Skip to main content

monitoring RVK Vissenaken akkervogels T-1 + kaarten.pdf

Page 1

Ruilverkavelingsproject Vissenaken Uitvoering monitoringprogramma

Akkervogels jaar –1 (2003)

Vlaamse Landmaatschappij Vlaams-Brabant, 2004 M. Boyen, E. Dupae & H. Stulens


2


INHOUD

INHOUD

3

1.

INLEIDING

5

2.

METHODE MONITORING

6

3.

RESULTATEN

7

3.1.

METHODE TERRITORIUMKARTERING

7

3.2.

WAARNEMINGEN EN ANALYSE

8 9

3.2.1.

FAZANT (PHASIANUS COLCHICUS)

3.2.2.

GEELGORS (EMBERIZA CITRINELLA)

10

3.2.3.

GELE KWIKSTAART (MOTACILLA FLAVA)

11

3.2.4.

GRAUWE GORS (MILIARIA CALANDRA)

12

3.2.5.

KIEVIT (VANELLUS VANELLUS)

13

3.2.6.

PATRIJS (PERDIX PERDIX)

14

3.2.7.

VELDLEEUWERIK (ALAUDA ARVENSIS)

15

3.2.8.

KWARTEL (COTURNIX COTURNIX)

16

3.2.9.

SAMENVATTING

17

3.3.

KAVELGROOTTE EN BODEMGEBRUIK

18

4.

LITERATUUR

22

5.

KAARTEN - OVERZICHT

23

6.

BIJLAGEN

24

7.

DIGITALE BESTANDEN

31

3


4


1.

INLEIDING De ruilverkaveling Vissenaken (situering kaart 1) werd nuttig verklaard op 9 februari 1999 (B.S. 02-04-1999). Conform de ministeriële richtlijn van 14 maart 2000 betreffende de implementatie van de methodiek voor het optimaliseren en meetbaar maken van de ecologische inbreng in de ruilverkaveling, in toepassing van de studie van het Instituut voor Natuurbehoud en van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, moet het monitoringprogramma voor dit project opgemaakt en goedgekeurd worden voor de werken in uitvoering gaan op het terrein. Het monitoringprogramma voor de ruilverkaveling Vissenaken werd door de bevoegde minister goedgekeurd op 12 mei 2004. Monitoring is het herhaaldelijk, gestandaardiseerd verzamelen van gegevens met als doel de overeenkomst met of de mate van afwijking van vooropgezette normen vast te stellen. Met het oog op standaardisatie en statistische verwerking dient het verzamelen van de gegevens zo objectief mogelijk te verlopen. Het monitoringprogramma heeft als doel de effectiviteit na te gaan van de maatregelen die in de ruilverkaveling worden uitgevoerd voor het behoud of een verhoging van de actuele en potentiële natuurwaarden. Het beoogt een afwegingskader te creëren waaraan kan worden getoetst of de vooropgestelde natuurdoelstellingen bij een ruilverkaveling ook effectief worden gehaald. Hiermee kan onderzocht worden of een bijstelling van het gevoerde beheer zich opdringt. Het monitoringprogramma start net voor de aanvang van de werken. Gezien de ontwikkelingstijd die nodig is, zal men doorgaans pas geruime tijd na de beëindiging van de ruilverkaveling kunnen oordelen of de natuurdoelstellingen van de ruilverkaveling ook werkelijk gehaald werden. Het monitoringprogramma gaat door zolang als nodig voor een effectieve beoordeling. Het voorliggend rapport geeft de uitgangssituatie weer voor de module akkervogels. De inventarisaties van de akkervogels gebeurden door M. Boyen en E. Dupae. bodemgebruik werd in kaart gebracht door E. Dupae en H. Stulens.

Het

5


2.

• • •

•

METHODE MONITORING Monitoringprogramma RVK Vissenaken 1. Doelsoorten: Akkervogels Beoogd doel in plansituatie: Standstill voor huidige populaties van akkervogels Geplande inrichtings- en beheersmaatregelen: aanleg van grasbermen ontwikkeling voedselarm grasland behoud taluds A. Beschrijving uitgevoerde inrichtingsmaatregelen in relatie tot geplande maatregelen: jaar 0 + resultaat: jaar 1 B. Raadplegen logboek uitgevoerd beheer: jaar –1 - 0 - 1 – 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 – 10 Monitoringgebied / stratificatie: in 2 geselecteerde deelgebieden (zie kaart 2) Parameters Monitoringfrequentie Apparatuur Resultaat Aantal meetpunten + ligging Bemonsteringsfrequentie Expertise Tijdstip en Methode Werkbelasting Parameters: Monitoringfrequentie:: Apparatuur: Het resultaat is een Soortensamenstelling en Jaar: –1 - 0 - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - Verrekijker, telescoop, gebiedsdekkende hoeveelheid akkervogels 8 – 9 – 10 vogeldeterminatiegids, kaart op territoriumkartering voor Bemonsteringsfrequentie: schaal 1/5.000 akkervogels binnen de Aantal meetpunten en ligging: 8 x per aangeduid jaar Expertise: geselecteerde deelgebieden. uitgebreide territoriumkartering van 2 Tijdstip: Kennis van vogelsoorten, auditief en De territoria van de geselecteerde deelgebieden van 100 Maart t.e.m. juni visueel kunnen determineren, kennis verschillende soorten worden à 150 ha (zie kaart 2) Methode: methode uitgebreide aangeduid op kaarten op Uitgebreide territoriumkartering voor territoriumkartering (Hustings et al., schaal 1/5.000. de volgende vogelgroepen: 1989) veldleeuwerik-groep (1) volgens Werkbelasting: Hustings et al. (1989) Jaar –1, 2, 5, 10: 12 MD (1) De monitoring gebeurt voor soorten die behoren tot een bepaalde ecologische soortengroep, en niet voor alle soorten. De te monitoren soorten worden, afhankelijk van de ecologische eisen, opgedeeld in volgende vogelgroep (naar Sierdsema H., Broedvogels en Beheer, Staatsbosbeheer, 1995): Veldleeuwerik-groep: patrijs, kwartel, scholekster, kievit, wulp, veldleeuwerik, gele kwikstaart, grauwe gors, graspieper met als geschikt habitat: open gebied, nat tot droog grasland en akkers met lage vegetaties en open plekken

6


3. 3.1.

