Inhoud Directieverslag 4-5 4 -5
Bestuur
7
7
Deel 1: Verslag van de Raad van Bestuur Wettelijk kader 11 - 15 1
Landinrichting 17 - 31 3
Mestbank
Ruilverkaveling 33 - 43 4
Ondersteunend Centrum GISVlaanderen
59 - 89
91 - 103 10
Natuur
45 - 57 5
FinanciĂŤle resultaten
Ondersteunende afdelingen
105 - 109
111 - 131 13
2
Deel 2: Bijlagen Waarderingsregels 136 - 137
FinanciĂŤle balans
Resultatenrekening
Toelichting
138 - 139
140 - 141
142 - 146
2
Sociale balans 147 - 149
Verslag bedrijfsrevisor 150
Info
151
De zorg voor open ruimte.
VLM
Vlaamse Landmaatschappij Gulden vlieslaan 72 B-1060 Brussel
j a a r verslag 2001
Niet zonder de zorg voor mensen.
rv a ja
VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN
la ers 20
g 01
e. t m
u i erslag r e n j a a r v 2001 p o r oo v g r o z e D
VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN
directieverslag DIRECTIEVERSLAG VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ Op bestuurlijk vlak betekende 2001 voor de VLM een keerpunt. Vrijdag 21 december nam ir. Paul Demeester afscheid als administrateur-generaal. Gedurende dertien jaar leidde hij de organisatie vanuit een duidelijke visie op de open ruimte en zorgde hij ervoor dat niet alleen het takenpakket van de VLM sterk groeide, maar ook het personeelsbestand in verhouding uitbreidde. Paul Demeester bereidde de VLM voor op het beheerscontract dat straks zal moeten ondertekend worden. Bij de herstructurering van de Vlaamse administratie krijgt de Vlaamse Landmaatschappij een duidelijke plaats in het beleidsdomein ‘Leefmilieu en Natuur’. Hopelijk met het behoud van de huidige naam. Maar als milieuoverheidsinstelling heeft de VLM ook heel wat raakpunten met andere beleidsdomeinen zoals bijvoorbeeld landbouw en ruimtelijke ordening. INTEGRATIE VAN DE KERNTAKEN: EEN BETERE DIENSTVERLENING Drie kerntaken tekenen zich steeds duidelijker af binnen de VLM: de inrichting van de open ruimte, het beheer van de Mestbank en het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen. Bij de inrichting van de open ruimte is het streven om de goede elementen uit de landinrichting, de ruilverkaveling en de natuurinrichting te combineren tot vlot, snel en efficiënt inzetbare instrumenten. Bij voorkeur gebeurt dat op maat van de verschillende partners (gemeente, provincie, Vlaamse overheid,…). In 2001 is die aanpak uitgetest bij een aantal concrete projecten zoals in Doel, of bij de aankoop van de bossen van de Merode of bij de herinrichting van de ‘rijksweldadigheidskolonies’ van Wortel en Merksplas. In de toekomst zou die aanpak van de Vlaamse Landmaatschappij nog verder uitgebouwd kunnen worden, bijvoorbeeld bij de aanleg van stadsrandbossen.
4
Deze ervaring effent het pad voor de uitbouw van een echt grondbeleid met een grondbank die ingeschakeld kan worden om (door het ruilen van gronden) het ruimtelijk beleid van de Vlaamse overheid ook op het terrein te realiseren. De Vlaamse Landmaatschappij heeft zich in 2001 opnieuw geprofileerd als een deskundige partner bij de uitvoering van het huidige en de voorbereiding van het nieuwe Milieubeleidsplan. Alle activiteiten van de Vlaamse Landmaatschappij krijgen een plaats in het nieuwe Milieubeleidsplan bij thema’s als verzuring, vermesting, versnippering, biodiversiteit en gebiedsgericht beleid. Het beheer van de Mestbank leerde ons dat de hele materie in de loop der jaren bijzonder complex is geworden. Steeds vaker stellen zich problemen bij de uitvoerbaarheid en de controleerbaarheid van de regelgeving. De vraag is dan ook of een globaal herdenken van het mestbeleid niet aangewezen is. Via het project administratieve vereenvoudiging werden de eerste stappen gezet in de richting van een vereenvoudiging van de regelgeving en een vlottere toegankelijkheid van de informatie. Voor OC GIS is in 2001 een businessplan door de Vlaamse regering goedgekeurd. Wij beogen heel Vlaanderen (zowel het privé- als het publieke domein) gedetailleerd in kaart te brengen. Dit Grootschalig Referentie Bestand (GRB) zou moeten uitgroeien tot hét bestand waarop alle wettelijke en juridische procedures geënt kunnen worden, bijvoorbeeld bij het afleveren van bouw- en milieuvergunningen. Het klassieke kadaster kan dan op termijn uitgroeien tot een efficiënt vastgoedinformatiesysteem. De nutsmaatschappijen (water, elektriciteit, gas, telefoon, kabel) financieren de helft van de kosten bij de aanmaak van het bestand. Er is een decreet nodig, met duidelijke afspraken voor het toekomstig beheer van dit referentiebestand.
EEN OPEN DIALOOG MET DE DOELGROEPEN De Vlaamse Landmaatschappij komt veelvuldig in contact met een brede waaier van ‘klanten’, met het brede publiek. De ervaring leert dat het louter informeren over de zaken waarmee we bezig zijn, vaak niet meer volstaat. Voorlichting is niet genoeg. Procesbegeleiding is nodig. De Vlaamse Landmaatschappij werkt aan projecten en is minder bezig met dossierbehandeling. Dat maakt de VLM ook zo uniek. Niet alleen van de Vlaamse overheid zelf, maar ook van de lokale overheden, de gemeenten en de provincies, wordt heel veel verwacht bij de realisatie van een beter natuur- en milieubeheer. Zij zijn volwaardige partners bij de uitvoering van onze projecten. Die projecten worden steeds vaker gestuurd vanuit het Europese niveau, bijvoorbeeld bij de plattelandsontwikkeling. Het plattelandsbeleid is immers veel breder dan louter een landbouwbeleid. Het heeft ook duidelijke raakvlakken met mobiliteit, economie en woongelegenheid. Landbouwers blijven evenwel de meest intensieve gebruikers van de open ruimte. Zij spelen ook hun eigen rol bij bijvoorbeeld het landschapsbeheer. De Vlaamse Landmaatschappij wil het enige loket worden, waar landbouwers terecht kunnen voor alle vormen van beheersovereenkomsten. Ook hier willen we evolueren naar een ‘op maat gesneden’ pakket van maatregelen, die we op bedrijfsniveau kunnen toepassen. De Vlaamse Landmaatschappij kan zo dé partner worden om landbouwbedrijven te helpen en te ondersteunen bij een betere zorg voor de open ruimte. In haar communicatiebeleid onderschrijft de VLM volledig de modernste evoluties rond een efficiënter e-government. Niet meer het aanbod, maar wel de vraag staat centraal in de uitbouw van een elektronische dienstverlening.
Onze eigen ervaring leert evenwel dat een beter bestuurlijk beleid een heel stuk verder gaat dan het louter aanbieden van formulieren op het web. De regelgeving zelf moet vereenvoudigd worden. De data en ervaring die we verzameld hebben via de aangifte van de gebruikspercelen, kunnen ook zorgen voor een sterke administratieve vereenvoudiging voor landbouwers die de gegevens van (bijvoorbeeld) landbouwgebruikspercelen nu soms in veelvoud moeten afleveren. ONZE BEDRIJFSCULTUUR: SLAGKRACHTIG EN KLANTVRIENDELIJK Uit voorgaande mag blijken dat het overleg met de verschillende doelgroepen een centrale plaats inneemt bij de uitbouw van de VLM-projecten. Leren luisteren en omgaan met ‘klanten’ vergt een specifieke houding. Door een ruime waaier aan vorming, training, opleiding en info-uitwisseling, trachten we hier permanent op in te spelen. Bij de Vlaamse Landmaatschappij spelen competentie en kennisnetwerken bijvoorbeeld een vooraanstaande rol. In onze organisatiestructuur zijn we op korte termijn overgeschakeld van een matrix- naar een netwerkstructuur. Die netwerken worden zowel verticaal (bijvoorbeeld in de richting van onze provinciale afdelingen) als horizontaal (bijvoorbeeld binnen een groep van medewerkers, zoals landschapsdeskundigen) uitgebouwd. De Vlaamse Landmaatschappij moet een lerende organisatie blijven, die open staat om te luisteren, te veranderen, te evolueren. Zo kunnen we niet alleen mee in beweging blijven met de veranderingen in de samenleving, maar zelf ook voorzetten geven.
ir. ROLAND DE PAEPE Administrateur-generaal, wnd.
HERMAN HERPELINCK Voorzitter van de raad van bestuur
jaarverslag 2001
5
Inhoud Directie-
Bestuur
verslag
4
7
1 2
Deel 1: Verslag van de Raad van Bestuur Wettelijk
Land-
Ruil-
kader
inrichting
verkaveling
11
Natuur
17
Mestbank
33
45
Ondersteunend
FinanciĂŤle
Centrum GIS-
resultaten
Ondersteunende afdelingen
Vlaanderen
59
91
105
111
Deel 2: Bijlagen Waarderings-
Balans na
Resultaten-
regels
winstverdeling
rekening 2001
Toelichting
boekjaar 2001
136
138
140
Sociale balans
142
Verslag van de bedrijfsrevisor
147
150
Info
151
Bestuur De Raad van Bestuur van de VLM Voorzitter Herman Herpelinck Ondervoorzitter Rudi Gotzen Bestuursleden Linda Blomme Huub Broers Godelieve De Meyer Annie Desmedt Marcel Engelborghs Jean-Claude Laurent Jean-Paul Lavigne Yvan Ottenbourgh Erik Rombaut Jan Strynckx Wim Terwingen Hilde Vandendriessche Paul Van Snick De commissarissen van de Vlaamse regering Frans Cornelis DaniĂŤl Ketels
De revisor Bedrijfsrevisor Patrick Waltniel
De leidend ambtenaren van de VLM De administrateur-generaal, wnd. ir. Roland de Paepe De adjunct-administrateur-generaal, wnd. ir. Guido Clerx
jaarverslag 2001
7
1 De
VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN
1 l e
Van de ene plek naar de andere. Van de ene plek naar de andere.
Van mens tot mens. Van mens tot mens.
Hoofdstuk 1: Wettelijk kader
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Wettelijk kader In 2001 werd het wettelijk kader waarbinnen de Vlaamse Landmaatschappij haar activiteiten ontwikkelt, verder aangepast en verfijnd. Dit jaar stond in het teken van de voorbereidende werkzaamheden met het oog op de invoering van de euro als nieuwe munteenheid op 1 januari 2002 en de gevolgen daarvan op het vlak van de toepasselijke regelgeving, formulieren en documenten. In een eerste inventaris werd alle toepasselijke regelgeving, reglementaire formulieren en documenten gescreend op eurorelevante bepalingen. Hetzelfde gebeurde met de interne formulieren en documenten. De inhoudelijke en formele aanpassing van deze regelgeving was gebonden aan een strikt tijdsschema. De samenhang met informaticatoepassingen werd tegen 1 januari 2002 ook grondig bestudeerd en uitgeklaard. De verschillende doelgroepen werden via de juiste communicatiekanalen tijdig en correct geïnformeerd over het gebruik van de euro vanaf 1 januari 2002.
1.1. LANDINRICHTING
1.2. RUILVERKAVELING
De landinrichting vindt haar juridische grondslag in het oprichtingsdecreet van de Vlaamse Landmaatschappij.
De ruilverkaveling wordt geregeld door de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet. Een aanvulling daarop was de wet van 11 augustus 1978 met bijzondere bepalingen eigen aan het Vlaams Gewest.
Deze regelgeving werd aangevuld door het decreet van 22 november 1995 inzake aanpassing van de begroting 1995. Deze decretale bepalingen werden verder uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit van 6 juni 1996 met nadere bepalingen over de landinrichting en in het besluit van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken. Tenslotte wordt door het decreet van 18 mei 1999 op de ruimtelijke ordening de landinrichting ingezet voor de coördinatie van de inrichting en de projectsgewijze integrale inrichting van gebieden in uitvoering van de ruimtelijke ordening. Door het decreet van 8 december 2000 houdende diverse bepalingen werd het oprichtingsdecreet van de maatschappij opnieuw gewijzigd.
12
Artikel 2, § 1 van de statuten van de Vlaamse Landmaatschappij bepaalt dat de VLM tot doel heeft "haar medewerking en diensten te verlenen bij de voorbereiding en de uitvoering van de ruilverkaveling van landeigendommen met inachtname van de wettelijke bepalingen terzake". Ingevolge de invoering van de euro werden voor de ruilverkaveling drie besluiten van de Vlaamse regering opgemaakt waarin voornamelijk transparantieafrondingen werden opgenomen voor de vroegere bedragen in Belgische frank. Het gaat om de besluiten van de Vlaamse regering tot uitvoering van: • de artikelen 44, vierde lid en 48 van de gewone ruilverkavelingswet • de artikelen 4, 10, 56, 58, 59 en 75 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maat regelen inzake ruilverkaveling bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken
• de artikelen 21, vierde lid, 42 en 55 van de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling in der minne. Een herwerking van het vroegere koninklijk besluit van 12 oktober 1971 drong zich op voor de vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de presentiegelden en voor de terugbetaling van de reis- en maaltijdvergoeding aan de leden van de ruilverkavelingscomités en van de commissies van advies. Dit koninklijk besluit wordt opgeheven en vervangen door een geactualiseerd besluit van de Vlaamse regering.
1.3. MESTBANK De bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen wordt geregeld door het decreet van 23 januari 1991 dat in 2001 éénmaal werd gewijzigd door het decreet van 21 december 2001. Dit decreet omvat de noodzakelijke omzetting van Belgische frank naar euro van de verscheidene heffingsvoeten, de administratieve geldboeten en de strafrechtelijke boeten in het mestdecreet. Bij de omzetting van de heffingsvoeten werd rekening gehouden met het principe dat de invoering van de euro een op zich noodzakelijke maar een zoveel mogelijkneutrale operatie is in die zin dat de budgettaire weerslag ervan beperkt wordt tot een minimum. De omzetting van de administratieve en strafrechtelijke boeten gebeurde volgens een werkwijze die uniform werd uitgewerkt voor alle overheden. De Vlaamse regering werkte tijdens dit jaar het mestdecreet verder uit in verschillende besluiten: • ministerieel besluit van 15 maart 2001 houdende de aanvulling van de lijst tot aanwijzing van ambtenaren van de maatschappij belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van het mestdecreet
• besluit van de Vlaamse regering van 16 maart 2001 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 3 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 11, § 1, 13°en § 7, 33 en 33bis van het mestdecreet • besluit van de Vlaamse regering van 16 maart 2001 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 2000 tot vaststelling van een vergoedingenregeling ter uitvoering van artikelen 15, 15bis, 15ter, 15sexies, § 1 en § 3 en 15septies van het mestdecreet en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van hetzelfde decreet: • drie ministeriële besluiten van 21 maart, 30 maart 2001 en 9 mei 2001 houdende de bijzondere maatregelen inzake het uitrijden van dierlijke mest tot uitvoering van artikel 17, § 6, 1°, a) en c) van het mestdecreet • ministerieel besluit van 6 april 2001 houdende de bepaling van de registers voor producenten en gebruikers in uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 tot uitvoering van sommige artikelen van het mestdecreet • besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het mestdecreet en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning Op 9 maart 2001 verscheen ook het decreet tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van één of meerdere diersoorten. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 2001 regelt deze stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van varkens.
jaarverslag 2001
13
Wettelijk kader 1.4. GRONDDATABANK EN GIS Volgens haar oprichtingsdecreet is de Vlaamse Landmaatschappij belast met de verdere ontwikkeling en het beheer van een gronddatabank en met de invoering van een geografisch informatiesysteem (GIS) in het kader van GISVlaanderen. Het besluit van de Vlaamse regering van 4 oktober 1995, dat de wijzigingen van de statuten van de Vlaamse Landmaatschappij goedkeurde (Belgisch Staatsblad, 6 december 1995), geeft een nadere omschrijving van beide taken. Op 31 juli 1992 nam de Vlaamse regering het besluit tot de oprichting en organisatie van een Milieudatabank. Dat gebeurde met het oog op een koppeling van de databanken van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse pararegionale instellingen voor milieu. De Vlaamse Landmaatschappij is een van de instellingen die informatie levert aan die gemeenschappelijke Milieudatabank.
1.5. ONDERSTEUNEND CENTRUM GIS-VLAANDEREN Het decreet van 17 juli 2000 regelt de oprichting van het samenwerkingsverband Geografisch Informatie Systeem Vlaanderen (GIS-Vlaanderen). GIS-Vlaanderen heeft als algemene doelstelling het optimaliseren van de aanmaak, het gebruik, de uitwisseling en het beheer van geografische informatie binnen de overheid in Vlaanderen. Het samenwerkingsverband wordt gevormd door de deelnemers aan GIS-Vlaanderen met name het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, alle Vlaamse openbare instellingen, de provincies en de gemeenten. Ook anderen, de zogenaamde derden, kunnen deelnemen aan GIS-Vlaanderen door middel van het sluiten van
14
overeenkomsten. Om deze algemene doelstelling te realiseren zal GIS-Vlaanderen werken met verschillende planningsinstrumenten. Zo werd het GIS-Vlaanderen-plan 2001-2005 en het GISVlaanderen-uitvoeringsplan goedgekeurd bij besluit van 15 juni 2001. Op het vlak van de organisatie beschikt GIS-Vlaanderen over de Stuurgroep GIS-Vlaanderen als beleidsvoorbereidend orgaan, twee adviesorganen met name het Wetenschappelijk Comité en de Geografische Informatie Raad, en over een uitvoerend orgaan het Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen. De Vlaamse regering legde bij besluit van 2 februari 2001 de samenstelling en de werking vast van de Stuurgroep GISVlaanderen, het Wetenschappelijk Comité en de Geografische Informatie Raad. De leden en de voorzitter van de Stuurgroep GIS-Vlaanderen werden reeds benoemd bij ministerieel besluit van 18 juni 2001. Eén lid werd vervangen bij besluit van 3 september 2001. Het decreet van 17 juli 2000 dat is opgevat als een kaderdecreet gaat verder in op de opdrachten van GISVlaanderen, de samenstelling en organisatie van GIS-Vlaanderen, de planningsinstrumenten, de concrete samenwerking rond geografische
informatie en de beschikbaarheid en distributie van deze informatie. De bestaande regelgeving wordt opgeheven door dit decreet.
1.6. NATUURBEHOUD EN HET NATUURLIJK MILIEU Het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu dat de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu tot doel heeft, belast de VLM met twee specifieke opdrachten. Deze twee opdrachten kaderen in de algemene maatregelen voor de bescherming van het natuurlijk milieu en werden verder uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998: • Uitoefening van het recht van voorkoop De VLM wordt gemachtigd om in naam en voor rekening van de Vlaamse regering het voorkooprecht van het Vlaamse Gewest uit te oefenen bij verkoop van onroerende goederen in de door het decreet bepaalde gebieden. • Natuurinrichting De Vlaamse regering start natuurinrichtings-
projecten op met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu in bepaalde gebieden. De VLM wordt in het projectuitvoeringsplan belast met de uitvoering van natuurinrichtingsmaatregelen. Daarnaast kan de VLM met landbouwers vrijwillige beheersovereenkomsten sluiten. Deze bevoegdheid wordt geregeld in twee besluiten genomen ter uitvoering van artikel 45 van het hoger genoemde decreet van 21 oktober 1997. Overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 13 april 1999 staat de Vlaamse Landmaatschappij in voor de actieve bevordering, het sluiten en de voortgangsbewaking van de beheersovereenkomsten. Een verdere regeling werd uitgewerkt in het ministerieel besluit van 4 juni 1999 betreffende het sluiten van beheersovereenkomsten ter uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 2078/92. In het afgelopen jaar werden de volgende natuurinrichtingsprojecten ingesteld: Buitengoor-Meergoor, Uitkerkse Polder, kanaal Ieper-Ijzer, Bergerven, Meetkerkse Moeren, Stropers en Zwarte Beek.
jaarverslag 2001
15
Via overleg naar vooruitgang. Via overleg
naar vooruitgang.
Van mens tot mens. Van mens tot mens.
Hoofdstuk 2: Landinrichting
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Landinrichting Geïntegreerd plattelandsbeleid wordt steeds nadrukkelijker het kader waarin de inrichting van het buitengebied vorm zal krijgen. De vraag naar inrichting en afstemming van inrichting neemt toe. De behoefte aan inrichting wordt veel ruimer gesteld dan wat met de actuele instrumenten landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting kan gerealiseerd worden. De optimalisatie van de inrichtings- en beheersinstrumenten en het uitwerken van het grondbeleid voor het platteland zijn prioritair gesteld. Bij de optimalisatie of integratie van het instrumentarium zal ook een antwoord moeten geformuleerd worden op alle vragen voor gebiedsinrichting o.m. voor bosuitbreiding en voor de begeleiding van nieuwe ruimtelijke plannen voor het buitengebied. Afbakeningsprocessen moeten gesteund worden door inrichting en door grondbeleid. Het strategisch project "geïntegreerd plattelandsbeleid" geeft een operationele structuur waarbinnen nieuwe concepten kunnen ontwikkeld en getoetst worden. Gelijktijdig met de ontwikkeling van nieuwe concepten voor inrichting is er de noodzaak om de actuele projectwerking steeds beter te laten beantwoorden aan de maatschappelijke vraag. Dit betekent dat verbreding en verdieping van de projectwerking landinrichting en optimalisatie van de processen strategisch belangrijk blijven. De financieringsplannen en uitvoeringsprogramma’s van de inrichtingsplannen die in 2001 de adviesprocedure doorlopen hebben tonen het toenemende engagement van de partners voor de realisatie. Dit bevestigt de toenemende belangstelling voor landinrichting en bereidheid tot participatie. Blikvangers die de ontwikkeling illustreren zijn de projecten voor gebiedsinrichting waaraan wordt meegewerkt door de Vlaamse Landmaatschappij zonder gebruik te maken van de specifieke juridische instrumenten. Dit gebeurt in de zogenaamde strategische inrichtingsprojecten of "STIP’s".
2.1 LANDINRICHTINGSBELEID
18
Via het strategisch project geïntegreerd plattelandsbeleid, dat door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw in 2000 werd opgestart, werden de belangrijkste beleidslijnen gemarkeerd die van cruciaal belang zijn voor de inrichtingsactiviteiten van de Vlaamse Landmaatschappij.
werking en verbreding van de doelstellingen uit het Vlaamse Plan voor Plattelandsontwikkeling dat in oktober 2000 goedgekeurd werd. Een belangrijk onderdeel van het plattelandsbeleid is de optimalisering van de beschikbare inrichtings- en beheersinstrumenten en het uitwerken van een grondbeleid.
In voorbereiding op de beleidsnota voor een geïntegreerd plattelandsbeleid werden ontwerp krachtlijnen uitgetekend. Deze worden een belangrijk kader voor de inrichting van het buitengebied, en zijn tevens een verdere uit-
Daarnaast werd in een daartoe door de Vlaamse minister opgerichte stuurgroep de integratie van het bestaande inrichtings- en beheersinstrumentarium voorbereid. Niet enkel de bestaande instrumenten landinrichting, natuurinrichting en
ruilverkaveling werden in beschouwing genomen, maar ook andere gebiedsgerichte initiatieven als ROM-projecten of bosuitbreiding. Een discussienota werd voorbereid om aan de Commissie Leefmilieu van het Vlaamse parlement voor te leggen. In het kader van de werking van de stuurgroep werd het inrichtingsinstrumentarium geëvalueerd. Specifiek voor het instrument landinrichting kon gebruik gemaakt worden van de resultaten van een studieopdracht ‘procesanalyse ter verbetering van het instrument landinrichting’. Deze studie werd uitgevoerd in het kader van actie 133 van het milieubeleidsplan ‘Landinrichting tot een volwaardig instrument uitbouwen’. In afwachting van de definitieve resultaten van de evaluaties en de conclusies werden in het kader van de projectwerking landinrichting, na goedkeuring door de stuurgroep, een aantal studieopdrachten opgestart die nieuwe beleidsaccenten inbrengen en uitvoering geven aan de verbreding van landinrichting. Deze studieopdrachten zijn gekoppeld aan de landinrichtingsprojecten Brugse Veldzone en Brabants Plateau.
2.2 PROJECTWERKING Een overzicht met betrekking tot de stand van zaken van de vier landinrichtingsprojecten in uitvoering, is terug te vinden in de tabellen bij dit hoofdstuk. 2.2.1 Landinrichtingsproject Noordoost-Limburg
In 2001 werden de inrichtingsplannen de Luisen fase 2, Functioneel Fietsroutenetwerk - fase 2 en Abeek, deel 3 - fase 1 gunstig geadviseerd door de Commissie voor Landinrichting. De Vlaamse minister keurde de twee eerste plannen ook reeds goed. De goedkeuring van het derde plan is in voorbereiding.
Het inrichtingsplan de Luisen - fase 2 is een onderdeel van het herstelplan Abeek en voorziet in de inrichting van de gronden gelegen tussen de Abeek en het voormalige recreatiedomein De Luisen, dat het voorwerp uitmaakte van een eerste inrichtingsplan en inmiddels werd uitgevoerd. Het laatste deel daarvan werd in 2001 door de Provincie Limburg gerealiseerd met de bouw van een stuw op de Emissaire waardoor het gebiedseigen water in het gebied De Luisen maximaal kan worden opgehouden. Het tweede plan bevat maatregelen gericht op een uitbreiding van het vijver-, en moerascomplex, de verbetering van de waterkwaliteit in het gebied en de inpassing van het recreatieve medegebruik. Het inrichtingsplan Functioneel Fietsroutenetwerk - fase 2 voorziet in de aanleg van een fietspad langs de verbindingsweg tussen Neeroeteren en Opoeteren. Dit fietspad kadert in de visie voor de uitbouw van een functioneel fietsroutenetwerk in Noordoost-Limburg. Het inrichtingsplan Abeek, deel 3 - fase 1 kadert in het herstelplan Abeek zoals beschreven in het richtplan Noordoost-Limburg. De voorgestelde inrichtingsmaatregelen hebben betrekking op herstel en versterking van de natuurlijke beeksystemen met speciale aandacht voor de historische Abeekvallei, natuurontwikkeling in de natuurgebieden De Zig en de Goort, landschappelijke versterking van de valleigebieden, inpassing van het recreatieve medegebruik en kleinschalige waterzuivering. Een ontwerpbureau werd inmiddels belast met de opmaak van technische uitvoeringsplannen voor de onderdelen ‘natuurinrichting Zig’, ‘natuurinrichting Goort’ en het wandelpadennetwerk. Voor zeven, reeds eerder goedgekeurde inrichtingsplannen, waren verschillende werken in uitvoering.
jaarverslag 2001
19
Landinrichting In het kader van het herstelplan Abeek werd de realisatie van het inrichtingsplan Abeek, deel 1, verder voorbereid. Een belangrijke stap naar de uitvoering was het onteigeningsbesluit van 22 oktober 2001 voor de verwerving van een bufferstrook langsheen de Abeek. De afdeling Water van Aminal is opdrachtgevend bestuur voor deze grondverwerving. De Vlaamse Landmaatschappij organiseerde een offerteaanvraag voor de opmaak van een inrichtingsontwerp voor de bufferstrook. Een vervallen landbouwbrug over de Abeek werd vervangen. De werken aan de molensite van het inrichtingsplan Voorste Luysmolen werden met de afwerking en inrichting van de gebouwen en het molentechnisch gedeelte nagenoeg voltooid in 2001. Ook de omgevingswerken werden uitgevoerd met onder meer bestrating, verkeersremmers, picknickruimten, hoogstamboomgaard, kleinschalige waterzuivering en beplantingen. In het molengebouw werden educatieve panelen aangebracht m.b.t. Abeekvallei en molentechniek. De werken aan het molengebouw werden meegefinancierd binnen het kader van het Europese Interreg project ‘Stramproyerbroek en omgeving’. De molenaarswoning werd in gebruik genomen door een natuurwachter van de afdeling Natuur van Aminal. In uitvoering van het plan Kleinschalige waterzuivering Veldhoven/Kreiel werden in 2001 vier percolatierietvelden aangelegd. Langs de N747 tussen Kaulille en de Stop van Lozen werd het vrijliggend fietspad gerealiseerd in uitvoering van het inrichtingsplan Functioneel Fietsroutenetwerk – fase 1. In het kader van de Groenstructuurplannen Wurfeld en Bocholt werden in samenwerking met de provinciale landbouwdienst erfbeplantingsacties uitgevoerd. Tevens werd een wandelpad tussen Maaseik (Gasthuisveld) en Wurfeld aangelegd
20
en is het comité tot aankoop in 2001 gestart met de verwerving van grondstroken voor de aanleg van wandelpaden. De werken voor de aanleg van hengelplateaus en parkeerplaatsen werden in het kader van het plan Natuurontwikkeling Zuid-Willemsvaart aangevangen in 2001. Naar aanleiding van het Interreg project ‘Stramproyerbroek en omgeving’ werd, in samenwerking met alle betrokken partners, een fietsfolder opgemaakt waarin ook de gerealiseerde projecten langs de Abeek en de Luysmolen zijn beschreven. In het kader van de ‘Week van het Bos’ werd met de afdeling Bos en Groen van Aminal een wandelfolder opgemaakt voor het gebied Lozerheide. Deze folder focust op het belang van het gebied als historische watering en de inrichting die in het kader van het landinrichtingsproject werd uitgevoerd. Verder werden drie nieuwe inrichtingsplannen opgemaakt: • Langeren/Tösch: een kleinschalig cultuurlandschap gelegen te Neeroeteren. De maatregelen van het inrichtingsplan beogen een behoud
en herstel van het kleinschalige houtkantenlandschap, vernatting van het natuurgebied, recreatieve inpassing, kleinschalige waterzuivering, … • Groenstructuurplan Opitter: inrichting groenstructuren voor de landelijke woonkern met klemtoon op (verkeers)leefbaarheid, natuurgerichte inrichting van parken en pleintjes, de versterking van de beekecologie van de Itterbeek, landschapsinrichting, recreatief medegebruik, … • Functioneel Fietsroutenetwerk - fase 3: in overleg met de betrokken gemeenten werden projecten uitgewerkt die kunnen voorgesteld worden voor realisatie binnen het kader van module 13 van de mobiliteitsconvenant 2.2.2 Landinrichtingsproject De Westhoek
Voor het Landinrichtingsproject De Westhoek werden in 2001 zowel goedgekeurde inrichtingsplannen op het terrein uitgevoerd als nieuwe inrichtingsplannen in de adviesprocedure gebracht en goedgekeurd. Vier inrichtingsplannen werden in 2001 grotendeels uitgevoerd. De werken voor het inrichtingsplan Kleinschalige Waterzuivering Nieuwkapelle voor de gelijknamige dorpskern werden voorlopig opgeleverd in maart 2001. De inhuldiging van het project vond plaats in september 2001. De recreatieve as van de Oude spoorwegbedding Nieuwpoort - Diksmuide werd grotendeels uitgevoerd en in juni onder grote belangstelling plechtig ingereden. Dit totaalproject heeft niet enkel voor het toerisme een belangrijke waarde, maar ook voor het functioneel fietsverkeer, het cultuurhistorische patrimonium gekoppeld aan de Eerste Wereldoorlog en de ecologische infrastructuur.
De werken van het inrichtingsplan Lovaart, deel beplantingen werd definitief opgeleverd in juni 2001 en de eerste fase van de realisatie van het inrichtingsplan Lovaart, deel knooppunten en weginfrastructuur, werd voorlopig opgeleverd in mei 2001. De tweede fase van dit inrichtingsplan werd aangevat in september 2001, eind 2001 waren de werken voor meer dan 60% gerealiseerd. Deze tweede fase voorziet in de inrichting van een aantal bijkomende, recreatief belangrijke knooppunten langs de Lovaart, ter hoogte van enkele kleine kernen zoals Fortem. Niet alleen wordt aandacht besteed aan het recreatief medegebruik, maar ook aan de verkeersveiligheid, de inrichting van het openbaar domein en kleine cultuurhistorische relicten. De inrichtingsplannen Kleinschalige Waterzuivering en Dorpskernherinrichting Zwaantje en Booitshoeke en Duinenabdij werden eind 2001 door de Vlaamse minister goedgekeurd. Voor beide plannen werden subsidiedossiers ingediend waardoor de werken in 2002 kunnen worden uitgevoerd. Het eerste plan betreft de uitwerking van de opties van het richtplan inzake de waterzuivering van kleine kernen en ook dorpskernvernieuwing, belangrijk voor het plattelandsbeleid. De inrichting van het openbaar domein en de opwaardering van de omgevingskwaliteiten van de gehuchten Zwaantje en Booitshoeke zijn onderdeel van het plan. Het inrichtingsplan Duinenabdij voorziet in de inrichting van het historische complex van de Duinenabdij in Koksijde. In samenwerking met de gemeente Koksijde werd een plan uitgewerkt voor de integrale herinrichting van het domein. Daarbij aansluitend zullen in de nabije toekomst ook de Noordduinen in het kader van natuurinrichting ecologisch worden gevaloriseerd. De inrichtingsplannen Vallei De IJzer, Kom van Lampernisse en De Moeren werden positief
jaarverslag 2001
21
Landinrichting omgeving met de ecologische inrichting van de waterlopen • de Grote Nieuwlandpolder • de Recreatieve ontsluiting van Adinkerke vanuit het kustgebied • de Noordduinen via natuurinrichting en de herziening van de ontsluiting van het gebied 2.2.3 Landinrichtingsproject Leie en Schelde
door de Commissie voor Landinrichting geadviseerd en liggen ter goedkeuring bij de Vlaamse minister. Deze projecten zorgen voor De Westhoek zowel ecologisch, alsook landschappelijk voor een belangrijke meerwaarde door ingrepen in de waterhuishouding, de aanleg van kleine landschapselementen, de valorisatie van cultuurhistorische relicten. Het inrichtingsplan Kom van Lampernisse wordt in belangrijke mate door het Ruilverkavelingscomité Fortem uitgevoerd, hetgeen de mogelijkheden van deze ruilverkaveling, ook in dit ecologisch belangrijke gebied, onderstreept. De natuurtechnische inrichting van de oevers van de Grote Beverdijk werd in het kader van het inrichtingsplan Polderwaterlopen deel 2 (sectie Stuivekenskerke) via de toepassing van artikel 12 door de Commissie voor Landinrichting geadviseerd en zal in het kader van de ruilverkaveling worden uitgevoerd. Tenslotte werd een aantal nieuwe inrichtingsplannen voorbereid, waarvan de adviesprocedure in de loop van 2002 zal starten. Het betreft de inrichtingsplannen: • Polderwaterlopen deel 2, Beverdijkvaart en
22
In 2001 werd voor 6 inrichtingsprojecten het eindvoorstel van inrichtingsplan opgemaakt: Landschappelijke integratie Slindonk, Landschappelijke integratie Noordhout, Gaverse Scheldemeersen, Malem, Assels en Recreatieas Deinze - Gent. De plannen Slindonk en Noordhout betreffen de landschappelijk integratie van enkele gehuchten in het zuidwesten van de Gentse agglomeratie met de aanleg van groenstructuren en kleine landschapselementen. De inrichting van de Gaverse Scheldemeersen heeft betrekking op een deel van de alluviale vlakte van de Bovenschelde met een aantal oude afgesneden Scheldemeanders. De plannen Assels en Malem beschrijven maatregelen voor de herinrichting van twee gebieden die deel uitmaken van de Leiemeersen. Deze gebieden liggen in de onmiddellijke omgeving van de stedelijke ontwikkelingen van Gent. De voorstellen slaan op een ingrijpende herstructuring van de gebieden in overleg met het stadsbestuur van Gent en andere partners. Het plan Recreatieas Deinze - Gent voorziet in de aanleg van een recreatief netwerk voor fietsers en wandelaars in het gebied van de Leie tussen Gent en Deinze, en koppelt daaraan ook de valorisatie van een aantal toeristische plekken in dit gebied. De eindvoorstellen werden ter advies voorgelegd aan de Commissie voor Landinrichting die een
gunstig advies uitbracht over de inrichtingsplannen. De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw gaf bij ministerieel besluit van 14 juni 2001 haar goedkeuring aan de uitvoering van het deel Groene Velden van het inrichtingsplan Vinderhoutse Bossen en Groene Velden. Voor het het deel Vinderhoutse Bossen zal een nieuw inrichtingsplan opmaakt worden waarin het accent sterker op de uitbreiding van het bosareaal gericht is. In 2001 maakte de Vlaamse Landmaatschappij drie nieuwe inrichtingsplannen op, met name Ename, Neerwelden en de Ontginningsputten Kapel ter Durmen en Lembeekstraatje. De adviesprocedure voor deze projecten werd gestart in het najaar met de raadpleging van het Landinrichtingscomité en de voorstelling aan de Stuurgroep, de betrokken partners en de pers. Naar aanleiding van deze officiële voorstelling werd ook een nieuwe editie van de landinrichtingskrant verspreid onder 55.000 huisgezinnen. In het voorjaar van 2001 werden beplantingswerken uitgevoerd op 65 landbouwbedrijven in het kader van het inrichtingsplan Erfbeplanting Scheldeveld.
Voor het inrichtingsplan Durmen te Nevele stond de VLM onder meer in voor de inrichting van een hoogstamboomgaard, de aanleg van een fiets- en ruiterpad en de bouw van een amfibieëntunnel. De inrichting van het Eiland en van Merendreeput zal door de administratie Waterwegen en Zeewezen worden uitgevoerd. Het ruilverkavelingscomité Nazareth voerde in 2001 de meeste werken uit voorzien in het inrichtingsplan Schermgroen E17 zoals het graven van een vijver met bijbehorende beplantingen op de verkeerswisselaar in De Pinte, beplantingen aan de verkeerswisselaar van Deinze en op taluds en wegen in de omgeving van de E17, de aanleg van een speel- en bufferbos en lokale verbeteringen van fiets- en weginfrastructuren. Het inrichtingsplan Lozerbos kwam sterk in de kijker te staan naar aanleiding van de tweede Vlaanderendag. De opendeurdag van de Vlaamse overheid werd aangegrepen om de nieuwe fiets- en wandelpaden in Lozer officieel in te huldigen. Ruim 2000 geïnteresseerden kwamen een kijkje nemen. De nieuwe circuits hebben als hoofddoel de verschillende recreatiestromen (fietsers, wandelaars, ruiters, …) gescheiden te houden en daarnaast de meest waardevolle en kwetsbare zones in het bos te vrijwaren van de recreatiedruk. In het bos werd ook een speelzone ingericht met een picknickplaats, speelheuvels en een klauterboom. Op 5 september 2001 werden het veer over de Oude Leie en het bijbehorende wandelpad in het inrichtingsplan Vosselareput ingehuldigd onder ruime mediabelangstelling. Het nieuwe wandel- en fietspad met een brug over de Rekkelingebeek en een overzet over de Leiearm zorgt ervoor dat de patiënten van het MPI Heilig Hart kunnen genieten van de natuur en het landschap achter de instelling. Door het opheffen van de twee natuurlijke waterbarrières kunnen ook andere recreanten van de omgeving
jaarverslag 2001
23
Landinrichting genieten en zich op een aangename en vooral veilige manier naar de andere kant van de Leie begeven. Een lange omweg maken langs een drukke en onveilige steenweg behoort nu tot het verleden. Sedert de opening worden het pad en de overzet intensief gebruikt. Door de aanleg van een zelfbedieningsveer is de overzet permanent toegankelijk. Op vraag van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw werd in 2001 de eerste permanente milieufietsroute uitgewerkt door de Vlaamse milieuadministraties (Aminal, OVAM, VLM, VMM) in samenwerking met Toerisme Oost-Vlaanderen. In Oost-Vlaanderen loopt deze fietsroute (50 km) in het landinrichtingsproject Leie en Schelde en komen bijgevolg diverse realisaties in het kader dit project aan bod. De milieuroute verbindt bovendien als eerste route de Leievallei met de Scheldevallei en realiseert zo aan een van de opties uit het richtplan. De folder is te verkrijgen bij Toerisme Oost-Vlaanderen. 2.2.4 Landinrichtingsproject Grote-Netegebied
Het inrichtingsplan Landschapsontwikkelingsplan Gestel fase 2 werd in 2001 door de Vlaamse minister goedgekeurd. Dit plan omvat maatregelen rond het versterken van de landschappelijke structuur, het voorzien van erfbeplantingen en kleinschalige waterzuiveringen op landbouwbedrijven, het bufferen van een overstort en de aanleg van een kleinschalige waterzuivering voor een beperkte woonkern. De Commissie voor Landinrichting bracht een gunstig advies uit met betrekking tot drie inrichtingsplannen: • het inrichtingsplan Kempisch Plateau richt zich op het ontwikkelen van een groot boscomplex met aandacht voor biodiversiteit, bosuitbreiding, het soortenbeschermingsplan voor de
24
nachtzwaluw en een betere afstemming van verschillende vormen van recreatie • het inrichtingsplan Keiheuvel - De Most streeft naar een verbetering van de samenhang en de inrichting van de functies natuur, bos, water, recreatie en verkeersveiligheid om de versnippering van het gebied tegen te gaan • het inrichtingsplan Recreatief Fietsroutenetwerk betreft het uitbouwen van een 250 km lang recreatief en functioneel fietsroutenetwerk dat aansluit op de bestaande fietsnetwerken in de provincie Limburg. Het EFRO zal dit project voor 25% medefinancieren Het inrichtingsplan Dekshoevevijver heeft de adviesprocedure grotendeels doorlopen in 2001. Het inrichtingsplan richt zich op de natuurlijke inrichting van een recreatieve vijver rekening houdende met de verschillende recreatieve functies. In 2001 werd verder uitvoering gegeven aan de werken die kaderen in het in 2000 goedgekeurde inrichtingsplan Gerheserheide. De werken omvatten de aanleg van een avonturenspeeltuin ingepast in de natuur- en bosrijke omgeving en worden medegefinancierd door het EOGFL. In het kader van dit inrichtingsplan werd tevens
een inrichtingsvoorstel opgemaakt voor de ‘Schans van Gerhees’. Dit planonderdeel werd door de Koning Boudewijn Stichting geselecteerd als erfgoedproject. Een schans vormt een middeleeuws versterkt schuiloord opgebouwd uit een aarden verdedigingswal omringd door een gracht. In 2001 werden de inrichtingsplannen Beekdal Grote Nete stroomopwaarts kanaal van Beverlo, Geel – Bel, Volsbergbossen en het soortenbeschermingsplan voor de veldparelmoervlinder voorbereid. Voor de opmaak van dit laatste inrichtingsplan werd beroep gedaan op De Vlinderstichting uit Wageningen. 2.2.5 Landinrichtingsproject Brugse Veldzone
Voor het richtplan van het landinrichtingsproject Brugse Veldzone, waarvan de voorstudie afgewerkt werd in juni 2000, werden een aantal studieopdrachten gegund: • een onderzoek naar infiltratie - kwelstromingen en de mogelijkheid tot aanvulling van de grondwaterreservoirs • een onderzoek naar de impact en de toekomstperspectieven van de economische activiteiten, met uitzondering van de zuivere landbouwactiviteiten, in het landelijk gebied • een onderzoek naar de opmaak van een functietoekenningsplan voor de lokale wegen in het landelijk gebied • een onderzoek naar de randvoorwaarden voor landbouw met verbrede doelstellingen • het landschapsonderzoek voor het landinrichtingsproject Brugse Veldzone: studie naar de visueel-ruimtelijke en cultuurhistorische aspecten van het landschap (inventarisatie, interpretatie en visievorming) Daarnaast werden in voorbereiding op het richtplan voor de Brugse Veldzone ook een aantal interne onderzoeksopdrachten aangevat:
• landbouw, met onder meer een enquêtering van de landbouwers in het gebied (in samenwerking met de administratie voor Land- en Tuinbouw en de gebiedwerking van de Provincie West-Vlaanderen) • recreatie, in samenwerking met o.a. ‘Brugs Ommeland’ en Regionaal Landschap Houtland • oppervlaktewater, in samenwerking met o.a. het bekken ‘Brugse Polders’ 2.2.6 Landinrichtingsproject Brabants Plateau
Ter voorbereiding van de opstelling van het richtplan werden verschillende thematische studies gestart voor het landinrichtingsproject Brabants Plateau. Een aantal studieopdrachten wordt door extern studiebureaus uitgewerkt, andere gebeuren intern. Externe onderzoeksopdrachten behandelen de bosbouw, de ecologie, de leefbaarheid van kleine kernen, de serreproblematiek, het landschap en de cultuurhistorie. De Vlaamse Landmaatschappij staat in voor het onderzoek naar de recreatie, landbouw (inclusief stadslandbouw), hydrologie en milieu. De studies worden in nauw overleg met de lokale besturen, de provincie, het Regionaal Landschap Dijleland en de buitendiensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap opgevolgd en aangestuurd. Tevens werd nagegaan of binnen het Europees Interreg III project ‘Sustainable Open Space 2’ projectvoorstellen met betrekking tot het landinrichtingsproject Brabants Plateau kunnen worden ingediend in samenwerking met de lokale partners. 2.2.7 Landinrichtingsproject Zuiderkempen
In 2001 werd de voorstudie opgemaakt voor een nieuw landinrichtingsproject in de provincie Antwerpen. De voorstudie voor de Zuiderkempen werd in december voorgesteld aan de Commissie voor Landinrichting en zal na een
jaarverslag 2001
25
Landinrichting gunstig advies in een volgende vergadering aan de Vlaamse minister worden bezorgd. 2.2.8 Overzicht subsidies landinrichting 2001
De tabel geeft een overzicht van de subsidies vastgelegd op basis van het subsidiebesluit voor landinrichtingswerken.
