Skip to main content

Deel_3_08_Warme_samenleving.pdf

Page 1

03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

Warme samenleving


inhoudstafel

Inhoudstafel 01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

1.1 Vergrijzing, verzilvering, verdunning en vergroening 1.2 Van meer diversiteit naar superdiversiteit 1.3 Armoede en sociale uitsluiting 1.4 Relatie overheid burger 1.5 Individualisering en alternatieve verenigingsvormen 1.6 Vermaatschappelijking van de zorg 1.7 Ruimtegebruik 1.8 Digitalisering en sociale media 1.9 Professionalisering van het aanbod 1.10 Internationalisering

02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

2.1 2.2

A

287 287 288 288 289 290 290 291 291 292 293

294

Algemene ambitie en visie Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen

294 295

De inclusieve en diverse samenleving

295

SD1. We werken ambitieus en constructief aan een samenleving waarin iedereen – ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of gezondheidstoestand – samenleeft op grond van gelijkwaardigheid, binnen een gemeenschappelijk kader van normen en waarden (vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en burgerschap) én met respect voor ieders eigenheid. Einddoel is een volwaardige en evenredige participatie van elke burger aan de samenleving, waar alle discriminatie is uitgebannen, en het creëren van voldoende sociale samenhang in die samenleving. Beleidsvoorstel 1: We streven naar een sterk en gecoördineerd transversaal en inclusief integratie- en gelijkekansenbeleid. Beleidsvoorstel 2: We streven naar een verticaal en functioneel integratie- en inburgeringsbeleid. Beleidsvoorstel 3: We streven naar een gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid voor iedereen.

B

De zorgzame samenleving

SD1. Om mensen te versterken in hun fysiek, psychisch en sociaal welbevinden zetten we resoluut en primair in op preventie van welzijns- en gezondheidsproblemen en willen we snel inspelen op acute noden.

295 295 295 295 295

301


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 1: Beleidsvoorstel 2:

We prioriteren het preventieve welzijns- en gezondheidsbeleid op basis van objectiveerbare noden, op evidentie gebaseerde methodieken en gezondheidseconomische afwegingen, in de eerste plaats via gezondheidsdoelstellingen en het versterken van de eerstelijnshulp, met inbegrip van het aanbod geestelijke gezondheidszorg. 301 We zetten in op een maximale gezondheidswinst door, via een beleid van health in all policies, actief verschillende maatschappelijke sectoren (facettenbeleid) en beleidsdomeinen in te schakelen. We betrekken in het bijzonder de lokale besturen en, voor het realiseren van een gezondheidsbevorderende werkomgeving, de sociale partners en organisaties die bedrijven ondersteunen, de media en de gezinnen. 302

SD2. Om tegemoet te komen aan de diverse welzijns-, gezondheids- en zorgnoden van mensen, bedden we de zorg verder in de samenleving in, en investeren we in een aanpak op maat van de individuele noden. 303 Beleidsvoorstel 1: We actualiseren en realiseren het Perspectiefplan 2020. We realiseren de basisdoelstellingen (zorggarantie voor wie de grootste noden heeft en autonomie voor de personen met een handicap) in eerste instantie door het invoeren van een persoonsvolgende financiering. 303 Beleidsvoorstel 2: We realiseren het actieplan jeugdhulp zodat de jeugdhulp maximaal vertrekt van de krachten van jongeren en passende hulp kan worden geboden: rechtstreeks toegankelijk als het kan, niet-rechtstreeks toegankelijk als dat nodig is. 303 Beleidsvoorstel 3: We bouwen de Huizen van het Kind uit tot volwaardige basisvoorzieningen voor alle (aanstaande) gezinnen met kinderen vanuit een sterke lokale samenwerking tussen de partners op het vlak van preventieve gezinsondersteuning. 303 Beleidsvoorstel 4: We organiseren het thuiszorgaanbod cliëntgericht (maximumfactuur, inkomensgerelateerde bijdrage) met de behoeften en de autonomieversterking van de zorgbehoevende als centraal aandachtspunt. 304 Beleidsvoorstel 5: We voorkomen en bestrijden armoede, met bijzondere aandacht voor een transitie in de aanpak van kinderarmoede en voor het wegwerken van gezondheidsongelijkheid. 304 SD3. Om de, toenemend complexe, zorgvragen efficiënt te kunnen beantwoorden, werken we resultaatgericht samen met andere beleidsdomeinen en bestuursniveaus. 306 Beleidsvoorstel 1: We zetten maximaal in op samenwerking met andere beleidsdomeinen en andere bestuursniveaus. 306 Beleidsvoorstel 2: We zorgen voor kwaliteitsvolle kinderopvang zoals vastgelegd in het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters en we bouwen aan een kwaliteitsvolle en op de leefwereld van schoolkinderen afgestemde opvang vanuit een sterke samenwerking tussen alle stakeholders op het vlak van opvang en vrije tijd van schoolkinderen. 306


inhoudstafel

SD4. Om de zorg efficiënt en effectief te kunnen inzetten, maken we een sociaal ondernemen mogelijk dat een flexibele inzet van middelen paart aan een beleidsgerichte verantwoording ervan. 308 Beleidsvoorstel 1: Met het oog op cliëntgerichte zorg optimaliseren we de operationele en beleidsgerichte informatie-uitwisseling, met het decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg als basis. 308 Beleidsvoorstel 2: We formuleren een kader waarbinnen voorzieningen eigenaarschap voor deugdelijk bestuur en sociale innovatie kunnen opnemen, met duidelijke afspraken over een gerichte verantwoording ten opzichte van de overheid. 308 SD5. We sturen, stimuleren en ondersteunen de welzijns- en gezondheidsactoren zodat ze kwaliteitsvolle zorg bieden. 310 Beleidsvoorstel 1: We ontwikkelen voor Zorginspectie een uniform juridisch kader voor de uitoefening van het inspectietoezicht en we realiseren in samenwerking met de zorgvoorzieningen en -verstrekkers een veralgemeende registratie van kwaliteitsindicatoren, waarvan de resultaten gericht publiek kunnen worden gemaakt. 310 SD6. We operationaliseren de nieuwe bevoegdheden waarvoor de Vlaamse overheid verantwoordelijk wordt bij de overheveling van de zesde staatshervorming zodat ze bijdragen tot een versterkte beleidsaanpak met een breed draagvlak. Beleidsvoorstel 1: We zorgen voor de uitvoering van de concrete bevoegdheidsoverdrachten die zijn opgenomen in het witboek van de zesde staatshervorming.

310

310

C

De creatieve en actieve samenleving

SD1. Met ons cultuurbeleid creëren we ruimte en tijd voor experiment, creativiteit en innovatie. Beleidsvoorstel 1: We zetten maximaal in op e-cultuur en digitalisering. Beleidsvoorstel 2: We stimuleren sociale innovatie. Beleidsvoorstel 3: We zetten in op organisatorische, wetenschappelijke, ruimtelijke en financiële innovatie. Beleidsvoorstel 4: We ontwikkelen een vernieuwend cultureel diplomatiebeleid.

SD2. In ons cultuurbeleid erkennen we de diversiteit als stimulans voor de creativiteit en verrijking van de samenleving en haar leefomgeving. Beleidsvoorstel 1: We stimuleren het cultureel leren en voeden het vanuit het beleid. Beleidsvoorstel 2: We ontwikkelen een gediversifieerd cultuurbeleid.

310

311 312 312 312 312

314 315 315


Warme samenleving

SD3. We versterken het jeugdwerk opdat het de ontwikkeling, het welzijn en de sociale insluiting van alle kinderen en jongeren verbetert.

Beleidsvoorstel 1:

Vanuit een herbronning van de rol van het jeugdwerk in de samenleving ontwikkelen we, in dialoog met andere beleidsdomeinen, een jeugdwerkstrategie om betere voorwaarden en meer kansen te creëren voor de ontwikkeling, ondersteuning en uitvoering van het jeugdwerk op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau.

SD4. We willen zo veel mogelijk Vlamingen op een duurzame en gezonde manier doen sporten via een kwalitatief, voor iedereen toegankelijk en goed gecommuniceerd sportaanbod. Beleidsvoorstel 1: We willen mensen levenslang en gezond doen sporten, door sensibilisering van de Vlaamse bevolking, facilitering van de niet-georganiseerde sportbeoefening en ondersteuning van de georganiseerde sportbeoefening als componenten. Beleidsvoorstel 2: We willen de sportsector professionaliseren door het verhogen van de kwaliteit van de sportbegeleiders en het verlagen van de drempels voor tewerkstelling. Beleidsvoorstel 3: We willen het structureel tekort aan sportinfrastructuur wegwerken. Beleidsvoorstel 4: We willen een betere preventie en educatie rond doping creëren door het versterken van de complementaire aanpak van NADO Vlaanderen. SD5. We willen een verhoging van het aantal behaalde top-8-plaatsen en medailles op de Olympische Spelen en op wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen in olympische disciplines. Beleidsvoorstel 1: We willen de integrale uitvoering van het T opsportactieplan III (2013-2016) en opmaak van het Topsportactieplan IV (2017-2020).

03 / RAMING VAN DE BUDGATTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

VERKLARENDE LIJST VAN AFKORTINGEN

316

317

318

318

318 324

318

321

321

322 337


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

De onderstaande tendensen hebben vandaag al een belangrijke impact op de samenleving en haar karakter. Ook in de nabije en verdere toekomst zullen deze een invloed hebben op aspecten als zorgzaamheid, solidariteit, emancipatie, keuzevrijheid, persoonlijke ontwikkeling, creativiteit, enzovoort. Dat zijn aspecten die mee het ‘warme’ karakter van onze samenleving uitmaken en garant staan voor het mentale en fysieke welzijn van alle burgers.

1.1 Vergrijzing, verzilvering, verdunning en vergroening

Door de verdere vergrijzing (65-plussers) en de aankomende verzilvering (80-plussers) van de bevolking zal de vraag naar zorg de komende jaren sterk blijven toenemen. Samen met de aankomende pensioengolf bij de zorgverleners in een sector die nu al kampt met een tekort aan arbeidskrachten, vormt die trend voor het afstemmen van vraag en aanbod een belangrijke bijkomende uitdaging. Niet alleen in de welzijns- en zorgsector, maar ook in de brede cultuur- en sportsector vraagt die steeds groeiende bevolkingsgroep specifieke aandacht. Uit de participatiesurvey 2009 blijkt immers dat de participatiecijfers voor cultuur, sport en verenigingsleven in het algemeen sterk dalen vanaf 60 jaar. Onze samenleving wordt ook gekenmerkt door een steeds verder om zich heen grijpende gezinsverdunning. Die houdt in hoofdzaak verband met de toename van het aantal echtscheidingen, en daaraan gelinkt de toename van alleenstaande ouders. Bovendien is er ook een toename van alleenstaande ouderen, vaak van heel hoge leeftijd. Daar waar mensen elkaar (weer) vinden, zorgen de soms complexe nieuw samengestelde gezinnen voor een bijkomende uitdaging en zet het tweeverdienersmodel meer en meer druk op gezinnen om het gezinsleven te verzoenen met arbeid. Het is daarbij van belang ook de genderdimensie (bijvoorbeeld de loopbaankloof) niet uit het oog te verliezen. Globaal gezien stagneert de ontgroening in Vlaanderen. Vooral in de centrumsteden zoals Antwerpen en Gent, maar nog het meest in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ziet men een nieuwe demografische groei en zal de leeftijdsgroep van de min-15-jarigen ook in de komende periode verder toenemen. Meer structurele aandacht voor het psychisch en sociaal welbevinden van deze doelgroep is nodig om tegemoet te komen aan hun toenemende psychische problemen. Bijkomend gaat het in hoofdzaak om een gekleurde vergroening. Zowel de hele welzijns- en zorgsector als de brede cultuur-, jeugd- en sportsector zullen daarmee rekening moeten houden bij het vormgeven van hun aanbod en dienstverlening.