RESULTATEN METHODE TERRITORIUMKARTERING (volgens Teunissen & van Kleunen (2001), zie ook Hustings et al. (1989)) We kozen niet voor een kwalitatieve methode (aan- of afwezigheid), omdat we ervan uitgaan dat de invloed van ruilverkaveling op akkervogels vooral van kwantitatieve aard is. M.a.w. vooral de aantallen per soort worden eerder beïnvloed dan de aan- of de afwezigheid van soorten. De hier gebruikte methode is de territoriumkartering volgens Teunissen & van Kleunen (2001), al was een relatieve methode (neemt de soort toe of af, is de soort talrijker in gebied A dan in B?) ook geschikt. Relatieve methodes, zoals PTT (punttransecttelling) of IPA (Indice Ponctuelle d’Abondance, index voor talrijkheid per punt), geven een index of maat voor talrijkheid, maar geen absolute cijfers. Ze vergen veel minder veldwerk. Volgens jagers is voor de inventarisatie van de patrijs zelfs enkel een avondtelling vanaf vaste punten geschikt, omdat deze soort zich voor personen veel te snel en van op grote afstand “drukt”. Punttellingen lijken dus geschikt. Toch is de territoriumkartering zeker geschikt voor de monitoring van akkervogels, omdat bij deze vogelgroep er geen koloniebroeders, geen soorten met erg grote territoria of soorten die geen territoriaal gedrag vertonen, moeten geïnventariseerd worden. Voor een uitgebreide bespreking van de methodiek verwijzen we naar bijlage 1. Bij de keuze van de trajecten gingen we uit van een waarnemingsafstand van ca 100 m langs weerszijden van het traject en van een maximale totale oppervlakte van 250 ha wat in open gebied in één bezoek te inventariseren is. De inventarisatiegebieden hebben een oppervlakte van 140 ha (gebied 1) en 100 ha (gebied 2). Kaarten 3 en 4 tonen de afgewandelde trajecten en “insteken”. Op deze kaarten is ook te zien welke gebiedsdelen niet “gedekt” worden uitgaande van een waarnemingsafstand van ca 100 m. In principe werd door E. Dupae of M. Boyen geïnventariseerd, maar om heel het gebied binnen een aanvaardbare tijd af te werken, werd her en der opgesplitst. Dan werd een deel door E. Dupae en een ander deel gelijktijdig door M. Boyen onderzocht. Bij elke ronde werd gewisseld tussen beide inventariseerders, ook de vertrekplaats voor de inventarisaties werd regelmatig veranderd. Beide maatregelen dienen om mogelijke systematische fouten te vermijden. Deze details zijn terug te vinden op kaarten 3 en 4. In totaal bezochten we beide gebieden 8 keer. Bij de keuze van de data en het tijdstip van de dag verwijzen we naar bijlage 2. Op 14/7 werd voor de telling van kwartels een avond– en nachtbezoek gebracht aan gebied 1 vanaf 0,5 uur voor zonsondergang tot 1 uur ‘s nachts. Die avond/nacht was het volle maan, windstil en erg warm (meer dan 20°C). Overdag was het op 14/7 29°C. De gedetailleerde omstandigheden van de inventarisatierondes zijn terug te vinden in bijlage 2.

7


3.2.

WAARNEMINGEN EN ANALYSE De volgende akkervogels werden tijdens het veldwerk (2003) waargenomen: gele kwikstaart, grauwe gors, kievit, patrijs en veldleeuwerik. Van deze soorten en van fazant en geelgors werden in het veld alle geldige waarnemingen op kaart ingetekend. Voor de interpretatie van deze veldgegevens naar territoria baseren we ons volledig op van Dijk (1996). We verwijzen hiervoor naar bijlage 3. In 1992 werd een verkennend broedvogelonderzoek gedaan in de ruilverkaveling Vissenaken (Dupae, 1992). Het betrof een éénmalig bezoek tussen 2 juni en 16 juni. Voor de kievit is de inventarisatieperiode in 1992 te laat en daarom gaan we zeker niet op deze soort in. Omdat beide inventarisaties niet vergelijkbaar zijn, is het erg gevaarlijk om conclusies te trekken. Een vergelijking tussen de beide inventarisaties is dan ook hoogstens indicatief en met de nodige “reserve” te beoordelen. De waarnemingen uit 1992 zijn zeer waarschijnlijk een onderschatting van het reële vogelbestand. Per waargenomen soort (1992 en 2003) volgt een korte beschrijving. Er wordt een overzicht gegeven van de verschillende waarnemingen, in tabelvorm, per inventarisatieronde en per deelgebied. Naast het aantal waarnemingen wordt ook het aantal uitsluitende waarnemingen weergegeven, een uitsluitende waarnemingen is het gelijktijdig waarnemen van meerdere territoriumhouders en duidt in de meeste gevallen op meerdere territoria. Tenslotte vormen al deze waarnemingen de basis voor de interpretatie van het aantal territoria. Hierbij dienen we wel op te merken dat het aantal territoria niet eenduidig valt te interpreteren als het aantal broedgevallen. Tevens worden de waarnemingen van 1992 weergegeven in een tabel samen met het aantal territoria in 2003 en de waarnemingen uit de vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003. Zoals reeds eerder vermeld kunnen deze gegevens niet vergeleken worden en zijn ze indicatief.

8


3.2.1. Fazant (Phasianus colchicus) Algemeen De fazant is in Vlaanderen vrij algemeen verspreid. Hij heeft een breed habitat, bestaande uit een afwisseling van dekking en open terreinen. De voorkeur gaat uit naar de overgang van bos naar akker en weiland. In geschikt biotoop heeft de fazant een natuurlijke dichtheid van 2-3 broedparen / 100 ha (Vermeersch et al., 2004). Bij de aanduiding van broedparen op basis van roepende mannetjes kan vaak een onderschatting gebeuren aangezien mannetjes meerdere hennen kunnen hebben. Een evolutie van het fazantenbestand in Vlaanderen is moeilijk te schetsen aangezien er tot 2003 fazanten mochten uitgezet worden voor de jacht. 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 5.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 5.2 Territoria: kaart 5.3 Tabel 1: overzicht van waarnemingen fazant per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1 1

2

Deelgebied 1 3 4 5 6 1 1

7

8

1

1

2 1

Deelgebied 2 3 4 5 6 1 1

7

8

1

In beide deelgebieden werd 1 territorium weerhouden. EĂŠn broedgeval werd gelokaliseerd in een laagstamplantage, het andere broedgeval in een struweel langs een diepe gracht bij Billighout. Naast deze territoria in de open gebieden broedt de fazant ook in de bosjes (zie bijlage 4). Indien de broedgevallen buiten het open gebied mee in rekening gebracht worden benadert het fazantenbestand de natuurlijke dichtheid zoals hoger vermeld (naar Vermeersch et al., 2004). 1992 In 1992 werden geen waarnemingen vermeld van fazant.

9


3.2.2. Geelgors (Emberiza citrinella) Algemeen De geelgors is een broedvogel van droge gronden waar open terreinen afwisselen met struwelen of bomen en waar veel overgangssituaties in het landschap worden aangetroffen. Het voorkeurbiotoop bestaat uit het kleinschalig cultuurland met veel houtkanten en ruigten op zandgrond. Hij is eveneens talrijk aanwezig op leemgronden waar kleine landschapselementen en met heggen omrande boomgaarden afwisselen met akkers. Aan laagstamplantages zowel op lemige als op zandlemige grond heeft de soort zich vrij goed weten aan te passen. Volgens de atlas van de Vlaamse broedvogels (Vermeersch et al., 2004) ligt een belangrijk kerngebied in de Krijt-Leemregio en Hageland-Haspengouw. Hier worden ook de hoogste dichtheden in Vlaanderen aangetroffen (tot 70 – 90 broedparen per atlashok). Het hele Vlaamse broedbestand wordt geschat op 3400 tot 4000 paren. Het verspreidingsgebied is in vergelijking met de vorige atlasperiode (1973 – 1977) aanzienlijk ingekrompen. Er wordt gesteld dat het aantal broedende geelgorzen in Vlaanderen met 60 tot 70 % is teruggelopen in een tijdspanne van zowat 30 jaar. 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 6.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 6.2 Territoria: kaart 6.3 Tabel 2: overzicht van waarnemingen geelgors per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1 1

2 7

Deelgebied 1 3 4 5 6 7 5 6 4 1 1 1 8

7 4

8 4

1 1

2 2

Deelgebied 2 3 4 5 6 2 2 1 4 1 6

7 3

8 4 1

In deelgebied 1 (140 ha) werden 8 territoria afgebakend en in deelgebied 2 (100 ha) 6 territoria. Deze gemiddelde dichtheid van 6 territoria / 100 ha is moeilijk te vergelijken met de 70 – 90 broedparen per atlashok (2500 ha) in deze regio vanwege de onregelmatige spreiding van broedvogels over zulke oppervlaktes. In Noordoost-Limburg (vlakte van Bocholt met A-beekvallei en Itterbeekvallei) zijn er dichtheden geteld van gemiddeld 8 - 10 territoria / 100 ha met een maximum van 18 territoria per kilometerhok (100 ha) (Vermeersch et al., 2004). 1992 Waarnemingen 1992: kaart 6.4 Tabel 3: aantal waarnemingen geelgors in 1992, met indicatief het aantal territoria uit 2003 en het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003.

