Skip to main content

Kinderopvang_jaarverslag_2011.pdf

Page 1

Kinderopvang Jaarverslag 2011 Hallepoortlaan 27 1060 Brussel Kind en Gezin-Lijn: 078 150 100 www.kindengezin.be


INHOUD

VOORWOORD ............................................................................................................................. 1 DEEL 1: FEITEN EN CIJFERS.................................................................................................. 2 HOOFDSTUK 1: SCHETS VAN HET OPVANGLANDSCHAP ........................................................................ 2 1.

Informele kinderopvang ............................................................................................. 2

2.

Formele kinderopvang ................................................................................................ 2

HOOFDSTUK 2: KINDEROPVANG IN CIJFERS .................................................................................. 13 1.

Aantal opvangvoorzieningen ..................................................................................... 13

2.

Aantal opvangplaatsen ............................................................................................. 18

3.

Evolutie in het aantal aangesloten onthaalouders ........................................................ 26

4.

Aanwezige kinderen ................................................................................................. 27

5.

Aantal verblijfsdagen ............................................................................................... 34

HOOFDSTUK 3: FINANCIERING VAN DE KINDEROPVANG VANUIT DE VLAAMSE OVERHEID ................................ 37 HOOFDSTUK 4: PERSONEEL IN DE KINDEROPVANG .......................................................................... 54 1.

Begeleiding en management ..................................................................................... 54

2.

Kwalificatievereisten ................................................................................................ 55

3.

Aantal personeelsleden/medewerkers en kwalificaties .................................................. 57

DEEL 2: BELEID........................................................................................................................ 62 HOOFDSTUK 1: VERNIEUWING VLAAMSE KINDEROPVANG ................................................................... 62 1.

Situering ................................................................................................................ 62

2.

Voorbereiding van een decreet Voorschoolse Kinderopvang .......................................... 62

3.

Nieuwe organisatiestructuur buitenschoolse opvang ..................................................... 64

HOOFDSTUK 2: UITBREIDING VAN DE VLAAMSE KINDEROPVANG ........................................................... 65 HOOFDSTUK 3: BEVORDEREN VAN DE KWALITEIT IN DE VLAAMSE KINDEROPVANG ....................................... 69 1.

Reguliere dienstverlening inzake kwaliteitsbevordering ................................................. 69

2.

(Medische) preventie en veiligheid ............................................................................. 70

3.

Competentiebevordering en professionalisering ........................................................... 72

4.

Klachten over kinderopvang ...................................................................................... 73

HOOFDSTUK 4: ANDERE BELANGRIJKE ACCENTEN IN DE WERKING ......................................................... 76

BIJLAGE: REGELGEVING ..................................................................................................... 89 1. BASISREGELGEVING ......................................................................................................... 89 2. REGELGEVING PER OPVANGVORM ........................................................................................... 91 3. ANDERE REGELGEVING MET IMPACT OP KINDEROPVANG .................................................................. 96

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011


VOORWOORD

Dit jaarverslag van de afdeling Kinderopvang van Kind en Gezin biedt een overzicht van het belangrijkste cijfermateriaal en van de voornaamste evoluties op het gebied van kinderopvang in 2011. Het is opgebouwd in twee delen.

In het eerste deel worden de feiten en de cijfers weergegeven. Na een algemene voorstelling van de structuur van het huidige Vlaamse kinderopvanglandschap, worden cijfers gepresenteerd over het aanbod en het gebruik, over de financiering van kinderopvang en over het personeel in de kinderopvang die onder de bevoegdheid van Kind en Gezin valt1.

In het tweede deel worden de beleidsmatige aspecten besproken. Hierin wordt o.a. aandacht besteed aan de kwaliteitszorg, het vernieuwingsconcept van de Vlaamse kinderopvang en andere belangrijke accenten in de werking van de afdeling Kinderopvang.

Tot slot wordt als bijlage bij het jaarverslag een opsomming gegeven van de regelgeving die op dit moment van toepassing is op de kinderopvang en van de regelgeving uit andere sectoren die een impact heeft op de kinderopvangsector.

1

Alle benodigde cijfergegevens werden in de loop van de maanden juni en juli 2012 samengebracht en geven de situatie weer op datum van 31/12 (tenzij anders aangegeven) van de jaren die in dit jaarverslag worden beschouwd. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

1


DEEL 1: FEITEN EN CIJFERS

Hoofdstuk 1: Schets van het opvanglandschap Eén van de kernopdrachten van Kind en Gezin is het instaan voor de regie van de kinderopvang in Vlaanderen en Brussel. Kind en Gezin organiseert zelf geen kinderopvang, maar geeft een attest van toezicht of een erkenning aan de opvang die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Kind en Gezin stimuleert en ondersteunt, samen met zijn partners, kinderopvanginitiatieven die door anderen worden georganiseerd. Ouders die hun kind(eren) buitenshuis laten opvangen, kunnen een beroep doen op een waaier van opvangmogelijkheden. Hierbij bestaat een onderscheid tussen informele en formele kinderopvang.

1.

Informele kinderopvang

Informele opvang is de opvang door grootouders, familie, vrienden of kennissen en de opvang die plaatsvindt in het thuismilieu van het kind (huispersoneel, au pair, babysit, …). Deze opvang valt buiten de bevoegdheid van Kind en Gezin.

2.

Formele kinderopvang onder de bevoegdheid van Kind en Gezin

De formele opvang bestaat uit een grote diversiteit van opvangvormen. Iedereen die, al dan niet tegen betaling, kinderen onder de 12 jaar op bestendige wijze opvangt, moet zich bij Kind en Gezin melden. Opvang op bestendige wijze is de gewone, geregeld georganiseerde opvang. Ouders en verwanten tot en met de vierde graad en opvang die georganiseerd wordt in het thuismilieu van het kind (babysit, au pair,…) zijn vrijgesteld van deze meldingsplicht (zie informele opvang). Voor deze enkel gemelde opvang2 zijn er verder geen wettelijke voorwaarden. Kind en Gezin laat deze opvang niet controleren maar kan wel Zorginspectie sturen om de opvang te bezoeken als er een bezorgdheid is over de veiligheid of gezondheid van de kinderen. Gemelde opvang kan een erkenning of een attest van toezicht vragen aan Kind en Gezin. Zoals al eerder vermeld zijn hieraan specifieke voorwaarden gekoppeld. We bespreken hierna de opvang erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin en de zelfstandige opvang met een attest van toezicht van Kind en Gezin. Binnen elke groep kan nog een onderscheid worden gemaakt tussen gezinsopvang en groepsopvang.

2

In 2011 waren er 242 voorschoolse en 275 buitenschoolse voorzieningen die enkel gemeld zijn bij Kind en Gezin. Zij vertegenwoordigen samen in totaal bijna 14.500 plaatsen. Bijna een kwart hiervan zijn voorschoolse plaatsen. Deze cijfers zijn echter richtinggevend aangezien niet iedereen zich ondanks de wettelijke verplichting meldt bij Kind en Gezin, noch worden stopzetting en/of capaciteitswijzigingen doorgegeven. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

2


Erkende (en gesubsidieerde) opvang

Zelfstandige opvang met attest van toezicht

Gezinsopvang

-

dienst voor onthaalouders (2.1)

-

zelfstandige onthaalouder (2.5)

Groepsopvang

-

erkend kinderdagverblijf

-

zelfstandig kinderdagverblijf (2.6)

(en buitenschoolse opvang in aparte

-

zelfstandige buitenschoolse

lokalen verbonden aan een erkend

opvangvoorziening (2.7)

kinderdagverblijf) (2.2) -

initiatief voor buitenschoolse opvang (2.3)

-

lokale dienst voor buurtgerichte opvang (2.4)

1. Soorten formele opvang erkend (en gesubsidieerd) door of met een attest van toezicht van Kind en Gezin

2.1

Dienst voor onthaalouders (DVO)

Onthaalouders die aangesloten zijn

bij een dienst voor onthaalouders vangen kinderen in

gezinsverband op in een gezinswoning. Dit zijn vooral kinderen die nog niet naar school gaan en kinderen die slechts deeltijds naar de kleuterschool gaan. Sommige onthaalouders hebben ook een aanbod van buitenschoolse opvang voor kinderen uit de basisschool. Aangesloten onthaalouders mogen maximaal acht kinderen tegelijkertijd opvangen (eigen kinderen tot en met de kleuterschool meegeteld) met een maximaal gemiddelde van vier voltijds opgevangen kinderen per kwartaal.

Onthaalouders moeten voldoen aan een aantal minimale voorwaarden om zich te kunnen aansluiten bij

een

dienst

voor

arbeidsovereenkomst.

onthaalouders. De

dienst

Ze

selecteert

zijn en

niet

aan

begeleidt

de de

dienst

verbonden

onthaalouders,

zorgt

door voor

een de

administratieve ondersteuning van de onthaalouders en brengt hen in contact met ouders.

Diensten voor onthaalouders hebben een minimumcapaciteit van 50 plaatsen. De diensten (niet de individuele aangesloten onthaalouder) moeten op minstens 220 dagen per jaar opvang aanbieden van minstens 11 opeenvolgende uren tussen 6.30 uur en 18.30 uur. Aangesloten onthaalouders kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld: vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang of opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

De erkenning van diensten voor onthaalouders door Kind en Gezin houdt in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

3


Diensten voor onthaalouders moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten deze diensten aan kwaliteitszorg doen. Het gaat hierbij om de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te verzekeren. Dat betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en nadenkt over de wijze waarop ze die zal realiseren en hoe ze de middelen daartoe zal inzetten. Om de kwaliteit te beheersen moeten een aantal procedures worden uitgeschreven en toegepast. Diensten voor onthaalouders moeten hun werking evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een evaluatie door de gezinnen maakt daar deel van uit.

De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. In uitzonderlijke financiële situaties is een verlaagd tarief en zelfs gratis opvang mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar bij een dienst voor onthaalouders, zijn tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

Diensten voor onthaalouders worden gesubsidieerd door Kind en Gezin. De inkomsten van de diensten uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden hierin verrekend. Dat betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige financiële gevolgen heeft voor het werkingsbudget van de dienst. De aangesloten onthaalouders krijgen een belastingvrije kostenvergoeding voor de geleverde opvangprestaties en genieten een aantal sociale rechten.

2.2

Erkend kinderdagverblijf (KDV)

Erkende kinderdagverblijven vangen kinderen in groepsverband op. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de crèches, die kinderen opvangen die nog niet naar school gaan en ook kinderen die deeltijds naar de kleuterschool gaan, en anderzijds een beperkt aantal peutertuinen voor kinderen vanaf 18 maanden tot wanneer ze naar de kleuterschool gaan. Crèches hebben een minimumcapaciteit van 23 plaatsen, terwijl peutertuinen een minimumcapaciteit van 20 plaatsen hebben. Aan crèches kan een kleine vestigingsplaats verbonden zijn van minimum 14 plaatsen.

Sommige

erkende

kinderdagverblijven

hebben

een

bijkomend

aanbod

van

buitenschoolse

kinderopvang, ofwel in dezelfde lokalen (kinderen uit de kleuterschool) ofwel in aparte lokalen (kinderen uit de kleuter- en lagere school). Dit laatste bijkomend aanbod staat bekend als buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een kinderdagverblijf (BOKDV).

Erkende kinderdagverblijven moeten minstens 220 dagen per jaar open zijn en moeten op die dagen minstens 11 uur opvang aanbieden tussen 6.30 uur en 18.30 uur. Ze kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld vóór 6.30 uur, na 18.30 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang of opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

4


De erkenning van kinderdagverblijven door Kind en Gezin houdt in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Erkende kinderdagverblijven moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten deze voorzieningen aan kwaliteitszorg doen. Het gaat hierbij om de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te verzekeren. Dat betekent concreet dat de voorziening haar missie, visie en waarden formuleert en nadenkt over de wijze waarop ze die zal realiseren en hoe ze de middelen daartoe zal inzetten. Om de kwaliteit te beheersen moeten een aantal procedures uitgeschreven en toegepast worden. Erkende kinderdagverblijven moeten hun werking evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een evaluatie door de gezinnen maakt daar deel van uit.

De gezinnen betalen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. In uitzonderlijke financiële situaties is een verlaagd tarief en zelfs gratis opvang mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar in een erkend kinderdagverblijf, zijn tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

Erkende kinderdagverblijven worden gesubsidieerd door Kind en Gezin. De inkomsten van de kinderdagverblijven uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden hierin verrekend 3. Deze regeling zorgt ervoor dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige financiële gevolgen heeft voor het werkingsbudget van de voorziening.

2.3

Initiatief voor buitenschoolse opvang (IBO)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang vangen kinderen in groepsverband op en richten zich exclusief op de buitenschoolse opvang van kinderen uit de basisschool4. Ze kunnen opvang aanbieden voor en na de schooluren, op woensdagnamiddag, op schoolvrije dagen en tijdens de schoolvakanties. Ze hebben een minimumcapaciteit

van 21 plaatsen en kunnen

hun

werking

op

verschillende

vestigingsplaatsen organiseren. Deze vestigingsplaatsen hebben elk een minimumcapaciteit van acht plaatsen.

Een initiatief voor buitenschoolse opvang heeft minstens een basisopvangaanbod. Dat is een aanbod van 's morgens 7 uur tot 's avonds 18 uur gedurende ten minste 230 werkdagen per jaar, waarvan 50 volle dagen; op woensdagnamiddag opent het initiatief na de schooltijd. Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld vóór 7 uur, na 18 uur, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang of opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

3

Erkende kinderdagverblijven kunnen echter vrij beschikken over de financiële bijdragen van de gezinnen die geïnd worden voor de buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan het kinderdagverblijf. 4 Basisschool = kleuter – en lagere school. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

5


Initiatieven voor buitenschoolse opvang worden erkend door Kind en Gezin. Daarvoor is een gunstig advies van het Lokaal Overleg Kinderopvang nodig. De erkenning houdt in dat het initiatief geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden op het vlak van opvoeding, begeleiding, ouderparticipatie, personeel, veiligheid, enz. Daarnaast moeten ze aan kwaliteitszorg doen. Het gaat hierbij om de wijze waarop een voorziening zich organiseert om een bepaald kwaliteitsniveau te verzekeren. Dat betekent concreet dat het initiatief zijn missie, visie en waarden formuleert en nadenkt over de wijze waarop het die zal realiseren en over de middelen die het daartoe zal inzetten. Om de kwaliteit te beheersen moeten een aantal procedures uitgeschreven en toegepast worden. Een initiatief voor buitenschoolse opvang moet zijn werking evalueren en nadenken over mogelijkheden om verbeteringen aan te brengen. Een evaluatie door de gezinnen maakt daar deel van uit.

De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen, maar de minimum- en maximumbijdragen zijn wel in de regelgeving vastgelegd. In uitzonderlijke financiële situaties is een verlaagd tarief en zelfs gratis opvang mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar in een initiatief voor buitenschoolse opvang, zijn tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen door verschillende instanties gesubsidieerd worden en kunnen daarnaast vrij beschikken over de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen.

2.4

Lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang (LoDi)

Een erkend kinderdagverblijf, een initiatief voor buitenschoolse opvang of een buurt-en nabijheidsproject (BND)5 kunnen de toestemming hebben of krijgen van Kind en Gezin om een lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang te organiseren.

Een lokale dienst heeft een specifieke werking die het gebruik van kinderopvang door kwetsbare gezinnen bevordert. Hierbij staan een buurtgerichte inbedding en de participatie van de doelgroep centraal. Een lokale dienst werft ook doelgroepwerknemers6 aan die mee instaan voor de begeleiding van de kinderen en biedt hen gelijkwaardige kansen in de organisatie. Een lokale dienst werkt structureel samen met andere voorzieningen.

5

In 2004 werd het experiment buurt- en nabijheidsdiensten (BND) opgestart. In 2008 werden de BND-projecten door het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei omgezet in lokale diensten voor buurtgerichte opvang en structureel geïntegreerd in het kinderopvanglandschap. 6 Een doelgroepwerknemer is een persoon met hoogstens een diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs en die de dag voor zijn aanwerving beantwoordt aan één van volgende kenmerken:

   

jonger dan 50 jaar en min. 12 maanden inactief ouder dan 50 jaar en min. 6 maanden inactief min. 6 maand leefloongerechtigd of arbeidsgehandicapt

deeltijds werkzoekende leerling van het deeltijds beroepssecundair onderwijs en een dag inactief Afhankelijk van het statuut waarin de doelgroepwerknemer zich bevindt, kunnen deze kenmerken wijzigen. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

6


Er bestaan twee types lokale diensten. Elk type moet minstens tien opvangplaatsen tellen. -

Een lokale dienst voorschoolse opvang: biedt opvang aan voor kinderen die nog niet naar school gaan of die in de overgangsfase zitten tussen opvang en school. De dienst kan ook kinderen uit het kleuteronderwijs buitenschools opvangen.

-

Een lokale dienst buitenschoolse opvang: biedt uitsluitend opvang aan voor schoolgaande kinderen.

De toestemming van Kind en Gezin voor de organisatie van een lokale dienst betekent dat de opvang op het moment van de toestemming voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de omgang met kinderen en ouders, de ruimte en de inrichting, de veiligheid en gezondheid, het personeel, de buurtwerking en de samenwerking. De toestemming houdt eveneens in dat de lokale dienst geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Voor de opvang van een baby of een peuter betaalt de ouder een prijs die wettelijk geregeld is en rekening houdt met het inkomen. Voor de opvang van een schoolgaand kind betaalt de ouder een prijs die binnen bepaalde grenzen ligt. Een lokale dienst doet extra inspanningen voor kwetsbare gezinnen, ook wat betreft de opvangprijs. Een sociaal tarief is mogelijk. De kosten voor opvang van kinderen tot 12 jaar in een lokale dienst voor buurtgerichte opvang, zijn tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

Lokale diensten worden gefinancierd vanuit verschillende instanties. Kind en Gezin voorziet in een forfaitaire subsidie per plaats en een deel van de loonkosten van de doelgroepwerknemer. Voor de omkadering en loonkosten van de doelgroepwerknemers kunnen zij een beroep doen op middelen van Werk en Sociale Economie.

De inkomsten van de voorschoolse lokale diensten uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden verrekend in de subsidies. Deze regeling zorgt ervoor dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige financiële gevolgen heeft voor het werkingsbudget van de voorziening. De buitenschoolse lokale diensten kunnen vrij beschikken over de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen.

2.5

Zelfstandige onthaalouder (ZOO)

Zelfstandige onthaalouders vangen in een gezinswoning kinderen op in gezinsverband. Ze werken autonoom en bepalen dus zelf op welke uren en momenten ze opvang doen. Regelgevend is hierover niets vastgelegd.

Zelfstandige onthaalouders vangen voornamelijk niet-schoolgaande kinderen op en mogen maximaal zeven kinderen tegelijkertijd opvangen (eigen kinderen tot en met de kleuterschool meegeteld). Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

7


Sommige zelfstandige onthaalouders hebben ook een aanbod van buitenschoolse opvang voor kinderen uit de basisschool.

Zelfstandige onthaalouders kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld van heel vroeg ’s morgens tot laat ’s avonds, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Wettelijk gezien moeten deze onthaalouders hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin. De meesten kiezen er voor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Onthaalouders met een attest van toezicht moeten voldoen aan een aantal voorwaarden betreffende de omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid en inrichting van de ruimten.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Op 16 februari 2009 introduceerde de Vlaamse regering het inkomensgerelateerd systeem (IKG) voor de zelfstandige onthaalouders. Dit betekent dat gezinnen ook bij zelfstandige onthaalouders een financiële bijdrage betalen volgens hun inkomen, net zoals in de erkende en gesubsidieerde opvangvoorzieningen. Het is enkel geldig voor kinderen die door de onthaalouder voorschools worden opgevangen. Voor de kinderen die reeds vóór 16 februari 2009 werden opgevangen, is er een overgangsregeling.

Als de zelfstandige onthaalouder werkt met het inkomensgerelateerd systeem, betalen de ouders een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. De overheid vult het verschil tussen de bijdrage van het gezin, berekend op basis van het inkomen, aan tot een gegarandeerde dagprijs (17,88 euro sinds september 2011).

Bij alle andere zelfstandige onthaalouders, is het de onthaalouder zelf die bepaalt hoeveel de gezinnen moeten betalen. De voornaamste bron van inkomsten voor deze onthaalouders zijn dan ook de financiële bijdragen van de gezinnen.

Zelfstandige onthaalouders kunnen enkele vormen van beperkte ondersteuning van Kind en Gezin ontvangen, bijvoorbeeld een startvergoeding en een verzekering voor persoonlijke ongevallen.

Als de zelfstandige onthaalouder een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor kinderen tot 12 jaar tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

8


2.6

Zelfstandig kinderdagverblijf7(ZKDV)

Zelfstandige kinderdagverblijven bieden opvang in groepsverband aan en hebben een capaciteit van minstens 8 plaatsen. Deze voorzieningen vangen vooral niet-schoolgaande kinderen op. Sommige voorzieningen hebben ook een aanbod van buitenschoolse opvang voor kinderen uit de basisschool.

Zelfstandige kinderdagverblijven bepalen zelf hun openingsuren en –momenten. Regelgevend is hierover niets vastgelegd.

Zelfstandige kinderdagverblijven kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld van heel vroeg ’s morgens tot ’s avonds laat, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Wettelijk gezien moeten deze zelfstandige voorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin. De meesten kiezen er voor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Zelfstandige kinderdagverblijven met een attest van toezicht moeten voldoen aan een aantal voorwaarden betreffende de omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid en inrichting van de ruimten.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Op 16 februari 2009 introduceerde de Vlaamse regering het inkomensgerelateerd systeem (IKG) voor de

zelfstandige

kinderdagverblijven.

Dit

betekent

dat

gezinnen

ook

in

deze

zelfstandige

kinderdagverblijven een financiële bijdrage betalen volgens hun inkomen, net zoals in de erkende en gesubsidieerde

opvangvoorzieningen.

Het

is

enkel

geldig

voor

kinderen

die

in

deze

kinderdagverblijven voorschools worden opgevangen. Voor de kinderen die reeds vóór 16 februari 2009 werden opgevangen, is er een overgangsregeling.

Als het zelfstandig kinderdagverblijf werkt met het inkomensgerelateerd systeem, betalen de ouders een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. De overheid vult het verschil tussen de bijdrage van het gezin, berekend op basis van het inkomen, aan tot een gegarandeerde dagprijs (29,77 euro sinds september 2011).

Bij alle andere zelfstandige kinderdagverblijven, is het de opvangvoorziening zelf die bepaalt hoeveel de gezinnen moeten betalen. De voornaamste bron van inkomsten voor deze kinderdagverblijven zijn dan ook de financiële bijdragen van de gezinnen. 7

In het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor de zelfstandige opvangvoorzieningen, worden drie voorzieningstypes gedefinieerd: zelfstandige onthaalouder, zelfstandig kinderdagverblijf (de term mini-crèche wordt niet meer voorzien) en zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

9


Zelfstandige kinderdagverblijven kunnen een financiële ondersteuning van Kind en Gezin krijgen als ze voldoen aan een aantal voorwaarden.

Als het zelfstandig kinderdagverblijf een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor kinderen tot 12 jaar tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

2.7

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening8 (ZBO)

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen bieden opvang in groepsverband aan en hebben een capaciteit van minstens 8 plaatsen. Deze voorzieningen vangen enkel schoolgaande kinderen op, vóór en na de school en tijdens vakantiedagen.

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen bepalen zelf hun openingsuren en –momenten. Regelgevend is hierover niets vastgelegd.

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen kunnen ook ruimere opvang aanbieden, bijvoorbeeld van heel vroeg ’s morgens tot ’s avonds laat, tijdens het weekend, ’s nachts, occasionele opvang en opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Wettelijk gezien moeten deze zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen hun opvangactiviteit enkel melden aan Kind en Gezin. De meesten kiezen er voor om een attest van toezicht van Kind en Gezin te verkrijgen. Zelfstandige buitenschoolse voorzieningen met een attest van toezicht moeten voldoen aan een aantal voorwaarden betreffende de omgang met kinderen en ouders, veiligheid en gezondheid en inrichting van de ruimten.

Het attest van toezicht houdt ook in dat de voorziening geregeld geïnspecteerd wordt. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

De zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening bepaalt zelf hoeveel de gezinnen betalen. Als de zelfstandige buitenschoolse voorziening een attest van toezicht heeft, zijn de opvangkosten voor kinderen tot 12 jaar tot op zekere hoogte fiscaal aftrekbaar.

De voornaamste bron van inkomsten zijn de financiële bijdragen van de gezinnen. Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen kunnen een financiële ondersteuning van Kind en Gezin krijgen als ze voldoen aan een aantal voorwaarden.

8

In het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de regeling van het attest van toezicht voor de zelfstandige opvangvoorzieningen, worden drie voorzieningstypes gedefinieerd: zelfstandige onthaalouder, zelfstandig kinderdagverblijf (de term mini-crèche wordt niet meer voorzien) en zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

10


2.8.

Opvang via een gemandateerde voorziening (GMV)

Een erkend kinderdagverblijf, een initiatief voor buitenschoolse opvang of een dienst voor onthaalouders kunnen een erkenning hebben of krijgen van Kind en Gezin als gemandateerde voorziening.

Een gemandateerde voorziening helpt ouders bij hun zoektocht naar opvang tijdens vroege of late uren, ’s nachts, tijdens het weekend of naar occasionele opvang 9. Gemandateerde voorzieningen hebben geen opdracht om te helpen bij het zoekproces naar opvang tijdens gebruikelijke dagen en uren of voor opvang die niet past binnen de occasionele opvang zoals in de voetnoot beschreven.

Gemandateerde voorzieningen staan niet altijd zelf in voor de opvang en kunnen ouders doorverwijzen naar een opvangvoorziening die het kind wel kan opvangen op de gevraagde dagen of uren. Het werkingsgebied van gemandateerde voorzieningen omvat verschillende gemeenten.

Gemandateerde voorzieningen krijgen middelen om de coördinatie van dit specifieke opvangaanbod in de regio vorm te geven en/of om de tewerkstelling en de opleiding voor doelgroepwerknemers te organiseren.

