WERKBAAR WERK BIJ VROUWELIJKE ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS, STARTERS EN GROEIERS
Rapport van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen/Stichting Innovatie & Arbeid, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel - W www.serv.be/stichting – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Bij gebruik van gegevens en informatie uit dit rapport wordt een correcte bronvermelding op prijs gesteld. Publicatiedatum
1 juni 2022
Contactpersoon
Frank Janssens
fjanssens@serv.be
Ria Bourdeaud’hui
rbourdeaudhui@serv.be
Stephan Vanderhaeghe
svanderhaeghe@serv.be
Inhoud Samenvatting
4
Rapport
7
Inleiding 1.
7
Werkbaarheidsprofiel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers 9 1.1
Evolutie van de werkbaarheidsgraad van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers
1.2
Werkbaarheidsknelpunten bij vrouwelijke zelfstandige ondernemers
1.3
15
Werkbaarheidsprofiel van de zelfstandige ondernemers-starters 20 2.1
3.
13
Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van vrouwelijke zelfstandige ondernemers
2.
11
Werkbaarheidsrisico’s bij vrouwelijke zelfstandige ondernemers
1.4
10
Evolutie van de werkbaarheidsgraad bij de zelfstandige ondernemers-starters
21
2.2
Werkbaarheidsknelpunten bij starters
22
2.3
Werkbaarheidsrisico’s bij starters
24
2.4
Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van starters26
Werkbaarheidsprofiel van de zelfstandige ondernemers-groeiers30 3.1
Evolutie van de werkbaarheidssituatie van groeiers
31
3.2
Werkbaarheidsknelpunten bij groeiers
32
3.3
Werkbaarheidsrisico’s bij groeiers
34
3.4
Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van groeiers 36
Referentielijst
41
Lijst met figuren en tabellen
42
Samenvatting Dit rapport brengt in drie delen de belangrijkste werkbaarheidsgegevens samen voor de vrouwelijke zelfstandige ondernemers, de startende zelfstandige ondernemers en de zelfstandige ondernemers die in de nabije toekomst een groei of uitbreiding van hun activiteit verwachten. Vrouwelijke zelfstandige ondernemers Ongeveer de helft (51,9%) van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers heeft in 2019 een werkbare job. De werkbaarheidsgraad is sedert de nulmeting in 2007 vrij stabiel gebleven en verschilt niet significant van de werkbaarheidsgraad voor mannelijke zelfstandige ondernemers (49,1%). In 2019 kampt 37,9% van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers met werkstress en heeft 8,5% motivatieproblemen. Iets meer dan een kwart (27,3%) ervaart problemen om werk en privé in evenwicht te houden en een kleine groep van 3,7% heeft onvoldoende leermogelijkheden. In 2007 lag het aandeel dat onvoldoende leermogelijkheden signaleert nog significant hoger (7,8%). Voor 2019 wijken de cijfers voor leermogelijkheden niet significant af van deze voor de mannelijke zelfstandige ondernemers. Het aandeel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers dat een bijscholing volgde bedraagt 60,5%. Dat is beduidend meer dan het corresponderend cijfer voor de mannelijke zelfstandige ondernemers (51,1%). Het aandeel dat zich goed opgeleid voelt op vakinhoudelijk of technisch vlak is kleiner bij de vrouwen (39,1%) dan bij de mannen (47,9%). Ook op het vlak van het beheer en management van de zelfstandige activiteit voelen minder vrouwen (16,4%) dan mannen (22,9%) zich goed opgeleid. Voor twee aspecten van het werk is er een significant hoger aandeel tevreden vrouwen dan mannen, met name voor het contact met de klanten en de samenwerking met vennoot of meewerkende partner. Van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers werd 7,4% het slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag, 3,7% had te maken met lichamelijk geweld, 17,2% werd geïntimideerd of bedreigd en 4,9% werd geconfronteerd met pestgedrag. 68,0% van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers ziet het haalbaar om in de huidige job door te werken tot het pensioen, 28,5% geeft aan dat langer doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk...) en 3,4% 4
schat dit in als een onhaalbare opdracht. De bij de mannelijke zelfstandige ondernemers opgetekende antwoordscores laten geen significante afwijkingen zien. Starters Van de ondernemers die minder dan drie jaar als zelfstandige actief zijn heeft 53,5% een werkbare job in 2019. Dat aandeel verschilt niet significant van de percentages die bij de vorige werkbaarheidsmetingen opgetekend werden en verschilt ook niet significant van de werkbaarheidsgraad bij de niet-starters. In 2019 registreren we bij 32,9% van de starters werkstressklachten en bij 7% motivatieproblemen. Ongeveer één op de vier (24,7%) heeft problemen om werk en privé in balans te houden en een kleine groep (1,2%) heeft onvoldoende leermogelijkheden. Bij de niet-starters is er een groter aandeel met motivatieproblemen (10,7%), een leerdeficit (3,8%) en problematische werk-privébalans (31,2%). Zes op de tien (59,8%) van de starters volgde een bijscholing of training. Dat is meer dan bij de niet-starters (53,4%). Het aandeel dat zich goed opgeleid voelt op vakinhoudelijk of technisch vlak is kleiner bij starters (37%) dan bij niet-starters (46%). Iets meer dan de helft van de starters (54,9%) ervaart een beperkt deficit en 8% een ernstig deficit. Slechts 16,2% van de starters voelt zich goed opgeleid voor het management en beheer van de zelfstandige activiteit. Bij de niet-starters is dat 21,3%. Van de starters ervaart 38,6% een beperkt deficit en 45,2% een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van management. Ongeveer de helft van de starters (52,5%) voelt zich goed ondersteund door een sociaal netwerk (verenigingen, externe adviseurs, familieraad). Dat is meer dan bij de niet-starters (42,9%). Bij 31,4% van de starters is de ondersteuning beperkt en bij 10,1% is er helemaal geen ondersteuning door een sociaal netwerk. Bij de starters is er een significant groter aandeel dat tevreden is over het contact met de overheid(sadministratie) (28,2% versus 20,6% bij niet-starters). Ook voor de verantwoordelijkheid als zelfstandige en de mate van afhankelijkheid van anderen zijn er verhoudingsgewijs meer tevreden starters dan niet-starters. Bij de starters werd (in het jaar dat aan de enquête voorafging) 4,9% geconfronteerd met ongewenst seksueel gedrag, was 4% het slachtoffer van lichamelijk geweld, werd 12,2% bedreigd of geïntimideerd en had 5,8% af te rekenen met pestgedrag. De cijfers voor de niet-starters wijken hier niet significant van af.
5
Groeiers Het aandeel van de groeiers met een werkbare job bedraagt 53,0% in 2019. Dat aandeel verschilt niet significant van de percentages die bij de vorige werkbaarheidsmetingen opgetekend werden. Bij de niet-groeiers heeft minder dan de helft (47,7%) een werkbare job. In 2019 kampt 36,6% van de groeiers met werkstressklachten en heeft 29,6% problemen om werk en privé in balans te houden. Een beperkte groep van 5,7% heeft motivatieproblemen en 1,4% signaleert een gebrek aan leermogelijkheden. Op het vlak van motivatie en leerkansen tekenen de groeiers betere cijfers op dan de niet-groeiers maar op het vlak van werkstress en werk-privébalans zijn de verschillen niet significant. Beduidend meer groeiers (61,2%) dan niet-groeiers (49,1%) hebben zich bijgeschoold in het jaar dat aan de bevraging voorafging. 43,6% van de groeiers voelt zich goed opgeleid op vakinhoudelijk of technisch vlak en 19,5% voelt zich goed opgeleid voor het management en beheer van de zaak. Bij de niet-groeiers is er een groter aandeel met een ernstig opleidingsdeficit op het vlak van vakinhoudelijke of technische competenties. Er zijn beduidend meer groeiers (49,9%) dan niet-groeiers (39,4’%) die goed ondersteund worden door een sociaal netwerk. Acht op de tien groeiers is tevreden met de keuze voor het zelfstandig ondernemerschap. Bij de niet-groeiers is dat zeven op de tien. Ook voor de meeste andere aspecten van het werk (contacten met klanten, het personeel, verantwoordelijkheid, werktijden, etc.) zijn er meer tevredenen bij de groeiers dan de niet-groeiers. Bij de groeiers werd 2,5% het slachtoffer van lichamelijk geweld, 13,6% werd bedreigd of geïntimideerd, 3,3% werd slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag en 3,9% werd met pestgedrag geconfronteerd. De kengetallen voor de niet-groeiers wijken hier niet significant van af. Bijna acht op de tien (79%) van de groeiers ziet het haalbaar om door te werken tot het pensioen. Dat is meer dan bij de niet-groeiers (66,9%). Slechts 1,8% van de groeiers acht het sowieso niet haalbaar om tot het pensioen door te werken en 19,2% geeft aan dat het enkel haalbaar is indien het werk aangepast kan worden. Dit rapport werd geschreven door Frank Janssens, Ria Bourdeaud’hui en Stephan Vanderhaeghe
6
Rapport Inleiding De Vlaamse sociale partners dragen al vele jaren de boodschap uit dat de ambitie om werkenden langer (gezond) aan de slag te houden slechts kans op slagen heeft als dit ook haalbaar is voor de betrokkenen en banen voldoende kwaliteitsvol zijn. Ze zetten daarom resoluut in op ‘werkbaar werk’: jobs waarvan je niet overspannen of ziek wordt, die boeiend en motiverend zijn, kansen bieden op bijblijven/bijleren en voldoende ruimte laten voor gezin en privéleven. Om de vinger aan de pols te houden brengt de Stichting Innovatie & Arbeid sinds 2004 de werkbaarheid van de jobs voor werknemers in Vlaanderen in kaart via een grootschalige, driejaarlijkse schriftelijke bevraging. In 2007 volgde een eerste meting bij de zelfstandige ondernemers. Met de meest recente meting in 2019 was de Vlaamse werkbaarheidsmonitor voor zelfstandige ondernemers reeds aan zijn vijfde editie toe. Werkbaarheid wordt - conform de vermelde beleidsdefinitie – in de monitor geoperationaliseerd aan de hand van vier werkbaarheidsindicatoren: werkstress (psychische vermoeidheid), motivatie (welbevinden in het werk, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privébalans. Een positieve evaluatie van een job op elk van deze criteria levert het kwaliteitslabel ‘werkbaar werk’ op. De werkbaarheidsgraad verwijst dan naar het percentage werkenden met een dergelijke kwaliteitsvolle baan. In dit rapport brengen we in drie delen de belangrijkste werkbaarheidsgegevens samen voor de vrouwelijke zelfstandige ondernemers, de startende zelfstandige ondernemers en de zelfstandige ondernemers die in de nabije toekomst een groei van hun activiteit verwachten. Elk deel bestaat uit vier onderdelen. In het eerste onderdeel wordt gekeken hoe de werkbaarheidsgraad geevolueerd is tussen 2007 en 2019. In onderdeel twee en drie nemen we respectievelijk de werkbaarheidsindicatoren (werkstress, motivatie, leermogelijkheden, werk-privébalans) en de werkbaarheidsrisico’s (werkdruk, emotionele belasting, taakvariatie, arbeidsomstandigheden) onder de loep. We bespreken de evolutie tussen 2007 en 2019 en voor de meting 2019 vergelijken we de werkbaarheidssituatie van de deelpopulatie (vrouwen, starters, groeiers) met deze van de andere zelfstandige ondernemers (resp. mannen, niet-starters, niet-groeiers). In het vierde onderdeel lijsten we nog bijkomende informatie op over de werksituatie en -beleving van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers, de starters en groeiers. We hebben hierbij onder meer aandacht voor de deelname aan bijscholing, het opleidingsdeficit op het vlak van de vakinhoudelijke en management-competenties, de tevredenheid over diverse aspecten van het werk en de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag.
