MONUMENTEN & LANDSCHAPPEN 18/1
RUARI 199,9
TWEEMAANDELIJKS
'3Jmmm$.
OVENGRONDS EN ONDERGRONDS MILIEUBEWUST ACTIEF
DENYS
Restauratie buitengevels gerechtshof "Kasteel' van Turnhout Renovatie Justitiepaleis Gent ornamenten voorgevel
J ^ J
C HECKLUST ^ ^ ^ ^ B
VCA" gecertificeerd bedri|f
DENYS
• • • • • • • • •
Pijpleidingen, waterleidingen en collectoren Industriële leidingen en electromechanische uitrustingen Pompstations en waterzuiveringsinstallaties Renovatiewerken en speciale technieken Grondwerken en burgerlijke bouwkunde Tunnels, buisdoorpersingen en boringen Restauratiewerken Spoorwerken Milieutechnieken
Industrieweg 124 - 9032 WONDELGEM (Gent) België Tel. +32 (0)9/254 01 11 - Fax +32 (0)9/226 77 71
Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Emile Jacqmainlaan 156 - bus 7 1000 BRUSSEL tel. (02)553 82 34 - fax (02)553 82 05 Eindredactie: Marcel Cells. Vormgeving en productie: Luc Tack Zetwerk en secretariaat: Diane Torbeyns.
Coi'er: Her domein van Tilt te Holsbeek - huidig kasteel (foto 0. Pauwels)
Abonnementsvoorwaarden 1999 België: 1300 fr. (ook losse nummers verkrijgbaar voor 250 fr.). CJP'ers betalen: l l O O f r . Buitenland: 2000 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr.091-2206040-95 van Monumenten Et Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw, Emlle Jacqmainlaan 156 bus 7, 1000 Brussel met vermelding "MEtL-jaarabonnement 1998". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar.
Redactlecomité
Druk
Voorzitter: E. Goedleven. Leden: A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M.M. Celis, M. De Borgher, J. De Schepper, M. Flerlafijn, J. Gyselinck, A. Malllet,G. Plomteux, L Tack, S. Van AerschotHedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche, P. Van den Bremt, Ch. Vanthlllo, L Wylleman.
Die Keure Oude Gentweg 108, 8000 Brugge Tel.: (050)47 12 72 - Fax: (050)34 37 68.
Advertentiewerving De Ganzerik, J. Casier Maalsesteenweg 73, 8310 Sint-Kruis Tel.: (050)36 25 89 - Fax: (050)37 33 64.
Verantwoordelijke uitgever Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Departement Leefmilieu en Infrastructuur Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen Luc Tack afdeling Monumenten en Landschappen, Graaf de Ferraris-gebouw Emile Jacqmainlaan 156-bus 7 1000 BRUSSEL De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rectiten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
u
Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderiaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
U-b O-U
Het domein Van Tilt te Holsbeek en de inventaris historische tuinen en parken Vlaams-Brabant Roger Deneef • Herlinde De Jaeck
19
• Jo Wijnant
Neogotische kerkbouw in Noord-Limburg Mileille Orient
64
Summary
M&L Binnenkrant
Kalk voor renovatie, restauratie en decoratie van ons patrimonium !
HDSÏSTEM
GHüPTO m
TASSULLO .,..
CORIDECOR kalkverven binnen- en buitendecoratie
natuurlijke hydraulische kalk mortels voor binnen en buiten
Miniere Ji San (Ritne/io BEAL Pare Industriel de Noville-Les-Bois 8, rue de Tronquoy B-5380 Femelmont Tél.: 081/83.57.57 Fax: 081/83.57.67
Arte A „xX^
Arte Constructo bvba Molenberglei 18 B- 2627 Schelle (België) Tel.: 00.32.3/880.73.73 Fax: 00.32.3/880.73.70
Wij hebben allemaal bescherming nodig, maar niet allemaal dezelfde! Duivenmest is door zijn agressieve chemische bestanddelen één van de belangrijkste oorzaken van onomkeerbare beschadigingen aan gebouwen en monumenten. Maar er is meer! De duif, maar vooral de duivenmest, brengt naast het cultuurpatrimonium ook onze gezondheid in gevaar door overbrenging van ziekten zoals omithose, salmonella, psittacosis, e.a.,...
Nu is er echter B1RDEX (een gamma diervriendelijke afschrikkingsmiddelen dat de duiven voorgoed weg houdt van monumenten en gebouwen. Wilt u er meer over weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op.
P.E.C, International n.v. Verbindingsstraat 2, B-9100 St.-Nikiaas Tel.: (03)776 84 39 - Fax: (03)777 35 09
Kunstatelier
Gerard Thienpont bvba Konservatie en Restauratie van Kunstwerken Hout - Steen - Stucwerk • Schilderijen Beeldhouwwerken • hout en steen Decoratieve schilderwerken Polycromeerwerken • Bladgoud Kerkmeubilair Onderzoek en behandeling Rozenstraat 6 - 9810 NAZARETH (Eke) Tel. (09) 385 54 32 - Fax (09) 385 45 52
M\
Dakwerken G. BOSCH
Dak-, Zink- & Roofingwerken Specialiteit: Restauratie van oude daken Aartrijkestraat 109 8820 Torhout Tel. 050/21.10.85 - Fax 050/22.06.17 Reg. nr. 051511
C/w patrimonium.. .ome zorg Reeds meer dan 20 jaar restaureren, renoveren en beschermen wij gebouwen en waardevolle monumenten. Reiniging, restauratie en renovatie van gevels Restauratie en conservatie van steen Traditionele zuivere kalkpleisters en kaieilagen Mineraalverven en sllicaatpleisters Cement- en kunststofgebonden gevelpleisters Warmte-isolerende pleistersystemen Betonherstelling en -bescherming Duivenwering Houtworm- en zwambestrijding Polyhieerchemische houtrestauratie en -versteviging Brandremming op hout, beton en metaal Injectiewerken Vochtwering en waterdichting Renovatie- en verbouwingswerken Referenties op aanvraag
Onze vaklui worden begeleid door gespecialiseerde ingenieurs en kunsthistorici
Solar Tel.: 03-766.11.66 - Fax: 03-777.35.09 Kleine Breedstraat 33 - B-9100 SINT NIKLAAS
Erkend aannemer cat D kl 1. o cat D l kl 3. D21 kl 3. D24 kl 4
Evenwicht tussen w e t e n s c h a p en v a k m a n s c h a p
Roger Herlinde
Deneef De
Jaeck
HET DOMEIN VAN TILT TE HOLSBEEK EN DE INVENTARIS HISTORISCHE TUINEN EN PARKEN VLAAMS-BRABANT Jo Wijn
ant
HMMHmMr/jr
ur
Het domein Van Tilt in 1990 op orthofotoplan 24/6/4 (schaal l/l0.000). De zuidelijke, honderdjarige, beukendreef vanaf de Leuvensebaan vormt de hoofdtoegang tot het domein en eindigt ter hoogte van de dienstgebouwen. De site van het voormalige kasteel van Attenhoven bevindt lich ongeveer in het verlengde van de westelijk beukendreef en is gedeeltelijk zichtbaar onderaan links op de foto, vlak naast de autosnelweg (A2-E3I4).
\
.
:
%
WÊBBÊÊSF***-
•
Begin 1997 werd het plan opgevat navolging
van hetgeen al in 1993 was
voor het arrondissement tuinen en parken' Brabant
om, in
Hasselt, de
van de provincie
systematisch
aangevat 'historische
Vlaams-
te inventariseren.
In 1999
zal een eerste deel (als Cahier M o n u m e n t e n en L a n d s c h a p p e n ) verschijnen de gemeenten
met betrekking
Bierbeek, Boutersem,
Holsbeek, Lubbeek en Tielt-Winge totaal
55 objecten).
het domein lonnetje.
M&L
Hiernavolgend
tot
Clabbeek, (in het opstel
Van Tilt te Holsbeek is een
over
proefbal-
HET INVENTARISATIEPRQJECT: INVALSHOEKEN EN WERKWIJZE Zowel cultuur-, kunst-, sociaal-economisch-historische, dendrologische, horticulturele, architecturale, esthetische en zelfs ecologische aspecten (b.v. de aanwezigheid van een min of meer authentieke bosflora) worden in de inventaris verrekend. Ook gedeeltelijk of zelfs geheel verdwenen objecten (b.v. de tuinen van de voormalige priorij van Groenedaal) kunnen worden opgenomen. De schaal en de functie van de objecten kan zeer uiteenlopend zijn, b.v. stadstuinen, volkstuintjescomplexen, arboreta of botanische tuinen, de dreven en 'salons' van Heverleebos-Meerdaalwoud als verlenging van het Arenbergpark te Heverlee, tuinwijken en recreatiedomeinen zoals het Bloso-domein te Hofstade.
Ook recente, moderne ontwerpen krijgen de aandacht, als zij tenminste aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen.
Bestaande teksten kunnen al dan niet in gewijzigde vorm worden 'geadopteerd', uiteraard met toestemming of medewerking van de betrokken auteurs. Een aantal teksten kunnen een objectoverstijgend, synthetisch karakter hebben, b.v. een overzicht en bespreking van modernistische tuinen, religieuze thematuinen of pastorie-tuinen etc.
De onderzoeksprocedure omvat volgende stappen: 1 0 Selectie van objecten aan de hand van literatuuronderzoek, luchtfoto's, Ferraris- en Poppkaarten en ander gestandaardiseerd historisch materiaal, terreinervaring en overleg met gespecialiseerde personen en verenigingen zoals de Vereniging Belgische Dendrologie, Natuurreservaten en heemkundige of historische verenigingen.
ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN HET KASTEELDOMEIN VAN TILT TE HOLSBEEK (2l
2° Archiefonderzoek, waarbij minstens het archief van het kadaster (vooral de mutatieschetsen) wordt doorgenomen. 3° Terreinonderzoek, waarbij een gedetailleerde dendro-logische inventaris wordt opgesteld en waarbij ook architecturale kenmerken en elementen (bijv. vista's, parkmeubilair, architecturaal microreliëf) in kaart worden gebracht. Indien daartoe aanleiding bestaat, krijgen ook flora en vegetatie aandacht. De dendrologische gegevens zullen bovendien ook gebruikt worden bij de geplande heruitgave van de inventaris Bomen in België (1).
De kern van het domein werd op het einde van het Ancien Régime gevormd door een hoevecomplex, op de Ferrariskaart (1770-1775) omschreven als " Cense du Grand College", dat eigendom was van één van de universiteitscolleges, het 'Groot' College van de Heilige Geest in de Naamsestraat te Leuven. Dit complex bestond uit twee delen: 1° een semigesloten hoeve aangeduid als "ferme du College"m 2° ten noorden van de hoeve, een kleine gebouw op een perceel dat door een brede gracht wordt omgeven, vermoedelijk een buitenhuis of "lust-
< Het kasteel van Attenhoven en de
"ceme du grand College" of if kabmetskaart van de Ferraris
1770-1775 (Archief N.G.I., Brussel)
O p een kadastraal verzamelplan (3) uit 1807 is deze ringgracht verdwenen op de noordelijke zijde na. O p datzelfde perceel, maar buiten de omgrachting, blijkt nog een tweede gebouwtje te staan. De percelen die de gebouwen omringen worden als "jardin"AAngeómA en het geheel wordt omsloten door boomgaarden. Van een grootschalige parkaanleg is bij het begin van de 19de eeuw geen sprake. Het ruimere kader wordt uitsluitend gevormd door grote weide-, veld- en bospercelen ("Bois du Gasthuys", "Bois Rouge"). Dit Gasthuisbos valt min of meer samen met één van de grootste oppervlakten veenbodem in de Wingevallei, omwille van de historische ontginningen van turf en moerasijzererts, gedeeltelijk ook als "Puttebroek"A-nn^cAuxA. De bodems in de onmiddellijke omgeving van de hoeve bestaan uit erg vochtige, humusrijke leemgronden, volgens het 'bodemboekje' (4) "te nat voor akker- en weidebouw; geschikt voor populier".
Fragment uit het "Pbn géométhque de la commune
dmbeek". 1807. ïan de nngracht bestaat nog slechts de noordeli|ke arm. (Archief kadaster. Brabant)
huis", "maison deplaisance". Een dergelijke situatie (boerenhof - speelhof) vinden terug op tal van andere plaatsen, vaak in een 'klerikale' context, o.m. het Waterhof te Lubbeek en het Jezuïetenhof te Heverlee-Egenhoven.
De "primitieve" kadasterkaart (1820) geeft ongeveer dezelfde toestand weer, behalve dat nu ook het laatste relict van de grachtengordel rond het buitengoed verdwenen is. Het perceel dat het gebouwencomplex ten noorden van de hoeve omsluit (sectie nr. 108, 1 ha 79 ca 10 ca), vroeger tuin en boomgaard, wordt nu echter in zijn geheel als "lust-
Fragment uit het perceelsplan van Holsbeek uit de 'tthi
cadastral
de Belgique" van P.C. Popp (ca. I860). Links bovenaan de omgrachting van het rond 1800 afgebroken kasteel van Attenhoven. Op enkele details na (m.n. de opsplitsing van perceel 77 door het ontstaan van het T-vormige dreefperceel 114b) is er geen verschil met de primitieve kadasterkaart van 1820. Het 'chateau de Mr Van Tilt" (perceel 110) is het oude 'Hof van Plalsantie'.
M&L
TTTTT
hof" aangeduid. De reeds genoemde twee kleine gebouwen (de percelen nrs. 109 en 110) worden in de bijhorende legger als "//«//'vermeld.
Het oude. rond 1800 afgebroken kasteel van Attenhoven, waarvan slechts de
Deze goederen zijn volgens de oudste kadastrale legger (circa 1830) eigendom van de weduwe van Jacques Van Tilt, brouwer uit Leuven. Zij laat bij de erfopvolging in 1839 aan Ludovicus Josephus Van Tilt in de gemeente Holsbeek in het totaal ongeveer 94 ha na, een grondbezit dat in de loop van de jaren gestadig toeneemt en in 1878 ongeveer 165 ha zal bedragen, dit is zowat één zesde van de gemeentelijke oppervlakte. Het grondbezit, dat oorspronkelijk de onmiddellijke omgeving van de hoeve omvatte én bijna de ganse Attenhovenberg, zal zich in de loop van de 19de eeuw vooral in westelijke richting uitbreiden. Dit gebeurt ten koste van de eigenaar van het oude, rond 1800 afgebroken kasteel van Attenhoven, volgens de kadastrale legger: "de Gaethovius baron d'Attenhoven", zonder twijfel een nazaat van Louis Joseph Jean Baptiste Gaethoven of Gaethovius, de laatste heer van het gehucht Attenhoven, ongeveer 1 km verder naar het westen gelegen (5). Daarmee worden de laatste sporen van de feodale landadel in Holsbeek opgeruimd. Van het oorspronkelijke kasteel van Attenhoven blijven nog slechts de monumentale poort (6) en de grachtengordel over.
monumentale poort en de grachtengordel overblijven (foto S. Van Aerschot, mei 1968)
Foto van de eerste versie van het aanzienlijk vergrote 'lusthuis', vanaf 1883 in de kadastrale legger als 'kasteel' omschreven (archief familie Springuel-Van Tilt)
Het kasteel van 188! na een eerste verbouwing archief familie Springuel-Van Tilt)
M&L
In 1883 wordt ook het dienstgebouwencomplex herbouwd en vijfjaar later wordt naast het koetshuis-stalcomplex een sierlijke tuinierswoning opgetrokken. In 1892 wordt het koetshuiscomplex vergroot met een "zadelmakerij"en een "broeikas".
O p de kaart van Popp (circa 1860) wordt het hele complex aangeduid als "chdteau de Mr Van Tilt". Het jaar 1 868 luidt een reeks verbouwingen in, met als belangrijkste momenten: de volledige afbraak van de oude hoevegebouwen van het College (1873) en hun vervanging door een "koetshuis en stal", en een aanzienlijke vergroting van het "lustA«w"(1883), dat in de kadastrale legger voortaan als "kasteefzal worden omschreven. Dit eerste, weinig opgesmukte kasteelgebouw bestond uit twee bouwlagen en vijf traveeën, bekroond door een attiek met balustrade, en werd later - wanneer precies is onbekend - aanzienlijk vergroot door de bouw van een mansardedak.
Vermoedelijk worden de eerste pogingen om de parkaanleg tot de ruimere omgeving uit te breiden ondernomen rond 1840. Dit kan worden afgeleid uit de vorming van een T-vormig perceel (nr. 114b op de Popp-kaart), dat expliciet als dreef werd omschreven en gedeeltelijk samenvalt met de huidige dreef of lovergang van gesnoeide haagbeuken ten westen van het kasteel. Een van de aanpalende
Het kasteel van Attenhoven en
.,>••••••
'
••
-
"•'
kasteel van op
de militaire
^ * ^ /
.
•
, • %-rk '.-:•
-
J ^ v V /
V S
topografi van 1864 la Guerre, erre,
1880) •••..•yV-' •'
;/
r .,
••• ••
.
-i
•. •
.
\
.
1 ,¥'•
'• ' V ^ ^ ^ i '
•
V
1,1/
509
Het domein Van Tilt fe E op de militaire * topografische kaart S 1 van 1903 (I.C.H.. 1923)
M&L
t—Htfl
-iT
1 «j^-^oil
SS
W
^•
m
^5-'
' I ' I V . ' I V J T I ' I ' I ' I V I K - ^ °^
-A-
-O
percelen wordt vanaf dan ook niet meer als weiland maar als "/«.rt/w/'"omschreven. In 1892 wordt (niet helemaal maar bijna) paralle met de oude toegangsweg (de Grote Daalputstraai) een nieuwe toegangsdreef aangelegd vanaf de Leuvensebaan, ongeveer recht op het kasteel gericht, en beplant met bruine beuken (Fagus sylvatica 'Purpurea), waarvan sommige stamomtrekken hebben bereikt van meer dan 4 m. O p de militaire topografische kaart van 1903 wordt een romantisch park getoond van nog geen 14 hectare groot, met verspreide, naar de rand toe verdichte beplantingen. Bovendien, niet zichtbaar op de kadastrale schetsen, zijn er twee waterpartijen die met elkaar verbonden zijn, door een 'gerecycleerde' arm van de oude ringracht rond het voormalige speelhuisje: een grote vijver ten noordwesten van het kasteel en een kleine ten zuidwesten ervan. Bochtige wegen of paden doorkruisen het park en vier nog bestaande dreven bepalen de hoofdstructuur: l ° d e reeds genoemde bruine beukendreef uit 1892; 2° de reeds genoemde, lichtjes gebogen "charmille", die westwaarts naar het "Hagenbos"\oopv,
De rond 1890 aangeplante toegangsdreef met bruine beuken
•4 De 'charmille' ten westen van het kasteel (foto 0. Pauwels)
A De in 1940 verdwenen rozenperken (archief familie Springuel-Van Tilt)
3° ten noorden van de "charmille" en ongeveer parallel hiermee: een bruine beukendreef van het zelfde kaliber als de toegangsdreef; 4° een dreef die de grens vormt tussen het park en het Langveld en momenteel bestaat uit witte paardenkastanjes (Aesculus hippocastanum) met stamomtrekken tot 2,72 m. Zoals verschillende andere kastelen in de regio (het kasteel van Pellenberg, het Vijverhof en het kasteel van Korbeek-Lo), wordt in 1914 ook het kasteel van Van Tilt door de Duitsers in brand gestoken. Iets meer oostelijk, net buiten de as van de toegangsdreef (7), wordt in 1921 een eclectisch gebouw opgetrokken, in een onbestemde Louisstijl (Mansardedak, boogfronton, attiek met balustrade...) die typisch is voor tal van naoorlogse wederopbouwprojecten en die ook bij de heropbouw van de andere afgebrande kastelen uit de regio werd toegepast. Ook de dienstgebouwen werden gedeeltelijk heropgebouwd en zo ontstond boven het "koetsen woonhuis"\\e.x. torengebouw, een van de voornaamste blikvangers van het domein, in feite een watertoren. Naast de in 1892 tegen het koetshuis aangebouwde serre, werden nog twee losstaande serres gebouwd. O p de vlakte voor (ten zuiden van) het kasteel werd een grote rozenparterre aangelegd, die tijdens de Tweede Wereldoorlog de plaats moest ruimen voor meer utilitaire teelten. Deze heropbouw ging gepaard met een forse uitbreiding van het eigenlijke park in noordelijke en, vooral, oostelijke richting. De strook tussen de toegangsweg en de Daalputstraat werd bij het park ingelijfd. De vijvers werden heraangelegd tot een "serpentine" met vertakkingen die tot in de
•4 Louis Van Tilt. 1875-1942 (archief familie Sprlnguel-Van Tilt)
• Aanplantingen van canadapopulieren in het westelijke gedeelte van het domein tijdens de jaren '30 (archief familie Sprmguel-Van Tilt)
uithoeken van het park uitlopen en aansluiten op het oude leigrachtensysteem. De drijvende kracht achter de naoorlogse face-lift was Louis Van Tilt, die in 1914 na een verdeling eigenaar geworden was van de familie-eigendommen in het westelijke gedeelte van Holsbeek, inclusief het kasteel en het park. Ook de ruime omgeving van het domein onderging in de loop van de jaren '20 en '30 een diepgaande, structurele wijziging waarin, naast het opbrengstmotief, ook de persoonlijke belangstelling van kolonel Van Tilt een rol speelde. In de jaargangen 1928-1930 van het "Bulletin de la Société Centrale Forestiire de 5(?/^^«e"publiceerde hij diverse, niet onverdienstelijke bijdragen over uiteenlopende aspecten van de populierenteelt: vermeerdering, plantwijze, bemesting, aanwas- en opbrengsttabellen. Hieruit blijkt ook dat de beplanting met populieren van het open broekgebied rond het domein al was ingezet in 1904, vroeg in vergelijking met andere alluviale gebieden in de regio. De bijdrage van 1928 bevat foto's van aanplantingen die ongetwijfeld in de omgeving van het kasteel genomen zijn. Door deze aanplantingen zullen de open ruimten — hooilanden en beemden — rond het park geleidelijk aan verdwijnen, een proces dat ongetwijfeld in de hand werd gewerkt door de opkomende lucilersindustrie, vooral na de oprichting in 1929 door de "S.A. Allumettière de Ninove", die al in de jaren '30 jaarlijks circa 45.000 populieren verbruikte (8).
Zoals hierna zal blijken, beperkte de dendrologische belangstelling van kolonel Van Tilt zich niet tot populieren en is de uitzonderlijke dendrologische waarde van het park vooral aan hem te danken. In het boek "Bomen in België"(9) krijgt het domein niet minder dan acht vermeldingen en tussen de twee wereldoorlogen vormde, het samen met het Arenbergpark en de parken van Lovenjoel, een belangrijk excursiedoel en studieobject voor de studenten bosbouw en dendrologie van de universiteit van Leuven.
Het huidige kasteel werd in 1921 gebouwd vlak naast het in 1914 door de Duitsers afgebrande kasteel; ii diezelfde periode werd het park aanzienlijk uitgebreid (archief Springuel-Van Tilt)
BESCHRIJVING VAN DE HUIDIGE TOESTAND Het park omvat enkele belangrijke visuele assen, die op de onderstaande kaart worden weergegeven:
De belangrijkste visuele as: het kasteel weerspiegeld in de vijver gezien
Als men het park betreedt via de toegangsdreef vanaf de Leuvensebaan en het kasteel bereikt, wordt de blik als het ware in westelijke richting aangezogen.
vanaf de grote boogbrug (A in de tekst) (foto 0. Pauwels)
1VI&L
:$L*:^ K
%* i
^•. /vi
i^ % -
^
.
H
f-
V -^^ • « * •
^.ITJJ??
.•*••
a Pil
^Mj
•
« *
langs de zuidelijke arm van de serpentinevijver. De inspiratie of het streefbeeld van de ontwerper is duidelijk: een riant rivierlandschap en het kasteel gelegen aan de bocht in de rivier. Deze zichtas werkt vooral in de richting van het kasteel vanaf de (vermoedelijk in 1921) gebouwde boogbrug met smeedijzeren leuningen: het spiegelbeeld van het kasteel in het water en, rechts in beeld, een bijzondere boom, een veelstammige geelhout (Cladmstis lutea), naast een zwaar gehavende maar oude en pittoreske 'wingerdbladige' zomerlinde (Tiliaplatyphyllos 'Vitifolia') en een groep zomereiken (Quercus robur) die, gezien hun stamomtrekken (respectievelijk 418, 349 en 495 cm) mogelijk nog uit de tijd van de 'ferme du eollège'dateren. In een excursieverslag (10) van 1932 wordt een zomereik opgemerkt met een stamomtrek van 375 cm; vermoedelijk gaat het om de laatstgenoemde van de drie.
De vermoedelijke
met talloze uitlopers,
hoofdstam van een
waaronder een tiental
vleugeinoot (Pterocarya
dikke stammen
fraxinifolia) die een
(foto R. Deneef)
oppervlakte beslaat
Deze boogbrug is een scharnierpunt want van daar af is er, loodrecht op de eerste, een tweede zichtlijn, die eindigt op een grote arduinen tuinvaas, tegen de achtergrond van een grote zomereik (stamomtrek 420 cm) die, zoals nog andere oude eiken in het park iets 'fastigiaats' heeft (min of meer opgaande twijgen en takken, maar niet uigesproken genoeg om door te gaan voor een echte zuileik, Quercus robur 'Fastigiata) en een mammoetboom (Sequoiadendron giganteum) met een stamomtrek van 404 cm.
van 40 op 30 m,
De kleine boogbrug (vermoedelijk uit 1880-1890) over de versmalling in de serpentinevijver (foto R. Deneef)
Loodrecht op zichtlijn B is de reeds vermelde "charmille" of dreef van (al een aantal jaren niet meer) gesnoeide, op 2,20 m hoog geknotte, haagbeuken (Carpinus betulus), de dreef die vermoedelijk rond 1840 werd aangelegd. Uit een foto van rond 1900 blijkt dat deze "charmille" oorspronkelijk gewelfd was, het ging om een echte groentunnel. Aan het einde hiervan wacht een ander dendrologisch curiosum: een vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia) die een oppervlakte beslaat van 40 op 30 m, met talloze uitlopers, waaronder een tiental dikke stammen, de vermoedelijke moederstam met een omtrek van 394 cm. Min of meer evenwijdig met de haagbeukendreef loopt de reeds genoemde rode beukendreef die, afgaande op de stamomtrekken (tot 435 cm.
-4 Tuinvaas op het snijpunt van twee zichtassen (foto R. Deneef)
M&L
gemiddeld 280 cm), ergens tussen 1880 en 1900 moet zijn aangeplant, gelijktijdig met de dreef die de hoofdtoegang vormt. Door zijn breedte (15 m) heeft deze dreef het karakter van een ware 'vista' die in oostwaartse richting eindigt bij de reeds vermelde vaas.
T Een veelstammig exemplaar van geelhout (Cladrastis lutea) in de bochl van de vyver bi| liet kasteel (foto 0. Pauwels)
M&L
Een tweede, vermoedelijk oudere, meer gekromde hoogborg overspant ter hoogte van het kasteel een versmalling in de serpentinevijver. Deze brug ligt min of meer verscholen tussen enkele merkwaardige oude bomen: een monumentale, laagvertakte tulpenboom (Liriodendron tulipifera) met 620 cm stamomtrek op 20 cm hoog, een tweestammige gewone es (Fraxinus excelsior) met respectieve stamomtrekken 334 cm en 93 cm, een laagvertakte taxus (Taxus baccata) met takomtrekken tot 342 cm en twee zomereiken (Quercus robur) met omtrek-
ken tot 353 cm. Vanop deze brug wordt uitzicht geboden op zowel de zuidelijke als de noordelijke arm van de vijver, o.m. op een eilandje met een zeldzame cultivar van moerascypres met hangende twijgen (Taxodium distichum 'Pendens'), niet gemeten wegens onbereikbaar maar met een stamomtrek tussen 4 en 5 m. De structurele kenmerken van de naoorlogse parkuitbreiding, de gedeelten ten noorden en ten oosten van het kasteel, zijn minder uitgesproken: geen echte zichtassen, maar diffuus verspreide bomengroepen, waarin echter een aantal vermeldenswaardige exemplaren voorkomen: een varenbeuk (Fagus sylvatica 'Asplenifolia') met 196 cm stamomtrek, een prachtig, laagvertakt exemplaar van 'eikbladige" beuk (Fagus sylvatica 'Quercifolia') met stamomtrekken tot 275 cm, een zomerlinde
A Het kasteel met,
met ingesneden blad (Tilia platyphyllos 'Laciniata') met 173 cm stamomtrek (11), een groepje van drie Pinus parviflora met stamomtrekken tot 149 cm, een moeraseik (Quercus palustris) en en twee Quercus coccinea met stamomtrekken tot 335 cm. Enkele bomen in deze zone dateren waarschijnlijk van vóór de parkuitbreiding, o.m. een zomereik met een stamomtrek van 378 cm aan de oostelijke rand, een schietwilg-bastaard (Salix x rubens) met 390 cm stamomtrek.Ook in de jongere aanplantingen is interessant materiaal aanwezig, o.m. Juglans ailantifolia, Honingboom (Sophora japonica). Ginkgo biloba, Calocedrus decurrens...
De westelijke, waarschijnlijk eveneens rond 1890 aangeplante dreef met
en één van de
links op de voorgrond,
zomereiken met
een gehavende maar
stamomtrekken tot
pittoreske
bijna 5 m: de gele
'wingerdbladige'
kroon op de achter-
zomerlinde (Tilia
grond is van geelhout
platyphyllos 'Vitifoha')
(Cladrastis lutea) (foto R. Deneef)
bruine beuken
NABESCHOUWINGEN Naarmate het inventarisatiewerk vorderde - in 1997-1998 werden over gans de provincie maar vooral in het arrondissement Leuven 113 tuinen en parken bezocht — groeide bij de auteurs het besef dat dit werk, althans wat de interessantste specimens betreft, veel te maken heeft met archeologie: in de eerste plaats het opgraven en duiden
M&L
van droombeelden die, afhankelijk van het basisgeven en de inspiratie (in het geval van het domein Van Tilt: een riant rivierlandschap), de financiële draagkracht, het talent en doorzettingsvermogen van de dromer, gestalte kregen in een specifieke lay-out. De elementen van dit beeld kunnen meestal nog geïdentificeerd worden (zij het dan in beschadigde of afgetakelde vorm en met behulp van archivalia) en tot een suggestief patroon samengepuzzeld. In de tweede plaats zou men ook kunnen spreken van de archeologie van een levenswijze die, hoe interessant ook, onderdeel vormde van een sociaaleconomisch bestel dat sinds Wereldoorlog Twee (hopelijk) voorgoed tot het verleden behoort, en dit niet alleen omdat welvaart van een familie zelden de eeuwen trotseert. Verwaarlozing en verval - vooral van de nutsgedeelten en subtiliteiten zoals "cbarmille" — is dan ook de regel.
• Domein Van Tilt te Holsbeek: situering van de merkwaardige bomen (zie kader^ (tekening R. De Heerleer)
1VI&L
Ten slotte groeide de overtuiging dat het uitzicht en de vorm van de meeste tuinen en parken — zelfs na een ingrijpende (romantische of informele) ' 19de-eeuwse fase' - in hoge mate schatplichtig zijn aan de 'primitieve' vorm of functie van het object waarrond ze werden aangelegd of gegroeid zijn: feodale motte, hoeve, 'hof van plaisantie', molenvijver, nieuwe vestiging... Landschapsgenetische aspecten wogen vermoedelijk minstens even sterk door als stijl- of modetrends. Evolutielijnen die zich vertakken, muteren, afgebroken of teruggebogen worden... De verleiding tot het uitwerken van een 'genetische' typologie is bijzonder sterk. In een begeleidend essay bij het eerste deel van de Inventaris Historische Tuinen en Parken zal hierop nader worden ingegaan.
LIJST VAN DE MERKWAARDIGE BOMEN (opgenomen op 30 september en 1 oktober 1997) Nr.