2.3 ONDERSTEUNING PROJECTWERKING 2.3.1 Externe opdrachten
In 2001 werden opdrachten uitbesteed in functie van de planvorming en technische ontwerpen voor de werken. Ten behoeve van de beleidsvoorbereiding werden in 2001 twee studies opgeleverd: • een procesanalyse ter verbetering van het instrument landinrichting • een visie- en verkenningsnota plattelandsbeleid Twee onderzoeksopdrachten werden gegund: • Wetenschappelijke ondersteuning met betrekking tot de methodologie voor profilering van bosbouw en bosbeleid in landinrichtingsprojecten • Bepaling van de opbrengst en de voederkwaliteit van graslanden voor en na winteraanpassing in de komgronden van Lampernisse via een monitoringsysteem
2.4 COMMUNICATIE LANDINRICHTING Documentatiecentrum Landelijke Inrichting (DCLI) In de loop van 2001 werd het Documentatiecentrum Landelijke Inrichting (DCLI) verder aangevuld en uitgebreid. Het DCLI, een subbibliotheek van de VLM-hoofdbibliotheek, brengt werken samen die handelen over de planning en inrichting van de open ruimte. Daarnaast bevat het DCLI integraal de thema’s ruimtelijke ordening, natuur en landschap met een focus op planning en inrichting. Ook de tijdschriften die deze materies behandelen, zijn opgenomen in het DCLI. Momenteel liggen reeds 19 verschillende vaktijdschriften ter inzage. Het DCLI wordt frequent geraadpleegd door medewerkers van de VLM ter ondersteuning van de inrichtingsactiviteiten. Het DCLI staat tevens ter beschikking van externe gebruikers. De Commissie voor Landinrichting heeft het initiatief genomen voor een nieuwsbrief die communiceert over het geheel van de projectwerking landinrichting. De doelgroep is het geheel van overheidspartners en verenigingen die bij landinrichting betrokken zijn.
2.5 INTEGRAAL WATERBEHEER Integraal waterbeheer houdt in dat een duurzaam waterbeheer ontwikkeld en gevoerd
Aantal inrichtingsplannen waarvoor subsidie via landinrichting is toegekend
Bedrag vastgelegd in EUR
Noordoost-Limburg
7
596.709
De Westhoek
4
2.069.952
Leie en Schelde
3
1.015.356
Grote-Netegebied
1
129.128
TOTAAL
26
3.811.145
wordt voor alle aspecten van het watersysteem. Hierbij worden niet louter milieugerelateerde aspecten beschouwd, maar wordt rekening gehouden met alle maatschappelijke aspecten van, en aanspraken op het watersysteem. Projecten van landinrichting zijn geïntegreerde gebiedsgerichte projecten, waarbinnen het aspect water, naast andere thema’s, beschouwd wordt. De VLM streeft ernaar om de principes van integraal waterbeheer te implementeren in de planvorming van de inrichtingsactiviteiten. De VLM is vertegenwoordigd in de Permanente Projectgroep van het Vlaams Integraal Wateroverlegcomité (VIWC). Binnen het VIWC is in 2001 de werkgroep ‘Kaderrichtlijn Water’ opgestart die de inhoudelijke implementatie van de kaderrichtlijn coördineert. De VLM is in deze werkgroep vertegenwoordigd vanuit het themabeheer. Verder is de deelname van de VLM aan de werking van de subcomités Waterkwantiteit,Watervoorziening,Watersysteemkennis, Waterkwaliteit en Natuurlijk Milieu van het VIWC, in 2001 voortgezet. In verschillende acties van het milieubeleidsplan MINA-2 en van de milieujaarprogramma’s neemt het integraal waterbeheer een centrale rol in. De VLM was in 2001 vertegenwoordigd in verschillende stuurgroepen van acties, gericht op het ontwikkelen en ondersteunen van het integraal waterbeheer: • de Stuurgroep Bekkencomités • de Stuurgroep Actie 66 (Beleidsinstrumenten voor bodemgebruik ontwikkelen en verbeteren) • de Stuurgroep Actie 76 (Kennis van hydro logische systemen vergroten) • de Stuurgroep Actie 130 (Bekkenoverlegstructuren operationaliseren) • de Stuurgroep Actie 131 (Opmaak van bekkenbeheerplannen)
In de ambtenarenwerkgroep van de 11 Vlaamse rivierbekkens is de VLM vertegenwoordigd via de provinciale afdelingen.
2.6 GEÏNTEGREERD PLATTELANDSBELEID In 2001 werd het strategisch project ‘geïntegreerd plattelandsbeleid’ via verschillende deelprojecten uitgewerkt. Op basis van een externe opdracht betreffende de opmaak van een visie- en verkenningsnota voor het plattelandsbeleid uitgevoerd door De Rynck en De Roo, werd in overleg met de projectstructuur een eerste aanzet tot beleidsnota voor een geïntegreerd plattelandsbeleid uitgewerkt. Uit de discussies en overlegmomenten in een ruimer forum werd een krachtlijnennota voor een geïntegreerd plattelandsbeleid afgeleid die aan de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw werd voorgelegd. De andere deelprojecten van het strategisch project kwamen ook op kruissnelheid; er werd een evaluatie van het bestaande inrichtingsinstrumentarium gemaakt en principes voor integratie en inzet van instrumenten uitgewerkt. Ook de regeling inzake de natuurbeheersovereenkomsten nam een aanvang. Het grondbeleid werd uitgewerkt in de vorm van een businessplan en een voorontwerp van decreet. Parallel met de discussies en rapportering in het kader van het strategisch project werd in voorbereiding van de tweede fase inzake de verbrede plattelandsontwikkeling in uitvoering van het goedgekeurde plattelandsontwikkelingsplan voor Vlaanderen (PDPO of Programmadocument voor de Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen) een nota rond de taakstelling voor de provincies inzake plattelandsbeleid voorbereid. Begin 2001 werden projectvoorstellen geformuleerd in het kader van landinrichtingsprojecten, ruilverkavelingsprojecten en natuurinrichtings-
jaarverslag 2001
27
Landinrichting voor Noordwest Europa, werd gerealiseerd door een samenwerkingsverband tussen 7 sterk verstedelijkte regio’s. Voor Vlaanderen waren het Provinciebestuur Vlaams-Brabant, de Vlaamse Landmaatschappij, de Stichting Plattelandsbeleid vzw en IGO Leuven projectpartner voor de regio Vlaams-Brabant. In 2001 werd ook een nieuw projectplan voorbereid voor een vervolgproject dat in de eerste helft van 2002 tergoedkeuring aan de Europese instanties kan worden voorgelegd. Het project zal deels worden gekoppeld aan het landinrichtingsproject Brabants Plateau.
projecten met het oog op een vraag naar cofinanciering vanuit het plattelandsontwikkelingsplan. De eerste projecten inzake ruilverkaveling en landinrichting met cofinanciering uit het Europese EOGFL-fonds konden in 2001 uitgevoerd worden. Deze betroffen initiatieven in de sfeer van recreatief medegebruik, het cultuurhistorisch erfgoed en dorpskernvernieuwing. In uitvoering van het plattelandsontwikkelingsplan voor Vlaanderen maakt de Vlaamse Landmaatschappij als beheersdienst voor een aantal milieumaatregelen in de landbouw en de verbrede plattelandsontwikkeling, deel uit van het Managementcomité en het Comité van Toezicht. Samen met de andere diensten heeft zij in 2001 de noodzakelijk geachte wijzigingen voor 2001 in het kader van het PDPO helpen voorbereiden. De Vlaamse Landmaatschappij verzorgt het inhoudelijk secretariaat van de Stichting Plattelandsbeleid vzw.
2.7 PARTICIPATIES In januari 2001 werd het viertalige rapport ‘Sustainable Open Space, a question of identity’ aan de Europese Commissie voorgesteld. Dit project, dat kadert in het Interreg IIC programma
28
Andere betrokkenheid: • De Vlaamse Landmaatschappij is actief in de werking van een aantal Regionale Landschappen waar landinrichtingsprojecten worden gerealiseerd. • De Vlaamse Landmaatschappij heeft auteurs en lectoren ter beschikking gesteld voor de realisatie van het Mira-T rapport. • De Vlaamse Landmaatschappij is vertegenwoordigd in het Grindcomité en het Grindherstructureringscomité. • De Vlaamse Landmaatschappij is lid van de AEIAR, een Europese Vereniging van de Instellingen voor de Inrichting van het Platteland. Zij heeft ook de rol van secretariaat.
Tabel - Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Noordoost-Limburg Noordoost-Limburg
M.B. goedkeuring
water maatregelen maatregelen maatregelen sys-
voor natuur
voor bos
temen
kleinschalige
voor
landelijke infrastructuur
landschapsinrichting
milieu-
landbouw verbeteringen functioneel recreatief
Uitgevoerde plannen
zachte
erfgoed
mobiliteit
landschaps-
buffers,
verkeers-
behoud
landschaps-
veiligheid
ip Herstel watering Lozerheide
22-09-98
ip de Luisen
18-12-98
ip Veldhoven - Kreiel
29-09-98
ip Voorste Luysmolen
18-12-98
ip Natuurontwikkeling Z-Willemsvaart
18-12-98
ip functioneel fietspadennetwerk, fase 1
16-12-99
x x
groenstructuren erfbeplantingen
bouw
x
x
x
x
x x
x
x
x
x
x x
ip weidevogelbescherming Sint-Maartensheide ip functioneel fietspadennetwerk, fase 2
03-05-00
x
x
20-11-01
x
x
Plannen in uitvoering
ip Abeek 1, Abeekloop vak p’160 - kanaal
22-09-98
ip groenstructuurplan Wurfeld, fase 1
04-05-99
x
x
x
x
x
ip groenstructuurplan Bocholt
14-12-99
x
x
x
ip de Luisen, fase 2
17-12-01
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Plannen in voorbereiding
ip Abeek 3, fase 1
x
Tabel - Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject De Westhoek De Westhoek
M.B. goedkeuring
water maatregelen maatregelen maatregelen sys-
voor natuur
temen
voor bos
voor
kleinschalige
landelijke infrastructuur
landschapsinrichting
milieu-
landbouw verbeteringen functioneel recreatief
Uitgevoerde plannen
zachte
erfgoed
mobiliteit
landschaps-
buffers,
verkeers-
behoud
landschaps-
veiligheid
ip Nieuwkapelle
22-09-98
ip voetgangers- en fietsbruggen De IJzer
02-10-98
ip Diksmuide (Oudekapelle,
26-04-99
ip Oude Spoorwegbedding
09-02-99
x
x
16-12-99
x
x
groenstructuren erfbeplantingen
bouw
x x x x
x
x
x
x
x
Nieuwpoort - Diksmuide ip Lovaart, deel beplantingen
Plannen in uitvoering
St-Jacobs-Kapelle, Oostkerke) ip Lovaart, deel knooppunten en
16-12-99
weginfr, fase 1 ip Lovaart, deel knooppunten en
19-12-00
weginfr, fase 2 ip Veurne (Booitshoeke en 't Zwaantje)
03-12-01
ip Duinenabdij
03-12-01
x x
x x
x
x x
Plannen in voorbereiding
ip Vallei De IJzer
x
x
x
x
x
x
x
x
ip Komgronden van Lampernisse
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
ip De Moeren
29
Landinrichting Tabel - Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Leie en Schelde Leie en Schelde
M.B. goedkeuring
water maatregelen maatregelen maatregelen sys-
voor natuur
voor bos
temen
voor
kleinschalige
landelijke infrastructuur
landschapsinrichting
milieu-
landbouw verbeteringen functioneel recreatief
Plannen in uitvoering
zachte
erfgoed
mobiliteit
landschaps-
buffers,
verkeers-
behoud
landschaps-
veiligheid
groenstructuren erfbeplantingen
bouw
ip Erfbeplanting kouter/bulkengebied
09-06-99
ip Erfbeplanting Scheldeveld
09-06-99
ip Meilegem - Zingem
09-07-99
ip Lozerbos
14-12-99
x
x
x
ip Vosselareput
09-05-00
x
x
x
x
x
ip Heurne
07-08-00
x
x
x
x
ip Schermgroen E17
15-09-00
ip Durmen
05-10-00
x x x
x
x
x
x
x
x x
x x
x
x
x
x
x
ip Vinderhoutse Bossen en Groene Velden
14-06-01
x
x
Plannen in voorbereiding
ip Oude Kale
x
x
x
ip Gaverse Scheldemeersen
x
x
x
x
x x
ip Landschapsintegratie Noordhout
x
x
x
ip Landschapsintegratie Slindonk
x
x x
ip Recreatieas Deinze-Gent
x
x
x
x
x
ip De Assels
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x x
x
x
x
ip Malem
x
x
x
x
x
Tabel - Inrichtingsplannen in het landinrichtingsproject Grote-Netegebied Grote-Netegebied
M.B. goedkeuring
water maatregelen maatregelen maatregelen sys-
voor natuur
voor bos
temen
voor
kleinschalige
landelijke infrastructuur
landschapsinrichting
milieu-
landbouw verbeteringen functioneel recreatief
Plannen in uitvoering
zachte
erfgoed
mobiliteit
landschaps-
buffers,
verkeers-
behoud
landschaps-
veiligheid
ip Gerheserheide
03-05-00
ip Scherpenbergen - De Hutten
09-05-00
ip Landschapsontwikkelingsplan Gestel
04-08-00
x
x
x
x
groenstructuren erfbeplantingen
bouw
x
x
x x
x
x
fase 1 ip Gestel, fase 2
10-07-01
x
x
x
Plannen in voorbereiding
ip Kempisch Plateau ip Keiheuvel- De Most ip Recreatief fietsroutenetwerk
30
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
jaarverslag 2001
31
Geven en nemen.
Geven en nemen.
Van mens tot mens. Van mens tot mens
Hoofdstuk 3: Ruilverkaveling
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Ruilverkaveling Ruilverkaveling is in wezen een instrument voor de structurele inrichting van gebieden met een hoofdzakelijke agrarische bestemming. Aan de basis liggen landbouweconomische doelstellingen, ruilverkaveling beoogt een structurele verbetering van de externe productieomstandigheden van land- en tuinbouw. Deze verbetering gaat gepaard met een bredere multifunctionele inrichting van het gebied met aandacht voor natuurbehoud, erfgoedwaarden, archeologie, landschapszorg, recreatief medegebruik, milieuhygiëne,... De geïntegreerde planvorming en de aangepaste milieueffectrapportering in de onderzoeksfase ondersteunen de ruimere doelstellingen van de ruilverkaveling In Vlaanderen waren op 31.12.2001 134 ruilverkavelingsprojecten afgewerkt. Die vertegenwoordigen een gezamenlijke oppervlakte van 165.682 ha. Daarnaast bevinden zich 17 projecten (ongeveer 50.069 ha) in de onderzoeksfase en zijn er op 31.12.2001 11 projecten (ongeveer 17.151 ha) in uitvoering. Een en ander betekent dat zowat 232 902 ha betrokken is of was bij ruilverkaveling. Dat is ongeveer een derde van het totale landbouwareaal in Vlaanderen.
3.1. PROJECTEN IN ONDERZOEK IN 2001 Vooraleer een ruilverkaveling wordt opgestart, wordt een onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling uitgevoerd. Als eerste stap in de procedure wordt bij ministerieel besluit het "onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling" opgedragen voor een voorlopig omschreven gebied. Hierna wordt een Coördinatiecommissie ingesteld, die als opdracht heeft de minister advies te verstrekken over de vaststelling van het ruilverkavelingsblok. In de praktijk fungeert de coördinatiecommissie als een discussieforum, waarbij vanuit de vertegenwoordigde sectoren gestreefd wordt naar een advies betreffende een duidelijke begrenzing en de algemene inhoudsbepaling van het project. De inhoud van het project wordt bepaald door het ontwerpen en evalueren van een ruilverkavelingsplan. Het ruilverkavelingsplan houdt rekening met het juridisch en beleidskader zoals ondermeer de zorgplicht van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het ruilverkavelingsplan wordt onderworpen aan een milieueffectrapportering (m.e.r.). Vóór de beslissing wordt genomen of een
34
ruilverkaveling al dan niet nuttig is, is er dus, aan de hand van het ruilverkavelingsplan, duidelijkheid over de inhoud en de effecten van het ruilverkavelingsproject. Bij brief van 08.01.2001 heeft de minister bepaald dat een vertegenwoordiging van de afdeling Bos en Groen en van de afdeling Water (AMINAL) aan de coördinatiecommissie moet toegevoegd worden. Deze beslissing wijzigt de bestaande wettelijke samenstelling van de coördinatiecommissie niet. De vertegenwoordigers van de afdelingen Water en Bos en Groen zetelen in de coördinatiecommissie als expert en hebben geen stemrecht. Bij het eindadvies kunnen ze wel een aanvullende nota toevoegen. Op 31 december 2001 waren er 17 ruilverkavelingen in onderzoek met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 50.069 ha (zie tabel 1). Dit wil zeggen dat voor deze projecten een ministerieel besluit werd genomen om een onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling te voeren. Dit wil echter niet zeggen dat het onderzoek voor al deze projecten momenteel ook actief wordt gevoerd. Ook kunnen
onderzoeksgebieden opgedeeld worden in meerdere entiteiten waarvoor het onderzoek gefaseerd verloopt. Programmatie, keuze en omschrijving van de gebieden waar het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling wordt gevoerd, worden niet door de wet geregeld maar maken het voorwerp uit van de beleidsvoering van de bevoegde minister.
3.2. PROJECTEN IN UITVOERING IN 2001 De ruilverkavelingen worden uitgevoerd door de ruilverkavelingscomités, die rechtspersoonlijkheid bezitten. Schematisch bestaat de uitvoering van de ruilverkaveling uit: de bepaling van de inbreng, de uitvoering van de werken, de bepaling van de toedeling, het verlijden van de ruilverkavelingsakte en de aanvullende ruilverkavelingsakte. Na het verlijden van de ruilverkavelingsakte wordt een project echter meestal als beëindigd beschouwd en niet meer meegerekend bij de projecten in uitvoering. De bepaling van de inbreng steunt op de classificatie van de landbouwkundige waarde van de gronden en de ingebrachte oppervlakte in elke waardeklasse. Door de vermenigvuldiging van kwaliteit en oppervlakte wordt de inbreng uitgedrukt in punten. De uitvoering van de werken is gericht op de uitvoering van het ruilverkavelingsplan. Het ontwerp van werken wordt opgesteld door een ontwerper na een offerteaanvraag. De uitvoering van de werken gebeurt door aannemers na aanbesteding. De lokalisatie van de toedeling is voor de eigendom en het gebruik van primordiaal belang en is het voorwerp van een sterk onderbouwde en
doorgedreven herverkavelingsstudie. Eigenaars, gebruikers en houders van zakelijke rechten verkrijgen hun nieuwe titels door het verlijden van de ruilverkavelingsakte. De aanvullende ruilverkavelingsakte sluit de ruilverkavelingsverrichtingen af. Ze beschrijft het geheel van de financiële regelingen en geldt als titel voor de rechten en verplichtingen. Op 31.12.2001 zijn er 11 ruilverkavelingen in uitvoering. Dit zijn projecten waarvan de ruilverkavelingsakte nog niet is verleden. Daarbij gaat het om 17.151 ha (zie tabel 2). Voor de RVK Grootloon werd het ruilverkavelingscomité ingesteld op 26.03.2001. Een overzicht van de werken in die projecten wordt gegeven in de tabellen 3, 4 en 5. In de tabellen 6 en 7 worden respectievelijk de projecten weergegeven waarvan de ruilverkavelingsakte en de aanvullende ruilverkavelingsakte zijn verleden. Wat betreft de ruilverkavelingsakte gaat het om de RVK Mettekoven. Voor de RVK Hoegaarden, RVK Rijkhoven, RVK Hamme en RVK ’s-Heerwillemskapelle werd de aanvullende akte verleden in 2001. Een overzicht van de aankopen in het kader van het recht van voorkoop wordt gegeven in tabel 8. Ondersteuning van landbouw met verbrede doelstellingen
In het voorbije decennium werd het multifunctionele karakter van het ruilverkavelingsinstrument vergroot en benadrukt door waar mogelijk ruimte en mogelijkheden te geven aan niet-agrarische functies als erfgoedwaarden, landschap, natuur, recreatief medegebruik, watersystemen, …in evenwicht met een optimalisatie van de externe productieomstandigheden voor de landbouw.
jaarverslag 2001
35
Ruilverkaveling Tabel 1 - Ruilverkavelingen in onderzoek Provincie
Stand per 31 december 2001
Ruilverkavelingsblok
Oppervlakte in ha (raming)
Datum ministerieel besluit
Antwerpen HULSEN - OLMEN - MALOU, Balen,
4500
Ham, Leopoldsburg, Lommel, Meerhout, Mol ZONDEREIGEN, Merksplas, Turnhout,
1530
Baarle-Hertog, Hoogstraten RIJKEVORSEL-WORTEL, Rijkevorsel, Hoogstraten
03.06.1999 29.05.2000 01.02.1988 05.12.1989
3500
03.01.1969 01.02.1988 01.04.1996
LILLE-VORSELAAR, Lille, Vorselaar,
5475
Malle, Zoersel, Beerse, Zandhoven en Rijkevorsel
18.03.1997 09.11.2000
HERENTHOUT-BOUWEL, Herenthout,
Nijlen, Grobbendonk, Herentals
1960
14.09.1998
WILLEBRINGEN, Boutersem,
3000
30.05.1996
2600
09.10.1985
Vlaams-Brabant (PA Diest)
Tienen, Hoegaarden, Bierbeek (PA Gent)
LONDERZEEL, Meise, Merchtem
11.09.1987
Limburg JESSEREN, Borgloon, Kortessem, Tongeren
1900
02.09.1987 10.10.1989 16.06.1999
WELLEN, Borgloon
1700
30.05.1996
VELDHOVEN-KREIEL, Bocholt, Bree
2200
14.09.1998
SINAAI, Sint-Niklaas, Lokeren
1800
24.08.1984
Oost-Vlaanderen 08.09.1987 23.06.1988 22.07.1996 SCHELDEKANT, Nazareth, De Pinte, Gent
1800
23.09.1981 07.05.1996
SINT-LIEVENS-HOUTEM,
3000
30.09.1996
STEKENE
2200
30.05.1996
BEVEREN-WAAS, Beveren, Sint-Gillis-Waas
3204
07.08.1975
ADINKERKE en OOSTDUINKERKE,
3700
30.05.1996
Oosterzele, Herzele, Erpe-Mere
West-Vlaanderen De Panne, Veurne, Koksijde, Nieuwpoort ZANDLEEMPLATEAU van IZENBERGE,
09.09.1996 6000
04.10.1996
Lo-Reninge, Alveringem, Veurne *
* Het onderzoek naar het nut kan gefaseerd gebeuren en betreft niet noodzakelijk op elk moment de gehele oppervlakte van de projecten.
36
Tabel 2 - Ruilverkavelingen in uitvoering Provincie
Ruilverkavelingsblok
Stand per 31 december 2001 Oppervlakte in ha
Datum MB Besluit oprichting rvk-comité
Uitvoeringsfasen
Inbreng
toedeling akte
rvkakte
Aanv. rvkakte
Antwerpen WEELDE, Ravels
1000
23.05.1991
x
MERKSPLAS, Turnhout
1697
28.05.1998
x
(PA Diest)
HOEGAARDEN, Tienen
1668
20.07.1988x
x
(PA Diest)
VISSENAKEN, Tienen, Glabbeek - Zuurbemde, Boutersem
1500
26.04.1999
x
BOLLEBEEK, Asse, Merchtem
1617
27.03.1997
x
ELINGEN, Pepingen, Halle, Sint-Pieters-Leeuw, Lennik, Gooik
1868
08.11.2000
x
VLIERMAALROOT, Kortessem, Diepenbeek, Hoeselt, Bilzen
1888
07.02.1991
x
RIJKHOVEN, Bilzen, Tongeren, Hoeselt
1598
18.06.1986
x
x
x
METTEKOVEN, Borgloon, Heers
749
13.05.1997
x
x
x
GROOT-LOON, Borgloon, Heers
877
26.03.2001
HAMME, Waasmunster, Dendermonde, Zele
1638
17.10.1991
x
x
x
x
SINT-GILLIS-WAAS, Beveren, Stekene, Sint-Niklaas
1703
17.02.1998
x
FORTEM, Veurne, Alveringem, Diksmuide
1240
20.07.1988x
x
x
's-HEERWILLEMSKAPELLE, Veurne, Diksmuide
1555
31.07.1989
x
x
x
x
STUIVEKENSKERKE, Diksmuide
2073
12.12.1990
x
x
x
RENINGE, Lo-Reninge, Vleteren, Ieper
2080
09.06.1999
x
WOESTEN, Lo-Reninge, Vleteren, Poperinge, Ieper
1681
09.06.1999
VlaamsBrabant x
x
x
Limburg
x
OostVlaanderen
WestVlaanderen
x = uitvoeringsfase beëindigd
jaarverslag 2001
37
Ruilverkaveling Tabel 3 - Voltooide werken in 2001 Provincie
Ruilverkavelingsblok Aard der werken
Aanbestedingbedrag exclusief BTW
Aanvangsbevel
Voorlopige oplevering
WEELDE Taxandria, Hoogeindewandelpad
1.119.260
22.06.2000
13.04.2001
MERKSPLAS Taxandria, Markpad
1.632.535
19.12.2000
20.04.2001
BOLLEBEEK Werken van landschapszorg
12.270.737
16.11.1998
13.04.2001
HOEGAARDEN Werken van landschapszorg
11.069.536
18.12.2000
01.08.2001
METTEKOVEN Wegen en beplantingen
77.140.798
16.08.1999
10.05.2001
10.802.605 4.521.900 51.645.759
01.07.2000 13.03.2000 01.06.1999
10.08.2001 02.07.2001 12.04.2001
5.902.893
19.02.2001
07.12.2001
HAMME Kavelinrichtingswerken
19.608.675
22.10.1999
29.10.2001
STUIVEKENSKERKE Ontsluitingswerken Inrichting oude spoorwegbedding
71.708.222 15.628.982
10.03.1999 01.12.1999
20.12.2001 23.02.2001
'S HEERWILLEMSKAPELLE Herstel Lampernissestraat
11.252.965
30.04.2001
24.10.2001
1.658.000
21.08.2000
29.10.2001
Antwerpen
Vlaams-Brabant (PA Gent)
(PA Diest)
Limburg
Oost-Vlaanderen SINT-GILLIS-WAAS Waterbeheersing: Sifon Afpalen en topografische opmeting Wegen, water en recreatie deel Loeverbeek NAZARETH Schermgroen E-17
West-Vlaanderen
*
*
RENINGE Topografische opmeting
Nu wordt ook het accent gelegd op de verbreding van de doelstellingen van de landbouw zelf. Ook de landbouw is immers voortdurend in evolutie. Zo brengt de ontwikkeling van verschillende vormen van landbouw met verbrede doelstellingen een reeks nieuwe behoeftes aan productie-omstandigheden teweeg. Met haar inrichtingsinstrumenten wil de VLM inspelen op deze nieuwe tendenzen en nagaan in welke mate zij met behulp van haar inrichtingsinstrumenten de omschakeling naar vormen van verbrede landbouw kan stimuleren of sturen.
38
Op 1 december 2001 startte hiertoe de studieopdracht ‘Externe productie-omstandigheden voor landbouw met verbrede doelstellingen’. De studie duurt negen maanden en wordt uitgevoerd door het studiebureau Resource Analysis. De studie wordt mede begeleid door de Competentiecoördinator Landbouw en de Afdeling Ruilverkaveling van de VLM, bijgestaan door een stuurgroep (o.m. ir. J. Relaes (ALT), prof. D. Reheul (RUG), prof. E. Mathijs (KUL), ir. J. Van Roy (Aminal, afdeling Land).
Tabel 4 - Werken in uitvoering in 2001 Provincie
Ruilverkavelingsblok Aard der werken
Aanbestedingbedrag exclusief BTW
Aanvangsbevel
Antwerpen
-
-
-
HOEGAARDEN Afwerkingswerken
63.489.009
15.09.2000
GEO-park
14.472.133
30.04.2001
BOLLEBEEK Wegen lot 3
77.794.351
01.05.2000
RIJKHOVEN Afwerkingswerken 2
25.649.765
01.10.2000
28.078.341
03.08.1999
3.625.841
05.03.2001
11.096.253
19.02.2001
NAZARETH Schermgroen E17
5.918.254
19.02.2001
RENINGE Topografische opmeting
1.658.000
21.08.2000
STUIVEKENSKERKE Inrichtingswerken 1 Inrichtingswerken 2 Werken van landschapszorg
43.153.974 53.742.045 8.649.854
06.03.2000 17.04.2000 09.02.2001
*
FORTEM Ontsluitingswerken 1 Ontsluitingswerken 2 Werken van Landschapszorg
25.920.875 49.219.535 3.586.594
05.06.2001 05.06.2001 05.11.2001
*
S HEERSWILLEMSKAPELLE Herstel Lampernissestraat
11.252.965
30.04.2001
Vlaams-Brabant (PA Diest)
(PA Gent)
Limburg
Oost-Vlaanderen SINT-GILLIS-WAAS Aanleg wachtbekken deel Vrasenebeek Werken van landschapszorg deel Loeverbeek Werken van landschapszorg deel Vrasenebeek
West-Vlaanderen
De studie vangt aan met een inventarisatie en analyse van verschillende vormen van landbouw met verbrede doelstellingen. Voor deze bedrijfsvormen worden de productie-omstandigheden geanalyseerd en wordt nagegaan in hoeverre deze bedrijfsvormen als duurzaam te omschrijven zijn (economische, ecologische en sociale dimensie). Aan de hand van een SWOT-analyse wordt onderzocht welke van de productie-omstandigheden een belemmering/stimulans betekenen voor de
ontwikkeling van verbrede landbouw en het duurzaam karakter ervan. Op basis hiervan wordt bepaald wat de externe productieomstandigheden zijn en hoe deze kunnen worden vertaald in inrichtingsnormen. Hier wordt m.a.w. nagegaan op welke manier de inrichtingsinstrumenten van de VLM kunnen bijdragen aan het creĂŤren van de geschikte randvoorwaarden en uitgangssituaties voor de ontwikkeling van verschillende vormen van verbrede landbouw.
jaarverslag 2001
39
Ruilverkaveling Tabel 5 - Werken aanbesteed in 2001 Provincie Antwerpen Vlaams-Brabant (PA Gent)
(PA Diest)
Ruilverkavelingsblok Aard der werken -
Aanbestedingbedrag exclusief BTW -
Datum aanbesteding -
Datum van goedkeuring -
BOLLEBEEK Kavelinrichtingswerken
13.505.500
28.08.2001
26.10.2001
ELINGEN Aanleg rietvelden Topografische opmeting -
21.006.470 3.075.837 -
25.10.2001 18.01.2001 -
03.12.2001 03.12.2001 -
METTEKOVEN Afwerkingswerken Uitzetten en afpalen nieuwe kavels
49.725.589 494.900
23.11.2001 23.03.2001
05.12.2001 16.05.2001
SINT-GILLIS-WAAS Fietspad Heerbaan -Hoogstraat
60.094.518
23.02.2001
16.05.2001
RENINGE Wegen en recreatie *Landschapskunstproject
43.001.272 10.721.683
15.10.2001 05.12.2001 14.09.2001 Niet weerhouden
FORTEM Inrichtingswerken *Werken van landschapszorg
45.798.015 3.586.594
29.10.2001 31.05.2001
03.12.2001 20.07.2001
WOESTEN Wegen en recreatie *Bruggen
48.019.034 8.233.042
12.11.2001 12.11.2001
07.12.2001 -
Limburg
Oost-Vlaanderen
West-Vlaanderen
De bevindingen worden getoetst in een pilootproject (Brugse Veldzone) door de onderzoeksresultaten te integreren in de planvorming. Als eindresultaat van de studie wordt een praktisch hanteerbaar "afwegingskader" gekoppeld aan de verschillende inrichtingsinstrumenten verwacht. Inmiddels wordt binnen de VLM de implementatie van de onderzoeksresultaten in de projectvoering voorbereid. Archeologie en cultuurhistorie in de ruilverkaveling
In het kader van het onderzoek naar het nut werd in 2001 voor de ruilverkaveling Zoersel een overeenkomst afgesloten met het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (IAP) voor het opmaken van een archeologische basisinventaris. Daarvoor werd een bedrag van 25.0731,35 EURO vastgelegd.
40
In de ruilverkaveling in uitvoering Merksplas werd op 25 juni 2001 het archeologisch vooronderzoek, uitgevoerd door het studiebureau RAAP, opgeleverd. Deze studie bracht belangrijke informatie aan het licht, waar men alsnog rekening kan mee houden bij de uitvoering van de werken. Zo zullen op het plaggendek ter hoogte van Opstal de grondwerken tot een minimum beperkt worden. In de ruilverkaveling Sint-Gillis-Waas werden voor ongeveer 500,00 EURO proefsleuven getrokken bij de realisatie van een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie. Met behulp van het instrument ruilverkaveling kunnen belangrijke oudheidkundige relicten voor de toekomst behouden blijven. Zo werd in 2001 in de ruilverkaveling Sint-Lievens-Houtem een compromis gesloten voor de aankoop van een watermolen. Het voorbije jaar werd verder werk gemaakt van het actief beschermen van archeologische sites,
door aankoop en toebedeling aan een openbare instantie. Totnogtoe werden reeds 4 archeologisch vindplaatsen op die manier voor de toekomst veilig gesteld. In de nabije toekomst staat binnen ruilverkaveling eenzelfde behandeling nog voor 12 sites op het programma.
3.3 ECOLOGISCHE INBRENG IN DE RUILVERKAVELING Zoals reeds aangekondigd in het jaarverslag van 2000 werd in 2001 de implementatie van de richtlijn betreffende de ecologische inbreng in de ruilverkaveling verder toegepast en verdiept. Deze richtlijn werd op 14 maart 2000 door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw uitgevaardigd. De richtlijn bepaalt hoe de ecologische inbreng in de ruilverkaveling geoptimaliseerd en meetbaar gemaakt moet worden. De methodiek zoals voorgesteld door het Instituut voor Natuurbehoud en de vereisten voortvloeiend uit het Natuurdecreet, zijn in de richtlijnen geïntegreerd. De richtlijn schrijft de implementatie van 4 modules voor: • aanpassing van de landschapsecologische studie in het kader van de thematische studies ten behoeve van de planvorming • rapportering over de zorgplicht • monitoringplan • beheersplan Voor de nieuwe ruilverkavelingsprojecten moeten alle modules volledig toegepast worden. Voor de lopende projecten worden de modules gefaseerd ingepast naargelang de stand van het ruilverkavelingsproject. In 2001 werden geen nieuwe landschapecologische studies opgestart. Voor de ruilverkavelingsprojecten LonderzeelWolvertem, Rijkevorsel-Wortel en Zondereigen werd een rapportering over de zorgplicht toege-
voegd aan de dossiers die aan de minister voor goedkeuring werden voorgelegd. De beoordeling in hoeverre de zorgplicht conform het Natuurdecreet wordt gerespecteerd, gebeurt in het MER, tenzij (b.v. Zondereigen) de MERprocedure reeds liep of doorlopen was op het moment dat de richtlijn werd uitgevaardigd. Voor de projecten Rijkvorsel-Wortel en SintLievens-Houtem werd in 2001 de MERprocedure aangevat en de door VLM opgemaakte rapportering over de zorgplicht geïntegreerd in het MER. In 2001 werden 7 nieuwe monitoringprogramma’s opgemaakt en overgemaakt aan de afdeling Land, die ze, vergezeld van een advies, ter goedkeuring voorlegde aan de minister. Het betreft de projecten Elingen, Merksplas, Reninge, Vissenaken, Weelde, Woesten en Zondereigen. De uitwerking van de monitoringprogramma’s gebeurt in overleg met de afdeling Natuur. Afhankelijk van het geval worden de monitoringprogramma’s ter kennisgeving voorgesteld in de coördinatiecommissie of in het ruilverkavelingscomité. Voor de ruilverkaveling Fortem werden contracten gesloten voor het vastleggen van de uitgangssituatie vooraleer de werken op het terrein in uitvoering gaan. Voor de uitgangssituatie in Weelde werden enkele modules van het monitoringprogramma door de VLM uitgevoerd. In 2001 werden geen nieuwe beheersplannen afgewerkt. In 2002 zal bijzondere aandacht besteed worden aan het opmaken van beheersplannen. Voorts zullen de ruilverkavelingsprojecten verder getoetst worden aan de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden teneinde tijdig een "passende beoordeling" in uitvoering van art. 6 van de habitatirichtlijn uit te voeren. In 2001 werd hiervoor reeds voorbereidend werk gedaan.
jaarverslag 2001
41
Ruilverkaveling 3.4 ONDERTEKENING RUILVERKAVELINGSAKTEN Tabel 6 Provincie
Ruilverkavelingsblok
Oppervlakte in ha
Datum van de akte
749
14.12.2001
Oppervlakte in ha
Datum van de akte
Vlaams-Brabant (PA Diest) METTEKOVEN, Borgloon, Heers
3.5 ONDERTEKENING AANVULLENDE RUILVERKAVELINGSAKTEN Tabel 7 Provincie
Ruilverkavelingsblok
Vlaams-Brabant (PA Diest) HOEGAARDEN, Tienen
1668
30.11.2001
RIJKHOVEN, Bilzen, Tongeren, Hoeselt
1598
29.06.2001
HAMME, Waasmunster, Dendermonde, Zele
1638
28.11.2001
’s-HEERWILLEMSKAPELLE, Veurne, Diksmuide
1555
23.11.2001
Limburg
Oost-Vlaanderen
West-Vlaanderen
3.6 GRONDVERWERVING Tabel 8 Provincie
42
Aantal Oppervlakte van aankopen de akte in ca
Antwerpen Vlaams-Brabant (arr. Leuven) Vlaams-Brabant (arr. Halle-Vilvoorde) Limburg Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
6 15 5 42 6 13
Totaal
88
4 9 5 32 2 33
12 41 06 93 96 54
Bedrag incl. kosten
03 72 67 10 90 79
81.017,31 93.806,80 80.981,66 389.899,11 77.392,21 611.684,29
108 93 65
1.344.781,38
jaarverslag 2001
43
De natuur spreekt.
De natuur spreekt.
Van mens tot mens. Van mens tot mens
Hoofdstuk 4: Natuur
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Natuur Nu de taken natuur voor het vierde jaar bij de Vlaamse Landmaatschappij worden uitgevoerd, is reeds een zekere routine uitgebouwd en kunnen concrete realisaties worden voorgelegd. Dit neemt niet weg dat er nog steeds constante vernieuwing inzit. Natuurinrichting wordt continu geëvalueerd, getoetst aan het beleid en bijgesteld. De nadruk ligt op de kwaliteitsvolle uitvoering op het terrein en de verdere ontwikkeling van sensibilisatie en participatie in de projecten. Voor recht van voorkoop wordt verder gewerkt aan duidelijke communicatielijnen naar notarissen, optimalisering van de adviesverlening en inpassing in een globaal grondbeleid. Nieuwe beheersovereenkomsten worden voorbereid in het kader van het Programma voor Plattelandsontwikkeling. In samenwerking met alle partners wordt verder gebouwd aan een loket beheersovereenkomsten.
4.1. ORGANISATIE De opdrachten van de functionele groep natuur situeren zich rond natuurinrichting, recht van voorkoop natuur, beheersovereenkomsten en milieubeleidsplanning. Over het recht van voorkoop natuur kan u meer lezen in het hoofdstuk recht van voorkoop. De voorbereiding, de coördinatie en de opvolging van de taken van de functionele groep natuur gebeurt in de centrale directie te Brussel. Binnen elke provinciale afdeling is er een ‘hoofd’ natuur die de uitvoering van de opdrachten rond natuur coördineert. Hij/zij wordt hiervoor bijgestaan door een kernteam voor natuurinrichting en een aanspreekpunt milieu voor de advisering van de provinciale en gemeentelijke milieubeleidsplannen. De cel beheersovereenkomsten in elke provinciale afdeling zorgt voor het voorbereiden, sluiten en opvolgen van alle types beheersovereenkomsten binnen de Vlaamse Landmaatschappij. Voor beheersovereenkomsten werden in 2001 10 extra personeelsleden aangeworven. De uitvoering van natuurinrichting, recht van voorkoop en beheersovereenkomsten gebeurt in samenwerking met de Afdeling Natuur van AMINAL. Bij de opdracht beheersovereenkomsten is ook de Afdeling Land van AMINAL een partner.
46
Met beide afdelingen bestaat een gestructureerd overleg, zowel op centraal als op provinciaal niveau, waarbij afspraken zijn vastgelegd. Op niveau van natuurinrichting worden administraties, overheden, natuurverenigingen en eventueel andere partners nauw bij de uitvoering van de projecten betrokken. Om integratie tussen alle beheersovereenkomsten op termijn te verzekeren zijn ook Administratie Land- en Tuinbouw (ALT), Ministerie van Middenstand en Landbouw, provincies en gemeenten belangrijke partners.