Warme samenleving

1.2 Van meer diversiteit naar superdiversiteit

De diversiteit in de bevolking evolueert naar een superdiversiteit door onder andere een grotere diversiteit wat betreft de landen van herkomst (specifiek kan hier de intra-Europese migratie worden vermeld), de redenen voor migratie en de statuten van verblijf. De migratie kent ook een sterke vervrouwelijking tegenover de klassieke arbeidsmigratie. We zien ook dat kinderen met wortels in migratie steeds meer de steden kleuren. En de bevolkingspiramide van inwoners met een vreemde nationaliteit wijst op een verouderende populatie. De verscheidenheid in religieuze of wereldbeschouwelijke opvattingen, seksuele voorkeuren, culturele expressies en tradities springt elke dag meer in het oog, niet alleen in de stedelijke agglomeraties maar ook in de meer landelijke gebieden. De bevolkingssamenstelling kenmerkt zich ook door een toenemende maatschappelijke diversiteit. Personen met een beperking, ouderen, mensen in armoede en laaggeletterde mensen hebben gemeenschappelijk dat ze vaak moeilijkheden ondervinden bij het realiseren van gelijke kansen, rechten en volwaardige participatie. Die superdiversiteit vormt een belangrijke uitdaging voor het cultuur-, erfgoed-, jeugd- en sportbeleid. Er is nog steeds een belangrijk participatiedeficit van minderheidsgroepen op diverse vlakken: de organisaties en hun personeel, het bestuur, het aanbod, de actieve/passieve deelname enzovoort. De drempels zijn divers: sociaal, financieel, bereikbaarheid, toegankelijkheid, tijd, herkenbaarheid … . Die evolutie naar superdiversiteit vraagt ook van de hulp- en dienstverlening en van de gezondheidszorg een antwoord, zowel op personeelsvlak, met betrekking tot de methodische kaders die worden gehanteerd, als op het vlak van de toegankelijkheid van sociale voorzieningen.

1.3 Armoede en sociale uitsluiting

In het bijzonder moeten de trends van verkleuring van armoede en de gevolgen van armoede voor gezinnen en kinderen (het aantal geboortes in kansarme gezinnen is meer dan verdubbeld tussen 1997 en 2010) sterk gevolgd worden. Ook de toename van het aantal alleenstaande moeders met kinderen (12%, tegenover 1,9% vaders) is een trend die bijzondere aandacht verdient, net zoals de armoede op het platteland. Het is duidelijk dat de meest extreme vorm van armoede, namelijk dak- en thuisloosheid, een geïntegreerd en inclusief beleid vereist, waarbij gezocht wordt naar synergie tussen de beleidsvelden om zo de sociale uitsluiting tegen te gaan. Het thema armoede bij kinderen en jongeren is ook één van de uitdagingen van het nieuw jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP). Op het raakvlak van gezondheidszorg, welzijn en justitie situeert zich ook de groep van geïnterneerden in de gevangenissen met onbeantwoorde noden. Sociale ongelijkheid vinden we terug in de participatiecijfers voor cultuur, jeugd en sport. Hoogopgeleiden participeren in het algemeen meer dan laagopgeleiden, mannen meer dan vrouwen, en werkenden meer dan werklozen. Personen van vreemde herkomst nemen weinig deel.


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

In het algemeen blijkt de maatschappelijke positie van personen van vreemde herkomst op een aantal belangrijke levensdomeinen minder gunstig dan die van autochtone Vlamingen. Ook tussen personen met een vreemde herkomst onderling bestaan duidelijke verschillen: terwijl de EU-burgers veelal gelijke tred kunnen houden met de Vlamingen, hinken de niet-EU-burgers vaak (ver) achterop.

1.4 Relatie overheid burger

Door de gewijzigde gezagsverhoudingen en de toegenomen individualisering is de burger bewuster en mondiger geworden. De burger wil voldoende waarborgen voor kwaliteitsvolle zorg- en dienstverlening, en een gevarieerd en aangepast aanbod, zowel binnen de welzijnssector als binnen de brede cultuur- en sportsector. Tezelfdertijd neemt de vraag naar transparantie in de grote hoeveelheid, vaak complexe, informatie toe. De burgers verwachten van de overheid een publieke verantwoording van haar keuzes. De toegenomen aandacht voor cliëntenrechten en voor participatieve hulpverlening, alsook het grote aantal zelfhulpgroepen sluit aan bij die tendens. Voor de overheid impliceert dat extra aandacht voor meer kwetsbare burgers. Aangezien kinderen en jongeren nog geen stemrecht hebben, behoren zij expliciet tot deze groep en moeten voor hen voldoende participatiemogelijkheden voorzien worden. De overheid moet haar rol van hoeder van de publieke ruimte waar kunnen maken en sociale cohesie ondersteunen. Het aanvoelen is dat er op dit ogenblik (te) weinig sociale en culturele cohesie is. Dat laat zich voelen in een maatschappelijk ongenoegen met betrekking tot het samenleven in het algemeen en het samenleven in diversiteit in het bijzonder. Als een van de oorzaken van verminderde sociale cohesie wordt vaak de link gelegd met de multiculturele samenleving, en botsende belangen en waarden. Een gebrek aan herkenbaarheid van de ander en het feit dat sociale netwerken van burgers van allochtone en autochtone herkomst van elkaar gescheiden blijven, verklaren mee de verminderde sociale cohesie. Anderzijds behoren harmonie én conflict tot het normale samenleven. Het komt erop aan dergelijke samenlevingsconflicten hetzij te voorkomen, hetzij op de voet te volgen en ze niet te laten escaleren tot ze haast niet meer opgelost kunnen worden. De maatschappelijke discussie rond de GAS-boetes, van waaruit een groeiende onverdraagzaamheid ten opzichte van onder andere kinderen en jongeren kan gedetecteerd worden, is daar een voorbeeld van. Burgerparticipatie en een ondernemerschap dat inzet op innovatieve, sociale waarde creërende activiteiten, zowel in non-profit- als in profitomgevingen, krijgen steeds meer ruimte. Innovaties ontstaan niet alleen door toedoen van de overheid of vanuit de markt; ook individuele burgers, wijken, het middenveld en vrijwilligersorganisaties zijn belangrijke spelers. Dat is geen nieuw gegeven — denk bijvoorbeeld aan de jeugdbewegingen — maar die dynamiek kent vandaag een hausse, zoals mag blijken uit talrijke initiatieven: autodelen, thuisafgehaald.be, LETS-systemen, projecten coöperatief ondernemen, gezamenlijke energieaankopen … . Overheid en burgers kunnen elkaar hier vinden en versterken. Informatisering is daarbij een belangrijke factor.


Warme samenleving

1.5 Individualisering en alternatieve verenigingsvormen

Conform de algemene maatschappelijke ontwikkelingen en de toenemende individualisering en digitalisering zien we een grotere verscheidenheid aan groepsrelaties op korte en langere termijn ontstaan. Doordat de grote traditionele netwerken aan belang verliezen, gaat ook de binding met en het begrip voor het daaraan verbonden erfgoed (religieus, industrieel, agrarisch …) verloren. Dezelfde tendensen laten zich ook voelen in de sport- en cultuursector. Er wordt namelijk meer individueel en in niet-, anders- of lichtgeorganiseerd verband gesport, even goed als er culturele, jongeren- of sportactiviteiten op initiatief van enkele individuele burgers worden georganiseerd. De clubsportparticipatie ondervond desondanks een lichte toename, terwijl het actieve sportcontact (minstens tweemaal per jaar sporten) sterk is toegenomen. Dat laatste is mee te danken aan de volgehouden sensibiliserings- en sportpromotiecampagnes in het kader van Sport voor Allen. Diverse studies tonen verder het belang van de georganiseerde sport voor het levenslang sporten aan. Daarnaast heeft ook de sociale rol (fair play, het belang van normen en waarden …) van een sportclub zijn meerwaarde. De amateurkunstensector ontsnapt evenmin aan de impact van die veranderingen. Zo is er een groei van feitelijke verenigingen, lossere (artistieke) samenwerkingsverbanden, ad-hocinitiatieven, clubs, bands en startende verenigingen die dankzij de sociale media hun contacten en sympathisanten kunnen mobiliseren. Het virtuele netwerk waarbinnen culturele organisaties zich bewegen, wordt steeds belangrijker. Dat maakt een meer informele omgang met cultuur en vrije tijd mogelijk. De uitdaging bestaat erin om alert te blijven voor de wijzigende behoeften van de burgers en een duurzaam flankerend beleid te voeren.

1.6 Vermaatschappelijking van de zorg

De inclusiegedachte veronderstelt een zorgmodel dat organisch ingebed is in de samenleving. Dat sluit aan bij de tendens naar meer vermaatschappelijking van de zorg. De rechten realiseren van kwetsbare burgers (ouderen, personen met een fysieke of mentale beperking, personen met een psychiatrische problematiek, kinderen en jongeren in de jeugdzorg …) vanuit hun eigen krachten en positie is daarbij de centrale doelstelling. Daaraan liggen ethische en emancipatorische redenen ten grondslag, naast overwegingen van efficiëntie (de actuele vragen zijn via een institutioneel aanbod onbetaalbaar). Voorbeelden daarvan zijn eigenkrachtconferenties, community building, pleegzorg enzovoort. In elk geval vereist een vermaatschappelijkt zorgmodel een creatief samenspel tussen de zelfredzame burger, zijn gezins- en sociale context, en de reguliere en de gespecialiseerde professionele hulp. Dat structureel waarmaken veronderstelt het faciliteren van een keten- en netwerkbenadering van de hulp- en dienstverlening.


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

1.7 Ruimtegebruik

De druk op de algemene fysieke en mentale gezondheid en levenskwaliteit zal toenemen. Daarbij spelen onder andere maatschappelijke factoren, gerelateerd aan arbeid (werkdruk, werkloosheid …) en externe factoren zoals de klimaatverandering een rol. Ook de aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving, met een minimale belasting van het milieu, stijgt. Voor onroerend erfgoed is hier, als facet van levenskwaliteit en duurzaamheid, een uitgesproken rol weggelegd. Beschikken over voldoende en geschikte fysieke (én mentale) ruimte vormt een belangrijke randvoorwaarde voor het welzijn en de (geestelijke) gezondheid van de burgers binnen een warme samenleving, en voor de kwaliteit van het aanbod en de dienstverlening. Gewijzigde noden en behoeften vragen om een aangepaste ruimtelijke invulling, zowel voor welzijnsvoorzieningen en zorginstellingen als voor bibliotheken, verenigingslokalen, repetitieruimtes, jeugdhuizen, (digitale) bewaarinfrastructuur voor cultureel erfgoed, herbestemming van bestaande gebouwen en terreinen, kunstenhuizen, jeugdculturele zones (de zogenaamde vrijhavens), festivals en sportinfrastructuur. Toenemend ruimtebeslag, tekort aan of verouderde infrastructuur, maar ook de digitale evolutie vragen om een adequaat antwoord van het Vlaamse beleid en van lokale besturen. Flexibele modulaire bouwprojecten, die op een ruimtelijk doordachte manier worden ingeplant, zijn in dat verband cruciaal. Multi-inzetbare infrastructuur kan gericht inspelen op wisselende noden en behoeften binnen de context van toenemend ruimtebeslag.

1.8

Digitalisering en sociale media

De digitale ontwikkelingen en de alomtegenwoordige sociale media en mobiele audiovisuele communicatietechnologieën noodzaken sociale en culturele actoren om op zoek te gaan naar nieuwe omgangsvormen met publiek en klanten. Ze moeten aandacht hebben voor de evolutie van de passieve consument naar de prosument die een veel actievere rol op zich neemt. Tegelijkertijd moet de gebruiker zelf over de nodige mediawijsheid beschikken om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de informatiemaatschappij biedt. De digitale ontwikkelingen en sociale media bieden aan sociale en culturele organisaties en instellingen niet alleen nieuwe kansen voor de interactie met het publiek, ze grijpen in op elk onderdeel van hun dagelijkse werking. Ook digital born en gedigitaliseerde objecten en bronnen geven vele mogelijkheden waar de sectoren mee aan de slag kunnen gaan door het opzetten van experimenten. De vraag is welke van die initiatieven kunnen doorgroeien naar vaste waarden. Standaardisering, open data, het bereiken van een (nieuw) publiek en het respecteren van rechten zijn nieuwe sporen die op dit ogenblik nog onvoldoende ontwikkeld zijn.


