24-10-2008
14:49
Page 1
Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaamse onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Het INBO verricht onderzoek en levert kennis aan al wie het beleid voorbereidt, uitvoert of erin geĂŻnteresseerd is. Als toonaangevende wetenschappelijke instelling werkt het INBO in de eerste plaats voor de Vlaamse overheid, maar het levert ook informatie voor internationale rapporteringen en gaat in op vragen van lokale besturen. Daarnaast ondersteunt het INBO onder meer organisaties voor natuurbeheer, bosbouw, landbouw, jacht en visserij. Het INBO maakt deel uit van nationale en Europese onderzoeksnetwerken. Het maakt zijn bevindingen ook bekend bij het grote publiek. Het INBO telt ongeveer 250 medewerkers, voornamelijk onderzoekers en technici. Naast de hoofdzetel in Brussel, heeft het INBO vestigingen in Geraardsbergen, Groenendaal en Linkebeek. Het INBO stelt tweejaarlijks het Natuurrapport op. Het Natuurrapport biedt een overzicht van de biodiversiteit in Vlaanderen, van de oorzaken van veranderingen en van de inspanningen en resultaten van het beleid. De rapportering gebeurt in belangrijke mate aan de hand van indicatoren. De website Natuurindicatoren www.natuurindicatoren.be bevat voor elke indicator een handige fiche met cijfermateriaal en beknopte achtergrondinformatie. De brochure Natuurindicatoren 2008 brengt de voornaamste indicatoren samen. Die brochure is ook beschikbaar in het Engels: Biodiversity indicators 2008. Ten slotte is er Natuur@Vlaanderen, een vlot leesbare en rijkelijk geĂŻllustreerde brochure die de bevindingen samenvat en zich tot een breed publiek richt. Alle publicaties zijn beschikbaar op www.inbo.be.
Natuurindicatoren
2008 Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid
cover2008indicatoren:Opmaak 1
cover2008indicatoren:Opmaak 1
24-10-2008
14:49
Page 2
Colofon Auteurs: Myriam Dumortier, Luc De Bruyn, Maarten Hens, Johan Peymen, Anik Schneiders, Francis Turkelboom, Toon Van Daele en Wouter Van Reeth Taalnazicht: Stein Pée Vormgeving: Nicole De Groof Druk: Corelio Printing Administratie: Anja De Braekeleer Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek Kliniekstraat 25, B-1070 Brussel e-mail: nara@inbo.be website: www.inbo.be tel: 02-558.18.34 - fax: 02-558.18.05 Verantwoordelijke uitgever: Jurgen Tack Wijze van citeren: Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Turkelboom F., Van Daele T. en Van Reeth W. 2008. Natuurindicatoren 2008. Toestand van de natuur in Vlaanderen: cijfers voor het beleid. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2008.5, Brussel. ©2008, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Mits bronvermelding wordt overname van teksten toegelaten en zelfs aangemoedigd. D/2007/3241/280 INBO.M.2008.5 Gedrukt op 100% gerecycleerd papier, gemaakt uit postconsumer waste en chloorvrij gebleekt Foto’s voorpagina: Yves Adams / Vildaphoto
Het Natuurrapport is beschikbaar op www.inbo.be, de Natuurindicatoren op www.natuurindicatoren.be
Natuurindicatoren
Toestand van de natuur in Vlaanderen cijfers voor het beleid
2008 Myriam Dumortier, Luc De Bruyn, Maarten Hens, Johan Peymen, Anik Schneiders, Francis Turkelboom, Toon Van Daele en Wouter Van Reeth
Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek INBO.M.2008.5
Stuurgroep Natuurrapport Patrick Meire
Voorzitter
Carl De Schepper
Agentschap voor Natuur en Bos
Nico Verwimp
Agentschap voor Natuur en Bos
Jeroen Cockx
Departement Leefmilieu, Natuur en Energie
Dirk Van Gijseghem
Departement Landbouw en Visserij
Hilde Heyrman
Vlaamse Landmaatschappij
Koen Martens
Vlaamse Milieumaatschappij
Griet Verbeke
Dep. Leefmilieu, Natuur en Energie, afd. Internationaal Milieubeleid
Veerle Beyst
Studiedienst van de Vlaamse Regering
Bea Kayaerts
Milieu- en Natuurraad Vlaanderen
Annemie Bollen
Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen
Jos Gysels
Natuurpunt vzw
Marleen Van Steertegem
Vlaamse Milieumaatschappij, Milieurapport
Myriam Dumortier
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Natuurrapport
Dominique Aerts
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Jos Van Slycken
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Janine Van Vessem
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Jurgen Tack
Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Els Martens
Internationale rapportering
Dirk Bogaert
Onafhankelijke deskundige
An Cliquet
Onafhankelijke deskundige
Paul Quataert
Onafhankelijke deskundige
Hans Van Dyck
Onafhankelijke deskundige
Rudi Verheyen
Onafhankelijke deskundige
2
Hoofdlijnen Vlaanderen onderschreef de Europese doelstelling om tegen 2010 het verlies van biodiversiteit te stoppen. Deze brochure evalueert de stand van zaken aan de hand van 22 natuurindicatoren, die de best mogelijke invulling geven van de in 2007 voorgestelde 26 Europese biodiversiteitsindicatoren (European Environment Agency, 2007). Componenten van de biodiversiteit en integriteit van ecosystemen Zeer specifiek leefgebied (bv. sommige habitats van Europees belang) degradeert tot meer algemeen, meestal voedselrijk leefgebied. Dergelijk specifiek leefgebied herbergt dikwijls veel zeldzame soorten en die nemen daardoor af. Dat is ondermeer het geval voor veel soorten van Europees belang. Ook met veel soorten uit het landbouwgebied gaat het slecht (bv. veldleeuwerik). Anderzijds breiden een aantal algemene soorten (bv. ekster), inclusief enkele uitheemse soorten (bv. Amerikaanse vogelkers), zich uit. Daardoor vermindert de variatie in de natuur. De natuur homogeniseert. Dat is de meest zichtbare dimensie van het verlies van biodiversiteit. De aan zoet water gebonden biodiversiteit is tijdens de voorbije eeuw sterk achteruitgegaan (bv. vissen, waterplanten). Precies daar is het laatste decennium een duidelijk herstel zichtbaar (bv. vissen, libellen). Bij heel wat watervogels is er de laatste jaren, na een periode van spectaculaire toename, een terugval. Dit maakt deel uit van het herstel van de biodiversiteit. In de bossen is er een verbetering van de toestand van de vogels (bv. spechten). Beschermde gebieden en duurzaam beheer Het Vlaamse beleid, in toenemende mate aangestuurd door het Europese beleid, zet voor de instandhouding van de biodiversiteit en het duurzaam gebruik van de natuur een mix van instrumenten in. Het Vlaams milieubeleidsplan 2008-2010 (MINA-plan 3+) bevat een aantal doelstellingen tegen 2010. Indien de trends van de voorbije vijf jaar zich voortzetten, zullen de doelstellingen voor stikstofoverschot op landbouwbodems en voor beheerovereenkomsten voor perceelsranden, kleine landschapselementen en soortenbeheer min of meer tijdig worden gehaald. De doelen inzake oppervlakte met effectief natuurbeheer, oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en gemiddelde overschrijding van de kritische last voor stikstof zullen dan het daaropvolgende decennium worden bereikt. De realisatie van de doelstellingen inzake ontsnippering en ecologische kwaliteit van waterlopen zal aan het huidige tempo meerdere decennia vertraging oplopen. De realisatie van natuurverwevingsgebied en van beheerovereenkomsten botanisch beheer en natuur kent geen vooruitgang. Vlaanderen heeft ruim 166.000 ha Natura 2000-gebieden vastgesteld, om soorten en habitats van Europees belang doeltreffender te kunnen beschermen of herstellen. Hiervoor worden momenteel ‘instandhoudingsdoelstellingen’ uitgewerkt. Bedreigingen van de biodiversiteit In Vlaanderen zijn natuurgebieden klein en versnipperd en behoort de landbouwoppervlakte tot de meest productieve, maar ook de meest natuurarme van Europa. De voortgaande verstedelijking en de verdere intensivering van de landbouw versterken de negatieve gevolgen van de versnippering van de
3
natuur. Ook het stikstofoverschot op landbouwbodems, de atmosferische stikstofdeposities en de fosforconcentraties in rivieren behoren tot de hoogste van Europa. Dankzij de beleidsinspanningen is de vermestingsdruk in Vlaanderen aan het afnemen. Ondertussen stijgt het aantal aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering en neemt het aantal uitheemse soorten in de natuur in Vlaanderen toe met meer dan 25 nieuwe soorten per jaar. Die bijkomende bedreigingen spelen zich af op een internationale schaal en zijn daardoor moeilijker te beheersen. Voetafdruk en maatschappelijk draagvlak De ecologische voetafdruk van de Vlaming is groter dan wat deze planeet per persoon te bieden heeft. Een groeiend aantal Vlamingen sluit zich aan bij natuurverenigingen. De frequentie waarmee Vlamingen bos- en natuurgebieden bezoeken nam het voorbije decennium evenwel af.
