LEIDRAAD STRATEGIE 8 ASBEST
/ rapport
////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
LEIDRAAD STRATEGIE 8 ASBEST publicatiedatum / 1.07.2020 ////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////////
www.ovam.be
DOCUMENTBESCHRIJVING 1
Titel van publicatie: Leidraad strategie 8 asbest
2
Verantwoordelijke Uitgever: OVAM
3
Wettelijk Depot nummer: 2016
4
Trefwoorden: asbest, asbestlabel, asbestuitspraak, strategie 8
5
Samenvatting: Dit document is een leidraad die frequente vragen bij strategie 8 van de Standaardprocedure OriĂŤnterend Bodemonderzoek beantwoordt.
6
Aantal bladzijden: 15
7
Aantal tabellen en figuren: /
8
Datum publicatie: 1 juli 2020
9
Prijs*: /
10 Begeleidingsgroep en/of auteur:
Johan Ceenaeme (OVAM) Els Wuyts (OVAM) Patrick Schollaert (OVAM) 12 Andere titels over dit onderwerp: /
11 Contactpersonen:
Patrick Schollaert (patrick.schollaert@ovam.be)
U hebt het recht deze brochure te downloaden, te printen en digitaal te verspreiden. U hebt niet het recht ze aan te passen of voor commerciĂŤle doeleinden te gebruiken. De meeste OVAM-publicaties kunt u raadplegen en/of downloaden op de OVAM-website: http://www.ovam.be * Prijswijzigingen voorbehouden.
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 3 of 15
INHOUD 1
Algemene toepassing strategie 8 ............................................................................................. 5
1.1
Moet u strategie 8, inclusief veldwerk, toepassen bij de actualisatie van een OBO (strategie 5)?
5
1.2
Moet u strategie 8 toepassen in het kader van een exploitatie-onderzoek?
5
2
Afdruipzones ............................................................................................................................ 6
2.1 2.2
Afdruipzone ligt op het te onderzoeken perceel en de bron (asbestdak) op het naburige perceel. Asbestdak ligt op het te onderzoeken perceel en de afdruipzone op een naburig perceel.
6 6
2.3 2.4
Asbestdak met dakgoot Welke controlestalen moeten genomen worden na ontgraving van een afdruipzone?
7 7
2.5 2.6
Moet het beschrijvende bodemonderzoek onmiddellijk uitgevoerd worden? Zachte voorzorgsmaatregelen
7 7
3
Puin .......................................................................................................................................... 8
3.1
Hoe bepaalt u of een puin- of afvalhoudende (bodem)laag al dan niet asbestverdacht is?
8
3.2 Hoofdstuk ‘D.1. Puin- of afvalhoudende (bodem)laag niet onder een verharding of niet dieper dan 70 cm’ stelt dat de aangetroffen puinlaag asbestverdacht is. Moet u de fijne fractie van het puin altijd analyseren? 9
4 5
Aard van de verontreiniging................................................................................................... 10 Uitspraak O-, P- en Q-zin ........................................................................................................ 11
5.1 5.2
Wanneer toetsen aan 100 mg/kg ds en welke zin moet u dan geven? Asbestconcentratie <100 mg/kg ds
11 11
5.3 5.4
Asbestconcentratie >100 mg/kg ds Puinlaag onder een verharding of dieper dan 70 cm (niet onderzocht)
11 12
5.5
Besluit asbest
12
6
Asbestuitspraak op grondniveau (bodemattest) en asbestlabels/mistral............................. 13
6.1 6.2
Asbestuitspraak op grondniveau Hoe kan de asbestuitspraak van het bodemattest worden gehaald?
13 13
6.2.1 6.2.2
Asbest dak Asbest puinlaag
13 13
6.2.3 6.2.4
Asbestlabels Gebruiksadviezen in een OBO
14 14
7
Subsidies................................................................................................................................. 15
pagina 4 of 15
Leidraad strategie 8 asbest
1.07.2020
1 ALGEMENE TOEPASSING STRATEGIE 8 U past deze bemonsteringsstrategie toe om het asbestverdacht karakter van de onderzoekslocatie te bepalen en de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest te bevestigen of te weerleggen. Deze bemonsteringsstrategie bestaat uit drie stappen: – historisch onderzoek en voorstudie; – terreinwaarnemingen en veldwerk; – besluit over nood aan een beschrijvend bodemonderzoek.