Warme samenleving

1.9 Professionalisering van het aanbod

We zien op alle terreinen van de ‘warme samenleving’ een toenemende professionalisering van de sectoren: de evolutie naar deugdelijk bestuur, aandacht voor kwalitatieve opleidingen, een doorgedreven kwaliteitsbeleid met oog voor klantentevredenheid en organisatorische keuzes met betrekking tot schaalgrootte zijn aspecten die dat illustreren. Zo blijkt uit de SCV-survey (2012), die peilt naar de tevredenheid van de Vlaamse bevolking over diverse voorzieningen, dat 83,5% van de Vlaamse bevolking tevreden tot zeer tevreden was over de culturele voorzieningen. De cultuursector investeerde de voorbije jaren dan ook, ten dele gedwongen door de moeilijkere economische situatie, gericht in cultuurmanagement en ondernemerschap. Er is echter een spanning merkbaar tussen de nagestreefde professionalisering en de draagkracht van een organisatie. Die spanning wordt mee gevoed doordat van cultuur en erfgoed, in een context van toenemende economisering, steeds uitdrukkelijker een financiële return wordt verwacht. Ook in de non-profitsector en het vrijwilligerswerk worden nieuwe competenties ontwikkeld. In de jeugdsector is de kloof tussen het specifieke, vaak geprofessionaliseerde jeugdwerk en de vrijwilligersbewegingen echter groot. Bovendien wordt vastgesteld dat het lange termijnengagement en het algemeen engagement bij vrijwilligers verdwijnt. De diverse sectoren moeten rekening houden met de mogelijkheden om meer met kortere en lossere engagementen te werken. Als gevolg van de steeds groter wordende verwachtingen van de sporters over het aanbod en de begeleiding is er ook in de sportsector een mentaliteitswijziging op gang gekomen, die het belang van kwaliteitsvolle en professionele begeleiding bij sportbeoefening in de georganiseerde sport steeds meer erkent. Vooral sportclubs hebben een grote behoefte aan kwaliteitsvolle medewerkers, maar het is niet altijd evident om die te vinden. Daarnaast wordt vastgesteld dat het aantal regulier tewerkgestelden in de sportsector wel toeneemt, maar dat dit maar in beperkte mate het geval is in sportclubs. De vraag van de verschillende sportactoren naar kwaliteit in de begeleiding van sporters en maatregelen die de drempels voor het tewerkstellen van professionele medewerkers in de sportclubs verlagen, is dan ook groot. Verdere professionalisering is evengoed aan de orde in de topsport. Topsportresultaten worden objectief in kaart gebracht via de Vlaamse topsportindex. Aan de hand van top-8-plaatsen en medailles in olympische disciplines op mondiaal niveau is het marktaandeel van Vlaanderen (0,09% van de wereldbevolking) gedaald van 0,35% naar 0,29%. België is in het mondiale landenklassement gezakt van de 43ste naar de 47ste plaats. De performantie van het topsportbeleid in Vlaanderen wordt afgeremd door versnippering op beleidsniveau en op het terrein. Er is dus behoefte aan centralisatie van de volledige uitvoering van het topsportbeleid, waarbij topsporters, coaches en experts zo veel mogelijk worden gecentraliseerd in een beperkt aantal hoogwaardige topsporttrainingscentra. Om niet verder weg te zakken op mondiaal vlak moet Vlaanderen daarnaast de focus leggen op een beperkt aantal topsporttakken en topsporters.


01 / THEMASPECIFIEKE OMGEVINGSANALYSE

In de sectoren van de welzijns- en gezondheidszorg, tot slot, is de tendens naar professionalisering eveneens onmiskenbaar aanwezig. De ontwikkelingen met betrekking tot een modulair en steeds meer intersectoraal uitgebouwd en gesubsidieerd aanbod dwingen daar ook toe. De grote uitdaging daar bestaat erin dat het sterker geprofessionaliseerde aanbod, in de context van een groeiend sociaal ondernemerschap, in balans wordt gebracht met de terechte vraag naar regie over de eigen ondersteuning van diegene die hulp vraagt.

1.10 Internationalisering

Burgers en hun organisaties van over de hele wereld zijn geconnecteerd. De individuele mobiliteit op alle leeftijden en in alsmaar bredere bevolkingsgroepen neemt toe. Buitenlandse producten, diensten, actoren en kennis vinden de weg naar Europa en Vlaanderen. Digitale communicatiemiddelen werken geografische drempels weg. Die internationalisering en globalisering brengen nieuwe ideeën, concepten en tradities naar Vlaanderen. De ontmoeting met het onbekende biedt heel wat mogelijkheden om de eigen inzichten en praktijken te verrijken, te herbronnen of te vernieuwen. Tegelijkertijd kan die confrontatie ook leiden tot angst en onbegrip. Vaak gaat daarmee ook een versterkte interesse voor de eigen cultuur en het eigen verleden gepaard. Die houding is positief als ze leidt tot een grotere bekommering om het sociale en culturele erfgoed, maar het gevaar bestaat ook dat bepaalde gemeenschappen worden uitgesloten. In de geest van de Unesco Conventie voor Culturele Diversiteit (2005) is het belangrijk om aan elke cultuurgemeenschap het recht voor te behouden zijn eigen culturele tradities en expressies te vrijwaren. Internationale organisaties zoals de Europese Unie, de Raad van Europa, de Unesco en de Verenigde Naties hebben de voorbije decennia steeds nadrukkelijker een rol opgenomen in allerhande beleidsvorming, al dan niet bindend van aard, waarvan we de impact tot op het nationale, regionale en soms zelfs lokale niveau ervaren. Het is niet langer mogelijk en nog minder wenselijk om de eigen beleidsontwikkeling los van die internationale tendensen te zien. Integendeel, de Vlaamse beleidsontwikkeling moet enerzijds proactief zijn stem inbrengen in de internationale debatten om er mee richting aan te geven, en anderzijds de internationale ontwikkelingen op de voet volgen om ze naar de Vlaamse context te kunnen vertalen, zoals bij het omzetten van internationale wetgeving.


Warme samenleving

02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

2.1

Algemene ambitie en visie

Het Vlaanderen van 2020 is een warme samenleving die zich kenmerkt door verschillende sleutelelementen. Het is in de eerste plaats een samenleving die een open blik koestert op een wereld in verandering. Een samenleving die garanties biedt voor de sociale en culturele (grond)rechten, en de ontplooiing en activering van de huidige en toekomstige generatie inwoners. Een samenleving waarin iedereen – ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of gezondheidstoestand – samenleeft op grond van gelijkwaardigheid, en dat binnen een gemeenschappelijk kader van normen en waarden, én met respect voor ieders eigenheid. Levenskwaliteit is een andere belangrijke sleutel voor iedere burger, van jong tot oud, in Vlaanderen en Brussel. Daarvoor werken we aan een kwaliteitsvolle omgeving waar zorg, hulp en ondersteuning in de samenleving zijn ingebed. We geloven overigens dat preventie loont bij het vergroten van de kansen op levenskwaliteit. In die warme samenleving worden zowel in het zorg-, jeugd, cultuur- als sportaanbod de basisrechten van iedereen gerespecteerd, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbaren. Een gelijke toegang voor iedereen is het uitgangspunt. Ieders creativiteit wordt daarbij gestimuleerd. Participatie wordt ook hoog in het vaandel gedragen. We gaan voor volwaardige en evenredige participatie van elke burger in een samenleving die kan omgaan met diversiteit, waar discriminatie gebannen is en met voldoende sociale samenhang. We realiseren die aspecten van een warme samenleving samen met de burger, en vertrekken daarbij van zijn krachten en vragen. We werken op een onderbouwde manier en met oog voor duurzaamheid, creativiteit, innovatie en efficiëntie. Samenwerking met alle belanghebbenden, andere beleidsdomeinen en overheden is daarbij cruciaal. Elkaar versterken door te groeien in samenwerking is het motto!


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

2.2 Strategische doelstellingen en beleidsvoorstellen A. De inclusieve en diverse samenleving

SD1. We werken ambitieus en constructief aan een samenleving waarin iedereen – ongeacht herkomst, gender, seksuele geaardheid, leeftijd, handicap of gezondheidstoestand – samenleeft op grond van gelijkwaardigheid, binnen een gemeenschappelijk kader van normen en waarden (vrijheid, gelijkheid, solidariteit, respect en burgerschap), én met respect voor ieders eigenheid. Ons einddoel is een volwaardige en evenredige participatie van elke burger in de samenleving, waaruit alle discriminatie is gebannen, en het creëren van voldoende sociale samenhang in die samenleving.

Beleidsvoorstel 1:

We streven naar een sterk en gecoördineerd transversaal en inclusief integratie- en gelijkekansenbeleid.

Beleidsvoorstel 2:

We streven naar een verticaal en functioneel integratie- en inburgeringsbeleid

a. b. c.

We zorgen voor een behoeftedekkend individueel vormings- en begeleidingsaanbod dat het integratieproces van personen van vreemde herkomst versnelt. We ondersteunen voorzieningen bij het toegankelijk maken van hun dienstverlening zodat personen van vreemde herkomst evenredig en volwaardig kunnen participeren. We werken aan een samenleving die op een positieve manier kan omgaan met de toenemende diversiteit.

Beleidsvoorstel 3:

We streven naar een gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid voor iedereen. Algemeen a. We versterken de Vlaamse monitoring van de gewenste maatschappelijke verandering en voortgang op de gelijkekansenthema’s. Gender als ordeningsmechanisme wegwerken b. We zetten in op het wegwerken van horizontale en verticale maatschappelijke segregatie. c. We werken aan een financieringskader voor een slagkrachtig gendermiddenveld. Seksuele diversiteit d. We bouwen de kennis van de leefsituatie, de specifieke behoeften en het welbevinden van holebi’s en transgenders verder uit. e. We streven naar een verhoging van het welbevinden van holebi’s en transgenders.


Warme samenleving

Toegankelijkheid f. We streven naar de realisatie van integrale toegankelijkheid. g. We realiseren een structurele verankering van het toegankelijkheidsmiddenveld. Handicap h. We stimuleren en ondersteunen de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (IVRPH) met het oog op de realisatie van een inclusieve samenleving. i. We realiseren een structurele beleidsrelatie met het middenveld van personen met een handicap via participatie, advies en regelmatige consultatie en samenwerking. Non-discriminatie en gelijke behandeling j. We versterken de aanpak tegen discriminatie Het Vlaamse beleid met betrekking tot de realisatie van gelijke kansen en gelijke behandeling gaat uit van het gegeven dat burgers in de loop van hun leven kunnen worden geconfronteerd met diverse mechanismen van achterstelling of ongelijkheid die hun volwaardige en gelijkwaardige participatie in het maatschappelijke leven in de weg staan. Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van de Vlaamse overheid om die mechanismen en drempels te traceren, weg te werken of te compenseren en om zo veel mogelijk te voorkomen dat de maatschappelijke problemen die er potentieel mee samenhangen, zich manifesteren. Beleidsmatig moet er daarom gewerkt worden op het niveau van individuen en groepen die met die mechanismen geconfronteerd worden, en op het niveau van de maatschappij en haar burgers. Inhoudelijk focust het beleid zich op de thema’s, vermeld in artikel 6, §2, van het decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid van 20081, en op de thema’s en uitgangspunten van het decreet betreffende het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid van 2013. Het proactieve Vlaamse gelijkekansen- en integratiebeleid gaan gepaard met een gelijkebehandelingsbeleid, waarbij het – juridisch – bestrijden van feitelijke discriminatie wordt opgenomen via onder meer de samenwerking met het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme en de voor de burger nabije werking van de Vlaamse lokale meldpunten discriminatie, die worden ingebed in dat centrum.

Beleidsvoorstel 1: Achterstellings- en uitsluitingsmechanismen doen zich voor op vele terreinen van het maatschappelijke leven. Daarom wordt – zowel vanuit het Vlaamse gelijkekansenbeleid als vanuit het Vlaamse integratiebeleid – beleidsdomeinoverschrijdend of transversaal gewerkt. Uitgangspunt daarbij is dat het om een inclusief beleid gaat, dat maximaal gerealiseerd moet worden binnen het algemene beleid van de verschillende sectoren, vooral via algemene maatregelen en alleen als dat nodig is via een specifiek aanbod.

1

het Vlaamse gelijkekansenbeleid onderneemt daarbij prioritair activiteiten die erop gericht zijn gelijke kansen te bewerkstelligen: 1° ongeacht geslacht; 2° ongeacht seksuele geaardheid; 3° ongeacht handicap of gezondheidstoestand; 4° door de integrale toegankelijkheid te bevorderen van infrastructuur die voor een publiek toegankelijk is; 5° door de integrale toegankelijkheid te bevorderen van informatie die voor een publiek toegankelijk is; 6° ongeacht zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, of etnische of nationale afstamming, geloof of levensbeschouwing; 7° ongeacht leeftijd.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

Het is aangewezen om dat transversaal en inclusief beleid te bestendigen en vooral ook te versterken. Een nauwere samenwerking, beleidscoördinatie en afstemming over de thema’s van het integratiebeleid en de thema’s van het gelijkekansenbeleid dringen zich daarbij op. Concreet wordt in dat verband gepleit dat één minister bevoegd is voor zowel het gelijkekansenbeleid als het integratiebeleid, ten aanzien van de verschillende decretaal vastgelegde thema’s: inburgering en integratie, gender, LGBT (lesbian, gay, bisexual en transgender), integrale toegankelijkheid, handicap en non-discriminatie). In samenspraak met de betrokken (beleids)actoren en stakeholders moet worden gewerkt aan een stappenplan dat streeft naar een beter afgestemde beleidsvoering rond de desbetreffende thema’s en dat voorziet in een structurele afstemming en samenwerking tussen en met betrokken actoren. Tegelijk is het zinvol te bekijken hoe andere transversale thema’s zoals het beleid met betrekking tot de armoedebestrijding, jeugdbeleid en ouderenbeleid door een beter afgestemde aanpak tot een efficiëntere horizontale beleidsaanpak kunnen leiden. Via de weg van beleidsdomeinoverstijgende samenwerking, beïnvloeding, coördinatie, afstemming en samenwerking wordt systematisch aandacht ingebouwd voor de centrale thema’s van dat type van transversaal beleid in de Vlaamse beleidsdomeinen, namelijk integratie, gender, LGBT, integrale toegankelijkheid, handicap, leeftijd. Bovendien worden de betrokken beleidsmakers gestimuleerd en ondersteund bij het nemen van initiatieven die gelijke kansen, participatie en empowerment bevorderen. Essentieel in de komende regeerperiode zijn drie elementen in een dergelijke aanpak:

•• •• ••

er moet een gezamenlijke kader van doelstellingen binnen de Vlaamse Regering worden afgesproken; iedere minister moet verantwoordelijkheid opnemen voor de realisatie van doelstellingen binnen de eigen bevoegdheid; op regelmatige basis moet monitoring, evaluatie en uitwisseling plaatsvinden, zodat de desbetreffende domeinen en partners van elkaar kunnen leren en elkaar kunnen stimuleren bij de uitvoering.

