Skip to main content

RHO-RHO-ADV-2223-002.pdf

Page 1

ADVIES 18 oktober 2022

Hefbomen en voorwaarden voor een grotere sociale inclusie van kansengroepen in het hoger onderwijs Advies over de sociale inclusie van kansengroepen in het hoger onderwijs

Vlaamse Onderwijsraad Koning Albert II-laan 37 BE-1030 Brussel T +32 2 219 42 99 www.vlor.be info@vlor.be

Wijs beleid door overleg


Advies op eigen initiatief Uitgebracht door de Raad Hoger Onderwijs op 18 oktober 2022 met 13 stemmen voor en 1 onthouding Voorbereiding: werkgroep Democratisering Hoger Onderwijs op 17 december 2018, 22 januari 2019, 20 februari 2019, 26 april 2019, 8 mei 2019, 4 september 2019, 15 oktober 2019, 15 januari 2020, 18 juni 2020, 19 april 2021, 18 juni 2021, 2 december 2021, 21 februari 2021, 8 maart 2022, 21 april 2022, 24 mei 2022, en 26 september 2022 onder voorzitterschap van Imran Uddin Dossierbeheerder: Simon Grymonprez


Inhoud 1

2

Situering .......................................................................................................................................... 2 1.1

Student zijn: meer dan de studie zelf ................................................................................... 2

1.2

Sociale inclusie als aandachtspunt....................................................................................... 2

Wat weten we wel en niet over sociale inclusie? ......................................................................... 3 2.1

Waarom is sociale inclusie belangrijk? ................................................................................. 3

2.1.1 Sociale inclusie bevordert sociale integratie, mentaal welzijn en identiteitsontwikkeling ................................................................................................................... 3

3

4

2.1.2

Sociale inclusie bevordert burgerschapsvorming ........................................................ 3

2.1.3

Sociale inclusie versterkt de academische integratie ................................................. 4

2.1.4

Sociale inclusie is een hefboom voor democratisering ............................................... 4

2.2

Wat verstaan we onder ‘kansengroepen’? ........................................................................... 4

2.3

Welke gegevens zijn beschikbaar over sociale inclusie? .................................................... 4

Kritische succesfactoren en voorwaarden ................................................................................... 5 3.1

Betaalbaarheid ....................................................................................................................... 5

3.2

Bereikbaarheid ....................................................................................................................... 6

3.3

Beschikbaarheid ..................................................................................................................... 7

3.4

Begrijpbaarheid ...................................................................................................................... 7

3.5

Bruikbaarheid ......................................................................................................................... 8

Aanbevelingen ................................................................................................................................ 8 4.1

Visie en geïntegreerde aanpak binnen hogeronderwijsinstelling ....................................... 8

4.2

Studenten mee aan zet ........................................................................................................ 10

4.3

Combinatie van universele én doelgerichte aanpak .......................................................... 10

4.4

Communicatie: verder inzetten op begrijpbaarheid ........................................................... 11

4.5

Het belang van kennisuitwisseling en samenwerking ....................................................... 12

Bronnen............................................................................................................................................. 13 Vlor-adviezen................................................................................................................................. 14

1

vlor.be


1 Situering 1.1 Student zijn: meer dan de studie zelf De Vlor vindt dat de samenstelling van de studentenpopulatie in het Vlaamse hoger onderwijs een weerspiegeling moet zijn van de diverse samenleving. Bovendien blijft het belangrijk om in de moderne kennismaatschappij meer studenten toe te leiden naar het hoger onderwijs en zo meer hoogopgeleiden af te leveren.1 Al in 2005 spraken de hogeronderwijspartners in de Vlor het engagement uit om diversiteit als een meerwaarde te beschouwen.2 De hogeronderwijspartners ondertekenden een verklaring waarin ze zich engageerden voor een veelzijdig diversiteitsbeleid dat voor gelijke kansen van ondervertegenwoordigde groepen zorgt in het hoger onderwijs. De overheid en hogeronderwijsinstellingen leveren al veel inspanningen om diversiteit en de inclusie van kansengroepen in het hoger onderwijs te versterken. Niettemin is diversiteit een blijvend aandachtspunt. In vorige adviezen heeft de Vlor zich vooral toegespitst op academische inclusie. Maar natuurlijk is student zijn veel meer dan dat. Naast de studie zelf heeft een student tal van mogelijkheden om mensen te ontmoeten, zichzelf te ontplooien, ervaringen op te doen enzovoort. Zo maken sommige studenten deel uit van een studentenvereniging. Anderen beslissen om deel te nemen aan het extra-curriculaire aanbod (onder andere sport en cultuur) dat door de studentenvoorzieningen wordt georganiseerd. Er zijn ook studenten die een rol opnemen als studentenvertegenwoordiger in hun opleiding, instelling of op het Vlaamse beleidsniveau. Die drie types van groepsactiviteiten in het studentenleven worden samengebracht onder de noemer van sociale activiteiten.3 4

1.2 Sociale inclusie als aandachtspunt Uit gesprekken met stakeholders in het hoger onderwijs (waaronder de instellingen, studentenvoorzieningen, studenten, …) blijkt dat dat er bepaalde (groepen) studenten zijn die minder deelnemen aan sociale activiteiten dan andere (zie 2.3). De coronacrisis heeft de aandacht daarvoor verder verscherpt. De centrale vraag in dit advies is dan ook: hoe kan het inclusieve karakter van die sociale activiteiten worden versterkt? Hoewel we in dit advies in eerste instantie focussen op sociale