4.2. NATUURINRICHTING Natuurinrichtingsprojecten kunnen worden ingesteld op grond van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De bedoeling ervan is gebieden optimaal in te richten met het oog op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu. Sinds de start van natuurinrichting in 1998 is voor 26 projecten de procedure opgestart. De verspreiding van de natuurinrichtingsprojecten is terug te vinden in Figuur 1. Voor een efficiënte projectuitvoering is het essentieel dat de bestaande juridische basis voor natuurinrichting verbeterd wordt. Een nieuw
voorstel van uitvoeringsbesluit is hiervoor voorbereid en overgemaakt in 2001, met daarin vooral praktische en projectadministratieve aanpassingen zoals een aanpassing van de samenstelling van comité en commissie, termijn voor de opmaak van een projectrapport, het voorzien van 2 akten, deelprojectuitvoeringsplannen, …, en meer fundamenteel de vergoedingen voor gebruikers. Begin 2002 wordt nog een verdere uitwerking op basis van de ervaringen in 2001 doorgevoerd. Hiernaast is ook nagedacht op welke manier nog flexibeler en meer op maat van een gebied aan natuurontwikkeling kan worden gedaan. Dit is verder uitgewerkt in een visie op een geïntegreerde inrichting voor Vlaanderen. In 2001 werd ook gewerkt aan een wijziging van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De wijziging omvat enkele aanpassingen aan de regelgeving met betrekking tot natuurinrichting. De aanpassingen zijn ingegeven door de ervaring die intussen is opgedaan met de werking van natuurinrichting. Bepaalde moeilijkheden in de praktijk bij de afbakening van projecten en enkele juridische onduidelijkheden over de maatregelen van natuurinrichting worden hierdoor opgelost. Zo moet volgens het te wijzigen decreet een natuur-
inrichtingsproject voor minstens 90% van de oppervlakte gelegen zijn in gebieden van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN), of in groen-, park-, buffer- en bosgebieden. In de praktijk blijkt de 90% regel echter problematisch voor een zinvolle afbakening van het projectgebied. Om onder andere kavelruil en bedrijfsverplaatsing zo efficiënt mogelijk te laten verlopen, moeten er voldoende gronden beschikbaar zijn die geschikt zijn voor landbouw. De gebiedsbeperking laat niet toe om duurzame oplossingen te bieden aan eigenaars en gebruikers die onderhevig zijn aan de geldende beperkingen in de groene gebieden. 4.2.1. Verschillende fasen van een project
Natuurinrichting begint met een onderzoek naar de haalbaarheid (uitgevoerd door de Afdeling Natuur van AMINAL en de Vlaamse Landmaatschappij). Dit onderzoek maakt uit of natuurinrichting in een bepaald gebied al dan niet mogelijk is. Als natuurinrichting haalbaar blijkt, leidt het onderzoek ook tot een voorstel voor de afbakening van het projectgebied en duidt het de overheden aan om verder bij het project te betrekken. Het is de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu, die op grond van een onderbouwd dossier beslist over de instelling van
Figuur 1: lokalisatie van de natuurinrichtingsprojecten
In onderzoek Ingesteld In uitvoering
jaarverslag 2001
47
Natuur een project. Voor elk natuurinrichtingsproject dat is ingesteld, richt de bevoegde minister een projectcomité en een projectcommissie op. Het projectcomité adviseert de minister over de maatregelen die getroffen moeten worden. Daarnaast is het comité ook belast met de uitvoering van het project. Een projectcommissie wordt niet samengesteld voor natuurinrichtingsprojecten met een verkorte procedure. Zes maanden na instelling van het project, maken Afdeling Natuur en de Vlaamse Landmaatschappij, in overleg met projectcomité en projectcommissie, een projectrapport op. Hierin komen de nodig geachte maatregelen voor de natuurinrichting aan bod. Na openbaar onderzoek worden de maatregelen en modaliteiten door de minister vastgesteld en volgt de uitdieping ervan in een projectuitvoeringsplan. Na een openbaar onderzoek stelt het comité het projectuitvoeringsplan vast en voert ze het project uit. 4.2.2. Ingestelde natuurinrichtingsprojecten
In totaal zijn eind 2001 reeds 18 projecten ingesteld (zie tabel 1). Van de eerste zeven natuurinrichtingsprojecten die werden ingesteld in 1999; Turnhouts Vennengebied en Bospolder – Ekers Moeras (provincie Antwerpen), Bourgoyen-Ossemeersen en Latemse Meersen (provincie Oost-Vlaanderen), Oosthoekduinen (provincie West-Vlaanderen), Het Vinne (provincie Vlaams-Brabant) en Het Smeetshof (provincie Limburg), zijn de maatregelen en modaliteiten vastgesteld door de minister en werd in de loop van 2001 een projectuitvoeringsplan opgesteld. Voor drie van deze projecten Bospolder-Ekers Moeras, Oosthoekduinen en Latemse Meersen werd het projectuitvoeringsplan of een deel-projectuitvoeringsplan afgerond en werd hierover een openbaar onderzoek gehouden. Voor Bospolder-Ekers Moeras en Oosthoekduinen werd het projectuitvoeringsplan vastgesteld door het comité. De uitvoering van het
48
project Bospolder-Ekers Moeras is gestart eind 2001, de uitvoering van Oosthoekduinen wordt in de loop van 2002 verwacht. Voor de zes natuurinrichtingsprojecten die zijn ingesteld in 2000; de Dijlevallei (provincie Vlaams Brabant), de WestVlaamse Scheldemeersen en Uitkerkse Polder (provincie West Vlaanderen), Molse Nete en Buitengoor-Meergoor (provincie Antwerpen) en de Merelbeekse Scheldemeersen (provincie OostVlaanderen) wordt de vaststelling van de maatregelen en modaliteiten in de loop van 2002 verwacht. Voor Molse Nete, Merelbeekse Scheldemeersen, Uitkerkse Polder en BuitengoorMeergoor werd in de loop van 2001 het projectrapport afgerond en gebeurde een openbaar onderzoek. Voor de Dijlevallei en West-Vlaamse Scheldemeersen gebeurde het openbaar onderzoek reeds in 2000. Op basis van het onderzoek naar de haalbaarheid werden in 2001 5 nieuwe natuurinrichtingsprojecten ingesteld; Bergerven en Zwarte Beek (provincie Limburg), Kanaal Ieper-Yzer en Meetkerkse Moeren (provincie West-Vlaanderen) en Stropers (provincie Oost-Vlaanderen). Voor Bergerven en Kanaal Ieper-Yzer is het projectrapport opgesteld. Voor de drie overige projectgebieden wordt het projectrapport in 2002 opgesteld. 4.2.3. Natuurinrichtingsprojecten in onderzoek
Voor vier projecten is het onderzoek naar de haalbaarheid afgerond, nl. Osbroek-Gerstjens, Hofstade, Malesbroek en Noordduinen (zie tabel 1). De instelling ervan wordt voorzien in 2002. Het onderzoek naar de haalbaarheid is lopende voor volgende projecten: Laanvallei, Oostends Krekengebied, Zoerselbos en Bos t’ Ename. 4.2.4. Natuurinrichting en archeologie
Bij de planvorming en de uitvoering van natuurinrichtingsprojecten wordt van bij het begin reke-
Tabel 1 - overzicht van de lopende natuurinrichtingsprojecten PROJECT
Provincie
Stad/Gemeente
Datum Project Openbaar Vast- Openbaar Vast- Uitvoeinstelling rapport onder- stelling onderzoek stelling ring zoek van project project- werken project maatuitvoeuitvoerapport regelen ringsplan ringsplan
Oosthoekduinen
WestVlaanderen
De Panne
29.06.99
x
x
x
Smeetshof
Limburg
Bocholt
29.06.99
x
x
x
Ekers-Moeras
Antwerpen
Antwerpen
29.06.99
x
x
x
Vinne
VlaamsBrabant
Zoutleeuw
29.06.99
x
x
x
Bourgoyen-
OostVlaanderen
Gent
29.06.99
x
x
x
Antwerpen Merksplas
Turnhout,
29.06.99
x
x
x
Vennengebied
Latemse Meersen
OostVlaanderen
Gent, Deinze,
29.06.99
x
x
x
Dijlevallei ten Z. van Leuven
VlaamsBrabant
01.03.00
x
x
W.-Vlaamse WestScheldemeersen Vlaanderen
Avelgem, Spiere- 01.03.00 Helkijn
x
x
Molse Nete
x
x
x
x
Bospolder-
Ossemeersen
Turnhouts-
Antwerpen
x
x
St-Martens-Latem
Leuven, Bertem, Huldenberg, Oud-Heverlee
Mol, Balen, Geel
31.05.00
x
x
Merelbeekse OostScheldemeersen Vlaanderen
Merelbeke
14.09.00
x
x
Uitkerkse Polder
WestVlaanderen
Blankenberge, De Haan, Zuienkerke
21.11.00
x
x
BuitengoorMeergoor
Antwerpen
Mol
20.11.00
x
x
Bergerven
Limburg
Maaseik, Dilsen- 02.05.01 Stokkem
x
x
Kanaal Ieper-Ijzer
WestVlaanderen
Lo-Reninge, Ieper 12.06.01 LangemarkPoelkappelle,
x
Zwarte Beek
Limburg
Beringen
17.10.01
Stropers
OostVlaanderen
Sint-Gillis-Waas
17.10.01
Meetkerkse Moeren
WestVlaanderen
Brugge, Jabbeke, Zuienkerke
OsbroekGerstjens
OostVlaanderen
Aalst
Hofstade
VlaamsBrabant
Zemst
Malesbroek
Antwerpen
Geel
Noordduinen
WestVlaanderen
Koksijde
Laanvallei
VlaamsBrabant
Overijse, Oud-Heverlee
Oostends Krekengebied
WestVlaanderen
Oostende, Oudenburg
Zoerselbos
Antwerpen
Zandhoven, Ranst, Zoersel
Bos t’ Ename
OostVlaanderen
Oudenaarde
3.12.01
jaarverslag 2001
49
Natuur ning gehouden met archeologie. Op basis van een advies van de archeoloog van de Vlaamse Landmaatschappij, kan tijdens het onderzoek naar de haalbaarheid overgegaan worden tot een uitgebreidere studie van het gebied. Deze verkennende inventaris levert dan de nodige informatie om te oordelen of nog aanvullende studies noodzakelijk zijn. Deze aanvullende studies kunnen leiden tot enerzijds het aan banden leggen van bepaalde maatregelen met een grote negatieve impact op archeologie (bv. afgravingen) of kunnen op een meer positieve manier archeologie in de planvorming integreren (bv. educatie). Dit laatste werd reeds toegepast in de archeologische en cultuurhistorische studie voor het project Meetkerkse Moeren. In 2001 zijn de volgende onderzoeken in het kader van natuurinrichting doorgevoerd. 4 . 2 . 4 . 1 . Pr o v i n c i e We s t -V l a a n d e r e n
Voor het natuurinrichtingsproject Meetkerkse Moeren is een archeologische inventaris opgemaakt. Door de keuze voor een dynamische landschapsbehoud worden hier niet louter restrictieve maatregelen voorgesteld maar worden diverse inrichtingsmaatregelen voorgesteld waarbij wordt gestreefd naar een cultuurhistorische opwaardering van het huidige landschap. Voor het project Oostends Krekengebied wordt een soortgelijke studie opgestart in februari. 4 . 2 . 4 . 2 . Pr o v i n c i e O o s t -V l a a n d e r e n
De archeologische inventaris die werd opgemaakt voor het project Stropers geeft naast een volledig overzicht van de gekende archeologische vindplaatsen, een overzichtelijk beeld van het cultuurhistorisch en geomorfologisch ontstaan van het gebied. Voorgestelde maatregelen hier zijn het verwerven van enkele percelen met archeologische vondsten om via een aangepast grondgebruik de archeologische en ecologische waarden te garanderen. In het project Merelbeekse Scheldemeersen wer-
50
den de inrichtingsmogelijkheden en het opstarten van de wettelijke bescherming van de voormalige molen te Melsen met de eigenaar besproken. 4 . 2 . 4 . 3 . Pr o v i n c i e A n t w e r p e n
Voor het project Turnhouts Vennengebied werd een studieopdracht uitgeschreven voor het opmaken van een archeologisch vooronderzoek, deze opdracht zal in 2002 worden gegund. 4.2.5. Monitoring van natuurinrichtingsprojecten
Om de effectiviteit van het instrument natuurinrichting te kunnen toetsen, moet op een gestandaardiseerde manier ecologische monitoring worden uitgevoerd. In oktober 2001 is het project ‘Monitoring Natuurinrichting’ afgerond. Naar aanleiding van dit project werd in 2001 een Vademecum opgesteld dat dient als handleiding bij het opstellen en uitvoeren van monitoringsplannen in natuurinrichtingsprojecten. Het Vademecum is eveneens bedoeld voor personen die de monitoring op het terrein uitvoeren en de gegevens verwerken. In 2001 werd het Vademacum uitgetest voor het natuurinrichtingsproject Uitkerkse Polder. Het vademecum is gebaseerd op de doelstellingen en maatregelen uit 4 concrete projecten: Bospolder-Ekers Moeras, het Smeetshof en Latemse Meersen in 2000 en Uitkerkse Polder in 2001. In de toekomst zal het Vademecum verder moeten worden aangevuld met ontbrekende elementen. In principe ligt het monitoringsplan vast na de goedkeuring van het projectuitvoeringsplan incl. monitoringsplan door het projectcomité. Dit betekent dat voor de projecten Bospolder-Ekers Moeras en Oosthoekduinen in 2001 een goedgekeurd monitoringsplan bestaat. In Bospolder-Ekers Moeras is de eerste monitoringsronde reeds achter de rug (vastleggen uitgangssituatie) aangezien eind 2001 de eerste werken op het terrein zijn uitgevoerd.
4.3. BEHEERSOVEREENKOMSTEN Sinds 1 januari 2000 kunnen landbouwers in Vlaanderen beheersovereenkomsten sluiten die kaderen in het Europese landbouw- en milieubeleid. Een beheersovereenkomst is een contract. In dat contract maakt de landbouwer afspraken – de beheersmaatregelen - met de Vlaamse Landmaatschappij voor het behalen van natuurresultaten op zijn bedrijf. De beheersmaatregelen staan opgesomd in een beheerspakket. Er zijn momenteel 15 verschillende pakketten, ingedeeld volgens de beheersdoelstelling in 3 groepen: weidevogelbeheer (3 pakketten), perceelsrandenbeheer (6 pakketten) en het herstel, onderhoud en ontwikkeling van kleine landschapselementen (6 pakketten). Een beheersovereenkomst is steeds vrijwillig en kan voor één of meer percelen gesloten worden voor een looptijd van minstens 5 jaar. Voor het naleven van het contract ontvangt de beheerder jaarlijks een vergoeding. Voor de administratieve verwerking van de beheersovereenkomsten werd het informaticasysteem in samenwerking met de afdeling Informatica – Gronddatabank en GIS-VLM verder geoptimaliseerd. Om de rapportering en verwerking van gegevens uit de databank mogelijk te maken werd in 2001 een datawarehouse opgemaakt. 4.3.1. Aanvragen
Figuur 2: vergelijking van aantal aangevraagde beheerspakketten 2000 - 2001 600 500 400 300 200 100 0
PRB
KLE
2000 2001
vraagt. 95% van de aangevraagde pakketten waren geldig, t.o.v. 80% in 2000. De verdeling van de aangevraagde pakketten per beheersdoelstelling geeft volgend beeld: 171 pakketten weidevogelbeheer (15%), 425 pakketten perceelsrandenbeheer (37%) en 562 pakketten voor het beheer van kleine landschapselementen (48%) (Figuur 3). Bij deze laatste groep zijn er opvallend meer aanvragen voor onderhoud van bestaande kleine landschapselementen (442) dan voor aanleg van nieuwe (120).
Figuur 3: Verdeling van de aanvragen per beheersdoelstelling
4.3.1.1. Vlaanderen
In de loop van 2001 werden in Vlaanderen 249 aanvragen ingediend voor het sluiten van een beheersovereenkomst. Elke aanvraag betrof gemiddeld 4 tot 5 pakketten. In totaal werden 1158 beheerspakketten aangevraagd. Dit betekent een stijging van 63% ten opzichte van het aantal aanvragen vorig jaar (Figuur 2). In vergelijking met het jaar 2000 stellen we vast dat er 20% meer landbouwers in het systeem van beheersovereenkomsten stappen en dat elke landbouwer gemiddeld meer beheerspakketten aan-
WVB
15% 37%
48%
Weidevogelbeheer Perceelsrandenbeheer Beheer kleine landschapselementen
jaarverslag 2001
51
Natuur 4 . 3 . 1 . 2 . Pe r p r o v i n c i e ( Fi g u u r 4 )
In West-Vlaanderen worden de meeste beheerspakketten aangevraagd (33%). In Oost-Vlaanderen (inclusief het arrondissement HalleVilvoorde van de provincie Vlaams-Brabant) en in Limburg (inclusief het arrondissement Leuven van de provincie Vlaams-Brabant) worden respectievelijk 26% en 24% van de beheerspakketten aangevraagd. Minder dan een vijfde (17%) van de aanvragen heeft betrekking op de provincie Antwerpen. In de provincies Limburg en Antwerpen werden ongeveer evenveel beheerspakketten aangevraagd voor het beheer van kleiFiguur 4: Verdeling van de aanvragen per provincie
17% 26%
24%
33%
West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Limburg Antwerpen
Figuur 5: Verdeling van de aangevraagde beheerspakketten per provincie en per beheersdoelstelling 400 350 300 250 200 150 100 50 0
O-Vl
W-Vl
Lim
Ant
Weidevogelbeheer Perceelsrandenbeheer Kleine landschapselementen
Hiervan zijn voor 776 beheerspakketten de definitieve contracten reeds opgesteld. Er werden in 2001 425 beheerspakketten perceelsrandenbeheer aangevraagd wat ervoor zorgde dat 518.547 m2 nieuwe perceelsranden werden aangelegd. Landbouwers beheren bovendien 71 ha extra weidevogelgebied t.o.v. 2000. Voor het beheer van kleine landschapselementen werden overeenkomsten gesloten voor de aanplant van 7.637 m heggen en 327 are houtkanten/-wallen. Er werden in 2001 bovendien overeenkomsten aangegaan voor het onderhouden Figuur 6: Procentueel aandeel van de vastgelegde kredie-
ne landschapselementen als voor perceelsrandenbeheer. In Oost- en West-Vlaanderen is er een duidelijke voorkeur voor het beheer van kleine landschapselementen. Beheerspakketten voor weidevogelbeheer werden in 2001 voornamelijk aangevraagd in West-Vlaanderen en in kleinere mate in Oost-Vlaanderen. Het aantal aanvragen per provincie en per beheersdoelstelling vindt u terug in figuur 5
ten per Afdeling van AMINAL en per beheersdoelstelling 100% 20 40
80%
60%
34 50
40% 46 20% 10 0%
4.3.2. Contracten
Van de in totaal 1158 aangevraagde beheerspakketten zijn 1.105 pakketten geldig verklaard.
52
Afdeling Natuur
Afdeling Land
Weidevogelbeheer Perceelsrandenbeheer Kleine landschapselementen
van 18.056 meter heg en 1346 are houtkant/-wal. Er werd in totaal 1.195 m2 poelen aangelegd. 8.014 m2 poelen worden vanaf 2001 gedurende vijf jaar onderhouden. Afdeling Natuur en Land legden respectievelijk 1.751.698 BEF en 3.061.607 BEF kredieten vast. Voor Afdeling Natuur wordt iets minder dan de helft hiervan vastgelegd voor pakketten weidevogelbeheer, namelijk 46%. Voor Afdeling Land hebben de vastgelegde kredieten voornamelijk betrekking op pakketten voor perceelsrandenbeheer (50%) en kleine landschapselementen (40%), slechts 10% heeft betrekking op weidevogelbeheer. Nog niet alle aanvragen zijn echter in het informaticasysteem ingevoerd, hierdoor kunnen de aantallen in werkelijkheid hoger liggen.
4.3.4. Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen
In 2002 komt er naar aanleiding van het Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen een uitbreiding van de mogelijkheden. In 2001 werden 2 nieuwe besluiten voorbereid voor beheersovereenkomsten in het kader van de natuurwetgeving. Zo zullen er 6 nieuwe pakketten botanisch beheer en 2 nieuwe pakketten weidevogelbeheer mogelijk zijn. Samen met de 15 reeds bestaande pakketten zullen de landbouwers vanaf 2002 de keuze hebben uit 23 beheerspakketten in het kader van de natuurwetgeving. 4.3.5. Afspraken met betrokken
4.3.3. Controle op beheersovereenkomsten
De controle op de beheersovereenkomsten bestaat uit twee luiken. Het eerste luik zijn de administratieve controles waarbij vooral controles worden uitgevoerd om na te gaan of landbouwers niet tweemaal vergoed worden voor eenzelfde handeling of dat zij geen tegenstrijdige handelingen uitvoeren. Alle beheersovereenkomsten worden op deze manier gecontroleerd. Er is echter ook nog een tweede luik van controles. Dit zijn de controles ter plaatse die door Europa opgelegd worden. Europa zegt immers dat 5% van alle landbouwers met beheersovereenkomsten op terrein moet gecontroleerd worden. De controleurs van de Mestbank gaan hiervoor op pad. Zij kijken dan of alle maatregelen uit de beheerspakketten nauwkeurig worden nageleefd. Meestal worden de beheerspakketten behoorlijk nageleefd. Is dit niet het geval dan schrijven de controleurs van de Vlaamse Landmaatschappij een aanmaning, een sanctie of een proces verbaal uit, afhankelijk van de zwaarte van een overtreding.
administraties en provincies en gemeenten
In 2001 werd volop overleg gevoerd tussen de Vlaamse Landmaatschappij, Afdeling Natuur, Afdeling Land en de provincies en gemeenten. Het doel van het overleg is om de beheersovereenkomsten van de verschillende overheden te standaardiseren en een betere communicatie te voeren. Nu kan je bij verschillende overheden voor eenzelfde pakket nog verschillende
jaarverslag 2001
53
Natuur
vergoedingen krijgen. Ook de controle op beheersovereenkomsten van verschillende overheden wordt verscherpt. Dit overleg blijft niet tot 2001 beperkt, maar wordt een duurzaam overleg om tot meer samenwerking te komen. Als eerste resultaat is er de facultatieve verhoging van maximaal 30% die gemeenten en/of provincies kunnen toekennen bovenop de beheersvergoedingen van de Vlaamse Landmaatschappij. Hierdoor krijgen landbouwers een hogere vergoeding in gebieden die de gemeente of provincie belangrijk vindt.
4.4. MILIEUBELEIDSPLANNING In 2001 voerde de Vlaamse Landmaatschappij haar taken uit met betrekking tot de gewestelijke milieubeleidsplanning. De algemene sturing, de planning en de uitvoering van onderdelen van het milieu-beleidsplan 1997-2002 (MINA2) en de opmaak van onderdelen van het ontwerpmilieubeleidsplan 2003-2007 (MINA3) behoren tot die taken. Ook de uitvoering van onderdelen van het milieu-jaarprogramma 2001 en de planning van het milieu-jaarprogramma 2002.
54
De algemene sturing gebeurt door het gewestelijk milieu-overleg, bijgestaan door de planningsgroep, de planningsverantwoordelijken van de instellingen en de thema-en deelcoördinatoren. De leden van het gewestelijk milieu-overleg zijn de leidend ambtenaren van AMINAL, VLM, OVAM en VMM. Het gewestelijk milieu-overleg plant, volgt op en evalueert het milieubeleidsplanningsproces. De concrete opdrachten zijn: instaan voor het algemeen personeelsbeheer, begroting en verdeling van de financiële middelen, oplossen van problemen en bevoegdheidsverschillen tussen de administraties, en integrale kwaliteitszorg. De planningsgroep staat in voor de algemene coördinatie, administratie en voorbereiding van het gewestelijk milieu-overleg. Zoals de voorbije jaren nam de functionele groep natuur de coördinatie voor het thema "Versnippering" en het deel "Gebiedsgericht milieubeleid" op zich. Door de Vlaamse Landmaatschappij wordt verder het thema Vermesting gecoördineerd (Afdeling Mestbank). Deze coördinatie-functies blijven in 2002 behouden. In 2001 werden de betreffende acties en initiatieven van het milieu-jaarprogramma 2001 verder voorbereid en opgevolgd. Op één na konden alle acties worden afgerond. Met de 'verlenging' van de planperiode van MINA2 tot 2002 werden een aantal actie-voorstellen uitgewerkt die in hoofdzaak verder bouwen op de resultaten van de uitgevoerde acties. De effectieve realisatie zal in belangrijke mate afhangen van de nodige budgettaire middelen waarvan de beschikking nog niet zeker is. In de opmaak van het ontwerp-MINA3 werd het meeste energie gestoken. Gezien in MINA3 (in tegenstelling tot MINA2) het volledige milieubeleid (dus ook het 'reguliere' beleid) wordt opgenomen,
was dit een zeer intensief proces: onder meer alle VLM-activiteiten dienden zowel inhoudelijk als budgettair op een correcte wijze in het het ontwerpplan te worden opgenomen, en dit voor zowel de huidige situatie als voor de planperiode (2003-07). Natuurinrichting, Beheersovereenkomsten en Recht van Voorkoop wordt opgenomen onder het thema Biodiversiteit, gecoördineerd door AMINAL Afdeling Natuur. De andere activiteiten van de Vlaamse Landmaatschappij (Landinrichting, Ruilverkaveling, uitbouw Grondbank) zijn opgenomen in het deel Gebiedsgericht Milieubeleid. Het ontwerp-MBP werd eind december goedgekeurd door het gewestelijk milieu-overleg. Het wordt begin 2002 besproken op de Interkabinettenwerkgroep, en nadien voorgelegd aan de regering. Het openbaar onderzoek is voorzien voor april 2002.
4.5. COMMUNICATIE Begin 2001 vond een overleg plaats met de natuurverenigingen en de landbouworganisaties. Tijdens dit overleg kwam het doelgroepenbeleid
en de plaats van de landbouw in de projecten aan bod. In september 2001 is naar aanleiding van dit overleg een toelichting gegeven aan de landbouwconsulenten. Op 15 februari 2001 is er een bezoek geweest van Vera Dua aan het natuurinrichtingsproject Dijlevallei, op 20 februari 2001 bezocht ze de West-Vlaamse Scheldemeersen. Om de projecten een kans van slagen te geven is het noodzakelijk dat er een draagvlak voor natuurontwikkeling wordt gecreëerd. In de praktijk blijkt het echter niet eenvoudig om de maatschappelijke baten van natuur te duiden en over te brengen naar particulieren. Doordat eigenaars en gebruikers een tekort aan betrokkenheid en participatie ervaren, dringt de verdere uitbouw van een informele overlegstructuur zich op. Vanuit het werkveld zijn verschillende initiatieven genomen om op een procesmatige manier een draagvlak tot stand te brengen. Meer en meer ervaart de Vlaamse Landmaatschappij de noodzaak van een geïntegreerde aanpak. Aandachtspunten hierbij zijn de afstemming van communicatieve middelen en inspanningen op maat van de verschillende doelgroepen. Om deze reden zal in 2002 een persoon worden aangeworven om procesbegeleiding tot stand te brengen. In 2001 werden 6 natuurinrichtingskrantjes uitgegeven en verspreid onder alle betrokkenen of geïnteresseerden. Er werden 9 folders opgesteld over de verschillende beheerspakketten in het kader van de natuurwetgeving. Deze folders werden verspreid aan geïnteresseerde landbouwers. De teksten voor een nieuwe brochure beheersovereenkomsten en een geactualiseerde website werden voorbereid. Een stappenplan voor de promotie van beheersovereenkomsten is opgesteld naar aanleiding van de goedkeuring van twee nieuwe besluiten in het kader van de natuurwetgeving.
jaarverslag 2001
55
Natuur 4.6. BELEIDSONDERSTEUNING EN PARTICIPATIE Het project Verweving en Afbakening van de natuurlijke en agrarische structuur is één van de strategische projecten van de Minister van Leefmilieu en Landbouw. Het project heeft als doelstelling de afbakening van de Agrarische en de Natuurlijke Structuur in het kader van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het decreet natuurbehoud en de opmaak van het maatregelenkader voor het gebiedsgericht natuurbeleid. Dit gebeurt via een proces in twee fasen, waarbij in de eerste fase gewerkt wordt binnen ‘consensusgebieden’ tussen natuur en landbouw. De tweede fase zal gebeuren via de opmaak van Ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s) in het buitengebied. Voor de uitvoering van het project is een stuurgroep samengesteld met een vertegenwoordiging van het Kabinet; Afdeling Land en Natuur en Bos & Groen van AMINAL; Afdeling Monumenten & Landschappen en Ruimtelijke Planning van AROHM; Administratie Land en Tuinbouw (ALT); Instituut voor Natuurbehoud; Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer en de Vlaamse Landmaatschappij. Ook in 2001 was de Vlaamse Landmaatschappij verantwoordelijk voor de projectleiding en het secretariaat van het strategisch project Verweving en Afbakening. Er werd bijkomend een project-
56
coördinator aangeworven bij de Vlaamse Landmaatschappij. In samenwerking met de partners werd de Prioriteitenkaart Bos en Natuur afgerond die het gewenste Vlaams Ecologisch Netwerk weergeeft. Via een overlay met de Gewenste Agrarische Structuur konden de gebieden voor de 1ste fase worden geselecteerd. Zo werden ca. 84.000 ha afgebakend voor de eerste fase van het Vlaams Ecologisch Netwerk conform de procedure van het decreet natuurbehoud en ca. 8.000 ha groene bestemmingswijzigingen en ca. 450 ha gele bestemmingswijzigingen voor de RUP’s 1ste fase. Aan OC-GIS werd de opdracht gegeven om een screening uit te voeren met betrekking tot huizen in VEN 1ste fase en een kadastralisering uit te voeren voor de RUP’s 1ste fase. De Vlaamse Landmaatschappij voerde een studie uit omtrent de aard en de omvang van het landbouwgebruik in de geselecteerde gebieden voor de 1ste fase. Een kader werd uitgewerkt voor de maatregelen en instrumenten die kunnen ingezet worden in het Vlaamse Ecologisch Netwerk en het Integraal Verwevend en Ondersteunend Netwerk. Verder werd de Klankbordgroep landbouw, bos en natuur opgericht met vertegenwoordigers van de voornaamste organisaties uit deze drie sectoren. De eerste stappen werden gezet ter voorbereiding van de tweede fase van de afbakening.
jaarverslag 2001
57
Het milieu is een aangelegenheid van mensen.
Het milieu is een aangelegenheid van mensen.
Van mens tot mens. Van mens tot mens.
Hoofdstuk 5: Mestbank
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Mestbank 5.1. AANGIFTE EN REGISTRATIE Sinds haar ontstaan registreert de Mestbank elk jaar een aantal kerngegevens over de Vlaamse landbouwbedrijven. De belangrijkste gegevens zijn de gemiddelde veebezetting, het bedrijfsareaal cultuurgronden met hun ligging en hun teeltplan, het gebruik van chemische en andere meststoffen en de opslag van dierlijke mest op het einde van het jaar. De mestbank vraagt ook een aantal kerngegevens op van gewestgrensoverschrijdende bedrijven, producenten van andere meststoffen, verzamelpunten en be- en verwerkingseenheden. Al deze bedrijven dienen hiervoor jaarlijks een aangifte te doen van hun bedrijfssituatie van het voorgaande jaar. 5.1.1. Aangiftes productiejaar 2000 (overzicht in tabel 5.1.)
Voor de berekening van de productie en de overschotten is gewerkt met de productiecijfers en bemestingsnormen geldig in 2000. Aangifteplichtige bedrijven
In 2001 deden nog 35.515 natuurlijke personen of rechtspersonen een aangifte betreffende het teeltjaar 2000, zij behoorden tot 34.934 bedrijven. Het aantal exploitaties waarop aan landbouwactiviteiten gedaan werd daalde tot 37.248. Omdat ze een fosfaatproductie uit dierlijke mest hadden lager dan de drempelwaarde en bovendien minder dan 2 ha cultuurgronden in uitbating hadden, genoten 6.679 bedrijven van de vrijstelling van aangifteplicht. In totaal zijn er 709 landbouwbedrijven grondloos en 7.008 landbouwers houden geen dieren; 78% van alle aangifteplichten hebben zowel gronden als dieren. Dieren (tabel 5.2)
Omdat de aangifte gebeurde volgens andere subcategorieën zijn de aantallen dieren niet vergelijkbaar met deze uit het verleden. Er werden 1,5 mil-
60
joen runderen, 6,6 miljoen varkens (exclusief biggen <7 kg) en bijna 33 miljoen stuks pluimvee gehouden in Vlaanderen. Op meerdan 18.000 entiteiten kwamen melk- of zoogkoeien voor; meer dan 8.800 entiteiten produceerden mestvarkens en ongeveer 6.400 entiteiten fokken met zeugen. Zo’n 1.060 entiteiten kweekten slachtkippen en 1.025 hielden kippen voor de eierproductie. Pr o d u c t i e ( t a b e l l e n 5 . 1 e n 5 . 3 )
De productie van nutriënten in dierlijke mest, is eveneens niet vergelijkbaar met het verleden omdat met de invoering van MAP IIbis, de uitscheidingscijfers gewijzigd zijn. De nutriëntenproductie bedroeg in 2000 72,9 miljoen kg fosfaat en 186,6 miljoen kg stikstof. Ten opzichte van de forfaitaire uitscheidingscijfers slaagde de landbouwsector erin de fosfaatproductie met 10,8 miljoen kg fosfaat of 12,9% te laten dalen; voor stikstof was de daling beperkt tot 4,4 miljoen kg of 2,5%. De daling is vooral gerealiseerd bij de varkens (82%voor fosfaat en 85% voor stikstof). De categorie "andere varkens 20-110 kg" leverde de belangrijkste bijdrage: 1/3 via convenantvoerder (laagfosforvoeder) en 2/3 via de uitscheidingsbalans op basis van de regressierechte. De rundveesector was verantwoordelijk voor de helft van de stikstofproductie doch slechts 40% van de fosfaatproductie. Het aandeel van de varkenssector bedroeg respectievelijk voor stikstof en fosfaat 38% en 44% van de totale productie. De pluimveesector droeg voor zowel stikstof als fosfor voor minder dan 15% bij in de totale nutriëntenproductie. In Vlaanderen bedroeg de gemiddelde productiedruk 109 kg fosfaat per ha en 280 kg stikstof per ha (brutoproductie). Indien de ammoniakemissie ingeschat wordt op 15% van de brutoproductie voor stikstof, kwam er langs deze weg 28 miljoen kg stikstof in het milieu terecht.
Tabel 5.1 - Overzicht inventarisatiegegevens van producenten en gebruikers – bedrijfssituatie 2001 Antwerpen Vl-Brabant W-Vlaanderen O-Vlaanderen Limburg TOTAAL Aantal geregistreerden Vlaanderen Aantal koepels 5.532 4.229 11.668 9.006 4.499 34.934 Aantal relaties 5.672 4.261 11.935 9.081 4.566 35.515 Aantal entiteiten 6.247 4.461 13.123 9.662 4.986 38.479 Aantal exploitaties 6.043 4.368 12.578 9.456 4.803 37.248 Aantal verminderde exploitaties 24 -10 199 42 -43 212 Aantal verminderde relaties 58 5 223 76 -52 310 Aantal relaties zonder grond 156 47 302 104 100 709 Aantal relaties zonder dieren 961 1.316 2.027 1.416 1.288 7.008 Aantal relaties met grond en dieren 4.555 2.898 9.606 7.561 3.178 27.798 Aantal vrijgestelden aangifteplicht 1.889 505 1.955 1.795 535 6.679 DIERLIJKE PRODUCTIE Bruto fosfaat productie (kg P2O5) 15.718.102 4.439.821 36.580.263 18.780.188 8.209.784 83.728.159 vermindere productie convenant (kg P2O5) 938.631 126.171 2.311.650 871.957 506.789 4.755.198 vermindere productie regressierechte (kg P2O5) 984.496 151.824 3.276.954 1.248.178 328.100 5.989.552 vermindere productie andere voedertechniek (kg P2O5) 2.242 0 23.609 43.124 566 69.541 totaal productie vermindering aanpak aan de bron% P2O5 12,2% 6,3% 15,3% 11,5% 10,2% 12,9% netto fosfaat productie (kg P2O5) 13.792.733 4.161.826 30.968.050 16.616.929 7.374.329 72.913.867 Bruto stikstof productie (kg N) 36.006.967 11.657.185 79.948.338 44.649.629 19.197.402 191.459.521 vermindere productie regressierechte (kg N) 837.603 99.225 2.459.078 1.078.367 222.301 4.696.574 vermindere productie andere voedertechniek (kg N) 4.844 0 67.575 6.506 -1.761 77.164 totaal productie vermindering aanpak aan de bron % N 2,3% 0,9% 3,2% 2,4% 1,1% 2,5% netto stikstof productie(kg N) 35.164.520 11.557.960 77.421.685 43.564.756 18.976.862 186.685.783 netto stikstof productie(kg N) met 15 % N emissie 29.889.842 9.824.266 65.808.432 37.030.043 16.130.333 158.682.916 GEBRUIK VAN DIERLIJKE MEST fosfaat (kg P2O5) 10.633.922 6.312.835 24.803.236 15.888.391 7.679.327 65.317.711 stikstof (kg N) 25.416.191 12.996.458 56.484.534 35.887.198 16.491.477 147.275.858 GEBRUIK VAN CHEMISCHE MESTSTOFFEN fosfaat (kg P2O5) 693.056 1.800.620 907.361 1.913.088 1.041.954 6.356.079 stikstof (kg N) 5.206.809 7.904.939 13.792.050 11.926.656 5.376.831 44.207.285 GEBRUIK VAN ANDERE MESTSTOFFEN fosfaat (kg P2O5) 79.535 345.481 254.958 160.310 203.087 1.043.371 stikstof (kg N) 135.481 392.029 236.182 188.971 199.687 1.152.350 TOTAAL GEBRUIK VAN MESTSTOFFEN fosfaat (kg P2O5) 11.406.513 8.458.936 25.965.555 17.961.789 8.924.368 72.717.161 stikstof (kg N) 30.758.481 21.293.426 70.512.766 48.002.825 22.067.995 192.635.493 AREAAL CULTUURGROND grasland (ha) 55.728 26.892 83.982 70.641 35.941 273.184 mais (ha) 33.607 13.944 40.688 44.501 20.777 153.517 andere teelten (ha) 10.623 42.147 82.814 40.573 25.107 201.264 lage N behoeftige gewassen 1.795 8.754 9.646 5.290 13.190 38.675 totaal (ha) 101.753 91.737 217.129 161.005 95.015 666.639 DIERLIJKE PRODUCTIE PER HA fosfaat (kg P2O5) 136 45 143 103 78 109 stikstof (kg N) 346 126 357 271 200 280 GEBRUIK VAN DIERLIJKE MEST PER HA fosfaat (kg P2O5) 105 69 114 99 81 98 stikstof (kg N) 250 142 260 223 174 221 GEBRUIK VAN CHEMISCHE MESTSTOFFEN PER HA fosfaat (kg P2O5) 7 20 4 12 11 10 stikstof (kg N) 51 86 64 74 57 66 GEBRUIK VAN ANDERE MESTSTOFFEN PER HA fosfaat (kg P2O5) 0.8 3.8 1.2 1.0 2.1 1.6 stikstof (kg N) 1.3 4.3 1.1 1.2 2.1 1.7 TOTAAL GEBRUIK VAN MESTSTOFFEN PER HA fosfaat (kg P2O5) 112 92 120 112 94 109 stikstof (kg N) 302 232 325 298 232 289 BEDRIJFSMATIG OVERSCHOT met kunstmest fosfaat (kg P2O5) 6.528.503 846.941 13.359.947 5.462.682 2.829.198 29.027.271 stikstof (kg N) 14.685.553 2.018.553 32.464.027 13.836.448 6.296.213 69.300.794 aantal entiteiten 2143 743 5559 2918 1361 12.724 aantal bedrijven (koepels) 1815 674 4795 2627 1129 11.040 zonder kunstmest fosfaat (kg P2O5) 6.497.804 756.366 13.285.483 5.339.363 2.764.044 28.643.060 stikstof (kg N) 14.363.419 1.728.964 30.770.936 13.087.436 6.027.072 65.977.827 aantal entiteiten 1.932 465 4.817 2.340 1.150 10.704 aantal bedrijven (koepels) 1.621 406 4.094 2.068 930 9.119 GEMEENTELIJK OVERSCHOT met kunstmest fosfaat (kg P2O5) 2.410.483 20.366 5.260.844 1.026.557 169.396 8.887.646 stikstof (kg N) 6.797.135 62.780 17.388.721 4.842.289 996.175 30.087.100 aantal gemeenten 18 3 41 22 10 94 zonder kunstmest fosfaat (kg P2O5) 2.263.387 16.567 4.967.148 789.228 105.684 8.142.014 stikstof (kg N) 5.881.803 50.552 13.114.284 3.650.315 521.336 23.218.290 aantal gemeenten 16 3 34 14 8 75 PROVINCIAAL OVERSCHOT met kunstmest fosfaat (kg P2O5) 0 0 1.034.185 0 0 1.034.185 stikstof (kg N) 574.906 0 13.094.792 0 0 13.669.698 zonder kunstmest fosfaat (kg P2O5) 0 0 126.824 0 0 126.824 stikstof (kg N) 0 0 4.056.826 0 0 4.056.826
jaarverslag 2001
61
Mestbank Tabel 5.2 - Aantal dieren per diercategorie en per provincie aangegeven in 2001 Provincie
Antwerpen
Vl-Brabant W-Vlaanderen
Limburg
TOTAAL Vlaanderen
RUNDEREN
345.683
136.511
477.492
382.341
164.389
1.506.416
Melkvee en zoogkoeien
181.426
84.281
279.496
257.987
109.480
912.670
vervangingsvee jonger dan 1 jaar
40.482
19.272
57.895
60.167
24.386
202.202
vervangingsvee van 1 tot 2 jaar
41.343
19.692
61.292
62.018
25.585
209.930
Melkkoeien en zoogkoeien
99.601
45.317
160.309
135.802
59.509
500.538
145.676
40.267
136.568
86.824
44.512
453.847
116.491
14.516
10.964
5.419
22.158
169.548
Runderen jonger dan 1 jaar
14.519
12.855
61.743
39.167
11.890
140.174
Runderen van 1 tot 2 jaar
14.666
12.896
63.861
42.238
10.464
144.125
Andere runderen
18.581
11.963
61.428
37.530
10.397
139.899
Andere runderen
18.581
11.963
61.428
37.530
10.397
139.899
1.036.075
190.414
3.454.126
1.348.722
547.448
6.576.785
276.899
45.588
802.444
367.870
149.219
1.642.020
1.311
463
5.140
2.580
1.363
10.857
85.487
16.399
288.929
131.429
52.310
574.554
655.242
125.417
2.315.049
822.398
334.694
4.252.800
17.136
2.547
42.564
24.445
9.862
96.554
PLUIMVEE
9.775.110
1.140.046
12.382.271
5.551.906
4.081.704
32.931.037
Legrassen
3.559.532
258.676
5.128.500
1.944.351
1.467.243
12.358.302
2.767.630
226.624
3.579.881
1.555.817
1.225.228
9.355.180
791.902
32.052
1.548.619
388.534
242.015
3.003.122
6.156.032
878.430
7.029.530
3.507.975
2.540.060
20.112.027
Mestvee Mestkalveren
VARKENS Biggen, gewicht van 7 tot 20 kg Beren Zeugen, incl. biggen met gewicht < 7 kg Andere varkens, gewicht van 20 tot 110 kg Andere varkens, gewicht > 110 kg
Legkippen incl. (groot)ouderdieren Opfokpoeljen van legkippen Vleesrassen Slachtkuikens
5.531.318
872.810
6.188.851
3.149.034
2.394.121
18.136.134
Slachtkuikenouderdieren
502.954
5.619
502.765
223.098
88.172
1.322.608
Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren
121.760
1
337.914
135.843
57.767
653.285
1.538
112
3.836
500
642
6.628
Struisvogels fokdieren
452
70
690
125
237
1.574
Struisvogels slachtdieren
715
32
1.837
332
65
2.981
Struisvogels van 0 tot 3 maanden
371
10
1.309
43
340
2.073
58.008
2.828
220.405
99.080
73.759
454.080
Kalkoenen slachtdieren
50.920
196
161.242
19.394
9.253
241.005
Kalkoenen ouderdieren
19
4
3
17
0
43
Andere pluimvee
7.069
2.628
59.160
79.669
64.506
213.032
OVERIGE DIEREN
40.817
21.961
56.824
28.873
38.997
187.472
9.443
6.411
6.754
7.828
5.049
35.485
Paarden, meer dan 600 kg
1.849
1.416
1.532
2.250
1.208
8.255
Paarden en pony's van 200 tot 600 kg
6.187
4.107
4.429
4.535
3.150
22.408
Struisvogels
Kalkoenen
Paarden
Paarden en pony's. minder dan 200 kg
1.407
888
793
1.043
691
4.822
31.374
15.550
50.070
21.045
33.948
151.987
Geiten en schapen jonger dan 1 jaar
5.577
4.502
8.868
4.624
3.620
27.191
Geiten en schapen ouder dan 1 jaar
7.525
6.910
14.038
9.394
6.494
44.361
11.650
1.111
17.537
5.518
6.812
42.628
6.622
3.027
9.627
1.509
17.022
37.807
Andere
Konijnen (voedsters) Nertsen (moederdieren)
Gebruik van meststoffen (tabel 5.1.)