Daarmee zou de Vlaamse Regering tegemoet kunnen komen aan de vaststelling dat er te veel horizontale Vlaamse beleidsplannen zijn, waarbij actieplannen soms meer dan eens worden uitgevoerd en waarbij al met al te weinig aandacht naar cross-sectionele thema’s gaat. Als de aanpak en afstemming beter geïntegreerd worden, kan een dergelijke transversale aanpak een stimulans vormen voor vernieuwende beleidsinzichten met het oog op de betere realisatie van gelijke kansen, participatie en integratie.

Beleidsvoorstel 2: Het integratie- en inburgeringsbeleid moet resulteren in de zelfstandige, evenredige en volwaardige participatie van de personen van vreemde herkomst in alle domeinen van het maatschappelijk leven, in de toegankelijkheid van alle voorzieningen voor die doelgroepen, in actief en gedeeld burgerschap van eenieder en in sociale samenhang. Het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid gaat ervan uit dat de personen van vreemde herkomst én de samenleving en haar voorzieningen samen verantwoordelijk zijn voor een geslaagd integratieproces en het opbouwen van een gedeelde samenleving. Zelfstandige, evenredige en volwaardige participatie van de personen van vreemde herkomst in alle domeinen van


Warme samenleving

het maatschappelijk leven, toegankelijkheid van alle voorzieningen voor die doelgroepen en actief en gedeeld burgerschap van eenieder, in sociale samenhang, vormen het einddoel. In die ambitie slagen vereist aandacht voor coördinatie, afstemming en samenwerking binnen een transversaal en inclusief beleid. Daarnaast is er ook behoefte aan specifiek, categoriaal beleid, gericht op zowel de begeleiding en empowerment van individuele burgers als op ondersteuning van voorzieningen, besturen, verenigingen en de ruimere samenleving in het leren omgaan met migratie en de gevolgen ervan. Dat gebeurt op basis van een gemeenschappelijk kader van waarden en normen.

a.

We voorzien in een behoeftedekkend individueel vormings- en begeleidingsaanbod op maat dat het integratieproces van personen van vreemde herkomst versnelt. Dat aanbod moet nog meer dan voorheen inhoudelijk gediversifieerd zijn, organisatorisch zo flexibel mogelijk worden aangeboden en maximaal worden bekendgemaakt en gepromoot. Dat moet nieuwkomers voldoende kansen bieden om hun weg te vinden in onze samenleving en zo hun integratieproces te versnellen. Voor andere personen van vreemde herkomst is een intensief inburgeringstraject doorgaans minder aangewezen. Ze kunnen wel baat hebben bij bepaalde vormingsactiviteiten of bij een specifieke begeleiding. Daarom moeten we ook voorzien in een aangepast vormings- en begeleidingsaanbod voor specifieke doelgroepen. Daarbij moet maximaal samengewerkt worden met voorzieningen die al begeleiding aanbieden aan die personen om zo een reële meerwaarde te bieden ten aanzien van het bestaande aanbod van de reguliere voorzieningen.

b.

We ondersteunen voorzieningen bij het toegankelijk maken van hun dienstverlening zodat personen van vreemde herkomst evenredig en volwaardig kunnen participeren. Om de doelstellingen van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid te realiseren, volstaat het niet om de doelgroepen zelf te versterken. De aandacht voor de doelgroepen moet geplaatst worden in een ruimer toegankelijkheidsbeleid en deel uitmaken van een kwaliteitsvolle dienstverlening voor alle burgers. Dat veronderstelt een doordachte visie op de wijze waarop personen van vreemde herkomst gelijke toegang krijgen tot voorzieningen en hun dienstverlening. Toegankelijk maken van voorzieningen gaat ook over taal en taalbeleid. Uitgangspunt daarbij is dat kennis van het Nederlands weliswaar een basisvoorwaarde is om werkelijk te integreren, om echt deel uit te maken van de samenleving, maar dat taal niet alleen een voorwaarde is voor, maar ook een middel tot participatie en integratie. Het Vlaamse integratiebeleid moet verder inzetten op het ondersteunen, stimuleren en begeleiden van organisaties, voorzieningen en besturen bij het toegankelijker maken van hun aanbod voor personen van vreemde herkomst.

c.

We werken aan een samenleving die op een positieve manier kan omgaan met de toenemende diversiteit. Om de doelstellingen van het Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid te realiseren, moet er niet alleen aandacht gaan naar de doelgroepen en naar de voorzieningen, maar ook naar de ruimere samenleving, het ‘samen leven’ in diversiteit. Dat houdt in dat het Vlaamse integratiebeleid ook initiatieven moet nemen om tot een samenleving te komen waarin iedereen, ongeacht zijn of haar herkomst en uitgaande van wederzijds respect, met elkaar ‘samen leeft’ en het burgerschap deelt, om de bevolking actief en correct te informeren over de feitelijke diversiteit in de samenleving, te stimuleren en te ondersteunen, om samenlevingsvraagstukken te voorkomen, te detecteren, bespreekbaar te maken en op te lossen.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 3: Naast het belang van een gecoördineerd, afgestemd en versterkt transversaal gelijkekansenbeleid in Vlaanderen via de open coördinatiemethode (OCM), zet Vlaanderen in op een verticaal-functioneel gelijkekansenbeleid, met afgestemde prioriteiten en middelen. Dat behelst onder meer:

•• •• ••

de ontwikkeling van – wetenschappelijk onderbouwde – expertise en monitoring via het Steunpunt Gelijkekansenbeleid; de ontwikkeling van methodieken en instrumenten als stimulans voor – en ter ondersteuning van – de beleidsdomeinen en sectoren bij hun werking rond gelijke kansen; de sensibilisering van de brede bevolking via het verspreiden van informatie en via campagnes.

Algemeen

a.

We versterken de Vlaamse monitoring van de gewenste maatschappelijke verandering en voortgang op de gelijkekansenthema’s. Er is behoefte aan indicatoren die de vooruitgang (positie, participatie, beeldvorming enzovoort) op diverse maatschappelijke domeinen van diverse groepen en aspecten van het gelijkekansenbeleid meet. In dat verband gaat het om de verdere ontwikkeling en consolidatie van een en ander in bevattelijke sets van indicatoren, in samenwerking met de Studiedienst van de Vlaamse Regering.

Gender als ordeningsmechanisme wegwerken Vrouwen en mannen bewust maken van gendermechanismen, hen een ‘genderklik’ laten maken, is een belangrijke voorwaarde om de genderonevenwichten weg te werken. De focus ligt op de onderstaande aspecten:

b.

c.

We zetten in op het wegwerken van horizontale en verticale maatschappelijke segregatie. Bijvoorbeeld in het onderwijs en op de arbeidsmarkt manifesteren zich ongelijkheden tussen vrouwen en mannen. De loopbaankloof is er nog steeds, zowel verticaal (vrouwen zijn ondervertegenwoordigd op hogere posities) als horizontaal (vrouwen en mannen zijn onder- of oververtegenwoordigd in bepaalde sectoren). Het Vlaamse gelijkekansenbeleid stimuleert en ondersteunt initiatieven die een betere balans in de verdeling van verantwoordelijkheden in de privé-, zorg- en werksfeer nastreven, onder meer via sensibiliseringscampagnes die stereotiepe beeldvorming doorbreken. We werken aan een financieringskader voor een slagkrachtig gendermiddenveld. De hervorming van het gendermiddenveld die in de legislatuur 2009-2014 werd voorbereid, moet in de periode 2014-2019 leiden tot een nieuw kader dat beleid en middenveld in staat stelt performanter te werken aan een maatschappij zonder genderonevenwichten.

Seksuele diversiteit Vanuit het Vlaamse gelijkekansenbeleid wordt verder gewerkt aan het bewerkstelligen van een maatschappij waarin respect is voor iedereen, ongeacht zijn of haar seksuele identiteit.

d.

We bouwen de kennis van de leefsituatie, de specifieke behoeften en het welbevinden van holebi’s en transgenders verder uit. Er is behoefte aan meer inzichten in de situatie van holebi’s en transgenders, in de oorzaken van de


Warme samenleving

e.

weerstanden tegen gender en seksuele diversiteit, en in de mogelijke oplossingen via het verzamelen van statistisch materiaal en beleidsgericht onderzoek. We streven naar een verhoging van het welbevinden van holebi’s en transgenders. Die verhoging van het welbevinden van holebi’s en transgenders wordt via drie sporen uitgebouwd: •• het informeren en empoweren van holebi’s en transgenders; •• het sensibiliseren en informeren van de brede maatschappij met het oog op het wegwerken van weerstanden; •• het aanpakken van concrete belemmeringen in diverse Vlaamse beleidsdomeinen.

Toegankelijkheid Integrale toegankelijkheid en universal design in de fysieke en immateriële (leef)omgeving zijn cruciaal voor de realisatie van een inclusieve samenleving waarin mensen een actief en zo autonoom mogelijk sociaal en economisch leven kunnen leiden.

f.

g.

We streven naar de realisatie van integrale toegankelijkheid in alle levensdomeinen. Het voldoen aan de door het IVRPH gestelde verwachtingen en eisen ten aanzien van de ontwikkeling van een integraal toegankelijke omgeving vormt de belangrijkste uitdaging. Dat betekent dat alle burgers, in het bijzonder personen met een handicap en ouderen, dankzij een betere inrichting van de publieke ruimte en een beter ontwerp van publieke en private gebouwen, gelijkwaardige toegang hebben. Het subsidiebeleid van de Vlaamse overheid kan als hefboom dienen voor de daadwerkelijke realisatie van een integraal toegankelijke samenleving. Een belangrijke ambitie bestaat erin om ook bestaande gebouwen met een publiek karakter in Vlaanderen te conformeren aan de vereisten inzake toegankelijkheid. Een meer eenvoudige en eenduidige communicatie en informatieverstrekking moeten leiden tot gelijke toegang tot informatie, communicatie en elektronische diensten. We realiseren een structurele verankering van het toegankelijkheidsmiddenveld. In de voorbije legislatuur werden belangrijke stappen ondernomen in de stroomlijning en versterking van het toegankelijkheidsbeleid en het verbonden middenveld. In het nieuw opgerichte verzelfstandigd agentschap werd de aanwezige toegankelijkheidsexpertise samengebracht. Diezelfde expertise inzetten in de diverse Vlaamse beleidsdomeinen vormt de uitdaging voor het begin van de komende regeerperiode.

Handicap

h.

We stimuleren en ondersteunen de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (IVRPH) met het oog op de realisatie van een inclusieve samenleving. Als Vlaanderen de ambitie die ze geformuleerd heeft door de ratificatie van het VN-verdrag progressief wil realiseren en de facto dus ook de uitgangspunten van een toegankelijke en inclusieve samenleving als handelingskader aanneemt, heeft dat tal van consequenties in alle beleidsdomeinen. De komende bestuursperiode zal de uitvoering van dat verdrag op een meer ambitieuze manier moeten worden ontplooid via de ontwikkeling van een duidelijk masterplan voor inclusie, gekoppeld aan een concrete monitoring van de voortgang van de uitvoering van het IVRPH.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

i.

We realiseren een structurele beleidsrelatie met het middenveld van personen met een handicap via participatie, advies en regelmatige consultatie en samenwerking. Het IVRPH stelt dat het beleid dat (direct of indirect) raakt aan de positie van personen met een handicap, maar tot stand kan komen voor zover er bij de ontwikkeling en uitvoering ervan ook rekening wordt gehouden met de standpunten en inzichten van mensen met een beperking. Vlaanderen heeft dat uitgangsprincipe van ‘niets over ons zonder ons’ onderschreven en maakt werk van een goede beleidssamenwerking met het advies- en beleidsparticipatieorgaan op Vlaams niveau, waarin de mensen met een beperking gesprekspartner zijn van de Vlaamse overheid.

