraat in, waar ze het drukke va-et-vient van studenten en professoren rond enkele universiteitsgebouwen
M&L ,
15
2 M^
i i i 11 i i
j[ 4
i 11111 I III| I
1. Panoramisch gezicht op Leuven. Gravure van Probst, naar Werner, omstreeks 1750 (Universiteitsarchief KUL)
m jJCj
2. De Leuvense Grote Markt. Anoniem, ets op papier, ongekleurd, 18de eeuw (Leuven, Stedelijk Museum) 3.-4. Hotel de Wildeman, naar een Steendruk u^ de jaren 1840-1860 en - rechtover het nieuw opgerichte posfgebouw - naar een prentbrielkaart van vóór 1914 (Leuven, Stadsarchief)
Louvslf
k
Hsi.t Ui r a » » .
8
JMIII f
k nM^
mt-SuT ; BL^MJiS i WWBI'üJJBi ' •tlnl
féism
^ ri
•
• Tril
••58 üi'' IHI i*.-*5-}f H ^~ '- ^SHÊP
hm*......
*
:
"
•
*
*
i
opmerkten. "De volgende morgen waren we op tijd enkel luchters, zuilen, voetstukken enzovoort en in Leuven. We bleven er de hele middag om de stad massa's andere dingen, maar zelfs op het koor een bezoekje te brengen. We werden in Leuven staan schitterende uit één stuk gegoten lessenaars. goed verzorgd en onthaald. De eerste kerk waar we Het raadhuis is mooi door zijn ouderdom, de stad is dichtbevolkt, er is een aanzienlijke universiteit binnenstapten en een heilige mis bijwoonden, van seculiere geestelijken, en er is heel wat drukte was de hoofdkerk. Hier begint het al met de mooiste en prachtigste marmeren altaren en de in deze tamelijk grote stad. We verbleven in de kostbare schilderijen van de beroemdste Neder- Wildeman. Hier begint het dat de vrouwen kappen van kamelot over het hoofd dragen, zoals in heel landse meesters. Dat alles te beschrijven is onbegonnen werk: mijn vingers zouden er krom Brabant. De gewone man loopt op klompen enzovoort. Men hoort hier enkel maar Brabants en van worden en ik zou tijd te kort komen. Frans spreken. De gebeden in de kerk, de verordeVoor één werk, dat het Avondmaal van Christus ningen van kerk en staat, die in kerken en op publieke plaatsen worden aangebracht, zijn voorstelt, bleef ik als aan de grond genageld. Van messing zijn hier en door heel Nederland niet allemaal in het Brabants".
16
M&L
relaties aan te knopen met voornamelijk Duitse en Oostenrijkse hoffunctionarissen, edelen en kunstenaars, op te treden in besloten kring en brieven te schrijven. Uit die brieven blijkt dat zij in de adellijke woningen gastvrij onthaald werden. Waarschijnlijk naar aanleiding van particuliere optredens kregen ze allerhande kostbare geschenken. Er werden heel wat vrienden gemaakt; "graf Vigorola mon Ami extraordinaire", "H. graf Coronini unser tester Freund, der alle Tag zu uns kommt", zo luidt het, en bij het afscheid: "...unter der traurigen Beurlaubung vieler guten Freunde...".
Dirt Bouts, het Laatste Avondmaal, 1464-14Ó7, Leuven, Sint-Pieterskerk (foto Studio Claerhout)
• Brussel, met de Leuvense Poort en de aanzet van de Leuvensesteenweg Kabmetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, door graaf de Ferraris, 1771-1778 • • De Leuvense Poort in 1783, door Paui VMhumb (Brussel, Koninklijke Bibliotheek)
BRUSSEL
Na een heerlijk dagje in Leuven arriveerde het gezin Mozart op de avond van 4 oktober in de hoofdstad. Ze streken neer in het comfortabele Hotel d'Angleterre, op Kantersteen. Waren Tienen en Leuven Leopold al goed bevallen, Brussel wekte nog veel meer zijn bewondering. Ook koesterde hij hoge verwachtingen omtrent hun verblijf daar: hij hoopte dat landvoogd Karel Alexander van Lotharingen, de zwager van keizerin Maria Theresia, de wonderkinderen met open armen zou ontvangen en dadelijk zou willen beluisteren. Maar het draaide anders uit: vijf weken moesten ze geduld oefenen vooraleer ze - allerwaarschijnlijkst op maandag 8 november - een openbaar concert konden geven waarbij de landvoogd aanwezig was. Die wachttijd gebruikten ze om de stad uitgebreid te bezoeken, vriendschappelijke
Op 17 oktober schreef Leopold: "Brussel is werkelijk een prachtige stad, maar wel hobbelig, ik bedoel berg op en berg af. De bestrating is echter voortreffelijk: men loopt er als in een kamer. De huizen zijn doorgaans mooi, de straten lang en breed, de stad is 's nachts verlicht, en alles is hier op Weense voet ingericht, ook met de wagen. We logeren in het Hotel d'Angleterre. De handel hierfloreertdank zij het kanaal, dat over Mechelen en Antwerpen tot naar Holland gaat. Het is merkwaardig, zo'n kanaal in een stad, vol Hollandse schepen met twee of drie grote masten en zeilen. Dat hele kanaal is omsloten door een stenen ringmuur, waarop aan beide kanten op pijlers lantaarns staan die 's nachts branden. Momenteel is het juist markt, door de Brabanders "de Commes" genoemd. Die is ongelooflijk mooi, en er is van alles te krijgen. Het prettigste is dat de beste waren uitgestald staan in het buitengewoon grote raadhuis, in de gangen op de eerste en tweede verdieping, in grote zalen en kamers, en ook onder de galerij van de binnenplaats, zodat goederen èn kopers tegen het weer beschermd zijn.
M&L
• Volksfeest aan de Handelskom op 18 juli 1769, naar aanleiding van het 25-jarig ambtsjubileum van Karel Alexander van Lotharingen. Equennez, olieverfschilderij (privé-vefzameling) • • De Brusselse Kapeilekerk (vóór de huidige restauratiewerken) met de barokke kansel van U-F, Verbrugghen (1696-1699) en J.-B, Van der Haeghen (1708) uit de Grote Karmelietenkerk (foto 0. Pauwels) De gildehuizen aan de westzijde van de Grote Markt, tussen de Guldenhoofdstraat en de Boterstraat, FJ. De Rons, aquarel, 1737 (Brussel, Stedelijk Museum)
17
Ook 's nachts wordt er verkocht, want alles is maar met zo'n hoeveelheid en verscheidenheid zal verlicht als ware het volle dag, en dat geeft bij zakenmen er niet gauw één vinden. als zilver, goud, spiegels, kostbare spullen enzo- NB: prins Karels ontspanning is momenteel voort een erg mooi effect. In alle kerken ziet men lakken, verven, vernis maken, eten, drinken, en veel wit en zwart marmer en messing en schilderijen schaterlachen, zodat het drie of vier kamers verder van de beroemdste schilders. Ik heb dag en nacht te horen is". het schilderij van Rubens voor ogen, dat in de grote kerk hangt. Daarop reikt Christus in aanwezigheid En op 4 november; "etwas für Sie allein (...). van de andere apostelen Petrus de sleutel aan. We zijn nu al een goede drie weken in Brussel, De figuren zijn levensgroot. (...) In de vertrekken en prins Karel heeft persoonlijk met mij gesproken, van prins Karel heb ik niet enkel mooie Nederen gezegd dat hij mijn kinderen over enkele dagen landse tapijten en schilderijen gezien, maar ook een wil beluisteren, en toch is daar nog niets van kamer met originele Chinese beelden, porselein, terechtgekomen. Ja, het ziet ernaar uit dat er figuren en verscheidene curiosa, en in 't bijzonder helemaal niets gaat gebeuren want de prins doet een zaal waarin een onbeschrijfelijke verzameling niets dan jagen, vreten en zuipen, en aan het eind van allerlei natuurwetenschappelijke rariteiten. blijkt dat hij geen geld heeft. Intussen heb ik nog Ik heb al meer zulke naturaliënkabinetten gezien. geen concert kunnen geven, en evenmin kon ik hier
ftóf JltonaMt»* luMf-
18
Perspectief van het paleis van Karel Alexander van Lotharingen te
Brussel De wlnteivertrekken, waar de Mozarts werden ontvangen, situeren zich onderaan (Brussel, Algemeen Rijksarchief)
Het Hotel d'Angleterre, aan de Brusselse Magdalenasteenweg (hier nr, 81) waar het gezin Mozart logeerde (uit L, Hymans, Bruxelles a travers les ages, Brussel, 1882, p 68)
M&L
weggaan, omdat ik, zo heeft de prins me zelf meegedeeld, op zijn besluit moet wachten. Allicht zal ik ook nog een dikke hotelrekening mogen betalen, en voor de tocht naar Parijs moet ik minstens tweehonderd florijn op zak hebben. De twee kleine wielen en de voorste as heb ik noodgedwongen moeten laten vernieuwen, om niet het genoegen te beleven in Picardië op de straatstenen te blijven zitten. Nu hebben we hier weliswaar verscheidene kostbare geschenken gekregen, die ik echter niet wens te verkopen. Wolfgangerl heeft twee prachtige degens ontvangen, één van de aartsbisschop van Mechelen, graaf von Frankenberg, en één van generaal graaf de Ferraris. Onze dochter heeft van de aartsbisschop Nederlandse kant, en van andere heren vlotte mantels gekregen enzovoort. Van tabaksdozen en etuis en dies meer kunnen we binnenkort een uitverkoop houden. Ik hoop volgende maandag, daar er een groot concert zal zijn, een goede buit van talers en huis d'ors binnen te rijven (...). Vandaag is er in het theater een gemaskerd bal, maar wij gaan er als vreemdelingen zonder vermomming naartoe". De vijf weken in Brussel werden niet in ledigheid doorgebracht! Leopold liep met vrouw en kinderen zowat alle bezienswaardigheden af: kerken en kloosters, paleizen, parken, de Grote Markt, de stadomwalling, de promenade langs het kanaal... Dat blijkt niet alleen uit de twee geciteerde brieven maar ook uit zijn reisdagboekje, waarin hij een boel monumenten opsomt.
M&L
19
Na het langverbeide openbaar concert kon de familie Mozart eindelijk Brussel verlaten om zich naar Parijs, dè culturele hoofdstad van Europa, te haasten. Enkele maanden later zetten ze hun Europese rondreis voort, van Parijs naar Londen. GENT
Het voormalig Jezuïetenklooster, op de hoek van de Ruisbroekstraat en de Strostraat Reynier Biockhuyzen gravure in Sanderus A., Chorographia Sacra Brabanfae, 1726 (hier uit L Hymans, Bnjxelles a travers bs ages, Brussel, 1882, p.396) • • Panoramisch gezicht op Gent vanuit het westen. Gravure (detail) voor Barlow's General History of Europe. begin 19de eeuw (Atlas Goetghebuer, Stadsarchief Gent)
Veel daarvan is nu geheel of gedeeltelijk verdwenen, zoals de rijkelijk versierde jezuïetenkerk, het Kleine Karmelietenklooster, de havendokken, de stadswallen en een aanzienlijk deel van het paleis van Karel van Lotharingen, onder meer de vleugel met de wintervertrekken waar de Mozarts ontvangen werden. Sommige kunstwerken zijn van standplaats veranderd: het indrukwekkende schilderij van Rubens, dat onze reizigers in 1763 in de Sint-Goedelecollegiale bewonderden, bevindt zich nu in een Londens museum, en de "uit één grote boom gehouwen" kansel van de Grote Karmelietenkerk staat nu in de Kapellekerk (5).
Op het einde van hun lange verblijf in Albion vatte Leopold het plan op, of beter: liet hij zich overhalen - ongetwijfeld zonder veel tegenwerpingen - om naar Holland te reizen, en zo reed hij met de zijnen tussen 4 en 9 september 1765 nogmaals over Vlaamse wegen. Op 4 september kwamen ze aan in Gent. Daar namen ze voor twee nachten hun intrek in hotel Sint-Sebastiaan op de Kouter {"Parade Platz"). Dat hotel, gelegen links naast het theater, was het voormalige schuttershof van het SintSebastiaansgilde en fungeerde nog niet lang als herberg. Van het snipperdagje in Gent werd geprofiteerd om de stad te bezichtigen - het belfort {"auf dem Thurm" enkele kerken, het stadhuis, een beiaard (vermoedelijk die van het belfort) en Wolfgang speelde 's namiddags op het indrukwekkende, gloednieuwe Van Peteghem-orgel in de cisterciënzerabdij van Baudeloo {"bey den P:P: Bemardinem"). Deze abdij lag aan de Ottogracht en dateerde van het begin van de 17de eeuw. Gedeelten hiervan - waaronder de laat-gotische kapel met klokketorentje - bleven nog bewaard, in de gebouwen
20
M&L
De Gentse Kouter in 1763(detaiD. Engelbert Van Siclers, olieverfschilderij (Gent, Bijlokemuseum)
• • • De Baudeloo-abdij te Gent, Ingekleurde gravure, begin 19de eeuw (Atlas Goetghebuer, Stadsarchief Gent) en huidige staat (toto P, De Prins)
De Sint-Pieterskerk en de proosdij te Gent. Anonieme tekening, midden 18de eeuw (Gent, Bijlokemuseum)
van de voormalige stadsbibliotheek en het aangrenzend atheneum (6). Het Van Peteghemorgel, een meesterwerk van orgelbouwkunst, werd in het begin van de 19de eeuw voor een spotprijs verkocht en gedeeltelijk naar de Grote Kerk in Vlaardingen in Nederland overgebracht,
waar het bovendien nog ingrijpende veranderingen onderging. Ook het hotel waar Mozart geslapen heeft, is verdwenen. Het hele complex, zowel het theater als de schuttersdoelen, viel in de 19de eeuw in slopershanden.
M&L
Wit en zwart marmer trof Leopold Mozart ook oven/loedig aan in de Antwerpse Sint-JacoPskerk (foto P. De Prins)
De rede van Antwerpen, eind 18de eeuw (detaif) Anonieme, pentekening opgehoogd met aquorei 0/erzameling W, Couvreur, Antwerpen)
21
ANTWERPEN
Van Gent reisden de Mozarts naar Antwerpen. Zij kwamen er aan op de avond van 6 september 1765 en bleven er twee dagen, lang genoeg voor een uitgebreid stadsbezoek. Wie van Gent kwam, moest op het Vlaams hoofd de overzetboot naar het Bierhoofd nemen. Het eerste wat onze reizigers dus van Antwerpen te zien kregen was de rede en het prachtige silhouet van de Scheldestad bij valavond, met haar ontelbare torens en statige gevels, en de Onze-Lieve-Vrouwetoren die daar majestueus bovenuit rees. Zij overnachtten in herberg La Poste. De bekendste hotels van Antwerpen waren Le Grand Laboureur, Le Miroir en Le Saint-Antoine, maar een hotel genaamd La Poste schijnt er in de tijd van Mozart niet te hebben bestaan. André Pols situeert in zijn boek Uit Vlaanderen's muzikaal verleden (Davidsfonds, 1936) deze herberg op de Meir. Marcel Schoeters geeft meer details in een artikel, gewijd aan Mozart in Antwerpen in het Tijdschrift der stad Antwerpen: "Het huizenblok tussen de Meir, de Katelijnevest en de Twaalfmaandenstraat vormde in de 18de eeuw het gerenommeerde gasthof Den Beir. Het was in woonhuis. In 1856 werd het gekocht door de 1732 na een gerechtelijke verkoop toegewezen aanhandelsmaatschappij La Concorde, die het liet Jan-Baptist Boeykens en zijn vrouw, die het aan afbreken. Dit nieuwe gebouw moest tenslotte op hun dochter schonken. Hun schoonzoon, Geraard zijn beurt wijken voor het kantorencomplex van de Gevers, voegde er een diligencedienst aan toe en Compagnie Maritime Beige" (7). mocht zich posthouder noemen. Leopold Mozart Nog gegevens over Den Beer vinden we in het had het dus bij het rechte eind als hij beweerde in Recueil des Bulletins de la Propriété (1893, 3-7) de post te logeren. Het gebouw werd tot 1823 als van Augustin Thys. Hierin staat dat ene Johannes herberg uitgebaat, en vervolgens verbouwd tot Grevers "attacha a la maison un service de
/
wi
U
I
'>«È te .-
**..
•
^
22
De laat-gotische Antwerpse Beurs in 1581 Petrus Van der Borght, kopergravure (uit A.JJ. Delen, Iconographie van Antwerpen, L i Kryn, Brussel 1930, pi. 26), Na de branden van 1583 en 1858, en de heropbouw in 1859 bleef enkel de hoektoren aan de Borzestraat bewaard (foto P. De Prins)
S. P. Qj A. IN VSVM NïCOnATOKVX CVI\BCVMQ_l«nONlS AC U N ü V * VRBISQAIZO S ^ ORNAMENTVM ANNO M D . X X X I V SOLO EXTKVl CVH
M&L
messageries; l'acte du 31 décembre 1785 par lequel Het nu verdwenen klooster van de geschoeide la veuve Grevers vendit la propriété, Ie qualifie de karmelieten of Lievevrouwebroeders bevond zich op de Meir, schuin tegenover hotel Den Beer, 'posthouder'..." (8). nabij de Huidevettersstraat. Nannerl werd blijkbaar speciaal getroffen door het prachtige Wat vonden 18de-eeuwse toeristen van Antwerkerkinterieur, want zij somt in haar reisnotities de pen? De brede, regelmatige straten, de ruime kostbaarheden op die ze er zag. In een van de pleinen oogstten al dadelijk ieders bewondering. De mooie, homogene architectuur riep vergelijkin- zijkapellen, de kapel van de Rosa Mystica, prijkte op het altaar een twee meter hoog zilveren gen op met Italiaanse steden, met Firenze zelfs! Mariabeeld. In dezelfde kapel, die de afmetingen De drukste wandelplaats was de Meir, die zo breed was "dat op sommige plaatsen zes koetsen had van het Heilig Huis van Loreto (een Mariabedevaartplaats in Italië), hingen ook vier naast elkaar konden rijden", zo lezen we in bas-reliëfs met voorstellingen van de jezuïetenkerk meerdere reisverslagen. In deze straat bevonden Carolus Borromeus het stadhuis, de Onze-Lievezich de beste koffiehuizen en tavernen; het was de Vrouwetoren en een leger in slagorde chique uitgaansbuurt. Ook de veste vormde een (een battaglia). Deze vier taferelen dienden om de heerlijke promenade. De brede aarden wal was Lauretanische Litanie te illustreren. met steenblokken geplaveid en met dubbele rijen lindebomen afgezoomd. Die lommerrijke dreven, Drie ervan zijn bewaard en bevinden zich in het museum Vleeshuis in Antwerpen. De battaglia met hun prachtig vergezicht over de omgeving, ging helaas verloren. Ook het hoogaltaar, dat waren een geliefkoosd plekje voor wandelaars en door Rubens was ontworpen, en het bijbehorende brevierende priesters. In de onmiddellijke altaarstuk, eveneens van Rubens, werden veromgeving van de Meir had je de Beurs, die altijd nield. Wat nog wel bestaat is de door vader een bezoekje waard was als stille getuige van het Mozart bewonderde Heilige Drievuldigheid van eens zo bloeiende handelsleven van de havenstad; Rubens, het altaarstuk van een andere zijkapel; de meeste vreemdelingen vermeldden overigens in het behoort nu tot de collectie van het Antwerpse hun brieven of reisverhalen de economische Museum voor schone Kunsten (9). Weer viel achteruitgang en de ontvolking van Antwerpen. Leopold het zwarte en witte marmer in de kerkruimte op, en ook Nannerl vermeldt het in Maar bovenal kwamen reizigers onder de indruk haar aantekeningen. van de rijkversierde kerken, de kunstschatten en de schilderijen van Rubens. Zo ook de Mozarts: zij bezochten de Karmelietenkerk, de Sint-PaulusVan de Sint-Jakobskerk bleef hun vooral het graf kerk (toen de kerk van het dominicanenklooster), van Rubens bij. Ook de kathedraal wekte de kathedraal, de Sint-Jakobskerk. natuurlijk hun bewondering. Ze gingen daar
M&L
De Onze-üeveVrouwetoren, één van de drie bewaard gebleven bas-reliêfs uit de Rosa-Mysticakapel van de - verdwenen Lievevrouwbroerskerk (Museum Vleeshuis, Antwerpen)
23
bovendien een kijkje nemen op het doksaal en maakten kennis met de organist Pieter Jozef van den Bosch. Wolfgang speelde ook zelf op het orgel. Wat hij speelde, voor wie en waarom, die vragen blijven onbeantwoord. Maar zijn vader vond het feit alleszins het vermelden waard in een brief aan Lorenz Hagenauer: "In Antwerpen bleven we twee dagen, omwille van de zondag. Wolfgang speelde in de kathedraal op het grote orgel. NB: men vindt in Vlaanderen en Brabant werkelijk goede orgels. Maar er is vooral veel te vertellen over de prachtige schilderijen hier, en met name in Antwerpen. We hebben alle kerken afgelopen. Nooit zag ik ergens meer zwart en wit marmer en een grotere rijkdom aan mooie schilderijen, vooral van Rubens, dan hier en in Brussel. Een werk dat alle verbeeldingskracht te boven gaat, is de Kruisafneming, een stuk van Rubens dat in de grote kerk van Antwerpen hangt. In Antwerpen liet ik mijn wagen achter en nam ik de koets van de postmeester naar Moerdijk". In zijn reisnotities lezen we: "a Antwerpen/Logé a la Poste. Mr. Van den Bosch organist van de grote kerk. In Antwerpen is de Beurs buitengewoon mooi, maar uitgestorven. De lokalen van de Oost- en Westindische Compagnie zijn leeg. Een fraaie concertzaal en de zaal en het theater. ken. Leopold maakte van de gelegenheid gebruik De schilderacademie. Alle kerken hangen vol om nog vlug een concert op touw te zetten in de schilderijen en zijn één en al wit en zwart marmer. Scheldestad. Op 29 april 1766 verscheen in de Bij de karmelieten, op het grote plein de Meir, Gazette van Antwerpen, tussen de Nederlandsbevindt zich het mooie werk van Rubens, de talige berichten, een aankondiging in het Frans, Heilige Drievuldigheid. Christus ligt in de schoot waarin werd medegedeeld dat mijnheer Mozart van de hemelse Vader. In de hoofdkerk notre een groot concert organiseerde op woensdag 30 Dame hangt het onbeschrijflijke kunstwerk de april om zes uur, in de concertzaal van de Beurs. Kruisafneming. In de Sint-Jakobskerk het graf van Bij deze gelegenheid zouden optreden: zijn Rubens en het altaarstuk waarop portretten van negenjarige (!) zoon en veertienjarige dochter. hem en zijn familie zijn aangebracht enz". Zij zouden samen musiceren aan twee klavecimEn Nannerl noteerde in haar dagboekje: "Onzebels en ook verscheidene quatre-mains spelen. Lieve-Vrouwekerk, de Beurs, Sint-Jakobskerk, een Al de werken - "toutes les Symphonies" - die ten klooster, stadswal, karmelietenkerk, waar de gehore zouden worden gebracht, waren volgens Onze-Lieve-Vrouw van zilver is en de kapel van witde aankondiging geschreven door "de kleine marmer en zwart marmer, en waar de stad componist die aan het hof van Wenen, van Antwerpen, en de Onze-Lieve-Vrouwetoren, de Versailles, van Londen en Den Haag bewondering jezuïetentoren, een battaglia, en het raadhuis, van gewekt heeft" . Ziehier het enige tot nog toe bas-reliëf zijn, jezuïetenkerk, dominicanenkerk, hetbekende persbericht over een concert van raadhuis". Wolfgang in de Zuidelijke Nederlanden. De organisatie van Mozarts concert in de Beurs berustte vermoedelijk bij de gilde van de speelOp 9 september reed de familie Mozart in lieden, die immers in 1718 een muziekacademie of "de koets van de postmeester" door de Rode Poort, concertvereniging hadden gesticht. richting Moerdijk. Meer dan een half jaar later, Met toestemming van het stadsbestuur hadden ze na een rijkgevuld concertseizoen in Holland, daartoe een lokaal op de eerste verdieping van de keerden ze naar Antwerpen terug. Daar hadden Beurs, aan de kant van de Meir, in gebruik ze immers hun eigen reiswagen achtergelaten, genomen. Rond deze muziekacademie ontstond toen ze naar de Noordelijke Nederlanden vertrok-
24
M&L
heel wat deining. De aalmoezeniers, die het theaterwezen in Antwerpen in handen hadden en alle inrichters van openbare vertoningen verplichtten om een vierde van hun winst als armengeld af te staan, eisten dit ook van de gilde der speellieden, die echter weigerde. De aalmoezeniers spanden een proces in maar de speellieden wonnen het. In de gedetailleerde boekhouding van de aalmoezeniers staat elk concert, iedere opera die in een van de Antwerpse muziekzalen of theaters plaatsvond, geboekstaafd, alleen niet die welke door de speellieden georganiseerd werden, omdat zij van de tantièmes ontslagen waren. Van Mozarts concert is in de rekeningboeken van de aalmoezeniers dan ook geen spoor te vinden. Op de eerste verdieping van de Beurs bevonden zich eveneens het Sint-Lukasgilde of de schildersacademie, een theater - een van de kleinere stadstheatertjes - en de drie lokalen van de Oostendse Compagnie {"Oost- en Westindische Compagnie"), die echter leegstonden omdat deze handelsvereniging al lang was ontbonden. Een van die drie zalen, de middelste, ging na verloop van tijd ook als concertruimte dienst doen, maar dat was vermoedelijk pas na Mozarts verblijf in Antwerpen (10). De dag na het concert, de eerste mei, brachten de Mozarts wellicht nog in de Scheldestad door, en misschien bleven ze er zelfs langer. We mogen aannemen dat zij rond 3 mei naar Brussel
vertrokken. Waarschijnlijk hielden zij toen, zoals de meeste reizigers, in Mechelen halt voor het middagmaal. Zij stapten in ieder geval af bij "onze oude bekende de heer aartsbisschop", Jan Hendrik graaf van Franckenberg, maar reden denkelijk diezelfde dag nog verder tot Brussel. Lang hebben zij niet in Mechelen vertoefd want in hun brieven en reisaantekeningen wordt deze historische stad zonder enige commentaar vermeld. Wat ze er alleszins moeten hebben gezien, is het aartsbisschoppelijk paleis, gelegen bij de Sint-Romboutscollegiale. "We reisden over Mechelen, waar we onze oude bekende de heer aartsbisschop een bezoek brachten, naar Brussel, waar we slechts een dag uitrustten en vanwaar we om negen uur 's ochtends met de post vertrokken, zodat we om halfacht 's avonds in Valenciennes aankwamen. In Brussel kochten we wat kant, omdat we er nodig hadden, en in Valenciennes wat batist of Cambraylinnen voor eigen gebruik, namelijk een stuk effen en een stuk gebloemd". Enkele dagen later arriveerden ze in de Franse hoofdstad. De terugreis naar Salzburg was begonnen. De Zuidelijke Nederlanden lagen al ver achter hen. Mozart zou er nooit weerkeren.