1

Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Uitdagingen en kansen voor een toekomstgericht hoger onderwijs, 11 juni 2019. Vlor, Engagementsverklaring: diversiteit als meerwaarde in het hoger onderwijs. 3 Naast die drie types van sociale activiteiten die worden opgezet door formele organisaties, zijn er ook nog tal van sociale activiteiten die kunnen plaatsvinden via het eigen netwerk van studenten. Denk bijvoorbeeld aan deelname aan activiteiten in de vrije tijd, waar ook studenten met een diversiteit aan achtergrondkenmerken aanwezig zijn. Hoewel ze ook onder de noemer van sociale activiteiten vallen – en dus kunnen worden bekeken in het licht van sociale inclusie -, behoren ze niet tot de scope van dit advies. 4 Dat landschap van activiteiten werd weliswaar stevig door elkaar geschud tijdens de coronapandemie. Sociale activiteiten organiseren was toen moeilijk, zo niet onmogelijk. Ook voor veel studenten was het niet vanzelfsprekend om eraan deel te nemen. Er werd daarnaast vanuit de hogeronderwijsinstellingen ook een meer specifiek aanbod ontwikkeld, bijvoorbeeld een online aanbod sociale activiteiten en een specifiek aanbod rond mentaal welzijn. 2

2

vlor.be


inclusie, maken we daarbij de kanttekening dat sociale inclusie niet los kan gezien worden van academische inclusie. Beide kunnen op elkaar inwerken.5 Dit advies is bedoeld als een reflectietekst voor overheid en instellingen hoger onderwijs, maar ook voor andere actoren zoals studenten, studentenverenigingen, intermediaire organisaties enzovoort. Om zicht te krijgen op kritische succesfactoren rond sociale inclusie, had de Vlor focusgesprekken met intermediaire organisaties, studentenvoorzieningen en een diverse groep studenten (zie 2.3).

2 Wat weten we wel en niet over sociale inclusie? 2.1 Waarom is sociale inclusie belangrijk? 2.1.1 Sociale inclusie bevordert sociale integratie, mentaal welzijn en identiteitsontwikkeling De deelname aan sociale activiteiten bevordert sociale integratie. Het draagt bij tot identiteitsontwikkeling van studenten en werkt ook bevorderend voor het mentaal welbevinden van studenten. Zo blijken studenten die een goede verbondenheid vertonen met de onderwijsinstelling en hun medestudenten, dubbel zoveel gebufferd te zijn tegen de ontwikkeling van een emotionele problemen (MacLeod et. al, 2019; Whitlock et. al, 2013).

2.1.2 Sociale inclusie bevordert burgerschapsvorming Er is een groeiende tendens om burgerschapsvorming (mensen met elkaar leren samenleven) als een van de doelen van het hoger onderwijs te beschouwen, zonder dit expliciet als leerdoel op te nemen. Onderzoek bevestigt het belang daarvan: hogeropgeleiden hebben doorgaans meer prodemocratische attitudes en zijn gemiddeld minder vijandig ten opzichte van andersdenkenden enzovoort. Zelfs wie deelneemt aan het hoger onderwijs, maar uiteindelijk het diploma niet behaalt, staat doorgaans meer prodemocratisch in het leven.6 Onderwijs, en ook hogeronderwijsinstellingen, zijn dan ook centrale actoren in het Framework of Competences for Democratic Culture van de Raad van Europa.7 Dit framework ondersteunt Europese landen in het stimuleren van een open en tolerante samenleving door middel van onderwijs. Hoger onderwijs heeft een ruimere opdracht dat een toeleiding tot de arbeidsmarkt alleen. De Vlor bevestigt dat hoger onderwijs zich zeker ook moeten richten op de brede ontwikkeling van jongeren. In een dergelijk holistisch perspectief is het ondersteunen van de deelname aan sociale activiteiten een belangrijke en legitieme taak van het hoger onderwijs.

Zo kan een diverse samenstelling bij groepswerk in het hoger onderwijs studenten ook naar sociale activiteiten leiden waar ze zonder het netwerk dat ze via groepswerk hebben opgebouwd, niet aan zouden deelnemen. En omgekeerd: Ook het netwerk dat via sociale inclusie wordt opgebouwd, kan een positief effect hebben op hun academische inspanningen en prestaties. 6 CEW Georgetown (z.d.), The Role of Education in Taming Authoritarian Attitudes. 7 “Education systems, schools and universities should make preparation for democratic citizenship one of its key missions. This involves ensuring that students should know and understand the challenges they are faced with and the consequences of their decisions, what they are able to do and what they should refrain from doing. In order to do all this they need not only to have knowledge, but also the relevant competences – and the aim of the Framework is to define what those competences are.” Council of Europe (z.d.). Reference Framework of Competences for Democratic Culture. 5

3

vlor.be


2.1.3 Sociale inclusie versterkt de academische integratie Sociale activiteiten hebben het potentieel om het studiesucces van studenten positief te beïnvloeden. Onderzoek heeft al herhaaldelijk gewezen op het belang van ‘sense of belonging’ of ‘connectedness’. Het gaat daarbij over het subjectieve gevoel van affiliatie en identificatie met de studentengemeenschap, dus de mate waarin een student zich thuis voelt in de hogeronderwijsinstelling, de opleiding, de studentengroep enzovoort. (zie Dopmeijer, 2021; Hoffman, Richmond, Morrow & Salomone, 2002-2003). Dat gevoel draagt bij tot de motivatie en het algemeen welzijn van studenten en kan ook hun studiesucces verhogen (Dopmeijer, 2021). Om dat gevoel van verbondenheid of ‘zich thuis voelen’ te versterken, kunnen sociale activiteiten die een inclusieve hogeronderwijsomgeving stimuleren een belangrijke rol spelen (Dopmeijer, 2021). Wanneer we het hebben over sociale inclusie, gaat het dus niet enkel over de participatie en het engagement van de studenten aan het hoger onderwijs en het bijbehorende studentenleven. Als sociale inclusie echt slaagt, dan resulteert dat ook in studiesucces in het hoger onderwijs, via empowerment van de studenten (Gidley, Hampson, Wheeler & Bereded-Samuel, 2010).