Gemandateerde voorzieningen worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Dit betekent dat ze aan de wettelijke voorwaarden voldoen. De voorziening wordt geregeld geïnspecteerd. Het Agentschap Zorginspectie voert deze inspecties uit.

Wat ouders voor de opvang betalen, hangt af van het type opvangvoorziening waar de opvang plaats vindt.

3.

Formele kinderopvang niet onder de bevoegdheid van Kind en Gezin

Niet iedere formele opvangvorm die structureel wordt georganiseerd heeft een attest van toezicht, een erkenning of een toestemming van Kind en Gezin of valt onder de bevoegdheid van Kind en Gezin.

o

Schoolopvang

Heel wat scholen vangen kinderen op voor en na de schooluren. Het aantal begeleiders, de opleiding van de begeleiders, de inrichting en de grootte van de ruimte, de manier van omgaan met ouders en kinderen en de opvangprijs zijn niet wettelijk vastgelegd. De school heeft hierin de volledige autonomie. 9

d.i. kortdurende opvang van maximaal 6 maanden omwille van één van de volgende redenen: ouder werkt niet en vindt plots werk of start met een opleiding, ouder heeft een sollicitatiegesprek, er is een acute crisis in het gezin, het gezin heeft behoefte aan een kortstondige draaglastvermindering, of om sociaal/pedagogische redenen is het nodig dat het kind tijdens de dag buiten het gezin wordt opgevangen. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

11


Scholen zijn verplicht om deze opvang te melden aan Kind en Gezin. Kind en Gezin laat deze opvang niet controleren, tenzij er een klacht komt of er iets ernstigs gebeurt. Het Agentschap Zorginspectie gaat dan na in welke omstandigheden de kinderen worden opgevangen en of die opvangsituatie aanvaardbaar is.

Scholen kunnen voor deze opvang een attest van toezicht aanvragen bij Kind en Gezin. In dat geval gaat Kind en Gezin na of de opvang voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Die voorwaarden zijn dezelfde als deze die gelden voor een zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening.

o

Vakantieopvang via jeugdwerking, ziekenfonds of andere organisaties

Tijdens schoolvakanties zijn er tal van activiteiten en kampen voor schoolgaande kinderen zoals speelpleinwerking, grabbelpasactiviteiten, activiteiten of kampen van sport-, jeugd-, cultuur- of andere organisaties. Voor al deze opvangvormen is Kind en Gezin niet bevoegd om na te gaan of de activiteiten aan bepaalde voorwaarden voldoen.

o

Opvang van zieke kinderen

Sommige ziekenfondsen, OCMW’s en gemeenten bieden thuisoppas voor zieke kinderen aan. Ook sommige bedrijven bieden deze mogelijkheid aan wanneer de kinderen van hun werknemers ziek zijn.

Kind en Gezin is voor deze opvangvormen niet bevoegd om na te gaan of de opvang aan bepaalde voorwaarden voldoet.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

12


Hoofdstuk 2: Kinderopvang in cijfers 1.

Aantal opvangvoorzieningen

Eind 2011 waren er 378 erkende kinderdagverblijven. 38 van deze 378 erkende kinderdagverblijven bieden tevens buitenschoolse opvang in aparte lokalen aan. Verder waren er ook 189 diensten voor onthaalouders en 254 initiatieven voor buitenschoolse opvang actief. Daarnaast tellen we in totaal nog 34 lokale diensten voor buurtgerichte opvang en 70 gemandateerde voorzieningen. Het totaal aantal door Kind en Gezin erkende (en gesubsidieerde) voorzieningen is in 2011 toegenomen (+2,3%). Enkel het aantal diensten voor onthaalouders is in 2011 met 1 verminderd wegens een fusie van twee diensten. Eind 2011 waren er 1536 zelfstandige kinderdagverblijven, waarvan 595 (38,7%) werken met het inkomensgerelateerd systeem. Van de 995 zelfstandige onthaalouders werkzaam in 2011 werkten 19 (1,9%) met het inkomensgerelateerd inkomenssysteem. Het aantal zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen met een attest van toezicht van Kind en Gezin actief in 2011 bedraagt 94. Dit maakt een totaal van 2625 zelfstandige voorzieningen met een attest van toezicht van Kind en Gezin, wat een afname is van 0,9% in vergelijking met 2010. Deze afname op totaalvlak is te wijten aan de daling

van

het

aantal

zelfstandige

onthaalouders

(waardoor

ook

het

aantal

dat

met

het

inkomensgerelateerd systeem werkt is gedaald van 24 naar 19) en van het aantal zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen. Het aantal zelfstandige kinderdagverblijven is met 3,2% toegenomen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

13


Opvangvoorzieningen 2010

2011

Kinderdagverblijven

369

378

Diensten voor onthaalouders

190

189

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools)

23

23

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

37

38

250

254

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

11

11

Gemandateerde voorzieningen

61

70

904(1)

925(1)

Zelfstandige kinderdagverblijven

1 488

1 536

Zelfstandige onthaalouders

1 060

995

101

94

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

2 649

2 625

Algemeen totaal

3 553

3 550

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

2. Aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht – situatie op 31/12 (1) Om dubbeltellingen te voorkomen is de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van de erkende kinderdagverblijven niet opgenomen in het totaal.

Volledig nieuwe opvangvoorzieningen In de erkende (en gesubsidieerde) sector verstaan we onder volledig nieuwe opvangvoorzieningen die kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en initiatieven voor buitenschoolse opvang waarvan de erkenning ingaat in 2011. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang (en voor erkende kinderdagverblijven) gaat het om nieuwe voorzieningen en niet om nieuwe vestigingsplaatsen. Wijzigingen in voorzieningstype, bijvoorbeeld een peutertuin die crèche wordt, worden niet als nieuwe voorziening geregistreerd. Kinderdagverblijven kunnen een toestemming krijgen om een bijkomend aanbod van buitenschoolse opvang in aparte lokalen (BOKDV) te organiseren. Omdat dit aanbod nooit op zichzelf kan bestaan maar altijd verbonden is aan een erkend kinderdagverblijf, wordt een dergelijk bijkomend aanbod niet als nieuwe voorziening beschouwd10.

In de erkende (en gesubsidieerde) sector waren er in 2011 23 nieuwe voorzieningen. Het gaat om 4 nieuwe initiatieven voor buitenschoolse opvang en 10 nieuwe erkende kinderdagverblijven. Tot slot kwamen er in 2011 9 gemandateerde voorzieningen bij die enkel als coördinatiepunt optreden. In de zelfstandige opvang met een attest van toezicht wordt een nieuwe voorziening gedefinieerd als een voorziening die in 2011 voor het eerst een attest van toezicht aanvroeg. Wijzigingen in het type 10

De aparte lokalen waarin kinderen buitenschools worden opgevangen vormen samen met de andere lokalen van het erkend kinderdagverblijf 1 gebouwencomplex of bevinden zich in de onmiddellijke omgeving. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

14


van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen worden niet als nieuwe voorziening beschouwd. In de zelfstandige sector ligt het aantal voorzieningen dat erbij is gekomen merkelijk hoger dan in de erkende sector (N=226), maar ligt lager dan in 2010.

Volledig nieuwe opvangvoorzieningen 2010

2011

Kinderdagverblijven (1)

3

10

Diensten voor onthaalouders (1)

1

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools)

6

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven (2)

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1)

2

4

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

3

0

Gemandateerde voorzieningen

0

9

15

23

Zelfstandige kinderdagverblijven

169

127

Zelfstandige onthaalouders

101

85

16

14

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

286

226

Algemeen totaal

301

249

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3)

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

3. Aantal volledig nieuwe erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal volledig nieuwe opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2010 en 2011 (1) Rekening houdend met de ingangsdatum van de erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) Rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht

Stoppende opvangvoorzieningen Het gaat hier om de ‘echte’ stopzettingen. Een wijziging in het voorzieningstype, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst of een fusie van twee voorzieningen, wordt niet als stopzetting geregistreerd. Bij deze telling worden specifiek voor de zelfstandige sector ook verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke niet als stopzetting geregistreerd. Indien het aanbod van buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een kinderdagverlijf wordt stopgezet, wordt dit niet als een stoppende voorziening beschouwd11. In 2011 werden enkel in de zelfstandige sector stopzettingen genoteerd. In totaal noteren we 221 stopzettingen wat een toename is van 14 voorzieningen in vergelijking met 2010.

11

De aparte lokalen waarin kinderen buitenschools worden opgevangen vormen samen met de andere lokalen van het erkend kinderdagverblijf 1 gebouwencomplex of bevinden zich in de onmiddellijke omgeving.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

15


Stoppende opvangvoorzieningen 2010

2011

Kinderdagverblijven

1

0

Diensten voor onthaalouders

3

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools)

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0

0

Gemandateerde voorzieningen

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

4

0

49

68

143

142

15

11

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

207

221

Algemeen totaal

211

221

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

4. Aantal stoppende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal stoppende opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2010 en 2011

Aantal intrekkingen van de erkenning of van het attest van toezicht In de erkende (en gesubsidieerde) sector werden 3 erkenningen ingetrokken. De erkenning van een erkend

kinderdagverblijf

werd

ingetrokken

omwille

van

een

fusie

met

een

ander

erkend

kinderdagverblijf. Dezelfde reden ligt aan de basis van de intrekking van de erkenning van een dienst voor onthaalouders. Verder was er nog een intrekking van de toestemming van een bestaand erkend kinderdagverblijf om buitenschoolse opvang in aparte lokalen aan te bieden. Het aantal zelfstandige opvangvoorzieningen waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken, is in 2011 vrijwel stabiel gebleven (van 40 naar 41).

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

16


Intrekkingen 2010

2011

Kinderdagverblijven

0

1

Diensten voor onthaalouders

1

1

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools)

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

1

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

1

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0

0

Gemandateerde voorzieningen

0

0

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

2

3

Zelfstandige kinderdagverblijven

28

29

Zelfstandige onthaalouders

11

10

1

2

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

40

41

Algemeen totaal

42

44

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

5. Aantal erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen waarvan de erkenning werd ingetrokken en aantal opvangvoorzieningen met attest van toezicht waarvan het attest van toezicht werd ingetrokken in 2010 en 2011

Aantal beroepsdossiers/bezwaardossiers Erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen kunnen tegen een aantal beslissingen beroep aantekenen bij de minister, die hierover een advies vraagt aan de adviserende beroepscommissie van de Vlaamse Gezins- en Welzijnsraad. Het gaat hierbij om een gehele of gedeeltelijke weigering van een principieel akkoord, een erkenning of subsidiĂŤring, een intrekking van een erkenning of een weigering van de verlenging van de erkenning. In 2011 zijn voor de erkende sector in totaal 6 beroepsdossiers behandeld. Dit zijn er 3 meer dan in 2010. Geen enkel beroep werd ingewilligd.

Zelfstandige opvangvoorzieningen kunnen bij Kind en Gezin bezwaar aantekenen tegen het niettoekennen van een attest van toezicht of de verlenging ervan, het niet-toekennen van een capaciteitsuitbreiding en het intrekken van een attest van toezicht. Deze bezwaardossiers worden door een interne commissie behandeld. Het aantal in 2011 ingediende bezwaardossiers in de zelfstandige sector, is gestegen tegenover 2010. In totaal werden 22 van de 40 ingediende dossiers ingewilligd.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

17


Beroepsdossiers/bezwaardossiers 2010

2011

Kinderdagverblijven

1 (0)

4 (0)

Diensten voor onthaalouders

0 (0)

0 (0)

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools)

0 (0)

0 (0)

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

2 (0)

0 (0)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0 (0)

2 (0)

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

0 (0)

0 (0)

Gemandateerde voorzieningen

0 (0)

0 (0)

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

3 (0)

6 (0)

14 (4)

33 (19)

Zelfstandige onthaalouders

8 (3)

7 (3)

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

0 (0)

0 (0)

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

22 (7)

40 (22)

Algemeen totaal

25 (7)

46 (22)

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven

6. Aantal ingediende beroepsdossiers/bezwaardossiers (en aantal ingewilligde dossiers) in 2010 en 2011

2.

Aantal opvangplaatsen

Eind 2011 bedraagt het totaal aantal plaatsen met een erkenning of met een attest van toezicht van Kind en Gezin, 122 961. Dit is een toename met 2808 plaatsen (+2,3%) tegenover 2010.

In de erkende sector is het aantal plaatsen in vrijwel alle voorzieningstypes toegenomen. In totaal neemt het aantal plaatsen in de erkende opvang toe met 1905 (+2,4%).

De zelfstandige opvangplaatsen met een attest van toezicht zijn toegenomen met 903 (+2,2%). De belangrijkste toename merken we op voor de zelfstandige kinderdagverblijven. Ook het aantal inkomensgerelateerde plaatsen in de zelfstandige kinderdagverblijven is met 1249 eenheden (+1,1%) gestegen. Voor de overige zelfstandige opvangvoorzieningen is er een daling van het aantal plaatsen op te merken (ook voor wat betreft het aantal inkomensgerelateerde plaatsen bij zelfstandige onthaalouders m.n. van 150 naar 119).

Voor een overzicht van het aantal opvangplaatsen per provincie verwijzen we naar tabel 9.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

18


Opvangplaatsen 2010

2011

Kinderdagverblijven

17 251

17 918

Diensten voor onthaalouders (1)

31 757

31 841

395

401

1 167

1 212

28 039

29 142

254

254

78 863

80 768

30 393

31 885

Zelfstandige onthaalouders (1)

6 631

6 245

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

4 266

4 063

41 290

42 193

120 153

122 961

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

7. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht – situatie op 31/12 (1) Een deel van deze capaciteit wordt opgevuld door eigen kinderen onder de 6 jaar.

8.

Verdeling

aantal

plaatsen

in

erkende

(en

gesubsidieerde)

opvangvoorzieningen

en

in

opvangvoorzieningen met attest van toezicht – 2011 (situatie op 31/12)

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

19


Opvangplaatsen per provincie Antwerpen

Vlaams-Brabant

Brussels Gewest

West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen

Limburg

2010

2011

2010

2011

2010

2011

2010

2011

2010

2011

2010

2011

Kinderdagverblijven

4 226

4 431

3 651

3 875

2 235

2 310

2 084

2 139

3 544

3 599

1 511

1 564

Diensten voor onthaalouders (1)

8 003

8 008

4 217

4 190

34

34

6 334

6 339

7 901

7 976

5 268

5 294

117

117

14

14

28

28

92

98

134

134

10

10

77

53

151

151

0

0

285

296

353

407

301

305

6 952

7 314

3 837

3 896

587

622

5 004

5 082

6 201

6 376

5 458

5 852

20

20

52

52

0

0

98

98

20

20

64

64

11 922 12 178

2 884

2 994

Erkend

(en

gesubsidieerd)

door

Kind

en

Gezin

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools) Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en

19 395 19 943

13 897 14 052

18 153 18 512

12 612 13 089

Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven waarvan IKG Zelfstandige onthaalouders (1) waarvan IKG Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin Algemeen totaal

6 919

7 342

5 165

5 278

4 990

4 747

5 689

6 054

6 336

6 971

1 294

1 483

2 308

2 713

1 353

1 336

1 081

1 067

3 564

3 933

2 466

2 914

590

648

881

860

1 196

1 097

205

188

2 517

2 406

1 573

1 417

259

277

7

0

20

13

0

0

51

51

41

29

31

26

671

507

1 044

1 055

845

786

818

589

310

193

578

933

8 471

8 709

7 405

7 430

6 040

5 731

9 024

9 049

8 219

8 581

2 131

2 693

19 327 19 608

8 924

8 725

27 866 28 652

22 921 23 101

26 372 27 093

14 743 15 782

9. Aantal plaatsen in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en in opvangvoorzieningen met attest van toezicht per provincie – situatie op 31/12 (1) Een deel van deze capaciteit wordt opgevuld door eigen kinderen onder de 6 jaar

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

20


Aantal opvangplaatsen in nieuwe voorzieningen In de erkende sector gaat het hier over plaatsen die er bij gekomen zijn in volledig nieuwe voorzieningen. Dit zijn kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en initiatieven voor buitenschoolse opvang waarvan de erkenning ingaat in 2011. Voor de initiatieven voor buitenschoolse opvang en erkende kinderdagverblijven gaat het om plaatsen in nieuwe voorzieningen en niet om plaatsen in nieuwe vestigingsplaatsen of om plaatsen in een bijkomend buitenschools aanbod in aparte

lokalen

verbonden

aan

een

bestaand

en

erkend

kinderdagverblijf.

Wijzigingen

in

voorzieningstype, bijvoorbeeld een peutertuin die een crèche wordt, worden niet als nieuwe voorziening geregistreerd. In de erkende sector kwamen er 354 plaatsen bij in voorzieningen waarvan de erkenning in 2011 is ingegaan. Dit is evenveel plaatsen als er in 2010 zijn bijgekomen.

In de zelfstandige opvang met een attest van toezicht gaat het om plaatsen in een voorziening die in 2011 voor het eerst een attest van toezicht heeft aangevraagd. Wijzigingen in het type van voorziening, overnames door een nieuwe verantwoordelijke en verhuizingen worden in deze telling niet als nieuwe voorziening beschouwd. In de zelfstandige sector kwamen er 2964 plaatsen bij door nieuwe voorzieningen. Dit aantal ligt merkelijk lager dan in 2010.

Opvangplaatsen in volledig nieuwe voorzieningen 2010

2011

Kinderdagverblijven (1)

84

227

Diensten voor onthaalouders (1)

50

0

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools)

96

0

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang (1)

86

127

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools)

38

0

354

354

3 333

2 142

Zelfstandige onthaalouders

638

420

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen)

458

402

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

4 429

2 964

Algemeen totaal

4 783

3 318

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven (2)

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin (3) Zelfstandige kinderdagverblijven

10. Aantal plaatsen bij volledig nieuwe erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal plaatsen bij volledig nieuwe opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2010 en 2011 (1) Rekening houdend met de ingangsdatum van de erkenning (2) Rekening houdend met de effectieve startdatum (3) Rekening houdend met de datum van aanvraag van het attest van toezicht

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

21


Weggevallen plaatsen in stoppende voorzieningen Het gaat hier om plaatsen die wegvallen als gevolg van ‘echte’ stopzettingen (voorzieningen die stoppen). Een wijziging in het voorzieningstype, bijvoorbeeld een zelfstandige onthaalouder die zich aansluit bij een dienst of een fusie van twee voorzieningen, wordt immers niet als stopzetting geregistreerd. Bij deze telling worden specifiek voor de zelfstandige sector ook verhuizingen en overnames door een nieuwe verantwoordelijke niet als stopzetting geregistreerd. In de erkende sector zijn geen plaatsen weggevallen t.g.v. stoppende voorzieningen. In de zelfstandige sector zijn er 2453 plaatsen weggevallen. Het totaal aantal weggevallen plaatsen ligt lager dan in 2010 (- 4,8%).

Weggevallen plaatsen in stoppende voorzieningen 2010

2011

28

0

477

0

Lokale diensten voor buurt gerichte opvang (voorschools)

0

0

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven

0

0

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

0

0

Lokale diensten voor buurt gerichte opvang (buitenschools)

0

0

505

0

Zelfstandige kinderdagverblijven

833

1 212

Zelfstandige onthaalouders

876

854

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

364

387

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

2 073

2 453

Algemeen totaal

2 578

2 453

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin

11. Aantal weggevallen plaatsen bij stoppende erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen en aantal weggevallen plaatsen bij stoppende opvangvoorzieningen met attest van toezicht in 2010 en 2011

Aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen jonger dan 3 jaar12 In het Vlaamse Gewest zijn er 380,5 plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar beschikbaar. Het aantal plaatsen per 1000 kinderen is gestegen tegenover 2010. Ongeveer zes op tien voorschoolse plaatsen worden gerealiseerd in de erkende sector, vier op tien in de zelfstandige sector. De toename van het aantal plaatsen per 1000 kinderen in vergelijking met vorig jaar situeert zich in de kinderdagverblijven (zowel erkende als zelfstandige).

12

Dit is verschillend van de Barcelonanorm die stelt dat voor 33% van de kinderen jonger dan 3 jaar een plaats in de formele kinderopvang moet worden voorzien. Dit betekent dat het aantal kinderen jonger dan 3 jaar dat gebruik maakt van formele kinderopvang voor kinderen tussen 0 en 3 jaar minstens 33% moet bedragen om de Barcelonanorm te behalen. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

22


Zoals uit grafiek 14 kan worden opgemerkt, is het aantal plaatsen per 1000 kinderen jonger dan 3 jaar sinds 2006 in stijgende lijn.

Opvangplaatsen per duizend kinderen (1) 2010

2011

69,9

73,1

149,3

149,6

1,3

1,8

220,5

224,5

119,5

127,5

30,3

28,5

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

149,8

156,0

Algemeen totaal

370,3

380,5

Erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders (2) Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools) Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders (2)

12. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. Het is echter niet mogelijk te ramen hoeveel plaatsen voor buitenschoolse opvang gebruikt worden. Het aantal plaatsen in voorzieningen die alleen buitenschoolse opvang aanbieden, werd niet in rekening gebracht. Het aantal plaatsen wordt afgezet tegen het aantal kinderen onder de 3 jaar door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. De officiële bevolkingsstatistieken omvatten alleen de ‘de jure’-bevolking terwijl de Miragedatabank nagenoeg alle kinderen omvat die wonen in het Vlaamse Gewest. (2) Eigen kinderen onder de 6 jaar inbegrepen

13.

Aantal

plaatsen

per

1000

kinderen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

onder

de

3

jaar

in

het

Vlaamse

Gewest 23


14. Evolutie van het aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest Het aantal plaatsen wordt afgezet tegen het aantal kinderen onder de 3 jaar door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. De officiële bevolkingsstatistieken omvatten alleen de ‘de jure’-bevolking terwijl de Miragedatabank nagenoeg alle kinderen omvat die wonen in het Vlaamse Gewest.

Het totale aantal opvangplaatsen per 1000 kinderen verschilt van provincie tot provincie. In 2011 telt West-Vlaanderen relatief gezien het hoogste aantal en Limburg het laagste.

Het aantal erkende opvangplaatsen per 1000 kinderen verschilt eveneens in elke provincie, hoewel de verschillen kleiner zijn. Limburg telt verhoudingsgewijs het hoogste aantal erkende plaatsen per 1000 kinderen. De provincie Antwerpen telt het laagste aantal erkende plaatsen per 1000 kinderen.

Wat het aantal plaatsen per 1000 kinderen in de zelfstandige sector betreft, telt West-Vlaanderen veruit het hoogste aantal en Limburg het laagste. De verschillen tussen de provincies zijn groter in de zelfstandige sector dan in de erkende sector.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

24


Opvangplaatsen per 1000 kinderen per provincie (1) Antwerpen

Vlaams-Brabant

West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Limburg

2010

2011

2010

2011

2010

2011

2010

2011

2010

2011

65,0

69,1

102,4

109,3

57,5

59,5

70,7

72,2

54,1

55,4

126,2

124,9

119,3

118,2

175,8

176,4

157,6

160,0

192,7

194,0

opvang

1,7

1,8

0

0,4

1,9

2,7

1,6

2,7

0,4

0,4

Totaal erkend (en gesubsidieerd) door Kind en

192,9

195,8

221,7

227,9

235,2

238,6

229,9

234,9

247,2

249,8

108,1

114,5

147,0

148,8

157,6

168,4

126,6

139,9

47,5

54,4

13,8

13,4

33,7

30,9

70,5

66,9

31,7

28,4

9,5

10,2

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

121,9

127,9

180,7

179,7

228,1

235,3

158,3

168,3

57,0

64,6

Algemeen totaal

314,8

323,7

402,4

407,6

463,3

473,9

388,2

403,2

304,2

314,4

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Diensten voor onthaalouders (2) Lokale

diensten

voor

buurtgerichte

(voorschools)

Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders (2)

15. Aantal plaatsen per 1000 kinderen onder de 3 jaar per provincie in 2010 en 2011 (1) Deze cijfers zijn enigszins overschat, omdat ook kinderen boven de 3 jaar worden opgevangen in de vermelde voorzieningen. . Het is echter niet mogelijk te ramen hoeveel plaatsen voor buitenschoolse opvang gebruikt worden. Het aantal plaatsen in voorzieningen die alleen buitenschoolse opvang aanbieden, werd niet in rekening gebracht. Het aantal plaatsen wordt afgezet tegen het aantal kinderen onder de 3 jaar door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. De officiële bevolkingsstatistieken omvatten alleen de ‘de jure’-bevolking terwijl de Miragedatabank nagenoeg alle kinderen omvat die wonen in het Vlaamse Gewest. (2) Eigen kinderen onder de 6 jaar inbegrepen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

25


3.

Evolutie in het aantal aangesloten onthaalouders

Het aantal onthaalouders dat aangesloten is bij een dienst is opnieuw gedaald (-2,4 %): eind 2011 zijn er in Vlaanderen nog net 7000 onthaalouders aangesloten bij een dienst. Deze daling doet zich in elke provincie voor. Enkel in het Brussels Gewest is het aantal stabiel gebleven.

Aangesloten onthaalouders per provincie 2010

2011

1 837

1 808

Vlaams-Brabant

875

844

Brussels Gewest

8

8

West-Vlaanderen

1 386

1 351

Oost-Vlaanderen

1 774

1 739

Limburg

1 290

1 251

Algemeen totaal

7 170

7 001

Antwerpen

16. Aantal onthaalouders aangesloten bij een dienst voor onthaalouders per provincie – situatie op 31/12

17. Evolutie in het aantal aangesloten onthaalouders – situatie op 31/12

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

26


4.

Aanwezige kinderen

Aantal aanwezige kinderen Het cijfer van de aanwezige kinderen toont aan hoeveel verschillende kinderen er worden opgevangen binnen de beschikbare capaciteit13. Sinds 2004 worden de aanwezige kinderen geteld tijdens de week van 1 februari, naar analogie met de telling van de schoolpopulatie. Een beperkt aantal voorzieningen stuurde het registratieformulier niet terug, zodat het aantal ontbrekende kinderen moest worden geraamd. Daarvoor werd per voorzieningstype de ratio berekend van het aantal aanwezige kinderen per plaats van de voorzieningen die de gegevens wel doorstuurden. Deze ratio werd dan toegepast op de ontbrekende capaciteit.