Non-discriminatie en gelijke behandeling Het gelijkekansen- en gelijkebehandelingsdecreet biedt een juridisch kader voor de bestrijding van discriminaties en geeft daarbij gevolg aan vier Europese richtlijnen inzake non-discriminatie. In 2013 heeft de Vlaamse Regering een samenwerkingsakkoord gesloten met de andere gewesten en gemeenschappen en de federale overheid voor de gezamenlijke oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme. Dat onafhankelijk gelijkheidsorgaan gaat van start in 2014 en kan in rechte optreden en discriminatie ook binnen Vlaamse bevoegdheden bestrijden. We stellen - omwille van duidelijkheid, laagdrempeligheid, kracht van optreden en eenvormigheid – voor dat de discriminatiegrond geslacht eveneens wordt opgenomen in de opdrachten van het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme. De Vlaamse regering kan bij het begin van de nieuwe regeerperiode daartoe een voorstel voor addendum bij het samenwerkingsakkoord opstellen.

j.

We versterken de aanpak tegen discriminatie. Het Vlaamse non-discriminatiebeleid zal ervoor ijveren om een non-discriminatiereflex te integreren in de reguliere beleidsvoering van alle Vlaamse departementen. Daarbij zal zowel op een beleidsmatige als een meer juridische benadering gewerkt worden. Het Interfederaal Centrum en de Meldpunten zijn belangrijke partners bij dat beleid.

B. De zorgzame samenleving

SD1. Om mensen te versterken in hun fysiek, psychisch en sociaal welbevinden zetten we resoluut en primair in op preventie van welzijns- en gezondheidsproblemen, en op het snel inspelen op acute noden.

Beleidsvoorstel 1:

We prioriteren het preventieve welzijns- en gezondheidsbeleid op basis van objectiveerbare behoeften, op evidentie gebaseerde methodieken en gezondheidseconomische afwegingen, in de eerste plaats via gezondheidsdoelstellingen en het versterken van de eerstelijnshulp, met inbegrip van het aanbod geestelijke gezondheidszorg.


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 2:

We zetten in op een maximale gezondheidswinst door, via een beleid van ‘health in all policies’, actief verschillende maatschappelijke sectoren (facettenbeleid) en beleidsdomeinen in te schakelen. We betrekken in het bijzonder de lokale besturen en, voor het realiseren van een gezondheidsbevorderende werkomgeving, de sociale partners en organisaties die bedrijven ondersteunen, de media en de gezinnen.

Beleidsvoorstel 1: Dit eerste strategische beleidsvoorstel wil gezondheidswinst op populatieniveau realiseren door een doelmatig en planmatig preventief beleid. Dat impliceert het formuleren, uitvoeren, monitoren, evalueren en, indien nodig, herzien van de Vlaamse gezondheidsdoelinstellingen inzake preventie. Meer in het bijzonder gaat het om:

•• •• •• •• •• ••

het versterken van het zelfzorgvermogen van de burgers door sensibilisatie, educatie en begeleiding; het besteden van extra aandacht aan groepen met bijzondere behoeften zoals personen met een lagere sociaal-economische status; het organiseren van doelmatig bevolkingsonderzoek, bijvoorbeeld bij de pasgeborenen en met betrekking tot kanker; andere initiatieven voor vroegdetectie en vroeginterventie, bijvoorbeeld op het vlak van eetstoornissen, geestelijke gezondheid, alcohol en drugs; vroegdetectie en vroeginterventie op populatieniveau in de strijd tegen uitbraken met multidrugresistente organismen (MDRO’s) in zorginstellingen; het onderzoeken van de gevolgen van de ontwikkelingen en mogelijkheden op het vlak van menselijke erfelijkheid, predictieve gezondheidszorg en geïndividualiseerde preventie en zorg.

Ook het algemeen welzijnswerk heeft een belangrijke preventieve opdracht, namelijk de instroom van hulpvragen naar de zwaardere zorgsectoren afremmen. Capaciteitsproblemen in het huidige onthaalaanbod verhinderen een kwaliteitsvolle uitvoering van die opdracht. Prioritair moet worden ingezet op een kwalitatief laagdrempelig jongerenonthaal, op een aanbod voor volwassen personen met psychische problemen en voor personen met relationele moeilijkheden. Voor de geestelijke gezondheidszorg heeft de eerstelijnspsychologische functie als doel om de ambulante geestelijke gezondheidszorg te versterken. Die functie ondersteunt personen met lichte psychische problemen door het vergroten van hun draagkracht. Maar even goed biedt de eerstelijnspsychologische functie aan mensen met psychische problemen de kans om langer in hun thuismilieu te verblijven. De eerstelijnspsychologische functie moet worden uitgebreid binnen een netwerkaanpak geestelijke gezondheidszorg zodat het principe van getrapte zorgverlening kan worden toegepast, namelijk minimale zorg als dat mogelijk is, en maximale zorg (via doorverwijzing naar meer gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg) als dat nodig is. We brengen ook zorgnetwerken en zorgcircuits voor geestelijke gezondheidszorg tot stand om de continuïteit te garanderen voor de gebruikers en om flexibeler om te gaan met wisselende zorgbehoeften. Bijzondere aandacht is nodig voor een versterking van het aanbod inzake forensische geestelijke gezondheidszorg en andere specifieke doelgroepen, zoals minderjarigen met een complexe problematiek, personen met een psychische of gedragsproblematiek en personen met een verstandelijke handicap. De lopende proefprojecten met betrekking tot zorgcircuits en -netwerken geestelijke gezondheidszorg voor


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

volwassenen (zie artikel 107 van de ziekenhuiswetgeving) moeten gecontinueerd, geëvalueerd en, indien nodig, bijgestuurd worden. Het bestaande aanbod inzake preventie, vroegdetectie en -interventie en ambulante behandeling moet versterkt worden.

Beleidsvoorstel 2: De inbreng van diverse sectoren en beleidsdomeinen is essentieel omdat de gezondheidsbedreigingen evolueren van acuut naar chronisch, van monocausaal naar multifactorieel en van somatisch naar psychosociaal(-economisch). Meer concreet betekent dat:

•• •• •• ••

werken aan een facettenbeleid waarin diverse maatschappelijke sectoren een bijdrage leveren tot het realiseren van gezondheidswinst (health in all policies), zoals is opgenomen in het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid. Alle Vlaamse ministers en Vlaamse agentschappen werken aan een geïntegreerd beleid als dat een meerwaarde heeft; samenwerken met andere overheden op verschillende niveaus, waarbij volgens het subsidiariteitsprincipe, extra wordt ingezet op het versterken van het lokale niveau; overleggen met de sociale partners over een gezondheidsbevorderende werkomgeving en bedrijven daarin ondersteunen; uittekenen van mogelijke preventiestrategieën en prioritaire acties rond milieugerelateerde aandoeningen.

SD2. Om tegemoet te komen aan de diverse welzijns-, gezondheids- en zorgbehoeften van mensen, bedden we de zorg verder in de samenleving in en investeren we in een aanpak op maat van de individuele behoeften.

Beleidsvoorstel 1:

We actualiseren en realiseren het Perspectiefplan 2020. We realiseren de basisdoelstellingen (zorggarantie voor wie de grootste behoeften heeft en autonomie voor de personen met een handicap), in eerste instantie door het invoeren van een persoonsvolgende financiering.

Beleidsvoorstel 2:

We realiseren het actieplan jeugdhulp zodat de jeugdhulp maximaal vertrekt van de krachten van jongeren en passende hulp kan worden geboden: rechtstreeks toegankelijk als het kan, niet-rechtstreeks toegankelijk als dat nodig is.

Beleidsvoorstel 3:

We bouwen de Huizen van het Kind uit tot volwaardige basisvoorzieningen voor alle (aanstaande) gezinnen met kinderen, op basis van een sterke lokale samenwerking tussen de partners op het vlak van preventieve gezinsondersteuning.


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 4:

We organiseren het thuiszorgaanbod cliëntgericht (maximumfactuur, inkomensgerelateerde bijdrage), met de behoeften en de autonomieversterking van de zorgbehoevende als centraal aandachtspunt.

Beleidsvoorstel 5:

We voorkomen en bestrijden armoede, met bijzondere aandacht voor een transitie in de aanpak van kinderarmoede en voor het wegwerken van gezondheidsongelijkheid.

Beleidsvoorstel 1: Diverse strategische projecten en acties moeten gerealiseerd worden om de doelstellingen van het Perspectiefplan 2020 te bereiken. De verdere uitbreiding van de ondersteuningscapaciteit in de sector voor personen met een handicap én de andere welzijnssectoren is een van de randvoorwaarden voor het welslagen van de zorgvernieuwing. Daarenboven moet het Perspectiefplan 2020 geflankeerd worden door aandacht voor een inclusief beleid vanuit andere sectoren, zowel binnen het eigen beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin als binnen andere beleidsdomeinen. Het meest ingrijpende en centrale project van Perspectiefplan 2020 is de invoering van de persoonsvolgende financiering. De invoering van die financiering impliceert de ontwikkeling van een gevalideerd inschalingsinstrument op basis waarvan budgetten objectief kunnen worden berekend. De contouren van de zorgregie moeten worden aangepast en om de overstap te maken van het huidige aanbod naar de nieuwe financieringsvorm moet voor de bestaande capaciteit een tussenkader gecreëerd worden. Voor minderjarigen zal dat verlopen via de multifunctionele centra, voor de meerderjarigen via het flexibel aanbod. Ten slotte moet er ook voor de bestaande PAB-regelgeving een transitietraject worden opgezet.

Beleidsvoorstel 2: De jeugdhulp staat voor belangrijke uitdagingen om kinderen en jongeren kwaliteitsvol te blijven ondersteunen. Voortbouwend op verschillende recente regelgevende initiatieven (integrale jeugdhulp, pleegzorg, preventieve gezinsondersteuning, persoonsvolgende financiering …) en de ambitie van de StatenGeneraal Jeugdhulp om te evolueren naar één jeugdhulp, worden een aantal actielijnen gebundeld in één actieplan voor de jeugdhulp. We maken onder andere werk van:

•• •• •• ••

een uitbreiding van het aanbod: we investeren weloverwogen in het aanbod dat prioritair het meeste aandacht verdient, namelijk verblijf voor jonge kinderen, gecombineerd aanbod voor complexe problematieken en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp; een cliëntenforum voor de jeugdhulp: met dit forum voorzien we in financiële en inhoudelijke ondersteuning van de cliëntvertegenwoordigers zodat ze kunnen participeren aan de besluitvorming op beleidsniveau, zoals is vastgelegd in het decreet Integrale Jeugdhulp; een afgestemd financieringsmodel voor alle jeugdhulpaanbieders zodat jeugdhulpmodules ook subsidietechnisch gecombineerd kunnen worden. Dat impliceert tevens een rationalisatie van de gebruikersbijdragen, die in de verschillende sectoren anders ingevuld worden; de versterking van het regioniveau: de behoeften aan jeugdhulp verschillen van regio tot regio.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

•• ••

Door het regioniveau te responsabiliseren, kunnen we gerichter werk maken van de afstemming tussen vraag en aanbod; een afgestemd systeem van kwaliteitsbewaking en -rapportage: we stroomlijnen de verschillende sectorale initiatieven van kwaliteitszorg en integreren de bestaande sectorale steunpunten zodat er één knooppunt voor expertiseontwikkeling en -deling ontstaat; gegevensdeling tussen de sectoren onderling en monitoring over de sectoren heen, zodat we op termijn een duidelijk beeld krijgen van de kinderen en jongeren die een beroep doen op jeugdhulp en de trajecten die ze in de jeugdhulp doorlopen.

Beleidsvoorstel 3: Het decreet van 29 januari 2014 houdende de organisatie van preventieve gezinsondersteuning ondersteunt vanaf 2014 de uitbouw van de Huizen van het Kind. Om ze te laten uitgroeien tot volwaardige basisvoorzieningen moeten tal van partners en het ondersteuningsaanbod samengebracht worden opdat elke ouder en elk kind met elke vraag of ondersteuningsbehoefte terecht kan in een Huis van het Kind dicht in de buurt.

Beleidsvoorstel 4: Om de thuiszorg betaalbaar te houden voeren we een transparante en automatisch berekende gebruikersbijdrage voor de gezinszorg in. Die moet gekoppeld worden aan het inkomen en de gezinssamenstelling. De implementatie van een maximumfactuur voor de thuiszorg en een goede coördinatie van de zorg moeten ervoor zorgen dat zelfs complexe zorgsituaties in het natuurlijke thuismilieu haalbaar en betaalbaar blijven.