7
Methodologie Vlaamse Werkbaarheidsmonitor in een notendop De Vlaamse werkbaarheidsmonitor is een door de Stichting Innovatie & Arbeid ontwikkeld en beheerd meetsysteem, dat de ontwikkelingen in de kwaliteit van de arbeid of werkbaarheid in kaart brengt. Het is gebaseerd op grootschalige, driejaarlijkse (cross-sectionele) surveys bij werknemers en zelfstandige ondernemers op de Vlaamse arbeidsmarkt. Bij de zelfstandige ondernemers, waarover dit rapport gaat, werd de nulmeting uitgevoerd in 2007. De Vlaamse sociale partners hebben de beleidsnotie werkbaarheid concreet gemaakt aan de hand van vier kwaliteitscriteria: werkbaar werk verwijst naar werk waarvan je niet overspannen of ziek wordt, dat boeiend en motiverend is, kansen biedt op bijblijven/bijleren en voldoende ruimte laat voor gezin en privéleven. De werkbaarheidsmonitor hanteert daarom vier werkbaarheidsindicatoren: psychische vermoeidheid (werkstress), welbevinden in het werk (motivatie, werkbetrokkenheid), leermogelijkheden en werk-privé-balans. Meettechnisch is voor de operationalisering van de werkbaarheidsindicatoren geopteerd voor psychometrische schalen. De argumentatie voor het gebruik van dergelijke meetschalen (in plaats van enkelvoudige vragen) ligt in de meetnauwkeurigheid ervan. Bij de constructie van de vragenlijst werd maximaal aansluiting gezocht bij bestaande, wetenschappelijk gevalideerde instrumenten. Voor elk van de vier werkbaarheidsdimensies en -indicatoren zijn voor de schaalscores grenswaarden (‘cut-off points’) bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is. In de werkbaarheidsmonitor wordt met ‘gelede’ kengetallen gewerkt: naar analogie met de kleurensymboliek van een verkeerslicht, wordt niet enkel een problematische groep afgebakend en becijferd (‘oranje knipperlicht’ - knelpunt), maar daarbinnen ook een subgroep waarbij de situatie als ‘acuut problematisch’ kan gelabeld worden (‘rood alarmsignaal’ - acuut knelpunt). Problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden werkbaarheidsdimensies als volgt benoemd: •
Psychische vermoeidheid: werkstressklachten - burn-outsymptomen
•
Welbevinden in het werk: motivatieproblemen - ernstige demotivatie
•
Leermogelijkheden: onvoldoende leermogelijkheden - ernstig leerdeficit
•
Werk-privé-balans: problemen werk-privé-combinatie - acuut werk-privé-conflict
De werkbaarheidsgraad als samengestelde index verwijst naar het percentage zelfstandige ondernemers dat kwaliteitsvol werk heeft/in een niet problematische situatie verkeert/geen knelpunten signaleert voor elk van vier genoemde werkbaarheidsdimensies. In de werkbaarheidsmonitor wordt ook gepeild naar een aantal kenmerken van de arbeidssituatie, die de werkbaarheid kunnen bedreigen dan wel bevorderen. In de monitor voor zelfstandige ondernemers worden vier jobkenmerken via zogenaamde risico8
indicatoren in kaart gebracht: werkdruk, emotionele belasting, (belastende fysieke) arbeidsomstandigheden en taakvariatie (afwisseling in het werk), Ook bij deze vier risico-indicatoren is de indicering gebaseerd op psychometrische schalen en werden grenzen bepaald die aangeven of de situatie al dan niet (acuut) problematisch is. De kengetallen voor problematische en acuut-problematische situaties worden voor de onderscheiden risico-indicatoren als volgt benoemd: •
Werkdruk: hoge werkdruk - zeer hoge werkdruk
•
Emotionele belasting: emotioneel belastend werk - emotionele overbelasting
•
Arbeidsomstandigheden: belastende arbeidsomstandigheden - zeer hoge fysieke belasting
•
Taakvariatie: routinematig werk - extreem routinematig werk
In dit rapport zoomen we in op de werkbaarheidssituatie van vrouwelijke zelfstandige ondernemers, groeiers en starters. Groeiers zijn zelfstandige ondernemers die in de werkbaarheidsenquête aangeven dat ze in de nabije toekomst (3 à 5 jaar) een (sterke of beperkte) groei of uitbreiding van de activiteit verwachten. Starters zijn zelfstandige ondernemers die minder dan drie jaar actief zijn als zelfstandige ondernemer.
1. Werkbaarheidsprofiel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers In de populatie van de werkbaarheidsmonitor 2019 is 35,5% van de zelfstandige ondernemers een vrouw. Dat is significant meer ten opzichte van de nulmeting 2007, toen een aandeel van 29,6% opgetekend werd. Als we de samenstelling van groep vrouwelijke zelfstandige ondernemers bekijken dan stellen we vast dat: •
vijftigplussers de grootste groep vormen met een aandeel van 35,3%, gevolgd door veertigers (31,4%) en dertigers (21,4%); 11,8% is jonger dan dertig en de gemiddelde leeftijd bedraagt 44,2 jaar;
•
70,6% hooggeschoold is, 22,7% middengeschoold en 6,7% laaggeschoold.
•
de meerderheid (55,2%) samenwoont met een partner en inwonende kind(eren) en 25 % samen met een partner zonder inwonende kind(eren). 12,5% is alleenstaand zonder inwonende kind(eren) en 7,2% is alleenstaand met inwonende kind(eren).
•
bijna vier op de tien (37,9%) een vrij beroep uitoefent; 14,3% is actief in de handel, 10,4% in de branche van de persoonsverzorging, 12,7% binnen de intellectuele diensten (zoals makelaars, consultants, immobiliën,…) en 5,7% in de horeca.
9
In dit eerste deel brengen we de werkbaarheidssituatie van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers in kaart en vergelijken die met deze van de mannelijke zelfstandige ondernemers. Naast de vergelijkende analyse van de werkbaarheidsgraad, de werkbaarheidsknelpunten en de risicofactoren in de arbeidssituatie, staan we ook stil bij het competentieprofiel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers, de tevredenheid over diverse aspecten van het zelfstandig ondernemerschap, de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd.
1.1 Evolutie van de werkbaarheidsgraad van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers Ongeveer de helft (51,9%) van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers heeft in 2019 een werkbare job. De werkbaarheidsgraad is sedert de nulmeting in 2007 vrij stabiel gebleven en verschilt niet significant van de werkbaarheidsgraad voor mannelijke zelfstandige ondernemers (49,1%). Figuur 1 brengt met de vergelijking van de werkbaarheidscurves van mannen en vrouwen deze vaststellingen visueel in beeld. Tabel 1:
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers werkbaarheidsgraad 2007 %
vrouw N man N verschiltoetsing
2010 %
2013 %
2016 %
46,9
47,7
50,3
49,4
51,9
567
581
1.028
816
968
48,1
47,8
51,8
51,4
49,1
1.346
1.268
2.324
1.633
1.760
ns
ns
ns
ns
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
2019 %
Cijfers in het groen wijzen op een significante (Pearson chi² ; p < 0,05) verbetering van de werkbaarheidsgraad ten opzichte van het vorig meetpunt.