In de week van 1 februari 2011 waren in Vlaanderen in totaal 182.383 kinderen aanwezig in de opvang. Dat is 3,0% meer dan in 2010. Het aantal kinderen dat voorschools wordt opgevangen stijgt met 4,4%. Het aantal kinderen dat buitenschools wordt opgevangen stijgt met 1,2%. De stijging van het aantal aanwezige kinderen is relatief het grootst bij de voorzieningstypes die werken met een attest van toezicht.

Bijna driekwart van de kinderen wordt opgevangen in een erkende voorziening. Ruim de helft van het totaal aantal kinderen verblijft in 2011 in de voorschoolse opvang. Deze verhoudingen zijn nagenoeg ongewijzigd gebleven tegenover 2010.

18. Aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2010 en in de week van 1 februari 2011 in Vlaanderen 13

De ratio aantal aanwezige kinderen per plaats in de voorschoolse opvangvoorzieningen bedraagt in 2011 1,27. In de buitenschoolse opvang noteren we een ratio van 2,16. Dit geeft in totaal een ratio van 1,52. Zowel in de voorschoolse als de buitenschoolse opvang is de ratio aantal aanwezige kinderen per plaats vrijwel stabiel gebleven in vergelijking met 2010. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

27


Aanwezige kinderen Voorschools (1)

Buitenschools

Totaal

2010

2011

2010

2011

2010

2011

21 719

22 400

179

117

21 898

22 517

389

537

386

490

775

1 027

34 644

34 468

6 443

6 520

41 087

40 988

26(2)

14(2)

2 883

3 140

2 909

3 154

10(2)

29(2)

63 639

64 784

63 649

64 813

56 788

57 448

73 530

75 051

130 318

132 499

32 684

36 978

1 279

1 203

33 963

38 181

7 346

6 718

885

866

8 231

7 584

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen

107(2)

94(2)

4 490

4 025

4 597

4 119

Totaal met attest van toezicht van Kind en Gezin

40 137

43 790

6 654

6 094

46 791

49 884

Algemeen totaal

96 925

101 238

80 184

81 145

177 109

182 383

Erkend (en gesubsidieerd) door Kind en Gezin Kinderdagverblijven Lokale diensten voor buurtgerichte opvang Diensten voor onthaalouders Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Initiatieven voor buitenschoolse opvang Totaal erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin Met attest van toezicht van Kind en Gezin Zelfstandige kinderdagverblijven Zelfstandige onthaalouders

19. Aantal aanwezige kinderen volgens soort opvang in de week van 1 februari 2010 en in de week van 1 februari 2011 in Vlaanderen (1) Kinderen die nog niet naar school gaan of kinderen in de overgangsperiode tussen opvang en basisschool (2) Het gaat hier om kinderen die slechts deeltijds naar school gaan en gedurende een bepaald dagdeel tijdens de schooluren in de opvangvoorziening worden opgevangen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

28


Gebruik van formele kinderopvang binnen Kind en Gezin14 De cijfers over het gebruik van formele opvang zijn gebaseerd op de registratie van de aanwezige kinderen in de week van 1 februari in alle formele kinderopvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin in het Vlaamse Gewest. Het aantal aanwezige kinderen onder de 3 jaar wordt afgezet tegen het totaal aantal kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest door Kind en Gezin geregistreerd in de Miragedatabank. We gebruiken de gegevens uit Mirage omdat de officiële bevolkingsstatistieken alleen de ‘de jure’bevolking omvatten. De Miragedatabank daarentegen omvat nagenoeg alle kinderen die in het Vlaamse Gewest wonen. Een bijkomende reden is de late beschikbaarheid van de officiële bevolkingsstatistieken. Voor de kinderen van 3 tot 12 jaar is de Miragedatabank echter niet bruikbaar en werken we met de officiële bevolkingscijfers.

20. Kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin en in kleuterscholen in het Vlaamse Gewest naar leeftijdsjaar – 2011 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen op 01/01/2011 wonend in het Vlaamse Gewest volgens de Miragedatabank. (1) Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep

Het gebruik van formele kinderopvang ligt het hoogst bij kinderen van 1 tot 2 jaar: 57,9% van deze kinderen maakt gebruik van formele opvang. Van de kinderen van 2 maanden tot 12 maanden maakt 50,3% gebruik van formele opvang. Bij kinderen tussen 2 en 3 jaar loopt het gebruik terug tot 14

Formele opvang binnen Kind en Gezin = erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders, buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven, zelfstandige onthaalouders, zelfstandige buitenschoolse voorzieningen, zelfstandige kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

29


37,6%; deels gaat het hier al om opvang in een buitenschools opvanginitiatief. Vanaf de leeftijd van 3 jaar maakt hoogstens nog ongeveer 16,0% van de kinderen gebruik van formele opvang binnen Kind en Gezin.

Voor de leeftijdsgroep van 2,5 tot 3 jaar kan er zowel van voorschoolse kinderopvang als van het schoolsysteem gebruikgemaakt worden. Van de kinderen tussen 2 en 3 jaar was in de week van 1 februari 2011 55,1% ingeschreven in een kleuterschool. Nemen we dat samen met het cijfer van de formele opvang binnen Kind en Gezin, dan blijkt dat 92,7% van de kinderen van 2 tot 3 jaar één van beide systemen gebruikt15.

21. Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin in het Vlaamse Gewest naar leeftijdsjaar – 2011 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen dat volgens de officiële bevolkingsstatistieken op 1/1/2011 in het Vlaamse Gewest woont, verhoogd met een fractie bepaald op basis van de Miragedatabank. Zo worden ook de kinderen buiten de ‘de jure’-bevolking meegeteld.

Het gebruik van formele opvang bij kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar ligt het hoogst in WestVlaanderen (59,3%). In de provincies Antwerpen (41,2%) en Limburg (43,3%) ligt het heel wat lager. De provincies Vlaams-Brabant (49,6%) en Oost-Vlaanderen (49,7%) bevinden zich hiertussen.

Het gebruik van de kleuterschool binnen de groep kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar ligt het hoogst in Limburg (20,2%) en het laagst in West-Vlaanderen (19,1%).

15

Kinderen in de overgangsfase tussen kinderopvang en kleuteronderwijs werden maar eenmaal geteld.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

30


In onderstaande grafiek zien we dat in de leeftijdsgroep van 3 tot 6 jaar het gebruik van formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin het hoogst ligt in West-Vlaanderen en Limburg (21,6%). De provincie Oost-Vlaanderen (16,2%) neemt een middenpositie in. De provincies Antwerpen

en

Vlaams-Brabant

kennen

het

laagste

gebruik

van

formele

opvang

in

opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin (12,4% en 12,8%). Bij kinderen van 6 tot 12 jaar ligt het gebruik het hoogst in de provincie Limburg (17,1%). De andere provincies schommelen tussen 8,5% en 12,2%. Grafiek 23 illustreert dit.

22. Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin en in kleuterscholen naar provincie – 2011 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen op 01/01/2011 wonend in de betreffende provincies volgens de Miragedatabank. Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

31


23. Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar provincie en leeftijdsklasse – 2011 (percentage) Percentage berekend op het aantal kinderen op 1/1/2011 wonend in de betreffende provincie volgens de officiële bevolkingsstatistieken, verhoogd met een fractie bepaald op basis van de Mirageregistratie. Zo worden ook de kinderen buiten de ‘de jure’-bevolking meegeteld.

Voor de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar is de onthaalouder aangesloten bij een dienst het meest gebruikte type van opvangvoorziening binnen Kind en Gezin. Bijna 18% van alle kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar wordt opgevangen bij een onthaalouder die aangesloten is bij een dienst. De zelfstandige groepsopvang vangt bijna 16% van de kinderen op. Erkende kinderdagverblijven vangen 10,0% van de kinderen op.

De kinderen tussen 3 en 12 jaar worden, wat betreft de opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin, vooral opgevangen in initiatieven voor buitenschoolse opvang of in buitenschoolse opvang in kinderdagverblijven.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

32


Kinderen onder de 3 jaar naar type opvangvoorziening of kleuterschool (1) Onthaalouder aangesloten bij een dienst Kinderdagverblijf

of

lokale

diensten

17,5 voor

buurtgerichte

opvang

10,0

(voorschools) Zelfstandige groepsopvang (2)

15,9

Zelfstandige onthaalouder

3,2

IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf (3) of lokale diensten

1,7

voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Onderwijs

19,6

Totaal in formele opvang of kleuterschool

67,9

24. Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar naar type formele opvangvoorziening binnen Kind en Gezin of kleuterschool in het Vlaamse Gewest- 2011 (percentage) (1) Percentage berekend op het aantal kinderen op 01/01/2011 wonend in het Vlaamse Gewest volgens de Miragedatabank. Voor kinderen jonger dan 1 jaar werd gerekend met 10/12den van de totale groep. (2) Zelfstandige kinderdagverblijven of zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen (3) Dit is opvang in een kinderdagverblijf in aparte lokalen

Kinderen van 3 tot 12 jaar in formele opvang naar type opvangvoorziening (1) Kinderen van 3 tot 6 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf (2) of lokale diensten

12,9

voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Kinderdagverblijf of onthaalouder aangesloten bij een dienst of lokale

1,7

diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools) Zelfstandige sector Totaal kinderen van 3 tot 6 jaar

1,3 15,9

Kinderen van 6 tot 12 jaar IBO of buitenschoolse opvang in kinderdagverblijf (2) of lokale diensten

9,4

voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Onthaalouder aangesloten bij een dienst of lokale diensten voor

0,6

buurtgerichte opvang (voorschools) Zelfstandige sector Totaal kinderen van 6 tot 12 jaar

0,3 10,3

25. Kinderen in formele opvang in opvangvoorzieningen binnen Kind en Gezin naar leeftijdscategorie en naar type opvangvoorziening in het Vlaamse Gewest - 2011 (percentage) (1) Percentage berekend op het aantal kinderen op 1/1/2011 wonend in het Vlaamse Gewest volgens de officiële bevolkingsstatistieken, verhoogd met een fractie bepaald op basis van de Mirageregistratie. Zo worden ook de kinderen buiten de ‘de jure’-bevolking meegeteld. (2) Dit is opvang in een kinderdagverblijf in aparte lokalen

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

33


5.

Aantal verblijfsdagen

In de erkende kinderdagverblijven werden in 2011 meer dan 3,5 miljoen prestaties geleverd. Het totaal aantal verblijfsdagen is hiermee met 3,3% gestegen tegenover 2010. Het totaal aantal buitenschoolse verblijfsdagen is wel met 2,6% afgenomen. Bij de diensten voor onthaalouders werden in 2011 in totaal ruim 5,6 miljoen prestaties geleverd. Dit is evenwel een afname van 1,3% in vergelijking met 2010. Het gaat meer in het bijzonder om een afname van het aantal voorschoolse verblijfsdagen (-1,7%).

Voorschoolse

opvang

vindt

nog

altijd

overwegend

plaats

tijdens

volle

dagen,

zowel

in

kinderdagverblijven (87,4%) als bij diensten voor onthaalouders (85,0%). Het aandeel van halve dagen en 1/3-verblijfsdagen is zowel in de kinderdagverblijven als bij de diensten voor onthaalouders nagenoeg stabiel gebleven in de voorschoolse opvang. In de buitenschoolse opvang is het aandeel van de volle dagen het grootst bij de kinderdagverblijven. Bij de diensten voor onthaalouders verloopt de buitenschoolse opvang eerder onder de vorm van 1/3verblijfsdagen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

34


Verblijfsdagen Kinderdagverblijven

Diensten voor onthaalouders

2010

2011

2010

2011

3 017 821

3 126 987

4 133 745

4 097 674

378 321

386 033

675 360

637 864

64 270

64 417

96 347

87 192

3 460 412

3 577 437

4 905 452

4 822 730

(100)

(103,4)

(100)

(98,3)

3 228 405

3 341 476

4 503 541

4 445 670

(100)

(103,5)

(100)

(98,7)

17 873

17 522

299 905

307 687

Halve verblijfsdagen (1)

4 728

4 794

159 583

154 527

1/3-verblijfsdagen (2)

8 349

7 825

321 690

326 462

30 950

30 141

781 178

788 676

(100)

(97,4)

(100)

(101)

23 020

22 527

486 927

493 771

(100)

(97,9)

(100)

(101,4)

3 491 362

3 607 578

5 686 630

5 611 406

(100)

(103,3)

(100)

(98,7)

3 251 425

3 364 003

4 990 468

4 939 441

(100)

(103,5)

(100)

(99,0)

Voorschoolse opvang Volle verblijfsdagen Halve verblijfsdagen (1) 1/3-verblijfsdagen (2) Aantal prestaties (3)

Aantal herleide prestaties (4)

Buitenschoolse opvang (5) Volle verblijfsdagen

Aantal prestaties (3)

Aantal herleide prestaties (4)

Algemeen totaal aantal prestaties (3) Algemeen totaal aantal herleide prestaties (4)

26. Aantal verblijfsdagen in erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders in 2010 en 2011 (1) Verblijf tussen 3 en 5 uur (2) Verblijf van minder dan 3 uur (3) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, niet gewogen naargelang van de duur (4) Totaal van volle, halve en 1/3-verblijfsdagen, gewogen naargelang van de duur (5) Voor erkende kinderdagverblijven: buitenschoolse opvang in eigen lokalen

In de initiatieven voor buitenschoolse opvang werden in 2011 meer dan 7 miljoen prestaties geleverd. Het aantal prestaties is hiermee met 3,4% gestegen tegenover 2010. Bij de buitenschoolse opvang in aparte lokalen van een kinderdagverblijf werden iets meer dan 300 000 prestaties geleverd, wat 8,6% meer is dan in 2010.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

35


Verblijfsdagen 2010

2011

Meer dan 6 uur

742 321

813 030

Tussen 3 en 6 uur

755 755

790 291

Minder dan 3 uur

5 297 621

5 425 942

Totaal initiatieven voor buitenschoolse opvang

6 795 697

7 029 263

(100)

(103,4)

Meer dan 6 uur

51 206

58 893

Tussen 3 en 6 uur

65 414

71 909

Minder dan 3 uur

171 450

181 926

Totaal aparte lokalen van kinderdagverblijven

288 070

312 728

(100)

(108,6)

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

Aparte lokalen van kinderdagverblijven

27. Aantal verblijfsdagen in initiatieven voor buitenschoolse opvang en in aparte lokalen van erkende kinderdagverblijven in 2010 en 2011

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

36


Hoofdstuk 3: Financiering van de kinderopvang vanuit de Vlaamse overheid

1.

Erkende kinderdagverblijven

De werking van de erkende kinderdagverblijven wordt deels gefinancierd vanuit de dotatie van de Vlaamse overheid aan Kind en Gezin en deels vanuit de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen. De subsidie die een erkend kinderdagverblijf van Kind en Gezin ontvangt, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

1.1.

Overzicht van de verschillende vormen van subsidie vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod Erkende kinderdagverblijven worden voor hun personeels- en werkingskosten gesubsidieerd via een systeem van forfaitaire subsidiëring (enveloppesubsidiëring). Deze forfaitaire subsidie wordt berekend op basis van twee componenten. De eerste component is gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elk erkend kinderdagverblijf ontvangt per subsidiabele plaats het basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van het personeel van 20 jaar. Per jaar dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt, met een maximum van 40 jaar, ontvangt het kinderdagverblijf een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de bezetting. Elk kinderdagverblijf ontvangt per erkende plaats het basisbedrag dat geldt bij een bezetting van 75%. Per percent dat de bezetting hoger ligt, wordt het basisbedrag verhoogd met 0,75%. Per percent dat de bezetting lager ligt, wordt het basisbedrag verminderd met 1%. Daarnaast krijgen crèches sinds 1 januari 2004 een bijkomend forfaitair bedrag per plaats gebaseerd op hun subsidiabele capaciteit. Voor 2011 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op een uitgave van 188,622 miljoen euro.

Subsidie voor logistieke functie en directiefunctie Erkende kinderdagverblijven ontvangen naast deze forfaitaire subsidie ook een subsidie voor een logistieke functie en een directiefunctie. Deze laatste is alleen toegankelijk voor organiserende besturen met een capaciteit van minstens 50 plaatsen. In 2011 bedroeg de logistieke subsidie 6,713 miljoen euro en de directiesubsidie 6,027 miljoen euro.

Subsidie voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen Erkende kinderdagverblijven met een toestemming tot het organiseren van buitenschoolse opvang in aparte lokalen, ontvangen hiervoor een bijkomende forfaitaire subsidie. In 2011 bedroeg deze subsidie 27 565,32 euro voor 14 plaatsen. Rekening houdend met de bedragen die werden uitbetaald in het kader van het Generatiepact16 en voor de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, is in 2011 het totale budget van 2,360 miljoen euro besteed aan dit type van opvang. 16

Het Generatiepact wil de tewerkstelling realiseren van laaggeschoolde jongeren in de social profit sector. De Vlaamse Regering heeft er in samenspraak met de sociale partners voor gekozen om de middelen in te zetten in drie deelprojecten: buitenschoolse kinderopvang, dagverzorgingscentra en deeltijds leren. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

37


Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Erkende kinderdagverblijven kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kinderdagverblijven met een structureel aanbod en kinderdagverblijven die ingaan op individuele vragen.

Door

de

wijziging

van

het

ministerieel

besluit17

wordt

vanaf

2010

aan

erkende

kinderdagverblijven met een structureel aanbod nog enkel een bedrag per plaats uitbetaald. Dit bedrag per plaats bedroeg in 2011, 4063,99 euro. Voor 2011 werd een totaal budget van 0,448 miljoen euro besteed aan structurele plaatsen in kinderdagverblijven. Voor kinderdagverblijven die ingaan op individuele vragen bedraagt de financiële ondersteuning 9,34 euro per dag en per opgevangen kind. In 2011 werd hieraan 0,093 miljoen euro besteed.

Subsidie voor gewezen DAC-personeelsleden Op 1 januari 2001 werden ook in de kinderopvang de DAC-personeelsleden geregulariseerd. Kind en Gezin nam de subsidiëring van deze personeelsleden over. Als tegemoetkoming in de loonkosten geeft Kind en Gezin een forfaitaire subsidie per voltijds equivalent tewerkgesteld personeelslid in het gewezen DAC-statuut. Deze subsidie wordt gegeven tot het personeelslid in het gesubsidieerde kader wordt opgenomen of tot hij of zij uit dienst treedt. Voor 2011 gaat het om een subsidiestroom van 3,444 miljoen euro voor 79,65 voltijdse equivalenten.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast ter uitvoering van de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidiëring). De middelen voor de werkdrukvermindering voor de voorzieningen van lokale besturen werden over alle voltijdse door Kind en Gezin gesubsidieerde equivalenten verdeeld en voor de private initiatieven werden deze middelen verdeeld over de personeelsleden die ouder zijn dan 45 jaar én die door Kind en Gezin worden gesubsidieerd. De middelen zijn opgenomen in de bedragen die in de verschillende subsidievormen hierboven zijn vermeld. Daarnaast werd ook personeel uitbetaald door de VIA-subsidies Sociale Maribel en Gesco. In het kader van de VIA-subsidie Sociale Maribel werd 742,61 euro per voltijds equivalent betaald voor 114,65 voltijdse equivalenten. Dit komt neer op een besteed bedrag van 0,09 miljoen euro in 2011. In het kader van de VIA-subsidie Gesco werd 1065,18 euro per voltijds equivalent betaald voor 20,64 voltijdse equivalenten. Dit komt neer op een besteed bedrag van 0,02 miljoen euro in 2011.

17

Het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen werd gewijzigd begin 2010. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 13 mei 2009. Voor erkende kinderdagverblijven houdt deze wijziging in dat het bedrag per dag en per opgevangen kind vervalt en geïncorporeerd wordt in het bedrag per plaats. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

38


Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang In het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang, dat in het voorjaar van 2007 inhoudelijk werd uitgewerkt, kregen in 2011 een aantal erkende kinderdagverblijven middelen toegekend voor flexibele urenpakketten (2,145 miljoen euro), ploegplaatsen (0,110 miljoen euro), occasionele plaatsen (2,924 miljoen euro), een erkenning als gemandateerde voorziening (1,067 miljoen euro) of voor een toestemming als lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang (4,449 miljoen euro).

Erkende kinderdagverblijven - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2010

2011(1)

179,215

188,622

Subsidie logistieke functie

6,432

6,713

Subsidie directiefunctie

5,646

6,027

Subsidie buitenschoolse opvang in aparte lokalen

2,107

2,360

Subsidie specifieke zorgbehoefte

0,534

0,541

Subsidie gewezen DAC-personeel

3,300

3,444

VIA-subsidie Sociale Maribel

0,084

0,09

VIA-subsidie Gesco

0,013

0,02

Subsidie urenpakketten (2)

2,383

2,145

Subsidie ploegplaatsen (2)

0,137

0,110

Subsidie occasionele plaatsen (2)

2,572

2,924

Subsidie gemandateerde voorziening (2)

0,965

1,067

Subsidie lokale diensten (2)

3,860

4,449

Levensreddend handelen

0,027

-

Toegangsbeveiliging

(-0,002)

-

Algemeen totaal

207,273

218,512

(100,0)

(105,4)

Forfaitaire subsidie basisaanbod

28. Overzicht van de subsidies aan erkende kinderdagverblijven in 2010 en 2011 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers (2) Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

39


1.2.

Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

Erkende kinderdagverblijven innen de financiële bijdragen van de gezinnen. Deze variëren naargelang het inkomen van de ouders. De inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen worden beschouwd als inkomsten van Kind en Gezin en worden verrekend met het geheel van de subsidies. Dit betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige gevolgen heeft voor het werkingsbudget. De geïnde financiële bijdragen van de gezinnen voor buitenschoolse opvang in aparte lokalen blijft echter bij de kinderdagverblijven. Erkende kinderdagverblijven – Verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro (1)

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Algemeen totaal

2010

2011 (2)

163,464

172,154

(78,9)

(78,8)

43,809

46,358

(21,1)

(21,2)

207,273

218,512

(100,0)

(105,4)

29. Erkende kinderdagverblijven: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro (1) Niet inbegrepen: financiële bijdragen van de gezinnen buitenschoolse opvang in aparte lokalen (2) voorlopige cijfers 1.3.

Wat betalen gezinnen gemiddeld?

In erkende kinderdagverblijven betalen de gezinnen een bijdrage per dag die is vastgelegd bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbare gezinsinkomen. De berekende bijdrage is een dagbedrag voor een aanwezigheid voor 5 uur of meer. Bij een aanwezigheid van minder dan 3 uur wordt 40% van het basisbedrag aangerekend en voor een verblijf tussen 3 en 5 uur wordt 60% van het basisbedrag aangerekend. In 2011 betaalden gezinnen gemiddeld 13,90 euro per dag in een crèche (+2,3%) en 8,55 euro in een peutertuin (+0,5%). Voor de evolutie van de gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen verwijzen we naar grafiek 34.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

40


Erkende kinderdagverblijven - Gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen

Crèches Peutertuinen Erkende kinderdagverblijven

2010

2011 (1)

13,59

13,90

8,51

8,55

13,47

13,78

30. Gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen per dag in erkende kinderdagverblijven (crèches en peutertuinen) in euro (1) Voorlopige cijfers

2.

Diensten voor onthaalouders

De werking van de diensten voor onthaalouders wordt deels gefinancierd vanuit de dotatie van de Vlaamse overheid en deels vanuit de inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen. De subsidie die een dienst van Kind en Gezin ontvangt, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

2.1.

Overzicht van de verschillende vormen van subsidie vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod Diensten voor onthaalouders worden voor hun personeels- en werkingskosten gesubsidieerd via een systeem van forfaitaire subsidiëring (enveloppesubsidiëring). De forfaitaire subsidie wordt berekend op basis van twee componenten. De eerste component is gekoppeld aan de gemiddelde leeftijd van het personeel. Elke dienst ontvangt per erkende plaats een basisbedrag dat geldt bij een gemiddelde leeftijd van 23 jaar. Per jaar dat de gemiddelde leeftijd hoger ligt dan 23 jaar, met een maximum van 37 jaar, ontvangt de dienst een aanvullend bedrag. De tweede component is gekoppeld aan de gepresteerde

plaatsingsdagen

en

bestaat

uit

een

forfaitair

subsidiebedrag

per

kind/onthaalouderdossier, aangevuld met een forfaitair basisbedrag per erkende plaats. Voor 2011 kwam de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod neer op 23,167 miljoen euro.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast ter uitvoering van de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod (enveloppesubsidiëring). De middelen voor de werkdrukvermindering voor de voorzieningen van lokale besturen werden over alle voltijdse door Kind en Gezin gesubsidieerde equivalenten verdeeld. Voor de private initiatieven werden deze middelen verdeeld over de personeelsleden die ouder zijn dan 45 jaar én die door Kind en Gezin worden gesubsidieerd. De middelen zijn opgenomen in de bedragen die voor de subsidievorm hierboven zijn vermeld. Daarnaast werd personeel uitbetaald door de VIA-subsidie Sociale Maribel. Er werd 742,64 euro per Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

41


voltijds equivalent betaald voor 3,17 voltijdse equivalenten. Dit komt neer op een besteed bedrag van 0,002 miljoen euro in 2011.

Subsidie voor het vergoeden van de opvangprestaties van de aangesloten onthaalouders De diensten voor onthaalouders ontvangen naast de forfaitaire subsidie een vergoeding voor de opvangprestaties van de aangesloten onthaalouders. In 2011 bedroeg de kostenvergoeding 18,90 euro per dag per kind. Deze kostenvergoeding staat in verhouding tot de opvangduur, meer bepaald 40% voor een verblijf van minder dan 3 uur, 60% voor een verblijf van 3 tot minder dan 5 uur en 100% voor een verblijf vanaf 5 uur. Voor 2011 kwam dit neer op een totale uitgave van 92,424 miljoen euro.

Subsidie in het kader van het sociaalrechtelijk statuut van de aangesloten onthaalouders Daarnaast is er de subsidie in het kader van het eigen sociaalrechtelijk statuut dat aangesloten onthaalouders sinds 1 april 2003 hebben. Hierdoor zijn de onthaalouders verzekerd tegen arbeidsongevallen. Deze arbeidsongevallenverzekering komt in 2011 voor Kind en Gezin neer op een totale uitgave van 0,596 miljoen euro (84,87 euro per onthaalouder). Het sociaal statuut betekent eveneens dat Kind en Gezin een kostendekkende subsidiëring verleent voor de werkgevers- en de werknemersbijdragen. In 2011 bedroeg die 12,284 miljoen euro.

