Skip to main content

Nota_handicap_arbeid_2017_verkorte_versie.pdf

Page 1

Voorkomen van handicaps en arbeidsdeelname op basis van EAK De resultaten op de vraag naar het voorkomen van hinder (voor de precisie vraagstelling, zie bijlage), zijn als volgt : Tabel 1: Het voorkomen van hinder in dagelijkse bezigheden (20-64) Hinder

2007 2e

kw.

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

Jaar

in zekere mate

6.1 7.3

6.2 5.3

6.3 4.8

6.7 6.5

7.1 6.4

7.1 6.6

7,1 6,9

7,7 7,2

7,8 7,2

Totaal hinder

13.3

11.4

11.2

13.2

13.5

13.7

14,0

14,8

14,9

in erge mate

Zonder hinder

86.7

88.6

88.8

86.8

86.5

86.3

86,0

85,2

85,1

Totaal

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

3.6

2.6

2.8

0.9

0.4

0.6

0.5

0.5

0.5

3.684

3 731

3 754

3 774

3 785

3 795

3 800

3 806

3 812

490

425

420

498

511

520

532

563

567

Geen Antwoord % Totaal (incl. GA)* x 1000 Met hinder (op basis van totaal inclusief GA)* X 1000

Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE) *Afgeronde cijfers van de extrapolatie van de steekproefgegevens naar de hele bevolking

Het aandeel personen die erge hinder rapporteren is stijgend en ligt tussen 6,1% en 7,8%. In 2016 zijn dit ongeveer 295 000 personen. Het aandeel dat in zekere mate hinder rapporteert is ook stijgend en varieert tussen 4,8% en 7,3%. Voor heel 2016 (7,2%) zijn dit ongeveer 270 000 personen. Het totaal met hinder gaat van een dieptepunt in 2010 met 11,2% naar een hoogtepunt met 14,9% in 2016 of bijna 570 000 personen. Tabel 2: Werkzaamheidsgraden (%) van mensen met hinder in dagelijkse bezigheden (20-64) 2007

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2e

kw

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

in erge mate in zekere mate

25,3 57,2

22,4 55,3

18,2 53,8

21,9 55,9

21,1 58,2

23,8 58,4

27,0 58,9

25,6 61,9

24,7 58,8

Totaal hinder

42,7

37,5

33,5

38,6

38,7

40,4

42,7

43,1

41,0

Zonder hinder

77,4

76,0

77,3

77,0

76,7

77,0

76,7

77,0

77,6

Hinder

Verschil in ppt 36,4 34,7 38,5 43,8 38,4 38,0 36,6 34,0 33,9 zonder - met Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Op basis van de metingen wordt tussen 2007 en 2010 een sterke daling vastgesteld in de werkzaamheidgraad van de mensen met hinder. In de groep zonder hinder was er een veel kleinere daling. Na 2011 stijgt de werkzaamheidsgraad, tot 2015, maar in 2016 is er opnieuw een daling. Op de volgende pagina staan de gegevens over voorkomen van hinder en de werkzaamheidsgraad voor de verschillende regio’s van 2011 tem 2016.

1


Grafiek 1: % bevolking met hinder in dagelijkse bezigheden (20-64 jaar) 20 19 18 17 16 15 14 13 12

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Vlaams Gewest

13,2

13,5

13,7

14,1

14,8

14,9

Brussel

15,4

14

15

15,2

16,1

14,5

Waals Gewest

17,2

18,1

17,6

17,9

18,3

17,1

Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Grafiek 2: Werkzaamheidgraad (%) van mensen met hinder in dagelijkse bezigheden (20-64 jaar) 45