2.1.4 Sociale inclusie is een hefboom voor democratisering Voor studenten voor wie de overgang naar het hoger onderwijs niet vanzelfsprekend is, is het belangrijk dat ze evenredig deelnemen aan het aanbod sociale activiteiten als hun medestudenten, net omdat die activiteiten een democratiserende rol kunnen spelen. Het is dus belangrijk dat die studenten daar zo weinig mogelijk drempels bij ervaren.

2.2 Wat verstaan we onder ‘kansengroepen’? Dit advies heeft niet de ambitie om de vraag te beantwoorden welke groepen studenten ondervertegenwoordigd zijn bij sociale activiteiten. Dat is ook principieel onmogelijk, want alle studenten kunnen in principe door diverse kenmerken worden beschreven: gender, etniciteit, levensbeschouwing, seksuele oriëntatie, leeftijd enzovoort. De Vlor vertrekt immers van het kruispuntdenken. Identiteit kan namelijk worden gezien als een kruispunt met meerdere dimensies die elkaar kunnen beïnvloeden (Ella vzw, 2014). Als het gaat om kansengroepen, denkt de Vlor niettemin zeker aan studenten met (onder meer) volgende kenmerken: studenten met een functiebeperking, een migratieachtergrond, een achtergrond in kansarmoede, een anderstalige achtergrond enzovoort. Of aan studenten met een combinatie van die (of andere) diverse kenmerken. Maar het gaat evengoed om werkstudenten, studenten met een gezinslast, studenten met een niet-traditionele vooropleiding, herintreders enzovoort. De Vlor benoemt die studenten als studenten uit kansengroepen.8

2.3 Welke gegevens zijn beschikbaar over sociale inclusie? Waarom kiezen sommige studenten om deel te nemen aan sociale activiteiten, terwijl anderen dat eerder niet doen? Hoe komt het nu dat er zo een verschillen zijn tussen studenten in de activiteiten die ze opnemen? En ook: hoe worden die verschillen ervaren? Hoewel sociale activiteiten doorgaans breed worden opgezet en dus toegankelijk zijn voor elke student, zijn er zeer weinig cijfergegevens beschikbaar over de daadwerkelijke deelname aan die

8

Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs (actualisering), 21 april 2015.

4

vlor.be


activiteiten door studenten met een diversiteit aan identiteits- en achtergrondkenmerken, omdat er slechts in beperkte mate monitoring en rapportering daarrond werd opgezet. Zelfs indien er dergelijke cijfers zouden zijn, zouden deze niet alles zeggen: deelnamecijfers beantwoorden immers niet de vraag naar de mate waarin alle studenten die zouden willen deelnemen, daarbij drempels ervaren die hen verhinderen om daadwerkelijk deel te nemen. Niettemin stellen de onderwijsstakeholders in het hoger onderwijs vanuit hun ervaring in de praktijk vast dat er bepaalde (groepen) studenten zijn die minder deelnemen aan sociale activiteiten dan andere. Die vaststelling werd verder uitgediept en bevestigd in gesprekken met verschillende actoren in het hogeronderwijsveld. Om zicht te krijgen op de sociale inclusie van kansengroepen, werden er gesprekken georganiseerd met: • Een diverse groep van studenten, die primaire stakeholders zijn bij de organisatie van sociale activiteiten. Die activiteiten worden immers voor en door studenten georganiseerd. • Intermediaire organisaties, die als schakel fungeren tussen verschillende actoren in het hogeronderwijsveld en daarbuiten en actief zijn in het domein van leerhulp en studiebegeleiding, deelname aan hoger onderwijs, integratie en inburgering, beeldvorming rond diversiteit enzovoort; • Studentenvoorzieningen: de diensten die tot doel hebben de gelijkwaardige toegang tot en de deelname van alle studenten aan het hoger onderwijs te bevorderen door de basisvoorwaarden bij het studeren te verbeteren. Ze streven dat doel na door materiële en immateriële hulp- en dienstverlening te bieden en door studiebelemmerende factoren weg te nemen. De studentenvoorzieningen zijn actief binnen huisvesting, voeding, sociale dienstverlening, medische psychologische dienstverlening, vervoer en studentenwerking.9 Tijdens de gesprekken werd vastgesteld dat er nog heel wat kansen zijn om de sociale inclusie voor kansengroepen te verhogen. De Vlor formuleert in dit advies daarom kritische succesfactoren, voorwaarden en aanbevelingen om sociale inclusie te verhogen.

3 Kritische succesfactoren en voorwaarden Er is al heel wat geschreven over kritische succesfactoren van sociale inclusie. Een van de meest bekende kaders om die in kaart te brengen is dat van de vijf B’s: betaalbaarheid, bereikbaarheid, beschikbaarheid, begrijpbaarheid en bruikbaarheid. Soms krijgen deze vijf B’s er nog twee bij: bekendheid en betrouwbaarheid, maar wij hebben ervoor gekozen om die geïntegreerd te bespreken in dit advies.10 In wat volgt brengen we de input rond de kritische succesfactoren samen uit de diverse gesprekken die de Vlor heeft gevoerd.