VOETNOTEN
(1) Mechelen, De Brusselse Poort in 1780, Jan-Baptist de Noter, aquarel (Mechelen, Stadsarchief)
(2)
(3)
(4) (5) Mechelen. Het aartsbisschoppelijk paleis, Jan-Baptist de Noter, aquarel (Mechelen, Stadsarchief)
(6) (7) (8) (9) (10)
Bauer W.A., Deutsch O.E. en Eibl J.H., Mozart: Briefe und Aufzeichnungen. Gesamtausgabe, Kassei, 1962-1975; Deutsch O.E., Mozart: die Dokumente seines Lebens, gesammelt und erlautert. Kassei, 1961, suppl., 1978. Von Pöllnitz K.L., Lettres et memoires du baron de Pöllnitz, Amsterdam, 1737 (derde uitgave). Meer hierover in mijn onuitgegeven licentiaatsverhandeling Het beeld van de Zuidelijke Nederlanden in reisverhalen uit de periode 1681-1745, Leuven, 1976. Wauters J., Bijdragen tot de geschiedenis van Tienen, 1962. De Tinnen Schotel onderging in de negentiende eeuw enkele grondige verbouwingen en kreeg diverse bestemmingen. In 1985 ten slotte werd de Stedelijke Dienst voor Cultuur erin ondergebracht. De Wildeman werd in 1914 door brand vernield. Op enkele oude prentkaarten van Leuven is het gebouw nog te zien. Ook het Hotel d'Angleterre is verdwenen. Veel informatie over Brussel in 1763 en het verblijf van de familie Mozart aldaar, is te vinden in de bijdrage van Leo De Ren in Mozart in België, uitgegeven bij het Mercatorfonds 1990. Gent, duizend jaar kunst en cultuur, Tentoonstellingen ingericht door de stad Gent in 1975, cat. dl. III, p. 75-77. SchoeteisM., Antwerpen. Tijdschrift der stad Antwerpen, 32ste jaargang, winter 1986, nr. 4, p. 171. Voor deze inlichting dank ik professor dr. W. Couvreur. Schoeters M., op. cit, p. 172. Bijkomende gegevens werden mij door L. De Ren verschaft. Ik dank G. Spiessens voor deze informatie. Zie ook: Spiessens G, Geschiedenis van de gilde van de Antwerpse speellieden..., in Belgisch tijdschrift voor muziekwetenschap, dl. XLI (1987), p. 79 e.v. en dl. XL11 (1988), p. 149 e.v.; ID., Muziekleven en muzikanten te Antwerpen, 1700-1750, in Jaarboek van het Vlaams centrum voor oude muziek, 1985, p. 93 e.v.
M&L
25
DE TUINEN VAN ALDEN BIESEN, EEN NIEUWE HOF NAAR OUD MODEL HERMAN VAN DEN BOSSCHE, B.M.L.
De geknotte lindendreef - temidden van aloude boomgaarden of fruitweiden benadrukt de as-werking en illustreert op treffende wijze het streven van de 18de-eeuwse landman: orde scheppen en tegelijk Vergilius' Ode aan het ongekunstelde landleven herbeleven (foto Fototeam)
De landcommanderij Alden Biesen is
van de ruimte. De tuinen en dreven
het sprekend voorbeeld van een indruk-
spelen hierin de rol van verhelderend
wekkend gebouwencompiex dat - in
decorum.
zijn nagenoeg 800-jarig bestaan uitgegroeid is van een bescheiden bedevaartplaats tot een luisterrijke residentie, steeds inspelend op de evoluerende maatschappelijke tendensen en volgens de wijzigende grondregels van architectuur en organisatie
De herinrichting van de oranjerietuin en de tuin van de landcommandeur is een eerste en meteen luisterrijke stap in de herwaardering, restauratie en herinrichting van het groene patrimonium voor Alden Biesen.
26
Landcommandeur Caspar Anton van der Heyden de Belderbusch (17661784) liet de oostelijke voorburcht slopen om de, onder landcommandeur Hugo Damiaan Graf von Schönbom(17091743) aangezette, barokke hoofd-as in oostelijke richting door te trekkea Zijn wapen, dat van de Duitse Orde en het jaartal 1775 sieren de vaasvoeten bovenop de pijlers van het monumentale toegangshek tot de erekoer (foto Alden Biesen)
Oude prentkaart van de imposante Maastrichter allee met rechts de voormalige liergarten' (voor damherten) of 'Herfenweijde' en links het hoge geboomte van de 'neue Garten'of Engels park. De benaming 'Maastrichter allee' voor de dreef naar Maastricht ontstaat pas in de loop van de 18de eeuw (fotoarchief Regie der Gebouwen)
M&L
ONTPLOOIING EN UITBOUW VAN ALDEN BIESEN IN HET LANDSCHAP Het middeleeuwse Biesen werd opgetrokken bij een bedevaartkapel (1216) op de bronnenrijke oostflank van de - plaatselijk fors - uitgeschuurde vallei van de Demer in oostelijk Haspengouw. Het toponiem Biesen verwijst trouwens naar het waterrijk karakter van het gebied. Vanaf 1362 is de landcommanderij verbonden met haar - 11 km verder oostwaarts gelegen - nieuwe administratieve zetel van Nieuwen Biesen in Maastricht. De opeenvolgende bouwheren hebben in de loop der eeuwen het natuurlijk reliëf op bijzondere wijze in de architectuur van de landcommanderij en de vormgeving van de omliggende groene ruimte weten te integreren. Zo laat landcommandeur Godfried Huyn van Geleen (1634-1652) in 1652 in het uiterste oosten van het domein, op de kruising van de Maastrichter allee met de oostelijke heuvelrug, de hoofdingang maken: een monumentaal toren- en poortgebouw. Vijf radiale dreven leiden naar dit punt: een dreef langsheen de Hertenweide (gelegen binnen de muren ten noorden van de Maastrichter allee) in de richting van Bilzen, de Maastrichter allee zelf met haar oostelijk en westelijk tracé, een dreef in de richting van Weert en de dreef langsheen de zuidoostflank van het domein, richting Bosselaar en Tongeren. Eén van die vijf dreven was een olmen- of iependreef en kwam eveneens tot stand op initiatief van Huyn van Geleen, in 1652.
In de loop van de 18de eeuw komen daar nog twee dreven bij: één in de richting van Sint-MartensLinde en één naar Spouwen. Zeven radiale dreven geven uit op de hoofdingang van Alden Biesen. Ze vormen meteen een machtig teken van de barokmens, die - onder de hoede van de Maagd Maria, patrones van Alden Biesen en van de Duitse orde - over het landschap en zijn samenstellende delen heerst, het landschap beheerst (1). Viel de hoofd-as ten tijde van Hendrik van Wassenaer nog samen met de Maastrichter allee, onder landcommandeur Caspar Anton van der Heyden de Belderbusch wordt ze verlegd naar de parallelle hoofd-as die samenvalt met de dreef naar Hoeselt en vanaf het statiehek als geknotte lindendreef doorgetrokken wordt tot de bestaande dreef naar Weert. Aldus onstaat een krachtige, meer dan twee kilometer lange snede in het landschap, vanaf het hoogste punt (112 meter) doorheen de commanderij (80 meter) naar het laagste punt (65 meter) halverwege de dreef naar Hoeselt.
M&L
Romein de Hooghe, gezicht vanurt het zuidoosten op de landcommanderij Tussen de voorburcht en het waterslot iigt de oranjerietuin; links op de prent bevindt zich de tuin van de iandcommandeur (foto fototeam)
Oude foto-opname van de tuinste van de landcommandeur en de oranjerietuin, die in die dagen in gebruik was als boomgaard en groenten- en bessentuin (fotoarchief Regie der Gebouwen)
27
Een haast symbolische daad: ten noorden van de nieuwe hoofd-as ligt het oude Biesen, met zijn commanderij functies van Spital, gasthof en boerderij en zijn naar het verleden verwijzende tuinen, namelijk de nog 17de-eeuws geïnspireerde oranjerietuin en de aloude Tiergarten, later de Hertenweijde genoemd; ten zuiden ervan krijgt het residentieel karakter in 1786-1788 zijn ultieme vorm als zomerverblijf van de verlichte landcommandeur, met de aanleg van de neue Garten in landschappelijke stijl.
VAN FORMEEL LUSTHOF TOT ROMANTISCH PARK Tuinen waren er ongetwijfeld reeds in de eerste eeuwen van het bestaan van Biesen: nutstuinen en boomgaarden ten behoeve van de gemeenschap van ordepriesters en -ridders en een medicinale tuin voor het Spital (2). Omdat het beschikbaar bronnenmateriaal echter niet toelaat een betrouwbaar beeld van die oudste tuinen bij de landcommanderij op te roepen, vangt het verhaal van de tuinen bij Alden Biesen noodgewongen pas in de 17de eeuw aan. Later, in 1700 graveert Romein de Hooghe in opdracht van landcommandeur Hendrik baron van Wassenaer (1690-1709) een prent, met daarop de gedetailleerde afbeeldingen van Alden Biesen en haar twaalf onderhorige commanderijen. De prent toont de landcommanderij en haar lusthoven vóór de ingrijpende aanpassingswerken onder landcommandeur Damiaan Hugo Graf von Schönborn (1709-1743). Op de binnenkoer van het buitenerf vormt een groep Fijne of Gewone Sparren (Picea abies (L) Karst.) een scherm
tussen de kerk en de boerderij (3). Verder zijn de Maastrichter allee en de dreef naar Hoeselt herkenbaar. De verbouwing van een besloten en eentonig middeleeuws waterslot tot een open en aan de barokke levensstijl aangepaste zomerresidentie vindt eveneens plaats onder Hendrik van Wassenaer. Hij bouwt tevens de classicistische oranjerie tegenover de noordvleugel van het slot en voorziet haar van zijn wapenschild. Het luchtig en open
28
M&L
• Gezicht vanu* het noordwesten op het waterslot en de galerij, met in de oranjerietuin de bioeiende restanten van een voormalige pruimenboomgaard. In het midden van de tuin ligt het achthoekig waterbekken (foto Fototeam) • André Mollet, Le Jardin de Plaisir, mi: le dessin 10 esfaussiun parterre en broderie... Sa plate-bande se peut faire de Spiedsica. 140 m) de large ovec des Heurs basses au milieu...'
Remade le Loup, Vue du chateau et commanderie de Vieux-jonc Comë d9£ooz(cal740). Gezicht vanuit het zuidoosten. Een scherm van wintergroene Fijne Sparren moet het boerenleven op het erf van het buitenhof aan het oog van kerkgangers en gasten onttrekken. De tuin van de landcommandeur Is slechts in grote lijnen aangezet (foto Fototeam)
karakter van de zomerresidentie der landcommandeurs wordt allicht het duidelijkst geïllustreerd door de aanleg van barokke lusthoven. De prent van De Hooghe toont bij de oranjerie een fragment van een alzijdig symmetrisch loofwerk, met assenkruis en bloemranden of rabatten, rondom een centraal achthoekig waterbekken. Ruime allees omkaderen het perk. Viermaal twee beelden op voetstukken en een jet d'eau (ranke waterstraal) vormen de vertikale elementen. Het is een perk dat de vergelijking met voorbeelden van "parterres de compartiment" in broderiewerk uit het toonaangevende Le Jardin de Plaisir (1651) van André Mollet best kan doorstaan (4). Die André Mollet stamde af van een oud geslacht van Franse koninklijke hoveniers en tekende ondermeer de bijzonder fraaie parterres voor de Oranjes in het Nederlandse Buren en Honselaersdijk (5).
<tNU.')»<i«AMt. ifltmmsiAsï. ?<.&**})*£. r - * > 1 ^
?"
^
&q&
§^4^W^^^^
Ook de westtuin - de zogeheten tuin van de landcommandeur - is gedeeltelijk in beeld gebracht: negen rechthoekige, omrande perken, waarvan er twee langs de slotwal van twee bolronde vormbomen op stam voorzien zijn. De omrande perken met de twee bolronde vormbomen op stam zijn identiek aan deze in de tuinen van de onderhorige commanderij Gemert bij 's Hertogenbosch. Er is geen centrale langs-as aanwezig. De hoofd-as staat dwars op de tuin en valt samen met de midden-as van het hoofdgebouw en de dreef naar Hoeselt. Twee obelisken op voetstuk in gesnoeide taxus of traditioneel latwerk flankeren de hoofd-as die uitgeeft op een portiek van tweemaal twee zuilen onder een fronton. Aan de westkant is de tuin begrensd door een met leifruit begroeide muur. Twee mannen verplaatsen een oranjerieplant. De tekening (circa 1740) door Remacle le Loup voor Les Délices du Pais de Liège (1744) van de Saumery vertoont een afwijkende perkindeling ten tijde van landcommandeur Hugo Damiaan Graf von Schönborn (1709-1743) (6). In de zuidelijke tuinhelft ligt een centrale langs-as met aan beide zijden drie perken, waarvan de binnenhoeken geaccentueerd zijn door schetsmatig aangebrachte vertikale streepjes die wellicht taxuskegels voorstellen. Eén perk is ingevuld met een vluchtige krabbel die wellicht broderiewerk voorstelt. De dwars-as is aan beide uiteinden afgesloten door een hek. De noordelijke tuinhelft is gemaskeerd door de zuidvleugel en de zuidwestelijke hoektoren, maar is ongetwijfeld het spiegelbeeld van de zuidelijke helft.
M&L
29
Landcommandeur Hendrik baron van Wassenaer van Warmond (16901709) liet de oranjerie bouwen en voorzag haar van zijn wapenschild (foto P.J. Kuppens)
De prent van Romein de Hooghe toont tenslotte op de voorgrond, tegenover de zuidvleugel, een siertuin van vier omrande plantenperken rondom een centrale taxuspiramide. In de uitgerande hoeken van de perken staan taxuskegels in zes etages gesnoeid. Aan de oostkant is de tuin afgesloten door een metershoge haag met een doorgang in de as van het middenpad. Een portiekje van pilasters onder een driehoekig frontonnetje geeft uit in wat een enigszins verwaarloosde boomgaard zou kunnen zijn (7). Deze configuratie komt overeen met die van de 17de-eeuwse pre-kadastrale kaart met de bezittingen van Alden Biesen (8). De beschreven tuin ligt aan de zuidkant van de waterburcht, over de wal, in een boomgaard en bestaat uit vier perken met centraal assenkruis en omtrekpaden.
• Pre-kadastrale kaart (1658) van de bezittingen van de landcommanderij naar aanleiding van de aanstelling van landcommandeur Godtrold van Bochhoto en Orey (1657-1690). De voorburcht is nog Intact en de hoofd-ds doorheen het waterslot is nog niet aangezet. Slechts vijf dreven lelden naar het poortgebouw op het snijpunt van de Maastrichter allee en de oostelijke heuvelrug (foto Fototeam)
De Cabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden (1771-1778), gemaakt op initiatief van graaf de Ferraris geeft een goed beeld van de transformaties in Alden Biesen ten tijde van landcommandeur Caspar Anton van der Heyden de Belderbusch (1766-1784) (9). De oostvleugel van de voorburcht moest wijken voor een dominante hoofd-as met ten noorden een indrukwekkende tiendschuur en ten zuiden een al even imposante rijschool. Inspelend op de aanpassingswerken aan de oostgevel van de binnenkoer van de waterburcht en de herinrichting van de vertrekken op advies van de Weense hofarchitect Lucas von Hildebrandt, illustreert zij de barokke hang naar ordening en symmetrie. De zuidelijke tuinzone wordt uitgebreid tot de gehele strook tussen de Kasteelstraat en de oostelijke hoek van de rijschool. Remacle Ie Loup
tekent de hele oppervlakte van het huidig Engels park in als boomgaard. De Cabinetskaart toont verder twee verdwenen gebouwen: eentje in de bloementuin vóór de oranjerie en een grotere in de zuidelijke tuinstrook, tegenover de zuidelijke voorburcht. Rest nog de bespreking van de plattegrond van het waterslot door G. Doyen uit 1716, met aantekeningen van landcommandeur Damiaan Hugo Graf von Schönborn op advies van von Hildebrand (10).
De Cabinetskaart (1771-1778) van de Oostenrijkse Nederlanden, gemaakt op initiatief van graaf de Ferraris, geeft een beeld van de transformaties onder landcommandeur Caspar Anton van der Heyden de Belderbusch. Het Engels perk is nog niet aangelegd (copyright Koninklijke biblbtheek, Afdeling Kaarten en Plattegronden)
\
\ &
^'•'•'•ij-JW'Yt :;'v' •''''
30
M&L
Plaftegrond van het waterslot naar een tekening van GDoyen uit 1716. De spiegel-symmetrie in de plattegrond van de binnenkoer, naar bouwvoorstellen van de vermaarde Weense hofarchitect Lucas von Hildebrandt, wordt als schljnsymmetrie In de tuin van de Landcommandeur verdergezet (foto Fototeam)
Prentkaart (vóór 1900?) met gezicht vanurt de bosschage van de Mlnervatempel -over het centraal grasveld - naar het farfaers huys In de neue Garten of het Engels park Aan de einder staan zuilvormlge Italiaanse populieren langs de Bosselaarstraat (fotoarchief Regie der Gebouwen)
Hier wordt de westtuin voorgesteld bestaande uit twee met hagen (?) omsloten perken, van de wal gescheiden door een breed pad. De houten brug vanaf het slot geeft uit in een achthoekige ruimte met in de vier diagonale zijden halfronde nissen met vierkante voetstukken, mogelijk voor (allegorische?) beelden (11).
Van februari-maart 1786 tot juni 1787 wordt in opdracht van landcommandeur Franz Johann Nepomuk von Reischach (1784-1807) de neue Garten, het Engels Park, aangelegd. De ontwerper is de uit Dinant afkomstige Ghislain-Joseph Henry (1754-1820) die tevens zijn sporen in Duras (Sint-Truiden), Wespelaar (Haacht) en Laken (Brussel) heeft verdiend. Hij krijgt 575 gulden voor een ontwerp bevattende een steenen Mlnervatempel, een annanashuijs in 155 melgerblocken en roode steentjes, twee nieuwe broije huijsen (broeikassen of koude kassen), een grotte van vleese steenen (silex knollen), een reviere gepilotteerd met pilotten (afgezet met perkoenpaaltjes), een met stro gedekte stenen eremytagie, een met houten leijen gedekte, geverfde chinoisischen tempel, met stro gedekte lemen tartaerse huijsen en twee houten bruggen. Het water bereikt de rivier via een systeem boten huijsen vanuit de hogergelegen trompetters weijde in de buurt van de poorttoren. Een gemetseld canaal voert het water vanaf de overloop, via een vijvertje vóór de grot naar de huijs weijer of slotgracht. Allerhande houdt en houdtgewasch, één grote en drieënnegentig k\eme palmeboomen, negentwintig vrachtwagens populieren, honderd
CHRONOLOGIE
1633-1787
'
/DDD
aan
1
i1 ^
Hf ^1
DDD
Anna 'DDD aaa aaa tt aaa
1'
mm
3
'mm
vóór 1650
1650-1700
1700-1750
na 1750
^ v % \
32
M&L
Prospectus de la vente par forme de loterie autorisée par arrêté royal du 19 may 1819 Rechts op de prent staan zuilvormige Italiaanse populieren langs de Maastrichter allee. Links, in het Engels park, onderscheiden wij de chinoisischen tempel, de Mmervatempel, de grot met de ruine en de riviere met boogbrug, naast talrijke exotische loof- en naaidbomen. Op het grondplan In de linker bovenhoek merkt men - parallel met de zuidelijke voorburcht - het annanashuys of de nieuwe oranjerie uit 1768 (foto fototeam, Hasselt)
• Anoniem, begin 19de eeuw, Vue de l'anolenne Commanderie du Vieux Jonos de l'ordre Teufonique Gezicht vanuit het noordwesten op de landcommanderij en de 'Neue Gart e n ' u n 786-1787 met de Minervatempel, de ruine bovenop de grot en de geknotte lindendreef. De oorspronkelijke 'mastboomen'm het Engels park zijn inmiddels verdwenen. De aanplanting van zuilvormige bomen langs de Bosselaardreef wordt bevestigd door de foto met het Tartaars huis in Engels park (cliché V.C.G.T.)
• • De recent gerestaureerde Minervatempel in het Engels park werd in 1786 gebouwd naar een ontwerp van Ghislain-Joseph Henri (1754-1820) Wellicht tot een stuk in de 20ste eeuw stond de tempel op een eiland in de reviere (foto Fototeam)
en acht vremde boomen uit Mechelen en Maastricht, tweehonderd mastbomen en het inzaaien van het centrale grasveld zouden, plantkosten niet inbegrepen, samen 350 gulden kosten. De eindafrekening van de tuin en zijn "fabriekjes" zou in juni 1787 exact 16.036 gulden bedragen (12). Een vroeg 19de-eeuws gezicht op de oude commanderij van Alden Biesen van de Duitse orde geeft - wat de groenaanleg betreft -
een betrouwbaar beeld van de landcommanderij: in de landschappelijke neue Garten zijn de geknotte lindenallee, de grot en de Minervatempel duidelijk waarneembaar. De massale aanwezigheid van naaldhout op de aquarel wordt bevestigd in de rekeningen. Correct is ook de weergave van zuilvormige Italiaanse Populieren langs de Bosselaardreef (13).