Subsidie voor samenwerking met andere diensten voor onthaalouders Diensten voor onthaalouders die samenwerken met andere diensten in een samenwerkingspool, kunnen hiervoor een subsidie krijgen. De voorwaarden zijn dat het samenwerkingsverband een minimale grootte heeft van 800 erkende plaatsen en dat het samenwerkingsverband een medewerker heeft die minstens halftijds uitsluitend werkt voor dit samenwerkingsverband. De samenwerkende diensten bepalen zelf welke opdrachten de samenwerking op zich neemt. De subsidie bedroeg in 2011 25,83 euro per plaats. In 2011 werd hiervoor een totaal budget van 0,799 miljoen euro vrijgemaakt.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Aangesloten onthaalouders kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze hiervoor bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag en per opgevangen kind. In 2011 was dit vastgelegd op 9,34 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2011 besteed werd, bedroeg 0,281 miljoen euro. Ten gevolge van het gewijzigd ministerieel besluit18 werd in 2011, ook 0,298 mio euro betaald aan structurele plaatsen in diensten voor onthaalouders.

18

Het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen werd gewijzigd begin 2010. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 13 mei 2009. Het besluit bepaalt dat ook diensten voor onthaalouders zich kandidaat kunnen stellen voor structurele plaatsen. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

42


Subsidie voor het toekennen van een eenmalige vergoeding voor installatiekosten Onthaalouders die zich voor het eerst aansluiten bij een dienst, kunnen rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. Deze vergoeding bedroeg 430,05 euro in 2011. 598 onthaalouders die in 2011 van start gingen, kregen deze vergoeding. Budgettair komt dit neer op een bedrag van 0,257 miljoen euro.

Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang In het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang, dat in het voorjaar van 2007 inhoudelijk werd uitgewerkt, kregen een aantal aangesloten onthaalouders en hun diensten een vergoeding toegekend voor flexibele opvang. Ze ontvangen een vaste, jaarlijks terugkerende subsidie op jaarbasis. Het regelgevend kader hiervoor is in werking getreden op 1 juli 2007. Het hiervoor bestede bedrag in 2011 komt neer op 1,379 miljoen euro.

Diensten voor onthaalouders - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2010

2011 (1)

Forfaitaire subsidie basisaanbod

22,703

23,167

VIA-subsidie Sociale Maribel

0,0007

0,002

Subsidie vergoeding opvangprestaties onthaalouders

91,664

92,424

0,609

0,596

11,510

12,284

Samenwerking in pool

0,778

0,799

Subsidie specifieke zorgbehoefte

0,444

0,579

Vergoeding installatiekosten

0,307

0,257

Flexibele prestaties (3)

1,358

1,379

Levensreddend handelen

0,076

-

Toegangsbeveiliging

(-0,578)

-

Algemeen totaal

128,872

131,487

(100,0)

(102,0)

Arbeidsongevallenverzekering (2) Werkgevers- en werknemersbijdrage (2)

31. Overzicht van de subsidies aan diensten voor onthaalouders in 2010 en 2011 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers (2) In het kader van het sociaal statuut van aangesloten onthaalouders (3) Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang

2.2.

Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

Diensten voor onthaalouders innen de financiële bijdragen van de gezinnen, die variëren naargelang het inkomen van de ouders. Deze inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen worden beschouwd als inkomsten van Kind en Gezin en worden verrekend met het geheel van de subsidies. Dit betekent dat het opvangen van kinderen uit gezinnen met een laag inkomen geen nadelige gevolgen heeft voor het werkingsbudget. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

43


Diensten voor onthaalouders – Verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro 2010

2011 (1)

65,702

67,857

(51,0)

(51,6)

63,170

63,630

(49,0)

(48,4)

128,872

131,487

(100,0)

(102,0)

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Algemeen totaal

32. Diensten voor onthaalouders: verhouding subsidies van Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

2.3.

Wat betalen gezinnen gemiddeld?

Bij de diensten voor onthaalouders betalen gezinnen een bijdrage per dag die is vastgelegd bij ministerieel besluit en die afhangt van het belastbare gezinsinkomen. De berekende bijdrage is een dagbedrag voor een aanwezigheid voor 5 uur of meer. Bij een aanwezigheid van minder dan 3 uur wordt 40% van het basisbedrag aangerekend en voor een verblijf tussen 3 en 5 uur wordt 60% van het basisbedrag aangerekend.

In 2011 betaalden gezinnen in een dienst gemiddeld 12,88 euro per dag (+1,7%). Voor de evolutie van de gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen verwijzen we naar grafiek 34.

Diensten voor onthaalouders - Gemiddelde financiële bijdrage van de gezinnen

Diensten voor onthaalouders

2010

2011(1)

12,66

12,88

33. Gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen per dag in diensten voor onthaalouders in euro (1) Voorlopige cijfers

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

44


34. Evolutie van de gemiddeld betaalde financiële bijdrage van de gezinnen per dag in de erkende kinderdagverblijven en in de diensten voor onthaalouders in euro

3.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang

De werking van de initiatieven voor buitenschoolse opvang wordt door verschillende instanties gefinancierd. De personeelskosten voor de begeleiders worden voor een deel gesubsidieerd door het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie. Voor de personeelskosten van de coördinator, de opleg van de personeelskosten van de begeleiders en de werkingskosten wordt er in een subsidie voorzien door het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD) of door Kind en Gezin. Sommige initiatieven worden zowel door Kind en Gezin als door het FCUD 19 gesubsidieerd. Hierbij komen vanaf 2010 nog de middelen bij die ter beschikking werden gesteld in het kader van het Generatiepact20. De subsidie die een initiatief voor buitenschoolse opvang van Kind en Gezin ontvangt, is samengesteld uit verschillende onderdelen. Sommige onderdelen zijn afhankelijk van een specifiek aanbod of van specifieke voorwaarden.

19

Sinds midden 2000 subsidieert het FCUD geen nieuwe erkenningen meer. Vanaf 2001 kunnen initiatieven voor buitenschoolse opvang die niet meer door het FCUD kunnen worden gefinancierd, in aanmerking komen voor subsidiëring door Kind en Gezin. Voorzieningen die na 2000 een uitbreiding kregen, worden dus deels door het FCUD en deels door Kind en Gezin gesubsidieerd. 20 Het Generatiepact wil de tewerkstelling realiseren van laaggeschoolde jongeren in de social profit sector. De Vlaamse Regering heeft er in samenspraak met de sociale partners voor gekozen om de middelen in te zetten in drie deelprojecten: buitenschoolse kinderopvang, dagverzorgingscentra en deeltijds leren. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

45


3.1.

Overzicht van de verschillende vormen van subsidie vanuit Kind en Gezin

Subsidie voor het realiseren van het basisaanbod De subsidie van Kind en Gezin is een forfaitair bedrag per erkende plaats. Voor de berekening ervan wordt uitgegaan van de gemiddelde kosten voor drie componenten: de werking, de opleg voor de Weerwerk-gesco’s en het loon van de coördinator. Zo komt de subsidie voor 2011 neer op 2400,51 euro per plaats voor de eerste 21 plaatsen, 1597,75 euro per extra plaats vanaf 22 plaatsen en 1412,50 euro per extra plaats vanaf 232 plaatsen. In 2011 werden 165 voorzieningen gesubsidieerd door Kind en Gezin, wat overeenkomt met een uitgave van 10,773 miljoen euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Initiatieven voor buitenschoolse opvang kunnen ook een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen initiatieven met een structureel aanbod en initiatieven die ingaan op individuele vragen. Door de wijziging van het ministerieel besluit van 21 april 2009 houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte werd na 13 mei 2009 het bedrag per plaats opgetrokken tot 4063,99 euro. De individuele dagvergoeding per kind viel weg. De ondersteuning voor het structureel aanbod kwam in 2011 neer op een totaal besteed budget van 0,359 miljoen euro. Voor initiatieven die ingaan op individuele vragen bedraagt de financiële ondersteuning 9,34 euro per dag en per opgevangen kind. Voor 2011 werd een totaal budget van 0,097 miljoen euro besteed.

Subsidie voor de opvang van kinderen uit achtergestelde gebieden Als minstens 33% van de ingeschreven kinderen afkomstig is uit een achtergesteld gebied in Vlaanderen of in het tweetalige Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, kunnen de initiatieven een bijkomende vergoeding ontvangen per erkende plaats in de betreffende vestigingsplaatsen. In 2011 bedroeg deze vergoeding op jaarbasis 97,27 euro per erkende plaats. Dit kwam neer op een totale uitgave van 0,052 miljoen euro.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord In 2006 werd de regelgeving aangepast ter uitvoering van de maatregelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord voor het gesubsidieerde personeel. De bijkomende middelen voor de eindejaarspremie en de managementondersteuning werden opgenomen in de subsidie voor het realiseren van het basisaanbod. De middelen voor de werkdrukvermindering werden op verschillende manieren verdeeld. De openbare initiatieven krijgen per plaats 0,04 fractie van het voorziene subsidiebedrag voor werkdrukvermindering per VTE. De private initiatieven ontvangen een bepaald subsidiebedrag voor elke kindbegeleider en coördinator die aan de leeftijdsvoorwaarden voldoet. De middelen zijn opgenomen in de bedragen die in de verschillende subsidievormen hierboven zijn vermeld.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

46


Daarnaast werd personeel uitbetaald door de VIA-subsidies Sociale Maribel en Gesco. In het kader van de VIA-subsidie Sociale Maribel werd in 2011 een bedrag besteed van 0,002 miljoen euro terwijl in het kader van de VIA-subsidie Gesco 1,281 miljoen euro werd uitbetaald.

Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang In het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang, dat in het voorjaar van 2007 inhoudelijk werd uitgewerkt, kregen een aantal initiatieven voor buitenschoolse opvang middelen toegekend voor flexibele urenpakketten (0,591 miljoen euro), occasionele plaatsen (0,207 miljoen euro), een erkenning als gemandateerde voorziening (0,534 miljoen euro) of voor een toestemming als lokale dienst voor buurtgerichte kinderopvang (1,864 miljoen euro).

Subsidies in het kader van het Generatiepact Het Generatiepact heeft als doel om laaggeschoolde, bij voorkeur, allochtone jongeren (< 30 jaar) aan het werk te helpen. In 2011 is 0,661 mio euro uitbetaald aan omkaderingspremie.

Initiatieven voor buitenschoolse opvang - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2010

2011 (1)

10,049

10,773

VIA-subsidie Sociale Maribel

0,004

0,002

VIA-subsidie Gesco

1,235

1,281

Subsidie inclusieve opvang

0,287

0,456

Subsidie voor de opvang van kinderen uit achtergestelde

0,087

0,052

Subsidie urenpakketten (2)

0,582

0,591

Subsidie occasionele plaatsen (2)

0,216

0,207

Subsidie gemandateerde voorziening (2)

0,525

0,534

Subsidie lokale diensten (2)

1,726

1,864

Generatiepact

0,067

0,661

(-0,025)

-

14,753

16,421

(100,0)

(111,3)

Forfaitaire subsidie basisaanbod

gebieden

Toegangsbeveiliging Algemeen totaal

35. Overzicht van de subsidies aan initiatieven voor buitenschoolse opvang in 2010 en 2011 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers (2) Subsidies in het kader van het actieplan flexibele en occasionele opvang

3.2.

Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

Initiatieven voor buitenschoolse opvang innen de financiële bijdragen van de gezinnen en kunnen er vrij over beschikken. Kind en Gezin heeft geen zicht op de omvang van deze inkomsten.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

47


3.3.

Wat betalen ouders?

De financiële bijdrage van de gezinnen is niet gerelateerd aan het inkomen van het gezin. In de regelgeving zijn er wel minima en maxima vastgelegd. Eind 2011 waren de volgende bedragen van kracht: -

bij voor- en naschoolse opvang bedraagt de bijdrage minstens 0,74 euro per begonnen halfuur;

-

op schoolvrije dagen en vakantiedagen geldt een bijdrage van minimaal 8,21 euro en maximaal 13,43 euro voor een verblijf van een volle dag (vanaf 6 uur), van minimaal 4,13 euro en maximaal 6,72 euro voor een verblijf van een halve dag (van 3 tot 6 uur) en van minimaal 2,75 euro en maximaal 4,47 euro voor een verblijf van minder dan 3 uur;

-

op

woensdagnamiddag

hebben

de

initiatieven

de

keuze

tussen

één

van

de

twee

bovenvermelde systemen.

4.

Zelfstandige opvangvoorzieningen

Zelfstandige opvangvoorzieningen met een attest van toezicht kunnen van Kind en Gezin verschillende financiële tegemoetkomingen verkrijgen.

4.1.

Overzicht van de verschillende financiële tegemoetkomingen vanuit Kind en Gezin

Financiële ondersteuning van de werking In 2011 kregen zelfstandige opvangvoorzieningen (groepsopvang) een financiële ondersteuning van 566,99 euro per plaats op jaarbasis als ze voldeden aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden hebben betrekking op de kwalificatie van de verantwoordelijke, de minimaal te behalen score op het Kwaliteitsinstrument voor Particuliere Opvanginstellingen (Kwapoi) en het minimaal te verstrekken opvangaanbod. In 2011 kwam dit neer op een besteed budget van 11,329 miljoen euro voor de zelfstandige kinderdagverblijven en van 0,473 miljoen euro voor de zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen.

Subsidie voor de uitvoering van het Vlaams Intersectoraal Akkoord Met de middelen van het Vlaams Intersectoraal Akkoord werd personeel uitbetaald door de VIAsubsidies Sociale Maribel en Gesco. In 2011 werd in 2011 enkel in het kader van de VIA-subsidie Gesco een bedrag van 0,009 miljoen euro besteed.

Eenmalige vergoeding voor installatiekosten (alleen voor zelfstandige onthaalouders) Onthaalouders die voor het eerst starten met een zelfstandige opvangactiviteit met attest van toezicht van Kind en Gezin, kunnen rekenen op een eenmalige vergoeding voor installatiekosten. In 2011 bedroeg deze vergoeding 430,05 euro. In totaal werd binnen dit kader 0,019 miljoen euro uitbetaald.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

48


Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Zelfstandige

onthaalouders,

zelfstandige

kinderdagverblijven

en

zelfstandige

buitenschoolse

opvangvoorzieningen kunnen een vergoeding krijgen voor de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2011 was dit vastgelegd op 9,34 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2011 besteed werd, bedroeg 0,141 mio euro.

Verzekering tegen persoonlijke ongevallen (alleen voor zelfstandige onthaalouders) Kind en Gezin verzekert sinds 1 januari 2002 de zelfstandige onthaalouders met een attest van toezicht voor persoonlijke ongevallen in de kinderopvang. In 2011 betekende dit voor Kind en Gezin een uitgave van 23 484,56 euro.

Financiële ondersteuning voor flexibel opvangaanbod De zelfstandige groepsopvang kan ook een financiële ondersteuning krijgen voor een flexibel opvangaanbod. In 2011 bedroeg het totaalbedrag voor de zelfstandige kinderdagverblijven 0,561 miljoen euro. Voor de zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen ging het om een bedrag van 0,015 miljoen euro.

Gedeeltelijke terugbetaling inschrijvingsgeld bepaalde opleidingen Voor de hele zelfstandige sector werd tot de start van het academiejaar 2010-2011, het inschrijvingsgeld aan de cursisten terugbetaald voor de volgende opleidingen: ‘Verantwoordelijke Kinderopvang’, georganiseerd door Syntra, een 8-daagse cursus ‘Verantwoordelijke van particuliere kinderdagverblijven’,

georganiseerd

door

het

Centrum

voor

Volwassenenonderwijs,

Vormingsleergangen voor Sociaal en Pedagogisch Werk in Kortrijk en een 8-daagse cursus 'Dagopvang jonge kinderen', georganiseerd door het Centrum voor Volwassenenonderwijs TNA, afdeling VLOD in Antwerpen. Het Directiecomité van Kind en Gezin besliste in april 2010 over de stopzetting van de gedeeltelijke terugbetaling van de cursus georganiseerd door Syntra en VLOD vanaf het academiejaar 2010-2011. Als overgangsmaatregel kunnen cursisten die met de opleiding begonnen zijn in het academiejaar 2009-2010 nog aanspraak maken op een terugbetaling van een deel van het inschrijvingsgeld voor het tweede opleidingsjaar in het academiejaar 2010-2011. In 2011 werd door Kind en Gezin binnen dit kader nog 1955,82 euro terugbetaald.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

49


Zelfstandige opvangvoorzieningen - Subsidies Kind en Gezin in miljoen euro 2010

2011 (1)

10,120

11,802

VIA-subsidie Sociale Maribel

0,001

-

VIA-subsidie Gesco

0,009

0,009

Eénmalige vergoeding voor installatiekosten (ZOO)

0,025

0,019

Subsidie inclusieve opvang

0,147

0,141

Financiële ondersteuning flexibel opvangaanbod (groepsopvang)

0,478

0,576

-

0,002

Verzekering persoonlijke ongevallen (ZOO)

0,024

0,024

Eénmalige vergoedingen

0,030

-

10,834

12,573

(100,0)

(116,1)

Financiële ondersteuning van de werking (groepsopvang)

Terugbetaling inschrijvingsgeld bepaalde opleidingen

Algemeen totaal

36. Overzicht van de subsidies aan zelfstandige opvangvoorzieningen met een attest van toezicht in 2010 en 2011 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

4.2.

Overzicht van de financiële tegemoetkoming vanuit Kind en Gezin voor de zelfstandige opvangvoorzieningen die met het inkomensgerelateerd systeem (IKG) werken.

Op 16 februari 2009 introduceerde de Vlaamse regering het inkomensgerelateerd systeem (IKG) in de zelfstandige kinderdagverblijven en bij de zelfstandige onthaalouders. IKG kan enkel voor kinderen die in

deze

voorzieningstypes

voorschools

opgevangen

worden.

De

zelfstandige

buitenschoolse

opvangvoorzieningen kunnen niet tot dit systeem toetreden. De zelfstandige kinderdagverblijven en onthaalouders konden tot in het najaar van 2010 vrijwillig in het systeem stappen. Na 2010 werden de IKG-plaatsen geprogrammeerd. Als de voorziening is toegetreden, dan betalen de ouders in die voorzieningen een bijdrage die gerelateerd is aan hun inkomen. Kind en Gezin vult het verschil tussen de bijdrage van het gezin aan tot een gegarandeerde dagprijs. Deze bedraagt in 2011 voor de zelfstandige kinderdagverblijven 28,95 euro en voor de zelfstandige onthaalouders 17,39 euro. Deze bedragen werden op 1 september 2011 geïndexeerd en bedroegen vanaf dan 29,77 euro voor de zelfstandige kinderdagverblijven en 17,88 euro voor de zelfstandige onthaalouders. De voorziening die werkt met het IKG-systeem krijgt maandelijks ook nog een vast bedrag ter compensatie van de afwezigheid van zieke kinderen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

50


Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bedragen die Kind en Gezin in dit kader heeft uitbetaald in 2011.

Zelfstandige opvang met inkomensgerelateerd systeem – subsidies Kind en Gezin in miljoen euro

Zelfstandige kinderverblijven Zelfstandige onthaalouders Algemeen totaal

2010

2011 (1)

41,436

62,445

0,517

0,447

41,953

62,892

(100,0)

(149,9)

37. Overzicht van de subsidies aan de zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders (met een attest van toezicht) met inkomensgerelateerd systeem in 2010 en in 2011 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

4.3.

Inkomsten uit de financiële bijdragen van de gezinnen

De financiële bijdragen van de gezinnen vormen de belangrijkste bron van inkomsten voor de zelfstandige voorzieningen die niet werken met het inkomensgerelateerd systeem. Kind en Gezin heeft geen zicht op de omvang van de inkomsten van deze voorzieningen.

Kind en Gezin heeft wel de informatie voor de zelfstandige opvangvoorzieningen (kinderdagverblijven en onthaalouders) die werken met het inkomensgerelateerd systeem. Deze voorzieningen kunnen zelf instaan voor de facturatie van de financiële bijdrage van het gezin of kunnen kiezen voor een facturatie door een debiteurbeheerder aangesteld door Kind en Gezin. In totaal hebben de zelfstandige voorzieningen met IKG in 2011 de volgende sommen geïnd:

Zelfstandige opvang met inkomensgerelateerd systeem – verhouding subsidies Kind en Gezin en geïnde financiële bijdragen van de gezinnen in miljoen euro

Subsidie Kind en Gezin na verrekening

Geïnde financiële bijdragen van de gezinnen

Algemeen totaal

2010

2011 (1)

19,694

31,853

(46,9)

(50,6)

22,259

31,039

(53,1)

(49,4)

41,953

62,892

(100,0)

(149,9)

38. Zelfstandige kinderdagverblijven en zelfstandige onthaalouders (met attest van toezicht) met inkomensgerelateerd systeem: overzicht van de verhouding subsidies van Kind en Gezin en de geïnde financiële bijdragen in 2010 en in 2011 in miljoen euro (1) Voorlopige cijfers

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

51


4.4.

Wat betalen gezinnen?

De zelfstandige opvangvoorzieningen die niet werken met het inkomensgerelateerd systeem, bepalen zelf hoeveel de gezinnen moeten betalen. Kind en Gezin heeft geen zicht op de hoogte van de financiële bijdragen van de gezinnen in deze zelfstandige opvangvoorzieningen.

In 2011 betaalden gezinnen gemiddeld per dag een bijdrage van 12,76 euro in de zelfstandige opvang die werkt met het inkomensgerelateerd systeem.

5.

5.1.

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang

Subsidie voor de opvangwerking vanuit Kind en Gezin

De lokale diensten voor buurtgerichte opvang krijgen een forfaitaire subsidie en een aanvullende subsidiëring ter ondersteuning van hun werking met doelgroepwerknemers. In de voorschoolse lokale diensten voor buurtgerichte opvang bedroeg de forfaitaire subsidie die werd uitbetaald in 2011, 4,156 mio euro. Ter ondersteuning van het werken met doelgroepwerknemers, kregen de voorschoolse lokale diensten in 2011 in totaal 0,279 mio euro. De buitenschoolse lokale diensten voor buurtgerichte opvang ontvingen in 2011 een basissubsidie van 1,732 mio euro. Voor de ondersteuning van de werking met doelgroepwerknemers bedroeg het totaalbedrag 0,130 mio euro. De

lokale

diensten

voor

buurtgerichte

opvang

in

Brussel,

ontvingen

bijkomend

nog

een

omkaderingspremie van in totaal 12 821,23 euro.

Subsidie voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte Lokale diensten voor buurtgerichte opvang kunnen een bijkomende vergoeding krijgen voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Het bedrag dat ze bijkomend kunnen ontvangen, is een bedrag per dag per opgevangen kind. In 2011 was dit vastgelegd op 9,34 euro. Het totale budget dat hiervoor in 2011 besteed werd, bedroeg 3000 euro.

5.2.

Inkomsten uit de financiële bijdrage van de gezinnen

Lokale diensten voor buurtgerichte buitenschoolse opvang innen de financiële bijdragen van de gezinnen en kunnen er vrij over beschikken.

Voor de lokale diensten voor buurtgerichte voorschoolse opvang kwam er in 2009 een wijziging van de regelgeving waardoor ook hier een financiële bijdrage van het gezin kan worden gevraagd die aan het inkomen gerelateerd is. De inkomsten van de voorschoolse lokale diensten uit de financiële bijdrage van de gezinnen worden verrekend met de subsidies. In 2011 werd in totaal een bedrag van 380 611,96 euro geïnd.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

52


5.3.

Wat betalen gezinnen?

Lokale diensten voor buurtgerichte buitenschoolse opvang bepalen zelf hoeveel gezinnen moeten betalen. Wel is bepaald dat de bijdrage afgestemd moet zijn op de financiĂŤle draagkracht van het gezin. Kind en Gezin heeft geen zicht op de hoogte van de financiĂŤle bijdrage van de gezinnen in de lokale diensten buitenschoolse opvang.

In de lokale diensten voor buurtgerichte voorschoolse opvang betaalden gezinnen in 2011 gemiddeld 5,96 euro per dag.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

53


Hoofdstuk 4: Personeel en medewerkers in de kinderopvang

1.

Begeleiding en management

De voorwaarden waaraan leidinggevenden en medewerkers in de kinderopvang moeten voldoen, zijn in de regelgeving vastgelegd.

Voor de opvang van baby’s en peuters moeten erkende kinderdagverblijven volgend personeelskader in dienst hebben: -

Per 6,5 plaatsen is er minstens één voltijdse begeleider. Voor peutertuinen is dat een halftijdse begeleider per vijf plaatsen;

-

Per 12 plaatsen is er ¼ sociaal-pedagogische en paramedische functie. Per 24 plaatsen is er een extra ¼-prestatie;

-

Per kinderdagverblijf is er minstens een halftijdse logistieke functie. Vanaf 100 plaatsen is dat een voltijdse functie;

-

Op het niveau van het organiserend bestuur – dat meerdere kinderdagverblijven kan hebben – is er een halftijdse directiefunctie tussen 50 en 99 plaatsen. Vanaf 100 plaatsen is dat een voltijdse functie.

Voor de aparte opvang van schoolgaande kinderen door een erkend kinderdagverblijf is er per 14 kinderen minimaal één begeleider vereist.

Diensten voor onthaalouders moeten ¼ dienstverantwoordelijke per 26,5 plaatsen in dienst hebben. Wanneer een dienst minder dan 53 plaatsen heeft, moet deze toch altijd een halftijdse dienstverantwoordelijke hebben.

De aangesloten onthaalouders zijn noch werknemers, noch zelfstandigen. Ze hebben een ‘sui generis” statuut

en

genieten

een

specifieke

sociale

bescherming

en

ontvangen

een

belastingvrije

kostenvergoeding per dag per kind. De sociale bescherming houdt in dat ze verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, ziekte, beroepsziekten en arbeidsongevallen. Ze hebben recht op kinderbijslag en kunnen een eigen pensioen opbouwen. Bovendien is er voorzien in een vergoeding wanneer kinderen afwezig zijn buiten de wil van de onthaalouder om. Een aangesloten onthaalouder kan maximaal acht kinderen tegelijkertijd opvangen en gemiddeld vier voltijds.

Erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang moeten als personeelskader hebben: -

per 14 aanwezige kinderen is er minstens één begeleider;

-

er is minstens een halftijdse leidinggevende en er zijn voldoende leidinggevenden in verhouding tot het aantal opvangplaatsen en het aantal vestigingsplaatsen van het initiatief.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

54


Erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders of initiatieven voor buitenschoolse opvang met een erkenning als gemandateerde voorziening voor flexibele en occasionele opvang, krijgen financiële middelen. Deze middelen dienen om de coördinatie van dit specifieke opvangaanbod in de regio vorm te geven en/of om de tewerkstelling en de opleiding voor doelgroepwerknemers te organiseren. Binnen dit kader dienen doelgroepwerknemers te beantwoorden aan het SINE-profiel (RVA): ze zijn ouder dan 45 jaar (prioriteit gaat naar ouder dan 50 jaar), werkzoekend en hebben geen diploma van het secundair onderwijs.

Lokale diensten voor buurtgerichte kinderopvang moeten minstens dit personeel hebben: -

één begeleider per 7 aanwezige kinderen onder de 18 maanden, één begeleider per 10 aanwezige kinderen ouder dan 18 maanden tot ze naar school gaan, één begeleider per 14 schoolgaande kinderen;

-

minstens een halftijdse leidinggevende;

-

doelgroepwerknemers die in het Vlaamse Gewest beantwoorden aan het SINE-profiel (zie ‘gemandateerde voorziening’) en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voldoen aan de GECO-voorwaarden (minstens een half jaar werkzoekend).

Zelfstandige kinderdagverblijven moeten dit personeelskader hebben: -

minstens één begeleider per 7 aanwezige kinderen tot 18 maanden, per 10 aanwezige kinderen boven de 18 maanden en per 14 aanwezige schoolgaande kinderen;

-

een verantwoordelijke.

Zelfstandige buitenschoolse opvangvoorzieningen hebben een verantwoordelijke en er is minstens één begeleider per 14 kinderen.

Zelfstandige onthaalouders werken autonoom. Ze hebben het sociaal statuut van zelfstandige. Een zelfstandige onthaalouder kan tot 7 kinderen tegelijkertijd opvangen.

2.

Kwalificatievereisten

Voor

begeleiders

die

tewerkgesteld

zijn

in

een

erkend

kinderdagverblijf

zijn

er

minimale

kwalificatievereisten vastgelegd. Mogelijkheden zijn: -

een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs: de opleiding ‘Kinderzorg’ (nieuwe benaming: de opleiding ‘Begeleider kinderopvang’); de opleiding ‘Verpleegkunde’;

-

een diploma of certificaat van het technisch secundair onderwijs: de opleiding ‘Jeugd- en Gehandicaptenzorg’; de opleiding ‘Gezondheids- en Welzijnswetenschappen’; de opleiding ‘Sociale en Technische wetenschappen’, de opleiding ‘Leefgroepenwerking’; de opleiding ‘Internaatswerking’;

-

een bachelor- of masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

55


-

een attest van de cursus ‘Verantwoordelijke kinderopvang’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen in Syntra-centra.

Voor begeleiders die buitenschoolse opvang verzorgen in een erkend kinderdagverblijf, gelden dezelfde kwalificatievereisten als voor begeleiders in een erkend initiatief voor buitenschoolse opvang.

Voor de sociaalpedagogische functie is een bachelor- of masterdiploma of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist. Voor de directiefunctie en de logistieke functie zijn er geen kwalificatiebewijzen vereist.

Voor de dienstverantwoordelijke van een dienst voor onthaalouders is een bachelor- of masterdiploma of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist. Onthaalouders moeten voldoen aan een aantal voorwaarden om zich te mogen aansluiten bij een dienst, maar er zijn geen kwalificatiebewijzen vereist.

Voor begeleiders die tewerkgesteld zijn in een erkend initiatief voor buitenschoolse opvang zijn er minimale kwalificatievereisten vastgelegd. Mogelijkheden zijn: -

een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs: de opleiding ‘Kinderzorg’ (nieuwe benaming: de

opleiding ‘Begeleider kinderopvang’); de opleiding ‘Begeleider

buitenschoolse opvang’; de opleiding ‘Verpleegkunde’; -

een diploma of certificaat van het technisch secundair onderwijs: de opleiding ‘Jeugd- en Gehandicaptenzorg’; de opleiding ‘Gezondheids- en Welzijnswetenschappen’; de opleiding ‘Sociale en Technische wetenschappen’; de opleiding ‘Leefgroepenwerking’; de opleiding ‘Internaatswerking’;

-

een bachelor- of masterdiploma, of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie;

-

een attest van de cursus ‘Verantwoordelijke kinderopvang’, georganiseerd door het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen in Syntra-centra;

-

een attest van de opleiding ‘Begeleider buitenschoolse kinderopvang’, gefinancierd door de VDAB, gegeven in een door Kind en Gezin erkende opleidingsorganisatie (VCOK/VDKO);

-

een titel van beroepsbekwaamheid (een ‘ervaringsbewijs’) begeleider buitenschoolse opvang.

Vanaf 2010 mag niet meer dan 50% van het totaal aantal begeleiders enkel over een attest ‘begeleider buitenschoolse opvang’ van een door Kind en Gezin erkende opleidingsorganisatie beschikken. Voor de leidinggevende is een bachelor- of masterdiploma of een eindcertificaat van het hoger onderwijs voor sociale promotie vereist.

Doelgroepwerknemers van gemandateerde voorzieningen en lokale diensten voor buurtgerichte kinderopvang worden door hun werkgevers begeleid in een opleidingstraject. Na zes jaar moeten ze een kwalificatieattest behalen, waarmee ze als begeleider kunnen werken in een kinderdagverblijf

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

56


(wanneer het gaat om de opvang van baby’s en peuters) of in een initiatief voor buitenschoolse opvang (wanneer het gaat om de opvang van schoolgaande kinderen).

Voor begeleiders en verantwoordelijken in een zelfstandig kinderdagverblijf, in een zelfstandige buitenschoolse opvangvoorziening en voor zelfstandige onthaalouders zijn er in de regelgeving over kinderopvang geen kwalificatievereisten vastgelegd (tenzij in het kader van aanvragen voor het verkrijgen van financiële ondersteuning).

3.

Aantal personeelsleden2122 en medewerkers en hun kwalificaties23

In de erkende kinderdagverblijven zijn er 4474,40 voltijdse equivalenten (VTE) (6200 personen) aan de slag. Ze zijn als volgt verdeeld over de verschillende functies: 3280,38 VTE (4287 personen) in een begeleidende functie, 553,77 VTE (902 personen) in logistieke functie, 525,21 VTE (795 personen) in een sociaal-pedagogische functie, 91,38 VTE (164 personen) in een directiefunctie en 23,66 VTE’s (52 personen) in een administratieve functie. De kwalificaties van de personeelsleden werkzaam in de erkende kinderdagverblijven zijn tweeledig. Zo heeft bijna negen op de tien personeelsleden in een begeleidende functie een diploma of certificaat van het beroepssecundair onderwijs, terwijl bijna alle sociaalpedagogische personeelsleden en de directie een eindcertificaat van het hoger onderwijs hebben.

In de diensten voor onthaalouders zijn er 350,73 VTE (549 personen) aan het werk. Hiervan zijn 314,18 VTE (475 personen) tewerkgesteld als verantwoordelijke. Daarnaast zijn er nog 33,40 VTE (63 personen) werkzaam in een administratieve functie en 3,15 VTE (11 personen) in een logistieke functie.

Bij

deze

diensten

voor

onthaalouders

zijn

7001

onthaalouders

aangesloten24.

Alle

verantwoordelijken van een dienst voor onthaalouders kunnen een eindcertificaat van het hoger onderwijs voorleggen.

In de erkende initiatieven voor buitenschoolse opvang zijn er 2374,07 VTE (4134 personen) tewerkgesteld. 1972,9 VTE (3525 personen) hiervan zijn tewerkgesteld als begeleider. Daarnaast zijn er nog 291,95 VTE (356 personen) werkzaam als coördinator en 109,22 VTE (253 personen) in een logistieke functie. Minder dan de helft van de begeleiders kan een certificaat van het beroepssecundair onderwijs voorleggen. 28,0% heeft een certificaat van het technisch secundair onderwijs behaald en 9,3% is in het bezit van een certificaat van het algemeen secundair onderwijs of van het hoger onderwijs. 13,9% van de begeleiders genoot een andere opleiding. Bijna alle coördinatoren (97,3%) volgden hoger onderwijs.

21

Toestand op 1 januari. Personen die in twee functies zijn tewerkgesteld, werden in de beide functies meegeteld. 23 De kwalificaties van het personeel zijn pas sinds 2008 centraal bij Kind en Gezin volledig beschikbaar voor de personeelsleden die tewerkgesteld zijn in de erkende (en gesubsidieerde) sector. De gegevens van de personen tewerkgesteld in de zelfstandige sector zijn onvolledig. 24 Aangesloten onthaalouders zijn geen personeelsleden van de dienst. 22

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

57


In de buitenschoolse opvang in aparte lokalen verbonden aan een kinderdagverblijf zijn er 135,34 VTE (223 personen) werkzaam. De meeste van deze personeelsleden (112,36 VTE of 176 personen) oefenen een begeleidende functie uit. Het resterende aantal is coördinator (13,91 VTE of 29 personen) of heeft een logistieke (7,92 VTE of 15 personen) of een administratieve functie (1,15 VTE of 3 personen). Elke coördinator die werkzaam is in dit type voorziening, volgde hoger onderwijs. 68% van de begeleiders heeft een certificaat van het beroepssecundair onderwijs, 14,3% heeft een diploma van het technisch secundair onderwijs op zak, terwijl 7,1% met succes hoger onderwijs volgde. Het resterende aantal begeleiders genoot een andere opleiding.

In de lokale diensten voor buurtgerichte opvang vinden we in totaal 182,71 VTE of 252 personeelsleden terug. Bijna 7 op 10 van deze personeelsleden werkt in een voorschoolse lokale dienst voor buurtgerichte opvang. De verdeling naar functie in het geheel van de lokale diensten voor buurtgerichte opvang ziet er als volgt uit: -

Geschoolde begeleider: 89,25 VTE of 115 personen

-

Coördinator: 25,70 VTE of 40 personen

-

Doelgroepwerknemer 62,52 VTE of 90 personen

-

Logistieke functie: 5,24 VTE of 7 personen

Enkel de coördinatoren in de lokale diensten hebben hoger onderwijs doorlopen terwijl het merendeel van de geschoolde begeleiders het beroepssecundair onderwijs hebben afgerond. ¾ van de doelgroepmedewerkers heeft geen diploma secundair onderwijs.

Tot slot vinden we in de gemandateerde voorzieningen nog 106,57 VTE (190 personen) terug als doelgroepwerknemers en 18,38 VTE of 50 personen die de functie van coördinator op zich nemen. Alle coördinatoren die momenteel werkzaam zijn in een gemandateerde voorziening, hebben een hogere opleiding genoten, terwijl 7 op de 10 van de tewerkgestelde doelgroepwerknemers geen diploma hoger secundair onderwijs hebben behaald.

Voor wat betreft de medewerkers in de zelfstandige groepsopvang heeft Kind en Gezin slechts een gedeeltelijk beeld op het aantal medewerkers dat werkzaam is in deze opvangvorm. Dit geldt eveneens voor wat betreft de kwalificaties van deze medewerkers. Op basis van schattingen25 beschikt in

2011

6

op

de

kwalificatiebewijs

10

begeleiders

TSO/BSO/CVO. 27

verantwoordelijke

werkzaam

84%

van

de

in

zelfstandige

zelfstandige

kinderdagverblijven

kinderdagverblijven

26

over

een

heeft

een

met een kwalificatiebewijs TSO/BSO/CVO of een attest verantwoordelijke. Bijna 4

op de 10 zelfstandige kinderdagverblijven hebben minstens één verantwoordelijke met een hoger diploma28.

25

Schattingen zijn gebaseerd op een gedeeltelijk zicht op de personeelssituatie op 01/01/2011. Het aantal begeleiders werkzaam in de ZKDV wordt geschat op iets meer dan 4000. 26 De meeteenheid is aantal voorzieningen en NIET het aantal personeelsleden. We houden dus geen rekening met het aantal verantwoordelijken. Sommige ZKDV geven zelfs 3,4,5 of meer verantwoordelijken aan. 27 We houden ook geen rekening met het type verantwoordelijke. Dus geen onderscheid tussen medeverantwoordelijken en verantwoordelijken en mét of zonder begeleidende taken. 28 Onder hoger onderwijs wordt hier zowel een diploma hoger onderwijs van sociale promotie van het korte type als een bachelor- of masterdiploma gevat. De richting van deze diploma’s is niet bepaald binnen de regelgeving. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

58


In 2011 zijn er in Vlaanderen 995 zelfstandige onthaalouders actief. We hebben geen volledig zicht op de kwalificaties van de zelfstandige onthaalouders. Op basis van schattingen29 heeft iets meer dan 60% een kwalificatiebewijs TSO/BSO/CVO of diploma hoger onderwijs.

Aantal personeelsleden en medewerkers 2010

2011

3 171,64 (4 152)

3 280,38 (4 287)

Logistieke functie

556,75 (899)

553,77 (902)

Sociaal-pedagogische / paramedische functie

504,58 (763)

525,21 (795)

87,71 (157)

91,38 (164)

26,49 (53)

23,66 (52)

2010

2011

308,91 (461)

314,18 (475)

30,88 (59)

33,40 (63)

2,75 (12)

3,15 (11)

(7 170)

(7 001)

45,25 (57)

65,70 (81)

28,58 (38)

42,79 (57)

14,9 (21)

17,10 (26)

3,24 (5)

5,24 (7)

1 797,94 (3 218)

1 972,90 (3 525)

268,29 (330)

291,95 (356)

99,31 (236)

109,22 (253)

114,04 (174)

112,36 (176)

12,38 (26)

13,91 (29)

4,57 (12)

7,92 (15)

1,4 (4)

1,15 (3)

Erkende kinderdagverblijven Begeleidende functie

Directiefunctie Administratieve functie Diensten voor onthaalouders Verantwoordelijke Administratieve functie Logistieke functie Aangesloten onthaalouders Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (voorschools) Geschoolde begeleider Doelgroepmedewerker Coördinator Logistieke functie Initiatieven voor buitenschoolse opvang Begeleider Coördinator Logistieke functie Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Begeleidende functie Coördinator Logistieke functie Administratieve functie

29

Schattingen zijn gebaseerd op een gedeeltelijk zicht op de personeelssituatie op 01/01/2011.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

59


Aantal personeelsleden en medewerkers 2010

2011

15,9 (24)

23,55 (34)

11,28 (17)

19,73 (33)

6,85 (10)

8,6 (14)

79,75 (122)

106,57 (190)

17,73 (48)

18,38 (50)

7 211,12 (10 898)

7 642,20 (11 598)

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang (buitenschools) Geschoolde begeleider Doelgroepmedewerker Coördinator Gemandateerde voorzieningen Doelgroepmedewerker Coördinator Algemeen totaal erkende (en gesubsidieerde) opvang

40. Aantal VTE (en aantal personeelsleden/medewerkers) in verschillende functies in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen in 2010 en 2011.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

60


Verdeling personeelsprofielen volgens kwalificatie (1) Erkende kinderdagverblijven BSO

TSO

ASO

Hoger

Certificaat

onderwijs

BBO

Andere (2)

Administratieve functie

11,1%

11,1%

5,6%

44,4%

0,0%

27,8%

Begeleidende funcite

89,1%

5,7%

0,0%

4,0%

0,1%

1,1%

0,0%

0,0%

0,0%

100,0%

0,0%

0,0%

14,8%

2,3%

1,0%

1,8%

0,2%

80,0%

2,7%

0,1%

0,2%

96,9%

0,0%

0,1%

Directiefunctie Logistieke functie Sociaal-pedagogische/ paramedische functie

Diensten voor onthaalouders (3) Administratieve functie

5,4%

21,6%

5,4%

32,4%%

0,0%

35,0%

Verantwoordelijke

0,0%

0,0%

0,0%

100,0%

0,0%

0,0%

Initiatieven voor buitenschoolse opvang Administratieve functie

19,0%

37,0%

14,0%

23,0%

0,0%

7,0%

Begeleidende functie

47,1%

28,0%

4,6%

4,7%

1,7%

13,9%

0,8%

1,1%

0,5%

97,3%

0,0%

0,3%

25,9%

16,9%

2,4%

3,9%

0,8%

50,2%

Coördinator Logistieke functie

Buitenschoolse opvang in aparte lokalen van kinderdagverblijven Begeleidende functie Coördinator

68,0%

14,3%

2,8%

7,1%

2,8%

5,0%

0,0%

0,0%

0,0%

100,0%

0,0%

0,0%

Lokale diensten voor buurtgerichte opvang Geschoolde begeleider

66,4%

12,9%

0,0%

11,2%

4,3%

5,2%

Doelgroepmedewerker

15,4%

5,5%

0,0%

1,1%

2,2%

75,8%

2,4%

2,4%

0,0%

95,2%

0,0%

0,0%

Coördinator

Gemandateerde voorziening Doelgroepmedewerker Coördinator

22,5%

2,0%

0,0%

0,0%

4,1%

71,4%

0,0%

0,0%

0,0%

100,0%

0,0%

0,0%

41. Verdeling (in %) van het aantal personeelsleden volgens kwalificaties in verschillende functies in erkende (en gesubsidieerde) opvangvoorzieningen - 2011 (1) Een paar functies zijn niet in deze tabel opgenomen wegens te kleine aantallen. (2) o.a. KSO, deeltijds onderwijs, leercontract, maar ook geen diploma secundair onderwijs. (3) Kind en Gezin heeft geen volledig zicht op de kwalificaties van de aangesloten onthaalouders. Met behulp van gedeeltelijke gegevens wordt geschat dat 32% van de aangesloten onthaalouders een kwailificatiebewijs BSO/TSO/CVO of diploma hoger onderwijs heeft.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

61


DEEL 2: BELEID

Hoofdstuk 1: Vernieuwing Vlaamse kinderopvang

1. Situering Na overleg tussen Kind en Gezin, de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en vertegenwoordigers van de opvangsector en van de gebruikers, werd in 2006 een eerste concepttekst ontwikkeld over een nieuwe organisatie van de Vlaamse kinderopvang. De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wil, met de vernieuwing van de kinderopvang, volgende doelstellingen bereiken: o

Alle gezinnen met kinderen kunnen terecht in een doorzichtig georganiseerde, toegankelijke en betaalbare kinderopvang.

o

Elk kind kan rekenen op een kwaliteitsvolle kinderopvang.

o

Het opvangaanbod dekt de lokale en regionale opvangbehoefte.

o

Kinderopvang vervult, naast zijn economische en pedagogische functie, ook expliciet zijn sociale functie, met bijzondere aandacht voor een gecoĂśrdineerd en transparant opnamebeleid dat de toegankelijkheid verbetert.

o

Een eenvormig vergunningskader wordt ontwikkeld.

2. Voorbereiding van een decreet Voorschoolse Kinderopvang In het Regeerakkoord 2009-2014 van de Vlaamse regering en in de Beleidsnota 2009-2014 van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin staat de ontwikkeling van een kaderdecreet Voorschoolse Kinderopvang als prioritair beleidsdoel. Het is de bedoeling dat dit decreet: -

de maatschappelijke opdracht en de concrete organisatie van kinderopvang vastlegt en zo met betrekking tot de vraag en het aanbod: o

een koppeling maakt tussen het geboortecijfer en de daaruit voortvloeiende nood aan kinderopvang;

o -

duidelijkheid en samenhang schept in het opvangaanbod;

er op termijn toe leidt dat iedereen een recht op kinderopvang kan uitoefenen en zo met betrekking tot de kwaliteit: o

de basis legt voor de vergunningsvoorwaarden voor ieder die aan kinderopvang doet;

o

aan elk kind het recht biedt op dezelfde basiskwaliteit;

o

bijdraagt

tot

de

kwaliteit,

onder

meer

door

het

vastleggen

van

het

competentiebeleid op het gebied van kinderopvang.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

62


In 2010 werd een visietekst over het decreet Voorschoolse Kinderopvang opgemaakt. Nadat deze visietekst in juli 2010 het akkoord van de Vlaamse regering kreeg, werden in het najaar van 2010 politieke besprekingen in voorbereiding op de ontwikkeling van een ontwerpdecreet opgestart.

Deze besprekingen leidden in mei 2011 tot een voorontwerp van decreet dat het principieel akkoord van de Vlaamse regering verkreeg. Dit moment werd door minister Vandeurzen aangegrepen om de komst van dit decreet houdende de organisatie van Kinderopvang van Baby’s en Peuters in de pers en voor het grote publiek aan te kondigen. Ter gelegenheid van de publieke communicatie over het ontwerpdecreet startte Kind en Gezin met een communicatieproject over dit (voorontwerp van) decreet: vanuit de invalshoek van kinderen en gezinnen die kinderopvang behoeven en gebruiken, werden de belangrijkste principes en de meerwaardes die het decreet moet realiseren in begrijpelijke taal uitgelegd. De website van Kind en Gezin werd ook aangevuld met alle nodige professionele informatie, waaronder een gestaag verder groeiende lijst met veel gestelde vragen.

Met de principiële goedkeuring door de Vlaamse regering, kon het ontwerpdecreet ook voor formeel advies worden voorgelegd aan de Raad van State en de Strategische Adviesraad Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Er werd ook advies gevraagd van de SERV en van de Commissie ter bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, en van de organisaties die samenwerken in functie van het Jongeren – en Kindeffectenrapport (JOKer). Uiteraard werden ook reacties en adviezen ontvangen van diverse andere instanties en organisaties waaronder in de eerste plaats het Raadgevend Comité van Kind en Gezin, de VLOR, de Gezinsbond, en de meeste koepels van actoren in de kinderopvangsector.

Op basis van de verkregen adviezen, werd het voorontwerp in het najaar van 2011 bijgestuurd. Op 18 november 2011 hechtte de Vlaamse regering vervolgens haar definitief akkoord aan het voorontwerp, waardoor het in december 2011 als ontwerpdecreet aan het Vlaams Parlement kon worden overgemaakt. Pas wanneer het Vlaams Parlement het decreet na eventuele aanpassingen goedkeurt, is het decreet over de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters een feit. De goedkeuring van het decreet door de Vlaamse regering is voorzien in 201230.

Na de definitieve goedkeuring van het voorontwerp door de Vlaamse regering kon Kind en Gezin de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten aanvatten zodat deze spoedig zouden kunnen volgen na goedkeuring van het decreet.

30

Op het ogenblik van de eindredactie van dit jaarverslag is het decreet een feit. Het Vlaams Parlement gaf op 28 maart 2012 haar goedkeuring. Het nieuwe decreet werd door de Vlaamse regering bekrachtigd op 20 april 2012. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

63


3. Nieuwe organisatiestructuur buitenschoolse opvang

Kind en Gezin werkt aan de ontwikkeling van een langetermijnvisie op de organisatie van de opvang van schoolgaande kinderen in Vlaanderen en Brussel. In 2008 werd daarvoor een denktank buitenschoolse opvang in het leven geroepen. In 2009 werd in samenwerking met deze denktank een ontwerp van visietekst opgemaakt. Kind en Gezin werkte dit voorstel in 2010 verder uit en legde het een eerste keer voor aan het kabinet Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

De visietekst gaat uit van een opvangnetwerk waarin alle actoren die betrokken zijn bij de organisatie van de opvang en van de vrije tijd van schoolgaande kinderen samenwerken. Het doel van die samenwerking is: 

een veilige omgeving creëren waar kinderen (zelf)vertrouwen vinden (een ‘nest’);

kinderen een ruim aanbod aan vrijetijdsactiviteiten (een ‘web’) aanbieden waar zij hun talenten en vaardigheden kunnen ontdekken en ontwikkelen.

Kind en Gezin ziet de opvang van schoolgaande kinderen daarom niet als een zaak van Welzijn alleen. Het zou een gedeelde verantwoordelijkheid moeten zijn van: 

alle actoren en beleidsdomeinen die betrokken zijn bij de ontwikkeling, de opvang en de vrije tijd van schoolgaande kinderen;

lokale en centrale beleidsverantwoordelijken.

Om die reden stelt de visietekst voor om de bevoegdheden van de betrokken beleidsdomeinen en niveaus duidelijk af te bakenen. Idealiter wordt de organisatie van de opvang van schoolgaande kinderen eveneens gevat in een decreet.

In 2011 werden een aantal stappen gezet die het concept verder vorm moeten geven.

Parallel werd een concept ontwikkeld voor vakantieopvang. Dit kader wordt in 2012 vertaald naar een regelgevend kader dat meer vakantieopvang mogelijk moet maken.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

64


Hoofdstuk 2: Uitbreiding van de Vlaamse kinderopvang Kind en Gezin zorgt voor de toewijzing van de middelen die door de Vlaamse regering worden vrijgemaakt voor nieuwe plaatsen in de erkende opvangsector en voor nieuwe inkomensgerelateerde plaatsen in de zelfstandige sector.

1. De erkende voorschoolse kinderopvang

In 2011 maakte de Vlaamse Regering 4,168 mio euro vrij voor de uitbreiding van de erkende kinderdagverblijven en van de diensten voor onthaalouders. Het doel van deze nieuwe middelen was uitbreiding te realiseren in: 

de steden Antwerpen, Brussel, Gent;

de 5 steden waar, naast de al genoemde steden, het meeste kinderen worden geboren in kansarme gezinnen. Deze steden bleken Genk, Beringen, Mechelen, Menen en Leuven te zijn.

Andere gemeenten kwamen niet in aanmerking.

De aanvragen konden zowel betrekking hebben op kinderdagverblijven als op diensten voor onthaalouders. Van het voorziene aantal kinderdagverblijfplaatsen per gemeente kon er maximaal één derde worden omgezet naar plaatsen bij diensten voor onthaalouders.