Territoria 2003 Waarnemingen 1992 Waarnemingen 2003, inventarisatieronde 8

Deelgebied 1 8 3 4

Deelgebied2 6 1 4

10


3.2.3. Gele kwikstaart (Motacilla flava) Algemeen Het oorspronkelijk habitat bestaat uit vochtige graslanden, natte heides en randen van waterrijke gebieden in open landschappen. In West-Europa heeft de soort zich weten aan te passen aan akkers. De soort broedt in verschillende akkergewassen: o.a. graan, bieten, aardappelen, witlof en koolzaad, bij voorkeur waar akkers afwisselen met weilanden. Het nest wordt op de grond gebouwd en is dus gevoelig voor beweiding en vroeg hooien of oogsten. De soort is sterk afgenomen in de Kempen en oostelijk Vlaams-Brabant. Voor de regio Schelde-Leie (een van de huidige kerngebieden) maakt men melding van 10 paren per 100 ha tot maximaal 34 paren per 100 ha (kouters bij Kruishoutem) (Vermeersch et al., 2004). In Nederland komen de hoogste dichtheden (20-35 paren per 100 ha) voor in de grootschalige akkerlanden (GabriĂŤls et al., 1994). Men treft zelden geĂŻsoleerde broedparen aan. Vaker wordt in vrij aanzienlijke dichtheden gebroed, soms zelfs in los kolonieverband (Vermeersch et al., 2004). 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 7.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 7.2 Territoria: kaart 7.3 Bij de gele kwikstaart werden de waarnemingen van individuen of paren enkel uit de telronde 8 als geldig beschouwd. Zang en balts zijn geldig vanaf ronde 4. Tabel 4: overzicht van waarnemingen gele kwikstaart per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1

2

Deelgebied 1 3 4 5 6 2 15 5 17

7 9 2

8 12 2

1

2

Deelgebied 2 3 4 5 6 2 2

7 3

8 5 1

5

17 territoria werden opgetekend in deelgebied 1 (140 ha) en 5 in deelgebied 2 (100 ha). De gele kwikstaart lijkt dan ook beduidend meer voor te komen in deelgebied 1 dan in deelgebied 2 en komt hier voor in een vrij hoge dichtheid (ongeveer 12 territoria / 100 ha). 1992 Waarnemingen 1992: kaart 7.4 Tabel 5: aantal waarnemingen gele kwikstaart in 1992, met indicatief het aantal territoria uit 2003 en het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003.

Territoria 2003 Waarnemingen 1992 Waarnemingen 2003, inventarisatieronde 8

Deelgebied 1 17 7 12

Deelgebied2 5 5 5

11


3.2.4. Grauwe gors (Miliaria calandra) Algemeen De soort is hoofdzakelijk gebonden aan agrarisch landschap met een voorkeur voor extensieve hooi- en/of graasweiden, of akkergebieden met veel granen (o.a. tarwe, gerst) en in mindere mate hakvruchten (o.a. bieten en aardappelen), liefst in combinatie met (on)kruidenrijke, niet-opgaande, kleine landschapselementen. De grauwe gors is een echte zaadeter, de jongen daarentegen worden grotendeels grootgebracht met insecten, vooral rupsen en in mindere mate sprinkhanen en hooiwagens. Het grote overwicht van de populatie in Vlaanderen situeert zich in de uitgestrekte akkergebieden in de Krijt-Leemregio en Hageland-Haspengouw. De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 850 -1100 broedparen. In twee atlashokken werden tot maximaal 60 paren geteld (Vermeersch et al., 2004). In Limburg kwamen er in 1992 gemiddeld 3 territoria voor per km-hok (100 ha) (GabriĂŤls et al., 1994). De Vlaamse populatie van grauwe gors is de voorbije 30 jaar met gemiddeld 75 % achteruitgegaan. (Vermeersch et al., 2004) 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 8.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 8.2 Territoria: kaart 8.3 Voor de grauwe gorzen namen we als geldige rondes de weken 6, 7 & 8. Tabel 6: overzicht van waarnemingen grauwe gors per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1

2 6 1

3 5 2

Deelgebied 1 4 5 6 8 3 5 5 1 5

7 4 1

8 4 2

1

2 1

3

Deelgebied 2 4 5 6 1 1

7

8

0

In deelgebied 1 (140 ha) werden 5 territoria afgebakend, in deelgebied 2 geen. Deelgebied 1 heeft een relatief goede dichtheid aan grauwe gors in vergelijking met de rest van Vlaanderen. Toch mogen we niet vergeten dat de populatie in Vlaanderen (en vermoedelijk ook de dichtheden) de laatste 30 jaar erg achteruitgegaan is en dat de vergelijking van huidige dichtheden slechts een tijdsbeeld weergeeft. 1992 Waarnemingen 1992: kaart 8.4 Tabel 6: aantal waarnemingen grauwe gors in 1992, met indicatief het aantal territoria uit 2003 en het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003.

Territoria 2003 Waarnemingen 1992 Waarnemingen 2003, inventarisatieronde 8

Deelgebied 1 5 10 4

Deelgebied2 0 5 0

12


3.2.5. Kievit (Vanellus vanellus) Algemeen De kievit is een broedvogel van open terreinen: graslanden en akkergebieden, opgespoten terreinen, stortplaatsen, bredere bermen langs wegen en meren, op kale plekken in droge en vochtige heide, rond vennen en in leegstaande vijvers (GabriĂŤls et al., 1994). Volgens de recente gegevens van de atlas van de Vlaamse broedvogels (Vermeersch et al., 2004) wordt het volledige Vlaamse bestand geschat op 14000 tot 20000 paren. De grootste dichtheden werden in de kustpolders geteld: tot meer dan 200 paren geteld per atlashok (2500 ha). 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 9.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 9.2 Territoria: kaart 9.3 Tabel 7: overzicht van waarnemingen kievit per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1

2 9 1

Deelgebied 1 3 4 5 6 8 15 5 9 1 5 1 2 14

7 11 5

8 4 2

1

2 7

Deelgebied 2 3 4 5 6 10 11 9 13 6 4 3 14

7 6

8 2

In beide deelgebieden werden 14 territoria afgebakend. Dit lijken vrij hoge dichtheden in vergelijking met huidige dichtheden in de rest van Vlaanderen (meer dan 200 paren in de Kustpolders tot 100 paren in de Kempen, per atlashok (2500 ha)). Vanwege het schaalverschil dienen we voorzichtig om te springen met deze vergelijkingen. 1992 Vanwege het late tijdstip in 1992 werden de waarnemingen van kievit niet weerhouden.

