Luchtkwaliteit in Vlaanderen
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
DOCUMENTBESCHRIJVING Titel Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013 Samenstellers Afdeling Lucht, Milieu en Communicatie, VMM Dienst Lucht, Team Specifieke Studies Inhoud Dit rapport beschrijft de resultaten van de immissiemetingen van zwaveldioxide, stikstofoxides, fijn stof, zwarte koolstof, ozon, vluchtige organische stoffen, dioxines en PCB’s in de Antwerpse haven. De meetresultaten van deze polluenten worden getoetst aan de bestaande en toekomstige normen. Ook bespreekt het rapport de trend van de afgelopen jaren voor de gemeten polluenten en de uitstoot van een aantal polluenten. Wijze van refereren VMM (2014), Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013 Verantwoordelijke uitgever Michiel Van Peteghem, Afdelingshoofd Lucht, Milieu en Communicatie Vlaamse Milieumaatschappij Vragen in verband met dit rapport Vlaamse Milieumaatschappij A. Van de Maelestraat 96 9320 Erembodegem Tel: 053 72 62 10 Fax: 053 71 10 78 info@vmm.be Depotnummer D/2014/6871/074
2
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Samenvatting In 2008 werd een overeenkomst gesloten tussen het bestuur van de Antwerpse haven, de gemeente Beveren en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). Deze overeenkomst houdt in dat de VMM jaarlijks een rapport ’Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven’ maakt, waarin alle gemeten polluenten in het Antwerpse havengebied worden besproken. Op basis van deze overeenkomst richtte de VMM in 2008 extra meetposten op in het Antwerpse havengebied met cofinanciering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Gemeente Beveren. De VMM meet op verscheidene meetpunten 1 of meerdere polluenten met behulp van (semi)automatische toestellen. De automatische toestellen werken volledig autonoom, de semiautomatische toestellen bemonsteren luchtstalen die naar het labo gaan voor verdere analyse. Ook meet de VMM op 2 plaatsen in de haven de depositie van dioxines en dioxine-achtige PCB’s met behulp van depositiekruiken. Op de verschillende meetpunten in het havengebied worden 1 of meerdere van onderstaande componenten gemeten: • zwaveldioxide (SO 2 ); • stikstofoxides (NO, NO 2 , NO x ); • fijn stof (PM 10 en PM 2,5 ); • zwarte koolstof; • ozon (O 3 ); • vluchtige organische stoffen (BTEX en VOS); • dioxines; • dioxine-achtige polychloorbifenylen (PCB’s). Dit rapport beschrijft de meetresultaten van deze polluenten gemeten in 2013. De resultaten werden getoetst aan de bestaande en toekomstige Europese grens- en streefwaarden. We toetsen de meetresultaten ook aan de richtwaarden gedefinieerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Dit rapport bevat bovendien de evolutie van de meetwaarden. Per polluent werden de meetresultaten in het havengebied vergeleken met de gemiddelde concentratie van deze polluent gemeten in Vlaanderen. Dit gebeurt aan de hand van een virtueel gemiddelde: dit is het gemiddelde van alle metingen van deze polluent in een bepaald gebied gedurende een kalenderjaar. Per polluent werd er ook, met behulp van pollutierozen, gekeken naar de richting waaruit de vervuiling kwam ten opzichte van de verschillende meetstations. Indien de pollutierozen voor een bepaalde polluent vrij rond van vorm zijn, werden ook relatieve zero-pollutierozen opgemaakt, door van de pollutierozen de algemene achtergrondconcentraties af te trekken. Het rapport geeft ook een beschrijving van een aantal emissies uit het havengebied. Uit de metingen bleek dat de Europese normen voor SO 2 voor het vijfde jaar op rij ruim gerespecteerd bleven. De hoogste concentraties bevonden zich in het centrum van het havengebied, aan de raffinaderijen. De SO 2 -jaargemiddelden waren in 2013 nog maar één derde van de concentraties gemeten in 2007. In 2013 werd de WGO-dagrichtwaarde op 2 van de 10 meetstations gehaald. De gemeten NO 2 -concentraties bleven in 2013 op alle meetstations in de Antwerpse haven onder de Europese grenswaarden. Op twee meetstations werd de toekomstige jaargrenswaarde van 40 µg/m³ bereikt maar niet overschreden. Deze Europese grenswaarde is pas in 2015 van kracht omdat de Europese commissie de Vlaamse uitstelaanvraag hiervoor goedkeurde. Eén van deze meetstations ligt in de industriezone en is minder relevant in het kader van de blootstelling van de bevolking. Het meetstation aan de Luchtbal is echter gelegen aan de rand van enkele grote woonzones. Een verspreidingsmodel (VLOPS) schat in een groot deel van de woonkern van Merksem dezelfde of hogere concentraties in, in vergelijking met die gemeten aan de Luchtbal. Aan de nabijgelegen woonkernen van Ekeren, Brasschaat en Schoten kent het model lagere concentraties toe. Sinds 2005 vertonen de jaargemiddelde NO en NO 2 -concentraties een gestage dalende trend. In 2013 bleven de jaargemiddelde concentraties echter gelijk aan deze in 2012. De hogere percentielen kenden in 2013 voor beide polluenten een stijging ten opzichte van 2012, wat wijst op meer piekconcentraties in de omgevingslucht. De concentraties van NO 2 lagen in het Antwerpse havengebied zo’n 20% hoger dan het Vlaamse gemiddelde.
Samenvatting • 3
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
De jaargrenswaarde (40 µg/m³) voor PM 10 bleef de afgelopen jaren ruim gerespecteerd op alle meetstations in de haven. De daggrenswaarde betekent dat er op jaarbasis maximaal 35 dagen mogen zijn met PM 10 -waarden hoger dan 50 µg/m³. Dit aantal dagen schommelde de afgelopen jaren sterk. In 2010 werd de daggrenswaarde voor PM 10 voor het eerst gerespecteerd op alle meetstations in het havengebied. In 2011 waren alle meetstations, op één na, in overschrijding. Deze stijging is voor een groot deel het gevolg van sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011, met continentale wind uit het noordoosten. In 2012 daalde het aantal dagen met PM 10 -concentraties hoger dan 50 µg/m³. Op één meetstation werd de grenswaarde niet gerespecteerd. Dit meetstation 42M802 aan de Luchtbal kende toen 41 dagen met hoge fijnstofwaarden. In 2013 namen de fijnstofconcentraties verder af. Op 42M802 zakte het aantal overschrijdingsdagen naar 30. De daggrenswaarde voor PM 10 bleef in 2013 gerespecteerd op alle meetstations in het havengebied. De WGO-richtwaarde van maximaal 3 dagen met een PM 10 -waarde hoger dan 50 µg/m³ op jaarbasis, ligt echter nog ver buiten bereik. De PM 10 -concentraties in de Antwerpse haven vertoonden een dalende trend in de periode 20032009. In 2011 stelden we opnieuw een stijging in de concentraties in het havengebied vast, voornamelijk veroorzaakt door sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011 met continentale wind uit het noordoosten. Door deze stijging in 2011 lag het virtueel gemiddelde van de PM 10 -concentraties in de haven dat jaar hoger dan het Vlaams gemiddelde, dit in tegenstelling tot 2009 en 2010. In 2012 was er opnieuw een sterke daling van de PM 10 -concentraties, zowel in het havengebied als in Vlaanderen. Hoewel de daling sterker is in het havengebied dan in Vlaanderen, lag het gemiddelde in de haven van Antwerpen ook in 2012 nog hoger dan het Vlaams gemiddelde. In 2013 bleef het virtueel gemiddelde voor de haven van Antwerpen even hoog als in 2012. Het virtueel gemiddelde voor Vlaanderen steeg licht en was in 2013 even hoog als dit van de Antwerpse haven. Voor PM 2,5 bleef in 2013 op elk meetstation de streefwaarde – geldig sedert 2010 – en de grenswaarde – vanaf 2015 – van 25 µg/m³ gerespecteerd. De toekomstige indicatieve grenswaarde van 20 µg/m³, te behalen tegen 2020, werd op 2 meetstations overschreden namelijk aan de Liefkenshoektunnel in Kallo (40AL04) en aan het pomphuis in Verrebroek (40AL03). Het meetstation gelegen aan de Liefkenshoektunnel wordt sterk beïnvloed door verkeersemissies. Gezien zijn ligging in industriegebied is dit meetstation minder relevant voor de blootstelling van de bevolking. In het meetstation 40AL03 in Verrebroek werd een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³ opgemeten, wat een evenaring is van de grenswaarde voor 2015. De WGO-richtwaarde werd niet gehaald. Voor zwarte koolstof was het virtueel gemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2013 vergelijkbaar met het virtueel ‘industrieel gemiddelde’ in Vlaanderen. De hoogste concentraties werden vastgesteld op het meetstation Luchtbal (42M802). Dit is voor een groot deel een gevolg van het daar aanwezige verkeer. De meeste andere zero-pollutierozen wezen naar het centrum van het havengebied. De gemeten concentraties in het meetstation aan de Boudewijnsluis vertonen een dalende trend. 2013 was een gunstig jaar voor ozon. De resultaten voor het meetstation in Berendrecht (42R831) lagen in lijn met wat de VMM gemiddeld meet over Vlaanderen, of waren iets gunstiger. In 2013 was er één overschrijding van de informatiedrempel van ozon. De alarmdrempel bleef de afgelopen 7 jaar gerespecteerd. De EU-streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid werd niet overschreden. Ook de EU-streefwaarde voor de bescherming van de vegetatie bleef ruimschoots gerespecteerd. De langetermijndoelstelling bereikten we voor Vlaanderen enkel in de ozongunstige jaren 2007, 2009, 2011 en 2012. De laatste 10 jaar bleef het ozon jaargemiddelde vrij stabiel. Wel waren er regelmatig verschillen in de hoge percentielen en maxima per jaar. Dit heeft te maken met de kwaliteit van de zomers. De Europese grenswaarde voor benzeen bleef ruim gerespecteerd. De gemeten BTEX-componenten zijn, in vergelijking met andere meetlocaties in Vlaanderen, niet verhoogd. Voor de BTEXcomponenten was er een dalende trend in de periode 2007-2010. In 2011 en 2012 stagneerden of stegen de concentraties opnieuw. 2013 werd gekenmerkt door een daling bij alle polluenten. De gemeten concentraties aan vluchtige organische stoffen (VOS) in Doel zijn voor de meeste componenten sterk vergelijkbaar met de concentraties gemeten in 2011 en 2012. Alle metingen bleven ruim onder de normen of richtwaarden.
4 • Samenvatting
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
De VMM gebruikt drempelwaarden om de dioxines en PCB’s in de omgevingslucht te beoordelen. Deze zijn niet opgenomen in de wetgeving maar laten toe te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen vanuit gezondheidskundig standpunt. Uit de dioxine- en PCB-depositieresultaten bleek dat op de meetpost in Stabroek in geen enkel van de maandstalen van 2013 de drempelwaarde voor de maandgemiddelde depositie overschreden werd. Het gemiddelde van de 4 maandstalen lag daar in 2013 ook lager dan de jaargemiddelde drempelwaarde. Deze toetsing is slechts indicatief, omdat de VMM niet jaarrond metingen uitvoerde. De trend van de dioxinedeposities op de meetpost in Stabroek toonde over de jaren heen sterke schommelingen. In de periode 1998-2005 zagen we een dalende trend. Deze werd onderbroken door 2 hoge waarden in 2006. Daarna zakten de dioxinewaarden opnieuw terug. In de tweede helft van 2012 mat de VMM opnieuw gedurende 2 maanden een dioxinedepositie die opvallend hoger was. Dit betekent dat er in de nabijheid nog steeds één of meerdere bronnen zijn die sporadisch aanleiding geven tot dioxine-emissies. In 2013 waren de waarden opnieuw lager. De meetwaarden voor de meetpost in Kallo toonden vooral een hoge PCBdepositie in de onmiddellijke nabijheid van een schrootbedrijf. Ook in de nabijheid van andere Vlaamse schrootbedrijven zijn de PCB-deposities hoog. Eerder onderzoek toonde aan dat de verontreiniging meestal beperkt blijft tot enkele honderden meters rond het schrootbedrijf. De impact voor de bevolking is dus het grootst als er een woonzone of agrarisch gebied aan een dergelijk bedrijf paalt. Dit is echter niet het geval in Kallo.