42

39

36

33

30

27

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Vlaams Gewest

38,6

38,7

40,4

42,7

43,1

41

Brussel

29,7

32,8

32,7

31,2

31,9

32,6

Waals Gewest

32,4

33,8

35

33,7

33,2

33,5

Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

2


Analyse van de EAK-gegevens over het hele jaar 2016 Eén persoon op de zeven (14,9%) zegt een handicap of een langdurige gezondheidsstoornis te hebben die hinder veroorzaakt in het dagelijkse leven. Het betreft 567 000 personen (20-64 jaar). Er is een grote kloof (36,6 ppt) in werkzaamheid tussen personen zonder of met hinder (77,6% - 41,0% werkenden). T.o.v. personen die in erge mate hinder ondervinden is die kloof nog veel groter (52,9 ppt). In deze laatste groep zijn er zeer veel inactieven (73%) waaronder velen die volledig arbeidsongeschikt zijn en wellicht nooit (meer) aan werken toe zullen komen. Tabel 3: Arbeidsdeelname (%) in het Vlaams Gewest (20-64 jaar) (2016) Hinder IAB-statuut Erge mate (1) Zekere mate (2) (1) + (2) Geen hinder Werkloos 2,4 4,9 3,6 3,5 Inactief 73,0 58,8 55,4 18,9 Werkend 24,7 36,3 41,0 77,6 Totaal (N)* 295 000 270 000 567 000 3 230 000 % in de populatie 7,8 7,2 14,9 85,1

Totaal 3,5 24,4 72,1 3 795 000 100

Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE) *Afgeronde cijfers van de extrapolatie van de steekproefgegevens naar de hele bevolking (17 000 personen gaven geen antwoord op de vraag naar hinder).

Tabel 4 en Grafiek 3 tonen hoe de werkzaamheid varieert naargelang de leeftijd en de handicap of de langdurige gezondheidsaandoening. Tabel 4: Aandeel in de bevolking van werkenden en niet-werkenden naar handicap per leeftijdscategorie (horizontale %) (2016) Werkend Niet-Werkend Zonder handicap Met handicap Met handicap Zonder handicap 20-24 43,9 2,2 3,6 50,3 25-29 79,6 2,8 3,4 14,2 30-34 80,8 4,6 3,6 11,1 35-39 81,0 5,6 5,0 8,4 40-44 79,3 7,1 6,4 7,1 45-49 79,6 8,4 7,9 6,8 50-54 71,6 9,5 10,4 8,5 55-59 56,8 9,6 16,7 16,8 60-64 20,8 3,6 20,8 54,8 20-64 66,0 6,1 8,8 19,1 Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

In grafiek 3 worden de aandelen van de vier onderscheiden groepen binnen elke leeftijdscategorie op elkaar gestapeld tot 100%. Vanaf de horizontale as wordt eerst het aandeel uitgezet van de categorie werkend-zonder handicap (oranje vlak). Daarbovenop komt de categorie werkend-met handicap (donkergroen vlak) en nog eens daarbovenop de categorie niet-werkend met handicap (lichtgroen). De lijn tussen de werkende en de nietwerkende gehandicapten (tussen donker- en lichtgroen) markeert dus ook de overgang tussen

3


werkenden en niet-werkenden. De bovenste ruimte (paars) bevat de niet-werkenden zonder handicap. Het verloop van de lijn die werkenden en niet-werkenden scheidt toont het bekend gegeven dat de werkzaamheid onder jongeren snel stijgt en op een hoog niveau blijft tot ongeveer vijftig jaar waarna een snelle daling intreedt. De hele groep gehandicapten bevindt zich in de donkere en lichtgroene ruimte. Die ruimte wordt breder op hogere leeftijden. In de leeftijdscategorie 20-24 omvat de categorie gehandicapten nog maar een 5%, in de leeftijdscategoriĂŤn 55-59 jaar bereikt ze het maximum van meer dan 25%. De handicap-ruimte wordt op jongere leeftijden vrijwel gelijk verdeeld in donker en lichtgroen, wat betekent dat het aandeel werkende en niet-werkende gehandicapten bijna in evenwicht is maar vanaf 50 jaar buigt de scheidingslijn tussen werkenden en niet-werkenden heel snel naar beneden, wat aantoont dat de grotere groep gehandicapten op hogere leeftijden steeds minder werkenden omvat. Grafiek 3: Werkzaamheid naar handicap en leeftijd (2016)

Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Het is duidelijk dat leeftijd en handicap een effect hebben op de werkzaamheid, maar er zijn nog andere factoren zoals sekse en opleidingsniveau die ook een rol spelen. Over de relatie tussen al deze kenmerken en de werkzaamheid kunnen de volgende vaststellingen worden gemaakt op basis van de EAK-2016 voor de 20-64 jarigen.

