Uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2022/127
DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Bij mailbericht van 7 februari 2022 (herhaald op 4 maart en 5 april 2022) diende xxx, een verzoek in bij het Agentschap voor Natuur en Bos (verder ‘ANB’), tot het bekomen van een (digitaal) afschrift - m.b.t. uitbreiding golfterrein Kasteel van Zwijnaarde perceel B234G _ Joachim Schayckstraat 6 achter het kasteel – van:
1. “het proces-verbaal inbreuk op het natuurdecreet (waarvan sprake in uw mail van 6 oktober 2020); 2. de beslissing van de minister waarbij het beroep ongegrond werd verklaard (waarvan sprake in uw mail van 14 juni 2021); 3. het verzoekschrift tot vernietiging bij de raad van state (waarvan sprake in uw mail van 14 juni 2021); 4. de bestuurlijke maatregel (waarvan sprake in uw mail van 9 november 2021).” Bij mailbericht d.d. 17 april 2022 diende xxx beroep in bij de beroepsinstantie tegen het vermeend uitblijven van een beslissing van het ANB. Dit beroep werd geregistreerd op 19 april 2022. De beroepsinstantie nam evenwel kennis via het ANB van het mailbericht d.d. 7 april 2022, als reply op het mailbericht van xxx van 5 april 2022, waarbij het ANB het verzoek tot openbaarmaking heeft geweigerd. Ontvankelijkheid van het beroep
www.vlaanderen.be
Het oorspronkelijk verzoek dateert van 7 februari 2022. De tussengekomen (laattijdige) beslissing van ANB dateert van 7 april 2022. Wat het laattijdig beantwoorden van openbaarheidsverzoeken betreft, wijst de beroepsinstantie wel op artikel II.48, §1, eerste lid, 2° van het Bestuursdecreet, op grond waarvan een aanvrager steeds beroep kan instellen tegen het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest genomen worden, verstreken is. In casu had verzoeker bijgevolg de mogelijkheid om op een vroeger tijdstip beroep in te stellen tegen de op dat moment bestaande ontstentenis van beslissing van het ANB. Verzoeker stelt dat er geen beslissing is tussengekomen, terwijl de beroepsinstantie kennis heeft genomen van de beslissing van het ANB van 7 april 2022. Deze beslissing maakt melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet. Het beroep werd ingediend bij mailbericht d.d. 17 april 2022 en is bijgevolg tijdig ingesteld. De beroepsinstantie dient, na vergelijking van het voorwerp van het initieel verzoek en de libellering in het beroepschrift, vast te stellen dat het voorwerp van het verzoek tot openbaarmaking in beroep werd uitgebreid. In het beroepschrift d.d. 17/04 wordt immers ook een afschrift gevraagd van “het nieuw pv, dat werd opgemaakt voor het niet volledig uitvoeren van de bestuurlijke maatregelen waaraan een nieuwe BHBM met dwangsom wordt gekoppeld”. Wat deze laatste vraag betreft, dient de beroepsinstantie redelijkerwijze vast te stellen dat deze niet vervat zat in het oorspronkelijk verzoek. Het voorwerp van het verzoek kan evenwel niet uitgebreid worden in de loop van de beroepsprocedure. Bijgevolg is deze vraag (het nieuwe pv voor het niet volledig uitvoeren van de bestuurlijke maatregelen) onontvankelijk. Het beroepschrift is derhalve gedeeltelijk ontvankelijk. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.
1.