Rekening houdend met het vooropgestelde budget werden voor Antwerpen, Brussel en Gent ongeveer 300 kinderdagverblijfplaatsen beschikbaar gesteld, terwijl dit voor Leuven, Genk, Beringen, Menen en Mechelen om ongeveer 100 kinderdagverblijfplaatsen ging. Deze beschikbare plaatsen werden verdeeld op basis van het aantal kinderen jonger dan 3 jaar. Aanvragen moesten ingediend worden tegen uiterlijk 27 april 2011.

Tijdens het beslissingspad werden de ingediende dossiers inhoudelijk beoordeeld en gescoord op basis van advies lokaal bestuur, het bezettingspercentage en de snelheid van realisatie.

Voor

de

aanvragen

komende

vanuit

het

Brusselse

Hoofdstedelijk

Gewest

werd

de

toekenningsbeslissing door de administrateur-generaal van Kind en Gezin genomen op 7 september 2011. De Vlaamse Gemeenschapscommissie lanceerde immers tegelijkertijd met de oproep van Kind en Gezin een oproep voor bijkomende plaatsen vanuit Stedenfondsmiddelen. Beide oproepen moesten op elkaar afgestemd worden vooraleer een beslissing kon genomen worden. De beslissing betreffende aanvraagdossiers voor het Vlaamse Gewest werd genomen op 13 juli 2011.

Vanuit de kinderdagverblijven kwamen 73 aanvragen binnen. Het aantal plaatsen waarvoor een principieel akkoord werd toegekend, bedraagt 412. Er kwamen 12 aanvragen vanuit diensten voor onthaalouders. Het aantal plaatsen waarvoor er een principieel akkoord werd toegekend, bedraagt 134. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

65


Het totaal aantal plaatsen waarvoor er een principieel akkoord werd toegekend door deze bijkomende middelen bedraagt aldus 546 als volgt verdeeld over de verschillende steden:

Dienst voor

Erkend

onthaalouders

kinderdagverblijf

0

186

186

Gent

96

51

147

Menen

12

0

12

Leuven

0

36

36

Beringen

16

10

26

Mechelen

0

32

32

10

13

23

Brussel

0

84

84

Totaal

134

412

546

Antwerpen

Genk

Totaal

42. Totaal aantal plaatsen per gemeente waarvoor een principieel akkoord werd toegekend naar aanleiding van de uitbreidingsronde 2011.

2. Inkomensgerelateerde zelfstandige kinderopvang Eind 2008 besliste de Vlaamse regering dat de opvangprijs ook in zelfstandige voorzieningen kan afhangen van het gezinsinkomen. De Vlaamse regering wil hiermee in de formele kinderopvang meer plaatsen betaalbaar maken voor meer ouders. Het systeem van inkomensgerelateerde kinderopvang bij zelfstandige voorzieningen (IKG) startte op 16 februari 2009.

Tot in het najaar van 2010 konden zelfstandige voorzieningen vrijwillig in het inkomensgerelateerd systeem instappen. Vanaf 2011 worden nieuwe IKG-plaatsen, net zoals in de erkende sector, geprogrammeerd toegewezen. De voorziening krijgt een vaste vergoeding per dag en per opgevangen kind. Voorzieningen hebben de keuze om de financiĂŤle bijdrage van de gezinnen zelf te factureren en zelf te innen of om dit kosteloos uit te besteden aan een debiteurenbeheerder aangesteld door Kind en Gezin. Als debiteurenbeheer werd Intrum aangesteld voor een periode van 3 jaar.

De ouders berekenen hun bijdrage via de webmodule, beschikbaar op de website van Kind en Gezin. Kind en Gezin bezorgt de ouders een attest met een kindcode. De voorzieningen geven maandelijks de aanwezigheden van elk kind door aan Kind en Gezin, aan de hand van de kindcode.

De Vlaamse regering besliste om in 2011 15 mio euro aan bijkomende middelen in te zetten voor het IKG-systeem. Een gedeelte van het bedrag werd ingezet voor een uitbreiding van het aantal inkomensgerelateerde zelfstandige opvangplaatsen (met meer dan 3000 plaatsen) en een gedeelte voor

de

verhoging

van

de

vergoeding

voor

zelfstandige

kinderdagverblijven

die

al

inkomensgerelateerd werken. Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

66


Voor de bijkomende IKG-plaatsen werden 3 soorten aanvragen in aanmerking genomen: 

uitbreiding van een bestaande IKG-voorziening;

omschakeling van een bestaande zelfstandige voorziening naar IKG;

opstarten van een nieuwe voorziening in het IKG-systeem.

Kind en Gezin ontving in totaal 136 aanvragen, goed voor 1502 IKG-plaatsen, die allen konden worden toegekend. De middelen die overbleven doordat het aantal toegekende plaatsen lager lag dan begroot in de oproep, werden mee besteed aan het verder verhogen van de IKG-vergoeding bij voorzieningen die al met het IKG-systeem werken.

Eind 2011 bedraagt het totaal aantal toegekende plaatsen in het IKG-systeem 12 730 plaatsen, verdeeld over 614 zelfstandige voorzieningen. In vergelijking met de situatie in 2010 is het aantal plaatsen met 11% toegenomen. Deze toename is uitsluitend toe te schrijven aan een stijging van het aantal IKG-plaatsen in de zelfstandige kinderdagverblijven. Het aantal IKG-onthaalouders is gedaald van 24 naar 19, wat een daling van 150 naar 119 plaatsen met zich meebrengt. Deze daling deed zich, met uitzondering van West-Vlaanderen, in alle provincies voor (zie tabel 43).

In 2010 werd het IKG-systeem geëvalueerd vanuit het oogpunt van de voorzieningen, de ouders en de overheid. Dit leidde tot een aantal aanpassingen aan het IKG-systeem waaraan in 2011 werd gewerkt: 

Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 werd tweemaal gewijzigd: 1. ten gevolge van de beslissing van de Vlaamse Regering om ondermeer een verhoging van de IKG-vergoeding te voorzien en een forfaitaire vergoeding voor afwezigheden wegens ziekte; 2. na advies van de Raad van State;

Binnen de toelichting van de regelgeving werden een aantal begrippen beter omschreven;

De informatiebrochure voor de voorzieningen werd aangevuld.

De website werd klantvriendelijker gemaakt.

Daarnaast werden ook de besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot de financiële ondersteuning en het attest van toezicht aangepast. Belangrijkste wijzigingen zijn: 

Een nieuwe voorziening die start in het IKG-systeem moet meteen beschikken over een attest van toezicht.

Beperkte periode gedurende dewelke regularisaties mogelijk zijn.

IKG-voorzieningen kunnen een waarborg vragen.

Financiële ondersteuning kan worden stopgezet terwijl de voorziening verder kan doorwerken met het IKG-systeem.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

67


Kind en Gezin kan uitzonderlijk en éénmalig beslissen dat de financiële ondersteuning blijft behouden als de kwapoi31 lager is dan 4.

De samenwerking met Intrum als debiteurenbeheerder loopt nog tot februari 2012. Bijgevolg heeft Kind en Gezin in 2011 een Europese aanbesteding met onderhandelingsprocedure bekend gemaakt om een nieuwe debiteurenbeheerder aan te stellen voor de volgende periode van 3 jaar vanaf 16 februari 2012. Deze procedure zal in 2012 worden afgerond.

Zelfstandige

Zelfstandige

kinderdagverblijven

Onthaalouders

Aantal

Aantal

voorzieningen

plaatsen

131

2 713

0

0

131

2 713

Vlaams-Brabant

62

1 336

2

13

64

1 349

Brussels Gewest

36

1 067

0

0

36

1 067

West-Vlaanderen

192

3 933

8

51

200

3 984

Oost-Vlaanderen

142

2 914

5

29

147

2 943

32

648

4

26

36

674

595

12 611

19

119

614

12 730

Antwerpen

Limburg Algemeen totaal

Aantal

Totaal

Aantal

Aantal

voorzieningen plaatsen voorzieningen

Aantal plaatsen

43. Aantal zelfstandige voorzieningen per provincie die inkomensgerelateerd werken – 2011 - situatie op 31/12

3. Het Generatiepact Het Generatiepact wil de tewerkstelling bevorderen van laaggeschoolde jongeren in de social profit sector. De Vlaamse regering besliste in samenspraak met de sociale partners om de middelen in te zetten in drie deelprojecten: buitenschoolse kinderopvang, dagverzorgingscentra en deeltijds leren.

Een eerste oproep gebeurde in 2009 waarna de beslissing over de toekenning viel in 2010. In 2011 werd

een

evaluatie

gemaakt

van

het

aantal

toekenningen

en

aanwervingen

van

doelgroepwerknemers. Hieruit bleek dat er nog middelen over waren, goed voor 10,5 VTE doelgroepwerknemers. Deze middelen werden ingezet in de gemeenten Rumst en Brussel, waar de vraag naar het aantal doelgroepwerknemers groter was dan initieel werd toegekend. Met de resterende middelen werd een oproep gelanceerd in de steden Gent en Antwerpen. De beslissing over de toekenning zal in de eerste helft van 2012 volgen.

31

Kwaliteitsinstrument voor Particuliere Opvanginstellingen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

68


Hoofdstuk 3: Bevorderen van de kwaliteit in de Vlaamse kinderopvang

1.

Reguliere dienstverlening op het gebied van kwaliteitsbevordering

Kind en Gezin ondersteunt de kinderopvang bij het werken aan de kwaliteit op de volgende manieren: o

geven van informatie en aanbevelingen, via onder meer gratis brochures en via de website;

o

organiseren van studiedagen om de kwaliteit van de opvang te bevorderen en het management te versterken;

o

het behandelen van vragen van opvangvoorzieningen over de kwaliteit van de opvang via de Kwaliteitshelpdesk. Medio 2011 is beslist om de oproepen voor de Kwaliteitshelpdesk in eerste instantie door de Kind en Gezin-Lijn te laten beantwoorden. Indien noodzakelijk wordt er doorverwezen naar een dossierbeheerder of een stafmedewerker Kwaliteit.

Daarnaast doet Kind en Gezin ook een beroep op zijn partners om de kwaliteit van de opvangvoorzieningen te verbeteren.

Partnerschap met ECEGO Om de kwaliteit van de opvang vanuit het oogpunt van het kind te bevorderen, heeft Kind en Gezin een overeenkomst met ECEGO, het ExpertiseCentrum voor ErvaringsGericht Onderwijs van professor Laevers, verbonden aan de KU Leuven. ECEGO ontwikkelde ZiKo. Ziko is een zelfevaluatie-instrument om het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen in de kinderopvang op te meten. Waar ZiKo de voorziening helpt om de eigen aanpak en werking te evalueren, ligt de focus bij ZiKo-Vo (volginstrument) op het volgen van het individuele kind en op het ontwikkelen van acties op maat van elk kind.

Partnerschap met het VBJK â&#x20AC;&#x201C;Expertisecentrum voor Opvoeding en Kinderopvang Het VBJK onderschrijft de missie van Kind en Gezin en verbindt zich ertoe om op een resultaatgerichte manier mee inhoud te geven aan de uitvoering van het beleid betreffende het jonge kind en van de missie van Kind en Gezin.

Het partnerschap bestaat uit: -

advies verstrekken aan Kind en Gezin over het beleid betreffende het jonge kind;

-

op een wetenschappelijk onderbouwde wijze projecten opzetten en didactisch materiaal aanleveren in verband met kinderopvang, vernieuwde concepten ontwikkelen over opvoeden, diversiteit in de opvoeding en begeleiden en opleiden van medewerkers in de kinderopvang;

-

een kwaliteitsvol tijdschrift uitgeven over en voor de kinderopvang.

Elk jaar maakt het VBJK een werkingsplan op met de doelstellingen en acties voor het komende jaar. Het werkingsplan en het werkingsverslag 2011 zijn te vinden op de website van het VBJK (http://www.vbjk.be).

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

69


Er werd nauw samengewerkt met Kind en Gezin voor onder andere het begeleidingstraject Kinderopvang

met

sociale

functie

(zie

verder)

en

de

verdere

ontwikkeling

van

de

Onthaalouderacademie. VBJK maakt ook deel uit van verschillende adviesgroepen van Kind en Gezin, waaronder de stuurgroep Taalontwikkeling en Meertaligheid. De aard van de samenwerking met VBJK wordt later in dit hoofdstuk en in het volgend hoofdstuk meer uitgebreid beschreven, wanneer we het over het betreffende (kwaliteits)thema hebben.

2.

(Medische) preventie en veiligheid

Gids voedselveiligheid Kind en Gezin werkt nauw samen met ONE, de zusterorganisatie in de Franse Gemeenschap, aan een sectorspecifieke gids voor voedselveiligheid in de kinderopvang. De officiële erkenningsprocedure bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) is opgestart. De communicatie naar en ondersteuning van de sector werd aangevat.

Veilig slapen en wennen Kind en Gezin ondersteunt en sensibiliseert de kinderopvang tot het toepassen van de preventieve maatregelen in het kader van het voorkomen van wiegendood. Ondanks deze maatregelen zijn in 2011 6 kinderen in hun slaap overleden. Echter, het valt op dat wiegendood in de opvang meestal voorkomt tijdens de eerste dagen dat het kind in de opvang verblijft. Kind en Gezin zette daarom binnen dit kader een informatiecampagne op. Daarin werd het belang van het laten wennen van het kind vóór de eigenlijke start van de opvang in de verf gezet, alsook het houden van extra toezicht tijdens die eerste opvangdagen. Daarnaast werd de informatie over veilig slapen op de website uitgebreid en geactualiseerd.

Gezondheid en hygiëne Op basis van een nieuw wetenschappelijk dossier over het cytomegalovirus werd de opvang geïnformeerd

over

de

gevaren

van

een

besmetting

voor

het

ongeboren

kind,

en

over

hygiënemaatregelen waarmee verspreiding van het virus voorkomen kan worden.

Tot slot werd een herhaling van de aanbeveling verspreid om medewerkers in de opvang aan te zetten zich te vaccineren tegen kinkhoest en werd nieuwe informatie over het voorkomen en verzorgen van insectenbeten en -steken op de website gezet.

Kwaliteitsdecreet Op 1 juli 2011 trad het nieuwe besluit van de Vlaamse Regering dat het kwaliteitsbeleid regelt van de erkende kinderopvangvoorzieningen in werking. Dit besluit geeft uitvoering aan het decreet van 17 oktober 2003 op het gebied van kwaliteitszorg van de erkende gezondheids- of welzijnsvoorzieningen. De hoofdlijnen in het besluit zijn de volgende:

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

70


het aantal verplichte procedures wordt beperkt tot diegene die behoren tot de kernprocessen van kinderopvangvoorzieningen;

het aspect zelfevaluatie is sterker uitgewerkt;

het vormingsbeleid wordt benoemd als een ‘aspect van zorg met een bijzondere maatschappelijke waarde’. Vorming van medewerkers verhoogt de kwaliteit van de werking.

Een andere bepaling uit het besluit is dat de opvangvoorziening beschrijft hoe grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van kinderen in de kinderopvangvoorziening gedetecteerd wordt, hoe er gepast op gereageerd wordt en hoe hierbij aan preventie wordt gedaan. Door Kind en Gezin werd materiaal uitgewerkt om de opvang te ondersteunen bij het preventief en adequaat omgaan met grensoverschrijdend gedrag. Er werd een voorstel van werkwijze uitgewerkt bij een vermoeden van grensoverschrijdend gedrag gepleegd door iemand van de opvangvoorziening ten aanzien van een kind. Het uitgewerkte voorstel is terug te vinden op de website van Kind en Gezin via de volgende link: http://www.kindengezin.be/brochures/Brochure_grensoverschrijdend_gedrag/

Monitoring opvangvoorzieningen Om mogelijke risico’s in kinderopvangvoorzieningen beter te monitoren, richtte Kind en Gezin een risicocel op. Opdat deze risicocel haar opdrachten efficiënt zou kunnen uitvoeren, was een wetenschappelijk

onderbouwd

consultancybureau.

Bijkomend

instrument

nodig.

werd

handleiding

een

Dit

werd

in

2011

opgemaakt

ter

ontwikkeld

door

ondersteuning

van

een de

dossierbeheerders bij het invullen van deze checklist. Eind 2011 waren er 112 risicochecklisten ingevuld. De dossierbeheerders werden hierbij echter geconfronteerd met een aantal knelpunten. In functie van het grondig detecteren van knelpunten en het ondersteunen van de dossierbeheerders bij het invullen van de risicochecklist, zal in 2012 een vervolgtraject worden georganiseerd. Een eerste evaluatie van de checklist als intern werkdocument is gepland tegen de zomer van 2012.

Aanpak gevaardossiers Kind en Gezin volgt een interne gevaarprocedure voor de melding van een gevaarsituatie binnen een voorziening onder haar bevoegdheid. Kind en Gezin wil aan de hand van deze procedure nagaan of de voorziening alle noodzakelijke maatregelen heeft getroffen om een gevaarsituatie deskundig aan te pakken en te beëindigen. In 2011 kreeg Kind en Gezin 111 meldingen van gevaarsituaties binnen. Deze meldingen betroffen voornamelijk gevaren die samenhangen met lichamelijk letsel, gevaren waarvan de oorzaak niet is vastgesteld

en

gevaren

die

betrekking

hebben

op

toezicht,

veiligheid

en

algemeen

grensoverschrijdend gedrag. In 2011 zijn 7 kinderen overleden in de Vlaamse kinderopvang, waarvan 6 tijdens de slaap.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

71


3.

Competentiebevordering en professionalisering

Kind en Gezin timmert op verschillende manieren aan de weg om de competenties van de personen die in de kinderopvang werkzaam zijn te verbeteren. De maatschappelijke belangen hierbij zijn groot. Er moet voldoende goede instroom mogelijk zijn voor de sterk gegroeide sector. Daarnaast moeten er mogelijkheden komen voor een gezonde horizontale en verticale mobiliteit in de kinderopvang. Tenslotte verhogen ook de maatschappelijke verwachtingen over de kwaliteit van de kinderopvang.

In 2011 startte Kind en Gezin met de uitvoering van enkele acties uit de conceptnota ‘Werk maken van werk in de zorgsector’ van minister Vandeurzen. Zo werd een expertengroep opgericht die nadenkt over de nodige competenties voor een begeleider binnen de kinderopvang.

Om bestaande opleidingen in de kinderopvang te versterken, zette Kind en Gezin in 2011 de volgende stappen: 

Kind en Gezin was aanwezig op het overleg rond de Syntra-opleiding ‘Verantwoordelijke in de kinderopvang’. Tijdens dit overleg vond onder meer een evaluatie plaats van het curriculum.

In september 2011 zijn drie hogescholen van start gegaan met de professionele bacheloropleiding ‘Pedagogie van het jonge kind’ (Arteveldehogeschool Gent, Karel De Grotehogeschool Antwerpen, Erasmushogeschool Brussel). Er is een stuurgroep opgericht die een optimale afstemming tussen de betrokken hogescholen beoogt. Kind en Gezin maakt deel uit van deze stuurgroep.

In 2011 startte het tweede werkingsjaar van de protocolovereenkomst ‘Startopleiding begeleider buitenschoolse kinderopvang’ die afgesloten is tussen de VDAB, de opleidingsorganisaties, de sector kinderopvang

en

enkele

centra

voor

volwassenenonderwijs

(CVO’s).

Tijdens

verschillende

overlegmomenten met de betrokken partners werd de samenwerking opgevolgd. In 2012 zal er een evaluatie van deze opleiding gebeuren door middel van een bevraging van de CVO’s, de cursisten en de werkgevers.

Voor het kwalificerende traject voor onthaalouders ondernam Kind en Gezin in 2011 volgende acties: 

Het gaf verder vorm aan het concept voor de Onthaalouderacademie en dit samen met zijn partnerorganisatie VBJK en na intensief overleg met de sector, de opleidingsorganisaties en het volwassenenonderwijs. Er is meer bepaald gestart met een werkgroep Kennismakingsmodule en een werkgroep Collegiaal Leren.

Het nam deel aan de opleidingsdag en de resonansgroep van het ESF-project WANDA van het VBJK en de Arteveldehogeschool in Gent. Dit project heeft als doel de zelfreflectie bij onthaalouders te vergroten.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

72


4.

Klachten over kinderopvang

De Klachtendienst van Kind en Gezin ontving in 2011 in totaal 1494 oproepen over kinderopvang. Het ging om 144 informatieve oproepen, 192 meldingen en 1158 dossiers waarbij een klacht werd geformuleerd. Van deze klachtendossiers waren er 1037 ontvankelijk en 121 onontvankelijk. Het aantal oproepen steeg met 5,8 % tegenover 2010.

Aantal oproepen over kinderopvang 2010

2011

178

144

73

192

Klacht

1 161

1 158

Totaal

1 412

1 494

Informatieve oproep Melding

44. Aantal oproepen over kinderopvang op de Klachtendienst

Informatieve oproepen bij de Klachtendienst over kinderopvang Louter informatieve vragen over kinderopvang worden doorgeschakeld naar de Kind en Gezin-Lijn en worden niet opgenomen in de cijfers over de werking van de Klachtendienst. De informatieve oproepen die wel door de Klachtendienst werden behandeld, gingen over een concreet ongenoegen waarbij advies werd gevraagd over de aanpak van het probleem. In 2011 behandelde de Klachtendienst

144

dergelijke

infodossiers

over

een

concreet

probleem

in

een

kinderopvangvoorziening.

Meldingen bij de Klachtendienst over kinderopvang De Klachtendienst heeft het over een ‘melding’ wanneer een voorziening zelf contact opneemt om een incident of een probleem te melden of wanneer een ouder de Klachtendienst een situatie wil meedelen zonder dat de ouder zich opstelt als klager. De Klachtendienst kwalificeerde in 2011 192 meldingen als nuttige informatie voor het geval er nadien nog een klacht over zou binnenkomen. Meldingen van ernstige incidenten worden door de afdeling Kinderopvang opgevolgd en niet door de Klachtendienst.

Onontvankelijke klachten over kinderopvang Voor een aantal klachten over kinderopvang besluit de Klachtendienst dat de klacht onontvankelijk is, bijvoorbeeld omdat het onderwerp van de klacht buiten de bevoegdheid van Kind en Gezin valt of omdat de klacht over het algemeen beleid of de regelgeving gaat. In 2011 waren er in totaal 121 onontvankelijke klachten. Een groot deel was onontvankelijk omdat het ging om een betwisting van de te betalen sommen in de zelfstandige sector en/of omdat het onderwerp van de klacht buiten het gereglementeerde kader viel en/of eerder in de privésfeer lag (buiten de bevoegdheid van de Klachtendienst van Kind en Gezin). Voor onontvankelijke klachten werd er geen onderzoek gestart. De persoon die de klacht indiende, werd wel zo goed mogelijk geholpen met informatie of advies.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

73


Eventueel werden de opmerkingen genoteerd als nuttige informatie voor Kind en Gezin, zodat het er rekening mee kan houden bij zijn beleidsvoorbereidende werkzaamheden.

Ontvankelijke klachten over kinderopvang De Klachtendienst noteerde in 2011 1037 ontvankelijke klachten over kinderopvang. Het ging om 243 klachten over erkende en gesubsidieerde kinderopvangvoorzieningen, zoals een kinderdagverblijf, een dienst voor onthaalouders of een daarbij aangesloten onthaalouder. 678 klachten hadden betrekking op de zelfstandige sector: 588 klachten gingen over een zelfstandig kinderdagverblijf en 90 klachten over een zelfstandige onthaalouder. Tot slot werden er 102 klachten genoteerd over enkel gemelde en 14 klachten over niet gemelde kinderopvang. Het totaal aantal ontvankelijke klachten steeg met 3 % in vergelijking met 2010.

Aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang 2010

2011

Over een erkende (en gesubsidieerde) voorziening

250

243

Over een voorziening met attest van toezicht

648

678

Over een enkel gemelde of niet-gemelde voorziening

109

116

1 007

1 037

Totaal 45. Aantal ontvankelijke klachten over kinderopvang

Voorwerp van de klachten over een kinderopvangvoorziening De inhoud van een klacht kan gescoord worden aan de hand van thema’s, met een maximum van 4 thema’s per klacht. Binnen de zelfstandige sector scoorden de volgende inhoudelijke thema’s het meest:

Klachten over veiligheid stonden op de eerste plaats. Het gaat zowel om dynamische als om statische veiligheid, bijvoorbeeld kinderen die alleen werden gelaten of waarbij het toezicht ernstige lacunes vertoonde, een opvang waar iedereen zonder enige controle binnen en buiten kon, geen veiligheidshekje voor een trap, (grote) honden die tussen de kinderen rondliepen. Bij 75 klachten van de 286 klachten over veiligheid was de Klachtendienst op het moment van de intake van de klacht ongerust over de fysieke of psychische integriteit van de opgevangen kinderen.

Klachten over communicatiestijl, onvriendelijkheid, onheus behandelen (15,2%) namen de tweede plaats in, onmiddellijk gevolgd door de klachten over pedagogisch handelen (12,9%).

Op de vierde plaats (11,7%) kwamen de klachten over de aanwezigheid van te weinig personeel in verhouding tot het aantal aanwezige kinderen.

De vijfde plaats, met 9,6%, werd ingenomen door klachten over verzorging en hygiëne door het personeel ten aanzien van de kindjes.

De vijf meest gescoorde klachtonderwerpen die genoteerd werden voor de erkende sector, zijn de volgende: Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

74


In 15,7% van de aangehaalde klachtelementen over de erkende kinderopvang werd het thema veiligheid aangebracht. Bij 22 van 59 klachtelementen over veiligheid was de Klachtendienst op het moment van de intake van de klacht ongerust over de fysieke of psychische integriteit van de opgevangen kinderen.

Met 15,4% stonden klachten over de inhoud van de geleverde prestatie op de tweede plaats, gevolgd door klachten over de communicatiestijl (14,6%).

Op de vierde plaats (met 12,0%) stonden de klachten over het pedagogisch functioneren.

De klachten over inschrijving sloten met 5,8 %, goed voor 45 klachten, de top vijf af. Dit ging voornamelijk over de toepassing van de gereglementeerde voorrangsbepaling.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

75


Hoofdstuk 4: Andere belangrijke accenten in de werking

1. Het Lokaal Overleg Kinderopvang

Het lokaal beleid kinderopvang vindt zijn oorsprong in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 houdende het lokaal beleid kinderopvang. Dit besluit trad op 19 juni 2007 in werking.