Met inbegrip van de uitscheiding door de dieren op de weide, werd er gemiddeld over Vlaanderen ongeveer 98kg P2O5/ha en 221 kg N/ha uit dierlijke mest toegediend; 6,1% van de N-productie en 10,4% van de P2O 5 productie van de bedrijven werd afgevoerd naar een andere bestemming dan de cultuurgronden
62
O-Vlaanderen
van een andere gebruiker (bv. verzamelpunt, export, verwerkingseenheid). West-Vlaanderen en Antwerpen produceerden ongeveer 50% meer fosfaat in dierlijke mest dan er gebruikt werd; in Oost-Vlaanderen en Limburg lag de productie 10-15% hoger dan het gebruik; in Vlaams-Brabant wordt er bijna 50%
Tabel 5.3 - Effect van de nutriĂŤntenbalans op de uitscheiding Naam
balanstype
aantal entiteiten
aantal dieren
N productie
P2O5 Productie
norm N
norm P2O5
And varkens 20-110kg
forfait
1.706
231.355
3.007.615
1.503.808
13,00
6,50
And varkens 20-110kg
convenant
3.726
1.671.674
21.731.762
8.910.022
13,00
5,33
And varkens 20-110kg
regressie
3.349
2.337.031
26.845.997
10.936.914
11,49
4,68
And varkens 20-110kg
voedertechniek
5
12.740
163.958
55.351
12,87
4,34
And varkens >110kg
forfait
1.626
32.859
788.616
476.456
24,00
14,50
And varkens >110kg
convenant
1.628
37.907
909.768
446.924
24,00
11,79
And varkens >110kg
regressie
904
25.406
489.342
267.837
19,26
10,54
And varkens >110kg
voedertechniek
5
382
7.055
3.299
18,47
8,64
Beren
forfait
1.444
3.065
73.560
44.443
24,00
14,50
Beren
convenant
2.765
6.119
146.856
72.143
24,00
11,79
Beren
regressie
696
1.665
32.987
18.579
19,81
11,16
Beren
voedertechniek
3
8
149
70
18,63
8,75
Biggen 7-20 kg
forfait
1.366
162.786
400.454
328.828
2,46
2,02
Biggen 7-20 kg
convenant
3.674
1.053.870
2.592.520
1.464.879
2,46
1,39
Biggen 7-20 kg
regressie
1.152
421.322
1.112.484
548.309
2,64
1,30
Biggen 7-20 kg
voedertechniek
4
4.042
10.712
5.419
2,65
1,34
Zeugen incl big <7kg
forfait
1.609
65.145
1.563.480
944.603
24,00
14,50
Zeugen incl big <7kg
convenant
3.779
391.781
9.402.744
4.619.098
24,00
11,79
Zeugen incl big <7kg
regressie
974
116.573
2.324.921
1.324.565
19,94
11,36
Zeugen incl big <7kg
voedertechniek
4
1.055
21.434
9.778
20,32
9,27
Kalkoenen - slachtd.
forfait
59
87.168
191.770
68.863
2,20
0,79
Kalkoenen - slachtd.
voedertechniek
22
153.837
264.186
95.766
1,72
0,62
Legkip incl(gr)oudrd
forfait
882
7.204.657
4.971.213
3.530.282
0,69
0,49
Legkip incl(gr)oudrd
convenant
123
1.730.730
1.194.204
640.370
0,69
0,37
Legkip incl(gr)oudrd
0,41
regressie
20
419.793
290.207
172.562
0,69
Opfkpljn slk.ouderdieren
forfait
70
562.660
264.450
151.918
0,47
0,27
Opfkpljn slk.ouderdieren
regressie
9
90.625
38.149
17.315
0,42
0,19
Opfokpoeljen legkip
forfait
235
2.976.809
1.071.651
625.130
0,36
0,21
Opfokpoeljen legkip
regressie
1
26.313
11.841
3.947
0,45
0,15
Slachtkuikenouderdieren
forfait
114
1.013.188
1.215.826
719.363
1,20
0,71
Slachtkuikenouderdieren
regressie
39
309.420
321.608
178.811
1,04
0,58
Slachtkuikens
forfait
343
3.295.735
2.043.356
955.763
0,62
0,29
Slachtkuikens
convenant
372
6.787.975
4.208.544
1.221.836
0,62
0,18
Slachtkuikens
regressie
345
7.971.900
4.356.805
1.433.452
0,55
0,18
Slachtkuikens
voedertechniek
2
80.524
53.951
17.586
0,67
0,22
meer fosfaat uit dierlijke mest gebruikt dan er geproduceerd werd. Zowel voor stikstof als voor fosfaat bleef het gemiddeld gebruik van "andere meststoffen" lager dan 2 kg/ha. In West-Vlaanderen was het totaal gebruik aan stikstof het hoogst: 323 kg/ha. In OostVlaanderen en Antwerpen was het stikstofgebruik
uit alle soorten meststoffen samen Âą 300 kg per ha. In Vlaams-Brabant en Limburg lag de totale stikstofbemesting 25% lager. De totale fosfaatbemesting bleef enkel in de provincies VlaamsBrabant en Limburg lager dan 100 kg/ha. VlaamsBrabant was de enige provincie waar nog een belangrijk gebruik van fosfaat uit chemische meststoffen aangegeven werd.
jaarverslag 2001
63
Mestbank Tabel 5.4 - Overzicht van de voornaamste gewassen productiejaar 2000 oppervlakte (ha) teelt Gras (permanent) Mais Wintertarwe Aardappelen Gras (tijdelijk) Suikerbieten Fruit bomen Groenten industrie Wintergerst Overige gewassen
Provincie ANTW 51 549 33 607 1 421 2 829 4 018 1 005 399 589 217 6 116
LIMB 28 043 20 777 9 642 2 117 7 819 6 351 7 991 651 2 634 8 989
OVL 62 014 44 501 12 367 10 728 8 617 5 932 1 352 497 1 945 13 046
VLBRA 24 936 13 944 20 209 4 959 1 944 8 116 4 028 168 5 113 8 315
WVL 70 357 40 688 29 208 21 987 13 589 13 948 386 9 545 1 008 16 402
Totaal * 236 899 153 517 72 847 42 620 35 987 35 352 14 156 11 451 10 917 52 868
* Opm.: de gegevens van oppervlakte verschillen van deze uit de overzichtstabel omdat hier de Vlaamse gronden van de gewestgrens-overschrijders niet zijn meegeteld. Het aantal koepels verschilt met tabel 5.1 omdat hier ook de koepels met woonplaats buitenland zijn opgenomen.
Overschotten
Bijna 12.700 bedrijven hadden een overschot aan nutriënten; bij meer dan 3.600 van hen was dit te wijten aan het gebruik van chemische meststoffen. De overschotten op bedrijfsniveau, rekening houdend met het gebruik van de nutriëntenbalans en berekend op basis van de maximale invulling van de normen ongeacht het reële mestgebruik op de verschillende percelen, bedroeg voor fosfaat 39,2% en voor stikstof 35,3% van de brutoproductie. Het werkelijke bedrijfsoverschot was nog groter, aangezien in de praktijk een deel van de toegelaten normen voor stikstof of fosfaat niet kan ingevuld worden. Worden ook de gebruikte hoeveelheden chemische meststoffen in rekening gebracht dan moest bijna 30 miljoen kg fosfaat (39,8%) en bijna 70 miljoen kg stikstof (37,1%) afgevoerd worden van de bedrijven. Bij de berekening van de gemeentelijke overschotten op basis van de productie van de inrichtingen gelegen in een bepaalde gemeente en waarbij de gronden, waar ook gelegen, worden gekoppeld aan de inrichtingen van die gemeente waarbij ze behoren bedroegen de overschotten tot 12,2% van de fosfaatproductie (het gebruik van kunstmest inbegrepen).
64
Naargelang het gebruik van chemische meststoffen al dan niet in rekening wordt gebracht, waren er mestoverschotten in respectievelijk 94 en 75 gemeenten. Wanneer de overschotten op dezelfde wijze worden berekend, kampte enkel de provincie West-Vlaanderen met een overschot op provinciaal niveau. Wanneer het gebruik van chemische meststoffen in rekening wordt gebracht, was er ook in Antwerpen een stikstofoverschot (0,6 miljoen kg). De helft (55%) van de bedrijfsmatige overschotten was gekoppeld aan de gespecialiseerde varkensteelt; zij omvatten ongeveer 3/4 van totale fosfaatproductie op deze gespecialiseerde bedrijven. Voor de pluimveehouderij bedroegen deze cijfers respectievelijk: 18% van de totale bedrijfsmatige overschotten en meer dan 93% van de totale productie op deze gespecialiseerde bedrijven. De melkveebedrijven bewerkten gemiddeld de grootste oppervlakte (29 ha). Daarna volgden de bedrijven die akkerbouw combineren met rundvee (24 ha) of met veredelingslandbouw (25ha). De pluimveebedrijven baatten nagenoeg geen gronden uit (2ha).
Tabel 5.5 - Oppervlakten in kwetsbaar gebied natuur (ha) Natuurgebieden
Bosgebieden
Halfnatuurlijk grasland + waardevol grasland art. 2 52°-54° meststoffendecreet
Potentieel belangrijk grasland
Intensief grasland of akker
5 071 411
2 317 318
14 221
Totaal huiskavel ontheffing
5.1.2. Registratie cultuurgronden 2001 Algemeen
In 2001 registreerde de Mestbank gebiedsdekkend voor Vlaanderen de cultuurgronden van de aangifteplichtige landbouwers en van sommige bedrijven met vrijstelling van aangifteplicht in een geografische informatielaag. Deze laag resulteerde in 489.383 percelen, hetgeen een totale oppervlakte van 668.567 ha vertegenwoordigde. De gemiddelde oppervlakte van een landbouwperceel (rekening houdend met de opdelingsprincipes tengevolge van de verplichtingen van het meststoffendecreet) was in Vlaanderen 1,56 ha. (tabel 5.4). Na indeling in functie van de gewasgroepen, zoals toegepast voor de het bepalen van de bemestingsnormen, bekomt men volgende verdeling: grasland 272,887ha (40,9%), maïs 153.517ha (23,0%), andere gewassen 203.322 ha (30,5%) en gewassen met een lage Nbehoefte 36,888 ha (5,5%).
Halfnatuurlijk grasland + waardevol grasland art. 2 52°-54° meststoffendecreet
Potentieel belangrijk grasland
Intensief
Totaal grasland of akker
490
245
3 713
26 057
10 285
ceel in meer dan een kwetsbaar gebied gelegen is gelden op dat perceel de beperkingen van alle types samen, zodat de strengste regeling steeds van toepassing is. Voor al deze gebieden geldt de verstrengde uitrijregeling. Voor de kwetsbare zones ecologische waardevolle agrarische gebieden gelden de algemene bemestingsnormen aangezien binnen deze zones nog geen waardevolle graslanden zijn afgebakend. Deze groep is dan ook niet verder als groep in de statistieken opgenomen en wordt bij de groep "normaal gebied " gerekend. De voornaamste wijzigingen in 2001 waren: • de verandering van het statuut van het stroomgebied van de Poekebeek naar kwetsbare zone water met verstrengde bemestingsnormen. • de uitbreiding van het areaal van de fosfaatverzadigde gebieden in de provincies Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen. Kwetsbare zone natuur (tabel 5.5)
Gebiedgerichte verscherping (tabel 5.6)
Van de geregistreerde oppervlakte cultuurgronden behoren er 26.792 ha tot de kwetsbare zone natuur (bestemmingen natuurgebied, bosgebied, natuurreservaat of natuurontwikkelingsgebied op de gewestplannen).
Het meststoffendecreet onderscheid 4 types van gebiedsgerichte verscherping: kwetsbare zones water, kwetsbare zones ecologische waardevolle agrarische gebieden, kwetsbare zones natuur en fosfaatverzadigde gebieden. Wanneer een per-
Er werd ontheffing verleend op 10.285 ha gelegen in natuurgebieden, natuurreservaten of natuurontwikkelingsgebied omdat het geen waardevolle graslanden betreffen. 537 ha inten-
jaarverslag 2001
65
Mestbank Tabel 5.6 - Gebiedsgerichte verscherping: bemestingsbeperkingen in kwetsbare gebieden (ha) Antwerpen Vlaams -Brabant Oost-Vlaanderen West-Vlaanderen
Totaal verbod op bemesting
(+Vl-Brabant
van Leuven)
ten oosten van Leuven)
16
2
Fosfaatverzadigd + Water normen Fosfaatverzadigd + Water uitrijregeling Fosfaatverzadigd Water normen
Limburg
(-zone ten oosten
1
1
145
164
2 2 222 380
Water uitrijregeling
14 138
1
Totaal
20 309
176
178
829
1 461
36
4 548
10 088
21 407
16 195
62 208
15 270
25 202
9 932
geen verhoogde bemesting toegelaten Water uitrijregeling
40 387
40 387
verhoogde bemesting toegelaten
sieve graslanden of akkers van bedrijven die in het referentiejaar wel het statuut van gezinsveeteelt bedrijf hadden zijn reeds eenmaal overgedragen aan een afstammeling. Er werd op 729 ha waardevolle graslanden ontheffing verleend op basis van de huiskavelregeling. Op 3.713 ha intensieve graslanden of akkers gelegen in bosgebied werd geen verstrenging van de bemestingsnormen toegepast. In totaal gold het bemestingsverbod (met uitzondering van begrazing door 2GVE) op 11.330 ha (43,5%) van door landbouwers gebruikte cultuurgronden gelegen in de kwetsbare zone "natuur". Hiervan dragen er 7.394 ha met een biologische waardering "waardevol grasland". Omdat 2.244 ha hiervan als "potentieel belangrijke graslanden" zijn gewaardeerd, komen zij in aanmerking voor de beheersovereenkomst waarbij naast de begraving met 2GVE nog 100 kg stikstof uit chemische meststoffen mag worden toegediend. De Mestbank sloot deze beheersovereenkomst in samenspraak met Aminal Afdeling Natuur met 556 landbouwers voor 1.202 ha op 825 percelen. Op 3.936 ha intensieve graslanden of akkers was geen ontheffing mogelijk; het betroffen graslanden van bedrijven die in het referentiejaar het statuut
66
van gezinsveeteeltbedrijf niet hadden of percelen die na de referentiedata werden overgenomen. Kwetsbare zone water (tabel 5.6.)
Op 20 ha cultuurgrond gelegen in de beschermingszone I van grondwaterwinningen gold een absoluut bemestingsverbod. Daarnaast waren 62.518 ha gelegen in de kwetsbare zones water met verstrengde normering. De verstrengde bemestingsnormen water zijn van toepassing op 61.474 ha; de overige 1.043 ha zijn ook gelegen in kwetsbare zone "natuur" waarop het bemestingsverbod met uitzondering van begrazing door 2GVE van toepassing is. De verlengde verbodsperiode voor het spreiden van meststoffen was bovenop de hierboven vermelde oppervlakten van toepassing op 65.767 ha. Op 25.202 ha hiervan, gelegen in nitraatgevoelig gebied, is het bovendien niet mogelijk de verhoogde bemesting voor een dubbele teelt aan te vragen. Fosfaatverzadigde gebieden (tabel 5.6.)
De beperking tot het gebruik van maximaal 40 kg fosfaat per ha was in 2001 van toepassing op 5.036 ha. 31 landbouwers lieten voor 180 percelen een tegenexpertise uitvoeren met betrekking tot de fosfaatverzadigingstoestand. In totaal bleken 80,05 ha
na tegenexpertise niet fosfaatverzadigd te zijn. De VLM betaalde voor 72 percelen in totaal 6.790 euro terug aan 26 landbouwers. 5.1.3. Aanvragen verhoogde bemesting bij bepaalde
gezamenlijke oppervlakte van 24.473 ha op 15.380 percelen. Deze cijfers wijzen op een toename van ± 50%. In de praktijk blijkt uit het verleden dat een deel van de aanvragen niet wordt ingevuld. In 2001 betrof dit percentage 13,5%.
teeltcombinaties 5.1.4. Vergoedingen en beheers-
Te e l t j a a r 2 0 0 1
De goedgekeurde aanvragen voor verhoogde bemesting voor de teeltcombinatie bladgroenten betrof 1.162 ha; dit is een stijging met 50% tegenover het voorgaande jaar. Voor de teeltcombinatie bladgroenten bedroeg het aantal aanvragen 345, op 725 percelen. De verhoogde bemesting voor de teeltcombinatie voorjaarsnede gras/maïs werd door 902 landbouwers op 13.674 ha (3271 percelen) toegepast. De verhoogde bemesting voor de combinatie gras/andere gewassen werd toegepast op 2.520 ha (1483 percelen) door 902 bedrijven. Vijf bedrijven verkregen de toelating om de verhoogde bemesting toe te passen op graszoden voor een totale oppervlakte van 39 ha. Deze regeling verhoogde de afzetmogelijkheden in Vlaanderen voor stikstof met 1.139.255 kg en voor fosfaat met 504.805 kg. Te e l t j a a r 2 0 0 2
In totaal deden 4.469 landbouwers een aanvraag voor verhoogde bemesting op de teeltcombinatie voorjaarsnede gras/maïs of voorjaarssnede gras/andere gewassen voor een
overeenkomsten in het kader van het mestdecreet (tabel 5.7)
Op 16 maart werd het besluit van de Vlaamse regering inzake de vergoedingenregeling voor de kwetsbare gebieden water en natuur gewijzigd. De vergoedingen zijn opgenomen in het Programma voor Plattelandsontwikkeling in Vlaanderen periode 2000-2006 in toepassing van de Europese plattelandsverordening (EG1257/99). De horizontale vergoedingenregeling voorzien voor percelen gelegen in natuurgebieden waarop het bemestingsverbod van toepassing is, is niet in uitvoering gegaan in 2001. De afsluiting van de contracten gebeurde in het voorjaar 2001 en werd begeleid door een uitgebreide informatiecampagne rond de verplichtingen in het kader van de beheersovereenkomsten. In totaal werden er 22.833 beheersovereenkomsten water (31.609 ha) en 1.237 beheersovereenkomsten natuur (1.707 ha) gesloten met 2001 als werkingsjaar (start oktober 2000 of januari 2001).In totaal was op 51,4% van de oppervlakte kwetsbaar gebied water en op 23,1% van de oppervlakte met bemestingsverbod een beheersovereenkomst gesloten.
Tabel 5.7 - Uitslagen van de nitraatresidu bepalingen 2001 Nitraatresidu Gemiddelde Aantal Oppervlakte (in ha)
0-30
30-45
45-75
75-85
85-<90
=>90
totaal
19 2.990 3.701
38 3.095 4.155
59 6.069 8.196
80 1.620 2.204
88 812 1.131
140 6.608 8.979
78 21.194 28.366
jaarverslag 2001
67
Mestbank Kaart 1 - Productie van stikstof uit dierlijke mest in Vlaanderen
N-productie per fusiegemeente
kg N per hectare cultuurgrond > > > > > >
= = = = = =
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Dierlijke mestproductie per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Productie stikstof per oppervlakte cultuurgrond
0 - < 170 170 - < 250 250 - < 300 300 - < 350 350 - < 450 450
Kaart 2 - Netto-transport van stikstof uit dierlijke mest in Vlaanderen
Netto aan- en afvoer van N per fusiegemeente
kg N per hectare cultuurgrond
Afvoer > > > > > <
68
= -20 = -30 = -40 = -50 = -60 -60
Aanvoer -
< < < < <
0 -20 -30 -40 -50
> > > > >
= = = = =
50 40 30 20 0-
- < 50 - < 40 - < 30 < 20
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Transport van dierlijke mest per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Transportdocumenten vervoerjaar 2000 Opmerking: In een aantal gemeenten is de netto aanvoer extreem hoog wegens het aanwezig zijn van verwerkingsinstallaties gelegen in deze gemeenten
Kaart 3 - Gebruik van stikstof uit dierlijke mest op cultuurgronden in Vlaanderen
N-bemestingsdruk per fusiegemeente
kg N per hectare cultuurgrond > > > > > >
= = = = = =
0 - < 170 170 - < 250 250 - < 300 300 - < 350 350 - < 450 450
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Dierlijke mestproductie per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2000 • Opslagverschil begin en eind 2000
Kaart 4 - Totaal gebruik van stikstof op cultuurgrond in Vlaanderen
Totale N-bemestingsdruk per fusiegemeente
kg N per hectare cultuurgrond > > > > > >
= = = = = =
0 - < 170 170 - < 250 250 - < 300 300 - < 350 350 - < 450 450
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Dierlijke mestproductie + kunstmest + andere meststoffen per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2000 • Opslagverschil begin en eind 2000
jaarverslag 2001
69
Mestbank Kaart 5 - Productie van fosfaat uit dierlijke mest in Vlaanderen
P2O5-productiedruk per fusiegemeente
kg P2O5 per hectare cultuurgrond > > > > > >
= = = = = =
0 - < 75 75 - < 100 100 - < 125 125 - < 150 150 - < 200 200
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Transport van dierlijke mest per Dierlijke mestproductie per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Productie per oppervlakte cultuurgrond
Kaart 6 - Netto-transport van fosfaat uit dierlijke mest in Vlaanderen
Netto aan- en afvoer van P2O5 per fusiegemeente
kg N per hectare cultuurgrond
Afvoer > > > > > <
70
= -20 = -30 = -40 = -50 = -60 -60
Aanvoer -
< < < < <
0 -20 -30 -40 -50
> > > > >
= = = = =
50 40 30 20 0-
- < 50 - < 40 - < 30 < 20
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Dierlijke mestproductie per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Productie per oppervlakte cultuurgrond Opmerking: In een aantal gemeenten is de netto aanvoer extreem hoog wegens het aanwezig zijn van verwerkingsinstallaties gelegen in deze gemeenten
Kaart 7 - Gebruik van fosfaat uit dierlijke mest op cultuurgronden in Vlaanderen
P2O5-bemestingsdruk per fusiegemeente
kg P2O5 per hectare cultuurgrond > > > > > >
= = = = = =
0 - < 75 75 - < 100 100 - < 125 125 - < 150 150 - < 200 200
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Dierlijke mestproductie per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2000 • Opslagverschil begin en eind 2000
Kaart 8 - Totaal gebruik van fosfaat uit dierlijke mest in Vlaanderen
Totale P2O5-bemestingsdruk per fusiegemeente
kg P2O5 per hectare cultuurgrond > > > > > >
= = = = = =
0 - < 75 75 - < 100 100 - < 125 125 - < 150 150 - < 200 200
Bron: mestbankgegevens Berekeningsbasis: • Dierlijke mestproductie + kunstmest + andere meststoffen per inrichting in 2000, inrichtingen per fusiegemeente • Transport van dierlijke mest van producenten en naar gebruikers per inrichting in 2000 • Opslagverschil begin en eind 2000
jaarverslag 2001
71
Mestbank Voor het jaar 2000 bedroeg de gemiddelde waarde van het nitraatresidu op de percelen met een goed resultaat 42kg stikstof/ha. De staalnames gebeurden in 2000 uitzonderlijk in de periode tussen 1 oktober en 31 december, doch vooral na 15 november. In het kader van het mestdecreet werd voor de beheersovereenkomsten type water en/of natuur in totaal 326, 9 miljoen BEF uitbetaald aan 2.045 landbouwers voor 15.107 objecten op 20.655,69 ha. Hiervan werd 170,9 miljoen door het MINA-fonds gedragen. Het betreft de contracten 2001 die aanvangen in oktober 2000. De rest was afkomstig van het EOGFL (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw). De uitbetalingen betreffen contracten die aanvingen in oktober 2000. De nitraatresiduresultaten van de staalnames in 2001 hadden een algemeen gemiddelde van 78 kg nitraatstikstof/ha. De gemiddelde waarde was het hoogst in de tweede helft van oktober. De gemiddelde waarde van de stalen met een te hoog nitraatresidu (=> 90 kg nitraat stikstof per ha) dat werd aangemeld bij de mestbank lag op 140 kg nitraatstikstof per ha. De referentiewaarde van 90 kg nitraatstikstof per ha werd overschreden op 32% van de oppervlakte. Van alle stalen met een goed nitraatresiduresultaat lag de gemiddelde waarde op 50,2 kg nitraatstikstof. Bijna 2/3 van de stalen met een goed nitraatresiduresultaat had een residuwaarde van 30–75 kg nitraatstikstof per ha. In het najaar werden de nieuwe aanvragen voor beheerovereenkomsten verwerkt. Dit leidde tot het sluiten van 70 beheerovereenkomsten natuur voor een oppervlakte van 122 ha en van 1.424 beheersovereenkomsten water voor een oppervlakte van 2.336 ha.
72
5.2. Mestverhandelingen 5.2.1. Transporten
De tabellen 5.8., 5.9. en 5.10. geven een overzicht van de in 2001 geregistreerde mestverhandelingen. De transporten zijn uitgedrukt in kg vervoerde nutriënten. De cijfers slaan alleen op verhandelde dierlijke nutriënten. De transporten naar bedrijfseigen gronden van de producent zijn niet meegeteld. Voor verhandelingen waarvoor zowel een burenregeling als een mestafzetdocument werd opgemaakt, werd alleen de burenregeling in rekening gebracht. Internationale mestverhandelingen vallen onder het toepassingsgebied van de zogenaamde "EVOA". De EVOA documenten werden op volkomen analoge wijze geregistreerd als de mestafzetdocumenten. Daarom worden ze in de verdere tabellen als mestafzet- en EVOA-documenten vermeld. Algemene trends
De Mestbank registreerde 16.975 burenregelingen, 161.660 mestafzetdocumenten en 12.312 overbrengingen in het kader van de EVOA reglementering. Volgende tendenzen zijn voor het jaar 2001 waar te nemen. Het aantal burenregelingen bleef constant tov 2000. Het aantal mestafzetdocumenten blijft snel stijgen. Het aantal EVOA-documenten bleef ongeveer constant. Uitgedrukt in aantal kg fosfaten daalde de afzet via burenregelingen met 17%. De afzet via EVOA documenten uitgedrukt in kg fosfaten bleef ongeveer constant. Weerom werd er een stijging van de afzet via mestafzetdocumenten met 14% vastgesteld. Het totaal aantal mestverhandelingen is ook dit jaar gestegen. Er is een stijging met 8% voor fosfaat en 17% voor stikstof vastgesteld ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit is te verklaren door de stijging van de mestoverschotten omwille van de strengere bemestingsnormen.
Tabel 5.8 - Transport van dierlijke mest met mest-afzet- en EVOA-doumenten in 2001 (uitgedrukt in kg) Som van N MAD + EVOA oorsprong bestemming ANTW LIMB ANTW 5252971 1074752 LIMB 130213 3011038 OVL 235857 213016 VLBRA 120524 141870 WVL 486431 280947 verzpnt 230949 339992 beverw 25299 5106 BRUSSEL 0 920 NEDERLAND 18464 96373 WALLONIE 74725 628 DUITSLAND 0 0 FRANKRIJK 0 0 Eindtotaal 6575433 5164642
OVL 26991 2272 4937335 68469 2869913 384230 23361 0 0 126 0 0 8312697
VLBRA WVL 868202 17889 219137 347 804834 371315 1021614 17718 2686993 9433400 1050432 180777 6378 12096 0 0 52513 3577 0 386 0 0 0 0 6710103 10037505
verzpnt 699276 116144 353545 24687 1534525 16212 46809 194 0 33 0 0 2791425
beverw 1545551 351756 991601 56044 2512835 214853 55548 18388 1711492 171897 73254 34551 7737770
BRU 0 0 19630 1512 17600 324 121 0 0 0 0 0 39187
NED 38618 8518 177968 10996 84390 2752 0 0 0 0 0 0 323242
WAL 1783104 275503 615443 39495 1935447 308204 3130282 0 4325 0 0 0 8091803
DE 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
FRA 57931 28648 19853 3388 691427 12846 1022140 0 0 0 0 0 1836233
Eindtotaal 11365285 4143576 8740397 1506317 22533908 2741571 4327140 19502 1886744 247795 73254 34551 57620040
Som van P2O5 MAD MAD + EVOA bestemming oorsprong ANTW LIMB ANTW 3133240 645846 LIMB 94705 1806003 OVL 131156 127721 VLBRA 82814 81735 WVL 272973 161094 verzpnt 138643 214015 beverw 17229 2787 BRUSSEL 0 552 NEDERLAND 15745 59439 WALLONIE 53826 377 DUITSLAND 0 0 FRANKRIJK 0 0 Eindtotaal 3940331 3099569
OVL 16586 1363 2680771 39293 1594603 207322 16039 0 0 76 0 0 4556053
VLBRA 532176 152018 466385 589193 1549633 619504 4453 0 32148 0 0 0 3945510
verzpnt 441727 77436 204876 13207 905384 10043 53736 116 0 20 0 0 1706545
beverw 1153549 244813 698828 34542 1918792 156630 43236 11033 1267281 103116 43952 20730 5696502
BRU 0 0 11114 717 9904 166 77 0 0 0 0 0 21978
NED 25576 4988 142038 6598 70617 2236 0 0 0 0 0 0 252053
WAL 1534681 212809 469796 28546 1448266 205860 2094951 0 2670 0 0 0 5997579
DE 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
FRA 49666 20959 15415 2102 429253 7934 821158 0 0 0 0 0 1346487
Eindtotaal 7543811 2615315 5157995 889013 13599545 1667868 3065302 11701 1380428 157647 43952 20730 36153307
WVL 10764 221 209895 10266 5239026 105515 11636 0 3145 232 0 0 5590700
Tabel 5.9 - Transport van dierlijke mest in 2001 - totalen (uitgedrukt in kg) Som van N MAD + EVOA oorsprong bestemming ANTW LIMB OVL ANTW 7139095 1081479 34796 LIMB 134146 4325782 2272 OVL 286676 214723 7730491 VLBRA 124152 161609 73153 WVL 486431 280947 2951551 verzpnt 235125 343112 386015 beverw 25299 8225 23551 BRUSSEL 0 920 0 NEDERLAND 18464 96373 0 WALLONIE 74725 628 126 DUITSLAND 0 0 0 FRANKRIJK 0 0 0 Eindtotaal 8524113 6513798 11201955
VLBRA WVL 874071 17889 236933 347 821102 529154 1317112 18291 2686993 14578646 1050432 187376 6378 12222 0 0 52513 3577 0 386 0 0 0 0 7045534 15350079
verzpnt 701676 119204 361196 24687 1543406 16212 46809 194 0 33 0 0 2813417
beverw 1545551 359721 991601 56044 2518835 214853 55548 18388 1711492 171897 73254 34551 7751735
BRU 0 0 19630 1512 17600 324 121 0 0 0 0 0 39187
NED 38618 8518 177968 10996 84390 2752 0 0 0 0 0 0 323242
WAL 1783104 275503 615443 39495 1935447 308204 3130282 0 4325 0 0 0 8091803
DE 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
FRA 57931 28648 19853 3388 691427 12846 1022140 0 0 0 0 0 1836233
Eindtotaal 13274210 5491074 11767837 1830439 27775673 2757251 4330575 19502 1886744 247795 73254 34551 69488905
Som van P2O5 MAD MAD + EVOA bestemming oorsprong ANTW LIMB ANTW 4167457 649736 LIMB 97588 2534368 OVL 159534 128646 VLBRA 84569 93133 WVL 272973 161094 verzpnt 140362 214924 beverw 17229 4767 BRUSSEL 0 552 NEDERLAND 15745 59439 WALLONIE 53826 377 DUITSLAND 0 0 FRANKRIJK 0 0 Eindtotaal 5009283 3847036
VLBRA 535401 163138 474558 756131 1549633 619504 4453 0 32148 0 0 0 4134966
verzpnt 442427 78406 207108 13207 910404 10043 53736 116 0 20 0 0 1715467
beverw 1153549 249754 698828 34542 1925792 156630 43236 11033 1267281 103116 43952 20730 5708443
BRU 0 0 11114 717 9904 166 77 0 0 0 0 0 21978
NED 25576 4988 142038 6598 70617 2236 0 0 0 0 0 0 252053
WAL 1534681 212809 469796 28546 1448266 205860 2094951 0 2670 0 0 0 5997579
DE 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
FRA 49666 20959 15415 2102 429253 7934 821158 0 0 0 0 0 1346487
Eindtotaal 8589294 3363594 6787790 1071935 16413986 1674772 3067482 11701 1380428 157647 43952 20730 42583311
OVL 20037 1363 4185387 41770 1634646 208228 16159 0 0 76 0 0 6107666
WVL 10764 221 295366 10620 8001404 108885 11716 0 3145 232 0 0 8443697
73
Mestbank Tabel 5.10 - Transport van dierlijk mest met burenregelingen in 2001 bestemming (som uitgedrukt in kg N) oorsprong
ANTWERPEN LIMBURG
O VLAANDEREN VL BRABANT W VLAANDEREN verzamelpunt Be-/verwerker Eindtotaal
ANTW
LIMB
OVL
VLBRA
WVL
verzpnt
beverw
Eindtotaal
1886124 3933 50819 3628 0 0
6727 1314744 1707 19739 0 3119 17.725
7805 0 2793156 4684 81638 190 315
5869 17796 16268 295498 0 0
0 0 157839 573 5145246 126 6.659
2400 3060 7651 0 8881 0
0 7965 0 0 6000 0
1908925 1347498 3027440 324122 5241765 3435 24.699
1948680
1349156
2889258
335431
5312574
21992
13965
11868865
bestemming (som uitgedrukt in kg P2O5) oorsprong
ANTW
LIMB
OVL
VLBRA
WVL
verzpnt
beverw
Eindtotaal
LIMBURG O VLAANDEREN VL BRABANT W VLAANDEREN verzamelpunt Be-/verwerker
1034217 2883 28378 1755 0 1719 0
3890 728365 925 11398 0 909 1980
3451 0 1504616 2477 40043 906 120
3225 11120 8173 166938 0 0 0
0 0 85471 354 2762378 3370 80
700 970 2232 0 5020 0 0
0 4941 0 0 7000 0 0
1045483 748279 1629795 182922 2814441 6904 2180
Eindtotaal
1068952
747467
1551613
189456
2852997
8922
11941
6430004
ANTWERPEN
Ve r v o e r b i n n e n V l a a n d e r e n
De vervoersstroom binnen Vlaanderen maakt 78% uit van de totale vervoerde hoeveelheid. Daarvan werd 4,2% vervoerd via een burenregeling. De meeste gemelde transporten gaan rechtstreeks van de producent naar de gebruiker. Het betreft hier 79% van de binnen Vlaanderen vervoerde fosfaten en 82% van de binnen Vlaanderen vervoerde stikstof. Grensoverschrijdende mesttransporten
De Mestbank noteerde een landsgrensoverschrijdende export van 1,59 miljoen kg fosfaat en 2,16 miljoen kg stikstof. De import bedroeg 1,44 miljoen kg fosfaat en 1,99 miljoen kg stikstof. Dit betekent dat de geregistreerde netto uitvoer van nutriĂŤnten uit Vlaanderen naar een ander EU land het afgelopen jaar 0,15 miljoen kg fosfaat en 0,17 miljoen kg stikstof bedroeg. In toepassing van de zogenaamde Bezemrichtlijn
74
(richtlijn 92/118/118) kan alleen pluimvee- en paardenmest onder zuivere vorm landsgrensoverschrijdend verhandeld worden. De verhandelingen van mest en behandelde mest die geen productnormering van het land van bestemming krijgen, worden geregistreerd via de EVOA-reglementering. De export van producten wordt geregistreerd dmv mestafzetdocumenten. De export naar het buitenland bestond nagenoeg uitsluitend uit pluimveemest (98% van het fosfaatvolume). De import daarentegen bestond voor een groot deel uit paardenmest (48% van het fosfaatvolume). De export van zuiver dierlijke mest naar Frankrijk kende ondanks de ingewikkelde dossiers een grote stijging van meer dan 100%. De bestemming was voornamelijk het departement du Nord en het departement de Pas de Calais. Het betreft een hoeveelheid van 428.155 kg fosfaat en 671.000 kg
stikstof. Het transport van verwerkte kippenmest naar Frankrijk steeg eveneens en bedroeg 918.321 kg fosfaat en 1.165.229 kg stikstof. De export naar Nederland is sterk afgenomen terwijl de invoer vanuit Nederland steeg. Er ontstond hierdoor een import naar Vlaanderen vanuit Nederland van 1 miljoen kg fosfaat en 1,42 miljoen kg stikstof. Hierbij moet vermeld worden dat de import vanuit Nederland voor 95% naar inrichtingen voor de aanmaak van substraat voor de champignonteelt gaat. De invoer van afgewerkte champignoncompost vanuit Nederland daalde tot 96.871 kg fosfaat en 157.502 kg N. Van de "grensboerenregeling" die veehouders toelaat hun bedrijfseigen gronden aan de andere kant van de grens te bemesten met bedrijfseigen mest, maakten 367 Vlaamse en 181 Nederlandse veehouders gebruik. De Vlaamse veehouders brachten daarbij 352.326 kg fosfaat op 4520 ha Nederlandse gronden. De Nederlandse veehouders brachten daarbij 602.800 kg fosfaat op 4603 ha Vlaamse gronden. Voor de verhandelingen met WalloniĂŤ geldt de Bezemrichtlijn niet. De export naar WalloniĂŤ bedroeg in totaal 5.997.579 kg P2O5 en 8.091.803 kg N. 84% van de uitvoer bestond uit kippenmest en producten op basis van kippenmest. De overige 16% bestond uit varkensmest, rundermest en andere mest. Ve r h a n d e l i n g e n v a n a n d e r e m e s t s t o f f e n
In totaal werd het transport van 1.780.320 kg fosfaat en 2.005.075 kg stikstof afkomstig van andere meststoffen gemeld aan de Mestbank. Daarin werd het vervoer van schuimaarde niet opgenomen. Dit vervoer betekende zowat 80.000 ton of 800.000 kg fosfaten en 400.000 kg stikstof. Het merendeel van de transporten, nl. 77% van
de getransporteerde hoeveelheid stikstof en 64% van de getransporteerde hoeveelheid fosfaat, werd binnen het Vlaams Gewest vervoerd. Voor fosfaat was er een netto export van 252.543 kg. De export van andere meststoffen gebeurde voornamelijk naar verwerkingsinstallaties gelegen in het Waals Gewest. Voor stikstof was er een netto import van 26.500 kg. De invoer van andere meststoffen betrof voornamelijk de invoer van afgedragen champignoncompost uit Nederland. Mesttransportinternetloket (MTIL)
Het Mest TransportInternetLoket (Mtil) is een internet toepassing voor het on-line melden van de mesttransporten. In 2001 werd Mtil voor het eerst een volledig jaar ingezet om mesttransporten te melden. Alle mestvoerders kregen de mogelijkheid om het systeem te gebruiken. 350 erkende voerders vroegen een paswoord aan, waaronder alle grotere mestvoerders. In 2001 werden 104.641 transporten gemeld via Mtil. Dit is 65% van alle meldingen via de mestafzetdocumenten. In piekmomenten werden ongeveer 1600 meldingen per dag geregistreerd. Het programma werd eveneens verder verfijnd. Dit continu proces van aanpassing en verbetering zal in de toekomst blijven doorlopen. Hierbij werd in de mate van het mogelijke ook rekening gehouden met de problemen van de voerders. Daarnaast werd in 2001 gestart met het ontwikkelen van een internet toepassing waarbij de landbouwer zijn door de Mestbank opgevraagde gegevens (aangifte, registratie en mestverhandelingen) kan opvragen via het internet. De analyse en een eerste versie werden hiervan afgewerkt. Erkenning mestvoeders 2001
Op 31/12/2001 waren 1382 mestvoerders erkend.
jaarverslag 2001
75
Mestbank Onderverdeeld naar de klasse maakt dit dat er in de klasse A 595, in de klasse B 532 en in de klasse C 235 erkend waren. In de klasse D waren geen mestvoerders erkend. Onderverdeeld naar de woonplaats maakt dit dat in de klasse A 46, in de klasse B 6 en in de klasse C 48 erkende mestvoerders hun woonplaats of zetel buiten het Vlaamse Gewest hadden.
5.3. Financiële handelingen Het innen en invorderen van de heffingen kunnen we onderverdelen in elf categorieën, naargelang het aanslagjaar waarop ze betrekking hebben (aanslagjaren 1991 t.e.m. 2001). Zie tabel 5.11. Belangrijkste gegevens over de heffingen voor het boekjaar 2001 5.3.1. De basisheffing
De basisheffing is vanaf het jaar 2001 gewijzigd. In het verleden bestond deze basisheffing uit een gecombineerde heffing, die zowel de dierlijke mestproductie als het mestoverschot, verminderd met de mestexport en -verwerking, belast. Vanaf 2001 bestaat de basisheffing uit drie onderdelen: een basisheffing op de dierlijke productie, een basisheffing op het gebruik van chemische meststoffen en een basisheffing op het gebruik van andere meststoffen. De dierlijke productie wordt belast aan 0,0111 EUR per kg fosfaat en per kg stikstof, het gebruik van chemische en andere meststoffen wordt belast aan 0,0223 EUR per kg fosfaat en per kg stikstof.
de gevorderde basisheffing daalde van 5.705.978,65 EUR naar 4.013.979,68 EUR. De basisheffing bestond uit de volgende deelbedragen: heffing op dierlijke productie 2.859.671,17 EUR, heffing op chemische meststoffen 1.114.648,99 EUR, heffing op andere meststoffen 1.599.847,16 EUR. De boetes wegens niet of laattijdige betaling van de basisheffingen (artikel 25, §1 van het Mestdecreet) voor het aanslagjaar 2000 werden opgelegd voor een totaalbedrag van 61.171,12 EUR. Dit bedrag omvat niet de verminderingen en kwijtscheldingen die de Mestbank ingevolge gegronde bezwaren aan de beboete heffingsplichtigen heeft toegekend. De basisheffing aanslagjaar 2001 werd verzonden op 23 oktober 2001. De uiterste datum van betaling was 22 december 2000. Per 31/12/01 stond van de gevorderde basisheffing aanslagjaar 2001 nog 473.647,95 EUR open, van de boetes voor het aanslagjaar 2000 nog 52.409,85 EUR. 5.3.2. De afzetheffing
Het Mestdecreet (artikel 21, § 4) legt een afzetheffing op aan producenten die het voorbije jaar overschotten hebben aangeboden aan de Mestbank in het kader van haar algemene ontvangstplicht. In 2001 werd een afzetheffing opgelegd aan 2 landbouwers voor een bedrag van 17.627,98 EUR. De vervoerde hoeveelheid bedroeg 470 ton. In 2001 werd geen mest weggehaald bij bedrijven in het kader van de afnameplicht. 5.3.3. De basisheffing op mestoverschotten door invoer
Deze wijziging heeft een belangrijke invloed op het aantal heffingsplichtigen en het totaal bedrag van de heffingen. Het aantal heffingsplichtigen steeg van 14.266 in 2000 tot 26.983 in 2001. Het totaalbedrag van
76
(invoer heffing)
Iedere invoerder van mestoverschotten dient een invoerheffing te betalen van 2,4789 EUR per ton. De invoerheffing van de invoerders van paardenmest wordt verminderd met een percentage gelijk aan het aandeel van de ingevoerde
Tabel 5.11 - Belangrijkste gegevens over de heffingen voor het boekjaar 2001 (EUR) Aanslagjaar 1991 basisheffing boete intrest invoerheffing 1992 basisheffing boete intrest invoerheffing boete intrest 1993 basisheffing boete intrest invoerheffing boete intrest 1994 basisheffing boete intrest invoerheffing boete 1995 basisheffing boete intrest 1996 basisheffing boete intrest invoerheffing boete adm geldboete 1997 basisheffing boete intrest invoerheffing boete intrest adm geldboete 1998 basisheffing boete intrest invoerheffing boete adm geldboete boete gezinsveeteeltbedrijf boete mestafzet 1999 basisheffing boete intrest invoerheffing boete adm geldboete boete mestafzet 2000 basisheffing boete intrest invoerheffing boete adm geldboete boete mestafzet 2001 basisheffing afzetheffing adm geldboete boete mestafzet boete teveel nutriĂŤnten TOTAAL
Openstaand op 31-12-2000
Vorderingen Creaties (+)/Annulaties (-)
Ontvangsten
Openstaand op 31-12-2001
9.941,35 19.830,96 274,07 33,47
-1.626,11 -1.948,15 -39,54 0,00
0,00 0,00 0,00 0,00
8.315,24 17.882,82 234,53 33,47
30.185,62 61.149,85 3.030,28 540,41 1.080,82 10,81
-8.349,45 -12.098,29 -448,49 0,00 0,00 0,00
290,21 433,81 157,44 0,00 0,00 0,00
21.545,96 48.617,75 2.424,35 540,41 1.080,82 10,81
47.227,36 105.753,01 1.663,61 585,03 1.170,06 5,85
-1.693,44 -7.867,05 -98,24 0,00 0,00 0,00
309,07 495,79 22,68 0,00 0,00 0,00
45.224,85 97.390,18 1.542,69 585,03 1.170,06 5,85
14.083,38 34.758,54 640,93 2.082,31 4.164,61
-121,99 -765,59 3,87 0,00 0,00
508,13 2.223,78 16,44 0,00 0,00
13.453,26 31.769,17 628,36 2.082,31 4.164,61
15.917,19 50.603,25 631,71
-135,62 -2.076,23 316,21
264,28 1.884,88 342,84
15.517,29 46.642,13 605,08
16.979,44 26.564,20 1.207,89 0,00 247,89 15.047,14
-1.141,35 -2.511,66 13,56 0,00 0,00 -3.311,96
1.278,31 2.012,97 154,69 0,00 0,00 1.745,07
14.559,78 22.039,57 1.066,76 0,00 247,89 9.990,11
28.604,43 66.523,47 794,70 1.457,61 2.915,23 14,58 26.256,06
-1.692,54 -4.980,60 -100,00 0,00 0,00 0,00 -2.801,20
2.062,92 4.541,34 0,00 0,00 0,00 0,00 3.472,54
24.848,97 57.001,53 694,70 1.457,61 2.915,23 14,58 19.982,33
30.850,47 62.870,36 3.337,64 0,00 1.239,47 36.042,45 4.957,87 38.359,66
-3.180,90 -8.984,80 -237,46 0,00 0,00 -4.784,35 0,00 -9.039,64
67,60 3.558,14 371,34 0,00 0,00 7.832,17 0,00 0,00
27.601,98 50.327,42 2.728,84 0,00 1.239,47 23.425,94 4.957,87 29.320,03
48.358,65 65.508,57 2.695,69 0,00 2.231,04 34.425,07 195.378,60
-12.883,77 -98,49 0,00 0,00 -247,89 -4.858,71 0,00
217,77 16.258,30 459,69 0,00 0,00 3.454,27 44.577,90
35.257,10 49.151,78 2.236,00 0,00 1.983,15 26.112,09 150.800,70
863.215,20 0,00 0,00 -285,08 2.478,94 53.390,86 363.148,15
-61.086,27 61.171,12 959,10 0,00 -1.239,47 -13.559,70 -72.424,30
758.058,13 8.761,28 248,17 -285,08 247,89 22.558,39 69.223,47
44.070,81 52.409,85 710,93 0,00 991,57 17.272,77 221.500,38
0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 2.400.180,71
4.013.979,68 17.627,98 68.393,82 296.317,62 13.308,76 4.225.658,49
3.540.331,73 1.695,17 23.530,75 24.800,14 627,37 4.548.811,77
473.647,95 15.932,81 44.863,08 271.517,48 12.681,39 2.077.027,43
jaarverslag 2001
77
Mestbank paardenmest, uitgedrukt in kg P2O5, dat verwerkt tot champignonsubstraat weer werd uitgevoerd. Vanaf aanslagjaar 2001 dienen ook invoerders van andere meststoffen een invoerheffing te betalen. Aangezien er een klacht werd ingediend bij de Europese Commissie betreffende de verenigbaarheid van de invoerheffing met de Europese regelgeving, werd de invoerheffing (voorlopig) niet geïnd.
producent-gebruikers, de boetes wegens niet bewezen mestafzet bedroegen 296.317,62 EUR, de boetes wegens overbemesting bedroegen 13.308,76 EUR. Van deze boetes stond per 31/12/2001 nog resp. 44.863,08 EUR, 271.517,48 EUR en 12.681,39 EUR open.