ML Nr. 52 Bijlage bij M&L10/3 mei-juni 1991
m
BINNENKRANT
M8a De feestzaal van Horta's Volkshuis als F.T.1.1991. Business Center (foto 0. Pauwels)
B.M.LACTIVITEITEN FLANDERS TECHNOLOGY INTERNATIONAL 1991 EN HET VOLKSHUIS VAN VICTOR HORTA
Hoog bezoek voor het F.T.1.1991 Business Center. Z.K.H. Prins Filip, omringd door de excellenties W. Martens, G. Geens, LG. Waltniel, L. De Batselier, P. Dewael en Europees Parlementslid W. De Clercq (foto P. Lagaisse)
De bezoeker van de vijfde editie van Flanders Technology International die de weg vond naar hall 8 werd geconfronteerd met een niet alledaagse stand: het Business Center. Zowel qua omvang en materiaalgebruik als op inhoudelijk vlak vormde dit ontwerp van het Bestuur Monumenten en Landschappen het buitenbeentje en tevens de blikvanger van deze lustrumeditie. Het Business Center ontlokte allerlei emoties, van verwondering tot nieuwsgierigheid; want iedereen wou het hoe en het waarom van deze gedurfde constructie achterhalen. Het feit dat het Center op de professionele dagen niet voor iedereen toegankelijk was, droeg nog bij tot het waas van uitnodigende geheimzinnigheid. Het gebouw - want men kon nog bezwaarlijk van een stand spreken voldeed ruimschoots aan de verwachtingen. De vergaderzaaltjes op de verdieping waren doorlopend in gebruik en in de patio hadden
verscheidene, druk bijgewoonde recepties plaats. Voor de sponsorpartners maar ook voor andere bedrijven vormde het Business Center een uniek kader om zakenrelaties te ontvangen. De spanten, toegangspoort en andere relicten van de feestzaal uit het voormalige Volkshuis te Brussel vormden de ruggegraat van het project: een eerbewijs aan het genie van Horta, maar tevens een aanklacht tegen het cultuurbeleid in dit mooie landje. De omhullende structuur anderzijds getuigde van een eigentijdse techniek en elegantie, en was vooral het bewijs dat oud en nieuw op een respectvolle manier met elkaar kunnen worden gecombineerd. Ook de beplanting, bestaande uit diverse palmsoorten, was gekozen in functie van het project: ze droeg aldus bij tot het scheppen van een uniek kader, waar het goed was te vertoeven. Bewijs daarvan vormde de belangstelling voor de geleide
bezoeken; tijdens de publieksdagen werd inschrijving noodzakelijk wegens de talrijke opkomst. Zelfs bezoekers die niet vertrouwd waren met de Art Nouveau vonden het een geslaagd project, alleen al vanwege de gedurfde combinatie van stijlen. Ook vanuit de professionele hoek was de kritiek onverdeeld gunstig, een waar compliment gezien de gevoelige materie: Horta was een architect van wereldformaat en het Volkshuis had de proporties van een mythe aangenomen. Het feit dat dit project in een eerste fase tot een goed einde is gebracht, vormt het bewijs dat een administratie nog iets anders kan produceren dan papier. Fase 2, de definitieve inplanting, is weldra in het verschiet; wij houden u op de hoogte. W. Slock
B I N N E N K R A N T
MSdls "Children and Rabbit looking into a Well", een thema uit het Benedlcite voor één der nieuwe gewelfsleutels van de Minster van York
EEN STAD IN DE STAD. DE MINSTER VAN YORK In verband met de lopende restauratiewerken aan koor en transept van de Onze-Lieve-Vrouwekatedraal te Antwerpen werd van 11 tot 14 maart een studiebezoek gebracht aan de Minster van York (Yorkshire, Engeland). Bedoeling was kennis te maken met de in 1988 voltooide restauratie van het zuidertransept van de kerk, waarvan het volledig gewelf uitbrandde in 1984. Ook het gebrandschilderd glas en het metselwerk werden hierbij sterk beschadigd. Ter plaatse werden we door de goede zorgen van persverantwoordeiljke Dorothy Lee in contact gebracht met kanselier John Toy, die ons inlichtte over de iconografie van de nieuwe gewelfsleutels in het gerestaureerde en gereconstrueerde gewelf. Een grondige inleiding over historiek en bouwchronologie van de Minster werd ons verstrekt door D. Hudson. Robert Littlewood, die de permanente leiding heeft van de ateliers van houten steenrestauratie, ontwierp en voerde het nieuwe gewelf uit. Peter Gibson, als verantwoordelijke voor het goed uitgebouwde atelier van glasramenrestauratie, lichtte de werkwijze en de methodes van deze specifieke restauratietak toe. De huidige Minster (een eretitel die gegeven werd aan een kerk vanwaaruit missionering werd uitgevoerd) verving - geleidelijk - de oude Normandische kerk, die op haar beurt gebouwd was op de funderingen van
Het koor van de York Minster, vanaf het hoogaltaar
een romeinse nederzetting. Het zuidelijk dwarsschip, waar de brand gewoed heeft, behoort tot de oudste gedeeltes van de kerk, opgetrokken tussen 1220 en 1270 in vroeg-Engelse bouwstijl. Het schip werd gebouwd tussen 1291 en 1350 en tenslotte werd in 1360 met het indrukwekkende koor begonnen, ter vervanging van het kleine koor van de Normandische kerk. In het transept was oorspronkelijk een traditionele vlakke houten zoldering voorzien. Pas in de 15de eeuw werd een nieuwe houten overdekking uitgevoerd, die een stenen stergewelf moest imiteren. Aan het gewelf en het dakspant werd eerst in de 18de eeuw en dan nog eens in de 19de eeuw gerestaureerd, totdat het dus in 1984 totaal in de vlammen opging en in amper vier jaar tijd werd heropgebouwd. De opties voor het nieuwe gewelf werden voorgelegd aan de deken en het kapittel. Een eerste voorstel van een metalen constructie, die elke brand zou weerstaan (?), werd afgewezen. Het tweede, uitgevoerde ontwerp omvatte een nieuw houten gewelf, met enkele bijzonderheden om een nieuwe brandramp te voorkomen: het zachthout werd
vervangen door hardhout (eik); de gewelfvelden werden niet meer in hout, maar in pleister uitgevoerd; de balken werden "oversized" gemaakt om langer aan brand te kunnen weerstaan. Verder werden er meer toegangen tot het dak voorzien, om de bereikbaarheid in tijden van ramp te vergroten. In de loden dakbedekking werden ventilatieschachten aangebracht. Een aantal dakluiken werden met loden hechtpunten vastgemaakt, die bij brand automatisch openvallen. Om het gewelf stevig te maken en tevens een oplossing te bieden aan de bewerking van "unseasoned" hout, werden de ribben en de gewelfsleutels in gelamineerd hout vervaardigd. Al de benodigde eiken werden immers na de brand spontaan aangeboden door verschillende schenkers. Voor het gewelf zélf werd het hout negen maanden aan de lucht gedroogd en vervolgens drie maanden in de oven, waardoor het vochtgehalte tot de normale 20% kon teruggebracht worden en de eik klaar was voor gebruik. De gewelfsleutels vormen een verhaal op zich. De brand had deze, op zes korbeelsleutels na, allemaal vernield. De gemakkelijkste oplossing, namelijk
B I N N E N K R A N T
M8al4 het copiëren van de oude sleutels, werd niet gekozen. Omdat het kapittel van de Minster de kerk beschouwt als een levend en functioneel gegeven en niet als een dood monument, wilde men een nieuwe inbreng van deze tijd niet uit de weg gaan. Probleem was dan het vinden van een nieuwe iconografie ter vervanging van de vroegere bladmotieven. Uiteindelijk werd gekozen voor een uitbeelding van het Benedicite, een lofzang uit het boek Daniël, gezongen door de drie jongelingen die uit het vuur werden gered. Deze hymne bezingt de schepping van God, hetgeen uiteraard veel creatieve inbreng in de uitwerking toelaat. De 39 zinnen van het Benedicite werden in evenzoveel gewelfsleutels uitgebeeld, waarbij de beeldsnijders de grootste vrijheid kregen. Er werd ongeveer zes weken gewerkt aan ontwerp en uitvoering van één sleutel. Zes kleinere sleutels werden het onderwerp van een kinderwedstrijd, waarbij thema's uit de 20ste eeuw aan bod konden komen. De winnende ontwerpen vonden hun inspiratie in de verovering van de ruimte, de verlichting van de hongersnood, de bescherming van bedreigde diersoorten (walvissen), de redding van de Minster uit het vuur, het lichten van het schip Mary Rose er\ de eerste man op de maan. Met de Inbreng van deze hedendaagse onderwerpen wilde men de middeleeuwse traditie voortzetten. De overblijvende gewelfsleutels werden gewijd aan Psalm 150, nationale symbolen en bladmotieven.
Gezicht op de York Minster tijdens de restauratiewerkzaamheden (foto B.M.L)
het glas, om het geheel visueel aantrekkelijk te maken. Na veel research werd voor het epoxyhars Ablebond 342-1 gekozen. Het glas werd eerst gereinigd met een weinig water en een neutraal detergent en met solventen om vervolgens in electrische ovens te worden gedroogd. Dan pas kon het adhesief in de barsten geïnjecteerd worden. Omwille van de broosheid van deze gebarsten giaspanelen was een bescherming met nieuw glas langs beide zijden noodzakelijk. Enkel weinig beschadigde panelen werden slechts aan de buitenzijde gedubbeld. Naast deze restauratie die noodzakelijk was omwille van de brand, wordt er eigenlijk constant aan de Minster gewerkt. De kerk, die deze grote kosten allemaal zélf draagt dank zij de organisatie van de York Minster Fund en vele donateurs en verenigingen, heeft een 80-tal full-time werklui in dienst. Het onderhoud van de kerk wordt gewaarborgd door deze loodgieters, dakleggers, stellingbouwers, steenkappers, beeldsnijders, glasraamrestaurateurs, electriekers en andere. Er is een ononderbroken traditie van onderhoud, waarbij dit begrip zeer ruim wordt gehanteerd. Het gaat hier zeker niet om krampachtige conservering in de letterlijke zin van het woord. Iets dat versleten is, wordt vervangen; figuratief beeldhouwwerk, dat verdwenen is, wordt herkapt; ornamenten worden vernieuwd; oud verguldsel wordt herverguld; nieuwe altaren worden toegevoegd;
hedendaagse triptieken, schilderijen, beelden worden aangebracht. Kortom, de geschiedenis van deze kerk, die trouwens in de éérste plaats als een kerk wordt beschouwd en gebruikt, wordt niet bevroren. Als positief hebben wij hierbij ervaren dat, ondanks 17000 bezoekers per jaar tijdens de zomermaanden, deze kerk in de eerste plaats een ruimte is waar diensten worden gehouden en waar het gebouw nog daarvoor gebruikt wordt waarvoor het gebouwd werd. In dit licht verstaat men ook de in onze ogen soms verregaande ingrepen, waarbij de notie van authenticiteit soms ver te zoeken Is. In dit verband bijvoorbeeld waren we zeer verbaasd In het museum - dat in de crypte werd ingericht - nog een authentieke gewelfsleutel aan te treffen, die uit de brand gered werd en die vóór zijn overbrenging naar het museum met grote ijver volledig herschilderd en herverguld werd. Ook was men bezig met het oude verguldsel van het koorgestoelte uit 1829 (een copie van het oude gestoelte na een aangestoken brand) opnieuw te vergulden! Wat ons ook als een leemte overkwam was de vaak onbestaande historische en kunsthistorische onderbouw van vele ingrepen en de nogal systematische vervanging van in hun ogen 'versleten' onderdelen. Voorbeeldig Is de constante zorg voor het gebouw, waarbij vooral aan daken en goten een scrupuleuze aandacht besteed wordt. Ook qua veiligheid valt er weinig aan te merken; de Minster beschikt immers over een eigen politiemacht, die dag
Bij de brand werd ook de grote rozas met het glasraam uit de 16de eeuw zwaar beschadigd. Het zogenaamde roosvenster werd geschilderd door Vlaamse kunstenaars die door koning Henri VII naar Engeland werden gebracht. Dit belangrijk glasraam was in 1969/1970 gerestaureerd en opnieuw herlood. Dit is waarschijnlijk de reden dat het glas, alhoewel In 40.000 stukken gebarsten, gedurende de brand toch allemaal op zijn plaats bleef. Vooraleer het glas uit te nemen, werd het met een transparantfolie gehecht. De moeilijkheid bij de restauratie was het vinden van een geschikt adhesief om de ontelbare barsten te hechten. Er werd contact opgenomen met Dr. Tennent van Glasgow, die zich op dit gebied gespecialiseerd heeft. De lijm moest dezelfde brekingsindex hebben als
B I N N E N K R A N T
MM
5 en nacht in de kerk aanwezig is om elk begin van ramp (brand, diefstal, vandalisme,...) in de kiem te smoren. Het onthaal en de boekenwinkel zijn eveneens goed uitgebouwd. De toegang tot de kerk is gratis, maar wie wil kan een vrijwillige bijdrage storten voor de restauratie en het onderhoud van de kerk. Het viel ons op dat weinig bezoekers zich hieraan onttrokken. We vermoeden trouwens dat men op deze manier veel meer geld ontvangt dan met een verplichte bijdrage... De York Minster fungeert omwille van zijn talrijke ateliers als een soort opleidingscentrum voor specifieke restauratie-ambachten. Dat sommigen die hier opgeleid werden, later elders in Engeland of Europa gingen werken, vond men geen bezwaar. Door zijn lange traditie heeft York inderdaad een vooraanstaande positie verworven op gebied van vakmanschap. Met recht is men er fier op en werd men er reeds dikwijls voor bekroond. Onlangs werd het grote westerraam met gebrandschilderd glas gerestaureerd, een samenwerking tussen het glasatelier en het atelier voor steenbewerking. Het oude monelenwerk was zo erg verweerd dat het volledig in nieuwe steen herkapt werd. De stenen werden met lood gevoegd, om aan het raam een grote stevigheid en mogelijkheid tot het opvangen van wind en storm te geven. De oude stenen van het raam werden in hun oorspronkelijk verband ingegraven in de tuin rond de kerk: kwestie van archeologen van de volgende eeuwen nog wat werk te gunnen.... Thans wordt gewerkt aan de restauratie van het bovenste gedeelte van een westertoren. De te restaureren delen worden gefaseerd en aldus aan mogelijke sponsors voorgesteld. De programmatie van deze westgevelrestauratie loopt al tot ver in de 21 ste eeuw. Van een levend restauratiebeleid gesproken! M. Buyle en M. Manderyck
HOOG BEZOEK VOOR DE HERNIEUWDE TUINEN VAN DE LANDCOMMANDERIJ ALDEN BIESEN Onder zware luchten en tussen de regenbuien door opende Hare Koninklijke Hoogheid prinses Paola op zaterdag 4 mei jongstleden de Oranjerietuin en de zogenaamde tuin van de landcommandeurin aanwezigheid van de heer P. Dewael, Gemeenschapsminister van Cultuur; de heer H. Van der Meulen, Provinciegouverneur van Limburg; de heer C. Moors, waarnemend burgemeester van Bilzen en driehonderd genodigden. In zijn welkomstwoord beklemtoonde de Gemeenschapsminister van Cultuur het belang van tuinen als onderdeel van ons cultureel erfgoed. De revalorisatie van onze eigen tuinkunst ligt hem overigens nauw aan het hart.
parken uit de 18de, 19de en 20ste eeuw. In het gezelschap van gravin d'Ursel, die het fraaie Zuid-Limburgse kasteel van Heks bewoont en die er een belangrijke collectie botanische en oude rozen uitgebouwd heeft, maakte de prinses daarna - onder een waterige zon - een rondgang door de nieuwe tuinen. Op het allerlaatste moment waren hier nog de oranjerieplanten geplaatst. Geen Pomeransen of Bittersinaasappelen, maar Citroenen (Citrus lomon L.) staan er naast de wintergroene Magnolia grandiflora L. (Frankrijk, 1711), de wintergroene Kurkeik (Ouercus suber L.) en de Japanse mispel of Loquat (Eriobotraya japonica (Thbg.) Lindl.), in 1787 door Sir Joseph Banks uit China naar Engeland overgebracht. H. Van den Bossche.
In zijn gelegenheidstoespraak had de Heer E. Goedleven, inspecteur-generaal bij het Bestuur Monumenten en Lanschappen, het - in een persoonlijk woord tot de prinses - over haar interesse voor de tuinkunstgeschiedenis en haar aandacht voor het werk van jonge tuinontwerpers. Tenslotte belichtte hij de nauwe historische band tussen Alden Biesen en het koninklijk domein te Laken, in de figuur van de vermaarde 18deeeuwse architect Ghislain-Joseph Henry. Hij had het verder over het controversieel karakter van deze groenrealisatie; elke historiserende herinrichting ruikt naar minder wetenschappelijke en dus minder verantwoorde reconstructie-praktijken. Hij benadrukte verder de niet te onderschatten signaalfunctie die deze tuinen vervullen: ook in de monumenten- en landschapszorg verdient het park- en tuinpatrimonium een volwaardige plaats. Al te dikwijls nog worden - zelfs bij betoelaagde restauraties historische tuinruimten ten onrechte beschouwd als een 'randje groen' bij een fraai gerestaureerd gebouw. Dat de bouwwerf vanzelfsprekend en zonder nadenken in de tuin geïnstalleerd wordt, is daarbij tekenend. Hij vestigde de aandacht op het feit dat - ondanks de tuinenrage van vandaag - ons historisch park- en tuinpatrimonium nog steeds bedreigd is, en kondigde tevens de vooronderzoeken aan inzake de bescherming als monument van vijf tuinen en
BESCHERMINGEN BESCHERMINGEN IN LIER Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting L.G. Waltniel, tevens bevoegd voor de monumentenzorg in Vlaanderen, ondertekende recent een voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten waarbij de beschermingsprocedure van 45 monumenten te Lier kan worden ingezet. In het najaar van 1990 verscheen het 13de deel in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, uitgegeven door het Bestuur Monumenten en Landschappen. Het betreffende boek omvat een inventaris van het architecturale patrimonium van de stad Lier, haar deelgemeente Koningshooikt en de gemeente Berlaar. Gezien het opzet van de inventaris als basisinstrument voor het beschermingsbeleid, werd onmiddellijk na de publikatie gestart
B I N N E N K R A N T
M8d 6 De Bakkerstoren, Vismarkt 11, te Lier (foto B.M.L)
gebouwen van de stad. Het overgrote deel van de lijst betreft echter panden met een historische kern, die opklimmen tot de 17de eeuw, zoals Eikelstraat nrs. 6,8,11,13; Berlarij nrs. 24, 66-68 en Florent van Cauwenbergstraat nr. 35. Wil men het - vandaag nog pittoreske karakter van het Lier-aande-beide-Neten bewaren, dan verdienen naast de "middeleeuwse" elementen ook de 19de-eeuwse gebouwen en nog jongere bouwkunst de nodige aandacht. Daarom werden ook enkele "Wass/ete" panden met bepleisterde lijstgevels uit de 19de eeuw zoals Sint-Gummarusstraat nr. 22 en Koning Albertstraat nr. 22, naast enkele Art Nouveau woningen, zoals Mechelsestraat nrs. 53-73 en Kolveniersvest nr. 12 op de lijst geplaatst. Hoewel Lier ook grotendeels zijn karakter ontleent aan de wederopbouw-architectuur van na de Eerste Wereldoorlog, kwam dit aspect van bouwkundig erfgoed nog niet aan bod in de huidige lijst. Zo werd voor de Grote Markt van Lier geopteerd voor de bescherming van de enkele overblijvende laat-classicistische panden met oudere kern, hoewel het globale beeld van de markt bepaald wordt door het grote aantal wederopgebouwde gevels.
Mozarabische Art Nouveau, Mechelsestraat 53-73, te Lier (foto B.M.L.)
met het opstellen van lijsten van te beschermen monumenten en stadsen dorpsgzichten. Het geïnventariseerde gebied telde tot nu een 68-tal beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, waaronder de voornaamste historische panden, de kerken, kapellen, openbare beelden en pompen en het Liers Begijnhof. Toch werden voor dit gebied nog drie bijkomende lijsten opgesteld. In een eerste lijst werden 45 als monument te beschermen panden opgenomen, alle gelegen binnen de zogenaamde Stadswandeling, de middeleeuwse omwalling van Lier. Verder wordt nog gewerkt aan een lijst van 11 stadsgezichten binnen de omwalling en in een derde lijst komen de monumenten en gezichten buiten de kuip van Lier en in Koningshooikt aan bod.
H. Kennes en A. Malliet
HET MEERSENGEBIED TE BRUGGE (ASSEBROEK) EN OOSTKAMP GERANGSCHIKT ALS LANDSCHAP Na een tweede - voorlopige rangschikking als landschap van het Meersengebied te Brugge (Assebroek) Oostkamp (betekend op 23 augustus 1990) tekende Gemeenschapsminister LG. Waltniel op 22 mei 1991 het ministerieel besluit houdende de rangschikking als landschap, omwille van de wetenschappelijke, historische en esthetische waarde. Het Meersengebied, met een oppervlakte van circa 352 ha, strekt zich uit ten zuidoosten van Brugge op het grondgebied van de gemeenten Assebroek en Oostkamp. Het gebied bestaat in hoofdzaak uit grote graslandcomplexen en enkele bosjes. De noordgrens wordt gevormd door, van west naar oost, het complex van de Sint-Lucaskliniek, het domein De Bergskens, de bebouwing van Ver-Assebroek en het reeds eerder (K.B. 13.09.1976) als landschap gerangschikte grachten- en wallencomplex. De oostgrens, evenals een deel van de zuidgrens, valt samen met de gemeentegrens van Beernem (Oedelgem). Vanaf het "dreigemeentepunt" Brugge-Beernem-Oostkamp volgt de zuidgrens de Van Gailledreef. Ter hoogte van het pompgebouw
Op het goedgekeurde voorontwerp van lijst van 45 monumenten staan nogal wat markante, historische gebouwen zoals het Hof van Colibrant, het Hof van Santhoven en de Bakkerstoren op de Vismarkt; deze laatste zou opgericht zijn in 1393 en is bijgevolg één van de oudst bewaarde
B I N N E N K R A N T
M8d 7 1
2 3
1. Overzichtsbeeld van het Assebroekse meersengebied, met blankstaande weilanden, vooraan de Gemene Weiden en achteraan de Chartreuzen 2. De Chartreuzen, met zijn vele hoogstamdreven 3. Eén van de overgebleven hooiiandjes in de Gemene Weiden (foto's B.M.L)
verloopt de grens noordwestwaarts, waarna de westgrens gevormd wordt door de westrand van de Steenbrugse bosjes. De grote verscheidenheid aan landschapselementen, de specifieke eigendomstoestand en bodemgebruik alsook de typische bodemgesteldheid van het gebied, meer bepaald de aanwezigheid van veen en moeraskalk in de Assebroekse meersen en de Chartreuzen, verklaren het voorkomen van een soortenrijke flora en avifauna in dit gebied. De flora wordt voornamelijk getypeerd door het voorkomen van een aantal voor het Vlaamse district zeldzame tot zeer zeldzame plantesoorten, zoals Waterkruiskruid, Zeegroene muur, Aardbeiklaver, Kleine valeriaan, Schildereprijs, Rankende helmbloem. Brede orchis, Grote keverorchis Verder wordt het gebied gekenmerkt door een grote variatie aan vegetatietypes, tè talrijk om hier op te noemen; men vindt onder andere grachten met een soms rijke oevervegetatie, hooiiandjes, vochtige weiden, onverharde weinig betreden paden, de Steenbrugse bosjes, droge lineaire elementen met name de verlaten spoorweg- en trambedding. Al deze landschapselementen zijn ook
bepalend voor de esthetische waarde van het gebied. Voor veel vogelsoorten vormt het Meersengebied een tijdelijk uitgelezen voedsel- en verblijfsgebied. Tot het broedbestand behoren onder andere een aantal karakteristieke water- en weidevogels. In de westelijk gelegen bosjes broeden onder andere Tuinfluiter, Zwartkop, Tjiftjaf, Pimpelmees, Groene specht, Grauwe vliegenvanger In het struweel langs de spoorwegberm en trambedding en in de rietkragen langs de grachtjes kan men de zangposten horen van Winterkoning, Heggemus, Bosrietzanger, Kleine karekiet. Grasmus,... Van de prooivogels is de Torenvalk de meest algemene. In de holten van knotwilgen vindt men regelmatige broedgevallen van de Steenuil. Verder wordt de wetenschappelijke waarde van het gebied bepaald door de bodemgesteldheid en meer bepaald door de aanwezigheid van veen en moeraskalk in de Assebroekse meersen en de Chartreuzen; beide grondsoorten zijn aanduidingen voor de vroegere moeras-toestand van het gebied. De historische en esthetische waarde wordt bepaald door de eeuwenoude
specifieke eigendomstoestand van de Gemene Weiden, in het bijzonder het gemeenschappelijk toebehoren van de gronden aan de "aanborgers", wat zich in het landschap uit in de kleinschalige parcelering. De gebeurtenissen sinds de betekening (5 oktober 1989) van het eerste voorstel tot rangschikking (M.B. 7 augustus 1989) in het Meersengebied te Brugge-Oostkamp, toonden aan dat dit voorstel onvoldoende rechtszekerheid bood verwijzend naar de verschillende dagvaardingen - en bovendien toeliet dat de intrinsieke waarden van het landschap, waarvoor de rangschikking ingeleid werd, aangetast werden. Naar aanleiding van een plaatsbezoek en bespreking op 4 januari 1990 met de Koninklijke en Provinciale Commissies voor Monumenten en Landschappen werd vastgesteld dat het rangschikkingsvoorstel noch min noch meer een uitholling betekende van het beleidsinstrument "rangschikking als landschap". Het was dan ook noodzakelijk om naast de afhandeling van het dossier beëindigd onderzoek tevens een nieuw voorstel aan de Gemeenschapsminister over te maken.
N N E N K R A N T
M8cL Voetnoot (1) Ellenberg H., (1974) Zeigerwerte der Gefasspflanzen Mitteleuropas, Schripta Geobotanica
9(ed. 2), 1-122.
Een reële bedreiging voor de intrinsieke waarden van het gebied: omschakeling naar Industriële akkerbouw met een vergedimensloneerde herprofilering van kleine grachten tot afwateringskanalen en het plaatsen van een industrieel pompgemaal tot gevolg (foto B.M.L)
Hierbij werd hij voor een moeilijke keuze geplaatst: ofwel werd het Meersengebied niet gerangschikt als landschap, zodat grootschalige industriële landbouw mogelijk bleef, ofwel werd getracht de waarden van het landschap - zoals gespecifieerd in het dossier dat samen met het oorspronkelijk voorstel tot rangschikking werd overgemaakt - te behouden. Daartoe diende evenwel een nieuw voorstel tot rangschikking als landschap ondertekend te worden. Het is immers niet mogelijk om in een definitief besluit tot rangschikking zwaardere erfdienstbaarheden op te leggen dan in het voorafgaande voorstel. Uit het vooronderzoek is gebleken dat het Meersengebied voornamelijk getypeerd kan worden door de grote aanwezigheid van vochtige, niet tot weinig bemeste graslanden. Voor het behoud van deze specifieke toestand werd op advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een bijkomende bepaling met betrekking tot de bemesting voor grasland gevoegd. De verbodsbepaling voor omzetting van grasland in akkerland werd, zoals in het oorspronkelijk rangschikkingsvoorstel, opnieuw opgenomen in het nieuwe voorstel. Op 2 juli 1990 tekende de Heer Gemeenschapsminister opnieuw een voorstel tot rangschikking van het Meersengebied en niet, zoals door velen verwacht, het definitief besluit. Dit tweede voorstel, betekend op 23 augustus 1990, behield de verbodsbepalingen met betrekking tot omzetting van gras- in akkerland en de bemestingsnorm voor grasland.
'iV-
'-" \ V \
• ,
Naar aanleiding van het afsluiten van het openbaar onderzoek op 23 oktober 1990 uitten diverse betrokken partijen hun ongenoegen. Naast het indienen van 244 bezwaarschriften (met een ondertekende lijst van 843 aanborgers mede-eigenaars) werd het 325 ha groot gebied "Goede landbouwgrond tegen broodroof prijs" symbolisch te koop aangeboden. Rekening houdend met de ingediende bezwaarschriften werden een aantal bepalingen van het rangschikkingsbesluit gewijzigd, dit in overeenstemming met de behandeling van de bezwaren van het eerste openbaar onderzoek. Uit de analyses en adviezen van bijkomend bodemonderzoek, alsook uit de reacties van het openbaar onderzoek, is gebleken dat de vooropgestelde maximale bemestingsnorm voor grasland diende aangepast te worden. De in het ministerieel besluit opgenomen bemestingsnorm werd bepaald op basis van de resultaten en bemestingsadviezen van de door de Bodemkundige Dienst van België uitgevoerde grondontledingen (op 6 maart 1990, 20 april 1990 en 14 november 1990) in het gebied en op basis van een aantal richtcijfers inzake bemesting omschreven in het Milieubeleidsplan en Natuurontwikkelingsplan van Vlaanderen, voorstellen 1990-1995, van Gemeenschapsminister T. Kelchtermans. Deze gegevens werden verder getoetst aan toegepaste bemestingsplannen voor graasweiden, zowel van de Belgische Vereniging van Stikstofproduktenindustrie als van een actief beheerslandbouwgebied. Uit de vergelijkende studie van de in het gebied voorkomende plantesoorten - meer bepaald op uitgesproken stikstofarme, stikstofarme en minder stifstofarme plaatsen (1) met de grondontledingen blijkt dat er geen duidelijke positieve correlatie bestaat tussen de zones met een vrij hoog aandeel van aan stikstofarme plaatsen gebonden plantesoorten en uitgesproken lage stikstofwaarden. De in de grondontledingen bepaalde lage tot zeer lage fosforwaarden in de Assebroekse meersen en de Ghartreuzen, nauw verband houdend met het ondiep voorkomen van het veensubstaat en moeraskalk (hoge zuurtegraad en koolstofgehalte), verwijzen daarentegen wel naar de voorkomende specifieke flora met soorten als Wilde bertram. Scherpe
zegge. Waterviolier, Kleine bevernel. Egelboterbloem, Poelruit, Schildereprijs Voor het behoud van het natuurwetenschappelijk belang van de vochtige weinig tot niet bemeste graslanden, zonder dat een normaal graslandbeheer hierdoor verhinderd wordt, bepaalt het kersverse rangschikkingsbesluit dat voor grasland een maximale bemestingshoeveelheid van 175 kg N/ha per jaar en 50 kg P2O5 per jaar niet mag overschreden worden. Bij wijze van steekproef zal het Bestuur Monumenten en Landschappen jaarlijks een aantal gelijkaardige bodemmonsters laten analyseren. Het behoud van de intrinsieke waarden van dit waardevol graslandgebied, wordt ons inziens in sterke mate verzekerd door het behoud van de specifieke bepalingen met betrekking tot het omzetten van grasin akkerland en het opleggen van een maximale bemestingsnorm voor grasland, in het nieuwe rangschikkingsbesluit van 21 mei 1991. Uit de praktische toepassing van dergelijk 'primeur' besluit valt uiteraard nog veel te leren. M. Strobbe
RESTAURATIES DE BINNENRESTAURATIE VAN DE BOURLA-SCHOUWBURG TE ANTWERPEN GESTART In aanwezigheid van G. Geens, voorzitter van de Vlaamse Executieve en Gemeenschapsminister van Financiën en Begroting, L.G. Waltniel, Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, A. Kinsbergen, Gouverneur van de Provincie Antwerpen, H.B. Cools, Burgemeester van Antwerpen en M. Wellens, Schepen voor Openbare Werken werd er op 19 april jongstleden een gedenksteen onthuld aan
B I N N E N K R A N T
M8a 9 f.,y,.,./,/,^
.A.s~.S
'%'f''"-y ma/
..^
'n SnyMff
.y./i.,./,.
tM
't"/*,,,.