De 22 gerapporteerde natuurindicatoren geven aan dat het zonder bijkomende inspanningen niet mogelijk zal zijn om het verlies van biodiversiteit tegen 2010 te stoppen. Het is van belang om enerzijds de bronnen van de verschillende verstoringen nog grondiger aan te pakken (ruimtegebruik, emissies van stikstof, fosfor en broeikasgassen, in- en uitvoer van soorten) en om anderzijds voldoende grote natuurgebieden doelgericht te beheren en daarbuiten een basisnatuurkwaliteit te garanderen. Dit laatste dient onder andere om – waar mogelijk – verschuivingen van populaties toe te laten wanneer leefgebieden ongeschikt worden.
4
Leeswijzer In 2001 engageerde de Europese Unie zich om op haar grondgebied het verlies van biodiversiteit tegen 2010 te stoppen. In 2003 werd de doelstelling op pan-Europees niveau aanvaard. In mei 2006 herbevestigde de Europese Unie het engagement (European Commission, 2006). Vlaanderen nam in de MINA-plannen 3 en 3+ de doelstelling over als de langetermijndoelstelling inzake biodiversiteit. Op de wereldmilieutop van de Verenigde Naties in Johannesburg in 2002 spraken de deelnemende landen af om het verlies van biodiversiteit wereldwijd tegen 2010 significant te verminderen. In 2004 startte het proces SEBI 2010 (‘Streamlining European Biodiversity Indicators’). SEBI 2010 ontwikkelt en volgt 16 kernindicatoren (‘headline indicators’), in functie van de focusgebieden van de Biodiversiteitsconventie, om de voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling bekend te maken. In 2007 werd een voorlopige set van 26 concreet uitgewerkte 2010-indicatoren voorgesteld (European Environment Agency, 2007). Deze brochure bespreekt 22 Vlaamse natuurindicatoren die de best mogelijke invulling geven aan de voorgestelde 26 Europese 2010-indicatoren. Waar Vlaamse natuurindicatoren volledig afgestemd zijn met (een deel van) een voorgestelde Europese 2010-indicator wordt dat aangegeven met (*). Met die set van 22 natuurindicatoren wordt de Vlaamse voortgang ten opzichte van de 2010-doelstelling geëvalueerd. De bespreking van de indicatoren bevat eerst een situering van de indicator en de relevante beleidsdoelen, vervolgens een bespreking van de voortgang en ten slotte – waar cijfers voorhanden zijn – een internationale vergelijking. De 22 Vlaamse natuurindicatoren zijn grotendeels afkomstig van de website Natuurindicatoren (www.natuurindicatoren.be). Enkele zijn afkomstig van de website Milieu-indicatoren (www.milieurapport.be). Op die websites worden de indicatoren regelmatig geactualiseerd. De originele databronnen worden achteraan in de brochure vermeld. Daar wordt ook de databeschikbaarheid voor de volledige Vlaamse invulling van de voorgestelde 26 Europese 2010-indicatoren besproken.
5
Focusgebieden Europese kernindicatoren (Europese variant) Status en trends van de componenten van de biodiversiteit
Vlaamse natuurindicatoren
Bron
1. Algemene broedvogels (*)
natuurindicatoren
8
2. Graslandvlinders (*)
natuurindicatoren
9
3. Overwinterende watervogels
natuurindicatoren
10
natuurindicatoren
11
natuurindicatoren
12
natuurindicatoren
13
7. Oppervlakte met effectief natuurbeheer
natuurindicatoren
14
8. Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden
natuurindicatoren
15
9. Oppervlakte Natura 2000 (*)
natuurindicatoren
16
10. Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie (*)
natuurindicatoren
17
7. Aantal en kosten van invasieve exoten
11. Aantal uitheemse soorten (*)
natuurindicatoren
18
8. Impact van klimaatverandering op de biodiversiteit
12. Trend Zuid-Europese libellensoorten
natuurindicatoren
19
1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
2. Verandering in status van 4. Status van soorten bedreigde en/of beschermde soorten 5. Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang (*)
3. Trend in de oppervlakte van een selectie ecosystemen en habitats
4. Trend in genetische diversiteit van gecultiveerde en gedomesticeerde soorten met socio-economisch belang
5. Oppervlakte beschermde gebieden
Bedreigingen van de biodiversiteit
Ecosysteemintegriteit en -functies
6. Stikstofdepositie
9. Mariene trofische index
10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
6
6. Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang (*)
Blz.
In ontwikkeling
In ontwikkeling
13. Gesaneerde vismigratieknelpunten (*)
20 natuurindicatoren
Focusgebieden Europese kernindicatoren (Europese variant) Ecosysteemintegriteit en -functies
10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
Vlaamse natuurindicatoren
Blz.
Connectiviteit/fragmentatie van terrestrische ecosystemen – in ontwikkeling
11. Waterkwaliteit in oppervlak- 14. Fosforconcentraties in rivieren (*) tewateren
natuurindicatoren
21
natuurindicatoren
22
milieu-indicatoren
23
natuurindicatoren
24
18. Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen (*)
natuurindicatoren
25
19. Oppervlakte biologische landbouw (*)
natuurindicatoren
26
20. Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen
milieu-indicatoren
27
21. Bezoeken aan natuur- en bosgebieden
natuurindicatoren
28
22. Ledenaantallen van natuurverenigingen
natuurindicatoren
29
Duurzaam beheer 12. Oppervlakte bos- landbouw-, 15. Oppervlakte bosbeheerplan visserij- en aquacultuureco systeem met duurzaam 16. Stikstofoverschot op landbouwbeheer bodems (*) 17. Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden (*)
13. Ecologische voetafdruk van Europese landen
Bron
14. Patenten (in ontwikkeling) Status van toegang tot en verdeling van de baten van genetische diversiteit
15. Fondsen voor biodiversiteit Status van middelentransfers en -uitgaven
Maatschappelijk draagvlak
16. Maatschappelijke houding en participatie (in ontwikkeling)
In ontwikkeling
(*) Vlaamse natuurindicator is afgestemd op voorgestelde Europese indicator. Natuurindicatoren: www.natuurindicatoren.be Milieu-indicatoren: www.milieurapport.be
7
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
1 Algemene broedvogels De index van algemene broedvogels beschrijft de trend van een selectie van op Europees niveau algemene vogelsoorten, op basis van de broedvogelinventarissen in de verschillende landen. Er zijn drie categorieën: vogels van landbouwgebied, de vogels van het bosgebied en de vogels die in meerdere leefgebieden voorkomen, meestal generalisten. De vogels van het landbouwgebied gingen de laatste decennia sterk achteruit (bv. veldleeuwerik, boerenzwaluw). Die achteruitgang houdt verband met de intensivering en schaalvergroting in de landbouw. De toestand van de bosvogels ging er op vooruit (bv. diverse spechten). Dat heeft te maken met de bosuitbreiding en met het streven naar een meer natuurlijke boom- en struiksoortensamenstelling en -structuur en het ouder laten worden van bomen. Ook de vogels van meerdere leefgebieden deden het meestal goed (bv. ekster, zwarte kraai). De vogels van het landbouwgebied gingen sterker achteruit in Vlaanderen dan in de omgevende landen. Bosvogels gingen in Vlaanderen niet zo sterk vooruit als in Nederland en het Verenigd Koninkrijk, maar de trend was wel veel gunstiger dan in Wallonië, waar die soorten achteruitgingen. De vogels van meerdere leefgebieden deden het in Vlaanderen en het Verenigd Koninkrijk beter dan in Nederland en Wallonië.
130
Trend van de aantallen broedvogels van bosgebieden, van landbouwgebieden en van diverse leefgebieden, in Vlaanderen (1990 - 2000-2002), Wallonië (1994 2005), Nederland (1990 - 2004) en het Verenigd Koninkrijk (1994 2005).