10
Figuur 1
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers
60,0%
55,0% 51,8% 50,0%
45,0%
48,1%
46,9%
47,8%
50,3%
51,4%
51,9%
49,4%
49,1%
2016
2019
47,7%
40,0%
35,0%
30,0% 2007
2010
2013 vrouw
man
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019
1.2 Werkbaarheidsknelpunten bij vrouwelijke zelfstandige ondernemers Tabel 2 brengt de evolutie (2007 – 2019) van de situatie van vrouwelijke zelfstandige ondernemers voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privébalans cijfermatig in kaart. Tabel 3 vergelijkt de werkbaarheidsindicatoren 2019 voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers. In 2019 kampt 37,9 % van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers met werkstressklachten en bij 11,5% registreren we burn-outsymptomen. In 2013 was het aandeel met werkstressklachten significant gedaald, maar die verbetering zette zich niet verder. Er is (voor 2019) ook geen significant verschil met de mannelijke zelfstandige ondernemers (36,4% met werkstressklachten en 12,3% met burn-outsymptomen). 8,5% van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers heeft motivatieproblemen in 2019 en bij 3,5% is er sprake van ernstige demotivatie. Dit beeld blijft tussen 2007 en 2019 vrijwel onveranderd. Bij 11
de mannelijke zelfstandige ondernemers is er een grotere groep (11,3%) met motivatieproblemen. Het aandeel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers met onvoldoende leermogelijkheden (3,7% in 2019) en met een ernstig leerdeficit (0,6%) is zeer beperkt. Ten opzichte van de nulmeting in 2007 is het aandeel met onvoldoende leermogelijkheden significant gedaald van 7,8% tot 3,7%. Voor 2019 verschillen de kengetallen voor de indicator leermogelijkheden niet significant van deze voor de mannelijke zelfstandige ondernemers (3,4% met onvoldoende leermogelijkheden en 0,4% met een ernstig leerdeficit). Iets meer dan een kwart (27,3%) van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers heeft (in 2019) problemen om werk en privé in balans te houden en bij 9,6% is er sprake van een acuut werkprivé-conflict. De relatieve omvang van de laatstgenoemde groep is significant afgenomen ten opzichte van 2016 (14,1%) en komt daarmee terug op het peil van de periode 2007-2013. Het aandeel dat problematisch scoort is tussen 2007 en 2019 significant gedaald van 34,9% tot 27,3%. Bij de mannelijke zelfstandige ondernemers is het aandeel met een problematische werk-privécombinatie groter in 2019 (32,1%). Het aandeel waarbij sprake is van een acuut probleem (11,3%) wijkt niet significant af van dat bij de vrouwelijke zelfstandige ondernemers. Tabel 2
Werkbaarheidsindicatoren voor vrouwelijke zelfstandige ondernemers 2007-2019 2007
werkbaarheidsindicatoren geen werkstress werkstressklachten
werkstress
burn-outsymptomen N gemotiveerd aan de slag motivatieproblemen
motivatie
voldoende leermogelijkheden leermogelijkheden
onvoldoende leermogelijkheden
2016
2019
%
%
%
%
%
60,3
66,3
62,5
62,1
34,7
39,7
33,7
37,5
37,9
10,4
12,4
10,1
11,4
11,5
634
653
1.091
854
997
92,6
93,8
92,4
91,3
91,5
7,4
6,2
7,6
8,7
2,2
2,5
3,4
8,5 2,5
3,5
582
594
1.048
829
984
92,2
93,4
93,7
95,8
96,3
7,8
6,6
6,3
4,2
1,9
ernstig leerdeficit
2,5
0,9
3,7 0,8
0,6
586
593
1.054
829
986
haalbare werk-privécombinatie
65,1
65,3
68,7
65,4
72,7
problemen werk-privécombinatie
34,9
34,7
31,3
34,6
27,3
N
werk-privé-balans
2013
65,3
ernstige demotivatie N
2010
acuut werk-privé-conflict N
10,9 645
10,7 662
9,1 1.096
14,1 858
9,6 1.003
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
12
Tabel 3
Vergelijking werkbaarheidsindicatoren vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers 2019.
vrouw
werkbaarheidsindicatoren
werkstress
%
%
62,1
63,6
ns
werkstressklachten
37,9
36,4
ns
burn-outsymptomen
gemotiveerd aan de slag motivatieproblemen
11,5
N voldoende leermogelijkheden onvoldoende leermogelijkheden
1.808
91,5
88,7
8,5
11,3 3,5 1.784
96,3
96,6
3,7
3,4 0,6 1.788
haalbare werk-privécombinatie
72,7
67,9
problemen werk-privécombinatie
27,3
32,1 9,6
acuut werk-privé-conflict N
1.003
s ns
ns ns 0,4
986
ns
s 4,1
984
ernstig leerdeficit N
werk-privé-balans
12,3
997
ernstige demotivatie
leermogelijkheden
verschiltoetsing
geen werkstress
N
motivatie
man
11,3
ns
s s ns
1.816
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer:
• •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
1.3 Werkbaarheidsrisico’s bij vrouwelijke zelfstandige ondernemers Tabel 4 brengt de evolutie in de risico-indicatoren voor de vrouwelijke zelfstandige ondernemers in kaart, tabel 5 vergelijkt (voor 2019) hun situatie met die van de mannelijke zelfstandige ondernemers.
13
Tabel 4
Risico-indicatoren voor vrouwelijke zelfstandige ondernemers 2007-2019
risico-indicatoren acceptabele werkdruk hoge werkdruk
werkdruk
2007
2010
2013
2016
%
%
%
%
%
60,2
64,7
68,0
59,1
55,1
39,8
35,3
32,0
40,9
44,9
14,5
zeer hoge werkdruk
19,4
1.054
832
988
geen emotioneel belastend werk
69,3
69,0
68,6
69,9
65,9
emotioneel belastend werk
30,7
31,0
31,4
30,1
6,8
emotionele overbelasting
5,2
5,7
34,1 5,8
6,9
590
597
1.058
831
986
geen routinematig werk
90,0
88,9
90,0
92,5
90,8
routinematig werk
10,0
11,1
10,0
7,5
2,7
extreem routinematig werk
2,7
2,4
9,2 2,5
1,8
590
596
1.057
832
988
geen belastende arbeidsomstandigheden
87,0
89,3
86,1
86,0
84,6
belastende arbeidsomstandigheden
13,0
10,7
13,9
14,0
N
arbeidsomstandigheden
17,3
595
N
taakvariatie
11,5
588
N
emotionele belasting
13,4
2019
3,8
zeer hoge fysieke belasting N
629
2,7 656
2,8 1.092
15,4 4,1
847
4,9 982
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
Het aandeel vrouwelijke zelfstandige ondernemers dat in 2019 geconfronteerd wordt met een hoge werkdruk bedraagt 44,9%. Bijna twee op de tien (19,4%) ervaart een zeer hoge werkdruk. Deze werkdrukpercentages zijn significant gestegen ten opzichte van de nulmeting in 2007 (respectievelijk 39,8% en 14,5%). De kengetallen voor hoge werkdruk en zeer hoge werkdruk verschillen in 2019 niet significant van deze voor de mannelijke zelfstandige ondernemers. Ongeveer een derde (34,1%) van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers bevindt zich in 2019 in een emotioneel belastende werksituatie en bij 6,9% is sprake van emotionele overbelasting. Die percentages zijn over de volledige meetperiode 2007-2019 vrij stabiel gebleven. Bij de mannelijke zelfstandige ondernemers ligt het aandeel met emotioneel belastend werk en emotioneel overbelastend werk in 2019 veel lager (respectievelijk 25% en 4%). De groep van vrouwelijke zelfstandige ondernemers met routinematig werk (9,2% in 2019) en extreem routinematig werk (1,8% in 2019) is vrij beperkt. Over de hele meetperiode zien we ook geen significante verschillen. Het aandeel met routinematig werk ligt in 2019 wel wat hoger dan bij de mannelijke zelfstandige ondernemers (7,1%). Het aandeel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers dat aan belastende arbeidsomstandigheden blootgesteld wordt, bedraagt 15,4% in 2019. Dat wijkt niet significant af van het aandeel dat bij de eerste meting van 2007 (13%) of de vorige meting van 2016 (14%) opgetekend werd. Een beperkte groep van 4,9% heeft fysiek zeer belastend werk. Bij de mannelijke zelfstandige 14
ondernemers is er een beduidend grotere groep (23,7%) die onder belastende arbeidsomstandigheden werkt of met een zeer hoge fysieke belasting geconfronteerd wordt (7,8%). Tabel 5
Vergelijking risico-indicatoren bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers 2019
vrouw
risico-indicatoren
werkdruk
%
%
55,1
53,6
ns
hoge werkdruk
44,9
46,4
ns
19,1 1.788
geen emotioneel belastend werk
65,9
75,0
emotioneel belastend werk
34,1
25,0 6,9
emotionele overbelasting N geen routinematig werk routinematig werk
1.786
90,8
92,9
9,2
7,1 1,8
988
1.787
geen belastende arbeidsomstandigheden
76,3
belastende arbeidsomstandigheden
15,4
23,7 4,9
zeer hoge fysieke belasting N
982
s s
s s 1,8
84,6
ns
s 4,0
986
extreem routinematig werk N
arbeidsomstandigheden
19,4 988
N
taakvariatie
verschiltoetsing
acceptabele werkdruk zeer hoge werkdruk
emotionele belasting
man
ns
s s 7,8
s
1.800
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer:
•
•
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers. De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
1.4 Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van vrouwelijke zelfstandige ondernemers In de werkbaarheidsenquête wordt – naast de hierboven besproken werkbaarheids- en risicoindicatoren- ook nog aanvullende informatie opgevraagd over de werksituatie en –beleving van de zelfstandige ondernemers. Bij de meting van 2019 werden onder andere gegevens verzameld over bijscholing, het opleidingsdeficit op het vlak van technische en managementcompetenties, sociale ondersteuning, de mate van tevredenheid over diverse werkaspecten, de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd. We lijsten deze informatie hieronder op voor de vrouwelijke zelfstandige ondernemers en vergelijken hun situatie met deze van de mannelijke zelfstandige ondernemers.