...^
Grondplan van de Bourla-schouwburg (Architectenburo De Winter en Van Hunsel)
de Bourla-schouwburg te Antwerpen, waarop 1 februari 1991 een aanvang werd gemaakt met de blnnenrestauratie. Hiermee wordt er een punt gezet achter een lange periode van onzekerheid omtrent het behoud en de bestemming van dit prachtige theatergebouw, ingehuldigd in 1834. Hoewel reeds in 1938 wettelijk beschermd als monument werd er tot de 70-er jaren immers nog aan afbraak en/of "deklassering" Man het interieur gedacht.
i,„ . /iC-/,,/.,, . ,•*<
laat-classicistische stijl. Origineel was vooral de halfcirkelvormige gevel met toegang voor rijtuigen, geïntegreerd in een doordachte plattegrond. Benevens allerlei nieuwe technische uitrustingen beschikte het toneel vooral over een ingenieus theatermechanisme, dat tot op heden bewaard is gebleven. Het gebouw kende navolging, onder meer in Gent waar in 1837-1840 onder leiding van L. Roelandt een nieuwe opera gebouwd werd, thans ook in restauratie.
Aan de binnendecoratie met stuc en schilderingen werd bijzonder veel aandacht besteed. Hiervoor werden zelfs de beroemde Parijse decorateurs H. Pilastre en Ch. Chambon aangesteld. Enkel de decoratie van het foyer echter, oorspronkelijk bedoeld als bal-, concert- en tentoonstellingszaal met aanpalend een koffie- en een rookkamer (later omgebouwd tot trappenhuizen) bewaart nog de decoratie van ca. 1834. De toneelzaal zelf immers werd vergroot, volledig heringericht
Na het vertrek van het K.N.S.-gezelschap in 1980 kon het oude, verlaten gebouw evenwel rekenen op een steeds groeiende belangstelling en waardering. Het was immers reeds op deze plaats dat de armenaalmoezeniers in 1709 de toelating verkregen om een deel van het tapissierspand, een 16de-eeuwse tapijthal, in gebruik te nemen als schouwburg waar allerlei soorten van voorstellingen konden plaatsvinden. Hierdoor konden de aalmoezeniers zich voorzien van inkomsten voor de armenzorg.
De halfcirkelvormige schouwburggevel van stadsbouwmeester P. Bourla.
Na de Franse tijd, in 1827, besloot de gemeenteraad een nieuwe zaal te bouwen op de plaats van het tapisierspand. Stadsbouwmeester P, Bourla (Parijs 1783-1866) kreeg hiervoor de opdracht. Hij creëerde een bijzonder vernieuwend gebouw in
B I N N E N K R A N T
10
en nieuw gedecoreerd in 1865 onder leiding van stadsarchitect P. Dens. De nieuwe zaal, die thans nog bestaat, werd gedecoreerd in Napoleon lil-stijl en naar het voorbeeld van de Grand Opera te Parijs, voorzien van frontloges. Het vergroten van de zaal resulteerde vervolgens in het verbreden van het gebouw, waarbij in 1904 onder leiding van stadsarchitect A. Van Mechelen nieuwe zijgevels werden gebouwd. Vanaf het einde van de vijftiger jaren stelde de reglementering in verband met de brandveiligheid steeds onoverkomelijker problemen. Na het vertrek van het K.N.S.-gezelschap in 1980, was een volwaardig gebruik als openbare theaterzaal zelfs niet meer mogelijk. Een meer begripsvolle benadering vanwege de overheid van de brandbeveiligingsproblematiek in dit historisch-architecturaal waardevol kader, gepaard aan belangrijke financiële inspanningen vanwege Stad, Provincie en Vlaamse Gemeenschap maakten thans de start van de volledig binnenrestauratie mogelijk. Een aantal doorgedreven veiligheidsmaatregelen worden voorzien. We vermelden de installatie van een branddetectiesysteem, een automatische blusinsstallatie en een compartimentering van het gehele gebouw. Binnen deze strikte eisen kon het Architectenburo De Winter en Van Hunsel in samenwerking met het studiebureau Termotec en Constructor een restauratiedossier voorstellen waarbij wordt uitgegaan van het volledig behoud en de revalorisatie van de waardevolle interieurs inzonderheid in de zaal en het foyer, terwijl ook het historisch interessante toneelmechanisme bewaard en herbruikt wordt. De werken worden uitgevoerd door een Tijdelijke Vereniging, waarvan de partners N.V. Bouwonderneming F. Goedleven, N.V. Interbuild, N.V. Bouwbedrijf Reynders en N.V. Gebr. Van de Kerckhove, zich hebben verbonden de binnenrestauratie te voltooien tegen het voorjaar 1993. Het ligt immers in de bedoeling van het stadsbestuur dat de Bourlaschouwburg centraal zou staan in de manifestaties rond "1993, Antwerpen, culturele hoofdstad van Europa". M. Manderyck
GENT - FEESTLOKAAL V A N VOORUIT - RESTAURATIE V A N DE FOYER V A N DE TEATERZAAL De foyer van het teater is één van de sierlijkste lokalen van het Feestlokaal. Gelegen achter het teater, met een prachtig uitzicht op de Schelde en het Zuid, was de foyer het meest verwaarloosde lokaal van Vooruit. De muren waren nog nooit geschilderd geweest, waaruit we menen te mogen besluiten dat het nooit als foyer werd gebruikt. Ooit werd het ingericht als bureel voor de naastgelegen winkel van de Coöperatieve. Als bureel was het veel te hoog en daarom had men er een vals plafond ingebracht. In de vijftiger jaren had blijkbaar niemand nog interesse voor de architecturale waarde van de foyer; zo werden de balken van het plafond ingekapt in de rijk versierde stucwerk-friezen. De bepleisterde bogen tussen de kolommen werden verwijderd om tussenwanden te plaatsen. Bij de renovatie van het teater had Vooruit de bedoeling de foyer te renoveren. Nadat het vals plafond en de wanden waren weggenomen bleek de schade zo groot dat het budget ontoereikend bleek om de omvangrijke restauratiewerken uit te voeren. De Koning Boudewijnstichting, die al een belangrijke bijdrage had geleverd voor de restauratie van het teater, werd nogmaals aangesproken en verklaarde zich bereid ook deze restauratie te subsidiëren met een bedrag van twee miljoen frank. Na het uitbreken van de oude vloerbekeldingen moest het volledig beschadigd parket weggenomen worden. Daardoor was het mogelijk om vloerverwarming te plaatsen onder het nieuwe eiken parket. De vroeger gesloopte wanden werden teruggeplaatst en het atelier Thienpont stond in voor de reconstructie van alle stucversieringen, veruit het moeilijkste onderdeel van de restauratie. De grote bogen tussen de kolommen werden hersteld naar analogie met één boog die gelukkig ongedeerd was gebleven, zoniet zou de restauratie onmogelijk geweest zijn. Vooruit plaatste zelf met eigen techniekers de volledig nieuwe verlichtingsinstallatie. Gezien de foyer nooit was geschilderd geweest werd
een kleurstudie gemaakt, naar analogie met de oorspronkelijke schilderwerken in andere lokalen van Vooruit. Na de opening op zaterdag 27 april zal de foyer gebruikt worden als receptieruimte, vergader- en repetitielokaal. Als eigenlijk foyer voor het teater is het immers veel te klein. Vroeger was er een foyer op elke verdieping van het teater. Bij de definitieve restauratie moeten dus 'nog' twee foyers gerenoveerd worden. Ter gelegenheid van de opening van het foyer wordt ook de 'officiële' start gegeven van de restauratie van de 'Voorbouw': werken die gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap, de Provincie OostVlaanderen, de Stad Gent en de Europese Gemeenschap. R. Berteloot
BUITENKRANT SCHOLENWEDSTRIJD HAAL EEN GEBOUW UIT HET VERDOMHOEKJE Onvoldoende ruchtbaarheid of - zoals het juryverslag van 4 maart laatstleden stelt - gebrek aan interesse bij de Brusselse leerlingen of leerkrachten, zijn er wellicht oorzaak van dat het initiatief van Minister van Economie Rufin Grijp, binnen de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve bevoegd voor Onderwijs, Gezondheidszorg en Welzijn, om de Nederlandstalige Brusselse scholen warm te maken voor een verkommerd stukje patrimonium een teleurstellend laag respons kende. Met een mogelijke driedaagse Zeelandse monumententrip in het vooruitzicht, compenseerden de enige drie mededingende teams alvast de kwantiteit door de voortreffelijke kwaliteit van de inzendingen.
B I N N E N K R A N T
11
delen dat de N.M.B.S., eigenaar van het bouwsel, bereid was gevonden de restauratie van de voetgangersdoorgang-met-lantaarn te bespoedigen.
Een eerste ploeg uit de afdeling Binnenhuiskunst, decoratie, beeldende kunst en grafiek van de Schaarbeekse Sint-Lukas-Kunsthumaniora ontfermde zich over de Brusselse Spaanse Kroon, een beschermde maar verloederde vroeg 18de-eeuwse afspanning aan het Oud Korenhuis, eigendom van de Provincie Brabant. Leerlingen uit de derde graad T.S.O., studierichting Bijzondere Jeugdzorg, van het Anderlechts Gemeentelijk Technisch Instituut Marius Renard, behaalden een bemoedigende tweede prijs voor hun poëtische benadering van het eigen dagdagelijkse schoolgebouw, een eclectisch getint ensemble van architect Hansotte uit 1888. De verdiende eerste prijs ging nochtans naar een tweede ploeg van de Sint-Lukas Kunsthumaniora, voor haar dossier tot herwaardering van de voetgangerstunnel aan de Koninginnenlaan, te Laken, een zeldzaam bewaarde maar zwaar onderkomen utilitaire klein-architectuur van Alban Chambon uit 1911, in een karakteristieke late Art Nouveauomgeving. Doorslaggevend voor de jury was hier ondermeer de vertoonde aandacht voor een kwalitatieve openbare ruimte, de kleinschaligheid van het project en de haalbaarheid van de voorgestelde oplossingen tot herwaardering. Bij de prijsuitreiking wist Minister Grijp overigens mede te
* l | I i | M.M. Celis. | ; ; i l | l | JEUGD EN KULTUREEL ; ERFGOED | VZW: ZOMERKAMPEN i 1991 ; ; Voor wie geïnteresseerd is, heeft de ; zomervakantie heel wat meer te \ bieden dan alleen maar de verdiende ; adempauze in de drukte van alledag. | Zo kunnen, samen met de v.z.w. ; Jeugd en Kultureel Erfgoed Vlaande- ; ren, jongeren vanaf 16 jaar zelf gaan I ontdekken hoe veelzijdig en levend i ons gemeenschappelijke patrimonium j wel is. Zij bewandelen hierbij de | wegen der archeologie en monumentenzorg: vaak kronkelig, soms dicht I begroeid, maar nooit saai.... i Aan wie op de juiste wijze de juiste ; vragen stelt, vertellen grondsporen, I muren, gebruiksvoorwerpen en | andere tastbare getuigen van onze \ geschiedenis hun boeiend verhaal. Tijdens twaalfdaagse opgravingskampen krijgen de deelnemers de gelegenheid onder deskundige begeleiding creatief mee te werken aan alle facetten van het archeologisch onderzoek (en soms ook de conservering) van enkele der talrijke historische sites die Vlaanderen rijk is. Aan de hand van uitleg te velde, plaatselijke streekverkenning, excursies, diavoorstellingen en dergelijke meer wordt bovendien rijkelijk tekst en toelichting verschaft, waardoor het stuk "erfgoed" dat blootgelegd wordt opnieuw zijn volwaardige plaats in de wereld van vandaag kan verwerven. Dit jaar worden zo 6 kampsessies georganiseerd. Tijdens twee kampen gaat de vereniging, samen met het Laboratorium voor Prehistorie van de K.U.L. en het Vlaamse Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, te Dilsen-Stokkem op de grens tussen Maasvallei en Kempisch Plateau, verder zoeken naar onze prehistorische voorouders. Boeiende resten van een nederzetting uit de Bronstijd
werden vorig jaar reeds gevonden, maar het streefdoel blijft de overgangsfase tussen Midden- en Nieuw Steentijdperk. in Ename, vlak bij Oudenaarde, zullen voor het eerst eveneens twee kampen doorgaan. Hier verleent Jeugd en Kultureel Erfgoed zijn medewerking aan het project van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium dat de ontsluiting tot doel heeft van de vroegmiddeleeuwe haven- en handelsnederzetting, samen met de resten van de latere abdij. Een vaste waarde in het aanbod van de vereniging is tenslotte het archeologisch onderzoek en de conservering van de middeleeuwse burchtruïne Pietersheim, te Lanaken. Ook in zijn 5de jaargang zal dit de onderzoekers ongetwijfeld nog de nodige aangename verrassingen bezorgen. Nieuw is hierbij bovendien dat, dankzij een internationaal uitwisselingsprogramma, deze laatste kampen jongeren van zes verschillende Europese nationaliteiten zullen ontvangen. De kampen worden georganiseerd met de steun van de Koning Boudewijnstichting, de provincie Limgburg, de gemeente Lanaken, Dilsen-Stokkem en Oudenaarde, en de v.z.w. Sako-Stichting De Boever.
Alle activiteiten vinden plaats in de aangename, ontspannen sfeer van een zomers vakantiekamp. Per sessie worden maximum twintig jongeren toegelaten. De deelnameprijs (alles ingebrepen) bedraagt 8.500,-fr. per persoon; reducties zijn voorzien voor CJP-leden en leden van JKE. Wie meer wil weten over deze unieke vakantieformule, kan contact opnemen met: Jeugd en Kultureel Erfgoed, postbus 20 postkantoor Tlensevest, SOOOLeuven, of S 011/33.18.66 (T. Waegemanj of 015/41.59.82 (S. Binst).
M s a l 12 RESTAURATIE - VAKANTIE IN HAARLEM Ook dit jaar zal de Nederlandse Vereniging van Monumentenzorgers een Doe-Vakantie organiseren in Haarlem en wel in de periode 21 juli tot en met 2 augustus. Het project is tot stand gekomen in samenwerking met Monumentenzorg Haariem, de gemeentelijke sector Natuur & Milieu en de Nederlandse Jeugdbond voor Geschiedenis. Het project omvat werkzaamheden ter consolidatie van de ruïne van Huis ter Kleef en onderzoek naar de geschiedenis van dit - zowel voor de Haarlemse geschiedenis en de ontwikkeling van het Nederlandse kasteel - belangrijke gebouw. Het is niet uitgesloten dat het Huis ter Kleef ouder is dan de 13de eeuw; vermoedellijk is het van oorsprong een versterkte boerderij, die in de loop van jaren omgevormd is tot een kasteel. Het kasteel en de omliggende gronden waren eigendom van de graven van Holland, die het in leen uitgaven. Bekende bewoners van het kasteel zijn ondermeer de Van Brederode's geweest. In 1568 worden alle goederen van de Van Brederode's door de SpanjaarDe stenen Neytsmolen, den verbeurd verklaard. Na afloop te Ertvelde (Evergem) van het Beleg van Haarlem - in 1576 (foto G. Charlier) - ontvangen zij alles weer terug, zij het dat Alva In 1573 het burchtgedeelte met buskruit had opgeblazen. Tot de bruikbare restanten behoorden de nu nog bestaande "Kaetsbaan".
het kasteel voor de bezoeker herkenbaar te maken.
Inlichtinc 'nlichtingen over de NVMz-doevakantie "Huis ter Kleef" zijn verkrijgbaar bij: ir. W.B.J. Polman p.a. postbus 82222, 2508 EE 's-Gravenhage, telefonisch bereikbaar: overdag 023 - 15.16.28; avond 070 - 355.23.30 of 070 - 350.31.62 (antwoordappa-
Op elke laatste zondagnamiddag van de maanden mei, juni, juli, augustus (28 mei, 20 juni, 28 juli, 25 augustus) en Open Monumentendag (15 september), worden een deel van het Oostvlaams ambachtelijk molenpatrimonium en het Provinciaal molenmuseum opgengesteld voor het grote publiek. De organisatie van deze dagen Is een initiatief van de Oostvlaamse werkgroep van de vzw Levende Molens \n samenwerking met het Oostvlaams Provinciebestuur. Als vereniging pleit Levende Molens reeds vanaf haar ontstaan voor het revaloriseren van ons ambachtelijk molenpatrimonlum. De klemtoon wordt hierbij vooral gelegd op het terug in gebruik nemen of in werking houden van onze ambachtelijke molens. Dit jaar worden de volgende molens opengesteld:
MOLENZONDAGEN 1991 Net als vorig jaar, worden ook dit jaar de zogenaamde Molenzondagen georganiseerd.
Windmolens Balegem (Oosterzele): de Klepmolen Balegem (Oosterzele): de Windekemolen
Aan het project zullen tussen de 8 en 14 jongeren (afhankelijk van het aantal aanmeldingen) van 16 tot 24 jaar - zowel jongens als meisjes uit Nederland en België deelnemen. Tijdens het project in 1990 zijn herstelwerkzaamheden aan de zichtbare muurwerken verricht en is tevens onder meer de authentieke toegangsbrug tot de burcht nagebouwd. Amateur-archeologen hebben In de afgelopen maanden onderzoek verricht, waardoor meer van de geschiedenis van het uit de 13de eeuw daterende kasteel duidelijk Is geworden. Het Huis ter Kleef za\ historisch gezien één van de hoogtepunten van de viering van het 750-jarlg bestaan van de stad Haarlem In 1995 worden. Na het kamp dit jaar zullen nog twee doe-vakantles ter plaatse worden gehouden, die er op gericht zijn om
B I N N E N K R A N T
M8cL is 'Zonder stenen is er geen boog'". Dit is een citaat uit Italo Calvions La Citta invisibili{W2). Het fungeert als motto bij het inleidend hoofdstuk Sporen van stedelijk cultuur In Vlaanderen 1477-1787, van Jan van der Stock, ook wetenschappelijk coördinator van het boek Stad in Vlaanderen dat naar aanleiding en ter begeleiding van de gelijknamige Voor info: tentoonstelling in de Galerij van het F. Thys, A. Einsteinlaan 22, 2660 Hoboken. S 03/830.20.51. Gemeentekrediet, te Brussel uitgegeven werd. Beter motto kon inderdaad niet gekozen worden, noch om het boek te presenteren, noch om de tentoonstelling in te leiden. Watermolens De 22 essays die het corpus uitmaken MONUMENT TE KOOP Meerbeke (Ninove): de Fonteintjesvan de uitgave, vormen bouwstenen molen voor de inzichten die geboden In de provincie Brabant wordt worden in de cultuur en maatschappij volgend beschermd monument te Rosmolens van 1477 tot 1787. De beide data zijn koop gesteld: Ertvelde (Evergem): aan de Steneveeleer symbolisch gekozen en Steenokkerzeel (Perk), Huinhovenmolen straat, Teniershoeveoiook Drietoren- verwijzen naar de belangrijke verschuivingen die zich op verschillende hof. Poortgebouw (16-17de eeuw), niveau's voordoen op het einde van voormalig woonhuis (17-18de eeuw) Het provinciaal molenmuseum de 15de eeuw (het herfsttij der en gehavende langsschuur (17-18de Domein Puyenbroek te Wachtemiddeleeuwen) en van de 18de eeuw eeuw). Beschermd als monument en beke (S 091/55.70.87) (de breuk met het Ancien Régime) en als landschap bij koninklijk besluit Al deze molens zullen bij die zichtbare veranderingen meevan 20 november 1973. gepaste weersomstandigheden brachten, ook in het materiële en draaien en eventueel malen, dit Voor alle inlichtingen: J. Vertongen, culturele leven in onze gewesten. in de loop van de namiddag De brug overspant drie eeuwen Brembosstraat 50 te Vilvoorde. vanaf 14 u. 'moderne' tijden, die aan de hand van 0 02/751.90.54. Bijkomende informatie in wat in de toenmalige steden in het verband met de molenzondagen Vlaamse landsgedeelte leefde uit is te bekomen bij: verschillende, boeiende en verhel- JanBauwens, derde invalshoeken worden belicht. Processieweg 11 te 9620 Sint-Maria-Oudenhove, Traditionele invalshoeken komen aan ® 091/60.74.42. bod in essays als Vlaanderen en zijn - Firmin Standaert, steden en Burgerrecht en stedelijke Abdijstraat 75 te Ninove, instellingen, beide van R. Van Uytven; 0 054/33.16.73. Economische en sociaal-culturele structuren van H. Soly; Het humanisme in Vlaanderen van G. Tournoy; Bidden en pronken. Devotie en ZONDAG 2 5 AUGUSTUS beeldgebruik van M. Smeyers; W.H.O.P. WERK-WANDELGenre-iconografie en genreschilders DAG IN HOBOKEN POLDER in woord en beeld van J. Muylle; Uitgeven en drukken te Antwerpen STAD IN VLAANDEREN. Zondag 25 augustus verwacht de van J. Matteme. CULTUUR EN Werkgroep Hobokense Polder MAATSCHAPPIJ: (WHOP) alle natuurliefhebbers - met R. Baetens en B. Blonde rapporteren het hart op de juiste plaats - voor 1477-1787 in een boeiende tekst over bouwen, een dag die in het teken staat van architectuur en wonen in de stad, Natuurbeheer. Twee gedeelten zijn "Marco Polo beschreef een brug, onder de titel Wonen in de stad: voorzien, 's Voormiddags wordt een steen per steen. 'Maar welke steen aspecten van de stedelijke woongeleide wandeling georganiseerd ondersteunt de brug?', vroeg Kublai cultuur en R. Fabri over De inwendoorheen dit opmerkelijke moerasKhan. 'De brug wordt niet onder- dighe wooninghe of de binnenhuisbiotoop, waarbij vooral uitleg gegeven steund door één of andere steen in inrichting. wordt over de effecten van natuurbehet bijzonder', antwoordde Marco P. Poulusen belicht in Van burenlast heer, 's Namiddags kan men kennisPolo, 'maar door de lijn van de boogen milieuhinder de meer prozaïsche maken met de natuurbeheersploeg die ze vormen'. Kublai Khan zweeg aspecten van het samenleven en die reeds het gehele weekeinde aan en dacht na. Dan merkte hij op: werken van velen, op een vrij kleine het werk is. Tevens is het de bedoe'Waarom spreek je me over stenen, en daarvoor meestal slecht uitgeruste ling zelf ook even de handen uit de terwijl alleen maar de boog van plek die de 'vuile Vlaamse stad' toen mouwen te steken: op een niet belang is?' Marco Polo antwoordde: was. Ertvelde (Evergem): de Stenenmolen Herzele : molen Te Rullegem Herzele : molen Ter Rijst Knesselare: de Pietendriesmolen Lembeke (Kaprijke): de Westermolen Mater (Oudenaarde): de Tissenhovemolen Nukerke (Maarkedal): molen Ter Hengst Oordegem (Lede): de Fauconniersmolen Sint-Martens-Latem: de Koutermolen Sint-Niklaas: de Witte Molen Poeke: de Artemeersmolen Zwijnaarde (Gent): Sonnevilles molen
vermoeiende, ontspannende wijze eens proeven van natuurbeheer. Een dag van zien, genieten, maar ook even doen. Een dag vol 'natuurbeleving'.
LITERATUUR
B I N N E N K R A N T
14
STAD IN VLAANDEREN CULTUUR EN MAATSCHAPPU 1477-1787
^
Mentaliteitsgeschiedschrijving brengt R. Muchembled in Omgangsvormen en rituelen, een overzicht van de ontwikkeling van een "savoir-vivre" bij de stadselite tot een "civilisaton des moeurs"oi een beschaafd optreden (civilisatieproces), althans bij een deel van de bevolking. We vernemen hoe het in 1530 door Erasmus geschreven eerste Wellevendheidshandboek danig veel succes kende en hóe wie het in de praktijk bracht duidelijk de bedoeling had zichzelf te affirmeren als behorende tot de sociaal hogere stedelijke klasse. Deze afstand tussen de 'lompe' boer en de 'beschaafde' stedeling wordt bijvoorbeeld ook bij Bosch en Bruegel getoond. Dat het gezag en de Kerk een woordje meespraken in deze moraliserende tendensen is niet verwonderlijk. Interessant zijn de beide bijdragen van P. Vandenbroeck. De eerste, Stadscultuur tussen bovengrondse eenheid en onderhuidse strijd, concentreert zich op het zelfbeeld van de toenmalige stedelijke gemeenschap. Dit wordt gekenmerkt door drie aspecten: ééndracht, inwendige hiërarchie en afgeslotenheid. Deze visie uit zich in de lichaamsmetafoor, en daarnaar gaat de auteur op zoek. Geen gemakkelijk, maar intrigerend en helder gebracht betoog. Zijn tweede essay Vrouwenhiaat, mannenpraat, met een duidelijk 'feministische' kijk, stelt de vraag naar het aandeel van vrouwen, toch de helft van de bevolking, in de
stedelijke cultuur. Een ongewone vraag, in de traditionele geschiedschrijving althans. Antwoorden worden gezocht in het zorgvuldig lezen van de betekeniswaarde van een aantal op de tentoonstelling ook aanwezige beeldbronnen. Leerrijke lectuur, onder meer waar de auteur het heeft over het deculturatieproces van vrouwen, bijvoorbeeld in de verloskunde. Terecht wordt opgemerkt dat, zeker op dit terrein, nog heel wat onderzoek- en studiewerk moet gebeuren.
zoek naar de functie van historieschilderstukken in de Vlaamse stad in de 17de eeuw.