120 110
*
Broedvogelindex (%)
100 90 80 70 60
8
Bosgebieden
Landbouwgebieden
Andere
Vlaanderen Wallonië Nederland Verenigd Koninkrijk * gegevens van een aantal sleutelsoorten ontbreken
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
2 Graslandvlinders De vlinderindex voor grasland beschrijft een aantal vlinderpopulaties in diverse Europese landen volgens een gestandaardiseerde methode. De indicator wordt hier met Vlaamse gegevens over graslandvlinders ingevuld. De Vlaamse gegevens vertonen een wisselend verloop. In 2004 bereikte de index opnieuw het niveau van het startjaar 1992. Enkele soorten vertoonden sterke schommelingen, zoals hooibeestje en kleine vuurvlinder. Kleine vuurvlinder en oranjetip volgden een eerder stijgende trend. Hooibeestje en bruin zandoogje bleven min of meer op hetzelfde niveau. Groot dikkopje, icarusblauwtje en argusvlinder ten slotte gingen achteruit. Dat was vooral (-70 %) tussen 1992 en 1999 het geval, daarna was er een stabilisering
Graslandvlinderindex (1992 = 100 %)
(lichte verbetering voor icarusblauwtje).
150 100
50
0
Oranjetipje Hooibeestje Argusvlinder Kleine vuurvlinder Bruin zandoogje Groot dikkopje Icarusblauwtje
1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
300
Trend van de aantallen graslandvlinders, geaggregeerd (links) en voor de individuele soorten (rechts).
250 200 150 100
50
0
1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004
9
Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
3 Overwinterende watervogels De index van overwinterende watervogels beschrijft de aantallen van overwinterende watervogels op basis van zes midmaandelijkse tellingen. De aantallen watervogels zijn tussen de winter van 1991-1992 en de winter van 2002-2003 vervijfvoudigd in Vlaanderen. Daarna is er een daling. De spectaculaire toename vond plaats op Noordwest-Europees niveau. Ze heeft te maken met de betere bescherming van de soorten en hun gebieden (jachtbeperkingen en bescherming van waterrijke gebieden) en de toenemende voedselbeschikbaarheid (vermeste matige waterkwaliteit), alsook met een noordwestwaartse verschuiving van de Zuidoost-Europese populaties. De daling sinds 2005 is een gevolg van een combinatie van factoren. In het kleine Vlaanderen is de oppervlakte waterrijk gebied beperkt, waardoor veranderingen op relatief kleine schaal veel impact hebben op de volledige populatie. In een aantal gebieden is de maximale draagkracht bereikt en stabiliseren de aantallen zich of nemen ze af (bv. watervogels langs de Zeeschelde en in de BourgoyenOssemeersen en ganzen in de Oostkustpolders). Vooral langs de Schelde is er een aanzienlijke afname door een vermindering van het voedselaanbod als gevolg van een verbeterde waterkwaliteit. In de IJzervallei zijn er de laatste jaren minder lange overstromingsperioden en dus minder grote aantallen watervogels. De te grote populatie van grauwe gans raakt onder controle dankzij de verhoogde jachtinspanning en andere populatieregulerende maatregelen.
Watervogelindex (1991-92 = 100 %)
Trend van de aantallen overwinterende watervogels, geaggregeerd (links) en voor de individuele soorten (rechts).
Kleine rietgans Kolgans Grauwe gans Smient Wilde eend
Wintertaling Pijlstaart Slobeend Tafeleend Krakeend
600 0
10
1200 1000
800 600 400
400 200
1400
91-92 94-95 97-98 00-01 03-04 06-07
200
0
91-92 94-95 97-98 00-01 03-04 06-07
Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
4 Status van soorten De status van soorten wordt bepaald aan de hand van de categorieën van de ‘International Union for the Conservation of Nature’ (IUCN). De Rode Lijstsoorten zijn deze die ‘met verdwijnen bedreigd’, ‘bedreigd’ of ‘kwetsbaar’ zijn. De kennis over de status in Vlaanderen is sterk gedomineerd door gewervelde dieren en planten, waarvan respectievelijk 100 % en 58-70 % van de soorten de status bekend is. Paddenstoelen (10 %) en ongewervelden (5-6 %) zijn weinig gedocumenteerd. De huidige indicator is gebaseerd op de Rode Lijsten van zoogdieren, broedvogels, reptielen, amfibieën, vissen, spinnen, dagvlinders, libellen, loopkevers, rechtvleugeligen, water- en oppervlaktewantsen, mieren, dansvliegen, slankpootvliegen, vaatplanten en paddenstoelen (macrofungi). Van de 3479 gedocumenteerde soorten blijken er 228 in de loop van de voorbije eeuw uit Vlaanderen verdwenen. 981 soorten (28 %) staan op de Rode Lijst en lopen het gevaar op termijn te verdwijnen indien niet de nodige maatregelen getroffen worden. Het gaat meestal om soorten die aan zeer specifiek, dikwijls voedselarm leefgebied zijn gebonden. Ook soorten uit het landbouwgebied komen steeds meer op de Rode Lijst terecht.
250
Aantal verdwenen soorten
200 150 100
50
0
Rode Lijstsoorten
Met verdwijnen bedreigd (291) Bedreigd (351) Kwetsbaar (339)
Overige soorten
Achteruitgaand (94) Zeldzaam (717) Momenteel niet bedreigd (1459) Onvoldoende gekend (213)
11
Status van alle in Vlaanderen onderzochte soortengroepen (2007).
Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
5 Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal soorten die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat dikwijls om soorten van specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die soorten wordt geĂŤvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria, namelijk de populaties van de soort, het areaal, de habitat en de toekomstverwachtingen. Iets meer dan een kwart van de soorten (16 soorten, 27 %) bevindt zich in een gunstige staat van instandhouding. Voor 12 soorten (20 %) is de staat van instandhouding matig ongunstig en voor 22 soorten (37 %) is die zeer ongunstig. Voor negen soorten waren er onvoldoende gegevens om tot een evaluatie te komen. De toestand is relatief gezien het slechtst voor aquatische soorten waar slechts ĂŠĂŠn van de 10 soorten gunstig scoort. Waterverontreiniging en vermesting zijn de factoren die voor de meeste soorten als een bedreiging vermeld worden.
Beoordeling van de soorten van de Habitatrichtlijn per staat van instandhouding, geaggregeerd (links) en per soortengroep (rechts) (2007).
9
21
12
Alle soorten
16
13
Per soortengroep
Terrestrische
Semi-aquatische Aquatische
0
Gunstig Matig ongunstig
10
20
Aantal soorten
Zeer ongunstig Onbekend
30
Trend in de oppervlakte van een selectie ecosystemen en habitats
6 Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang De Habitatrichtlijn beoogt een gunstige staat van instandhouding van een aantal habitats die mondiaal bedreigd zijn en waarvoor Europa een belangrijke rol vervult. Het gaat hier meestal om zeer specifieke leefgebieden. De staat van instandhouding van die habitats wordt geĂŤvalueerd op basis van vier door Europa vastgelegde criteria: de oppervlakte van de habitat, het areaal, de kwaliteit en de toekomstverwachtingen. Drie kwart van de habitats (37 habitats) bevindt zich in een zeer ongunstige staat van instandhouding. Daarnaast bevindt 15 % (7 habitats) zich in een matig ongunstige staat: twee veenen moerashabitats, een heidehabitat, twee graslandhabitats en twee boshabitats. Dat betekent dat er slechts twee habitats zijn die zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden: een zilte habitat (bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten) en een kustduinhabitat (duinen met duindoorn). Alle watergebonden habitats krijgen een zeer ongunstige beoordeling. Water- en luchtverontreiniging zijn de factoren die voor de meeste habitats als een bedreiging vermeld worden.
Alle habitats 1 2
37
7
Zilte habitats Venen en moerassen Water Kustduinen Heide Graslanden Bossen
Gunstig Matig ongunstig
Per habitatgroep
0
Zeer ongunstig Onbekend
2
4 6 Aantal habitats
Beoordeling van de habitats van de Habitatrichtlijn per staat van instandhouding, geaggregeerd (links) en per biotoop (rechts) (2007).