Naam in cm op 1,5 m hoog
stamomtrek
3
Tiliaplatyphyllos 'Laciniata'- zomerlinde met ingesneden blad
162
4
Quercus robur - zomereik
418
5
Quercus robur - zomereik
349
6
Quercus robur - zomereik
465
7
Tilia platyphyllos V/Vi^/M'-wingerdbladige zomerlinde
280 (op 20cm hoog)
10
Quercus robur - zomereik
368
11
Quercus robur - zomereik
367
12
Platanus orientalis - oosterse plataan
280
14
Pterocarya fraxinifolia - vleugelnoot
talrijke stammen, tot 394
17
Quercus robur 'Fastigiata'- zuilvormige zomereik
257
20
Salix x rubens - bastaard van schiet- en kraakwilg
446
21
Quercus robur 'Fastigiata'- zuilvormige zomereik
254
25
Fagussylvatica 'Purpurea'-hmmthtvk
435
39
Fagus sylvatica Purpurea' - bruine beuk
373
58
Quercus robur - zomereik
420
59
Sequoiadendron giganteum - mammoetboom
404
60
Castanea sativa - tamme kastanje
412
64
Quercus robur ('Fastigiata'?) - zuilvormige zomereik (?)
353 (op l,3m hoog
65
Liriodendron tulipifera - Tulpenboom
620 op 20cm hoog
67
Fraxinus excelsior - gewone es
334 & 93
69
Taxodium distichum Pendens'- moerascypres, cultivar met hangende twijgen
300 tot 400
78
Quercus robur 'Fastigiata'- zuilvormige zomereik
375
80
Pinus parviflora
110
81
Pin us parviflora
122
82
Pinus parviflora
149
83
Quercus robur - zomereik
378
86
Quercus coccinea
335
87
Quercus coccinea
291
88
Quercus palustris - moeraseik
278
89
Fagus sylvatica'Asplenifolia'-vzrenhenk
196 op l,6m hoog
98
Platanus x hispanica - gewone plataan
418
99
Tilia platyphyllos 'Laciniata' - zomerlinde met ingesneden blad
132
104
Fagus sylvatica 'Q^mr/a/w'-eikbladige beuk
275
115
Fagus sylvatica 'Purpurea' - bruine beuk
401
117
Tilia tomentosa - zilverlinde
344 op 70cm hoog
119
Cladrastis lutea - geelhout
NOTEN (1)
BAUDOU1N J.C., DE SPOELBERCH
Ph, & VAN
MEUI.DERJ., Bomen in België- Dendrologische inventaris 19871992. Brussel, Belgische Dendrologische Vereniging, 1992. (2)
De datering van nieuwe gebouwen, verbouwingen, heraanlegcampagnes etc. gebeurde, tenzij anders vermeld, aan de hand van de kadastrale opmetingsschetsen in het archief van het Kadaster van Brabant te Brussel.
(3)
Plan géométrique de la commune de Holsbeek leve en execution des arrêtés du gouvernement, de 12 brumaire an 11 et 27 vendimaire an 12. terminé Ie 10 Aoüt 1807par Ghiesbreght, atchief Kadaster Brabant, Brussel.
(4)
BAEYENS L, Bodemkaart van België. Verklarende tekst hij het kaartblad Rotselaar 74E. l.W.O.N.L. & Centrum voor Bodemkarteting, 1960, p. 31. Het huidige park wordt in zijn geheel als 'vctgraven terrein' aangeduid.
(5)
I.IBBOTON J., Historische schets van Holsbeek. Oost-Brahant, 21(4), speciaal nummer Holsbeek, 1984, p. 153.
(6)
Beschreven in: Bouwen door de eeuwen heen 1, provincie Brabant arrondissement Leuven, 1971, p. 169. In het dtiehoeksfronton wordt het jaartal 1664 aangegeven.
(7)
Te oordelen naar de kadastrale mutatieschetsen van 1921 zou het precies om dezelfde plaats gaan, maar zowel uit foto's als uit getuigenissen blijkt dat dit niet het geval was. Het eerste kasteel lag precies in het verlengde van de toegangsdreef, het huidige niet.
(8)
PET1TJEAN O., Uneflorissanteindustrie beige. La fabrication des allumettes. Revue du Touring-Club de Belgique 42(8), 1936, p. 117-122.
(9)
BAUDOU1N J.C., DE SPOELBERCH
Ph. & VAN
MEULDERJ., op. cit., p. 478. (10) Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique 35, 1932, p. 623-626. (11) In het oudere gedeelte van het park staat een exemplaar met 220 cm stamomtrek.
MEOGOTISCHE XERKBOUW IN NOORÜ-EllVIBURG
Mireille
Orient
Samenwerking tussen bouwmeester Hyacinth IVIartens (1847-1919) en architect Vincent Lenertz (1864-1914) No meer dan een eeuw is er vernieuwde stelling voor een cultuurhistorische van de neogotiek.
gedachtengoed
benadering
Dit resulteert in grondig
zoek van de architecturale vormgeving,
beiang-
onder-
en plastische
geïnspireerd op het
ultramontaans
van de 19de eeuw.
Voor het onderzoek naar de neogotische kerkbouw in Noord-Limburg en de samenwerking tussen bouwmeester H. Martens en architect V. Lenertz was zeker geen overvloed aan publicaties en geïnventariseerde gegevens voorhanden. In dit artikel komen de biografische gegevens en de beroepsloopbaan van H. Martens en V. Lenertz aan bod alsook de achtergronden van de aanvang van hun samenwerking, waarbij de figuur en het gedachtengoed van J. Helleputte een belangrijke factor is geweest. Het antwoord op vragen naar de context van het fenomeen van het omvangrijk kerkbouwprogramma in Noord-Limburg rond de eeuwwisseling hangt samen met het typisch agrarisch karakter van de regio, de opkomst van de industrialisatie en de belangrijke toename van de bevolking; voorts was er een strikt beleid van de overheid en de Koninklijke Commissie voor Monumenten. De neogotiek als exponent van een religieuze beleving en als architecturale neostijl wordt geplaatst tegenover de traditionele gotische stijlkenmerken van kerken in de regio, zoals bijvoorbeeld de SintLaurentiuskerk van Bocholt. De bouwgeschiedenis van de Sint-Pietersbandenkerk te Lommei is het verhaal van de eerste samenwerking in 1898 tussen H. Martens en V. Lenertz en van de dwingende interventie van de Koninklijke Commissie.
Aan de hand van het niet geïnventariseerd parochiaal archief, vervolledigd met de dossiergegevens van het archief van Sint-Truiden, Rijkel en Hasselt is duidelijk geworden dat de bouwgeschiedenis van de Sint-Niklaaskerk te Neerpelt volgens eenzelfde moeizame administratieve procedure is verlopen. Een principiële discussie werd gevoerd over het behoud of de afbraak van de bestaande SintUrsulakerk van Kleine-Brogel, een mooi voorbeeld van een "église de petite paroisse", vooraleer zij uiteindelijk toch zou worden vervangen door een neogotische kerk met aanpassing van de bestaande toren. Andere bedehuizen gerealiseerd door H. Martens en V. Lenertz worden, om methodologische en praktische redenen, slechts terloops vermeld. Dit neogotisch kerkbouwprogramma kan beschouwd worden als de steen geworden uitspraak van Joris Helleputte over de "architectuur als gebed tot God".
HYACINTH MARIENS BOUWMEESTER TE STEVQQRT De socio-culturele situatie op het einde van de 19de eeuw in Limburg werd bepaald door de opkomende industrialisatie vanaf 1875, vooral in het noorden van de provincie, en door een belangrijke toename van de bevolking. Bij zijn aanstelling als bisschop van Luik in 1879 zag Victor Doultreloux (1837-1901) het gevaar van deze maatschappelijke ontwikkeling voor de agrarische, christelijke bevolking. Als verweer tegen het dreigend socialisme kwamen diverse religieuze, socio-culturele en corporatistische verenigingen tot stand, die vanuit een christelijke inspiratie het geestelijk welzijn en de materiële welvaart van de bevolking op het oog
Er zijn nauwelijks aanwijzingen over de bouwkundige opleiding van H. Martens. Hyacinth Martens werd geboren in Stevoort op 30 augustus 1847, als zevende en laatste kind van Aldegonde Jorissen (1801-1881) en Gerardus Martens (1793-1868). Deze laatste was geboren in Ulbeek en vestigde zich als timmerman in Stevoort. Het is aannemelijk dat Hyacinth de stiel heeft geleerd van zijn vader en het staat alleszins vast dat hij op 21-jarige leeftijd, na het overlijden van zijn vader, als timmerman werkzaam was in zijn geboortedorp. Hij werkte als zelfstandige vakman. De dorpsoverlevering vertelt dat "Cintus Mattes" iemand was die steeds leerde en zichzelf trachtte te vervolmaken. Hij was een autodidact in de bouwkunde.
hadden. Terzelfdertijd onstond een onverdroten ijver tot het bouwen van kerken; tijdens zijn episcopaat zegende mgr. V. Doutreloux meer dan 1 50 kerken in. Voor de bouw van deze bedehuizen werd een beroep gedaan op diverse bouwkundigen uit eigen streek, zoals Hyacinth Martens (1847-1919), Léon Jaminé (1858-1921) en Mathieu Christiaens (1865-1934). Deze bouwmeesters hadden een verschillende opleiding genoten maar kregen erkenning op basis van hun architecturale ervaring en praktijk, op een ogenblik dat de titel en het beroep van architect nog niet geregeld of beschermd waren. Vóór 1939 kon men zich immers vrij als bouwkundige vestigen en volstond het voor officiële opdrachten de ontwerpplannen voorafgaandelijk ter goedkeuring aan de bevoegde overheid voor te leggen (1). De drie voormelde bouwmeesters hadden een verschillende achtergrond. M. Christiaens, zoon van een aannemer uit Tongeren, studeerde aan de universiteit te Leuven bij Joris Helleputte (18521925), hoogleraar architectuur sedert 1874, en behaalde er het diploma van ingenieur-architect. Léon Jaminé, leerde het métier reeds op jeugdige leeftijd als hulptekenaar bij zijn vader, Herman Jaminé (1826-1885), provinciale architect van Limburg sedert 1867. Herman Jaminé was zelf op 18-jarige leeftijd in 1845 als hulptekenaar in dienst gegaan van diens vader, Lambert Jaminé (18001871), de toenmalige provinciale architect. Deze laatste was voordien werkzaam als "opzigter der fortificatiën" in Maastricht, maar trok in 1832 naar Hasselt. De familie Jaminé leverde aldus drie generaties van invloedrijke, autodidacte bouwmeesters.
De mogelijkheden tot architecturaal onderwijs in deze tijd en in deze streek waren beperkt. In 1862 werd in Hasselt de Académie de dessin et Ecole industrielle opgericht (2). De naam van H. Martens komt niet voor op de inschrijvingslijsten en de lijsten van de "Distribution solennelle des prix" van voornoemde instelling, zodat men mag aannemen dat hij aldaar niet heeft gestudeerd. Ook aan de Ecole de Dessin van SintTruiden was H. Martens nooit ingeschreven (3). Traditioneel gingen vele Limburgse jongeren verder studeren in Luik. De Sint-Lucasschool van Luik (4) dateert van 1880 maar H. Martens was toen reeds 33 jaar oud en het is dus weinig aannemelijk dat hij aan deze kunstambachtelijke school zou hebben gestudeerd. O f H. Martens eventueel de Luikse Adultenschool heeft bezocht, die was opgericht in 1844 ten behoeve van de lokale nijverheid en waar lessen academisch en architecturaal tekenen werden gegeven, staat niet vast. Tijdens zijn jeugd in Stevoort woonde H. Martens in het huis "De Plas" gelegen Over 't Water 35, en dit van 1857 tot 1866. Later woonde hij in de Jo(o)destraat 6 en vanaf 1881 tot 1890 als "meester-timmerman" in de Kolmenstraat 5. Deze laatste verhuis heeft te maken met enerzijds de aankoop van een bouwgrond in 1881 waarop hij zelf een eigen woonhuis bouwde, omgeven door een tuin en een groot stuk bouwland, en anderzijds zijn huwelijk op 27 april 1881 met Maria Catharina Everaerts (1850-1909). Dit huwelijk bleef kinderloos maar Maria Stephania Poelmans, geboren in Stevoort op 23 maart 1878, werd door hen als pleegkind aangenomen. De bouw van zijn woonhuis was blijkbaar voor de bevolking van Stevoort een aanzet om hem als
bouwmeester te erkennen. Hij gePastorie gelegen in noot spoedig ook het vertrouwen de Alkenstraat nr. 5 van de kerkelijke overheid, voor wie in Stevoort, thans artsenwoning, hij diverse opdrachten vervulde. 1891, Stevoort. In zijn eigen geboortedorp kreeg (foto 0. Pauwels) H. Martens opdracht tot het vergroten van de Sint-Martinuskerk waarvoor hij de goedkeuring van de Koninklijke Commissie voor Monumenten verkreeg op 18 april 1891. Samen met de vergroting van de kerk werd de bouw van een nieuwe pastorie gepland. De pastorie gelegen in de Alkenstraat 5 is thans als artsenwoning in gebruik, verkeert in perfecte staat en is gedateerd in 1891 door middel van een chronogram (5). Het gebouw geeft een duidelijk beeld van de bouwervaring van H. Martens met de traditionele baksteenarchitectuur, verlevendigd door het gebruik van natuurstenen decoratieve en constructieve elementen. H. Martens was gemeenteraadslid van 1895 tot aan zijn dood in 1919 en als goede raadgever werkte hij samen met drie burgemeesters, J.L. Hermans van 1885 tot 1897, C. Palmers van 1897 tot 1908 en A. Palmers van 1908 tot 1919. Hij ijverde voor de uitbouw van zijn gemeente, waaraan hij letterlijk bijdroeg door de bouw van een veertigtal huizen, gaande van boerderijen tot villa's, het woonhuis met brouwerij Boesmans, een station van de buurspoorwegen en een kapelanij. In 1897 bouwde hij voor een meer gefortuneerde opdrachtgever het kasteel Palmers, later gekend als de villa van de Zusters van het Lager Onderwijs en thans als restaurant Het Palmershuys, gelegen Kolmenstraat 5. In 1901 kocht H. Martens een bouwgrond in de Oppenstraat en een jaar later bouwde hij hierop een verenigings- of parochiezaal. O p het aanpalend perceel in dezelfde straat, nummer 11, bouwde hij de villa Grammen, een woonhuis in baksteen versierd door het gebruik van diverse materialen en polychrome tegels. Hier ging hij zelf wonen vanaf 1913.
H. Martens had een uitgesproken christelijke overtuiging en was lid van verschillende religieuze genootschappen zoals de Broederschappen van de Heilige Rozenkrans, van Franciscus Salerius en van Sint-Jozef, en erelid van het Sint-Vincentiusgenootschap. Vanaf januari 1911 was hij lid van de
T Kasteel Palmers in de Kolmenstraat nr. 5 In Stevoort, thans restaurant, 1897, Stevoort. (foto 0. Pauwels)
Kasteel Palmers in de Kolmenstraat nr. 5 in Stevoort, thans restaurant, 1897, Stevoort. (foto 0. Pauwels)
Villa Grammen in de Oppenstraat nr. 11 in Stevoort. te dateren tussen 1901-1913, Stevoort. (foto: P. Berben)
M&L
Kerkfabriek Sint-Martinus. Hij zetelde in de Kerkraad, was lid van het Bureel der kerkmeesters en was secretaris ervan tot december 1918. O p grond van zijn naam als bouwmeestet en zijn betrokkenheid bij de christelijke gemeenschap was hij reeds diverse malen gevraagd voor de realisatie van pastorieën, kerken en scholen in gans Limburg. Het eerste project en tevens de eerste kennismaking met de administratieve procedure was de restauratie van de Sint-Jan-Baptistkerk van Schulen, goedgekeurd door de Koninklijke Commissie op 20 november 1886. Nadien volgde de restauratie van de SintMartinuskerk in Herk-de-Stad, goedgekeurd door Koninklijke Commissie op 1 juni 1888. Hij werd in deze aanvangsfase tevens gecontacteerd door de Zusters Ursulinen van Herk-de-Stad met het verzoek tot het bouwen van de kapel van het klooster. Deze neogotische kapel werd op 1 oktober 1900 ingewijd (6). Nadien kreeg H. Martens nog de opdracht tot het bouwen van een nieuwe vleugel aan het klooster, in het verlengde van de kapel, hetgeen gerealiseerd werd in 1914. Bij vergelijking van deze realisaties met de voorgevel van het gebouw uit 1878 is een duidelijk stijlverschil merkbaar, op grond waarvan twijfel bestaat of ook deze eerste fase van zijn hand zou zijn. Bouwmeester H . Martens kreeg van de Ursulinen nog opdrachten, zoals bijvoorbeeld de kostschool te Heusden en te Sint-Truiden. Een bespreking van het ganse architecturaal oeuvre van H . Martens valt buiten het bestek van dit artikel.
... werd aangedrongen in den zelfden zin, te zeggen, om mij met eenen anderen bouwmeester moeten aan te sluiten, om gezegde werken tot stand te brengen. ... Zekerlijk kon ik moeilijk begrijpen welke de fouten mochten zijn die tot dusdanigen onverwachten maatregel aanleiding gaven, dewijl vroeger de ontwerpen door mij vervaardigd meestal met weinige of geene opmerkingen werden goedgekeurd. Wel is waar is mijn verlangen dikwijls te leur gesteld geworden, omdat ik niet wat meer kunst aan de bouwwerken kon toebrengen, uit rede der geringe geldmiddelen waarover men kon beschikken. ... Zulke handelswijze gaf mij te recht achterdenken; ik begon te twijfelen aan eenen goeden uitslag, en het scheen mij toe dat alles samen werkte om mij in ongenade te doen vallen, en in plaats van aanmoediging de tegenkanting... en tezelfdertijd schreef men mij uit Lommei dat bijaldien de Commissie van Monumenten nog op gedwongen wijze toegaf, de Bestendige Deputatie niet zoude over te halen zijn, indien ik mij niet met eenen medehelper verstond en mijne weigering zou eene afbreking voor gevolg gehad hebben...". H. Martens was goed ingelicht en kende de naam van de mede-helper die hem werd voorgesteld of beter opgedrongen, Vincent Lenertz (1864-1914) uit Leuven (7), met wie hij zich ook effectief zou associëren: "... Doch aangezien men mij de verzekering gaf van eenen algemeenen goeden uitslag met de ontwerpen in kwestie, heb ik mij aan het voorstel onderworpen en ik mag erbij voegen dat ik met Mr. Lenertz allerbest overeengekomen ben".
Vanaf het begin van de jaren 1890 werd H. Martens als architect aangezocht door vele opdrachtgevers binnen de christelijke zuil en er volgden vele projecten. H. Martens functioneerde op een degelijke, vakkundige en autonome wijze en kon rekenen op erkenning vanwege de hogere overheid. In 1898 tekende zich terzake een kentering af en kwam hij in aanvaring met de overheid bij gelegenheid van het ontwerp voor de nieuwbouw van de Sint-Pietersbandenkerk te Lommei en de SintNiklaaskerk te Neerpelt. In een schrijven van 13 november 1898 beklaagde H. Martens zich hierover bij de Bestendige Deputatie te Hasselt.
De bemoeienis van derden bleef duren. H. Martens voelde zijn positie ondergraven en intervenieerde bitter bij de Bestendige Deputatie: "... Thans dacht ik te mogen gerust zijn en vertrouwde mij erop dat alle moeilijkheden nu toch zouden weggeruimd zijn. Maar neen, wederom ontvang ik de tijding dat ik mij in mijnen hoop bedrogen bevindt en mijnen medehelper alhoewel leraar der Hooge School van Leuven zal waarschijnlijk met mij moeten vallen, ten bate van een uitlandschen of vreemden vakgenoot!...". Hij wees er op dat de ontwerpen van de kerken van Lommei en Neerpelt de goedkeuring hadden bekomen van de respectievelijke kerkfabrieken en gemeenteraden.
Zijn klacht betrof in hoofdzaak het feit dat er "... door eenige Heeren Leden van gezegde Commissie voor Monumenten op aangedrongen werd ... om mij eenen medehelper doen aan te schaffen terwijl in Hasselt door eenen of meer personen van gezag
H. Martens stelde opnieuw in een volgend schrijven van 21 december 1898 dat het toch bevreemdend was te moeten vaststellen dat de kerk van Lommei reeds het visum bekomen had van de Bestendige Deputatie en dat er slechts enkele aanmerkingen kwamen van de zijde van de Koninklij-
ke Commissie "... waaraan ik meende gemakkelijk voldoening te kunnen geven ..." terwijl het dossier toch stilviel, zelfs met het informele verzoek "... mij voor het herzien en vervaardigen der plans aan te sluiten met Mr. Lenerts, professor aan de Hoogeschool van Leuven". Ook pastoor Johannes Claykens (1851-1914) van Lommei drong hierop aan "... want dat hij anders de Commissie van Monumenten zou tegen het hoofd loopen, en ware dit niet ... dan staat de Deputatie in den weg ..." . Ook de subsidiëring van het project werd afhankelijk gemaakt van deze samenwerking: "... Werktet gij samen met mr. Lenertz, alle moeilijkheid hield op, de noodige subsidiën zouden komen en ik kon gerust zijn ...", aldus H. Martens, met verwijzing naar het verzoek van pastoor J. Claykens. Dezelfde problematiek stelde zich met de kerk van Neerpelt, waarvan het ontwerp "... zonder vooruitgang, op het Provinciaal Bestuur berust van September 1897 tot Januari 1898 ...". Van pastoor Jan Geloudemans (1858-1916) vernam H. Martens dat er geen hoop was de gevraagde toelagen te bekomen maar dat men een ander element ter sprake bracht: "... men verlangt een plan dat niet hetzelfde is als dat der omliggende parochiën, een plan origineel, zelfstandig met smaak en talent opgesteld en bestudeerd". Met andere woorden leek men hier kritiek te formuleren op het concept zélf en de architecturale uitwerking ervan, waarschijnlijk als voorwendsel om Martens een helper op te dringen. Men voegde er bij: "... of Martens vanwege een der onderarchitecten van Mr. Helleputte, of iemand die bekwaam of op de hoogte is, niet een schoon plan zou kunnen bekomen? ..."; Met de 'onderarchitect van Mr. Helleputte' werd uiteraard V. Lenertz gesuggereerd. H . Martens vroeg zich hierop af vanwaar zulke kritiek dan wel kon komen, wetende dat de plannen nog niet waren voorgelegd aan de Bestendige Deputatie, zodat hij overtuigd was van een manoeuvre. Het is duidelijk dat het belangrijkste oogmerk niet was H . Martens te desavoueren maar wel hem een architect toe te voegen uit de school van J. Helleputte. Aan H . Martens werd verzekerd dat de goedkeuringen dan gemakkelijk zouden komen, dat vele kerkfabrieken dan hun vertrouwen zouden schenken en dat gans de provincie hem genegen zou zijn. Maar ook de nieuwe plans gemaakt door H. Martens en V. Lenertz werden afgewezen, volgens bericht van de pastoor van Neerpelt, en zulks omdat zij teveel zouden gelijken op de eerste en dus niet oorspronkelijk genoeg zouden geweest zijn en
dat zij voorts teveel gelijkenis vertoonden met die van de kerk van Lommei. Maar ook hier bleek er concurrentie van buitenlandse architecten. H. Martens verzette zich terzake: "... Mijn inzicht is volstrekt niet hier tegen de vreemden in te werken, maar ik teken verzet aan tegen de handelswijze ten opzichte genomen, tegen de middelen in het werk gelegd om ons te onttrekken wat wij, ingezien de bovenaangehaalde omstandigheden en beloften, het recht hadden te mogen behouden, des te méér daar ik mij aan al de eischen heb onderworpen. ...". H. Martens wierp zijn reputatie in de schaal en vroeg " ... of ik onder den schandnaam van onbekwaam moet blijven en aldus verdien behandeld te worden ? O f het rechtvaardig is mij op dergelijke wijze aan de ongunstige gevolgen prijs te geven, waarvan ik reeds elders nu ook nog het slachtoffer ben geworden?". H. Martens bleef in deze zaak van dreigende broodroof correct en gematigd in zijn uitlatingen aan het adres van de Bestendige Deputatie, ook over de hem opgedrongen V. Lenertz. Wat de Bestendige Deputatie terzake heeft geantwoord is niet bekend. Wel bleken in februari 1 899 de plooien gladgestreken. In een schrijven van 23 februari 1899 dankte H. Martens de Gouverneur "... dat ik met de meeste voldoening de voor mij zoo belangrijke woorden gelezen heb en het is met diepe erkentelijkheid dat ik Ued. hierover mijnen vurigen dank betuig voor Uwe goede welwillendheid ten mijner opzichte ... en voor het verrechtvaardigen mijner belangens". Charles Lagasse de Locht (1845-1937), voorzitter van de Koninklijke Commissie vanaf 1897, schreef op 22 maart 1899 de Gouverneur naar aanleiding van het protest van H. Martens. Hij betreurde de commentaar en de bemoeienis van de Bestendige Deputatie in deze aangelegenheid. Hij verklaarde ook dat de plannen van de kerk van Lommei reeds op 2 juni 1898 werden goedgekeurd. Uit een schrijven van 18 april 1899 van H. Martens en V. Lenertz blijkt dat er op 14 april 1899 een persoonlijk onderhoud is geweest tussen Ch. Lagasse de Locht en H. Martens. Dit gaf aanleiding tot "... nos sincères remerciements pour la confiance et la bienveillance que vous voulez bien accorder aux projets - fruits de notre collaboration - pour l'églises et autres edifices importants...". Voorts werd een kopie van de plannen van de kerken van Lommei en Neerpelt opgestuurd en bracht men de belofte in herinnering dat deze dossiers thans zouden worden goedgekeurd.
Toch werd door de architecten vastgesteld dat de Kerkfabriek van Neerpelt aan deze afspraken voorbij ging: "... et malgré ia conviction qu'on avait de l'heureux résultat de notre collaboration, suivant les conseils donnés par la Commission Royale des Monuments, la fabrique d'église a passée outre et d'autres architectes ont été chargés de l'élaboration de nouveaux projets. Les motifs de cette maniere d'agir étant connus, inutile d'y revenir, nous en subirons dans tous les cas les suites regrettables, aussi, nous nous permettons Monsieur Ie Président d'assurer votre bienveillante attention sur eet état de choses dont nous sommes victimes après tant de promesses et routes les marques de bonne volonté dont nous venons de faire preuve". Uit de brief blijkt tevens dat H. Martens en V. Lenertz rechtstreekse instructies over hun samenwerking kregen van de Voorzitter van de Koninklijke Commissie. Rond hetzelfde tijdstip, meer bepaald op 20 april 1899, liet C. Lagasse de Locht aan pastoor J. Claykens weten dat de Bestendige Deputatie niet kon ingaan tegen de Koninklijke Commissie en dat hij niet akkoord ging met de aanstelling van twee andere architecten, F. Lohest en J. Tonnaer. Evenmin was hij de formule genegen tot het uitschrijven van een architectuurwedstrijd en liet hij uitschijnen dat het ontwerp van H. Martens en V. Lenertz de voorkeur wegdroeg (8). Beide bouwprojecten. Lommei en Neerpelt, werden uiteindelijk door H. Martens en V. Lenerrz tot een goed einde gebracht. Beide architecten zouden samen nog vele projecten realiseren. Bouwmeester-ontwerper H. Martens was doorgaans verantwoordelijk voor de aanleg van het administratief dossier, de lastenboeken, bestekken en matenlijsten, op te maken conform het nieuw provinciaal reglement van 1898. Het was H. Martens die optrad in de correspondentie en in de persoonlijke contacten met de opdrachtgevers, de aannemers, de werfopzichters en de provinciale architect, terwijl de officiële plannen op naam stonden van "Stevoort, H. Martens Leuven, V. Lenertz". H. Martens en V. Lenertz correspondeerden per kerende post. Of H. Martens veelvuldig persoonlijk contact had met V. Lenertz valt te betwijfelen. H. Martens leidde als bouwmeester en als gemeentelijk en kerkelijk mandataris een druk bestaan. Hij stond bekend om zijn hulpvaardigheid en zijn
kordate aanpak van problemen. Hij was een man van karakter, had een flink voorkomen en genoot als notabele respect en eerbied in Stevoort en daarbuiten. Zijn echtgenote Maria Catharina Everaerts overleed op 25 mei 1909. In het grote huis nam in het najaar zijn schoonzus Maria Melanie Everaerts, weduwe Jules Witters, haar intrek. In juni 1910 kwamen ook haar dochters Theresia Elvire en Melania Augusta inwonen bij hun oom en hun moeder. Elvire, toen 22 jaar oud, hielp H. Martens met de administratie. De woning en de omliggende grond werden in 1913 verkocht aan Jozef Van Kroonenburg, landbouwer en intussen echtgenoot van Stefanie Poelmans. H. Martens bracht samen met zijn schoonzus de laatste jaren van zijn leven door in de Villa Grammen die hij zelf had gebouwd, in de Oppenstraat 11. Elvira Witters woonde hier tot aan haar huwelijk op 13 mei 1914 met Jozef Deré, eveneens bouwmeester, en zij vestigden zich in Hasselt. Hyancinth Martens overleed op 18 februari 1919, om 10 uur 's morgens, op 71-jarige leeftijd. O p zaterdag 22 februari namen velen afscheid van een rechtvaardige, bekwame man, die God vreesde. Zijn grafsteen staat vlak bij de Sint-Martinuskerk. Vanaf 1924 werden diverse restauratiewerken aan de kerken van H. Martens en V. Lenertz uitgevoerd, door J. Deré, die men als erfgenaam van het professionele erfgoed van H. Martens kan beschouwen. O p 23 oktober 1983 werd op initiatief van het Davidsfonds van Stevoort-Wij er een feestelijke herdenking van H. Martens georganiseerd. De gedenksteen aan zijn graf brengt hulde aan de timmerman - bouwmeester - kerkenbouwer Hyacinth Martens.
VINCENT LENERTZ ARCHITECT TE LEUVEN De beweegredenen van Vincent Lenertz om naar Leuven in België te komen hadden te maken met de mogelijkheden tot professionele ontplooiing die de jonge, getalenteerde tekenaar er hoopte te vinden. Vincent Lenerrz werd op 22 april 1864 geboren te Echternach in het Groor-Hertogdom Luxemburg, als zoon van Catherine Beringer en Jean Lenertz,
landbouwer. Hij groeide op in "une familie plus honorable qu'aisee", samen met een broer en twee zussen. Wanneer hij bij het beëindigen van de basisschool terechtkwam in het atelier van de porseleinschilders Zens in zijn geboortestad, bleek dat hij tekentalent had. Via de gebroeders Zens werd hij tekenaar bij architect Knepper in Diekirch. Hij werd er opgemerkt door August Mullendorf die, overtuigd van zijn mogelijkheden, stappen ondernam om hem te introduceren bij Joris Helleputte, sedert 1874 hoogleraar architectuur aan de Universiteit van Leuven (9).
• Vincent Lenertz (1864-1914), irchitect te Leuven.
V. Lenertz werd als tekenaar ingeschreven in Leuven op 2 mei 1885 en woonde aan de Naamsestraat 101. O p 21-jarige leeftijd ontmoet hij in de persoon van J. Helleputte een veelzijdige persoonlijkheid, door wie hij sterk zal worden beïnvloed. Joris Helleputte werd op 31 augustus 1852 geboren in Gent als jongste zoon - van vijf kinderen - van Florentina Detemmerman en Petrus Helleputte, bakker en handelaar in granen en zaden. Zijn vader overleed vroegtijdig in 1862 en Joris werd voor humaniorastudies ingeschreven aan het Koninklijk Atheneum van Gent, waar geen schoolgeld moest betaald worden. Nadien volgde hij van 1868 tot 1873 de opleiding voor ingenieur Bruggen en Wegen aan de School voor burgerlijke genie van de Rijksuniversiteit in zijn geboortestad. O p initiatief van J. Helleputte en Louis Cloquet (1849-1920) werd een Cercle des étudiants catholiques L'espérance opgericht in 1870. In het radicaalkatholiek weekblad van deze vereniging L'étudiant catholique bekenden zij kleur: "... ultramontains, gothiques, grégoriens, gaumestes, intransigeants, pointes sous toutes nos faces .. et gais compagnons!" Geïnspireerd door het engagement van de Gentse Vincentianen onder leiding van Joseph de Hemptinne (1822-1909) kwamen zij in contact met de behoeftige medemens. De ondersteuning van een katholiek reveil in Vlaanderen zou de drijfveer van J. Helleputte worden en blijven tijdens gans zijn leven. Mede omwille van zijn radicaal katholiek engagement werd hij in 1874 op 22-jarige leeftijd benoemd tot docent, geaggregeerd hoogleraar aan de tien jaar eerder opgerichte Speciale Scholen voor burgerlijke genie, mijnen en fabriekswezen van de Universiteit van Leuven. Zijn aanstelling resulteerde in 1878 in de oprichting van een volledige en afzonderlijke opleiding van ingenieur-architect; hij doceerde er alle architectuurcolleges (10). V. Lenertz werd ingeschreven aan de Faculteit Wetenschappen voor een opleiding aan de Speciale Scholen, gelegen in de Sint-Michielsstraat, waar thans het Maria Theresiacollege is. Hij volgde er lessen in architectuur van 1887 tot 1889 (11). In 1889 werd hij aangesteld als "Directeur des travaux graphiques aux Ecoles Spéciales de l'Université de Louvain" (12).