13


3.2.6. Patrijs (Perdix perdix) Algemeen De patrijs heeft een voorkeur voor akkergebieden met een mozaïek van relatief kleine percelen die afgewisseld worden met extensieve graslanden, hagen, braakliggende stukjes en brede bermen. Het voedsel van volwassen vogels bestaat vooral uit granen en onkruidzaden en –blaadjes, hoewel in de zomer ook allerhande ongewervelden op het menu staan. Voor de kuikens is de aanwezigheid van een rijke insectenfauna van groot belang in de eerste drie weken van hun bestaan. De populatie in Vlaanderen wordt geschat op 5000 – 10000 paren. In 72% van de atlashokken werden niet meer dan 10 territoria gemeld. In amper twee atlashokken werden meer dan 50 territoria geteld. Tijdens gedetailleerde regionale opnames werden tussen 1 tot 5 territoria per 100 ha genoteerd. (Vermeersch et al., 2004) 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 10.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 10.2 Territoria: kaart 10.3 Tabel 8: overzicht van waarnemingen patrijs per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1 3

2 1

3 2

Deelgebied 1 4 5 6

7

8

2

1 2

2 1

3

Deelgebied 2 4 5 6 1 1

7 1

8

1

In totaal werden 3 territoria geteld; 2 in deelgebied 1 (140 ha) en 1 in deelgebied 2 (100 ha). 1992 Waarnemingen 1992: kaart 10.4 Tabel 9: aantal waarnemingen patrijs in 1992, met indicatief het aantal territoria uit 2003 en het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003.

Territoria 2003 Waarnemingen 1992 Waarnemingen 2003, inventarisatieronde 8

Deelgebied 1 2 5 0

Deelgebied2 1 3 0

14


3.2.7. Veldleeuwerik (Alauda arvensis) Algemeen De veldleeuwerik is een grondbroeder van allerhande open landschappen, (deels) begroeid met lage vegetatie. Hij broedt zowel in (half)natuurlijke vegetaties als landbouwgewassen: graslanden, weilanden, akkers, droge en vochtige heiden, steppen, zandduinen, veengebieden, schorren en opgespoten terreinen. Voldoende afwisseling is nodig om aan het nodige voedsel (insecten en zaden) te geraken. Het huidige bestand in Vlaanderen wordt geschat tussen 9000 en 11000 paren. Maximale aantallen worden geteld in atlashokken op het Kempens Plateau en in Zuid-Limburg (tot 190 paren per atlashok (2500 ha)). Ten opzichte van de jaren 60 wordt een afname van het broedbestand ingeschat van maar liefst 95 %. (Vermeersch et al. 2004) 2003 Waarnemingen deelgebied 1: kaart 11.1 Waarnemingen deelgebied 2: kaart 11.2 Territoria: kaart 11.3 Tabel 10: overzicht van waarnemingen veldleeuwerik per deelgebied en per inventarisatieronde (inv.ronde) in 2003. # is het totaal aantal waarnemingen en ## is het aantal uitsluitende waarnemingen. T is het aantal territoria.

inv.ronde # ## T

1 4

2 10 1

Deelgebied 1 3 4 5 6 10 19 5 13 3 1 5 17

7 7 1

8 6

1 8 3

2 1

3 5

Deelgebied 2 4 5 6 3 6 3 1 2 1 8

7 5 1

8 2 1

17 territoria werden afgebakend in deelgebied 1 (140 ha), 8 in deelgebied 2 (100 ha). 1992 Waarnemingen 1992: kaart 11.4 Tabel 11: aantal waarnemingen veldleeuwerik in 1992, met indicatief het aantal territoria uit 2003 en het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003.

Territoria 2003 Waarnemingen 1992 Waarnemingen 2003, inventarisatieronde 8

Deelgebied 1 17 14 6

Deelgebied2 8 10 2

15


3.2.8. Kwartel (Coturnix coturnix) Algemeen In BelgiÍ komt de kwartel voor in open landbouwgebieden met teelten van granen, luzerne, klaver, aardappelen, bieten, vlas, maar ook hooilanden en schaars begraasd weiland. Ze verkiezen vooral onkruidrijke teelten en recent braakliggend terrein met gevarieerde flora. Bebouwing, beboste gebieden en maïsteelt wordt gemeden. Het totale aantal kwartels in Vlaanderen wordt momenteel geschat op 400 –700 roepposten. (Kwartelhaantjes kraaien opvallend en onmiskenbaar, maar worden een pak stiller nadat ze een wijfje te pakken hebben gekregen. Bovendien vestigen ze zich meestal in clusters en roepen dan alternerend, wat tot onderschatting leidt.) (Vermeersch et al., 2004). 2003 In 2003 werden geen kwartels waargenomen. 1992 Waarnemingen 1992: kaart 12 Tabel 12: aantal waarnemingen kwartel in 1992, met indicatief het aantal territoria uit 2003 en het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) in 2003.

Territoria 2003 Waarnemingen 1992 Waarnemingen 2003, inventarisatieronde 8

Deelgebied 1 0 0 0

Deelgebied2 0 2 0

16


3.2.9. Samenvatting Tabel 13 vat de resultaten van het veldwerk samen. Tabel 13: aantal territoria/akkervogelsoort in 2003

Soort fazant geelgors gele kwikstaart grauwe gors kievit patrijs veldleeuwerik kwartel

Deelgebied 1 (140 ha) 1 8 17 5 14 2 17 0

Deelgebied 2 (100 ha) 1 6 5 0 14 1 8 0

Totaal 2 14 22 5 28 3 25 0

Kievit, veldleeuwerik en gele kwikstaart hebben het grootste aantal territoria in het ganse gebied. Fazant, grauwe gors en patrijs hebben slechts een gering aantal territoria. De geelgors situeert zich intermediair wat het aantal territoria betreft. Gele kwikstaart, grauwe gors en veldleeuwerik lijken een duidelijke voorkeur te hebben voor deelgebied 1. Tabel 14: aantal waarnemingen van de akkervogels in 1992. Tussen de haakjes het aantal waarnemingen uit een vergelijkbare periode (inventarisatieronde 8) tijdens de inventarisatie van 2003. Nvt = niet van toepassing (te late periode in het jaar).

Soort fazant geelgors gele kwikstaart grauwe gors kievit patrijs veldleeuwerik kwartel

Deelgebied 1 0 (0) 3 (4) 7 (12) 10 (4) Nvt 5 (0) 14 (6) 0 (0)

Deelgebied 2 0 (0) 1 (4) 5 (5) 5 (0) Nvt 3 (0) 10 (2) 2 (0)

Totaal 0 (0) 4 (8) 12 (17) 15 (4) Nvt 8 (0) 24 (8) 2 (0)

Globaal gezien lijkt de verspreiding van geelgors en gele kwikstaart vergelijkbaar gebleven. Wanneer we de gegevens uit 1992 als een onderschatting beschouwen, dan lijken een aantal soorten duidelijk in aantal te zijn afgenomen: grauwe gors, patrijs en veldleeuwerik. Van kwartel en fazant is het aantal waarnemingen te gering om een uitspraak te doen over mogelijke toe- of afname. Naast akkervogels werden tijdens de monitoring in 2003 nog tal van andere vogelsoorten waargenomen. Bijlages 4 en 5 geven hiervan een overzicht, uitgezonderd de soorten van de akkers. De vet gedrukte soorten zijn “Waarschijnlijke broedgevallen� volgens de methode van Vermeersch et al. (2000). Bij de overige soorten gaat het om doortrekkers, om niet broedvogels (b.v. foerageren) of om soorten waarvan de broedzekerheid onbekend is. Tot slot vermelden we nog enkele waarschijnlijke broedgevallen in de zandgroeve van Nelissen: tjiftjaf, fitis, bosrietzanger, kleine karekiet, fazant, grasmus. Ook de ree werd er waargenomen.

17


3.3.