5.3.4. Superheffing
5.4.1. Controleactieplan 2001
mestverwerkingsplicht
Deze superheffing is een nieuwe heffing die vanaf 2001 is in voege getreden. De heffing wordt opgelegd aan bedrijven die hun verplichting om mest te verwerken of te exporteren niet hebben nageleefd. De heffing bedraagt 0,24 EUR voor elke niet verwerkte of geëxporteerde kg fosfaat en stikstof. De heffing werd begin 2002 opgelegd voor aanslagjaar 2001. Superheffing nutriëntenhalte
Er wordt een superheffing nutriëntenhalte opgelegd aan elk bedrijf dat meer geproduceerd heeft dan zijn nutriëntenhalte (productieplafond). Aangezien nog niet alle bedrijven een definitieve nutriëntenhalte kregen toegewezen in het jaar 2000, werd voor aanslagjaar 2001 deze superheffing niet opgelegd. 5.3.5. Administratieve geldboetes
Buiten de reeds vermelde boete wegens laattijdige betaling van de heffingen voorziet artikel 25 van het Mestdecreet in een administratieve geldboete wanneer de aangifte niet of te laat werd ingediend (§3), wanneer de afzet van mestoverschotten niet is bewezen (§4) of wanneer teveel mest op cultuurgronden werd gebracht (§5). De boete wegens het laattijdig indienen van de aangifte werd in het aanslagjaar 2001 opgelegd voor een totaalbedrag van 68.393,82 EUR voor
78
5.4. Controle en toezicht: handhaving mestdecreet
In 2001 lag het accent van de controletaak op een grondige doorlichting van bedrijven waarvan de mestbalans een sterk overschot vertoonde. De mestbalans wordt opgemaakt enerzijds op basis van de totale geproduceerde nutriënten, de geïmporteerde dierlijke, chemische en andere meststoffen, en anderzijds op basis van de afzet op eigen gronden (binnen en buitenlandse) en met de bewezen afzet (Mestafzetdocumenten, burenregelingen, EVOA’s). De mestbalans bepaalt bijgevolg of een bedrijf de geproduceerde of aanvaarde nutriënten ecologisch verantwoord heeft afgezet. Verder werd er gericht,onder de vorm van een thema-actie, op Vlaams niveau toezicht uitgeoefend op de producenten van andere meststoffen (meststoffen van niet dierlijke oorsprong zoals slibs en schuimaarde). In het najaar werd toegezien op het naleven van de beheersvoorwaarden door diegenen die beheersovereenkomsten afgesloten hebben. Re s u l t a t e n
In 2001 werden 2004 controleacties uitgevoerd. In 2001 werden 5 IV’s meer opgemaakt dan in 2000. Dit vooral door de ‘actie beheersovereenkomsten.’ Door onder meer het arbeidsintensieve karakter van de controle op de balansen en op de producenten andere meststoffen werden 114 Processen Verbaal (PV) minder opgesteld dan in 2000. De rijkswacht voerde verder 102 mesttransportcontroles uit.
Tabel 5.12 - Overzicht van de uitgevoerde controleacties in 2001 Aantal Totaal inspecties
IV's
Totaal PV's
aanleiding controle Positieve
interne
mest balans
vraag
klacht
kant-
samenwerking
specifieke
schrift parket
andere diensten
acties
Ad Hoc
CD-Brussel (W-BRA)
255
169
86
34
21
23
14
1
15
42
Diest (LIMB/O-BRA)
342
226
116
26
3
57
37
17
54
104
Herentals (Antw)
363
169
194
10
39
46
81
4
85
69
Gent (O-VL)
596
416
180
38
34
51
19
8
27
85
Brugge (W-VL)
448
264
184
18
83
28
33
15
48
32
2004
1244
760
126
180
205
184
45
229
332
Totaal
Van de 760 opgestelde PV’s waren er 440 waarbij een overtreding op het Mestdecreet werd vastgesteld. De resterende Processen Verbaal zijn de PV’s van staalname en de navolgende PV’s met aanvullende informatie in verband met de reeds vastgestelde overtredingen. Het gemiddeld aantal voltijds controleurs is toegenomen tot 30 op een voorzien aantal van 33. In figuur 5.1 wordt de relatieve verdeling van de vastgestelde overtredingen gegeven. Inbreuken op de vervoersreglementering blijft de belangrijkste vastgestelde overtreding. Het relatieve aandeel is evenwel gedaald met 14%. In 2001 stellen we een toename van 6% vast van overtredingen op niet bewezen mestafzet en een stijging van 3% bij de categorie overbemesting. Tabel 5.13 biedt een overzicht van het totaal aantal opgelegde administratieve geldboetes. Er werden boetes uitgeschreven voor niet bewezen mestafzet, lozing en overbemestingen. Alle bedragen zijn uitgedrukt in Euro.
postproducenten, bedrijven in de voedingsindustrie. De producten hebben een gebruikscertificaat gekregen van OVAM en ontheffing van het Ministerie van Landbouw. Bij afnemers van andere meststoffen werd eveneens toezicht uitgeoefend op de aangifteplicht. Er zijn 30 stalen genomen van andere meststoffen. Beheersovereenkomsten
In het najaar van 2001 werd bij 82 bedrijven toezicht uitgeoefend op het naleven van de beheersvoorwaarden zoals opgenomen in de afgesloten beheersovereenkomsten.
Figuur 5.1: relatieve verdeling van de vastgestelde overtredingen 3% 3% 8% 23% 8%
10%
12%
11%
5.4.2. Specifieke opdrachten 2001 Andere Meststoffen
In het voorjaar van 2001 zijn 102 bedrijven bezocht die afvalstoffen produceren die mogen gebruikt worden als meststof of bodemverbeterend middel. Het betrof hier slachthuizen, com-
11% 11% heffingsontduiking niet respecteren uitregeling andere lozing emissie arme aanwending mest verzuimen aangifteplicht niet bewezen mestafzet niet naleven registerplicht overbemesting inbreuk vervoersreglementering
jaarverslag 2001
79
Mestbank Tabel 5.13 - Overzicht van de administratieve geldboetes in 2001 (EUR) oorsprong administratieve geldboete
aantal
aanvankelijk uitgeschreven geldboete
bezwaar procedure lopende
verminderd geldboete
reeds betaald
nog te innen
31 7 11 38
399.080 13.308 27.269 439.538
197.395 0 0
62.136 11.978 16.857 90.971
25.138 627 9668 35.433
36.998 11.351 7189 55.538
mestafzet overbemesting lozingen totaal
Emissiearme aanwending
In de uitrijperiode 2001 ging bijzondere aandacht naar het naleven van bepalingen ivm de emissie arme aanwending van meststoffen (injectie op grasland, tijdig onderwerken). Deze actie die zowel tijdens weekends als ’s avonds doorging verklaart voor een deel de stijging van 7% vastgestelde overtredingen op deze bepaling. To e z i c h t o p s t a a l n a m e n i t r a a t r e s i d u
Om een representatief bodemstaal te bekomen en correcte analyseresultaten te bekomen is essentieel dat het methodenboek nageleefd wordt. Bij 17 verschillende staalnemers werd de bodemstaalname op het perceel onaangekondigd gecontroleerd. Er is één staalnemer geschorst. Opleiding inspecteurs
Blijvende vorming is essentieel om effectief toezicht te kunnen uitoefenen. In 2001 is een opleiding verhoortechnieken en andere meststoffen georganiseerd, naast een specifieke opleiding over de beheersovereenkomsten.
80
5.4.4. Wetenschappelijk onderzoek met een voorlichtingskarakter naar de landbouwers toe.
In 2001 heeft de Mestbank een stap verder gezet in het sensibiliseren en responsabiliseren van landbouwers in algemeen gebied naar het belang van oordeelkundige bemesting. Uit de bodemstaalnamecampagne van 2000 bleek dat bij een belangrijk deel van de graanpercelen en maïspercelen een nitraatresidu is terug gevonden van meer dan 90 kg N NO3/ha. Bij maïspercelen had 33% van de bemonsterde percelen een nitraatresidu van meer dan 90 kg N NO3/ha. De Mestbank heeft terug opdracht gegeven om een 500 percelen te bemonsteren in het kader van een wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoek richtte zich in 2001 naar de doelgroep "gebruikers van maïspercelen in de vlaamse-zandstreek". Er werden 389 maïspercelen in 2001 bemonsterd.
5.5. Vergunningen en nutriëntenhalte
5.4.3. Beleidsondersteuning
5.1.1. Advisering
In kader van Beter Bestuurlijk beleid wordt gewerkt aan een decreet ivm handhaving en een besluit ivm erkenningen van laboratoria en staalnemers. De Mestbank heeft in 2001 op constructieve wijze meegewerkt aan de opbouw van het Handhavingsdecreet (4 vergaderingen) en aan de opstelling van een uniforme erkenningswetgeving (5 vergaderingen).
In 2001 waren er geen wijzigingen in het vergunningenbeleid ten opzichte van het jaar 2000 (na de inwerkingtreding van MAP-II bis). In het kort komt het erop neer dat er in 2001 voor het hele Vlaamse Gewest een algemene stop was op de uitbreiding van milieuvergunningen voor veeteeltbedrijven.
milieuvergunningen
Tabel 5.14 - Overzicht resultaten van de bemonstering van maĂŻspercelen in het kader van de nitraatresidubepaling prov
GEMEENTE
bemonsterde maĂŻspercelen
Gem residuwaarde
wvl wvl wvl wvl wvl wvl wvl
Zedelgem Koekelare Ichtegem Torhout Kortemark Lichtervelde
52 26 26 23 16 7 150
103,1 84,8 113,3 98,6 79,4 129,4
ovl ovl ovl ovl ovl
Sint-Niklaas Lokeren Zele Waasmunster
82 66 38 23 209
75,4 82,7 76,0 64,0
22 23 13 3 61
26,8% 34,8% 34,2% 13,0% 29,2%
antw antw antw bra bra antw/bra
Mechelen Kapelle-op-den-Bos Zemst Kapelle-op-den-Bos Zemst
14 3 1 7 5 30
58,0 86,4 29,0 48,9 76,6
2 1 1 1 5
14,3% 33,3% 0,0% 14,3% 20,0% 16,7%
389
84,3
139
35,7%
totaal
Bij de advisering wordt door de Mestbank de conformiteit met de mestwetgeving nagegaan. Hierbij wordt nagegaan of de veeteeltinrichting beschouwd kan worden als een bestaande veeteeltinrichting, wat de vergunde productie is en of de aanvraag geen stijging inhoudt van de vergunde productie. Er wordt eveneens nagegaan hoe de mestwetgeving (aangifteplicht en mestafzet verleden) gerespecteerd werd door de aanvrager. Adviesaanvragen in 1ste aanleg en in beroep
Tabel 5.15 geeft een overzicht van het totaal aantal adviesvragen tussen in 2001 opgesplitst in klasse 1 en 2 vergunningsaanvragen, mededelingen kleine veranderingen en meldingen van overnames, evenals de adviesvragen in beroepsdossiers. Ten opzichte van het jaar 2000 is er globaal opnieuw een toename van ongeveer 21% van het aantal verleende adviezen. (In 2000 was er een stijging met 20% ten opzichte van 1999).
percelen met nitraat >90 aantal % 26 50,0% 10 38,5% 14 53,8% 13 56,5% 5 31,3% 5 71,4% 73 48,7%
percelen met nitraat < 90 aantal % 26 50,0% 16 61,5% 12 46,2% 10 43,5% 11 68,8% 2 28,6% 77 51,3%
60 43 25 20 148
73,2% 65,2% 65,8% 87,0% 70,8%
12 85,7% 2 66,7% 1 100,0% 6 85,7% 4 80,0% 25 83,3% 250
64,3%
De stijging is volledig het gevolg van het grotere aantal dossiers in de provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen. De stijging is er vooral bij adviezen van klasse I aanvragen (een stijging met 27%) en bij meldingen van overname (een stijging met 58%). Anderzijds is er bij klasse I aanvragen (in eerste aanleg beslist door de Bestendige Deputatie) een opvallende daling van het aantal dossiers waarvoor in beroep advies moet gegeven worden (-70%). Het aantal adviezen in beroepsdossiers klasse II is evenwel gestegen met 20%. Naast deze adviezen in het kader van de normale Vlarem-procedure, werden er nog een twintigtal adviezen verleend in het kader van het heropenen van een milieuvergunningsdossier na vernietiging van de beslissing door de Raad van State.
jaarverslag 2001
81
Mestbank Tabel 5.15 - Overzicht van het aantal adviesaanvragen en van het aantal ontvangen vergunningsbeslissingen in 2001 Antwerpen
Vlaams Vlaams WestOost- Limburg Totaal Brabant (PAD) Brabant (CDB) Vlaanderen Vlaanderen
Klasse II aanvraag adviezen eerste aanleg 164 adviezen in beroep 48 Klasse I aanvraag adviezen eerste aanleg 65 adviezen in beroep 6 Mededeling kleine verandering verleende adviezen 43 Melding overname verleende adviezen 205 totaal verleende adviezen 531
40 31
30
21 2
323 27
275 44
71 8
903 158
182 16
75 10
29 3
372 37
10
15
147
76
30
321
33 137
35 80
328 1023
155 635
104 245
860 2651
Wat betreft de kolom Vlaams brabant (CDB) moet opgemerkt worden dat hier enkel de klasse II dossiers behandeld worden in eerste aanleg.
Beroepen VLM
Tabel 5.16. bevat een overzicht van het aantal beroepen dat door de VLM in 2001 werd aangetekend. In 2001 is er een lichte stijging (10%) van het aantal beslissingen waartegen door de VLM in beroep is gegaan ten opzichte van 2000. (127 tegenover 115 in 2000). In totaal wordt in minder dan 8% van de dossiers waartegen een beroepsmogelijkheid bestaat een beroep ingesteld door de VLM. Dit betekent dat 92% van de beslissingen conform zijn met het vergunningenbeleid. Dit wijst erop dat in 2001 het vergunningenbeleid vrij goed werd opgevolgd door de bevoegde overheden. Er dient hoofdzakelijk beroep ingesteld te worden tegen beslissingen van het College van Burgemeester en schepenen. De beslissingen in eerste aanleg (klasse 1) van de Bestendige Deputaties zijn bijna steeds conform de mestwetgeving. Opvolging gemeentelijke productiedruk
De Mestbank heeft eveneens tot taak om de evolutie van de vergunde productiedruk in Vlaanderen op te volgen. In 2001 werden de cijfers verwerkt van de evolutie van de vergunde productie in het kalenderjaar 2000. Hieruit blijkt dat de tendens die ingezet is in 1999 zich verder zet. Sporadisch wordt er nog een ver-
82
hoging van de vergunde productie per inrichting vastgesteld. Voor het hele Vlaamse Gewest werd er nog bijna 86.000 kg P2O5 bijkomend vergund. Dit is o.a. het gevolg van een aantal regularisaties (in beroep) van niet-vergunde of onvoldoende vergunde inrichtingen en de goedkeuring van enkele hangende Arab-aanvragen waarvoor een uitzonderingsregel bestaat. Deze verhoging wordt echter volledig gecompenseerd door de gekende vermindering van de vergunde productie op een aantal inrichtingen (spontane afbouw, e.d.). Deze bedroeg in 2000 194.500 kg P2O5. In dit gegeven is de eventuele vermindering ten gevolge het van rechtswege verval van de vergunning niet meegerekend omdat deze gegevens niet bekend zijn. Netto betekent dit dat in 2000 er een daling van de totale vergunde productie was van 108.500 kg P2O5. 5.5.2. NutriĂŤntenhalte
Door de decreetwijziging van 8 december 2000 en de aanpassing van het uitvoeringsbesluit op de nutriĂŤntenhalte (in werking op 30 maart 2001) is in het voorjaar 2001 de behandeling van de verzoekschriften verschillende maanden opgeschort geweest. Dit was noodzakelijk om enerzijds de Mestbank de kans te geven om de verzoekschriften opnieuw te kunnen beoordelen in het licht van de gewijzigde wetgeving en
Tabel 5.16 - Aantal beroepen dat door de VLM in 2001 werd aangetekend Antwerpen
Vlaams Vlaams WestOost- Limburg Totaal Brabant (PAD) Brabant (CDB) Vlaanderen Vlaanderen
Klasse-indeling Klasse I Klasse II Totaal
5 29 34
1 3 4
Soort aanvraag hernieuwing nieuwe inrichting (*) verandering Totaal
4 9 21 34
1 1 2 4
9 9
5 37 42
2 32 34
9 9
11 1 30 42
1 13 20 34
1 3 4
4 4
14 113 127
17 28 82 127
Alle vergunningsaanvragen van inrichtingen die geen geldige vergunning hadden op het ogenblik van de aanvraag, alsook nieuwe inrichtingen gekoppeld aan de verplaatsing van een bestaande stal.
om anderzijds de betrokkenen de kans te geven een nieuw verzoekschrift in te dienen of een aanvulling op hun reeds lopende verzoekschrift of bezwaar bij de minister in te dienen.
ëntenhalte (bij meerdere producenten op één inrichting), een 85-tal ambtshalve herzieningen en 415 beslissingen van de minister. Globaal resultaat van het aantal verzoekschriften
Ingediende dossiers in 2001
en de toegekende nutriëntenhalte eind 2001
In totaal maakten meer dan 930 betrokkenen van de mogelijkheid gebruik om extra elementen toe te voegen aan hun dossier in het kader van de decreetwijziging.
In totaal (inclusief verzoekschriften ingediend in 2000) hebben 7340 verschillende producentgebruikers een verzoekschrift ingediend (= 19% van het aantal producent-gebruikers die een initiële berekening gekregen hebben). Hiervan hebben een 750-tal een tweede dossier kunnen indienen bij de Mestbank (o.a. ten gevolge van de decreetswijziging en of omdat er in eerste instantie geen nutriëntenhalte toegekend was). 219 verzoekschriften werden te laat ingediend en werden bijgevolg onontvankelijk verklaard. Eind 2001 was 98% van de dossiers (8100 in totaal) die door de Mestbank beslist moesten worden, afgehandeld. Van de afgewerkte dossiers (2000 + 2001 samen) kwam 48% van de bij de Mestbank ingediende dossiers op basis van de geldende regels in aanmerking voor een andere nutriëntenhalte.
Tengevolge van de decreetwijziging werden 379 nieuwe verzoekschriften ingediend. Meer dan 600 bezwaren die ingediend waren bij de Minister, werden opnieuw behandeld door de Mestbank. Behandelde dossiers in 2001
Vanaf maart 2001 werd opnieuw gestart met de behandeling van de verzoekschriften. In 2001 werden in totaal 5310 dossiers afgehandeld en verstuurd door de Mestbank. Het betreft een 100-tal initiële bekendmakingen (op vraag van de producent-gebruiker), 3200 verzoekschriften, 570 bezwaren die tengevolge van de decreetwijziging opnieuw door de Mestbank behandeld konden worden, 790 herverdelingen van de nutriëntenhalte (bij meerdere producenten op één inrichting), 150 kennisgevingen van een gewijzigde nutri-
Op basis van deze positieve beslissingen is er 5,3 miljoen kg P2O5 en 12,5 miljoen kg N extra toegekend aan nutriëntenhalte.
jaarverslag 2001
83
Mestbank Bij de positieve beslissingen kunnen 2 soorten onderscheiden worden. Enerzijds de producent-gebruikers die in eerste instantie geen nutriëntenhalte gekregen hebben en die toch recht hebben op een nutriëntenhalte en anderzijds de groep die recht heeft op een hogere nutriëntenhalte.
ongeveer 33% van het aantal die een verzoekschrift hadden ingediend. Dit aantal bezwaren is voorlopig omdat de termijn van indienen van bezwaar eind 2001 nog niet voor alle betrokkenen verstreken was.
5.6. Beleidsmatige aspecten De voornaamste basis van toekenning nutriëntenhalte in de groep die in eerste instantie geen nutriëntenhalte gekregen had, is (afgeronde cijfers): • voldoet toch aan de voorwaarde van bestaande inrichting (op basis van uitzonderingsbepalingen en versoepeling decreetwijziging): 1200 tal • landbouwinrichting (decreetwijziging): 400-tal • beschikt over milieuvergunning of is niet milieuvergunningsplichtig: 210-tal • tijdige en regelmatige aangifte sinds 1995: 200-tal De voornaamste basis voor toekenning van een extra nutriëntenhalte (afgeronde cijfers): • eerste installatie als landbouwer in hoofdberoep: 540-tal • foutieve verwerking gegevens/foutieve aangifte: 500-tal • uitbreiding milieuvergunning na 1/1/1996: 440-tal • overmacht en toeval: 200-tal • ander uitscheidingscijfer voor kippen/kalkoenen, struisvogels, melkkoeien,.. (200-tal) Zonder rekening te houden met de beslissingen van de minister bedraagt de nutriëntenhalte in totaal 89,85 miljoen kg P2O5 en 219 miljoen kg N. In deze nutriëntenhalte is wel reeds rekening gehouden met de gevolgen van de gewijzigde (verhoogde) uitscheidingsnormen voor zeugen excl. biggen en voor opfokpoeljen. Eind 2001 waren er ongeveer 2450 bezwaren ingediend waarover de minister een beslissing moest treffen (of reeds getroffen had). Dit is
84
Mestbeleid in 2001
Er werden in 2001 3 wijzigingsbesluiten (vergoedingen, nutriëntenhalte, vergunningen) goedgekeurd alsook het besluit betreffende de registers. Flankerend mestbeleid in 2001
In het kader van het besluit tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van varkens werden 881 dossiers door de VLM geadviseerd naar nutriëntenhalte, aangegeven dieren en milieuvergunning. Van deze dossiers werden 512 varkensbedrijven effectief stopgezet. Dit komt overeen met een effectieve nutriëntenreductie van 2,5 miljoen kg N en 1 miljoen kg P2O5 en met een potentiële nutriëntenreductie (op basis van nutriëntenhaltes) van 3,2 miljoen kg N en 1,4 miljoen kg P2O5. Bij de afbakening van de kwetsbare gebieden conform de Europese nitraatrichtlijn werden een aantal implicaties voor de landbouw bepaald (aantal bedrijven, oppervlakte cultuurgrond, mestafzetmogelijkheden in de kwetsbare gebieden, ruimtelijke spreiding door middel van kaartmateriaal van de kwetsbare gebieden). 5.6.1. Mestverwerking
De doelstelling van het Vlaamse mestbeleid is om 50% van de mestoverschotten volledig te verwerken. Om deze doelstelling te bereiken worden de bedrijven gelegen in een gemeente met een oorspronkelijke productiedruk van meer dan 100 kg
fosfaat (de donkergrijze of zwarte gemeenten) die in 1997 een productie hadden van 7.500 kg fosfaat of meer verplicht om een deel van hun mest te verwerken. Deze verwerkingsplicht geldt ook voor bedrijven gelegen in een gemeente met een oorspronkelijke productiedruk van meer dan 100 kg fosfaat waarvan de gewogen bedrijfsmatige mestproductie conform de aangifte van het voorafgaande aanslagjaar 10.000 kg P2O5 of meer bedroeg. De verwerkingsplicht voor deze bedrijven wordt gradueel opgebouwd en wordt bepaald in functie van de mestproductie van het bedrijf. (zie tabel 5.17.).
Deze graduele opbouw van te verwerken mest in Vlaanderen vanaf het jaar 2000 tot het jaar 2003 wordt per provincie weergegeven in tabel 5.18. Voor 2003 worden de cijfers uitgedrukt in geschatte tonnages varkens- en pluimveemest die moeten worden verwerkt. De grote stijging voor de verwerking in 2003 wordt veroorzaakt doordat vanaf dat jaar het totale overschot van alle bedrijven met een productie groter dan 10.000 kg P2O5 moet worden verwerkt of geëxporteerd. In 2001 werd in totaal 2.907.756 kg P2O5 verwerkt. Het is de hoeveelheid fosfaat afkomstig
Tabel 5.17 - Percentage van het bedrijfsmatige mestoverschot dat verwerkt moet worden Mestproductie
Percentage van het bedrijfsmatige mestoverschot dat verwerkt moet worden
(kg P2O5)
2000
2001
2002
2003 en volgende jaren
7500-10 000
-
-
15
30
10 000-12 500
15
15
30
45*
12 500-15 000
15
30
45
60*
meer dan 15 000
30
45
60
75*
* en rest verwerken of exporteren • Tot 31 december 2002 telt de gewogen bedrijfsmatige P2O5-productie, vanaf 1 januari 2003 telt de bedrijfsmatige P2O5-productie als basis voor de hoeveelheid te verwerken dierlijke mest • De bedrijfsmatige mestoverschotten worden bepaald met de gronden zoals aangegeven in de Mestbankaangifte ’99 (situatie ‘98)
Tabel 5.18 - Schatting van de graduele opbouw te verwerken mest tot 2003 per provincie Jaar - cijfers in kg P2O5 Provincie
Geschatte tonnages voor 2003
2000
2001
2002
2003
Varkens
Pluimvee
West-Vl
974.519
1.437.239
3.545.953
8.401.543
1.300.000
140.000
Oost-Vl
234.532
326.982
1.115.081
3.167.764
400.000
50.000
Antwerpen
502.438
723.996
1.913.478
4.823.337
500.000
120.000
Limburg
75.9871
12.752
446.614
2.519.914
120.000
45.000
0
0
0
495.216
70.000
10.000
2.600.969
7.021.126
19.407.774
2.390.000
365.000
Vl-Brabant Totaal
1.787.476
De overschotten die genomen werden om de verwerking te berekenen is van alle jaren het overschot dat ontstaat in 2003 volgens de dierbezetting op de aangifte 1999, productiejaar 1998 met de uitscheidingsnormen in map 2 en dec bemestingsnormen geldig in 2003.
jaarverslag 2001
85
Mestbank van de be-/verwerkers gekend bij de Mestbank die buiten Vlaanderen werd afgezet. Dit is meer dan de 2.600.969 kg P2O5 die in 2001 in Vlaanderen moest verwerkt worden. De bedrijven die hebben verwerkt hebben dus meer verwerkt dan dat hen was opgelegd, wat niet betekent dat alle verwerkingsplichtige bedrijven hebben voldaan aan de verwerkingsplicht. Uit de milieuvergunningsaanvragen blijkt dat voornamelijk mestverwerkingsinitiatieven op bedrijfsniveau van de landbouwer opgang maken waarbij in hoofdzaak bedrijfseigen mest zal worden verwerkt. Grote centrale mestverwerkingseenheden blijken moeilijker van de grond te komen. Een probleem dat zich ongetwijfeld zal voordoen bij de kleinschalige projecten op bedrijfsniveau is dat het eindproduct (vaste fractie) verder zal moeten worden verwerkt of geëxporteerd. Uit de dossiers blijkt namelijk dat er nog geen garantie bestaat voor de verdere verwerking/afzet van de eindproducten. Eind 2001 was er in Vlaanderen een vergunde verwerkingscapaciteit van 917.093 ton varkensmest, 8000 ton dikke fractie van varkensmest, 575.045 ton pluimveemest en 105.300 ton kalvergier. Bovenvermelde cijfers geven een zeer optimistisch beeld weer van de beschikbare verwerkingscapaciteit. Niet alle vergunde installaties zijn immers operationeel. Dit geldt zeker voor initiatieven die zich richten naar de verwerking van varkensmest. Eind 2001 waren praktisch geen installaties operationeel omwille van diverse redenen: technische problemen, nog geen bouwvergunning of in opbouw. Ook de vergunde capaciteit moet men nuanceren. Niet alle instanties zullen constant de maximaal vergunde capaciteit benutten. Tot slot bezitten een aantal initiatieven de mogelijkheid om een deel van de vergunde capaciteit in te vullen met afvalstoffen en niet met dierlijke mest. Vanaf 1 januari 2003 geldt de volledige verwerking
86
of export van het bedrijfsmatige mestoverschot voor de bedrijven met een mestproductie van 10.000 kg fosfaat of meer. Hiervoor zou de vergunde capaciteit voor de verwerking van varkensmengmest meer dan verdubbeld moeten worden t.o.v. de vergunde capaciteit eind 2001. Voor pluimveemest is er in principe reeds voldoende vergunde capaciteit om de verplicht te verwerken hoeveelheid pluimveemest in 2003 te kunnen verwerken, op voorwaarde dat deze projecten effectief operationeel zullen zijn en hun volle capaciteit zullen benutten. 5.6.2. Toegepast wetenschappelijk onderzoek in 2001 nutriëntenbalansen
In het kader van MAP 2bis is het aangewezen in de toekomst op grotere schaal na te gaan wat gerealiseerd kan worden door middel van mineralenmanagement in de praktijk. Daartoe dient de mineralenbalans in eerste instantie als adviesinstrument te worden ingezet op een grotere groep landbouwbedrijven onderverdeeld in mineralenstudieclubs, dit om landbouwers bewust te maken van de mineralenstromen op hun bedrijf en hen te leren hoe ze deze zo efficiënt mogelijk kunnen beheren. De uiteindelijke doelstelling is de mineralenoverschotten op landbouwbedrijven te reduceren, wat zowel het milieu als de landbouwer ten goede komt. Ter voorbereiding van deze uitbreiding op grotere schaal dienen echter nog een aantal knelpunten die in de onderzoeksopdracht ‘Emissiepreventie in de landbouw door middel van nutriëntenbalansen’ naar boven kwamen, te worden opgelost en dient het systeem verder uitgediept te worden. Daartoe werd de onderzoeksopdracht in 2001 verlengd met een periode van één jaar (juni 2001 – mei 2002) met als doel: a) het uitwerken van de mineralenbalans als adviessysteem om landbouwers te begeleiden in het optimaliseren van
hun nutriëntenbeheer b) het verder opvolgen van de 40 deelnemende landbouwbedrijven en hen aanzetten tot het nemen van maatregelen om de mineralenoverschotten te verkleinen c) het opstellen van een handboek als begeleiding bij de werking van studieclubs rond mineralenbeheer en bij het sensibiliseren van de doelgroep en d) het communiceren van de mogelijkheden van mineralenbeheer bij een breder publiek. Bovendien werd naar aanleiding van het vaak grote overschot op nutriëntenbalansen bij pluimveebedrijven een kortlopend (8 maanden) project opgestart ter opmaak van een nutriëntenbalans voor een slachtkuikenstal van de Provinciale Dienst voor Land- en Tuinbouw in Geel. In dit onderzoek worden alle onderdelen van de balans opgemeten (voeder, mest, mestopslag, NH3-emissies, …). Dit onderzoek beoogt een eerste indicatie te geven van de mogelijke factoren die de oorzaak zijn van het overschot op de nutriëntenbalansen (mestuitscheidingscijfers, mestsamenstellingscijfers, NH3-vervluchtiging). We t e n s c h a p p e l i j k e o n d e r b o u w i n g v a n h e t derogatieverzoek
In het kader van de afbakening kwetsbare zones conform de Europese nitraatrichtlijn (91/676/ EEG) wenst de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw voor Vlaanderen voor bepaalde zones een derogatieverzoek in te dienen conform Annex III, sub 2b van de nitraatrichtlijn. Dit derogatieverzoek behelst voornamelijk dat een andere dan de in de richtlijn bepaalde bemestingshoeveelheid van 170 kg N/ha uitdierlijke mest kan worden toegepast op voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de richtlijn. De wetenschappelijke onderbouwing van het derogatieverzoek wordt opgemaakt door het Projectconsortium (Bodemkundige Dienst van België – Katholieke Universiteit Leuven – Universiteit Gent) dat belast is met de lopende
onderzoeksopdracht: ‘Bepaling van de hoeveelheid minerale stikstof in de bodem als beleidsinstrument’. De wetenschappelijke onderbouwing van het derogatieverzoek dient tegen 15/3/2002 beschikbaar te zijn. 5.6.3. Ammoniakreductieplan 2001
In 2001 werden de actieprogramma’s die deel uitmaken van het ammoniakreductieplan verder uitgevoerd. Dit betekent voor het actieprogramma emissiearme aanwending dat een ontwerp typereglement werd opgesteld met voorwaarden en criteria (zowel technisch als naar milieuemissies toe) voor emissiearme mestspreidingsapparatuur. Hierbij werden constructeurs, vakorganisaties en onderzoeksinstellingen betrokken. De verdere implementatie van dit typereglement zal afgestemd worden op de definitieve Europese norm die betrekking heeft op mestspreidingsapparatuur en die in 2002 zal worden gepubliceerd. Daarnaast werd op initiatief van de Mestbank een onderzoeksproject opgestart voor de ontwikkeling van meetapparatuur om spreidingsmachines op hun goede werking (type-reglement) en emissies te testen. Hiervoor zal gebruik gemaakt worden van de micrometeorologische massabalansmethode. Deze methode zal voor verschillende mestspreidingstechnieken gebruikt worden om de emissies op grasland onder verschillende omstandigheden te meten. De resultaten zullen verder gebruikt worden om een certificeringsprocedure uit te werken voor mestspreidingsmachines en de wetgeving verder te verfijnen. Wat betreft het actieprogramma voor stallen werd een commissie van deskundigen opgericht die (bestaande of nieuwe) emissiearme staltechnieken keurt en evalueert. Een lijst van duurzame emissiearme staltechnieken waarbij rekening wordt gehouden met het reductiepotentieel (ammoniak) en waarbij ook andere aspecten zoals welzijn, veiligheid, energie en geur zijn betrokken werd opgesteld. Verder heeft het
jaarverslag 2001
87
Mestbank overleg met de stallenbouwers, vakorganisaties en onderzoeksinstellingen aangetoond dat bijkomende stimulansen nodig zijn om nieuwe staltechnieken te introduceren. Hiervoor werd op kabinetsniveau een VLAREM-wijziging voorbereid. Op het deelterrein veevoeding werd het project "emissiepreventie in de landbouw door middel van nutriëntenbalansen"(zie wetenschappelijk onderzoek) verder opgevolgd. Gezien de beperkte mogelijkheden binnen de rundveesector om de ammoniakemissies via emissiearme staltechnieken te verminderen, zal eerder gewerkt moeten worden aan voedermaatregelen teneinde de verliezen naar het milieu te verminderen. Hiervoor is de nutriëntenbalans een geschikt instrument. Nieuwe initiatieven m.b.t. mestverwerking worden op hun reductiepotentieel van ammoniakemissies en broeikasgassen geëvalueerd. Naast ammoniakreductie kan mestverwerking ook bijdragen tot het realiseren van de doelstellingen van het Vlaams klimaatsplan voor de reductie van broeikasgassen vanuit de landbouw (methaan en lachgas). In het kader van het gebiedsgericht beleid werden een aantal scenarioberekeningen uitgevoerd om de socio-economische impact van een afstandsregel in te schatten. In deze scenarioberekeningen werd nagegaan welke gebieden naar de toekomst toe prioritair moeten beschermd worden. Hierover werd op kabinetsniveau uitgebreid overleg gepleegd met de betrokken vakorganisaties. 5.6.4. Communicatie
periode van staalname, de lijst met de erkende labo’s), de emissiearme aanwending van meststoffen, de uitrijperiode van meststoffen, wijzigingen aan de nutriëntenhalte, aanvraag voor verhoogde bemesting in het kader van twee teelten. Projectcommunicatie
De Mestbank was nauw betrokken bij het project van de Vlaamse regering over de administratieve vereenvoudiging in de landbouw. In werkgroepen werd samen met landbouwers bekeken welke jaarlijkse aangifteformulieren vereenvoudigd konden worden en hoe de communicatie tussen overheid en landbouwer kan verbeterd worden. Het project leidde tot een eerste realisatie: het gemeenschappelijk versturen van de jaarlijkse Mestbankaangifte en de wateraangifte van de Vlaamse Milieumaatschappij voor het aanslagjaar 2002. In het kader van het project ‘emissiepreventie in de landbouw door middel van nutriëntenbalansen’ werd in 2001 een sensibiliseringscampagne opgestart met o.a. publicaties over de nutriëntenbalans in de vakbladen landbouw. In uitvoering van het ammoniakreductieplan werd ook gewerkt rond de emissiearme aanwending van meststoffen. Zo werden twee documentaire films gerealiseerd: een film over het opstellen van een meetmethode voor de verdeling van mest bij mestinjectoren en een film over de verschillende toegelaten technieken voor de emissiearme aanwending van mest. Deze films werden bij diverse gelegenheden vertoond aan de juiste doelgroepen.
Persberichten
In de loop van het jaar werden 12 persberichten van de Mestbank verspreid naar de vakbladen landbouw en in sommige gevallen ook naar de dagbladpers en de audiovisuele media. Er werd ondermeer informatie verspreid over beheersovereenkomsten in het kader van het mestdecreet, nitraatresidubepaling in de bodem (ook
88
Voor de doelgroep onderwijs, meer specifiek derde graad lager onderwijs en aanpassingsklas eerste jaar secundair, werd een educatief spel ontwikkeld. Het spel kreeg de naam "Meester van de mest. Mest beheren, de natuur respecteren" mee. Het spel werd boven de doopvont gehouden tijdens een persconferentie in de Helix op 23 oktober 2001.
Publicaties en mailings
In januari 2001 werd elke landbouwer aangeschreven met extra informatie over de nutriëntenhalte. Begin 2001 werd een "mestgids – Wegwijs in het Vlaamse mestbeleid" naar elke Vlaamse landbouwer gestuurd. Deze praktijkgids biedt een overzicht aan de landbouwer van de belangrijkste wijzigingen aan de mestwetgeving. De mestgids bevat ook praktische informatie zoals de uitrijregeling voor meststoffen, de tabellen met bemestingsnormen, de forfaitaire uitscheidingscijfers per diercategorie, de richtwaarden voor de samenstelling van dierlijke mest, enz. In de loop van 2001 werden twee edities van de MestbankInfo, de voorlichtingskrant van de Mestbank, uitgegeven. Editie nummer 10 werd opgestuurd samen met de jaarlijkse aangifte. Nummer 11 werd meegestuurd met de berekeningsnota van de Heffingen. In het kader van de beheersovereenkomsten Water werd een model van bemestingsplan en een bemestingsregister samen met een toelichting opgestuurd naar de betrokken landbouwers. Beurzen en demodagen
De Mestbank was samen met andere afdelingen van de VLM en meestal in samenwerking met andere openbare instellingen en administraties standhouder op volgende beurzen: Agriflora in Gent, Internationale Werktuigendagen te Oudenaarde, Agro Expo Vlaanderen te Roeselare, AgroMarkt Gistel, Land- en Tuinbouwsalon Roeselare.De Mestbank nam ook deel aan demonstraties met mestscheiders. 5.6.5. Beleidsondersteuning milieuhygiënereglementering en samenwerking met andere overheden.
In 2001 werd vanuit de cel Vergunningen actief deelgenomen aan diverse fora van structureel en ad hoc overleg en beleidsvoorbereiding.
Het betreft volgende fora en overleg: • ‘Technisch Overleg Milieuregelgeving (TOM). Dit is een permanent overlegorgaan van de diverse betrokken overheidsdiensten. Het heeft tot doel het oplossen van lacunes, overlappingen en tegenstrijdigheden in de uitvoering, handhaving en beleid inzake milieuregelgeving. In 2001 werden door de VLM twee voorstellen uitgewerkt. Een ervan is omgezet naar een TOM-advies dat ter goedkeuring werd voorgelegd aan de minister (verduidelijking van de Vlarem-rubriek gemengde inrichting), het andere voorstel heeft als basis gediend voor de uitwerking van een aanpassing van VLAREM II in een gemengde werkgroep van TOM-leden en de Task Force Mestverwerking (mestverwerking, aanpassing afstandsregels, emissiearme stallen). Verder werd actief deelgenomen aan de TOMwerkgroepen ‘Inrichting en MTE’ (I7), ‘afstandsregels in Vlarem II’ (V12) en ‘vervroegde verlenging hernieuwing van de milieuvergunning’ (I4) en ‘slapende vergunning (V18)". • Strategisch project nr 4: wetgevingsproject bronnencontrole, luik Integrale voorwaarden annex meldingsplicht • Milieu Overleg Lokale overheden (MILO) • Bilateraal overleg tussen Mestbank en de 5 provinciebesturen in verband met de toepassing van het vergunningenbeleid van de mestwetgeving De Mestbank neemt ook deel aan projecten in samenwerking met andere administraties en stuurt een vertegenwoordiger naar de werkgroepen of de stuurgroepen. Projecten waaraan de Mestbank meewerkt zijn o.a. het Centraal Bedrijven Bestand (CBB), strategische projecten MRI en handhaving, uitwerking van de Verbrandingsrichtlijn, werkvergaderingen van het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking en de Task Force Mestverwerking.
jaarverslag 2001
89
Van moment tot moment.