3.1 Betaalbaarheid Eén van de meest gekende voorwaarden voor sociale inclusie is betaalbaarheid. Dat omvat de mate waarin de prijs van het aanbod een moeilijkheid vormt. Die voorwaarde kwam vooral aan bod tijdens gesprekken met de studentenvoorzieningen en de intermediaire organisaties. Er zijn studenten die zelf instaan voor het bekostigen van hun studie en daar vaak een studentenjob voor nodig hebben. Er zijn ook studenten die, los van externe omstandigheden zoals een

9

Codex Hoger Onderwijs https://ambrassade.be/nl/toolbox-diversiteit/laagdrempelig-jeugdwerk/drempels-verlagen; zie ook: Vlaamse Overheid, Agentschap Integratie en Inburgering (2022). 7 B's van toegankelijkheid (integratie-inburgering.be). De B’s worden soms ook nog aangevuld met begripvol en betreedbaarheid.

10

5

vlor.be


economische crisis, genoodzaakt zijn om te gaan werken om in eigen behoefte (of de behoefte van hun gezin) te kunnen voorzien. Hierdoor hebben ze minder tijd om aan sociale activiteiten deel te nemen. Voor hen kan ook het gebrek aan financiële middelen die nodig zijn voor deelname aan sociale activiteiten een drempel vormen. Die studenten hebben ook niet altijd een goed zicht op het kostenplaatje van de deelname aan de sociale activiteiten in het hoger onderwijs, en op de systemen die bestaan om daaraan financieel tegemoet te komen. Ze zijn vaak ook onvoldoende op de hoogte van wat de studentenvoorzieningen inhouden en welk aanbod ze doen. Dat komt mede omdat de communicatie daarover niet altijd laagdrempelig is. Naast financiële drempels zijn er ook andere materiële drempels voor sociale inclusie. Zo werd er bijvoorbeeld door de studentenvoorzieningen tijdens de coronapandemie een online aanbod uitgewerkt. Ook intermediaire organisaties nemen vaak online initiatieven, bijvoorbeeld rond community-vorming. Die initiatieven bereiken niet alle studenten, met name de studenten die geen eigen computer of permanente internetverbinding hebben.11 Goedbedoelde initiatieven kunnen dus nieuwe drempels creëren.

3.2 Bereikbaarheid Een belangrijke voorwaarde is de bereikbaarheid, ofwel de mate waarin het aanbod toegankelijk is voor studenten. Bereikbaarheid betekent ook fysieke bereikbaarheid. Verplaatsingsmogelijkheden met het openbaar vervoer (of een andere modaliteit) of het gebrek daaraan hoort daar dus ook bij. Het is cruciaal dat studenten zelf de motivatie vinden om met medestudenten aan sociale activiteiten deel te nemen. In het algemeen wordt de formele studentenparticipatie omwille van de focus op academische activiteiten door studenten als minder toegankelijk ervaren dan het verenigingsleven en het extra-curriculaire aanbod georganiseerd door de studentenvoorzieningen. Qua bereikbaarheid kwamen de volgende voorwaarden aan bod in de gesprekken met studenten, studentenvoorzieningen en intermediaire organisaties: • Op ruimtelijk/fysiek vlak: de locaties waar de sociale activiteiten plaatsvinden zijn vaak onvoldoende toegankelijk voor iedere student. Dat geldt voor de gebouwen van de instellingen in het geheel, maar ook voor activiteiten in het verenigingsleven die plaatsvinden in contexten die voor studenten met een fysieke beperking niet evident zijn. • Op vlak van tijd: de deelname aan sociale activiteiten in het studentenleven vraagt tijd en engagement van studenten, terwijl studeren een voltijdse bezigheid is. Zeker voor studenten die hun studie combineren met werk of studentenjobs, een gezin hebben, andere engagementen opnemen buiten de hogeschool of universiteit (zoals leiding zijn in een jeugdbeweging) enzovoort, beperkt dat de toegankelijkheid van het aanbod. • Op persoonlijk vlak: het blijkt niet voor alle studenten evident te zijn om ingang te vinden in bestaande netwerken. Dat geldt volgens studenten voor de sociale activiteiten in het algemeen, maar toch vooral voor formele studentenparticipatie. Er is de perceptie dat bijvoorbeeld een studentenraad een vrij gesloten groep is, waarbij je als student moeilijk kan aansluiten. Ook de zichtbaarheid en bekendheid van het aanbod is cruciaal opdat het bereikbaar en toegankelijk zou zijn. Doorheen de verschillende gesprekken werd opgemerkt dat de zichtbaarheid van de diverse mogelijkheden tot sociale inclusie die worden voorzien, eerder laag is. Dat geldt zowel voor het aanbod van de studentenvoorzieningen, als voor de meer formele

11

Vlor, Raad Hoger Onderwijs, Advies over het digitaal leren in het hoger onderwijs, 13 mei 2014.

6

vlor.be


studentenparticipatie, en de deelname aan het verenigingsleven. Ondanks de inspanningen die worden geleverd om de initiatieven zichtbaar te maken, wordt dat duidelijk als een drempel benoemd in de gesprekken, in het bijzonder voor groepen zoals zij-instromers, studenten die vanuit het buitenland instromen, pioniersstudenten enzovoort.

3.3 Beschikbaarheid De bereikbaarheid en de beschikbaarheid van het aanbod - zonder veel administratieve en eventuele andere praktische voorwaarden voor sociale inclusie - hangen nauw samen. Rond de beschikbaarheid van het aanbod werd er tijdens de gesprekken vooral gewezen op praktisch en administratief kritische voorwaarden die bepaalde groepen studenten nodig hebben om deel te nemen aan sociale activiteiten. Zo kunnen bijvoorbeeld studenten die tijdens het semester zij-instromen, niet enkel administratieve moeilijkheden ervaren, maar ook de timing van de activiteiten kan voor hen een drempel vormen bij deelname. Hun sense of belonging of connectedness wordt daardoor niet bevorderd. In het bijzonder bij de studentenverenigingen vormt de stabiliteit en duurzame beschikbaarheid van het aanbod over verschillende academiejaren heen een drempel. Die is vaak onvoldoende gegarandeerd, omdat er te weinig studenten zijn die dat meerdere jaren na elkaar trekken, onder meer doordat ze kortdurende opleidingen volgen van twee tot drie jaar (waarbij ze tijdens het laatste jaar vaak slechts beperkt in de hogeronderwijsinstelling aanwezig zijn wegens stages of mobiliteit). Naast langer durende sociale activiteiten is er nood aan het opzetten van sociale activiteiten die een korte-termijnengagement vragen. Daarnaast biedt ook digitalisering kansen voor studenten om plaatsonafhankelijk en (bij asynchrone activiteiten) tijdsonafhankelijk deel te nemen.