Samenvatting • 5
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
INHOUDSTAFEL Samenvatting ............................................................................................................ 3 1 Het meetnet ......................................................................................................... 9 2 Normen .............................................................................................................. 12 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
3
Zwaveldioxide – SO 2 ............................................................................................................. 12 Stikstofoxides – NO/NO 2 ....................................................................................................... 12 Fijn stof – PM 10 en PM 2,5 ....................................................................................................... 13 Zwarte koolstof ...................................................................................................................... 14 Ozon – O 3 .............................................................................................................................. 14 Vluchtige organische stoffen – BTEX .................................................................................... 14 Dioxines en PCB’s ................................................................................................................. 15
Meetresultaten .................................................................................................. 16 3.1 Zwaveldioxide – SO 2 ............................................................................................................. 16 3.1.1 Emissie van SO 2 ............................................................................................................... 16 3.1.2 Tijdsverloop van SO 2 -meetwaarden ................................................................................. 17 3.1.3 Toetsing van SO 2 -meetwaarden ....................................................................................... 19 3.1.4 Geografische spreiding van SO 2 -concentraties ................................................................ 20 3.1.4.1 Gemodelleerde SO 2 -concentraties ........................................................................... 20 3.1.4.2 Pollutierozen SO 2 ...................................................................................................... 22 3.2 Stikstofoxides – NO/NO 2 ....................................................................................................... 23 3.2.1 Emissie van NO x ............................................................................................................... 23 3.2.2 Tijdsverloop van NO x -meetwaarden ................................................................................. 23 3.2.3 Toetsing van de NO 2 -meetwaarden .................................................................................. 26 3.2.4 Geografische spreiding van NO 2- concentraties ................................................................ 26 3.2.4.1 Gemodelleerde NO 2 -concentratie ............................................................................. 26 3.2.4.2 Pollutierozen NO 2 ...................................................................................................... 29 3.3 Fijn stof – PM 10 en PM 2,5 ....................................................................................................... 31 3.3.1 PM 10 .................................................................................................................................. 31 3.3.1.1 Stofemissies .............................................................................................................. 31 3.3.1.2 Tijdsverloop en toetsing PM 10 -meetwaarden ............................................................ 32 3.3.1.3 Geografische spreiding van PM 10 -concentraties ....................................................... 37 3.3.2 PM 2,5 .................................................................................................................................. 41 3.3.2.1 Emissie van PM 2,5 ..................................................................................................... 41 3.3.2.2 Tijdsverloop en toetsing van de PM 2,5 -meetwaarden................................................ 41 3.3.2.3 Geografische spreiding van PM 2,5 -concentraties ...................................................... 43 3.4 Zwarte koolstof ...................................................................................................................... 45 3.4.1 Tijdverloop en toetsing van de zwartekoolstofmeetwaarden............................................. 45 3.4.2 Geografische spreiding van zwarte koolstof ...................................................................... 46 3.5 Ozon – O 3 .............................................................................................................................. 49 3.5.1 Emissies van ozonprecursoren ......................................................................................... 49 3.5.2 Tijdsverloop en toetsing van de ozonmeetwaarden .......................................................... 49 3.5.3 Geografische spreiding van ozon ...................................................................................... 51 3.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX .................................................................................... 52 3.6.1 BTEX ................................................................................................................................. 53 3.6.1.1 Emissies van benzeen, tolueen en xyleen-isomeren ................................................ 53 3.6.1.2 Tijdsverloop en toetsing van de BTEX-meetwaarden ............................................... 53 3.6.1.3 Geografische spreiding van BTEX-componenten ..................................................... 54 3.6.2 Dagstalen vluchtige organische stoffen – VOS ................................................................. 56 3.6.2.1 Emissie van totaal NMVOS ....................................................................................... 56 3.6.2.2 Tijdsverloop van de dagstalen vluchtige organische stoffen ..................................... 56 3.7 Dioxines en PCB’s ................................................................................................................. 58
4
Besluit................................................................................................................ 60
Bijlage 1: Specificaties parameters ........................................................................ 2
6
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
FIGUREN Figuur 1: Ligging meetstations in de Antwerpse haven ........................................................................ 11 Figuur 2: Evolutie industriële uitstoot SO x in het Antwerpse havengebied (2000-2012) ...................... 16 Figuur 3: Evolutie uitstoot SO 2 door de scheepvaart in de Antwerpse haven (2000-2012) ................. 17 Figuur 4: SO 2 -jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (1990-2013) ....... 18 Figuur 5: Evolutie SO 2 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2013) .......................... 19 Figuur 6: Gemodelleerd SO 2 -jaargemiddelde in de Antwerpse agglomeratie in 2013 ......................... 21 Figuur 7: Pollutierozen gemiddelde SO 2 -concentraties in het Antwerpse havengebied in 2013.......... 22 Figuur 8: Evolutie industriële uitstoot NO x in het Antwerpse havengebied (2000-2012) ...................... 23 Figuur 9: Evolutie jaargemiddelde NO-concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2013) ........................................................................................................................................... 24 Figuur 10: Evolutie jaargemiddelde NO 2 -concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2013) ........................................................................................................................................... 24 Figuur 11: Evolutie NO-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2001-2013) .......................... 25 Figuur 12: Evolutie NO 2 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2001-2013) ........................ 25 Figuur 13: Gemodelleerd NO 2 -jaargemiddelde in de Antwerpse agglomeratie in 2013 ....................... 28 Figuur 14: Evolutie NO 2 -jaargemiddelde in het meetstation Luchtbal (42M802) (2005-2013) ............. 29 Figuur 15: Pollutierozen gemiddelde NO 2 -concentraties in het Antwerpse havengebied in 2013 ....... 30 Figuur 16: Industriële emissies van stofprecursoren en primair PM 10 in het Antwerpse havengebied (2000-2012) ........................................................................................................................................... 32 Figuur 17: Industriële primaire stofemissies (TSP, PM 10 en PM 2,5 ) in het Antwerpse havengebied (2003-2012) ........................................................................................................................................... 32 Figuur 18: PM 10 -jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (2003-2013) ... 33 Figuur 19: Evolutie PM 10 -meetresultaten in het Antwerpse havengebied (2004-2013)........................ 34 Figuur 20: Aantal dagen met PM 10 -concentratie > 50 µg/m³ voor de meetstations in het Antwerpse havengebied (2008-2013) ..................................................................................................................... 36 Figuur 21: kaart gemodelleerde PM 10 -concentratie in Antwerpen (2012) ............................................ 37 Figuur 22: Pollutierozen PM 10 -gemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2013............................. 39 Figuur 23: Zero-pollutierozen voor PM 10 in het Antwerpse havengebied in 2013 ................................ 40 Figuur 24: Evolutie PM 2,5 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2008-2013) ...................... 42 Figuur 25: PM 2,5 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2013 ............................................ 43 Figuur 26: Pollutierozen gemiddelde PM 2,5 -concentraties in het Antwerpse havengebied in 2013 ..... 44 Figuur 27: Evolutie jaargemiddelden zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied (2008-2013) ..... 46 Figuur 28: Pollutierozen gemiddelde concentraties zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2013 ....................................................................................................................................................... 47 Figuur 29: Zero-pollutierozen voor zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2013................. 48 Figuur 30: Industriële emissies van ozonprecursoren in het Antwerpse havengebied (2000-2012) .... 49 Figuur 31: Evolutie O 3 -concentraties in het meetstation 42R831 (2003-2013) .................................... 50 Figuur 32: 90ste percentiel pollutieroos ozon voor Berendrecht (42R831) in 2013 .............................. 52 Figuur 33: Industriële emissies benzeen, tolueen en xyleen-isomeren in het Antwerpse havengebied (2000-2012) ........................................................................................................................................... 53 Figuur 34: Evolutie BTEX-concentraties in het Antwerpse havengebied (2007-2013) ......................... 54 Figuur 35: Pollutierozen gemiddelde BTEX-concentraties in meetstation Stabroek in 2013 ................ 55 Figuur 36: Evolutie totaal NMVOS emissies door individueel geregistreerde bedrijven (IMJV) in het Antwerpse havengebied (2000-2012) ................................................................................................... 56 Figuur 37: Trend dioxinedepositie op de meetpost 75R833 in Stabroek .............................................. 59 Figuur 38: Trend depositie dioxines en PCB126 op de meetpost 75BV04 in Kallo .............................. 59
7
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
TABELLEN Tabel 1: Coördinaten meetstations ....................................................................................................... 10 Tabel 2: Richt-, grens- en alarmdrempelwaarden voor SO 2 ................................................................. 12 Tabel 3: NO 2 -grens- en alarmdrempelwaarden .................................................................................... 12 Tabel 4: Richtwaarden voor NO 2 (WGO, 2005) .................................................................................... 13 Tabel 5: Kalibratiefactoren voor PM 10 en PM 2,5 .................................................................................... 13 Tabel 6: PM 10 - en PM 2,5 -grenswaarden ................................................................................................ 14 Tabel 7: PM 10 - en PM 2,5 - richtwaarden (WGO, 2005) .......................................................................... 14 Tabel 8: Langetermijndoelstellingen, streef- en drempelwaarden voor ozon ....................................... 14 Tabel 9: BTEX-grens- en richtwaarden ................................................................................................. 15 Tabel 10: Drempelwaarden voor de gemeten deposities van dioxines en dioxineachtige PCB’s ........ 15 Tabel 11: Belangrijkste statistische parameters voor SO 2 .................................................................... 19 Tabel 12: Overschrijdingen SO 2 -norm .................................................................................................. 20 Tabel 13: Statistische parameters van alle NO 2 -meetpunten in het Antwerpse havengebied in 2013 26 Tabel 14: Belangrijkste statistische parameters voor PM 10 .................................................................. 35 Tabel 15: Belangrijkste statistische parameters voor PM 2,5 .................................................................. 41 Tabel 16: Belangrijkste statistische parameters voor zwarte koolstof................................................... 45 Tabel 17: Belangrijkste statistische parameters voor ozon, meetstation Berendrecht (42R831) ......... 50 Tabel 18: Toetsing aan informatie- en alarmdrempel, streefwaarden en langetermijndoelstellingen ... 51 Tabel 19: Belangrijkste statistische parameters voor BTEX ................................................................. 53 Tabel 20: Jaargemiddelden voor VOS-dagstalen, 2010-2013 .............................................................. 57 Tabel 21: Toetsing van de dioxine- en PCB-deposities van 75R833 aan de drempelwaarden (pg TEQ/(m².dag))........................................................................................................................................ 58
8
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
1 Het meetnet In en rond het havengebied meet de VMM op verscheidene meetpunten één of meerdere polluenten met behulp van (semi)automatische toestellen. De automatische toestellen werken volledig autonoom, de semiautomatische toestellen nemen luchtstalen die naar het labo gaan voor verdere analyse. Op twee plaatsen in de haven meet de VMM de depositie van dioxines en PCB’s met behulp van depositiekruiken. Op de meetstations worden één of meerdere van onderstaande componenten gemeten: • zwaveldioxide (SO 2 ); • stikstofoxides (NO, NO 2 , NO x ); • fijn stof (PM 10 en PM 2,5 ); • zwarte koolstof; • ozon (O 3 ); • vluchtige organische stoffen (BTEX en VOS); • dioxines; • dioxineachtige polychloorbifenylen (PCB’s). Meer informatie over de gemeten parameters en gebruikte apparatuur staat op de website www.vmm.be. De specificaties over onder meer het meetprincipe en de meetonzekerheid zijn terug te vinden in Bijlage 1: Specificaties parameters. In onderstaande tabel zijn de meetstations opgenomen. De meetstations hebben een meetstationcode. Bij iedere code zijn het adres en de Lambertcoördinaten vermeld van het meetstation. De gemarkeerde meetstations (*) zijn de meetstations met relevantie naar de blootstelling van de bevolking toe, de andere zijn industriële brongerichte meetstations. De resultaten van deze industriële meetstations rapporteert de VMM niet aan Europa.
Het meetnet • 9
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Tabel 1: Coördinaten meetstations Code Adres Station
X
Y
40AB01
Boudewijnsluis, 2000 Antwerpen
147285
219010
40AB02*
Antwerpsebaan, 2040 Berendrecht
146730
225666
40AL01*
Scheldedijk, 2050 Antwerpen-Linkeroever
150865
214046
40AL02
Engelsesteenweg, Beveren
140657
221644
40AL03*
Pomphuis, Watermolendijkweg, Beveren
138326
216020
40AL04
Liefkenshoektunnel, Beveren
144735
220097
40AL05
Sluis van Kallo, Ketenislaan, Beveren
143727
217031
40R833*
PITO, Laageind, 2940 Stabroek
149200
224100
40SA04*
Abelenlaan, 2940 Hoevenen (Stabroek)
152449
222679
42M802*
Havannastraat, 2030 Antwerpen
153884
216790
42R815*
Laarstraat, 2070 Zwijndrecht
147489
211634
42R822
Polderdijkweg, 2030 Antwerpen
148082
217156
42R830*
Scheldemolenstraat, 9130 Beveren-Waas (Doel)
142601
223162
42R831*
Hoefbladstraat, 2040 Berendrecht
147976
226558
42R891
Scheurweg, 2030 Antwerpen
151159
216212
42R892*
Kallosluis, 9120 Kallo
143727
217020
42R893*
Ekerse Dijk, 2180 Ekeren
151181
219293
42R894
Muisbroeklaan, 2030 Antwerpen
148656
219293
42R897*
Scheldelaan, 2030 Antwerpen
148139
215578
47E804
Ketenislaan, 9120 Kallo
145685
219067
141709
217269
75BV04 Land Van Waaslaan – haven 1204, 9120 Kallo *: meer relevantie naar de bevolking toe
10 • Het meetnet
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Figuur 1: Ligging meetstations in de Antwerpse haven
Het meetnet • 11
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
2 Normen De Europese Commissie definieerde streef- en grenswaarden en alarmdrempels voor diverse polluenten. Bij de definiëring van deze luchtkwaliteitsnormen werd er, naast de gezondheidseffecten, rekening gehouden met de technische haalbaarheid. Daarnaast werd een kosten-batenanalyse uitgevoerd om de economische consequenties van de opgelegde concentratieniveaus in te schatten. Deze normen zijn opgenomen in de wetgeving. De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) bepaalde bovendien richtwaarden voor verschillende polluenten. Deze richtwaarden zijn enkel gebaseerd op gezondheidsstudies en zijn op zich niet bindend. Ze vormen echter vaak, maar niet altijd, een basis voor de wetgeving. Er zijn geen Europese of internationale normen voor dioxine- en PCB-deposities. De VMM gebruikt drempelwaarden om te oordelen welke regio’s extra aandacht verdienen. De concentraties van de gemeten polluenten worden vergeleken met de grens-, richt- en/of drempelwaarden.
2.1 Zwaveldioxide – SO2 De Europese Richtlijn 2008/50/EG definieert grenswaarden en een alarmdrempel voor SO 2 . Deze grenswaarden en alarmdrempel zijn al in werking sinds 2005. Daarnaast heeft de WGO ook richtwaarden vastgelegd. Tabel 2 toont een overzicht van de richt-, grens- en alarmdrempelwaarden die van toepassing zijn voor SO 2 . Tabel 2: Richt-, grens- en alarmdrempelwaarden voor SO 2
DAG
350 µg/m³ max. 24 overschrijdingen per jaar 125 µg/m³ max. 3 overschrijdingen per jaar 500 µg/m³ gedurende 3 opeenvolgende uren 20 µg/m³
10 minuten
500 µg/m³
EU
GRENSWAARDE
UUR
EU
GRENSWAARDE
DAG
WGO
ALARMDREMPEL op basis van uren RICHTWAARDE
WGO
RICHTWAARDE
EU
3 UUR
2.2 Stikstofoxides – NO/NO2 De Europese richtlijn 2008/50/EG legt grenswaarden en een alarmdrempel op voor NO 2 . De grenswaarden moeten vanaf 1 januari 2010 gerespecteerd worden. De alarmdrempel voor NO 2 geldt vanaf 19 juli 2001. Tabel 3 geeft een overzicht. Tabel 3: NO 2 -grens- en alarmdrempelwaarden EU-UURGRENSWAARDE EU-JAARGRENSWAARDE ALARMDREMPEL op basis van uren
200 µg/m³, max. 18 overschrijdingen per jaar 40 µg/m³ in Vlaanderen 60 µg/m³ in Antwerpse havengebied tot 2015 400 µg/m³ gedurende 3 opeenvolgende uren
De richtlijn 2008/50/EG bood de kans om voor NO 2 uitstel aan te vragen voor het behalen van de grenswaarden. Indien men uitstel verkreeg, moet men pas in 2015 voldoen aan de grenswaarden in plaats van reeds in 2010. Een voorwaarde om uitstel te krijgen is dat men aantoont dat via bijkomende maatregelen de grenswaarden tegen 2015 zullen worden gehaald. België heeft uitstel gevraagd voor het Brusselse gewest en de 2 Vlaamse zones – de zone Antwerpse haven en de zone Antwerpse agglomeratie – waar in 2010 overschrijdingen van de NO 2 -jaargrenswaarde waren. In het kader van 1 de uitstelaanvraag werd het luchtkwaliteitsplan dat de Vlaamse regering in maart 2012 goedkeurde, 1
www.lne.be/themas/luchtverontreiniging/beleid/beleid-in-belgie-en-vlaanderen
12 • Normen
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
overgemaakt aan de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft in haar besluit van 6 juli 2012 uitstel verleend voor deze 2 Vlaamse zones, de zone Antwerpse haven en de zone Antwerpse agglomeratie. Dit goedgekeurd uitstel betekent dat voor deze zones gedurende de uitstelperiode de NO 2 -jaargrenswaarde gesommeerd met de maximale overschrijdingsmarge (50%) van toepassing is. Met andere woorden, tot 2015 moeten de verkregen jaargemiddelden van de meetstations in het Antwerpse havengebied getoetst worden aan een jaargrenswaarde van 60 µg/m³. Voor NO zijn er geen grenswaarden vastgelegd. De Europese regelgeving uit Tabel 3 is gebaseerd op de richtlijnen opgesteld door de WGO, zie Tabel 4. In tegenstelling tot de Europese regelgeving definieert de WGO geen alarmdrempel en laat ze geen enkele overschrijding van het uurgemiddelde van 200 μg/m³ toe. Tabel 4: Richtwaarden voor NO 2 (WGO, 2005) UURRICHTWAARDE
200 µg/m³
JAARRICHTWAARDE
40 µg/m³
2.3 Fijn stof – PM10 en PM2,5 Fijnstofmetingen gebeuren met automatische meettoestellen die continu de hoeveelheid fijn stof meten in de buitenlucht. Dit is nodig om de fijnstofconcentraties in ’real-time’ te kunnen opvolgen. De meettechnieken die deze automatische toestellen gebruiken, zijn echter niet gebaseerd op de Europese gravimetrische referentiemeetmethode. Dit is geen probleem indien equivalentie met de referentiemethode kan worden aangetoond. De Europese referentietechniek is een semiautomatische techniek waarbij een vooraf gewogen filter 24 uur bemonsterd wordt en daarna in het labo opnieuw wordt gewogen. De resultaten van de referentiemethode zijn, in tegenstelling tot die van de automatische meettoestellen, dus niet onmiddellijk en in real-time beschikbaar. Door de VMM worden regelmatig vergelijkende equivalentiemeetcampagnes georganiseerd. Hieruit blijkt dat de automatische meettechnieken equivalent zijn, mits het gebruik van een kalibratiefactor. Deze kalibratie is onder meer nodig om verlies door verdamping van vluchtig aerosol, dat ontstaat bij de opwarming van de inlaatbuis van de automatische monitoren, te compenseren. Zonder deze kalibratie wordt de hoeveelheid gemeten fijn stof met automatische meettoestellen meestal onderschat. Volgende kalibratiefactoren werden berekend, zie Tabel 5. Tabel 5: Kalibratiefactoren voor PM 10 en PM 2,5 Type monitor Nieuwe factoren Fractie
Vorige factoren
vanaf 01/01/2009
tot en met 31/12/2008
ESM
1,25
1,37
TEOM
Variabele factor per dag
1,47
TEOM-FDMS
1,00
1,00
ESM
1,27
1,46
TEOM-FDMS
1,00
1,00
PM 10
PM 2,5
Tabel 6 bevat de streef- en grenswaarden voor de polluent PM 10 en PM 2,5 .