15
1.4.1
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning van vrouwelijke zelfstandige ondernemers
In tabel 6 vinden we de cijfers van de werkbaarheidsmeting 2019 over de bijscholingsdeelname, het opleidingsdeficit op het vlak van de vakinhoudelijke/technische en managementcompetenties en de ondersteuning door een sociaal netwerk. Tabel 6
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers 2019
vrouw
man
%
%
verschiltoetsing
60,5
51,1
s
geen deficit
39,1
47,9
beperkt deficit ernstig deficit
50,2 10,7
45,3 6,8
geen deficit
16,4
22,9
beperkt deficit ernstig deficit
41,8 41,7
49,4 27,7
goed
46,7
42,6
beperkt afwezig
41,4 11,9
42,9 14,5
deelname bijscholing afgelopen jaar competentie vakinhoudelijk, technisch
s
competentie management en beheer s
ondersteuning door sociaal netwerk ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers.
Het aandeel van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers dat een bijscholing volgde in het jaar dat aan de enquête voorafging, bedraagt 60,5%. Dat is beduidend meer dan het corresponderend cijfer voor de mannelijke zelfstandige ondernemers (51,1%). Het aandeel dat zich goed opgeleid voelt op vakinhoudelijk of technisch vlak is kleiner bij de vrouwen (39,1%) dan bij de mannen (47,9%). De helft van de vrouwen ervaart een beperkt deficit en bij 10,7% is sprake van een ernstig deficit. Bij de mannen gaat het om respectievelijk 45,3% en 6,8%. Ook op het vlak van het beheer en management van de zelfstandige activiteit voelen minder vrouwen (16,4%) dan mannen (22,9%) zich goed opgeleid. Van de vrouwelijke zelfstandige 16
ondernemers ervaart 41,8% een beperkt deficit en 41,7% een ernstig deficit. Bij de mannelijke ondernemers gaat het om respectievelijk 49,4% en 27,7%. 46,7% van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers voelt zich goed ondersteund door een sociaal netwerk (verenigingen, externe adviseurs, familieraad). Bij 41,4% is dat slechts in beperkte mate het geval en 11,9% voelt zich helemaal niet ondersteund. Bij de mannelijke zelfstandige ondernemers is het beeld gelijkaardig.
1.4.2
Tevredenheid over het werk
In de werkbaarheidsenquête voor zelfstandige ondernemers wordt aan de respondenten gevraagd hoe tevreden ze, alles bij elkaar genomen, zijn met een dertiental werkaspecten 1. De antwoordmogelijkheden zijn: zeer tevreden, eerder tevreden, noch tevreden noch ontevreden, eerder ontevreden of zeer ontevreden. De cijfers in figuur 2 hebben betrekking op het aandeel zelfstandig ondernemers dat zeer tevreden of eerder tevreden is.
1
Bij de verschiltoetsing man/vrouw zijn voor het aspect ‘personeel’ enkel deze zelfstandige ondernemers geselecteerd die effectief personeel tewerkstellen. Voor ‘samenwerking met vennoot/meewerkende partners’ zijn enkel diegenen geselecteerd die effectief een samenwerkingsverband hebben.
17
Figuur 2
Tevredenheid met het werk bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers,2019
76,7 70,7
keuze voor zelfstandig ondernemerschap sociale bescherming (bv ziekteverzekering, pensioen)
18,5 16,7 69,1 71,4
mate van afhankelijkheid van anderen
63,6 59,2
verantwoordelijkheid als zelfstandige mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen
56,7 50,9
financieel-economische toestand van de activiteit
51,4 47,0 49,4 45,9
inkomen
55,0 57,4
werktijden
83,9 86,5
personeel de samenwerking met vennoot, meewerkende partner
77,3 82,7 21,0 22,8
contact met de overheid(sadministratie)
81,1 75,9
contacten met leveranciers
88,7 92,0
contacten met klanten
0,0 10,0 20,0 30,0 40,0 50,0 60,0 70,0 80,0 90,0 100,0 man
vrouw
Bron: Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers, 2019
Voor twee gedrag op het werk: (fysieke) agressie, intimidatie of bedreiging, ongewenst seksueel gedrag aspecten is er een significant hoger aandeel tevreden vrouwen dan mannen: •
Contacten met klanten (92% versus 88,7%).
•
Samenwerking met vennoot, meewerkende partner (82,7% versus 77,3%).
Een hoger aandeel tevreden mannen dan vrouwen noteren we voor: •
Contacten met leveranciers (81,1% versus 75,9%).
•
De financieel-economische toestand van de activiteit (51,4% versus 47,0%).
•
De mogelijkheid om financiering of leningen te bekomen (56,7% versus 50,9%).
•
De verantwoordelijkheid als zelfstandige (63,6% versus 59,2%).
•
De keuze voor het zelfstandig ondernemerschap (76,7% versus 70,7%). 18
1.4.3
Grensoverschrijdend gedrag
Tabel 7 inventariseert de informatie over het voorkomen van verschillende vormen van grensoverschrijdend en pestgedrag. Tabel 7
Aandeel vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers die slachtoffer werden van grensoverschrijdend gedrag, 2019
vrouw
man
%
%
96,3 3,4 0,3
97,8 1,8 0,3
nooit
82,7
86,0
sporadisch regelmatig
15,7 1,5
13,0 1,1
nooit sporadisch regelmatig
92,6 7,2 0,2
99,2 0,7 0,1
s
nooit sporadisch regelmatig
95,1 3,8 1,1
95,5 4,2 0,4
ns
verschiltoetsing
slachtoffer van lichamelijk geweld nooit sporadisch regelmatig
s
slachtoffer van intimidatie of bedreiging ns
slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag
slachtoffer van pesten
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers
Het aandeel vrouwelijke zelfstandige ondernemers dat in de afgelopen 12 maanden het slachtoffer werd van ongewenst seksueel gedrag (7,4%) ligt significant hoger dan bij de mannen (0,8%). Ook voor lichamelijk geweld noteren we een hoger aandeel vrouwelijke dan mannelijke slachtoffers (respectievelijk 3,7% en 2,1%). De slachtofferscores bij vrouwelijke zelfstandige ondernemers voor intimidatie of bedreiging (17,2%) en pestgedrag (4,9%) verschillen niet significant van deze bij de mannelijk zelfstandige ondernemers.
19
1.4.4
Haalbaarheid om tot de pensioenleeftijd te werken
Tabel 8 toont welk aandeel van de vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers (die 40 jaar of ouder zijn) het haalbaar (eventueel mits aangepast werk) of onhaalbaar vinden om hun job voort te zetten tot hun pensioen. Tabel 8
Inschatting van vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers (40+) om de job tot het pensioen te kunnen voortzetten, 2019
doorwerken in huidige job tot pensioen haalbaar doorwerken tot pensioen haalbaar, mits aangepast werk doorwerken tot pensioen niet haalbaar
vrouw
man
%
%
68,0 28,5 3,5
72,4 24,3 3,3
verschiltoetsing
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers.
•
De antwoordpercentages hebben enkel betrekking op de (relevante) doelgroep van 40 jaar en ouder.
68,0% van de vrouwelijke zelfstandige ondernemers ziet het haalbaar om in de huidige job door te werken tot het pensioen, 28,5% geeft aan dat langer doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk...) en 3,4% schat dit in als een onhaalbare opdracht. De bij de mannelijke zelfstandige ondernemers opgetekende antwoordscores laten geen significante afwijkingen zien.
2. Werkbaarheidsprofiel van de zelfstandige ondernemers-starters In de populatie van de werkbaarheidsmonitor 2019 is 11,6% een ondernemer die minder dan drie jaar actief is als zelfstandige. Dat is significant meer dan in 2016 (9,8%) en komt overeen met de situatie van de eerste meting in 2007 (11,1%). Als we de samenstelling van de groep starters bekijken dan noteren we volgende vaststellingen: •
Bij de vrouwen zijn meer starters (15,3%) dan bij de mannen (9,5%).
•
Ongeveer een derde van de starters is jonger dan dertig (35,0%).
•
68,1% is hooggeschoold, 24,5% middengeschoold en 7,4% laaggeschoold. 20
Ongeveer een vierde (25,4%) is alleenstaand zonder inwonende kind(eren) en 3,8% alleen-
•
staand met inwonende kind(eren). 26,6% woont samen met een partner zonder inwonende kind(eren) en 44,2% woont samen met een partner met inwonende kind(eren); Drie op de tien (29,8%) oefent een vrij beroep uit. 24,6% is actief binnen de intellectuele
•
diensten (zoals makelaars, consultants, immobiliën…), 4,9% in de handel, 11,2% in de bouwsector, 6,1% in de horeca, 5,5% in de branche van de persoonsverzorging, 3,0% in de land- en tuinbouw en 5,5% in de sector transport en productie van goederen. In dit tweede deel nemen we de werkbaarheidssituatie van de starters onder de loep en vergelijken die met deze van de andere zelfstandige ondernemers. Naast de vergelijkende analyse van de werkbaarheidsgraad, de werkbaarheidsknelpunten en de risicofactoren in de arbeidssituatie, staan we ook stil bij het competentieprofiel van de starters, de tevredenheid over diverse aspecten van het zelfstandig ondernemerschap en de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag.
2.1 Evolutie van de werkbaarheidsgraad bij de zelfstandige ondernemers-starters Het aandeel van de starters met een werkbare job bedraagt 53,5% in 2019 (tabel 9). Dat aandeel verschilt niet significant van de percentages die bij de vorige werkbaarheidsmetingen opgetekend werden en verschilt ook niet significant van de werkbaarheidsgraad bij de niet-starters. Figuur 3 brengt met de vergelijking van de werkbaarheidscurves van starters en niet-starters deze vaststellingen visueel in beeld. Tabel 9
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij starters en niet-starters werkbaarheidsgraad 2007 %
starters N niet starters N verschiltoetsing
2010 %
2013 %
2016 %
53,2
56,0
54,8
54,9
53,5
216
232
354
246
316
46,9
46,5
51,0
50,4
49,6
1.694
1.615
2.994
2.199
2.401
ns
s
ns
ns
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
2019 %
Cijfers in het groen wijzen op een significante (Pearson chi² ; p < 0,05) verbetering van de werkbaarheidsgraad ten opzichte van het vorig meetpunt.