Van moment tot moment.
Van mens tot mens.
Van mens tot mens.
Hoofdstuk 6: Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen 6.1. INLEIDING Bijna sluipend, maar voor een beetje observator onmiskenbaar, dringt geografische informatie door in de informatiemaatschappij waarin we terecht gekomen zijn. Niet in het minst heeft de commerciële wereld het nut van digitale geografische informatie ontdekt. Voorbeelden liggen voor het grijpen, gaande van optimalisering van reistrajecten voor koerierdiensten, over lokalisatie tot op straatniveau van activiteiten en diensten, tot geomarketing mogelijkheden op basis van GSM lokalisatieanalyse. De Vlaamse overheid loopt met het samenwerkingsverband GIS-Vlaanderen mee in de kopgroep van adequaat gebruik van, en nieuwe ontwikkelingen met geografische informatie voor zeer diverse beleidsdomeinen. Met de officiële verruiming van het samenwerkingsverband met provincies en gemeenten heeft ook de hersamengestelde stuurgroep GIS-Vlaanderen een nieuw elan meegekregen, en kon het OC GISVlaanderen in 2001 van start gaan met de stapsgewijze realisatie van het strategisch GISVlaanderenplan 2001-05: • De productie en verspreiding van digitale geografische datasets is qua organisatie een goed gestructureerd productieproces geworden dat met de regelmaat van de klok nieuwe datasets toevoegt in het uitstalraam van wat men in de wandelgangen inmiddels "het OC winkeltje" is gaan noemen. Na de opstart van KADSCAN in 2000, gebaseerd op een heterogene kadastrale toestand 1999 en 2000, bestond de uitdaging er dit jaar in een eerste actualisatie te realiseren en in één beweging een inhaalmanoeuvre tot een homogeen tijdsvenster kadastrale toestand januari 2001 voor gans Vlaanderen te bereiken. Dank zij een vlotte samenwerking met de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen (AKRED) zal in het voorjaar 2002 het resultaat
92
van deze inspanning aan de partners van GISVlaanderen kunnen ter beschikking gesteld worden. Het Grootschalig Referentie Bestand (GRB), de structurele oplossing voor grootschalige topografische informatie, kon in 2001 de eerste gemeente, nl. Laakdal gebiedsdekkend afwerken, terwijl ook de andere pilootprojecten volop in uitvoering zijn. Met de oplevering van de dataset in Laakdal in het vooruitzicht is ook een aanvang gemaakt met de uitbouw van een methodologie voor de stelselmatige bijhouding van de GRB datasets. Tenslotte werden ook op vlak van midden- en kleinschalige datasets een reeks titels aan het productengamma toegevoegd. • Soms overroepen en toch zelden overschat is het belang van de menselijke factor in het GISgebeuren. Niet enkel is permanente waakzaamheid geboden in het coördinatieproces tussen de partners van het samenwerkingsverband, maar nog belangrijker is de begeleiding van de introductie van de GIS-technologie in traditionele bestuurlijke processen. Het vergt een combinatie van rijpe GIS-expertise, geduldige luisterbereidheid en de juiste dosis analyserende en synthetiserende vaardigheden om een op maat van de klant geschreven GIS-implementatiepiste succesvol te doorlopen. Het OC GIS-Vlaanderen sleutelt voorzichtig aan dit proces, maar het is duidelijk een thema dat de komende jaren een hoger gewicht moet toebedeeld krijgen in het prioriteitenlijstje van actiepunten. Ondertussen wordt intensief verder gewerkt aan de uitbouw van technische aanbevelingen, een noodzakelijk harmoniserend kader om de gegevensuitwisseling tussen de partners in goede banen te leiden. Europese en internationale normen en standaarden zijn hierbij richtinggevend. • Elektronisch besturen, een troetelkind van de Vlaamse regering, leidde in 2001 tot enkele grootschalig opgezette initiatieven. De portaalsite
Vlaanderen is wellicht de meest zichtbare exponent van deze trend. Het mag in alle bescheidenheid als een vorm van erkenning geïnterpreteerd worden vast te stellen dat de geo-loketten van GIS-Vlaanderen een prominente plaats toebedeeld kregen in dit overkoepelend initiatief. De geoloket ontwikkelingsploeg wist in 2001 een aantal nieuwe thema's toe te voegen, en slaagde er eveneens in de nieuwe generatie geoloketten met sterk uitgebreide functionaliteit zonder haperingen online te brengen. Om de dataverstrekking aan de partners nog flexibeler te organiseren werd een nieuw internetinstrument ontwikkeld voor de online afhandeling van de distributieaanvragen en dataverstrekkingen met FTP, nl. de Geographical Information Retrieval Application for Flanders, kortweg GIRAF.
afgetast worden waarvan het resultaat doorgaans ook zijn nut bewijst voor een ruimere gebruikersgroep. Op deze wijze kunnen projecten ook versneld tot stand komen, of kan in geval van dataproductie door bundeling van middelen, sneller de gebiedsdekking Vlaanderen gerealiseerd worden. Niet zelden wordt vastgesteld dat deze samenwerkingsopportuniteitenmeteen aanleiding vormen om technische specificaties te harmoniseren, uiteraard een gunstig effect heeft op de gegevensuitwisseling in het algemeen, en de inpassing in het kader van referentie- en themabestanden in het bijzonder. Sterker nog: dergelijke geharmoniseerde bestanden kunnen uiteindelijk opgewaardeerd worden tot referentiebestanden voor het samenwerkingsverband. 6.2.2. Standaardisering en normering
6.2. COÖRDINATIE 6.2.1. Beleidsvoorbereiding
Op basis van het decreet houdende het Geografisch Informatiesysteem Vlaanderen (17 juli 2000) kon in 2001 werk gemaakt worden van een vernieuwde samenstelling van de organen van het samenwerkingsverband. De vernieuwde stuurgroep is inmiddels officieel geïnstalleerd en operationeel. Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt om het belang van de responsabilisering van de partners sterk te beklemtonen. Een eerste stap bestaat erin de partners van het samenwerkingsverband nauw te betrekken bij de opstelling van de jaarlijkse uitvoeringsplannen. Door opname van GIS-projecten van partners in de uitvoeringsplannen ontstaat een vroege signaalfunctie naar de andere partners van het samenwerkingsverband, en kunnen in een vroeg stadium concrete opportuniteiten tot samenwerking
Het OC GIS-Vlaanderen volgt sinds zijn oprichting in 1995 intensief het normerend kader dat inzake geografische informatie uitgebouwd wordt op Europees niveau (CEN) en op internationaal niveau (ISO). Bij de opmaak van standaarden voor de Vlaamse GIS-gebruikers worden de richtlijnen van deze internationale normen zo veel als mogelijk gerespecteerd. Deze basisattitude garandeert immers een minimum aan compatibiliteitsproblemen op het ogenblik dat voor internationale beleidsfora specifieke informatievragen of –uitwisselingen dienen gerealiseerd te worden. Het ligt in de logica van de Europese en mondiale ontwikkelingen dat dit type informatietransacties in de diverse ruimtelijke beleidsdomeinen versneld zal toenemen. GIS-Vlaanderen werkt tevens aan eigen standaarden teneinde specifieke projectontwikkelingen in de Vlaamse context optimaal te stroomlijnen. Naast eerdere aanbevelingen inzake de uitwisseling van kadastrale informatie en van contouren en
jaarverslag 2001
93
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen digitale plannen van het Plannenregister, werd in 2001 de aanbeveling gepubliceerd voor de uitwisseling van adresgegevens. Een adres is wellicht het meest gebruikte lokalisatiesysteem dat er bestaat. Tal van toepassingen steunen op adressen en ze worden steeds vaker in databanken opgeslagen. Via het adres kunnen gegevens ruimtelijk worden gelokaliseerd, maar ook gekoppeld worden aan andere gegevens. Probleem in beide gevallen vormt de ondubbelzinnige identificatie van het adres. Bestaande coderingssystemen vertonen tekortkomingen of zijn niet universeel, definities verschillen al naar gelang de toepassing enz.. De door het OC GIS-Vlaanderen uitgewerkte aanbeveling moet elke dubbelzinnigheid uitsluiten. Dat gebeurt o.a. door een codering die nauwer aansluit bij de gemeentelijke bevoegdheid m.b.t. adressen. Ook de definitie van adressen in het GRB steunt op het model dat in de aanbeveling wordt gehanteerd.
6.3. GEODATA 6.3.1. Middenschalig 6.3.1.1. R asterversie nieuwe topografische kaart 1/10.000
Dit middenschalig product bevat de verrasterde topografische kaarten in pseudo-kleur van het NGI, aangemaakt tussen 1991 en 2001 en bruikbaar op schaal 1/10.000. Momenteel is de dataset nog niet gebiedsdekkend voor Vlaanderen en Brussel. Deze is pas voorzien in 2005. De reeds beschikbare kaartbladen werden in een tweede fase ook omgezet naar een zwart-wit versie die eind 2001 kon ter beschikking gesteld worden van de partners. De topografische kaart in rastervorm kan gebruikt worden bij het voorstellen van eigen gegevens
94
ter oriëntatie. Ze kan ook dienen als referentiekader voor het digitaliseren van middenschalige ruimtelijke gegevens of voor het inventariseren van het bodemgebruik. Op basis van kleurinformatie kunnen 230 gekarteerde gegevens onderscheiden worden. De verschillende objecten worden in een afzonderlijk beeld per hoofdklasse (bodembedekking, wegen, hydrografie, gebouwen, spoorwegen, …) geordend weergegeven. 6 . 3 . 1 . 2 . La n d s c h a p s a t l a s
Dankzij een samenwerking met het Departement Leefmilieu en Infrastructuur van het Ministerie van de Vlaamse gemeenschap, meer bepaald: AROHM, afdeling Monumenten & Landschappen kon in 2001 de landschapsatlas op cd-rom ter beschikking gesteld worden van de partners van GIS-Vlaanderen. Deze cd-rom bevat het eerste deel van de landschapsinventarisatie, nl. de landschapsatlas. De landschapsatlas geeft aan waar de historisch gegroeide landschapsstructuur tot op vandaag herkenbaar gebleven is en duidt deze aan als relicten van de traditionele landschappen. Dit product is een krachtig werkinstrument dat zowel nuttig is voor de professionele gebruiker als voor elkeen die inzicht wenst in de landschapsstructuur van het Vlaamse gewest. Daarom werden verschillende aangepaste toegangen tot de informatie aangeboden: een viewer ‘Landschapsatlas Vlaams Gewest’, een MS access-databank ‘landschapsatlas’, enz... 6.3.1.3. Bodemkaart
Het met fondsen van het IWT (toenmalig IWONL) gefinancierd project Bodemkaart van België leidde tussen 1947 en 1973 tot een quasi volledige bedekking van het Belgische grondgebied met analoge bodemkaarten op schaal 1/20.000. In Vlaanderen werden voor de karte-
ring twee klassificatiesystemen gehanteerd: morfogenetisch voor binnen-Vlaanderen (substraat, textuur, drainage, profielontwikkeling, fase en variante) en geomorfologisch voor de Polders (substraat, serie, subserie, type, subtype en variante). Thans staat de ‘bodemkaart’ digitaal ter beschikking van partners van GIS-Vlaanderen, en wel volledig gebiedsdekkend. In een op de cd-rom bijgevoegd document worden beide klassificatiesystemen grondig uitgelegd en wordt er per landbouwstreek een korte beschrijving gegeven van de verschillende codes volgens het gebruikte klassificatiesysteem. Het document vat de begeleidende boekjes bij de analoge bodemkaarten samen.
Rijkdommen en Energie (EWBL, MVG) werd de digitale versie van de tertiaire geologische kaart van Vlaanderen, schaal 1/50.000, op cdrom gebrand. De analoge tertiaire geologische kaart van Vlaanderen werd gecompileerd tussen 1989 en 2000 en is een afgedekte kaart (Tertiair) en een lithostratigrafische kaart (begrenzing van een herkenbaar gesteentelichaam). • Een klassieker onder de middenschalige bestanden is het StreetNetbestand van Tele-Atlas, waarvoor ook in 2001 zowel een vectoriële als rastervormige actualisatie werd ter beschikking gesteld van de partners. 6.3.2. Grootschalig 6.3.2.1. Grootschalige basiskaart Vlaanderen (GBKV)
6.3.1.4. Andere middenschalige bestanden
• Een samenwerking met de afdeling Bos en Groen (AMINAL, LIN, MVG) leidde tot het ter beschikking stellen van de bosreferentielaag voor Vlaanderen. De bosreferentielaag bevat de perimeters van de Vlaamse bossen die voldoen aan de definitie ‘bos’ volgens het bosdecreet (artikel 3) en alsook enkele bijkomende minimumvoorwaarden. Deze referentielaag geeft de toestand 2000 weer. • In samenwerking met de afdeling Natuur (AMINAL, LIN, MVG) werden de habitat- en vogelrichtlijngebieden op cd-rom geplaatst. Dit product bevat de speciale beschermingszones van Vlaanderen, nl. de afbakeningen van zones van natuurlijke habitats en vogelsoorten in uitvoering van de Europese richtlijnen 92/43/EEG (habitatrichtlijn) en 79/409/EEG (vogelrichtlijn). De belangrijkste maatregel in deze richtlijnen is de afbakening van de speciale beschermingszones (habitat- en vogelrichtlijngebieden) op basis van diverse criteria en randvoorwaarden (goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 04/05/2001 en 17/07/2000). • In samenwerking met de afdeling Natuurlijke
Deze kaartgerichte inventaris werd eertijds onder impuls van de nutsbedrijven door de coöperatieve vennootschap CARDIB gerealiseerd. De kartering beperkt zich hoofdzakelijk tot het ‘schijnbaar’ openbaar domein waardoor de gegevens uitermate geschikt zijn voor gebruik in toepassingen zoals leidingregistratie. Deze kaart werd slechts voor een beperkt aantal gemeenten in Vlaanderen opgemaakt. Het OC GISVlaanderen stelt de gegevens met relevantie tot het Grootschalig Referentie Bestand (GRB) ter beschikking in een formaat dat compatibel is met het GRB. Bedoeling is om de actualisering in de toekomst conform het GRB op te starten. 6.3.2.2. KADSCAN-2
Het in 2000 gelanceerde KADSCAN product, een gescande en gegeorefereerde versie van de kadastrale perceelplans inclusief een vectorieel ankerpunt per perceel met daaraan gekoppelde perceelsidentificatie, kent een enorm succes bij de gebruikers. Mede door het groot aantal wijzigingen op jaarbasis (+/-150.000), was het derhalve een evidentie dat actualisatie van de oorspronkelijk nog heterogene kadastrale infor-
jaarverslag 2001
95
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen matie (toestand 1/1/1998 en 1/1/1999) zou bijgewerkt worden tot een homogeen bestand met kadastrale toestand 1/1/2001. Daartoe werden de door de Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen (AKRED) bijgewerkte plans opnieuw in de kantoren van AKRED ingescand. Door recuperatie van de paspunten van KADSCAN-1 kan de georeferentie versneld uitgevoerd worden, met behoud van de positionele nauwkeurigheid van KADSCAN-1, wat overlegoperaties uiteraard ten goede komt. Zodoende waren eind 2001 reeds 4 van de 5 Vlaamse provincies gegeorefereerd, en is reeds een aanvang gemaakt met de fase van de perceelsidentificatie, die eveneens veel sneller zal verlopen, aangezien slechts een 500.000 gewijzigde punten dienen gemarkeerd te worden. Ook inconsistenties tussen kadastrale legger en plan worden met medewerking van AKRED zo goed mogelijk gecorrigeerd. Als alles volgens plan verloopt, zullen de eerste KADSCAN-2 cd-roms in de lente van 2002 ter beschikking van de partners kunnen gesteld worden.
het bestaan en de juistheid van een adres na te gaan (we noemen het daarom een Centraal Referentie Adressen Bestand of CRAB). Na in 2000 de consultatiefase van producenten en gebruikers van adresbestanden (zowel overheid als privĂŠ) te hebben afgerond, werd in 2001 een zo versatiel mogelijke adresdefinitie opgesteld (inclusief datamodel en specificaties) en een onderzoek gevoerd naar de praktische realiseerbaarheid (aanmaak, bijhouding enz.). In een volgende stap werden terreinwerkers op pad gestuurd om adresinformatie in enkele pilootprojecten te inventariseren. Er werd geopteerd om deze te laten samenvallen met GRB-pilootgemeenten (Brasschaat, GentZuid, Laakdal), wat meteen testmogelijkheden inhield ten aanzien van de conformiteit tussen CRAB, GRB en de betrouwbaarheid van kadastrale gegevens. 6 . 3 . 2 . 4 . G r o o t s c h a l i g Re f e r e n t i e B e s t a n d (GRB)
6 . 3 . 2 . 3 . C e n t r a a l Re f e r e n t i e A d r e s s e n Bestand (CRAB)
Massa's data over personen, gezinnen, gebouwen, percelen, bedrijven, etc. worden bijgehouden op adresniveau. Indirect, via het adres, kunnen deze gegevens ruimtelijk worden gelokaliseerd. Daardoor neemt het gebruik van adresgegevens in geografische informatiesystemen snel toe. Maar, door afwijkende definities, verschillende opslagmethodes, een gebrek aan normalisatie enz., wordt niet van elk adres eenduidig de lokatie gevonden. Een mogelijkheid om aan deze problematiek een antwoord te bieden is het creĂŤren van een centraal adressenbestand. Door inkomende adressen te normaliseren, krijgt zo'n bestand een referentiefunctie: het kan worden geraadpleegd om
96
Het Grootschalig Referentie Bestand voor Vlaanderen biedt een structurele oplossing voor grootschalige topografische gegevens (schaalbereik 1/500 tot 1/2.500). Een centrale databank wordt projectmatig gerealiseerd en zal eind 2013 gebiedsdekkend beschikbaar zijn. Volgens de GRB-filosofie bevat zij goed gedefinieerde en universeel aanvaarde referentiegegevens waarop de diverse partijen hun eigen thematische databanken kunnen enten. Naast de kartering van het grondgebied worden diverse initiatieven genomen die de algemene toepassing van dit grootschalig referentiekader voor Vlaanderen mogelijk maken. De nadruk ligt daarbij op het bevorderen van een vlotte uitwisseling van geografische informatie. De financiĂŤle kost voor de kartering van nieuwe
gebieden wordt hoofdzakelijk door het Vlaams gewest en de nutswereld gedragen. Voor de bijhouding van de centrale databank wordt evenwel gerekend op de directe bijdrage van alle overheidsniveaus, en zelfs federale instellingen. De concrete realisaties in 2001 betreffen het projectbeheer, de begeleiding van de aannemers en de kwaliteitscontrole van de opgeleverde data in de in uitvoering zijnde pilootprojecten Laakdal, Brasschaat en Gent-1. In de loop van 2001 werden 4 bijkomende projecten aanbesteed en opgestart, met name Sint-Truiden, Londerzeel, Rumst en Gent-2. Tenslotte werd ook gestart met de voorbereidingsfase van de eerste projectenreeks voor 2002. Vermeldenswaard is tevens de integratie-oefening van kadastrale perceelsinformatie met de GRB-data. Op 24 juli 2001 heeft de Vlaamse regering het businessplan voor de aanmaak en de bijhouding van het GRB goedgekeurd. Dit businessplan beschrijft de operationele uitbouw van een GRBdatabank waarbij de Vlaamse overheid zich engageert om haar volledige grondgebied in het GRB in te brengen. De duur van de aanmaakfase voor een gebiedsdekkend GRB wordt geraamd op 12 jaar (2002-2014). In totaal dienen hierbij 350 projectzones gekarteerd te worden voor een totale kostprijs van 76,85 miljoen Euro (3,1 mld BEF). Dergelijke investering vergt een belangrijk engagement, zowel van de Vlaamse overheid als van de nutswereld. In het financieel plan worden op basis van de reĂŤle prijsinformatie van de lopende pilootprojecten ramingen uitgewerkt voor de aanmaakfase, het bijhoudingsproces en het beheer van een gebiedsdekkend GRB. Enkele alternatieve financieringsscenario's worden hierbij voorgesteld voor de periode 2002-2014. Aan de goedkeuring van dit businessplan werd een mandaat gekoppeld
om met de nutswereld onderhandelingen op te starten teneinde een gepast medefinancieringsmodel uit te werken. 6.3.2.5. Skeletbestek
In 2001 namen de activiteiten rond het skeletbestek verdere uitbreiding: steeds meer gebieden worden conform dit bestek in kaart gebracht. Zo werd o.a. het centrum van de Stad Mechelen (+/- 100 km wegenis) door de Dienst Basiskaart van Electrabel volledig gekarteerd. Het OC GISVlaanderen stond hierbij in voor de methodologische begeleiding van de aannemers en het uitvoeren van de kwaliteitscontroles. Inhoudelijk werd versie 3.0 van het skeletbestek gepubliceerd. Deze versie waarborgt compatibiliteit met het inmiddels op basis van praktijkervaring geĂŤvolueerd GRB-projectbestek. Het skeletbestek werd voorzien van handige illustraties en terreinvoorbeelden die de meetcriteria en -voorwaarden duidelijk voorstellen. 6.3.2.6. Grootschalig digitaal hoogtemodel voor Vlaanderen
Na een testfase in 2000, en in samenwerking met AWZ, AMINAL en VITO werd op basis van een gestandaardiseerd DHM-bestek een eerste reeks vliegdata ingewonnen. Het betreft hier een combinatie van luchtfoto-opnamen en laseraltimetrie, naar gelang de objectdensiteit van het te karteren gebied. Uit de tests is immers gebleken dat laseraltimetrie in aanmerking kan genomen worden voor uitgestrekte landelijke gebieden. In stedelijk gebied is echter traditionele fotogrammetrische verwerking aangewezen om de vooropgestelde specificaties te halen. De in het voorjaar 2001 opgenomen datasets bestrijken het Demer-, Nete-, Rupel-, en Benedenscheldebekken, alsook een prioritaire stedelijke zone te Brugge. Dit beslaat in totaal ca.
jaarverslag 2001
97
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen 450.000 ha. Het OC GIS-Vlaanderen staat in voor de kwaliteitscontrole, zowel op de tussenproducten, als op de eindbestanden, en dit teneinde zowel de vereiste planimetrische als altimetrische nauwkeurigheid te halen. 6 . 3 . 2 . 7 . Ve c t o r i ĂŤ l e k a d a s t r a l e i n f o r m a t i e : K A DV E C
De wens van diverse gebruikers om kadastrale informatie te integreren in analyses en het beleid (bv. in het kader van het plannen- en vergunningenregister, inventaris van de onbebouwde percelen, domeinbossen, eigendomsgronden), was door het steeds toenemende GIS-gebruik aanleiding tot het vectoriseren van de KADSCAN-rasterbestanden. Zolang er echter geen definitieve beslissing bij de AKRED bestond tot informatisering en digitale bijwerking van de bestanden, wenste het OC GIS-Vlaanderen hierin enkel een aantal aanbevelingen te geven; in de loop van 2001 is meer duidelijkheid ontstaan en werd een uniforme objectencataloog voorgesteld aan de 3 gewesten. Zodoende kon het OC een initiatief opnemen om op basis van KADSCAN een vectoriĂŤle versie KADVEC op te bouwen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de AKRED, en dankzij medefinanciering vanuit de Milieu Infostuurgroep. KADVEC zal zich baseren op de resultaten van de KADSCAN-2 en werd op de valreep eind 2001 aangevat. 6.3.3. Datadistributie
Momenteel beschikt het OC GIS-Vlaanderen over een 40-tal veel gevraagde GIS-bestanden, gebiedsdekkend voor Vlaanderen. Het betreft zowel basisbestanden als themabestanden en dit op klein- en middenschalig schaalniveau. Bepaalde bestanden werden nieuw aangemaakt, andere bestonden reeds doch werden voor ruime verspreiding (cd-rom, diverse GISformaten) klaar gemaakt. Een belangrijk aspect van distributie is de bekend-
98
making van de beschikbaarheid. Die gebeurt via de website (http://www.gisvlaanderen.be), via de metadatabank SPIDI, via de nieuwsbrief GISVlaanderen en/of via briefwisseling. Alvorens de data binnen GIS-Vlaanderen verdeeld worden, wordt eerst een kwaliteitscontrole uitgevoerd. Het betreft een controle op volledigheid, een controle op consistentie en een controle op nauwkeurigheid. De modaliteiten voor dataverstrekking behelzen kostprijs, gebruiksvoorwaarden en de algemeen geldende principes binnen GIS-Vlaanderen. Voor de kostprijs wordt gewerkt met een kostenverrekeningsmodel dat rekening houdt met de data (producent, aard en kostprijs) en de klant (type organisatie). De gebruiksvoorwaarden worden vastgelegd in een registratieformulier. Een derde belangrijk aspect van datadistributie betreft de uitwisselbaarheid van de data. Bij het uitbrengen van een OC-informatieproduct wordt rekening gehouden met de meest courante uitwisselingsformaten en de uniformiteit. Dit laatste geldt voor de drager: cd-rom, diskette, uitwisselingsformaten, begeleidende documenten, begeleidende applicaties en structuur. Volgens deze modaliteiten werden in 2001 meer dan 2100 dataverstrekkingen gerealiseerd.
6.4. ELEKTRONISCHE DIENST VERLENING 6.4.1. Metadata SPIDI
Met de in 2001 grondig vernieuwde metadatabank voor geografische informatie die via het internet consulteerbaar is, werd een verhoogd gebruik van dit instrument vastgesteld. Er zijn met name
32 nieuwe metadatafiches toegevoegd, en ook de kwaliteit van de metadata kon gevoelig verbeterd worden. Metadata blijft echter een moeilijk terrein om de partners van het samenwerkingsverband voor te engageren. Toch blijkt het in de praktijk van de werking van GIS-Vlaanderen een belangrijke kostenbesparende factor te zijn (hergebruik, dubbel werk vermijden, …). Daarom wordt stelselmatig vooruit gedacht naar nieuwe ontwikkelingen die het gebruik verder kunnen vereenvoudigen maar kwantitatief kunnen intensifiëren. Een samengaan met de eigenlijke elektronische datadistributie (zie 4.2, GIRAF), is in die context een belangrijke stap. Daartoe kon mede dankzij middelen van de Milieu Infostuurgroep een eerste analysestudie gerealiseerd worden. 6.4.2. Elektronische datadistributie (GIRAF)
Het in 2000 ontwikkelde online distributie instrument voor geografische datasets, GIRAF (Geographical Information Retrieval Application for Flanders) werd in 2001 verder geoptimaliseerd en van kinderziekten ontdaan. Met GIRAF krijgen één of meerdere gebruikers binnen een organisatie op basis van een jaarlijks abonnement toegang (FTP-GIRAF) tot de bestelde digitale geografische gegevens, alsook tot de eventuele digitale bijwerkingen en toevoegingen (symboliek, metadata, …) of ontvangt de organisatie zelf de gegevens op cd-rom(s). Simultaan is een grootschalige conversie-actie op het getouw gezet om alle OC-producten voor te bereiden voor online distributie: alle datasets dienden immers op voorhand en voor de verschillende GIS-bestandsformaten versneden te worden conform verschillende versnijdingspatronen (kaartbladen, provincies, gemeenten…). In een aantal gevallen was ook een thematische
groepering wenselijk, en tenslotte dienden alle bestanden gecomprimeerd teneinde de FTPtransfer met zo klein mogelijke volumes te organiseren, gelet op de nog steeds zeer verschillende performantie van de netwerkverbindingen van de GIS-gebruikers in Vlaanderen. Het resultaat van deze operatie vertaalt zich in het online brengen van deze dienstverlening begin 2002. 6.4.3. Flemish Positioning Service (FLEPOS)
FLEmish POsitioning Service is de dienst die op basis van het Global Positioning System (GPS) een goedkope, nauwkeurige en uniforme plaatsbepaling aanbiedt. Dit instrument verbindt alle grootschalige activiteiten onderling door de diverse topografische metingen direct binnen hetzelfde referentiekader te plaatsen. Er wordt kostendelend gebruik gemaakt van gemeenschappelijke basisstations. Nauwkeurige, betrouwbare, uniforme en betaalbare plaatsbepaling wordt realiteit. Dankzij de standaardisatie van GPS-metingen in de eerste GRB-pilootprojecten bleven de afwijkingen na controle beperkt tot 6.0cm in planimetrie en dit in 99.9% van de gevallen. FLEPOS maakt dergelijke standaardisatie praktisch mogelijk in gans Vlaanderen en dit voor alle GPSgebruikers. Standaardisatie houdt echter meer in dan het installeren van permanente GPS-stations. Onafhankelijke aanbevelingen garanderen aansluiting op FLEPOS met het oog op kwaliteitszorg en betrouwbaarheid. De uitbouw van het GPS-netwerk en de bijhorende dienstverlening in Vlaanderen vergt de installatie van de basisstations en van alle communicatie, controle en ondersteuning die ermee verband houden. Van de 5 segmenten die het totale systeem omvat (referentie, communi-
jaarverslag 2001
99
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen catie, geodesie, controle en gebruik) werden in 2001 de geplande investeringen in het referentiesegment, met name de uitbouw van een ruimtelijk gespreid netwerk van basisstations, gegund. Ook de testen met het communicatiesegment zijn volop in uitvoering, terwijl onderhandelingen met het NGI voor de uitbouw van het controlesegment werden opgestart.
van de betreffende straatas in het kaartbeeld, en inzooming tot het juiste niveau om de ganse straat in beeld te brengen.
6.5. PROJECTEN VOOR PARTNERS 6.5.1. Project boskartering
6.4.4. Digitale loketten Geo-Vlaanderen
Online geografische informatie consulteren is dankzij het initiatief Geo-Vlaanderen inmiddels een vertrouwd instrument geworden, zowel voor overheidspersoneel als voor een groeiende groep particuliere gebruikers. In de loop van 2001 werden een aantal nieuwe loketten opengesteld in de kruispuntsite GeoVlaanderen, meer specifiek: • bemestingsgebieden (i.s.m. de Mestbank, VLM) • biologische waarderingskaart (i.s.m. het Instituut voor Natuurbehoud) • boskartering (i.s.m. afdeling Bos en Groen, AMINAL, LIN) • cultureel erfgoed (i.s.m. afdeling Monumenten en Landschappen, AROHM, LIN) • positiebepaling (X,Y coördinaten) • recht van voorkoop ruilverkaveling (i.s.m. afdeling Ruilverkaveling, VLM) • speelzones in bossen (i.s.m. afdeling Bos en Groen en de Vereniging voor Bos in Vlaanderen VZW) • stratengids • waterkwaliteitsindicatoren (i.s.m. AMINAL, Instituut voor Bos- en Wildbeheer, Instituut voor Natuurbehoud, Vlaamse Milieu Maatschappij) Het gewestplanloket werd geactualiseerd tot de situatie 1 april 2001, en er werd de mogelijkheid toegevoegd om plannen te bevragen via gemeente en vervolgens straat, met oplichting
100
In het kader van de actualisering van de bosstatistieken voerde het OC GIS-Vlaanderen in opdracht van de afdeling Bos en Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een project uit met als doelstellingen: • Opstellen van een actualisatiemethodologie • Realisatie van de eigenlijke actualisatie • Integratie van de bosreferentielaag in de gegevensstructuur van de afdeling Bos en Groen. In 2001 werd de derde fase van dit project afgewerkt, met name de koppeling van de domeinbossen en privébossen met de bestaande bosreferentielaag. 6.5.2. Bosinformatiesysteem Roemenië
In het kader van een samenwerkingsovereenkomst tussen de regering van Roemenië en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, engageren het OC GIS-Vlaanderen en de afdeling Bos en Groen (AMINAL) zich om een overdracht van kennis te realiseren ten aanzien van de Roemeense partner. Roemenië is in een belangrijke transitiefase naar economische en politieke hervormingen, dewelke resulteren in een verhoogde menselijke activiteit voor verschillende sectoren. De complexe interactie tussen verhoogde druk (door menselijke activiteit) en natuurlijke processen heeft verschillende gevolgen voor het milieu. Vooral de bosbouwsector wordt met verscheidene milieu-impacten geconfronteerd en beschikt niet over de nodige
informatie(systemen) om deze gevolgen in te schatten en te analyseren. Het opzet van dit project is om op basis van een uitgeteste methodologie voor de classificatie van bodemgebruik aan de hand van Enhanced Thematic Mapper-7 (ETM7) en IKONOS satellietbeeldmateriaal een GIS-bosdatabank uit te bouwen met als informatielagen een actuele bodemgebruiksdataset, een ecologische bossoortendataset en een bosreferentiedataset. Daarnaast wordt een methodologie geïmplementeerd om de databanken te onderhouden en te actualiseren.
Vanuit de internetsite van het OC GISVlaanderen is een toegang voorzien naar de VUBIS website zodat men via Internet steeds kan nagaan welke boeken in het documentatiecentrum aanwezig zijn. In 2001 werden enkele tientallen boeken en/of cd-roms aangeschaft. 6.6.2. Nieuwsbrief
Via de nieuwsbrief GIS-Vlaanderen informeert het OC GIS-Vlaanderen alle huidige en potentiële GIS-gebruikers in Vlaanderen over GISVlaanderen. De GIS-projecten van het OC GISVlaanderen worden er uitvoerig in toegelicht.
6.5.3. Afronding diverse projecten
In het voorjaar 2001 werden nog enkele projecten gefinaliseerd waarvan het grootste deel van de uitvoering in 2000 plaatsgreep, met name: de uitbouw van een GIS met bevragings- en actualisatiemogelijkheden voor de afdeling Bos en Groen, de afwerking van een operationele GISapplicatie voor Monumenten en Landschappen, waarmee de geodatabank van het Cultureel Erfgoed op kadastraal niveau kan uitgebouwd worden. Tenslotte vermelden we nog het opstellen van nieuwe technische richtlijnen conform de uitvoeringsbesluiten van het decreet Ruimtelijke Ordening, in opdracht van AROHM.
In 2001 verschenen 3 nieuwsbrieven met relevante GIS-informatie. De centrale thema’s waren: Geo-Vlaanderen, kruispuntsite voor geografische informatie op internet, FLEPOS, FLEmish POsitioning Service en Krachtlijnen van het businessplan GRB. 6.6.3. Informatiesessies
Het promoten van het GIS-gebruik binnen de overheid is buitengewoon belangrijk. De bedoeling van de informatiesessies is om door communicatie en informatiedoorstroming de missie van GISVlaanderen uit te dragen en zo een draagvlak te
6.6. COMMUNICATIE 6.6.1. Documentatiecentrum
Om een permanent overzicht van de technologische en marktontwikkelingen te kunnen hebben en om gebruikersvragen te kunnen beantwoorden, is een documentatiecentrum met betrekking tot GIS van groot belang. In het documentatiecentrum, dat publiek toegankelijk is, wordt informatie m.b.t. alle aspecten van GIS bijeen gebracht. De werken worden geklasseerd volgens het VUBIS-systeem wat de toegankelijkheid (ook via Internet) gemakkelijker maakt.
jaarverslag 2001
101
Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen producten, elektronische diensten en projecten. Het ligt in de bedoeling deze reeks in de toekomst stelselmatig uit te breiden met algemene omschrijvende info over nieuwe initiatieven. 6.6.5. Internetsite
creëren voor het samenwerkingsverband GISVlaanderen. Het OC GIS-Vlaanderen speelde hier ook in 2001 een stuwende en stimulerende rol. Een aantal informatiesessies werd georganiseerd voor de partners van GIS-Vlaanderen (LIN, provincies) alsook voor buitenlandse delegaties (DLG, NI) hogescholen (De Nayerinstituut) en universiteiten (UCL), intercommunales, Flagis, gemeenten, nutsbedrijven, landmeters. Het betrof informatiesessies over de algemene werking en structuur van GIS-Vlaanderen en het OC GIS-Vlaanderen in het bijzonder, informatievergaderingen voor (potentiële) partners voor Geo-Vlaanderen. Een groot deel van de informatiesessies in 2001 had betrekking op toelichtingen voor het GRB inclusief de zogenaamde partnersymposia, en het gebruik van de KADSCAN-producten. 6.6.4. Documentatiemap
In 2001 werd in functie van de grote vraag naar algemene info over de werking van het OC GISVlaanderen, het initiatief genomen om een documentatiemap uit te geven. Deze bevat een reeks informatiefiches die thematisch zijn ingedeeld in de groepen: activiteitenlijnen, informatie-
102
In 2001 werd een opdracht uitbesteed om de website van het OC GIS-Vlaanderen te herwerken. Door de snelle groei van de inhoud van de site drong een andere structuur en beheeromgeving zich op. In het nieuwe webstekconcept is rekening gehouden met belangrijke vaststellingen over het praktijkgebruik van internetsites (organisatie van de informatie, 3-click benadering, …). Qua beheer werd een databank ontwikkeld waarin gans de site paginagewijs opgeslagen wordt in dezelfde structuur als de site op zich vertoont. Dit maakt het beheer heel wat transparanter. Na invulling kan de nieuwe site begin 2002 online gebracht worden. Sowieso ging het gebruik van de OC GIS-Vlaanderen webstek verder in stijgende lijn, met een gemiddelde van om en bij de 650 bezoekers/dag.
jaarverslag 2001
103
Werkingsmiddelen zijn nodig voor Werkingsmiddelen zijn nodig voor een evenwichtig milieu. een evenwichtig milieu.
Van mens tot mens. Van mens tot mens..
Hoofdstuk 7: FinanciĂŤle resultaten
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Financiële resultaten 7.1. DEFINITIEVE BEGROTING 2001 De definitieve begroting 2001 ziet er als volgt uit: Tabel 7.1 - Definitieve begroting 2001 (bedragen in miljoen BEF) I. UITGAVEN
1. Uitgaven voor werking 2. Investeringsuitgaven 3. Projectdotatie Totaal uitgaven II. INKOMSTEN
1. Overdracht vorige begroting 2. Eigen inkomsten 3. Dotatie vanuit de Vlaamse begroting B.A. 41.41 werking B.A. 61.41 investeringen recuperatie startbanen 4. Dotatie voor de afdeling Mestbank vanuit het Minafonds Post 2.3 werking post 3.4 investeringen 5. Dotatie vanuit de Vlaamse begroting voor OC GIS-Vlaanderen B.A. 41.44 werking B.A. 61.44 investeringen B.A. 41.45 dotatie GRB B.A. 41.46 dotatie KADSCAN B.A. 41.47dotatie RTKGPS netwerk Totaal inkomsten
VLM-ZMB en ZOC
VLM-MB
996,2
483,3
63,0
-
-
-
1.542,5
91,2
29,3
13,6
-
-
-
134,1
-
-
-
101,0
45,6
90,0
236,6
1.087,4
512,6
76,6
101,0
45,6
90,0
1.913,2
VLM-ZMB en ZOC
VLM-MB
OC-GIS-VL OC-GIS-VL (GRB)
OC-GIS-VL (KADSCAN)
146,1
22,3
-
-
-
-
168,4
36,6
-
15,6
-
-
-
52,2
843,4 36,2 25,1
-
-
-
-
-
843,4 36,2 25,1
-
461,0 29,3
-
-
-
-
461,0 29,3
-
-
47,4 13,6 -
101,0 -
45,6 -
90,0
47,4 13,6 101,0 45,6 90,0
1.087,4
512,6
76,6
101,0
45,6
90,0
1.913,2
OC-GIS-VL (KADSCAN)
OC-GIS-VL TOTAAL (RTK-GPS)
OC-GIS-VL TOTAAL (RTK-GPS)
7.2. TER BESCHIKKINGSTELLING VAN DE MIDDELEN UIT DE BEGROTING.
De investeringstoelage 2001 ten bedrage van 36,2 miljoen BEF werd volledig verantwoord maar nog niet ontvangen.
7.2.1. Vlaamse Landmaatschappij
7.2.2. Vlaamse Landmaatschappij,
zonder de Mestbank en zonder OC-
afdeling Mestbank (VLM-MB)
GIS Vlaanderen (VLM – ZMB – ZOC)
De Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Mestbank, heeft in 2001 alle achterstallen betreffende 2000 ontvangen. Van de werkingsdotatie 2001 werd reeds 460,1 miljoen BEF ontvangen. Een bedrag van 0,9 miljoen BEF is nog niet ontvangen.
De VLM (zonder de afdeling Mestbank en zonder de afdeling OC-GIS-Vlaanderen) heeft in 2001 alle middelen ontvangen die nog betrekking hadden op het boekjaar 2000. Van de dotatie voor de werking 2001 heeft ze 752,56 miljoen BEF reeds ontvangen. Een bedrag van 90,84 miljoen BEF is nog niet ontvangen.
106
OC-GIS-VL OC-GIS-VL (GRB)
miljoenen bef
Figuur 7.1: Investeringstoelage 2001 (volgens begroting)
volledig verantwoord, maar voor 9,99 miljoen BEF nog niet ontvangen per 31/12/2001.
40 36,2 35
De helft van de dotatie 2001 voor het project GRB (50,5 miljoen BEF) werd in 2001 ontvangen evenals de helft van de dotatie 2001 voor het KADSCAN project (22,8 miljoen BEF).
29,3
30 25 20
13,6
15 10 5 0
VLM-ZMB-ZOC
VLM-MB
OC GIS-VL
In 2001 werd een nieuw project opgestart namelijk RTK-GPS netwerk. Ook hiervoor werd de helft (45 miljoen BEF) van de dotatie 2001 ontvangen.
afdeling
De investeringstoelage ten bedrage van 29,3 miljoen BEF is reeds verantwoord maar per 31/12/2001 nog niet ontvangen. In 2001 heeft de VLM 183.498.612 BEF geïnd aan heffingen in het kader aan het mestactieplan. Er werd in 2001 voor 158.000.000 BEF doorgestort naar het Minafonds.
De kredieten GRB, KADSCAN en RTK-GPS netwerk worden als projectdotaties beschouwd: enkel het verantwoorde gedeelte wordt uitbetaald. De dotaties GRB en KADSCAN werden volledig aangewend. Van de dotatie RTK-GPS netwerk werd 74,86 miljoen BEF op een dotatie van 90 miljoen BEF aangewend.
7.3. FINANCIËLE RESULTATEN. 7.2.3. Vlaamse Landmaatschappij, afdeling ondersteunend centrum – GIS – Vlaanderen (OC- GIS-VL)
Van de dotatie voor de werking 2001 werd reeds 42,66 miljoen BEF ontvangen. Een bedrag van 4,74 miljoen BEF is nog niet ontvangen. De investeringstoelage ten bedrage van 13,6 miljoen BEF is reeds verantwoord maar per 31/12/2001 nog niet ontvangen. In 1999 werden voor het eerst uitgaven gerealiseerd (52,6 miljoen BEF) in het kader van het grootschalig referentiebestand (GRB), de voorloper van een Vlaams vastgoedinformatiesysteem. Wegens het ontbreken van een dotatiebesluit voor 1999 werd dit bedrag in 2000 vastgelegd via een bijkrediet. Dit bedrag werd in 2001 volledig ontvangen. De projectdotatie GRB 2000 werd
De Vlaamse Landmaatschappij sloot het boekjaar 2001 af met een te bestemmen winst van 13.640.564 BEF. Zoals bepaald in art. 36 van de statuten en volgens het voorstel van de raad van bestuur aan de algemene vergadering wordt dit bedrag toegevoegd aan een onbeschikbare reserve. Op 1 oktober 1993 trad de Vlaamse Landmaatschappij toe tot het Centraal Financieringsorgaan (CFO). Sindsdien worden de middelen ter beschikking gesteld van de Vlaamse Landmaatschappij naargelang van haar financiële toestand; naargelang de vooruitzichten voor iedere entiteit afzonderlijk en voor alle entiteiten samen en naargelang de financiële opportuniteiten van het hele CFO. Met het oog op de werking van het CFO zijn de financiële activiteiten van de Vlaamse Landmaatschappij ingedeeld in vier entiteiten:
jaarverslag 2001
107
Financiële resultaten miljoenen bef
Figuur 7.2: Werkingstoelage 2001 (volgens begroting) 900
Het OC-GIS-Vlaanderen, inclusief de projecten, waarvan de financiering behoort tot de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid, moet eveneens financieel afzonderlijk gehouden worden (entiteit 3).