Normen • 13
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Tabel 6: PM 10 - en PM 2,5 -grenswaarden PM 10 : STREEF- EN GRENSWAARDE 50 µg/m³, max. 35 overschrijdingen per jaar 40 µg/m³
EU-DAGGRENSWAARDE EU-JAARGRENSWAARDE PM 2,5 : STREEF- EN GRENSWAARDE EU-STREEFWAARDE tegen 2010
25 µg/m³
EU-GRENSWAARDE tegen 2015
25 µg/m³
TOEKOMSTIGE INDICATIEVE EU-GRENSWAARDE tegen 2020
20 µg/m³
Tabel 7 toont de richtwaarden voor PM 10 en PM 2,5 bepaald door de WGO. Tabel 7: PM 10 - en PM 2,5 - richtwaarden (WGO, 2005) PM 10 -DAGRICHTWAARDE
50 μg/m³; maximum 3 overschrijdingen per jaar
PM 10 -JAARRICHTWAARDE
20 μg/m³
PM 2,5 -DAGRICHTWAARDE
25 µg/m³, maximum 3 overschrijdingen per jaar
PM 2,5 -JAARRICHTWAARDE
10 µg/m³
2.4 Zwarte koolstof Voor de zwartekoolstofmetingen bestaat er geen Vlaamse of Europese wetgeving. Ook de WGO heeft (nog) geen richtwaarden gepubliceerd voor zwarte koolstof.
2.5 Ozon – O3 Tabel 8 bevat een overzicht van de streef- en drempelwaarden die geldig zijn voor ozon. Tabel 8: Langetermijndoelstellingen, streef- en drempelwaarden voor ozon Uurgemiddelde: 180 µg/m³
INFORMATIEDREMPEL bevolking ALARMDREMPEL bevolking STREEFWAARDE voor de bescherming van de gezondheid van de mens LANGE TERMIJNDOELSTELLING voor de bescherming van de gezondheid van de mens
Uurgemiddelde: 240 µg/m³ Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag: 120 µg/m³ mag gemiddeld over 3 jaar niet vaker dan 25 dagen per jaar overschreden worden Hoogste 8-uurgemiddelde van een dag gedurende een jaar: 120 µg/m³
RICHTLIJN STREEFWAARDE voor de bescherming van de vegetatie LANGE TERMIJNDOELSTELLING voor de bescherming van de vegetatie
AOT40: 18.000 (µg/m³).uren, gemiddeld over 5 jaar AOT40: 6.000 (µg/m³).uren
De aanbeveling van de WGO is strenger: 100 µg/m³ voor het hoogste 8-uurgemiddelde van een dag. Deze concentratie zou voldoende bescherming bieden voor de volksgezondheid, hoewel er ook nog 2 negatieve effecten kunnen voorkomen onder deze richtwaarde .
2.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX Tabel 9 bevat een overzicht van de grens- en richtwaarden voor BTEX. 2
WHO Air Quality Guidelines for particulate matter, ozone, nitrogen dioxide and sulfur dioxide, Global update 2005, Summary of risk assessment, 2006
14 • Normen
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Tabel 9: BTEX-grens- en richtwaarden Benzeen: GRENSWAARDE als 98ste percentiel in het beschouwde jaar op basis van dagwaarden (VLAREM II) Benzeen: GRENSWAARDE als jaargemiddelde in het beschouwde jaar (richtlijn 2008/50/EG) Tolueen: RICHTWAARDE op halfuurbasis (WGO) Tolueen: RICHTWAARDE als weekgemiddelde (WGO)
50 µg/m³ 5 µg/m³ 1.000 µg/m³ 260 µg/m³
2.7 Dioxines en PCB’s Er bestaan geen wettelijke normen voor de depositie van dioxines of PCB’s. Het Europees Wetenschappelijk Comité voor menselijke voeding heeft in 2001 een advies uitgebracht hoeveel dioxines en dioxineachtige PCB’s men wekelijks maximaal mag innemen. Dit bedraagt 14 pg TEQ/kg 3 lichaamsgewicht per week. De VMM heeft een studie laten uitvoeren om te berekenen welke jaargemiddelde depositie overeenstemt met dit EU-advies van 14 pg TEQ/(kg.week) en definieerde zo een drempelwaarde. Aangezien de hoge analyseprijs niet toelaat om jaarrond te meten, werd er ook een drempelwaarde berekend voor maandgemiddelde deposities. Occasioneel komen er hoge deposities voor die uitgemiddeld zouden worden als we maandelijks zouden meten. Daarom wordt de maandgemiddelde depositie getoetst aan een hogere drempelwaarde, zie Tabel 10. Deze drempelwaarden worden vanaf 2010 toegepast. In vergelijking met voorgaande jaren zijn er 2 wijzigingen: • de drempelwaarden gelden voor de som van de dioxines en dioxineachtige PCB’s; • de drempelwaarden gelden enkel in gebieden waar verhoogde deposities een impact op de gezondheid kunnen hebben, namelijk agrarische gebieden en woonzones. Tabel 10: Drempelwaarden voor de gemeten deposities van dioxines en dioxineachtige PCB’s Toelaatbare dosis Jaargemiddelde Maandgemiddelde gedefinieerd door Waar depositie depositie EU Agrarische gebieden en 14 pg TEQ/(kg.week) 8,2 pg TEQ/(m².dag) 21 pg TEQ/(m².dag) woonzones Vooral een chronische blootstelling aan dioxines en PCB’s is belangrijk. De drempelwaarden laten toe om de gemeten deposities te beoordelen en te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen. Het verdient aanbeveling te streven naar het respecteren van de drempelwaarden.
3
Cornelis et al. (2007). Voorstel voor milieukwaliteitsnormen voor depositie van dioxines en PCB’s, studie uitgevoerd door VITO in opdracht van de VMM
Normen • 15
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
3 Meetresultaten Hierna worden de meetwaarden, verzameld in 2013, vergeleken met de voorbije jaren en getoetst aan de huidige en toekomstige normen en aan de WGO-richtwaarden.
3.1 Zwaveldioxide – SO2 Antropogene emissies van SO 2 ontstaan voornamelijk door de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals kolen en aardolie. Het overgrote deel van de SO 2 -emissie in Vlaanderen is afkomstig van de industrie, raffinaderijen en elektriciteitscentrales. Bij inademing is SO 2 irriterend. Hoge concentraties kunnen ademhalingsproblemen veroorzaken, vooral bij personen die lijden aan astma of chronische longziekten. 3.1.1 Emissie van SO2
40000
20
36000
18
32000
16
28000
14
24000
12
20000
10
16000
8
12000
6
8000
4
4000
2
0
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Som van SOx als SO2 (ton)
2007
2008
2009
2010
2011
SO2-jaargemiddelde (*)
Figuur 2: Evolutie industriële uitstoot SO x in het Antwerpse havengebied (2000-2012)
16 • Meetresultaten
2012
SO2-jaargemiddelde (µg/m³)
emissie SOx als SO2 in de Antwerpse haven (ton)
Figuur 2 en Figuur 3 tonen de uitstoot van de industrie en de scheepvaart in het Antwerpse havengebied. De cijfers zijn afkomstig uit de emissie-inventaris van de VMM. De industriële emissies worden verkregen uit de Integrale Milieujaarverslagen en de scheepvaartemissies uit modelberekeningen. Ze tonen aan dat de daling van de uitstoot door de industrie en de scheepvaart verantwoordelijk was voor de lagere immissieconcentraties. Tussen 2009 en 2010 daalde de industriële uitstoot met 11.000 ton en de SO 2 -uitstoot door de scheepvaart met 1.617 ton. Ook in 2012 zette deze dalende trend in de emissies zich voort. Voor de daling in de uitstoot van de scheepsvaart zijn een aantal maatregelen verantwoordelijk. Zo is er vanaf 01/07/2007 de invoering van de nieuwe zwavelnorm voor de scheepsbrandstoffen in de zwavelarme regio’s, de zogenaamde Sulphur Emission Control Areas, kortweg SECA’s. Deze nieuwe norm legt een zwavelnorm van 1,5% vanaf 01/07/2007, voorheen was dit gemiddelde 2,7%. In 2010 was er dan de verstrenging van de SECAnorm van 1,5 naar 1,0% zwavel en ook een verstrenging van de EU-norm voor aangemeerde schepen van 0,2 naar 0,1% zwavel. Een verdere daling van de scheepsvaartemissies kan een gevolg zijn van de verstrenging van de zwavelnorm, voor de brandstof gebruikt door zeeschepen, van 4,5 naar 3,5% vanaf 01/01/2012.
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
SO2-emissie (ton/jaar) door de scheepvaart in de haven van Antwerpen 5000
4500
4000 VehCa tanker
3500
SO2-emissie (ton/jaar)
sleep roro
3000
reefer passenger
2500
other tanker other general cargo
2000
gas tanker container
1500
bulk bagger
1000
500
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Figuur 3: Evolutie uitstoot SO 2 door de scheepvaart in de Antwerpse haven (2000-2012) 3.1.2 Tijdsverloop van SO2-meetwaarden Een virtueel gemiddelde is het gemiddelde van alle metingen van deze polluent in een bepaald gebied gedurende een kalenderjaar. Figuur 4 toont het verloop van het SO 2 -jaargemiddelde in de virtuele stations ‘Antwerpse havengebied’ en ‘Vlaanderen’. Sinds 1993 was er een sterke daling in de SO 2 concentraties met een trendbreuk rond 1999 ten gevolge van technische redenen (vernieuwing datatransmissiesysteem). In de periode 2007-2010 was er opnieuw een sterk dalende trend in de concentraties. In 2011 stagneerden de SO 2 -concentraties, het jaargemiddelde was dan gelijk aan dat van 2010. Nadien is het verloop stagnerend tot licht dalend. Wanneer we de periode 1990-2013 bekijken merken we op dat de gemiddelde concentratie in het Antwerps havengebied eerst hoger ligt dan het gemiddelde voor alle Vlaamse meetstations, sinds 2010 zijn deze gemiddelden nagenoeg gelijk.
Meetresultaten • 17
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Trend SO2-jaargemiddelde: haven van Antwerpen en Vlaanderen (virtueel meetstation) 40 35
SO2 (µg/m³)
30 25 20 15 10 5
haven Antwerpen
2013
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
2000
1999
1998
1997
1996
1995
1994
1993
1992
1991
1990
0
Vlaanderen
Figuur 4: SO 2 -jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (1990-2013) Figuur 5 toont het verloop van enkele statistische parameters van de SO 2 -dagconcentraties in de haven over de laatste 10 jaar via een virtueel meetstation. Er was weinig tot geen variatie in het SO 2 jaargemiddelde tot en met 2006. In 2007-2008 daalden de concentraties aanzienlijk, zowel het jaargemiddelde als de percentielen. In 2010 stelden we opnieuw een tweede sterke daling vast in de gemeten SO 2 -concentraties in de haven. In 2011 bleef het jaargemiddelde ongewijzigd ten opzichte van 2010, maar is er wel een aanzienlijke daling in de hogere percentielen. Deze daling lijkt zich de laatste jaren te stabiliseren. In 2012 was er nog een lichte daling in het jaargemiddelde en het 90ste percentiel. In 2013 bleef het virtueel jaargemiddelde gelijk. De piekwaarden (P90 en P98) daalden licht. De gemeten SO 2 -concentraties zijn laag, het SO 2 -jaargemiddelde was in 2013 nog maar één derde van de concentraties gemeten in 2007.
18 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
SO2 in de haven van Antwerpen (virtueel meetstation) 40 35
SO2 (µgm³)
30 25 20
18
17
17
17 15
15
11
11
10 6
6
5
5
5 0 2003 (10)
2004 (10)
2005 (10)
2006 (10) P50
2007 (10) P90
2008 (10)
2009 (10)
P98
2010 (10)
2011 (10)
2012 (10)
2013 (10)
jaargemiddelde (*)
Figuur 5: Evolutie SO 2 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2003-2013) het aantal meetstations staat tussen haakjes. * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
3.1.3 Toetsing van SO2-meetwaarden Tabel 11 toont de belangrijkste statistische parameters, namelijk het jaargemiddelde, 50ste en 98ste percentiel en de maximum dagwaarde van zwaveldioxide per meetstation voor het jaar 2013. Tabel 11: Belangrijkste statistische parameters voor SO 2 DAGWAARDEN 2012 SO 2 (µg/m³) Meetstation Jaargem. P50 P98 Max. Jaargem. 42M802 (Luchtbal) 42R815 (Zwijndrecht) 42R822 (Polderdijkweg) 42R830 (Doel) 42R831 (Berendrecht) 42R891 (Scheurweg) 42R892 (Kallo) 42R893 (Ekeren) 42R894 (Muisbroeklaan) 42R897 (Scheldelaan) Virtueel gemiddelde
2013 P50
P98
Max.
3
2
11
14
3
2
8
10
4
2
17
45
4
2
13
45
10
9
24
36
8
7
21
55
3
2
9
16
4
3
11
88
3
3
11
18
3
2
9
16
6
4
32
56
5
4
17
35
4
3
17
21
5
4
17
37
5
4
14
25
4
3
13
21
10
8
32
49
8
6
32
38
4
3
16
35
5
3
18
59
5
5
11
17
5
5
10
14
Tabel 12 toont de meetstations die een SO 2 -norm overschreden in de jaren 2006 tot en met 2013.
Meetresultaten • 19
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Tabel 12: Overschrijdingen SO 2 -norm Meetstation 2006 2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
Aantal overschrijdingen SO 2 -uurnorm (350 µg/m³), maximaal 24 overschrijdingen per jaar 42R822
45
37
25
6
1
0
0
0
42R830
0
0
1
0
0
0
0
1
42R831
0
0
1
1
0
0
0
0
42R892
2
2
0
0
0
0
0
0
42R897
1
3
0
2
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Aantal overschrijdingen van de 125 µg/m³ dagnorm, maximaal 3 overschrijdingen per jaar 42R822 6 dagen 7 3 0 0 Overschrijding van de 500 µg/m³ alarmdrempel, 3 opeenvolgende uren 1 keer 3 opeen42R822 0 0 0 0 volgende uren 42R831 0 0 0 0 0 Overschrijding van de WGO-dagrichtwaarde van 20 µg/m³ 2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
2013
42M802
52
27
3
7
0
0
0
0
42R815
41
33
9
9
2
0
5
4
42R822
169
180
97
87
21
26
20
8
42R830
51
22
17
6
2
0
0
2
42R831
41
21
18
8
1
0
0
0
42R891
152
168
121
87
32
33
21
5
42R892
122
97
31
13
5
0
1
2
42R893
86
62
26
24
0
1
1
1
42R894
198
155
63
74
25
39
38
25
42R897
84
69
32
39
14
4
3
5
Overschrijdingen van de grenswaarden en richtwaarden worden in rood getoond.
Uit Tabel 12 blijkt dat de Europese normen voor SO 2 voor het 5de jaar op rij ruim gerespecteerd bleven, dit in tegenstelling tot de periode 2006-2008. De gemeten concentraties waren laag, het hoogste daggemiddelde in 2013 bedroeg 88 µg/m³. In 2013 werd er 2 keer een uurconcentratie hoger dan 350 µg/m³ gemeten. De WGO-dagrichtwaarde werd in 2013 op 2 meetstations gehaald. Dit is een hele verbetering ten opzichte van 2006 toen deze op alle meetstations veelvuldig werd overschreden. In het meetstation in de Muisbroeklaan (42R894) gebeurde dit in 2006 op meer dan de helft van de dagen. In 2013 werd de WGO-richtwaarde op dit meetstation nog op 25 dagen overschreden. Dit station is echter een industrieel gericht station, de impact op woongebieden is hierdoor beperkt. 3.1.4 Geografische spreiding van SO2-concentraties 3.1.4.1 Gemodelleerde SO2-concentraties Om de SO 2 -concentraties in de Antwerpse agglomeratie te kunnen inschatten werd met behulp van het VLOPS-model een kaart getekend van het SO 2 -jaargemiddelde in de Antwerpse agglomeratie, zie Figuur 6. Zoals verwacht schat het model dat de hoogste concentraties voorkomen in het centrum van het havengebied, aan de raffinaderijen. In de ruimere agglomeratie, waar ook bewoning is, schat het VLOPS-model de concentraties lager in.
20 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Figuur 6: Gemodelleerd SO 2 -jaargemiddelde in de Antwerpse agglomeratie in 2013 de gemiddelde absolute onzekerheid van deze Vlops kaart bedraagt 1,36 µg/m³
Meetresultaten • 21
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
3.1.4.2 Pollutierozen SO2 Een pollutieroos koppelt de luchtconcentraties van een bepaalde stof aan de dan heersende windrichting. Een pollutieroos is nuttig om de richting van de bron aan te duiden. Figuur 7 toont de pollutierozen van SO 2 met de gemiddelde halfuurconcentratie per windsector voor het jaar 2013 in het havengebied. De pollutierozen wijzen voornamelijk in de richting van de raffinaderijen gelegen in het centrum van het havengebied. Ook zien we een bron ten zuiden van het meetstation in Zwijndrecht (42R815). Deze SO 2 -emissies zijn afkomstig van het bedrijf Argex, een producent van kleikorrels, gelegen op de grens tussen Zwijndrecht en Kruibeke.