KAVELGROOTTE EN BODEMGEBRUIK In 2003 werden het bodemgebruik en de kavelgrootte in het veld (kaarten 13 & 14) genoteerd (verzameld na inventarisatierondes). Beide aspecten zijn van belang voor de soortensamenstelling en de dichtheid aan akkervogels. Een oorzakelijk verband tussen kavelgrootte en bodemgebruik enerzijds en soortensamenstelling en dichtheid aan akkervogels anderzijds is moeilijk aan te tonen in deze fase van de monitoring. Na herhaling van monitoring (en verandering van teelt en kavelgrootte na de ruilverkaveling) kunnen tendensen misschien duidelijker naar voren komen. Tijdens de monitoring van de uitgangssituatie (T-1) wordt enkel een overzicht gegeven van kavelgrootte en bodemgebruik. Kavelgrootte Tabel 15: overzicht van de kavelgrootte in de deelgebieden en over het ganse geïnventariseerde gebied. Oppervlaktes zijn weergegeven in ha.

Aantal percelen Opp. kleinste perceel Opp. grootste perceel Gemiddelde oppervlakte perceel Totale oppervlakte % van totale oppervlakte

Deelgebied 1 98 0,05 13,54 1,38 134,84 55,74

Deelgebied 2 70 0,08 9,44 1,53 107,06 44,26

Volledig gebied 168 0,05 13,54 1,44 241,90 100

Bodemgebruik Het bodemgebruik wordt per deelgebied weergegeven en nog eens samengevat voor het ganse geïnventariseerde gebied. Het bodemgebruik werd ingedeeld in een aantal klassen. Een meer gedetailleerde indeling zou het geheel onoverzichtelijk maken en is weinig relevant met betrekking tot akkervogels. Tabel 16: het aandeel van de verschillende teelten (per klasse) in deelgebied 1. De klasse grasland omvat zowel permanente als tijdelijke graslanden. Wintergraan omvat alle winterteelten van graan (wintertarwe, wintergerst). Maïs kan zowel korrelmaïs als silomaïs zijn. Bieten omvat niet enkel suikerbieten en voederbieten maar ook cichorei. Onder de klasse andere vallen o.a. bebouwing, bos of niet bepaalde teelten. De oppervlakte is weergegeven in ha.

Deelgebied 1 grasland wintergraan braak fruitbomen maïs bieten aardappelen andere Aantal 2 38 3 5 21 23 1 5 percelen Opp 0,65 0,16 0,47 0,68 0,18 0,26 0,38 0,05 kleinste perceel Opp 1,04 13,54 0,55 2,45 1,64 8,39 0,38 1,12 grootste perceel Gemiddelde 0,85 1,49 0,50 1,36 0,72 2,22 0,38 0,32 opp perceel Totale opp 1,69 56,52 1,51 6,82 15,18 51,11 0,38 1,62 % 1,25 41,91 1,12 5,06 11,26 37,90 0,28 1,20

18


Diagram 1: visuele voorstelling van het bodemgebruik in deelgebied 1 (anno 2003), procentueel weergegeven.

Deelgebied 1 - oppervlakte bodemgebruik (% ) andere 1,20% aardappelen 0,28%

grasland 1,25%

bieten 37,90%

wintergraan 41,91%

maïs 11,26%

fruitbomen 5,06%

braak 1,12%

Bijna 80 % van de oppervlakte in deelgebied 1 werd ingepalmd door wintergraan en bieten. Een niet onaanzienlijk aandeel (ongeveer 10 %) werd ingenomen door maïs. Tabel 17: het aandeel van de verschillende teelten (per klasse) in deelgebied 2. De klasse grasland omvat zowel permanente als tijdelijke graslanden. Wintergraan omvat alle winterteelten van graan (wintertarwe, wintergerst). Maïs kan zowel korrelmaïs als silomaïs zijn. Bieten omvat niet enkel suikerbieten en voederbieten maar ook cichorei. Onder de klasse andere vallen o.a. bebouwing, bos of niet bepaalde teelten. De oppervlakte is weergegeven in ha.

Deelgebied 2 grasland wintergraan braak fruitbomen maïs bieten aardappelen andere Aantal 6 31 5 4 10 12 0 2 percelen Opp 0,37 0,41 0,39 0,60 0,08 0,24 0 0,53 kleinste perceel Opp 2,81 9,44 0,90 3,27 3,95 3,76 0 2,73 grootste perceel Gemiddelde 1,11 1,85 0,61 1,66 1,50 1,25 0 1,63 opp perceel Totale opp 6,67 57,41 3,04 6,65 15,00 15,02 0 3,26 % 6,23 53,62 2,84 6,21 14,01 14,03 0 3,05

19


Diagram 2: visuele voorstelling van het bodemgebruik in deelgebied 2 (anno 2003), procentueel weergegeven.

Deelgebied 2 - oppervlakte bodemgebruik (% )

aardappelen 0,00%

andere 3,05% grasland 6,23%

bieten 14,03%

maïs 14,01% wintergraan 53,63% fruitbomen 6,21%

braak 2,84%

In deelgebied 2 werd meer dan de helft van de oppervlakte verbouwd voor wintergraan. Bieten werden (in 2003) aanzienlijk minder verbouwd ten opzichte van deelgebied 1. Een kleine 30 % werd ingenomen door maïs en bieten. Het aandeel grasland lag hoger in deelgebied 2 dan in deelgebied 1 (ongeveer 6 %). Tabel 18: het aandeel van de verschillende teelten (per klasse) in het volledige geïnventariseerd gebied. De klasse grasland omvat zowel permanente als tijdelijke graslanden. Wintergraan omvat alle winterteelten van graan (wintertarwe, wintergerst). Maïs kan zowel korrelmaïs als silomaïs zijn. Bieten omvat niet enkel suikerbieten en voederbieten maar ook cichorei. Onder de klasse andere vallen o.a. bebouwing, bos of niet bepaalde teelten. De oppervlakte is weergegeven in ha.

Totaal (volledig gebied) grasland wintergraan Aantal 8 69 percelen Opp 0,37 0,16 kleinste perceel Opp 2,81 13,54 grootste perceel Gemiddelde 1,05 1,65 opp perceel Totale opp 8,36 113,93 % 3,46 47,10

braak fruitbomen maïs bieten aardappelen andere 8 9 31 35 1 7 0,39

0,60

0,08

0,24

0,38

0,05

0,90

3,27

3,95

8,39

0,38

2,73

0,87

1,50

0,97

1,89

0,38

0,70

4,55 1,88

13,47 5,57

30,19 66,13 12,48 27,34

0,38 0,16

4,89 2,02

20


Diagram 3: visuele voorstelling van het bodemgebruik in beide deelgebieden samen (anno 2003), procentueel weergegeven.

Totaal (deelgebieden samen) - oppervlakte bodemgebruik (% ) andere 2,02% aardappelen 0,16%

grasland 3,46%

bieten 27,34%

wintergraan 47,10% maĂŻs 12,48% fruitbomen 5,57%

braak 1,88%

Gespreid over het ganse gebied was wintergraan in 2003 de meest voorkomende teelt (bijna 50 %), gevolgd door bieten (ongeveer een kwart van de oppervlakte) en maĂŻs (iets meer dan 10 %).

21


4.

LITERATUUR Dupae E., 1992. Ruilverkaveling én akkervogels! Avifaunistisch aspekt in de ruilverkaveling Vissenaken. 15 p., 1 bijl. Vlaamse Landmaatschappij – Prov. Afd. Diest. Hustings M.F.H. et al., 1989. verslaggeving. Pudoc Wageningen.