21
Figuur 3
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij starters en niet-starters
60,0%
56,0% 55,0%
54,8%
54,9% 53,5%
53,2% 51,0%
50,4%
50,0%
46,9%
46,5%
2007
2010
49,6%
45,0%
40,0%
35,0%
30,0%
2013 starters
2016
2019
niet starters
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019
2.2 Werkbaarheidsknelpunten bij starters Tabel 10 brengt de evolutie (2007 – 2019) van de situatie van starters voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privébalans cijfermatig in kaart. Tabel 11 vergelijkt de werkbaarheidsindicatoren 2019 voor starters en niet-starters. In 2019 kampt 32,9% van de starters met werkstressklachten en bij 7,8% registreren we burnoutsymptomen. Die kengetallen wijken niet significant af van de percentages die bij de vorige meetpunten opgetekend werden. In 2019 is er voor werkstressklachten ook geen significant verschil tussen starters en niet-starters maar de laatstgenoemde groep kent wel een groter aandeel (12,6%) zelfstandigen met burn-outsymptomen. 7,0% van de starters heeft motivatieproblemen in 2019 en bij 1,5% is sprake van ernstige demotivatie. Deze percentages wijken niet significant af van deze die opgetekend werden bij de nulmeting van 2007 of de vorige meting van 2016. Bij de niet-starters is er een groter aandeel met motivatieproblemen (10,7%) en ook een groter aandeel dat ernstig gedemotiveerd is (4,2%).
22
Het aandeel van de starters met onvoldoende leermogelijkheden (1,2% in 2019) en met een ernstig leerdeficit (0,3%) is zeer beperkt. Ten opzichte van de nulmeting in 2007 is het aandeel met een leerdeficit significant gedaald van 4,4% tot 1,2% en het aandeel met een ernstig leerdeficit daalde van 2,2% tot 0,3%. Bij de niet-starters is er in 2019 een groter aandeel (3,8%) met een leerdeficit dan bij de starters. Ongeveer een kwart (24,7%) van de starters heeft in 2019 problemen om werk en privé in balans te houden en bij 8% is sprake van een acuut werk-privé-conflict. In de periode 2007-2019 noteren we geen significante verschuivingen. Bij de niet-starters is er in 2019 een groter aandeel (31,2%) met een problematische werk-privébalans dan bij de starters. Tabel 10
Werkbaarheidsindicatoren voor starters 2007-2016
2007
geen werkstress werkstressklachten
2016
2019
%
%
%
%
%
66,5
67,9
67,3
67,1
35,3
33,5
32,1
11,3
32,7 9,2
32,9 8,3
7,8
241
257
371
254
322
91,6
93,8
95,1
91,2
93,0
8,4
6,2
4,9
8,8
gemotiveerd aan de slag motivatieproblemen
4,0
ernstige demotivatie N
2013
64,7 12,4
burn-outsymptomen N
2010
2,5
1,6
7,0 3,6
1,5
227
242
371
250
329
95,6
95,8
97,6
96,0
98,8
4,4
4,2
2,4
4,0
voldoende leermogelijkheden onvoldoende leermogelijkheden
2,2
ernstig leerdeficit
1,7
0,3
1,2 0,8
0,3
227
240
373
249
328
haalbare werk-privécombinatie
71,4
71,5
72,4
70,4
75,3
problemen werk-privécombinatie
28,6
28,5
27,6
29,6
24,7
N
8,0
acuut werk-privé-conflict N
238
7,7 260
7,8 373
11,5 253
8,0 324
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
23
Tabel 11
Werkbaarheidsindicatoren voor starters en niet-starters 2019 starters
werkbaarheidsindicatoren
werkstress
%
%
67,1
62,6
ns
werkstressklachten
32,9
37,4
ns
N gemotiveerd aan de slag motivatieproblemen
7,8
N voldoende leermogelijkheden onvoldoende leermogelijkheden
2.793
93,0
89,3
7,0
10,7 1,5 2.468
98,8
96,2
1,2
3,8 0,3 2.475
haalbare werk-privécombinatie
75,3
68,8
problemen werk-privécombinatie
24,7
31,2 8,0
acuut werk-privé-conflict N
324
s s
s s 0,5
328
s
s 4,2
329
ernstig leerdeficit N
werk-privé-balans
12,6
322
ernstige demotivatie
leermogelijkheden
verschiltoetsing
geen werkstress burn-outsymptomen
motivatie
niet-starters
11,0
ns
s s ns
2.483
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing: (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de starters en niet-starters.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie
2.3 Werkbaarheidsrisico’s bij starters Tabel 12 brengt de evolutie in de risico-indicatoren in kaart en tabel 13 vergelijkt (voor 2019) de situatie van de starters met die van de niet-starters.
24
Tabel 12
Risico-indicatoren voor starters 2007-2019
risico-indicatoren acceptabele werkdruk hoge werkdruk
werkdruk
zeer hoge werkdruk
2016
%
%
%
64,5
64,0
68,5
64,3
65,3
35,5
36,0
31,5
35,7
34,7
12,3
11,2
9,3
2019
12,0
10,6
375
249
329
geen emotioneel belastend werk
76,7
78,5
73,3
73,8
75,2
emotioneel belastend werk
23,3
21,5
26,7
26,2
6,2
emotionele overbelasting
geen routinematig werk routinematig werk
2,5
4,0
24,8 3,6
4,3
227
242
374
248
327
91,2
90,5
90,7
92,0
92,1
8,8
9,5
9,3
8,0
2,2
extreem routinematig werk
2,5
1,9
7,9 3,2
2,4
227
241
375
250
329
geen belastende arbeidsomstandigheden
86,1
85,7
83,2
85,4
80,4
belastende arbeidsomstandigheden
13,9
14,3
16,8
14,6
N
arbeidsomstandigheden
2013
%
242
N
taakvariatie
2010
%
228
N
emotionele belasting
2007
3,3
zeer hoge fysieke belasting N
244
3,8 265
4,9 386
19,6 2,8
253
7,0 327
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
Iets meer dan één op drie (34,7%) starters wordt in 2019 met een hoge werkdruk geconfronteerd en bij 10,6% gaat het om een job die een zeer hoge werkdruk met zich mee brengt. Die percentages zijn sedert 2007 niet significant gewijzigd. Bij de niet-starters worden in 2019 zowel voor hoge werkdruk (47,7%) als zeer hoge werkdruk (20,5%) significant hogere percentages geregistreerd. In 2019 heeft 24,8% van de starters emotioneel belastend werk en bij 4,3% is sprake van emotionele overbelasting. Het aandeel met emotioneel belastend werk is sedert de nulmeting van 2007 vrij stabiel gebleven. In 2019 wijken de cijfers voor emotionele belasting niet significant af van deze voor de niet-starters. 7,9% van de starters heeft een routinematige job in 2019 en bij 2,4% is het werk extreem routinematig. Die aandelen wijken niet significant af van deze die bij de vorige meetpunten geregistreerd werden. De cijfers van 2019 wijken ook niet significant af van deze die bij de niet-starters gemeten werden. Het aandeel starters dat met (fysiek) belastende omstandigheden geconfronteerd wordt, bedraagt 19,6% in 2019. Dat aandeel wijkt niet significant af van de percentages die bij de vorige metingen opgetekend werden. Het aandeel dat blootgesteld wordt aan zeer hoge fysieke belasting bedraagt 7% in 2019. Dat is significant meer dan in 2016 (2,8%). In 2019 wordt voor (belastende) arbeidsomstandigheden geen significant verschil genoteerd tussen starters en niet-starters. 25
Tabel 13
Risico-indicatoren voor starters en niet-starters 2019
starters
niet-starters
verschiltoetsing
%
%
acceptabele werkdruk
65,3
52,3
s
hoge werkdruk
34,7
47,7
s
10,6
zeer hoge werkdruk
20,5
329
2.476
geen emotioneel belastend werk
75,2
71,4
emotioneel belastend werk
24,8
28,6
N
4,3
emotionele overbelasting N geen routinematig werk routinematig werk
2.475
92,1
92,1
7,9
7,9 2,4
extreem routinematig werk
2.475
geen belastende arbeidsomstandigheden
80,4
78,9
belastende arbeidsomstandigheden
19,6
21,1 7,0
zeer hoge fysieke belasting 327
N
ns ns
ns ns 1,7
329
N
ns 5,1
327
s
ns
ns ns 6,8
ns
2.484
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing: (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de starters en niet-starters.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie
2.4 Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van starters In de werkbaarheidsenquêtes wordt – naast de hierboven besproken werkbaarheids- en risicoindicatoren- ook nog aanvullende informatie opgevraagd over de werksituatie en –beleving van de zelfstandige ondernemers. Bij de meting van 2019 werden onder andere gegevens verzameld over bijscholing, het opleidingsdeficit op het vlak van technische en managementcompetenties, sociale ondersteuning, de mate van tevredenheid over diverse werkaspecten en de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag op het werk. We lijsten deze informatie hieronder op voor de starters en vergelijken hun situatie met deze van de zelfstandige ondernemers die drie jaar of langer actief zijn (niet-starters).
2.4.1
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning van starters
In tabel 14 vinden we de cijfers van de werkbaarheidsmeting 2019 over de bijscholingsdeelname, het opleidingsdeficit op het vlak van vakinhoudelijk/technische en managementcompetenties en beheer en de ondersteuning door een sociaal netwerk.