Figuur 7: Pollutierozen gemiddelde SO 2 -concentraties in het Antwerpse havengebied in 2013
22 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.2 Stikstofoxides – NO/NO2 Vooral verbrandingsprocessen geven aanleiding tot de uitstoot van stikstofoxides. De belangrijkste bron van NO x in Vlaanderen is het wegverkeer. De gassen NO en NO 2 zetten zich in de lucht gemakkelijk om: NO oxideert onder invloed van het zonlicht naar NO 2 . Nadelige effecten bij de mens, van vooral NO 2 , treden op bij kortstondige blootstelling aan hoge concentraties en bij chronische blootstelling aan lage concentraties. 3.2.1 Emissie van NOx 50
20000
40
15000
30
10000
20
5000
10
0
cocnentratie van NO2 in de Antwerpse haven (µg/m³)
emissie Nox als NO2 in de Antwerpse haven (ton )
25000
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
emissies NOx als NO2 in de Antwerpse haven (ton)
2008
2009
2010
2011
2012
NO2-concentratie
Figuur 8: Evolutie industriële uitstoot NO x in het Antwerpse havengebied (2000-2012) In Figuur 8 zien we dat de uitstoot van NO x in het Antwerpse havengebied tussen 2001 en 2009 daalde met bijna 7.000 ton. Sinds 2009 is er geen noemenswaardige daling meer aanwezig. De trend in de emissies werd niet helemaal gevolgd in de gemeten concentraties. Hier spelen mogelijk andere bronnen zoals bijvoorbeeld transport ook een rol in. De gegevens over de uitstoot van NO x werden verzameld in de Emissie-inventaris Lucht op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. 3.2.2 Tijdsverloop van NOx-meetwaarden In meerdere meetstations in het Antwerpse havengebied wordt NO, NO 2 en NO x gemeten. Halverwege 2012 werden in het meetstation Stabroek (40R833) NO x -metingen gestart. In 2013 werden metingen opgestart in het meetstation Antwerpen Linkeroever (40AL01) en Hoevenen (40SA04). De metingen in Hoevenen bevatten nog onvoldoende gegevens om mee te nemen in de volgende figuren en tabellen.
Meetresultaten • 23
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Trend NO-jaargemiddelde: haven van Antwerpen en Vlaanderen (virtueel meetstation) 35 30
NO (µg/m³)
25 20 15 10 5 0 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 haven Antwerpen
Vlaanderen
Figuur 9: Evolutie jaargemiddelde NO-concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2013)
Trend NO2-jaargemiddelde: haven van Antwerpen en Vlaanderen (virtueel meetstation) 45
NO2 (µg/m³)
40
35
30
25
20 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 haven Antwerpen
Vlaanderen
Figuur 10: Evolutie jaargemiddelde NO 2 -concentraties in het Antwerpse havengebied en Vlaanderen (2001-2013)
24 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Figuur 9 en Figuur 10 tonen het verloop van de NO- en NO 2 -concentraties in de virtuele meetstations ‘Vlaanderen’ en ‘Antwerps havengebied’ over een periode van dertien jaar. In de periode 2001-2009 was er een dalende trend in het Antwerpse havengebied en in Vlaanderen voor zowel de NO- als de NO 2 -concentraties. In de periode 2010 tot 2013 werd voor beide gebieden een zeer lichte daling vastgesteld. In 2012 en 2013 maten we dezelfde concentraties. De concentraties van NO 2 lagen in het Antwerpse havengebied zo’n 20% hoger dan het Vlaams gemiddelde. NO in de haven van Antwerpen (virtueel meetstation) 200
NO (µg/m³)
160 120 80 30
40
27
26
26
25
25
23
21
19
19
17
19
17
0 2001 (7)
2002 (7)
2003 (7)
2004 (7)
2005 (9)
P50
2006 (10)
2007 (10)
P90
2008 (10)
2009 (10)
2010 (11)
2011 (11)
2012 (12)
2013 (12)
35
35
2012 (12)
2013 (13)
P98
jaargemiddelde (*)
Figuur 11: Evolutie NO-jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2001-2013) het aantal meetstations staat tussen haakjes. * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
NO2 in de haven van Antwerpen (virtueel meetstation) 100
NO2 (µg/m³)
80
60
40 42
40
43
39
40
39
38
39
37
37
37
2009 (10)
2010 (11)
2011 (11)
20
0 2001 (7)
2002 (7)
2003 (7)
2004 (7)
2005 (9)
2006 (10)
2007 (10)
2008 (10)
P50
P90
jaargemiddelde (*)
P98
grenswaarde 2011-2014
WGO-richtwaarde/ grenswaarde 2015
Figuur 12: Evolutie NO 2 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2001-2013) het aantal meetstations staat tussen haakjes. * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
Figuur 11 en Figuur 12 tonen het verloop van enkele statistische parameters – jaargemiddelde, P50, P90 en P98 – van de NO- en NO 2 -concentraties in het virtuele meetstation ‘Antwerpse haven’ in de periode 2001-2013. Beide figuren tonen een dalende trend. In 2013 stagneerde de dalende trend, de jaargemiddelden zijn gelijk aan deze in 2012. De hogere percentielen kenden in 2013 echter voor
Meetresultaten • 25
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
beide polluenten een stijging tegenover 2012, wat wijst op meer piekconcentraties in de omgevingslucht. 3.2.3 Toetsing van de NO2-meetwaarden Tabel 13 bevat – per meetstation voor het 2013 – de belangrijkste statistische parameters voor NO 2 , namelijk jaargemiddelde, 50ste en 98ste percentiel en maximale uurwaarde. Tabel 13: Statistische parameters van alle NO 2 -meetpunten in het Antwerpse havengebied in 2013 Meetstation Jaargemiddelde P50 P98 Max. 4
40R833 (Stabroek)
31
28
70
118
40*
37*
97*
175*
42R815 (Zwijndrecht)
33
30
85
166
42R822 (Polderdijkweg)
39
36
85
192
42R830 (Doel)
27
22
76
135
42R831 (Berendrecht)
31
27
74
128
42R891 (Antwerpen)
37
34
85
196
42R892 (Kallo)
38
36
83
132
42R893 (Ekeren)
36
33
79
137
42R894 (Antwerpen)
40
38
84
203
42R897 (Antwerpen)
37
34
84
127
47E804 (Kallo) (66%)
32*
29*
82*
129*
40AL01 (Linkeroever) (48%)
27*
24*
72*
169*
35
32
75
122
42M802 (Luchtbal) (86%)
Virtueel gemiddelde
* voor de NO/NO 2 -metingen op de meetstations 42M802, 47E804 en 40AL01 beschikt de VMM slechts over respectievelijk 86%, 66% en 48 % van de data. Berekening op basis van uurwaarden.
In 2013 bleef de uurgrenswaarde – maximum 18 uurgemiddelden > 200 µg/m³ – op alle meetstations gerespecteerd. Ook de jaargrenswaarde van 60 µg/m³, geldig voor de periode 2011-2014, werd op geen enkel meetstation overschreden. De toekomstige grenswaarde van 40 µg/m³ – geldig vanaf 2015 – werd op 2 meetstations bereikt, maar niet overschreden. In het meetstation Muisbroeklaan (42R894), bereikte het jaargemiddelde de toekomstige jaargrenswaarde voor NO 2 . Hier werd in 2013 ook 1 maal een uurwaarde van meer dan 200 µg/m³ genoteerd. Dit station is gelegen in de industriezone. De rechtstreekse impact van de verhoogde NO 2 concentraties op nabijgelegen woonzones was dus wellicht gering. Ook in het meetstation 42M802 (Luchtbal) bereikte het jaargemiddelde in 2013 de toekomstige jaargrenswaarde. Het meetstation Luchtbal is gelegen aan de rand van enkele grote woonzones en is dus zeker relevant voor de blootstelling naar de bevolking toe. Het is bijgevolg belangrijk om na te gaan in welke mate de gemeten NO 2 -concentraties op dit meetstation ook voorkwamen in de verschillende nabijgelegen woonzones. De opstart van NO 2 -metingen in Hoevenen eind december 2013 kan hierin gekaderd worden. 3.2.4 Geografische spreiding van NO2-concentraties 3.2.4.1 Gemodelleerde NO2-concentratie Om de concentraties voor NO 2 in en rond het havengebied beter te kunnen inschatten is er via modellering met het RIO+IFDM model, een kaart gemaakt die de spreiding van de NO 2 -concentraties in de Antwerpse agglomeratie inschat (zie Figuur 13). Het model RIO+IFDM past in een eerste fase het RIO-model toe dat de meetwaarden van NO 2 in combinatie met informatie over landgebruik en Belgische emissietotalen interpoleert tot achtergrondkaarten. In een tweede fase gebeurde er een 4
Voorheen 42R833
26 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
doorrekening met het IFDM-model voor de emissies van de lijnbronnen van de sector wegverkeer en voor de emissies van de gekende puntbronnen van de sectoren industrie en energie. Tenslotte was er een correctie voor dubbeltelling. Het mathematisch model raamt dat in een groot gedeelte van de woonkern van Merksem dezelfde of hogere concentraties aanwezig zijn dan deze gemeten in het meetstation Luchtbal (42M802). Aan de nabijgelegen woonkernen van Ekeren, Brasschaat en Schoten kent het model lagere concentraties toe. Verder toont de RIO-IFDM-kaart ons dat de bijdrage van het verkeer door het nabijgelegen klaverblad en de ring rond Antwerpen in het meetstation Luchtbal (42M802) relevant is. Anderzijds stellen we vast dat de bijdrage vanuit het havengebied ook aanzienlijk is. Zoals we zien op basis van meetwaarden in het meetstation in de Scheurweg in Antwerpen (42R891). Dit station ligt zo’n 2.500 meter in west-zuidwestelijke richting ten opzichte van het meetstation Luchtbal. In de (industriële) omgeving van het meetstation Scheurweg is bijna al het verkeer gerelateerd aan havenactiviteiten en is er geen doorgaand verkeer zoals in de omgeving van het meetstation Luchtbal. Toch meten we daar het vrij hoge jaargemiddelde van 37 µg/m³ in 2013.
Meetresultaten • 27
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Figuur 13: Gemodelleerd NO 2 -jaargemiddelde in de Antwerpse agglomeratie in 2013 De absolute onzekerheid op de RIO-kaart varieert van 5,4 tot 6,9 µg/m³.
28 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
NO2 in Luchtbal (meetstation 42M802) 120
NO2 (µg/m³)
100 80 60
46
44
45
44
44
43
43
41
40
40 20 0 51% 2005
2006
2007 P50
2008
2009 P90
2010 P98
2011
82%
86%
2012
2013
Jaargem.
Figuur 14: Evolutie NO 2 -jaargemiddelde in het meetstation Luchtbal (42M802) (2005-2013) * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond. In 2006 waren slechts 51 % van de data beschikbaar; in 2012 82% en in 2013 86%.
Figuur 14 toont de evolutie van de meetresultaten voor NO 2 in het meetstation Luchtbal (42M802) sinds de start van de metingen. Over de hele meetperiode is er een licht dalende trend aanwezig. In 2012 daalde het jaargemiddelde voor het tweede jaar op rij sinds de start van de metingen. Deze daling zette zich opnieuw door in 2013. De daling in 2012 in het meetstation Luchtbal (42M802) was het gevolg van een daling in de hogere percentielen, in het 50ste percentiel was geen daling aanwezig. In 2013 was zowel een daling in de hogere percentielen als in het 50ste percentiel merkbaar. Voor het eerst sinds de start van de metingen werd de toekomstige Europese jaargrenswaarde gehaald. 3.2.4.2 Pollutierozen NO2 Figuur 15 toont de pollutierozen van de halfuurgemiddelden voor NO 2 voor 2013. De pollutierozen wijzen voornamelijk in de richting van de belangrijkste NO x -bronnen en verkeersknooppunten in het havengebied en in de richting van de Antwerpse ring met de belangrijkste autosnelwegen.
Meetresultaten • 29
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Figuur 15: Pollutierozen gemiddelde NO 2 -concentraties in het Antwerpse havengebied in 2013
30 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.3 Fijn stof – PM10 en PM2,5 Zwevend stof is een mengsel van vloeibare of vaste deeltjes met uiteenlopende samenstellingen en afmetingen. Zowel de natuur als menselijke activiteiten kunnen een bron zijn van deze deeltjes. Vaak worden de stofdeeltjes ingedeeld volgens de grootte (aerodynamische diameter). Bij korte episodes van luchtverontreiniging worden gezondheidsproblemen zoals luchtweginfecties en astma ernstiger. Bij chronische blootstelling is er kans op een lager geboortegewicht, een vermindering van de longfunctie, toename van chronische luchtwegaandoeningen en een verminderde levensverwachting. In dit hoofdstuk worden de fracties PM 10 en PM 2,5 besproken. 3.3.1 PM10 De VMM mat PM 10 in meerdere meetstations in en rond de Antwerpse haven. Het meetnet onderging in 2012 een aantal wijzigingen. De PM 10 - en PM 2,5 -metingen in het meetstation in het PITO te Laageind, Stabroek (40R833) werden halverwege het jaar stopgezet. In het nieuwe meetstation in Hoevenen (40SA04) werden PM 10 - en PM 2,5 -metingen gestart in juni 2012. In 2013 waren er geen verdere wijzigingen van het meetprogramma. 3.3.1.1 Stofemissies Figuur 16 en Figuur 17 tonen de industriële emissies van stofprecursoren en primaire stofemissies in de Antwerpse haven. De Emissie-inventaris Lucht verzamelt deze gegevens op basis van de door bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag en eigen berekeningen (voornamelijk voor PM 10 en PM 2.5 ). Figuur 16 toont de emissies van de stofprecursoren NO x , SO x en NH 3 volgens hun aerosolvormend potentieel. Stofprecursoren vormen na uitstoot via scheikundige reacties nieuwe stofdeeltjes. Niet elke precursor draagt evenveel bij tot de stofvorming. Via factoren wordt het aerosolvormend potentieel voor PM 10 bepaald van de precursoren NO x , SO x en NH 3 . NO x bleek de laatste 3 jaar de voornaamste aerosolvormende emissie te zijn in de Antwerpse haven. SO x kent in deze periode een veel lager aandeel. De precursor NH 3 wordt in Vlaanderen typisch door de landbouw uitgestoten. In het havengebied zijn er ook enkele relevante industriële bronnen van NH 3 aanwezig. Figuur 17 toont de rechtstreeks uitgestoten stofemissies van totaal stof (total suspended particles of TSP), PM 10 en PM 2.5 . De rechtstreeks uitgestoten of primaire PM 10 -emissies kenden een sterke daling die grotendeels in 3 periodes ingedeeld kan worden. Als eerste de periode 2003-2004, waar de uitstoot van PM 10 schommelde rond de 1.700 ton. De periode 2005-2007 waar de uitstoot van PM 10 schommelde rond de 1.000 ton en een derde periode vanaf 2008 waarbij de PM 10 -emissies schommelden rond de 500 ton. In 2012 lijkt een verdere daling ingezet ten opzichte van 2011.