1.1 MOET U STRATEGIE 8, INCLUSIEF VELDWERK, TOEPASSEN BIJ DE ACTUALISATIE VAN EEN OBO (STRATEGIE 5)? Indien op het terrein reeds een decretaal bodemonderzoek is uitgevoerd, en ook al is in die context een uitspraak gedaan over de aanwezigheid van asbest, volstaat een loutere verwijzing naar dit OBO niet. U moet minstens inhoudelijk verifiëren of de voorstudie/onderzoeksinspanningen voldoende zijn om tot een onderbouwde besluitvorming te komen bij de opmaak van het nieuwe OBO. De beschikbare informatie uit het voorgaande OBO moet u integreren in het nieuwe OBO. Indien uit het historisch onderzoek en de voorstudie (stap 1) blijkt dat het terrein potentieel asbestverdacht is, dan moet u overgaan tot stap 2. Indien uit het historisch onderzoek en de voorstudie (stap 1) blijkt dat het terrein niet asbestverdacht is, zijn geen verdere inspanningen vereist. Een herevaluatie van het vorige OBO is dus nodig. Maar dit houdt niet noodzakelijkerwijs altijd veldwerk in.
1.2 MOET U STRATEGIE 8 TOEPASSEN IN HET KADER VAN EEN EXPLOITATIE-ONDERZOEK? Bij een exploitatieonderzoek moet asbest in de onderzochte zone ook aanzien worden als een mogelijk verdachte stof.
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 5 of 15
2 AFDRUIPZONES 2.1 AFDRUIPZONE LIGT OP HET TE ONDERZOEKEN PERCEEL EN DE BRON (ASBESTDAK) OP HET NABURIGE PERCEEL. Indien de bron en dus ook de totstandkoming van de verontreiniging buiten het perceel ligt, dan kan er geen sprake zijn van een onderzoeks- en/of saneringsplicht op het te onderzoeken perceel. Dit zijn bepalingen uit het Bodemdecreet die boven de standaardprocedures staan. Het principe van verspreidingsperceel is hier van toepassing. Dit betekent dat de overdracht van het onderzochte perceel met een W-zin kan plaatsvinden zonder dat er onmiddellijk maatregelen moeten genomen worden. Het is vergelijkbaar aan een grondwaterverontreiniging die u zou vinden in een peilbuis, waarbij die verontreiniging afkomstig is van bijvoorbeeld een particuliere stookolietank van 2 000 liter bij een buur. Ook in dat geval geeft u een W-zin (verspreiding) en is dus een overdracht mogelijk. De OVAM zal aan de buur niet onmiddellijk verplichtingen opleggen of aan dit perceel een specifieke asbestuitspraak toekennen op het bodemattest (asbestdak of –gevel). Net zoals de OVAM bij een particuliere stookolietank beleidsmatig niet onmiddellijk gaat aanmanen omdat er een beleidsontwikkeling (in dat geval fonds en bij asbest asbestafbouwplan) is die de problematiek in de toekomst aanpakt. W-zin: Er dient een beschrijvend bodemonderzoek opgemaakt te worden. De bodemverontreiniging aangetroffen in dit oriÍnterend bodemonderzoek, is niet tot stand gekomen op de onderzochte grond.