Vogelinventarisatie:

achtergronden,

richtlijnen

en

Gabriëls J., Stevens J. en Van Sanden P. 1994. Broedvogelatlas van Limburg. Veranderingen in aantallen en verspreiding na 1985. Likona, Provinciale Vogelwerkgroep, Provincie Limburg. Teunissen W.A. & van Kleunen A, 2001. Weidevogels inventariseren in cultuurland. SOVON. Van Dijk A.J., 1996. Broedvogels inventariseren in proefvlakken. SOVON. Vermeersch G. et al., 2000. Soortenhandleiding project Vlaamse broedvogelatlas 20002003. Nota I.N. 2000.2. Vermeersch G., Anselin A., Devos K., Herremans M., Stevens J., Gabriëls J. en Van Der Krieken B. 2004. Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituur voor Natuurbehoud 23, Brussel, 496 p.

22


5. 1. 2. 3. 4. 5.1. 5.2. 5.3. 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 8.1. 8.2. 8.3. 8.4. 9.1. 9.2. 9.3. 10.1. 10.2. 10.3. 10.4. 11.1. 11.2. 11.3. 11.4. 12. 13. 14.

KAARTEN - OVERZICHT SITUERING RUILVERKAVELING VISSENAKEN SITUERING DEELGEBIEDEN MONITORING AKKERVOGELS DEELGEBIED 1 IN DETAIL DEELGEBIED 2 IN DETAIL FAZANT: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 1 FAZANT: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 FAZANT: TERRITORIA GEELGORS: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 1 GEELGORS: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 GEELGORS: TERRITORIA GEELGORS: WAARNEMINGEN 1992 GELE KWIKSTAART: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 1 GELE KWIKSTAART: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 GELE KWIKSTAART: TERRITORIA GELE KWIKSTAART: WAARNEMINGEN 1992 GRAUWE GORS: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 1 GRAUWE GORS: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 GRAUWE GORS: TERRITORIA GRAUWE GORS: WAARNEMINGEN 1992 KIEVIT: WAARNEMINGEN IN DEELGEBIED 1 KIEVIT: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 KIEVIT: TERRITORIA PATRIJS: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 1 PATRIJS: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 PATRIJS: TERRITORIA PATRIJS: WAARNEMINGEN 1992 VELDLEEUWERIK: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 1 VELDLEEUWERIK: WAARNEMINGEN DEELGEBIED 2 VELDLEEUWERIK: TERRITORIA VELDLEEUWERIK: WAARNEMINGEN 1992 KWARTEL: WAARNEMINGEN 1992 DEELGEBIED 1: BODEMGEBRUIK DEELGEBIED 1 DEELGEBIED 2: BODEMGEBRUIK DEELGEBIED 2

23


6.

BIJLAGEN 6.1. BIJLAGE 1: METHODIEK TERRITORIUMKARTERING Bij territoriumkartering is de waarnemingskans f (trefkans, het tijdstip van de dag, het weer, het seizoen, de snelheid van voortbewegen, de ervaring). De laatste 5 factoren worden door standaardisatie constant gehouden. De trefkans (Tr) is soortspecifiek (zie tabel B1) en gelijk aan het % van het totaal aantal territoria waarin bij 1 bezoek een waarneming wordt gedaan. De trefkans verandert in de loop van het seizoen en in de loop van de dag. Tabel B1: trefkansen (uit Hustings et al., 1989) soort veldleeuwerik geelgors gele kwikstaart grauwe gors graspieper fazant merel patrijs

Tr (trefkans) 49 38 39 36 35 32 23 21

Een registratie of waarneming is o.m. afhankelijk van de frequentie waarmee de zang wordt voorgedragen en van de aard van die zang (bv opvallend luid zoals bij de winterkoning), alsook van de tijdsduur waarin een individu kan waargenomen worden (loopsnelheid, afstand tot de waarnemer). Het aantal waarnemingen/bezoek is functie van de waarnemingskans en de dichtheid van de soort. Om de trefkans te maximaliseren werd enkel bij gunstig weer geĂŻnventariseerd (liefst hoge temperatuur, quasi windstil en geen grote neerslag), werd het telpunt steeds verschoven, werd de loopsnelheid constant gehouden en werd tijdens de gunstige uren van de dag op terrein gegaan (vanaf ca 0,5 uur voor tot 3-4 uur na zonsopgang, zie tabel B3). Vooraleer men van een territorium kan spreken, zijn een minimaal aantal registraties vereist. Dit noemen we het interpretatiecriterium (zie bijlage 3). Het aantal registraties nodig om een territorium af te bakenen hangt van de trefkans en van het aantal geldige veldbezoeken af. Met geldig worden bezoeken bedoeld in de periode dat de soort in het gebied aanwezig is. Omdat de trefkans soortspecifiek is, is het interpretatiecriterium dat ook. Uitgangspunt is dat we minstens 90% van de territoria vaststellen (zie Hustings et al., 1989 pg 82, 89). Daarom hebben we ons geconcentreerd op de beste inventarisatieperiode (= de periode van het jaar waarin de soort zijn hoogste trefkans heeft, zie tabel B2). Tevens werd er rekening gehouden met de beste tijd (tijdens de dag) om te observeren (zie tabel B3).

24


Tabel B2: de beste inventarisatieperiode per soort (naar Hustings et al., 1989). Elke kolom staat voor een periode van ongeveer 10 dagen (1/3 van de maand). De cijfers in de kolommen duiden op de maanden. Kolom 2 staat voor de eerste 10 dagen van februari, de volgende kolom staat voor dag 11 tot 20 van februari,‌ Een groene aanduiding wijst op een geschikte observatieperiode, rood duid op een optimale periode. 2

3

4

5

6

7

8

veldleeuwerik fazant patrijs kievit gele kwikstaart grauwe gors geelgors kwartel Tabel B3: per soort een aanduiding van de geschikte periode, tijdens de dag, om te observeren. veldleeuwerik fazant patrijs kievit gele kwikstaart grauwe gors geelgors kwartel

Vanaf 1,5 uur voor zonsopgang, hele dag en avonduren. Van 1 uur voor zonsopgang tot 1 uur na zonsopgang. Rond zonsondergang. Van 1 uur voor zonsopgang tot 1 uur na zonsopgang. Avonduren. Hele dag. Vanaf 1 uur voor zonsopgang tot enkele uren na zonsopgang. Vanaf zonsopgang, hele dag, tot 1,5 uur voor zonsondergang. Hele dag, vooral ochtend- en avondschemering. Ochtend- en avondschemering, ’s nachts.

25


6.2. BIJLAGE 2: INVENTARISATIERONDES data en omstandigheden van de inventarisatie Datum

Uren gebied 1 6.15-9

Uren weer gebied 2 8-9.30 Bewolkt, warm.

18/3/2003 2

7.509.45

5.557.30

1/4/2003

7-9

9.1010.30

15/4/2003 4

7.309.45

5.457.20

29/4/2003 5

5.407.30

7.45-9

16/5/2003 6

7.309.45

5.30-7

28/5/2003 7

5.307.30 6.308.15

7.309.15 5.156.40

5/3/2003

Telronde (week) 1

3

16/6/2003 8

opmerkingen

windstil, Nog veel trek van veldleeuwerik, kievit, grauwe gors, graspieper. Onbewolkt, windstil, Aanvankelijk weinig activiteit (te warm, maar koud?), 6 goudplevieren, vannacht nog licht groepen van grauwe gors. Om gevroren; om 5.55 6 uur al roep van veldleeuwerik nog 0°C. en kievit. Merels starten om 5.10 uur. Windstil, helder, Nog trek van kievit (groep van zonnig, koud (ca 10 ex). 2°C). Zomeruur: 7 uur = 6 uur. Windstil, warm, helder, zonnig, meer dan 20°C overdag, ook op 14/4.