De bijdrage Burgers en hun Portretten van K. Van der Stighelen geeft in bijlage, op basis van de welbekende gepubliceerde boedelinventarissen, een lijst die loopt van 1600 tot 1642, van het aantal portretten in het bezit van Antwerpse burgers, waarvan hun ambacht of hun functie bekend is. Zo telt men bij wijze van voorbeeld, in het jaar 1640 91 portretten in de nalatenschap van P.P. Rubens; 15 bij een weduwe van een goudslager; telkens 1 portret bij een graankoperbrandewijnmaker, bij een schilderijenkoopman, bij een chirurgijn; 24 portretten bij een licentiaat in de rechten; 21 bij een burgemeester; 29 bij een koopman; 2 bij de echtgenote van een koopman; 20 bij een oud-burgemeester en 37 portretten bij een rentenier. Een mooi overzicht van het burgerpubliek dat toendertijd te Antwerpen zijn interieur met geschilderde portretten sierde. De auteur trekt hieruit een aantal betekenisvolle conclusies en draagt zodoende bij tot een verfijning van het beeld van de geschetste tijd. Dit beeld wordt nog verder uitgediept dank zij Klanken in de stad van E. Schreurs, waarin het 'geluidslandschap' geschilderd wordt, dank zij Prenten en visuele communicatie in de 16de eeuw van J. Van der Stock en Stedelijke literatuur in de 15de16de eeuw van H. Pley. We blijven in de wereld van het woord bij C. Coppens, die onder de titel De burger leest! Leest de burger? het boekenbezit onder de loep neemt van Dominicus Wagemaekers, stadsgriffier te Antwerpen, dat gekend is van de boedelbeschrijving die na zijn dood (1576) werd opgemaakt. A. Balis zoekt in zijn essay De nieuwe genres en het burgerlijk mecenaat naar de wisselwerking tussen beide en H. Vlieghe heeft het in Maatwerk en confectie niet over kleding, maar blijft wel degelijk bij de klassieke kunsthistorische leest in het onder-
Men maakt dus met groeiend enthousiasme kennis met het boek, en trekt bijgevolg met hooggespannen verwachtingen naar de tentoonstelling. En dan is helaas een licht gevoel van ontgoocheling onontkoombaar. Niet omdat de tentoonstelling niet 'mooi' zou zijn (op esthetisch vlak valt er niets aan te merken), of niet goed zou zijn opgebouwd (de voorwerpen zijn rond 4 hoofdthema's gegroepeerd: de stad, systeem van politiek macht; de stad, systeem van economische macht; de stad, een leefwereld binnenskamers; de stad, een leefwereld buitenkamers). Wél omdat van de zo boeiende teksten weinig overblijft. Ze zijn uiteraard al te zeer moeten gecomprimeerd worden, zodat in de inleidende tentoonstellingsteksten nog slechts weinig van het sprankelende overblijft en het verfrissende verloren is gegaan. De samenhang van de tentoongstelde voorwerpen is daardoor zoek, vooral omdat buiten een identificatie (die bovendien met een vergrootglas moet worden gelezen) elke duiding of ruimere situering in het geheel achterwege is gelaten. Jammer is ook dat niet elke in de uitgave opgenomen illustratie op de tentoonstelling aanwezig is. Verklaring hiervoor zou zijn dat de volledige tentoonstelling slechts in Oostenrijk te zien zal zijn, waar ze in kasteel Schallaburg deze zomer uitgebreid wordt opgesteld. In Brussel was er plaatsgebrek. Zo krijgen wij interessante zaken als bijvoorbeeld het schaalmodel van een Antwerpse koopmanswoning uit de 16de eeuw niet te zien, noch de van sloping in de 19de eeuw gerecupereerde renaissance onderdelen van de loggia van het huis De MoelnereVan Daele te Antwerpen.
Alles samen geeft deze uitgave ons, met de bekende 'nouvelle histoire'blik, een boeiende kijk in het verleden. Dit is het geval voor de eerste 290 bladzijden. De volgende 300 pagina's vormen de catalogus bij de tentoonstelling. Een schare van een 100-tal historici zorgden voor de beschrijvende teksten, waarbij ook de duiding meestal niet vergeten wordt.
Een tentoonstelling is echter tijdelijk, een boek blijft. Terecht werd dan ook — en dat is men van het Gemeente-
B I N N E N K R A N T
M8cL
15
om - naar aanleiding van dit bezoek en in herinnering aan de 200ste verjaardag van het overlijden van de in Salzburg geboren musicus (17561791) - de Gentse wooncultuur tijdens zijn leven te belichten. Gent, gelegen in de Oostenrijkse Nederlanden, beleefde na het graven van de Coupure (1751-1753) economische hoogdagen die zich uitdrukten in winstgevende handelpraktijken, een schitterend theaterleven en een rijke stadscultuur die van de elite afstraalde op de lagere klassen. De bouw van prachtige "hotels de maftre", comfortabele burgerhuizen en meer eenvoudige woningen, met een nog nadrukkelijke Franse invloed, was een uiting van deze heropleving. Schaalmodel van een Antwerpse koopmanswoning uit de 16de eeuw
krediet ondertussen gewend - aan de uitgave de grootste zorg besteed. Ook materieel bekeken, wat druk, illustratie en lay-out betreft, is het een boek van de bovenste plank. Het verschaft boeiende lectuur en intensief kijkgenot. Het illustreert afdoende, en op een moment dat het geschiedenisonderricht op school weer eens ter discussie staat, dat dit niet saai of droog hoeft te zijn, maar dat het ook anders kan. Een prijzenswaardige aanwinst dus, en dan nog voor géén geld (2000,-Bfr.) eigenlijk. C. De Maegd.
d in Vlaanderen: Cultuur en maatschappij: 1477-1787, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1991, 615 p., illustraties.
EEN R E M A R Q U A B E L AMBELISSEMENT In september 1765 verbleef de familie Mozart één dag in Gent. Leopold, Nannerl en Wolfgang Amadeus logeerden er in het Sint-Sebastiaanshof op de Kouter en bezochten enkele Gentse merkwaardigheden, waaronder het pas gebouwde Van Peteghemorgel in de kerk van de P.P. Cisterciënzers. De Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie nam het initiatief
Het boek wil bewust geen architectuurstudie zijn; wel werd getracht om de levenssfeer van de 18de eeuw te schetsen. Hoe werd gebouwd en door wie ? Niet alleen de gevels in de meest gangbare stijlen, rococo en classicisme, ook de interieurs worden in de kijker gesteld. Elke klasse bouwde naar eigen vermogen of zag in het bouwbedrijf een lucratieve bezigheid. Talent was aanwezig, al dan niet opgeleid in de steeds meer afbrokkelende corporatieve milieus.
beheer (LONL) en het Samenwerkingsverband "Asjeblieft... niet in 't Riet!!" {m). De uitgave blijkt een pleidooi te zijn voor het opnemen van natuurlijke elementen als riet bij de aanleg (en het beheer) van waterlopen en recreatiepiassen. Aan de hand van voorbeelden van "natuurlijke oevers" wordt aangetoond dat dergelijke oevers gebruikt kunnen worden in de oeverbescherming. In dit verband worden zelfs kostprijsvergelijkingen van gerealiseerde projecten gegeven. Het blijkt dat de realisatie ervan doorgaans duurder was. De meerkost wordt dan gecompenseerd door de baten die weliswaar financieel niet becijferbaar zijn zolang natuurwaarden ekonomisch niet meetbaar zijn. Deze handleiding wekt alleszins de indruk dat wij als natuurbeschermers en landschapszorgers niet ver meer staan van de realisaties van meer natuurvriendelijke waterlopen. Het is alleszins een aanrader. R. De Meirsman.
K\ Kwaadsteniet, P.I.M. de. Natuurlijke oevers in beweging. Handleiding voor inrichting en beheer van riet, en andere natuurlijke oevers, Utrecht, 1990. De brochure is te bestellen bij de Stichting Landelijk Overleg Natuur- en Landschapsbeheer, Donkersteeg 17, NL-3511 KB Utrecht. & 00-32-30-340777.
Hoewel vanaf de 19de eeuw vele 18de-eeuwse interieurs gewijzigd werden, zijn bij een diepgaand onderzoek ter plaatse nog mooie authentieke voorbeelden in het hedendaagse stadspatrimonium terug te vinden.
., Een Remarquabel Ambelissement. Te bekomen vanaf 1 augustus, tijdens de kantooruren, bij de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie, Onderstraat 20, 9000 Gent (S 091/23.99.22 of23.99.77), of na storting van 720,-fr. (+ 28,-fr. portkostenj op rekeningnummer 290-0023890-49 van de F.V. dekenij Patershol, p.a. Drongenhof 6, 9000 Gent.
NATUURLIJKE OEVERS I N BEWEGING Deze handleiding is een gezamenlijke uitgave van de Stichting Landelijk Overleg Natuur- en Landschaps-
M&L-ANTIQUARIAAT Geregeld ontvangt de redactie van M&L radeloze lezersbrieven, op zoek naar oude, sindsdien uitgeputte nummers. Bij wijze van dienstverlening aan verknochte abonnees brengt de binnenkrant (gratis) telkens nodig deze rubriek, en dit op eenvoudige aanvraag bij de redactie. Markiesstraat 1,1000 Brussel. De M&L-aflevering 1/1 (novemberdecember 1981) wordt nog steeds gezocht door Jan Gastmans, Heideland 8, 2640 Mortsel (S 03/440.15.36)
B I N N E N K R A N T
M&L CITAAT
"Les barbares et les esclaves détestent les Sciences et détruisent les monuments des arts; Les hommes libres les aiment et les conservent." (Barbaren en slaven (der onwetendheid) verafschuwen de wetenschap en vernielen de monumenten van kunst en cultuur. De vrije mens evenwel koestert ze met liefde en zet zich in voor hun behoud.) Grégoire, erkend (beëdigd?) bisschop tijdens de Franse revolutie, lid van de Nationale Conventie.
•
é.&:.\ •'•<• T^T^FTJWW^KT. x*C
•v*. iftWT"
-.' m
m •• •••"•• - m
1
' éJ •spe
^ ' J . ^ .8? W
Fti
~i«f
/
' • < ' •
.i_
34
Het geometrisch gedeelte uit het tuinontwerp van Louis van de Swaelmen voor het domein Mallard in Meldert (uit Twee voordrachten over Moderne Tuinkunst, s.d)
M&L
Intussen is het Engels Park van Alden Biesen geëvolueerd naar een kostbaar relict van laat 18de-eeuwse tuinarchitectuur en een onmisbaar refugium van stinseplanten als Voorjaarszonnebloem, Blauwe monnikskap, Donkere ooievaarsbek, Sneeuwklokje en Smeerwortel, naast bosbloeiers als Bosanemoon, Slanke sleutelbloem. Speenkruid en Maagdenpalm (14). Het Engels park is eigendom van de provincie Limburg en maakt het voorwerp uit van een restauratie- en herinrichtingsdossier.
HET ONTWERP De zwanezcmg van een miskend tuinarchitect. Voor de herinrichting van de oranjerietuin en de tuin van de landcommandeur zijn in totaal drie ontwerpen gemaakt. Een eerste ontwerp werd in 1984 uitgewerkt door tuinarchitect Guido van Giel (1937) van de Regie der Gebouwen-Antwerpen, onder supervisie van de - nog steeds niet op zijn waarde geschatte Antwerpse tuinarchitect Georges Wachtelaer (1903-1984).
De stempel van de hoogbejaarde Wachtelaer, wiens leerschool de Nouveau Jardin Pittoresqueof Moderne Tuinkunst-beweging geweest was, is onmiskenbaar aanwezig: de vormentaal, de maatvoering, de materiaalkeuze en het plantenassortiment zijn duidelijk aan de tuinkunst van het Interbellum ontleend. Zoals alle ontwerpers van zijn generatie is ook hij steeds schatplichtig of - in positieve zin gesteld - trouw gebleven aan het
Het eerste herinrichtingsontwerp(1984) van tuinarchitect Guido van Giel
-wjy
-(c) M-'
M&L
35
ideeëngoed, waarvan landschapsarchitect-stedebouwkundige Louis Van der Swaelmen (18831929) en tuinarchitect Jules Buyssens (1872-1958) de geestelijke vaders waren geweest (15). De diagonale perkindeling van de oranjerietuin, de ontdubbelde padenstructuur, de verdiepte 'zitkuil' bij het achthoekig waterbekken, de grasvlakken met op de hoekpunten tot 4 meter hoge taxuspiramiden, de kasseien en de steenslag op de paden mogen dan wel enigszins aan de - van zijn franje ontdane klassieke Franse tuinkunst refereren, in wezen blijft het pure Art Deco. De voortuin (de tuin van de landcommandeur) gebruikt trouwens hetzelfde, specifieke tuinvocabularium: vier geometrische, omhaagde, monochrome perken met polyantharozen tegen een achtergrond van naar het centrum trapsgewijze oplopende hoge haag en vanaf de 19de eeuw massaal ingevoerde "decoratieve" planten, als de uit Japan afkomstige camellia's, rhododendrons en uit West-Azië ingevoerde klimop (Hedera cholchica (K. Koch) K. Koch).
Het tweede herinrichtingsplan van tuinontwerpster Viviane Paeiinck
Maar hetgeen wellicht het meest frappant de invloed van de Moderne Tuinkunst verraadt is de totale afwezigheid van tuinelementen die door het beschikbaar iconografisch materiaal aangereikt worden (16).
Groen Albion in het keursiijf van de symmetrie. Het tweede ontwerp, meteen het eerste van de hand van tuinontwerpster Viviane Paeiinck, nam wèl elementen van het voorhanden zijnde historisch beeldmateriaal over: het rechte assenkruis en vier met bloemen omrande grasperken in de oranjerietuin, evenals de typische perkjes met bolronde vormboompjes op stam refereren aan Romein de Hooghes prent uit 1700; de vier halfronde nissen aan de tekening van G. Doyen uit 1716. In de vier perken werden - op vraag van de restauratiecommissie - fruitbomen in een grasvlak voorzien, als verwijzing naar het laatste gebruik van de oranjerietuin. In de tuin van de landcommandeur werd, een schijnsymmetrie creërend, een centrale langs-as ingebracht die uitgaf op een monumentale trap. Dit aantrekkelijk perspectief werd afgesloten met een decoratieve zitbank naar beproefd Engels model, geflankeerd door twee potplanten met als achtergrond de geknotte linden-allee in het achterliggend Engels Park. Een berceau of lovergang met leifruit vervolledigde het geheel. Het plantenassortiment, met onder meer grootbladige hosta's en talrijke oude rozenvariëteiten, illustreerde de verbondenheid van de ontwerpster met de rijke horticulturele
36
M&L
purperbladige salie (Salvia officinalis L. cv. Purpurascens) en hemelsblauw bloeiende lavendel (Lavandula officinalis L.). De centrale langs-as is aan beide zijden geaccentueerd door bolrond gesnoeide zeldzame jeneverbessen op stam (Juniperus squamata Buch.-Ham. ex Lamb.). Het centraal broderieperk is aangeplant met Cypressekruid (Santolina chamaecyparissus L.) en Buxus. De paden zijn verhard met dolomiet. Zoals in de hele tuin is bijzondere aandacht besteed aan de detailafwerking: de afboording van de perken is bijvoorbeeld in blauwe hardsteen.
De tuin van de landcommandeur vanuit het zuiden. Op de voorgrond een loofwerk van Buxus en Cypressekruid (foto 0. Pauwels)
traditie van de Britse Eilanden die ons vandaag in talrijke publikaties voorgesteld wordt. Toch zou er nog een derde ontwerp volgen.
Een nieuwe hof naar oud model
• • De oranjerietuln vanuit het zuidoosten. Rond het centraal motief ligt een wWe schaduwrand Zes taxus kegels vormen het verticaal element (foto O. Pauwels)
Een aantal fundamentele opmerkingen van het Bestuur Monumenten en Landschappen omtrent de inhoud en de vorm van bepaalde tuinonderdelen en eerder gekozen opties, leidden medio 1989 tot een derde ontwerp, het tweede van de hand van Viviane Paelinck. Zo konden de vier met bloemen omrande grasperken met fruitbomen bezwaarlijk als representatief voor een oranjerieparterre bestempeld worden. Ook een rechtstreekse doorgang via de monumentale trap naar het Engels Park kon, omwille van de nefaste invloed van de verwachte recreatiedruk op het uiterst kwetsbare park met zijn vele natuurwaarden, niet worden geaccepteerd. Zodoende is in het definitief ontwerp de monumentale trap geschrapt en vervangen door een halfrond prieel, identiek aan de vier prielen op het centraal broderieperk. De met Buxus omrande perken in de tuin van de landcommandeur zijn uniform beplant met
In de oranjerietuln is de monumentale berceau of lovergang het op één na belangrijkste tuinonderdeel. Hij is geconstrueerd in warmgewalst platstaal en horizontaal rondstaal, rust aan één zijde op de westmuur en bestaat uit 17 geledingen met 3 doorgangen. Het profiel vertoont een korfboog. Tegen de lovergang staan leiperen: Bon Chretien Williams (1770), Comtesse de Paris (1882), Conference (1894), Louise Bonne d'Avranches (1788) en Seigneur d'Esperen (1827). Tegen de muur groeien Klimhortensia (1878) (Hydrangea petiolaris S. & Z.), Klimop (Hedera helix L.) en clematissen, onder andere Clematis flammula L. (16de eeuw). Clematis x jackmanii Moore cv. Perle d'Azur (1885), Clematis viticella L. cv. Purpurea (1768), Clematis spec. L. cv. Etiole Rose (vóór 1900) en Clematis campaniflora Brot. (1810). Er staan oude rozen (Rosa centifolia L. cv. Muscosa, 1724) naast nieuwere (Rosa chinensis Jacq. cv. Rose de Meaux, 1789). Ook in de collectie vaste planten zijn oude naast nieuwere soorten en cultuurvariëteiten gebruikt: het blanke Florentijnse lis (Iris germanica L. cv. Florentina, 16de eeuw) bloeit er naast de Schoenlappersplant (Bergenia cordifolia L. cv. Purpurea, 1879). De blikvanger van de oranjerietuln is het centraal parterre dat zijn naam ontleent aan de 28 oranjerieplanten - waaronder 12 Bittersinaasappelen of Pomeransen (Citrus aurantium L.) - die rond het perk zijn opgesteld. Rondom het oorspronkelijk, achthoekig waterbekken liggen vier compartimenten in rode steenslag, omsloten door een bloemenrabat of -rand. Het centraal motief in de compartimenten bestaat uit een embleem: een diagonaal kruis van vier gestileerde Franse lelies in geschoren gras, omgeven door een witte schaduwrand. De keuze van dit compartiment met Franse lelies uit één van de Twee Hondert Modellen voor de Lief-hebber van Hoven en Thuynen in de Zuidnederlandse editie uit 1687 van Jan van der
i ;
ip^W'IW^^^.
«r
i-Wf./^ » • J-T»
.•*•••
f f l j l ^ l l l f iHiijfffipLf Pi liM.IIII'f W
,*«.»»'•
*k0**^
m -Me
38
Het derde ontwerp, hef tweede van Viviane Paelinck
Jan van der Groen, Den Nederlandtschen hovenier, Twee hondert Modellen voor Lief-hebbers van Hoven en Thuynen seer dienstigh om alderhande Bloempercken. Parterres, oft Loof-wercken te legghen, i l de Brusselse editie van 1687. Perk nr, 43 stond model voor de compartimenten van de oranjerietuin
M&L
Groens Den Nederlandtschen Hovenier, verwijst naar het voorrecht dat Lodewijk de Heilige in de 13de eeuw aan de Duitse orde toestond om de Franse lelie in het wapen te voeren (17). Emblematische tuinen hebben hun wortels in de 16de en 17de eeuw en waren het voorrecht van enkelen (18). De overgang van het compartiment naar het bloemenrabat bestaat uit een "properheidsrandje" van lage buxus en wit grind. De bloemenrabatten zijn omrand met buxushaagjes en op regelmatige afstanden getooid met buxusbollen en -kegels. De verticaliteit in het parterre, die op de prent van Romein de Hooghe door langoureuze beelden op voetstukken verkregen wordt, is hier gerealiseerd in hoge, ranke taxuskegels. De beplanting van de rabatten is alzijdig symmetrisch opgevat en bestaat zowel uit soorten en cultuurvariëteiten die omstreeks 1700 in de literatuur voorkomen als uit recentere introducties. De voorjaarsbloei wordt ingeluid door 2100 tulpen, waaronder aloude soorten als Bruine Purper, Viceroy en Semper August, 2100 narcissen, 2100 hyacinten en 1040 knolgeofyten als ranonkels, lelies, irissen, anemonen, keizerskronen en kievitsbloemen. Het algemeen plantenbeeld en de plantwijze zal, hoewel enigzins gevulder en iets kleurrijker.
het eind 17de-eeuwse aspect benaderen. Het oranjerieperk ligt temidden van brede allees in dolomietverharding als een "carpette" op het "parquet".
M&L
39
40
M&L
Jan I van Kessel (Antwerpen, 1626-1679), Bloemenstilleven met insecten (Musée Municipal, Doornik) Eén kostbare tulp, de Semper August, tooit het boeket dat is samengesteld uit roze en wrtte Honderdbladige roos (Rosa centlfolia L), Tuingoudsbloem (Calendula officinalis L), Winde (Convulvus tricolor L) en rode lelies (Lilium chalcedonicum L.) (foto H, Maertens)
(4)
(5) (6)
(7) (8) (9) (10) (11)
(12) (13)
(14)
(15) (16) VOETNOTEN (1) Sedlmayer H., Verlust der Mitte, Salzburg, 1948. (2) Lees hierover Meyvaert P.. The Medieval Monastic Garden, in Medieval Gardens, Dumbarton Oaks Colloquium on the History of landscape architecture, Dumbarton Oaks, 1986. (3) Alle ander sparresoorten werden pas later ingevoerd. Zie Boom B.K., Nederlandse Dendrologie, Geïllustreerde (17) handleiding bij het bepalen van de in Nederland voorkomende soorten, variëteiten en cultivars der gekweekte houtige gewassen, Wageningen, 1975 (negende druk). (18)
Mollet A., Le Jardin de plaisir, Contenant plusieurs desseins de Jardinage tam Parterres en Broderie, Compartments de gazon, que Bosquets & autres, Stockholm. 1651. Hopper F., The Dutch Classical Garden and André Moltet, in Journal of Garden History, vol. 2, nr. 1, 25-40, 1982. Saumery P.-L. de, Les Délices du Pais de Liège, Luik. 1744; de tekening van Remacle le Loup wordt bewaard in het Musée des Chiroux te Luik. Illustrators van tuinsites beelden vanaf de 17de eeuw vaak "de wilde natuur" af als noodzakelijke tegenpool van de kunstige tuinen. Rijksarchief Hasselt. Archieffonds Alden Biesen. Brussel. Koninklijke Bibliotheek Albert I, Afdeling Kaarten & Plattegronden. Wenen. Centraal Archief van de Duitse Orde (DOZA). In de vier nissen van dit al of niet uitgevoerd tuinontwerp kunnen bijvoorbeeld gestaan hebben allegorieën op de vier seizoenen (cfr. de plafondschilderijen (1660-1665) door Walthère Damery in opdracht van landcommandeur Edmond Godfried von Bochholtz en Orey (1657-1690) of de vier kardinale deugden (cfr. de plafondschilderijen (circa 1690-1709) in opdracht van landcommandeur Hendrik baron van Wassenaer): de Voorzichtigheid met als attributen een slang en/of een spiegel, de Gerechtigheid met een zwaard en een weegschaal, de Sterkte met in de barok doorgaans een gebroken zuil, de Matigheid die twee schalen hanteert, hierbij water bij de wijn voegend. Rijksarchief Hasselt, Fonds Alden Biesen. Anoniem, begin 19de eeuw, landcommanderij Utrecht. Cfr. foto vóór 1932 van het tartaars huis in het Engels Park van Alden Biesen. die eveneens de Bosselaardreef met zuilvormige Italiaanse populieren weergeeft (Fotoarchief Regie der Gebouwen). Voor meer informatie zie Alden Biesen, Landschapswandeling, uitgegeven door het Provinciaal Natuurcentrum Rekem, 1986. Correvon H., Le Nouveau Jardin Pittoresque. Brussel. 1913. Louis van der Swaelmen stelt in een voordracht over nieuwe vooruitzichten en toekomstige richting van de Moderne Tuinkunst : "En wanneer reeds de Kenteekenen van de Stijl zijn afgestorven en niet meer in staat zijn een levensvatbare schepping te doen ontstaan, het Karakter dat in het antieke werk den dood der geamputeerde formules overleeft, die de kunst-gramaticus er uit heeft ontleed, straalt rondom hen en streeft naar wedergeboorte in nieuwe vormen, ipso facto in verheven harmonie met de oude en tegelijk uitdrukking gevende aan de nieuwe waarheden". Wenen, DOZA, Handschrift 2de helft 18de eeuw. Centraal Archief, een stripverhaal over het ontstaan van de Duitse Orde. Strong R., The renaissance Garden in England, London, 1979.