3.4 Begrijpbaarheid Begrijpbaarheid omvat de mate waarin informatie over het aanbod begrijpelijk is, zodat geïnteresseerde studenten kunnen beoordelen of het aanbod voor hen bestemd is. Doorheen de diverse gesprekken kwam aan bod dat de geboden informatie beter kan op vlak van begrijpbaarheid: • Communicatiekanalen: studenten halen aan dat ze zelf nog te veel moeten zoeken naar het aanbod van sociale activiteiten. Het zou beter zijn als daarover meer actief wordt geadverteerd, via diverse kanalen en op regelmatige basis. Het is ook belangrijk om daar het inclusieve karakter van de activiteit te tonen. • Jargon en toegankelijkheid: ondanks de inspanningen die op dat vlak worden geleverd, wordt er gewezen op het belang van het taalregister. Het gebruik van jargon maakt de communicatie bijvoorbeeld minder goed begrijpbaar, zeker voor bepaalde studenten met een anderstalige achtergrond. Organisaties en instellingen kunnen hun communicatie afstellen op de principes van Universal Design for Learning (UDL).12 Zo kan ingezet worden op voorleessoftware of op omschrijvingen bij afbeeldingen (captions, alt-tekst) die kunnen worden voorgelezen. • Timing: studenten geven aan dat er veel aandacht is voor overgangsmomenten, zoals de start van het academiejaar of nieuw semester. Zo worden er bijvoorbeeld vaak introductiesessies

12

Het onderwijsaanbod zo ontwerpen dat het maximaal toegankelijk wordt voor alle studenten. SIHO (z.d.). Leidraad universeel ontwerp Van beleid naar praktijk.

7

vlor.be


•

•

georganiseerd voor studenten die vanuit het secundair onderwijs instromen in het hoger onderwijs. Op zo’n momenten stellen vertegenwoordigers van studentenverenigingen zich voor, samen met vertegenwoordigers van de studentenraad op opleidings- of instellingsniveau. Ook doorheen het academiejaar is het echter belangrijk om een aanspreekpunt te hebben, zeker voor studenten die instromen buiten de traditionele overgangsmomenten. Communicatie op maat: de communicatie is onvoldoende persoonlijk gericht op bepaalde (groepen of individuele) studenten. Zo werd er bijvoorbeeld door de intermediaire organisaties op gewezen dat de communicatie vooral gericht is op studenten die op of in de buurt van de campus verblijven en minder op pendelstudenten uit meer rurale gebieden. Door de studentenvoorzieningen werd aangehaald dat er ook anderstalige studenten zijn voor wie de Nederlandse taal een drempel vormt, terwijl studentenraden en studentenverenigingen vaak standaard in het Nederlands communiceren. Betrouwbaarheid: de gepercipieerde betrouwbaarheid is voor studenten uit kansengroepen cruciaal, net omdat ze vaak een gebrek aan zelfvertrouwen hebben. Bepaalde sociale activiteiten kampen met gepercipieerde of reële problemen op vlak van betrouwbaarheid. Bijvoorbeeld de gepercipieerde ‘drinkcultuur’ bij sommige studentenverenigingen of studentenclubs of op studentendopen, kan studenten afschrikken om deel te nemen.

3.5 Bruikbaarheid Een laatste (groep van) kritische succesfactoren en voorwaarden is die rond bruikbaarheid. Dat omvat de mate waarin het aanbod aan de behoeften en wensen van (potentiële) studenten voldoet. Voor studenten is een centrale vraag dan ook: in hoeverre heb ik die sociale activiteiten nodig? In hoeverre bieden ze een meerwaarde? In het bijzonder voor bepaalde groepen studenten met diverse identiteits- en achtergrondkenmerken worden recent veel inspanningen geleverd om het studentenleven voor hen meer inclusief te maken, maar dat is nog niet het geval voor alle studentengroepen. Niet alle studenten voelen zich namelijk aangesproken en kunnen zich identificeren met het bestaande aanbod: • Ondanks de inspanningen die op dat vlak geleverd worden, zijn de reguliere studentenverenigingen - die zich niet richten op een specifieke groep studenten op basis van achtergrondkenmerken - volgens studenten, studentenvoorzieningen en intermediaire organisaties vaak onvoldoende divers, waardoor het voor studenten niet altijd eenvoudig is om gelijkgestemden te ontmoeten en zich hierin welkom te voelen. • Ook binnen studentenraden vinden we problemen rond bruikbaarheid. Als studenten uit kansengroepen het gevoel hebben gehoord te worden binnen hun studentenraad, dan kan dit leiden tot hun deelname en participatie. Als zij het gevoel hebben dat hun stem onvoldoende wordt gehoord of vertegenwoordigd, dan is de meerwaarde voor hen beperkt en kan de vrees voor studieduurvertraging doorwegen in hun beslissing om er niet aan deel te nemen. • Hoewel het extra-curriculaire aanbod dat door de studentenvoorzieningen wordt georganiseerd in hoge mate als inclusief wordt ervaren, blijft bruikbaarheid een aandachtspunt.