8
13
Oppervlakte beschermde gebieden
7 Oppervlakte met effectief natuurbeheer Het MINA-plan 3 plande de realisatie van 50.000 ha gebieden ‘met effectief natuurbeheer’ tegen 2007. Met het MINA-plan 3+ kwam er een uitstel tot 2010. De indicator omvat de erkende en de Vlaamse natuur- en bosreservaten, de andere natuurgebieden beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos en de militaire domeinen met een natuurprotocol. De opvolging van de effectiviteit van die gebieden voor de instandhouding van de biodiversiteit is nog in ontwikkeling. Het is wel duidelijk dat de biodiversiteit binnen die gebieden veel groter is dan erbuiten. Eind 2002 bedroeg de oppervlakte ‘met effectief natuurbeheer’ 29.480 ha of 59 % van de plandoelstelling. Eind 2007 was er 39.365 ha of bijna 79 % gerealiseerd. Ruim de helft van die toename kwam er via het instrument ‘erkende natuurreservaten’. Op basis van de huidige trend zal de doelstelling pas omstreeks 2013 worden bereikt. Indien de dalende trend van de uitgaven en subsidies voor terreinverwerving zich voortzet, zal deze doelstelling nog later worden gerealiseerd. Hoe scoren de verschillende componenten? Eind 2007 was 6008 ha bij ministerieel besluit aangewezen als Vlaams natuurreservaat en in beheer door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). 12.626 ha had het statuut van ‘erkend natuurreservaat’ en was in beheer van natuurverenigingen. Verder was er 2554 ha bosreservaat, waarvan 2305 ha in eigendom van ANB (aangewezen bosreservaat) en 249 ha in eigendom van lokale overheden of particulieren (erkend bosreservaat). ANB voert eveneens een natuurgericht beheer in ongeveer 10.200 ha militair domein, waarvoor een natuurprotocol werd afgesloten met de federale overheid.
Oppervlakte met effectief natuurbeheer
50.000
40.000
Oppervlakte (ha)
30.000
20.000
10.000 0
14
1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010
Doelstelling MINA-plan 3+ Doelstelling MINA-plan 3 Militair domein met natuurprotocol Natuurdomein beheerd door ANB Aangewezen en erkend bosreservaat Erkend natuurreservaat Vlaams natuurreservaat
Oppervlakte beschermde gebieden
8 Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebied Om de versnippering van natuurgebieden tegen te gaan en tot grotere en beter verbonden leefgebieden voor planten en dieren te komen, voorzien het Natuurdecreet, de opeenvolgende MINA-plannen en het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 125.000 ha (9,2 % van de Vlaamse landoppervlakte) Vlaams Ecologisch Netwerk, met daarnaast 150.000 ha natuurverwevingsgebied en een onbepaalde oppervlakte natuurverbindingsgebied. Bijna vijf jaar na het streefjaar in het Natuurdecreet en het MINA-plan 2 (2003) en bijna een jaar na het streefjaar in het het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en de MINA-plannen 3 en 3+ (2007) zijn 70 % van het Vlaams Ecologisch Netwerk (87.045 ha) en 0,7 % van het natuurverwevingsgebied afgebakend. De afbakening loopt achter op schema en tussen 2003 en 2007 is er geen significante vooruitgang geboekt. Sinds 2007 coรถrdineert de Administratie voor Ruimtelijke Ordening de systematische opmaak van gewestelijke Ruimtelijke Uitvoeringsplannen. Sinds het Decreet op de Ruimtelijke Ordening (1999) vervangen deze plannen het vroegere systeem van gewestplanwijzigingen. Ze vertrekken vanuit de visie van een het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en zouden in 2010 in openbaar onderzoek moeten gaan. Dit betekent dat de afbakening van het Vlaams Ecologisch Netwerk en het natuurverwevingsgebied in 2010 nog steeds niet volledig zal zijn. Het uitblijven van een ontsnippering van de natuur vormt een ernstig knelpunt voor het stoppen van het verlies van biodiversiteit.
Oppervlakte (ha)
180.000 160.000 140.000 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0
Oppervlakte afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebied.
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Afgebakend Vlaams Ecologisch Netwerk Afgebakend natuurverwevingsgebied Doelen Natuurdecreet, MINA-plan 2 Doelen Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, MINA-plan 3/3+
15
Oppervlakte beschermde gebieden
9 Oppervlakte Natura 2000 De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn hebben tot doel een aantal soorten en habitats die van Europees belang zijn te beschermen. Om dat te helpen realiseren werd het Europese Natura 2000-netwerk afgebakend. Het bestaat uit Speciale Beschermingszones aangewezen in uitvoering van de Vogelrichtlijn (Vogelrichtlijngebied) en van de Habitatrichtlijn (Habitatrichtlijngebied). ` In Vlaanderen werden 24 Vogelrichtlijngebieden aangewezen met een gezamenlijke oppervlakte van 98.423 ha of 7,3 % van de landoppervlakte. Er werden 38 Habitatrichtlijngebieden vastgesteld en door de Europese Commissie op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. De Habitatrichtlijngebieden hebben een gezamenlijke oppervlakte van 104.888 ha of 7,8 % van de Vlaamse landoppervlakte. De totale oppervlakte Natura 2000 bedraagt daarmee 166.187 ha (12,3 % van de Vlaamse landoppervlakte). De mariene gebieden zijn daar niet bij inbegrepen. Zij behoren tot de bevoegdheid van de Belgische federale overheid. In 2008 was er nog een beperkte uitbreiding van het Habitatrichtlijngebied nadat het Vlaams Gewest, op uitdrukkelijke vraag van de Europese Commissie, de vaargeul van het Ijzer- en het Schelde-estuarium mee afbakende. Een internationale vergelijking in NARA 2007 toonde aan dat de 7,8 % Habitatrichtlijngebied weinig is in vergelijking met het Europees gemiddelde, maar veel in vergelijking met omliggende dichtbevolkte economische topregio’s. Het MINA-plan 3+ bevat een aanvullende plandoelstelling, nl. instandhoudingsdoelstellingen bepalen voor alle Habitatrichtlijngebieden. Deze doelstellingen worden verwacht tegen eind 2010.
Oppervlakte (ha) 16
1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008
13 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0
Aandeel van de terrestrische oppervlakte (%)
180.000 160.000 140.000 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0
Oppervlakte Vogelrichtlijngebied, Habitatrichtlijngebied en Natura 2000 in Vlaanderen.
Natura 2000 Habitatrichtlijngebied Vogelrichtlijngebied
Stikstofdepositie
10 Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie Vermesting is een van de belangrijkste factoren die de biodiversiteit gedurende de voorbije eeuw hebben beïnvloed. De overschrijding van de kritische last vermesting door stikstofdepositie is een maat voor de verstoring door de atmosferische stikstofdepositie. De kritische last is het maximale depositieniveau waarbij er op lange termijn geen verstoring van de biodiversiteit optreedt. Vermestingsgevoelige ecosystemen als bossen, heiden en soortenrijke graslanden kenmerken zich door een lage kritische last. De opeenvolgende MINA-plannen streven op lange termijn (2030) naar het terugdringen van de stikstofdeposities tot onder de kritische last, een nodige voorwaarde voor het duurzame herstel van de vermestingsgevoelige biodiversiteit. De atmosferische depositie van stikstof bedroeg in 2006 in Vlaanderen gemiddeld 37,0 kg/ha, een daling met 33 % vergeleken met 1990. In 2006 was in respectievelijk 100, 100 en 68 % van de oppervlakte bos, heide en soortenrijk grasland in Vlaanderen de depositie hoger dan de bijhorende kritische last, samen 91 % van de oppervlakte vermestingsgevoelige terrestrische natuur. Gemiddeld was er in 2006 een overschrijding van 17,6 kg N/ha. De overschrijding is het hoogst voor bossen (+23,4 kg N/ha), gevolgd door heiden en soortenrijke graslanden (resp. +13,4 en +5,8 kg N/ha). De overschrijding van de kritische last behoort in Vlaanderen tot de hoogste van Europa (European Environment Agency, 2005). De gemiddelde overschrijding van de kritische last neemt sinds 1999 gestaag af (trend 2000–2006: jaarlijks –1,7 kg N/ha/jr). Wanneer dit tempo wordt aangehouden is er omstreeks
Gemiddelde overschrijding (kg N/ha/jaar)
2016 geen gemiddelde overschrijding meer van de kritische last.
50
Gemiddelde overschrijding van de kritische last voor vermesting door stikstofdepositie in bos, heide en graslanden.