2.2 ASBESTDAK LIGT OP HET TE ONDERZOEKEN PERCEEL EN DE AFDRUIPZONE OP EEN NABURIG PERCEEL. Deze situatie is vergelijkbaar met de uitstoot van een schouw. Het onderzochte perceel met het asbestdak krijgt een Q-zin. In het OBO moet u geen uitspraak doen over het buurperceel met afdruipzone. In een OBO doet u enkel een uitspraak over een volledig onderzocht perceel. Overdracht van de onderzochte risicogrond is enkel mogelijk als het buurperceel gesaneerd is.
pagina 6 of 15
Leidraad strategie 8 asbest
1.07.2020
2.3 ASBESTDAK MET DAKGOOT Als er een dakgoot aan het asbestdak hangt, is er geen sprake van een afdruipzone. U moet wel nagaan of de afvoer van het hemelwater via een dakgoot al dan niet een onmiddellijk effect op de bodem heeft. U bekijkt tevens in welke staat de dakgoot zich bevindt. Als bij de aanwezigheid van een intacte dakgoot het dak ook in goede staat is, is er ook geen kans op een grenszone met versnipperde fragmenten die van het dak afkomstig zijn. Het perceel is daardoor niet asbestverdacht. Conclusie is dus een O-zin. U moet nagaan of de dakgoot reeds aanwezig was bij de opbouw van het gebouw. Indien de dakgoot niet vanaf de opbouw aanwezig is, bestaat de kans dat er een asbestverontreiniging ontstond voor het hangen van deze dakgoot. In deze situatie is verder onderzoek noodzakelijk.
2.4 WELKE CONTROLESTALEN MOETEN GENOMEN WORDEN NA ONTGRAVING VAN EEN AFDRUIPZONE? Voor het nemen van controlestalen na een ontgraving van een asbestverontreiniging gelden dezelfde principes als voor een andere parameter, dat wil zeggen zowel stalen van putbodem als wanden. De werkwijze is beschreven in de standaardprocedure bodemsaneringswerken, eindevaluatieonderzoek en nazorg.
2.5 MOET HET BESCHRIJVENDE BODEMONDERZOEK ONMIDDELLIJK UITGEVOERD WORDEN? Momenteel hanteert de OVAM het standpunt dat er niet direct zal aangemaand worden tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in geval van asbest in bodem. Uiteraard mag er geen sprake zijn van een ernstig humaan risico. In geval van overdracht worden evenwel dezelfde principes gehanteerd als voor de andere parameters.
2.6 ZACHTE VOORZORGSMAATREGELEN Om verdere verspreiding of blootstelling aan de asbestverontreiniging te voorkomen in afwachting van de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering kan u wel voorstellen om zachte voorzorgsmaatregelen te voorzien. Deze zachte voorzorgsmaatregelen kunnen bestaan uit het niet intensief betreden van de zone door deze zone aan te duiden, af te spannen, …, afdekken van de zone met platen/doeken/…, ondergrond vochtig houden, dakgoot hangen, reinigen van schoeisel na betreden, behouden van dichte begroeiing, …
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 7 of 15
3 PUIN 3.1 HOE BEPAALT U OF EEN PUIN- OF AFVALHOUDENDE (BODEM)LAAG AL DAN NIET ASBESTVERDACHT IS? In het kader van het uit te voeren oriënterend bodemonderzoek voert u sowieso een aantal boringen uit. Het opgeboorde materiaal moet u visueel inspecteren op de aanwezigheid van asbest. Hierbij is het volgende belangrijk: – goede keuze van de boortechniek (boordiameter/gat?) om de puindeeltjes niet weg te drukken; – goede keuze van de plaatsen waar geboord wordt (overal puin? homogeen/heterogeen? verspreid over
terrein ); – opleiding van de persoon die de visuele beoordeling doet; – de kans op een humaan risico afkomstig van een eventuele asbestverontreiniging (verharding? maaiveld?).
Het blijft een oriënterend bodemonderzoek dus analoog aan de andere parameters is de uitvoering van een goed gekozen 'steekproef' voldoende om een besluit te nemen. Op basis van de kennis over de historiek van het terrein (stap 1 van de strategie 8), het terreinbezoek (aanwezigheid bron? asbeststukken op het maaiveld?) én de visuele inspectie van het opgeboord materiaal besluit u dus of er asbestverdachte puinlagen in de bodem voorkomen of niet. Indien de puinlaag asbestverdacht is gaat u verder veldwerk moeten uitvoeren (zie hoofdstuk D.1.), of u kan de grond een Q-zin geven en onmiddellijk overgaan tot de opmaak van een BBO. Het is dus niet de bedoeling dat u op een terrein van bijvoorbeeld 4 ha 80 gaten gaat moeten graven, indien er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest zijn.
