Skip to main content

dossier 2021-450.pdf

Page 1

Uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

Vlaamse overheid Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie Afdeling openbaarheid van bestuur Havenlaan 88, bus 20 1000 BRUSSEL T : 02 553 57 25 Mail: openbaarheid@vlaanderen.be Dossiernummer: OVB/2021/450

DE BEROEPSINSTANTIE - Afdeling openbaarheid van bestuur Bevoegdheid beroepsinstantie Bestuursdecreet van 7 december 2018, titel II, hoofdstuk 3, afdeling 6. Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot oprichting van de beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie. Voorafgaande procedure Op 5 november 2021 en 12 november 2021 diende xxx (hierna vermeld als: verzoeker), een verzoek in bij het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent om inzage te verlenen in de volgende documenten: - het doorverwijsformulier dat door het Vertrouwenscentrum werd bezorgd aan het Parket m.b.t. de dossiers van zijn minderjarige kinderen; - alle documenten, waaronder maar niet beperkt tot e-mails, teamverslagen, conclusiestukken, het doorverwijsdocument aan het parket… van zowel verzoeker als zijn kinderen, die het centrum elektronisch en/of schriftelijk en/of op gelijk welke andere wijze bijhoudt. Op 19 november 2021 werd voormeld openbaarheidsverzoek door het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent gedeeltelijk afgewezen. Met een mail d.d. 11 december 2021 heeft verzoeker nu beroep ingesteld tegen de voormelde weigeringsbeslissing vanwege het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent. Het beroep werd geregistreerd op 13 december 2021. Ontvankelijkheid van het beroep De oorspronkelijke verzoeken tot openbaarmaking dateren van 5 november 2021 en 12 november 2021.

www.vlaanderen.be


De gedeeltelijk weigeringsbeslissing van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent dateert van 19 november 2021. Deze beslissing maakt geen melding van de beroepsmogelijkheid en -modaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel II.43, §1, derde lid van het Bestuursdecreet. De beroepstermijn vangt bijgevolg pas aan vier maanden na kennisgeving van de beslissing. Het beroepschrift van verzoeker d.d. 11 december 2021 is dan ook tijdig ingediend. In artikel II.28, van het Bestuursdecreet wordt het toepassingsgebied van het hoofdstuk “Toegang tot bestuursdocumenten” als volgt gedefinieerd: “§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties: 1° de Vlaamse overheid; 2° de lokale overheden; 3° de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft; 4° de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.” Artikel I. 3, 6° Bestuursdecreet bepaalt wat onder een instelling met een publieke taak moet verstaan worden: “instellingen die niet behoren tot de Vlaamse overheid of tot een lokale overheid maar die voldoen aan al de volgende kenmerken: a) ze zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn; b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid; c) 1) ofwel worden ze voor meer dan de helft gefinancierd door de Vlaamse overheid, een lokale overheid of een andere instelling met een publieke taak; 2) ofwel hebben de Vlaamse overheid, een lokale overheid of een andere instelling met een publieke taak meer dan de helft van de stemmen in de raad van bestuur; 3) ofwel staat hun beheer onder toezicht van de Vlaamse overheid, een lokale overheid of een andere instelling met een publieke taak.” De beroepsinstantie stelt vast dat het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling een VZW is die werd opgericht in 1988 en derhalve beschikt over rechtspersoonlijkheid. De VZW werd opgericht met het specifieke doel om te voorzien in een behoefte van algemeen belang, te weten het promoten en bieden van hulpverlening bij kindermishandeling. De VZW is erkend als vertrouwenscentrum kindermishandeling op basis van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 januari 2018 betreffende de erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling en de partnerorganisatie. De vertrouwenscentra kindermishandeling zijn gehouden aan onder meer het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp en het decreet van de rechtspositie betreffende de minderjarige in de integrale jeugdhulp. De VZW wordt hoofdzakelijk gesubsidieerd door de Vlaamse overheid, vermits ze jaarlijks een algemene werkingssubsidie ter ondersteuning van personeels- en werkingskosten ontvangt vanuit de Vlaamse overheid. Het toezicht op de VZW wordt gehouden door het agentschap Opgroeien en de Zorginspectie. De beroepsinstantie is dan ook van oordeel dat het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling te beschouwen is als een instelling met een publieke taak en derhalve onder het toepassingsgebied valt van de bepalingen van Titel II, Hoofdstuk 3 van het Bestuursdecreet (toegang tot bestuursdocumenten). De beroepsinstantie stelt vast dat de door verzoeker opgevraagde documenten ontegensprekelijk informatie van persoonlijke aard bevatten.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 2 van 8


Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard, moet de verzoeker, conform artikel II.40, §3 van het Bestuursdecreet, aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel (1) de informatie, (2) de beslissing waarop de informatie betrekking heeft of (3) de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, werd opgesteld. In datzelfde artikel II.40, §3, in fine van het Bestuursdecreet wordt echter vermeld dat dit belang niet moet worden aangetoond indien de informatie van persoonlijke aard over de aanvrager zelf handelt. In casu wordt door de beroepsinstantie vastgesteld dat sommige informatie van persoonlijke aard uit de opgevraagde documenten betrekking heeft op verzoeker zelf en dat hij derhalve over het vereiste belang beschikt. Voor andere documenten gaat om informatie van persoonlijke aard met betrekking tot zijn minderjarige kinderen, waarvan de beroepsinstantie van oordeel is dat verzoeker in casu ook wel degelijk het vereiste belang kan aantonen, zoals voorzien in voormeld artikel II.40, §3 van het Bestuursdecreet. Het opgevraagde dossier gaat immers om het omgangsrecht tussen verzoeker en zijn minderjarige kinderen. Het ingediende beroepschrift wordt bijgevolg dan ook als ontvankelijk beschouwd. Gegrondheid van het beroep Overeenkomstig artikel II.31, eerste lid Bestuursdecreet heeft het recht op passieve openbaarheid betrekking op bestuursdocumenten. Op grond van deze bepaling is elke instantie in principe verplicht aan eenieder die erom verzoekt inzage te geven in, uitleg te verschaffen over of een afschrift te bezorgen van de gewenste bestuursdocumenten. De openbaarmaking kan slechts geweigerd worden mits toepassing wordt gemaakt van één of meerdere uitzonderingen, zoals gestipuleerd in de artikelen II.33 tot en met II.39 van voormeld decreet.

1.

Bestreden beslissing

In de beslissing van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling d.d. 19 november 2021 wordt gesteld dat, aangezien er sprake is van een conflict en dus van verschillende belangen tussen verzoeker als ouder en de kinderen, er geen volledige inzage kan verleend worden in het dossier van de kinderen van verzoeker. Er wordt op gewezen dat verzoeker wel recht heeft op inzage in de persoonsgegevens die over hem in het dossier van de kinderen worden verwerkt. Iedereen die vermeld wordt in het dossier heeft namelijk recht op toegang tot zijn eigen gegevens. Het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling staat bijgevolg een gedeeltelijke inzage toe in het dossier, die heeft plaatsgevonden op 24 november 2021. Wat betreft het doorverwijsformulier dat door het Vertrouwenscentrum werd bezorgd aan het Parket m.b.t. de dossiers van zijn minderjarige kinderen, stelt het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling in zijn beslissing dat daarvan geen inzage kan verleend worden, omdat de gegevens die erin voorkomen een impact hebben op de rechten en vrijheden van de andere betrokkenen in dit dossier.

2. Inhoud van het beroepschrift Verzoeker stelt beroep in tegen de beslissing van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent, daar hij de mening is toegedaan dat hem onterecht slechts gedeeltelijk inzage werd verleend in het dossier over zijn kinderen.

3. Standpunt van de beroepsinstantie

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 3 van 8


a) Wat betreft het doorverwijsformulier dat door het Vertrouwenscentrum werd bezorgd aan het Parket De beroepsinstantie stelt vast dat verzoeker zelf aangeeft in een klachtbrief d.d. 4 december 2021 ten aanzien van Kind en Gezin, waarvan een kopie werd meegestuurd door verzoeker bij zijn beroepschrift aan de beroepsinstantie, dat hij intussen wel degelijk al inzage heeft verkregen in het doorverwijsformulier dat door het Vertrouwenscentrum werd bezorgd aan het Parket. Verzoeker heeft immers op 24 november 2021, via het jeugdparket, wel degelijk al inzage gekregen in het doorverwijsdocument. Aangezien verzoeker intussen dus wel degelijk inzage heeft verkregen in het gevraagde document, oordeelt de beroepsinstantie dat het overbodig is geworden om het verzoek naar voormeld document in kwestie nog te toetsen aan eventuele uitzonderingsgronden van het Bestuursdecreet. Het huidig beroep kan bijgevolg, wat dit onderdeel betreft, als zonder voorwerp worden beschouwd.