Vincent Lenertz en Jeanne Wouters met kinderen Marguerite, Marie, Germaine en lean.
Professor Raymond Lemaire (1878-1954) situeerde V. Lenertz als "chef des travaux graphiques a l'Université" voor de studenten ingenieurarchitect. Hij zegde over hem:
"... Il ne s'épargnait aucune peine pour les initier aux secrets de la composition architecturale. Les excursions qu'il faisait régulièrment avec eux, pour la visite des monuments du pays et de l'étranger, compteront toujours parmis les épisodes les plus charmants de leur vie estudiantine" (13). Ter illustratie wordt verwezen naar een studiebezoek aan de Sint-Leonarduskerk in Zoutleeuw in 1893. J. Helleputte was van cruciale betekenis voor de wetenschappelijke en ideologische vorming van ingenieur-architecten in Leuven. Ook V. Lenertz werd er deelgenoot van zijn ideeëngoed. Volgens J. Helleputte was "L'architecture ... l'art de construire suivant les principes du beau". De inspiratie voor wat schoonheid betekende haalde hij bij Thomas van Aquino (1225-1274): ".. Het schone in de goddelijke schepping van de natuur én in de kunst is de weerspiegeling van de hoogste, van de absolute goddelijke Waarheid ... De waarheid in de kunst kan niet meer afgescheiden worden van de waarheid in de godsdienst ..." J. Helleputte verzette zich op het einde van de 19de eeuw tegen iedere uiting van "L'art pour l'art": "Le beau est inseparable du vrai et du bien ... Une oeuvre immorale ne peut être belle ...". De katholieke ideologie inspireerde de component schoonheid, zodat de architect behalve 'constructeur' ook kunstenaar behoorde te zijn. De basis van alle architectuur bleef evenwel de Vitruviaanse triade "Utilitas, Firmitas, Venustas". J. Helleputte stelde dat de functie en de constructie van een gebouw bepalend zijn voor de vorm en hij liet zich hierbij inspireren door Claude Perrault (1613-1688) (14). Hij ontleende er de gedachte dat vormen in de architectuur een betekenis hebben, een semantische waarde, die samenhangt met een maatschappelijke context. Vanaf het midden van de 19de eeuw werden in het katholieke Vlaanderen de architecturale principes vertaald in een vorm, gebaseerd op de traditionele gotische bouwkunst, met andere woorden, de neogotiek. "Nous n'en sommes pas arrivés a batir exclusivement en style ogival, celui-ci ne fait que renaitre, nous ne sommes q u a l'aurore de la renaissance chrétienne ..." (15). J. Helleputte kende aan de architectuur een prioritaire en conceptbepalende functie toe; de plastische en sierkunsten werden aldus in een ondergeschikt
verband gesitueerd. Een architect fungeerde als totaalkunstenaar die alle facetten van de neogotische bouw in detail moest voorbereiden en opvolgen. Deze visie sloot aan bij het ideeëngoed van Augustus Welby Northmore Pugin (1812-1852) die een eerste vorm van "Gesamt-kunst" introduceerde. Een neerslag van de toenmalige leerdoelen van de architectuuropleiding is te vinden in de handgeschreven, Franstalige cursus van V. Lenertz: Etude des églises. Dit handschrift vangt aan met een definitie van de diverse bedehuizen en een bespreking van de oriëntatie van de kerk, tabellen over de relatie bevolking/oppervlakte, de stijl: "Le style chrétien (gothique) est le seul qui convient a l'église...". Er komen verwijzingen in voor naar diverse kerkgebouwen, die worden besproken en waarvan schetsen werden gemaakt. Er is een afzonderlijke bespreking opgenomen van de diverse constructieve onderdelen van het kerkgebouw, zoals het portaal, de crypte, de torens, de kapellen, de doopkapel, de sacristie, het kerkschip, met telkens het grondplan, de opstanden en doorsneden uitgewerkt. Ook is er aandacht voor vormelementen, met ondermeer schetsen van kapitelen. In een tweede deel van de cursus wordt gehandeld over het kerkmeubilair. In een laatste deel komt de restauratie van monumenten aan bod. Hierbij wordt opgemerkt dat J. Helleputte net als zijn collega Edmond Reusens (1831-1903), hoogleraar christelijke archeologie aan de Universiteit te Leuven, in 1885 was aangesteld als lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Uit de schetsen in de cursus blijken duidelijk de technische vaardigheid en het tekentalent van V. Lenertz. Dat hij in 1889 werd aangesteld als "Directeur des travaux graphiques" aan de Leuvense universiteit was hiervan een uitvloeisel. Wanneer J. Helleputte in datzelfde jaar gekozen werd tot volksvertegenwoordiger voor het kiesarrondissement Maaseik diende hij voor zijn architectuurpraktijk beroep te doen op directe medewerkers, zoals Stéphane Mortier (1857-1934), Pieter Langerock (1859-1924), Joseph-Fran^ois Piscador (1866-1923) en Vincent Lenertz. Aldus kreeg V. Lenertz ervaring en erkenning als architect. O p deze wijze werd hij betrokken bij de latere fase van het Justus Lipsiuscollege in de
Minderbroedersstraat. In 1877 werd J. Helleputte door de universiteit gelast met de verbouwing van dit complex.
T Instituut voor electromechanlca in de Vlamingenstraat te Leuven, 1899, hchtkleurlge baksteen, Leuven, (foto 0. Pauwels)
M&L
Deze aanstelling had belangrijke gevolgen voor de architectuurpraktijk te Leuven. J. Helleputte weigerde beroep te doen op de toenmalige bouwnijverheid en wenste alleen te werken met een groep van geïnspireerde vaklui (16) die werkten volgens de middeleeuwse traditie en die hij samenbracht in een "Bauhütte" (bouwloods). De bouw van het Justus Lipsiuscollege werd dan ook de aanleiding voor J. Helleputte om over te gaan tot de oprichting van de Gilde van Ambachten en Neringen in 1878, waarvan hij hoofddeken was. Als voorvechter van het neocorporatisme zou hij samen met Charles Périn (1815-1905) en Charles de Dorlodot (1855-1919) de aanzet geven tot de latere Comités des Hommes d'Oeuvres.
De Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas werd opgericht in 1863 en was veeleer een studiegenootschap voor christelijke archeologische, kunsthistorische en liturgische aangelegenheden. Een belangrijke doelstelling van deze Gilde was evenwel ook de actieve propaganda van de ware principes van de christelijke kunst, waaruit een duidelijke Puginiaanse invloed blijkt. Bij de dood in 1872 van de eerste voorzitter, Mgr. Charles-Joseph Voisin (1802-1872), verscherpte zich de polarisatie binnen de Gilde tussen enerzijds de strekking van Jean Baptiste Bethune (1821 -1894), die de Gilde opvatte als een propagandistisch instrument voor de verdere uitbouw van de christelijke maatschappij en anderzijds de strekking van E. Reusens die het genootschap zag als een studiecentrum voor archeologisch-kunsthistorische en liturgische problemen. Volgens de ledenlijst van de Gilde was V. Lenertz geassocieerd lid van deze Gilde (17). O p basis van al het voorgaande mag worden aangenomen dat hij na zijn opleiding en ervaring in Leuven de vaktechnische én de maatschappelijk ideologie van J. Helleputte en E. Reusens heeft overgenomen en de neogotiek als een inspirerend uitgangspunt én streven heeft gehanteerd in zijn verdere professionele loopbaan. Zulks blijkt vooral uit zijn ontwerpen voor kerkmeubilair, waarin hij uiterst bedreven de neogotische vormentaal gestalte heeft gegeven. O p dat ogenblik waren de SintLucasscholen reeds lang dé opleidingsinstellingen bij uitstek voor christelijke kunst. De vaktechnische vaardigheden werden er aangeleerd op basis van "Ie vrai, Ie beau et Ie bien". In dit milieu gold het als een vanzelfsprekendheid dat de architect verantwoordelijk was voor het totaalconcept van kerkgebouw, decoratie en meubilering. Voor de realisatie van zijn projecten zou V. Lenertz vooral kunstenaars en vaklui
Amerikaans College op de hoek van de Naamsestraat en de Karmelietenberg te Leuven. Gevel aan de Naamsestraat, ca. 1905, rode baksteen, Leuven, (foto P. Berben)
T Arenbergmstltuut in de Naamsestraat te Leuven. Gevel aan de Naamsestraat, 1909, rode baksteen, Leuven. (foto P. Berben)
met deze specifieke scholing aanspreken. Hij betrachtte ais architect de harmonie van het geheel en werkte dit uit in uiterst verzorgde ontwerptekeningen van communiebanken, altaren, kerkmeubels, vloeren, kroonluchters. Terwijl de gehechtheid aan de christelijke waarden behouden bleef, kwam er na het Mechelse Congres van 1891 een golf van ongenoegen tot uiting. In de jaren '90 werd de Sint-Lucas-neogotiek door progressieve geesten een verstikkende orthodoxie verweten. Men bekritiseerde het gebrek aan ruimte voor persoonlijke originaliteit. De behoefte aan persoonlijke creativiteit enerzijds en anderzijds de betrachting om in harmonie te leven met het nieuwe esthetische en filosofische klimaat van rond de eeuwwisseling, bracht kunstenaars bijeen rond de figuur van Henri Moelier (1852-1918), in de Durendal-groep. Deze stroming zou voortaan ijveren voor een aanpassing van de Sint-Lucasnorm en stelde in eigen rangen de neogotische vormentaal ter discussie. In dit verband kan men vaststellen dat V. Lenertz enerzijds
M&L
aanhanger was van de dogmatische neogotiek, waarbij constructieve en functionele rationaliteit van de Sint-Lucasarchitectuur de norm was, met J. Helleputte als boegbeeld; anderzijds dat hij ook gevoelig was voor eigentijdse ideeën over vormgeving, bepaald door rationalisme, waarbij hij zich verzette tegen een te vormelijke exuberantie, zoals men bijvoorbeeld aantreft in het werk van Louis delaCenserie (1838-1908). Aldus kon V. Lenertz terugblikken op een geslaagde integratie in Leuven op professioneel vlak. Hij streefde echter ook integratie na op persoonlijk vlak en verwierf op 6 januari 1896 de Belgische nationaliteit. O p 1 augustus 1896 huwde de 32-jarige V. Lenertz met Jeanne Marie Louise Wouters (1875-1956), dochter van Elisabeth Van Den Bosch en Hubert Wouters, handelaar in Leuven. Zij groeide op met haar broers Hubert en Jozef en zusters Maria en Irene. V. Lenertz en J. Wouters waren gedomicilieerd te Leuven in de Blijde-Inkomststraat 45 (volgens de toenmalige huisnummering. Thans ligt dit perceel in de tuin van het Erasmushuis, het faculteitsgebouw Letteren). In het gezin Lenertz-Wouters werden vijf kinderen geboren: Jean (±1897), Marie (±1898), Germaine (±1900), Marguerite (±1902) en Pierre (±1904). Hierdoor ontstond een Belgische tak van de familie Lenertz. Als begeleider van het practicum en van de excursies legde V. Lenertz goede contacten met de studenten, zoals met Henri Vaes (±1876) die een persoonlijke vriend werd. V. Lenertz voerde voor de Universiteit verschillende bijzondere opdrachten uit. Van zijn hand is ondermeer een gedetailleerd stadsplan van Leuven (18) van 11 juli 1899 waarop het onroerend patrimonium van de universiteit is uitgetekend. In 1909, ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van de heroprichting van de Universiteit in 1835, werd aan V. Lenertz gevraagd een nieuw zegel te ontwerpen voor de Katholieke Universiteit van Leuven. In een mandorla staat de inscriptie Univ. Cath. * Lovaniensis + Sedes Sapientiae + en een gekroonde Madonna met Kind op een (neo)gotische troon afgebeeld, in een veld van lichtstralen afkomstig van een ster boven de tronende Moeder Gods. Onder de tekening staat A.D. 1425, het stichtingsjaar van de Universiteit. Onder het rectoraat van Mgr. Adolphe Hebbelynck (1859-1939) van 1898 tot 1909 stelde de Universi-
teit V. Lenertz aan voor diverse bouwopdrachten, zoals het Instituut voor electromechanica, het Amerikaans college, het Instituut voor scheikunde, het Instituut voor pathologie en de uitbreiding van het Carnoy-instituut. Het project van het Justus Lipsiuscollege was vanaf 1877 in handen van J. Helleputte, die de neogotische vleugel langs de Minderbroedersstraat realiseerde, met kapel, refter en traptoren. Voorts werd in 1879 de westvleugel met studentenkamers gebouwd, met drielichten onder een gedrukte spitsboog per travee. O p verzoek van J. Helleputte werkte V. Lenertz als architect mee aan de uitbouw van dit college. Hij verbouwde en breidde de westelijke vleugel uit in dezelfde stijl, in 1911-'13. Voor de oostelijke vleugel werden rond 1899 V. Lenertz en Theo Van Dormael aangesproken. Voor het Instituut voor Scheikunde of het Minckelersinstituut of Arenberginstituut in de Naamsestraat voorzag V. Lenertz voor de vleugel aan de straat een ijzeren skeletstructuur, waardoor het mogelijk was de centrale zone van het plat dak te verhogen en een lichtbeuk te realiseren, steunend op de ijzeren zuilenrij. De officiële inhuldiging van het gebouw vond plaats op 9 mei 1909 en ging gepaard met een tentoonstelling van werken van Constantin Meunier (1831-1905). Dit gebouw, en ook het Instituut voor medische pathologie, gebouwd in 1906-1907 en gelegen in de Minderbroedersstraat, zullen in 1914 het voorwerp uitmaken van een polemiek tussen tussen V. Lenertz en Jan Janssen (1873-1932) die op dat ogenblik "Inspecteur du Materiel de l'Université" en vanaf 1913 ook architect van de Universiteit was. O p 23 juni 1914 richtte J. Janssen een schrijven aan V. Lenertz dat enigszins op een afrekening lijkt en waarin hij diens tienjarige aansprakelijkheid ter sprake bracht : "... Monsieur Lenertz, j'ai Ie regret de vous annoncer que je dois invoquer contre vous la responsabilité décennale pour les Instituts de pathologie et dArenbergh. Ces Instituts a peine construits depuis peu d'années sont la preuve d'une negligence coupable. ... Prière de me faire parvenir les trois cents francs qui vous ont été envoyés par un fournisseur et de me faire connaitre son nom". V. Lenertz was hierdoor aangeslagen maar trachtte op een serene wijze de aantijgingen te weerleggen en vroeg om enig begrip vanwege de vaak moeilijke werkomstandigheden (19): "... J'ai bien recju votre ... lettre et dois vous dire que j'en ai été fort affecté.
Pour tous les travaux raits pour l'université j'ai toujours mis mes meilleurs soins. Les réussites ne sont pas toujours completes car on était parfois a devoir trop bien tirer parti du terrain disponible. D'autre part il est a remarquer aussi que les divers entrepreneurs n'ont pas toujours suivi les prescriptions et indications verbales. C'est bien pénible aussi pour moi de constater que certains points faibles se sont declares et j'ose espérer .... que vous prendrez bien en consideration ces diverses circonstances et ne pas m'en tenir trop de rigueur. Ci-inclus la suite de votre demande. 300 f j'avals accepté cela pour couvrir un peu les frais que j'ai eu pour les plans fairs pour I'lnstitut Carnoy. ...". Alles wijst erop dat de betrokkenheid van V. Lenertz bij bouwwerken voor de universiteit eindigde met de komst van J. Janssen die in 1913 architect van de universiteit was geworden. Mgr. Paulin Ladeuze (1870-1940) gaf in 1913 opdracht tot het bijbouwen van twee vleugels aan het Carnoy-instituut, aangekocht door de universiteit in 1888 voor het onderbrengen van de biologische laboratoria. Blijkens voormelde brief heeft V. Lenertz hiervoor nog plannen getekend. V. Lenertz bouwde ook voor privé opdrachtgevers. Henri de Dorlodot (1855-1928) gaf hem in 1905 opdracht tot de bouw van het Kolenmuseum, C.-A. de Bériotstraat 40. Het gebouw is indrukwekkend door het evenwicht in de constructie, de zuivere vormen en de discrete decoratie, tot hun essentie herleid. Het Kolenmuseum wordt links geflankeerd door de neogotische uitbreiding van dit museum, in 1923 ontworpen door Theo Van Dormael. V. Lenertz werd ook aangezocht voor de bouw aan de Diestsevest van een woonhuis met atelier voor beeldhouwer Paul Roemaet (1865-1938). Het betrof een woning met verdieping, met links het woon- en bureaugedeelte en rechts een inrijpoort die via een overdekte koer toegang gaf tot het atelier. De bouwvergunning werd afgeleverd op 9 februari 1903. Deze ruime burgerswoning is gebouwd in twee bouwlagen met een zolderverdieping. De baksteenarchitectuur werd verlevendigd door witte natuursteen, aangewend voor constructieve en decoratieve elementen zoals ontlastingsbogen, speklagen, poort-, deur- en vensteromiijstingen. De architectuur van de gevel laat niet vermoeden dat het interieur en de meubilering werden uitgevoerd in een uitgesproken neogotische stijl en dat er veel aandacht werd besreed aan het houtwerk.
V. Lenertz had een breed perceel bouwgrond gekocht aan de buitenzijde van de Tiensevest waar hij een privé-woning met bureau bouwde, aan nr. 37, en waarvoor hem een bouwvergunning werd verleend op 29 augustus 1911. Het gezin verhuisde op 4 januari 1913, toen de woning voltooid was. Later zou R. Lemaire over deze woning zeggen: "... la belle demeure oü il s'était installé depuis peu de semaines et oü il avait espéré a bon droit pouvoir terminer, dans Ie bonheur familial et Ie bien-être, une carrière qui ne lui avait guère apporté jusqu' alors que des succes...". De woning werd tijdens de twee wereldoorlogen beschadigd. De latere eigenaar zou na Wereldoorlog II een aanvraag indienen voor grondige restauratiewerken. De woning werd afgebroken in de jaren '60 en vervangen door een appartementsgebouw. O p 8 juli 1912 diende de toen 48-jarige V. Lenertz een bouwaanvraag in voor "une maison de rention a cote de mon autre construction" (20). Voor deze rentenierswoning, Tiensevest 39, werd een bouwvergunning verleend op 13 augustus 1912. Het is niet onredelijk te verondersrellen dat zijn eigen woning hiermee qua concept en stijl enige verwantschap moet hebben vertoond. Dit gebouw vormde zeker een trendbreuk in de architectuur van V. Lenertz. Hij vond hiermee aansluiting bij de vernieuwende tendenzen, met behoud van de hem kenmerkende soberheid in de
zijn goede relaties met voorzitter C. Lagasse de Locht kon J. Helleputte aldus als stuwende en sturende kracht toezien op de conformiteit van de bouw van kerken in Limburg met het ultramontaanse gedachtengoed en het neogotisch paradigma. De inbreng van V. Lenertz moet dan ook vooral gezien worden als deze van de behoeder van het totaalconcept, nu blijkt dat het veldwerk en de praktische uitwerking en opvolging van de plannen en de werken doorgaans door H. Martens is gebeurd. Het staat vast dat zij ontmoetingen en besprekingen hielden, teneinde de harmonie tussen architectuur, decoratie en meubilering te realiseren (21). In dit verband kan vastgesteld worden dat de plannen inzake decoratie en meubilering exclusief van de hand van V. Lenertz zijn (22). De bouwplannen waren het product van een op elkaar afgestemde samenwerking maar de meeste zijn, afgaand op de lay-out, herkenbaar als zijnde uitgetekend door het bureau van bouwmeester H. Martens. • Rentenierswoning van V. Lenertz aan de Tiensevest nr. 39 te Leuven, 1912, rode baksteen. Leuven. (foto 0. Pauwels)
ornamentiek en een letterlijke "rechtlijnigheid" in de vormgeving, beantwoordend aan de eisen van functionaliteit én esthetiek. Het is duidelijk dat V. Lenertz hier een professionele maturiteit heeft bereikt waardoor hij zich kon losmaken van de voorgeschreven codes en zijn creativiteit vrijer kon uiten. In de opdrachten die hij van de kerkelijke overheid ontving was hij uiteraard gebonden aan normen bepaald door de traditionele kerkbouw, de religieuze symboliek en in het bijzonder door de neogotische vormentaal waarvoor het katholieke milieu resoluut had gekozen. Dat vele kerkopdrachten in Limburg bij V. Lenertz terechtkwamen had alles te maken met de bemiddeling van J. Helleputte die als volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Maaseik verkoos de plaatselijke bouwmeester H. Martens te laten bijstaan of- beter - superviseren, door iemand die gevormd was door her gedachtengoed van de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas. Ook vanuit zijn positie als lid en later ondervoorzitter van de Koninklijke Commissie en
Het belang van V. Lenertz voor de realisatie van diverse projecten lag tevens op het vlak van het aanspreken van kunstenaars en ambachtslui uit het milieu van de Gilde van Sint-Thomas en SintLucas, de Sint-Lucasscholen en de Gilde van Ambachten en Neringen. Voorts had hij een gemakkelijke toegang tot de instelling van de Koninklijke Commissie hetgeen vaak bevorderlijk is geweest voor een snelle en gunstige afhandeling van de bouwdossiers. V. Lenertz had vanaf 1889 als verantwoordelijke voor het tekenpracticum van de Universiteit te Leuven talrijke studiereizen georganiseerd en een grote hoeveelheid aan eigen schetsmateriaal geproduceerd en bijeengebracht. Een neerslag hiervan werd vanaf oktober 1903 tot juli 1904 gepubliceerd in vier uitgaven onder de naam Documents d a r t monumental du Moyen Age. Architecture sculpture et ferronnerie. Relevés & Croquis par Vincent Lenertz, architecte. Chef des Travaux graphiques a L' Université de Louvain. De bundel omvat vijftig tekeningen van kerken, gebouwen, meubels en ornamenten van middeleeuwse, gotische stijl. Het contract betreffende deze publicatie tussen V. Lenertz en uitgever Vromant & Co dateert van 15 juni 1903. R. Lemaire schreef dat het boek een groot succes was en lang dienst heeft gedaan als
B 1 N 1 \ E M K R A N T
Literatuur
ROUWFN DOOR DF FFUWEN HFFN IN VIAANDFREN PROVINHF OOSTVIAANDFREN ARRONniSSFMFNT nilDFNAARDF KANTON OliDFNAARDE OFFI 1RN ? In oktober 1998 kwamen twee nieuwe inventarisboeken van de pers in de reeks Bouwen door de eeuwen heen, namelijk de delen 15n 2 en 15n 3 . Beide boeken bestrijken een gebied gelegen binnen de zuidwestelijke hoek van het arrondissement Oudenaarde en van de provincie Oost-Vlaanderen. Met het eenenveertigste boekdeel 15 n 2 binnen de inventarisreeks gewijd aan het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen, werd de inventaris van het architecturaal patrimonium van het kanton Oudenaarde verdergezet en tevens afgerond. Dit tweede inventarisluik van voornoemd kanton behandelt uitsluitend een landelijk gebied. Het omvat namelijk de gemeenten Maarkedal en WortegemPetegem die respectievelijk bij het zuiden en het westen van stad Oudenaarde en zijn fusiegemeenten aansluiten. Beide gemeenten palen evenwel niet rechtstreeks aan elkaar: de Schelde met het zuidwestelijke uitlopend grondgebied van Oudenaarde vormen immers een scheidingszone tussen Wortegem-Petegem en Maarkedal. Beide palen ook aan een andere provincie: Maarkedal grenst in het zuiden - naast - Ronse deels aan Henegouwenen, terwijl WestVlaanderen aan de westelijke gemeentegrens van WortegemPetegem ligt. Maarkedal, dat de deelgemeenten Etikhove, Maarke-Kerkem, Nukerke en Schorisse omvat, maakt volledig deel uit van de toeristisch attractieve, sterk heuvelende regio in Zuid-OostVlaanderen die sinds meer dan een eeuw als de zogenaamde "Vlaamse Ardennen "bekendheid verkreeg.
Door het noordelijk grensgebied van Maarkedal kronkelt de Maarkebeek naar de Schelde; hier ligt één van de meest karakteristieke beekvalleien die het landschap van de Vlaamse Ardennen typeren. Op de grens van Maarkedal en Ronse, behoort de beboste Muziekberg tot de rij getuigenheuvels die de hoogste toppen van de Vlaamse Ardennen tellen. In dit pittoreske landschappelijk kader met zijn panoramische heuveltoppen, asymmetrische beekvalleien, afwisselende hellingen met holle wegen en even typerende kasseiwegen, is de verspreide bebouwing ingekapseld of geconcentreerd in enkele kenmerkende straatdorpen. Ook in dit tweede deel van het kanton Oudenaarde loopt de Schelde als een scheidingslijn tussen geografisch merkelijk verschillende gebieden. De Schelde-vallei vormt trouwens landschappelijk de overgangszone van de Vlaamse Ardennen naar het vlakkere interfluvium Schelde-Leie waarbinnen Wortegem-Petegem ligt. WortegemPetegem, samengesteld uit de deelgemeenten Elsegem, Moregem, Ooike, Petegem-aan-de Schelde en Wortegem, is duidelijk minder hoog en heuvelachtig dan Maarkedal. Naast het reliëfpatroon zijn ook in de spreiding en aard van de bebouwing tussen beide gemeenten duidelijke verschillen vast te stellen. Als belangrijke waterweg is de Schelde een factor die van invloed geweest is op de vroege bewoning in de regio. Van in de pre-Romeinse tijd fungeerde de Schelde er als een territoriale begrenzing. Op bestuurlijk vlak bleef tot het eind van het Ancien Régime een grensfunctie behouden, tussen de kasselrij van het Land van Aalst waarbinnen Maarkedal begrepen was en de kasselrij van Oudenaarde waaronder Wortegem-Petegem ressorteerde. De historische betekenisvan de Schelde als politiek-militaire grens tijdens de middeleeuwen blijkt in het behandeld gebied uit de belangrijke rol die Petegem-aan-de-Schelde met zijn koninklijke curtis er al van in de Karolingische periode speelde. Uit de splitsing in de 11de eeuw van het
domein van het aanzienlijk adellijk geslacht van Petegem volgde later aan dezelfde Schelde-oever het ontstaan van de stad Oudenaarde. Geschiedkundige gegevens die de ontwikkeling van de dorpen in Maarkedal en hun heerlijke indeling tijdens de feodale periode verklaren zijn nog weinig voorhanden. Behalve Schorisse, als hoofdplaats van het aanzienlijke Land van Schorisse, maakte de rest van Maarkedal deel uit van het Land van tussen Marke en Ronne, afhangend van de heer van Pamele-Oudenaarde. Nochtans zijn er aanwijzingen dat er aanvankelijk ook domaniale banden geweest zijn met het nabije Ronse. Romaanse kerkbouwresten konden in meerdere dorpen gerepertorieerd worden. Op enige uitzonderingen na zoals de Sint-Vincentiuskapel te Maarke-Kerkem en de typische kruisingstoren van de kerk te Elsegem, zijn het echter veelal zeer sterk gereduceerde fragmenten. Als oudste architecturale getuigen voor een bewoningskern uit de middeleeuwse periode, hebben deze bouwelementen nochtans hun belang. Door voortdurende verbouwingen en uitbreidingen bleven ook geen gotische kerken in hun totaliteit bewaard. Etikhove, Maarke en Schorisse behielden desondanks een markante vierkante gotische kerktoren waarbij vooral laatstgenoemde als een merkteken in het Vlaamse Ardennenlandschap fungeert. De relatief grote kerkelijke bouwactiviteit in de tweede helft van de 18de eeuw was blijkbaar toegespitst op de creatie van een ruim en helder homogeen schip met binnenafwerking in classicistische stijl. Bij de verbouwing - of volledige heropbouw - van de kerk zoals te Moregem, werd dit concept steevast gevolgd. De SintPieterskerk van Schorisse springt door haar bijzonder kwalitatieve stucdecoratie in het oog in vergelijking met andere kerkinterieurs van die tijd. Van soortgelijke kerkvergrotingen in de eerste helft van de 19de eeuw verrast de weelde en verfijning van de stucversiering in de Sint-Britiuskerk te Etikhove.
B I N N E I S J K R A N T
—• .
- -
—-
r
^
V
A
f
• 4 T' mf* •
^
',.."
i*- '
Mb
Wortegem - Petegem, Abdij van Beaulieu (foto HSL)
Gerenommeerde Gentse architecten, met name Louis Roelandt en Louis Minard, waren omstreeks het midden van de 19de eeuw ook in deze streek van de provincie actief; zij waren er onder andere respectievelijk betrokken bij de vergroting te Nukerke en nieuwbouw te Louise-Marie (Etikhove) van een typische plattelandskerk. Nog een bekende Gentse bouwmeester, August Van Assche, drukte zijn eigen stempel bij de aanpassing in neogotische zin van de in oorsprong romaanse kerk te Wortegem. Op een bescheidener niveau komt de neogotiek voor het landelijk religieus patrimonium nog aan bod in de wegkapellen. De aan de gang zijnde renovatie van de bedevaartskapellen aan de Annovenstraat te Schorisse geeft blijk van enige waardering voor de kleine devotieplaatsen. Van de enkele kloosters met hospitaal die hier in late middeleeuwen al opgericht werden, dient vooral de eertijds invloedrijke abdij van Beau lieu
te Petegem-aan-de Schelde te worden aangehaald. Alhoewel slechts een deel van dit klooster gespaard bleef, zijn de interessante monumentale overblijfselen een afspiegeling van het vroeger aanzien van de abdij en een belangrijke uiting van de toonaangevende bak- en zandsteenarchitectuur uit de periode 16de-18de eeuw. Het neogotische Sint-Leonardusinstituut (1900-1902) aan de voet van de Muziekberg te Louise-Marie, één van weinige 'jongere' verzorgingsinstellingen die architecturale allure vertoont. behoort tot het oeuvre van de Gentse architect Henri Geirnaert. Ook al uitzonderlijk is het als dusdanig gebouwd gemeentehuis met onderwijzerswoonst (1904) van Etikhove ontworpen door dezelfde bekende architect. Voor de bouw van een nieuwe pastorie vanaf midden 19de eeuw zijn hier verschillende architecten uit Gent ingezet: we vermelden Louis Minard (Louise-Marie), August Van Assche
(Elsegem), J. Haché (Maarke). Zeer opmerkelijk is de fraaie pastorie van Schorisse, een illustratief werk van architect E. de Perre-Montigny die in heel de provincie werkzaam was. Kasteelsites komen voornamelijk in Wortegem-Petegem aan bod als sterk getransformeerde domeinen, in oorsprong meestal echter teruggaand op een feodaal kasteel; hun huidige aanleg, doorgaans als buitenplaats, dateert evenwel uit de 18de of 19de eeuw. Het neoclassicistische kasteel van Moregem, toegeschreven aan de Gentse architect Jean-Baptiste Pisson wordt artistiek als een bouwwerk van internationaal niveau geapprecieerd. Andere opmerkelijke kastelen in neostijl uit de 19de eeuw zijn het zogenaamde "Nieuw Kasteel" te Petegemaan-de-Schelde, het kleinere "Kasteel Grootveld" te Schorisse en de resten van het kasteeldomein van Elsegem.