40 30 20 10
0
1990
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006
Bos Heide Grasland Totaal
17
Aantal en kosten van invasieve exoten
11 Aantal uitheemse soorten Door de toenemende mobiliteit van mensen en goederen worden – al dan niet bewust – steeds meer soorten planten en dieren in- en uitgevoerd. Uitheemse soorten vormen een toenemende bedreiging voor de inheemse biodiversiteit. Sommige uitheemse soorten worden na verloop van tijd invasief en verstoren daarmee de inheemse biodiversiteit. Het aantal uitheemse soorten vormt een maat voor het risico op invasieve uitheemse soorten. Daarnaast dient een indicator te worden ontwikkeld die de invasieve soorten en hun schade opvolgt. Tussen 1900 en 2007 kwamen er ongeveer 900 uitheemse plantensoorten in de natuur in Vlaanderen terecht. Bijna 400 van die soorten vormden blijvende populaties. De toename van het aantal uitheemse plantensoorten verliep exponentieel. Welke van die soorten weer zullen verdwijnen en welke zich ver buiten hun introductieplaats zullen verspreiden is nu nog niet geweten. Tussen 1900 en 2007 vormden ook ongeveer 80 uitheemse diersoorten blijvende populaties in de natuur in Vlaanderen. De laatste vijf jaar nam het aantal uitheemse planten- en diersoorten in de natuur in Vlaanderen toe met meer dan 25 per jaar. Daardoor vergroot de kans op bijkomende problemen met invasieve soorten. De kosten om sommige invasieve soorten te bestrijden lopen nu al hoog op (bv. Amerikaanse vogelkers, Canadese gans, diverse waterplanten).
Cumulatief aantal uitheemse soorten vaatplanten (links) en gewervelde en ongewervelde dieren (rechts).
18
Impact van klimaatverandering op de biodiversiteit
12 Trend Zuid-Europese libellensoorten In de natuur in Vlaanderen worden steeds meer aanwijzingen voor de actuele impact van klimaatverandering vastgesteld. Sommige trekvogels komen vroeger aan uit het zuiden. Sommige vlinders en libellen vliegen vroeger uit. De berk vervroegt zijn stuifmeelproductie. De bladontwikkeling bij eik vervroegt. Naast temporele zijn er ook ruimtelijke verschuivingen. Zo breiden zuidelijke soorten zich uit naar het noorden. Dat is ondermeer het geval voor een aantal libellensoorten. De figuur laat zien hoe het aantal waarnemingen in 2006 het hoogste was sinds het begin van de telling. Sommige soorten, zoals de zwervende pantserjuffer, die hier vroeger alleen als toevallige bezoekers kwamen hebben nu permanente populaties. Het risico schuilt er evenwel in dat sommige soorten zich meer en andere soorten zich minder aanpassen, waardoor er wijzigingen dreigen in de voedselketen en een verlies van ecologische samenhang. Dat is bijvoorbeeld gedocumenteerd voor de bonte vliegenvanger, een trekvogel waarvan de aankomstdatum minder vervroegt dan het uitkomen van de rupsen, die de voornaamste voedselbron voor zijn jongen vormen.
300
Aantal waarnemingen van libellen van zuidelijk Europa
250
Aantal waarnemingen
200 150 100
50
0 1980
1985
1990
1995
2000
2005
Zuidelijke heidelibel Zwervende heidelibel Zuidelijke oeverlibel Zwervende pantserjuffer Zadellibel Vuurlibel Gaffelwaterjuffer Zuidelijke keizerlibel Zuidelijke glazenmaker
19
Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
13 Gesaneerde vismigratieknelpunten De fragmentatie van waterlopen door stuwen en sluizen vormt, samen met de verstoring van water- en habitatkwaliteit, een ernstig knelpunt voor de instandhouding van vispopulaties. Reeds in 1996 stelde de Benelux zich tot doel tegen 2010 vismigratie te verzekeren in alle hydrografische bekkens. Die doelstelling werd in 2003 opgenomen in het Vlaamse Decreet Integraal Waterbeleid. Het MINA-plan 3 voegde daar een tussenstap aan toe: tegen 2007 moet 75 % van de knelpunten op prioritaire waterlopen gesaneerd zijn en bovendien mogen er geen nieuwe knelpunten bijkomen. Het MINA-plan 3+ wenst de vrije vismigratie op het netwerk van prioritaire waterlopen te verzekeren, maar er wordt geen streefdatum vermeld. Een evaluatie van de BENELUX-beschikking concludeert dat al heel wat knelpunten weggewerkt zijn maar dat de voorziene timing niet haalbaar is en voorlopig moet gefocust worden op de prioritaire waterlopen. Er is een aanpassing van de BENELUX-beschikking in voorbereiding die voorstelt om de streefdatum te verschuiven naar 2015, naar analogie met de Europese Kaderrichtlijn Water. Het is de bedoeling om vervolgens ook het Decreet Integraal Waterbeleid in die zin aan te passen. De afgelopen jaren werd gewerkt aan de realisatie van een vrije vismigratie in een prioritair netwerk van ongeveer 3000 km. Eind 2007 waren in totaal 116 van de 796 (15 %) knelpunten gesaneerd. Het totale aantal knelpunten is veranderlijk aangezien een knelpunt soms van nature verdwijnt of bij verder onderzoek geen knelpunt blijkt te zijn. Indien het huidige saneringstempo wordt aangehouden, zullen de geĂŻnventariseerde vismigratieknelpunten op de prioritaire waterlopen gesaneerd zijn omstreeks 2047. Dat is later dan het voorgestelde uitstel. De belangrijkste obstakels zijn financiĂŤle middelen, personeelscapaciteit en maatschappelijke complicaties. Ondertussen vertonen de migrerende vissoorten een beperkt herstel, dat wellicht vooral te maken heeft met de verbetering van de waterkwaliteit.
Aantal gesaneerde vismigratieknelpunten op de prioritaire waterlopen in Vlaanderen.
100
g
Aandeel gesaneerde knelpunten (%)
80 60 40 20
0
20
2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
Gesaneerde knelpunten Doelstelling MINA-plan 3 Doelstelling Benelux
Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
14 Fosforconcentraties in rivieren Het Decreet Integraal Waterbeleid voorziet, conform de Europese Kaderrichtlijn Water, minimaal een goede ecologische toestand in alle natuurlijke oppervlaktewateren tegen 2015. Mits motivatie kan Europa uitstel toestaan tot 2027. Voldoende lage fosforconcentraties zijn een belangrijke randvoorwaarde om de goede of zeer goede ecologische toestand in rivieren te halen. Voor de Vlaamse riviertypen zijn – conform de Kaderrichtlijn Water – twee richtwaarden opgesteld voor een gemiddelde fosforconcentratie: één voor het bereiken van de zeer goede en één voor het bereiken van de goede ecologische toestand. Deze indicator volgt het aantal meetplaatsen dat aan die richtwaarden voldoet. Dankzij de inspanningen rond waterzuivering en de afbouw van fosfaathoudende wasmiddelen nam in de jaren 90 het aantal meetpunten met een zeer goede of goede ecologische toestand inzake fosfor geleidelijk toe. Na 1998 vonden vooral jaarschommelingen plaats, die samengingen met neerslagschommelingen. In 2007 bereikte 22 % van de meetplaatsen de zeer goede of goede ecologische toestand. Enkel een trendbreuk door het doorvoeren van extra maatregelen kan ervoor zorgen dat de ecologische doelstellingen gehaald kunnen worden. De fosforconcentraties in Vlaamse rivieren behoren tot de hoogste in Europa (European Environment Agency, 2001, 2008). Ondertussen reageerden een aantal soortengroepen van matige waterkwaliteit op de verbeterde waterkwaliteit (bv. watervogels, vissen, libellen). Planten die gevoelig zijn voor fosforaanrijking tonen eerder een negatieve trend. De fosfordruk op voedselarme beken is nog te hoog om een verbetering van de staat van instandhouding van aquatische habitats (habitat 3260) en soorten (drijvende waterweegbree) van Europees belang toe te laten.
Ecologische kwaliteit in rivieren inzake fosforconcentratie.