Het besluit bepaalt dat het lokaal bestuur ( de OCMW- en gemeenteraad) zijn taak betreffende de lokale regie van de kinderopvang uitoefent in overleg met Kind en Gezin. Het lokaal bestuur werkt een lokaal beleid kinderopvang uit in een lokaal beleidsplan kinderopvang, dat onderdeel is van het lokaal sociaal beleidsplan. Het lokaal beleid kinderopvang omvat zowel de voorschoolse als de buitenschoolse opvang en gaat ruimer dan de opvang die het lokaal bestuur zelf aanbiedt. Het lokaal beleidsplan kinderopvang heeft een looptijd van 6 jaar en loopt samen met de gemeentelijke bestuursperiode. Kind en Gezin vraagt advies aan de lokale besturen bij de uitbouw van opvangvoorzieningen en ondersteunt hen bij de opmaak van het lokaal beleidsplan kinderopvang.

Op 8 april 2011 gaf de Vlaamse regering haar definitieve goedkeuring aan het Planlastendecreet32. Het

Planlastendecreet

bepaalt

dat

er

aan

lokale

besturen

geen

bijkomende

plan-

en

rapporteringverplichtingen mogen worden opgelegd. Het treedt in werking op 1 januari 2014. Lokale beleidsdoelstellingen over kinderopvang moeten vanaf dan opgenomen worden in de strategische meerjarenplanning die de gemeenteraad goedkeurt. Er kan dan geen afzonderlijk beleidsplan kinderopvang meer ingediend worden.

Kind en Gezin werkt een voorstel uit om het besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 in overeenstemming te brengen met de bepalingen in het Planlastendecreet.

2. Ondersteuningsstructuur zelfstandige kinderopvang De Vlaamse regering nam sinds 2009 verschillende initiatieven om de zelfstandige kinderopvangsector te ondersteunen. Deze ondersteuning werd in 2011 verder uitgebouwd en versterkt via het Actieplan Zelfstandige Kinderopvang (29 maart 2011). De partners van het Actieplan investeren, ieder vanuit de eigen sterkte, in een integrale en geïntegreerde ondersteuning van zowel kandidaat-starters als gevestigde ondernemers in de zelfstandige kinderopvang:

Bij het sensibiliseren, informeren en oriënteren van initiatieven in de zelfstandige kinderopvang concentreert het Agentschap Ondernemen zich op de bedrijfseconomische aspecten. Dit gebeurt via de organisatie van infosessies, individuele begeleiding en het ter beschikking stellen van

32

Decreet houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

76


sectorspecifieke informatie. Daarnaast werden in 2011, meer bepaald in het kader van het ontwerpdecreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters’ (VR 18/11/11) een aantal beleidsinsteken gegeven. Voor 2011 gaf dit de volgende resultaten: 

de organisatie van 13 eigen infosessies voor starters en gevestigden in de provinciale zetels (212 deelnemers). In de interactieve infosessies wordt vooral aandacht besteed aan het werken met een ondernemingsplan en een kasplan. Via evaluatie wordt aan kwaliteitsbewaking gedaan;

de organisatie van 16 infosessies in samenwerking met of op vraag van derden (467 deelnemers). In concreto betreft het 7 Startersmarkten van Kind en Gezin, 4 sessies voor scholen met finaliteit kinderzorg, 1 sessie voor Syntra en 2 sessies voor initiatieven uitgaande van het Lokaal Overleg Kinderopvang. Op 1 en 2 oktober 2011 werd deelgenomen aan de Vakbeurs Kinderopvang te Antwerpen, waar tevens 2 infosessies georganiseerd werden;

individuele dienstverlening: 294 in totaal (103 eerstelijnsadviezen, 167 begeleidingen bij het ondernemingsplan, 24 andere);

sectorspecifieke

informatie:

gebruiksvriendelijke

ter

softwaretools

beschikking (met

het

stellen oog

op

van de

geactualiseerde opmaak

van

en het

ondernemeningsplan en het kasplan), te downloaden via de eigen website en de websites van PMV/KidsInvest en VoorZet; 

ter beschikking stellen van twee nieuwe sectorspecifieke brochures (digitaal en in hardcopy): ‘Mijn eigen zaak – kinderopvang’ en ‘Leidraad overnemen in de zelfstandige kinderopvang’;

investeringsfonds KidsInvest: promotie en 28 begeleidingen;

redactioneel werk over de sector voor andere stakeholders;

initiatieven in moeilijkheden: 28 begeleidingen specifiek in het kader van het ‘Actieplan zelfstandige kinderopvang.

In 2011 werd in het kader van afstemming en kennisdeling veel aandacht besteed aan het gestructureerd overleg met Kind en Gezin en PMV/KidsInvest. Dit overleg wordt bilateraal en in tripartiete georganiseerd. In het kader van de implementatie van het ‘Actieplan zelfstandige kinderopvang’ maakt het Agentschap Ondernemen deel uit van de hiervoor voorziene BackOffice. 

De Vlaamse investeringsmaatschappij PMV richtte in 2009 KidsInvest op, een investeringsfonds dat alleen voor de zelfstandige kinderopvangsector beschikbaar is. De leningen van KidsInvest hebben een achtergesteld karakter en worden verschaft aan marktconforme voorwaarden. Het achtergestelde karakter vergemakkelijkt de toegang tot extra bankfinanciering. Dankzij de kapitaalvrijstelling van 12 maanden krijgen de ondernemers voldoende financiële zuurstof om hun zaak volop te laten bloeien. Voorwaarde is wel dat zij een businessplan en een kasplan kunnen indienen die voldoen aan bedrijfseconomische criteria. Sinds de oprichting werden 66 leningen afgesloten, wat overeenstemt met 2244 nieuwe plaatsen in de zelfstandige kinderopvang. Er

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

77


wordt gemiddeld 1000 euro per plaats geïnvesteerd. Opvallend is dat de schaalgrootte van de voorzieningen sterk toeneemt. Sinds juli 2011 biedt KidsInvest ook werkkapitaalkredieten aan voor ondernemers die een tijdelijk kritieke toestand financieel willen overbruggen. In totaal werden 4 werkkapitaalkredieten toegekend in 2011.

Onder de naam VoorZet is sinds eind september 2010 een ondersteuningsstructuur actief op het terrein, specifiek gericht op de pedagogische werking van de zelfstandige kinderopvang. VoorZet heeft een uitgebreide informatieve website (www.voorzet.be) en een telefonische en digitale advieslijn. VoorZet heeft een starterservice uitgebouwd, is actief aanwezig op de Startersmarkten van Kind en Gezin en ondersteunt de starters door bezoeken te brengen. Verder heeft VoorZet ook een begeleidingstraject op maat voor risicovoorzieningen. Op het vlak van vorming is een vormingsdatabase beschikbaar op de webstek. Op het vlak van netwerking stimuleert VoorZet het meterschap en werden in 2011 verschillende contactgroepen opgestart en begeleid. Hiervan zijn er intussen een aantal ontbonden, nieuwe zijn opgestart en bestaande worden verder gecoacht. VoorZet heeft ook getracht om in te spelen op de noden van de sector. Zo werden in het najaar van 2011 5 infosessies over inspectie georganiseerd in de verschillende provincies, in samenwerking met ZorgInspectie en Kind en Gezin.

UnieKO

kreeg

in

2011

een

specifieke

opdracht

ter ondersteuning

van

de

zelfstandige

kinderopvang. Deze opdracht is enerzijds gericht op de ondersteuning van de zelfstandige kinderopvangvoorzieningen in kritieke toestand en anderzijds op het begeleiden van de zelfstandige kinderopvangvoorzieningen in de overgang naar het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters. Daarnaast biedt UnieKO ook startersadvies, vorming en trefpuntwerking aan en wil UnieKO de belangen van de werkgevers in de zelfstandige kinderopvang behartigen. Tot slot voerde UnieKO eind 2011 bij zelfstandige onthaalouders een bevraging uit naar hun specifieke knelpunten en noden. UnieKO lijstte de knelpunten op die met de federale overheid verder moeten worden opgenomen met betrekking tot de zelfstandige kinderopvangsector (onder meer: fiscaliteit en Paritair Comité 331). 3. Sociaal statuut onthaalouders Het Vlaamse aanbod van kinderopvang bestaat voor een belangrijk deel uit onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst. Zij staan in voor bijna 40% van de plaatsen in de voorschoolse opvang. Het onthaalouderschap vindt zijn oorsprong in een vrijwillige dienstverlening en groeide uit tot een semiprofessionele opvangactiviteit, zodat de onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst op 1 april 2003 een sociaal statuut kregen dat aangepast is aan hun specifieke werksituatie. De lage ontvangsten die men verwerft uit de kostenvergoeding en de onvolledigheid van het eigen statuut op het gebied van arbeidsrechtelijke bescherming (geen werkloosheidsuitkering, geen vakantiegeld) worden door veel aangesloten onthaalouders als een knelpunt ervaren. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

78


Zowel de huidige Vlaamse als de Federale Regering in de vorige legislatuur hebben daarom het vaste voornemen geuit om te voorzien in een werknemersstatuut voor onthaalouders aangesloten bij een dienst. In 2009 werd het overleg opgestart tussen de gemeenschappen en de federale overheid om tot een werkbaar statuut te komen. Door de val van de Federale Regering in april 2010 kon dit overleg niet worden verder gezet maar de Vlaamse regering heeft wel, in het kader van de opmaak van het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters, verder de mogelijkheden onderzocht om tot een volwaardig statuut te komen op Vlaams niveau. De studie van prof. Bundervoet en de heer Blanpain over de implicaties van het werken met onthaalouders-werknemers (2007) bood bij deze voorbereidingen een degelijke, juridisch onderbouwde basis. Ook in 2011 werd verder overleg gepleegd met de sector over de gevolgen van een volwaardig werknemersstatuut voor de werking van de diensten en de gezinsopvang in het algemeen. De bevindingen, bekommernissen en voorstellen die dit overleg opleverden, zullen worden meegenomen bij de verdere ontwikkelingen in het kader van het sociaal statuut van de onthaalouders aangesloten bij een dienst. 4. Kinderopvang met sociale functie Samen met zijn partner VBJK startte Kind en Gezin in 2009 het begeleidingstraject ‘Kinderopvang met sociale functie’ op. Dit traject richt zich naar de begeleiders en pedagogische ondersteuners die concreet aan de slag willen gaan met de sociale functie in hun organisatie, regio of netwerk. Omwille van het belang van de sociale functie werd een traject opgezet dat over een aantal jaren is gespreid en dat effecten op lange termijn kan bekomen. Dit traject heeft als voordeel dat verantwoordelijken van kinderopvanginitiatieven, bij het realiseren van de sociale functie, ondersteund kunnen worden door begeleiders, pedagogische ondersteuners en collega-verantwoordelijken. In 2011 namen 13 pedagogische ondersteuners uit 10 organisaties deel aan 2 intervisiesessies. Tijdens deze intervisies wordt de sociale functie naar de praktijk van de diverse opvangvormen vertaald. Good practices werden verzameld om ook andere opvanginitiatieven te ondersteunen.

De stuurgroep Kinderopvang met Sociale Functie volgt dit begeleidingstraject op en formuleert nieuwe voorstellen op vlak van ondersteuning met het oog op de toegankelijkheid en de sociale functie van kinderopvang.

Aan

de

stuurgroep

nemen

koepelorganisaties,

grote

organiserende

besturen,

vormingsorganisaties en de ondersteuningsstructuur voor de zelfstandige sector VoorZet deel.

5. Registratie van de voorrangsgroepen

Op 5 december 2008 keurde de Vlaamse regering een aantal wijzigingen goed aan het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Dit wijzigingsbesluit introduceerde onder andere

de

huidige

voorrangsregeling

voor

erkende

kinderdagverblijven

en

diensten

voor

onthaalouders.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

79


Verder bepaalde het wijzigingsbesluit dat de opvangvoorzieningen ten laatste tegen 1 januari 2010 hun opnamebeleid aan deze bijgestuurde voorrangsregels moesten aanpassen. Het aangepaste opnamebeleid moest worden vermeld in het kwaliteitshandboek, het huishoudelijk reglement en de folders bestemd voor de ouders.

De

voorrangsregels

gelden

voor

minstens

20%

van

de

opvangcapaciteit

van

de

erkende

kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. De voorrang geldt voor kinderen: A. van alleenstaande ouders die door werkomstandigheden of het volgen van een opleiding hun kinderen tijdens de dag niet zelf kunnen opvangen; B. van wie de ouders een arbeidsinkomen hebben dat lager ligt dan 14.418,73 euro (geldig tot 30 september 2011), en die door werkomstandigheden of door het volgen van een opleiding hun kinderen tijdens de dag niet zelf kunnen opvangen; C. van wie de ouders een inkomen hebben dat lager ligt dan 14.418,73 euro (geldig tot 30 september 2011) en voor wie kinderopvang een belangrijke factor is met het oog op hun economische en maatschappelijke participatie; D. voor wie het vanwege sociale en/of pedagogische motieven wenselijk is dat zij gedurende de dag opvang en begeleiding krijgen buiten het eigen gezin.

De implementatie van de voorrangsregels werd gekoppeld aan een registratie. Zo krijgt Kind en Gezin een zicht op de mate waarin de voorrangsregels worden toegepast. Deze registratie bestaat uit het noteren van: ď&#x201A;ˇ

het totaal aantal kinderen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in een kalenderjaar;

ď&#x201A;ˇ

het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in datzelfde kalenderjaar.

In het eerste kwartaal van 2010 gebeurde een nulmeting. Op het einde van 2010 (vierde kwartaal) volgde een tweede meting. In 2011 (vierde kwartaal) heeft Kind en Gezin de registratie gewijzigd door bijkomend een opsplitsing per voorrangsgroep te vragen. De meest relevante resultaten van deze vernieuwde registratie van de voorrangsgroepen worden hieronder weergegeven en vergeleken met de totaalresultaten bekomen in 2010. 5.1.

51,7%

van

De erkende kinderdagverblijven

de

erkende

kinderdagverblijven33

behaalt

in

2011

de

vooropgestelde

20%

voorrangsgroepen (de verhouding van het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2011 ten opzichte van het totaal aantal kinderen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2011 ). In 2010 was dit 48,4%.

33

Alle erkende kinderdagverblijven hebben hun registratie van voorrangsgroepen ingeleverd bij Kind en Gezin.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

80


Het gemiddeld percentage voorrangsgroepen dat de erkende kinderdagverblijven behalen, bedraagt 21,0%. In 2010 was dit 20,1%. De mediaan34 van het percentage voorrangsgroepen bij de erkende kinderdagverblijven bedraagt 20,2% (19,0% in 2010).

46. Aantal (%) erkende voorrangsgroepen. 5.2.

24,9%

van

kinderdagverblijven

in

functie

van

het

behaalde

totaalpercentage

De diensten voor onthaalouders

de

diensten

voor

onthaalouders35

(N=47)

behaalt

de

vooropgestelde

20%

voorrangsgroepen (verhouding van het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2011 ten opzichte van het totaal aantal kinderen dat minstens 1 maal in de opvang aanwezig was in 2011). Het percentage voorrangsgroepen dat de diensten voor onthaalouders gemiddeld behalen, bedraagt 15,3%. In 2010 was dit 19,0%. De mediaan36 van het percentage voorrangsgroepen bij de diensten voor onthaalouders ligt op 14,9% (16,3% in 2010).

34

Wanneer alle waarnemingen worden gerangschikt van laag naar hoog is de middelste waarde de mediaan. Per definitie zijn 50% van de waarnemingen lager en 50% hoger dan de mediaanwaarde. 35 Alle diensten voor onthaalouders hebben hun registratie van voorrangsgroepen ingeleverd bij Kind en Gezin. 36 Wanneer alle waarnemingen worden gerangschikt van laag naar hoog is de middelste waarde de mediaan. Per definitie zijn 50% van de waarnemingen lager en 50% hoger dan de mediaanwaarde.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

81


47. Aantal (%) diensten voor onthaalouders in functie van het behaalde totaalpercentage voorrangsgroepen. Er zijn echter zeer grote verschillen tussen de opvangvoorzieningen onderling. Bij de erkende kinderdagverblijven heeft de helft van de voorzieningen een score tussen 12,0% en 27,4%. Bij de diensten voor onthaalouders scoort 50% van de voorzieningen tussen 9,7 en 19,9%. De spreiding van de voorrangsscores is zeer groot, zowel bij de kinderdagverblijven als bij de diensten voor onthaalouders. Bij de kinderdagverblijven variĂŤren de scores zelfs van 0 tot 100%. Bij de diensten voor onthaalouders variĂŤren die van 1,7 tot 48,7%.

48. Spreidingsvoorstelling van het totaalpercentage voorrangsgroepen per voorzieningstype (erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders) met een erkenning van Kind en Gezin

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

82


5.3.

Detail per voorrangsgroep bij erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders

Sinds 2011 wordt niet alleen het totaal aantal kinderen komende uit voorrangsgroepen geregistreerd, maar ook de details per type voorrangsgroep. Er zijn vier voorrangsgroepen (zie vroeger). Eén kind kan natuurlijk tot meerdere voorrangsgroepen behoren. Diensten voor onthaalouders 15,3%

Erkende kinderdagverblijven 21,0%

A. % kinderen van alleenstaande ouders, die kinderen niet kunnen opvangen, omwille van werk of opleiding

9,5%

10,6%

B. % kinderen van ouders met laag inkomen, die kinderen niet kunnen opvangen, omwille van werk of opleiding C. % kinderen van ouders met laag inkomen, kinderopvang belangrijk voor participatie

4,5%

6,5%

2,2%

3,8%

D. % kinderen voor wie het omwille van sociale of pedagogische motieven wenselijk is dat ze worden opgevangen.

3,5%

6,9%

Voorrangsgroep Gemiddeld behaald % voorrangsgroepen

49. % kinderen per voorrangsgroep bij diensten voor onthaalouders en erkende kinderdagverblijven.

5.4 Zelfstandige kinderdagverblijven en onthaalouders met inkomensgerelateerde (IKG) bijdrage

Voor de zelfstandige opvang met IKG werden in de IKG-database gegevens verzameld die toelaten bij benadering op te volgen hoeveel kinderen uit de eerste, tweede en derde categorie van de voorrangsgroepen opgevangen worden. Over de 4de categorie zijn geen gegevens beschikbaar in de IKG-database. De gegevens van erkende kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders enerzijds en IKG-voorzieningen anderzijds zijn niet volledig vergelijkbaar.

De kenmerken van de voorrangsregels die binnen dit kader gebruikt werden zijn immers: 

hetzij een alleenstaande ouder;

hetzij een gezamenlijk inkomen lager dan of gelijk aan een bepaalde inkomensgrens (14 418,73 tot 30/9/2011; 14 330,6 vanaf 1/10/2011).

In 2011 werden er bij de IKG-voorzieningen 23 912 unieke kindcodes met minstens 1 aanwezigheid geregistreerd. 13,7% van deze unieke kindcodes draagt een kenmerk dat aangeeft dat het kind tot een voorrangsgroep behoort. Dit is een daling met 1,7% ten opzichte van 2010.

Voor bijna ¼ van de kinderen behorend tot een voorrangsgroep is dit enkel omwille van het lage gezamenlijke inkomen. Dit is een daling met 3,8% in vergelijking met 2010.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

83


We merken dat zelfstandige IKG-voorzieningen gelegen in de provincies Antwerpen en Vlaams Brabant (met inbegrip van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) een relatief hoger percentage voorrangsgroepen behalen. Behoort tot voorrangsgroep 15,7%

Provincie Antwerpen Limburg

13,3%

Oost-Vlaanderen

13,2%

Vlaams Brabant (met inbegrip van Brussels Hoofdstedelijk Gewest)

16,0%

West-Vlaanderen

11,2%

Totaal

13,7%

50.

%

kinderen

dat

behoort

tot

een

voorrangsgroep

in

zelfstandige

voorzieningen

die

inkomensgerelateerd werken met minstens 1 aanwezigheid in 2011 6. Attestering kennis Nederlands Heel wat opvangvoorzieningen (vooral binnen de provincie Vlaams-Brabant en in Brussel) hebben een verantwoordelijke of medewerkers waarvan de moedertaal niet het Nederlands is. Omdat de regelgeving de kennis van het Nederlands verplicht voor alle verantwoordelijken van zelfstandige opvanginitiatieven en voor het personeel in dienst van erkende (en gesubsidieerde) voorzieningen, wordt een bewijs van kennis van het Nederlands opgevraagd. De taalexamens die momenteel in aanmerking komen, zijn zowel wat betreft organisatie als niveau onvoldoende afgestemd op kinderopvang. Kind en Gezin is daarom op zoek naar een alternatief voor het testen van de kennis van het Nederlands. Kind en Gezin heeft binnen dit kader twee acties ondernomen in 2011: 

Kind en Gezin schreef een onderzoeksopdracht uit om de vereisten te bepalen op het vlak van de taalvaardigheid Nederlands voor een begeleider en een verantwoordelijke in de kinderopvang van baby’s en peuters (voorschoolse kinderopvang). Dit onderzoek werd uitbesteed aan het Centrum voor Taal en Onderwijs verbonden aan de KU Leuven en startte in het najaar van 2011. Het zal in 2012 worden afgerond.

Kind en Gezin had contacten met het Departement Onderwijs om alternatieve attesteringsproeven mogelijk te maken. Deze contacten zullen verder lopen in 2012.

7. Onderzoeken Als input voor de uitwerking van het toekomstige decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters en de uitvoerende

regelgeving,

heeft

Kind

en

Gezin

in

2011

twee

enquêtes

afgenomen

bij

opvangvoorzieningen:

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

84


Onderzoek naar de grootte en het gebruik van de buitenspeelruimte in de formele kinderopvang.

Via een enquête bij 1422 voorzieningen en onthaalouders heeft Kind en Gezin37 een goed beeld verkregen van de situatie met betrekking tot de buitenspeelruimte in de Vlaamse en Brusselse formele kinderopvang (erkend en met een attest van toezicht). Enkele resultaten:

2,8% van de gezinsopvang heeft geen buitenspeelruimte.

Bijna elke groepsopvang beschikt over een buitenspeelruimte.

Kinderopvang zonder buitenspeelruimte treffen we eerder aan in Brussel - hoofdstad en in centrumsteden.

Gemiddeld beschikt een opvangvoorziening of onthaalouder over twee buitenspeelruimtes, doorgaans een combinatie van tuin en terras.

De buitenspeelruimte wordt alleen gebruikt als het weer het toelaat.

Ook als er een buitenspeelruimte is, wordt nog op een andere manier met de kinderen naar buiten gegaan.

Meer informatie over deze bevraging is beschikbaar op de website van Kind en Gezin via de volgende link: http://www.kindengezin.be/brochures-en-rapporten/rapporten/kinderopvang/ 

Korte bevraging van de diensten voor onthaalouders rond de verhouding voorschoolse en buitenschoolse opvang bij hun aangesloten onthaalouders.

In totaal namen 111 diensten deel aan deze bevraging. Zij vertegenwoordigen 60% van het totaal aantal aangesloten onthaalouders38. De enquête omvatte 4 vragen: 

Hoeveel van uw aangesloten onthaalouders vangen momenteel uitsluitend schoolgaande kinderen op?

Hoeveel van uw aangesloten onthaalouders vangen momenteel uitsluitend baby’s en peuters op?

Hoeveel van uw aangesloten onthaalouders vangen momenteel zowel schoolgaande kinderen als baby’s en peuters op?

Hoeveel van uw aangesloten onthaalouders staan momenteel open voor het aanbieden van opvang van zowel schoolgaande kinderen als baby’s en peuters?

37

De enquête werd online uitgevoerd (met uitzondering van de aangesloten onthaalouders die postaal door Kind en Gezin werden bevraagd) door Synovate, een onafhankelijk marktonderzoeksbureau. De verwerking van de verzamelde data gebeurde door Kind en Gezin. 38 Situatie medio december 2011. Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

85


Op basis van deze steekproef blijkt het volgende:

6% van de aangesloten onthaalouders (of een equivalent van meer dan 1500 plaatsen) vangt uitsluitend schoolgaande kinderen op. Dit percentage ligt hoger in de provincie WestVlaanderen (8,8%).

Meer dan de helft van de aangesloten onthaalouders (55,5%) vangt uitsluitend baby's en peuters op. In de provincies Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant loopt dit op tot net boven de 60%.

Bijna 4 op de 10 aangesloten onthaalouders vangt schoolgaande kinderen op samen met baby's en peuters. Deze opvangvorm komt in hogere mate in de provincie Antwerpen voor.

Net niet de helft van de aangesloten onthaalouders (49,1%) staat open voor de opvang van schoolgaande kinderen samen met baby's en peuters. In de provincie Oost-Vlaanderen staat het minst aantal aangesloten onthaalouders hiervoor open.

Ten gevolge van de uitvoering van het decreet zal het kinderopvanglandschap er volledig anders gaan uitzien. Ook na implementatie van het decreet zal een concrete invulling moeten worden gegeven aan relevante beleidsinformatie, nodig om het vernieuwde kinderopvanglandschap te monitoren, te evalueren en bij te sturen. Bijkomende gegevens zullen in het veld geregistreerd, verzameld en gerapporteerd moeten worden. Dit betekent dat de huidige registratiesystemen bij Kind & Gezin zullen moeten worden herzien in functie van de bepalingen van het decreet. Om zich hierop voor te bereiden, heeft Kind en Gezin in 2011 in samenwerking met een externe consultant, een behoeftestudie uitgevoerd om zowel de externe behoeften (kabinet, publiek, pers, …) als de interne behoeften binnen Kind & Gezin rond kinderopvang in kaart te brengen. Hieruit werden de verschillende informatiedomeinen naargelang hun relevantie geïdentificeerd en werd een concreet plan van aanpak voor 2012 uitgewerkt. Verder liet Kind en Gezin in 2011 een vooronderzoek uitvoeren in functie van de ontwikkeling van een meetinstrument voor de pedagogische kwaliteit in de voorschoolse kinderopvang. Dit vooronderzoek had als doel, vooraleer tot de eigenlijke ontwikkeling van een instrument over te gaan, na te gaan welke aspecten van belang zijn om binnen dit kader te weerhouden, vertrekkend vanuit reeds bestaande (nationale en/of internationale) instrumenten en nationale en internationale literatuur. Conform de conclusies van dit vooronderzoek is duidelijk dat om het meten, het monitoren en het bevorderen van kwaliteit in de voorschoolse kinderopvang er verschillende maar met elkaar verbonden instrumenten nodig zijn: 

Voor het meten van kwaliteit moet een wetenschappelijk instrument worden uitgebouwd waardoor een globaal beeld van de pedagogische kwaliteit in het geheel van voorschoolse kinderopvangvoorzieningen wordt verkregen.