pagina 8 of 15
Leidraad strategie 8 asbest
1.07.2020
3.2 MOET U DE FIJNE FRACTIE VAN HET PUIN ALTIJD ANALYSEREN? U voert een grondige visuele inspectie uit van het oppervlak of het maaiveld om de asbestverdachte zone visueel af te bakenen. Voor een verdere of betere afbakening gebruikt u steeds boringen of proefgaten. Voor wat betreft het onderzoek en de monsterneming voorziet u minimaal twee gaten per asbestverdachte laag van maximaal 1.000m². Voor een asbestverdachte zone met een oppervlakte van meer de 1.000m² voorziet u één extra gat per 500m². De diepte is afhankelijk van de dikte van de asbestverdachte laag. Voor de asbestbepaling in de puin- of afvalhoudende laag scheidt u de grove van de fijne fractie. U inspecteert de grove fractie visueel op de aanwezigheid van asbestverdachte delen. De asbestverdachte, grove fracties van alle gaten voegt u samen tot één verzamelmonster. De fijne fractie van alle gaten reduceert u tot een labomonster van 10 liter.
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 9 of 15
4 AARD VAN DE VERONTREINIGING In een oriënterend bodemonderzoek moet u een uitspraak doen over de aard (nieuw, historisch of gemengd) van de bodemverontreiniging, dus ook voor de asbestverontreiniging ter hoogte van de afdruipzone. Voor een gemengde bodemverontreiniging is het ook steeds nodig een inschatting te maken van het aandeel nieuwe respectievelijk historische bodemverontreiniging. Daarbij houdt u rekening met het percentage aan vuilvracht en geeft aan van welke aard (historisch of nieuw) het overwegende deel van de verontreiniging is. Uit studies van de OVAM blijkt dat bij golfplaten daken een stijgende vezelvrijstelling met toenemende ouderdom en verweringsgraad wordt gemeten. Op kleefmonsters vanop verweerde golfplaten daken (> 30 jaar oud) worden significante hoeveelheden niet-hechtgebonden asbest aangetroffen. In slibmonsters uit de dakgoot van golfplaten daken worden hoge concentraties niet-hechtgebonden asbest (vezels en bundels) aangetroffen. Het is duidelijk dat het grootste deel van de bodemverontreiniging met asbest door verwering plaats vond in een meer recente periode. In de beginjaren zullen nauwelijks asbestvezels zijn vrijgekomen. Bij het bepalen van de aard van de bodemverontreiniging zal u rekening moeten houden met een toenemende mate van bodemverontreiniging. Het percentage aan nieuwe dan wel historische vuilvracht wordt dus niet louter bepaald op basis van de verhouding tussen de aanwending van het asbestdak voor of na 1995. Voorbeeld: bij een asbestdak wat sinds 1955 is aangelegd en waarbij over de volledige periode geen dakgoot is voorzien, zal de periode van ‘historisch’ gebruik (40 jaar) langer zijn dan de periode van ‘nieuw’ gebruik (bijna 25 jaar). De aard van deze bodemverontreiniging zal hoe dan ook gemengd zijn. Daar de verontreiniging, uitgedrukt in vuilvracht, echter sterk overwegend tot stand is gekomen in de voorbije jaren of decennia zal de aard gemengd, overwegend nieuw zijn. Er wordt namelijk geoordeeld dat bodemverontreiniging met asbest ten gevolge van verwering bij gevelbekleding en asbestdaken vooral een verschijnsel is van de voorbije jaren. In veruit de meeste gevallen dienen deze asbestverontreinigingen dus te worden beschouwd als nieuwe dan wel gemengd, overwegend nieuwe bodemverontreinigingen.