100
Aandeel meetplaatsen (%)
80 60 40 20
0
'90 '91 '92 '93 '94 '95 '96 '97 '98 '99 '00 '01 '02 '03 '04 '05 '06 '07
Zeer goed Goed Matig-slecht
21
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
15 Oppervlakte bosbeheerplan Het bosbeheerplan vormt een belangrijke schakel voor het duurzaam beheer van bossen. Er zijn twee soorten bosbeheerplannen. Beperkte bosbeheerplannen moeten aan een basisniveau voldoen, terwijl uitgebreide bosbeheerplannen de criteria duurzaam bosbeheer moeten halen. De criteria duurzaam bosbeheer zijn gebaseerd op de internationale FSC-principes (Forest Stewardship Council). Boseigenaars die dit wensen kunnen voor bossen met uitgebreid beheerplan via het Agentschap voor Natuur en Bos een FSC-certificaat halen. Volgens het Bosdecreet moeten alle bossen groter dan vijf hectare over een bosbeheerplan beschikken. Bij de openbare bossen en binnen het Vlaams Ecologisch Netwerk moet dat een uitgebreid bosbeheerplan zijn. Het MINA-plan 3+ voorziet dat tegen 2010 18.000 ha bos in beheer van het Agentschap voor Natuur en Bos over een uitgebreid bosbeheerplan beschikt. Deze indicator toont de oppervlakte met beperkt en uitgebreid goedgekeurd bosbeheerplan, onafhankelijk van de beheerder. Tussen 1990 en 2006 werd 13.958 ha uitgebreid en 28.232 ha beperkt bosbeheerplan goedgekeurd, wat het totaal op 42.190 ha bracht. Dat betekent dat ongeveer 29 % van de bosoppervlakte een goedgekeurd beheerplan bezit. Het totaal is mogelijk overschat omdat sommige bossen ondertussen deel kunnen uitmaken van een nieuw beheerplan. Er zijn momenteel geen gegevens beschikbaar over de effectiviteit van het bosbeheer voor de verschillende doelstellingen uit de bosbeheerplannen. Een analyse in NARA 2007 toont dat ook de beperkte bosbeheerplannen toenemende aandacht besteden aan de ecologische functie van het bos (bv. gebruik van inheemse boomsoorten of aandacht voor flora en fauna). Alleen al omdat de bosoppervlakte meer dan drie keer groter is dan de oppervlakte natuurgebied, vormen de bosbeheerplannen een belangrijk instrument voor de instandhouding van de biodiversiteit.
50.000
Oppervlakte beperkt en uitgebreid bosbeheerplan. De uitgebreide bosbeheerplannen voldoen aan de criteria duurzaam bosbeheer en komen in aanmerking voor een FSC-label.
Cumulatieve oppervlakte (ha)
40.000 30.000 20.000 10.000
22
0
1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006
Uitgebreide beheerplannen Beperkte beheerplannen
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
16 Stikstofoverschot op landbouwbodems De stikstofbalans van een landbouwbodem bestaat aan de inputzijde uit de hoeveelheid stikstof die de landbouwbodem binnenkomt (mest, atmosferische depositie, biologische stikstoffixatie, zaaigoed). De outputzijde bestaat uit de hoeveelheden stikstof die de landbouwbodem verlaten: nutriënten opgenomen door planten, de ammoniakemissie uit bodem en mest, en de overige emissies naar het milieu die via de landbouwbodem passeren. Deze laatste stroom is het stikstofoverschot op de bodembalans en is een indicator voor het verlies van nutriënten uit de landbouwbodem naar het milieu. Hoe groter het stikstofoverschot, des te groter het risico op uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater, en des te voedselrijker de landbouwbodem als leefgebied voor planten en dieren. De opeenvolgende MINAplannen bevatten de doelstelling het stikstofoverschot beneden de 70 kg N/ha te krijgen. De streefdatum van 2007 in het MINA-plan 3 werd in het MINA-plan 3+ verschoven naar 2010. Tussen 1990 en 2006 daalde het stikstofoverschot met 57 %. Dat is te danken aan de afname van de veestapel, het verminderde kunstmestgebruik, de toenemende mestverwerking, de verhoogde voederefficiëntie en de toename van de gewasafvoer door productiviteitsstijgingen. In 2006 bedroeg het overschot 54 miljoen kg N of 87 kg N/ha, exclusief ammoniakemissie. De afstand tot de doelstelling bedraagt dus 11 miljoen kg N of 17 kg N/ha. De lichte stijging in 2006 is het gevolg van de minder goede oogst dat jaar. Indien de inspanningen aan eenzelfde tempo verder worden opgedreven, zal deze doelstelling tijdig worden gehaald. Zowel het huidige stikstofoverschot op de bodembalans als de ammoniakemmissie door de landbouw in Vlaanderen (57 kg N/ha cultuurgrond) behoren tot de hoogste van Europa (European Environment Agency, 2005).
250
Jaarlijks stikstofoverschot op de bodembalans van cultuurgronden in Vlaanderen.
200
Stikstofoverschot (kg N/ha)
150 100
50
0
1990
1995
2000
2005
2010
Stikstofoverschot op bodembalans Doelstelling MINA-plan 3 Doelstelling MINA-plan 3+
23
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
17 Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden Het extensieve landbouwkundige gebruik van gronden vormt de grondslag voor heel wat karakteristieke, zeldzame of Europees belangrijke leefgebieden voor planten en dieren. Door toenemende schaalvergroting, specialisatie en productiviteit heeft de landbouw veel van die gebieden hetzij verlaten, hetzij ingrijpend gewijzigd. In 2006 omvatte het Vlaamse landbouwgebruiksgebied (675.757 ha geregistreerde landbouwgebruikpercelen) 3.200 ha biologisch zeer waardevolle percelen (0,47 %), 12.000 ha met een complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen (1,8 %) en 34.300 ha biologisch waardevolle percelen (5,1 %). Deze cultuurgronden met hoge natuurwaarden komen verspreid en sterk versnipperd over Vlaanderen voor, met lokaal hoge dichtheden in de kustpolders en de IJzervallei. Het areaal biologisch zeer waardevolle percelen bestaat grotendeels uit kleine landschapselementen (30 %), graslanden (30 %) en bossen (26 %). Samen vormen die drie bodemgebruiken de bouwstenen voor gevarieerde, soortenrijke, cultuurhistorisch gegroeide landbouwlandschappen. Het Europees Milieuagentschap klasseert op basis van de CORINE-geodataset met landbedekking en -gebruik ongeveer 1 % van de Belgische cultuurgronden als ‘high nature value farmland’, waarmee België het meest natuurarme landbouwgebied in de EU-15 herbergt. De vaststelling dat 0,47 % van de Vlaamse landbouwpercelen biologisch zeer waardevol zijn, stemt goed overeen met dat beeld.
Landbouwgebruik percelen met hoge natuurwaarden in Vlaanderen.
Biologisch waardevol Biologisch waardevol met zeer waardevolle elementen Biologisch zeer waardevol
130 120 110
*
Broedvogelindex (%)
100 90 80 70 60
24
A
Bosgebieden
B
Landbouwgebieden
Andere
Vlaanderen Wallonië Nederland Verenigd Koninkrijk
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
18 Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen In het kader van de Vlaamse Programma’s voor Plattelandsontwikkeling (2000–2006, 2007–2013) kunnen landbouwers vijf jaar durende beheerovereenkomsten sluiten met de Vlaamse overheid waarbij ze zich verbinden om meer voor milieu, natuur en landschap te doen dan de wettelijke randvoorwaarden en verplichtingen. Het MINA-plan 3+ voorziet een totaal van 16.750 ha beheerovereenkomst tegen 2010. Er zijn afzonderlijke doelen per type beheerovereenkomst. Door het uitblijven van Vlaamse regelgeving voor de planperiode 2007–2013 werden in 2007 amper afgelopen overeenkomsten hernieuwd of nieuwe overeenkomsten gesloten. De beheerovereenkomsten perceelrandenbeheer en herstel, ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen, die beide de versterking van de natuurlijke infrastructuur in het landbouwgebied nastreven, kenden in de periode 2000–2006 een groot opnamesucces. In 2007 daalde het aantal overeenkomsten aanzienlijk. Eind 2007 telde het Vlaamse landbouwgebied 1236 ha perceelranden (4,9 keer het vooropgestelde doel) en liepen er overeenkomsten voor 81,7 ha houtkant/-wal en 179 km heg (terugval tot 60 % van het vooropgestelde doel). De beheerovereenkomsten die zich richten op ontwikkeling, behoud en herstel van agrarische soorten en levensgemeenschappen in daartoe afgebakende gebieden, kennen een beperkt opnamesucces. Eind 2007 waren van de beoogde 1500 ha soortbescherming (weidevogelbeheer, hamsterbescherming) en 6000 ha botanisch beheer + natuur respectievelijk 37 en 29 % gerealiseerd. Kwantitatieve informatie over de mate waarin de beheerovereenkomsten hun natuurdoelen realiseren is niet voorhanden.
Oppervlakte cultuurgrond met natuurgerichte beheerovereenkomsten.