Merels zingen vanaf 5.30, zon op om 6 uur, trek van graspieper en van kievit, eerste gele kwikstaart, groep van 4 watersnippen op akker, wouw (zwarte?) op trek. Veel wind, relatief Bosen struweelvogels warm, zwaar vertonen een goede activiteit, bewolkt, regen. akkervogels een zeer slechte. Slecht weer. Zeer koud Maansverduistering. Merelzang (verkleumd!), eerst start om 4.30 uur, eerste nevelig, erna warm, veldleeuwerik zong om 5.30 onbewolkt, windstil. uur. Vannacht vroor het aan de grond. Droog, warm, H. Stulens en N. Moens zonnig. meegegaan. Droog, warm, Op 8/6 start merelzang om 4.10 zonnig. uur.

26


6.3. BIJLAGE 3: INTERPRETATIE VELDGEGEVENS NAAR TERRITORIA Voor de bepaling van de territoria baseerden we ons enkel op van Dijk (1996). Geldige waarnemingen zijn hierbij essentieel. Geldige waarnemingen zijn deze die wijzen op een territorium en deze verschillen per soort. Nestvondsten zijn bijvoorbeeld altijd geldig. Bij het veldwerk in Vissenaken ging het vooral om de aanwezigheid van volwassen dieren (bij kievit zijn dit echter alleen de mannetjes) of om paren in hun broedbiotoop, om zang of balts, om dreigen, vechten, predatoren verjagen of om alarm. Zie ook Teunissen en van Kleunen (2000) voor de soortspecifieke richtlijnen wat geldige waarnemingen betreft van patrijs, kievit, gele kwikstaart en veldleeuwerik. Waarnemingen van groepen kievit in juni worden niet geteld, wel wanneer die groep in geschikt biotoop binnen de datumgrenzen (zie verder) valt. Dan moet de groep in paren worden opgesplitst. Enkel geldige waarnemingen worden in het veld gekarteerd. Twee opeenvolgende waarnemingen op dezelfde plaats moeten wel minimaal 10 dagen na elkaar zijn verricht, anders gelden ze als 1 waarneming. Het aantal geldige waarnemingen dat minimaal vereist is voor het aannemen van een territorium – het interpretatiecriterium – is voor elke soort anders. We verwijzen hiervoor naar van Dijk (1996). Bij een te laag aantal bestaat de kans dat doortrekkers of zwervers worden geteld, bij een te hoog aantal het onderschatten van het reëel aantal territoria. Het onderscheid tussen de territoria gebeurt op basis van uitsluitende waarnemingen en niet op basis van clusters van waarnemingen. Uitsluitende waarnemingen zijn gelijktijdig vastgestelde individuen of waarnemingen van individuen die hoogstwaarschijnlijk niet hetzelfde dier zijn. Binnen 1 territorium mogen geen 2 of meer uitsluitende waarnemingen van eenzelfde bezoek liggen. Wanneer het onderscheid tussen territoria niet mogelijk is enkel op grond van de uitsluitende waarnemingen, dan rijst de vraag hoe groot de afstand (fusieafstand) tussen twee waarnemingen of een cluster van waarnemingen moet zijn, om te kunnen stellen dat het om 2 verschillende territoria handelt. Bij afwezigheid van uitsluitende waarnemingen bepaalt dus de fusieafstand tussen 2 geldige waarnemingen of het om één territorium gaat of meer. Zo is de fusieafstand voor de patrijs 500 meter. Zijn er bijvoorbeeld geen uitsluitende waarnemingen, dan geldt dat twee waarnemingen op 400 meter afstand van elkaar worden samengetrokken tot 1 territorium, op 600 meter afstand worden ze tot 2 verschillende territoria gerekend. De fusieafstand wordt als volgt toegepast. We gaan uit van de cluster met de meeste waarnemingen of eventueel een eenmalige waarneming (tussen de datumgrenzen). Vervolgens wordt de fusieafstand naar één kant afgepast. Een fusieafstand van bijvoorbeeld 200 m wordt dus maximaal 200 m naar 1 zijde berekend en niet ook nog eens naar een andere zijde. Zijn er aan 2 zijden van het cluster, binnen 200 m, 2 niet uitsluitende waarnemingen, dan wordt de dichtstbijzijnde bij het cluster gevoegd. De andere blijft staan en kan een ander territorium opleveren. De fusieafstand wordt per cluster dus maar 1 keer gebruikt. Anders ontstaat een kettingreactie. Territoria op de grens van het telgebied worden enkel meegeteld wanneer de waarnemingen binnen de grens voldoen aan het interpretatiecriterium. Het aantal waarnemingen buiten het proefvlak heeft geen invloed. Concreet gaan we voor de bepaling van het aantal territoria als volgt te werk. Bij territoriale vogels wordt eerst het aantal geldige bezoeken bepaald. Voor standvogels zijn dit alle bezoeken, voor zomervogels alle bezoeken vanaf de eerste dag van waarneming.

27


Zomervogels die vroeg arriveren halen een hoger aantal geldige bezoeken dan soorten die veel later toekomen. Daarna wordt het interpretatiecriterium bepaald. Zijn er 1, 2 of 3 geldige waarnemingen/territorium vereist? In elke territorium moet minstens 1 waarneming tussen de datumgrenzen liggen. De datumgrenzen geven die periode van het broedseizoen aan waarin trek vrijwel uitgesloten is en er nog geen uitzwermende jongen zijn. Tevens geldt als regel: zoveel mogelijk geldige waarnemingen in zo min mogelijk territoria onderbrengen. Verschillende soorten hebben een dubbel interpretatiecriterium: bijvoorbeeld een criterium van 1 voor vrij zekere waarnemingen (territorium– of nestindicerend gedrag) en een criterium van 2 voor minder harde aanwijzingen (individu of paar). Vele soorten hebben ook dubbele datumgrenzen: ruime grenzen (vroeg in het seizoen beginnend) voor de vrij zekere waarnemingen, nauwere (later in het seizoen beginnend) voor minder zekere waarnemingen. Het gebruik van nauwe grenzen voor alle waarnemingen kan leiden tot het niet tellen van reële territoria en het gebruik van ruime grenzen tot het meetellen van niet bestaande territoria. Bij een interpretatiecriterium van 1 worden territoria onderscheiden op basis van 1 waarneming, die dan wel tussen de datumgrenzen moet liggen. Bij niet-zangvogels tellen alle geldige waarnemingen even zwaar, ongeacht de tijd van het jaar, van de dag en de trefkans. Het aantal bezoeken maakt niet uit. Bij niet-zangvogels worden 1 tot 3 geldige waarnemingen gevraagd ongeacht het aantal bezoeken en moeten 1 soms 2 waarnemingen tussen de datumgrenzen liggen. In het addendum bij deze bijdrage uit van Dijk (1996) wordt per soort bij “Hoeveel geldige waarnemingen vereist” aangegeven hoeveel waarnemingen in de “gehele periode” (G) vereist zijn, en welk deel daarvan tussen de datumgrenzen (D) moet vallen. Zijn er geen waarnemingen tussen de datumgrenzen dan mag geen territorium, tenzij nestvondst, worden aangenomen. Dit geldt ook bij slechts 1 waarneming tussen de datumgrenzen, terwijl in de gehele periode 2 waarnemingen worden gevraagd. Waarnemingen tussen de datumgrenzen kunnen het best als uitgangspunt dienen bij het bepalen van de territoria. In de praktijk is het aantal territoria vaak gelijk aan het hoogste aantal geldige waarnemingen tijdens een bezoek tussen de datumgrenzen. Tot slot worden voor de vergelijking tussen de jaren aanvullende waarnemingen, bijvoorbeeld opgetekend tijdens de vegetatiekartering, niet gebruikt.