26
Tabel 14
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning bij starters, 2019
starters
niet-starters
%
%
verschiltoetsing
59,8
53,4
s
geen deficit
37,0
46,0
beperkt deficit ernstig deficit
54,9 8,0
45,8 8,2
geen deficit
16,2
21,3
beperkt deficit ernstig deficit
38,6 45,2
47,8 30,8
goed
52,5
42,9
beperkt afwezig
37,4 10,1
42,9 14,2
deelname bijscholing afgelopen jaar competentie vakinhoudelijk, technisch
s
competentie management en beheer s
ondersteuning door sociaal netwerk s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers
Een op de zes (59,8%) van de starters volgde een bijscholing of training. Dat is meer dan bij de nietstarters (53,4%). Het aandeel dat zich goed opgeleid voelt op vakinhoudelijk of technisch vlak is kleiner bij starters (37%) dan bij niet-starters (46%). Iets meer dan de helft van de starters (54,9%) ervaart een beperkt deficit en 8% een ernstig deficit. Slechts 16,2% van de starters voelt zich helemaal goed opgeleid voor het management en beheer van de zelfstandige activiteit. Bij de niet-starters is dat 21,3%. Van de starters ervaart 38,6% een beperkt deficit en 45,2% een ernstig opleidingsdeficit op dit competentiedomein. Ongeveer de helft van de starters (52,5%) voelt zich goed ondersteund door een sociaal netwerk (verenigingen, externe adviseurs, familieraad). Dat is meer dan bij de niet-starters (42,9%). Bij 31,4% van de starters is de ondersteuning beperkt en bij 10,1% is er helemaal geen ondersteuning door een sociaal netwerk.
27
2.4.2
Tevredenheid over het werk
In de werkbaarheidsenquête voor zelfstandige ondernemers wordt aan de respondenten gevraagd hoe tevreden ze, alles bij elkaar genomen, zijn met een dertiental werkaspecten 2. De antwoordmogelijkheden zijn: zeer tevreden, eerder tevreden, noch tevreden noch ontevreden, eerder ontevreden of zeer ontevreden. De cijfers in figuur 4 hebben betrekking op het aandeel zelfstandig ondernemers dat zeer tevreden of eerder tevreden is.
2
Bij de verschiltoetsing zijn voor het aspect ‘personeel’ enkel deze zelfstandige ondernemers geselecteerd die effectief personeel tewerkstellen. Voor ‘samenwerking met vennoot/meewerkende partners’ zijn enkel diegenen geselecteerd die effectief een samenwerkingsverband hebben.
28
Figuur 4
Tevredenheid met het werk bij starters en niet-starters, 2019
74,2 77,9
keuze voor zelfstandig ondernemerschap sociale bescherming (bv ziekteverzekering, pensioen)
17,4 20,1 69,2 74,7
mate van afhankelijkheid van anderen 61,1
verantwoordelijkheid als zelfstandige mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen
68,7
55,6 48,9
financieel-economische toestand van de activiteit
49,5 53,1
inkomen
47,9 52,4
55,3 60,4
werktijden
84,9 84,6
personeel de samenwerking met vennoot, meewerkende partner
79,6 75,4 20,6
contact met de overheid(sadministratie)
28,2 80,3 73,5
contacten met leveranciers
89,5 92,7
contacten met klanten 0
10
niet-starter
20
30
40
50
60
70
80
90
100
starter
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers, 2019
Bij de starters is er een significant groter aandeel dat tevreden is over het contact met de overheid(sadministratie) (28,2% versus 20,6% bij niet-starters). Ook voor de verantwoordelijkheid als zelfstandige en de mate van afhankelijkheid van anderen zijn er verhoudingsgewijs meer tevreden starters dan niet-starters. Over de mogelijkheid om financiering of leningen te bekomen zijn er significant meer tevreden niet-starters (55,6%) dan starters (48,9%). Ook voor het contact met leveranciers zijn er significant meer tevreden niet-starters dan starters (80,3% versus 73,5%). Voor de andere aspecten van het werk zijn er geen significante verschillen tussen beide groepen.
2.4.3
Grensoverschrijdend gedrag
Tabel 15 inventariseert de informatie over het voorkomen van verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag op het werk: (fysieke) agressie, intimidatie of bedreiging, ongewenst seksueel gedrag en pestgedrag. 29
Tabel 15
Aandeel starters en niet-starters dat slachtoffer werd van grensoverschrijdend gedrag, 2019
starters
niet-starters
%
%
96,0 3,4 0,6
97,5 2,2 0,3
nooit
87,8
84,4
sporadisch regelmatig
10,4 1,8
14,4 1,2
nooit sporadisch regelmatig
95,1 4,6 0,3
97,1 2,8 0,1
ns
nooit sporadisch regelmatig
94,2 4,3 1,5
95,5 4,0 0,5
ns
verschiltoetsing
slachtoffer van lichamelijk geweld nooit sporadisch regelmatig
ns
slachtoffer van intimidatie of bedreiging ns
slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag
slachtoffer van pesten
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de starters en niet-starters
Bij de starters werd 4,9% geconfronteerd met ongewenst seksueel gedrag, was 4% het slachtoffer van lichamelijk geweld, werd12,2% bedreigd of geïntimideerd en had 5,8% af te rekenen met pestgedrag. De cijfers voor de niet-starters wijken hier niet significant van af.
3. Werkbaarheidsprofiel van de zelfstandige ondernemers-groeiers 41,1% van de zelfstandige ondernemers geeft in de werkbaarheidsenquête van 2019 aan dat ze een (sterke of beperkte) groei of uitbreiding van hun activiteit verwachten in de komende drie à vijf jaar. Dat minder dan in 2016 toen een aandeel van 44% geregistreerd werd. Als we de samenstelling van de groep ‘groeiers’ bekijken dan maken we volgende vaststellingen: •
12,9% is jonger dan dertig. 27,8% zijn dertigers, 32,0% zijn veertigers en 27,2% zijn 50+ers; 30
18,3% is alleenstaand, 59,9% woont samen met een partner en inwonende kind(eren) en
•
21,8% samenwoont met een partner zonder inwonende kind(eren). •
66,5% is hooggeschoold, 26,8% middengeschoold en 6,8% laaggeschoold;
•
25,8% oefent een vrij beroep uit en 19,4% een andere intellectuele dienst (consultant, makelaar, ICT…); 10,9% werkt in de handel en 12,0% in de bouwsector.
In dit derde deel nemen we de werkbaarheidssituatie van de groeiers onder de loep en vergelijken die met deze met die van de andere zelfstandige ondernemers. Naast de vergelijkende analyse van de werkbaarheidsgraad, de werkbaarheidsknelpunten en de risicofactoren in de arbeidssituatie, staan we ook stil bij het competentieprofiel van de groeiers, de tevredenheid over diverse aspecten van het zelfstandig ondernemerschap en de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd.
3.1 Evolutie van de werkbaarheidssituatie van groeiers Het aandeel van de groeiers met een werkbare job bedraagt 53,0% in 2019 (tabel 16). Dat aandeel verschilt niet significant van de percentages die bij de vorige werkbaarheidsmetingen opgetekend werden. Bij de niet-groeiers heeft minder dan de helft (47,7%) een werkbare job. Figuur 5 brengt deze vaststellingen, met de vergelijking van de werkbaarheidscurves van groeiers en niet-groeiers, visueel in beeld. Tabel 16
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij groeiers en niet-groeiers werkbaarheidsgraad 2007 %
groeiers N niet-groeiers N verschiltoetsing
2010 %
2013 %
2016 %
2019 %
49,6
48,7
56,7
52,8
53,0
944
809
1.269
1.067
1.110
45,9
47,1
48,1
49,4
47,7
940
1.000
2.072
1.323
1.565
ns
s
ns
s
ns
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het groen wijzen op een significante (Pearson chi² ; p < 0,05) verbetering van de werkbaarheidsgraad ten opzichte van het vorig meetpunt.