M&L
B l N l ^ E N K R A N T
Haarkedal - Etlkhove, Ladeuze 5 (foto MSI i
Hoeven zijn als bouwtype het talrijkst gerepertorieerd in dit inventarisdeel. Lokale verschillen tussen deze vorm van landelijke architectuur in Maarkedal en Wortegem-Petegem werden daarbij vastgesteld. Naast geografische factoren zijn wellicht ook aspecten van economische aard en recente evoluties van invloed geweest op wat er ons nog rest aan bouwkundig waardevolle hoeven. In Maarkedal zijn de grote hoeven thans nog het sterkst vertegenwoordigd; met hun overwegend semi-gesloten tot gesloten aanleg leggen ze in het glooiende landschap opvallende accenten. Door diverse veranderingsprocessen zijn er maar weinig authentieke kleinschalige hoeven en boerenhuisjes bewaard
M&L
gebleven. Hout- en leembouw, in deze regio tot enkele decennia geleden nog zeer vertrouwd, komt nu slechts bij uitzondering nog voor. In WortegemPetegem domineert een ander hoevetype namelijk dit met losse bestanddelen waarbij de aanleg varieert van een L-, een U-vorm tot een opstelling rondom een rechthoekig erf. Het huidig voorkomen van het agrarisch ruraal erfgoed stamt doorgaans uit de 18de en 19de eeuw maar veel sites kennen een oudere oorsprong. In Maarkedal getuigt de verrijking van de gebruikelijke regionale baksteenbouw met hardstenen elementen van aansluiting bij de woningbouw van Noord-Henegouwen. Blijkens het interieuronderzoek viel de neoclassicistische burgerlijke stijl in de smaak voor de stoffering van de "beste kamer" op hoerenhoven.
19de-eeuwse burgerhuizen met bepleisterde en/of gewitte voorgevel getuigen nu nog van de stelselmatige verdichting van de bebouwing in de dorpskern sinds die tijd. Andere exemplaren illustreren de introductie van neostijlen op het platteland. De nieuwe architectuurstijlen van de eerste helft van de 20ste eeuw komen in bescheiden mate aan bod op het vlak van de villabouw waaronder enkele realisaties van architecten uit Ronse. Als voornaamste items van het industrieel erfgoed dienen zich de streekeigen watermolens aan, soms nog in fraaie watermolenlandschappen of als een vroegere afhankelijkheid van een laat-middeleeuws heerlijk kasteel. Andere agrarisch gebonden nijverheden lieten weinig spectaculaire resten van industriële architectuur na.
B I N N E N K R A N T
Dit overzicht van het architecturaal patrimonium wil de respectvolle omgang ermee en het behoud ervan stimuleren en tevens aanzetten tot verder wetenschappelijk onderzoek.
Technische fische • 406 p. + XUX inleidingen • 347 zwart-wit foto's • 8 kleurenplaten • 7 plattegronden en situatieplans • 744 foto's in fotoregister • 1 ingekleurde verzamelkaart • 1 ingekleurde deelkaart en gemeenteplans, prijs: 2.720,-fr-
Chris Bogaert en Kathleen Lanclusi
BOUWEN DOOR DE EEUWEN HEEN IN VLAANDEREN PROVINriF OOST-VtAANDERFN ARRONDISSEMENT 01IDFNAARDF - DFFI I R N 2 KANTON RONSE Als deel 15n 3 in de reeks Bouwen door de eeuwen heen verscheen in het najaar van 1998 eveneens de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het kieskanton Ronse, in het arrondissement Oudenaarde. Deze omvangrijke publicatie belicht het erfgoed van de landelijke fusiegemeente Kluisbergen met de deelgemeenten Berchem, Kwaremont, Ruien en Zulzeke, en de stad Ronse. De stad Ronse met zijn uitgestrekte oppervlakte en kleine stadskern bleef als gevolg van de taalgrenswet van 1962 een afzonderlijke
gemeente met faciliteiten voor de Franstalige minderheid. De hoofdbrok van het inventarisboek vormt ongetwijfeld het hoofdstuk betreffende Ronse. Evenals de aanpalende gemeente Maarkedal, behandeld in het boekdeel 15n 2, ligt het kanton Ronse in de heuvelachtige streek van de Vlaamse Ardennen, in de Zuid-Westhoek van de provincie Oost-Vlaanderen en aan de grens met de provincies WestVlaanderen en Henegouwen. Het natuurschoon van het glooiende landschap van beboste heuveltoppen, diep ingesneden beekdalen en gekasseide holle wegen, maakten van de streek een centrum voor dagtoerisme en wandel- en cyclosport. In dit golvende Vlaamse Ardennenlandschap hebben de grote verscheidenheid in bodemgesteldheid en het heuvelige reliëf geleid tot een gedifferentieerd bodemgebruik met als voornaamste kenmerk
Ronse, Napoleon Annicqstraat 3S - voormalige weverij "Fabriek" Napoleon Annicq - Willems
M&L
B I N N E N K R A N T
de beboste hoge bertoppen van de Muziekberg, de Hotondberg en de Kluisberg reikend tot circa 150 m. De hellingen met overwegend zandleemgronden worden als weiland gebruikt. De vervlakte heuvelruggen zijn aangewend als akkerland, terwijl het alluviaal gebied van de Schelde als hooiweiden gebruikt werd. Kenmerkend voor het gebied is ook de aanwezigheid van talrijke bronnen die uit de hellingen opzwellen. Zij voeden de beekjes, waaronder de historisch belangrijke Molenbeek als locatie van het eerste monasterium en kern van de stad Ronse. De brede alluviale Scheldevallei in Berchem en Ruien vormt de westelijke begrenzing van het kanton. Vuurstenen artefacten, teruggaand tot het Midden Paleolithicum, gevonden op de Kluisberg en de Muziekberg getuigen van een zeer vroege menselijke aanwezigheid in de regio. Over de eerste permanente bewoning is weinig gekend, de oudste sporen met vondsten van lithisch materiaal dateren uit het Midden en Late Neolithicum. Uit de Gallo-Romeinse periode zijn enkele
Ronse; Zonnestraat 319
1VI&L
villa's bekend in Kwaremont, incineratiegraven op de Muziekberg en tumuli in Ruien. Ook losse vondsten rondom de Sint-Hermeskerk in Ronse wijzen op een Romeinse occupatie. De kersteningsperiode in de 7de eeuw leidde tot de stichting van een monasterium van Sint-Pieter-en-Paulus op een Frankisch domein, twee eeuwen later omschreven als het "Tenement van Inde", dat naast het grondgebied van de latere stad Ronse ook talrijke omliggende dorpen omvatte. In de 10de eeuw werd op dezelfde plaats een kapittel van kanunniken opgericht die een deel van de vroegere kloosterbezittingen en de St.-Hermesrelieken recupereerden. De verering van de relieken en de bedevaarten van Sint-Hermes leven nog steeds verder in de bekende "fiertelommegang". Het allodium van de kapittelheren, de Vrijheid van Ronse, met klooster en twee parochiekerken, vormt de historische kern van Ronse. Het kerkelijk patrimonium van Ronse behoort tot de vroegste architecturale getuigen in het betrokken gebied. De Sint-Pieter-en-Sint-Hermeskerk met zijn befaamde romaanse crypte uit de 11de eeuw, vormt een prachtig voorbeeld van de plaatselijke
religieuze architectuur. De oudste vermelding van de landelijke parochies van Kluisbergen dateert slechts van 1119, bijvoorbeeld de aan de Scheldebocht gelegen kerk van Berchem. De middeleeuwse kern van Ronse, met de kerkelijke site en de handelsnederzetting rondom de Grote Markt, kreeg in de 13de eeuw een aantal stedelijke kenmerken met een bloeiende wolindustrie. De bloeiperiode in de 15de en 16de eeuw weerspiegelde zich onder andere in de bouwactiviteit. De vernieuwde collegiale Sint-Hermeskerk en de Sint-Martinuskerk zijn sprekende voorbeelden. Openbare gebouwen of woonhuizen uit die tijd zijn niet bewaard. De oudste thans nog bewaarde stadshuizen vinden we terug in de Wijnstraat. Ook van de oude hoevebouw blijken weinig architecturaal belangrijke hoeven bewaard te zijn. Het merendeel van de gerepertorieerde hoeven in Ronse is niet ouder dan twee eeuwen of is grondig aangepast. Tot 1860 omvatte het centrum van Ronse slechts een kleine stedelijke kern met errond een uitgestrekt landelijk gebied. Door de aanleg van de spoorweg Oudenaarde Saint-Ghislain
B l l ^ N E N K R A N T
in 1861 werd Ronse uit zijn isolement verbroken met als gevolg de opbloei van de textielnijverheid en de expansie van Ronse als stedelijk centrum met de nodige verzorgende en onderwijs verstrekkende instellingen. Enkele schoolcomplexen zijn thans nog beeldbepalend in het stadsbeeld, zoals de neoclassicistische voormalige middelbare school, het Sint-Antoniuscollege met neogotische en art-decovleugels, de tijdens het interbellum vernieuwde Sancta Mariaschool en het voormalige atheneum. Reeds vlug volgden de eerste stadsuitbreidingen, bijvoorbeeld op het terrein van het gesloopte kasteel van Ronse en rond de neogotische Sint-Martinuskerk, gebouwd door Modeste de Noyette in 1892- , 96. Het aantal textielfabrieken steeg spectaculair rond de eeuwwisseling en in de eerste helft van de 20ste eeuw was de stad uitgegroeid tot het belangrijkste textielcentrum van Vlaanderen na Gent, gespecialiseerd in het weven van gemengde stoffen. De typische sheddaken van de talrijke weverijen en andere kleine textielbedrijven vormen nog steeds een opvallend kenmerk van het stadsbeeld. Voorbeelden hiervan in de Napoléon Annicqstraat, de Jan van Nassaustraat of de Mérodestraat worden goed geïllustreerd in luchtfoto's. De economische teruggang begonnen in de jaren 1950-'60 zet zich nog steeds verder en leidde tot jammerlijke leegstand. Het heuvelachtige beboste landschap in de directe omgeving van de stadskern vormde het prachtige kader voor de buitenhuizen van de burgerij en de gefortuneerde industrilen van de stad. Eén van die oude semi-permanente buitenhuizen werd door Victor Horta ontworpen voor garenfabrikant Carpentier in 1899. Vanaf de jaren 1920 bouwden de welgestelde handelaars en fabrikanten een villa voor permanente bewoning dichter tegen het centrum of in de omgeving van de fabriek, zoals in Blauwesteen of Elzelestraat. Een intense bouwactiviteit kenmerkt het interbellum in Ronse. Honderden huizen werden gebouwd in aaneengesloten rijen of als alleenstaande wo-
ningen. Typische burgerwijken met kleurrijke moderne woningen in de toen algemeen gangbare stijlen of de art deco en luxueuze villa's in het landelijke stadsgedeelte verrijkten het stadsbeeld. De Leopold Sturbautstraat en de Pierre d'Hauwerstraat geven hiervan interessante voorbeelden. Gebruik makend van de talrijke bewaarde bouwplannen in het Stadhuis van Ronse kon deze interessante 'jongere bouwkunst' goed gedocumenteerd en geïllustreerd worden. Enkele lokale architecten werden uit de vergeetboek gehaald: Albert Massez, Henri Cuvelier, Antoine De Gavre, Siméon Van Cauwenberghe, Raymond Delgutte, José Vandenbossche. Zo bouwde architect Henri Cuvelier talrijke burgerhuizen in een voor hem kenmerkende neo-Lodewijk XVI-stijl in de Fostierlaan en de Gefusilleerdenlaan en architect Siméon Van Cauwenberghe in de hem eigen decoratieve baksteenstijl in de Hermes Van Wynghenestraat. Binnen het huidige Kluisbergen was de heerlijkheid Berchem vanouds het belangrijkste centrum. Berchem bewaart nog vrij goed het dorpsbeeld van weleer. In de kleine dorpskern aan de Schelde met (neo)gotische kerk en een markant 19de-eeuws gemeentehuis op een rechthoekig marktplein vertonen rijen van oude woonhuizen en winkelpanden een 'klein-stedelijk' karakter. Eén van de weinige kastelen in het gebied, het oude 'Kasteel ter Donckt'met bouwelementen uit de 13de en 16de eeuw, tekent het cultuurlandschap van de Scheldevallei in Berchem. Alleen Ruien beschikt nog over een kasteel in Kluisbergen, het empire kasteeltje van Calmont. Ook het dorpse karakter met beschermde kasseiwegen en de landelijke rust van Kwaremont op de Kwaremontberg bleef grotendeels gespaard. In Kwaremont en Zulzeke zijn ook nog enkele sites met walgracht of omgrachte hoeven terug te vinden. De boerderijen in Kluisbergen kunnen volgens de traditionele typen ingedeeld worden, namelijk de langgestrekte hoeve, de hoeve met losstaande bestanddelen en de gesloten en semi-gesloten hoeve. Zij volgen de gebruikelijke
bouwwijze maar ook hier blijkt de bebouwing in vele gevallen gebanaliseerd en verminkt. De inventaris van het bewaarde en hier in de kijker gestelde architecturaal patrimonium van Kluisbergen en Ronse accentueert de waardevolle elementen van de gebouwde omgeving in deze landschappelijk en cultureel boeiende streek en hoopt hiermee een stimulans te bieden tot een hernieuwde interesse en waardering voor het bouwkundig erfgoed.
Technische fiche • 598 p. + LXII inleidingen • 409 zwart-wit foto's • 8 kleurenplaten • 26 plattegronden en situatieplans • fotoregister: 1247 • 1 ingekleurde verzamelkaart • 1 ingekleurde deelkaart. prijs 2.915,-fr.
Herman Van den Bossche lAARROFK MON11MFNTEN7QRG 199R - BUITFNPIAATSFN Met zijn 9de jaarboek, onder de redactievoorziterschap van Gijs van Herwaarden, kiest de Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentenzorg opnieuw voor een thematisch invulling. Deze keer zijn de historische buitenplaatsen aan de orde; voor het eerst in samenwerking met een private vereniging, de Stichting tot Behoud van Particuliere Historische Buitenplaatsen, die in 1998 haar vijfentwintigjarig bestaan vierde. Bijdragen voor het tweedaagse symposium Werken aan Arcadiël oktober 1998) ter gelegenheid van dit jubileum vormen de kern van de teksten. Maar er gaat uiteraard ook aandacht naar de juridische, financiële en technisch-inhoudelijke aspecten die een rol spelen bij de bescherming, instandhouding en herstel van historische buitenplaatsen.
M&L
B l l M N E N K R A N T
Aan de huizen zelf en hun interieurs is in dit jaarboek géén bijzondere aandacht besteed, tenzij in de bijdrage van Eloy Kldeweij, waar het om verplaatsingen van interieurs, interieuronderdelen of burgermansfolliers gaat. "particuliere buitenplaatsen kunnen niet Instond gehouden worden zonder de continue en liefdevolle instpanningen van hun eigenaren. In een jaarboek dat over deze categorie monumenten gaat, dienen zij bij uitstek aan het woord te komen om ons te laten weten wat het als eigenaar/beheerder In de praktijk nu werkelijk betekent de plicht te hebben een historische buitenplaats in stond te moeten houden". Hen werd daarom gevraagd naar hun ervaringen, waarop zij op openhartige wijze ingingen. De complexe verwevenheid van waarden en de aantrekkingskracht die buitenplaatsen vanouds bezitten, maakt de ontwikkeling van instrumentaria tot behoud en instandhoudint noodzakelijk. Een van deze instrumenten is de wettelijke bescherming van de buitenplaatsen of zoals onze Nederlandse collega's het noemen "rangschikken onder de monumentenwet". Zij hopen vóór de aanvang van het derde millenium de beschermingsprocedure van 450 buitenplaatsen te hebben gestart. Directeur A.LL.M. Asselbergs van Rijksdienst voor de Monumentenzorg bericht erover in zijn voorwoord. Gijs van Herwaarden en Koeno Sluyterman van Loo schetsen in de overzichtelijke bijdrage Hoe wordt 'Arcadië beschermd?de ontwikkeling van het op bescherming, behoud en herstel gerichte beleid ten aanzien van historische buitenplaatsen in Nederland. Mijn aandacht ging naar 'Het wiel', een taartdiagram waar omheen de as, gevormd door de Monumentenwet 1988 (in de diagram verkeerdelijk 1998), de acht wettelijke instrumenten voor instandhouding proportioneel zijn op weergegeven. De inhoud en het actieterrein van de vigerende wetten, besluiten en beschikkingen zijn bevattelijk verwoord. De auteurs schuwen niet om onvolkomenheden
M&L
en inconsequenties in het wettelijk instrumentarium aan te geven en bijsturingen voor te stellen.
tenplaats als historisch goed en Ronald de Leeuw heeft het over 'Wonen in Arcadië.
In zijn bijdrage De Commissie Buitenplaatsen en het Beschermingsprogramma Historische Buitenplaatsen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft Uibe Merhtens het onder meer over de extra inzet van personeel bij de Nederlandse RDMZ voor de uitvoering van het programma bescherming historische buitenplaatsen. Een voorbeel dat navolging verdient!
In de bijdrage van Robert de Jong Werken aan Arcadië, de toekomst van historische tuinen en parken: beheer, behoud en herstel met als ondertitel Historische tuinen en parken, erfgoef met een eigen restauratiefilosofie? Onder het motto, behouden gaat hier voor vernieuwen trok het nationaal project met de poëtische titel Belvedere (zonder accenten) mijn aandacht. Belvedere staat voor BELeid voor het Verleden in DE Ruimtelijke ordE. Belvedere moet een mooi uitzicht gaan bieden op wat het beoogt, "één beeld voor één verleden, teneinde nog iets moois van de toekomstige leefomgeving te maken". Pantser of ruggegraat,
Carla Scheffer, Paul Vester en Dominique Blom vestigen in hun bijdragen de aandacht op de stedebouwkundige en ruimtelijke ontwikkelingen in en om buitenplaatsen en nieuwe buitens. Diederik van Asbeck belicht De bui-
plaatsen
B11MNE1SJKRANT
de cultuurnota 1997-2000 bepaalt hoe de rijksoverheid de cultuurhistorische kwaliteiten in Nederland in hoofdlijnen zal vastleggen.
(Dorothée Koper-Mosterd), Welgelegen in Rijswijk (Wim Meulenkamp), de Wiersse in Vorden (Mariël Kok) en Sluishoef in De Bilt (Catharina van Groningen).
Via de vraag of er "zoiets bestaat als een specifieke restauratiefilosofie voor historische tuinen en parken, voor wat generaliserend 'historisch groen' wordt genoemd" komt hij op de prangende vragen "Is er eigenlijk sprake van een restauratiefilosofie voor het restaureren van monumenten?" en 7s er gezien het door de overheid ontwikkeld juridisch en financieel stelsel voor het behoud en de instandhouding van het cultureel erfgoed eigenlijk wel ruimte vooreen filosofie?" Hij komt tot de pijnlijke vaststelling dat "Degeschiedenis van het restaureren in Nederland laat zien dat er ondanks regelmatige aanzetten geen sprake is van van een algemeen geldende restauratiefilosofie. Het daarvoor noodzakelijke debat ontbreekt". Net als in Vlaanderen is de praktijk dat, na meestal warrige discussies, gewoonlijk de conclusie getrokken wordt dat iedere restauratie verschilt van de ander en dat er dus niets in algemene zin over te zeggen is. Daarbij is volgens De Jong het reeds in 1917 geformuleerde adagium Behouden gaat voor vernieuwen nog steeds een omstreden beginsel. Aanbevolen literatuur voor monumentenen landschapszorgersl
De hovenierskunst komt aan bod in een bijdrage van Eric Blok. Piet Bakker ontleedt het spanningsveld tussen natuur en cultuur op historische buitenplaatsen. Want buitenplaatsen zijn niet enkel relicten van cultuur, ze zijn in de meeste gevallen tevens refugia van natuur.
Carla Oldenburger-Ebbers gebruikt het 'ideale' Beeckestijn als case-study voor de introductie van de cascademethode (genoemd naar het schilderij La Cascade uit 1961 van Magritte) als waardestelling voor historisch groen en als wetenschappelijke verantwoording voor het gemeentelijk initiatief van Velsen om de tuinen van Jacob Boreel (periode 1742-1796) te restaureren, lees te reconstrueren en historiserend herin te richten. Gaat behouden toch liever niet vóór vernieuwen? Er zijn interessante bijdragen over het huis ten Donck in Ridderkerk (Ulbe Merhtens en Heimerick Tromp), Dordwijk in Dordrecht (Marieke Kuipers), Beeckestijn en de Veldvijvers van het Paleis het Loo (Peter van Oosterhout en Ronald van Immerseel), kasteel Middachten in De Steeg
In de meer algemene bijdrage Oord van Eden, Oord van Heden. Over de esthetica van de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur kondigt Eric de Jong aan dat de Vrije Universiteit van Amsterdam in samenwerking met het Institut für Grünplanung und Gartenarchitekturin Hannover éénof tweejaarlijkse studieseminars van één week in voorbereiding heeft, waarin studerende en afgestudeerde tuin- en landschapschapsarchitecten en -historici zich op locaties in Nederland en Duitsland zullen kunnen buigen over de problematiek van interpretatie, beheer, behoud en conservering van de tuin- en landschapsarchitectuur in relatie tot de gebouwde omgeving en het landschap. En hij besluit dat "Alleen door investering in een nieuwe generatie, die geconfronteerd wordt met de esthetica van de tuin- en landschapsarchitectuur als voorwaarde voor ervaring en kennis, Oorden van Eeden in de toekomst ook Oorden van Heden kunnen zijn. Zullen wij in Vlaanderen de kans krijgen of grijpen om onze kennis en ervaring inzake monumenten- en landschapszorg aan de volgende generatie door te geven? Alle bijdragen zijn voorzien van eindnoten en een uitvoerige bibliografie. Er is een uitgebreid register en een beknopte situering van de auteurs. Het jaarboek Monumentenzorg 1998 is tot stand gekomen is samenwerking met de Stichting tot Behoud van Particuliere Buitenplaatsen, waarmee de Nederlandse Rijksdienst voor de Monumentzorg intensief samenwerkt
aan de inventarisatie van de cultuurhistorische waarden van de buitenplaasten en aan de instandhouding ervan.
Jaarboek Monumentenzorg 1998 Buitenplaatsen ISBN 90 400 92621 NUGI 923 een uitgave van Waanders Uitgeverij, Zwolle en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
te bestellen bij Uitgeverij Waanders b.v. Postbus 1129 - 9001 BC Zwolle
BOEK B V F R H A A L Jo
Braeken
S O U R C F S OF ART N O I J V F A U S t e p h a n Tschudi M a d s e n New York, George Wittenhorn lnr..19Rfi V e i l i n g The R o m a n t i c Agony i f i . i n . i q q » Tschudi Madsens' Sources of Art Nouveau behoort tot de eerste wetenschappelijke studies die in de naoorlogse periode aan de art nouveau werden gewijd. Een eerdere, belangrijke aanzet tot de herwaardering van de art nouveau was de tentoonstelling Um 1900, Art Nouveau und Jugendstil in het Kunstgewerbemuseum te Zurich in 1952, samengesteld door Johannes Itten en Hans Curjel. Opzet van Sources of Art Nouveau was een onderzoek naar de achtergronden van de art nouveau, het hoe en het waarom van het ontstaan van de stijl, zijn formele basis, zijn ontwikkeling en neergang, in Europees perspectief. De eerste editie werd simultaan gepubliceerd door H. Aschehoug ft Co., Oslo en George Wittenborn Inc., New York, in 1956. In 1967 volgde een grondig herwerkte editie bij George Weidenfeld and Nicolson Ltd., Londen. Een anastatische herdruk van de eerste editie kwam van de pers bij Do Capo Press, New York in 1975.
IVI&L
s : BllVJNENKRANT
Het exemplaar van de Bibliotheek Monumenten en Landschappen draagt op het voorste schutblad een lyrischabstrakte tekening In groen potlood met als opdracht: 'To the Dean of Art Nouveau, From a young admirer, C.W.". Bijgevoegd is een briefje met doorstreept, in Zurich geadresseerd briefhoofd. "Lieber! Dann und wann höre ich von Ihnen, das Sie in gutem vorangehen Ihrer Erinnerungen arbeiten und das freut mich immer herzlich. (...) Mir fallt hier eben ein Buch in die Hande, das Sie interessieren mag steigt doch daraus ouch Ihre Welt freundlich wider herauficf. pag 309]. (...) Mit den allerherzlichsten Grossen für Sie und Ihre Hebe Tochter bin ich immer Ihn, Ihnen freundschaftlich verbundener Walter Robert Corti und Claudia und Nuschka." P. 309 van Sources of Art Nouveau, waarnaar 'young admirer' Corti verwijst is het begin van het hoofdstuk
"Belgium, Native Soil", of in de termen van het briefje "Ihre Welt", dus het artistieke milieu van de 'Dean of Art Nouveau' uit de opdracht: België rond de eeuwwisseling. Het briefje leert ons voorts dat deze op dat ogenblik aan zijn memoires werkt en met zijn dochter samenwoont. Corti dateert zijn briefje echter abusievelijk op 8 februari 1949, wat gezien de publicatiedatum van het boek in september 1956, ten vroegste 1957 kan zijn. Slechts één persoon voldoet aan deze summiere gegevens en kan bovendien aanspraak maken aan de eretitel 'Dean of Art Nouveau': Henry van de Velde. Van de Velde had zich in 1947 met zijn dochter Nele in het Zwitserse Oberageri teruggetrokken waar hij zijn levensverhaal in herhaalde versies aan het papier toevertrouwde. Enkele maanden vóór zijn overlijden op 25 oktober 1957, ontving de hoogbejaarde architect dus uit handen van een jong bewonderaar een prestigieuze
studie waarin zijn bijdrage aan de art nouveau zowat voor het eerst wetenschappelijk werd geduid. Wie Walter Robert Corti was is al bij al niet duidelijk. Uit het briefje blijkt een vriendschapsband met Corti's kortelings overleden moeder: "Ja, Sie waren Ihr letzter Freund". Eenenveertig jaar later belandde Corti's geschenk op een Brusselse veiling, waar het eerder toevallig werd opgemerkt door ondergetekende, altijd op zoek naar een boek met een verhaal en nieuwsgierig naar wie de 'Dean of Art Nouveau' wel mocht zijn.
STEPHAN T S C H U D I M A D S E N
Sources
of Art Nouveau
OEOROI u ITTENBORN IHC 1018 M U i i - ü N W \- NEW TO! i-
^Wt^H^J. 1VI&L
B I N N E M K R A N T
Jo Braeken
DF KEUZE V A N
MBL
Erich Mendelsohn Architekt 1887-1953, Gebaute Weiten, Arbeiten für Europa, Palastina und Amerika Regina Stephan (red.), Charlotte Benton, Ita Heinze-Greenberg, Kathleen James en Hans R. Morgenthaler Ostfildern-Ruit, Verlag Gerd Hatje, 1998, 343 p., ISBN 3-7757-0758-1 Eerste omvattende en wetenschappelijk onderbouwde monografie over het oeuvre van Erich Mendelsohn die na een vruchtbare carrière in WeimarDuitsland, op de vlucht voor het antisemitisme, zijn modernistische missie voortzette in Engeland, Palestina en de Verenigde Staten.
MENDELSOHN Gebaute Weiten
Form and Fancy Factories and Factory Buildings by Wallis, Gilbert ft Partners Joan S. Skinner Liverpool, Liverpool University Press, 1997, 317 p., ISBN 0-85323-612-7 Monografie over het Britse architectenbureau Wallis, Gilbert ft Partners, dat tijdens het interbellum een stevige reputatie verwierf door de bouw van meer dan 100 fabrieksgebouwen in gewapend beton, met de Londense Hoover-fabriek als onbetwist meesterwerk van art deco en 'corporate image'.
H.P. Berlage Ontwerpen voor het interieur Titus M. Ellens Zwolle, Waanders Uitgevers, 1998, 111 p., ISBN 90-400-9274-5 Eerste overzicht van de vele verrichtingen van Berlage op het gebied van de kunstnijverheid, met name zijn meubelproductie, gepubliceerd bij de gelijnamige tentoonstelling ter gelegenheid van de opening van het gerestaureerde Gemeentemuseum in Den Haag.
Bundel essays over oorsprong en ontwikkeling, aard en betekenis van het architectuurtractaat in de Italiaanse renaissance, van de vroegste edities van Vitruvius tot de geschriften van onder meer Albert!, Serlio, Vignola en Palladio, over de invloed op het bouwwezen en de neergang onder invloed van Claude Perrault en de Blondel's.
The Mark J. Millard Architectural Collection British Books Seventeenth trough Nineteenth Centuries Robin Middleton, Gerald Beasley en Nicholas Savage New York, George Braziller, 1998, 392 p., ISBN 0-8076-1432-7 Tweede in de reeks catalogi van de bibliotheek van Mark J. Millard, een verzameling architectuurboeken uit de 15de tot midden 19de eeuw bewaard in de National Gallery in Washington. Deel gewijd aan de Britse boeken, met gedetailleerde beschrijvingen van een honderdtal werken.
Sweden 20th-Cen tury Architecture Claes Caldenby, Jöran Lindvall en Wilfried Wang München, Prestel-Verlag, 1998, 400 p., ISBN 3-7913-1936-1 Vierde van een reeks overzichtswerken per land, gewijd aan de architectuur van deze eeuw in Europa, telkens begeleid door een tentoonstelling in het Deutsches Architektur-Museum in Frankfurt. Inleidende essays geordend naar chronologie, gevolgd door presentaties van een 80-tal architectuurobjecten.
L'Egypte d'un architecte Ambroise Baudry (1838-1906) Marie-Laure Crosnier Leconte en Mercedes Volait (red.) Parijs, Somogy Editions d'Art, 1998, 167 p., ISBN 2-85056-313-7 Catalogus bij een tentoonstelling over Ambroise Baudry die in dienst van khedive Isma'il Pacha en de Franse gemeenschap in Kairo, geïnspireerd door het Mammelukse en Ottomaanse erfgoed, een 'archeologisch' Islam-eclecticisme ontwikkelde, dat hij vervolgens naar Frankrijk exporteerde.
Paper Palaces The Rise of the Renaissance Architectural Treatise Vaughan Hart en Peter Hicks (red.) New Haven, Yale University Press, 1998, 414 p., ISBN 0-300-07530-8
Modern Movement Scandinavia Vision and Reality Ola Wedebrunn (red.) Kopenhagen, Fonden til udgivelse af arkitektutidsskrift B, 1998, 215 p., ISBN 87-985670-9-8
M&L
B I N N E N K R A N T
Presentatie van een keuze van het door DOCOMO-Scandinavië geselecteerde 'Moderne Beweging'-erfgoed in Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden, gepubliceerd ter gelegenheid van de Fifth International DOCOMOMO Conference in Stockholm, 1998.
Typologische studie over het ziekenhuis van het paviljoen- of 'corridor'type, één van de meest herkenbare producten van de gezondheidszorgsarchitectuur in het Victoriaanse en Edwardiaanse Engeland, met de nadruk op de bijdrage van de architectuurwereld tot de ontwikkeling van dit model.
Feluy Les maïtres de carrières et les exploitations de 1800 a 1940 Alain Graux Feluy, Alain Graux, 1998, z.p.
Historistisches Fachwerk Zur Architekturgeschichte im 79. Jahrhundert in Deutschland, Grossbritannien (Old English Style), Frankreich, Österreich, derSchweiz und den USA Michael Imhof Bamberg, Bayerische Verlagsanstalt, 1996, 672 p., ISBN 3-87052-796-X Lijvige studie over de revival van de vakwerkarchitectuur, de 'cottagestijl' tijdens de 19de eeuw in Europa en de Verenigde Staten, met onder meer aandacht voor de receptie van de aloude vakwerktraditie en haar nieuwe verschijningsvormen in tijden van historisme, neogotiek en Arts and Crafts.
in zijn meest geëvolueerd stadium, het burgerhuis van omstreeks de eeuwwisseling, dat ganse wijken van de hoofdstad bepaalt. Een typologische rondgang van het salon tot het kleinste kamertje.