4


✓ De werkzaamheidgraad is hoger bij mannen (76,3%) dan bij vrouwen (67,7%) ✓ Bij 20-49 jarigen is de werkzaamheid veel hoger (79,2%) dan bij 50+ ers (59,1%) ✓ Bij hooggeschoolden is de werkzaamheid veel hoger (84,1%) dan bij laaggeschoolden (50,4%). Bij middengeschoolden is dit 72,3% Maar diezelfde factoren staan ook in relatie tot het ervaren van hinder door handicaps of langdurige gezondheidsaandoeningen. ✓ Hinder komt iets meer voor bij vrouwen (15,7%) dan bij mannen (14,2%). ✓ Onder de 50-64-jarigen ervaart 23,4% hinder, onder de 20-49 jarigen slechts 10,3%. ✓ Onder de laaggeschoolden ervaart 28,2% hinder, onder de hooggeschoolden slechts 7,7% en onder middengeschoolden 14,6%. Als we vaststellen dat de werkzaamheid van mensen die hinder ondervinden door een handicap veel lager is dan die van mensen zonder hinder, hoe kunnen we dan onder de determinerende kenmerken de aparte invloed van hinder onderscheiden? Om die vraag te beantwoorden is met de gegevens van een meerdere jaren een binaire logistische regressie uitgevoerd op de kans om te werken versus niet te werken, met sekse (M/V), leeftijd (20-49/50-64), opleidingsniveau (laag / midden en hoog) en hinder (neen/ja) als voorspellende variabelen (zie alle vorige versies van de nota Handicap & Arbeid). In alle analyses bleek dat de hinder de sterkste invloed heeft, gevolgd door opleidingsniveau, leeftijd en sekse. Wanneer we in het model niet alle gezondheidsproblemen en handicaps opnemen, maar enkel die welke erge hinder veroorzaken, dan is de invloed van hinder nog sterker. Onder de 567 000 mensen (20-64) die hinder ondervinden zijn er 334 000 nietberoepsactieven. Dit zijn in hoofdzaak inactieven (314 000) naast een 20 000 werkzoekenden (IAB-definitie)1. Daarnaast zijn er 233 000 beroepsactieven. We gaan wat dieper in op de onderscheiden groepen. 1.3.2. Niet-beroepsactieven met hinder De niet-beroepsactieven met hinder (334 000) omvatten zowel werklozen als inactieven. De inactieven met hinder vertegenwoordigen 34% van alle inactieven in de bevolking op werkzame leeftijd, de werklozen met hinder vertegenwoordigen 15% van alle werklozen op werkzame leeftijd. De impact van een handicap of langdurige gezondheidsaandoening kan zo groot zijn dat men zichzelf geen enkele kans meer geeft op de arbeidsmarkt. Zo zegt 69% van de niet-beroepsactieven die hinder ondervinden dat ze helemaal geen betaalde arbeid meer kunnen verrichten (84% onder wie in erge mate hinder ondervindt maar ook 39% onder wie maar in zekere mate hinder ondervindt). Aan niet-beroepsactieve respondenten die vermelden dat ze hinder ondervinden, maar zichzelf niet als volledig werkonbekwaam beschouwen (een 100 000), is gevraagd welke 1

In 2016 lag het jaargemiddelde van bij de VDAB ingeschreven werkzoekende arbeidsgehandicapten op 32 673. Met wat voorbehoud bij een vergelijking van cijfers uit twee erg uiteenlopende bronnen die andere definities van werkzoekenden hanteren, zijn er dus wellicht een aantal werklozen die zichzelf in een enquête zoals de EAK niet als werkzoekende identificeren, maar als inactieve.