Aangevochten beslissing
In een mailbericht van 7 april 2022 wordt door het ANB gesteld: “De afstand van beroep bij de Raad van
State doet niet af aan het feit dat het strafdossier nog loopt. Op dit ogenblik kunnen wij op basis van art. 28 quencies (sic) en art. 57 wetboek strafvordering (geheimhouding van het dossier) de betrokken documenten niet openbaar maken. Daarnaast verwijs ik naar artikel II. 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet. Dat artikel stelt: De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, wijzen de aanvraag tot openbaarmaking af als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen:
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 2 van 8
3° het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, zolang de mogelijkheid blijft bestaan om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen. Van zodra het strafonderzoek afgerond is, bekijken we uw vraag opnieuw en oordelen dan of we de gevraagde documenten dan openbaar kunnen maken.” 2. Inhoud van het beroepschrift De beroeper tekent beroep aan tegen het vermeend uitblijven van een beslissing van het ANB en wenst via de beroepsprocedure een afschrift van de gevraagde documenten te ontvangen. 3. Toelichting door het ANB De beroepsinstantie nam op 19 april 2022 bij mail contact op met het ANB om nadere toelichting te verkrijgen.. Bij mailbericht d.d. 21 april 2022 handhaaft het ANB het standpunt zoals verwoord in de beslissing van 7 april 2022 en geeft nog mee: “Gezien de herstelmaatregelen nog niet zijn uitgevoerd, is het strafdossier nog niet afgerond. Lopende strafdossiers kunnen wij niet doorgeven.” Na verzoek om verdere toelichting deelt het ANB bij mail d.d. 25/4 aan de beroepsinstantie mee : “De
beslissing van de minister waarbij het beroep ongegrond werd verklaard hebben wij in ons bezit. Zoals het hoort worden daar de elementen uit het proces-verbaal en de bestuurlijke maatregel onder de loep genomen. Met andere woorden bevat de beslissing de inhoud van het proces-verbaal en de bestuurlijke maatregel. Gezien we de stukken uit een lopend strafonderzoek niet mogen doorgeven, geldt dit ook voor de beslissing van de minister die de informatie uit het PV en de bestuurlijke maatregel bevat. Het verzoekschrift bij de Raad van State hebben wij niet in ons bezit.” 4. Standpunt van de beroepsinstantie
Eerste onderdeel: het verzoekschrift tot vernietiging bij de raad van state (waarvan sprake in uw mail van 14 juni 2021) Het ANB heeft aan de beroepsinstantie meegedeeld dat het niet beschikt over dit verzoekschrift. Bijgevolg kan de beroepsinstantie alleen maar vaststellen dat het verzoek van beroeper m.b.t. dit onderdeel betrekking heeft op gegevens waarover het ANB niet beschikt. Nu een openbaarheidsverzoek enkel maar betrekking kan hebben op informatie die in het bezit is van een overheidsinstantie, zoals omschreven in artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet, dient het beroep voor wat betreft dit onderdeel, als ongegrond te worden beschouwd.
Tweede onderdeel: het proces-verbaal inbreuk op het natuurdecreet (waarvan sprake in uw mail van 6 oktober 2020) Processen-verbaal zijn te beschouwen als gerechtelijke documenten én bestuursdocumenten in de zin van artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet (in zoverre in bezit van de overheidsinstantie zoals in casu) en komen derhalve principieel in aanmerking voor openbaarmaking tenzij uitzonderingsgronden van toepassing zijn. In artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet wordt een bestuursdocument gedefinieerd als de informatie, ongeacht de drager ervan, die in het bezit is van een overheidsinstantie. Voormeld proces-verbaal (verder ‘PV’) is een bestuursdocument conform het Bestuursdecreet.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 3 van 8
In de toelichting aan de beroepsinstantie heeft het ANB het standpunt gehandhaafd en beroept zij zich, om de openbaarmaking te weigeren, in eerste instantie op “art. 28 quencies (sic) en art. 57 wetboek
strafvordering”.
Het Bestuursdecreet maakt, voor wat betreft de uitzonderingen op het recht op openbaarheid, een onderscheid naargelang het gaat om een aanvraag tot openbaarmaking die betrekking heeft op milieuinformatie dan wel op andere informatie. De beroepsinstantie wenst op te merken dat zij bij de behandeling van dit dossier geen kennis heeft gekregen van het PV. Niettegenstaande de beroepsinstantie het gevraagde niet mocht ontvangen en dus in se geen concrete beoordeling kan maken, wijst de beroepsinstantie, conform artikel II.39, tweede lid Bestuursdecreet, op artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Conform voormeld artikel wijst een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument af wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. In dit geval is niet vereist dat er een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van de openbaarheid en het beschermde belang. De artikelen 28quinquies en 57 van het Wetboek van Strafvordering bevatten een