pagina 10 of 15
Leidraad strategie 8 asbest
1.07.2020
5 UITSPRAAK O-, P- EN Q-ZIN 5.1 WANNEER TOETSEN AAN 100MG/KG DS EN WELKE ZIN MOET U DAN GEVEN? De norm van 100mg/kg ds is vanaf 1 april 2019 in Vlarebo opgenomen voor vrij hergebruik. Als de monsters op de juiste manier volgens de CMA/1/A.7 zijn genomen dus met een correct aantal en grootte van gaten/sleuven en met kennis van de veldgewichten en -volumes dan mag u het bekomen asbestgehalte toetsen aan 100mg/kg ds. Met boringen mag u NOOIT aan 100mg/kg ds toetsen. Als de vastgestelde concentratie net gelijk is aan 100mg/kg ds dan moet u geen vervolgstappen ondernemen. Gezien dit strikt gezien geen overschrijding is van de norm, zijnde 100 mg/kg ds.
5.2 ASBESTCONCENTRATIE <100MG/KG DS Voor een asbestconcentratie < 100mg/kg ds geeft u een O-zin en maakt u geen verontreiniging aan. U besluit dat de onderzoekslocatie 'niet asbestverdacht' is als er geen effect meer is op de bodem en 'wel asbestverdacht' is als er nog een effect is op de bodem. Voorbeeld: Op een terrein is een asbestdak zonder dakgoot aanwezig. De afdruipzone is ontgraven en na analyse wordt een asbestconcentratie < 100mg/kg ds vastgesteld. U kent een O-zin toe en u maakt geen verontreiniging voor asbest aan. De onderzoekslocatie wordt als 'niet asbestverdacht' beschouwd wanneer er onmiddellijk na ontgraving een dakgoot met afwatering wordt voorzien zodat er geen nieuwe verontreiniging kan ontstaan. De onderzoekslocatie wordt als 'asbestverdacht' beschouwd als geen dakgoot wordt geplaatst omdat er in dit geval nieuwe verontreiniging kan ontstaan.
5.3 ASBESTCONCENTRATIE >100MG/KG DS Voor een asbestconcentratie > 100mg/kg ds kent u een P- of een Q-zin toe afhankelijk van het risico. Om het risico te bepalen gebruikt u de DAEB-methodologie (duidelijke aanwijzing voor een ernstige bodemverontreiniging). Zowel bij een P-zin (geen BBO nodig) als bij een Q-zin (BBO nodig) maakt u een verontreiniging voor asbest aan en besluit u dat de onderzoekslocatie 'asbestverdacht' is.
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 11 of 15
5.4 PUINLAAG ONDER EEN VERHARDING OF DIEPER DAN 70CM (NIET ONDERZOCHT) U kan er voor opteren om de puinlaag onder een verharding of dieper dan 70cm niet te onderzoeken en als mogelijk asbestverdacht te beschouwen. Als de laag voldoende afgedekt is en blijft, is er geen sprake van een humaan toxicologisch risico noch van een verspreidingsrisico. U kent een O-zin toe (voor 01.09.2020 werd een P-zin toegekend), maakt geen verontreiniging aan voor asbest en besluit dat de onderzoekslocatie mogelijk asbestverdacht is. In het e-loket vinkt u op grondniveau “asbest puinlaag ja” aan. Volgende asbestuitspraak komt op het bodemattest: “Er is een puinlaag aanwezig op het terrein die mogelijk asbestverdacht is.” Zones waar het maaiveld voorzien is van kiezels, steenslag, een grindlaag, beplanting … moet u aanzien als onverharde zones. In deze gevallen moet u veldwerk uitvoeren, indien de asbestverontreiniging zich niet onder de 70 cm-mv bevindt, zoals beschreven in hoofdstuk ‘D.1. Puin- of afvalhoudende (bodem)laag niet onder een verharding of niet dieper dan 70cm’. U moet tevens steeds de toestand van de aanwezige verhardingen bekijken.