Beleidsvoorstel 5: Een integrale systeemaanpak is vereist om armoede, en kinderarmoede in het bijzonder, een forse halt toe te roepen. In de eerste plaats omvat dat een verregaande afstemming en coördinatie binnen de Vlaamse overheid en tussen de overheden (Vlaams, federaal, lokaal, Europees), vertrekkend vanuit een progressief universalistisch tweegeneratiebeleid dat focust op kinderen van 0 tot 3 jaar en toekomstige ouders. De huidige maatregelen in de strijd tegen armoede blijven eveneens relevant, maar ze zijn onvoldoende om de streefcijfers te halen. Het gaat onder andere om het automatisch toekennen van rechten, het inbouwen van een armoedetoets in de regelgeving, de inzet op preventieve gezinsondersteuning, het realiseren van een warme overgang tussen opvang en onderwijs, en het projectmatig stimuleren van lokale actoren om integrale netwerken te vormen. Om een effectieve langetermijnaanpak mogelijk te maken, moeten die maatregelen gecombineerd worden met de vermelde integrale systeemaanpak en met een structurele ondersteuning van de lokale besturen. Die partner is immers het best geplaatst om in de strijd tegen kinderarmoede dicht bij de burger de regierol voor het tot stand brengen van lokale netwerken op te nemen. De Vlaamse beleidsdomeinen leverden, onder andere via een doorgedreven doelgroepenbeleid, forse inspanningen om de levensverwachtingen en -omstandigheden van de Vlaming te handhaven en te verbeteren. Niettemin blijft een gradiënt in gezondheid en overlijden overeind. Die vaststelling vraagt om


Warme samenleving

een geïntegreerd beleid om de levensverwachtingen in goede gezondheid voor iedere burger te verhogen en om de ongelijkheden tussen hoger- en lageropgeleiden weg te werken. Dat vereist een ‘all-of-government’aanpak, dat is een aanpak die zich niet tot de allerarmsten beperkt, maar de volledige bestaande gradiënt als scope neemt. Om dat concreet vorm te geven moet een gemandateerd projectteam op hoog niveau worden samengesteld. Dat projectteam zal in de eerste plaats doorgedreven informatie moeten verzamelen zodat een efficiënte coördinatie en samenwerking mogelijk is.

SD3. Om de, toenemend complexe, zorgvragen efficiënt te kunnen beantwoorden, werken we resultaatgericht samen met andere beleidsdomeinen en bestuursniveaus.

Beleidsvoorstel 1:

We zetten maximaal in op samenwerking met andere beleidsdomeinen en andere bestuursniveaus. We doen dat minstens voor: a. het realiseren van een structureel kader voor een aanbod van arbeidsmatige activiteiten onder begeleiding in combinatie met de nodige zorg via het decreet werk-zorg; b. het stapsgewijs versterken van de samenwerking op het terrein tussen de woon- en welzijnsactoren, met bijzondere aandacht voor het wegwerken van dak- en thuisloosheid;

Beleidsvoorstel 2:

We zorgen voor kwaliteitsvolle kinderopvang zoals vastgelegd in het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters, en we bouwen aan een kwaliteitsvolle en op de leefwereld van schoolkinderen afgestemde opvang, vanuit een sterke samenwerking tussen alle belanghebbenden op het vlak van opvang en vrije tijd van schoolkinderen.

Beleidsvoorstel 1: Op een aantal terreinen veronderstelt het halen van resultaten een beleidsdomeinoverschrijdende aanpak.

a.

We geven uitvoering aan het decreet werk-zorg in Vlaanderen en Brussel, meer bepaald aan de tijdelijke activeringstrajecten en de trajecten maatschappelijke oriëntatie, alsook aan een aanbod van arbeidsmatige activiteiten onder begeleiding in combinatie met de nodige welzijnsen zorgbegeleiding, beter bekend als arbeidszorg. Door deze uitwerking geven we invulling aan de twee middelste “treden van de participatieladder”, waardoor we zorgen voor een continuüm tussen welzijns- en zorgbegeleiding en betaald werk zonder ondersteuning.

b.

Voortbouwend op het bestaande afsprakenkader tussen de beleidsdomeinen Welzijn, Volksgezondheid en Gezin enerzijds, en Ruimtelijke ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed anderzijds, moet de samenwerking tussen wonen en welzijn op drie vlakken worden versterkt: door het bundelen van de krachten op die domeinen waar zorg en wonen elkaar raken (onder meer preventieve woonbegeleiding en het valideren van de 11 lopende regelluwe projecten wonenwelzijn), door het bestrijden van de dak- en thuisloosheid, en door het uitwerken van richtlijnen en normen voor het realiseren van flexibele en multifunctionele gemeenschapsinfrastructuur.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

Het valideren van de 11 regelluwe projecten wonen-welzijn moet de samenwerking op het terrein tussen de woon- en zorgpartners sturen op basis van een aantal in de regelgeving te verankeren beleidsbesluiten, in elk geval met betrekking tot de methodiek “proefwonen”. Dak- en thuisloosheid is een complexe problematiek. Een effectieve aanpak houdt twee componenten in: een geïntegreerd globaal actieplan dat de inspanningen van elk beleidsniveau en elke betrokken actor benoemt en op elkaar afstemt enerzijds, en daarop geënte lokale actiestrategieën anderzijds. Concreet betekent dat het afsluiten van een partnerschap tussen de Vlaamse overheid, de Vlaamse provincies, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). Dat partnerschap moet zorgen voor de totstandkoming en de aansturing van het globaal actieplan. Daarnaast is een samenwerkingsprotocol tussen de Vlaamse overheid, de VVSG en de federatie van de CAW’s aangewezen om op lokaal niveau concrete overleg- en samenwerkingsafspraken te maken en uit te voeren. Cruciaal blijven in dat verband het prioritair huisvesten van daklozen en een dekkend aanbod van woonbegeleiding om uithuiszetting te voorkomen. Dat houdt in dat de helft van de 12 000 thuislozen moet kunnen doorstromen naar sociale woningen, voor zover die voor hen toegankelijk zijn. Nog eens een vierde moet via een traject begeleid wonen de noodzakelijke vaardigheden om zelfstandig te wonen aangeleerd krijgen. De opstart van een lokaal zorgoverleg met daarin welzijns- en gezondheidsorganisaties, de lokale besturen en de sociale huisvestingsactoren, moet dat in goede banen leiden. De gelijktijdige, maar sterk over de tijd fluctuerende vergroening, verkleuring en verzilvering (toename van het aantal 80-plussers) in Vlaanderen dwingen tot structurele oplossingen op het vlak van fysieke voorzieningen (bouw van scholen, ouderenvoorzieningen …). Wat vandaag aan infrastructuur nodig is voor bepaalde doelgroepen, is over tien jaar mogelijk overbodig. Evolueren naar aanpasbare, combineerbare en multi-inzetbare infrastructuur kan daarbij een belangrijke meerwaarde bieden. Met het eindrapport Aanpasbare, combineerbare en multi-inzetbare infrastructuur in centrumsteden: uitdagingen en knelpunten voor het beleid komt er een inventaris van de bestaande normen en richtlijnen met betrekking tot gemeenschapsinfrastructuur in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Op die basis kan er afstemming gerealiseerd worden, ook met andere entiteiten die gemeenschapsinfrastructuur subsidiëren (AGION, VIPA, CJSM en VMSW).

Beleidsvoorstel 2: De doelstelling om stap voor stap voldoende, kwaliteitsvolle kinderopvang te realiseren die voor iedereen toegankelijk is, vormt de basis voor het decreet houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters. Het decreet en de vergunningsvoorwaarden maken het kinderopvanglandschap transparanter en dragen bij tot dezelfde basiskwaliteit in heel de sector. Het voortzetten van de transitie in de kinderopvang wordt ook voor de volgende legislatuur een belangrijk strategisch beleidsvoorstel. Om de doelstellingen van het nieuwe decreet te realiseren zullen onder meer extra middelen nodig zijn voor de uitbreiding van het aantal plaatsen (waaronder de plaatsen met inkomenstarief en die met specifieke opdrachten) en voor gelijkschakeling van subsidiebedragen. Met een beter kwaliteitsbeleid en meer pedagogische ondersteuning willen we de sector inhoudelijk versterken. Om gezinnen kwaliteitsvolle kinderopvang te kunnen bieden is een volgehouden investering


Warme samenleving

nodig in het verbeteren van de competenties van medewerkers (onder meer via kwalificerende trajecten) en het verlagen van het aantal kinderen per begeleider. Tegelijkertijd moet er oog zijn voor de financiële leefbaarheid van de organisatoren van kinderopvang, zodat ze in staat zijn om gezinnen te midden van alle veranderingen continuïteit te bieden. De verdere uitbreiding van het kinderopvangaanbod en de brede invoering van de kinderopvangzoeker moeten er samen met de versterking van de lokale loketten kinderopvang voor zorgen dat ouders eenvoudiger en sneller opvang vinden. Door het inhoudelijk en financieel versterken van kinderopvang die gericht is op kwetsbare gezinnen, en via kinderopvang voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte, creëert het nieuwe decreet ook ruimte voor kinderopvang die maatschappelijk het verschil maakt. Gezinnen doen in toenemende mate een beroep op buitenschoolse en vakantieopvang. Met plaats voor maar elf op de honderd schoolkinderen is het formele opvangaanbod binnen welzijn ontoereikend. Dat aanbod fors uitbreiden is niet betaalbaar. Gezien de diverse vraag wordt overigens best onderzocht hoe het aanbod het best afgestemd kan worden op de verschillende opvangvragen. Maar net in die diversiteit ligt een belangrijke piste om zo veel mogelijk schoolkinderen op een kwaliteitsvolle manier van opvang te laten genieten: via samenwerking tussen welzijn, onderwijs, jeugd, sport en cultuur is een nieuwe visie op de opvang van schoolkinderen mogelijk. Op basis van de resultaten en de beleidsaanbevelingen van de Staten-Generaal buitenschoolse kinderopvang willen we komen tot een nieuwe visie op de buitenschoolse opvang, waarbinnen de bevoegdheden op het vlak van regie en organisatie duidelijk worden toegewezen. Daarbij zal onderzocht worden of uitbreiding van het aanbod nodig is en volgens welk groeipad dat eventueel gerealiseerd kan worden.

SD4. Om de zorg efficiënt en effectief te kunnen inzetten, maken we een sociaal ondernemen mogelijk dat een flexibele inzet van middelen paart aan een beleidsgerichte verantwoording ervan.

Beleidsvoorstel 1:

Met het oog op cliëntgerichte zorg optimaliseren we de operationele en beleidsgerichte informatie-uitwisseling, met het decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg als basis.

Beleidsvoorstel 2:

We formuleren een kader waarbinnen voorzieningen eigenaarschap voor deugdelijk bestuur en sociale innovatie kunnen opnemen, met duidelijke afspraken over een gerichte verantwoording ten opzichte van de overheid.

Beleidsvoorstel 1: Met de visietekst (e)Zorgzaam Vlaanderen. Gegevensdeling in de zorg- en welzijnssector leverden de belanghebbenden in de zorg, onder impuls van Flanders’ Care, een duidelijk kader om in Vlaanderen werk te maken van meer informatisering in de zorg. Die informatisering laat de zorgverleners toe om


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

gegevens over hun zorggebruikers beter met elkaar te delen, stroomlijnt het gegevensverkeer tussen de zorgvoorzieningen en de zorgoverheden, en vermindert de administratieve lasten van de zorggebruikers, bijvoorbeeld door tegemoetkomingen automatisch toe te kennen. De visietekst leidde tot een actieplan van de administratie dat nu volop uitgevoerd wordt, maar ook tot een decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg. De voornaamste aandachtspunten bij de uitvoering van dat decreet zijn:

•• •• •• ••

de oprichting van een agentschap waarbinnen de belanghebbenden in de zorg de operationele gegevensdeling concreet vorm kunnen geven; de maximale aansluiting bij het eHealth-platform en de verdere uitbouw van Vitalink; het faciliteren van de gegevensdeling op het terrein en het informeren en sensibiliseren van de zorgverleners en de zorggebruikers; het eventuele gebruik van de data uit het operationele netwerk om met respect voor de privacy beleidsrelevante kennis op te bouwen.

Beleidsvoorstel 2: In Vlaanderen gaan erg veel overheidsmiddelen naar de zorg. Hoe die middelen concreet besteed worden, hangt in grote mate af van keuzes die de zorgondernemers maken. Ze zijn in die materie immers sterk geresponsabiliseerd. In plaats van lonen, prestaties, infrastructuur enzovoort te subsidiëren, werd er bijvoorbeeld steeds meer gekozen voor vormen van enveloppefinanciering. Die laat de zorgondernemers toe hun organisatie op de meest performante wijze vorm te geven. Ze kunnen bovendien met enige vrijheid innoveren en inspelen op nieuwe behoeften en contexten. Daartegenover staat dat de zorgondernemers verantwoording moeten afleggen over de wijze waarop de overheidsmiddelen (al dan niet) gebruikt werden. Op dat vlak ontbreekt het aan een duidelijk, transparant en uniform kader. Het is niet altijd duidelijk welke zorg er met de overheidsmiddelen aangeboden wordt, hoeveel zorggebruikers bereikt worden, welke bijdragen ze eventueel zelf moeten betalen, hoeveel werknemers er betaald worden (en wat ze precies verdienen) … Verder is het niet altijd duidelijk wat de effecten van de zorg zijn. Levert de gesubsidieerde zorg de verwachte resultaten of niet? En wat gebeurt er met de middelen die op het einde van het jaar overblijven? Worden die belegd en, als dat het geval is, waarin worden ze belegd? Worden ze geïnvesteerd in infrastructuur of in niet-gesubsidieerde zorg, of worden ze doorgestort, verdeeld …? De overheid kan uiteraard gebruikmaken van publieke jaarrekeningen, (financiële) jaarverslagen en beleidsplannen. Maar die volstaan niet altijd om de vraag van de belastingbetaler waar zijn geld naartoe gaat, goed te kunnen beantwoorden. Dat vraagt, in dialoog met de representatieve organisaties, de uitwerking van een transparant kader.