dergelijke bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. Volgens artikel 28quinquies, §1 (wat het geheim karakter van het opsporingsonderzoek betreft) en artikel 57 (wat het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek betreft) van het Wetboek van Strafvordering zijn de personen die professioneel betrokken worden bij een strafonderzoek – zoals in casu de gewestelijke milieuopsporingsambtenaren van het ANB - gebonden door het beroepsgeheim en zijn die personen, als zij informatie vrijgeven over een strafonderzoek, bijgevolg strafbaar uit hoofde van artikel 458 van het Strafwetboek. In de rechtspraak werd reeds meermaals gesteld dat het geheim van het strafonderzoek geldt van zodra een overtreding door middel van een proces-verbaal is vastgesteld. Wanneer een proces-verbaal wordt verzonden naar het parket maakt dit deel uit van het strafonderzoek en door deze informatie vervat in het proces-verbaal openbaar te maken, dreigt men het geheim van het strafonderzoek te omzeilen. Uit artikel 458 Strafwetboek kan worden opgemaakt dat de wet of het decreet de gevallen kan bepalen waarin de verplichting wordt opgelegd om geheimen bekend te maken. Artikel 21bis Sv voorziet een recht op inzage of afschrift in het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, in te dienen bij de Procureur des Konings of de onderzoeksrechter. Een dergelijk bekomen toelating is in casu niet voorhanden of werd toch niet voorgelegd. De uitzonderingsgrond van artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is bijgevolg in casu van toepassing voor wat betreft het gevraagde PV. Daarnaast dient de beroepsinstantie te wijzen op de toepassing van de uitzonderingsgronden bepaald in artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (wat niet milieuinformatie betreft) en artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie (voor wat milieu-informatie betreft). Op grond van artikel 6, §1, 5° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur moet een aanvraag tot openbaarmaking door een federale of niet federale administratieve overheid worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Voor milieu-informatie dient echter artikel 27, §1, 4° van de wet van 5 augustus 2006 betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie bekeken te worden. Deze bepaling voorziet dat een vraag tot openbaarmaking afgewezen wordt als het publiek belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de opsporing of vervolging van sanctioneerbare feiten. Deze uitzondering geldt ook voor de niet-federale overheden omdat zij verband houdt met de strafvervolging, die met uitzondering van de bevoegdheden die artikel 11 en 11bis van de bijzondere wet van
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 4 van 8
8 augustus 1980 aan de Gemeenschappen en de Gewesten hebben toegekend, een federale bevoegdheid blijft. In bovenvermelde wet worden met “sanctioneerbare feiten” de strafrechtelijk beteugelde feiten bedoeld, evenals de feiten die onderworpen zijn aan een administratieve sanctie met inbegrip van de disciplinaire maatregelen. Onder deze uitzonderingsgrond kunnen bijvoorbeeld ook de documenten vallen die nog niet gelinkt zijn aan een lopend gerechtelijk onderzoek, maar waarvan de openbaarmaking het onderzoek eventueel kan schaden (Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 51, 2511/001, 36). Uit deze bepalingen volgt dat de aanvraag wordt afgewezen als het publiek belang van de openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van het belang van de opsporing of vervolging van strafbare of sanctioneerbare feiten. De beroepsinstantie wenst hierbij te benadrukken dat bij voormelde belangenafweging geen rekening dient te worden gehouden met de individuele belangen. De beroepsinstantie mocht van het Agentschap voor Natuur en Bos vernemen dat het strafdossier nog lopende is. Zolang er sprake is van een onderzoek door het Parket, wat in casu dus het geval is, kan de openbaarmaking van het gevraagde PV niet toegestaan worden. De neutraliteit en objectiviteit van het onderzoek moet gevrijwaard worden zonder daarbij een lopend onderzoek door het Parket te beïnvloeden. Zolang het strafonderzoek nog lopende is, zou het vroegtijdig onthullen van het gevraagde kunnen verhinderen dat mogelijke nuttige onderzoekdaden in een geruststellende en serene sfeer zouden kunnen plaatsvinden. Een publiek belang inzake de openbaarmaking is in casu niet voorhanden, zodat de afweging van beide belangen bijgevolg in casu resulteert in het primerende belang van de uitzonderingsgrond vermeld in bovenvermelde bepalingen. Gezien het voorgaande is er geen reden om de toepassing van de uitzonderingsgrond zoals bepaald in artikel II. 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet nader te onderzoeken en te beoordelen. Op grond van voorgaande overwegingen, dient het beroep, voor wat betreft dit onderdeel (het procesverbaal inbreuk op het natuurdecreet (waarvan sprake in de mail van 6 oktober 2020)), als ongegrond te worden beschouwd.