4 Aanbevelingen 4.1 Visie en geïntegreerde aanpak binnen hogeronderwijsinstelling Sociale inclusie moet naast academische inclusie een zichtbaar en belangrijk luik zijn binnen het diversiteitsbeleid van de hogeronderwijsinstellingen. Een succesvolle aanpak ter bevordering van

8

vlor.be


sociale inclusie start met een expliciete visie hierop. Het is immers belangrijk dat er strategische prioriteiten worden bepaald op instellingsniveau om sociale inclusie te versterken, aansluitend bij de algemene visie op onderwijs van de hogeronderwijsinstelling. De Vlor benadrukt dat ook de uitwerking en uitrol van de visie instellingsbreed gedragen moet gebeuren. Diversiteit moet immers worden geïntegreerd in elk aspect van de werking van de instelling. Eens er een visie rond sociale inclusie is, zijn er diverse randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan: • Om zowel academische als sociale inclusie onder studenten te bevorderen, is het van belang dat diversiteit blijvend als meerwaarde wordt gezien, door instellingen, studenten en ook door de overheid. Diversiteit bij het personeel is een belangrijke hefboom voor het bevorderen van de instroom, doorstroom en uitstroom van kansengroepen in het hoger onderwijs. Een divers en diversiteitssensitief personeelsbeleid kan bijdragen tot sociale inclusie. Het is van belang dat de aanwezige diversiteit in het hoger onderwijs zichtbaar wordt gemaakt, zonder daarbij stigmatiserend te werk te gaan.13 • Om gericht te kunnen inzetten op sociale inclusie, is er tijd nodig. Dat geldt in het bijzonder voor het personeel binnen hogeronderwijsinstellingen. De Vlor benadrukt dat er naast curatief ook meer proactief dient gewerkt te worden rond diversiteit en sociale inclusie en dat er dus ook voldoende personeel moet zijn. Daarnaast is ook tijd voor professionalisering van personeel rond diversiteit belangrijk. • Een degelijke basisfinanciering voor het hoger onderwijs is cruciaal om de democratisering van het hoger onderwijs blijvend waar te maken. De Vlor betreurt dat die basisfinanciering het voorbije decennium niet was gegarandeerd, net zoals de OESO in hun recente rapport ‘Higher Education in the Flemish Community of Belgium’ ook benadrukt (OECD, 2021).14 De Vlor is ook voorstander om op projectbasis zaken uit te proberen, die dan moeten kunnen verankerd worden in de basisfinanciering. Tot slot herhaalt de Vlor ook zijn eerdere pleidooi voor voldoende middelen voor onder andere de studentenvoorzieningen.15 • Ook studentenverenigingen moeten financieel ondersteund worden. Dat kan bijvoorbeeld door financiële middelen te voorzien waarmee ze opleidingen kunnen voorzien rond inclusie, of door extra subsidies toe te kennen indien studentenverenigingen aan bepaalde diversiteitsvoorwaarden voldoen. Op die manier worden de studentenverenigingen ook op hun verantwoordelijkheid aangesproken. • De Vlor vindt het belangrijk dat de hogeronderwijsinstellingen nagaan in welke mate ze erin slagen de sociale inclusie van kansengroepen te realiseren, zowel op instellingsniveau als op niveau van de opleidingen en studentenvoorzieningen. De ervaringen van de studenten zelf moeten daarin worden meegenomen.

Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Een diversiteitssensitief personeelsbeleid als hefboom voor democratisering. Advies over diversiteit op de werkvloer in het hoger onderwijs, 12 november 2019. 14 De financiering van het Vlaamse hoger onderwijs hinkt al jaren achterop ten aanzien van het aantal studenten dat is ingeschreven. Dat komt door de halfgesloten financieringsenveloppe voor hoger onderwijs en omdat verschillende decretaal voorziene instrumenten werden uitgehold (indexering, groeipaden, en de kliks die jarenlang niet zijn toegepast). Hierdoor neemt het bedrag dat de overheid per student besteedt, alleen maar af. Het is nochtans cruciaal dat die financiering voor langere termijn gegarandeerd is en zo instellingen toelaat om een meerjarenplanning te maken op vlak van diversiteit. Noodzakelijkerwijze gaat dat samen met een blijvend engagement vanuit de instellingen om een veelzijdig diversiteitsbeleid op te zetten, in navolging van het eerdere engagement dat de hogeronderwijspartners in 2005 hiertoe reeds hebben opgenomen. 15 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Een gegarandeerde basisfinanciering voor het hoger onderwijs. Advies n.a.v. de OESOreview ‘Resourcing Higher Education in the Flemish Community of Belgium’, 10 mei 2022. 13

9

vlor.be


•

Naast instellingen dienen ook studentenverenigingen en studentenraden na te gaan in welke mate ze sociale inclusie realiseren. Hogeronderwijsinstellingen kunnen studentenverenigingen en studentenraden daarin ondersteunen, vanuit een ontwikkelingsperspectief (niet beoordelend). De Vlor benadrukt het belang van waardering voor de tijd en inspanningen die personeel en studenten spenderen aan het organiseren van activiteiten gericht op sociale inclusie. Voor studenten kan dat bijvoorbeeld via het behalen van credits (en dus de inbedding in curricula). De formele erkenning die studenten zo krijgen, kan bovendien worden meegenomen naar hun toekomstige werkplek.