Systematisch overzicht van de arduinontginning in Feluy vanaf het begin van de 19de eeuw tot het uitdoven van deze nijverheid aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Repertorium van de steengroeven, hun historiek, eigenaars en uitbaters, op basis van kadastrale en archiefgegevens.
Les dimensions de Tordinaire La maison particuliere entre mitoyens a Bruxelles, Fin XlXème-débutXXème siècle Vincent Heymans Parijs, L'Harmattan, 1998, 250 p., ISBN 2-7384-6763-6 Studie over het basisingrediënt van het Brusselse stadsweefsel, het rijhuis, Vincent Heymau
Guerre aux démolisseurs Hugo, Proust, Barrès, Un combat pour Ie patrimoine Patrice Beghain Vénissieux, Editions Paroles d'Aube, 1997, 163 p., ISBN 2-909096-89-0 Becommentarieerde bundel strijdschriften ter verdediging van het bouwkundig erfgoed in Frankrijk, door Hugo, Courier, de Montalembert, Proust en Barrès, die mede aan de basis lagen van de monumentenzorg.
Lighting Historie Buildings Derek Philips Oxford, Architectural Press, 1997, 206 p., ISBN 0-7506-3342-5
The Architect and the Pavilion Hospita! Dialogue and Design Creativity In England 1850-1914 Jeremy Taylor Londen, Leicester University Press, 1997, 240 p. ISBN 0-71850-081-4
Studie naar de historiek van het aanwenden van dag- en kunstlicht voor de verlichting van het interieur, gekoppeld aan adviezen en technieken voor een adequate verlichting van zowel interieur als exterieur van historische gebouwen, uitgaande van de hedendaagse technologie.
B 1 N N E N K R A N T
Conservation of Historic Brick Structures Cose Studies and Reports of Research N.S. Baer, S. Fitz en R.A. Livingstone (red.) Shaftesbury, Donhead, 1998, 504 p., ISBN 1-873394-34-9
Massenwohnungsbau und Denkmalpflege Arbeitberichte des Landesamtes für Denkmalpflege Sachsen-Anhalt 2 Gotthard VoB e.a. Berlijn, Verlag für Bauwesen, 1997, 124 p., ISBN 3-345-00634-0
Stand van zaken van de resultaten van een langlopende wetenschappelijke studie in internationaal verband, onder auspiciën van de NAVO, naar de oorzaken van verval en naar de technieken tot behoud van historisch baksteenmetselwerk, mortels en pleisters.
Bundel bijdragen van een studiedag in Magdeburg (1995) rond het thema sociale woningbouw en monumentenzorg met de nadruk op complexen uit de late 19de eeuw en het interbellum. Met name Sachsen-Anhalt bezit hiervan een belangrijke reeks kwalitatief hoogstaande maar door de DDR decennia-lang verwaarloosde voorbeelden, die de monumentenzorg vandaag met een hoogst specifieke probleemstelling confronteert.
C J ONSERVATION
Alle boeken, een greep uit de recente aanwinsten, liggen ter inzage in de Bibliotheek Monumenten en Landschappen Graaf de Ferrarisgebouw Em. Jacqmainlaan 156 - bus 7, 1000 Brussel (tijdens de kantooruren)
tel.: 02/553.82.27 fax.: 02/553.82.05 E-mail: Jozef.Braeken@lin.vlaanderen.be
of HISTORIC BRICK STRUCTURES
11 • 1" BDlttD nv N.S. BAER. S. FITZ A N D R.A. L1VI s.(,,MON
Appraisal of Existing Iron and Steel Structures M. Bussel (red.) Ascot, The Steel Construction Institute, 1997, p., ISBN 1-85942-009-5 Gids voor het evalueren van historische ijzer- en staalconstructies, met een historische inleiding over de toepassing van het materiaal, richtlijnen voor de materiaaltechnische evaluatie en een overzicht van technieken voor bescherming, herstel of vervanging.
•• Naturschutz und Denkmalpflege Wege zu einem Dialog lm Garten Ingo Kowarik, Erika Schmidt en Brigitt Sigel (red.) Zurich, Vdf Hochschulverlag, 1998, 375 p., ISBN 3-7281-2318-8
7S
Bundel bijdragen over theorie en methodiek van zowel natuurbehoud als monumentenzorg met betrekking tot historische parken en tuinen. Tot de thema's behoren de historiek van beide disciplines en hun relatie, probleemstelling en methodiek, geïllustreerd door praktijkvoorbeelden.
M&L
Bl^NENKRANT
Tentoonstellingen
TFNIOnNSTFIMNfi A N T D O N V A N DYCK iF;qq-ifi4i In 1999 is het 400 jaar geleden dat Antoon Van Dyck werd geboren. Zijn geboortestad Antwerpen en Londen, waar hij een aanzienlijk deel van zijn loopbaan heeft doorgebracht, vieren dit feit met een imposante overzichtstentoonstelling waar zijn belangrijkgse schilderijen zijn samengebracht. Met de herdenking van deze belangrijke verjaardag sluiten beide steden aan bij een traditie: ook honderd jaar geleden, in 1899, werd in Antwerpen en Londen een grote Van Dyck-expositie georganiseerd.
de Antwerpse periode Antoon Van Dyck was Rubens' begaafdste leerling en medewerker. Hun samenwerking is gedocumenteerd tussen 1618 en 1621 , maar al vóór die tijd en vóór hij zelfstandig meester werd van de Antwerpse SintLucasgilde, produceerde Van Dyck in een eigen atelier. Dit vroege werk, dat van een vaak verbluffende virtuositeit getuigt, bestaat uit religieuze, mythologische en historische voorstellingen, maar ook uit portretten, die aantonen dat hij al vroeg naam moet hebben gemaakt. Hoewel deze schilderijen duidelijk aan Rubens schatplichtig zijn, bezitten ze een zeer persoonlijke, vrije factuur die is geïnspireerd door de techniek van de grote Venetiaanse meesters uit de 16de eeuw, zals de late Titiaan en Tintoretto. Deze vrije manier van schilderen kan Van Dyck hebben leren kennen via Rubens, die zelf grote bewondering koesterde voor de Venetianen en die trouwens werk van hen in zijn collectie had, maar mogelijk oook al vroeger, vanaf circa 1609, via zijn eerste leermeester Hendrik van Balen. Van Balen had zelf een tijd in Venetië doorgebracht en
moet goed vertrouwd zijn geweest met de plaatselijke artistieke traditie. Als assistent van Rubens had Van Dyck een belangrijk aandeel in de uitvoering van zijn grootschalige decoratieopdrachten, zoals de (verloren gegane) plafondschilderingen voor de Antwerpse jezuïetenkerk, de huidige Sint-Carolus Borromeus, en de kartons voor de tapijtenreeks met de Geschiedenis van Decius Mus (Antwerpen, Rubunianum). Ook buiten deze opdrachten maakten de jonge Van Dyck schilderijen waarin hij meer aanleunt bij de gladdere en meer plastische schilderwijze van zijn leermeester. Het merkwaardige echter is dat hij terzelfdertijd ook werk afleverde, dat voor een eigen cliënteel bestemd moet zijn geweest. Daarbij valt, naast de Venetiaans ogende stijl, vooral zijn hoge productiviteit op. Zijn vlugge werkwijze, herkenbaar aan de lichte en vrije toets, heeft men hierbij ongetwijfeld geholpen. De Venetiaanse manier van schilderen zou Van Dyck voor de rest van zijn loopbaan blijven fascineren.
De Italiaanse periode Mentaal was hij dan ook goed voorbereid voor een lang verblijf in Italië. Hoogstwaarschijnlijk heeft Rubens hem daartoe aangezet. Te oordelen naar het bewaard gebleven werk lijkt Van Dyck zich in deze Italiaanse jaren vooral verder als portretschilder te hebben geprofileerd, waarbij in de eerste plaats het voorbeeld van Titiaan van belang is geweest. Over Van Dycks belangstelling voor het werk van zijn grote Venetiaanse voorgangers worden we overigens zeer direct ingelicht door de tussen circa 1622 en 1624 vluchtig getekende kopieën naar hun werk in zijn Italiaans schetsboek (Londen, Britisch Museum).
De tweede Antwerpse periode Terug in Antwerpen kreeg Van Dyck tussen 1627 en 1632 een opvallend groot aantal altaarstukken en andere religieuze composities uit te voeren.
Zijn snelle, losse hand stelde hem in staat om op korte tijd aan de opdrachten te voldoen, maar hij heeft zeker ook kunnen profiteren van de omstandigheden dat Rubens tussen 1628 en 1630 door diplomatieke missies niet in Antwerpen verbleef. Compositorisch gaan deze altaarstukken in belangrijke mate op Rubens terug, maarzij zin uitgevoerd in een zeer persoonlijke, dit wil zeggen tedere en vooral meer bewogen stijl, die sterk het stempel draagt van de Venetiaanse renaissance en Italiaanse tijdgenoten. Met deze geladen stijl zou Van Dyck een heel eigen bijdrage tot de kunst van de Contrareformatie leveren. De geraffineerde portretstijl waarmee hij in Genua en Rome faam had verworven, maakte ook in Antwerpen indruk. Hij moet goed hebben beantwoord aan de luxueuze levensstijl die de hogere burgerij meer en meer begon aan te nemen.
De Engelse periode Het hoogtepunt in zijn carrière begon in 1632, toen hij door Karel I naar Londen werd gehaald. Het hof van de Engelse koning gold in het toenmalige Europa als een van de kunstzinnigste en prachtlievendste. Hoewel Van Dyck in opdracht van Karel I ook enkele monumentale historiestukken heeft uitgevoerd, lijdt het geen twijfel dat hij allereerst om zijn bekwaamheid als portretschilder aangetrokken is geweest. In deze Engelse portretten creëerde hij een sfeer van melancholie en aristocratisch raffinement. Op haast vanzelfsprekende wijze wist hij de houding en mentaliteit van de geportretteerden weer te geven. Dit feilloos treffen van de juiste toon combineerde hij met een superieure beheersing van het picturale medium. Van Dycks portretten zijn vlot en vaardig geschilderd, met een grote souplesse en een trefzekere toets. Zijn figuren bezitten een natuurlijke elegantie. Het koloriet, in Italië nog vrij gedempt, werd in Engeland lichter en helderder. Uit de talrijke protretten die Van Dyck heeft nagelaten van de koning, gezin en de Britse hofadel.
B 1 N M E N K R A N T
heeft Van Dyck een portrettype gecreëerd dat tot laat in de 18de eeuw invloedrijk zou blijven. Onder de geselecteerde werken bevinden zich topstukken uit de belangrijkste musea in de wereld. Uit Wenen komt het verbluffende vroege zelfportret (Gemaldegalerie der Akademie der bildenden Künste); de National Gallery in Londen was bereid om onder meer het schitterende groepsportret De kinderen van de familie Balbi af te staan; het Kunsthistorische Museum in Wenen leent een bijzonder mooi ensemble, waaronder het religieuze tafereel Het
visioen van de Zalige Herman-Jozef; het majestueuze en tegelijk complexe dubbelportret Koningin Henrietta Maria en haar dwerg, Sir Jeffrey Hudson is een van de werken uit de Nationaal Gallery in Washington en ook uit het Hermitage Museum in Sint-Petersburg komt een fraaie selectie, met onder meer een van Van Dycks mooiste Engelse portretten ten voeten uit, Henry Danvers, Earl of Danby. Daarnaast is er de genereuze participatie van Hare Majesteit koningin Elizabeth II van Engelang. Zo zal uit de koninklijke collectie het unieke mythologische tafereel Cupido en Psyche worden getoond.
Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Leopold De Waelplaats 1-9 te 2000 Antwerpen. Nummer voor het publiek 070/233 799. Open van 15 mei tot 15 augustus 1999, dagelijks van 10 tot 18 uur. Dinsdag en donderdag van 10 tot 21 uur. Voor deze tentoonstelling wordt er met tijdsblokken gewerkt. Het aantal bezoekers, alsook het aantal rondleidingen per uur is beperkt. Reserveren is daarom sterk aanbevolen en verplicht voor groep. ^ 070/233 799
ERRATUM
VAN DYCK ANTWERPEN V L A A N D E R E N - BELGIË
1999
In de bijdrage van Roger Deneefen Jan Wouters getiteld "DE ONDERGANG EN WEDEROPSTANDING VAN HET TORFBOEK TE BERG-KAMPENHOUT", gepubliceerd in 'Monumenten en Landschappen' 17(5)- 1998, werd het dankwoord niet afgedrukt. Bij deze wordt dit rechtgezet. De auteurs zijn dank verschuldigd aan de heren Guido Pauwels (Kadaster, directie Brabant te Brussel), Jos Lauwers (heemkundigehistoricus te Perk), Leo Vanhecke en Herman Stieperaere (Nationale Plantentuin te Meise).
M&L
handleiding voor de opleiding van archeologen en kunstenaars. Over het tekentalent van V. Lenertz voegde hij er nog aan toe: "... Malgré sa connaissance approfondie des formes anciennes, Lenertz n'en fut cependant jamais l'esclave. Pénétré de l'esprit des maitres médiévaux, il apporta constamment, comme eux, une note franchement personnelle a ses propres creations. Il suffit de voit deux ou trois de ses oeuvres pour reconnaïtre les autres et pour se convaincre que eest avant tout vers la sveltesse et elegance que sorientait son talent Les dessins de Viollet-le-Duc sont certes des chefsd'oeuvre de virtuosité, mais ils sont froids et sans ame, si on les compare a ceux de Lenertz ...". Als architect van de Universiteit werd V. Lenertz in 1895 gevraagd het plan te tekenen van een middeleeuwse mozaïekvloer uit het Mozeshuis in de Jodenstraat te Leuven. Het originele document is verloren gegaan maar op basis van kopieën werd in 1993-95 overgegaan tot de restauratie van deze vloer, die thans bewaard wordt in het Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens te Leuven. Later zal V. Lenertz vaak bijzondere aandacht besteden aan de uitwerking van vloeren met dambordpatroon voor de kerkgebouwen. V. Lenertz was zeker een polyvalent geïnteresseerde geest en een gedreven werker. Maar hij was ook echtgenoot en vader van vijf kinderen, toen de Duitse troepen Leuven binnenvielen in 1914. "Le sac de Louvain" van 25 tot 27 augustus besliste over zijn lot. Tijdens de tijdelijke terugtrekking van Duitse soldaten ontstond verwarring toen deze andere Duitse soldaten onder vuur namen. Dit gaf in het Duitse kamp aanleiding tot het gerucht "Man hat geschossen" en tot een wraakactie tegen de Leuvenaars: een "furor teutonicus" en het "Strafgericht über Löwen" Leuven werd overigens speciaal geviseerd als cultuurcentrum van Europees formaat (23). Vincent Lenertz werd tijdens deze waanzinnige gruwel vermoord op 26 augustus 1914, om 6.30 uur 's morgens. "La mort de Lenertz a été tragique. Quand, de sa cave oü il s'était réfugié avec sa femme et ses enfants, il vit les allemands mettre le feu aux maisons voisines ( Boulevard de Tirlemont) il sortit en s'adressant a deux soldats et les supplia - en allemand - d'épargner sa familie et sa maison. Ils promirent et l'engagèrent a rentrer chez lui. A peine leur avait il tourné le dos, que les misérables Ie tuèrent de deux balies dans la nuque...". R. Lemaire
getuigde verder als volgt: "... Nous n'oublierons jamais, nous-même, le sentiment d'horreur qui nous étreignit, lorsque, passant par le Boulevard de Tirlemont, deux jours plus tard, au milieu des incendies et des fusillades, nous apergumes tout a coup le corps de notre ami, étendu dans une mare de boue sanglante. Il gisait a quelques pas de la belle demeure ...". De feiten en tragische dood van V. Lenertz werden later bevestigd door de hulpburgemeester van Leuven : "... M. l'architecte Lenertz, de nationalité Luxembourgoise, habitant au Boulevard de Tirlemont ( extérieur), coté de la gare, s'était réfugié dans sa cave enentendant la fusillade le mardi soir 25 aoüt; il sortit de sa cave pour expliquer aux soldats qu'étant étranger et connaissant l'allemand ils n'avaient rien a craindre de lui et qu'il demandait pitié pour sa femme et pour ses jeunes enfants. ... Au lieu de cela, il fut collé contre un arbre du boulevard et fusillé. Nous avons retrouvé son cadavre a ce même endroit". Uiteraard vond "Le sac de Louvain" na de oorlog grote weerklank in de pers en ook de tragische dood van V. Lenertz werd erin besproken (24). V. Lenertz werd samen met andere slachtoffers door de Stad Leuven begraven in een "caveau communal" aan het station, waar hij later zou worden vermeld op het Oorlogsmonument. Nadien werd hij aldaar ontgraven en overgebracht naar het kerkhof van de Abdij van Park. V. Lenertz werd bij monde van R. Lemaire gehuldigd als iemand die zeer toegewijd was aan zijn studenten, goed van inborst en openhartig in de omgang, en gezegend met een goed humeur. Na zijn overlijden bleef het gezin gedomicilieerd aan de Tiensevest 37 in Kessel-Lo om op 24 februari 1919 te venhuizen naar de Pelgrimsstraat in Leuven. De faam en goede naam van V. Lenertz zouden hem nog jaren overleven. C. Lagasse de Locht bracht, naar aanleiding van een bezoek aan Runkst waarvoor V. Lenertz de plannen van de Heilige Kruiskerk had getekend, jaren later nog hulde aan "...ce noble practicien... l'auteur, l'artiste de mérite et de renom, notre ami a jamais regretté qui, au cours d'une carrière hélas! fugace, nous a habitués a des oeuvres toujours correctes, toujours completes, toujours consciencieuses que nous approuvions ne varietur" (25). Mevrouw V Lenertz trad nog jaren na de dood van haar man op voor de ondertekening van plannen, documenten en afrekeningen van de lopende
i\ «•»
^
**-*
c
> \
/
I A
WSl -"il
:.,.::ii
I^l
1
X
tvfWsl t *•
m
mm
f é
""f • R
-m ÉGLISE DE LISSEWEGHE.
VtMCRNT LlNRHTZ,
VIX.KXT I.EXKRTZ.
VUES EXTÉEIEURES
^BÊÊÊÊÊÊtxy
^.-X^-^.
iL*~*AU***A. i^a*^.^
..,.,, .
/
:
-
'f - l. I
1
' , „
:
iHi" ?
11 ''•
1
Ë a U S E DE N.-n ACX D0MINICA1NS A LOUVAIN VUE INTÉRIEUR!' DU CHO-UR.
ÉGLISE DE N..D. AUX DOMINICAINS A LOUVA1N VUE EXTÉRIEURE DU CHCEUK.
M&L
EGLBE DE U3SEWEGHE. DÉTAILS. -
rX-ntEIEUR.
•i' m^
af
-AJ-W
J^. W - ^ ^ - ^ ~ f ^ W A
|iui
.OMIOM -
ïi^JU**^l-;i<Hy4
;-•.
/ r
U&M. fctt/n
TVanda
cfoa/r
•m
/ ra
|:LLi
'••+-'
"•T
EGL1SE SAINT-JEAN, A DIEST (RUINES). PLAN DU CHCECR E T DÉTAILS.
Cl
xt ^ u ^ 1 MAUCE-AIRS.
projecten. Zo werden de plannen van de biechtstoel en de preekstoel van de Heilige Kruiskerk in Runkst in 1917 ondertekend door H. Martens en "Mme V. Lenertz". H u n zoon architect Jean Lenertz zou later in de voetsporen van zijn vader treden en verschillende van zijn interieurprojecten in Limburg afwerken.
SOCIALE EN POLITIEKE ACHTERGRONDEN VAN HET KERKBOUWPROGRAMMA ROND DE EEUWWISSELING Ingevolge de belangrijke toename van de bevolking aan het einde van de 19de eeuw deed zich de noodzaak gevoelen tot het bouwen van méér en grotere kerken; dit gaf ook in Noord-Limburg aanleiding tot de bouw of vergroting van vele bedehuizen (26). Deze bevolkingstoename had in Limburg te maken met een uitgesproken stijging van de geboortecijfers, een daling van de sterfteratio's en een afnemende emigratie. In Lommei, Overpelt en Neerpelt nam de bevolking tussen 1890 en 1900 respectievelijk toe met 36,3 % 55,8 % en 43,6 % (27). Tegen 1910 is er meer dan een verdubbeling van het aantal inwoners van deze gemeenten. Deze demografische situatie hield uiteraard verband met de sociale en economische ontwikkeling in de regio en de toenemende welvaart (28). Bijna alle Limburgse gemeenten hadden rond 1890 een hoofdzakelijk agrarische bevolking en tussen 1890 en 1900 zou hierin niet veel verandering komen. Vanaf 1900 zette zich de doorbraak door van een industrialisatie die reeds in het midden van de 19de eeuw was op gang gebracht en waardoor de regio haar agrarisch karakter zou verliezen. Belangrijk hierbij waren de ontginning van de heidevlakten, bebossings- en bevloeiingswerken, de aanleg van spoor- en waterwegen en de vestiging van non-ferro en chemische industrieën in Overpelt, Lommei en Balen (29). Hierdoor kwam er een groei van de arbeidersbevolking tot stand, evenwel met behoud van het kleinschalig landbouwbedrijf; deze groei was evenwel in belangrijke mate te wijten aan immigratie. Dat de gemeentelijke overheden niet onverdeeld gunstig stonden tegenover de industrialisatie, valt gedeeltelijk te verklaren doordat het merendeel van de toenmalige gemeenteraadsleden landbouwers
waren die de heideoppervlakten zagen verminderen ten voordele van de nijverheid. De werkgelegenheid nam overhand toe. In Lommei bijvoorbeeld werden tussen 1880 en 1910 meer dan duizend nieuwe banen gecreëerd. In het spoor van de behoeften van landbouw en industrie ontstond een groep van middenstanders en een lokale, gegoede burgerij van notabelen, ambtenaren en leidinggevende kaders. Middels vereniging en organisatie werd getracht de lokale landbouwers meer weerbaarheid bij te brengen en een sfeer van onderlinge dienstverlening te scheppen, waarbij de Belgische Boerenbond zorgde voor de nodige steun en begeleiding. In deze context ontstonden de boerengilden. De dorpsgeestelijkheid en soms ook onderwijzers en leden van de gemeentelijke besturen stimuleerden de oprichting van boeren-, spaar- en leengilden, veehoudersbonden, veeverzekeringen, brandverzekeringen en ook samenwerkende aanen verkoopafdelingen. In 1884 slaagden de katholieken erin de liberale dominantie te breken en veroverden zij voor een lange periode de politieke macht, wat hen tevens een comfortabele uitgangspositie verschafte voor de verdere uitbouw van een katholiek organisatiewezen (30). Tot 1904 kende de Provincie Limburg uitsluitend katholieke parlementsleden. O p lokaal vlak is de invloed van de mandatarissen van de boerengilden op de gemeentelijke besluitvorming steeds belangrijk geweest, ook al kwam het schepencollege vanaf de jaren 1900 steeds meer in handen van de burgerij. Ook in de kerkbesturen zetelden dezelfde functionarissen, die dus vaak eenzelfde beleid op verschillende niveau's konden ondersteunen, zoals bijvoorbeeld bij de bouw van een nieuwe kerk, waarvoor machtiging en financiële middelen dienden gesolliciteerd te worden bij de overheid. Niet zonder belang was de mogelijkheid beroep te kunnen doen op politieke mandatarissen, zoals Joris Helleputte, Adriaan de Corswarem en Mgr. Jan-Eugeen Keesen, die een tussenschakel vormden in de finalisering van bouwdossiers. Overigens was Noord-Limburg, en met name Peer, de draaischijf van de politieke activiteiten van J. Helleputte die kon rekenen op de steun van drie priesters van het college en van deken Maes. Zij zorgden vanaf 1 890 voor de uitgifte van een "Vlaams, katholiek en volksgezind" weekblad De Kempen, waarin de ideeën van J. Helleputte over een corporatistische samenlevingsopbouw aan bod kwamen. J. Helleputte was in 1890 de stichter van de
Boerenbond die een netwerk van katholieke boerengilden en verenigingen over de Vlaamse provincies ontplooide, in Limburg hierbij gesteund door Mgr. V. Doutreloux. De boerengilden waren een belangrijke factor in het sociale en politiek leven van de Noord-Limburgse gemeenten rond de eeuwwisseling. De noodzaak van "sociale actie" was aan de orde gesteld in verschillende Congressen van Luik en men verwachtte er zowel socio-economische als religieuze resultaten van. Een waaier aan katholieke organisaties, die de ruggengraat zouden worden van een katholiek reveil aan het einde van de 19de eeuw, ontstond tevens in de context van een nieuw potentieel aan kiezers; immers in 1893 was het algemeen meervoudig stemrecht ingevoerd en de katholieke politieke beweging trachtte aldus kiezers aan zich te binden. Opmerkelijk is zeker dat deze beweging en organisaties op gang gebracht werden door priesters en katholieke notabelen, die met een strijdbaar ultramontanisme het socialisme en het liberalisme bevochten. "Le clergé est omnipresent" (31). Dat de Boerenbond sterk gelieerd was met de geestelijkheid en in zekere mate als instrument werd gebruikt voor het christelijk reveil van het platteland, staat vast. Sterker nog "... Dans le Boerenbond, on veut d'ailleurs utiliser la structure administrative et hiérarchique de l'Eglise pour étendre ce mouvement". De statuten voorzagen overigens een nauwe samenwerking met de Kerk (32). O p lokaal vlak was de Boerenbond met haar diverse dienstverleningen in handen van de plaatselijke clerus, de lokale kasteelheer en notabelen. Men kan spreken van een algemene mobilisatie van de clerus vanaf 1890 en van een grote betrokkenheid van de plaatselijke burgerij, waardoor het katholieke verenigingsleven het volk bereikte. De periode 1890-1910 was dus een tijd met een voor de kerk bijzonder gunstige politieke en sociale constellatie. Tevens had zij uit de Luikse Congressen en de encycliek Rerum Novarum een dynamisch elan geput dat werd omgezet in actie. Zij kon rekenen op haar organisaties, mandatarissen en op de inzet van de ultramontaanse clerus (33). Het programma van de kerkbouw dat in deze periode werd afgewerkt moet gezien worden tegen de achtergrond van hetgeen voorafgaat. De kerkbouw aan het einde van de 19de eeuw komt in de diverse bouwdossiers naar voren als een maatschappelijk religieuze ambitie van de lokale geestelijkheid, van de mandatarissen van kerkfabriek en gemeenteraad, die overigens vaak dezelfden waren, en van
een katholieke, welstellende burgerij. De bouw van een kerk getuigde van de sociale verantwoordelijkheid die de lokale geestelijke en gemeentelijke overheid en burgerij bereid was op te nemen, als exponent van een herlevende christelijke samenleving, in een nieuwe maatschappij Het godsvolk werd verzameld rond en in de nieuwe kerk, strijdbaar teken van het christelijk geloof dat het goddeloze socialisme en het liberaal individualisme op afstand zou houden. Het dossier voor de bouw van een kerk is een zaak van lange adem: van vaak jaren durend overleg, van het werven van fondsen, van vooral kleine giften van gewone mensen, van belangrijke giften van notabelen en priesters, van administratieve stappen, goedkeuringen en toezeggingen tot subsidiëring. Het waren doorgaans dezelfde mensen die verantwoordelijkheid droegen voor de emancipatie van de landbouwers en voor hun ondersteuning, die ook lid waren van de kerkfabriek en de gemeenteraad, waar zij telkens - op een ander niveau en met andere middelen - dezelfde doelstelling trachtten te realiseren. De bouw van kerken was géén van hogerhand opgezet bouwprogamma en de verwezenlijking ervan was financieel niet alleen door de betere klassen mogelijk gemaakt (34). Wel is duidelijk dat zonder de subsidiëringspolitiek van de overheid hun bouw nooit had kunnen plaatsvinden. Onmisbaar ook was de politieke steun die kon worden bekomen bij de Provinciale Overheid, de voortdurende interventie van J. Helleputte in de dossiers is opvallend. J. Helleputte, die vaak een plaatsbezoek bracht en het reilen en zeilen in Noord-Limburg op de voet volgde, signaleerde de belangrijke beslissingen aan de lokale overheid. Overigens was hij bij deze bouwdossiers betrokken vanuit een dubbele invalshoek; enerzijds als mandataris en later als minister die rechtstreeks zeggingschap had en anderzijds als architect en lid van de Koninklijke Commissie. Dat hij in 1899 architect V. Lenertz naar voren schoof en met de steun van Koninklijke Commissie toevoegde aan de lokale bouwmeester H. Martens is hiervan een uitvloeisel. Vanaf dan werden de dossiers vlotter vergund en betoelaagd. Dat de neogotische vormgeving de bovenhand kreeg in het kerkbouwprogramma was daarvan een bijkomend gevolg, dat dus geenszins aan het toeval kan worden toegeschreven.
DE INTERVENTIE VAN DE OVERHEID EN DE ROLVAN DE KONINKLIJKE COMMISSIE VOOR MONUMENTEN De staatkundige en maatschappelijke revolutie van 1789, die het einde betekende van het Ancien Régime, had nefaste gevolgen voor het kerkelijk kunstpatrimonium. De verkoop en afbraak van kerkgoederen bracht echter ook een reactie op gang van belangstelling voor de bescherming en het behoud van gebouwen, als realisaties die een veelheid aan eeuwenoude tradities en maatschappelijke of religieuze symbolen in zich droegen. De zorg voor het patrimonium werd steeds vaker een zaak van algemeen belang, en dus van de overheid, en er kwamen in diverse Europese landen initiatieven van bescherming tot stand. Het bouwkundig patrimonium werd aldus een element van "nationale trots", tegen de achtergrond van een toenemend nationalisme. In Engeland was er bijvoorbeeld het baanbrekend initiatief van Richard Gough (35) (1735-1809). Deze Engelse oudheidkundige en lid van de Society of Antiquaries te Londen gaf de krachtlijnen aan van hetgeen tot op heden relevant is gebleven voor monumentenzorg. Oude monumenten zijn een belangrijke bron van kennis voor de beschavingsgeschiedenis en dienen bewaard te worden voor het nageslacht. Men moest een methode van procederen uitwerken ter conservering van deze gebouwen en de eigenaars ervan moesten hiertoe gesensibiliseerd worden. R. Gough was van oordeel dat overheidssubsidie hiervoor niet de juiste werkwijze was en stelde voor dat de Society of Antiquaries jaarlijks een beperkt aantal projecten zou subsidiëren, maar hij vond hiervoor bij de overige leden geen gehoor. Door het Concordaat van 1801 tussen Napoleon en de Kerk werden de geconfisceerde kerkgoederen teruggegeven, later bekrachtigd in het Verdrag van Wenen van 1815. Bij Decreet van 30 december 1809 legde Napoleon de kerkfabrieken de plicht op in te staan voor een goed onderhoud van het kerkpatrimonium en een inventaris op te stellen van hun goederen. In een Omzendbrief van 10 mei 1809 volgde het verzoek van de Franse Overheid aan de gemeentebesturen om een gedetailleerde beschrijving te geven van de monumenten onder hun beheer.