Meetresultaten • 31
20000
2000
18000
1800
16000
1600
14000
1400
12000
1200
10000
1000
8000
800
6000
600
4000
400
2000
200
0
primair PM10-emissies in de Antwerpse haven (ton)
emissies van stofprecursoren in de Antwerpse haven (aeosol vormend potentieel/jaar)
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
0 2000
2001
2002
2003 NOx
2004 2005 2006 NH3 SOx
2007 2008 2009 2010 primair PM10* (rechter-as)
2011
2012
* enkel procesemissies en aangeleverde verbrandingsemissies
Figuur 16: Industriële emissies van stofprecursoren en primair PM 10 in het Antwerpse havengebied (2000-2012)
4500
45
4000
40
3500
35
3000
30
2500
25
2000
20
1500
15
1000
10
500
5
0
fijnstof jaargemiddelde (µg/m³)
pirmaire stofemissies Antwerpse haven (ton)
Aerosolvormend potentieel bepaald volgens methode De Leeuw et al. (2002)
0 2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
emissie stof (totaal)
emissie PM10
jaargemiddelde PM10-concentratie
jaargemiddelde PM2,5-concentratie
2010
2011
2012
emissie PM2,5
Figuur 17: Industriële primaire stofemissies (TSP, PM 10 en PM 2,5 ) in het Antwerpse havengebied (2003-2012) 3.3.1.2 Tijdsverloop en toetsing PM10-meetwaarden Figuur 18 toont het verloop van de PM 10 -concentraties in de virtuele stations ‘Antwerpse havengebied’ en ‘Vlaanderen’ over een periode van de laatste 10 jaar. De grafiek geeft een dalende trend weer in de periode 2003-2009. In 2011 stelden we opnieuw een stijging in de concentraties in het havengebied vast voornamelijk veroorzaakt door sterk verhoogde stofconcentraties met continentale wind in het voorjaar van 2011. Door deze stijging in 2011 lag het virtueel gemiddelde van de PM 10 concentraties in de haven dat jaar hoger dan het Vlaams gemiddelde, dit in tegenstelling tot 2009 en 2010. In 2012 was er opnieuw een sterke daling van de PM 10 -concentraties, zowel in het havengebied als in Vlaanderen. Hoewel de daling sterker was in het havengebied dan in Vlaanderen, lag het
32 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
gemiddelde in de haven van Antwerpen ook in 2012 hoger dan het Vlaams gemiddelde. In 2013 bleef het virtueel gemiddelde voor de haven van Antwerpen even hoog als in 2012. Het virtueel gemiddelde voor Vlaanderen steeg licht en was in 2013 even hoog als dit in de Antwerpse haven.
Trend PM10-jaargemiddelde: haven van Antwerpen en Vlaanderen (virtueel meetstation) 45
PM10 (µg/m³)
40
35
30
25
20 2003
2004
2005
2006
2007
2008
haven Antwerpen
2009
2010
2011
2012
2013
Vlaanderen
Figuur 18: PM 10 -jaargemiddelde haven van Antwerpen ten opzichte van Vlaanderen (2003-2013) Figuur 19 toont voor het virtueel meetstation de PM 10 -concentraties voor de meetperiode 2004-2013. Opnieuw zien we dat in deze periode de concentraties globaal een dalende trend vertonen. In 2011 vertoonden de concentraties naast een lichte stijging in het virtueel jaargemiddelde een opvallende stijging in de hogere percentielen. Zowel het 90ste percentiel als het 98ste percentiel waren in 2011 hoger dan deze in de periode 2008-2010. Deze stijging was deels het gevolg van sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011. De lente – maart tot mei – van 2011 was zeer warm en droog, zodat de stofverontreiniging niet uit de lucht ‘uitgewassen’ werd. Tijdens deze periode was er ook veel continentale wind uit het noordoosten. In 2011 werden er 3 nieuwe PM 10 -meetstations (Berendrecht-Hoefbladstraat 42R831, Doel 40AL02 en Kallo-sluis 40AL05) opgenomen in de berekening van het virtueel gemiddelde in de haven. Deze toevoeging gaf geen extra daling of stijging van het globaal virtueel gemiddelde van het havengebied. Het virtueel jaargemiddelde van 2013 bleef met een gemiddelde van 27 µg/m³ gelijk aan dit van 2012. De hoogste percentielen (P98) kenden wel een uitgesproken daling ten opzichte van 2012 en zakten onder de concentraties gemeten in 2010. Dit wijst er op dat er in 2013 minder piekconcentraties aanwezig waren.
Meetresultaten • 33
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
100 grenswaarde vanaf 2005 WGO-richtwaarde
PM10-jaargemiddelde (µg/m³)
80
60
40 27
36
35
36
33
32
20
29
29
27
31
0 2004 (4) 2005 (5) 2006 (5) 2007 (5) 2008 (5) 2009 (5) 2010 (6) 2011 (9) 2012 (10) 2013 (9) P50
P90
P98
grenswaarde
jaargemiddelde
WGO-richtwaarde
Figuur 19: Evolutie PM 10 -meetresultaten in het Antwerpse havengebied (2004-2013) * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond.
Tabel 14 toont een overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 90ste percentiel en het maximum van de uurwaarden voor PM 10 . We stellen vast dat de jaargrenswaarde (40 µg/m³) de afgelopen jaren op alle meetstations in de haven ruim gerespecteerd bleef. De WGO-richtwaarde van 20 µg/m³ werd echter nergens gehaald.
34 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Tabel 14: Belangrijkste statistische parameters voor PM 10 UURWAARDEN 2011 2012 2013 PM 10 (µg/m³) Meetstation Jaargem. P50 P90 P98 Jaargem. P50 P90 P98 Jaargem. P50 P90 40AB01 29 24 53 78 27 22 48 75 27 24 48 (Boudewijnsluis) 40AB02 29 24 54 81 26 21 47 73 26 23 45 (Berendrecht) 40AL01 26 21 49 78 24 19 45 74 25 21 45 (Linkeroever) 40AL02 (Doel) 31 25 57 82 25 21 48 74 26 22 47 40AL05 (Sluis 34 28 62 88 29 24 54 82 28 25 50 Kallo) 40R833 3 3 3 3 32 26 59 92 34 28 63 95 x x x (Stabroek) 40SA04 4 4 4 4 x x x x 18 15 33 53 26 23 45 (Hoevenen) 42M802 34 29 60 84 32 28 56 84 28 24 52 (Luchtbal) 42R815 1 1 1 33 26 68 102 28 24 54 89 29 24 56 (Zwijndrecht) 42R831 2 2 2 2 24 20 44 66 25 21 46 70 25 22 45 (Berendrecht) Virtueel 31 26 56 80 27 22 48 73 27 23 46 gemiddelde
P98 75 71 72 73 76 x 70 78 1
86
66 70
1
op 42R815 beschikken we slechts over 89% van de data voor 2013 op 42R831 beschikken we slechts over 54% van de data voor 2011 (start meting einde mei 2011) 3 op 40R833 beschikken we slechts over 44% van de data voor 2012 (stop meting in juni 2012) 4 op 40SA04 beschikken we slechts over 54% van de data voor 2012 (start metingen in juni 2012) 2
De lokale activiteiten van de nabijgelegen tuinbouwschool hebben de gemeten concentraties in het meetstation in Stabroek in het verleden sterk beïnvloed. In samenspraak met het gemeentelijk havenbedrijf en de gemeente Beveren besliste de VMM om de meettoestellen voor fijn stof (PM 10 en PM 2,5 ) te verplaatsen. Vanaf juni 2012 stonden deze toestellen op een nieuwe locatie aan de Abelenlaan in Hoevenen (40SA04). Voor dit meetstation was 2013 het eerste jaar met voldoende data.
Meetresultaten • 35
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
75
aantal dagen PM10 > 50 µg/m³
grenswaarde vanaf 2005
50
30 25
28 25
24 18
19
19
18
16
0 40AB01 40AB02 40AL01 40R833 42M802 42R815 40AL02 2008
2009
2010
2011
2012
2013
40AL05 42R831 40SA04 WGO-richtwaarde
Figuur 20: Aantal dagen met PM 10 -concentratie > 50 µg/m³ voor de meetstations in het Antwerpse havengebied (2008-2013) De EU-grenswaarde voor PM 10 houdt in dat er jaarlijks maximaal 35 dagen mogen zijn met PM 10 concentraties hoger dan 50 µg/m³. Figuur 20 toont dat het aantal dagen sterk varieert van jaar tot jaar. In 2010 werd de daggrenswaarde voor PM 10 voor het eerst gerespecteerd op alle meetstations in de haven sinds de start van de metingen. In 2011 waren alle meetstations in overschrijding, met uitzondering van het meetstation op Antwerpen-Linkeroever (40AL01). Zoals hierboven reeds vermeld, was deze stijging voor een groot deel het gevolg van sterk verhoogde stofconcentraties in het voorjaar van 2011 met continentale wind uit het noordoosten. In 2012 waren er minder dagen met hoge fijnstofconcentraties. Die daling werd ook in 2013 voortgezet. Ook in het meetstation Luchtbal (42M802), waar in 2012 nog 41 dagen met te hoge PM 10 -concentratie waren, zakte dit aantal tot 30. De daggrenswaarde voor PM 10 bleef in 2013 dus opnieuw gerespecteerd op alle meetstations in het havengebied. De WGO-richtwaarde met maximaal 3 dagen met een concentraties hoger dan 50 µg/m³ ligt echter nog ver buiten bereik.
36 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.3.1.3 Geografische spreiding van PM10-concentraties
Figuur 21: kaart gemodelleerde PM 10 -concentratie in Antwerpen (2012)
Meetresultaten • 37
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
5
In het kader van de Studie ‘Actualisering en verfijning luchtkwaliteitskaarten Stad Antwerpen werd door de VITO in opdracht van de stad Antwerpen in samenwerking met de VMM, een gedetailleerde kaart opgemaakt van de PM 10 -concentratie in Antwerpen, zie Figuur 21. De gegevens op deze kaart zijn gebaseerd op de RIO-IFDM modellering met bijkomende aanpassing van street canyons door het OSPM-Model. Deze modellering rekende gemodelleerde verkeersemissies en gekende puntbronnen door. Op de kaart zien we in het Antwerpse haven gebied een hogere concentratie dan in de binnenstad. De invloed van de grote invalswegen is eveneens duidelijk zichtbaar. Een pollutieroos koppelt de luchtconcentraties van een bepaalde stof aan de dan heersende windrichting. Een pollutieroos is nuttig om de richting van de bron aan te duiden. Figuur 22 toont de pollutierozen voor PM 10 in het havengebied. De meeste rozen zijn vrij rond van vorm waardoor het moeilijk is om lokale invloeden op te merken. Daarom werden er nieuwe pollutierozen gemaakt, zogenaamde zero-pollutierozen, waarbij steeds de laagste meting, de achtergrond, werd verwijderd. Per windsector (elke 10°) worden de metingen van de pollutierozen naast elkaar gelegd en de laagste concentratie wordt telkenmale afgetrokken van alle andere concentraties uit die sector. Op deze manier wordt de aanvoer van de achtergrondpollutie eruit gefilterd en komen de lokale bronnen beter naar voren. Figuur 23 toont de zero-pollutierozen voor de PM 10 -meetstations in het Antwerpse havengebied. Voor meetstation Luchtbal (42M802) komt de invloed van de nabijgelegen kade voor bulkgoederen in westzuidwestelijke sector sterk naar voor. Ook de invloed van de nabijgelegen autostrade in zuidoostelijke sector is zichtbaar. Voor het meetstation Boudewijnsluis (40AB01) komen enkele bronnen naar voor, de voornaamste in noordoostelijke en zuidoostelijke sector. Het meetstation Kallo (40AL05), dat in het havengebied na Luchtbal (42M802) en Zwijndrecht (42R815), de meeste dagen met hoge fijnstofconcentraties had in 2013, wordt beïnvloed door verschillende lokale bronnen in de noordwestelijke, noordoostelijke en oostelijke sector. Na analyse van de meetwaarden blijkt de bron in de noordwestelijke sector een discontinue bron te zijn, die aanleiding geeft tot kortstondige piekconcentraties van hoofdzakelijk mineraal stof. De bron van dit mineraal stof is waarschijnlijk een nabijgelegen loskade voor onder andere grind en kiezel, gelegen op 600 meter van het meetstation in westnoordwestelijke richting.
5
Vranckx & Lefebvre, november 2013
38 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Figuur 22: Pollutierozen PM 10 -gemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2013
Meetresultaten • 39
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Figuur 23: Zero-pollutierozen voor PM 10 in het Antwerpse havengebied in 2013
40 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.3.2 PM2,5 3.3.2.1 Emissie van PM2,5 Figuur 17 geeft de primaire industriële emissies van PM 2,5 in de Antwerpse haven aan. Net zoals bij de rechtstreekse uitstoot van het PM 10 -stof was er voor de uitstoot van het PM 2,5 -stof een algemeen dalende trend zichtbaar in de periode 2000-2012. Bij die dalende trend waren 3 periodes te onderscheiden, namelijk de periode 2000-2004, waar de uitstoot schommelde rond de 1.000 ton per jaar. De periode 2005-2007 waar de uitstoot schommelde rond de 600 ton per jaar, en een 3de periode vanaf 2008 waarbij de PM 2,5 -emissies schommelden rond de 200 ton per jaar. De uitstoot in 2012 bleef stabiel ten opzichte van 2011. 3.3.2.2 Tijdsverloop en toetsing van de PM2,5-meetwaarden Tabel 15 toont een overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 98ste percentiel en het maximum van de uurwaarden – uitgedrukt in µg/m³ – voor PM 2,5 . Alle meettoestellen waren operationeel vanaf 01/07/2008, uitgezonderd het toestel in het meetstation Stabroek (42R833) dat werd opgestart in oktober 2008. In overleg met het Gemeentelijk Havenbedrijf en de gemeente Beveren en mede op vraag van het Departement LNE werd beslist om vanaf 2011 op 2 van de 4 meetstations PM 10 te meten in plaats van PM 2,5 . Het gaat om de meetstations Doel (40AL02) en Kallo-sluis (40AL05). In 2012 werd de PM 2,5 -meting in meetstation Stabroek (40R833) stopgezet. Dit meetstation werd verplaatst naar Hoevenen (40SA04). Tabel 15: Belangrijkste statistische parameters voor PM 2,5 UURWAARDEN PM 2,5 2012 (µg/m³) Meetstation Jaargem. P50 P98 3 40AL03 (Watermolendijkweg, 18 14 59 Beveren) 40AL04 (Liefkenshoektunnel, 22 17 67 Antwerpen) 1 40R833 23 19 71 (Laageind, Stabroek) 2 40SA04 12 9 41 (Abelenlaan, Hoevenen) Virtueel gemiddelde
19
14
59
2013 Max. jaargem
P50
P98
Max.
112
25
21
79
122
117
20
17
62
149
112
x
x
x
X
76
18
14
59
170
104
19
15
61
109
1
op 40R833 beschikken we slechts over 28% van de data voor 2012 (stop meting juni 2012). op 40SA04 beschikken we slechts over 48% van de data voor 2012 (start meting juni 2012). 3 op 40AL03 beschikken we slechts over 42 % van de data voor 2013. 2
Meetresultaten • 41
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
PM2,5-jaargemiddelden 30
grenswaarde 2015 PM2,5 (µg/m³)
25 21 18
20 15 10 5 0 40AL03 2008 2011 grenswaarde 2015
40AL04
40SA04
2009 2012 WGO-richtwaarde
40R833* 2010 2013
Figuur 24: Evolutie PM 2,5 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied (2008-2013) cijfers op basis van dagwaarden * PM2,5-metingen gestopt in 2012 op 40R833
Figuur 24 toont dat op geen enkel meetstation het jaargemiddelde boven de streefwaarde – te behalen tegen 2010 – en grenswaarde – te behalen tegen 2015 – van 25 µg/m³ kwam. De toekomstige indicatieve grenswaarde van 20 µg/m³, te behalen tegen 2020, werd op 2 meetstations overschreden namelijk aan de Liefkenshoektunnel in Kallo (40AL04) en aan het pomphuis in Verrebroek (40AL03). In het meetstation Verrebroek (40AL03) werd een jaargemiddelde van 25 µg/m³ opgemeten, wat een evenaring is van de grenswaarde voor 2015. Voor dit meetstation waren echter slechts 42 % van de gegevens beschikbaar, het gemiddelde is dus niet representatief voor het ganse jaar en daarom worden ze niet getoond in de grafiek. De beschikbare meetgegevens werden voornamelijk in de winter verzameld, waarbij typisch hogere concentraties worden gemeten dan in de zomer. Het meetstation in Kallo (40AL04), waar in 2013 een jaargemiddelde van 21 µg/m³ werd opgemeten staat op één van de tunnelmonden van de Liefkenshoektunnel en wordt dus sterk beïnvloed door het verkeer. Gezien zijn ligging in industriegebied is dit meetstation minder relevant naar de bevolking toe en wordt het niet naar Europa toe gerapporteerd. De WGO-richtwaarde van 10 µg/m³ werd op geen enkel meetstation gehaald.