843,4
750 600 461,0 450
150 47,4 0
VLM-ZMB-ZOC
VLM-MB
OC GIS-VL afdeling
• Entiteit 1: de Ruilverkaveling; • Entiteit 2: de Mestbank; • Entiteit 3: het Ondersteundend Centrum gis-vlaanderen; • Entiteit 4: overige. De Vlaamse Landmaatschappij treedt op als rekenplichtige voor de ruilverkavelingcomités die elk een eigen rechtspersoonlijkheid bezitten (entiteit 1). Vermits de financiering voor de werking van de mestbank vanuit het Minafonds gebeurt, moet deze activiteit afzonderlijk opgevolgd worden (entiteit 2).
Onder entiteit 4 zijn de werkingsrekeningen (exclusief de afdelingen Mestbank en OC-GISVlaanderen) en de investeringen van de Vlaamse Landmaatschappij (eveneens exclusief de afdelingen Mestbank en OC-GIS-Vlaanderen) terug te vinden. De financiering van de afdeling Figuur 7.3: Projectdotatie 2001 (volgens begroting) miljoenen bef
300
120 101 100 90 80 60 45,6 40 20 0
OC GIS-VL (GRB)
OC GIS-VL (KADSCAN)
OC GIS-VL (RTK-GPS) afdeling
Mestbank (entiteit 2) en van de VLM zonder het OC-GIS-Vlaanderen behoort tot de bevoegdheid van de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw. Ook de patrimoniumrekeningen behoren tot deze entiteit. Ten einde de verrichtingen van de entiteit natuur en van de afdeling landinrichting en het project VOLT financieel beter te kunnen opvolgen werden afzonderlijke rekeningen binnen deze entiteit geopend.
108
jaarverslag 2001
109
Iedereen steunt op iedereen.
Iedereen steunt op iedereen.
Van mens tot mens. Ook het milieu niet.
Hoofdstuk 8: Ondersteunende afdelingen
5. Mestbank
1. Wettelijk kader
11
2. Landinrichting
17
3. Ruilverkaveling
33
4. Natuur
45
59
6. Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen
91
7. FinanciĂŤle resultaten
105
8. Ondersteunende afdelingen
111
jaarverslag 2001
Ondersteunende afdelingen 8.1. INFORMATICA, GRONDDATABANK & GIS-VLM 8.1.1. Cel operaties
De activiteiten van deze cel stonden voornamelijk in het teken van drie belangrijke projecten voor de eindgebruiker: • de migratie van Novell naar Windows 2000 op de server • de migratie naar Windows 2000 op de desktop • de implementatie van MS Exchange 2000
8.1.1.3. De implementatie van MS Exchange 2000
In het vierde kwartaal werd MS Exchange 2000 geïmplementeerd, op een nieuwe server in de CD en op de vroegere Novell servers in de PA’s. Door installatie van deze groupware software kwamen uitgebreidere mail-functionaliteiten ter beschikking van de eindgebruiker, ook vanaf de woonplaats. In 2002 zullen gedeelde kalenderfunctionaliteiten, reservatie van vergaderlokalen en digitale communicatie en competentiebeheer door middel van public folders ter beschikking komen.
8.1.1.1. Migratie naar WIN 2000 op server
8.1.1.4. De netwerkfase 2001 hield vol-
In de centrale directie werden de PC-servers vervangen door nieuwe performantere configuraties (in 2000 was dat reeds het geval voor de provinciale afdelingen). Het netwerkbesturingssysteem Novell Netware werd gemigreerd naar de Windows 2000 Server-omgeving. Dit gebeurde hoofdzakelijk in eigen beheer en verliep volledig transparant voor de eindgebruiker. Door dat project kregen de betrokken departementele netwerkbeheerders een aangepaste beheersomgeving. Tegelijkertijd werd ook internet caching geïnstalleerd in de centrale directie en in alle PA’s.
gende realisaties in:
8.1.1.2. Migratie naar WIN 2000 op de
Ook verbond de cel Operaties voor het RTKGPS-project het netwerk van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap met het VLMnetwerk. Voor datzelfde project werd een terminal server geconfigureerd en werd de VLM firewall en router-configuratie aangepast.
desktop
Alle nieuwe in 2001 geleverde PC’s werden standaard voorzien van het besturingssysteem Windows 2000 Professional. Alle oudere PC’s werden eveneens gemigreerd naar die nieuwe desktopomgeving, voor zover bestaande toepassingssoftware het toeliet en de toestellen voldoende performant waren. De laatste PC’s die nog draaien onder Windows 95, zullen in een nieuwe investeringsschijf 2002 eveneens vervangen worden.
112
• installatie van VPN- ondersteuning voor thuiswerk op de firewall • volledig nieuwe cablering van de computerzaal (met CAT6 kabel) • kablering van de 7de verdieping van het gebouw nr. 77 van de Gulden-Vlieslaan • upgrade van zowel de OC-internetlijn als de VLM internetlijn naar 2Mbps • uitbreiding van het LAN van PA Gent naar de containergebouwen • upgrade van de frame relays CD-Gent en CDDiest naar 1 Mbps
8.1.2. Intranet - Extranet - Internet 8.1.2.1. Intranet
De bestaande intranet-toepassing SPIN werd uitgebreid met nieuwe functies. Uit de ICTenquête bleek dat met SPIN 90% van de VLM gebruikers bereikt worden.
8.1.2.2. Extranet
Om de afdeling Natuur en de administraties AWZ en ALT toe te laten, in het kader van het Recht van voorkoop Natuur, on-line advies te geven op de aankoop van beschikbare percelen, werd een webbrowser-toepassing op een server ter beschikking gesteld aan het in 2000 opgezette extranet tussen het ministerie en de milieuparastalen. 8.1.2.3. Internet
Het jaar 2001 stond in het teken van de vernieuwing van de website van de VLM. In de eerste jaarhelft werd de firma Evisor n.v. geselecteerd voor het uitvoeren van een doelgroepen-en contentanalyse en het opstellen van een plan van aanpak, studie die in september werd opgeleverd. In het vierde kwartaal werd de firma Dolmen CA n.v. geselecteerd om de nieuwe website te bouwen. De nieuwe webstek zal medio 2002 voltooid zijn. 8.1.3. Cel ontwikkeling en onderhoud 8 . 1 . 3 . 1 . Ontwikkeling van nieuwe systemen
8.1.3.1.1. ICT-luik van de administratieve vereenvoudiging in de landbouw De firma Hemmis n.v. werd geselecteerd om in het kader van de administratieve vereenvoudiging in de landbouw volgende studie uit te voeren: • inventarisatie van de bestaande databanken op Vlaams en federaal niveau • functionele analyse, inclusief databasedesign, van een toekomstige landbouwkruispuntendatabank • inventarisatie van de computerarchitecturen bij de partners • uitwerking van een concept infrastructuur – architectuur voor het nieuwe systeem
Deze studie werd opgeleverd in juli 2001. In september besliste de projectmanagementgroep de CIT implementatie van de administratieve vereenvoudiging te heroverwegen. 8.1.3.1.2. Ontwikkeling van een pilootsysteem L.M.I.S. (Land Management Informatie Systeem) Om de toekomstige grondbank toe te laten om haar taak efficiënt en klantgericht uit te voeren is een ondersteunend informatiesysteem nodig waarmee beleidsinformatie over kadastrale percelen in eigendom van de overheid (bv. oppervlakte, gewestplanbestemming, …) kan beheerd worden. Dit L.M.I.S moet enerzijds de noden van een loketfunctie ondersteunen en bijgevolg een kruispuntendatabank zijn, en anderzijds een datawarehouse waaruit de nodige beleidsinformatie kan opgevraagd worden. De basis van het L.M.I.S. is een gronddatabank gekoppeld aan een grondinventaris. De gronddatabank wordt gepopuleerd vanuit het KADSCAN/KADVEC-bestand van GIS-Vlaanderen en bevat de basisinformatie over de kadastrale percelen in Vlaanderen. Aan de gronddatabank wordt via de unieke sleutel (het kadastrale perceelsnummer) een grondinventaris gekoppeld, waarin thematische informatie over de kadastrale percelen in opgeslagen wordt. In het voorbije jaar werd gestart met de ontwikkeling van een pilootsysteem, beperkt tot de gegevens bij de VLM beschikbaar. In eigen beheer voerde de cel Ontwikkeling en Onderhoud de functionele analyse uit. In samenwerking met het geselecteerde Dolmen CA n.v. werd in het vierde kwartaal de implementatie van dit webbrowser systeem opgestart met als opleveringsdatum 1 april 2002.
jaarverslag 2001
113
Ondersteunende afdelingen 8.1.3.1.3. Ontwikkeling van het extranetloket adviesverlening recht van voorkoop Natuur. In samenwerking met ASQ n.v. werd, gebaseerd op een eerder uitgevoerde analyse door Hemmis n.v., een webbrowsertoepassing ontwikkeld die de afdeling Natuur en de administraties ALT en AWZ toelaat online advies te geven op te koop aangeboden percelen binnen de perimeter van natuurreservaten en natuurinrichtingsprojecten, en aldus de wettelijk vastgelegde adviestermijn van 14 dagen te kunnen naleven. 8.1.3.1.4. Ontwikkeling van de client/server-toepassing Onroerend Goed beheer Om de oude dBase – toepassing te kunnen vervangen en nieuwe functies te informatiseren werd de applicatie Onroerend Goed beheer als een client/server-toepassing met centrale database ontwikkeld. Het programma laat toe onroerende goederen, in eigendom van de VLM of door de VLM aangekocht en beheerd voor het Vlaams gewest, administratief te beheren. (pachten, jachtrechten,…) Dit syteem kadert, wat de VLM betreft, eveneens in het L.M.I.S. 8.1.3.1.5. M.T.I.L. + (Mest Transport Internet Loket) Het M.T.I.L., uitbesteed aan de firma Ardatis n.v. als B2B toepassing tussen de Mestbank en de sector van de mestvoerders, werd uitgebreid voor alle landbouwers. Via dit e-loket zullen ze in 2002 op elk ogenblik hun dierlijke productie, hun resterende afzet en hun transportbalansen kunnen opvragen. De roll-out zal gefaseerd gebeuren.
8.1.3.2. In gebruikname van nieuwe ontwikkelings- methodologieën en -technologieën
8.1.3.2.1. De VLM – objectenbibliotheek In 2000 startte de VLM met de ontwikkeling in eigen beheer van een nieuwe library van PFCobjecten voor de ontwikkeling van client-servertoepassingen. In 2001 begon de VLM met het migreren van een aantal client-server-applicaties (ontwikkeld in PowerBuilder) naar de nieuwe VLM-objectlibrary. 8.1.3.2.2. Introductie van de J2EE-standaard De strategie van de VLM om de informatisering van haar core-business in de toekomst op een web-leest te schoeien, in het kader van de e-government politiek van de Vlaamse regering, werd aangepakt met de ontwikkeling van een aantal applicaties in de J2EE-standaard. Daarvoor werd na marktonderzoek het ASQdotcom framework Adequat aangekocht en werden projecten afgewerkt/opgestart zoals het L.M.I.S. en Adviesverlening Recht van Voorkoop. 8.1.3.2.3. Overstap op UML Met de aanschaf van en de vorming in de software producten van Rational werd tevens een begin gemaakt met het introduceren van een nieuwe ontwikkelingsmethode, gebaseerd op het concept van UML (Unified Modelling Language). 8 . 1 . 3 . 3 . Pr e v e n t i e f, c o r r e c t i e f e n evolutief onderhoud van bestaande systemen.
De werkbelasting van de afdeling Informatica & GIS-VLM nam in 2001 sterk toe, niet in het minst omdat een groot aantal complexe maatapplicaties dienden onderhouden te worden zoals:
114
• het C/S systeem administratie van de werken (AWBM) • het C/S systeem VVBOG (verwerving, vervreemding en beheer van onroerende goederen Recht van Voorkoop Natuur) • het C/S systeem hypothecaire debiteuren • de C/S subsystemen voor de mestbank: o aangiftes, heffingen, nutriëntenhalte o erkende mestvoerders o mestverhandelingen en balansen o vergunningen m.b.t. dierlijke productie o economische vergoedingen • het C/S systeem beheersovereenkomsten (BOAM): in het kader van beheersovereenkomsten voor de kwetsbare gebieden "Water" en "Natuur" van het mestdecreet werden op korte tijd bijna 30.000 detailovereenkomsten digitaal verwerkt en ongeveer 12.000 betalingen aan de ALT overgemaakt. • het datawarehouse IVO, dat gevoelig werd uitgebreid ten behoeve van beleidsrapportering m.b.t. de mestproblematiek.
De migratie naar de nieuwe GIS-technologie (ArcGIS 8) werd geïntensifieerd. Enerzijds werd binnen de cel de competentie in ArcInfo 8, ArcView8, SDE8 en ArcIMS gevoelig opgedreven, anderzijds werden alle GIS-data m.b.t. beheersovereenkomsten en het Recht van Voorkoop Natuur opgeslagen in een relationele database. Daarnaast werd een piloot "geodatabase" voor terreininventarisatie ontworpen. De competentie GIS-applicaties werd binnen de VLM eveneens verhoogd door de ingebruikname van ArcView8 en ArcInfo8 in de provinciale afdelingen. Gepaste vorming werd georganiseerd.
8.1.4. Cel geo-informatica
In het kader van het competentiecoördinatorschap topografie werd het GRB-concept in de methodiek van terrestrische opmetingen bij de VLM geïmplementeerd. Daarnaast werd nieuwe topografische software Dialog, met Autocad 2000 als grafische "engine" in de VLM in gebruik genomen. En werden de nodige opleidingssessies gevolgd.
8.1.4.1. Onderhoud van bestaande
8 . 1 . 4 . 2 . Fo t o g r a m m e t r i e
GIS/CAD applicaties
Volgende toepassingen werden preventief, correctief en evolutief onderhouden: • het systeem ADMIN (administratieve afhandeling van ruilverkavelingsprojecten) • het systeem ADNA (administratieve afhandeling van natuurinrichtingsprojecten) • herverkavelingsgrafica: deze CAD-toepassing werd gemigreerd naar WIN2000, Access2000 en Autocad2002 • de GIS-applicatie voor het digitaal opzoeken en registreren van kadastrale percelen, aangeboden in het kader van het Recht van Voorkoop Natuur. • de GIS-applicatie voor het digitaal registreren van beheersobjecten bij beheersovereenkomsten
8.1.4.2.1. scanning Er werden +/- 10.000 scanningen van luchtopnamen uitgevoerd. Deze scanningen zijn van verschillende projecten (OC-of-VLM) en op verschillende schalen. De scanningen gebeuren van kleuren-negatieve of kleuren-positieve filmen. De data werden zoveel mogelijk geback-upt en eventueel, op vraag van derden, geconverteerd naar een ander formaat. Afhankelijk van het gebruik, werden er ook afdrukken gemaakt van de dia's. 8.1.4.2.2. Produktieprocessen • Meetkerkse Moeren • Oostends Krekengebied
jaarverslag 2001
115
Ondersteunende afdelingen • Kruibeke • Turnhouts Vennegebied • Laanvallei • Ename (Schelde Leie) • Glas- en Tuinbouwprojecten (Schelde Leie) • Buitengoor Meergoor • Olmen 1+2+3 (grote Nete) • Ieper-Ijzer
• vectorisatie van de subsidiedossiers en beheersplannen van de privé-bossen • vectorisatie van de digitale kadasterplannen van de gemeente Kruibeke • vectorisatie van de kadastrale plannen van de Schelde & Zenne-buffer • uittesten van ArcMap voor de "kadastralisatie" van de groene RUP’s
8.1.4.2.3.Productieprocessen In deze produktieprocessen zijn verschillende onderdelen aanwezig, afhankelijk van het project:
8.1.5. Informatica-technische
• Scannen • completeren • oriënteren + blokvereffening • DTM (20 - 50 meter) • orthofotoassemblage + versnijdingen in blokken In 2001 werd er ook overgegaan naar de GRBnorm voor de aanmaak van orthofoto's. D.W.Z. • resolutie 0.20 m pixelsize • versneden in blokken van 500 x 500 m • TFW geo-referentie 8.1.4.2.4. GRB-projecten Naast de produktieprocessen zijn er ook nog de GRB-projecten. Voor deze projecten werden controles en produktie gecombineerd. 8.1.4.2.5. DHM-project Voor het DHM-project werden er controlesets aangemaakt en controles uitgevoerd op Laserdata en Fotogrammetrieproducten. 8.1.4.3. GIS-operaties De digitalisatieploeg van de afdeling vervulde volgende opdrachten:
116
ondersteuning van managementrapportering
Om in de toekomst een optimale capaciteitsplanning op te maken voor de inrichtingsprojecten, werd een eenvoudig, maar zeer specifiek Tijdsregistratiesysteem ontwikkeld. Dat laat toe vanaf 1 januari 2002 de tijdsbesteding per halve dag en per mijlpaal van een inrichtingsproject nauwkeurig te rapporteren via het intranet. 8.1.6. Communicatie
In het kader van de geselecteerde waarde klantgerichtheid organiseerde afdeling Informatica & GIS-VLM in 2001 een ICT-enquête op het interne netwerk SPIN. De respons op deze anonieme bevraging op basis van vrijwilligheid was behoorlijk en de dienstverlening door de afdeling werd vrij goed gepercipieerd. De resultaten werden eveneens op SPIN teruggekoppeld. Tevens werd door de afdeling i.s.m. de vormingsambtenaar een ICT-vormingsplan opgesteld, dat door de directieraad werd goedgekeurd, en dat een eerste aanzet is om vorming in de jaarplanning en in de individuele planning in te passen, alsook te evalueren.
8.2. ALGEMENE ADMINISTRATIE 8.2.1. Personeel
Het aantal personeelsleden in dienst van de Vlaamse Landmaatschappij is in 2001 licht toegenomen. Deze toename situeert zich uitsluitend in de groep van de contractuele personeelsleden. Het personeelsbestand van de VLM kende ook in 2001 nog steeds een overwegend mannelijke samenstelling, hoewel het aandeel van de vrouwelijke personeelsleden in de statutaire personeelscategorie geleidelijk verder toeneemt
en het aandeel van de vrouwen bij het contractuele personeel duidelijk hoger ligt dan bij het statutaire personeel. Kenmerkend is tevens de diversiteit in arbeidsregelingen binnen de instelling. Deeltijdse prestatieregimes of specifieke verlofstelsels die toelaten de loopbaan tijdelijk te onderbreken nemen gestaag toe. In 2001 steeg het aantal tewerkgestelde personeelsleden met iets minder dan 5%. Eind 2000 waren er 748 personeelsleden in
Tabel 8.1 - Personeelsbezetting op 31.12.00 Niveau
Kader
dienst Statutairen
Contractueel personeel Onderhoudspersoneel Startbaners H.B.
B.D.
H.B.
Totaal
H.B.
B.D.
H.B.
B.D.
A
211
89
93
35
39
B.D. 256
B
177
41
101
21
66
229
C
98
21
79
16
23
D
128
20
47
6
4
9
3
139 89
E
14
1
7
0
2
1
1
12
Onderhoudspersoneel Totaal
628 628
4 172
327
78
499
134
19
4
212
19
23 10
23
4 14
748 748
Tabel 8.2 - Personeelsbezetting op 31.12.01 Niveau
Kader
dienst Statutairen
Contractueel personeel Onderhoudspersoneel Startbaners H.B.
B.D.
H.B.
Totaal
H.B.
B.D.
H.B.
B.D.
A
211
85
99
48
41
B.D. 273
B
177
42
102
23
74
241
C
98
22
75
25
23
D
128
20
45
8
11
4
88
E
14
1
7
0
1
0
9
Onderhoudspersoneel Totaal
628 628
145
4 170
328
498
104 254
150
22
4
22 26
26 4
0 4
782 782
jaarverslag 2001
117
Ondersteunende afdelingen dienst, een jaar later was dit aantal opgelopen tot 782 (zie tabellen 8.1 en 8.2). Opvallend is het verschil in de evolutie van het personeelsbestand tussen de contractuele en de statutaire personeelsleden. Het aantal statutaire personeelsleden is nagenoeg constant gebleven. Dit heeft vooral te maken met het feit dat de structurele personeelsbehoeften van de instelling, die in principe door statutair personeel moeten worden ingevuld, grotendeels door de aanwerving van contractueel personeel werden opgevangen. Hoewel er in 2001 opnieuw enkele vergelijkende wervingsexamens werden georganiseerd kon er slechts een beperkt aantal statutaire wervingen worden doorgevoerd omwille van de beperkte ruimte in de huidige personeelsformatie van de VLM. Een aanpassing van de personeelsformatie wordt reeds geruime tijd voorzien, maar zal wellicht pas kunnen worden geconcretiseerd na de implementatie van de geplande reorganisatie van de Vlaamse administratie. Het tijdelijk invullen van deze structurele personeelsbehoeften door contractuelen is niet de enige verklaring voor de groei van het totaal aantal contractuele personeelsleden. In 2001 werd door de raad van bestuur ook een aantal wervingen voor uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften goedgekeurd. Vooral de goedkeuring van de wervingen voor het RTKproject en voor beheersovereenkomsten hebben mee geleid tot de toename van het contractuele personeelsbestand. Ook de toenemende populariteit van deeltijdse en voltijdse verlofstelsels (verlof voor deeltijdse prestaties, algemene en specifieke stelsels van loopbaanonderbreking, ‌) leidde tot een toename van contractuele personeelsleden die in vervanging van afwezige ambtenaren werden aangeworven. Al deze factoren veroorzaakten een stijging van
118
Figuur 8.1: verhouding personeelscategorieĂŤn 31.12.2000
het aantal contractuele personeelsleden (onderhoudspersoneel en startbaners niet inbegrepen) van 212 eenheden eind 2000 tot 254 eenheden op 31 december 2001. Op te merken valt ook dat eind 2001 de VLM nog 4 startbaners tewerkstelde. Startbanen zijn een bijzondere tewerkstellingsvorm gecreĂŤerd door de federale overheid. Bedoeling ervan is om de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt te versoepelen door hen sneller een eerste werkervaring te laten opdoen. Door de bijna status-quo van het statutair Figuur 8.3: Verdeling contractueel personeel over de verschillende niveaus
Figuur 8.2: Verhouding personeelscategorieĂŤn 31.12.2001
personeel en de stijging van het contractueel personeelsbestand is het relatieve aandeel van het contractueel personeel uiteraard toegenomen (zie figuur 8.1 en 8.2). Zo maken de contractuele personeelsleden (onderhoudspersoneel en startbaners niet inbegrepen) op 31 december 2001 32% van het personeelseffectief uit (tegen 28% in 2000). Het aandeel van het statutaire personeel nam daardoor uiteraard ook af van 67% tot 64%.
vooral situeert in de niveaus C, B en A (figuur 8.3). Dit beklemtoont de noodzaak om steeds meer met hoog gekwalificeerde medewerkers de complexe opdrachten te verwezenlijken waar de Vlaamse Landmaatschappij mee wordt geconfronteerd. In de groep van de statutaire personeelsleden (Figuur 8.4) zijn de verschuivingen, omwille van het feit dat tegenover de natuurlijke afvloei een gering aantal wervingen stond vanwege de hiervoor geciteerde redenen, uiteraard beperkter, maar kan vastgesteld worden dat het relatieve aandeel van de niveaus A, B en C ook zeer hoog is. Figuur 8.5: Verhouding statutair personeel mannen-vrouwen 31.12.2000
Indien de evolutie van het contractueel personeelsbestand verder wordt geanalyseerd, kan worden vastgesteld dat de toename zich Figuur 8.4: Verdeling statutair personeel over de verschillende niveaus
Bij een analyse van de man-vrouwverhouding in de groep van de statutaire personeelsleden kan opnieuw in nagenoeg alle niveaus een, zij het weliswaar bescheiden, evolutie worden vastgesteld in de richting van een meer evenwichtige verhouding tussen beide geslachten (zie figuur 8.5 en 8.6). Niveau E blijft evenwel nog steeds volledig uit mannen bestaan. Dit heeft te maken met het feit dat het in dit niveau vooral om technische functies gaat waarin traditioneel weinig vrouwen actief zijn (bv. de ondersteuning van topografische meetploegen). Niveau D, dat hoofdzakelijk uitvoerende administratieve functies omvat, is het enige niveau waarin vrouwen in de meerderheid zijn.
jaarverslag 2001
119
Ondersteunende afdelingen Figuur 8.6: Verhouding statutair personeel mannen-vrouwen 31.12.2001
Bij de contractuele personeelsleden geeft de verhouding mannen-vrouwen een totaal ander beeld (Figuur 8.7 en 8.8) en blijven de vrouwen in de meerderheid in alle niveaus, in 2001 voor het eerst ook in niveau A.
deel van de verschillende leeftijdsgroepen. Ruim vijftig procent van het statutair personeel is tussen de 26 en 40 jaar oud. De andere personeelsleden zijn relatief evenwichtig gespreid over de andere leeftijdsgroepen, alleen de jongste en de oudste leeftijdscategorieĂŤn zijn iets minder vertegenwoordigd. De leeftijdsverdeling van de contractuele personeelsleden geeft een ander beeld (Figuur 8.10). Het aandeel van de jongeren bij het contractueel personeel is duidelijk het grootst. Dit blijft een constante, hoewel dit op 31 december 2001 iets minder uitgesproken het geval was Figuur 8.8: Verhouding contractueel personeel mannen-vrouwen 31.12.2001
Uit de evolutie van de leeftijdsstructuur van het statutair personeel (Figuur 8.9) kan worden afgeleid dat er door het relatief geringe aantal statutaire wervingen, die normaal gezien voor een verjongingseffect zorgen, er slecht minieme verschuivingen optreden in het relatieve aanFiguur 8.7: Verhouding contractueel personeel mannen-vrouwen 31.12.2000
dan eind 2000. Meer dan 70% van het contractuele personeel is 30 of jonger. Het feit dat het aandeel van de jongere werknemers in de groep van het niet-statutaire personeel zo groot is heeft uiteraard te maken met het feit dat contractuele betrekkingen vaak een tijdelijk karakter hebben, waardoor vooral jongeren die hun eerste ervaringen opdoen op de arbeidsmarkt, in afwachting van een job die meer werkzekerheid biedt, voor deze functies kandideren. Ook de startbanen dragen bij tot de "verjonging" van het contractuele personeelsbestand.
120
Figuur 8.9: Leeftijdsstructuur statutair personeel
Figuur 8.10: Leeftijdsstructuur contractueel personeel
Om personeelsleden toe te laten hun gezinsleven beter te combineren met hun functie bij de VLM of zich tijdens hun carrière op bepaalde momenten te herbronnen staat de instelling positief t.o.v. vragen van personeelsleden om deeltijds te werken of tijdelijk hun loopbaan te onderbreken. Het personeelsstatuut voorziet diverse verlofsoorten om aan dergelijke vragen tegemoet te komen en in het personeelsbeheer gaat dan ook de nodige aandacht uit naar flexibele werkvormen en de begeleidende maatregelen die moeten worden getroffen om de effecten daarvan op de organisatie zo goed als mogelijk op te vangen. In 2001 werden bovendien nog verde-
re stappen gezet op dit terrein (meer algemene invoering van thuiswerk na een gunstig verlopen proefproject in 2000, sterke versoepeling van de werktijdregeling, …). Op een totaal van 782 personeelsleden werkten er eind 2001 in totaal 99 deeltijds (12,7%). Daarnaast waren er 23 personeelsleden (2,9%) die van een of andere vorm van een langdurig voltijds verlof (voltijdse loopbaanonderbreking, verlof voor opdracht, …) gebruik maakten (zie tabel 8.3 en figuur 8.11). Ook de mogelijkheden die de nieuwe regeling inzake thuiswerk en de aangepaste flexibele werktijden bieden werden in 2001 door het personeel benut en lijken hun
jaarverslag 2001
121
Ondersteunende afdelingen steentje bij te dragen tot de jobsatisfactie van het personeel, wat uiteindelijk ook de organisatie in haar geheel ten goede komt. 8.2.2. Vorming
In de loop van 2001 werd een strategisch VTObeleidsplan (VTO = vorming, training en opleiding) uitgewerkt. De aanleiding tot de ontwikkeling van dit strategisch VTO-beleidsplan is de noodzaak aan actualisering van een eerste vormingsbeleidsplan zodat het gerichter bijdraagt tot de ontwikkeling van de VLM tot een lerende organisatie. Actualisering drong zich op omwille
van de veranderde organisatiestructuur en de introductie van een aantal nieuwe concepten. Zo kan er o.m. rekening gehouden worden met het nieuwe strategisch plan van de VLM, de uitbouw van competentienetwerken, de verschillende vormingsbehoeften van professionals enerzijds en administratief-logistiek personeel anderzijds, de rol van de verschillende actoren, het belang van het informeel leren, mogelijkheden tot ondersteuning via kennismanagementsystemen, ‌ Dit strategisch VTO-beleidsplan moet als kader gezien worden voor de professionele ontwikkeling van de VLM-personeelsleden.
Figuur 8.11: Prestatieregimes 31.12.01
Tabel 8.3 - Prestatieregimes op 31.12.01 Voltijdse prestaties
Deeltijdse prestaties (1)
Voltijds langdurig verlof (2)
Totaal
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
%
Aantal
Niveau A
240
87,9
21
7,7
12
4,4
273
Niveau B
213
88,4
22
9,1
6
2,5
241
Niveau C
128
88,3
15
10,3
2
1,4
145
Niveau D
68
77,3
19
21,6
1
1,1
88
Niveau E
11
31,4
22
62,9
2
5,7
35
660
84,4
99
12,7
23
2,9
782
Totaal
(1) deeltijdse prestaties zijn de verloven voor verminderde prestaties, halftijdse loopbaanonderbreking en deeltijdse contracten (2) voltijdse langdurige verloven zijn het gecontingenteerd verlof voor stage of proeftijd, voltijdse loopbaanonderbreking en het verlof voor opdracht
122
De VLM verwacht van haar medewerkers dat zij efficiënt en kwaliteitsvol hun taken uitvoeren en aldus bijdragen tot de realisatie van de organisatiedoelstellingen. Meer en meer dienen medewerkers in multidisciplinaire teams samen te werken, moeten zij onderhandelen met doelgroepen en klanten. Hiervoor zijn specifieke competenties en vakkennis zeer belangrijk. De VLM wil via het uittekenen van een strategisch VTO-beleidsplan een kader bieden waarbinnen VTO-activiteiten gericht kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van de medewerkers én de organisatie. De doelstellingen van het strategisch VTObeleidsplan zijn: • het verder systematiseren van de VTO-activiteiten in die zin dat elke VTO-actie enerzijds bijdraagt tot de individuele ontwikkeling van de medewerker en anderzijds tegelijkertijd kadert in het algemeen strategisch plan van de VLM en dus ook de ontwikkeling van de organisatie ondersteunt • het positioneren van de nieuwe actoren inzake VTO en het opnieuw scherp stellen van de rol van alle betrokken actoren • het ter beschikking stellen van een ruimer referentiekader waaraan de directieraad de VTO-inspanningen kan toetsen en evalueren. De VLM streeft ernaar de VTO-activiteiten zo effectief en efficiënt mogelijk op te zetten. Uit ervaring blijkt dat kwaliteitsvolle VTO-activiteiten niet alleen een goede uitvoering, maar ook een degelijke voorbereiding en nazorg vergen. Dit kan enkel bereikt worden door een systematischer aanpak van het voor- en natraject. Daarnaast wordt ook het belang van het informele leren benadrukt. Leren is een natuurlijk proces dat immers overal en permanent plaatsvindt, ook in situaties die niet expliciet gecreëerd werden met de bedoeling te leren. In organisaties is evenwel niet altijd het juiste
klimaat en omstandigheden voorhanden om informeel leren te stimuleren. Wellicht zijn er ook in de VLM tal van belemmerende factoren voor het spontaan op gang komen van leerprocessen. Verder onderzoek zal uitwijzen welke maatregelen kunnen genomen worden om de kans op leren tijdens het werk te maximaliseren. De competentienetwerken die begin 2000 werden "geïnstalleerd" met als doel de noodzakelijke competenties in de organisatie up-to-date te houden en te ontwikkelen, dragen bij tot het bespreekbaar maken van competentieontwikkeling van groepen specialisten. Tal van acties werden ondernomen om gericht aan kennis- en ervaringsuitwisseling te werken. Het structureren en expliciet vastleggen van deze netwerken kan in tegenspraak lijken met het beoogde doel m.n. spontane kennisuitwisseling stimuleren. De VLM heeft echter ervaren dat dit zowel door medewerkers als leidinggevenden gezien werd als een noodzakelijke voorwaarde om aan competentieontwikkeling te werken. De efficiënte werking van deze netwerken is vooral te danken aan het enthousiasme en de gedrevenheid van een aantal sleutelfiguren. Verdere aandacht en ondersteuning van deze competentienetwerken blijft echter meer dan ooit noodzakelijk. Daarom zal de verdere uitbouw van deze netwerken erop gericht moeten zijn de competentieontwikkeling nog beter af te stemmen op de organisatiedoelstellingen. 8.2.3. Juridische zaken
Juridische dienstverlening en juridische ondersteuning van de beleidsvoorbereiding en –uitvoering zijn sleutelopdrachten van de Cel Juridische Zaken. Concreet betekent dit: • Het verlenen van casuïstiek (gevallenstudie) en algemeen juridisch advies inzake:
jaarverslag 2001
123
Ondersteunende afdelingen o De kernactiviteiten van de maatschappij nl.: de ruilverkaveling, de mestreglementering, de landinrichting, het natuurbehoud, het Geografisch Informatie Systeem Vlaanderen o De regelgevingen die raakvlakken hebben met of een impact hebben op de kernactiviteiten. Deze adviezen betreffen vooral het milieurecht, het publiek recht, het agrarisch recht, het zakenrecht, het strafrecht, het fiscaal recht en de ruimtelijke ordening o Het beheer van de maatschappij als ven-nootschap, als openbare instelling en als werkgever. Deze adviezen zijn terug te brengen tot het vennootschapsrecht, het administratief recht, het arbeidsrecht en het personeelsstatuut o De gunningsprocedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Het betreft het onderzoek op juridisch en administratief vlak van de problemen inzake het gunnen en het uitvoeren van de overheidsopdrachten • De juridische ondersteuning bij de opmaak van voorontwerpen van de decreten en uitvoeringsbesluiten en het legistiek nazicht ervan. • Het beheer van de betwiste zaken van: o geschillen voortvloeiend uit de toepassing van de wetgeving op de ruilverkaveling en de mestreglementering o geschillen ‘van gemeenrecht’ voortvloeiend uit het maatschappelijk doel van de maatschappij o geschillen inzake de gunningsprocedure en de uitvoering van werken, leveringen en diensten in toepassing van de overheidsopdrachtenreglementering • Het verstrekken van documentatie, de informatie in verband met rechtskundige aangelegenheden, de coördinatie van de wetgeving, de repertoriëring van de rechtspraak m.b.t. de kernactiviteiten en het geven van voorlichting over nieuwe wetgevingen. De gecoördineerde tekst van de kernwetgevingen wordt ter beschikking gesteld van belangstellenden.
124
• Daarnaast stond de cel Juridische Zaken in voor: 1. het verlenen van eerstelijns rechtsbijstand aan de personeelsleden in het raam van het reglement van de sociale dienst. Deze bijstand betreft vooral de privaat- en familiaalrechtelijke sfeer van de personeelsleden 2. de medewerking aan de adviescommissie inzake mestheffingen waarvan een jurist het secretariaat waarneemt 3. de medewerking aan verschillende werkgroepen: grondzaken, overheidsopdrachten en openbaarheid van bestuur 4. De medewerking aan de activiteiten van de Belgische Vereniging voor Agrarisch Recht en het Europees Comité voor Agrarisch recht 5. De voorbereiding van de omschakeling naar de euro 8.2.4. Communicatie
De communicatie van de VLM is erop gericht een breed maatschappelijk en wetenschappelijk draagvlak uit te bouwen voor al haar activiteiten. De verfijning en uitbreiding van overleg- en inspraakstructuren is daarbij essentieel. 8.2.4.1. Beleidsniveau
Het structureel overleg met het kabinet van de voogdijminister verloopt over verschillende overlegorganen. De VLM neemt actief deel aan: • MDG (beleidsraad) • SOK (wekelijks overleg tussen kabinet en VLM) • Woordvoerdersoverleg • COLEV (Overlegforum van communicatieverantwoordelijken met VLM als trekker) 8.2.4.2. Ambtelijk niveau
Naast het ambtelijke overleg en de samenwerking met andere administraties rond ad hoc-dossiers, neemt de VLM ook constructief deel aan structureel overleg op ambtelijk niveau (gewestelijk):
ontwikkeld, kregen binnen de activiteiten van de VLM dus reeds vaste vorm. Naast de formele inspraak- en overlegprocedures, is het informele contact met de doelgroepen evenzeer van belang. In 2001 heeft de VLM ernaar gestreefd om ook die informele contacten te professionaliseren door: • communicatieopleiding voor projectleiders en terreinmensen • het inroepen van externe expertise in de communicatie • het opzetten van een project rond procesbegeleiding (wordt een continu proces) • GMO • MOVI • MINA-raad • Commissie Landinrichting
De uitbouw van een uitgebreid netwerk aan contacten loopt bij de VLM verder over een aantal acties:
8.2.4.3. Doelgroepen
Overzicht beurzen 2001
Twee keer per jaar organiseert de VLM een overleg met haar voornaamste doelgroepen (landbouw, milieu en natuur) om de knelpunten in de samenwerking te detecteren en weg te werken. Daarnaast speelt de VLM pro-actief in op de informatiebehoeften van diezelfde doelgroepen.
1. AGRIFLORA – Flanders Expo Gent – van vrijdag 12 tot en met zondag 14 januari 2001 (Gemeenschappelijke Stand Vlaamse Overheid: VLM, AMINAL, ALT, VMM, OVAM, VLACO)
Binnen al de activiteiten van de VLM worden de doelgroepen via formele inspraakprocedures actief betrokken bij de uitvoering van de wetgeving en de totstandkoming van de projecten. In de projecten landinrichting, ruilverkaveling en natuurinrichting, zijn de doelgroepen vertegenwoordigd in de officiële overlegorganen. In het kader van de Mestbankactiviteiten zijn de doelgroepen vertegenwoordigd in de Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek. De ideeën die binnen het project Doelgroepenbeleid van AMINAL momenteel worden
2. INFOPOL – Hallen Kortrijk – van woensdag 9 tot en met vrijdag 11 mei 2001 (Gemeenschappelijk standje met OVAM – bodemsanering) 3. INTERNATIONALE WERKTUIGENDAGEN - Oudenaarde – zaterdag 22 en zondag 23 september (gemeenschappelijke stand met ALT, OVAM, AMINAL – Land) 5. Landbouwdagen Alden Biesen (PA Diest): op zaterdag 7 en zondag 8 juli 2001 6. Landbouwdagen Sint-Lievens-Houtem (PA Gent): op zaterdag 10 en zondag 11 november 2001
jaarverslag 2001
125
Ondersteunende afdelingen Overzicht bezoeken aan de VLM in 2001 1. Bezoek van een delegatie van de Chinese ambassade aan de ruilverkaveling Bollebeek, ontvangst op gemeentehuis Merchtem – toelichting activiteiten vrijdag 2/2/01 2. Bezoek van Amerikaanse prof Peggy Grossman Europese milieuregelgeving donderdag 22/3/01 3. Tegenbezoek aan VLM door NGI agenda: demo OC GIS-Vlaanderen, samenwerking OC-NGI dinsdag 24/4/01 – 10.00 uur
9. Werkbezoek van de dienst Landelijk Gebied (NL) aan de VLM toelichting activiteiten VLM, decreet GISVlaanderen, KADSCAN, GRB, Geoloketten, Grondbeleid vrijdag 14 september 2001 10. Bezoek van Prins Laurent en minister Dua aan het landbouwbedrijf van de heer Ivan Tolpe te Ichtegem mestverwerkingssysteem dinsdag 4 december 2001 8.2.5 Emancipatie 8.2.5.1. Uitvoering actieplan "Gender in balans"
4. Bezoek van officiële delegatie uit de Volksrepubliek China PA Gent: uiteenzetting activiteiten VLM + bedrijfsbezoek (paprikabedrijf Lambrecht te Nevele) dinsdag 1 mei 2001 5. Bezoek van Franstalige studenten landbouwingenieur toelichting activiteiten VLM woensdag 9 mei 2001 6. Voorstelling VLM en toelichting landinrichtingsproject Dender-West aan de Rotaryclub Geraardsbergen-Oudenberg maandag 21 mei 2001 7. Bezoek van de heer Van Chrismar van de Nederlandse Lanbouwraad de mogelijke toepassing in België van het instrument "modulatie" donderdag 5 juli 2001 8. Bezoek van de Japanse minister van Landbouw aan de VLM (PA Gent) donderdag 6 september 2001
126
De VLM nam in 1999-2000 samen met drie andere VOI’s deel aan het wetenschappelijk project "Gender in Balans". Via dat project werden onder begeleiding van wetenschappers de gendereffecten in de organisatie opgespoord en onderzocht en werd een actieplan opgemaakt om de genderverhoudingen in balans te brengen en de genderinvalshoek in het personeelsbeleid te integreren. In de loop van 2001 werden al enkele punten van dit actieplan uitgevoerd.
Het toetsen van de regelgeving op de genderneutraliteit is één van die actiepunten waaraan uitvoering werd gegeven. De VLM onderzocht met de andere VOI’s via de werkgroep MOVI-statuut, de genderneutraliteit van het stambesluit. Elke VOI onderzocht een deel van het stambesluit. De VLM verleende deze input over de bepalingen inzake de bezoldigingsregeling. Het geheel werd door de werkgroep MOVI gecoördineerd. De globale nota met voorstellen en opmerkingen werd aan de diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (ambtenarenzaken) bezorgd met de vraag deze voorstellen te onderzoek en de reglementering aan te passen. Omdat uit onderzoeken bleek dat meer vrouwen dan mannen binnen de overheid contractueel (= tijdelijk) tewerkgesteld zijn, werd in die nota ook gewezen op de verschillen tussen contractuelen en statutairen. Het opsporen en anticiperen van gendereffecten is een ander actiepunt dat geconcretiseerd werd. De personeelsverantwoordelijken en een aantal leidinggevenden volgden een training om
gendereffecten te kunnen opsporen en hierop te anticiperen. Hierdoor beschikt deze groep over de vaardigheden om gendereffecten te onderkennen en gepast te reageren. Deze vaardigheden zijn ook nuttig om andere punten van het positief actieplan efectief en efficiënt te kunnen uitvoeren. Ook voor de vorming en de loopbaanontwikkeling werden gerichte initiatieven genomen. Omdat blijkt dat binnen de Vlaamse overheid (en ook bij de VLM). meer vrouwen werken in de lagere niveaus, werd per werkzetel een vormingscel opgericht die opleidingsbehoeften van de personeelsleden (zowel contractuelen als statutairen) van niveau B, C en D detecteert zodat de vereiste vorming wordt georganiseerd en de betrokkenen ook worden aangemoedigd om aan deze vorming deel te nemen. De VLM heeft ook de organisatie van de loopbaanexamens en het deelnemen aan voorbereidingscursussen gestimuleerd en aan de deelnemers de mogelijkheid verleend om binnen de diensturen deel te nemen aan die opleidingen. Ook bij de bevorderingsexamens zelf werd het actieplan praktisch uitgevoerd. De juryleden die door de VLM aangeduid worden bij bevorderingsexamens waken erover dat de proeven vanuit de genderinvalshoek worden geïntegreerd. Uit het onderzoek "Gender in Balans" bleek dat het onthaal van de contractuele personeelsleden meer summier verliep en minder gestructureerd was dan voor de statutaire medewerkers. Met alle werkzetels werden afspraken gemaakt zodat het onthaal nu gelijkvormig verloopt.
jaarverslag 2001
127
Ondersteunende afdelingen 8.2.5.2. Ondersteunende acties
8.2.6.1. Grondbeheer
Naast de uitvoering van deze actiepunten uit het positief actieplan die de basis vormen voor een gestructureerd emancipatiebeleid, werden een aantal maatregelen genomen die onmiddellijk positieve resultaten opleveren voor de personeelsleden van de VLM in het algemeen en voor specifieke doelgroepen in het bijzonder. Meer regelmogelijkheden voor de combinatie werk - gezin werden gecreëerd door een versoepeling van de glijtijdregeling en het invoeren van de mogelijkheid om thuis te werken.