Tijdens het Nederlandse bewind werd door Willem I op 16 augustus 1824 een koninklijk besluit uitgevaardigd dat de kerkbesturen instructies gaf voor de instandhouding en het onderhoud van de gebouwen en een voorafgaandelijke machtiging invoerde ingeval van wijzigingen aan dit erfgoed. Uiteraard groeide bij de onafhankelijkheid van België in 1830 het nationaal bewustzijn en ook de belangstelling voor de eigen geschiedenis en het cultuurpatrimonium. Bij Koninklijk Besluit van 7 januari 1835 werd door Koning Leopold I de Koninklijke Commissie voor Monumenten opgericht. Deze Commissie zou voortaan advies dienen uit te brengen, op verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken. Haar bevoegdheid sloeg op alle gebouwen van openbaar nut evenals de religieuze gebouwen. De macht van de religieuze instellingen en de kerkfabrieken werd aldus ondergeschikt gemaakt aan het nieuwe burgerlijke gezag (36). De adviezen van de Koninklijke Commissie genoten groot moreel gezag. De slagkracht van deze instelling werd in het begin bemoeilijkt door het gebrek aan beslissingsrecht en personeel. Het Koninklijk Besluit van 31 mei 1860 voorzag in de benoeming van corresponderende leden, waardoor een netwerk van medewerkers over het gehele land werd uitgebouwd. De procedure werd uitgebreid met de mogelijkheid van prospectie ter plaatse door deze provinciale correspondenten, die bij middel van verslagen de Commissie inlichtten en een betere voorbereiding van de dossiers in Brussel mogelijk maakten. Voor Limburg werden acht "briefwisselende leden der Koninklijke Kommissie der Gedenkgebouwen" benoemd (37). De Koninklijke Commissie verkreeg tevens de bevoegdheid om de aandacht van de overheid te vestigen op bepaalde projecten en had dus een zeker initiatiefrecht. Bij Koninklijk Besluit van 23 februari 1861 werd aan de Koninklijke Commissie de bevoegdheid verleend tot het geven van een opdracht aan openbare besturen tot het inventariseren van het patrimonium. Voorts werd bij Koninklijk Besluit van 30 juni 1862 de interne werking van de Koninklijke Commissie geregeld en werd de taak van de corresponderende leden, onbezoldigde vrijwilligers, nader omschreven. Sedert 1862 verscheen het Bulletin des Commissions Royales d'Art et d'Archéologie. O p basis van deze informatie werd een inventaris opgemaakt van
de interventies van de Koninklijke Commissie bij de kerkbouw in Limburg (38). De Voorzitter en de Secretaris van de Koninklijke Commissie stonden zeer dicht bij de werking in de provincies. Het onderbrengen van monumenten in klassen (eerste, tweede of detde) was een belangrijk aspect van de werking van de Koninklijke Commissie. Vanaf 1889 werd in de begroting van de Minister van Binnenlandse zaken een bedrag ingeschreven als bijdrage van de nationale overheid in de restauratiekosten van de door de Koninklijke Commissie "gerangschikte" monumenten, wat als de aanzet van een toenemende subsidiëringspolitiek kan worden beschouwd. Charles Lagasse de Locht werd bij Koninklijk Besluit van 30 april 1897 benoemd tot voorzitter van de Koninklijke Commissie en zou veertig jaren lang de werking van deze instelling bepalen. C. Lagasse de Locht studeerde aan de Rijksuniversiteit van Gent, behaalde er in 1868 het diploma van ingenieur en was nadien werkzaam bij de Dienst van Bruggen en Wegen van het Ministerie van Openbare Werken. Als hoofd van de Directie Wegen en Burgerlijke Gebouwen was hij onder meer verantwoordelijk voor de restauratie van het Kasteel van Laken, in opdracht van Koning Leopold II. Vanaf 1910 was hij, tot aan zijn pensioen in 1913, Secretaris-generaal van het Ministerie van Openbare Werken (39). Vanaf 1913 wijdde C. Lagasse de Locht zich voltijds aan zijn ambt als voorzitter van de Koninklijke Commissie. In 1912 werd het bevoegdheidsgebied van de Koninklijke Commissie uitgebreid naar het natuurlijke landschap, zulks in een periode van industrialisatie en verstedelijking. Voortaan zou de instelling dan ook Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen heten. De tussenkomst van de Koninklijke Commissie was ook vereist voor elk initiatief van aanmaak of verkoop van roerend patrimonium als meubilair, beelden, kunst- en gebruiksvoorwerpen, waarbij deze instelling toezicht uitoefende op de aard en de kwaliteit van de voorgelegde projecten en een zeker beleid kon voeren. Ook Gemeentelijke en Provinciale Overheden kregen krachtens het Koninklijk Besluit van 30 maart 1836 en 30 april 1836 bevoegdheid om op te treden in deze materie. De Gemeente werd aangesteld als adviserende instantie voor de herstelling of de afbraak van oude gebouwen (40).
De Provincieraad werd bevoegd tot het uitvaardigen van verordeningen ter verzekering en bewaring van kunstvoorwerpen, eigendom van gemeente, kerkfabriek en openbare besturen. Hierdoor dienden zij geraadpleegd te worden omtrent bouwof verbouwingsplannen en tot op heden leveren de notulen van hun beraadslagingen belangrijke informatie over de aard, de motieven en de financiële ondersteuning van de voorgelegde bouwprojecten. De aanvraag tot subsidiëring was een geëchelonneerde procedure (41). De kerkfabriek wendde zich tot de Gemeente, de Provincie en de bevoegde Minister. Na gunstig advies van de Koninklijke Commissie werd het project bij Koninklijk Besluit goedgekeurd en konden de diverse betoelagingen worden vrijgemaakt (42). Een en ander vergde vanwege de lokale instantie, zoals een kerkfabriek, veel tijd en geduld en vaak werd er beroep gedaan op de interventie van invloedrijke figuren, zoals J. Helleputte voor de diverse bouwprojecten in Noord-Limburg. Bijzondere subsidiëring kon worden bekomen bij het Ministerie van Schone Kunsten, wanneer daarvoor budgetten waren voorzien en wanneer het ontwerp een bijzondere artistieke waarde bezat. De rol van de provinciale architect (43) was niet onbelangrijk. Hij adviseerde de gouverneur over het voorliggende project en stelde terzake een kritisch vetslag op. Vaak ging hieraan een plaatsbezoek vooraf, al dan niet in gezelschap van een lid van de Bestendige Deputatie. Na de uitvoering der bouwwerken had hij toezicht op de conformiteit der werken met de plannen en bestekken en op diens advies werden de subsidies al dan niet vrijgegeven. Een reglement van 4 februari 1898 van de Provincie Limburg, genomen tijdens het gouverneurschap (1894-1917) van baron H. de Pitteurs-Hiégaerts, regelde de eenvormige aanpak voor het opstellen en indienen van bouwdossiers. Uit de diverse stukken blijkt dat H. Martens de bouwdossiers opstelde en de contacten met de gemeentelijke en provinciale overheid onderhield, inzonderheid met de provinciale architect Léon Jaminé. V. Lenertz had gemakkelijk toegang tot de Koninklijke Commissie via zijn goede relaties met J. Helleputte en C. Lagasse de Locht.
ENKELE REALISATIES VAN BEDEHUIZEN In Noord-Limburg bleven maar enkele gotische kerkgebouwen uit de 15de eeuw bewaard, zoals in Achel, Beek, Bocholt, Bree, Gruitrode en Neeroeteren. H. Martens en V. Lenertz voerden diverse restauratie- of vergrotingswerken uit aan enkele van deze laat-middeleeuwse kerkgebouwen, zoals de SintMonuifus en Gondulfuskerk te Achel (19081909), de Sint-Laurentiuskerk te Bocholt (19111912) en de Sint-Gertrudiskerk te Gruitrode (1911). De bestaande Sint-Laurentiuskerk van Bocholt met een diep polygonaal koor, een transept en een driebeukig kerkschip van drie traveeën uit 1476 en een monumentale toren uit 1411, diende te worden vergroot. Het grondplan van H. Martens en V. Lenertz voorzag een uitbreiding van twee traveeën aan de westzijde van het kerkschip, waardoor de westertoren dus in het gedrag kwam. Een uitbreiding langs de koorzijde was onmogelijk omwille van een belangrijke verkeersader. Afbraak van de westertoren, opgetrokken in tufkrijt van Maastricht, werd als ongeoorloofd beschouwd wegens zijn bouwhistorische waarde. O p het ontwerp van de zuidelijke gevel is het voornemen zichtbaar om over te gaan tot een verplaatsing van de toren waarbij de vrijgekomen ruimte met de twee traveeën zouden worden ingevuld (44). Bij de vergrotingswerken van de Sint-Pietersbandenkerk van Lommei, de Sint-Niklaaskerk van Neerpelt en de Sint-Ursulakerk van Kleine-Brogel werden de monumentale torens door H . Martens en V. Lenertz behouden. De verbouwingsplannen van H. Martens en V. Lenertz aan de Sint-Monulfus en Gondulfuskerk (45) van Achel, met name de verlenging van het schip en de bouwvan een nieuwe toren in 1908-1909 waren vooral ingegeven door de zorg voor het behoud van het 15de eeuwse, diepe koor en de zijkapellen. Aan de hand van topografische argumenten en de vorm van het koor van de huidige kerk kan worden geconcludeerd dat het koor van de huidige kerk overeenkomt met de ligging van een romaans zaalkerkje uit de 11de eeuw en dat in de loop der eeuwen de kerk naar het westen werd uitgebreid. De historische waarde van deze kerk was ook de Koninklijke Commissie voor Monumenten niet
ontgaan. Naar aanleiding van een schrijven van Graaf G. Cornet de Peissant, burgemeester van Achel, gericht aan de Koninklijke Commissie op 17 november 1903 besliste de Koninklijke Commissie zich ter plaatse te komen vergewissen van de noodzaak en de wijze van vergroting van de kerk. Voorzitter C. Lagasse de Locht, J. Helleputte en P Daniels brachten op 1 februari 1904 een plaatsbezoek (46). Terzake werd uiteindelijk gekozen voor de bouw van een nieuwe toren, de verlenging en verbreding van het kerkschip en de bouw van een nieuwe sacristie. Hiervoor werd beroep gedaan op H. Martens en V. Lenertz die hun ontwerpplannen tekenden op 15 augustus 1905. Deze plannen werden goedgekeurd door de Gemeenteraad op 24 februari 1906, door de Koninklijke Commissie op 15 december 1906 en door de Minister van Justitie op 18 oktober 1908. De provinciale architect L. Jaminé had zich verzet tegen de verbreding van de zijbeuken, maar die zouden uiteindelijk toch verbreed worden, zij het met slechts een zestigtal centimeter. De werken namen een aanvang in juli 1908, dus voor datum van goedkeuring van de bouwwerken bij Koninklijk Besluit van 18 oktober 1908, en waren voltooid einde 1909 (47). Voor de Sint-Pietersbandenkerk te Lommei (48) werd in 1841 een summiere kerkbeschrijving opgenomen, bij gelegenheid van de overdracht van de Lommelse parochie van het bisdom 's Hertogenbosch naar het bisdom Luik. Er drongen zich grote herstellingswerken op waarvoor provinciaal architect Lambert Jaminé het lastenboek opmaakte, gedateerd 4 augustus 1845. In juni 1864 startte men met herstellingswerken aan de kerktoren. Ter gelegenheid van deze herstellingswerken tot 1869 werd er volgens P Panken (18191904) uit Bergeijk een mergelsteen van het bovendeel der galmgaten weggenomen waarop een moeilijk te ontcijferen getal voorkwam, dat als 1317 werd gelezen. Pastoor Gaethofs (pastoor van 1862 tot 1888) nam reeds in 1874 contact met de gemeenteraad in een poging financiële steun te verkrijgen voor het bouwen van een nieuwe kerk. Tijdens een pastoraal bezoek op 19 juni 1877 werd hij door de Luikse hulpbisschop V. Doutreloux (1837-1901) aangespoord om voor een nieuwe kerk te zorgen. Een nieuw tijdperk brak aan met pastoor J. Claykens (1851- 1914) aangesteld in Lommei in 1888 en onder wiens impuls de kerkfabriek op 7 juli 1889 besliste om te beginnen met de verwe-
Sint-Laurentiuskerk van Bocholt. Grondplan van 29 december 1908, schaal 0,01 = lm. Geaquarelleerde pentekening op kalk, gekleefd op linnen.
^| . . . . •*
.
. . . . .
650mm x 490mm.
Ui^
(Archief KCML)
t-iri Sint-Laurentiuskerk van Bocholt. Tekening van zuidelijke gevel van 29 december 1908, schaal 0,01 = lm. Geaquarelleerde pentekening op kalk, gekleefd op linnen, 650mm x 598mm. (Archief KCML)
A
r- 2
Ill III
•
<?
!!
Ill
m
M&L
St.-Pietmbandekerk te Lommei, 1900-1902. Neogotische kerk. Lommcl.
M&L
zenlijking van de bouw van een nieuwe kerk. Het onooglijke en veel te kleine kerkschip zou vervangen worden door een grote kerk die ook beter zou aansluiten bij de machtige gotische toren (49). In zijn dagboek stelt pastoor Claykens dat de oude, af te breken kerk, inclusief toren, 36 meter lang is en 12,5 meter breed. J. Claykens werd de grote bezieler van de nieuwbouw. Er volgen echter jaren van vertwijfeling rond de besluitvorming in de gemeenteraad, het werven van fondsen en het verkrijgen van goedkeuringen van de bevoegde instanties. J. Claykens zelf nam op 13 januari 1892 contact met bouwmeester H. Martens uit Stevoort voor het vastleggen van een onderhoud met kerk- en gemeentebestuur. O p deze vergadering werd tot nieuwbouw besloten. J. Claykens lichtte de provinciale architect Léon Jaminé - die zijn vader Herman in 1885 was opgevolgd - op 30 januari 1892 in over de stand van zaken en nodigde hem uit voor een inspectiebezoek.
T H. Martens en V. Lenertz, St.-Pietersbandenkerk te Lommei,
De provinciale architect concludeerde dat het geen zin had om de kerk te vergroten maar dat er moest gedacht worden aan afbreken en nieuwbouw, waarmee hij het verzoek van pastoor Claykens dus ondersteunde.
gronplan van 2 mei 1898, schaal 0,01 = lm. Geaquarelieerde pentekening op papier, 677nim x 470mm. (Archief KCML)
( h ü i m p tnun- fau-uiruwir
.1'anu-lnaU- .llcvk
te .LanuuuH
Bnt'öi
r
-r-f ( • l.M'.i>f4ftll
L'unburci.-
t - •
cbaai aoi.t CDffrr.
•utxiH-v;
at maiUii: 1'rtvoclimlt I U'irk te pptninfl
! ' w r - I.nnlnux
^ f W i cfi- ilDffcr.
HË^J
A
1
Üi ill É tl
ill
ill
j M' n
I III
ur A Zuideli)ke geveltekening van 2 mei 1898. schaal 00,1 = lm. Geaquarelleerde pentekening op papier 675mm x 480mm. ib.. (Archief KCML)
• St.-Pietersbandenkerk te Lommei, doorsnede in de lengte van 2 mei 1898, schaal 0,01 = lm. Geaquarelleerde pentekening op papier, 678mm x 480mm. (Archief KCHL)
i •Tltïwrp WOT itwe
lUfUUH" I'rtriHn'biulf
1'erk
te Jj^mntrl
E2iww» l.tmlnirci.
,—dmui M l - U D t t t r .
>-:4
O p 6 februari 1896 was er een bespreking van de bouwplannen met H. Martens op de pastorij. Het bestek van 3 mei 1896 bedroeg 160.000 frank, wat door de gemeenteraad werd afgewezen als zijnde te duur. De kostprijs zou gedrukt worden met 20.000 frank door besparing op metselwerk, arduinen siersteen en Franse steen. De kerkfabriek keurde op 4 October 1896 de definitieve plannen goed die op 12 oktober 1896 werden voorgelegd aan bisschop Doutteloux en op 17 oktober 1896 aan de gemeenteraad. De Provinciale Overheid en ook de Staat weigerden in de jaren 1896 tot 1898 tot principiële toekenning van toelagen over te gaan. Een wanhopige J. Claykens sprak dan zijn relaties aan, waaronder Joris Helleputte, vanaf 1889 volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Maaseik. Uiteindelijk bleek dat de aanvankelijke plannen en ook de herwerkte plannen van H. Martens, autodidact bouwmeester na een jarenlange timmermanspraktijk, geen goedkeuring hadden gekregen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten. De plannen werden afgewezen als zijnde "niet naar de goede kunst". C. Lagasse de Locht verplichtte H. Martens samen te werken met architect Vincent Lenertz uit Leuven, medewerker van professor J. Helleputte. Blijkbaar heeft H. Martens zich erg verzet tegen deze gedwongen samenwerking maar uiteindelijk kwam er een akkoord tot stand tussen H. Martens en V. Lenertz op 28 januari 1898 (50). V. Lenertz paste de plannen aan, J. Helleputte zou bemiddelen bij de Koninklijke Commissie en in mei 1 898 volgde een goedkeuring ten voorlopigen titel. In dezelfde periode werd J. Claykens gelast door het Provinciebestuur beroep te doen op andere architecten. Zo werden er plannen gemaakt door J. Tonnaer uit Den Haag, leerling van de Nederlandse architect P.J.H. Cuypers (1827-1921) alsook door F. Lohest (1864-1932) uit Luik, hetgeen een jaar vertraging veroorzaakte in het bouwdossier. Tenslotte moest Claykens beide architecten op 6 mei 1899 schrijven dat hun ontwerpen niet aanvaard werden. C. Lagasse de Locht stuurde de plannen ongeopend terug. Het definitieve plan van 2 mei 1898 van H. Martens en V. Lenertz werd door de "Koninklijke Raad voor Kunstgebouwen" (Koninklijke Commissie) geviseerd op 2 september 1899 en door de Minister van Justitie op 30 maart 1900. Een Koninklijk Besluit van 30 maart 1900 verleende definitieve goedkeuring en de afbraakwerken van de kerk werden aangevat op 24 april 1900 (51)De afbraakwerken aan de oude kerk en het uitgra-
ven van de fundamenten duurden tot 13 juli 1900, dag waarop de metselwerken voor de nieuwbouw aanvingen. O p 1 augustus 1900, feestdag van Sint-Pieters-Banden, werd de eerste steen gelegd met inscriptie: Anno Domini M D C C C C in honorem S(ancti) Petri ad Vincula fundata est ecclesia. Begin 1902 was de nieuwbouw gebruiksklaar na een bouwtermijn van twintig in plaats van veertien maanden, wegens contractbreuk van de onderaannemer voor de hardsteen en diverse werfongevallen (52). De voorlopige inwijding van de kerk had plaats op 20 maart 1902 door pastoor Claykens en de officiële wijding op 27 juni 1903 door Mgr. M. Rutten, bisschop van Luik sinds 1901. Van 1902 tot 1914 ging de aandacht vooral naar de inrichting en de stoffering van de kerk. V. Lenertz maakte de gedetailleerde ontwerptekeningen van de altaren, biechtstoelen, preekstoel, communiebank, koorgestoelte en ander meubilair, dat door het atelier Paul Roemaet (1865-1938) uit Leuven werd gebeeldhouwd (53). Glasramen van Gust Ladon (1863-1942) en muurschilderingen van Adolphe Tassin (1852-1923) gaven de kerk haar definitieve allure. De voltooiing van de werken viel samen met het begin van de Eerste Wereldoorlog. Pastoor J. Claykens, die een groot deel van zijn vermogen aan de kerk zou hebben besteed, zag zijn werk voltooid en overleed kort erna, op 30 november 1914. V. Lenertz werd in hetzelfde jaar door de Duitse bezetter gedood in Leuven. H. Martens en A. Tassin legden rond die tijd hun professionele activiteiten stil. De kerkfabriek van Neerpelt werd opgericht in april 1810. Pastoor Henri Lommelaers werd aangesteld in 1820 en bouwde in 1830 een nieuwe
kerk (54). De naam van pastoor Jan Geloudemans (18581916) zal verbonden blijven aan de nieuwbouwvan de huidige kerk. Reeds in 1894 is er in de rekeningen van de Kerkfabriek sprake van een som van 11.300 frank "welke kunnen gebruikt worden tot vernieuwing der kerk". O p de rekening van de Kerkfabriek van 1895 stonden giften ingeschreven "om den kerk te bouwen" ad 3.000 frank. De bestaande kerk voldeed niet meer aan de noden van de tijd, mede in acht genomen de toenemende bevolking die in 1893 was aangegroeid tot 2025 zielen. De overweging om een nieuwe kerk te bouwen zette pastoor J. Geloudemans in maart 1896 aan om fondsen te verzamelen en hij stichtte daartoe het werk van Sint-Franciscus van Sales.
• Sint-Niklaaskerk. Ontwerp van hoogaltaar van maart 1901. schaal 0,05 = lm. Geaquarelleerde tekening op papier 47lmm x 4IOmm. (Archief KCML)
Sint-Niklaaskerk te Necrpelt. Ontwerp voor orgelkast van 20 september 1906. Geaquarelleerde pentekening op papier gekleefd op linnen. (Archief KCML)
Sint-Niklaaskerk te Neerpelt. Grondplan van 10 mei 1898, schaal 0,1 = lm Pentekening op papier, 658mm x 460mm. (Archief KCML)
•
4-cJ.. . # • • • : . .
Deze stichting wetd gespijsd doot éénmalige stortingen en door maandelijkse collectes van deur tot deur (55). In een aanbevelingsbrief van 12 mei 1896 gaf Mgr. V. Doutreloux, bisschop van Luik vanaf 1879, aan pastoor J, Geloudemans de opdracht om voor een nieuwe kerk te ijveren en daartoe fondsen te werven. Merkwaardig is de beslissing van de kerkfabriek van 23 februari 1898 waarbij aan Hyacinth Martens machtiging werd verleend tot het terugvragen bij de bevoegde overheid te Hasselt van de door hem
Sint-Niklaaskerk te Neerpelt. Ontwerp van Noordelijke geveltekening van 10 mei 1898. schaal 0,01 = lm. Pentekening op papier. 678mm x 480mm. (Archief KCML)
T Sint-Niklaaskerk te Neerpelt. Zuidelijke gevel. (foto 0. Pauwels)
M&L
• Interieur ncht oksaal, verbouwde orgelkast vanaf 1957. (Brussel, ACL)
Interieur zicht koor. (Brussel, ACL)
M&L
gemaakte plannen voor de kerk van Neerpelt. De motivering beperkte zich tot de overweging "dat de plannen moeten herzien worden". De vraag stelt zich wat hiervan de reden kon zijn. Hoogstwaarschijnlijk hing dit voorval samen met de zopas geregelde samenwerking tussen H. Martens en V. Lenertz die bij overeenkomst van 28 januari 1898 gestalte heeft gekregen en reeds in voege was voor de bouw van de kerk te Lommei. De plannen opgemaakt door H. Martens en V. Lenertz, gedateerd 10 mei 1898, werden in buitengewone zitting van de Kerkfabrieksraad van 22 mei 1898 goedgekeurd en men besliste toelagen aan te vragen.
Dat V. Lenertz vanaf dit stadium een belangrijke rol zal spelen in het bouwdossier van de kerk, moge blijken uit een schrijven van pastoor J. Geloudemans van 21 mei 1898, waarin hij V. Lenertz persoonlijk aanschreef en stelde: "... Pour ma part je puis vous dire que je suis tres content" en tevens van de gelegenheid gebruik maakte om een vermindering van de kostprijs door een wijziging van de materialen aan te kaarten. Het lastenboek, het bestek en de begroting van de kosten, in een uitvoerige en beknopte weergave, dateren van 22 juli 1898. Het oorspronkelijk bestek voorzag een totale kostprijs van 151.057,61 frank, gebracht op 149.557,61 frank door aftrek van 1.500 frank voor teruggebruik van oude bouwmaterialen. De prijs werd gedrukt door een vermindering in hoogte van de gemetselde muren met 5 %, waardoor de hoeveelheden arduinsteen, Franse Reffroisteen, karelen en hout werden gedrukt. Tevens werd Rekemse baksteen voorzien in plaats van Boomse en rood Noors dennehout in plaats van eik. De totale besparing beliep 11.300 frank. De aanstelling van H. Martens en V. Lenertz is blijkbaar even in het gedrang geweest. Zulks blijkt uit een schrijven van betrokken architecten van
18 april 1899, gericht aan de voorzitter van de Koninklijke Commissie, waarin zij gewag maken van het feit dat de Kerkfabriek van Neerpelt intussen andere architecten heeft gelast met de uitwerking van bouwplannen. Uit het schrijven kan tevens worden opgemaakt dat er blijkbaar aan het tweetal formele beloften zijn gedaan "... que nos plans seraient assures de l'approbation de l'autorité competente". Er is tevens een brief bewaard van dezelfde datum van de hand van V. Lenertz alléén, gericht aan de voorzitter van de Koninklijke Commissie waaraan hij een transcriptie hechtte van het voormeld schrijven van pastoor J. Geloudemans dd. 21 mei 1898 waarin deze zijn tevredenheid over de plannen uitspreekt en waarbij V. Lenertz tevens vertrouwelijk de plannen voegde "... afin de nous recommander a votre bienveillante attention dans Ie cas ou on présentera d'autres plans ... Car nous pensons toujours qu'on présentera ces autres plans sans y joindre les nótres". Blijkbaar heeft het lobbywerk vruchten afgeworpen, want er is verder niets meer vernomen over andere architecten (56). Machtiging tot het bouwen van de kerk werd verleend bij Koninklijke Besluit van 28 april 1900. K. Gielen en J. Helleputte brachten op 2 mei 1900 de pastoor op de hoogte van het gunstige besluit (57). De bestaande kerk met het ommuurde kerkhof werd afgebroken, samen met de aanpalende school die ook dienst deed als gemeentehuis. De 16de eeuwse bakstenen toren in Kempische gotiek werd bewaard. De gedenksteen "LEONE XIII PAPA V I C T O R E JOS. E P I S C O P O A N N O D O M I N I * M D C C C C 28. AUG. C H R I S T I A N O REYNERS D E C A N O J O A N N E GELAUDEMANS PASTORE" ingemetseld in de buitenmuur van het koor verwijst naar de eerste steenlegging op 28 augustus 1900. Er werd op 7 april 1901 beslist vensters te plaatsen in gewoonglas. Medio 1901 werd de kerk verzekerd voor een gerealiseerde bouwwaarde van 140.000 frank, en vanaf nieuwjaar 1902 van 172.000 frank. Het contract met de opzichter werd beëindigd per 30 november 1901 "... dewijl de grootste werken zijn gedaan". De aandacht van het kerkbestuur ging thans ook naar de inrichting van de kerk. Rond 1914 werd het bouw-, meubilair- en decoratieproject naar de ontwerptekeningen van V. Lenertz en H. Martens voltooid. De kerk was nu beter geschikt gemaakt voor de eredienst, in functie van een groeiend aantal
parochianen dat tussen 1893 en 1903 met de helft was toegenomen, van ongeveer twee- naar drieduizend. De nieuwe kerk kon nu plaats bieden aan achthonderdveertig parochianen in plaats van vierhonderd voorheen (58).
• C. Esscr, Retabel, tabernakel, expositietroon en twee engelenbeel-
In de parochie van Sint-Ursula te Kleine-Brogel werd op 9 november 1904 pastoor Jacobus Vencken (1865-1933), afkomstig van Paepenhoven in Nederland benoemd; op dat ogenblik telde Kleine-Brogel 363 inwoners. Hij zette zich onmiddellijk achter de bouw van een nieuwe kerk (59) waarvoor hij beroep deed op de tussenkomst van Joris Helleputte (60).
den, naar ontwerp van V. Lenertz, 1905, verguld koper, Neerpelt. L Lindebringhs, Mensa van hoofdaltaar, naar ontwerp van V. lenertz, 1905, blauwe hardsteen, Neerpelt. (foto P. Conlnx)
neogotische
Sint-Ursulakerk van Rleine-Brogel,
kruisbasiliek in
toestand voor
mergelsteen,
restauratie van de
Kleme-Brogel.
toren in 1990-91,
(foto P. Coninx)
• Westgevel van de kerk en toren van de ISdc eeuw
1907-1908,
na restauratie in 1990-1991, 1907-1908. Kleme-Brogel. (foto O. Pauwels)
A Sint-Ursulakerk te Kleme-Brogel.
Ur«u-l. l'winui-ii»f.üubtini.
«iSirteMsur.
Ontwerp westgevel
«-ijjcuU- r ii'Mvtïi',
van 20 juli 1905, schaal lcni=lm. Geaquarelleerde pentekening op papier, gekleefd op linnen. 477mm x 574mm. (Archief KCML)
r *»;'
n
:r
A ' jL.-"jL j L j L J*' •V"
^^^m
»
«
ê
•
é
•
•
L
- •
• <*Tyrt?|jitui
Kleme-Brogel. Grondplan van 20 juli 1905, schaal l c m = l m . Geaquarelleerde pentekening op papier.
565mm en 460mm. (Archief KCML)
iM'
' ^t-'-JL • ^ ^ ^ ^^w
^^
f- *Êk.
V^p
*f
Sint-Ursulakerk te
gekleefd op linnen,
^^
WKm ^^^m ^^^m
... . m
If
i^h ^
mwgrwcM
Smt-Ursulakerk van Klelne-Brogel. Tekening ïan de zuidelijk gevel van 20 juli 1905, schaal k m = l m . Geaquarelleerde pentekening op papier, gekleefd op linnen, 56Smm x 477mm. (Archief KCHl)
M&L
Dit werd echter voorafgegaan door een polemiek omtrent de opportuniteit van de bouw van een nieuwe kerk. Bouwmeesters H. Martens en V. Lenertz wezen in een soort 'open brief' van 22 juli 1905 gericht aan de Kerkfabriek, het Gemeentebestuur en 'de Hoogere Overheid' op de noodzaak om een nieuwe kerk te bouwen (61) met behoud van de oude toren, een voorbeeld van sobere Kempische plattelandsgotiek van omstreeks 1 500. Men zal de toren echter optrekken "... daar de ouden toren te zeer zou verdoken schijnen achter het dak der nieuwe kerk ... ." De diverse plannen, het oorspronkelijk bestek en de matenlijst dateren van 20 juli 1905. In een "Résumé" van de werken en de begroting werd de kostprijs geraamd op 99.700,61 frank, inclusief honorarium. O p 27 augustus nam de Kerkfabriek het principiële besluit tot het bouwen van de kerk, een dag later goedgekeurd door de Gemeenteraad.
J. Helleputte volgde blijkbaar het dossier op en kwam zich van de plaatselijke toestand vergewissen door het bijwonen van de hoogmis op 9 september 1905. Pastoor J. Vencken drong in een schrijven van 12 februari 1906 bij de Gouverneur in emotionele bewoordingen aan op enige spoed bij de behandeling van het op 28 augustus 1905 toegezonden plan en bestek. Blijkbaar had de provinciale architect zich intussen negatief uitgelaten over de noodzaak van een nieuwe kerk maar de Kerkfabriek wenste terzake geen compromis (62). In het voorjaar van 1906 bracht de Bestendige Deputatie een plaatsbezoek en waren alle betrokkenen overtuigd van de noodzaak van een nieuwe kerk. Het dossier werd op 29 augustus 1906 aan de Koninklijke Commissie voorgelegd. Intussen was er een negatief advies van provinciale architect Leon Jaminé van 14 augustus 1906. Deze
Straalgewelf in het koor, gewelfschilderingen met florale motieven en personificaties van fides, Charitas en Spes. (foto P. Berben)
Zesdelig kruisribgewelf in de kruising met gewelfschilderingen, florale motieven en polychrome gewelfsleutel. (foto P. Berben)
A Interieur zicht op middenbeuk en oksaal met orgelkast en balustrade. (Brussel. ACL)
pleitte voor een verbouwing en vergroting van de kerk maar zal van geen enkele zijde steun ontvangen. Hij stelde dat het uitermate betreurenswaardig is dat de Kerkfabriek niet beter geïnspireerd was, dat de kerk veel "karakter" heeft als een typische kerk van een kleine parochie en dat zij voldoende sterk en stevig is om het nog jaren vol te houden. Hij klaagde de toenemende slopingsdrang aan en de modetrend van nieuwbouw, blijkbaar omdat er
M&L
genoeg geld voorhanden was "... et devant eet argument tout, archéologie, histoire locale, souvenirs de la paroisse, intérêt de la science, preuve indéniable et souvent unique de l'antiquité et de la continuite du culte dans une paroisse, tout autre argument doit disparaïtre..." Pastoor J. Vencken stelde op 1 september 1906 formeel dat het ontwerp van H. Martens en V. Lenertz unaniem werd goedgekeurd, dat een vergroting van de kerk onmogelijk was en nodigde de Koninklijke Commissie uit voor een plaatsbezoek. Ook architect V. Lenertz kwam tussen in deze zaak en richtte op 11 september 1906 een persoonlijk schrijven aan de voorzitter van de Koninklijke Commissie Lagasse de Locht (63). Hierin legde hij er de nadruk op dat de oude kerk géén bijzonder architecturaal karakter bezit, behalve de toren, en dat men de stijl van de toren zou aanhouden voor de nieuwe kerk. V. Lenertz was van oordeel dat de knoop moest doorgehakt worden en dat de voorliggende oplossing de meest praktische was en bovendien iedereen genoegdoening verschafte; hij stelde te rekenen op een gunstig advies van de bevoegde overheid. O p 19 november 1906 bracht de Koninklijke Commissie een plaatsbezoek. O p 28 november 1906 bracht zij verslag uit en keurde het voorliggend project goed, met name nieuwbouw met behoud van de toren. Terzelfdertijd werd door de Koninklijke Commissie sibillijns opdracht gegeven tot het minutieus in plan brengen van de oude kerk met de overweging dat "... rien n'empêchera de la reproduire dans une autre localité peu importante lorsque Ie cas se présentera ..." (64) Leerling-architect Eugène Dhuicque (1877-1955) bracht aldus binnen- en buitenzicht van de oude kerk alsook enkele details van de gewelven in kaart op 9 januari 1907. De provinciale architect gaf op 30 januari 1907 zijn opmerkingen over het lastenboek van 1905 van H. Martens en V. Lenertz en wees ondermeer het hanteren van regieprijzen van de hand. Bij Koninklijk Besluit van 27 mei 1907 werd machtiging verleend tot het bouwen van de kerk, conform de plannen van 20 juli 1905 en het aangepast bijzonder lastenboek van 29 december 1906, ondertekend door H. Martens. Een en ander werd op 17 januari 1907 en 11 februari 1907 goedgekeurd door de Gemeenteraad en op 22 februari 1907 door de Bestendige Deputatie. O p 29 juli 1907 werd de eerste steen gelegd, met als inscriptie: "Anno Domini M D M V I I aedificata
(foto P. Berben)
•*
Smt-Honulfus en Gondulfuskerk te Achel. Ontwerp van vergroting van de kerk. Grondplan van IS augustus 190S, schaal 0,01 = lm. Geaquarelleerde tekening op papier.
ft
f
(Archief KCHL)
a
Y *
IT
S63mm x 470mm.