ALDEN BIESEN - TUINAANLEG - TECHNISCHE FICHE Ontwerp : Viviane Paeiinck, Zolder Bouwheer : Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Begeleiding : - Commissie Restauratie Alden Biesen - Bestuur Monumenten en Landschappen Opvolging Regie der Gebouwen Financiële steun : Europees Front voor Regionale OntwikkeUng Aannemer B.V.B.A. WiÜy Grommen , Hoeseit Onderaannemer: Firma Bert Dautzenberg, Sint-Truiden
M&L
41
DE KOORBANKEN VAN DE SINT-GEERTRUIKERK TE LEUVEN MAURITS SMEYERS en MARJAN BUYLE
Voor het bidden en zingen van het gemeenschappeiijk koorgebed ontstond in de wereid van de monniken een meubei met een zeer utilitair karakter: de koorbanken. Tegemoetkomend aan de menseiijke
zwakheid diende het om tijdens het vaak urenlange gebed op bepaalde momenten neer te zitten en bevatte het allerlei hulpmiddelen om het rechtopstaan en het knielen te vergemakkelijken.
42
M&L
EEN ORGELPUNT VAN DE BRABANTSE LAAT-GOTIEK
Dit meubel was volgroeid in de 12de eeuw en was zo perfect dat men later nauwelijks nog iets hoefde toe te voegen of te veranderen. In de loop der eeuwen paste het zich enkel aan de stijlwisselingen aan. Het werd vooral het voorwerp van een groeiende versiering (1). Een van de mooiste en vrij goed bewaarde koorbanken uit de Zuidelijke Nederlanden bevindt zich in de abdij van Sint-Geertrui, te Leuven. Het meubel valt op door de coherente iconografische opsmuk en door de buitengewoon rijke decoratie, waarin de laat-gotiek in onze gewesten een orgelpunt beleeft.
ABT PIETER WAS EN SCHRIJNWERKER MATHYS DE WAYERE In 1206 stichtte hertog Hendrik I van Brabant (tl235) te Leuven een proosdij van reguliere kanunniken van Sint-Augustinus. Ze werd gehecht aan een kapel toegewijd aan de Heilige Gertrudis, gelegen net buiten de eerste stadsmuur (2). Pas in 1449 werd het klooster verheven tot abdij. In menig opzicht één der voornaamste prelaten was zonder twijfel Petrus Was (1526-53). Hij stamde uit een edel Brussels geslacht dat verwant was met tal van andere vooraanstaande families in de Zennestad. Hij stond bekend om zijn bijzondere morele en verstandelijke kwaliteiten en wist vele problemen het hoofd te bieden. Als lid van de Staten van Brabant verzette hij zich samen met andere Brabantse abten tegen aftroggelarijen en vorstelijke inmenging. Intern slaagde hij erin de hem toevertrouwde gemeenschap in de rechte baan te houden ten tijde van de opkomende Reformatie. Met medewerking van de humanist Gerard Morinck, vriend van Erasmus, versterkte hij de observantie van de regel (3). Hij bekommerde zich tevens om het temporele. In 1548 liet hij in de Borchstraat (huidige Mechelsestraat) nabij de abdij vijf huizen optrekken en drie jaar later bouwde hij een wijnpers in de omgeving van de Brusselse poort (4). Reeds in 1536 had hij bij de Leuvense glazenier Jan van Diependale glasramen laten maken, bestemd voor de abdijkerk van Vlierbeek,
de collegiale van Aarschot en de pedagogie De Lelie te Leuven. Voor zijn eigen kerk bestelde hij bij Pieter de Groote, alias van Gheele, voor de versiering van het koordoksaal een beeld van Onze-Lieve-Vrouw-in-de-zon. Bij de Leuvense geelgieter Jan Veldener liet hij een doopvont vervaardigen. Tenslotte nam hij het initiatief om zijn kloosterkerk van nieuwe koorbanken te voorzien (5). Dat hij de opdracht gaf, is onbetwistbaar. Zijn portret met wapenschild prijkt op een reliëf met de Verrijzenis, ingewerkt in de rugbeschotten van het meubel. De abt knielt in aanbidding neer voor de Verrezene, bijgestaan door zijn patroon, de Heilige Petrus. Bovendien leren ons tal van documenten dat het gestoelte omstreeks 1540 besteld werd bij Mathys de Wayere, een Brusselse schrijnwerker (6). Laatstgenoemde was sedert 1506 in de Zennestad ingeschreven als poorter. In 1536 vervulde hij het ambt van gezworene van het schrijnwerkersambacht. De koorbanken van Sinte-Geertrui vormden niet zijn proefstuk: in 1529 vervaardigde hij samen met Christiaan Sweluwe, in opdracht van abt Antonius Tsgrooten de koorbanken van de abdij van Tongerlo. Ze waren versierd "met meer dan 350 aerdige beelden en oneyndig loofwerk". Dit meubel ging echter verloren bij de afbraak van de kloosterkerk ten tijde van de Franse Revolutie (7). Dat abt Was zich tot een Brussels ambachtsman wendde is niet verwonderlijk. Vooreerst was hijzelf uit die stad afkomstig en wilde hij wellicht een stadsgenoot begunstigen. Bovendien kende hij abt Tsgrooten; ze zetelden samen in de staten van Brabant en voerden aktie tegen de regering. Mogelijk heeft de overste van Tongerlo de Wayere als een geschikt bouwer van koorbanken aangeprezen. Hierbij mag men echter niet uit het oog verliezen dat in die periode door kerken, broederschappen en gilden uit het Leuvense tal van bestellingen van kerkmeubels te Brussel werden geplaatst (8). De artiesten uit de Zennestad genoten hier in elk geval een goede reputatie (9). De koorbanken in de Sint-Geertruikerk kwamen er niet zonder ernstige problemen, die iets leren over de toenmalige ambachtelijke situatie. Vermits de Wayere, als vreemdeling, een meubel diende te vervaardigen voor een Leuvense kerk, eiste de ambachtelijke reglementering dat hij zich liet inschrijven in de stad waarvoor hij werkte. Hij onderwierp zich gewillig en betaalde prompt inkomgeld in het Leuvense ambacht van de schrijnwerkers. Hoewel de vervaardiging van een houten gestoelte voor een groot gedeelte het werk
M&L
43
hij zou worden gedaagd. Deze laatste feiten werden door de schepenen geacteerd op 7 januari 1542 (n.st.), maar de Wayere was op dat ogenblik reeds wijselijk naar Brussel weergekeerd. Hij liet zich te Leuven vertegenwoordigen door Peeter Hermans, een schrijnwerker uit de Sint-Gertrudisparochie die als borg optrad (10).
Fragment van de koorbanken in de Sint-Ge rtruikerk. Tekening uit A. Everaerts, Monographie des stallesdel'églisede Sainte-Gerirude d Louvain, 1878, ms. in Leuven, Stadsarchief, 81, pi, LVi
was van schrijnwerkers, toch moest voor de sculpturale opsmuk een beroep worden gedaan op beeldhouwers. De Wayere legde hiervoor de nodige contacten en gaf het beeldhouwwerk in onderaanneming uit, en meer bepaald aan buyten lieden, dus waarschijnlijk aan stadsgenoten die hij goed kende. Deze gang van zaken was niet naar de zin van de Leuvense beeldsnijders, die toen deel uitmaakten van het ambacht van de metselaars en steenhouwers. Zodra ze het meubel of gedeelten ervan te zien kregen, ergerden ze zich blijkbaar aan het aanzienlijk sculpturaal decor dat de koorbanken opluisterde en, meer nog, aan het feit dat de Wayere hiervoor vreemde beeldsnijders had geëngageerd. Ze wensten bijgevolg dat de Brusselse schrijnwerker een inschrijving zou nemen in hun ambacht. Pas op die voorwaarde mocht hij beeldhouwers tewerk stellen. De Wayere ging hierop echter niet in. De metselaars spanden daarop een proces in; daardoor groeide de zaak onverwacht uit tot een zwaar arbeidsconflict. Wat er zich juist afspeelde is niet volledig bekend, maar in ieder geval belandde de Wayere in de Leuvense stadsgevangenis. Hij kocht zich echter spoedig vrij door storting van een borgsom en mits belofte voor de schepenbank te verschijnen zodra
Pas twee jaar later, op 9 januari 1544 (n.st.) werd de zaak beslecht. De Wayere was niet persoonlijk op de zitting aanwezig, doch Hermans trad weer in zijn plaats op. De gezworenen van het metselaarsambacht zetten ter zitting de reeds geformuleerde beschuldigingen kernachtig uiteen. De Leuvense schrijnwerkers daarentegen verdedigden hun Brusselse ambachtsgenoot door er op te wijzen dat de metselaars volgens een oude gewoonte alleen rechten konden laten gelden wanneer het de vervaardiging van losstaande beelden betrof en niet wanneer een sculpturale versiering een onafscheidelijk geheel vormde met een houten constructie, wat bij dit gestoelte het geval was. Het ziet er naar uit dat de woordvoerders van het laatste ambacht hun zaak met brio verdedigden, want de stadsraad trad hun zienswijze bij; hij verklaarde de eis der metselaars niet ontvankelijk en veroordeelde hen tot het betalen der proceskosten (11). Soortgelijke processen hebben zich te Leuven en elders tijdens het Ancien Régime herhaaldelijk voorgedaan, en dit vaak in alle hevigheid en ten koste van veel tijdverlies en geld. Dit was in de Dijlestad bijvoorbeeld het geval in 1507-1510, tijdens een analoog proces tussen schrijnwerkers en metselaars. Toen reeds decreteerde de stadsraad dat al degenen die vrijstaande beelden vervaardigden zich moesten laten inschrijven in het ambacht van de metselaars. De schrijnwerkers daarentegen mochten zich inlaten met sculptuur indien die verbonden was met meubels zoals koordoksalen, afsluitingen, gestoelten enzovoort (12). De uitspraak van 1544 was dus volledig conform met princiepen die reeds eerder waren aanvaard.
EEN SOMPTUEUS MEUBEL
De Wayere was er goed van op de hoogte hoe koorbanken moesten worden opgevat. Vooraleer die van Tongerlo te maken, had hij eerst een reis ondernomen naar de Sint-Niklaaskerk te Brussel, het kartuizerklooster van Scheut,
44
M&L
vlak met maaswerk dat bovenaan uitloopt op een console. Daarop prijkt een gehistorieerd reliëf in een ondiepe nis. Dit is tenslotte voorzien van een ietwat vooruitstekend baldakijn, dat zeer rijk is uitgewerkt. De wijze waarop de reliëfs en hun bekroning zijn opgevat, doet denken aan de compartimenten van de toenmalige Brabantse retabels. Deze beschotten zijn thans voorzien van een overhuiving die echter, zoals verder zal blijken, niet oorspronkelijk is. De stoelen met de opklapbare zitberden zijn eveneens geconcipieerd volgens een traditioneel schema. Nieuw is wel dat het rechthoekig deel van de tussenschotten onderaan met maaswerk is opengewerkt en dat de rug van de zitsels eveneens met fenestrage is opgeluisterd, wat eerder uitzonderlijk is.
Stalls of the Church ofSte Gertrude Louvaln (romantische episode uit de geuzentijd, gesitueerd in de Leuvense SintGertruikerk) Lrttiografie door Day & Son, naar L Haghe,
Frontaal gezicht op de centraie toegang tot de zuid-vieugei van de koorbanken (toto O Pauwels).
de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Michielsabdij te Antwerpen, verder de kerken van Aarschot, Averbode en Diest, en het SintMaartensklooster te Leuven, om er bestaande gestoelten te gaan bekijken (13). Voor die van Sint-Geertrui volgde hij het klassieke patroon. Aan weerszijden van het koor voorzag hij een vleugel in winkelhaakvorm, waarvan de smalle arm tegen de achterkant van het toen nog aanwezige gotische koordoksaal was geplaatst. Op die wijze was het koor geheel afgesloten van het kerkschip. Bij een ingreep in de 19de eeuw zouden de vleugels worden rechtgetrokken. De oorspronkelijke situatie is te zien op een gravure van Henry Brown uit de eerste helft van de 19de eeuw en op een Engelse romantische gravure van Louis Haghe uit dezelfde periode, waar de koorbanken dienen als decor voor een episode uit de Godsdienstoorlogen. Elke vleugel bevat twee rijen banken: de hoge, langs drie zijden toegankelijk, telt veertien en de lage twaalf zitplaatsen. Beide rijen zijn telkens afgesloten met wangen, versierd met gehistorieerde reliëfs onder ingewikkelde bogen. De wangen van de hoge bankenrij werden bovenaan bekroond met een oorspronkelijk vrijstaand beeld van een kerkvader, met de rug naar de dorsalen gewend. Op die van de onderste rij voorzag men een verhalend tafereel, eveneens met volplastische figuren. De dorsalen of rugbeschotten zijn verticaal geleed in veertien panelen, conform met het aantal zitplaatsen, en horizontaal in vier geledingen: onderaan een laag langwerpig paneel met arabesken, vervolgens een
De diverse onderdelen van het meubel vervloeien door een wemeling van decoratieve elementen op merkwaardige wijze in elkaar. Het is bovendien wonderbaar hoe de laat-gotiek, meer bepaald in haar barokke, flamboyante fase, hier nog springlevend is, hoewel de renaissance reeds haar intrede had gedaan. Deze vaststelling geldt zowel
M&L
Het koor van de Sint-Gertaiikerk. Tekening uit A. Everaerts, Monographie des stales de l'église de Saint-Gertrude a Louvain, 1878, ms. in Leuven, Stadsarchief, 81, pi, Vi,
45
voor de structuur als voor het decorum. Het fenomeen wordt vooral duidelijk wanneer men de vergelijking maakt met bijvoorbeeld de koorbanken van Dordrecht, die precies op hetzelfde ogenblik (1538-42) zijn ontstaan en opvallen door hun soberheid en duidelijk renaissancekarakter (14). Nochtans is de toestand te Leuven niet uitzonderlijk. De sacramentstoren van de Sint-Jacobskerk is in 1538 vervaardigd naar het model van een zelfde meubel in de Sint-Pieterkerk dat haast een eeuw vroeger ontstond, en ziet er dan ook uit als een gotische constructie (15). Overigens kan men over het algemeen stellen dat de renaissance in de Nederlanden slechts schoorvoetend zijn intrede deed. De artiesten namen bovendien niet de taal van deze nieuwe stijl over, doch ontleenden alleen enkele elementen uit het vormenalfabet om er de reeds erg overladen gotiek mee te verrijken. In de hier besproken koorbanken treft men slechts één renaissance-ornament aan, namelijk in de smalle horizontale fries onderaan de rugbeschotten, vlak boven de zitsels. Het betreft de arabesk, bestaande uit gestileerd en plastisch acanthusrankwerk. Dit ornamenteel motief is trouwens het eerste waarmee de renaissance zich in onze gewesten manifesteerde.
AANPASSINGEN In 1631-33 werd het bestaande gotische koordoksaal door Jan Bosset vervangen door een nieuw in late renaissance-stijl. Het vormde wellicht nog een echo van het meubel door Cornelis Floris omstreeks 1573 in de kathedraal te Doornik opgericht (16). Waarschijnlijk werd bij deze vernieuwing niet ingegrepen op de koorbanken. Belangrijker was een aanpassing ten tijde van abt Alexandre-Charles de Pallant (1699-1720). In 1714 nam hij het initiatief tot het oprichten van een nieuw laat-barok hoogaltaar onder de vorm van een portiek, aan weerszijden geflankeerd door de mausolea van zijn voorganger Antoine-Fran9ois de Fourneau (1697-1699) en van hemzelf. De uitvoering van deze kunstwerken, die zouden blijven bestaan tot 1944, werd toevertrouwd aan Guillielmus Kerricx uit Antwerpen (17). Altaar en mausolea waren met elkaar verbonden door middel van een marmeren wandbekleding die bij de koorbanken aansloot. In het raam van de voor de barok typische unificering van het kerkmobilair, werd gepoogd laatstgenoemd meubel met het nieuwe apsisdecor te verbinden
door middel van een vlakke kroonlijst die bovenaan de rugbeschotten over de gehele lengte werd aangebracht, mogelijk ter vervanging van een oorspronkelijk gotische bovenbouw. Een tekening van Alphonse Jacobs geeft deze toestand weer (18). Het gestoelte bleef verder onaangeroerd. De Pallant bouwde tevens achteraan in de kerk een doksaal met orgel (19) en liet daarom meer dan waarschijnlijk het koordoksaal verwijderen. De nieuwe situatie is bekend dank zij de reeds vermelde gravure van Henry Brown. De twee korte en met de rug naar het schip gekeerde vleugels zijn verbonden met een sierlijk 18deeeuws hekken. De altaren die reeds tevoren onder het doksaal stonden, bleven op hun plaats. De Franse Revolutie leidde tot het afschaffen van de abdij in 1797. Ondanks het feit dat tal van meubelen openbaar werden verkocht (20), bleef het gestoelte ter plaatse. Zoals dit in andere, onder meer Brabantse bedehuizen gebeurde, meldden zich tijdens de eerste helft van de 19de eeuw ook in deze kerk Engelse opkopers aan om de koorbanken op te kopen. De kerkraad weigerde echter halsstarrig, onder andere nog in 1838 (21).
46 I
Het koor van de Sint-Gertruikerk. Tekening uit A. Everaerts, Monographie des stdles de l'église de Sainte-Gertrude a Louvaia 1878, ms. in Leuven, Stadsarchief, 81, pi.V,
M&L
Het huidig uitzicht van de koorbanken wordt bepaald door ingrepen kort daarna. In 1848 wenste men het zicht op het koor te verbeteren en daarom moest de opstelling worden gewijzigd. Het hekken verdween en de met de achterkant naar het schip gekeerde gedeelten van het gestoelte werden weggenomen en geplaatst tegen de zijwanden van het koor, in het verlengde van de hier opgestelde vleugels. Het geheel werd wat meer naar het hoogaltaar verschoven, ten koste van een deel van de hier circa 1714 aangebrachte
lambrizering. Deze onderneming was toevertrouwd aan het atelier van de gebroeders Goyers te Leuven (22). Bij die gelegenheid besloot men boven de hoge bankenrij een overhuiving aan te brengen, volgens een ontwerp van stadsarchitect Francis-Henri Laenen. De nieuwe overhuiving werd bij wijze van proef enkel boven de vleugel langs de evangeliezij de geplaatst. Ze voldeed echter niet omdat de verhouding tot de rest van het meubel weinig esthetisch was. De werken vielen daarop voor lange tijd stil. Pas vele jaren nadien werd Edward Lavergne, de toenmalige stadsarchitect, die reeds in 1852-53 werken had uitgevoerd in het koor, belast met het ontwerpen van een nieuwe overhuiving. Een eerste tekening werd in 1861 echter afgewezen door de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Het jaar daarop werd een nieuw plan door de Commissie goedgekeurd, doch nu rezen moeilijkheden met andere instanties. Pas in 1869 werd het voorstel definitief aanvaard en het jaar daarop werd het in de werkplaats Goyers uitgevoerd (23). Men liet de bekroning op de uiteinden rusten op een opengewerkte en met engelen versierde architecturale constructie, geplaatst op de zijwangen van de hoge bankenrijen. De beelden van de kerkvaders, die zich hier al tevoren bevonden, werden hierin geïntegreerd. Deze bekroning is nog steeds aanwezig.
DE HEILSGESCHIEDENIS IN BEELD
Het koor van de Sint-Gertruikerk (vóór 1944) (foto A.C.L.).
Het koor van de Sint-Gertruikerk (vóór 1944) (fotoACL).
;l
*
1
1
Wat gezegd werd over de decoratie, geldt ook voor de figuratieve sculptuur. Enkel de uiterlijke kenmerken van de Italiaanse renaissance werden overgenomen om er de traditionele vormen van de laatgotiek mee te verdoezelen. De figuren hebben kleine hoofden, ze zijn uitgelengd en vaak weergegeven in gedraaide houdingen. Het gezocht en gemaakt karakter is zo opvallend dat men van maniërisme kan spreken. De kledij is los gedrapeerd en de plooien zijn soepel. In de architecturale decors vallen renaissancemotieven op. De reliëfs zijn vrij vlak, maar toch maken enkele figuren zich soms los van de achtergrond. De composities doen toneelmatig en zelfs theatraal aan. Het decor is eenvoudig en bedoeld om een plaats van handeling te suggereren. Tevens doet de artiest een poging om diepte weer te geven. Men herkent in de sculptuur gemakkelijk verschillende handen. Sommige werken op een ietwat onbeholpen wijze, waardoor bepaalde scènes aan
M&L
47
moord. De voorstellingen zijn op een traditionele manier uitgewerkt. Hier toont men aan hoe zonde en kwaad hun intrede doen in de wereld. Daardoor zal de Verlossing, die overigens expliciet door Jahweh wordt beloofd, noodzakelijk worden. Hoe deze geschiedt, wordt geïllustreerd in diverse fazen, en meer bepaald eerst op de hoeken van de wangen, waar oudtestamentische figuren zijn ingewerkt. Het Oude Verbond vervolgt op de knoppen, aangebracht op het kwartcirkelvormige deel van de beschotten tussen de eigenlijke stoelen. Op de bovenste rij aan de evangeliezijde herkent men de vorsten van Juda. Ze zitten met opgetrokken knieën neer, gehuld in een statige kledij en voorzien van kroon, scepter, boek of banderol. Koning David herkent men aan zijn muziekinstrument. Het gaat om de koninklijke voorvaderen van Maria, die zelf met haar Kind aan het uiteinde van deze rij is voorgesteld. Het geheel kan bijgevolg omschreven worden als een Boom van Jesse, niet onder de vorm van een echte stamboom die uit de slapende Jesse vertrekt, maar onder de variante van de koningenreeks. Men legt dus een link tussen het Oude Testament en Maria, met wie het Heilswerk een aanvang neemt.
De koorbanken in de Sint-Gertruikerk. Tekening in A, Jacobs, L'abbaye noble de Sainte-Geéude depuis son origine jusqu'a so suppression, Leuven, (1880), pi, vóór p. 167.
kracht inboeten. Dit belet niet dat het geheel een rijke iconografische inhoud bezit. In totaal telt men ongeveer 500 figuren die alleenstaand of in een verhalende context zijn opgesteld. Samen vormen ze een zeer coherent geheel. Ongetwijfeld werd aan de Wayere een programma voorgelegd. Dit was mogelijk opgesteld door abt Was zelf, maar in elk geval door een geschoold theoloog, die goed op de hoogte was van de traditionele thematiek op koorbanken en in staat om deze op passende wijze aan te vullen. Ook met de bestemming van het meubel werd rekening gehouden. Daarvan getuigen de voorstellingen met betrekking tot de Heiligen Gertrudis en Augustinus, twee patronen van de abdij. Het is niet onmogelijk dat de artiesten gebruik maakten van illustraties in gedrukte bijbels. Hierover dient verder onderzoek verricht. Het thema van deze koorbanken is het Verlossingswerk, de Heilsgeschiedenis. De lectuur vangt men best aan bij de wangen. Acht reliëfs evoceren hier de geschiedenis van het eerste mensenpaar, ontleend aan de Genesis, vanaf de schepping van Eva, over zondeval en straf, tot de eerste broeder-
De lage bankenrij aan deze zijde vertoont profeten en sibyllen. Met gesloten ogen of luid sprekend kondigen zij de Verlossing aan. Terwijl de vermelde koningen de vleselijke voorouders van Christus zijn, gaat het hier om de geestelijke voorvaderen. Deze reeks wordt verdergezet op de onderste rij banken van de epistelzijde. De knoppen van de rij bovenaan zijn aan deze kant opgesmukt met de apostelen. Zij zijn de grondvesten van de Kerk en de werktuigen van het goddelijk woord, doch zij worden ook manifest uitgebeeld in samenhang met de profeten, die zich op deze koorbanken op een lager niveau bevinden. De idee van de Boom van Jesse aan de overzijde, namelijk van het Oude Testament als een voorbereidende fase, wordt op deze plaats hernomen: ten tijde van de apostelen, in het Nieuwe Testament, wordt waargemaakt wat tevoren door de profeten was voorspeld. De gedachte van de concordia Veteris et Novi Testamenti is bijgevolg klaar aanwezig. Al bestaat er een eenheid tussen beide Testamenten, toch is het Nieuwe belangrijker dan het Oude. Dit wordt ook visueel uitgedrukt: de vorsten en de profeten uit het Oude Verbond bevinden zich in hoofdzaak aan de noordzijde, de kant van duisternis en
48
M&L
koude; de apostelen zitten ten zuiden, oord van licht en warmte. Zulke predominantie van het Nieuwe Verbond is ook elders gevisualiseerd, wellicht op de meest verrassende wijze in de kathedraal te Albi, waar de figuren uit het Oude aan de buitenkant van de kooromheining zijn aangebracht, terwijl die van het Nieuwe aan de binnenzijde aan bod komen. Men vindt hier ook de Paulinische idee terug die stelt dat Kerk en Geloof rusten op de fundamenten van profeten en apostelen (Ef. 2, 20). De aanwezigheid van profeten, sibyllen en apostelen aan koorbanken berust op een lange traditie. Men denkt aan het gestoelte van de Sint-Niklaaskerk te Fribourg (Zwitserland) (ca. 1460) dat het begin vormt van een reeks soortgelijke en analoog versierde meubels in die streek (24) en aan de koorbanken van Jörg Syrlin te Ulm (Duitsland) (1469) (25). Een hoogtepunt vormt hier zonder twijfel het gestoelte in de kathedraal te Toledo (Spanje) (ca. 1539) waar de voorouders van Christus, de profeten en de apostelen in een lange reeks op twee niveau's boven de zitsels de aandacht trekken (26). In de Leuvense abdijkerk vangt de eigenlijke Heilsgeschiedenis aan op de dekstukken die de wangen van de lage bankenrijen bekronen.
De zuid-vleugel van de koorbanken, gezien vanuit het koor (foto 0, Pauwels).