10.000
8.000
Oppervlakte (ha)
6.000
4.000
2.000 0
2000
2002
2004
2006
2008
2010
Percelen waarop soortbeschermingsmaatregelen toegepast worden Percelen onder botanisch beheer (incl. beheerovereenkomst natuur) Perceelranden Percelen waarop kleine landschapselementen aangelegd werden en/of onderhouden worden Doelstelling MINA-plan 3 Doelstelling MINA-plan 3+
25
Oppervlakte bos-, landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
19 Oppervlakte biologische landbouw Biologische landbouw is een bedrijfsvoering die maximaal gebruik maakt van hernieuwbare hulpbronnen en van de eigen systemen van de natuur om aantasting en ziekten van gewassen en vee te bestrijden. Synthetische bestrijdingsmiddelen, chemische meststoffen, antibiotica en genetische manipulatie worden niet gebruikt. Biologische bedrijfsvoering draagt meer bij tot de instandhouding van ecosystemen, huisvest doorgaans een hogere biodiversiteit en is minder belastend voor het milieu dan de gangbare bedrijfsvoering. De oppervlakte in biologisch landbouwgebruik steeg van 1994 tot 2001 van 640 ha tot 4.026 ha. Tussen 2002 en 2005 daalden de oppervlakte en het aantal bedrijven merkbaar. In 2006 werd deze evolutie gekeerd en in 2007 bedroeg het areaal biologische landbouw 3.836 ha, wat overeenkomt met 0,62 % van de totale oppervlakte landbouwgebruikpercelen. Verschillende socio-economische factoren liggen aan de basis van de stagnatie sinds 2000. Ten eerste is het voor de biologische landbouwer moeilijker om zijn product vermarkt te krijgen. Verder wordt het idee bij de gangbare landbouwers gehandhaafd dat biologische landbouw technisch en bedrijfseconomisch moeilijk haalbaar zou zijn voor de bedrijfsleider. De stagnatie in Vlaanderen staat in schril contrast tot de sterke toename van het biologisch bewerkte areaal in de EU-15, dat in 2005 zo’n 4 % van de gezamenlijke teeltoppervlakte van de EU-15 bedroeg. Midden 2008 werd het strategisch Actieplan Biologische Landbouw gelanceerd, met de bedoeling extra impulsen te geven aan de biologische bedrijfsvoering en de komende jaren een zichtbare groei te realiseren.
Oppervlakte in landbouwgebruik met biologische bedrijfsvoering in Vlaanderen en Europa.
Aandeel oppervlakte cultuurgrond (%)
4 3 2 1 0
26
1985
1990
1995
2000
2005
Vlaanderen EU-15
Ecologische voetafdruk van Europese landen
20 Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen Voor de productie van hernieuwbare materialen is er biologisch productief land nodig: landbouwgrond voor gewassen en vee, bosgrond voor hout en visgrond voor vis. De ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen van een regio omvat de oppervlakte biologisch productief land die nodig is om te voorzien in de consumptie van hernieuwbare materialen van die regio. De ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen wordt uitgedrukt in globale hectare: een globale hectare vertegenwoordigt een gebied van 1 hectare met een wereldgemiddelde biologische productiviteit. In 1999 was er op wereldschaal 1,80 globale hectare biologisch productief gebied per persoon beschikbaar. Die oppervlakte moet niet alleen de consumptie van hernieuwbare materialen maar ook de energieconsumptie ondersteunen. Tussen 1998 en 2002 bedroeg de ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen in Vlaanderen gemiddeld 1,79 globale hectare per inwoner. De energieconsumptie is daar niet inbegrepen. Aangezien er maar 1,80 globale hectare biologisch productief gebied per persoon beschikbaar is, is het duidelijk dat de Vlaming meer verbruikt dan wat deze planeet per inwoner te bieden heeft. In die omstandigheden is het niet mogelijk om het verlies van biodiversiteit te stoppen. Momenteel bevindt 59 % van de door de Vlamingen gebruikte oppervlakte zich in het buitenland, voornamelijk landbouwgrond waarop energierijke voedergewassen geteeld worden voor de Vlaamse veeteelt. Daarbij wordt de milieudruk deels afgewenteld op andere landen. De enige verandering tussen 1993 en 2002 is dat dankzij de verhoogde inzet van gerecycleerde papiervezels de druk op bossen verminderde.
3,0
Ecologische voetafdruk voor hernieuwbare materialen (energieconsumptie niet inbegrepen) in globale hectare.
Ecologische voetafdruk (globale ha/inwoner)
2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0
1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002
Visgrond Bosgrond Landbouwgrond
27
Maatschappelijke houding en participatie
21 Bezoeken aan natuur- en bosgebieden De uitbreiding van de toegankelijkheid van natuur- en bosgebieden wordt in het Vlaams natuurbeleid gezien als een stimulerende maatregel die het maatschappelijk draagvlak vergroot. Ook het Vlaams Regeerakkoord en de Beleidsnota Leefmilieu en Natuur pleiten voor een grotere toegankelijkheid van natuur en bos voor iedereen. De jaarlijkse survey van de studiedienst van de Vlaamse Regering peilt hoe dikwijls Vlamingen bos- en natuurgebieden bezoeken (Beyst & Pickery, 2006). Van 1500 ondervraagde Vlamingen zegt zo’n 60 % minstens enkele keren per jaar een bos of natuurgebied te bezoeken. De frequentie van de bezoeken vertoonde de laatste tien jaar een licht dalende trend, vooral bij de meer frequente bezoekers. Het aandeel Vlamingen dat zegt nooit een bos- of natuurgebied te bezoeken neemt toe. Er is een nieuw besluit van de Vlaamse Regering in voorbereiding dat de regelgeving inzake toegankelijkheid van Vlaamse bossen en natuurreservaten moet harmoniseren. Bij de organisatie van de openstelling van natuur- en bosgiebeden wordt getracht rekening te houden met de maatschappelijke behoefte aan toegankelijke natuur en de draagkracht van de natuur voor zachte recreatie.
Frequentie van bezoeken aan bos- en natuurgebieden.
100
Percentage van de respondenten (%)
80 60 40 20
28
0
1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007
Nooit Eén keer per jaar Meerdere keren per jaar Eén keer per maand Meerdere keren per maand
Maatschappelijke houding en participatie
22 Ledenaantallen van natuurverenigingen Het aantal leden van natuurverenigingen geeft een indicatie van de interesse en het sociaal draagvlak in Vlaanderen voor natuur en natuurbeleving. De indicator wordt evenwel ook beĂŻnvloed door het bestuur van de betrokken organisaties. De evolutie van de ledenaantallen van de natuurverenigingen die over gans Vlaanderen actief zijn, toont een divergerend beeld. Natuurpunt toonde de voorbije jaren een sterke toename van haar ledenbestand. Ook WWF BelgiĂŤ en Vogelbescherming Vlaanderen kennen een gestage groei in hun ledenbestand. Greenpeace en JNM gingen recent achteruit. Door de grote toename van Natuurpunt de voorbije jaren, lijkt het aantal Vlaamse gezinnen, aangesloten bij een natuurvereniging, wel toe te nemen. Natuurpunt is met bijna 73.000 leden (2,8 % van de Vlaamse huishoudens) de grootste natuurvereniging in Vlaanderen. De vereniging ontstond in 2002 uit de fusie van Natuurreservaten en De Wielewaal en kende sindsdien een stijgend ledenaantal.
Ledenaantallen van natuurverenigingen.
80.000 60.000
Ledenaantal
40.000 20.000 0
1994
1996
1998
2000
2002
2004
2006
Natuurpunt Greenpeace Natuurreservaten World Wildlife Fund (WWF) Wielewaal Vogelbescherming Vlaanderen Jeugdbond voor Natuur en Milieu (JNM)
29
Databronnen Onderstaande tabel geeft de bronnen van de in deze brochure gerapporteerde 22 natuurindicatoren.
Europese kernindicatoren
22 Vlaamse natuurindicatoren
Brongegevens
1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
1.
INBO, SOVON, BTO, Vansteenwegen (2006), Vermeersch et al. (2004)
Algemene broedvogels (*)
2. Graslandvlinders (*)
INBO, Vlinderwerkgroep
3. Overwinterende watervogels
INBO, Wetlands International, van Roomen et al. (2006)
4. Status van soorten
Beschikbare Rode Lijsten in Vlaanderen
5. Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang (*)
INBO
6. Staat van instandhouding van de habitats 3. Trend in de oppervlakte van Europees belang (*) van een selectie ecosystemen en habitats
INBO
2. Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
7. Oppervlakte met effectief natuurbeheer
INBO, ANB, verenigingen
8. Oppervlakte Vlaams Ecologisch Netwerk en natuurverwevingsgebieden
Departement RWO, afdeling Ruimtelijke Planning.