5


vormen van ondersteuning ze nodig zouden hebben om te kunnen werken. Eenzelfde persoon kan meerdere vormen van ondersteuning vragen. Tabel 5: Ondersteuning niet-beroepsactieven met hinder (excl. volledig werkonbekwamen) (20-64) Ondersteuning gevraagd bij … % Aantal (benaderend) Aanpassing van het soort taken 59% 60 000 Aanpassing van de hoeveelheid werk 43% 45 000 Hulp bij verplaatsing van en naar het werk 5% 5 000 Hulp bij verplaatsing op het werk 2% 2 000 Aangepaste uitrusting 10% 10 000 Hulp van collega’s 12% 12 000 Minstens één vorm van steun gevraagd 71% 73 000 Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Aanpassing van de taken en van de hoeveelheid werk worden het meest gevraagd, maar ook de hulp van collega's en aangepaste uitrusting is van belang. Een kleine groep niet-actieven verwacht dat ze zonder hulp niet op het werk zullen geraken of er zich niet kunnen verplaatsen. 1.3.3. Beroepsactieven met hinder Onder alle werkenden (20-64 jaar) zijn er 8.5% (ongeveer 233 000) met hinder door een handicap of een langdurige gezondheidsaandoening, maar dit loopt op tot 13.1% onder de werkende 50- plussers (6.6% beneden de 50). De 8.5% met hinder is de som van 2.7% met erge hinder en 5.8% met hinder in zekere mate. Onder de werkende mannen zijn er 8.3.% met hinder, onder de vrouwen 8.7%. Het aandeel werkenden met hinder varieert naargelang het statuut van de (hoofd)activiteit (tabel 6). Het hoogste percentage treffen we aan bij arbeiders uit de private sector. Tabel 6: Beroepsactieven naar beroepsstatuut van de hoofdactiviteit en handicap (20-64) Beroepsstatuut van de Hoofdactiviteit Handicap / langdurige Totaal gezondheidsaandoening Ja Neen Private sector / Arbeider 12,1 87,9 100% Private sector / Bediende 6,5 93,5 100% Openbare sector / statutaire ambtenaar 8,1 91,9 100% Openbare sector / contractueel 9,7 90,3 100% Zelfstandige zonder personeel 7,1 92,9 100% Zelfstandige met personeel 6,6 93,4 100% Helper (medewerkend gezinslid zonder vergoeding) 8,6 91,4 100% Totaal % 8,5 91,5 100% Totaal Aantal 233 000 2 504 000 2 737 000 Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Ervaren van hinder is ook gebonden aan de beroepsgroep waartoe iemand behoort (tabel 7) Onder de elementaire beroepen zijn er het meest personen die hinder ondervinden. Het aandeel is meer dan dubbel zo hoog als in sommige hoger geschoolde beroepsgroepen.

6


Tabel 7: Beroepsactieven naar beroep (ISCO-classificatie) en handicap (20-64) in het Vlaams Gewest Beroepen Handicap / langdurige Totaal gezondheidsaandoening Ja Neen Strijdkrachten 3,3 96,7 100% Managers 5,3 94,7 100% Intellectuele/wetenschappelijke/artistieke beroepen 5,8 94,2 100% Technici en verwante beroepen 7,5 92,5 100% Administratief personeel 7,5 92,5 100% Dienstverlenend personeel en verkopers 9,6 90,4 100% Geschoolde landbouwers, bosbouwers, vissers 10,3 89,7 100% Ambachtslieden 10,7 89,3 100% Bedienaars machines en installaties, assembleurs 11,4 88,6 100% Elementaire beroepen 13,8 86,2 100% Totaal % 8,5 91,5 100% Totaal Aantal 233 000 2 504 000 2 737 000 Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Aan de niet-werkenden werd gevraagd welke ondersteuning men nodig denkt te hebben, (tabel 5) aan de werkenden werd gevraagd naar de steun die men effectief geniet (tabel 8). Tabel 8: Vormen van ondersteuning bij beroepsactieven met hinder (20-64) in het Vlaams Gewest Krijgt ondersteuning bij … % Aantal (benaderend) Aanpassing van het soort taken 30 70 000 Aanpassing van de hoeveelheid werk 27 63 000 Hulp bij verplaatsing van en naar het werk 2 4000 Hulp bij verplaatsing op het werk 1 3 000 Aangepaste uitrusting 10 23 000 Hulp van collega’s 11 25 000 Minstens één vorm van ondersteuning 59 137 000 Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

Onder de beroepsactieven die in erge mate hinder ondervinden krijgt 79% minstens één vorm van steun, onder zij die maar in zekere mate hinder ondervinden is dit 50%. Aanpassingen van de taken en van de hoeveelheid werk zijn de meest voorkomende vormen van ondersteuning om mensen met hinder te laten participeren. Hulp van collega's, en aangepaste uitrusting zijn voor velen ook een belangrijke steun.