Men herkent taferelen uit de geschiedenis van Anna en Joachim, zoals het afgewezen offer, het verblijf in de woestijn en de kus voor de Gulden Poort, scène waarmee wordt gealludeerd op de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Verder is de vroege geschiedenis van deze laatste in beeld gebracht, vanaf haar geboorte tot de bezoeking aan haar nicht Elisabeth. Boodschap en Bezoeking uitgezonderd, zijn de thema's van deze dekstukken ontnomen aan de apocriefe literatuur, of aan de Legenda aurea waarin ze voortleeft. De hoofdfiguren zijn in elk geval Anna en Maria. De eerste kende sedert de late middeleeuwen een zeer grote devotie, onder meer ook in het raam van het propageren van de idee van de Immaculata Conceptio. Maria zelf komt hier te voorschijn als de nieuwe Eva met wie de Verlossing in een concreet stadium treedt. De geschiedenis van de eigenlijke Verlossing wordt in beeld gebracht op de reliëfs, ingewerkt in de rugbeschotten. Achtentwintig taferelen vormen een aangrijpende cyclus van de Geboorte van Christus, over zijn openbaar leven, tot zijn Passie, Kruisdood en Verrijzenis. De opvatting van de Vielbildlichkeit van de laat-gotische Brabantse retabels leeft hier sterk door. Zulke doenwijze mag men als nieuw bestempelen. Aan oudere koorbanken bekleedde men de dorsalen wel eens met mobiele elementen zoals wandtapijten met verhalende taferelen; in andere gevallen werden ze voorzien van gesculpteerde figuren, doch afzonderlijk en niet in een continu verhaal (27). Hier staat men voor een uitvoerige gebeeldhouwde kalender, waarin alle belangrijke feesten van het kerkelijk jaar zijn verbeeld. Het aandeel van de Passie - als culminatiepunt van de Verlossing - in het geheel is bijzonder groot (achttien taferelen). Hierbij mag men niet vergeten dat abt Was een bijzondere devotie aan de dag legde voor Christus' lijden, zoals blijkt uit zijn instelling van het feest van de Lans en van de Kruisnagels van de Zaligmaker (28). In het verhaal van deze koorbanken is evenwel meest belangrijk dat het Verlossingswerk is voltooid: door de dood van Christus is de Kerk ontstaan die nu haar geschiedenis begint. Het laatste tafereel, de Verrijzenis, verwijst bovendien naar een verre toekomst. Het onderwerp bewijst dat - zoals Christus nu het menselijk lichaam aan het einde der tijden zal verrijzen en een andere realiteit intreden. Hierop wordt later nog teruggekomen. De lektuur vervolgend, dient thans aandacht geschonken aan de zittertjes. Conform aan een
M&L
49
mrr^^
1
-il
2
4
3
1, Anna en Joachim brengen de kleine Maria naar de hogepriester in de tempel. Detail van een dekstuk van de lage bankenrij-zuid (foto 0, Pauwels), 2 Adam en Eva worden door de Engel uit het Paradijs Detail van een wang van de hoge bankenrij-zuid (foto 0. Pauwels), 3. Detail van de zittertjes met miseriecorden van de noord-vleugel (foto 0. Pauwels). 4. De Verrijzenis van Christus. Relief op de dorsalen van de koorbanken-zuid (foto J.-P. Demarsm)
lange traditie verwacht men hier onderwerpen van profane, en zelfs van burleske of satirische aard (29). Men kan zich zelfs afvragen of religieuze taferelen niet taboe waren omdat men op deze misericorden plaats nam met zijn "oneerbare lichaamsdelen". Met verwondering stelt men dan ook vast dat hier godsdienstige thema's zijn uitgewerkt. Deze situatie is wellicht te verklaren in het licht van de tijdsgeest. De afwijzing of in ieder geval de gecorrigeerde zienswijze van de protestanten op het beeldgebruik heeft geleid tot aarzelingen bij de katholieken, zeker wat dubieuze thema's betreft. Van officiële wereldlijke en kerkelijke zijde zouden in de Zuidelijke Nederlanden zelfs maatregelen worden genomen, zeker nadat het Concilie van Trente zich betreffende het beeldgebruik had uitgesproken. Deze koorbanken lopen door een uitpuring van de thematiek als het ware vooruit op latere officiële stellingnamen (30).
jgj.jgapjJ1
de Oprichting van de Bronzen Slang. Deze thema's staan niet op zichzelf, maar moeten worden beschouwd in het licht van het typologisch denken van de middeleeuwen, waarbij feiten en figuren uit het Oude Testament aangezien worden als voorafbeeldingen van gebeurtenissen uit het Nieuwe: de Bronzen Slang is dan een prefiguur van de Kruisiging. Zulke opvatting wordt bijvoorbeeld gesystematiseerd in de Biblia pauperum en de Speculum humanae salvationis. Deze zittertjes dienen dus bekeken in samenhang met de reliëfs op de rugbeschotten. Soms bevindt de misericorde zich inderdaad zelfs precies onder het Nieuwtestamentisch tafereel waarnaar het verwijst.
Dit is echter niet steeds het geval. Mogelijk zijn overigens zittertjes van plaats verwisseld, maar zelfs dan heeft dit weinig belang: voor de mens van toen, die met het typologisch systeem vertrouwd was, stelde zich geen enkel probleem om de verwijzende zin te herkennen. Men stelt Een eerste belangrijke groep misericorden tevens vast dat de onderwerpen van het Nieuwe vertoont onderwerpen uit het Oude Testament, zoals de Drie engelen op bezoek bij Abraham, Noë Testament op groter formaat dan die op de om zijn naaktheid uitgelachen, Isaac met het hout zittertjes zijn uitgewerkt, wat weer op een voor zijn offer. Jonas door de walvis opgeslokt of inhoudelijke predominantie wijst.
M&L
De misericorden geven dus een bijkomende dimensie aan de taferelen op de rugbeschotten. Ze leren iets over de rijke interpretatiemogelijkheden van de Bijbel en met name dat de Heilsgeschiedenis verloopt zoals in het Oude Testament is voorspeld en voorafgeheeld. De thematiek is niet vreemd aan koorbanken. Op die in de dom van Merseburg (Duitsland) (1446) zijn de rugbeschotten zelfs versierd met taferelen ontleend aan de Biblia pauperum (31). In het verhaal op de Leuvense koorbanken is de Verlossing nu voltooid en de Kerk gesticht. Hoe kan de mens nu genieten van het Heil ? Een deel der misericorden geeft hier het antwoord. De drie goddelijke deugden zijn de voorwaarden om de vruchten van het verlossingswerk te plukken en de zaligheid te bereiken. Deze deugden zijn dan ook op drie zittertjes voorgesteld. De eigentijdse theologen leren dat deze deugden zich richten op God als einddoel van het leven. Dit doel is eveneens in beeld gebracht onder vorm van de Triniteit: het zittertje met deze voorstelling prijkt naast de vermelde drie deugden, die in zeker opzicht zelf een vorm van Drievuldigheid daarstellen. Met de Trinitas is tevens de "andere realiteit" gevisualiseerd waarover hoger sprake was. Precies op de tegenoverliggende koorstoelen treft men op vier misericorden de evangelisten aan: ze duiden door hun geschriften de wegen aan, de bronnen die de mens naar de Godheid leiden; in die zin dragen ze ook de troon van God, zoals dit in de kunst overigens vaak wordt verbeeld. Rond de Triniteit zijn allen geschaard die participeren aan het Heil, met name de heiligen. Men treft een uitgebreide serie santen en santinnen aan op het lijstwerk van de rugbeschotten, tussen de reliëfs. Ze vormen een loflitanie, waarin ook enkele locale heiligen of verwanten van de Heilige Gertrudis zijn opgenomen. De reeks wordt aangevuld op de wangen van de bovenrijen waar men Maria, Anna, Katharina en Begga herkent. Beide laatsten verwijzen naar het nabijgelegen Klein Begijnhof. Deze vorm van actualisering wordt voortgezet op de zittertjes waar nog twee heiligen aan bod komen. Men herkent namelijk scènes uit het leven van Augustinus en Gertrudis, patronen van kerk en abdij, en die bijvoorbeeld ook verenigd zijn voorgesteld op een sluitsteen van circa 1380 in de toren (32). De uitgebeelde feiten uit hun kloosterleven, hun intellectuele arbeid en hun goede werken bekomen hier een modelfunctie.
Negen taferelen herinneren aan feiten uit het leven van Augustinus, gebaseerd op zijn vitae, de eigen geschriften en een levensverhaal door de reeds vermelde Gerard Morinck (33). Met Gertrudis kunnen zes zittertjes worden in verband gebracht (34). Vermelden we slechts een tafereel waar zij voor een altaar knielt terwijl de Heilige Geest verschijnt, ongetwijfeld een parafrase op het mirakel van de vuurbol, die als teken van heiligheid tijdens het gebed over haar neerdaalde. Een andere scène komt uit de ridderlegende, een variante op de geschiedenis van Theofilus: een Frankisch ridder die zijn goederen heeft verkwist, verpandt zijn ziel aan de duivel om nog zeven jaar in weelde te kunnen leven. Wanneer hij zich na het verstrijken van de tijd op de plek van de afspraak moet aanmelden, plaatst Gertrudis zich onopgemerkt achter op zijn paard en verschrikt aldus de duivel, die vlucht (35). De thematiek van Augustinus en Gertrudis staat niet los van de overige figuratieve sculptuur. Zoals gezegd vormen zij met de heiligen op de dorsalen de schare die in het hiernamaals constant de Triniteit als centrum van het eeuwig geestelijk leven omringt, zoals genoemde kerkleraar dit overigens zelf in zijn De civitate Dei heeft beschreven. Men kan hier dus een parallel trekken met een allerheiligenvoorstelling rond de Drievuldigheid, waarvan men in de kunst van die tijd diverse voorbeelden kan aanwijzen (36). Tenslotte dient nog even aandacht besteed aan de vier westerse Kerkvaders die als grote figuren op opvallende plaatsen, namelijk op de vier hoeken van het meubel zijn aangebracht. Zij vormen een passend slot. Deze kerkgeleerden hebben de diepere dimensie van het Oude en Nieuwe Testament en wat dat betekent met het oog op het Heil van de mens verklaard. Hun uitleg is toepasselijk op wat op dit meubel is in beeld gebracht. Mede gedreven door hun bijbelverklaring maakt de Kerk haar tocht, de eeuwen door, doorheen de wereldgeschiedenis. Samenvattend kan men stellen dat dit gestoelte een geleerde uiteenzetting vormt over de redding van de mens. Via de zondeval, die de Verlossing noodzakelijk maakte, wordt het Heil getoond zoals het erkend en verwacht werd door het voorgeslacht van Christus, zoals het voorspeld is door profeten en sibyllen en zoals het geprefigureerd werd door de gebeurtenissen uit het Oude Testament. De Verlossing wordt een feit door de
M&L
Het koorgestoelte na het bombardement van mei 1944 (foto ACL A 69583).
51
taak van Anna en Maria en door die van Christus, die door Zijn dood de Kerk deed geboren worden. Dit Heil, zoals de Kerkvaders hebben uitgelegd, biedt nieuwe kansen aan de leden van de Kerk en schenkt ieder de mogelijkheid om, door het beleven van de deugden, opgenomen in de schare der heiligen, rond de Triniteit van de zaligheid te genieten. Men staat hier dus voor een visuele encyclopedie van het Heil in zijn voortschrijdende gang naar voleinding. Tevens, doch secundair, is er een relatie met belangrijke feesten van het kerkelijk jaar en met de heiligen die in en rond de abdij bijzonder worden gevierd. Er bestaat ook een verband met de vieringen in dit kerkkoor en met de inhoud van gezangen en gebeden die dagelijks van uit deze koorbanken weerklonken.
ORGELPUNT VAN DE BRABANTSE LAAT-GOTIEK
De koorbanken vormen een monumentaal gewrocht waaraan de naam van abt Was voor immer verbonden blijft. Het zeer rijk iconografisch programma vertoont een wonderbare eenheid. Dit is des te meer verrassend daar op dat moment bij bepaalde humanisten en de protestanten
kritiek was ontstaan op het beeldgebruik. Sommigen wezen dit zelfs radicaal af. Hiertegen reageert dit meubel krachtig: de opdrachtgevers opteerden voor een uitgebreid programma, volgens de traditie van de christelijke kunst die voorstellingen om diverse redenen als nuttig ervaart. Enkel in de zittertjes manifesteert zich een bedachtzame reflex. Men heeft zelfs de indruk dat in dit programma zelf kritiek weerklinkt op de protestanse theologie; de iconografie benadrukt de rol van Maria, de betekenis van de erfzonde, de gemeenschap der heiligen, de functie van de deugden en de zin van de Triniteit, gegevens die door de protestanten waren afgezwakt, veranderd qua inhoud of zelfs geloochend, en die hier integendeel van uit een katholieke reactie worden geherwaardeerd. De koorbanken bevinden zich in deze kerk in een locus sacer. Zij vormen een burcht die het koorgebed onverstoorbaar maakt en tevens, dank zij de gevisualiseerde leer, een beeld van de Kerk en van het hiernamaals. Formeel bekeken zijn ze een late getuige van een gotisch gestoelte, gekenmerkt door een houten kantwerk waarvan een magische schoonheid uitgaat. Men mag het meubel terecht bestempelen als het orgelpunt van de laat-gotiek in onze gewesten. Tijdens de nacht van 11 op 12 mei 1944 werd de kerk tijdens een bombardement grotendeels vernield. Het gestoelte werd verpulverd en gespleten onder de instortende koormuren. De buurtbewoner Denis Peeters, zelfbeeldsnijder, nam het initiatief tot opruiming. De stukken werden met het oog op restauratie overgebracht naar een neogotische kapel in de abdijtuin. Het herstel, toevertrouwd aan de Leuvense beeldhouwer Jozef Van Uytvanck, geschiedde onder toezicht van Kanunnik Professor Raymond Lemaire en Stan Leurs. In een aanpalend gebouw brak echter op 1 februari 1945 brand uit, zodat alles in alle haast diende te worden geëvacueerd naar het atelier van de genoemde sculpteur in de Justus Lipsiusstraat (37). Na tien jaar werk - soms onderbroken door administratieve moeilijkheden - kon het meubel in 1954 worden teruggeplaatst in de herbouwde kerk. In de toenmalige pers werd dit gebeuren geloofd en bestempeld als een miraculeuze krachttoer (38).
52
Het miniscule hoofd van God de Vader van de Trinitetegroep werd door Joseph Van Uytvanck uit vijf deeltjes terug samengesteld (foto B Ml.),
M&L
VAN UYTVANCKS RESTAURATIE EN DE RECENTE CONSERVERING
DE RESTAURATIE DOOR JOZEF VAN UYTVANCK (1944-1954) Van in het begin werd de restauratie van Jozef Van Uytvanck met uiterste zorg uitgevoerd. Het koor van de Sint-Geertruikerk was één grote puinhoop van stenen, hout en bepleistering. Alle onderdelen van het koorgestoelte werden in veiligheid gebracht. Meer dan honderd uren lang werd het puin gezeefd om de kleinste stukjes te recupereren. Alles werd gereinigd. Dan begon de moeizame arbeid om uit een onoverzichtelijke stapel armen, benen, details, versieringen en plooien de verschillende taferelen opnieuw samen te stellen. Le Patriots Illustré van 7 maart 1948 vermeldt de anekdote van het hoofd van God de Vader op een Triniteitsvoorstelling op een zittertje, dat amper enkele centimeter groot is en dat wedersamengesteld werd uit vijf minuscule teruggevonden stukjes hout.
In oktober 1944 wordt met de werkzaamheden begonnen. Op 28 november 1945 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een plaatsbezoek aan het atelier van de beeldhouwer in de Justus Lipsiusstraat te Leuven. Er wordt geadviseerd:
1. de bij te werken hoofden en versieringsmotieven niet overdreven (zorgvuldig) te bewerken (met andere woorden meer te snijden of te kappen, ten einde meer nervositeit te verwekken);
Opnamen vóór het bombardement van mei 1944, met voorstelling van het bezoek van Maria aan haar nicht Elisabeth (foto ACL A 9747) en na het verlijmen van de teruggevonden stukken (foto ACL A 69592),
2. de nieuw bijgewerkte delen van de groepen die het meest geleden hebben, te tinten 3. de weergevonden kopjes der figuurtjes terug te plaatsen zoals ze zijn, t.t.z. zonder veel te retoucheren; 4. de ontbrekende kleine deeltjes (details) niet bij te werken; 5. de kroonlijst of de bekroning van het gestoelte te behouden indien ze bewaard is; 6. de moderne lijst, welke destijds op de hoogte van de zitbanken werd aangebracht en lelijk aandoet, door een aan de stijl van het gestoelte aangepaste lijst, te vervangen (39). Door administratieve moeilijkheden heeft Jozef Van Uytvanck twee jaar later, in januari 1946, nog zelfs geen voorschot ontvangen. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, die de restauratie van nabij blijft volgen en adviseren, protesteert hiertegen bij de Minister van Openbare Werken (40). De Commissie dringt op spoedige betaling aan
M&L
De restauratie in de werkplaats van Jozef Van Uylvanck te Leuven.
Men onderscheidt de toegevoegde delen van Jozef Van Uytvanck en de beeldsnijders van zijn atelier aan de lichte kleur van het hout. Ze zullen later getint worden (foto ACL A 97412).
53
"daar het hier één der meest nauwgezette (er stond De huidige tendensen in de restauratiefilosofie, eerst "gewetensvolle"[n.v.d.ï.]) kunstenaars geldt, waarbij verdwenen gedeelten niet noodzakelijk waarvan wij de kunstzin en de zorgen welke hij vervangen worden en waarbij de idee van beschabesteed heeft aan de uitvoering van dit kiesche werkdiging, van degradatie, zelfs van "mine" zichtbaar hebben kunnen waarderen". getoond wordt, waren gezien de traumatische Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimooorlogservaring en de aanslag op het kunstpatrinium bewaart in zijn foto-archief foto's van vóór monium in die periode niet denkbaar. Het ging de vernieling. Dit was uiteraard een grote hulp hier ook niet over een natuurlijke degradatie van voor de wedersamenstelling. Voor hulp bij de het materiaal en bovendien had men te maken met iconografische duiding — in verband met de een gebruikskunstwerk, in de eerste plaats een logische rangorde van de misericorden bijvoorzitmeubel, dat moest kunnen hersteld worden in beeld, kon Van Uytvanck beroep doen op zijn oorspronkelijke functie en uitzicht. mejuffer Doutrepont, een leerling van Professor René Maere. Als we trachten deze restauratie te evalueren, Er zijn ook werkopnamen bewaard, waarbij men kunnen we dit gestoelte enkel met verwondering de aanvullingen van de beeldsnijder duidelijk kan en bewondering bekijken. De herstellingen zijn zien, omdat ze op dat ogenblik nog niet bij getint met precisie, zorgvuldigheid en respect voor het waren. Men kan hierbij vaststellen dat hij zoveel authentieke uitgevoerd. mogelijk van het originele materiaal bewaarde en zelfs de kleinste details terug verlijmde. Van het tafereel van de Bezoeking beschikken we EEN 450 JAAR OUD GESTOELTE: over de foto van vóór het bombardement en een DE CONSERVERINGSBEHANDEUNG foto van Van Uytvancks ingrepen. VAN 1990 Het koorgestoelte van de Sint-Geertruikerk is thans 450 jaar oud. Zovele eeuwen van intensief gebruik en een bewogen geschiedenis van ombouw, vernieling en heropbouw hebben nauwelijks sporen nagelaten. Hoogstens zijn de hoeken wat afgesleten en is op het ongepolychromeerde eikehout de diepe glans der eeuwen neergedaald. Toch was bij nader inzien één en ander aan de hand. Dit vond ook een plaatselijk comité, dat het gestoelte ter gelegenheid van haar 450ste verjaar-
54
De zrtbanken werden beschadigd door onopzettelijk vandalisme (foto BML),
M&L
dag in de kijker wilde zetten. Roergangers van deze vereniging zijn onder meer Piet Vandermoeren, Jean Vanderhaegen en Lieve Robberechts, die een beroep deden op het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Bij een eerste vooronderzoek werden de problemen op een rijtje gezet. Het gestoelte vertoonde een aantal zichtbare en enkele verborgen gebreken. Vooreerst viel een algemene vervuiling op, veroorzaakt door geïncrusteerd stof en door wasophopingen in het reliëf. Tevens had het meubel te lijden van onvrijwillig vandalisme: vermoeide toeristen gebruikten het gestoelte nog steeds als zitmeubel, waarbij de zitbanken nogal ruw werden in- en uitgeklapt. Er waren op die manier verschillende zitbanken en zittertjes gebroken. Dit gebeurde meestal op de plaats van oude lijmvoegen, met andere woorden op plaatsen die door Van Uytvanck al herlijmd werden. Ook kleine decoraties en details waren afgebroken of van plaats verschoven. Opzettelijk vandalisme bleef ook niet uit: bij een nachtelijke diefstal werden de kleine nisbeeldjes gestolen, maar later gedeeltelijk teruggevonden en in bewaring gegeven aan het Stedelijk Museum van Leuven.
Plaatselijke aantasting van het gestoelte door kleine houtworm (Anobium punctatum) (foto BML)
Naast deze zichtbare beschadigingen waren er ook minder duidelijke, maar wel gevaarlijke "ondermijners" aan het werk. Op vele plaatsen werden sporen van houtwormaantasting vastgesteld. Deze is zichtbaar aan de kenmerkende uitvlieggaten, waarin bij actieve aantasting lichtgekleurd boormeel aanwezig is. Verwonderlijk is hier wel dat naast de veel voorkomende Anobium punctatum ook op enkele plaatsen de Xestobium rufovillosum aangetroffen wordt. Beide behoren tot de familie van de drooghoutboorders, bekend onder de wetenschappelijke benaming van Anobiidae (41). Dit zijn kevers, die al vliegend de gebouwen binnenkomen en eieren leggen in spleten of barsten van het hout of in boorgangen van oudere aantastingen. Uit deze eieren komen larven die het hout aantasten door er gangen in te boren. Omdat deze larven een lange levenscyclus hebben, geeft dit een langzaam voortschrijdende aantasting die vele jaren actief is.
KLEINE HOUTWORM EN DOODSKLOPKEVER
De uitvlieggaten van de zeldzamere doodsklopkever zijn veel groter dan deze van de kleine houtworm (foto BML)
De Anobium punctatum, ook bekend als kleine houtworm, komt in onze streken zéér veel voor. Deze larven kunnen tot 7 mm groot worden. Als de larve volwassen is, verpopt ze zich vlak onder het houtoppervlak en de aldus gevormde kever verlaat het hout door een uitvliegopening. Bij de Anobium punctatum is dit een rond gaatje van 1 tot 2 mm. Men schat dat de helft van alle bestaande gebouwen deze vorm van aantasting vertoont. De Xestobium rufovillosum, ook bekend als doodsklopkever {death watch beetle), grote houtworm of bonte knaagkever, is groter dan de Anobium punctatum. De larve kan 11 mm groot
M&L
De beschadiging van de zitbanken doet zich voorai voor op oude lljmviakken. Na reiniging van deze iijmviakken met warm water, kan de conservering met eenvoudige middeien uitgevoerd worden: houttijm, houtpoeder, lijmknechten en borsteis (foto's BML).
55
worden. Bijgevolg zijn de boorgangen groter (tot 3 a 4 mm). Deze kevers tasten eikehout aan en vooral delen die in aanraking zijn met aangetast hout of wekere delen (spinthout). De Xestobium komt vaak voor in symbiose met zwamaantasting, zelfs als deze met het blote oog - nog - niet waarneembaar is.
OORZAKEN EN BEHANDELING Centrale verwarming in de kerken vormt een gunstige voorwaarde voor de aantasting door Anobiidae, vooral op plaatsen waar geen ventilatie is en in combinatie met een verhoogde relatieve vochtigheid. De meeste aantasting zit onderaan, waarbij de vochtigheid afkomstig van het reinigen van de kerkvloer met water een factor kan zijn. In oude koorbanken en ander meubilair, die hun oorspronkelijke onderbouw nog bewaren, merken we vaak ventilatiegaten op. Deze worden dikwijls achterwege gelaten bij de vervanging van de onderste constructie. Dit is ook hier gebeurd. De ventilatie viel weg en de aantasting kon beginnen. Als er kevers in een gebouw zitten, zullen ze eerst zacht of reeds aangetast en verzwakt hout aanboren, en daarna met het gezonde hout beginnen. Het is daarom noodzakelijk om èlk aangetast stuk hout te behandelen en om nieuw ingebrachte stukken hout, hoe klein ook, preventief te behandelen met een insekticidefungicide (op basis van permethrine en azaconazoIe). De biologische aantasting van het koorgestoelte is erg plaatselijk en aan de voorzijde, mede door het ontbreken van polychromie, eenvoudig te lokaliseren en te behandelen. Voor de constructieve delen onderaan is de (on)bereikbaarheid natuurlijk een groot probleem. Na het repertoriëren van het schadebeeld werd beslist tot volgende uitvoering: ontstoffen, reinigen en in de was zetten; herlijmen van afgebroken onderdelen en preventief-curatieve behandeling van de houtwormaantasting.
WERKWIJZE Overeengekomen werd de noodzakelijke conserveringsbehandeling gezamenlijk uit te voeren met een ploeg vrijwilligers ter plaatse. Deze werden ingezet voor het reinigen en in de was zetten, terwijl de conserveringsploeg van het Bestuur Monumenten en Landschappen tevens de hout-
wormbehandeling en de constructieve herstellingen uitvoerde. Het volledige koorgestoelte met zijn overdadige ornamentiek werd systematisch gereinigd met white spirit. Waar tijdens deze reiniging houtwormschade of te verlijmen gedeelten vastgesteld werden, werd een herkenningsteken aangebracht op het hout (wit voor houtworm en groen voor herlijmingen). Vervolgens werd het volledig houtwerk dun ingestreken met een kleurloze bijenwas en na droging opgewreven met katoenen doeken. Kleine loszittende details werden herlijmd met onverdund polyvinylacetaat. Bij de grotere delen van de zitbanken was het iets moeilijker. De breuken deden zich voor op die gedeelten die door van Uytvanck gelijmd werden. Eerst werd de oude dierlijke lijm zorgvuldig verwijderd door middel van compressen van heet water. Op de volledig gezuiverde en droge Iijmviakken werd dan polyvinylacetaat aangebracht en door middel van lijmknechten en een dagenlange droging onder druk konden de zware stukken opnieuw gelijmd worden. Storende barsten werden vervolgens opgevuld met houtpoeder (droge eik) en polyvinylacetaat en na droging glad geschuurd. De behandeling tegen houtworm bestond uit het instrijken en het injecteren van een insekticide-
56
M&L
4P ^^^^^Bf
A De vrijwilligers van Sint-Gertrui aan het werk mef de conseiveringsploeg Het gestoelte wordt systematisch gereinigd en in de was gezet (foto BML).