31
Figuur 5
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij groeiers en niet-groeiers
60,0% 56,7% 55,0%
50,0%
52,8% 49,6% 45,9%
48,7%
48,1%
47,1%
53,0%
49,4% 47,7%
45,0%
40,0%
35,0%
30,0% 2007
2010
2013 groeiers
2016
2019
niet groeiers
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers 2007-2019
3.2 Werkbaarheidsknelpunten bij groeiers Tabel 17 brengt de evolutie (2007 – 2019) van de situatie van groeiers voor werkstress, motivatie, leermogelijkheden en werk-privébalans cijfermatig in kaart. Tabel 18 vergelijkt de werkbaarheidsindicatoren 2019 voor groeiers en niet-groeiers. In 2019 kampt 36,6% van de groeiers met werkstressklachten en vertoont 11,7% burn-outsymptomen. Het aandeel met werkstressklachten wijkt niet (significant) af van de percentages die bij de nulmeting 2007 en de vorige meting van 2016 opgetekend werden. Voor de werkbaarheidsindicator werkstress is er in 2019 geen significant verschil tussen de kengetallen voor groeiers en niet-groeiers. Een beperkte groep van 5,7% groeiers heeft motivatieproblemen in 2019 en bij 1,9% gaat het om ernstige demotivatie. Beide cijfers wijken niet (significant) af van de percentages die bij de nulmeting 2007 en de vorige meting van 2016 opgetekend werden. Bij de niet-groeiers is het aandeel met motivatieproblemen meer dan dubbel zo hoog (13,5%) en het aandeel met ernstige motivatieproblemen bijna driemaal zo hoog (5,2%) in 2019. Slechts 1,4% van de groeiers heeft onvoldoende leermogelijkheden in 2019 en ook het aandeel met een ernstig leerdeficit is zeer beperkt (0,1%). Dat aandeel is stabiel gebleven over de 32
volledige meetperiode. Bij de niet-groeiers ligt het aandeel met onvoldoende leermogelijkheden (4,9%) of een ernstig leerdeficit (0,7%) duidelijk hoger. Minder dan drie op de tien van de groeiers (29,6%) heeft problemen om werk en privé in evenwicht te houden in 2019. Dat is een significante verbetering ten opzichte van de situatie in 2007 toen een aandeel van 34,8% opgetekend werd. Bij ongeveer een tiende van de groeiers (11,2%) is sprake van een acuut werk-privé-conflict. Dat cijfer wijkt niet significant af van de situatie in het verleden. In 2019 is er geen significant verschil tussen de kengetallen voor de werk-privé-balans van groeiers en niet-groeiers. Tabel 17
Werkbaarheidsindicatoren voor groeiers 2007-2019 2007
werkbaarheidsindicatoren geen werkstress werkstressklachten
werkstress
burn-outsymptomen N gemotiveerd aan de slag motivatieproblemen
motivatie
voldoende leermogelijkheden leermogelijkheden
onvoldoende leermogelijkheden
2016
2019
%
%
%
%
%
63,6
70,3
63,8
63,4
35,9
36,4
29,7
36,2
36,6
11,2
11,8
8,2
10,4
11,7
1.054
887
1.325
1.106
1.137
95,0
95,9
97,5
93,7
94,3
5,0
4,1
2,5
6,3
1,4
1,4
0,8
5,7 1,7
1,9
989
838
1.324
1.087
1.135
98,2
98,7
98,9
99,0
98,6
1,8
1,3
1,1
1,0
0,4
ernstig leerdeficit
0,5
0,1
1,4 0,2
0,1
988
837
1.323
1.091
1.135
haalbare werk-privécombinatie
65,2
62,9
69,3
66,7
70,4
problemen werk-privécombinatie
34,8
37,1
30,7
33,3
N
werk-privé-balans
2013
64,1
ernstige demotivatie N
2010
9,4
acuut werk-privé-conflict N
1.059
10,6 896
8,1 1.330
29,6 9,9
1.109
9,8 1.140
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een groen kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
33
Tabel 18
Werkbaarheidsindicatoren voor groeiers en niet-groeiers, 2019 groeiers
werkbaarheidsindicatoren
werkstress
%
%
63,4
62,5
ns
werkstressklachten
36,6
37,5
ns
N gemotiveerd aan de slag motivatieproblemen
11,7
N voldoende leermogelijkheden onvoldoende leermogelijkheden
1.613
94,3
86,5
5,7
13,5 1,9 1.619
98,6
95,1
1,4
4,9 0,1
ns
s s 5,2
1.135
ernstig leerdeficit
s
s s 0,7
s
1.135
1.622
haalbare werk-privécombinatie
70,4
68,8
ns
problemen werk-privécombinatie
29,6
31,2
ns
N
werk-privé-balans
12,3
1.137
ernstige demotivatie
leermogelijkheden
verschiltoetsing
geen werkstress burn-outsymptomen
motivatie
niet-groeiers
9,8
acuut werk-privé-conflict N
1.140
11,2
ns
1.623
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing: (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de groeiers en niet-groeiers.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie
3.3 Werkbaarheidsrisico’s bij groeiers Tabel 19 brengt de evolutie in de risico-indicatoren voor groeiers in kaart, tabel 20 vergelijkt voor 2019 de situatie van de groeiers met die van de niet-groeiers.
34
Tabel 19
Werkbaarheidsrisico’s bij groeiers 2007-2019
risico-indicatoren acceptabele werkdruk hoge werkdruk
werkdruk
zeer hoge werkdruk
2016
%
%
%
49,3
55,2
59,6
54,6
52,3
50,7
44,8
40,4
45,4
47,7
17,9
17,6
12,3
2019
17,7
18,8
1.328
1.093
1.137
geen emotioneel belastend werk
68,8
68,7
69,7
71,3
72,1
emotioneel belastend werk
31,2
31,3
30,3
28,7
5,1
emotionele overbelasting
geen routinematig werk routinematig werk
5,4
5,7
27,9 5,3
4,9
986
841
1.330
1.091
1.133
95,2
95,0
95,3
94,7
94,5
4,8
5,0
4,7
5,3
0,9
extreem routinematig werk
1,2
0,8
5,5 1,6
1,1
992
841
1.330
1.093
1.134
geen belastende arbeidsomstandigheden
86,1
87,1
85,7
84,7
82,7
belastende arbeidsomstandigheden
13,9
12,9
14,3
15,3
N
arbeidsomstandigheden
2013
%
843
N
taakvariatie
2010
%
992
N
emotionele belasting
2007
3,8
zeer hoge fysieke belasting N
1.083
3,0 907
3,7 1.360
17,3 4,4
1.124
5,3 1.157
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Cijfers in het groen/rood wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verbetering/verslechtering in de kengetallen ten opzichte van het vorig meetpunt. Cijfers in een rood kader wijzen op een significante (Pearson chi²; p < 0,05) verslechtering in de kengetallen bij een vergelijking van de meetpunten 2007 en 2019.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie.
Tussen 2007 en 2013 daalt het aandeel groeiers met een hoge werkdruk van 50,7% naar 40,4% maar stijgt opnieuw tot 45,4% in 2016 en bedraagt 47,7% in 2019. Het aandeel met een zeer hoge werkdruk bedraagt 18,8% in 2019. De werkdrukcijfers voor groeiers en niet-groeiers verschillen niet significant van elkaar. Voor 27,9% van de groeiers is het werk emotioneel belastend en bij 4,9% is sprake van emotionele overbelasting in 2019. Tussen de opeenvolgende werkbaarheidsmetingen en over de volledige meetperiode 2007-2019 tekenen we geen significante verschuivingen op. In 2019 is er geen significant verschil tussen groeiers en niet-groeiers. Een klein aandeel groeiers (5,5%) heeft routinematig werk en bij 1,1% gaat het om extreem routinematig werk (in 2019). Die percentages zijn vergelijkbaar met de cijfers die bij de vorige metingen opgetekend werden. Bij de niet-groeiers is het aandeel met routinematig werk (in 2019) iets hoger, namelijk 9,6%. Ook het aandeel met extreem routinematig werk ligt hoger (2,3%). Het aandeel groeiers dat (in 2019) aan belastende arbeidsomstandigheden wordt blootgesteld bedraagt 17,3% en 5,3% wordt met zeer hoge fysieke belasting geconfronteerd. Tussen 2007 en 2019 noteren we voor belastende arbeidsomstandigheden een significante toename van 13,9% tot 17,3%. Bij de niet-groeiers ligt het aandeel met belastende arbeidsomstandigheden in 2019 hoger (23,4%) dan bij de groeiers (15,3%). Ook het aandeel met zeer hoge fysieke belasting ligt met 7,8% significant hoger. 35
Tabel 20
Werkbaarheidsrisico’s voor groeiers en niet-groeiers 2019 groeiers
risico-indicatoren
werkdruk
%
%
52,3
55,1
ns
hoge werkdruk
47,7
44,9
ns
18,8
1.625
geen emotioneel belastend werk
72,1
71,7
emotioneel belastend werk
27,9
28,3 4,9
emotionele overbelasting N geen routinematig werk routinematig werk
1.624
94,5
90,4
5,5
9,6 1,1 1.625
geen belastende arbeidsomstandigheden
82,7
76,6
belastende arbeidsomstandigheden
17,3
23,4 5,3
zeer hoge fysieke belasting N
1.157
ns ns
s s 2,3
1.134
N
ns
ns 5,0
1.133
extreem routinematig werk
arbeidsomstandigheden
19,6
1.137
N
taakvariatie
verschiltoetsing
acceptabele werkdruk zeer hoge werkdruk
emotionele belasting
niet-groeiers
s
s s 7,8
s
1.655
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2007-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing: (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de groeiers en niet-groeiers.
•
De acuut-problematische categorie met het rode balkje is een subgroep binnen de problematische categorie (oranje balkje) maar het aandeel wordt gepercenteerd op de totale deelpopulatie
3.4 Aanvullende informatie over de arbeidssituatie van groeiers In de werkbaarheidsenquêtes wordt – naast de hierboven besproken werkbaarheids- en risicoindicatoren- ook nog aanvullende informatie opgevraagd over de werksituatie en –beleving van de zelfstandige ondernemers. Bij de meting van 2019 werden onder andere gegevens verzameld over bijscholing, opleidingsdeficit op het vlak van technische en managementcompetenties, sociale ondersteuning, de mate van tevredenheid over diverse werkaspecten, de confrontatie met grensoverschrijdend gedrag op het werk en de haalbaarheid om door te werken tot de pensioenleeftijd . We lijsten deze informatie hieronder op voor de groeiers en vergelijken hun situatie met deze van de niet-groeiers
3.4.1
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning van groeiers
In tabel 21 vinden we de cijfers van de werkbaarheidsmeting 2019 over de bijscholingsdeelname, het opleidingsdeficit op het vlak van de vakinhoudelijke/technische en de managementcompetenties en beheer en de ondersteuning door een sociaal netwerk.
36
Tabel 21
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning bij groeiers, 2019
groeiers
niet-groeiers
%
%
verschiltoetsing
61,2
49,1
s
geen deficit
43,6
45,9
beperkt deficit ernstig deficit
49,7 6,7
45,0 9,1
geen deficit
19,5
21,5
beperkt deficit ernstig deficit
47,1 33,4
46,6 31,9
goed
49,9
39,4
beperkt afwezig
41,1 9,0
43,4 17,2
deelname bijscholing afgelopen jaar competentie vakinhoudelijk, technisch
s
competentie management en beheer ns
ondersteuning door sociaal netwerk s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de groeiers en niet-groeiers.