De cel Beheer Onroerend Goed: • is het centraal aanspreekpunt voor alles wat bevoegdheden van de Vlaamse Landmaatschappij inzake onroerend goed betreft, dit zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van andere organen inzake beslissing, overleg of advies dienaangaande; • zorgt voor de opvolging of centralisering van aankoop, verkoop, overdracht, huur, verhuur en administratief beheer van gronden; • maakt een inventaris op en houdt het onroerend patrimonium bij; • zorgt voor de administratieve afhandeling van de dossiers.
In de loop van 2001 werd in samenwerking met de sociale dienst een nieuwe regeling voor kinderopvang uitgewerkt. Tijdens de schoolvakanties was het al mogelijk om beroep te doen op kinderopvang in Brussel, Brugge, Gent, Antwerpen en Hasselt die door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap werd georganiseerd. Met de nieuwe regeling komt ook kinderopvang die tijdens de schoolvakanties georganiseerd wordt door Kind en Gezin of door een gemeente in aanmerking voor een bijdrage. In het jaarlijks personeels- en vormingsrapport worden gedetailleerde cijfergegevens opgenomen over de verhouding mannen/vrouwen (per niveau, in voltijdse en deeltijdse jobs, statutair/ contractueel). Hierdoor beschikt de VLM over de gegevens om de ontwikkelingen op het vlak van genderverhoudingen op te volgen en de acties bij te sturen. 8.2.6. Grondzaken
Grondbeheer (aan- en verkopen van onroerende goederen en het beheer van de aangekochte onroerende goederen) en grondbeleid zijn de sleutelopdrachten van de cel Beheer Onroerend Goed.
128
8.2.6.1.1. Aankopen en verkopen Domeingoederen De domeingoederen zijn aan de Vlaamse Landmaatschappij toegewezen bij de afschaffing van de Nationale Landmaatschappij (vroegere Nationale Maatschappij voor Kleine Landeigendommen, NMKL). Deze goederen werden destijds verworven ter realisatie van de doelstellingen van de NMKL. Gezien het feit dat de doelstelling van de NMKL bereikt is, heeft het behoud van het eigendomsrecht over de domeingoederen zijn functie verloren. De goederen welke vrij van pacht zijn of komen worden thans onmiddellijk te koop aangeboden. In 2001 werden 22 verkoopdossiers afgewerkt, goed voor een verkochte oppervlakte van 78ha 41a 83ca tegen een prijs van 133.397.621 BEF of 3.306.840,65 EUR. Ruilverkaveling De Vlaamse Landmaatschappij kan landeigendommen aankopen in zones die door de minister aangewezen zijn als vatbaar voor ruilverkaveling. Zij kan hiervoor gebruik maken van haar recht van voorkoop, maar kan uiteraard ook rechtstreeks aangeboden landeigendommen kopen.
In 117 dossiers maakte de Vlaamse Landmaatschappij in 2001 gebruik van de haar verleende rechten ingevolge de artikelen 74 (rechtstreeks aanbod) en 56ยง2 (uitoefening van het recht van voorkoop) van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet. Dit was goed voor een in totaal gekochte oppervlakte van 107ha 92a 16ca tegen een prijs van 174.478.218 BEF of 4.325.202,05 EUR (aankoopprijs + aktekosten). Landinrichting Voor de uitvoering van landinrichtingsprojecten is verwerving (aankopen of onteigenen) van onroerende goederen vaak noodzakelijk om de doelstellingen te kunnen verwezenlijken. De Vlaamse Landmaatschappij kan onroerende goederen ofwel verwerven ter uitvoering van een goedgekeurd inrichtingsplan ofwel op basis van haar statuten verworven voor landinrichting in functie van een aangepast beheer. In 2001 werkte de cel Beheer Onroerend Goed 16 aankoopdossiers af, goed voor een gekochte oppervlakte van 57ha 43a 41ca tegen een prijs van 68.786.016 BEF of 1.705.160,80 EUR (aankoopprijs + aktekosten). Natuurinrichting Het recht van voorkoop natuur is wettelijk geregeld in de artikels 37 tot en met 40 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (B.S. 10 januari 1998). Bijkomende bepalingen staan in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 (B.S. 10 september 1998). De begunstigde van dit recht van voorkoop is het Vlaamse Gewest. De Vlaamse regering heeft de Vlaamse Landmaatschappij gemachtigd om in naam en voor rekening binnen de daartoe beschikbare budgettaire perken, het recht van voorkoop uit te oefenen.
In 2001 werden 96 dossiers, uitoefening recht van voorkoop, afgewerkt. Dit was goed voor een gekochte oppervlakte van 61ha 33a 67ca tegen een prijs van 33.210.668 BEF of 823.270,96 EUR (aankoopprijs + aktekosten). Aankopen met eigen middelen Artikel 3 van de statuten van de Vlaamse Landmaatschappij bepaalt dat de Vlaamse Landmaatschappij voor de realisatie van haar maatschappelijk doel onroerende goederen kan verwerven met eigen middelen. Omdat de eigen middelen niet onbeperkt zijn, moet een immobilisatie gedurende lange tijd vermeden worden. In 2001 werden 11 dossiers "aankopen met eigen middelen Natuur" afgewerkt. Dit was goed voor een gekochte oppervlakte van in totaal 55ha 15a 66ca tegen een prijs van 41.947.297 BEF of 1.039.846,33 EUR (aankoopprijs + aktekosten). 8.2.6.1.2. Beheer van onroerende goederen Een van de aspecten van het beheer van onroerende goederen is het gebruik van deze goederen. In 2001 verpachtte de Vlaamse Landmaatschappij in totaal een oppervlakte van 1.188ha 21a 16ca aan 370 verschillende pachters.
jaarverslag 2001
129
Ondersteunende afdelingen Dit was goed voor een totaal ontvangen pachtprijs van 5.350.730 BEF of 132.641,13 EUR. Het jachtrecht werd toegestaan op een oppervlakte van 1.842ha 56a 85ca voor een bedrag van 1.088.220 BEF of 26.976,27 EUR. 8.2.6.2. Grondbeleid
De cel Beheer Onroerend Goed werkt mee aan een aantal strategisch belangrijke projecten zoals: Kolonie Merksplas, stadsrandbossen, Kruibeke-Bazel-Rupelmonde, Doel. Tenslotte verleende de cel Beheer Onroerend Goed haar medewerking aan verschillende werkgroepen: werkgroep grondzaken, natuur, geïntegreerd plattelandsbeleid, integratie inrichtingsmaatregelen en LMIS (Land Management Information System). 8.2.7. Openbaarheid van bestuur, klachtendecreet en Vlaamse ombudsdiest
kosteloos te beklagen over de werking en handelingen van een bestuursinstelling. De bestuursinstelling is verplicht een zorgvuldige klachtenbehandeling uit te werken door het opzetten van een klachtenvoorziening. Het decreet beperkt zich tot een informele procedure, een klachtenprocedure die de instelling zelf uitwerkt. Na het afsluiten van het onderzoek binnen de 45 dagen is de bestuursinstelling verplicht de klager schriftelijk de bevindingen van het onderzoek mee te delen. De instelling moet hierbij vermelden of de klager een klacht kan indienen bij de Vlaamse ombudsman of dat hij op een andere manier nog een klacht kan indienen. De bestuursinstellingen worden verplicht jaarlijks verslag uit te brengen bij de Vlaamse ombudsman. Zo kan de ombudsman nagaan in welke mate de instellingen een behoorlijke klachtenbehandeling naleven. Dit verslag wordt ook opgenomen in het jaarverslag van de instelling.
8.2.7.1. Decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur (B.S., 15 juni 1999)
Dit decreet heft het vroegere decreet van 23 oktober 1991 inzake openbaarheid van bestuur op. De instrumenten van actieve en passieve openbaarheid werden behouden om het beginsel van openbaarheid te realiseren op het niveau van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest. De actieve openbaarheid wordt op het vlak van de Vlaamse gemeenschap en het Vlaamse gewest gerealiseerd door het voeren van een actief voorlichtingsbeleid naar het publiek toe. 8.2.7.2. Klachtendecreet
Op 1 januari 2002 trad het decreet van 1 juni 2001 houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van de bestuursinstellingen in werking. Door dit decreet krijgt de burger het recht zich
130
In een overleg dat plaats had tussen de verschillende bestuursinstellingen en de Vlaamse ombudsdienst over het klachtendecreet, werd gevraagd één klachtencoördinator per bestuurs-
instelling aan te duiden die ook het aanspreekpunt voor de ombudsdienst wordt. Er dient per instelling een vast aanspreekpunt (-helpdesk) te worden vastgelegd voor de klachtindienende burger. De klachtenbehandelaar mag niet samenvallen met de oorspronkelijk behandelende ambtenaar of de ambtenaar die de briefwisseling heeft ondertekend. De klachtencoördinator, het aanspreekpunt en de klachtenbehandelaar kunnen dezelfde persoon zijn. Er moet per instelling een eenvoudige procedure (draaiboek) voor klachtenbehandeling worden uitgewerkt die zoveel mogelijk gestroomlijnd is met de procedure van de andere bestuursinstellingen. Relatie Eerstelijnszorg (klachtendecreet) – Tweedelijnszorg (Vlaamse ombudsdienst) Als eerstelijnsopdracht heeft elke bestuursinstelling de plicht om zelf de klachtenbehandeling te organiseren. De klachtenbehandeling door de ombudsdienst bevindt zich in de tweede lijn. De klager kan zich pas tot de ombudsdienst wenden als er na tussenkomst van de klachtendienst van de bestuursinstelling geen voldoende oplossing is gevonden voor de klacht. Dit was reeds gestipuleerd in het decreet van 7 juli 1998 houdende de instelling van de Vlaamse ombudsdienst. Omgekeerd verwijst het klachtendecreet op drie plaatsen naar het Vlaamse ombudsdecreet: • het mogelijk beroep op de Vlaamse ombudsdienst wanneer een klacht niet of laattijdig door de instelling wordt behandeld (artikel 5) • de vermelding van de Vlaamse ombudsdienst wanneer er na de klachtbehandeling door de instelling nog een beroep mogelijk is (artikel 11) • de instellingen zijn verplicht jaarlijks te rapporteren aan de Vlaamse ombudsdienst (artikel 12) over de ingekomen klachten en de bevindingen van de behandeling van deze klachten.
8.2.7.3. Vlaamse ombudsdienst
Door het decreet van 7 juli 1998 houdende de instelling van de Vlaamse ombudsdienst (B.S., 25 augustus 1998) wordt bij het Vlaams Parlement voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest een Vlaamse ombudsdienst ingevoerd. Om de onafhankelijkheid van de ombudsman te garanderen is er voor geopteerd de ombudsdienst te laten ressorteren onder de wetgevende macht. In het eerste volledige werkingsjaar van de ombudsman verscheen het huishoudelijk reglement van de Vlaamse ombudsdienst in het Belgisch staatsblad van 29 november. Dit reglement regelt vooral de externe relaties van de ombudsdienst met de verzoekers, de Vlaamse overheidsdiensten en het Vlaams Parlement en bevat ook enkele interne werkingsregels. In uitvoering van dit reglement sloot de maatschappij met de ombudsdienst een samenwerkingsprotocol.
jaarverslag 2001
131
2 De
VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ DE ZORG VOOR DE OPEN RUIMTE IN VLAANDEREN
2 l e
Begrip hebben voor elkaar en voor de natuur.
Begrip hebben voor elkaar en voor de natuur
Van mens tot mens. Van mens tot mens
Deel 2: Bijlagen
Waarderingsregels
136
Balans na winstverdeling boekjaar 2001
138
Resultatenrekening 2001
140
Toelichting
142
Sociale balans
147
Verslag van de bedrijfsrevisor
150
Info
151
jaarverslag 2001
Waarderingsregels ACTIVA De waarderingsregels werden gewijzigd tijdens het boekjaar 1998 door het besluit van de Vlaamse regering van 21 mei 1997, (B.S. 11/10/97) betreffende een geïntegreerde economische boekhouding en budgettaire rapportering voor de Vlaamse openbare instellingen. De afschrijvingen vanaf boekjaar 1998 zijn lineair en pro-rata-temporis berekend.
C. Meubilair en rollend materieel
De aankopen worden voor de aankoopwaarde geboekt. De afschrijvingen worden als volgt berekend: • rollend materieel: 20% per jaar • informatica: 33% per jaar • meubilair: 10% per jaar • kunstvoorwerp: voor 1 bef. Symbolische waarde • mestopslag materieel: 20% per jaar • kantoormaterieel: 20% per jaar • afdrukmaterieel: 20% per jaar
II. Immateriële vaste activa
Computer-software wordt afgeschreven aan 33%. III. Materiële vaste activa A . Te r r e i n e n e n g e b o u w e n
De aankopen werden voor hun aankoopwaarde of bouwwaarde geboekt, BTW inbegrepen. De gebouwen worden afgeschreven aan 3% per jaar. De meerwaarde op terreinen en gebouwen wordt afgeschreven, rekening houdend met de volgende criteria:
Voor de investeringen, gefinancierd met kapitaalsubsidies, worden de afschrijvingen ten laste genomen van het resultaat, evenredig aangerekend op de post 75 als in resultaat genomen kapitaalsubsidies. E. Overige materiële vaste activa
De terreinen en de gebouwen worden voor hun aankoopwaarde geboekt. De afschrijving van de gebouwen wordt aan 3% per jaar berekend.
• de pro rata meerwaarde op de bebouwde terreinen, berekend volgens de verhouding boekwaarde terreinen en boekwaarde van de gebouwen, wordt niet afgeschreven • de meerwaarde op de gebouwen wordt afgeschreven volgens de resterende afschrijvingstermijn per gebouw
IV. Financiële vaste activa
B. Installaties, machines en uitrusting
B. Overige vorderingen
De aankopen worden voor de aankoopwaarde geboekt. De afschrijvingen worden als volgt berekend:
De vorderingen worden voor hun nominale waarde geboekt en betreffen:
C. Andere financiële vaste activa
C.2. Vorderingen en borgtochten in contacten; De gestorte waarborgen worden voor hun nominale waarde geboekt. V. Vorderingen op meer dan één jaar
• materieel ruilverkaveling: 10% per jaar • materieel fotogrammetrie: 10% per jaar • beveilingsinstallatie: 10% per jaar • installaties gebouwen: 10% per jaar
136
• vorderingen op ruilverkavelingscomité’s • vorderingen op hypothecaire debiteuren • sociale leningen • projecten landinrichting • préfinanciering gronden natuurinrichting
VI.
Voorraden en bestellingen in uitvoering
4. Overige risico’s en kosten. Deze voorziening omvat volgende rubrieken:
A . Vo o r r a d e n .
VI. A.5. Onroerende goederen bestemd voor de verkoop. De gronden worden geboekt voor hun aankoopwaarde vermeerderd met de aankoopkosten.
• Voorziening voor hangende geschillen. • Voorziening terreinen ruilverkaveling en landinrichting. • Voorziening voor initiatieven van de Mestbank, samengesteld uit overgedragen saldi van vorige boekjaren.
VII.
Vorderingen op ten hoogste
VIII. Schulden op langer dan één jaar
één jaar.
A . Fi n a n c i ë l e s c h u l d e n
A. Handelsvorderingen
De handelsvorderingen worden geboekt voor hun nominale waarde.
5. Overige leningen. Deze schuld wordt voor haar nominale waarde geboekt.
B. Overige vorderingen
De overige vorderingen worden geboekt voor hun nominale waarde. IX.
B. Overige schulden
Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt.
Liquide middelen.
De liquide middelen worden voor hun nominale waarden geboekt.
IX. Schulden op ten hoogste één jaar A. Schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen
X.
Overlopende rekeningen
De overgedragen kosten en de verworven inkomsten worden geboekt voor het bedrag berekend volgens het pro rata respectievelijk ten laste of ten bate van het boekjaar voor hun nominale waarde.
Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt. C. Handelsschulden
Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt. E. Schulden met betrekking tot belastin-
PASSIVA VII. A. Voorzieningen voor risico’s en kosten
3. Grote herstellings- en onderhoudswerken. Deze voorziening wordt samengesteld op basis van een kostenraming betreffende een groot onderhoud en grote herstellingen aan de gebouwen van de Vlaamse Landmaatschappij.
gen, bezoldigingen en sociale lasten
Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt. De voorziening voor het vakantiegeld wordt overeenkomstig de wettelijke bepalingen voorzien. F. O v e r i g e s c h u l d e n
Deze schulden worden voor hun nominale waarde geboekt.
jaarverslag 2001
137
Balans na winstverdeling X. Overlopende rekeningen
De toe te rekenen kosten en de over te dragen opbrengsten worden respectievelijk ten laste of ten bate genomen van het boekjaar voor hun nominale waarde.
Toevoeging aan de toelichting. Volgende vorderingen op het Vlaams Gewest stonden nog open op 31/12/01:
• werkingdotaties: 101.680.000 bef • kapitaalsubsidies: 79.055.463 bef • projectdotaties: 112.538.000 bef. Op datum van 17/01/02 hebben wij 365.395,05 EUR (14.740.000 bef) ontvangen waarvan 247.893,52 EUR (10.000.000 bef) aan projectdotaties en 117.501,53 EUR (4.740.000 bef) aan werkingsdotaties.
BALANS NA WINSTVERDELING (bedragen in euro) ACTIVA
codes
Boekjaar 2001
VASTE ACTIVA
20/28
16.672.599,58
13.933.896,71
II. Immateriële vaste activa III. Materiële vaste activa
21 22/27
1.223.924,70 15.429.711,03
644.870,22 13.270.831,11
A. Terreinen en gebouwen
22
7.037.424,49
7.473.493,98
B. Installaties,machines en uitrusting
23
799.580,56
401.562,72
C. Meubilair en rollend materieel
24
4.561.513,54
3.802.042,15
E. Overige materiële vaste activa
26
3.031.192,44
1.593.732,26
IV. Financiële vaste activa C. Andere financiële vaste activa 1. Aandelen 2. Vorderingen en borgtochten in contanten VLOTTENDE ACTIVA V. Vorderingen op meer dan één jaar E. Overige vorderingen VI. Voorraden en bestellingen in uitvoering A. Voorraden 5. Onroerende goederen bestemd voor verkoop
28 284/8 284 285/8
18.963,85 18.963,85 5.180,97 13.782,88
A. Handelsvorderingen E. Overige vorderingen
18.195,38 18.195,38 5.156,19 13.039,20
29/58
94.409.629,18
94.052.340,24
29
17.351.679,11
18.050.490,95
291
17.351.679,11
3
30/36 35
40 41
18.050.490,95 13.076.904,01
13.076.904,01 13.076.904,01
11.897.054,78
11.897.054,78 11.897.054,78
VII. Vorderingen op ten hoogste één jaar 40/41
61.586.121,93 255.751,75 61.330.370,18
62.671.647,67 332.375,64 62.339.272,04
IX. Liquide middelen
54/58
5.428,87
10.411,53
X. Overlopende rekeningen
490/1
2.389.495,26
1.422.735,31
20/58
111.082.228,76
TOTAAL DER ACTIVA 107.986.236,95
138
Vorig boekjaar
BALANS NA WINSTVERDELING (bedragen in euro) PASSIVA
codes
EIGEN VERMOGEN
10/15
30.310.858,48
27.814.421,95
10
71.889,12
71.889,12
I. Kapitaal A. Geplaatst kapitaal
100
Boekjaar 2001
Vorig boekjaar
71.889,12
71.889,12
III. Herwaarderingsmeerwaarden
12
12.882.729,01
12.882.729,01
IV. Reserves
13
10.638.697,67
9.514.723,64
A. Wettelijke reserve B.2. Andere onbeschikbare reserves
130
7.188,91
7.188,91
1311
1.830.321,84
1.492.170,28
C. Belastingvrije reserves
132
3.467.286,73
2.681.489,05
D. Beschikbare reserves
133
5.333.900,18
5.333.875,39
VI. Kapitaalsubsidies
15
6.717.542,68
5.345.080,18
VOORZIENINGEN EN
16
5.226.314,39
5.443.543,49
160/5
5.226.314,39
5.443.543,49
UITGESTELDE BELASTINGEN VII.A. Voorzieningen voor risico's en kosten 3. Grote herstellings- en
162
1.695.244,66
2.071.596,61
163/5
3.531.069,73
3.371.946,88
onderhoudswerken 4. Overige risico's en kosten SCHULDEN VIII. Schulden op meer dan één jaar D. Overige schulden
17/49
75.545.055,89
74.728.271,51
17
27.903.390,94
28.748.187,28
178/9
IX. Schulden op ten hoogste één jaar
42/48
A. Schulden op meer dan één jaar
42
27.903.390,94
28.748.187,28 44.168.156,09
43.240.612,89
17.922,70
17.922,70
die binnen het jaar vervallen C. Handelsschulden 1. Leveranciers E. Schulden m.b.t. belastingen,
44
2.998.321,76
2.318.498,56
440/4
2.998.321,76
2.318.498,56
45
3.854.198,94
3.069.491,99
bezoldigingen en sociale lasten 1. Belastingen
450/3
637.953,99
452.926,26
2. Bezoldigingen en sociale lasten
454/9
3.216.244,96
2.616.565,73
47/48
37.297.712,69
37.834.699,64
F. Overige schulden
X. Overlopende rekeningen TOTAAL DER PASSIVA
492/3
3.473.508,86
10/49
111.082.228,76
2.739.471,34 107.986.236,95
jaarverslag 2001
139
Resultatenrekening RESULTATENREKENING KOSTEN
codes
II. Bedrijfskosten
60/64
A. Handelsgoederen,grond- en
60
(bedragen in euro)
Boekjaar 2001
Vorig boekjaar
44.977.974,66 973.229,98
36.428.969,83 833.715,50
hulpstoffen 1. Inkopen 2. Wijziging in de voorraad
600/8
2.153.079,21
1.966.985,54
609
-1.179.849,23
-1.133.270,04
(toename -, afname +) B. Diensten en diverse goederen
61
8.764.325,15
7.890.996,26
C. Bezoldigingen,sociale lasten en
62
31.361.381,66
26.987.325,20
630
3.426.954,45
2.515.920,96
631/4
-74,37
-962.446,61
F. Voorziening voor risico's en kosten
635/7
-217.204,31
-2.608.633,14
G. Andere bedrijfskosten
640/8
669.362,10
1.772.091,65
pensioenen D. Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa E. Waardeverminderingen op, voorraden bestellingen in uitvoering en handelsvorderingen
V. Financiële kosten A. Kosten van schulden C. Andere financiële kosten VIII. Uitzonderlijke kosten A. Uitzonderlijke afschrijvingen op
65
2.875,56
2.305,41
650
198,31
594,94
652/9
2.677,25
1.710,47
66
84.630,85
43.133,47
660
0,00
1.512,15
664/8
84.630,85
41.621,32
materiële vaste activa E. Andere uitzonderlijke kosten X. Belastingen op het resultaat A. Belastingen XI. Winst van het boekjaar
67/77 670/3
0,00 0,00
70/67
1.123.974,03
2.353.401,97
46.189.455,11
38.827.810,68
689
785.822,47
857.637,23
70/68
338.151,56
1.495.764,74
TOTAAL DER KOSTEN XII. Overboeking naar de belas-
0,00 0,00
tingvrije reserves XIII. Te bestemmen winst van het boekjaar RESULTAATVERWERKING A. Te bestemmen winstsaldo 1. Te bestemmen winst van het
70/69 70/68
338.151,56 338.151,56
1.495.764,74 1.495.764,74
boekjaar C. Toevoeging aan het eigen vermogen 691/2
140
-338.151,56
-1.495.764,74
2. aan de wettelijke reserve
6920
0,00
3.594,46
3. aan de overige reserves
6921
338.151,56
1.492.170,28
RESULTATENREKENING OPBRENGSTEN I. Bedrijfsopbrengsten
codes
(bedragen in euro)
Boekjaar 2001
70/74
Vorig boekjaar
42.546.932,44
36.203.461,09
A. Omzet
70
2.722.441,06
2.288.429,07
D. Andere bedrijfsopbrengsten
74
39.824.491,38
33.915.032,02
IV. Financiële opbrengsten B. Opbrengsten uit vlottende activa C. Andere financiële opbrengsten VII. Uitzonderlijke opbrengsten D. Meerwaarde bij de realisatie van
75
3.545.720,24
2.090.213,41
751
996.581,55
490.829,18
752/9
2.549.138,69
1.599.384,23
76
96.802,42
534.136,18
763
16.931,13
25.185,98
764/9
79.871,29
508.950,20
vaste activa E. Andere uitzonderlijke opbrengsten X. B. Regularisering van belastingen en terugneming van voorzieningen
77
0,00
0,00
46.189.455,11
38.827.810,68
voor belastingen TOTAAL DER OPBRENGSTEN
jaarverslag 2001
141
Toelichting II. STAAT VAN DE IMMATERIELE VASTE ACTIVA (bedragen in euro) a) Aanschaffingswaarde Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Aanschaffingen,met inbegrip van de geproduceerde vaste activa - overdrachten en buitengebruikstellingen Per einde van het boekjaar
(POST 21 VAN DE ACTIVA)
codes
concessies, octrooien licenties, enz.
8012
961.826,88
8022
1.036.789,88
8032 8052
1.998.616,75
c) Afschrijvingen en waardeverminderingen Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Geboekt - Afgeboekt - Overgeboekt van een post naar een andere Per einde van het boekjaar
8062
316.956,66
8072 8092 8102 8122
457.735,39
d) Netto-boekw. per einde van het boekjaar
8132
1.223.924,70
774.692,05
III. STAAT VAN DE MATERIELE VASTE ACTIVA (bedragen in euro)
(POSTEN 22 TOT 27 VAN DE ACTIVA)
codes Terreinen en codes Installaties, codes gebouwen machines (post 22) en uitrusting (post 23)
a) Aanschaffingswaarde Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Aanschaffingen,met inbegrip van de geproduceerde vaste activa - overdrachten en buitengebruikstellingen - overboeking van een post naar een andere Per einde van het boekjaar b) Meerwaarden Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Geboekt - Afgeboekt - Overgeboekt van een post naar een andere Per einde van het boekjaar c) Afschrijvingen en waardeverminderingen Per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: - Geboekt - Afgeboekt - Overgeboekt na buitengebruikstelling - Overgeboekt van een post naar een andere Per einde van het boekjaar d) Netto-boekw. per einde van het boekjaar
142
Meubilair codes Overige en rollend materiĂŤle materieel vaste activa (post 24)
(post 26)
8151
12.305.608,10
8152
918.470,30
8153 14.223.560,30 8155 1.593.732,26
8161
451.067,06
8162
494.250,11
8163
2.745.321,63 8165 1.553.176,88
8171
8172
8173
8175
8181
8182
8183
8185
8191
12.756.675,16
8192
8201
12.882.729,01
8202
8203
8205
8212 8232 8242
8213 8233 8243
8215 8235 8245
8253
8255
8211 8231 8241
1.412.720,41
8251
12.882.729,01
8252
8261
17.714.843,12
8262
516.907,58
8271 8281 8301
887.136,56
8272 8282 8302
96.232,27
8311
8312
-115.716,70
8193 16.968.881,93 8195 3.031.192,44
8263 10.421.518,15 8265 8273 8283 8303
1.985.850,24 8275 8285 8305
8313
8315
8321
18.601.979,68
8322
613.139,84
8323 12.407.368,39 8325
8331
7.037.424,49
8332
799.580,56
8333
4.561.513,54 8335 3.031.192,44
IV. STAAT VAN DE FINANCIELE VASTE ACTIVA
(POST 28 VAN DE ACTIVA)
(bedragen in euro)
codes
andere ondernemingen
1. Deelnemingen en aandelen (post 284) a) Aanschaffingswaarde per einde van het vorige boekjaar Mutaties tijdens het boekjaar: . Aanschaffingen
8353
5.156,19
8363
24,79
per einde van het boekjaar
8393
5.180,97
Netto-boekwaarde per einde van het boekjaar
8563
5.180,97
2. Vorderingen (post 285/8) Netto-boekw. per einde van het vorige boekjaar . Toevoegingen . Terugbetalingen
8573 8583 8593
13.039,20 743,68 0
Netto-boekwaarde per einde van het boekjaar
8643
13.782,88
VII. OVERLOPENDE REKENINGEN (bedragen in euro)
boekjaar
Uitsplitsing van de post 490/1van de activa 490 Vooruitbetaalde lasten 491 Gelopen intresten
1.377.494.74 621.270.75
VIII. STAAT VAN HET KAPITAAL (bedragen in euro) A. Maatschappelijk kapitaal 1. Geplaatst kapitaal (post 100 v/d passiva) - Per einde van het vorige boekjaar - Wijzigingen tijdens het boekjaar Kapitaalsverhoging - Per einde van het boekjaar 2. Samenstelling van het kapitaal 2.1. Soorten aandelen 2.900 aandelen met een gelijke nominale waarde van 24,79 euro elk 2.2 Aandelen op naam of aan toonder Op naam
codes
bedragen
8700
71.889,12
8701
71.889,12
aantal aandelen
71.889,12
71.889,12
8702
71.889,12
IX. VOORZIENINGEN VOOR OVERIGE RISICO'S EN KOSTEN (bedragen in euro) Uitsplitsing van de post 163/5 van de passiva indien daaronder een belangrijk bedrag voorkomt. voorzieningen hangende geschillen voorzieningen terreinen ruilverkaveling voorzieningen terreinen landinrichting voorzieningen initiatieven mestbank
boekjaar
896.283,83 987.310,33 371,84 1.647.128,53
jaarverslag 2001
143
Toelichting X. STAAT VAN DE SCHULDEN (bedragen in euro)
Schulden met een resterende looptijd van
A. Uitsplitsing van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, naar gelang hun resterende looptijd
hoogstens één jaar (post 42) codes
Financiële schulden 5. Overige leningen
8801 8851
Overige schulden TOTAAL
meer dan één jaar, doch hoogstens 5 jaar (post 17)
meer dan 5 jaar (post 17)
codes
codes
17.922,70 17.922,70
8802 8852
8803 8853
8901
0
8902
13.029.779,45
8903 14.873.611,49
8911
17.922,70
8912
13.029.779,45
8913 14.873.611,49
C. Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten
codes
boekjaar
1. Belastingen (post 450/3 van de passiva) b) Niet vervallen belastingschulden
9073
637.953,99
9077
3.216.244,96
2. Bezoldigingen en sociale lasten (post 454/9 van de passiva) b) Andere schulden met betrekking tot bezoldigingen en sociale lasten
XI. OVERLOPENDE REKENINGEN (bedragen in euro) Uitsplitsing van de post 492/3 van de passiva Te betalen projecten Mestbank Te betalen projecten GRB Te betalen projecten KADSCAN
144
boekjaar
772.659,33 1.963.217,56 310.759,32
XII. BEDRIJFSRESULTATEN (bedragen in euro)
codes
boekjaar
vorig boekjaar
740
38.363.431,74
32.774.399,54
9086 9087
782 729,3
748 647,3
9088
1.068,087
942,976
620
23.057.667,47
19.717.277,43
621
3.371.203,20
2.627.101,21
623 624
1,596,335,14 3.336.175,85
1.404.267,24 3.238.679,32
D. Waardeverminderingen (post 631/4) 2. op handelsvorderingen . geboekt . Teruggenomen
9112 9113
-74,37
42.141,90 -1.004.588,51
E. Voorzieningen voor risico's en kosten (post 635/7) Toevoegingen Bestedingen en terugnemingen
9115 9116
987.632,59 -1.204.836,89
825.485,44 -3.434.118,58
F. Andere bedrijfskosten (post 640/8) Belastingen en taksen op de bedrijfsuitoefening Andere
640 641/8
212.494,33 456.867,77
212.469,54 1.559.622,11
9097
0,6
0,5
9098 617
1.096 24.343,14
879 12.469,04
B. Andere bedrijfsopbrengsten (post 74) Waarvan: exploitatiesubsidies en vanwege de overheid ontvangen compenserende bedragen C1. Werknemers ingeschreven in het personeelsregister a) Totaal aantal op de afsluitingsdatum b) Gemiddeld personeelsbestand berekend in voltijdse equivalenten c) Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren C2. Personeelskosten (post 62) a) Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen b) Werkgeversbijdragen voor sociale verzekeringen d) andere personeelskosten e) pensioenen
G. Uitzendkrachten en ter beschikking van de onderneming gestelde personen 2. Gemiddeld aantal berekend in voltijdse equivalenten Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren Kosten voor de onderneming
XIII. FINANCIËLE RESULTATEN (bedragen in euro)
codes
Boekjaar
vorig boekjaar
9125
2.529.852,58
1.581.907,74
A. Andere financiĂŤle opbrengsten (post 752/9) Door de overheid toegekende subsidies, aangerekend op het resultaat: - kapitaalsubsidies
jaarverslag 2001
145
Toelichting XVI. BELASTING OP DE TOEGEVOEGDE WAARDE EN BELASTING TEN LASTE VAN DERDEN (bedragen in euro)
codes
boekjaar
vorig boekjaar
A. De belasting op de toegevoegde waarde in rekening gebracht: 2. door de onderneming
9146
33.688,73
9.990,11
B. De ingehouden bedragen ten laste van derden bij wijze van: 1. bedrijfsvoorheffing
9147
6.842.629,75
5.591.164,08
XIX. FINANCĂ?ELE BETREKKINGEN, MET (bedragen in euro)
codes
boekjaar
9503
22.062,52
A. Bestuurders en zaakvoerders 4. Rechtstreekse en onrechtstreekse bezoldigingen en ten laste van de resultatenrekening toegekende pensioenen, voor zover deze vermelding niet uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op de toestand van een enkel identificeerbaar persoon: - aan bestuurders en zaakvoerders
146
Sociale balans I. STAAT VAN DE TEWERKGESTELDE PERSONEN A. Werknemers ingeschreven in het
codes
1.voltijds
2. deeltijds
personeelsregister
1. Tijdens het boekjaar en het vorig boekjaar
(boekjaar)
(boekjaar)
3.totaal (T) of
4.totaal (T) of
totaal in vol-
totaal in vol-
tijdse equiva-
tijdse equiva-
lenten (VTE)
lenten (VTE)
(boekjaar)
(vorig boekjaar)
Gemiddeld aantal werknemers
100
659,2
127,1
729,3 (ETP)
647,3 (ETP)
Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren
101
969.402
98.685
1.068.087 (T)
942.976 (T)
Personeelskosten, in euro
102
24.508.018,12
Voordelen bovenop het loon, in euro
103
XXXXXXXX
XXXXXXXX
codes
1. Voltijds
2. Deeltijds
3. Totaal in
voltijdse
equivalenten
2. Op de afsluitingsdatum van het boekjaar a. Aantal werknemers ingeschreven in het
2.854.964,94 27.362.983,06 (T) 26.660.824,64 (T) 379.772,88 (T)
105
666
116
729,3
Overeenkomst voor een onbepaalde tijd
110
559
102
613,7
Overeenkomst voor een bepaalde tijd
111
91
9
96,7
Vervangingsovereenkomst
113
16
5
18,9
Mannen
120
404
24
413,1
Vrouwen
121
262
92
316,2
94
706,7
22
10,6
326.475,77 (T)
personeelsregister b. Volgens de aard van de arbeidsovereenkomst
c. Volgens het geslacht
d. Volgens de beroepscategorie Directiepersoneel
130
12
Bedienden
134
654
Arbeiders
132
B. Uitzendkrachten en ter beschikking
codes
van de onderneming gestelde personen
12,0
1. Uitzend-
2. Ter besxhikking van de
krachten
onderneming gestelde personen
Tijdens het boekjaar Gemiddeld aantal tewerkgestelde personen
150
0,6
Aantal daadwerkelijk gepresteerde uren
151
1.096
Kosten voor de onderneming, in euro
152
24.343,14
jaarverslag 2001
147
Sociale balans II. TABEL VAN HET PERSONEELSVERLOOP TIJDENS HET BOEKJAAR (bedragen in euro) A. Ingetreden
codes
1.voltijds
2.deeltijds
3.Totaal in voltijdse equivalenten
205
131
17
141,9
b. Volgens de aard van de arbeidsovereenkomst Overeenkomst voor een onbepaalde tijd Overeenkomst voor een bepaalde tijd Vervangingsovereenkomst
210 211 213
34 86 11
2 14 1
35,0 95,0 11,9
c. Volgens het geslacht en het studieniveau Mannen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs Vrouwen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs
220 221 222 223 230 231 232 233
2 14 20 26 2 34 13 20
1 1 1 6 3 3 2
2,9 14,8 20,5 26,0 5,8 35,5 15,1 21,3
codes
1.voltijds
2.deeltijds
3.Totaal in voltijdse equivalenten
305
94
20
102,8
b. Volgens de aard van de arbeidsovereenkomst Overeenkomst voor een onbepaalde tijd Overeenkomst voor een bepaalde tijd Vervangingsovereenkomst
310 311 313
28 63 3
7 13 0
28,5 71,3 3,0
c. Volgens het geslacht en het studieniveau Mannen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs Vrouwen: lager onderwijs secundair onderwijs hoger niet-universitair onderwijs universitair onderwijs
320 321 322 323 330 331 332 333
5 12 12 19 2 26 12 6
1 1 2 1 3 4 4 4
5,9 12,3 13,0 19,5 3,9 27,5 13,3 7,4
d. Volgens de reden van beĂŤindiging van de overeenkomst Pensioen Afdanking Andere reden
340 342 343
10 2 82
1 19
10,0 2,9 89,9
a. Aantal werknemers die tijdens het boekjaar in het personeelsregister werden ingeschreven
B. Uitgetreden a. Aantal werknemers met een in het personeelsregister opgetekende datum waarop hun overeenkomst tijdens het boekjaar een einde nam
148
III. STAAT OVER HET GEBRUIK VAN DE MAATREGELEN TEN GUNSTE VAN DE WERKGELEGENHEID TIJDENS HET BOEKJAAR codes Maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid
1. Maatregelen met een financieel voordeel voor de werkgever m.b.t. de titularis of diens plaatsvervanger Volledige loopbaanonderbreking Vermindering van de arbeidsprestaties (deeltijdse loopbaanonderbreking) Aantal werknemers betrokken bij één of meerdere maatregelen ten gunste van de werkgelegenheid: - totaal voor het boekjaar - totaal voor het vorige boekjaar
Aantal betrokken werknemers
3. Financieel voordeel
1. Aantal
2. In voltijdse equivalenten
in euro
412 413
5 7
4,5 3,4
25.359,51 17.848,33
550 560
72 63
44,8 26,1
IV. INLICHTINGEN OVER DE OPLEIDINGEN VOOR DE WERKNEMERS TIJDENS HET BOEKJAAR Totaal van de opleidingsinitiatieven ten laste van de werkgever
mannen vrouwen
codes
1. Aantal betrokken werknemers
2. In voltijdse gevolgde opleidingsuren
Kosten voor de onderneming in euro
580 581
294 210
10.450 7.235
580.467,48 343.134,22
jaarverslag 2001
149
Verslag van de bedrijfsrevisor VERSLAG VAN DE REVISOR AAN DE ALGEMENE VERGADERING DER AANDEELHOUDERS Jaarrekening per 31 december 2001
In het kader van onze opdracht als revisor aangesteld bij ministerieel besluit van 9 januari 1990 in uitvoering van de wet van 16 maart 1954, en overeenkomstig de bepalingen van het artikel 29 van de statuten, brengen wij hierbij verslag uit aangaande onze controlewerkzaamheden in verband met de jaarrekening per 31 december 2001 van de Vlaamse Landmaatschappij, die werd opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur, met een balanstotaal van BEF 4.481.046.128 en waarvan de resultatenrekening afsluit met een te bestemmen winst van het boekjaar BEF 13.640.564. Wij hebben eveneens de bijkomende specifieke controles verricht die door de wet zijn vereist. Verklaring over de jaarrekening zonder voorbehoud
Onze controles werden uitgevoerd overeenkomstig de normen van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. Deze beroepsnormen eisen dat onze controle zo wordt georganiseerd en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen onjuistheden van materieel belang bevat, rekening houdend met de Belgische wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften met betrekking tot de jaarrekening. Overeenkomstig deze normen hebben wij rekening gehouden met de administratieve en boekhoudkundige organisatie van de vennootschap, alsook met de procedures van interne controle. De verantwoordelijken van de vennootschap hebben onze vragen naar ophelderingen of inlichtingen duidelijk beantwoord. Wij hebben op basis van steekproeven de verantwoording onderzocht van de bedragen opgenomen in de jaarrekening. Wij hebben de
150
waarderingsregels, de betekenisvolle boekhoudkundige ramingen die de onderneming maakte en de voorstelling van de jaarrekening in haar geheel beoordeeld. Wij zijn van mening dat deze werkzaamheden een redelijke basis vormen voor het uitbrengen van ons oordeel. Naar ons oordeel, rekening houdend met de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften, geeft de jaarrekening afgesloten op 31 december 2001 een getrouw beeld van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van de vennootschap en wordt een passende verantwoording gegeven in de toelichting. Bijkomende verklaringen en inlichtingen
Wij vullen ons verslag aan met volgende inlichtingen die niet van aard zijn om de draagwijdte van onze verklaring te wijzigen: • Het jaarverslag bevat de door de wet vereiste inlichtingen en stemt overeen met de jaarrekening. • Onverminderd formele aspecten van ondergeschikt belang, wordt de boekhouding gevoerd en de jaarrekening opgesteld overeenkomstig de in België toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften. • Wij dienen U geen enkele verrichting of beslissing mede te delen die in overtreding met de statuten of de vennootschappenwet zou zijn gedaan of genomen. De winstverdeling die aan de algemene vergadering wordt voorgesteld, stemt overeen met de wettelijke en statutaire bepalingen.
Opgemaakt op 11 maart 2002
Patrick Waltniel Bedrijfrevisor Vertegenwoordiger van de burgelijke coöperatieve vennootschap "Dumont-Bossaert, Waltniel & Co"
Info MAATSCHAPPELIJKE ZETEL Vlaamse Landmaatschappij Gulden-Vlieslaan 72, 1060 Brussel 6 Tel. 02/543.72.00 (Algemeen nummer) Fax 02/543.73.99 (Algemene directie) 02/543.73.96 (Administratie) 02/543.73.98 (Mestbank) 02/543.73.97 (Ruilverkaveling, Landinrichting en Natuur) 02/543.73.95 (Ondersteunend Centrum GIS-Vlaanderen)
PROVINCIALE AFDELINGEN VLM-Provinciale afdeling Brugge
Emmanuel de Neckerestraat 5, 8000 Brugge Tel. 050/45.81.00 (Algemeen nummer) Fax 050/45.81.99 (Administratie) 050/45.81.98 (Mestbank) VLM-Provinciale afdeling Diest
Leuvensestraat 86a, 3290 Diest Tel. 013/35.87.00 (Algemeen nummer) Fax 013/35.87.99 (Administratie) 013/35.87.98 (Mestbank) VLM-Provinciale afdeling Gent
Ganzendries 149, 9000 Gent Tel. 09/244.85.00 (Algemeen nummer) Fax 09/244.85.99 (Administratie) 09/244.85.98 (Mestbank) VLM-Provinciale afdeling Herentals
Cardijnlaan 1, 2200 Herentals Tel. 014/25.83.00 (Algemeen nummer) Fax 014/25.83.99 (Administratie) 014/25.83.98 (Mestbank) Verantwoordelijke uitgever: ir. Roland de Paepe, Gulden-Vlieslaan 72,1060 Brussel 6 Concept, realisatie, en grafische productie: N’lil, Brussel Deze brochure werd gedrukt op milieuvriendelijk papier D/2002/6375/01
jaarverslag 2001
151
Vlaamse Landmaatschappij Gulden vlieslaan 72 B-1060 Brussel