'
m
^
vt
Ti m& wÊÊKHHk
9
*
< Sint-Monulfus en Gondulfuskerk te Achel. Tekening van zuidelijke gevel van IS augustus 1905, schaal 0,01 = lm. Geaquarelleerde tekening op papier. 560mm x 467mm. (Archief KCHL)
I
• Sint-Monulfus en Gondulfuskerk
le Achel, Interieur zicht op het koor met houten gewelf met trapeziumvormige cassetten, wandschilderingen. glasramen,
hooldaltaar met oorspronkeli|ke polychromie, communiebank, ca. 1912, Achel. (Brussel, ACL)
Achel.
M&L
(foto P. Berben)
•4 T. Watson. Biechtstoel met de H. Augustmus en de H. Johannes Nepomucenus. naar een ontwerp van V. Lenertz van 1913. (noorderbeuk). uitgevoerd in 1914, detail, de H. Johannes Nepomucens, Hongaars eikenhout. Achel. (foto P. Berben)
est haec ecclesia in honore sanctae Ursulae Martino Rutten episcopo Jacobo Vencken parrocho H. Martens V. Lenertz Artificibus". De bouwmeesters waren geïnspireerd door de stijl en het uitzicht van de oude toren, uitgevoerd in mergelsteen, en opteerden voor de nieuwbouw voor een bakstenen constructie, aan de buiten- en de binnenzijde voorzien van een parament in mergelsteen van Sibbe. O p 30 april 1908 liet H . Martens weten dat de kerk afgewerkt was en op paasdag 1908 werd zij in gebruik genomen (65). O p 15 juni 1908 werd de voorlopige oplevering der bouwwerken bekomen, later bevestigd door de definitieve oplevering van 22 november 1909. Mgr. M. Rutten, bisschop van Luik, wijdde op 22 september 1908 de nieuwe kerk in. In 1919 werd de plaatsing van een nieuw hoogaltaar overwogen, zoals blijkt uit een schrijven van de secretaris van het Bisdom aan burgemeester). Voets (66).
BESLUIT Het neogotisch kerkbouwprogramma in NoordLimburg rond de eeuwwisseling moet gezien worden tegen een welbepaalde religieuze, politieke, sociale en economische achtergrond. De plaatselijke agrarische bevolking werd in toenemende mate geconfronteerd met verschijnselen van de moderne tijd in de vorm van industrialisatie, bevolkingsgroei en politiek pluralisme. Vanuit politiek en sociaal oogpunt is de invloed van de Boerenbond, die zich inzette voor een neocorporatistische ontvoogding van de bevolking en die een netwerk van dienstverlende organisaties met sterke banden met het bisdom uitbouwde, van groot belang geweest. Via haar vertakte organisatie kon zij efficiënt haar leden mobiliseren en lokaal een grote dynamiek ontplooien. De stevige greep van de katholieken op het politieke leven ging vergezeld van een militant christelijk reveil, gericht tegen het socialisme en liberalisme. Protagonisten van deze christelijke beweging sloten aan bij het ultramontaans gedachtengoed en propageerden de neogotische vormgeving als uitdrukkingsmiddel voor deze hernieuwde, religieuze beleving. Als stichter van de Boerenbond, politicus en architect, was J. Helleputte een invloedrijke figuur; hij was nauw betrokken bij het politieke en sociale leven in Noord-Limburg en intervenieerde in de vele kerkbouwdossiers.
Met enige druk vanwege de Koninklijke Commissie, waarvan J. Helleputte deel uitmaakte, werd aan de lokale bouwmeester H . Martens architect V. Lenertz toegevoegd. Deze was tevens een medewerker van J. Helleputte, hetgeen ongetwijfeld als een uitbreiding van de invloed van de Koninklijke Commissie en van de entourage van J. Helleputte moet worden beschouwd. H. Martens en V. Lenertz vormden een complementair duo, in die zin dat H. Martens kon bogen op een gedegen vakkennis en uitgebreide ervaring en dat V. Lenertz zijn hoge vaktechnische bekwaamheid en kennis van de architecturale en artistieke stromingen inbracht, als adept van de gotische en neogotische kunst. H. Martens had goede relaties met de lokale geestelijkheid en de provinciale overheid terwijl V. Lenertz rechtstreeks zijn vriendenkring van de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas kon benaderen, waaronder politieke mandatarissen. Koninklijke Commissie-leden, kunstenaars en vaklui met een achtergrond van de Sint-Lucasscholen. H. Martens was de man van het terrein, vertrouwd met de werf, de werklieden en de materialen terwijl V. Lenertz de projecten superviseerde en waakte over het totaalconcept. Voorts stond hij in voor de afwerking van het kerkinterieur door het ontwerpen van neogotisch kerkmeubilair. Voor de kerkbouw was de dynamiek op gang gebracht door de lokale clerus, notabelen, burgerij en parochianen van wezenlijk belang. De financiering van de kerkbouw steunde in eerste instantie op de bijdragen van de lokale bevolking, gehecht aan het kerkelijk leven en aangespoord door de pastoor. Voorts was het systeem van overheidssubsidies onontbeerlijk. Het omvangrijk kerkbouwprogramma rond de eeuwwisseling was in de eerste plaats een noodzaak, aangezien de bestaande kerken slecht onderhouden, te klein en vaak in lamentabele toestand waren, kortom onbruikbaar. Er is geen van hogerhand opgezet kerkbouwprogramma hoewel het bisdom via de lokale geestelijkheid de kerkfabrieken onafgebroken aanspoorde terzake haar verantwoordelijkheid te nemen als bouwheer. Gezien de beperkt beschikbare middelen zijn de kerken herleid tot hun constructieve essentie, rationeel opgevat en functioneel uitgebouwd, zonder veel ornamentiek. Deze neogotische kerken hebben een tijdloze uitstraling door de eenvoud van hun bouwtechnische constructie. De architectuur van H. Martens en
nVFR7ICHT VAN HFT KFRKFI IIK ARCHITErHJRAAl CFUVRF VAN HYACINTHUS MARTENS ( 1847-1919 ) • Achel, Sint-Monulphus en Gondulphus, 1908-09, i.s.m. V. Lenertz • Beverst, Sint-Gertrudis, M. Christiaens
nieuwbouw
' Bocholt, Sint-Laurentius V. Lenertz
neogotische
herhouwing,
(neogotisch), 1896-1900,
(XV), vergroting, 1911-12,
• Bocholt (Lozen), Sint-Benedictus herstellingswerken, 1911
(1900,
i.s.m.
neogotisch),
• Dilsen, Sint-Martinus, i.s.m. V. Lenertz • Eksel, Sint-Trudo
nieuwbouw
• Gellik, Sint-Laurentius,
Lummen, Onze-Lieve-Vrouw herstellingswerken. 1890
(neogotisch),
1905
(1880,
Opitter, Sint-Trudo
1909,
nieuwbouw
(1848-50),
• Herk-de-Stad, Sint-Martinus (1846-52), herstellingswerken, 1888 en 1914
(1850,
1890,
neogotisch, L. Jaminé)
•Kozen, Sint-Laurentius,nieuwbouw (neoromaans), V. Lenertz, afgewerkt door J. Deré
1914-20,
• Kozen (Wijer), Sint-Pieter herstellingswerken, 1878
(1824.
neoclassicistisch),
(neoromaans),
en 1910,
Jaminé),
(XV), vergrotings- en herstellingwerken, nieuwbouw
1895-97
(neogotisch),
neogotische
Sint-Truiden (Melveren), Goddelijke Zaligmaker neoclassicistische vergroting, 1906 Stevoort, Sint-Martinus
(1717),
vergroting,
(1760-61),
1891-1892
Tessenderlo (Engsbergen), Sint-Lucia (XVII, 1839-40, neoclassicistisch, L. Jaminé), herstellingswerken, 1888-1889 Ulbeek, Sint-Rochus Velm, Sint-Martinus, i.s.m. V. Lenertz
neoclassicistische afgebroken),
1898
(XIV-XV, neogotisch herbouwd 1841-44, Tessenderlo, Sint-Martinus L. Jaminé), vergrotings- en herstellingswerken, 1899-1900)
neogotisch),
• Koersel (Stal), Sint-Gerardus (begin jaren tachtig nieuwbouw (neoromaans), 1912
nieuwbouw
Schulen, Sint-Jan Baptist (gesloopt in 1937), herstellingswerken, 1886-87
neoclassicistisch),
'Kermt, Heilige Maagd Maria (ca. 1770), vergroting, 1912, i.s.m. V. Lenertz
(XV), nieuwe bevloering,
Peer (Linde), O.L. V. Onbevlekt Ontvangen (1858-59, neoromaans), herstellingswerken, 1889, vergroting, 1910, i.s.m. V. Lenertz
Ontvangen, • Herk-de-Stad (Schakkebroek), O.L.V. Onbevlekt nieuwbouw (neogotisch), 1908-09, i.s.m. V. Lenertz
•Jeuk (Boekhout), Sint-Pieter restauratie 1896
1901,
vergroting, 1911, i.s.m. V. Lenertz
Peer (Kleine-Brogel), Sint-Ursula, 1904-08, i.s.m. V. Lenertz
vergroting (transept en
(1862-63
(neoromaans),
Opoeteren, Sint-Denijs (XVI), neogotische herbouwing vergroting 1905, i.s.m. V. Lenertz
Peer, Sint-Trudo en 1905
• Heers (Veulen), Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart (XV) neogotische vergroting, 1910-11, i.s.m. V. Lenertz
(1838, neoromaans),
nieuwbouw
1900
1898-1900,
Paal, Sint-Jan de Doper (1862, neoromaans, H herstellingswerken, 1899
(neogotisch),
(neogotisch),
neogotische herbouwing,
Overpelt, Sint-Martinus, i.s.m. V. Lenertz
1910,
(1890, neoromaans), vergroting,
Opglabbeek, Sint-Lambertus,
neoromaans,
(neoromaans), • Hasselt (Rapertingen), Sint-Jozef, nieuwbouw 1914-24, i.s.m. V. Lenertz, afgewerkt door J. Deré
• Hoeselt (Alt-Hoeselt), Sint-Lambertus herstellingswerken, 1901
neoromaans)
(XVI), verhoging van de toren,
Nieuwerkerken, Sint-Pieter, i.s.m. V. Lenertz
nieuwbouw
' Hasselt (Godsheide), Onze-Lieve-Vrouw Visitatie neoclassicistisch), herstellingswerken, 1888
• Heppen, Sint-Blasius koor), 1903
nieuwbouw
(1870-72,
Sint-Catharina
Neerpelt, Sint-Niklaas, i.s.m. V. Lenertz
1913-14
(XV), vergroting (na brand),
nieuwbouw
neogotisch),
Meeuwen, Sint-Martinus i.s.m. V. Lenertz
1907-08,
• Genk, Sint-Martinus (in 1952-54 vervangen door een monderngotische kerk), herstellingswerken, 1906, i.s.m. V. Lenertz
' Helchteren, Sint-Trudo, vergroting, 1910
1903
herbouwing,
(neogotisch),
• Gelmen (Groot-Gelmen), Sint-Martinus ]. Gerard), herstellingswerken, 1911
• Hasselt (Runkst), Sint-Hubertus, 1913-1921
neoclassicistische vergroting,
Maaseik (Heppeneert), Sint-Gertrudis (1873, neoromaans), herstellingswerken en vergroting, 1892, 1897-98
• Gelmen (Engelmanshoven), Sint-Jan Baptist (neogotisch), 1905-08, i.s.m. V. Lenertz
• Gruitrode, Sint-Gertrudis i.s.m. V. Lenertz
Jaminé),
neoclassicistisch)
neogotische vergroting,
nieuwbouw
neogotisch, H.
Lommei (Werkplaatsen), Sint-Barbara, (neogotisch), 1910, i.s.m. V. Lenertz
i.s.m.
Mopertingen,
(XV-XVI),
neoromaans)
Lommei (Kerkhoven), Sint-Jan Baptist (1854, vergroting, 1891, herstellingswerken, 1906
• Hovelingen (Mechelen-Bovelingen), Sint-Anna,nieuwbouw (neogotisch), 1910, i.s.m. L. Jaminé en V. Lenertz (1777,
Sint-Trudo,
(1850-53,
Lommei, Sint-Pietersbanden, neogotische 1900-1902, i.s.m. V. Lenertz
neoclassicistische vergroting, 1910,
• Diepenbeek, Sint-Servatius herstellingswerken, 1893
Lanaken, Sint-Ursula (1860-62, herstellingswerken, 1900-02 Linkhout,
i.s.m.
' Borgloon, Sint-Odulphus, neoromaanse vergrotings- en herstellingswerken, 1902, i.s.m. V. Lenertz • Borlo, Sint-Pieter, V. Lenertz
Kuringen (Stokrooie), Sint-Amandus herstellingswerken, 1880
(afgebroken in 1937), herstellingswerken, neoclassicistische vergroting,
Waltwilder, Sint-Remigius de toren, 1910
i.s.m.
(1862, neoclassicistisch), verhoging van
Wijchmaal, Sint-Trudo (1878-79, herstellingswerken, 1890 Wimmertingen,
1887
1912,
Sint-Niklaas,
neoromaans.
Stappers),
neogotische heropbouw,
Zolder (Bolderberg), Sint-Job (1873-76, herstellingswerken, 1896.
1899-1901
neoromaans, L. Jaminé),
V. Lenercz getuigt van een constructieve en functionele rationaliteit die eigen was aan de SintLucas-architecten. De kerkinterieurs werden rijkelijker uitgevoerd waardoor de harmonie tussen kerkarchitectuur en gelovige werd geoptimaliseerd. De christelijk geïnspireerde mens werd in deze "gecreëerde hemelse ruimte" naar een schoonheidsbeleven gevoerd dat hem nader bracht bij God.
Het artikel bevat excerpta uit het onderzoek naar en de licentiaatsverhandeling over de "Neogotische kerkbouw in Noord-Limburg samenwerking tussen bouwmeester Hyacinth Martens (1847-1919) en architect Vincent Lenertz (1864-1914)", Leuven, 1996)
vooral gevolgd door oudere werklieden. Er was meer belangstelling voor kunsttekenen, minder voor bouwkundig tekenen. Na een tijdelijke sluiting in 1864 werd de school opnieuw geopend in 1874, met onderwijs op zondagvoormiddag en 's avonds op werkdagen. Vanaf 1896 werd de "Vlaamse taal" gebruikt en werd de naam veranderd in "Stadstekenschool" of "Ecole de dessin". Uit onderzoek blijkt dus dat H. Marrens ook hier nooit was ingeschreven. (4)
(5)
(6)
LITERATUUR LEUVEN, K A D O C , Spitsbogen in NoordLimburg Studiedag Lommei 9 juni 1990, Hyacinthus Martens (1847-1919) Lijst van kerken in Limburg gebouwd, herbouwd of gerestaureerd door H. Martens, in diverse neostijlen.
(7)
EINDNOTEN (1)
(2)
(3)
Een belangrijke bepaling in de wettelijke regeling van 1939voorzag dat een bouwkundige van Belgische nationaliteit, geboren voor 1 januari 1907, de titel van architect mocht blijven voeren en het beroep mocht blijven uitoefenen, wanneer het een feit van algemene bekendheid was dat hij dit beroep voordien ook had uitgeoefend ofwel dat hij gedurende ten minste tien jaar als tekenaar werkzaam was geweest bij een bouwmeester, die als zodanig bekend stond, of in een kantoor waar ontwerpen werden opgemaakt. In deze laatste twee gevallen diende men tevens blijk te geven van bijzondere beroepsbekwaamheid voor een examencommissie. L VERPOEST, Architectuurondenvijs in België 1830-1890 Aspecten van de Institutionele Geschiedenis (onuitgegeven doctoraatsverhandeltng), Leuven, 1984, p. 146, 153 en 294-295. Volgens onderzoeksgegevens van 1864 werd volwaardig architectuurondenvijs verstrekr in Luik, Bergen, Gent, Brugge, Tienen, Leuven, Brussel, Mechelen en Antwerpen. De Hasseltse Académie de dessin et Ecole industnelle was van het type B: de 3e, 2e en Ire classe werden ingericht maar niét het niveau "composition" dat de eigenlijke architectuuropleiding inhield. In 1865 werd een evaluatie van deze opleiding gemaakt door Louis Alvin : "... quils sont plus de rapport avec la direction générale de lindustrie qu 'avec celle des beaux-arts...". Er was een duidelijk tekort aan tekenscholen en academies in Limburg. SINT-TRUIDEN, Academie van Beeldende Kunsten 1874-1974 Historisch overzicht, Sint-Truiden, 1974. Deze instelling werd opgerichr in 1840. De tekenlessen werden
(8)
M. D'HOKER, Bijdrage en betekenis van de Sint-Lucasscholen in de ontwikkeling van het technisch onderwijs in België, in J. DE MAEYER (red.), c c , p. 138-139 en p. 141. In het begin van 1880 beslisten enkele vooraanstaande Luikse katholieken een Sint-Lucasschool te Luik op te richten. Bij de stichters waren o.a. Pascal Lohcst en Jules Helbig, vriend en biograaf van J.B. Bethunc (1821- 1894) en verdediger van diens ideeëngoed in het Luikse. De afdeling architectuur binnen de Sint-Lucasscholen was het best uitgebouwd in Gent, Brussel en Luik. Het chronogram luidt: Deo eXCeLso ILLlUsqUe Mlnlstro In terrls eXstrUCta, te vertalen als: Voor de almachtige God en zijn dienaar op aarde gebouwd. HERK-DE-STAD, URSUL1NENKLOOSTER ARCHIEF, Overeenkomst van aanbesteding van 't mergelwerk 19 december 1898. Terzake is er weinig archiefmateriaal voorhanden. Wel is er dus een overeenkomst houdende aanbesteding van het mergelwerk voor de bouw van de kapel dd. 19 december 1898, gesloten tussen enerzijds. Moeder Overste van de Damen Ursulinen te Herk-de-Stad, voor wie Hyacinthus Martens, bouwmeester te Stevoort tussenkomt, en anderzijds Albert Duijckers, meester-mergelwerker uit Berg-Terblijf bij Maastricht, als aannemer. Het contract verwijst naar het plan, de detailtekening en de aanwijzingen van de bouwmeester, i.e. H. Martens. Overste was toen Mère Norberte, in de wereld Melanie Flamand. HASSELT, P.A.L.,P.D.G., LommeiSint-Pietersbandenkerk. Brief van H. Martens dd. 13 november 1898 aan de Bestendige Deputatie te Hasselt. Martens schreef: "... Tezelfdertijd werd dien medehelper in den persoon van Mr. Lenertz, leeraar te Leuven voorgesteld en aanbevolen. "In hetzelfde schrijven twijfelde hij niet aan de bekwaamheid van Lenertz: "... Immers, is mijn medehelper onbekwaam [doch ik meen van neen) dan heeft men mij eenen slechten dienst bewezen, met mij dien heer aan te bevelen en op te dringen".
HASSELT, P A L , Kerkfabriek Lommei Sint-Pietcrsbandenkerk Brief van Voorzitter K.C.M. dd. 20 april 1899 aan pastoor van Lommei. De toon is fel: "... 11 est done inadmissible que, pour satisfaire a la critique artistique de la Deputation permanente, vous vous soyez adressé a deux architectes nouveaux: M.M. Lohest et Tonnaer" "... sansperdre de vue toutefois que nous nous sommes déjaprononcés auprojet de votre église. La Commission royale, j 'ai l'agréable devoir de Ie dire, remplit consciencieusement sa mission, elle ne peut done avoir I habitude de se déjuger." In een schrijven van 2 juni 1B9B aan de pastoor had de K.C.M, reeds meegedeeld dat de plannen van H. Martens en V. Lenertz waren goedgekeurd, onder voorbehoud van enkele aanpassingen. (9) BRUSSEL, LENERTZ FAMILIE-ARCHIEF. Overdruk uit: Luxemburger Wort van 20 oktober 1914. "... Grace a M. Mullendorf, Lenertz se vit accepter dans les bureaux de M. Helleputte, professeur d'architecture 'a L 'Université de Louvain et l'un des plus brillants représentants de Técole néogothique en Bclgique. C'est sous la direction personelle de ce maitre eminent que se compléta la formation scientifique et artistique de Lenertz. ...". (10) LEUVEN, UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK, Annuaire de T Université Catholique de Louvain 1885, Leuven, p. 72-76. Hoogleraar J. Helleputte doceerde in de opleiding ingenieurarchitect volgende cursussen. In het eerste en tweede jaar: Les elements d'architecture en Exercices d'architecture. Voorts in het tweede jaar: La physique industrielle {chauffage et ventilation des lieux habités).
In het derde en vierde jaar; L'histoire raisonnée de l'architecture, L 'architecture civile et religieuse, Projets d'architecture. Tevens in het vierde jaar: L 'esthétique appliquée a l'architecture. (11) LEUVEN, U.B., Studenten 1836-1913 Boekdeel LA-LE. De fiche van V. Lenertz vermeldt alléén het feit van zijn inschrijving aan de Ecoles Spéciales voor de academiejaren 1887-1888 en 1888-1889, zonder omschrijving van het gevolgde studiejaar. A.U.C.L. 1885 -1893 De jaarboeken over deze periode vermelden V. Lenerrz niét als geslaagd voor een bepaald srudiejaar. Vandaar dar kan aangenomen worden dat hij was ingeschreven als "vrije student", temeer daar hij geen middelbare studies in Echternach had gevolgd. Hoogstwaarschijnlijk volgde hij de colleges van J. Hellepurre.
en de Neogotiek 1862-1914, (KADOC-STUDIES, nr. 5). Leuven, 1998, p. 177. Kunstenaars en ambachtslui die de vernieuwingsbeweging in het katholicisme op het terrein moesren gestalte geven waren "strijders van Christus"ew werden aangespoord om "metpotlood, beitel en penseel" de "heilige oorlog" te voeren om "het Rijk van Christus" te doen zegevieren. Dit fenomeen van christelijke, ambachrelijke creariviteit deed zich voor in België, Engeland, Duirsland en Frankrijk.
(12) LEUVEN, U.B,, Bthlwgraphie Untversité Catholique de Louvain 1903-1905 trohieme supplément, Leuven, 1906, p. 74-75. "Lenertz (Vincent) Né a Echternach (Grandduché de Luxembourg) Ie 23 avril 1864, architecte, directeur des travaux graphiques". Voorts werd vermeld: "Breithof(Franz, L.F.P.) Né a Louvain, Ie 12
(18)
juin 1873, ingénieur civil des Mines, professeur a l'lnstitut préparatoire annexe aux Ecoles spéciales depuis 1898, directeur des travauxgraphtques a l'Universitédepuis 1899...". B.U.C.L. 1834-1908, Leuven, 1908, p. 332. "XXXVLLL Travaux graphiques Directeurs P. Daubresse, professeur a la faculté des Sciences. F. Breithof, ingénieur civil des mines, V. Lenertz, architecte".
(20)
(13) LEUVEN, U.B., A.U.C.L. 1915-1919, dl. LXXIX, Leuven, 1924, p. 518-519. R. Lemaire was archeoloog, kunsthistoricus, architectuurtheorericus, restauratie-deskundige en hoogletaar aan de Universiteit te Leuven. (14) Claude Perraulr was een Frans anatoom en architect. Met zijn wetk uit 1672-1684 "Les dix livres de l'architecture de Vitruve" werd hij bekend als archirecruurtheoreticus. Op basis van de inzichten in de mechanica op het einde van de 17de eeuw ontwikkelde zich de bouwkundige wetenschap. C. Perraulr transponeerde de regels van de natuur naar de architectuur: solidité(sterkte), «ft'&f (geschiktheid) en bienséance(gepastheid). (15) L. VERPOEST, Joris Hellepurre: achtergronden en architectuurpraktijk KADOC Studiedag Joris Helleputte en de Neogotiek, Leuven 17 oktobet 1987, Werkdocument 02/003. J. Helleputte zag de neogotiek ook als de meest rationele en de meesr economische bouwsrijl, gesteund op eeuwenoude traditie. In zijn lezingen hield hij een pleidooi voor de neogotiek, ondetmeer in 1886 voor de Société dart et d'histoire van Luik: "... Vous reconnaitrez qu'il est de toute nécessité d'étudter les chefs-d'oeuvre du moyen-age, de renouer les traditions des si'ecles chrétiens, que l'architecture dit se retremper aux sources vivantesque Ie chnstianisme afattjatllir du paganisme et de la barbaric, et que l'avenir de l'art est a ce prix ... a ce point de vue l'étude de l'architecture ogivale nous apparait comme un moyen puissant que Dieu met a notre disposition pour ramener dans notre société si éloignée du catholictsme, les moeurs chrétiens d'autrefois: la propagation des arts chrétiens doit amener nécessairement une propagation de lafoi catholique elle-m'eme qui les a enfantés..." (16) W. WOUTERS, Broeders en baronnen Het ontstaan van de SintLucasscholen, in J. DE MAEYER, (red.), De Sint-Lucasscholen en de Neogotiek 1862-1914, (KADOC-STUDIES, nr. 5), Leuven, 1998, p. 177. Kunstenaars en ambachtslui die de vernieuwingsbeweging in her katholicisme op het terrein moesren gesralte geven waren "strijders van Christus'en werden aangespoord om "met potlood, heitel en penseel" de "heilige oorlog" te voeren om "het Rijk van Christus" re doen zegevieren. Dit fenomeen van christelijke, ambachtelijke creativiteit deed zich voor in België, Engeland, Duitsland en Frankrijk. De leider van de Duitse neogotici. August Reichenspergcr (1808-1895) was de inspirator van de voltooiing van de Keulse Dom (1840-1880) en daardoor ook van neogotische bouwcampagnes in België. (17) W. WOUTERS, Broeders en baronnen Het ontstaan van de SintLucasscholen, in J. DE MAEYER, (red.). De Sint-Lucasscholen
(19)
(21)
De leider van de Duitse neogotici, August Reichenspergcr (1808-1895) was de inspiraror van de voltooiing van de Keulse Dom (1840-1880) en daardoor ook van neogorische bouwcampagnes in België. V. BRANTS, L'Université de Louvain, Coup d'oeil sur son histoire etses institutions 1425-1900, Brussel, 1900. RUSSEL, LENERTZ FAMILIEARCHIEF, Ontwerp brief V. Lenertz aan f. Jansen. Het betreft een ongedateerd ontwerp van schrijven. BRUSSEL, LENERTZ FAMILIEARCHIEF, Ontwerp brief V. Lenertz aan j . Jansen. Het betreft een ongedateerd ontwerp van schrijven. Her archiefonderzoek heeft weinig briefwisseling tussen V. Lenertz en H. Martens opgeleverd en evenmin aanduidingen over een afgesproken taakverdeling. Mogelijks zijn de oorlogsomstandigheden ootzaak geweest dat slechts een klein gedeelte van het persoonlijk archief werd teruggevonden.
(22) LEUVEN, U.B., A.U.C.L. 1915-1919, dl. LXXIX. Leuven, 1924, p. 518-19. R. Lemaire bevestigde nadrukkelijk: "... Mais sa vraie spécialité fut Ie mobilier d'église. 11 a compose un grand nombre d'autels, de chatres de vérité, de bancs de communion, de chandeliers et d'autrespieces liturgiques, qui seplacentparmi ce que notre époque a produit de meilleur dans ce domaine, moins par la nouveauté de la conception que par Télégance des lignes et Ie s entimentprofonddu caractere des matériaux. ...". (23) L. WILS, Augustus 1914 Leuven brandt, in Alma Mater, jg. 44, nr. 2, 1990, p. 147-155. Op 25 augustus meenden Duitse soldaten dat zij het slachtoffet waren van Leuvense vrijschutters maar in werkelijkheid ging het om terugttekkende Duitse soldaten. De Duitsers, sommige dronken, gingen op eigen hourje over tot terechtstellingen, plunderingen en brandstichtingen. Op 26 augustus gingen de wtaakacties door, rhans op bevel van de Duitse Stadscommandant en er werden 200 inwoners doodgeschoten. Op 27 augustus moest de gehele bevolking de stad ontruimen want men zou Leuven met de grond gelijkmaken. Op 28 augustus was de Amerikaanse gezanrsschapssecreraris Gibbons getuige van deze actie. L. Wils ziet de vernietiging van Leuven als een element in de propagandasttijd van de prorestantse Duitse keizer die de gelegenheid te baat nam om het paapse België in Leuven, zetel van de Katholieke Universireit, re treffen. P. SCHÖLLER Le cas de Louvain et Ie livre blanc allemand, Paris -Leuven, 1958. De rhesis van de zogezegde Belgische sluipschutters, verdedigd in het Duitse Witboek terzake, werd onderuit gehaald door P. Scholier, op basis van de bevindingen van een comiré van drie Duitse en drie Belgische professoren. (24) LEUVEN, U.B., Ons land in woord en beeld Exrra nummer 17 augustus 1919. De verwoesting van Leuven 25 augustus, p. 417-439. " ... Onder anderen had het volgende plaats ten huize van den heer Lenertz, architect, chef der teekenafdeeling der universiteit, die een groot pand bewoonde op de Tienschelaan. Vader, moeder, kinderen, grootmoeder van 84 jaar, in 't geheel acht personen, meenden in het onderhuis een veilige schuilplaats te hebben gevonden. Het gevaar der zijnen ziende gaat de vader weer naar boven, snelt naar zijn voordeur en smeekt den officier medelijden te hebben met zijn gezin. Als antivoord krijgt hij een kogel. Zes dagen lang blijf zijn lijk ontgraven liggen, onder een heester van den boulevard". Voormelde tekst is opgenomen p. 421, de foto p. 425. (25) SINT-TRUIDEN, M & L LIMBURG, Rmkst Heilige Kruiskerk nr. 2179.