28


6.4. BIJLAGE 4: BOSSOORTEN Tabel: de bossoorten (waargenomen in of aan bossen) in beide deelgebieden. Vetgedrukte soorten zijn “waarschijnlijke broedgevallen". X in de tabel betekent waarneming van territoriaal gedrag, v is een visuele waarneming, ? duidt op een onzekere waarneming.

Soort/telronde boomklever boomkruiper fazant geelgors goudhaantje groene specht grote bonte specht heggemus houtduif koolmees kramsvogel merel pimpelmees roodborst spreeuw tjiftjaf vink winterkoning zanglijster zwarte kraai zwartkop

Gebied 1 1 2 3 4 X X

X

X

5

6

X

7 X

8

X

Gebied 2 1 2 3 4 v X X X X

5

6

7

8

X ?

X X

X

X X

X

X X

X

X

X

X X X

v X X X

X

X X X X

X X X X X X

X X

X X

X

X X X

X X X

X

X

X X X

X

X

X

X X

X

X X

X

X

X X X X

X X

X X X

X X X X

X X

X

X X X

X

X

X X X

X X X

X X X X

X

X

X

X

X X X X X X X X

29


6.5. BIJLAGE 5: OVERIGE SOORTEN Tabel: waargenomen soorten in beide gebieden (exclusief de akkervogels en de vogels van de bossen). Vetgedrukte soorten zijn “waarschijnlijke broedgevallen”. X in de tabel betekent waarneming van territoriaal gedrag, v is een visuele waarneming, “nr” duidt op het aantal uitsluitende waarnemingen. Waarnemingen aan de Billighouthoeve werden aangeduid met een a, die aan het militair domein met een b. Waarnemingen in een holle weg staan vermeld met kw, laagstam met kl, bebouwing met ur en talud met kt.

Soort/telronde beflijster boerenzwaluw bosrietzanger buizerd ekster fazant grasmus graspieper groene specht heggemus houtduif kauw kiekendief sp. kleine karekiet kneu kokmeeuw koolmees kramsvogel merel roodborst roodborsttapuit spotvogel spreeuw steenuil tapuit tjiftjaf torenvalk tuinfluiter vink wilde eend winterkoning witte kwikstaart zanglijster zwarte kraai zwarte roodstaart zwartkop

Gebied 1 1 2 3

4

5

6

7

8

Gebied 2 1 2 3

4

5

6

7

8

x

x

2 1 x

x

v X

kl

2kl

kl

kl

2kl

kl

x

kw

kw

x

3kt

1

x x

x

2

x

x

x

x 1

1 kl

kt

v

kw

kw

kw

kw

1

v

v

v

v

v x

1 v

x x x

x overvliegend

2

x

veel

kw 2

X x

x

kw

x

x

x

v 1

x

1 kw

2

kl

kw 2kl

1

3

kl

x

kl

x x x X

x

x x 1

kw

2kw

2

1

1

1

1

3

2kl

2kw kl 2kl

1 1 x

x

2kl

kl

kw 2kl

kw

kw

2

x kw

1

kl

2

x

x

x

veel x

x

x

x

x

2kw

kw

2kw

x

x

x

ur x

x

x

x

a kw

kl

1 1

2

x

b kw

x

30


7.

DIGITALE BESTANDEN Een CD met de digitale bestanden is bijgevoegd. Hierop staat zowel het rapport (tekst en kaarten) in een digitaal formaat, alsook de bijhorende GIS-bestanden.

31


Vissenaken

Kaart 1: situering ruilverkaveling

Legende grens ruilverkaveling

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

250

500

1.000 Meters


Vissenaken

Kaart 2: situering deelgebieden monitoring akkervogels Legende grens ruilverkaveling

akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

250

500

1.000 Meters


1, 2

Vissenaken

Kaart 3: deelgebied 1 in detail Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) 100 meter rond traject (deelgebied 1) 100 meter rond traject (deelgebied 2) startpunten route (nr geeft de week weer wanneer de route hier gestart werd)

5

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

3, 4, 6

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 4: deelgebied 2 in detail Legende

5

akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) 100 meter rond traject (deelgebied 1) 100 meter rond traject (deelgebied 2) startpunten route (nr geeft de week weer wanneer de route hier gestart werd)

1, 2, 7

6, 8

3, 4

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 5.1: FAZANT waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 5.2: FAZANT waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 5.3: FAZANT TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 6.1: GEELGORS waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 6.2: GEELGORS waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 6.3: GEELGORS TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 6.4: GEELGORS waarnemingen 1992 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

waarnemingen 1992 waarnemingen 2003 - week 8 territorium 2003

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 7.1: GELE KWIKSTAART waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

?

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

? 0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 7.2: GELE KWIKSTAART waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer)

?

deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 7.3: GELE KWIKSTAART TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 7.4: GELE KWIKSTAART waarnemingen 1992 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

waarnemingen 1992 waarnemingen 2003 - week 8 territorium 2003

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 8.1: GRAUWE GORS waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6

?

week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 8.2: GRAUWE GORS waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 8.3: GRAUWE GORS TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 8.4: GRAUWE GORS waarnemingen 1992 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

waarnemingen 1992 waarnemingen 2003 - week 8 territorium 2003

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 9.1: KIEVIT waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8 gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

V ?

kan om hetzelfde individu gaan

X "nr"

gevecht aantal vogels

V

overvliegend

territorium

4V Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 9.2: KIEVIT waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4

10

week 5 week 6 week 7

7

8

week 8

V gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

3 4

? X "nr"

15

4

V

20

kan om hetzelfde individu gaan gevecht aantal vogels overvliegend

territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 9.3: KIEVIT TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 10.1: PATRIJS waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 10.2: PATRIJS waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 10.3: PATRIJS TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 10.4: PATRIJS waarnemingen 1992 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

waarnemingen 1992 waarnemingen 2003 - week 8 territorium 2003

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 11.1: VELDLEEUWERIK waarnemingen deelgebied 1 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer)

?

deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2 week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

?

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

?

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 11.2: VELDLEEUWERIK waarnemingen deelgebied 2 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers)

?

deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

week 1 week 2

?

week 3 week 4 week 5 week 6 week 7 week 8

gelijktijdige waarneming van twee verschillende territoriumhouders

?

kan om hetzelfde individu gaan

X

gevecht territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 11.3: VELDLEEUWERIK TERRITORIA Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers) territorium

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 11.4: VELDLEEUWERIK waarnemingen 1992 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

waarnemingen 1992 waarnemingen 2003 - week 8 territorium 2003

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 12: KWARTEL waarnemingen 1992 Legende akkervogels trajecten deelgebied 1 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 1 (inventarisatie door 2 waarnemers) deelgebied 2 (inventarisatie door 1 waarnemer) deelgebied 2 (inventarisatie door 2 waarnemers)

waarnemingen 1992 waarnemingen 2003 - week 8 territorium 2003

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, kleur, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 13: bodemgebruik deelgebied 1 Legende bodemgebruik grasland bebouwing aardappelen bos braak cichorei fruitbomen maĂŻs niet bepaald bieten wintergraan

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Vissenaken

Kaart 14: bodemgebruik deelgebied 2 Legende bodemgebruik grasland bebouwing aardappelen bos braak cichorei fruitbomen maĂŻs niet bepaald bieten wintergraan

Bron: digitale versie van de topografische kaart 1/10.000, raster, zwartwit, NGI, opname 1991-2002 (GIS-Vlaanderen)

0

125

250

500 Meters


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
monitoring RVK Vissenaken akkervogels T-1 + kaarten.pdf by Vlaanderen-be - Issuu