Warme samenleving

SD5. We sturen, stimuleren en ondersteunen de welzijns- en gezondheidsactoren zodat ze kwaliteitsvolle zorg bieden.

Beleidsvoorstel 1:

We ontwikkelen voor Zorginspectie een uniform juridisch kader voor de uitoefening van het inspectietoezicht en we realiseren in samenwerking met de zorgvoorzieningen en zorgverstrekkers een veralgemeende registratie van kwaliteitsindicatoren, waarvan de resultaten gericht publiek kunnen worden gemaakt.

Beleidsvoorstel 1: De Vlaamse overheid draagt binnen het domein van de zorg- en hulpverlening de eindverantwoordelijkheid voor een kwaliteitsvol toezicht op toegankelijke, betaalbare en kwaliteitsvolle zorg. Het toezicht door het agentschap Zorginspectie vormt een van de pijlers daarvan. Op dit moment is de opdracht van Zorginspectie louter fragmentarisch geregeld of versnipperd in sectorale regelgeving. Daarom is er behoefte aan een uniform decretaal kader voor de uitoefening van een efficiënt en slagkrachtig toezicht door Zorginspectie. Het is daarbij de bedoeling om duidelijkheid te scheppen over alle aspecten van dat toezicht (toegangsrechten, bewijskracht, waarborgen, de mogelijke gevolgen van inspectie enzovoort). Het gebruikersperspectief ondervindt de laatste jaren een sterke opmars. In het kader daarvan is er behoefte aan een generiek meetinstrument om op een uniforme wijze de kwaliteit vanuit het perspectief van de gebruiker te meten. Zo’n instrument zal toelaten om sectoren met elkaar te vergelijken (benchmarking). Daarnaast biedt registratie van kwaliteitsindicatoren de kans om tendensen tijdig te detecteren, beleidsbeslissingen te volgen en in de mate van het mogelijke outcome-indicatoren te creëren.

SD6. We operationaliseren de nieuwe bevoegdheden waarvoor de Vlaamse overheid verantwoordelijk wordt bij de overheveling van de zesde staatshervorming zodat ze bijdragen tot een versterkte beleidsaanpak met een breed draagvlak.

Beleidsvoorstel 1:

We zorgen voor de uitvoering van de concrete bevoegdheidsoverdrachten die zijn opgenomen in het witboek van de zesde staatshervorming op de volgende domeinen:

•• •• •• •• •• •• ••

het ziekenhuisbeleid: normering, financiering, geïsoleerde G- en SP-diensten; het ouderenbeleid: ouderenzorgvoorzieningen en tegemoetkoming in de hulp aan bejaarden; de geestelijke gezondheidszorg; het preventief gezondheidsbeleid; de eerstelijnsgezondheidszorg; de hulpmiddelen voor personen met een beperking (leeftijdsonafhankelijk); de revalidatie: ambulant, residentieel en met betrekking tot verslaafden;


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

•• •• ••

gezondheidszorgberoepen; het gezinsbeleid: gezinsbijslagen en het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten (FCUD); het justitieel beleid: vervolgingsbeleid, justitiehuizen en jeugdsanctierecht.

Door de zesde staatshervorming krijgt Vlaanderen belangrijke nieuwe hefbomen. Het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zal op een aantal essentiële vlakken eigen (innovatieve) accenten kunnen leggen. We noemen hier bij wijze van voorbeeld en aansluitend bij de opsomming die in het kader hierboven is opgenomen, de clusters van het gezondheidsbeleid, het gezinsbeleid, het justitieel beleid en het ouderenzorgbeleid. De inkanteling van die nieuwe bevoegdheden in het Vlaamse beleid rond welzijn, volksgezondheid en gezin zal de actuele organisatie van het Vlaamse zorgsysteem voor fundamentele vraagstukken plaatsen over onder andere de integratie, financiering en beheersvorm van die nieuwe bevoegdheden. Het impact en de omvang van de op stapel staande transitie kunnen moeilijk overschat worden. Het is de nieuwe Vlaamse regering die in dit verband de politieke keuzes zal maken. Ter ondersteuning van dat proces heeft de administratie een gericht dossier voorbereid waarin, in elk geval voor een aantal van de hiervoor genoemde sectoren, een onderbouwd beleidsadvies is uitgewerkt. Dat dossier is, aanvullend bij de voorliggende bijdrage aan het regeerakkoord, als apart document uitgewerkt.

C. De creatieve en actieve samenleving

SD1. Met ons cultuurbeleid2 creëren we ruimte en tijd voor experiment, creativiteit en innovatie. De opbouw van de Vlaamse overheid is altijd nauw verbonden geweest met cultuur als uitgangspunt voor de ontplooiing van het individu binnen de samenleving enerzijds, en voor de maatschappelijke bijdrage aan identiteit, diversiteit, duurzaamheid, cohesie ... Investeren in cultuur voor de borging van haar intrinsieke waarde en haar ‘kanarie-‘ of laboratoriumfunctie blijft het uitgangspunt. Cultuur mag echter niet tot die kern gereduceerd worden. Van oudsher is ze een belangrijk onderdeel van de toeristische troeven in Vlaanderen, en de culturele en creatieve sectoren zijn snelgroeiende sectoren van het Vlaams-economische landschap. Als cultuur haar intrinsieke en maatschappelijke waarde, haar cohesieversterkende, experimentele, duurzame en economische waarde wil blijven vervullen binnen de nieuwe uitdagingen waarvoor Vlaanderen in Europa en de wereld staat, dan moet op de volgende vier beleidslijnen worden ingezet:

2

Voor ‘cultuurbeleid’ wordt de brede definitie gehanteerd. Daarmee wordt verwezen naar een beleid voor kunsten, (roerend, onroerend en immaterieel) erfgoed en sociaal-cultureel werk (sociaal-cultureel volwassenenwerk, amateurkunsten, circuskunsten en lokaal cultuurbeleid). Hetzelfde geldt voor de term ‘culturele sector’. Die omvat de kunstensector, de erfgoedsector en de sector van het sociaal-culturele werk.


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 1:

We zetten maximaal in op e-cultuur en digitalisering.

Beleidsvoorstel 2:

We stimuleren sociale innovatie.

Beleidsvoorstel 3:

We zetten in op organisatorische, wetenschappelijke, ruimtelijke en financiële innovatie.

Beleidsvoorstel 4:

We ontwikkelen een vernieuwend cultureel diplomatiebeleid.

Beleidsvoorstel 1: Digitale technologieën en sociale media beheersen hoe langer hoe meer alle geledingen van de maatschappij. Het is belangrijk dat de cultuursector de veranderingen binnen het gebruikersveld – van passieve consumer naar interactieve prosumer (producer en consumer van digitale content) - ook structureel vertaalt, met aandacht voor:

•• •• •• ••

mediawijsheid; integratie in het strategisch management van organisaties; transversale samenwerking en interdisciplinariteit; het aanbod van gedigitaliseerde en digital born objecten als open data.

De instrumenten daarvoor zijn:

•• •• ••

het voeren van een gericht impulsbeleid; het ontwikkelen van modulaire oplossingen; het onderhouden van een duurzaam en structureel partnerschap tussen de sector en het VIAA.

Beleidsvoorstel 2: Cultuur neemt vaak het voortouw op het vlak van maatschappelijke vernieuwing. De rol van het verenigingsleven in Vlaanderen op dat vlak kan moeilijk overschat worden. In Vlaanderen is het verenigingsleven bijzonder sterk ontwikkeld. Dat is een belangrijke troef om het hoofd te bieden aan de huidige maatschappelijke uitdagingen die in de omgevingsanalyse scherp werden omschreven. Nieuwe verenigingsvormen en vormen van burgerparticipatie moeten de kans krijgen zich te ontwikkelen en aandacht te besteden aan de knelpunten in onze huidige maatschappij.

••

Een flankerend beleid en meer aandacht voor projectwerking faciliteert de werking van culturele organisaties en lossere (ook niet-gesubsidieerde) samenwerkingsverbanden die inspelen op sociale innovatie.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

•• •• •• ••

Sociaal ondernemerschap en sociale innovatie met een culturele invalshoek worden ondersteund om het hoofd te bieden aan belangrijke maatschappelijke uitdagingen in Vlaanderen, onder meer door deelname aan de Sociale Innovatiefabriek. De culturele sector wordt gestimuleerd om een voortrekkersrol op zich te nemen in het transitiedenken en in transitiebewegingen over maatschappelijke thema’s zoals duurzaamheid, diversiteit en armoede, en om dat te doen samen met de drijvende krachten in andere domeinen en sectoren zonder daarbij de eigenheid van cultuur te verloochenen. Er moet worden ingezet op praktijkonderzoek rond sociale innovatie met als doel het in kaart brengen van de sociale effecten. Doordat nieuwe ideeën worden uitgetest en doordat bij dat onderzoek meteen ook de effectiviteit wordt getoetst, kan dat leiden tot navolging en verdere vernieuwing binnen de sociaal-culturele sector. Er wordt ingezet op internationalisering van sociaal-cultureel werk en internationale uitwisseling van medewerkers en expertise op het vlak van sociaal-cultureel werk.

(zie ook thema ‘Innovatiecentrum Vlaanderen’)

Beleidsvoorstel 3: De vele uitdagingen waar cultuur (sociaal-cultureel werk, erfgoed en kunsten) voor staat, vragen:

••

•• ••

•• ••

een verdere ontwikkeling van wetenschappelijk gefundeerde methoden en instrumenten voor het meten (kwalitatief en kwantitatief) en het aantonen van de maatschappelijke en economische meerwaarde van cultuur. Zowel internationaal als in Vlaanderen is daar grote vraag naar. Het aantonen van die meerwaarde faciliteert de co-creatie en co-productie met andere partijen (eigenaars, andere besturen, andere beleidsdomeinen, andere sectoren …); inzetten op belangrijk erfgoed door middel van het waarderen van erfgoed en het inzetten op innovatieve technieken en vakmanschap in de erfgoedzorg en –ontsluiting. Dat moet het mogelijk maken om de gevolgen van klimaatverandering of de weerslag van toeristische ontsluiting op kwetsbaar erfgoed te verzoenen met het duurzaam behoud en beheer van erfgoed; de ontwikkeling van fiscale stimuli voor de creatie, het behoud, het beheer en het verkeer van culturele goederen en diensten inclusief erfgoed. Particulieren en bedrijven kunnen ertoe worden aangezet om via fiscale voordeelregelingen (onder meer via een indemniteitsregeling) bij te dragen tot het verzamelen, het behoud, het beheer, het onderzoek en de ontsluiting van topstukken en andere waardevolle culturele goederen; vanuit het oogpunt van organisatieontwikkeling en het veld, het opnieuw samenvoegen van roerend, onroerend en immaterieel erfgoed als erfgoed binnen het culturele domein. Dat zou het draagvlak versterken en een eenvormig beleid bevorderen; vanuit organisatieoogpunt, het spelen van een voortrekkersrol op het vlak van innovatief beheer (creatief ruimtegebruik, hergebruik, herbestemming, innovatieve technieken en zuinig materieel gebruik) van het eigen patrimonium en daarmee naar buiten treden met het oog op sensibilisering. Een concreet nieuw voorbeeld is de uitbouw van een nieuw depot voor de archieven en collecties van de Vlaamse Gemeenschap. Die uitbreiding van het Depot Vilvoorde moet tegemoetkomen aan de behoeften van de verschillende domeinen. Ook de grondige renovatie van het KMSKA tot museumgebouw van de 21ste eeuw wordt voortgezet. De volgende fasen worden opgestart, waaronder de renovatie van de buitengevel en de buitenaanleg van het museum. Een ander project bestaat in de upgrading van de site van het Kasteel van Gaasbeek (uitvoering


Warme samenleving

•• ••

masterplan) zodat het zijn museale en eventfuncties toonaangevend verder kan uitvoeren; de consolidatie van de huidige voorhoede-positie van Vlaanderen binnen het internationale veld, wat het immaterieel erfgoed betreft, kan gewaarborgd worden door de uitbouw van een categorie II-centrum in Vlaanderen conform de UNESCO-conventie voor de borging van immaterieel cultureel erfgoed (2003); een ondersteunend beleid voor innovatieve culturele (en hybride) infrastructuur ontwikkelen.