1.3.4. De huishoudsituatie van mensen met hinder De EAK is een van de weinige bronnen die een zicht geven op de huishoudsituatie waarin mensen met hinder leven. Bij de vergelijking met mensen zonder hinder moet men in het achterhoofd houden dat hinder veel meer voorkomt op hogere leeftijden en dat de huishoudsituatie ook wijzigt met de leeftijd. Dit verklaart wellicht waarom er onder de mensen zonder hinder veel meer bij de ouders inwonen (veel meer jongeren dan in de groep met hinder). Opvallend is het hoog aandeel alleenstaanden onder de mensen met hinder.

7


Tabel 9: Huishoudsituatie van mensen met of zonder hinder (20-64 jaar) in het Vlaams Gewest Huishoudsituatie Hinder Erge mate Zekere Allen met Geen Totaal mate hinder Alleenstaande 22,0 18,4 20,3 10,4 11,8 Samenwonend met partner 29,7 29,1 29,4 23,8 24,6 zonder kinderen Samenwonend met partner en 1 9,7 12,8 11,2 15,6 15,0 kind Samenwonend met partner en 2 9,8 14,6 12,1 19,8 18,7 kinderen Samenwonend met partner en 3 4,2 6,3 5,2 8,5 8,0 of meer kinderen Hoofd eenoudergezin 6,4 6,4 6,4 4,4 4,7 Inwonend bij ouders 9,7 5,2 7,6 12,0 11,3 Overige 8,6 7,2 7,9 5,6 5,9 Totaal 100 100 100 100 100 295 000 272 000 567 000 3 228 000 3 795 000 Bron: Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium EAK, Eurostat LFS (Bewerking Departement WSE)

8


Bijlage : De EAK De Enquête naar de ArbeidsKrachten is een enquête waar men verplicht moet aan meewerken maar de toegevoegde vragen over handicap (zie hieronder) zijn facultatief zodat er op die vragen een non-respons is, die in Vlaanderen gelukkig vrij klein blijft. De steekproef omvat over een heel jaar rond de 30 000 respondenten (Vlaams Gewest). Ze worden in de rapportering ge-extrapoleerd naar de gehele bevolking op werkzame leeftijd (nu meestal 2064 jaar, soms ook 15-64 jaar). Vanaf 2011 werden de vragen over handicaps ook gesteld in de andere Gewesten. De volgende twee vragen worden helemaal op het einde van de enquête gesteld : M. TWEE EXTRA VRAGEN OVER LANGDURIGE GEZONDHEIDSPROBLEMEN OF HANDICAPS In te vullen voor alle personen van 15 tot en met 64 jaar met woonplaats in het Vlaams Gewest. Het antwoord op de 2 onderstaande vragen is facultatief. Ga naar vraag :  94.

Ervaart M_ in zijn / haar dagelijkse bezigheden (op het werk of daarbuiten) hinder door een handicap, een langdurige aandoening of langdurige ziekte (al dan niet werkgerelateerd) ?

- Ja :

- in erge mate ......................................................

1

95

- in zekere mate ..................................................

2

95

- Neen ...............................................................................

3

X

- Geen antwoord ................................................................ 95.

4 Welke van de volgende vormen van ondersteuning zou M_ nodig hebben om te kunnen werken of welke van de volgende vormen van ondersteuning krijgt hij / zij bij het werk dat hij / zij nu doet ? (Overloop alle mogelijkheden.)

X

- Aanpassing van het soort taken .......................................

1

- Aanpassing van de hoeveelheid werk ..............................

2

- Hulp bij verplaatsing naar en van het werk ......................

3

- Hulp bij verplaatsing op het werk .....................................

4

- Aangepaste uitrusting ......................................................

5

- Hulp van collega's ...........................................................

6

- M_ kan helemaal geen betaalde arbeid (meer) verrichten

7

X

9


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Nota_handicap_arbeid_2017_verkorte_versie.pdf by Vlaanderen-be - Issuu