42 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.3.2.3 Geografische spreiding van PM2,5-concentraties
Figuur 25: PM 2,5 -jaargemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2013 de absolute onzekerheid op deze kaart varieert van 2,2 tot 3,4 µg/m³
Figuur 25 toont de gemodelleerde verspreiding voor PM 2,5 in het havengebied. De modellering is gebaseerd op het landgebruik (Corine dataset) en op satellietgegevens over de optische densiteit van het aerosol (aerosol optical depth, afgekort AOD). De resolutie van de kaart is 4x4 km. De gemodelleerde waarden komen vrij goed overeen met de gemeten jaargemiddelden op de 3 meetstations voor PM 2,5 in het havengebied. Figuur 26 toont de pollutierozen van de PM 2,5 -metingen voor de 2 meetstations Watermolendijkweg (40AL03) en Liefkenshoektunnel (40AL04). Naast een verhoging in de zuidoostelijke sector door de aanvoer van achtergrondpollutie, vertonen de rozen ook een verhoging in noordoostelijke tot oostelijke sector. De verhoogde concentraties uit zuidoostelijke sector zijn voornamelijk te wijten aan stabiele meteo-omstandigheden tijdens de zomerperiode bij deze windrichting. De verhoogde temperaturen met relatief weinig wind zorgen immers voor de verhoogde aanvoer van verontreinigde lucht.
Meetresultaten • 43
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Figuur 26: Pollutierozen gemiddelde PM 2,5 -concentraties in het Antwerpse havengebied in 2013
44 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.4 Zwarte koolstof Zwarte koolstof is een onderdeel van fijn stof en wordt gevormd bij onvolledige verbranding van fossiele brandstoffen, biomassa en biobrandstof. Zwarte koolstof is een maat voor de roetconcentratie in de omgevingslucht. Het verkeer heeft een groot aandeel in de totale uitstoot van zwarte koolstof. Maar ook houtverbranding is een typische bron voor zwarte koolstof. 3.4.1 Tijdverloop en toetsing van de zwartekoolstofmeetwaarden Tabel 16 toont voor zwarte koolstof een overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 98ste percentiel en het maximum van de dagwaarden, uitgedrukt in µg/m³. De metingen van zwarte koolstof op meetstation Boudewijnsluis (40AB01) werden eind januari 2007 opgestart, op meetstation Zwijndrecht (42R815 ) in mei 2009. In 2010 kwamen er 3 extra toestellen bij, namelijk op de locaties Luchtbal (42M802) in maart, Linkeroever (40AL01) in april en Stabroek (42R833) in juni. Tabel 16: Belangrijkste statistische parameters voor zwarte koolstof DAGWAARDEN zwarte koolstof (µg/m³) 2012 Meetstation 40AB01 (Boudewijnsluis, Antwerpen) 40AL01 (Linkeroever, Antwerpen) 40R833 (Laageind, Stabroek) 40SA04 (Abelenlaan, Hoevenen) 42M802 (Luchtbal, Antwerpen) 42R815 (Zwijndrecht) Virtueel gemiddelde 1 2
JaarP50 P98 gem.
2013
Max.
Jaargem
P50
P98 Max.
1,7
1,4 5,0
6,6
1,7
1,4
4,9 10,1
1,4
1,2 4,1
6,1
1,5
1,2
4,3
7,7
1
1,4 5,3
7,0
X
X
X
X
2
1,2 3,9
5,4
1,4
1,1
5,3
8,2
2,2
1,8 6,1
8,7
2,1
1,7
6,7 10,1
1,9
1,5 5,4
8,3
1,7
1,4
6,1
9,5
1,8
1,4 5,1
7,3
1,7
1,4
5,1
9,0
1,7 1,5
In 2012 beschikken wij op meetstation 40R833 over 44% data (stop meting juni 2012). In 2012 beschikken wij op meetstation 40SA04 over 52% data (start meting juni 2012).
Tabel 16 toont dat het virtueel gemiddelde in 2013 voor zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied 1,7 µg/m³ bedroeg. Het hoogste jaargemiddelde maten we in het meetstation aan de Luchtbal en bedroeg 2,1 µg/m³, het laagste gemiddelde werd gemeten in het meetstation in Hoevenen (40SA04) en bedroeg 1,4 µg/m³. Ter vergelijking, in Vlaanderen kent het virtueel meetstation ‘verkeer’ het hoogste gemiddelde met 2,8 µg/m³ in 2013 en het virtueel meetstation ‘landelijk’ kent het laagste gemiddelde met 1,1 µg/m³. Het gemiddelde voor het virtueel meetstation ‘industrieel’ bedroeg in 2013 1,8 µg/m³. In onderstaande Figuur 27 zien we de evolutie van de zwartekoolstofconcentraties sinds de start van de metingen. De jaargemiddelden van 2012 waren allemaal lager dan deze van 2011, wat te verwachten was gezien de uitzonderlijke smogepisode in het voorjaar van 2011. In 2013 bleek enkel op Linkeroever (40AL01) de gemeten concentratie licht te stijgen. De andere meetstations kenden een verdere daling. Bekijken we de metingen van de afgelopen 5 jaar van het meetstation Boudewijnsluis (40AB01) gelegen in het centrum van het havengebied, dan stellen we hier een dalende trend vast van 2,2 µg/m³ in 2008 naar 1,7 µg/m³ in 2013.
Meetresultaten • 45
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
zwarte koolstof in de haven van Antwerpen
jaargemiddelde zwarte koolstof (µg/m³)
3
2,5 2,1 2 1,7
1,7 1,5
1,4
1,5
1
0,5
0 40AB01
40AL01 2008
40R833* 2009
2010
40SA04* 2011
2012
42M802
42R815
2013
Figuur 27: Evolutie jaargemiddelden zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied (2008-2013) Op basis van dagwaarden; in 2012 waren er 47% van de gegevens beschikbaar op 40R833 en 52% op 40SA04
3.4.2 Geografische spreiding van zwarte koolstof Een pollutieroos koppelt de luchtconcentraties van een bepaalde stof aan de dan heersende windrichting. De pollutierozen van zwarte koolstof in Figuur 28 tonen de hoogste aanduidingen in de sectoren rond het zuidoosten. Hier zijn de verhoogde concentraties voornamelijk te wijten aan het feit dat er tijdens de zomerperiode bij deze windrichting regelmatig stabiele meteo-omstandigheden, verhoogde temperaturen en relatief weinig wind voorkomen, die zorgen voor de verhoogde aanvoer van verontreinigde lucht. Gezien de pollutierozen in Figuur 28 voor de 4 meetstations overheerst werden door aanvoer van achtergrondpollutie uit de zuidoostelijke sector, is het moeilijk om lokale invloeden op te merken. Daarom werden er nieuwe pollutierozen gemaakt, zogenaamde zero-pollutierozen, waarbij steeds de laagste meting, de achtergrond, werd verwijderd. Per windsector – elke 10° – worden de 5 metingen van de 5 pollutierozen naast elkaar gelegd en de laagste concentratie wordt telkens afgetrokken van alle andere concentraties uit die sector. Op deze manier wordt de aanvoer van de achtergrondpollutie eruit gefilterd en komen de lokale bronnen beter naar voren. Figuur 29 toont de zero-pollutierozen van zwarte koolstof op de kaart van het havengebied. Het meetstation in Zwijndrecht werd sterk beïnvloed door de aanvoer van zwarte koolstof vanuit de oostelijke tot oostzuidoostelijke sector, afkomstig van het verkeer op het klaverblad voor de Kennedytunnel en de tunnelmond op Linkeroever. Door zijn ligging langs de Schelde en in een omgeving met weinig bewoning werd het meetstation Linkeroever (40AL01) minder beïnvloed door het verkeer en de havenactiviteiten. De zero-pollutieroos van Linkeroever (40AL01) is dan ook klein. De 2 meetstations Boudewijnsluis (40AB01) en Luchtbal (42M802) vertoonden een invloed vanuit het centrum van het havengebied. In het meetstation aan de Boudewijnsluis is ook de invloed van het scheepsverkeer in beperkte mate zichtbaar. Op Luchtbal (42M802) komt ook de invloed van het verkeer in oost tot zuidelijke sector duidelijk naar voor. Het meetstation in Hoevenen lijkt weinig te worden beïnvloed door de havenactiviteiten. Wel moeten we rekening houden met de metingen die pas vanaf de tweede jaarhelft van 2013 zijn opgestart.
46 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Figuur 28: Pollutierozen gemiddelde concentraties zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2013
Meetresultaten • 47
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Figuur 29: Zero-pollutierozen voor zwarte koolstof in het Antwerpse havengebied in 2013
48 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.5 Ozon – O3 Ozon (O 3 ) is geen rechtstreeks uitgestoten polluent, maar ontstaat door fotochemische reacties in de atmosfeer op warme dagen op basis van de precursoren NO x en vluchtige organische stoffen (VOS) en onder invloed van zonlicht. Voor de bronnen van ozon verwijzen we dan ook naar de bronnen van NO x en VOS. Het is wel zo dat er geen lineair verband bestaat tussen de ozonvorming en de hoeveelheid van deze precursoren in de buitenlucht. Ozon heeft een sterk oxiderend vermogen waardoor een aantal gezondheidseffecten veroorzaakt worden zoals een (tijdelijke) longfunctievermindering. Verhoogde ozonconcentraties veroorzaken ook schade aan gewassen en verwering van materialen.
50000
50
45000
45
40000
40
35000
35
30000
30
25000
25
20000
20
15000
15
10000
10
5000
5
O3-jaargemiddelde (µg/m³)
emissies ozonprecursoren, Antwperse Haven (TOFP)
3.5.1 Emissies van ozonprecursoren
0
0 2000
2001
2002 CO
2003
2004
NOx als NO2
2005
2006
2007
totaal NMVOS
2008
2009
2010
2011
2012
O3-jaargemiddelde
Figuur 30: Industriële emissies van ozonprecursoren in het Antwerpse havengebied (2000-2012) ozonvormend potentieel in TOFP bepaald volgens methode De Leeuw et al (2002), het betreft hier enkel aangeleverde IMJV gegevens, de gerapporteerde CH 4 -emissies is verwaarloosbaar en niet aangeduid op de figuur.
Ozon is een secundaire polluent en wordt niet rechtstreeks uitgestoten. Ozon ontstaat na chemische reacties tussen verschillende voorloperstoffen die wel rechtstreeks uitgestoten werden. Niet elke voorloperstof of precursor draagt evenveel bij aan de ozonvorming. Om een beeld te krijgen van de uitstoot die leidt tot ozon, wordt de uitstoot uitgedrukt in ozonvormend potentieel (TOFP). Figuur 30 toont de industriële emissies van ozonprecursoren in de Antwerpse haven tussen 2000 en 2012. De industriële uitstoot wordt verzameld door de Emissie-inventaris Lucht op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. In de periode 2000-2012 toont Figuur 30 een halvering van de uitstoot van ozonvormend potentieel. Deze daling deed zich vooral voor in de periode 2004-2009. Vanaf 2009 dalen de emissies nog, maar minder snel. 3.5.2 Tijdsverloop en toetsing van de ozonmeetwaarden Figuur 31 vertoont een quasi constant verloop van het jaargemiddelde met een uitschieter in het ongunstige ozonjaar 2006. De evolutie van het jaargemiddelde over de laatste 10 jaar was gelijklopend met de trend van het jaargemiddelde in heel Vlaanderen. Het ozon jaargemiddelde in het meetstation 42R831 (Berendrecht) ligt wel 5 à 10 µg/m³ lager dan gemiddeld over Vlaanderen. Dit betekent dat in het meetstation in Berendrecht de impact van het industrieel en stedelijk niveau merkbaar is. Door de hogere uitstoot van NO in een verkeersrijke, industriële of stedelijke omgeving, wordt er immers meer ozon afgebroken via een snelle reactie (titratie). Uitgestoten NO 2 leeft langer en
Meetresultaten • 49
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
wordt verder getransporteerd alvorens het ozon vormt. Dat is de reden waarom de ozonconcentraties in steden en industriegebieden over het algemeen lager liggen dan op het platteland.
O3 in de haven van Antwerpen (meetstation 42R831) 180 160 140
O3 (µg/m³)
120 100 80 60 34
40
41
34
33
33
35
33
34
33
36
34
20 0 2003
2004
2006
2005
P50
2007
2008
P90
2009
P98
2010
2011
2012
2013
jaargemiddelde
Figuur 31: Evolutie O 3 -concentraties in het meetstation 42R831 (2003-2013) * in de grafiek wordt het jaargemiddelde niet enkel grafisch maar ook numeriek getoond. § In 2006 waren er te weinig data volgens de EU-normen om een goed jaargemiddelde te berekenen.
Voor wat betreft de hoge percentielen en maxima is er wel enige variatie te zien in de meetresultaten per jaar. Dit heeft te maken met de kwaliteit van de zomers. Tijdens warme en zonnige zomers, zoals in 2003 en 2006, zijn de maxima en hogere percentielen hoger dan tijdens gemiddelde zomers. Tabel 17 vat de belangrijkste statistische parameters voor ozon in de periode 2003-2013 samen. Tabel 17: Belangrijkste statistische parameters voor ozon, meetstation Berendrecht (42R831) UURWAARDEN O 3 µg/m³
2003
2004 2005 2006 2007 2008 2009
2010 2011 2012
2013
Jaargemiddelde
34
33
34
41
33
33
34
33
35
34
36
P50
25
27
28
35
29
29
30
28
32
31
33
P90
78
72
72
84
69
70
73
69
73
69
73
P98
125
112
108
100
107
101
100
112
97
103
Max
224
188
256
154 223
162
153
168
198
193
197
181
In Tabel 18 toetsen we de ozonconcentraties gemeten op meetstation Berendrecht (42R831) aan de informatie- en alarmdrempel, de streefwaarden en langetermijndoelstellingen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en de vegetatie.
50 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Tabel 18: Toetsing aan informatie- en alarmdrempel, streefwaarden en langetermijndoelstellingen Meetstation 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 EU-streefwaarde ter bescherming van de volksgezondheid: 120 µg/m³ als hoogste 8-uurgemiddelde per dag (max. 25 dagen gemiddeld over 3 jaar vanaf 2010); Langetermijndoelstelling: 120 µg/m³ als hoogste 8-uurgemiddelde (in dagen) 8 28 10 2 9 5 7 8 7 42R831 EU-streefwaarde ter bescherming van de vegetatie: AOT40 (= gesommeerd overschot boven 80 µg/m³ van de uren tussen 8u en 20u MET gedurende het groeiseizoen (mei, juni, juli)) van 18.000 (µg/m³).uren, gemiddeld over 5 jaar. Langetermijndoelstelling: 6.000 (µg/m³).uren per jaar. 42R831 9.523 25.656 5.097 9.080 5.242 8.034 5.535 5.742 7.047 Informatiedrempel van 180 µg/m³ als uurgemiddelde 42R831
16
47
0
0
0
5
1
4
1
0
0
Alarmdrempel van 240 µg/m³ als uurgemiddelde gedurende 3 opeenvolgende uren 42R831
4
0
0
0
0
0
0
De waarden die cursief gedrukt staan in de tabel zijn waarden die strikt genomen niet geldig berekend kunnen worden, omdat ze niet voldoen aan de validiteitsvoorwaarden die de Europese Richtlijn 2008/50/EG oplegt. Volgens deze criteria zijn er te weinig data beschikbaar in de zomerperiode, waardoor de berekening van de overschrijdingsindicatoren mogelijk een onderschatting kan geven van de werkelijkheid.
Wanneer we de meetresultaten van de afgelopen 9 jaar aan de Europese normen toetsen kunnen we het volgende besluiten: • De EU-streefwaarde voor de bescherming van de volksgezondheid, namelijk het 3jaargemiddelde aantal dagen waarop het hoogste 8-uurgemiddelde 120 µg/m³ overschrijdt, mag niet groter zijn dan 25 dagen, werd niet overschreden. Alleen in 2006 werd op meer dan 25 dagen meer dan 120 µg/m³ (hoogste 8-uursgemiddelde van een dag) gemeten. De langetermijndoelstelling, namelijk geen enkele overschrijding meer van 120 µg/m³ als hoogste 8-uurgemiddelde van een dag, werd niet gehaald. •
In 2013 was er 1 overschrijding van de informatiedrempel van 180 µg/m³, in het ozonrijke jaar 2006 waren dat er 47. De alarmdrempel van 240 µg/m³ bleef de afgelopen 8 jaar gerespecteerd.
•
De EU-streefwaarde voor de bescherming van de vegetatie van 18.000 (µg/m³).uren, gemiddeld over 5 jaar, bleef ruimschoots gerespecteerd. Enkel in 2006 kwam de AOT40 boven deze norm uit. De langetermijndoelstelling van 6.000 µg/m³ bereikten we in ozongunstige jaren zoals 2007, 2009, 2011 en 2012. In 2013 werd deze langetermijndoelstelling opnieuw overschreden.