9. Oppervlakte Natura 2000 (*)
INBO
6. Stikstofdepositie
10. Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie (*)
VMM-MIRA
7. Aantal en kosten van invasieve exoten
11. Aantal uitheemse soorten (*)
Nationale Plantentuin Meise , Verloove (2002), INBO
5. Oppervlakte beschermde gebieden
8. Impact van klimaatveran- 12. Trend Zuid-Europese libellensoorten dering op de biodiversiteit
Libellenwerkgroep
10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
13. Gesaneerde vismigratieknelpunten (*)
VMM, afdeling Water
11. Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
14. Fosforconcentraties in rivieren (*)
VMM
30
Europese kernindicatoren
24 Vlaamse natuurindicatoren
Brongegevens
12. Oppervlakte bos- landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
15. Oppervlakte bosbeheerplan
ANB
16. Stikstofoverschot op cultuurbodems (*)
VMM-MIRA
17. Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden (*)
INBO
18. Oppervlakte beheerovereenkomsten met natuurdoelen (*)
VLM
19. Oppervlakte biologische landbouw (*)
Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie
20. Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen
VMM-MIRA
13. Ecologische voetafdruk
16. Maatschappelijke houding 21. Bezoeken aan natuur- en bosgebieden en participatie (nog in ontwikkeling) 22. Ledenaantallen van natuurverenigingen
Studiedienst van de Vlaamse Regering
Verenigingen
(*) Vlaamse natuurindicator is afgestemd op voorgestelde Europese indicator.
31
Databeschikbaarheid voor de volledige Vlaamse invulling van de voorgestelde Europese 2010-indicatoren (EEA 2007) Onderstaande tabel geeft de databeschikbaarheid aan voor de volledige Vlaamse invulling van de 26 voorgestelde Europese 2010-indicatoren. Europese kernindicatoren
26 Voorgestelde Europese indicatoren
Databeschikbaarheid in Vlaanderen
1. Aantaltrends en verspreiding van een selectie van soorten
Algemene broedvogels (*)
Jaarlijkse monitoring sinds 2007, INBO, Natuurpunt
Graslandvlinders (*)
Jaarlijkse monitoring, Vlinderwerkgroep Natuurpunt
2. Verandering in status van bedreigde en/of beschermde soorten
Rode Lijstindex
Geen monitoring
Staat van instandhouding van de soorten van Europees belang (*)
Monitoring in voorbereiding, INBO
3. Trend in de oppervlakte van een selectie ecosystemen en habitats
Oppervlakte ecosystemen
Geen monitoring, inventarisatie beschikbaar uit biologische waarderingskaart, INBO
Staat van instandhouding van de habitats van Europees belang (*)
Monitoring in voorbereiding, INBO
4. Trend in genetische diversiteit van gecultiveerde en gedomesticeerde soorten met socio-economisch belang
Genetische diversiteit veestapel
5. Oppervlakte beschermde gebieden
Nationaal erkende/aangewezen beschermde gebieden
Jaarlijkse monitoring, verdere afstemming met internationale categorieĂŤn nodig, INBO, ANB, VLM
Oppervlakte Natura 2000 (*)
Jaarlijkse monitoring, INBO
6. Stikstofdepositie
Overschrijding kritische last vermesting door stikstofdepositie (*)
Jaarlijkse monitoring en modellering, VMM-MIRA, VITO
7. Aantal en kosten van invasieve exoten
Aantal uitheemse soorten (*)
Geen monitoring
Meest bedreigende uitheemse invasieve soorten
Geen monitoring
8. Impact van klimaatverandering op de biodiversiteit
In ontwikkeling
9. Mariene trofische index
Mariene trofische index
32
Europese kernindicatoren
26 Voorgestelde Europese indicatoren
Databeschikbaarheid in Vlaanderen
10. Connectiviteit/fragmentatie van ecosystemen
Fragmentatie van natuurlijke en halfnatuurlijke gebieden
In ontwikkeling op basis van de biologische waarderingskaart, INBO
Fragmentatie van riviersystemen (*)
Jaarlijkse monitoring, VMM
11. Waterkwaliteit in oppervlaktewateren
12. Oppervlakte bos- landbouw-, visserij- en aquacultuurecosysteem met duurzaam beheer
NutriĂŤnten in brak, kust- en zeewater Kwaliteit zoet water (*)
Jaarlijkse monitoring, VMM
Bos: voorraad, aanwas en kap
In voorbereiding, bosinventaris, ANB
Bos: dood hout
In voorbereiding, bosinventaris, ANB
Stikstofoverschot op landbouwbodems (*)
Jaarlijkse monitoring, VMM
Oppervlakte in landbouwgebruik met hoge natuurwaarden (*)
Jaarlijkse monitoring, INBO
Oppervlakte beheerovereenkomst met natuurdoel (*)
Jaarlijkse monitoring, VLM
Oppervlakte biologische landbouw (*)
Jaarlijkse monitoring, L&V
Visserij: Europese commerciĂŤle visstocks Aquacultuur: waterkwaliteit afvoer 13. Ecologische voetafdruk
Ecologische voetafdruk van hernieuwbare materialen
14. Patenten (in ontwikkeling)
Patentaanvragen op basis van genetische hulpbronnen (in ontwikkeling)
15. Fondsen voor biodiversiteit
Financiering natuurbeheer
16. Maatschappelijke houding en participatie (in ontwikkeling)
Publiek bewustzijn (in ontwikkeling)
In herziening, VMM-MIRA, VITO
In ontwikkeling, INBO en Departement LNE
(*) Vlaamse natuurindicator is afgestemd op voorgestelde Europese indicator.
33
Literatuur Beyst V. & Pickery J. (2006). Bezoek aan natuur- en bosgebieden. Nota van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Studiedienst van de Vlaamse Regering, Brussel. European Commission (2006). Communication from the Commission. Halting the loss of biodiversity by 2010 - and beyond. Sustaining ecosystem services for human well-being. COM (2006) 216 final. European Commission, Brussels. European Environment Agency (2001). Nitrogen and phosphorus in river stations. http://themes.eea.europa.eu/Specific_media/water/indicators/phosphor/yir01wq2NP.pdf European Environment Agency (2005). Exposure of ecosystems to acidification, eutrophication and ozone (CSI 005) http://themes.eea.europa.eu/IMS/ISpecs/ISpecification20041007131526/IAssessment1116513959574/ view_content European Environment Agency (2005). Gross nutrient balance (CSI 025). http://themes.eea.europa.eu/IMS/IMS/ISpecs/ISpecification20041007132056/IAssessment111684722 2566/view_content European Environment Agency (2007). Streamlining European Biodiversity Indicators (SEBI): Draft EEA technical report. European Environment Agency, Copenhagen. European Environment Agency (2008). Nutrients in freshwater (CSI 020). http://themes.eea.europa.eu/Specific_media/water/indicators/phosphor/yir01wq2NP.pdf van Roomen M., van Winden E., Koffijberg K., Ens B., Hustings F., Kleefstra R., Schoppers J., van Turnhout C., SOVON ganzen- en zwanenwerkgroep & Soldaat L. (2006). Watervogels in Nederland in 2004/2005. RIZA-rapport BM06.14, SOVON-monitoringsrapport 2006/02. SOVON Vogelonderzoek, Beek-Ubbergen. Van Steertegem M. (red) (2007). Milieurapport Vlaanderen: thema’s. Vlaamse Milieumaatschappij, Uitgeverij Lannoo. www.milieurapport.be Vansteenwegen Ch. (2006). La surveillance de l'avifaune commune par "points d'Êcoute" en Wallonie. Analyse 1990-2005. Aves 43: 201-250. Verloove F. (2002). Ingeburgerde plantensoorten in Vlaanderen. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 2002(20). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.
34
Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., GabriĂŤls J. & Van Der Krieken B. (2004). Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 2004(23). Instituut voor Natuurbehoud, Brussel.
35
Afkortingen ANB
Agentschap voor Natuur en Bos
BTO
British Trust for Ornithology
EEA
European Environment Agency (Europees Milieuagentschap)
LNE
Leefmilieu, Natuur en Energie
L&V
Landbouw en Visserij
MINA-plan 3
Vlaams milieubeleidsplan 2003-2007
MINA-plan 3+ Vlaams milieubeleidsplan 2008-2010 MIRA
Milieurapport
RSV
Ruimteljk Structuurplan Vlaanderen
RWO
Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed
SEBI
Streamlining European 2010 Biodiversity Indicators
SOVON
Vogelonderzoek Nederland
VITO
Vlaams Instituut voor Technologische Onderzoek
VLM
Vlaamse Landmaatschappij
VMM
Vlaamse Milieumaatschappij
36