4.2 Studenten mee aan zet Bij het verder bevorderen van sociale inclusie moet bewaakt worden dat het initiatief zowel vanuit de instellingen kan komen, als vanuit de studenten zelf. Het is van belang dat de hogeronderwijsinstellingen garanderen dat studenten voldoende initiatieven kunnen nemen, door de drempels daartoe weg te nemen en de genomen initiatieven te faciliteren. Initiatieven die gedragen zijn door studenten of die door studenten zelf genomen worden, hebben doorgaans een grotere kans op slagen. Uiteraard hangt de mate van participatie, betrokkenheid en inspraak van studenten af van de aard van de sociale activiteit die wordt opgezet. In dat opzicht verwijst de Vlor naar Wilcox’ participatielatter.16 De stem van de studenten kan op verschillende manieren meegenomen worden in de besluitvorming rond sociale inclusie, gaande van het informeren van studenten over het instellingsbeleid tot het consulteren, samen beslissen of samen handelen, met als hoogste niveau op de ladder het ondersteunen op instellingsniveau van de initiatieven die volledig bottomup groeien. De Vlor pleit voor het bewaken van het continuüm van samenwerking. Dat vereist onder andere: • De uitbouw van een sterk netwerk van studenten die deelnemen aan verschillende soorten activiteiten voor sociale inclusie. Via nauwe contacten tussen studenten die vertegenwoordiging opnemen in de studentenvereniging en in de studentenraad op opleidings, departements-, of instellingsniveau, kunnen initiatieven gericht op sociale inclusie op een gecoördineerde en geïntegreerde manier worden versterkt. • Goede contacten van studenten die bijdragen tot de organisatie van activiteiten voor sociale inclusie met hun peers. Het is nodig dat studenten hun oor te luisteren leggen bij peers, om zo de behoeftes en noden op te pikken die leven onder de diverse studentenpopulatie. Studenten komen immers in verschillende mate in contact met studenten uit kansengroepen. • Een sensitieve houding van het personeel om noden en vragen van studenten te capteren. Het is van belang dat de noden en vragen van studenten het personeel uit de instellingen voldoende bereiken. Ze worden soms gecapteerd door bijvoorbeeld de studentenvoorzieningen, maar dat is wellicht niet altijd het geval. Er is nood aan bewustzijn en een zekere gevoeligheid daarvoor van het personeel.

4.3 Combinatie van universele én doelgerichte aanpak In het ideale geval is er een universeel en horizontaal aanbod aan sociale activiteiten dat alle studenten aanspreekt en dus ook laagdrempelig genoeg is om kansengroepen aan te spreken. Het

16

Onderwijs Vlaanderen (z.d.). Verbindend schoolklimaat door participatie.

10

vlor.be


kan immers niet de bedoeling zijn dat een instelling enkel een beleid met een set afzonderlijke maatregelen uittekent per doelgroep. Kansengroepen benoemen of studenten indelen in een bepaalde categorie van kansengroepen kan op zich al stigmatiserend zijn. Voor de Vlor is de baseline: werk zoveel mogelijk aan de kritische voorwaarden en succesfactoren voor deelname aan sociale activiteiten voor alle studenten. Op basis van groepsdynamische inzichten weten we evenwel dat het eigen is aan de mens om zich te omringen met gelijken. Zich op die manier verenigen vraagt minder sociale inspanning en creëert ook een gevoel van veiligheid. Er zijn dan ook bepaalde noden en behoeftes die via een volledig universeel beleid niet gecapteerd kunnen worden. Doelgroepgerichte acties rond sociale inclusie blijken bovendien succesvol te zijn. Wanneer we kijken naar de academische inclusie, dan zijn redelijke aanpassingen bij examens en studiebeurzen bijvoorbeeld doelgroepgericht en succesvol. Het blijft dus belangrijk om doelgroepgerichte initiatieven te blijven nemen, ook wanneer het gaat over sociale inclusie. Binnen die doelgroepgerichte aanpak kan er zowel vraaggestuurd en dus individueel gewerkt worden via activiteiten op maat georganiseerd op basis van de input en behoefte van bepaalde individuele studenten, alsook groepsgericht voor bepaalde kansengroepen. De Vlor ziet ook potentieel in ‘thematische’ studentenverenigingen (niet per studierichting, maar per interessegebied). Het Vlaamse hoger onderwijs kent daarin een minder lange traditie. Op die manier omringen studenten zich met medestudenten die gelijkaardige thematische interesses hebben, maar op vlak van achtergrondkenmerken wel sterk kunnen verschillen. De keuze voor een doelgroepgerichte of universele aanpak is geen zwart-wit verhaal. Zo wordt er vaak gebruikgemaakt van de term ‘progressief universalisme’, die een gradatie uitdrukt in de mate waarin een universele aanpak wordt gehanteerd. Een doelgroepgericht beleid kan ook gezien worden als een opstap naar een meer universeel beleid. Doelgroepgerichte sociale activiteiten laten studenten immers toe om hun netwerk uit te bouwen. De Vlor pleit dus voor een combinatie van een universele en horizontale aanpak enerzijds en een doelgroepgerichte en categoriale aanpak anderzijds. Het is belangrijk dat alle actoren in het hogeronderwijsveld binnen dat tweesporenbeleid een evenwicht zoeken.