Daarnaast moet een instrument uitgebouwd worden, afgeleid van het wetenschappelijk instrument, te gebruiken door een controlerende instantie, waarmee de pedagogische kwaliteit van een individuele opvangvoorziening via monitoring wordt bewaakt.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

86


Voor het bevorderen van kwaliteit moet een instrument ontwikkeld worden dat de voorziening kan gebruiken om de eigen werking te evalueren en bij te werken. Dit instrument moet in overeenstemming zijn met het wetenschappelijk en het monitoringsinstrument.

Bovendien, aldus het vooronderzoek, moet voorafgaand aan de ontwikkeling van deze instrumenten een pedagogisch raamwerk worden uitgebouwd, wat een gemeenschappelijk basis zal vormen voor de drie instrumenten. De opdracht tot het uitbouwen van een pedagogisch raamwerk en het ontwikkelen van drie instrumenten om de kwaliteit in de voorschoolse kinderopvang te meten, te monitoren en te bevorderen zal in 2012 worden uitgeschreven en gegund.

Tot slot heeft Kind en Gezin in 2010 de opdracht tot de registratie van het aantal kinderen per begeleider/onthaalouders in de Vlaamse, formele, voorschoolse kinderopvang gegund aan HIVA, het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving. Meer in het bijzonder bestond de opdracht uit het op een wetenschappelijk onderbouwde manier in kaart te brengen van de huidige situatie met betrekking tot het aantal kinderen per begeleider/onthaalouder in de voorschoolse kinderopvang (Vlaams Gewest). Deze onderzoeksresultaten moeten Kind en Gezin toelaten 

tot goed onderbouwde voorstellen te komen met betrekking tot een aanwezigheidsnorm voor het toekomstige gehele voorschoolse kinderopvanglandschap (vergunde gezinsopvang en groepsopvang);

de verschuivingen in te schatten die de voorstellen met betrekking tot een aanwezigheidsnorm in alle deelsectoren al dan niet met zich kunnen meebrengen.

In 2011 leverde HIVA het eindrapport met de onderzoeksresultaten af. Met deze vaststellingen is Kind en Gezin aan de slag gegaan in functie van de uitvoeringsbesluiten van het decreet houdende de organisatie van de Kinderopvang van Baby’s en Peuters. Tot deze werkzaamheden behoort tevens het inschatten

van

de

mogelijke

impact

op

de

organisatiekost.

Omdat

dit

een

moeilijke

evenwichtsoefening is die bovendien veelvuldig en intensief overleg vergt, zal dit proces ook nog in 2012 vervolgd moeten worden. De effectieve beslissingen ter zake zullen te nemen zijn op het politieke niveau.

8. Kinderopvang op de website van Kind en Gezin Kind en Gezin ondersteunt ouders in hun zoektocht naar opvang door informatie en opvangadressen via onder andere de website ter beschikking te stellen. Ook de opvangsector, starters en het lokaal beleid vinden er uitgebreide info om hun werking te ondersteunen.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

87


De nieuwe website van Kind en Gezin ging online op vrijdag 6 mei 2011. Na een grondige analyse in samenwerking met externe partners en na bevragingen en testsessies bij verschillende doelgroepen, zijn dit de belangrijkste veranderingen:

Er hoeft niet langer een keuze te worden gemaakt tussen ouder of professional.

Alle inhoud is voor iedereen beschikbaar, tenzij het om echt vertrouwelijke informatie gaat. Het extranet voor cb-artsen blijft daarom bestaan.

Alle inhoud staat nog op één plaats. Zo blijft de inhoud steeds up to date. Er wordt veel gelinkt naar andere pagina’s of thema’s.

De thema’s worden de belangrijkste ‘ingangspoorten’ van de website. De inhoud van levensfasen zijn korte vlotte teksten met veel verwijzingen naar de hoofdthema’s.

Er komt nooit directe informatie op de homepage. Zo blijft die overzichtelijk.

Er is bewust gekozen voor beelden in etherische stijl zoals in de brochures. De beelden geven de site een mooie, rustige en hedendaagse uitstraling.

Korte filmfragmenten zijn geïntegreerd bij bepaalde thema’s.

Alle brochures en publicaties kunnen vlot worden bekeken.

De informatie wordt niet langer aangeboden volgens het vraag – en - antwoordprincipe, maar aan de hand van vlotte leesbare teksten met diepte-informatie voor mensen die ‘meer willen weten’.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

88


BIJLAGE: REGELGEVING

Deze bijlage geeft het regelgevende kader weer zoals het zich voordeed in februari 2012. Om een duidelijk beeld te scheppen, is er een opdeling gemaakt in: 1.Basisregelgeving.

Hierin

worden

de

basisprincipes

weergegeven

van

waaruit

elke

kinderopvangvoorziening moet vertrekken; 2.Regelgeving per kinderopvangvorm waarin de specifieke regels met betrekking tot de kinderopvangvoorzieningen zelf worden behandeld (attest van toezicht, erkenning, subsidies); 3.Andere regelgeving met impact op kinderopvang. Deze rubriek gaat over de regels die van belang zijn voor kinderopvangvoorzieningen zonder de voorziening zelf te regelen.

De meeste regelgeving betreft Vlaamse regelgeving, onder rubriek 3 vindt men ook federale regelgeving, dit gaat over federale materies. Onder ieder punt vindt men het opschrift van het besluit weer. Dit opschrift geeft kort weer wat het besluit bepaalt of regelt.

Om een duidelijk overzicht te houden, zijn de referenties van de wijzigingsbesluiten niet opgenomen in de opschriften. De geconsolideerde versie van een besluit, waarin de wijzigingen zijn verwerkt, staan

op

de

website

van

Kind

en

Gezin

of

op

deze

website

link

http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_wet/wet.pl (Klik verder op Belgische wetgeving, waarop zich een pagina opent, waar men de datum van het besluit en ‘BS-datum’ kan invullen. Hierop wordt een lijst weergegeven van besluiten. Klik het op te zoeken besluit aan en het geconsolideerd besluit wordt weergegeven (met de wijzigingen, en een weergave van de wijzigingsbesluiten).

1. Basisregelgeving

Kinderrechten Internationaal Verdrag van 20 november 1989 (BS 13 juli 1991) inzake de Rechten van het Kind. Dit verdrag omvat alle fundamentele rechten van kinderen. Volgens dit verdrag zijn kinderen volwaardige burgers en hebben ze zowel recht op bescherming als recht op inspraak. Het verdrag vormt het referentiekader voor elke voorziening voor kinderen, dus ook voor de kinderopvang. Dit betekent dat elke regelgeving de basisrechten van kinderen moet respecteren.

Kind en Gezin: oprichting en bevoegdheden Decreet van 30 april 2004 (BS 7 juni 2004) tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin. Dit decreet richt het IVA met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin op, bepaalt de taken, bevoegdheden en middelen, alsook de organisatie en het beheer van het agentschap.

Besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 (BS 31 mei 2006) betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van de regelgeving tot oprichting Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

89


van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

Besluit van 2 maart 2007 (BS 28 juni 2007) tot regeling van de werking van het Intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid.

Bevoegdheden administrateur-generaal Kind en Gezin Besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 (BS 1 december 2003) tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid.

Ministerieel besluit van 5 maart 2007 (BS 23 maart 2007) tot toekenning van een aanvullende delegatie aan het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin.

Ministerieel besluit van 5 juni 2009 (BS 25 juni 2009) tot toekenning van een specifieke delegatie aan het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin.

Bevoegdheden afdelingshoofden en personeelsleden Kind en Gezin Besluit van 16 mei 2006 (BS 31 mei 2006) van de administrateur-generaal tot delegatie van sommige bevoegdheden aan de afdelingshoofden en andere personeelsleden van Kind en Gezin. Inspectie Besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 (BS 6 mei 2004) tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Zorginspectie. VIPA Kinderdagverblijven kunnen onder bepaalde voorwaarden een investeringssubsidie voor gebouwen genieten. Hiervoor kunnen zij zich richten tot VIPA. Decreet van 2 juni 2006 (BS 24 augustus 2006) tot omvorming van het Vlaams Infrastructuurfonds voor

Persoonsgebonden

Aangelegenheden

tot

een

intern

verzelfstandigd

agentschap

met

rechtspersoonlijkheid, en tot wijziging van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Besluit van de Vlaamse Regering van 4 maart 2011 (BS 28 maart 2011) tot vaststelling van de totale investeringssubsidie en de bouwtechnische en bouwfysische normen voor de sector van de voorzieningen voor gezinnen met kinderen. Besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 1999 (BS 10 september 1999) houdende de procedureregels inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden. Besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006 (BS 31 mei 2006) betreffende het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

90


van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein.

2. Regelgeving per opvangvorm Iedere kinderopvang op bestendige wijze Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (BS 2 april 2009) houdende de regeling van de melding aan Kind en Gezin van opvang op bestendige wijze. Zelfstandige kinderdagverblijven, onthaalouders en buitenschoolse opvangvoorzieningen Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (BS 23 april 2009) houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 24 april 2009 (BS 27 mei 2009) houdende de regeling van het attest van toezicht voor zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 24 april 2009 (BS 26 mei 2009) houdende de vaststelling van de wijze waarop zelfstandige onthaalouders en verantwoordelijken van zelfstandige opvangvoorzieningen de kennis van het Nederlands kunnen bewijzen.

Ministerieel besluit van 26 februari 2009 (BS 17 maart 2009) betreffende het attest van een basisopleiding

levensreddend

handelen

bij

kinderen

voor

onthaalouders

en

personeel

in

kinderopvangvoorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (BS 9 april 2009) houdende de voorwaarden inzake financiĂŤle ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 21 april 2009 (BS 13 mei 2009) houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiĂŤle ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) betreffende de vergoeding van installatiekosten aan onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) houdende de toekenning van een verzekering persoonlijke ongevallen aan onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 (BS 21 november 2008) houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

91


Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 25 november 2009) betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven.

Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 (BS 9 juni 2009) houdende de regeling van inkomensgerelateerde opvang bij zelfstandige opvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 3 maart 2010 (BS 29 maart 2010) tot bepaling van de kwalificatiebewijzen voor medewerkers en verantwoordelijken van kinderopvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 23 januari 2012 betreffende de toekenning van de overheidsopdracht voor diensten van debiteurenbeheer voor de inkomensgerelateerde kinderopvang uitgeschreven door het IVA Kind en Gezin.

Erkende kinderdagverblijven, diensten voor onthaalouders en aangesloten onthaalouders Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 (BS 19 april 2001) houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiĂŤring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011 tot regeling van het kwaliteitsbeleid in de erkende kinderopvangvoorzieningen

Ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 27 juli 2001) houdende de vaststelling van de procedure tot het verlenen, het verlengen, het weigeren of het intrekken van een principieel akkoord, een erkenning en subsidiĂŤring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Ministerieel besluit van 26 februari 2009 (BS 17 maart 2009) betreffende het attest van een basisopleiding

levensreddend

handelen

bij

kinderen

voor

onthaalouders

en

personeel

in

kinderopvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 16 mei 2007 (BS 8 juni 2007) betreffende de bepaling van de forfaitaire subsidiebedragen voor het basisaanbod van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 (BS 30 januari 2002) betreffende de vergoeding van installatiekosten aan onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 (BS 16 mei 2006) betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Kind en Gezin â&#x20AC;&#x201C; Jaarverslag Kinderopvang 2011

92


Ministerieel besluit van 17 mei 2006 (BS 15 juni 2006) houdende de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in kinderdagverblijven, de diensten voor onthaalouders, de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning.

Ministerieel besluit van 28 mei 2008 (BS 16 juni 2008) houdende de voorwaarden waaraan onthaalouders moeten voldoen om aangesloten te worden en te blijven bij een dienst voor onthaalouders en de voorwaarden voor samenwerking tussen onthaalouders.

Ministerieel besluit van 10 september 2008 (BS 26 september 2008) betreffende de vergoeding voor aangesloten onthaalouders en diensten voor onthaalouders.

Ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven.

Ministerieel besluit van 9 mei 2007 (BS 29 mei 2007) houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend.

Ministerieel besluit van 21 april 2009 (BS 13 mei 2009) houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 (BS 20 augustus 2008) houdende de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 (BS 24 augustus 2009) houdende de voorwaarden voor de erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening, coördinatiepunt en flexibele opvangpool van doelgroepwerknemers.

Ministerieel besluit van 17 maart 2008 (BS 8 april 2008) tot bepaling van de financiële bijdrage van de gezinnen voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 (BS 21 november 2008) houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 25 november 2009) betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

93


preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven.

Ministerieel besluit van 12 juni 2008 (BS onbekend) tot bepaling van de tewerkstellingsprogramma’s die specifiek gericht zijn op werken in de kinderopvang en waarvoor een premie voor gesubsidieerde contractuelen verkregen wordt.

Ministerieel besluit van 1 april 2003 (BS 6 mei 2003) tot vastlegging van de modaliteiten betreffende de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen ten behoeve van diensten voor opvanggezinnen en aangesloten opvanggezinnen.

Ministerieel besluit van 1 april 2003 (BS 7 mei 2003) tot vastlegging van het bedrag, toegekend aan de diensten voor onthaalouders in het kader van de verzekering voor arbeidsongevallen voor aangesloten onthaalouders.

Ministerieel besluit van 3 maart 2010 (BS 29 maart 2010) tot bepaling van de kwalificatiebewijzen voor medewerkers en verantwoordelijken van kinderopvangvoorzieningen. Initiatieven voor buitenschoolse opvang Besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 (BS 27 april 2001) houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011 tot regeling van het kwaliteitsbeleid in de erkende kinderopvangvoorzieningen.

Ministerieel besluit van 12 juni 2001 (BS 23 augustus 2001) houdende de vaststelling van de procedure tot het verlenen, het verlengen, het weigeren of het intrekken van een principieel akkoord, een erkenning en subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 6 september 2001) houdende de voorwaarden inzake subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang.

Ministerieel besluit van 26 februari 2009 (BS 17 maart 2009) betreffende het attest van een basisopleiding

levensreddend

handelen

bij

kinderen

voor

onthaalouders

en

personeel

in

kinderopvangvoorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 (BS 16 mei 2006) betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

94


Ministerieel besluit van 17 mei 2006 (BS 15 juni 2006) houdende de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, in kinderdagverblijven, de diensten voor onthaalouders, de initiatieven voor buitenschoolse opvang en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning.

Besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 (BS 21 november 2008) houdende de normen van preventie van brand in de voorzieningen voor kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 25 november 2009) betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven.

Ministerieel besluit van 9 juli 2001 (BS 29 augustus 2001) houdende de voorwaarden voor het organiseren van en de bepalingen over de toestemming voor en de subsidiëring van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in kinderdagverblijven.

Ministerieel besluit van 9 mei 2007 (BS 29 mei 2007) houdende de voorwaarden tot toestemming en een bijbehorende financiële ondersteuning voor het realiseren van een verruimd aanbod in de vorm van flexibele en/of occasionele opvang in kinderdagverblijven en initiatieven voor buitenschoolse opvang die door Kind en Gezin worden erkend.

Ministerieel besluit van 21 april 2009 (BS 13 mei 2009) houdende de voorwaarden tot toekenning van een extra financiële ondersteuning voor de inclusieve opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte aan organiserende besturen en voorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 (BS 20 augustus 2008) houdende de voorwaarden voor toestemming en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang.

Besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 (BS 24 augustus 2009) houdende de voorwaarden voor de erkenning en subsidiëring als gemandateerde voorziening, coördinatiepunt en flexibele opvangpool van doelgroepwerknemers.

Ministerieel besluit van 3 maart 2010 (BS 29 maart 2010) tot bepaling van de kwalificatiebewijzen voor medewerkers en verantwoordelijken van kinderopvangvoorzieningen.

Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2010 (BS 20 juli 2010) houdende de subsidiëring van initiatieven voor buitenschoolse opvang en van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in het kader van het Generatiepact.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

95


Ministerieel

besluit

van

25

juni

2010

(BS

22

juli

2010)

houdende

de

toekenning

van

doelgroepwerknemers aan initiatieven voor buitenschoolse opvang en van buitenschoolse opvang in aparte lokalen in het kader van het Generatiepact in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

3. Andere regelgeving met impact op kinderopvang

Kwaliteit Decreet van 17 oktober 2003 (BS 10 november 2003) betreffende de kwaliteit van de gezondheid- en welzijnsvoorzieningen. Dit decreet bepaalt verschillende elementen die de kwaliteitszorg in een welzijnsvoorziening gestalte geven. Per sector kan dit verder uitgewerkt worden. Dit is voor kinderopvang gebeurd met het besluit van de Vlaamse Regering van 6 mei 2011, terug te vinden onder rubriek 2 ‘Regelgeving per kinderopvangvorm’.

Lokaal Beleid Kinderopvang Besluit van de Vlaamse Regering van 4 mei 2007 (BS 19 juni 2007) houdende het lokaal beleid kinderopvang. Het betreft de rol van het lokaal bestuur, het lokaal beleidsplan kinderopvang en het Lokaal Overleg Kinderopvang.

Dienstencheques Decreet van 7 mei 2004 (BS 18 augustus 2004) houdende de toekenning van dienstencheques voor kinderopvang. Besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 (BS 22 januari 2009) tot opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2007 betreffende de toekenning van dienstencheques voor kinderopvang. Dienstencheques worden nu geregeld met convenanten met het oog op één aangepaste regelgeving.

DAC Besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2001 (BS 10 oktober 2001) houdende de toekenning van subsidies aan de initiatiefnemers die personeelsleden tewerkstellen in een gewezen DAC-statuut. Ingevolge de regularisatie van DAC-personeelsleden werd de subsidiëring overgenomen door Kind en Gezin.

Brandveiligheid Koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. In bijlage 2 van dit koninklijk besluit worden de specifieke normen met betrekking tot de lage gebouwen bepaald.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

96


Technische commissie brandveiligheid Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 (BS 22 september 2009) tot oprichting van een technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Ministerieel besluit van 15 december 2009 (BS 8 januari 2010) tot benoeming van de leden van de technische commissie voor de brandveiligheid in de voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Veiligheid van speelterreinen De wet van 9 februari 1994 (BS 1 april 1994) betreffende de veiligheid van producten en diensten, is een

algemene

wet

die

de

consument

beschermt

tegen

onveilige

producten

of

onveilige

dienstverlening, en die de producent verplicht om te voldoen aan een algemene veiligheidsnorm. Meer specifieke bepalingen zijn terug te vinden in: Koninklijk Besluit van 28 maart 2001 (BS 9 mei 2001) betreffende de veiligheid van speeltoestellen. Koninklijk Besluit van 28 maart 2001 (BS 9 mei 2001) betreffende de uitbating van speelterreinen. Door deze regelgeving, conform de wet en de richtlijnen van de Europese Commissie, wil men een praktijk ontwikkelen die leidt tot verhoogde aandacht voor de veiligheid van speeltoestellen.

Voedingsmiddelenhygiëne Koninklijk Besluit van 22 december 2005 (BS 30 december 2005) betreffende levensmiddelenhygiëne. Iemand die kinderen opvangt in groep, valt onder het toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake algemene levensmiddelenhygiëne.

Legionella Besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 (BS 4 mei 2007) betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen.

Melding infectieziekten Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juni 2009 (16 september 2009) betreffende initiatieven om uitbreiding van schadelijke effecten, die veroorzaakt zijn door biotische factoren, tegen te gaan.

Rookverbod Wet van 22 december 2009 (BS 29 december 2009) betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook.

Privacy Wet van 8 december 1992 (BS 18 maart 1993) tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

97


Sociaal statuut Kinderverzorgsters in dienst bij een kinderdagverblijf hebben een bediendestatuut en vallen onder de Arbeidswet van 16 maart 1971. Onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst voor onthaalouders, hebben sinds 1 april 2003 een eigen sociaal statuut als ‘fictieve werknemer’. Voor elk opgevangen kind ontvangen zij een kostenvergoeding, en zij zijn verzekerd tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid, beroepsziekten en arbeidsongevallen, hebben recht op kinderbijslag en kunnen een eigen pensioen opbouwen. Bovendien is er een vergoeding ingeval kinderen afwezig zijn buiten de wil van de onthaalouder. Zelfstandige onthaalouders en uitbaters van een zelfstandig kinderdagverblijf zijn onderworpen aan het statuut van de zelfstandigen.

Het sociaal statuut is voor onthaalouders juridisch verankerd via de volgende besluiten: Programmawet (II) van 24 december 2002 (BS 31 december 2002) betreffende het sociaal statuut van onthaalouders aangesloten bij een dienst. Koninklijk Besluit van 18 maart 2003 (BS 27 maart 2003) tot aanvulling van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en tot vaststelling van de bijzondere

bepalingen

betreffende

de

schadeloosstelling

van

de

arbeidsongevallen

en

de

beroepsziekten ten gunste van de onthaalouders. Koninklijk Besluit van 26 maart 2003 (BS 8 april 2003) tot uitvoering van artikel 7,§1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders. Koninklijk Besluit van 25 april 2004 (BS 18 mei 2004) tot wijziging, wat de onthaalouders betreft, van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Koninklijk Besluit van 3 juni 2007 (BS 14 juni 2007) tot wijziging van artikel 65 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en tot wijziging van artikel 2, §3, van het Koninklijk Besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, §1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders. Verder vindt men nog bepalingen in 2 ministeriële besluiten van 1 april 2003, terug te vinden onder rubriek 2 ‘Regelgeving per kinderopvangvorm’.

Fiscaal statuut Vooral de aftrek van kosten voor kinderopvang is van belang voor de sector kinderopvang.

Aftrek kinderopvangkosten voor de ouders Het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (artikel 104, 7° en artikel 113, § 1) houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 6 juli 2004 (BS 5 augustus 2004), de wet van 27 december 2005 (BS 30 december 2005) en de wet van 22 december 2008 (BS 29 december 2009),

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

98


regelt de fiscale aftrek van kinderopvangkosten. Belastingplichtigen kunnen de kosten voor kinderopvang betaald aan welbepaalde inrichtingen of personen (onder meer de opvangvoorzieningen met een attest van toezicht of een erkenning door Kind en Gezin) aftrekken. Deze aftrekbaarheid geldt voor kinderen tot de leeftijd van 12 jaar en is geplafonneerd.

Aftrek uit hoofde van de uitoefening van het beroep van opvangouder Voor onthaalouders aangesloten bij een dienst wordt het bedrag van de financiële tegemoetkoming beschouwd als een niet-belastbare terugbetaling voor de gemaakte kosten. De door de zelfstandige opvangvoorzieningen - vrij bepaalde - geïnde inkomsten worden beschouwd als belastbare beroepsinkomsten, zodat er beroepskosten kunnen worden afgetrokken.

Er is geen btw verschuldigd op de inkomsten van kinderopvangvoorzieningen, op voorwaarde dat het gaat om permanente opvang van kinderen onder de 12 jaar, door een erkende voorziening. In de praktijk wordt deze btw - vrijstelling evenwel ook toegekend aan zelfstandige voorzieningen.

Fiscale aftrek van kinderopvangkosten door bedrijven De programmawet van 8 april 2003 (BS 17 april 2003) voert een maatregel in om uitgaven van bedrijven voor nieuwe kinderopvangplaatsen fiscaal aftrekbaar te maken (beperkt tot een maximaal bedrag).

Bevoegd paritair comité Het

bevoegde

paritair

comité

is

bepalend

voor

de

van

toepassing

zijnde

collectieve

arbeidsovereenkomsten die aangelegenheden regelen als loonschalen, arbeidsduur, vakbondsregeling, loopbaanonderbreking, brugpensioen, enz. Welk paritair comité van toepassing is, hangt af van twee zaken. 

Een eerste punt is of de cao - wet van 5 december 1968 van toepassing is. Als dit niet het geval is (bijvoorbeeld als er geen relatie werkgever - werknemer is), dan valt men onder geen enkel paritair comité.

Een tweede punt betreft de hoofdactiviteit van een voorziening. In principe gebeurt de toewijzing van een paritair comité volgens het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’ en ressorteren alle personeelsleden onder het paritair comité waaronder de hoofdactiviteit ressorteert. Als men onder de cao-wet valt en als de hoofdactiviteit kinderopvang is, dan gelden de volgende principes: -

PC 331 is bevoegd voor de crèches, peutertuinen, diensten voor onthaalouders, diensten voor thuisopvang van zieke kinderen, buitenschoolse opvang die door de Vlaamse Gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden erkend en/of gesubsidieerd. Uitbreiding toepassingsgebied Paritair Comité voor de gezondheidssector (PC

331):

Het

Paritair

Comité

Vlaamse

voor de

welzijns- en

Vlaamse

welzijns-

en

gezondheidssector is vanaf 20 februari 2010 eveneens bevoegd voor: o

de

diensten

en

de

centra

voor

gezondheidspromotie

en

preventie,

met

uitzondering van de ziekenfondsen;

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

99


o

en de voorzieningen voor kinderopvang onder toezicht van de bevoegde instelling van de Vlaamse Gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

De meeste van deze diensten en voorzieningen ressorteerden tot nu toe onder het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330), residuaire inrichtingen en – diensten. -

PC 330, als residuair paritair comité voor de gezondheidszorg, is bevoegd voor de kinderopvangvoorzieningen die niet onder PC 331 vallen.

Voor de lijst met de benaming en het administratief nummer van de bij Koninklijk Besluit opgerichte paritaire comités en subcomités: zie BS van 18 juni 2007.

D/2012/4112/17

Kind en Gezin – Jaarverslag Kinderopvang 2011

100


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Kinderopvang_jaarverslag_2011.pdf by Vlaanderen-be - Issuu