Brief van C. Lagasse de Locht, voorzitter van de K.C.M, aan mevrouw V. Lenertz dd. 30 juli 1921. (26) Religieuze Neogotiek in de Teutendorpen (tentoonsteliingscat.), Neerpelt, 1989, p. 209-210. In het kanton Neerpelt werden o.m. volgende kerkelijke gebouwen gerealiseerd. Het opgegeven jaartal venvijst naar het jaar van de aanvang der werken. Sint-Jan-Bapistkerk te Lommei Kerkhoven (vergroting, 1890), Sint-Pietersbandenkerk te Lommel(1900), Sint-Niklaaskerk te Neerpelt (1900), Sint-Laurentiuskcrk te Hamont (1903), SintCorneliuskerk Overpelt-Lindelhoeven (1905), Sint-Trudokerk te Eksel (vergroting, 1905), Sint-Jozefskerk te Overpelt-Fabriek (1905), Sint-Ursulakerk te Kleine-Brogel (1907), SintMonulfus en Gondulduskerk te Achel (vergroting, 1908), Kloostet en kapel Ursulinen Overpelt (1909), Sint-Monulfus en Gondulfuskerk te Sint-Huibrechts-Lille (1910), Sint-Hubertuscollege en kapel te Neerpelt (1910), Sint-Martinuskerk te Overpelt (1911), Norbertinessenklooster en kapel Neerpelt (1910), Sint-Barbarakerk te Lommel-Werkplaatsen (1911), Klooster en kapel Ursulinen Hamont (1913).
dit populaires sont suscités, tantala ville qu "a la campagne par des prêtres et des notables catholiques. Ceux-ci appartiennent soit a lélite fortunée, cést-a-dire aux censitaires quipeuvent élire, soit è l'intelligentsia qui, possédant les diplêmes, participe it tout Ie moins aux elections communales etjouit dune consideration sociale..." (32) P. Gérin, o.c, p. 157. "... Cest Ie premier mouvement qui désigne des aumóniers au niveau local et national. Les reunions comporteront une education religieuse. La presence et la messe mensuelle était ohligatoire. ... En bien de localités, a cótéd'un membre du clergé local qui se charge de tas de taches non seulement spirituelles mais matérielles, Ie chatelain local preside la section".
(27) F. VAN DUFFEL, Industrialisatie en verandering: Lommei tussen 1890 en 1914, {Maaslandse Monografieën, nr. 37), Assen, 1983, p. 14-25. Lommei werd tussen 1890 en 1904 gekenmerkt door een expansief demografisch patroon. De nataliteit steeg met 8,5 per duizend terwijl de mortaliteit daalde met 0,7 per duizend. Dit resulteerde in een verjonging van de Lommelse bevolking. Het aantal huwelijken verdubbelde en het aantal gezinnen nam toe met 33,9 procent. Voorts constateerde men een migratie-overschot. Het samengaan van al deze factoren zorgde voor een ware bevolkingsexplosie te Lommei. Tenslotte moet nog benadrukt worden dat de demografische ontwikkeling te Lommei veel gelijkenis vertoonde met die van Overpelt. Het ging het hier om een regionaal fenomeen.
(34) Bekend is bijvoorbeeld de enorme financiële inbreng van de familie Simons in de bouw van de kerk van Achel en KleineBrogel. Belangrijk waren de inbrengen via stichtingen en jaargetijden en de giften van de priesters en de burgerij.
(28) F. VANDUFFEL, o.c, p. 79. Vanaf 1895 werd de gemeentelijke toelage aan het Bureau voor Weldadigheid te Lommei verminderd. De invloed van de vestiging van de fabrieken ... deed zich rond 1893-94 gevoelen. De gemeenteraad motiveerde: "Daar de jaren bijzonder gunstig en de levensmiddelen buitengewoon goedkoop zijn en er alhier werk in overvloed is meenen wij dat de uitgaven van den armen merkelijk kunnen verminderd worden". Ook de alfabetisering ging gestaag vooruit. Het aantal gealfabetiseerden in de Lommelse bevolking nam tussen 1890 en 1900 toe van 49 tot 64 %. (29) F. VANDUFFEL, o.c., p. 7-8. Tussen 1846 en 1880 verminderde de oppervlakte van de Limburgse heidegronden van 31,8 tot 20,6 % terwijl de bosoppervlakte groeide van 8,7 tot 18 %. In Lommei nam de heideoppervlakte af met 21 % terwijl het boslandschap in diezelfde periode toenam met 14,4 %. Belangrijk was de aanleg van het Maas-Scheldekanaal (18421845) en Kanaal van Beverlo (1855). Het economische groeiproces werd ook sterk beïnvloed door de aanleg van de spoorweg Antwerpen-Mönchengladbach (1870-1879). Deze spoorlijn bracht eerst een emigratiebeweging op gang, in hoofdzaak naar Waalse en Duitse industriesteden. Op langere termijn schiepen de spoorweg en kanalen kansen voor de vestiging van grootindustrie. Vanaf 1880 was de Poudrerie Royale in Kaulille bedrijvig en in 1884 vestigde zich de Compagnie de la Forcité Poudreries Réunies de Belgique in Balen. In 1888 volgden de S.A. des Mines et Fonderies de Zinc de la Vielle-Montagne te Balen en de Zinkfabriek Schulte en Co in Overpelt en in 1904 in Lommei. Door het toenemend gebruik van kunstmest werd in 1895 in Lommel-Barier een chemische kunstmeststoffenfabriek gebouwd, de NV Unitas. In de Kempen was intussen ook een glasindustrie ontstaan. (30) E. Lamberts Inleiding in E, Lamberts (red.). Een kantelend tijdperk De wending van de Kerk naar het volk in NoordWest-Europa (1890-1910), (KADOC-STUDIES, nr. 13), Leuven, 1992, p. 8. (31) P. Gérin, Les mouvements populaires en Belgique, in E. Lamberts (red.), o.c, p. 149-150. "... Autour de 1890 tous les mouvements
(33) J. ART, ö c pastorale methodes van de Vlaamse parochiegeestelijkheid: verandering of continuïteit, in E. LAMBERTS (red.), o.c, p. 239., "... dat de inzet van de Vlaamse parochiegeestelijkheid voor de katholieke sociale werken (en de Vlaamse Beweging !) minstens evenzeer door hun antiliberale als door hun antisocialistische gevoelens kan verklaard worden. De clerus was in 1890 door en door ultramontaans, d.w.z. tot op bepaalde hoogte anti-liberaalkatholiek..."
(35) R. C O U G H , A mode pointed out for preserving ancient Edifices, in The Gentlemen's Magazine, nr. 58, dl. 2, 1788, p. 689-691. (36) H. STIJNEN, De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen: een terugblik over de periode van 1835 tot de jaren zestig, in M & L, jg. 4, nr. 1, 1985, p. 6-36. (37) W. DRIESEN, Bulletin des Commissions Royales dArt et dArchéologie (Brussel 1862-1942), (Limburgse Referenties, nr. 1), Hasselt, 1992, p. XII. Voor Limburg werden als correspondenten aangesteld: C. de Borman, G.-J. de Corswarem, A. Perreau, F. Driesen, H. Jaminé, J. Reinartz, H. Schuermans, B. van Dijck. De provinciegouverneur fungeerde als voorzitter van het Provinciaal Comité. Art. 2 van het K.B. van 31 mei 1860: "... De briefwisselende leden verzamelen de inlichtingen en geven de berighten welke hun door de Kommissie worden gevraagd en zij bewaken, desnoods de uitvoering van de werken ... Zij kunnen ook ambtshalve de aandacht der Kommissie of des Staatsbestuers inroepen op de maatregelen welke zij nuttig oordelen voor de bewaring der gedenkgebouwen of der kunstvoorwerpen...". (38) W. DRIESEN, o.c, p. 3 - 1 4 3 . (39) Gilde de Saint-Thomas et de Saint-Luc Bulletins des Séances, dl. 16, Brugge, 1904, p. 196-206. De ledenlijst van 3 maart 1904 vermeldt de naam van C. Lagasse-de Locht (Inspecteur-général des Ponts et Chaussées, 167 chaussée de Wavre, Bruxelles). Hij komt voor op de "Liste des membres de la Gilde de saint Thomas et de saint Luc" als gewoon lid of "confrère". Dat Vincent Lenertz voor de goedkeuring van zijn projecten gemakkelijk contact kon hebben met voorzitter C. Lagasse de Locht heeft zeker ook te maken met het feit dat beiden lid waren van dit broederschap. Ook J. Helleputte was sedert 1875 lid van de Gilde en sedert 1885 lid van de Koninklijke Commissie, waarvan hij in 1895 ondervoorzitter werd. (40) HASSELT, P.A.L., Memoriael van administratie der Provincie Limburg Boekdeel Xll 1ste halfjaar, nr. 63, Hasselt, 1839, p. 295-301. Kerken en Bezichtiging der gebouwen. Schrijven van baron W. de Lamberts-Cortenbach, gouverneur van 18341843 aan de Gemeentebesturen en de Arrondissementscommissarissen. "... dat, naer luyd van het artikel 41 van het Keyzerlyk dekreet van den 30 december 1809, de HH. Kerkmeesters en byzonderlyk den thesaurier, gehouden zyn toetezien dat al de herstellingen welke het kerkgebouw mogt vereyschen, wel en spoedig worden uytgevoerd. Zy zyn buytendien verpligt de gebouwen, met deskundigen, twee mael sjaers te bezigtigen, te weten in den beginne van het vroegjaer en van den herfst... De bestekken der grove herstellingen moetende onderworpen worden aen den fabriekraed...".
(41) Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de diverse verleende goedkeuringen voor de bouw van de Sint-Niklaaskerk te Neerpelt: Plannen H. Martens en V. Lenertz dd. 10 mei 1898, Goedkeuring door de Kerkfabriek dd. 23 mei 1898, Goedkeuring door de Gemeenteraad dd. 10 juni 1998, Visum door de Koninklijke Commissie dd. 21 October 1899, Visum door de Minister van Justitie en Koninklijk Besluit dd. 28 april 1900. (42) Bij wijze van voorbeeld inzake de subsidiëring. HASSELT, P.A.L., Kerkfabriek Sint-Momdfus en Gondulfuskerk Achel Propositions de subsides dd. 11 septembre 1908. De kosten voor de vergroting van de kerk te Achel samen met de bouw van een nieuwe toren werd begroot op 81.432,65 frank en na aanbesteding toegewezen tegen de som van 81.389 frank. De gemeente Achel kwam tussen voor een bedrag van 21.398,16 frank en de kerkfabriek ten belope van 36.624,16 frank, hetzij een totaal bedrag van 58.022,32 frank gedragen door de bevolking van Achel. Het deficit ad 23.366,68 frank werd betaald door de Provincie ad 10.000 frank, door het Ministerie van Justitie en Erediensten ad 10.000 frank en door Schone Kunsren ad 3.366,68 frank. (43) HASSELT, P.A.L., Memoriae! van Administratie der Provincie Limburg, Boekdeel L1X, nr. 260, Hasselt, 1862, p. 561-592. Dienst der provinciale bouwmeestets: verordening en onderrigtingen. ib.. Boekdeel LXXIV, nr. 102, Hasselt, 1870, p. 427-450. Dienst van de provinciale bouwmeester: nieuw reglement Onderrichtingen, ib.. Boekdeel 130 dl 1, nr. 151, Hasselt, 1898, p. 897-932. De functie-omschrijving van de provinciale architect werd voor Limburg geregeld in voormelde verordeningen van de jaren 1862, 1870 en 1898. In Limburg hebben drie generaties Jaminé deze functie bekleed: Léon Jaminé (1858-1921) die zijn vader Herman (1826-1885) en zijn grootvader Lambert (1800-1871) heeft opgevolgd. (44) Voor een voorbereidende studie voor het verplaatsen van de toren werd beroep gedaan op ir. Albert Morglia en ir. Henri Weiss. Het aannemingscontract werd op 15 november 1909 getekend door A. Morglia. Op 26 juli 1910 brak de toren in tufkrijt van Maastricht van zijn funderingen los. De middeleeuwse vierkantige toren met een zijde van 9m50, een hoogte van het metselwerk van 24m60 en een totaal gewicht van 2.600.000 kg werd opgetild en geleidelijk verplaatst zodat hij op 5 augustus 9m40 in westelijke richting was opgeschoven. (45) De westertoren van de Sint-Monulfus en Gondulfuskerk te Achel werd evenwel afgebroken ten behoeve van een vergroting van de kerk. Men motiveerde zulks vanuit het relatief bouwhistorische belang van deze toren die (slechts) dateerde uit 1756. (46) HASSELT, P.A.L., P.D.G., Achel Sint-Monulfus en Gondulfuskerk, Brief van 10 februari 1904 van de K.C.M, aan de Gouverneur. (47) A. Cl.AASSEN, Achel Achthonderdvijftig jaren kerk en kerkelijk leven 1139-1989, Hamont-Achel, p, 41-45. Terzelfdertijd werd de bouw van een pastorij aanbesteed, voor de som van 17.970 frank toegewezen aan aannemer M. Van Werde. Bijkomende werken aan de kerk drongen zich op: een verdieping van de funderingen en vernieuwing van het dak van de oude kerk, en voorts de bouw van een kelder voor de verwarmingsinstallatie en de restauratie van het koor en de twee transeptarmen. Adriaan Simons, afkomstig van Achel en oud-pastoor te KleineBrogel, deed een schenking van 30.000 frank. Voorts waren subsidies voorzien vanwege de Gemeente ad 34.421 frank en de Staat ad 30.000 frank. Tijdens de bouwwerken werd een loden doosje ingemetseld, met een Latijnse tekst, te vertalen als: "Onder de gelukkige regering van paus Plus X, het vaderlijke beleid van Martinus Hubertus Rutten, bisschop van Luik, onder pastoor Goswin Constans Custers, onder het vredige beheer van Graaf Cornet de Peissant, burgemeester van Achel, werd door pastoor Custets deze
gedenksteen geplaatst". De plechtige inwijding van de kerk door Mgr. M. Rutten vond veel later plaats, op 2 oktober 1913. HASSELT, P.A.L., P.D.G. ik. Proces-verbaal van voorlopige keuring der werken van 22 november 1909. Proces-verbaal van definitieve goedkeuring van 22 februari 1911. Begroting van Kosten voor eenen trottoir, treden en bijhorigheden aan de Kerk van Achel van 16 januari 1911 van H. Martens. Bijzonder Lastenboek van 26 juli 1911 van H. Martens. Later volgde dus nog de aanleg van een voetpad in kasseien rondom de kerk en een dakwaterafleidingssysteem, begroot op 5.708,26 frank. (48) B. INDEKEU (red.). Vijf eeuwen bouwgeschiedenis van de Lommelse Sint-Ptetersbanden, (Publicaties van VZW Museum Kempenland te Lommei, nr. 11 ), Lommei, 1993. Dit verzamelwerk is een deskundige leidraad voor de geschiedenis en de beschrijving van de kerk. (49) ID., p. 77., T. MERTENS, Uit licht geboren Gust Ladon (18631942 ) Hoogtepunt van neogotische glasschilderkunst. Lommei, 1990, p. 115. (50) B. INDEKEU, o.c, p. 81-82. T. MERTENS, Uit licht geboren Gust Ladon (1863-1942) Hoogtepunt van neogotische glasschilderkunst Lommei, 1990, p. 115. H. Martens Bouwmeester (Brochure Davidsfonds Stevoort Wijer 23.10.1983), 1983, p. 33. "... H. Martens beweert dat men tegen hem samenzweert om hem te doen vallen en zegt niet te kunnen aannemen zich met een andere architect aan te sluiten. ..." J. CLAYKENS, Eenige aantekeningen over het ontwerp en de uitvoering eener nieuwe kerk te Lommei Dagboek 1891-1903, p. 17. "... Daarop verzoek ik onmiddellijk M. Martens zondag 28 jan. zich naar Leuven te begeven, om te beproeven van met deze heer ten accoord te kunnen komen. Moest het anders zijn wij gedwongen zouden zijn met eenen anderen architect ons aan te sluiten. Het werd dan gedaan en zij kwamen overeen. Op 7 Febr. erna kwamen beiden naar hier..." (51) B. INDEKEU, o.c, p. 84. J. CLAYKENS, o.c, p. 42. "... Bij den aanvang waren de HH. Martens, architect-opzichter (Mr. Lemertz (sic) slechts driemaal gekomen, heeft dit aan M. Martens overgelaten), Leurs en Nelissen, toezichter door M. jaminé aangesteld. Deze Heer heeft zijn ambt op met prijzenswaardige wijze uitgevoerd. ..." (52) B. INDEKEU, o.c, p. 86-87. T. MERTENS, o.c, p. 116. J. CLAYKENS, o.c, p. 50 en 54. "... Het toezicht geschiedde niet zoo goed als men had kunnen verlangen. De architekt Lemertz (sic), om M. Martens niet te misdoen, durfde niet komen. Deze nu scheen minder iever voor het werk te hebben en zag er te min na om. Overigens is deze een getrouw man en van veel geweten. Doch de moeilijkheden van vroeger hadden misschien zekeren nadeeligen indruk nagelaten. ...". (52) INDEKEU B., o.c, p. 86-87. T. Menens, o.c, p. 116. CLAYKENS J., o.c, p. 50 en 54. "... Het toezicht geschiedde met zoo goed als men had kunnen verlangen. De architekt Lemertz (sic), om M. Martens niet te misdoen, durfde met komen. Deze nu scheen minder iever voor het werk te hebben en zag er te min na om. Overigens is deze een getrouw man en van veel geweten. Doch de moeilijkheden van vroeger hadden misschien zekeren nadeeligen indruk nagelaten..." (53) HASSELT, P.A.L., P.D.G. Kerkfabriek Sint-Pietersbanden Lommei, Uittreksel uit het register van beraadslagingen van de kerkfabriek van Lommei, s.d., "... De raad, inziende dat er nog een gestoelte ontbreekt in het priesterkoor. Ordelende dat dit meubel even noodzakelijk als sierlijk ware. Gezien de teekeningen en soumissie respectievelijk ingediend door de heeren Lenertz, bouwkundige & P. Roemaet, beeldhouwer, bedragende deze de som van zes duizend zes honderdftank....". (54) NEERPELT, PAROCHIAAL ARCHIEF, Stokregister der titels van de Kerk-Fabriek van Neerpelt Provincie Limburg Arrondissment Roermond, 1836. (55) NEERPELT, PAROCHIAAL ARCHIEF, Dagboek, p. 5. "... In 't jaar 1896 maand maart zijn begonnen voor het houwen van eene nieuwe kerk de maandelijksche rondhalingen ten
huize, welke voortgezet zijn geworden gedurende 2 jaar uitgenomen hij degenen die eene som ineens te geven wanneer er begin gemaakt wordt met de houwing, beloofd hebben. ...". De omhalingen brachten in 1986 480 frank op, in 1897 460 frank, in 1898 511,30 frank, in 1899 512,50 frank. (56) SINT-TRUIDEN, M & L LIMBURG, ib., Brief van 18 april 1899 van V. Lenertz en H. Martens aan de voorzitter van de K.C.M.. Uit dit schrijven blijkt tevens dat H. Mattens op 14 april 1899 een persoonlijk onderhoud gehad heeft met de voorzitter en dat men van hogerhand aangedrongen had op de samenwerking tussen beide archirecten, die aldus "de concerr" samenwerken in Lommei, Peer, Moperringen, Neerpelt. Brief van V. Lenerrz van 18 april 1899 aan de voorzitter van K.C.M.. Cfr. voetnoot 49. (57) HASSELT, P.A.L., ib.. Brief van 1 mei 1900 van Ministerie van Justitie aan K. Gielen en aan ]. Helleputte. Deze brieven werden op 2 mei 1900 door de beide bemiddelaars doorgezonden aan de pastoor, met gelukwensen. J. Helleputte toonde zijn betrokkenheid bij het project door reeds op 1 mei 1900 om 16 uur vanuit Brussel een telegram te sturen aan pastoor J. Geloudemans met de bewoordingen: "Komnglijk besluit geteekend 28 april proficiat brief volgt Helleputte". (58) NEERPELT, PAROCHIAAL ARCHIEF, Dagboek, p. 4. Notulen van de Kerkfabriek van 3 april 1904. Brief van de Kerkfabriek aan de Minister van justitie van 23 april 1904. De bevolking van Neerpelr nam toe van 1.852 inwoners in 1830 tot 2.025 in 1893, in 1897 tot 2.448, in 1898 tot 2.593, in 1899 tot 2.681, in 1900 tot 2.757, in 1901 tot 2.843, in 1902 tot 2.977, in 1903 tot 3.076, in 1904 tot 3.172, in 1905 tot 3.273, in 1906 tot 3.405 (59) J. CUYVERS, De Sint-Ursula-parochie van Kleine-Brogel, in De Zeven Torens, jg.l, nr. 2, p. 27. De auteur stelt dat pastoor J. Vencken onmiddellijk contact nam met jozef Voets, ontvanger van de Kerkfabriek, die beweerde het nodige geld voor een nieuwe kerk in de beurs re hebben. (60) SINT-TRUIDEN, M & L Limburg, Kleine-Brogel SintUrsulakerk, nr. 2709. In deze bundel werd een handgeschreven nora aangetroffen van de hand van volksvertegenwoordiger Joris Helleputte en gedateerd op 4 september 1904. Blijkbaar heeft men vanuit de Kerkfabriek conract genomen met J. Helleputte om van hem steun te bekomen bij het op gang brengen van het dossier. J. Helleputte, lid van de K.C.M leek aan te sturen op een plaatsbezoek vanwege de K.C.M.: "... Vivement recommandé a mon cher Président. Peut-être cette inspection pourrait-elle avoir lieu en m'eme temps que celle d'Opglabbeek. Merci d'avance. ...". (61) HASSELT, P.A.L., Kerkfabriek Kleine-Broget Sint-Ursulakerk. Brief van H. Martens en V. Lenertz van 22 juli 1905 aan de Kerkfabriek, het Gemeentebestuur van Kleine Brogel en aan "de Hoogere Overheid". Bij dit schrijven voegden zij het ontwerp voor een nieuwe kerk en motiveerden het vanuit de "plaatselijke noodwendigheden". De kerk werd voorzien met 225 m" vrije oppervlakte "totgebruik der geloovigen" waarbij verwezen werd naar de bevolkingstoename en de toeloop van gelovigen uit andere gehuchten, o.a. Herent en Kolis in Neerpelt. Men stelde formeel dat bij een recent plaatsbezoek vanwege de Bestendige Deputatie en de provinciale bouwmeester, de beslissing genomen is om de toren te bewaren. Er werd voorgesteld de torenspits te vervangen en tevens de torenmuren 5,50 m op re trekken. Tenslotte opteerde men voor een kelderverdiep als bergruimte. (62) KLEINE-BROGEL, PAROCHIAAL ARCHIEF, J. VOETS, Kerkregister Kleine-Brogel 1989-1947, nr. 1, fol. 84. "... Den 7 augustus 1906 heeft Mr. Jaminé, provincialen bouwmeester te Hasselt, gezegd van de beuk van ons kerk laten te staan en er twee nieuwe aan toe te voegen. Wij gezegd van dan maar niets te bouwen indien de oude kerk nietgansch afgebroken mocht worden. ...". (63) SINT-TRUIDEN, ib.. Brief van 11 september 1906 van V. Lenertz aan de Voorzitter van de K.C.M.. "... La petite église-chapelle de ce village ne présente point de caractere architecural et nous étions tous d'avis de devoir faire une nouvelle
construction. La tour seule est monument et présente bien Ie type des formes du XLVe siècle. Aussi avons nous choisi ce style pour élaborer Ie projet de la nouvelle église. La bonne orientation de Tancienne église a été maintenue. Comme dans toute question ily a plusieurs Solutions, nous avons choisi a notre avis la plus pratique en donnant satisfaction it tous. Nous serions heureux si nous pouvions compter sur l'appui de l'autorité competente. ..." (64) SINT-TRUIDEN, M & L Limburg, Brief van 29 november 1906 van de K.C.M, aan de Gouverneur. Het ontwerp werd gunstig geadviseerd : "... Au cours d'une visite des lieux et après mur examen de la situation, nous avons dü reconnattre que la solution proposée par Ie projet ci-annexé, qui maintient l'ancienne tour, est la plus pratique. Tout en admettant que, dans son ensemble, l église de Petit-Brogel constitue un type d église de petite paroisse, il n 'en est pas moins vrai que tout agrandissement dans des propositions convenahles, fera nécessairement disparaitre ce type. Désirant la conserver, nous avons décidé d'en faire un relevé exact par un de nos dessinateurs. Rien n 'empèchera de Ie reproduire dans une autre localité peu importante lorsque Ie cas se présentera." Aan leerling-architect van de K.C.M. E. Dhuicque werd opdracht gegeven tot het opstellen van een grondplan, van doorsneden en opstanden van de oude kerk, op een schaal van 0,01 = lm. De toenmalige commissie was samengesteld uit voorzitter Lagasse de Locht, secretaris Massaux, en leden J. Helleputte, Henri Maquet en Kannunik Van Caster. (65) HASSELT, P.A.L., ib.. Verklaring van 30 april 1908 van H. Martens "... De ondergeteekende H. Martens mede-bouwmeester der nieuwe kerk van Kleine-Brogel verklaart door deze dat al de werken der onderneming alsmede eenige noodige voorziene werken gansch zijn afgeleverd en ingevolge kunnen onderworpen worden aan de voorloopige goedkeuring, te doen door den Heer provinciale bouwmeester. ...". KLEINE-BROGEL, ib., fol. 87. "... Paaschdag 19 april 1908 is een blijde dag geweest voor onze brave inwoners. Immers dien dag werd onze schoone nieuwe kerk ingehuldigd....". (66) KLEINE-BROGEL, ib., fol. 282-283. Het gaat om een transcriptie van een brief van 15 maart 1919 van Secreraris van het Bisdom, Ch. Lucas, aan J. Voets, Burgemeester van KleineBrogel. "... Sedert lang had ik U willen schrijven om U te zeggen met welke vreugde ik vernomen heb dat Uw brave inwoners U eene schoone som geld bezorgd hebben, omeen nieuw hoogaltaar te plaatsen. Lk wist wel dat zij mijn en Uw verlangen zouden verwezenlijken. Gij hebt waarschijnlijk den Architect reeds ontvangen en met mij zult gij de opvatting van het altaar bewonderen. Het zal een pronkstuk te meer zijn in uwe schoone en godvruchtige kerk. Misschien valt de prijs tegen ? Het komt door de omstandigheden. Het is echter een werk van liefde en dankbaarheid en ik ben zeker gij zult ontvangen wat ontbreekt. Hoe schoon is het tabernakel. Lk denk aan U, Geachte Heer Burgemeester en ben zeker dat U met vreugde op zich zult nemen van het tabernakel te betalen. Wat troost later aan onzen lieven Heer te kunnen zeggen: Heerjesus! Lk heb U op aarde ene woonplaats verzekerd; kunt gij mij Uw hemel weigeren? Wilt U aan Uw inwoners mijne gedachten mededeelen? Hoe gelukkig zou ik wezen het plan te zien uitvoeren. ...". Her hoofdaltaar werd in 1919 geplaatst en had 19.775 frank gekost.
SUMMARY Neo-Gothic churches in Northern Limburg
The architects' Association of Hyacinth Martens and Vincent Lenertz
The Van Tilt estate at Holsbeek and the inventory of historic gardens and parks of Flemish Brabant At the statt of 1997 it was decided to draw up an inventory of the historic gardens and parks of the Flemish Brabant province. The approach would include cultural, (art)historical, aesthetic, architectural, socio-economic, dendrological, horticultural and landscape-ecological aspects; also partially or entirely vanished objects are to be tegistered. The research procedure includes analysis of existing literature, areal photographs, historic maps, public and private archives (esp., cadastral), and field research (detailed dendrological record; architectutal features such as vista's, statues, garden furniture, microrelief...). The dendrological records will feed the re-edition of the Big-Tree Registet fot Belgium ('Bomen in België', 1992) by the Belgian Dendrological Society. In the course of 1999 a first volume will be published on the gatdens and parks of six more or less rural municipalities east of Leuven (Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Holsbeek, Lubbeek and Tielt-Winge), fifty-five 'objects' in total. The following article on Van Tilt estate at Holsbeek may be viewed as a sample of the 1999 edition. The Van Tilt estate is a typical case of an eclesiastical property, a farmstead cum pleasure house owned by a Leuven university college, confiscated by the 'French' authorities in 1796, and bought by a member of the emergent capitalist bourgeoisie, the Leuven brewer Jacques Van Tilt, who established himself as a large scale landholder. From 1868 on, the moated pleasute house was rebuilt into a real 'castle', the farm buildings demolished and replaced by a coach-house and stables, and the rudimentary lay-out of the pleasute grounds transformed into a romantic, 'informal' park, evoking a picturesque fluvial landscape with the castle at the river bend. Burnt down by German troopers (as several other manors, and the town-centres of Leuven and Aarschot), it was tebuilt in 1920. Along with the reconstruction, the park was considerably extended to the north and the east. This second 'bloom' lasted for barely a decade. The economic depression of the thirties and wartime family tragedy put an end to further development. From 1950 on, most of the rural surroudings of the estate were sacrificed to housing development, but the park remained. Due to lack of maintenance, several features and elements deteriorated or disapeared (e.g., kitchen garden, rose-garden, charmille,...) but its basic architectutal qualities and dendrological value (see list) are still conspicious.
M&L
The Neo-Gothic church building programme in Northern Limburg around the tutn of the century, should be seen against its specific religious, political and social background. The local rural population was increasingly confronted with modern times in all its apsects: industrialization, population growth and political plutalism. The influence of the Boerenbond (farmers' union) was of vital importance on a social as well as on a political level. It sttived for the people's neo-corporatistic emancipation, building a vast and dense network of service organizations, strongly linked with the diocese. The structure of the otganization allowed it to efficiently mobilize its membets and develop a great local dynamism. Catholics had a firm grip on political life which went hand in hand with a militant christian revival, aimed against socialism and liberalism. Protagonists of this movement adhered to ultramontane ideas and propagated. NeoGothic design as a way of expressing this renewed, religious feeling. Being the founder of the Boerenbond, the politician and architect J. Helleputte was a figure of great importance; he was closely involved in political and social life in Northern Limburg and intervened in many plans for the construction of churches. Martens and Lenertz were complementary, in the way that H. Martens had a sound professional experience and knowledge and thad Lenertz contributed his excellent technical skills and, as an adept of Gothic and Neo-Gothic art, his being familiar with architectutal and artistic styles. Martens was well acquainted with the local clergy and provincial authorities while Lenertz could directly approach his friends in the Guilds of St. Thomas and of St. Luke, among them politicians, of the Royal Commission on Monuments members, artists and ctaftsmen of St. Luke academies. Martens was the man in the field, familial with building sites, ctaftsmen and materials, whereas Lenertz did the supervision of the projects and kept an eye on the total concept. Furthermore, he was responsible for the finishing of the church interiors and the design of Neo-Gothic furniture. With some pressure of the Royal Commission on Monuments, whereof Joris Helleputte was a member, the local master builder Martens was associated with the architect Lenertz. The latter was also an assistant of J. Helleputte, thus increasing the influence of the Royal Commission and Helleputte's entourage. The dynamism of the local clergy, dignitaries, bourgeoisie and parishioners was of vital importance for the construction of churches. The financing depended in the first place on funding of the locals, devoted to religious life and spurred on by the priest. Government funding was nevertheless necessary. At the turn of the century, the ambitious church building scheme was a pure necessity, seen the poor maintenance of existing churches, which often proved too small and in bad condition, in sum unusable. Although the dioces gave incentives through the local clergy for the church-fabtics to take theit responsibility in building new churches. As there were only little resources, churches were limited to theirconstructional essence, rational in concept and functional in construcrion, wirh little ornaments. The simplicity of the constructions give these Neo-Gothic churches a timeless splendour. The architecrure by Martens and Lenertz witnesses of a constructional and functional rationality, typical for St. Luke's architects. Church interiors were richly decorated, thus enhancing the harmony between religious architecture and believers.
RESTAURATIE & MONUMENTENZORG Oostveldkouter 26 • 9920 Lovendegem
Meubilair (wel en niet gepolychromeerd) Sculptuur (steen en hout) • Leder Bodemvondsten (hout en leder) Schilderijen (paneel en doek)
ONDERZOEK & BEHANDELING Lauwers M.
09/372 63 03
Van Der Biest L.
03/771 44 66
Vandenborre H.
09/372 63 03
FAX
09/372 63 03
Uit respect voor ons patrimonium ons leefmilieu
NATUURLIJK HYDRAULISCHE KALK VAN
SAINT-ASTIER
Alle produkten van St.-Astier zijn genormaliseerd volgens de nieuwe Europese norm betreffende bouwkalk
in voer/d istr.: Peter STEEN Tel. 057/20.92.41 GSM 075/36.27.59