Derde onderdeel: de bestuurlijke maatregel (waarvan sprake in uw mail van 9 november 2021) In de mail van het ANB van 9 november 2021 wordt gesteld: “Deze werken kaderen in de herstelwerkzaamheden opgelegd in de bestuurlijke maatregel.” De beroeper wenst een afschrift van de bestuurlijke maatregel waarbij herstelwerkzaamheden werden opgelegd. Het ANB steunt zich voor de weigering van de openbaarmaking van dit besluit houdende deze bestuurlijke maatregel eveneens op artikel II.36, §1, 3° Bestuursdecreet en op het geheim van het onderzoek. Artikel II.36, §1, 3° Bestuursdecreet bepaalt dat overheidsinstanties de aanvraag tot openbaarmaking afwijzen, voor zover die betrekking heeft op bestuursdocumenten die milieu-informatie bevatten, indien ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld, en dit zolang de mogelijkheid blijft bestaan om een strafsanctie of een administratieve sanctie op te leggen. De beroepsinstantie is echter van oordeel dat een besluit houdende een bestuurlijke maatregel niet uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie is opgesteld. Een dergelijke bestuurlijke maatregel is geen administratieve sanctie zoals bedoeld in het Bestuursdecreet.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 5 van 8
In de parlementaire voorbereiding van het Bestuursdecreet wordt immers hierbij aangegeven (Parl.St. Vl.Parl. 2017-18, 1656/1, 59-60): “De toenemende trend inzake het opleggen van administratieve sancties maakt
een bescherming van bestuursdocumenten die uitsluitend werden opgesteld ten behoeve van een administratieve procedure die leidt tot het opleggen van administratiefrechtelijke sancties noodzakelijk wanneer deze sancties onder het toepassingsgebied vallen van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Men moet immers verhinderen dat diegene die het voorwerp uitmaakt van een administratieve sanctie door de openbaarmaking niet de garanties zou genieten die deze internationaalrechtelijke bepalingen hem in dit geval garanderen. Het EHRM kent aan het begrip “straf” een autonome en materiële inhoud toe en wendt daartoe drie criteria aan: ze onderzoekt de juridische kwalificatie van de overtreding in het interne recht, ze gaat na of de norm een algemeen karakter heeft en of het doel van de sanctie zowel preventief als repressief is en controleert vervolgens ook de aard en de ernst van de sanctie die kan worden opgelegd. Deze criteria zijn niet cumulatief, maar een cumulatieve benadering kan aangewezen zijn wanneer de analyse van elk criterium afzonderlijk het niet mogelijk maakt om tot een helder besluit te komen omtrent het bestaan van een “strafvervolging” in de zin van artikel 6, §1, EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoun, Serie A, Vol. 284, §47). Dit belet niet dat deze bestuursdocumenten wel kunnen openbaar gemaakt worden van zodra de sanctie is opgelegd, behoudens eventueel andere uitzonderingsgronden.” Zoals ook door de Raad van State aangegeven is een bestuurlijke maatregel geen sanctie, maar een instrument dat gericht is op het herstel van het leefmilieu: “Blijkens de memorie van toelichting bij het
decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het milieubeleidsdecreet met een titel XVI "Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen" is het bij bestuurlijke maatregelen, zoals te dezen opgelegd, "niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieuinbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen" (St. Vl. Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Dergelijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden.” (RvS nr. 227.191 van 29 april 2014).
Alsook blijkt uit volgend arrest van de Raad van State: “14. Overeenkomstig artikel 16.4.5 DABM kunnen “na
de vaststelling van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf [...] bestuurlijke maatregelen worden opgelegd”. Artikel 16.4.18, §2, DABM schrijft voor dat het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen “aannemelijk [moet] maken dat er een milieu-inbreuk of milieumisdrijf is”. Volgens artikel 16.1.2, 2°, DABM moet onder milieumisdrijf worden verstaan: “een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel, waarop een straf is gesteld overeenkomstig de bepalingen van deze titel”. Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI „Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen‟, dat later het decreet van 21 december 2007 is geworden, is het bij bestuurlijke maatregelen “niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen”, kunnen “bestuurlijke maatregelen […] volledig onafhankelijk van strafsancties worden genomen”, kan een bestuurlijke maatregel aangezien ze “geen sanctie is in de strafrechtelijke betekenis van het woord, […] niet het voorwerp uitmaken van een genademaatregel met toepassing van artikel 110 van het gecoördineerde Grondwet” en zijn “de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering nopens de uitwissing van veroordelingen en het herstel in eer en rechten in strafzaken [evenmin] hierop van toepassing” (St. Vl.Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Bestuurlijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. De bestuurlijke maatregel strekt immers niet tot sanctionering of bestraffing van het milieumisdrijf als dusdanig. De verwerende partij kan in dit verband ook niet dienstig verwijzen naar het beweerd ontbreken van een “intentioneel element”