5.5 BESLUIT ASBEST In het samenvattend besluit van het rapport formuleert u een duidelijke uitspraak of de onderzoekslocatie wel, niet of mogelijk asbestverdacht is met een korte toelichting waarom. Voorbeeld: “Op basis van het strategie 8 is dit kadastraal perceel niet asbestverdacht. Er werden asbestverdachte materialen vastgesteld onder de vorm van een asbesthoudend dak met een risicovolle afdruipzone. De asbest verontreinigde grond werd afgegraven en nieuwe dakgoten met afwatering werden voorzien door de eigenaar waardoor het perceel niet meer als asbestverdacht wordt beschouwd.”
pagina 12 of 15
Leidraad strategie 8 asbest
1.07.2020
6 ASBESTUITSPRAAK OP GRONDNIVEAU (BODEMATTEST) EN ASBESTLABELS/MISTRAL 6.1 ASBESTUITSPRAAK OP GRONDNIVEAU In het e-loket vinkt u op grondniveau, indien van toepassing, een asbestuitspraak aan na toepassing van het strategie 8.
6.2 HOE KAN DE ASBESTUITSPRAAK VAN HET BODEMATTEST WORDEN GEHAALD? De asbestuitspraak kan u van het bodemattest halen, wanneer u over nieuwe informatie beschikt, die de vroegere vaststellingen weerlegt.
6.2.1 Asbest dak Indien u in het e-loket op grondniveau bij asbest dak 'ja' aanvinkt, komt volgende asbestuitspraak op het bodemattest: “Er is een asbesthoudende dak- en/of gevelbekleding aanwezig die aanleiding kan geven tot nieuwe bodemverontreiniging met asbest.” Als er ten gevolge van de aanwezigheid van het asbest dak geen effect (meer) is op de bodem, vinkt u bij asbestdak 'nee' aan. De knop 'geen van vorige' gebruikt u als u een fout antwoord heeft aangeduid ('ja' en 'nee' zijn niet meer uit te vinken na aanduiding).
6.2.2 Asbest puinlaag Indien u in het e-loket op grondniveau bij asbest puinlaag 'ja' aanvinkt, komt volgende asbestuitspraak op het bodemattest: “Er is een puinlaag aanwezig op het terrein die mogelijk asbestverdacht is.” Deze uitspraak geldt als signaalfunctie voor potentiële/toekomstige gebruikers en eigenaars van het terrein. Volgende situaties zijn mogelijk: – Een puinlaag onder een verharding of dieper dan 70cm: • geen analyses uitgevoerd (niet verplicht): 'ja' aanvinken (signaalfunctie); • wel analyses uitgevoerd: − als geen verontreiniging is vastgesteld 'nee' aanvinken; − als wel verontreiniging is vastgesteld 'nee' aanvinken.
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 13 of 15
– Een puinlaag niet onder een verharding of niet dieper dan 70cm (steeds veldwerk/analyses uitvoeren of
ineens Q-zin geven) : • als geen verontreiniging is vastgesteld 'nee' aanvinken; • als wel verontreiniging is vastgesteld 'nee' aanvinken. De knop 'geen van vorige' gebruikt u als u een fout antwoord heeft aangeduid ('ja' en 'nee' zijn niet meer uit te vinken na aanduiding).
6.2.3 Asbestlabels In het e-loket kent u een asbestlabel toe aan een opdracht als er een verontreiniging met asbest is vastgesteld, ook al zijn er geen verdere maatregelen nodig. Dit label voegt u toe op opdrachtniveau op het tabblad 'algemeen'. Het asbestlabel voor specifieke asbestdossiers, bijvoorbeeld uit de gekende regio’s met asbestdraailingen, voegt de OVAM zelf toe op dossierniveau.
6.2.4 Gebruiksadviezen in een OBO In een OBO kan u geen 'officiële' gebruiksadviezen formuleren. De gebruiksadviezen met betrekking tot asbest in het kader van een OBO zijn enkel informatief en moet u niet in Mistral ingeven. Deze gebruiksadviezen worden dus ook niet opgenomen op het bodemattest.
pagina 14 of 15
Leidraad strategie 8 asbest
1.07.2020
7 SUBSIDIES Voor de sanering van asbestverontreiniging in de bodem bestaan geen subsidies. Cofinanciering blijft wel mogelijk.
1.07.2020
Leidraad strategie 8 asbest
pagina 15 of 15