De resultaten voor het meetstation in Berendrecht (42R831) lagen in dezelfde lijn of zijn iets gunstiger met wat de VMM gemiddeld mat over Vlaanderen. 2013 was een gunstig jaar voor ozon. 3.5.3 Geografische spreiding van ozon Bij pollutierozen worden de gemeten concentraties getoond volgens de op dat moment heersende windrichting. Figuur 32 toont de pollutieroos van ozon. De hoogste ozonconcentraties zijn er wanneer de wind uit de noordwestelijke of de noordoostelijke sector komt. Bij windrichtingen uit de westelijke sectoren wordt ozon van over de Atlantische Oceaan naar Europa getransporteerd. Deze ‘ozonachtergrond’ is hoog in vergelijking met het bij ons ‘zelf geproduceerde’ ozon (behalve op warme zonnige dagen). Wanneer de wind uit meer landelijke sectoren waait (NO tot ZW), zijn de gemiddelde ozonconcentraties lager omdat er meer ozon wordt afgebroken door NO afkomstig van verkeer en industriële activiteiten. NO breekt immers ozon af waarbij het geoxideerd wordt tot NO 2 . Omdat O 3 als secundaire polluent gevormd wordt en deze reactie niet onmiddellijk doorgaat zijn bronnen voor ozon (bronnen van VOS) in de onmiddellijke omgeving moeilijk aan te duiden.
Meetresultaten • 51
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Figuur 32: 90ste percentiel pollutieroos ozon voor Berendrecht (42R831) in 2013
3.6 Vluchtige organische stoffen – BTEX Vluchtige organische stoffen (VOS) vormen een grote groep stoffen die als gassen of dampen in de omgevingslucht voorkomen. Ze behoren tot bepaalde klassen naargelang ze enkel de elementen koolstof en waterstof bevatten of ook heteroatomen zoals zuurstof, stikstof, zwavel, etc. De eerste groep zijn de (on)verzadigde en aromatische koolwaterstoffen die de hoofdfractie zijn van de VOS in de omgevingslucht. Ze zijn vooral afkomstig van het verkeer, de energieproductie en de verwarming en in mindere mate van de chemische productieprocessen en verdamping. De tweede groep omvat de gechloreerde (on)verzadigde, aromatische organische stoffen die vooral afkomstig zijn van chemische processen en het huishoudelijk gebruik. Vooral het verkeer en de huisverwarming zijn de oorzaak van de algemene verspreiding van deze stoffen in de omgevingslucht. De nadelige invloed van VOS voor de gezondheid is onder meer de kankerverwekkende eigenschap van sommige stoffen zoals benzeen en vinylchloride.
52 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
3.6.1 BTEX 3.6.1.1 Emissies van benzeen, tolueen en xyleen-isomeren
emissies BTEX, Antwerpse haven (ton)
600
500
400
300
200
100
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
benzeen
2006
2007
tolueen
2008
2009
2010
2011
2012
xyleen-isomeren
Figuur 33: Industriële emissies benzeen, tolueen en xyleen-isomeren in het Antwerpse havengebied (2000-2012) De industriële emissies worden samengesteld door de Emissie-inventaris Lucht op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag. De emissies van de xyleenisomeren kenden sinds 2000 een stelselmatige daling (Figuur 33). De emissie in 2012 daalde met 95 % ten opzichte van de emissie in 2000. Deze daling lijkt te stabiliseren in 2012. Het verloop van de emissie van tolueen kent een grilliger verloop. Hierbij was er geen structurele daling zichtbaar. De emissie van benzeen kende, na een hoge waarde in 2004, eerder een vlak verloop. 3.6.1.2 Tijdsverloop en toetsing van de BTEX-meetwaarden Tabel 19 toont het overzicht van het rekenkundig gemiddelde, het 50ste en het 98ste percentiel en het maximum van de BTEX-metingen op meetstation in Stabroek (40R833) in 2011, 2012 en 2013. Tabel 19: Belangrijkste statistische parameters voor BTEX UURWAARDEN 2011 2012 BTEX (µg/m³) Polluent Jaargem. P50 P98 Max. Jaargem. P50 P98 Max.
2013 Jaargem. P50 P98 Max
Benzeen
0,7 0,4
3
64
1,0
1
4
84
0,9 0,6 3,6 72,2
Tolueen
1,6
1
6
24
1,7
1
6
36
1,4 0,9 5,8 52,1
Ethylbenzeen
0,4 0,3
2
18
0,4 0,3
2
41
0,3 0,3 1,2 17,0
m+p-Xyleen
0,9 0,6
4
51
1,0
1
4
98
0,7 0,5 2,7 32,5
o-Xyleen
0,5 0,4
2
24
0,5 0,4
2
32
0,2 0,2 1,0
9,7
De gemeten BTEX-componenten zijn, in vergelijking met andere meetlocaties in Vlaanderen, niet verhoogd. Uit Tabel 19 blijkt dat voor benzeen zowel de jaargemiddelde grenswaarde van 5 µg/m³ als de Vlaamse grenswaarde voor het 98ste percentiel van 50 µg/m³ ruim gerespecteerd bleef met een respectievelijke waarde van 0,9 µg/m³ als jaargemiddelde en een 98ste percentiel van 3,6 µg/m³. Ook de meetresultaten voor tolueen lagen ver onder de WGO-richtwaarden.
Meetresultaten • 53
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
BTEX in Stabroek (meetstation 40R833) 3,0
2,5
BTEX (µg/m³)
2,0
1,5
1,0
0,5
0,0 benzeen
tolueen 2007
2008
ethylbenzeen 2009
2010
2011
o-xyleen 2012
m+p-xyleen
2013
Figuur 34: Evolutie BTEX-concentraties in het Antwerpse havengebied (2007-2013) Figuur 34 toont de evolutie in de gemeten BTEX-componenten gedurende de laatste 7 jaar. De eerste 4 jaar was er vooral een dalende trend, in 2011 en 2012 stagneerden of stegen de concentraties opnieuw. 2013 werd gekenmerkt door een daling bij alle polluenten. 3.6.1.3 Geografische spreiding van BTEX-componenten Bij pollutierozen worden de gemeten concentraties getoond volgens de op dat moment heersende windrichting. Potentiële vervuilende bronnen kunnen op die manier geïdentificeerd worden. Figuur 35 toont de pollutierozen van de verschillende BTEX-componenten in het meetstation in Stabroek (40R833). Ze wijzen hoofdzakelijk in zuidzuidwestelijke richting, de richting van de petroleumraffinaderijen. Er was ook een bron aanwezig in zuid-zuidoostelijke richting
54 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
Figuur 35: Pollutierozen gemiddelde BTEX-concentraties in meetstation Stabroek in 2013
Meetresultaten • 55
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
3.6.2 Dagstalen vluchtige organische stoffen – VOS 3.6.2.1 Emissie van totaal NMVOS
totaal NMVOS in de Antwerpse haven (ton)
25000
20000
15000
10000
5000
0 2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
2012
Figuur 36: Evolutie totaal NMVOS emissies door individueel geregistreerde bedrijven (IMJV) in het Antwerpse havengebied (2000-2012) Figuur 36 geeft de industriële emissies van totaal NMVOS weer in de Antwerpse haven voor de periode 2000-2012. De niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS) omvatten alle organische stoffen van menselijke oorsprong, met uitzondering van methaan, die in staat zijn om fotochemische oxidanten te produceren door reactie met stikstofoxides onder invloed van zonlicht. De totale NMVOS geeft de som van alle stoffen weer, maar geeft geen informatie over de individuele componenten. De Emissie-inventaris Lucht verzamelt deze cijfers op basis van door de bedrijven gerapporteerde emissies in het Integraal Milieujaarverslag Er was een gestage daling te merken in de beschouwde periode waarbij de emissies meer dan halveerden. Deze daling zette zich ook in de meest recente jaren nog door. 3.6.2.2 Tijdsverloop van de dagstalen vluchtige organische stoffen Tabel 20 toont de jaargemiddelden voor alle componenten, gemeten op dagbasis 1 maal om de 4 dagen, op de meetposten in Doel (42R830) en in Stabroek (40R833) voor 2010 tot 2012. In 2012 werd om budgettaire redenen beslist om de VOS-metingen in Stabroek stop te zetten. In 2013 waren er enkel meetwaarden in Doel. Ook in Vlaanderen werd het aantal VOS-meetstations sterk gereduceerd om budgettaire redenen. In 2013 waren er in Vlaanderen nog 3 meetposten die dagstalen van VOS bemonsterden, namelijk in Doel (R830); Zelzate (R750) en Tessenderlo (TS12). Deze meetposten liggen alle 3 in een industriële omgeving. De concentraties in Doel werden vooral beïnvloed door de industrie bij respectievelijk zuid- tot oostenwind en zuidwest- tot noordwestenwind. In vergelijking met de concentraties op de andere meetposten in Vlaanderen valt op dat in de periode 2000-2011: • de jaargemiddelden van de aromaten in Doel gelijkaardig zijn aan deze in de andere Vlaamse meetstations; •
voor een aantal alifaten (verzadigde koolwaterstoffen) en vertakte alifaten (bijvoorbeeld pentaan, hexaan, isopentaan, 2-methylpentaan, cyclohexaan en methylcyclohexaan) de concentraties duidelijk hoger liggen voor Doel dan het Vlaams gemiddelde;
56 • Meetresultaten
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013 •
er nog 2 componenten zijn die verhoogd zijn ten opzichte van de andere meetstations, namelijk hexeen en chloorbenzeen;
•
er voor de gechloreerde koolwaterstoffen en de onverzadigde koolwaterstoffen geen verschil merkbaar is met de andere meetstations in Vlaanderen.
Voor de meeste componenten zijn de gemeten concentraties in Doel (42R830) sterk vergelijkbaar met deze gemeten de afgelopen jaren. Alle metingen bleven ruim onder de normen of richtwaarden. Tabel 20: Jaargemiddelden voor VOS-dagstalen, 2010-2013 2010 2011 DAGWAARDEN VOS 42R830 40R833 42R830 40R833 (µg/m³) Doel Stabroek Doel Stabroek benzeen 1,0 1,0 1,2 0,9 tolueen 1,6 1,8 1,6 1,9 ethylbenzeen 0,3 0,4 0,4 0,4 m+p-xyleen 0,9 1,2 0,9 1,0 styreen 0,1 0,2 0,2 0,2 o-xyleen 0,3 0,4 0,3 0,4 n.propylbenzeen dl dl 0,2 0,1 m-ethyltolueen 0,2 0,2 0,2 0,3 p-ethyltolueen dl 0,1 0,2 0,2 o-ethyltolueen 0,1 0,1 0,2 0,2 1,3,5-trimethylbenzeen 0,1 0,1 0,1 0,1 1,2,4-trimethylbenzeen 0,3 0,4 0,3 0,4 1,2,3-trimethylbenzeen dl 0,1 0,1 0,1 n.butaan 0,3 0,3 0,4 0,3 n.pentaan 1,6 0,9 1,6 1,1 n.hexaan 1,0 0,8 1,1 0,7 n.heptaan 0,4 0,3 0,4 0,3 n.octaan 0,4 0,3 0,4 0,3 n.nonaan 0,4 0,2 0,1 0,2 n.decaan 0,3 0,3 0,3 0,3 isobutaan 0,6 0,2 n.g. 0,3 isopentaan 1,0 0,8 1,0 0,7 2,3-dimethylbutaan 0,2 0,1 0,3 0,2 2-methylpentaan 0,8 0,7 1,0 0,7 3-methylpentaan 0,5 0,4 0,6 0,4 isooctaan 0,2 0,3 0,2 0,3 2-methylhexaan 0,3 0,3 0,4 0,3 3-methylhexaan 0,3 0,2 0,3 0,2 2-methylheptaan 0,2 0,1 0,2 0,1 3-methylheptaan 0,2 0,2 0,2 0,2 methylcyclopentaan 0,4 0,3 0,3 0,3 cyclohexaan 0,5 0,4 0,5 0,4 methylcyclohexaan 0,3 0,3 0,4 0,3 1-buteen + 1,3-butadieen 0,3 0,3 0,5 0,4 trans-2-buteen dl dl dl dl cis-2-buteen dl dl dl dl isopreen dl dl 0,1 0,1 1-penteen 0,1 0,2 0,2 0,2 2-penteen dl dl 0,1 dl 1-hexeen 0,4 0,4 0,4 0,3 alfa-pineen 0,5 1,2 0,5 1,0 vinylchloride n.g. n.g. n.g. n.g. 1,2-dichloorethaan 0,2 0,2 0,3 0,3 1,1,1-trichloorethaan 0,1 0,1 0,2 0,2 tetrachloorethyleen 0,2 0,3 0,2 0,2 chloorbenzeen 0,3 0,2 0,4 0,6
2012 42R830 Doel 1,0 1,2 0,4 0,8 0,2 0,4 0,2 0,3 0,2 0,2 0,2 0,4 0,2 0,3 1,3 0,9 0,4 0,3 0,1 0,4 n.g. 0,7 0,2 0,7 0,5 0,3 0,3 0,3 0,2 0,2 0,3 0,4 0,3 0,6 0,1 dl 0,1 0,2 0,1 0,3 0,3 n.g. 0,3 0,3 0,4 0,4
2013 42R830 Doel 1,0 1,3 0,3 0,8 0,2 0,3 dl 0,1 dl 0,1 dl 0,3 dl 0,3 1,1 0,9 0,4 0,3 0,2 0,3 n.g. 0,7 0,1 0,7 0,4 0,2 0,3 0,2 0,1 0,2 0,3 0,4 0,3 0,4 dl dl dl 0,1 dl 0,4 dl n.g. 0,2 0,1 0,1 0,3
Meetresultaten • 57
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
3.7 Dioxines en PCB’s Dioxines en polychloorbifenylen (PCB’s) zijn stoffen die nauwelijks afbreken. Bronnen stoten deze stoffen uit in de lucht waarna ze binden op stofdeeltjes. Dit stof valt op zijn beurt neer op gewassen die als voeding dienen voor mens en dier. Vervolgens binden de dioxines en PCB’s zich op dierlijke lichaamsvetten waarna de mens deze, na consumptie van dierlijke producten zoals vlees, vis en zuivelproducten, opneemt. Net omdat de mens dioxines en PCB’s opneemt via voeding, is het belangrijk dat er geen dioxines en PCB’s in agrarische gebieden en woonzones voorkomen. De VMM meet de dioxines en PCB’s in neervallend stof, ook depositie genoemd. Zo bepaalt ze in welke mate dioxines en PCB’s uit de lucht kunnen neerslaan en er een potentieel risico is tot opname via de voedselketen. De resultaten zeggen iets over de kwaliteit van de omgevingslucht. Eén staal kan dioxines en PCB’s van verschillende bronnen bevatten. De analyse gebeurt isomeer specifiek voor alle 17 dioxines en de 12 toxische PCB-verbindingen, met behulp van een gaschromatograaf gekoppeld aan een hoge resolutie massaspectrometer (GCHRMS). De depositieresultaten zijn uitgedrukt in picogram toxische equivalenten per vierkante meter per dag (pg TEQ/(m².dag)). Er bestaan geen wettelijke normen voor de depositie van dioxines of PCB’s. Europa adviseert wel een bovengrens voor de opname van dioxines en PCB’s door de mens. Op basis hiervan werd via een wetenschappelijke studie een jaargemiddelde drempelwaarde voor de depositie van dioxines en PCB’s berekend. Enkel de resultaten van de meetposten in een woon- of agrarisch gebied worden getoetst aan deze drempelwaarden. Aangezien de mens dioxines en PCB’s opneemt via de voeding, toetst de VMM de deposities gemeten in industriegebieden niet aan de drempelwaarden. Deze drempelwaarden hebben geen wettelijk karakter, het laat de VMM echter toe om de gemeten deposities te beoordelen en te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen. In het Antwerps havengebied heeft de VMM twee meetposten. In 2013 nam de VMM er telkens 4 maandstalen, verspreid over het jaar: • 75R833 in Stabroek. Deze meetpost ligt in agrarisch gebied. Deze resultaten toetsen we aan de drempelwaarden; • 75BV04 in Kallo. Deze meetpost ligt in industriegebied. Deze resultaten toetsen we niet aan de drempelwaarden. De toetsing aan de drempelwaarden houdt in dat we de depositie van dioxines tellen bij deze van PCB’s. De maandgemiddelde drempelwaarde bedraagt 21 pg TEQ/(m².dag), de jaargemiddelde drempelwaarde bedraagt 8,2 pg TEQ/(m².dag). Uit Tabel 21 volgt dat in geen enkel maandstaal de drempelwaarde voor maandgemiddelde depositie overschreden werd op de meetpost in Stabroek. Voor 2013 bedroeg het gemiddelde van de 4 maandstalen 5,0 pg TEQ/(m².dag), wat lager is dan de jaargemiddelde drempelwaarde. Deze toetsing is slechts indicatief, omdat de VMM slechts gedurende 4 maanden metingen uitvoerde. Tabel 21: Toetsing van de dioxine- en PCB-deposities van 75R833 aan de drempelwaarden (pg TEQ/(m².dag)) 02-03/13 05-07/13 08-09/13 11-12/13 Jaargemiddelde Meetpost Gemeente 75R833 Stabroek 5,1 6,0 5,4 3,3 5,0 Figuur 37 toont de trend van de dioxinedeposities over de jaren heen op de meetpost in Stabroek. Hieruit volgt dat de dioxinedepositie sterk fluctueert. In de periode 1998-2005 zien we een dalende trend. Deze werd onderbroken door 2 hoge waarden in 2006. Daarna zakten de dioxinewaarden opnieuw terug. In de tweede helft van 2012 mat de VMM opnieuw gedurende 2 maanden een dioxinedepositie die opvallend hoger was. Dit betekent dat er in de nabijheid nog steeds een of meerdere bronnen waren die sporadisch aanleiding gaven tot dioxine-emissies. In 2013 waren de waarden opnieuw lager.