b) Alle andere stukken uit het dossier Verzoeker vraagt in casu naar een afschrift van alle stukken die zich bevinden in het dossier dat wordt bijgehouden door het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent met betrekking tot de drie minderjarige kinderen van verzoeker. Het gaat daarbij om verslagen van individuele persoonlijke gesprekken met de minderjarige kinderen, met de vader afzonderlijk, met de moeder afzonderlijk, overleg met externe therapeuten van de vader en de moeder van de kinderen en verslagen van intern overleg binnen het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. De beroepsinstantie is van oordeel dat de opgevraagde documenten niet openbaar kunnen gemaakt worden in toepassing van artikel II.34, 1° van het Bestuursdecreet. Deze uitzonderingsgrond legt de bestuursinstanties op om een aanvraag tot openbaarmaking, voor zover die geen betrekking heeft op milieu-informatie, af te wijzen als de openbaarmaking afbreuk doet aan de geheimhoudingsverplichting, vastgesteld in een aangelegenheid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is. De Vertrouwenscentra Kindermishandeling zijn gehouden aan de naleving van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp en het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en binnen het kader van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht. De beroepsinstantie verwijst in dat verband ook naar de decretale geheimhoudingsverplichting die uitdrukkelijk is voorzien in artikel 7 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp: “Met behoud van de toepassing van artikel 72 tot en met 76, waaronder het gezamenlijk en gedeeld beroepsgeheim, zijn alle personen die hun medewerking verlenen aan de toepassing van dit decreet, gebonden door de geheimhoudingsplicht met betrekking tot de gegevens waarvan ze bij de uitoefening van hun opdracht kennis krijgen en die daarmee verband houden.

Elke overtreding van dit artikel wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro.” Informatie betreffende minderjarige kinderen, cliënten of patiënten die verkregen werd n.a.v. de hulpverlening of gezondheidszorg, moet geheim gehouden worden wanneer deze vertrouwelijk is omdat ze ofwel betrekking heeft op de privésfeer van de betrokkene, ofwel omdat de betrokkene ze zelf als vertrouwelijk beschouwt. De geheimhoudingsplicht slaat niet enkel op alles wat verteld wordt door de

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 4 van 8


cliënt maar op alles wat vertrouwelijk is en in kader van de uitoefening van een staat of beroep vernomen of vastgesteld werd (feiten, gedragingen, meningen, uitlatingen,…). Het doel van voormelde geheimhoudingsverplichting bestaat erin dat de vertrouwelijke gegevens die circuleren binnen de Vertrouwenscentra Kindermishandeling vertrouwelijk blijven en niet ter kennis kunnen komen van derden, gelet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van alle betrokkenen en het delicate karakter van de informatie die zich bevindt bij die vertrouwenscentra. Gelet op de aard van de informatie die in casu wordt opgevraagd door verzoeker, bestaat er voor de beroepsinstantie geen enkele twijfel over dat het hier gaat om zeer vertrouwelijke informatie met betrekking tot de minderjarige kinderen. Dit geldt niet voor de informatie die enkel en alleen betrekking heeft op verzoeker zelf, maar daaraan wordt verder in deze beslissing nog aandacht besteed (zie punt c). De beroepsinstantie moet dus concluderen dat er inderdaad een decretale geheimhoudingsplicht werd ingeschreven in het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp. Op grond daarvan mag aan verzoeker uit het dossier van zijn minderjarige kinderen (buiten de informatie die enkel slaat op verzoeker zelf) geen informatie worden vrijgeven omtrent gegevens die personeelsleden van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie of beroep. De beroepsinstantie kan in casu enkel maar vaststellen dat de door verzoeker gevraagde informatie hieronder valt: de verslagen van individuele persoonlijke gesprekken met de minderjarige kinderen, met de moeder afzonderlijk, overleg met externe therapeuten van de vader en de moeder van de kinderen en verslagen van intern overleg binnen het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling vallen onmiskenbaar onder de hiervoor vermelde geheimhoudingsverplichting van de personeelsleden van het vertrouwenscentrum en die vertrouwelijke informatie kan derhalve niet openbaar gemaakt worden. Artikel II.34, 1° van het Bestuursdecreet formuleert een absolute uitzonderingsgrond. De vaststelling dat de openbaarmaking afbreuk doet aan de decretaal voorziene geheimhoudingsplicht volstaat om de aanvraag af te wijzen, zonder dat het belang van de openbaarheid daartegen kan worden ingebracht. De beroepsinstantie is daarom van oordeel dat om voormelde redenen (decretale geheimhoudingsverplichting) de openbaarmaking van de documenten uit het dossier van de minderjarige kinderen van verzoeker niet kan worden toegestaan. De beroepsinstantie wijst in dit verband voor de volledigheid ook op de toepassing van artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, waarin is voorzien dat een federale of niet-federale administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument, die met toepassing van deze wet is gedaan, afwijst wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan een bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting. De personeelsleden die werkzaam zijn bij het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling zijn immers ook onderworpen aan de bepaling van artikel 458 van het Strafwetboek, dat de basis vormt van het beroepsgeheim. Voormeld wetsartikel stelt het bekendmaken van geheimen die werden toevertrouwd omwille van een bepaalde staat of beroep strafbaar. Artikel 458 van het Strafwetboek somt expliciet enkele medische beroepen op waarvoor het beroepsgeheim geldt, maar voorziet verder ook dat ‘alle personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen’ onderworpen zijn aan het beroepsgeheim. Het gaat hier dus om een zwijgplicht verbonden aan een vertrouwensrelatie, die onmiskenbaar aanwezig is binnen het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. De beroepsinstantie is daarom van oordeel dat ook in toepassing van artikel 6, §2, 2° van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, in combinatie met artikel 458 van het Strafwetboek, de door verzoeker opgevraagde stukken niet openbaar kunnen worden gemaakt.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 5 van 8