Beduidend meer groeiers (61,2%) dan niet-groeiers (49,1%) hebben zich bijgeschoold in het jaar dat aan de bevraging voorafging. 43,6% van de groeiers voelt zich goed opgeleid op vakinhoudelijk of technisch vlak, 49,7% ervaart voor deze competentie een beperkt deficit en 6,7% een ernstig deficit. Bij de niet-groeiers is er een significant groter deel (9,1%) met een ernstig deficit. Voor het management en beheer van de zaak voelt 19,5% van de groeiers zich goed opgeleid, bij 47,1% is sprake van een beperkt opleidingsdeficit en bij 33,4% een ernstig opleidingsdeficit. Bij de niet-groeiers is het beeld gelijkaardig. De helft van de groeiers (49,9%) wordt goed ondersteund door een sociaal netwerk (verenigingen, externe adviseurs, familieraad). Bij 41,1% is dat slechts in beperkte mate het geval en 9,0% voelt zich helemaal niet ondersteund. Bij de niet-groeiers is het aandeel dat goed ondersteund wordt veel kleiner (39,4%) en het aandeel dat zich helemaal niet ondersteund voelt ligt bijna dubbel zo hoog (17,2%).
37
3.4.2
Tevredenheid over het werk
In de werkbaarheidsenquête voor zelfstandige ondernemers wordt aan de respondenten gevraagd hoe tevreden ze, alles bij elkaar genomen, zijn met een dertiental werkaspecten 3. De antwoordmogelijkheden zijn: zeer tevreden, eerder tevreden, noch tevreden noch ontevreden, eerder ontevreden of zeer ontevreden. De cijfers in figuur 6 hebben betrekking op het aandeel zelfstandig ondernemers dat zeer tevreden of eerder tevreden is. Figuur 6
Tevredenheid met het werk bij groeiers en niet-groeiers, 2019
69,8
keuze voor zelfstandig ondernemerschap
81,7
16,6 19,4
sociale bescherming (bv ziekteverzekering, pensioen)
68,3 72,3
mate van afhankelijkheid van anderen
59,4 65,9
verantwoordelijkheid als zelfstandige
53,3 57,2
mogelijkheden om financiering of leningen te bekomen
48,1 52,1
financieel-economische toestand van de activiteit
47,2 49,8
inkomen
54,1 58,3
werktijden
82,6 87,5
personeel
76,7 82,6
de samenwerking met vennoot, meewerkende partner 19,1 24,8
contact met de overheid(sadministratie)
78,6 81,0
contacten met leveranciers
88,2 92,3
contacten met klanten
0
10
niet-groeiers
20
30
40
50
60
70
80
90
100
groeiers
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor zelfstandige ondernemers, 2019
3
Bij de verschiltoetsing zijn voor het aspect ‘personeel’ enkel deze zelfstandige ondernemers geselecteerd die effectief personeel tewerkstellen. Voor ‘samenwerking met vennoot/meewerkende partners’ zijn enkel diegenen geselecteerd die effectief een samenwerkingsverband hebben.
38
Behalve voor contacten met leveranciers, het inkomen, de mogelijkheid om financiering/leningen te bekomen en de sociale bescherming zien we dat er een significant groter aandeel tevredenen zijn bij de groeiers dan de niet-groeiers.
3.4.3
Grensoverschrijdend gedrag
Tabel 22 inventariseert de informatie over het voorkomen van verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag op het werk: (fysieke) agressie, intimidatie of bedreiging, ongewenst seksueel gedrag en pestgedrag. Tabel 22
Aandeel groeiers en niet-groeiers die slachtoffer werden van grensoverschrijdend gedrag, 2019
groeiers
niet-groeiers
%
%
97,5 2,2 0,3
97,2 2,5 0,4
nooit
86,3
83,7
sporadisch regelmatig
12,6 1,0
14,9 1,4
nooit sporadisch regelmatig
96,7 3,1 0,2
97,0 2,9 0,1
ns
nooit sporadisch regelmatig
96,0 3,5 0,4
94,9 4,3 0,8
ns
verschiltoetsing
slachtoffer van lichamelijk geweld nooit sporadisch regelmatig
ns
slachtoffer van intimidatie of bedreiging ns
slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag
slachtoffer van pesten
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers 2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen groeiers en niet-groeiers.
Bij de groeiers werd 2,5% het slachtoffer van lichamelijk geweld, 13,6% werd bedreigd of geïntimideerd, 3,3% werd slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag en 3,9% werd met pestgedrag geconfronteerd. De kengetallen voor de niet-groeiers wijken hier niet significant van af.
39
3.4.4
Haalbaarheid om tot de pensioenleeftijd te werken
Tabel 23 toont welk aandeel (40plussers) van de groeiers en niet-groeiers het haalbaar (eventueel mits aangepast werk) of onhaalbaar vinden om hun job voort te zetten tot hun pensioen. Tabel 23
Inschatting van groeiers en niet-groeiers (40+) om het werk tot het pensioen te kunnen voortzetten, 2019
doorwerken in huidige job tot pensioen haalbaar doorwerken tot pensioen haalbaar, mits aangepast werk doorwerken tot pensioen niet haalbaar
groeiers
niet-groeiers
%
%
79,0 19,2 1,8
66,9 29,0 4,1
verschiltoetsing s
Bron: Vlaamse Werkbaarheidsmonitor Zelfstandige ondernemers-2019 Leeswijzer: •
Verschiltoetsing (s = significant versus ns = niet significant): al dan niet statistisch betekenisvol verschil (Pearson chi²; p < 0,05 versus p ≥ 0,05) tussen de mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers.
•
De antwoordpercentages hebben enkel betrekking op de (relevante) doelgroep van 40 jaar en ouder.
79% van de groeiers ziet het haalbaar om in de huidige job door te werken tot het pensioen, 19,2% geeft aan dat langer doorwerken enkel kan mits aangepast werk (lichter werk, deeltijds werk...) en 1,8% schat dit in als een onhaalbare opdracht. Bij de niet-groeiers is de inschatting minder positief: 66,9% acht doorwerken haalbaar, 29% is vragende partij voor aangepast werk om te kunnen doorwerken en voor 4,1% is doorwerken een onhaalbare kaart.
40
Referentielijst Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2019). Methodologie Vlaamse werkbaarheidsmonitor. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13437 Bourdeaud’hui, R., Janssens, F., & Vanderhaeghe, S. (2020). Vlaamse werkbaarheidsmonitor 2019 – zelfstandige ondernemers. Brussel: SERV-Stichting Innovatie & Arbeid. Geraadpleegd op http://www.serv.be/node/13533
41
Lijst met figuren en tabellen Figuren Figuur 1
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij vrouwelijke en mannelijke
zelfstandige ................................................................................................................................................. 11 Figuur 2
Tevredenheid met het werk bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige
ondernemers,2019 ..................................................................................................................................... 18 Figuur 3
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij starters en niet-starters .................... 22
Figuur 4
Tevredenheid met het werk bij starters en niet-starters, 2019 ...................................... 29
Figuur 5
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij groeiers en niet-groeiers ............ 32
Figuur 6
Tevredenheid met het werk bij groeiers en niet-groeiers, 2019 .................................... 38
Tabellen Tabel 1:
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij vrouwelijke en mannelijke
zelfstandige ondernemers ........................................................................................................................ 10 Tabel 2
Werkbaarheidsindicatoren voor vrouwelijke zelfstandige ondernemers 2007-2019 . 12
Tabel 3
Vergelijking werkbaarheidsindicatoren vrouwelijke en mannelijke zelfstandige
ondernemers 2019. .................................................................................................................................... 13 Tabel 4
Risico-indicatoren voor vrouwelijke zelfstandige ondernemers 2007-2019 ................. 14
Tabel 5
Vergelijking risico-indicatoren bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige
ondernemers 2019 ..................................................................................................................................... 15 Tabel 6
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning bij vrouwelijke en mannelijke
zelfstandige ondernemers 2019 ............................................................................................................... 16 Tabel 7
Aandeel vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers die slachtoffer werden
van grensoverschrijdend gedrag, 2019 ................................................................................................... 19
42
Tabel 8
Inschatting van vrouwelijke en mannelijke zelfstandige ondernemers (40+) om de
job tot het pensioen te kunnen voortzetten, 2019 ................................................................................ 20 Tabel 9
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij starters en niet-starters .................... 21
Tabel 10
Werkbaarheidsindicatoren voor starters 2007-2016 ....................................................... 23
Tabel 11
Werkbaarheidsindicatoren voor starters en niet-starters 2019 ..................................... 24
Tabel 12
Risico-indicatoren voor starters 2007-2019 ....................................................................... 25
Tabel 13
Risico-indicatoren voor starters en niet-starters 2019 .................................................... 26
Tabel 14
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning bij starters, 2019 ......................... 27
Tabel 15
Aandeel starters en niet-starters dat slachtoffer werd van grensoverschrijdend
gedrag, 2019 ................................................................................................................................................ 30 Tabel 16
Evolutie van de werkbaarheidsgraad 2007-2019 bij groeiers en niet-groeiers ............ 31
Tabel 17
Werkbaarheidsindicatoren voor groeiers 2007-2019 ...................................................... 33
Tabel 18
Werkbaarheidsindicatoren voor groeiers en niet-groeiers, 2019 .................................. 34
Tabel 19
Werkbaarheidsrisico’s bij groeiers 2007-2019 .................................................................. 35
Tabel 20
Werkbaarheidsrisico’s voor groeiers en niet-groeiers 2019 ............................................ 36
Tabel 21
Bijscholing, competenties en sociale ondersteuning bij groeiers, 2019 ........................ 37
Tabel 22
Aandeel groeiers en niet-groeiers die slachtoffer werden van grensoverschrijdend
gedrag, 2019 ................................................................................................................................................ 39 Tabel 23
Inschatting van groeiers en niet-groeiers (40+) om het werk tot het pensioen te
kunnen voortzetten, 2019 ......................................................................................................................... 40
43