58 • Meetresultaten
2006
2005
2004
2002
2003
2001
1999
1998
35
2000
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
2008
2007
2009
2011
2010
2012
2013
Dioxinedepositie (pg TEQ/(m².dag))
30
25
20
15
10
5
0
Figuur 37: Trend dioxinedepositie op de meetpost 75R833 in Stabroek De meetpost in Kallo (75BV04) is geplaatst om de impact van een schrootverwerkend metaalbedrijf op de omgevingslucht te meten. In Figuur 38 tonen we de evolutie van de depositie van dioxines en PCB126. We tonen hier de depositie van de meest toxische PCB-verbinding, PCB126, omdat de VMM deze verbinding al het langst meet. Deze figuur toont dat de PCB-depositie hoog is op de meetpost die in de onmiddellijke nabijheid van het bedrijf staat. Ook in de nabijheid van andere Vlaamse schrootbedrijven zijn de PCB-deposities hoog. De dioxinedepositie is veel lager dan de PCB-depositie. Toch is ze hoger dan in een achtergrondgebied. Eerder onderzoek toonde aan dat de verontreiniging meestal beperkt bleef tot enkele honderden meters rond het bedrijf. De impact is dus het grootst als er een woonzone of agrarisch gebied paalt aan het schrootbedrijf. Dit is echter niet het geval in Kallo.
200
Depositie dioxines en PCB126 (pg TEQ/(m².dag))
dioxines PCB126 150
100
50
11-12/13
08-09/13
05-07/13
02-03/13
08/12
10-11/12
04-05/12
01-02/12
10-11/11
07-08/11
01-02/11
04-05/11
10-11/10
07-08/10
04-05/10
01-02/10
10-11/09
06-07/09
04-05/09
01-02/09
11-12/08
07-08/08
04-05/08
10-11/07
05-06/07
11-12/06
0 5-06/06
10-11/05
04-05/05
11-12/04
0
Figuur 38: Trend depositie dioxines en PCB126 op de meetpost 75BV04 in Kallo
Meetresultaten • 59
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
4 Besluit SO 2 Na de sterke daling in de afgelopen jaren van de SO 2 -concentraties bleef het virtueel jaargemiddelde in 2013 gelijk met dat van 2012. De piekwaarden (percentielen P90 en P98) daalden licht in 2013. Alle normen voor SO 2 bleven voor het 5de jaar op rij ruim gerespecteerd. De WGO-dagrichtwaarde werd in 2013 op 2 van de 10 meetstations gehaald NO 2 In de periode 2001-2009 was er een dalende trend in het Antwerpse havengebied en in Vlaanderen voor zowel de NO- als de NO 2 -concentraties. In de periode 2010 tot 2013 werd voor beide gebieden een zeer lichte daling vastgesteld. In 2012 en 2013 maten we in beide gebieden dezelfde concentraties. De concentraties van NO 2 liggen in het Antwerpse havengebied zo’n 20% hoger dan het Vlaams gemiddelde. Op alle meetstations in het havengebied bleven de normen voor NO 2 gerespecteerd. De toekomstige jaargrenswaarde van 40 µg/m³, van kracht vanaf 2015, werd wel op 2 meetstations bereikt maar niet overschreden. Eén van deze meetstations ligt in de industriezone en is minder relevant in het kader van de blootstelling van de bevolking. Het meetstation aan de Luchtbal is echter gelegen aan de rand van enkele grote woonzones. Een verspreidingsmodel (VLOPS) raamde dat in een groot gedeelte van de woonkern van Merksem dezelfde of hogere concentraties aanwezig waren in vergelijking met deze gemeten aan de Luchtbal. Aan de nabijgelegen woonkernen van Ekeren, Brasschaat en Schoten kende het model lagere concentraties toe. Fijn stof De concentraties aan PM 10 vertoonden de laatste jaren een licht dalende trend. In 2013 was deze daling niet meer aanwezig, het virtueel PM 10 -jaargemiddelde van 2013 is identiek aan dat van 2012. De hoogste percentielen (P98) kenden wel een uitgesproken daling tegenover 2012 en zakten onder de concentraties gemeten in 2010. De jaargrenswaarde (40 µg/m³) voor PM 10 bleef de afgelopen jaren op alle meetstations in de haven ruim gerespecteerd. De WGO-richtwaarde van 20 µg/m³ werd op geen enkel meetstation gehaald. Het aantal overschrijdingen van de daggrenswaarde schommelde sterk de afgelopen jaren. In 2013 werd de scherpe daling van het aantal dagen met te hoge PM 10 -concentraties van 2012 voortgezet. Ook in het meetstation 42M802 (Luchtbal), waar er vorig jaar nog een overschrijding was van de grenswaarde, zakte het aantal dagen met te hoge PM 10- concentratie en werd de grenswaarde gehaald. De WGO-richtwaarde met maximaal 3 overschrijdingen lag echter nog ver buiten bereik. Voor PM 2,5 bleven de Europese streef- en grenswaarden gerespecteerd. Enkel de toekomstige indicatieve grenswaarde van 20 µg/m³, te behalen tegen 2020, werd nog op 2 meetstations overschreden. De WGO-richtwaarde van 10 µg/m³ werd niet gehaald. Zwarte koolstof Voor zwarte koolstof lag het virtueel gemiddelde in het Antwerpse havengebied in 2013 tussen het virtueel gemiddelde ‘industrie’ en het virtueel gemiddelde voor ‘verkeer’ in Vlaanderen. De meeste zero-pollutierozen, gemaakt door van de pollutierozen de algemene achtergrondconcentraties af te trekken, wijzen naar het centrum van het havengebied. De gemeten concentraties in het meetstation aan de Boudewijnsluis vertonen een dalende trend. Ozon De evolutie van de jaargemiddelden voor ozon over de laatste 10 jaar vertoont weinig variatie, wel zijn er regelmatig verschillen in de percentielen per jaar. De resultaten voor het meetstation in Berendrecht lagen in lijn met wat de VMM gemiddeld meet over Vlaanderen, of waren iets gunstiger. 2013 was een gunstig jaar voor ozon. Vluchtige organische stoffen De Europese grenswaarde voor benzeen werd ruim gerespecteerd. De gemeten BTEX-componenten waren, in vergelijking met andere meetlocaties in Vlaanderen, niet verhoogd. De BTEX-componenten daalden tussen 2007-2010. In 2011 en 2012 stagneerden of stegen de concentraties van de verschillende BTEX-componenten. In 2013 zette de daling zich verder voor alle componenten.
60 • Besluit
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
De gemeten concentraties aan vluchtige organische stoffen in Doel waren in 2013 voor de meeste componenten sterk vergelijkbaar met de concentraties gemeten in 2011 en 2012. Alle metingen bleven ruim onder de normen of richtwaarden. Dioxines en PCB’s De VMM gebruikt drempelwaarden om de dioxines en PCB’s in de omgevingslucht te beoordelen. Deze zijn niet opgenomen in de wetgeving maar laten toe te beslissen welke regio’s extra aandacht verdienen vanuit gezondheidskundig standpunt. Uit de dioxine- en PCB-resultaten bleek dat in geen enkel maandstaal op de meetpost in Stabroek de drempelwaarde voor maandgemiddelde depositie overschreden werd. Het gemiddelde van de 4 maandstalen lag ook lager dan de jaargemiddelde drempelwaarde. Deze toetsing is slechts indicatief, omdat de VMM niet jaarrond metingen uitvoerde. De trend van de dioxinedeposities op de meetpost in Stabroek toont over de jaren heen sterke schommelingen. In de tweede helft van 2012 mat de VMM opnieuw gedurende 2 maanden een dioxinedepositie die opvallend hoger was. Dit betekent dat er in de nabijheid nog steeds een of meerdere bronnen zijn die sporadisch aanleiding geven tot dioxine-emissies. In 2013 waren de waarden opnieuw lager. De meetwaarden voor de meetpost in Kallo toonden vooral een hoge PCBdepositie in de onmiddellijke nabijheid van een schrootbedrijf. Ook in de nabijheid van andere Vlaamse schrootbedrijven waren de PCB-deposities hoog. Eerder onderzoek toonde aan dat de verontreiniging meestal beperkt bleef tot enkele honderden meters rond het schrootverwerkend bedrijf. De impact voor de bevolking is dus het grootst als er een woonzone of agrarisch gebied paalt aan een dergelijk bedrijf. Dit is echter niet het geval in Kallo.
Besluit • 61
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
BIJLAGEN
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
Bijlage 1: Specificaties parameters
-
nee nee nvt
14% bij daggemiddelde van 50 µg/m³
Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010)
ja1
nee nee nvt
16% bij daggemiddelde van 50 µg/m³
Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010)
ja1
nee nee nvt
ja1
nee nee nvt
ja1
TEOM
oscillerende microbalans
TEOM-FDMS
oscillerende microbalans met correctie voor afdamping
-
20% bij daggemiddelde van 30 µg/m³
Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010)
EN14212
15% bij uurgemiddelde van 350 µg/m³; 15% bij daggemiddelde van 125 µg/m³
volgens EN14212
PM 2,5
81104 µg/m³
TEOM-FDMS
oscillerende microbalans met correctie voor afdamping
SO 2
42401 µg/m³
TS 43i
UV-fluorescentie
-
-
1
NO
42601 µg/m³
TS 42i
chemiluminescentie
EN14211
-
-
ja
NO 2
42602 µg/m³
TS 42i
chemiluminescentie
EN14211
15% bij uurgemiddelde van 200 µg/m³; 15% bij jaargemiddelde van 40 µg/m³
volgens EN14211
ja1
O3
44201 µg/m³
API 400E
UV-fotometrie
EN14625
15% bij uurgemiddelde van 240 µg/m³; 15% bij 8-uurgemiddelde van 120 µg/m³
volgens EN14625
ja1
BC
16111 µg/m³
MAAP 5012
multihoek-absorptiefotometrie
-
-
-
2 • Bijlage 1: Specificaties parameters
ja
type approval
ja1
uitbesteding
16% bij daggemiddelde van 50 µg/m³
Guide to demonstration of equivalence of ambient air monitoring methods (jan 2010)
onder-aanneming
volgens norm
meetprincipe analyse
toesteltype
eenheid
81102 µg/m³
beta-absorptie
onder accreditatie
PM 10
81102 µg/m³
ESM FH 62 I-R
bepaling meetonzekerheid
PM 10
81102 µg/m³
meet-onzekerheid
PM 10
SAROADcode
parameter
Automatische meetnetten
nee
ja
nee nee
ja
ja
nee
ja
nee nee
ja
nee nee nee nvt
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
benzeen
45201 µg/m³ Synspec GC955 + 3A airmotec 1000
GC-PID + GC-FID
-
-
-
nee nee nee nvt
tolueen
45202 µg/m³ Synspec GC955 + 3A airmotec 1000
GC-PID + GC-FID
-
-
-
nee nee nee nvt
ethylbenzeen 45203 µg/m³ Synspec GC955 + 3A airmotec 1000
GC-PID + GC-FID
-
-
-
nee nee nee nvt
1
m+p-xyleen
45109 µg/m³ Synspec GC955 + 3A airmotec 1000
GC-PID + GC-FID
-
-
-
nee nee nee nvt
o-xyleen
45204 µg/m³ Synspec GC955 + 3A airmotec 1000
GC-PID + GC-FID
-
-
-
nee nee nee nvt
: BELAC 456-TEST - VMM Dienst Lucht
Bijlage 1: Specificaties parameters • 3
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
HRGC/MS
EPA 1613
EPA 1613
24%
ja2
ja
nee
37%
ja2
ja
nee
bepaling meetonzekerheid
uitbesteding
Bergerhoff kruik
onderaanneming
16954 pg TEQ/(m².dag)
onder accreditatie
Coplanaire PCB's
meetonzekerheid
HRGC/MS
volgens norm
meetprincipe analyse
Bergerhoff kruik
eenheid
16930 pg TEQ/(m².dag)
SAROADcode
Dioxines
parameter
toesteltype bemonstering
Semiautomatische meetnetten
benzeen
45201
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
25%
spike recovery
ja3
nee
nee
tolueen
45202
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
40%
spike recovery
ja3
nee
nee
ethylbenzeen
45203
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
11%
spike recovery
ja3
nee
nee
m+p-xyleen
45109
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
10%
spike recovery
ja3
nee
nee
styreen
45220
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
28%
spike recovery
ja3
nee
nee
o-xyleen
45204
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
16%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-propylbenzeen
45209
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
18%
spike recovery
ja3
nee
nee
m-ethyltolueen
45212
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
38%
spike recovery
ja3
nee
nee
4 • Bijlage 1: Specificaties parameters
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
p-ethyltolueen
45213
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
o-ethyltolueen
45211
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
1,3,5-trimethylbenzeen
45207
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
22%
spike recovery
ja3
nee
nee
1,2,4-trimethylbenzeen
45208
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
22%
spike recovery
ja3
nee
nee
1,2,3-trimethylbenzeen
45225
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
60%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-butaan
43212
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-pentaan
43220
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
31%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-hexaan
43231
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
27%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-heptaan
43232
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
20%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-octaan
43233
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
17%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-nonaan
43235
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
11%
spike recovery
ja3
nee
nee
n-decaan
43238
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
13%
spike recovery
ja3
nee
nee
isobutaan
43214
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
isopentaan
43221
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
28%
spike recovery
ja3
nee
nee
Bijlage 1: Specificaties parameters • 5
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – Jaarrapport 2013
2,3-dimethylbutaan
43284
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
20%
spike recovery
ja3
nee
nee
2-methylpentaan
43285
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
24%
spike recovery
ja3
nee
nee
3-methylpentaan
43230
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
17%
spike recovery
ja3
nee
nee
isooctaan
43250
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
28%
spike recovery
ja3
nee
nee
2-methylhexaan
43263
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
19%
spike recovery
ja3
nee
nee
3-methylhexaan
43249
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
20%
spike recovery
ja3
nee
nee
2-methylheptaan
43960
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
19%
spike recovery
ja3
nee
nee
3-methylheptaan
43253
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
14%
spike recovery
ja3
nee
nee
methylcyclopentaan
43262
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
21%
spike recovery
ja3
nee
nee
cyclohexaan
43248
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
22%
spike recovery
ja3
nee
nee
methylcyclohexaan
43261
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
22%
spike recovery
ja3
nee
nee
1-buteen+1,3-butadieen 43280
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
trans-2-buteen
43216
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
cis-2-buteen
43217
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
6 • Bijlage 1: Specificaties parameters
Luchtkwaliteit in de Antwerpse haven – jaarrapport 2013
2 3
isopreen
43243
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
1-penteen
43224
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
28%
spike recovery
ja3
nee
nee
2-penteen
43226
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
36%
spike recovery
ja3
nee
nee
1-hexeen
43245
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
26%
spike recovery
ja3
nee
nee
alpha-pineen
43256
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
vinylchloride
43860
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
50%
spike recovery
ja3
nee
nee
1,2-dichloorethaan
43815
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
25%
spike recovery
ja3
nee
nee
1,1,1-trichloorethaan
43814
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
24%
spike recovery
ja3
nee
nee
tetrachloorethyleen
43898
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
18%
spike recovery
ja3
nee
nee
chloorbenzeen
45801
µg/m3
actieve/passieve sampler met Carbotrap 300
GC
EN 14662-1
14%
spike recovery
ja3
nee
nee
: BELAC 005-TEST - SGS Belgium NV : BELAC 163-TEST - VMM labo Gent
Bijlage 1: Specificaties parameters • 7