Het ingestelde beroep wordt voor dit onderdeel dan ook als ongegrond beschouwd.

c) Specifiek toegangsrecht voor verzoeker zelf en als vertegenwoordiger van de minderjarige kinderen in het dossier De beroepsinstantie verwijst ook naar de specifieke regels die zijn voorzien inzake de toegang tot dossiers inzake jeugdhulp. Dit wordt geregeld in artikel 77 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp: Artikel 77. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 22 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp heeft iedereen recht op toegang tot zijn persoonlijke gegevens die bij de toegangspoort, de gemandateerde voorziening of de sociale dienst worden bewaard. Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de algemene verordening gegevensbescherming gelden de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet voor de gegevens die worden verstrekt door derden zonder dat ze daartoe verplicht werden en die ze als vertrouwelijk hebben bestempeld, tenzij ze zich akkoord verklaren met de toegang. Als de dossierhouder van oordeel is dat de bescherming van de vertrouwelijkheid niet opweegt tegen de bescherming van het recht op toegang, is de voormelde verordening overeenkomstig van toepassing. § 2. Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de algemene verordening gegevensbescherming wordt, in afwijking van artikel 12, lid 3, van de voormelde verordening, aan het recht op toegang uiterlijk binnen vijftien dagen na ontvangst van het verzoek gevolg verleend. Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt voor gegevens die bij de toegangspoort en de gemandateerde voorzieningen worden bewaard, het recht op toegang verleend uiterlijk op het ogenblik waarop de toegangspoort of de gemandateerde voorziening een beslissing neemt. Voor gegevens die bij de sociale dienst worden bewaard, wordt het recht op toegang verleend uiterlijk op het ogenblik van de eerste beschikking van de jeugdrechter of het eerste vonnis van de jeugdrechtbank. § 3. De toegang tot de gegevens wordt verstrekt door inzage. Als bepaalde gegevens ook een derde betreffen en volledige inzage in die gegevens door de betrokkene afbreuk zou doen aan het recht van de derde op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, wordt de toegang tot die gegevens verstrekt via gedeeltelijke inzage, een gesprek of een rapportage. Iedereen kan bij de uitoefening van het toegangsrecht naar eigen keuze worden bijgestaan door een door het beroepsgeheim gebonden persoon, en, wat de ouders van de minderjarige en de opvoedingsverantwoordelijke betreft, door de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 2/1, en, wat de minderjarige betreft, door de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 24 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp. Als met toepassing van paragraaf 1, tweede lid, de bescherming van de vertrouwelijkheid niet opweegt tegen de bescherming van het recht op toegang, kan de dossierhouder de toegang tot de gegevens in kwestie verstrekken via gedeeltelijke inzage, een gesprek of een rapportage. § 4. Voor de toepassing van paragraaf 1 worden de personen die deel uitmaken van het cliëntsysteem, ten opzichte van elkaar als derden beschouwd. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 worden voor de toepassing van paragraaf 3, tweede lid, de personen die deel uitmaken van het cliëntsysteem, ten opzichte van elkaar niet als derden beschouwd, als het gaat om contextuele gegevens.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 6 van 8