4.4 Communicatie: verder inzetten op begrijpbaarheid In een voorgaand advies heeft de Vlor zich al gebogen over communicatie met studenten. De centrale vraag was: spreekt de communicatie die instellingen hanteren ook wel studenten uit kansengroepen voldoende aan?17 Dat voorgaand advies richtte zich op communicatie rond het aantrekken en begeleiden van studenten uit kansengroepen in het hoger onderwijs in brede zin. Verschillende van die aanbevelingen blijven vandaag relevant voor communicatie met studenten uit kansengroepen gericht op sociale inclusie in het bijzonder, wat ook werd bevestigd door de verschillende focusgroepgesprekken die de Vlor heeft gevoerd. De Vlor herhaalt zijn eerder pleidooi om bij de doelgroepstudenten na te gaan wat hun verwachtingen zijn ten aanzien van communicatie (zie 3.4 ‘Begrijpbaarheid’). Op die manier kunnen heel wat misverstanden, vooroordelen en misvattingen uit de weg geruimd worden.18

Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over hoe communiceren met studenten, met specifieke aandacht voor kansengroepen, 13 oktober 2015. 18 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over hoe communiceren met studenten, met specifieke aandacht voor kansengroepen, 13 oktober 2015 17

11

vlor.be


4.5 Het belang van kennisuitwisseling en samenwerking De Vlor adviseert om in navolging van dit advies verdere uitwisseling rond het thema te realiseren binnen de bestaande netwerken, bijvoorbeeld het Steunpunt Inclusief Hoger Onderwijs (SIHO). Op die manier kunnen goede praktijkvoorbeelden verder uitgewisseld worden en kunnen instellingen hun acties gaandeweg ook bijsturen indien nodig. De Vlor is bereid zijn rol daarin te spelen. Ad hoc projecten en quick wins kunnen goed zijn voor het welzijn van de studenten, maar als we op lange termijn stappen vooruit willen zetten rond sociale inclusie, dan dringt samenwerking zich op tussen diverse actoren in het hogeronderwijsveld: de Vlaamse overheid, de hogeronderwijsinstellingen, het personeel en de medewerkers van de instellingen (docenten, onderwijsdiensten enzovoort), studentenvoorzieningen, studenten, studentenverenigingen, intermediaire organisaties, lokale overheden en ander actoren op lokaal niveau (waaronder buurthuizen, vrijwilligerswerking in steden en gemeenten).

12

vlor.be


Bronnen CEW Georgetown (z.d.). The Role of Education in Taming Authoritarian Attitudes. Council of Europe (z.d.). Reference Framework of Competences for Democratic Culture. De Ambrassade (z.d.). Drempels verlagen. Dopmeijer, J. M. (2021). Running on empty: The impact of challenging student life on wellbeing and academic performance. (Doctoral thesis, Universiteit van Amsterdam, the Netherlands). EHEA Rome (2020). Rome Ministerial Communiqé Annex II: Principles and guidelines to strengthen the social dimension of higher education in the EHEA. Rome: EHEA. Ella vzw (2014). Intersectioneel denken. Handleiding voor professionelen die intersectionaliteit of kruispuntdenken in de eigen organisatie willen toepassen Gidley, J. M., Hampson, G. P., Wheeler, L., & Bereded-Samuel, E. (2010). From Access to success: An integrated approach to quality higher education informed by social inclusion theory and practice. Higher Education Policy, 23, 123-147. doi:10.1057/hep.2009.24 Hoffman, M., Richmond, J., Morrow, J., & Salmone, K. (2002-2003). Investigating “sense of belonging” in first-year college students. Journal of College Student Retention, 4(3), 227-256. InclusiPHE (2021). Stonger Together. Towards inclusive student engagement of non-traditional students in Professional Higher Education: Needs assessment for students’ engagement of nontraditional students in PHE. Kelchtermans, G., Ballet, K. (2009). Hoe werken praktijkvoorbeelden? Lessen uit onderzoek. Personeel en Organisatie, 22, 105-132. MacLeod, J., Yang, H.H. & Shi, Y. (2019). Student-to-student connectedness in higher education: a systematic literature review. J Comput Higher Education, 31, 426–448. OECD (2021). Resourcing Higher Education in the Flemish Community of Belgium, Higher Education, OECD Publishing, Paris. Onderwijs Vlaanderen (z.d.). Verbindend schoolklimaat door participatie. NVAO (z.d.). Oproep Systeembrede Analyse 2022-2023 NVAO Vlaanderen: 'Inclusie, differentiatie en diversiteit' SIHO (z.d). Leidraad universeel ontwerp Van beleid naar praktijk. Vlaamse Overheid, Agentschap Integratie en Inburgering (2022). 7 B's van toegankelijkheid (integratie-inburgering.be) Withlock, J.L., Wyman, P.A, & Barreira, P. (2013). Connectedness and suicide prevention in college settings: Directions and implications for practice, Bronfenbrenner Center for Translational Research Cornell University.

13

vlor.be


Vlor-adviezen Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Een gegarandeerde basisfinanciering voor het hoger onderwijs. Advies n.a.v. de OESO-review ‘Resourcing Higher Education in the Flemish Community of Belgium’, 10 mei 2022. Vlor, bureau Raad Hoger Onderwijs. Vraag naar de registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs Brief aan minister Ben Weyts, 1 oktober 2020 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Een diversiteitssensitief personeelsbeleid als hefboom voor democratisering. Advies over diversiteit op de werkvloer in het hoger onderwijs. 12 november 2019 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Uitdagingen en kansen voor een toekomstgericht hoger onderwijs, 11 juni 2019. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het diversiteitsbeleid in het Vlaamse hoger onderwijs, 11 september 2018. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het versterken van studentenparticipatie door de Vlaamse instellingen hoger onderwijs, 12 juni 2018. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het stimuleren van studentenparticipatie, 9 mei 2017 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over hoe communiceren met studenten, met specifieke aandacht voor kansengroepen, 13 oktober 2015 Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over de registratie van kansengroepen in het hoger onderwijs (actualisering), 21 april 2015. Vlor, Raad Hoger Onderwijs. Advies over het digitaal leren in het hoger onderwijs, 13 mei 2014. Vlor. Engagementsverklaring: diversiteit als meerwaarde in het hoger onderwijs.

14

vlor.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
RHO-RHO-ADV-2223-002.pdf by Vlaanderen-be - Issuu