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 6 van 8
in hoofde van de exploitant. Het aannemelijk bestaan van een milieumisdrijf, op grond van de samenlezing van de artikelen 16.4.5 en 16.4.18, § 2, DABM, vergt in hoofde van de verwerende partij niet de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid” (RvS nr. 239.676 van 26 oktober 2017).” Bijgevolg is de beroepsinstantie van oordeel dat door het ANB m.b.t. de gevraagde bestuurlijke maatregel ten onrechte beroep werd gedaan op de uitzonderingsgrond vermeld in artikel 36, §1, 3° van het Bestuursdecreet. Het ANB weigert de openbaarmaking eveneens omdat het gevraagde besluit houdende bestuurlijke maatregel deel uitmaakt van een strafdossier dat in handen is van de procureur des Konings, dat onder het geheim van het onderzoek (artikel 28 quinquies Sv) valt. De beroepsinstantie begrijpt uit de toelichting door het ANB dat dit besluit houdende bestuurlijke maatregel in casu deel uitmaakt van het nog lopende strafdossier/strafonderzoek. Het is trouwens zo dat ook bijlagen bij PV’s te beschouwen zijn als gerechtelijke documenten én bestuursdocumenten in de zin van artikel I.4, 3° van het Bestuursdecreet (in zoverre in bezit van de overheidsinstantie zoals in casu). Bijgevolg kan de beroepsinstantie voor wat de beoordeling van dit onderdeel betreft, verwijzen naar het ingenomen standpunt onder het tweede onderdeel en bijgevolg is het beroep, wat het gevraagde besluit houdende bestuurlijke maatregel betreft, eveneens ongegrond.
Vierde onderdeel: de beslissing van de minister waarbij het beroep ongegrond werd verklaard (waarvan sprake in uw mail van 14 juni 2021) Uit het door de beroeper bij zijn beroepschrift toegevoegde arrest van de Raad van State nr. 252.437 van 16 december 2021 kan de beroepsinstantie vaststellen dat de beroeper verzoekt om een afschrift van het Ministerieel besluit van 3 februari 2021. Het ANB heeft aan de beroepsinstantie meegedeeld dat het beschikt over de beslissing van de minister waarbij het beroep ongegrond werd verklaard. De beslissing bevat, volgens het ANB, de inhoud van het proces-verbaal en de bestuurlijke maatregel aangezien in deze beslissing de elementen uit het procesverbaal en de bestuurlijke maatregel onder de loep worden genomen. Het ANB is van mening dat, gezien het ANB de stukken uit een lopend strafonderzoek niet mag doorgeven, dit ook geldt voor de beslissing van de minister die de informatie uit het PV en de bestuurlijke maatregel bevat. Ondanks dat de beroepsinstantie het gevraagde ministerieel besluit niet mocht ontvangen en dus in se geen concrete beoordeling kan maken, treedt de beroepsinstantie thans, op basis van het geheel van de aan de beroepsinstantie verstrekte gegevens, het standpunt van het ANB in casu bij. Het gevraagde ministerieel besluit is een beslissing over een beroep dat werd ingesteld tegen de beslissing van het ANB waarbij een bestuurlijke maatregel werd opgelegd. Conform artikel 16.4.5 DABM kunnen bestuurlijke maatregelen ook worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf. In de beroepsprocedure bij de minister wordt nagegaan of het ANB rechtmatig kon overgaan tot het opleggen van het betrokken besluit houdende bestuurlijke maatregel ( en dus o.a. of de aangehaalde milieumisdrijven vaststaan). Hierbij worden elementen uit het proces-verbaal en de beslissing houdende bestuurlijke maatregel beoordeeld. Bijgevolg bevat dit ministerieel besluit informatie uit het lopend strafonderzoek en uit de beslissing houdende bestuurlijke maatregel. Bijgevolg kan de beroepsinstantie voor wat de beoordeling van dit onderdeel betreft, eveneens verwijzen naar het ingenomen standpunt onder het tweede en derde onderdeel. Bijgevolg is het beroep, wat het gevraagde ministerieel besluit d.d. 03/02/2021 betreft, eveneens ongegrond.
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 7 van 8
Na beraadslaging,
BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 17 april 2022 tegen het vermeend uitblijven van een beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos wordt als deels onontvankelijk, deels ontvankelijk doch als ongegrond beschouwd. Brussel, 11 mei 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter
https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur
uitspraak beroepsinstantie OVB/2022/127
pagina 8 van 8