Contextuele gegevens zijn gegevens die tegelijk de persoon die toegang vraagt en een of meer andere personen die deel uitmaken van het cliëntsysteem, betreffen. Het cliëntsysteem bestaat uit de volgende personen : 1° de minderjarige; 2° de ouders; 3° de opvoedingsverantwoordelijken; 4° de personen uit de leefomgeving van de minderjarige die met hem samenwonen op het ogenblik van de uitoefening van het recht op toegang. § 5. Een minderjarige kan het toegangsrecht zelfstandig uitoefenen, rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit, vanaf het ogenblik dat blijkt dat de min-twaalfjarige tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is of vanaf de leeftijd van twaalf jaar. Als de minderjarige jonger is dan twaalf jaar, wordt het toegangsrecht uitgeoefend door een wettelijke vertegenwoordiger. Met toepassing van artikel 23, lid 1, i), van de algemene verordening gegevensbescherming, gelden de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, voor de wettelijke vertegenwoordigers die in het kader van deze paragraaf optreden niet voor de contextuele gegevens die de minderjarige en een andere persoon dan de wettelijke vertegenwoordiger zelf betreffen. In geval van tegenstrijdige belangen met een wettelijke vertegenwoordiger of als die het toegangsrecht niet uitoefent, kan het toegangsrecht van de minderjarige worden uitgeoefend door een persoon als vermeld in paragraaf 3, derde lid.

De beroepsinstantie stelt vast dat ook artikel 22 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp en binnen het kader van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht een identieke regeling bevat inzake de toegang tot het dossier door minderjarigen. Uit de ingewonnen informatie kan de beroepsinstantie afleiden dat de documenten uit het opgevraagde dossier zeer gevoelige informatie bevat met betrekking tot de minderjarige kinderen van verzoeker, informatie die zonder enige twijfel behoort tot de persoonlijke levenssfeer van de betrokken minderjarige kinderen. Als uitgangspunt geldt in verband met de privacywetgeving dat ook de minderjarigen, ongeacht hun leeftijd of bekwaamheid, recht hebben op privacy (cf. art. 16 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind) en op een vertrouwelijke behandeling van hun persoonlijke gegevens. Zij kunnen dit recht in principe zoals iedereen inroepen tegenover alle derden, en dus ook ten aanzien van hun ouders. Voor de beroepsinstantie is het argument van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling doorslaggevend dat er een tegenstrijdigheid aanwezig is in de belangen tussen de minderjarige kinderen en de vader, de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige kinderen (verzoeker in dit dossier). Verzoeker heeft daarom geen recht heeft op die informatie met betrekking tot zijn minderjarige kinderen, met verwijzing naar voormelde decreetartikelen uit de decreten betreffende de integrale jeugdhulp en betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp die een identieke regeling bevatten inzake de toegang tot het dossier door minderjarigen. Het toegangsrecht zal immers moeten worden uitgeoefend door de vertrouwenspersoon, vermeld in artikel 24 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp. De beroepsinstantie is daarom van oordeel dat het ingestelde beroep, wat betreft de inzage in de documenten met betrekking tot zijn minderjarige kinderen, ook in deze als ongegrond moet worden afgewezen.

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 7 van 8


Voor de volledigheid geeft de beroepsinstantie nog mee dat verzoeker op 24 november 2021 wel degelijk een afschrift heeft gekregen van de documenten uit het dossier die betrekking hebben op hemzelf. Deze werden hem persoonlijk overhandigd tijdens een persoonlijk contact met het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent. Tijdens deze afspraak, maar ook in andere voorafgaande gesprekken, werd er uitgebreid mondeling toelichting gegeven door zowel de dossierbeheerder als de directie bij die documenten. Het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent heeft daarmee voldaan aan haar plichten inzake openbaarheid van bestuur, zoals voorgeschreven in het Bestuursdecreet en zoals ook is voorzien in de specifieke regeling inzake de toegang tot dossiers inzake jeugdhulp, geregeld in artikel 77 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp. Het beroep is op dit punt dan ook zonder voorwerp. Na beraadslaging,

BESLUIT: Het beroepschrift van xxx d.d. 11 december 2021 tegen de gedeeltelijke weigeringsbeslissing van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling Gent wordt als ontvankelijk en deels zonder voorwerp en deels ongegrond beschouwd. Brussel, 11 januari 2022 Voor de beroepsinstantie, afdeling openbaarheid van bestuur, Bruno ASSCHERICKX Voorzitter

https://www.vlaanderen.be/openbaarheid-van-bestuur

uitspraak beroepsinstantie OVB/2021/450

pagina 8 van 8


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
dossier 2021-450.pdf by Vlaanderen-be - Issuu