Na het injecteren van de insecticidefungicide werden de behandelde plaatsen luchtdicht verpakt met melinexfolie
Detail van een profeet, vóór en na behandeling Het hoofdje werd opnieuw verlijmd (foto BML).
fungicide produkt. Er werd door een plaatselijke sponsor een stelling geplaatst om het gedeelte boven en achter het baldakijn te kunnen bereiken. Het hout dat aangebracht was tijdens de laatste restauratie was, bij gebrek aan een preventieve behandeling, zwaar aangetast door de Anobium punctatum. Dit volledige (voor de bezoeker onzichtbare) gedeelte van de constructie werd met voornoemd produkt ingestreken. Langs de voorzijde van het koorgestoelte werden enkel de aangetaste delen plaatselijk behandeld door het injecteren van de uitvlieggaten. De behandelde delen werden tien dagen luchtdicht verpakt met melinexfolie om het produkt effectief te laten inwerken.
NAWOORD Het 450 jaar oude koorgestoelte van de Sint-Geertruikerk staat er weer mooi bij. Toch is waakzaamheid geboden om het in goede staat te conserveren. Regelmatig nazicht van nieuwe uitvlieggaten, herkenbaar aan lichtgekleurd boormeel, kan nieuwe aantastingen aan het licht brengen, die moeten behandeld worden (42). Het is duidelijk dat dit oude gestoelte, zeker na de talrijke verlijmingen, niet meer als zitmeubel mag gebruikt worden. Ter afsluiting werd een tentoonstellingskoord aangebracht. De teruggevonden gestolen beeldjes werden op hun oorspronkelijke plaatsen vastgehecht. Een voorlopige beveiligingsinstallatie tegen diefstal werd geplaatst in afwachting van een definitief beveiligingssysteem. Het pronkstuk van de gotische Sint-Geertruikerk kan weer bewonderd worden.
M&L
57
VOETNOTEN
(1)
(2)
(3) (4)
(5)
(6) (7)
(8)
(9)
(10) (11)
(12)
(13) Een wersterse kerkvader, op één der hoeken van de koorbanken (foto O Pauwels).
(14) (15)
Betreffende de geschiedenis van de koorbanken, zie: Van Humbeeck D., Origine et evolution des sidles, in Les questions Uturgiques etparoissiales, 1950, p. 96-102; Martin U., art. Chorgestuhl, in Reallexikon zur deutschen Kunstgeschichte, 3, Stuttgart, 1954, p. 515-538; STEPPE J.K., Algemene beschouwingen, in Wereld van vroomheid en satire. Laat-gotische koorbanken in Vlaanderen, Kasterlee, 1973, p. 13-55, met bibliografie p. 323. Jacobs A., L'abbaye noble de Sainte-Gertrude d Louvain depuis son origine jusqu'a sa suppression, Leuven, (1880); SMEYERS M., Abbaye de Sainte-Gertrude, d Louvain, in Monasticon beige, 4, Province de Brabant, 4, Luik, 1970, p. 889 e.v. Zie i.v.m. abt Was: SMEYERS M., art. cit, p. 919-923. De vijf huizen werden later met een zelfde aantal uitgebreid en kregen de naam van "De 10geboden" (in 1967 gedeeltelijk door brand vernield); de wijnpers, in de Wijnpersstraat, doet thans dienst als Provinciale school voor moes- en tuinbouw (Meulemans A., Kanttekeningen bij een zware brand, in Mededelingen van de geschied- en oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 7,1969, p. 52; Martens J., Impens A. en Paesmans G.,Het 'Tiende gebod' in Leuven, in M&L, 1,6, sept. 1982, p. 40-49; Hissette L.,Lepressoirdu vignoble de l'abbaye de Sainte-Gertrude a Louvain, in Bulletin des Commissions royales d'art et d'archéologie, 49, 1910, p. 135 e.v.). Cfr. SMEYERS M.. in Vroomheid en satire..., o.c, met uitvoerige bibliografie p. 331. Verder: Schepens P., Het laatgotisch koorgestoelte van de Leuvense Sint-Geertruikerk, Leuven, 1990. Zie over hem: Marchal E., art. De Waeyer, (Mathieu), in Biographic nationale, 5, Brussel, 1876, kol. 885-887. Heylen A., Historische verhandeling over de Kempen, Turnhout, 1837, p. 159; Van Spilbeeck W., De voormalige abdijkerk van Tongerloo en hare kunstschatten, Antwerpen, 1883, p. 29-30. De Borremans uit Brussel werkten o.m. voor de Sint-Jacobsen Sint-Pieterskerk, en voor de Sint-Jorisgilde; ook voor de vervaardiging van het retabel van Korbeek-Dijle werden Brusselse meesters geëngageerd (1522); de Broederschap van Sint-Kwinten wendde zich eveneens tot meesters in de Zennestad (1538) (cfr. Smeyers M., De Brusselse inbreng te Leuven, in Het laatgotische beeldsnijcentrum Leuven (tent. cat.), Leuven, 1979, p. 22 e.v. De mening dat de koorbanken zouden afkomstig zijn uit een Noord-Nederlands klooster dat in de 16de eeuw tengevolge van de troebelen op religieus vlak was opgeheven, is uil de lucht gegrepen (cfr. Van Even E., Les auteurs de la tour, des stalles et du tabernacle de l'église de Sainte-Gertrude o Louvain, in Bulletin des Commissions royales d'art et d'archéologie, 14, 1875, p. 56). - Even onjuist is de mening van A. Everaerts als zouden de koorbanken het werk zijn van twee Franse beeldhouwers, Jean en Nicolas Lepot, mening gebaseerd op het feit dat op een der wangen twee figuren met een pot in de hand zijn voorgesteld (Everaerts A., Monographic des stalles de Sainte-Gertrude <i Louvain, 1878, pro manuscripto (Leuven, Stadsarchief, ms. 81, p. 8 e.v.). Leuven, Stadsarchief, Oud Archief, 7826, schepenregister 1541-42, fol. 235vo. 11 Loc. cit., 7828, schepenregister 1543-45, fol. 199-199vo; ed. J. CRAB, Het Brabants beeldsnijcentrum Leuven, Leuven, 1977, Bijlage 12, p. 314-315. Cfr. De Smet P., De beeldhouwersfamilie Borreman uit Brussel (laatste kwart 15e-einde 16e eeuw), (onuitgeg. lic. verhandeling, K.U.Leuven, 1967), p. 148-149 en Bijlage 9. Zie tekst bij: Steppe J. en Van Molle F., De koorbanken van de Onze Lieve Vrouwkerk te Aarschot, in Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, 2, 1950, p. 250. Bierens de Haan D., Het houtsnijwerk in Nederland tijdens de gothiek en de renaissance, Den Haag, 1977, p. 119-126. Het laatgotisch beeldsnijcentrum... op. df.,p. 42-44, nr. 1.12.
58
M&L
(16) Steppe J.K., Het koordoksaal in de Nederlanden {Verhandelingen van de Kon. Vlaamse Academie voor Weienschappen, Letteren en Schone Kunsten. Klasse der Schone Kunsten, 7), Brussel, 1952, p. 316-317. (17) Smeyers M., Het voormalig hoogaltaar van de Sinte-Ceertruikerk te Leuven. Een werk van Guillielmus Kerricx, in Mededelingen van de geschied- en oudheidkundige Kring voor Leuven en omgeving, 1, 1969, p. 180-208. (18) Jacobs A., o.c, pi. voor p. 167. (19) ID., o.c, p. 159. (20) Smeyers M., Abbaye de Sainte-Gertrude..., art. rif., p. 959-960. (21) Zie brief van de kerkraad aan het stadsbestuur dd. 30 mei 1838, geciteerd door P. SCHEPENS, o.c, p. 23-25. (22) Jacobs A., in Le réveil, 21 juli 1878. (23) Zie de verslagen in het Bulletin des Commissions royales d'art et d'archéologie, 1,1862, p. 327-328; 3,1864, p. 282; 8,1869, p. 148,10,1871, p. 246. - Verdere informatie bij: Schepens P., o.c, p. 25-26. (24) Strub M., Stalles fribourgeoises, Fribourg /Br., p. 39 e.v. Algemeen, zie: F. NEUGASS, Mittelalterliches Chorgestühl in Deutschland (Studiën zur deutschen Kunstgeschichte), Straatsburg, 1927, p. 124-125. (25) Busch R., Deutsches Chorgestühl in sechs Jahrhunderten, Hildesheim-Leipzig, 1928, p. 54, en pin. 33-34. (26) Chueca Goitia F., La catedralde Toledo, Léon, 1990, p. 43-51. (27) Op de reeds vermelde koorbanken van Dordrecht werd onderaan de opengewerkte dorsalen een fries aangebracht met doorlopende scènes uit de kerkelijke geschiedenis (zie: Bierens de Haan D., o.c, pi. 94 e.v.). (28) Molanus J., Historiae Lovaniensium libn XIV (Commission royale d'histoire), ed. De Ram P.F.X., Brussel, 1861, p. 227. (29) Op ca. 8000 zittertjes in Frankrijk telt men slechts 4 % Bijbelse thema's aan, en dan nog geconcentreerd in drie kerken (zie: Kraus D. en H., Le monde caché des miséricordes, Parijs, 1986, p. 49). (30) Deze tendens is reeds iets tevoren, ca. 1530-40, aanwezig op de koorbanken van de Leuvense Predikherenkerk : alle zittertjes vertonen taferelen uit het Oude Verbond (zie: Verspaandonk J., Een beeldhouwer op de vingers gekeken. Grafische voorbeelden voor de zittertjes van het koorgestoelte in de Leuvense kerk van Onze-Lieve-Vrouw-terPredikheren, in Area Lovaniensis, 15-16, 1987 (1989), p. 145-222). (31) Fueg E., Der Dornbusch brennt, Berlijn, s.d. (32) Madou M., De Heilige Gertrudis van Nijvet (Verhand. Kon. Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone
(33)
(34) (35)
(36)
(37)
(38)
(39) (40) (41) (42)
Kunsten van België. Klasse der Schone Kunsten, XXXVII, 29), 2, Brussel, 1975, pi. 115. In verband met de iconografie van deze zittertjes, zie: Courcelle J. en P., Iconographie de Saint Augustin., 3. Les cycles du XVIe et du XVIIe siècle, Parijs, 1972, p. 15-20. - Zie verder: Morinck G., Vita D. Aurelii Augustini, Leuven, 1531. Madou M., o.c, l , p . 257. De ontknoping van het verhaal kent twee versies. Hier is de Maaslandse versie in beeld gebracht. Cfr. Gessier G., La légende du chevalier voué au demon et sauvé par sainte Gertrude. Essai de critique folklorique, Brussel, 1925; Madou M, o.c, 1, p. 14-17 en 170-172. - Zie als analoog voorbeeld een 16de eeuwse kazuifel uit Landen, waar overigens sedert 1482 de legende werd gelokaliseerd (afb. Madou M., o.c, 2, pi. 92). Het meest bekend is zonder twijfel het Allerheiligenbeeld van Albrecht Dürer in het Kunsthistorisches Museum te Wenen. Voor de reconstructie werd van de beslaande foto's in het A.C.L. gebruik gemaakt (cfr. Masschelein-Kleiner L., Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, in Pro Scientia, Brussel, 1990, p. 312). - Van Uytvanck heeft een belangrijk aandeel gehad in de restauratie van tijdens W.O.II te Leuven vernielde kunstwerken, zoals o.m. de Sedes Sapientiae in de Sint-Pieterskerk en de barokke biechtstoelen en communiebank in Sint-Michiel. - Zie: Liste approximative des travaux executes par B. Van Uytvanck depuis son arrivée d Louvain en 1884 et de ceux executes par Ben. Van Uytvanck et son fils Jos et de ceux executes par ce dernier, p. 15 (Ms. in Leuven, Archief, Stedelijk Museum. Een publicatie van dit document is in voorbereiding). Cfr. Herwordend Leuven (tent. cat.), Leuven, 1944, p. 15; zie ook Archief van de kerkfabriek van Sinte-Geertrui, Deliberaties van de kerkfabriek, 18 febr. 1946, evenals het dossier Oorlogsschade op het Stadsarchief te Leuven. Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. VERSTRAETE Y., Hout, houtaantasting, houtverduurzaming, Zeist, 1986, p. 51-62. Wat het onderhoud van kunstvoorwerpen en -meubilair betreft, verwijzen we nogmaals naar het uitstekend en praktisch werk: Vademecum ter bescherming en onderhoud van het kunstbezit. Bulletin van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, dl. 21, 1986-1987.
M&L
59
SUMMARY
MOZART IN FLANDERS One day in spring 1763, father Leopold Mozart boarded a coach in Salzburg, in company of his wife Maria Anna, his daughter Nannerl, his son Wolfgang as well as a servant. They started a musical tour through Europe, a perilous expedition in those days, particularly for a boy of merely seven and a girl of 12 travelling brought along quite some perils and discomforts. The travel book of Leopold and the many letters he sent his landlord in Salzburg have been preserved. This allows us to reconstruct, almost from day to day, this particular period in Wolfgang Amadeus' life. On their long journey the Mozart family has thrice spent some time in Flanders. On 4th October 1763, coming from Tienen via Louvain, they reached Brussels. Here they spent five weeks and gave an important public concert, attended by the governor-general of the Austrian Netherlands Charles Alexandre of Lorraine. On 15th November they headed towards their main destination Paris. So great was their success there, that Leopold decided to continue their journey to London, and next to Holland. So they arrived in Flanders once again in September 1765. In Ghent they stayed in the house of the guild of Saint Sebastian, situated on the "Kouter". Wolfgang was allowed to try out the new, massive Van Peteghem-organ in the abbey of Baudeloo. He also went to take a closer look at the carillon, probably the one in the belfry. In Antwerp — "every church there is full of paintings and one sees nothing but black and white marble" — the young virtuoso played the organ in the cathedral. They left the town on the Scheldt for The Hague, first by coach and then by track boat. A very warm welcome awaited them in Holland. A severe illness of both children caused their stay there to last for seven months. On their journey back tot Salzburg via Paris, the Mozarts passed through the Southern Netherlands for just a few days. On 30th April 1766 Wolfgang performed in the Bourse in Antwerp. A quick stop was made in Malines to pay a visit to the archbishop. The last Flemish town mentioned by Leopold is Brussels where he bought some lace as a souvenir.
THE GARDENS OF ALDEN BIESEN. A NEW GARDEN AFTER AN OLD MODEL The landcommandery Alden Biesen of the Teutonic Order is a striking example of an impressive building-complex which, in the nearly 800 years of its existence, has grown from a modest pilgrimage place into an illustrous residence. The gardens and alleys act as a highlighting scenery. The oldest illustration from the gardens in Alden Biesen dates from 1658. In 1700 the land commander Hendrik baron van Wassenaer van Warmond (1609-1709) commissions Romein de Hooghe to make an engraving. It is a view from the South-East of the building with its gardens and lanes. This print together with a drawing from 1716 of the so-called "garden of the land commander" are at the basis of the present realization of the gardens. The final design was preceded by 2 preliminary designs one of which, dating from 1984, was supervised by the still underestimated garden designer Georges Wachtelaer (1903-1984).
The historical elements for the "garden of the land commander" provided by the iconography have been applied in a modern way, i.e. inspired by contemporary trends in garden design. The monoculture of Lavender and purple leave Sage is a perfect example hereof. The concept of the orangery garden is more historical. The central parterre consists of four sections around an already existing octogonal basin. Jan van der Groen took the emblematic central motive — a diagonal cross of 4 stylized French lilies — from "Thweehondert Modellen voor de Liefhebber van Hoven en Thuynen" (ed. Southern Netherlands, 1687). This design was chosen for its reference to the privilege — granted by Louis the Saint to the Teutonic Order during the 13th century — to carry the Fleur de Lis in its court of arms. The four sections are bordered by flowerbeds or "platebandes fleuries" like indicated by Andre Mollet in his "Le Jardin de Plaisir" (1651). They are planted with spring flowers among which ancient tulip varieties like Brown Purple, Viceroy and Semper August as well as historic varieties of daffodills and others. Although more filled and colorful the general image of the plants and the way of planting will come close to the aspect in the late 17th century. The orangery is surrounded by broad alleys paved with dolomite like a "carpette" on the "parquet". This important realization shouldn't make us forget that the "neu Garten" or "Engelschen Hof' is the most important historical garden in Alden Biesen. It has been designed in commission of the land commander Franz Johan Neopomuk von Reischach (1784-1807) by Ghislain-Joseph Henry (1754-1820). Of this design the Minerva temple, the cave with ruins, the hermitage, the island with the yew trees and the lime and hornbeam alley have been preserved. Still older is the Summer Pavillion. What has disappeared are the "Tartaerse huysen", an important part of the "reviere", the "Chinoisischen tempel", the "broye huysen" and the "annanashuys". Throughout the years the English Park of Alden Biesen has become a valuable relic of lat 18th century garden design as well as an indispensable refuge for indigenous and endemic plants.
THE CHOIR STALLS OF THE CHURCH OF ST. GERTRUDE IN LEUVEN. A HIGH POINT OF THE BRABANTINE LATE GOTHIC Abbot Pieter Was (1526-53) ruled the Abbey of St. Gertrude in Leuven during the transitional period between the Gothic and the Renaissance. Although the Abbot was very concerned with the spiritual well-being of the religious in his charge, he was also interested in the temporal. Was commissioned several works of art for the monastery church. Of these objects, however, only the choir stalls have endured the test of time. The Abbot ordered the stalls around 1540 from Mathys de Wayere, a Brussels carpenter. On account of the high level of ornamentation given to the stalls, which included reliefs and sculpture, its commission led to a conflict with the Leuven guild that protected sculptors. Above all, the choir stalls are distinguisd by an extraordinarily rich decoration in which late Gothic remains in full force, even flamboyant in its expression. The wood tracery exhibits a magical
60
M&L
beauty. Renaissance ornament is encountered only in a small freeze in the upper panels. The sculpture, which has a Mannerist tendency, is found on the panels at the end of the benches, the handrests and the upper panels. It is remarkable that the seats show no profane imagery; only religious themes are depicted. Moreover, the choir stalls are important on account of its elaborate and coherent iconographical program. A complete sacred history is portrayed in the historiated decoration : from the Creation and the Fall of Man to the Old and New Testament as well as from the birth of the Church until the moment of Her fulfillment when the
community of saints gather in the Heavenly Jerusalem at the end of days. In relation to these saints, particular attention is given to Augustine and Gertrude, patrons of the church and abbey. A criticism of Protestant theology resounds throughout the choir stalls's iconographic program. During the night of 11 and 12 May 1944, the abbey church was mostly destroyed in a bombardment. The pulverized choir stalls were restored with difficulty. In 1954, the stalls were returned to the rebuilt church. This event was characterized in the contemporary press reports as a miraculous act of spiritual strenght.
de rust en het evenwicht van mineralen
SUPPORT - SURFACE •=-RESTAURATIE +
CONSERVATIE.
Dit is geen verhaal over bronwater. Wel een manifest over fundamentele principes van de restauratietechniek. Wij vatten dit in 5 puntjes samen:
n H H
De restauratiematerialen moeten zich kunnen aanpassen aan hun omgeving, zodanig dat de autenticiteit van het monument bewaard blijft. Het materiaal moet zoutbestendig zi|n en mag de zout- en vochttransporten niet belemmeren. Het materiaal moet vri| van kunststoffen zijn en speciaal-cementgebonden.
•
Fysische eigenschappen van het restauratiemateriaal moeten aangepast worden aan de eigenschappen van het object.
H
Het restauratiemateriaal moet eenvoudig en kostenbesparend toe te passen zijn. ^ ^
Om die vijf fundamentele principes te kunnen handhaven verkoopt en gebruikt Solar gemakkeli|k verwerkbare, zuivere minerale restauratiemortels voor natuursteen, die meestal geen dure wapening vereisen, en zoutbestendige pleister- en injektiemortels van hoogwaardige kwa1 SOLAR RESTAURATIETECHNOLOGIE IN HARMONIE MET HET VERLEDEN
^
Solar
Kleine Breedslraat 33. 9100 SI -Niklaas
voor meer informatie belt u'. Oj/yyó.pi. 61
Maatsch. zetel: Kortrijkse Steenweg 382, 9000 Gent (091) 23 87 03 Bedrijfszetei: Wapenstraat 12B, 2000 Antwerpen (03) 248 12 97
Laat de wegen herleven met kleur! Vrolijke straten en pleinen, dat kan best dank zij de minerale B a y f e r r o x - p i g m e n t e n van Bayer. Bayferrox-pigmenten kleuren de cement van de betonstraatstenen. Vermengd in de totale massa, verzekert het Bayferrox een onder alle omstandigheden stabiele en duurzame kleurechtheid. Bovendien is geen speciaal onderhoud nodig. Herstellingen en werkzaamheden kunnen zonder probleem in een handomdraai worden
uitgevoerd. In de zeer grote keuze aan vormen en kleuren vindt zeker ieder zijn gading. Betonstraatstenen, gekleurd met Bayferrox, zijn ideaal om voetpaden, pleinen, winkelstraten, galerijen, parkings, parken, tuinpaden enz. te bestraten. Ze zijn onmisbaar voor het verhogen van de verkeersveiligheid, voor de bescherming van fietser en voetganger. Laat u inspireren door vorm en kleur. Bayferrox, sta er op!
Bayer informeert: Om gratis dokumentatie en de lijst van de fabrikanten te bekomen, plak eenvou dig deze bon op uw visitekaartje of briefpapier en stuur hem naar: BAYER BELGIUM S.A.-N.V. Divisie pigmenten en keramiek Louizalaan 143 1050 BRUSSEL
Bayer
Bayferrox*
ALGEMENE BOUWOND VERNIEUWBOUW ' ^ . N . . RESTAURATlEWyiKEiK^ GEVELWERKEN! «^NATUURSTEENrtfe^TELWWGEN BETONREFAR,^,rj[l#EN «**»» SPECIALE TECHNIEKEN
ZONDER RENOFORS-BETA ZAG U DIE MOLENS NIET MEER... Heeft U zich al eens afgevraagd hoe hel komt dat eeuwenoude houten molens nog steeds de wind trotseren? Of hoe de Middeleeuwse kiokkcst( iel van de prachtige Sint-Re mihoutskathedraal zijn tonnenzware beiaard torst? Solar n\" vernieuwt en versterkt rottend hout met het Kenofors-Ilèta systeem. Voor jaaaren. Renofors-Bèta is een (kostenbesparend) alternatief voor dure en moeilijke vervangings- • werken. Renofors-Bèta is een gewapend kunstharssysteem dat snel, doeltreffend en esthetisch eeuwenoude constructies restaureert Vraag nu vrijblijvend documentatie. Bel 03/776.91.62
U HEEFT GEEN MONUMENT TE VERLIEZEN...
Solar Ook sterk in gevelreinigmg - steenverharding - vochtwenng - drooglegging van muren met capillair stijgend vocht dichtmgswerken - betonrestauratie houtbehandeling - brandremmmg.
Hier leven en werken. Hier groeien, opgroeien, bouwen aan de toekomst omdat hier nog toekomst is. Met een sterke bank die hier haar wortels heeft. Met een grootbank die hier met u van elk obstakel een nieuwe overwinning maakt. Met de Kredietbank, de bank van hier.
Beter met de bank van hier.
Het nieuwe standaardwerk over industriële archeologie in Vlaanderen! • . •
.
VAN INDUSTRIE TOT ERFGOED
Technische gegevens: • • • • • • •
fotografie : G. Charlier vormgeving : A. Beullens produktie ; L. Tack formaat: 33 cm x 25 cm 168 blz. met 100 illustraties in kleur en bichromie druk : Die Keure N.V. co-editie : Bestuur voor Monumenten en Landschappen en Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w.
PAUL BERCRMAN5 GEORGES CHARLIER I UC DAELS & ANTOON VERHOEVE JO DE SCHEPPER
Inhoud: essay's door L. Daels & A. Verhoeve, R Berckmans en J. De Schepper • fotoreeks door G. Charlier • tijdstabellen • bibliografie Kostprijs: 1.750 fr. (verzendingskosten inbegrepen) storten op rekeningnummer: 470-0278201-29 Verkrijgbaar bij: Bestuur voor Monumenten en Landschappen Markiesstraat 1 1000 Brussel Tel. (02) 507 42 57
Bij aankoop : gratis stel prentkaarten over industriële archeologie!
"BOUWSTIJLEN IN BRUSSEL" Een uitgave van de Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w. in samenwerking met "School en Museum" (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement W.V.C., Administratie Kunst, Dienst Beeldende Kunst en Musea).
De evolutie van de bouwgeschiedenis te Brussel
Bijzonder geschikt voor scholen
64 Bladzijden
130 illustraties
Kostprijs: 295 frank
Te bestellen bij:
Stichting Monumenten- en Landschapszorg v.z.w. Bergstraat 72 1000 Brussel tel.: (02) 512 40 97 rek. nr.: 426-3141111-35
II
Il
1
y 1 [l 13B uil ZO ^ ^ B j
^•E
••Si --5X
•re"-
1 ' ^^ÖKrCr?^--":
Aanleg van de beplanting van de Tuinen van Alden Biesen
Firma BERT DAUTZENBERG Aanleg en onderhoud stijltuinen METSTEREN 3 Tel. (011) 67 10 73
3800 SINT-TRUIDEN Fax. (011) 69 19 63
Als prachtige getuige van het verleden, laat het Domein van Bokrijk op 90 Ha, de 'tijd van toen' herleven. In Bokrijk is hout alom tegenwoordig en onderhevig aan aanslagen van zon, regen, insekten of zwammen. Om de aangetaste delen te genezen en het geheel te beschermen tegen alle toekomstige aanvallen, heeft het Domein de PROXYL-produkten gekozen omwille van hun doeltreffendheid, eenvoudige toepasbaarheid en lage giftigheid. Het PROXYL gamma; gespecialiseerde produkten voor de behandeling tegen 'Insekten en zwammen', produkten voor de bescherming en dekoratie van hout. Alle produkten verkregen een toelating van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu voor toepassingen buiten zowel als binnen.
Inlichtingen, advies en verkoop: PROXYL Vaartdijk 40 - 2100 DEURNE - Tel 03/326 07 48 - Fax. 03/326 07 98