Beleidsvoorstel 4: Het vernieuwde culturele diplomatiebeleid moet het resultaat zijn van domeinoverschrijdend overleg binnen het management comité en focust op vier beleidslijnen:

•• •• •• •• ••

een internationaal impulsbeleid dat gebaseerd is op thematische en geografische prioriteiten, met ruimte voor ad-hoc-prioriteiten; een structureel uitgebouwd evenementen- en presentatiebeleid en aandacht voor stageplekken en uitwisselingsprogramma’s; het stimuleren van Vlaamse culturele organisaties in internationale netwerken; een actieve aanwezigheid in de 28 EU-lidstaten; een bijzondere aandacht voor de BRIC- en MINT-landen.

SD2. In ons cultuurbeleid3 erkennen we de diversiteit als stimulans voor de creativiteit en verrijking van de samenleving en haar leefomgeving. Ouderen, laagopgeleiden, personen van vreemde herkomst en personen met een laag inkomen participeren nog steeds beduidend minder in de samenleving, alsook in het vrijetijdsleven. Toenemende etnische en sociale ongelijkheid is geen randfenomeen, ook niet in de meer landelijke delen van Vlaanderen. Om op die fundamenteel veranderende maatschappij in te spelen moet het cultuurbeleid nieuwe recepten ontwikkelen om iedereen aan te spreken en superdiversiteit als uitgangspunt en troef te erkennen. Daarvoor moet het klassieke diversiteitsdenken, waarbij mensen en groepen worden ingedeeld op basis van één kenmerk (etnisch, sociaal-economisch, gender) verlaten en herijkt worden. Een identiteit is immers een complex samenspel van biologische, historische, sociale en cultureel bepaalde kenmerken. Het kruispuntdenken sluit beter aan bij de maatschappelijke superdiversiteit. Maatschappelijke verschillen komen immers in steeds wisselende, gelaagde combinaties voor. Dat maakt hybride of meer vloeiende vormen mogelijk. Omgaan met diversiteit biedt nieuwe perspectieven, reikt onbekende inhouden en vormen aan, laat individuen en gemeenschappen wisselwerken met ‘andere’ individuen en gemeenschappen. Omgaan met diversiteit veronderstelt een proces van continue dialoog en onderhandeling over inhouden, kwaliteitsnormen, vormen, methodieken enzovoort. De onderstaande strategische beleidsvoorstellen zullen daarbij cruciaal zijn. 3

Voor ‘cultuurbeleid’ wordt de brede definitie gehanteerd. Met de term wordt verwezen naar een beleid voor kunsten, (roerend, onroerend en immaterieel) erfgoed en sociaal-cultureel werk. Hetzelfde geldt voor de term ‘culturele sector’. Die omvat de kunstensector, de erfgoedsector en de sector van het sociaal-culturele werk.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 1:

We stimuleren het cultureel leren en voeden het vanuit het beleid.

Beleidsvoorstel 2:

We ontwikkelen een gediversifieerd cultuurbeleid.

Beleidsvoorstel 1: Samen leven binnen een gediversifieerde samenleving vereist de nodige culturele competentie. Die competentie wordt al lerend verworven, een leven lang en in verschillende contexten. Cultuureducatie begint op het ogenblik dat gericht een leerproces wordt opgezet dat uitgaat van een bewuste omgang met cultuur, in al zijn verscheidenheid en deelaspecten. Het laat creatieve talenten tot bloei komen en zorgt ervoor dat mensen over de competenties beschikken om te kunnen deelnemen én deelhebben aan cultuur. Daarnaast groeit daardoor ook hun culturele zelfbeeld, als basis voor een verdiepende interactie met anderen en de wereld rondom hen. Hetzelfde geldt voor het erkennen en waarderen van de competenties die mensen verworven hebben: ook dat sterkt mensen in hun zelfbewustzijn en in het aangaan van toekomstige ervaringen binnen de diverse samenleving.

••

••

De verschillende contexten waarbinnen mensen (cultureel) leren, moeten beter met elkaar verbonden worden, om zo nieuwe leerimpulsen te creëren vanuit ieders eigen leefwereld. Het komt erop aan de brug te slaan tussen cultuureducatieve initiatieven binnen het (sociaal-)culturele veld en het onderwijs, en meer informele leercontexten binnen andere maatschappelijke domeinen (welzijn, voorschoolse opvang, openbare ruimte, de nieuwe media …). Interculturele en intergenerationele ontmoetingen bieden in dat opzicht belangrijke kansen. Erfgoedlocaties en -organisaties kunnen vanuit een competentiebenadering worden uitgebouwd tot krachtige leerplekken. De verdere versterking van de (inter)culturele, agogische, didactische … competenties van cultuureducatieve werkers en andere cultuurprofessionals en -vrijwilligers moet blijvend gestimuleerd worden. De overheid moet daarin een faciliterende en sensibiliserende rol vervullen op het vlak van de opleiding en vorming, en de erkenning van verworven competenties. De Vlaamse kwalificatiestructuur en een geïntegreerde, overkoepelende EVC-beleidsvisie bieden daarvoor een referentiekader.

Beleidsvoorstel 2: Culturele organisaties, verenigingen en instellingen moeten inspelen op het superdiverse, dynamische en gelaagde publiek. Het vergroten van de mogelijkheden van mensen om keuzes te maken uit het rijke en diverse cultuurpalet volstaat niet. Er moet ook gezocht worden naar nieuwe inhouden, formats en betekenisgevers die inspelen op de veranderende noden en behoeften, en interesses van alle groepen in de samenleving. Daarbij wordt er steeds vertrokken vanuit de idee dat cultuur in al zijn verschijningsvormen een vertrouwde en stimulerende (leef)omgeving moet zijn om in te vertoeven, een plek waar mensen zich thuis voelen. Voor de overheid is er daarvoor een tweeledige rol weggelegd:


Warme samenleving

1. De eigen werking wordt aangepast:

•• •• ••

voorbeeldwerkingen, experimenten, en nieuwe disciplines en verenigingsvormen die culturele en sociale innovatie creëren, worden van onderuit gedetecteerd en gevaloriseerd; om de subsidielijnen aan te passen en breder bekend te maken bij diverse doelgroepen moeten er extra inspanningen geleverd worden; er wordt samengewerkt met andere beleidsvelden met het oog op het verhogen van de participatie van specifieke doelgroepen (zie andere items onder Warme Samenleving). Het werken op de knooppunten van verschillende beleidsvelden laat immers toe op complexe situaties in te spelen. Inburgering (nieuwkomers), integratie (etnisch-culturele minderheden), welzijn (jongeren, personen in armoede, ouderen), onderwijs, werk, enzovoort ….

2. Beleidsinstrumenten moeten maximaal en optimaal ingezet worden om een structurele verankering van diversiteit te realiseren, zowel bij de ondersteunende actoren uit het veld als bij de sectorale organisaties zelf:

•• ••

culturele organisaties moeten blijvend aangespoord worden om in te zetten op factoren die de participatie rechtstreeks beïnvloeden, zoals toegankelijkheid, toegankelijke en verstaanbare communicatie, duidelijke informatie, een laagdrempelige en uitnodigende omkadering en publieksbemiddeling; culturele organisaties worden gestimuleerd om de diversiteit in de organisatie binnen te halen, in het bijzonder in het personeelsbestand en de raden van bestuur. Veel meer dan het ‘toeleiden’ van mensen naar het aanbod is participatie binnen de organisatie (als maker, staflid, bestuurslid …) een sleutel tot meer diversiteit in de cultuursector.

SD3. We versterken het jeugdwerk opdat het de ontwikkeling, het welzijn en de sociale insluiting van alle kinderen en jongeren verbetert. Jeugdwerk heeft betrekking op buitenschoolse activiteiten en op specifieke vrijetijdsactiviteiten, en is gebaseerd op niet-formele en informele leerprocessen, en op vrijwillige deelname. Die activiteiten en processen worden uitgevoerd in zelfbeheer of in gezamenlijk beheer, of worden beheerd onder educatieve of pedagogische begeleiding van professionele of vrijwillige jeugdwerkers en jeugdleiders. Ze kunnen onder invloed van verschillende factoren ontwikkeld en gewijzigd worden. Jeugdwerk wordt op verschillende manieren georganiseerd en uitgevoerd: door organisaties die door jongeren zelf worden geleid, organisaties voor de jeugd en informele groepen, of door jeugddiensten en overheden. Aan jeugdwerk wordt vorm gegeven op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 1:

Vanuit een herbronning van de rol van het jeugdwerk in de samenleving ontwikkelen we, in dialoog met andere beleidsdomeinen, een jeugdwerkstrategie om betere voorwaarden en meer kansen te creëren voor de ontwikkeling, ondersteuning en uitvoering van het jeugdwerk op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau.

Beleidsvoorstel 1:

a.

Het jeugdwerk ondersteunen bij het ontwikkelen van zijn structuren, werkmethodes en communicatiekanalen, en het de kans geven om zich voortdurend te verbeteren zodat er meer jongeren worden bereikt, vooral jongeren die sociaal buitengesloten zouden kunnen raken: •• door werk te blijven maken van verschillende vormen van structurele ondersteuning van het jeugdwerk; •• door openingen te laten voor een projectmatige ondersteuning van jeugdwerkinitiatieven, met het oog op ondersteuning van vernieuwing; •• door het formuleren van bijkomende beoordelingscriteria voor vorming en competentieprofielen van jeugdwerkers; •• door het maatschappelijk middenveld te helpen bij het uitwerken van geschikte opleidingsmodules voor jeugdwerkers en jeugdleiders; •• door het stellen van prioriteiten in de subsidiëring.

b.

Onderzoek naar jeugdwerk en jongerenbeleid bevorderen en steunen: •• door de beleidsplannen en werking van de verenigingen te monitoren; •• door verschillende jeugdwerksoorten verder te analyseren; •• door de drempels voor niet-participanten te analyseren: verhogen van de kennis, horen van belanghebbenden (bijvoorbeeld ouders), terugkoppelen naar de betrokken kinderen en jongeren zelf.

c.

Lokale en regionale overheden en actoren, waar dat passend is, een belangrijke rol laten spelen bij de ontwikkeling, de ondersteuning en de uitvoering van het jeugdwerk: •• door het lokale jeugdbeleid te monitoren in samenwerking met de lokale besturen; •• door de beleidsprioriteiten jeugdwerk aan te scherpen met het oog op een grotere maatschappelijke integratie.

d.

Multiplicator zijn voor goede en vernieuwende praktijken in de werking voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren, als opstap naar jeugdwerk: •• door zowel in het beleid als in de praktijk de verbanden met jeugdgerelateerde gebieden als gezondheid, onderwijs, opleiding en werkgelegenheid, cultuur en sport, te versterken; •• door aan te sturen op resultaten van het jeugdwerk die bijdragen tot de ontwikkeling, het welzijn en de sociale insluiting van jongeren; •• door via de relevante programma’s, platforms en kanalen, de Europese en internationale uitwisseling van goede praktijken, opleiding, competentieverwerving en intercollegiaal leren met betrekking tot op kwaliteit gebaseerd jongerenwerk, te bevorderen.


Warme samenleving

SD4. We willen zo veel mogelijk Vlamingen op een duurzame en gezonde manier doen sporten via een kwalitatief, voor iedereen toegankelijk en goed gecommuniceerd sportaanbod. Sport focust zijn beleid voor de volgende regeerperiode op twee grote strategische beleidsdoelstellingen. Eén strategische doelstelling omvat Sport voor Allen, de tweede focust op Topsport.

Beleidsvoorstel 1:

We willen mensen levenslang en gezond doen sporten, door sensibilisering van de Vlaamse bevolking, facilitering van de niet-georganiseerde sportbeoefening en ondersteuning van de georganiseerde sportbeoefening als componenten.

Beleidsvoorstel 2:

We willen de sportsector professionaliseren door het verhogen van de kwaliteit van de sportbegeleiders en het verlagen van de drempels voor tewerkstelling.

Beleidsvoorstel 3:

We willen het structureel tekort aan sportinfrastructuur wegwerken.

Beleidsvoorstel 4:

We willen een betere preventie en educatie rond doping bewerkstelligen door het versterken van de complementaire aanpak van NADO Vlaanderen.

Beleidsvoorstel 1: Een van de uitdagingen voor de komende beleidsperiode is zo veel mogelijk Vlamingen levenslang aan het sporten krijgen en houden. Dat vereist doeltreffende maatregelen op verschillende vlakken, rekening houdend met de maatschappelijke context. Een cruciaal element daarbij is een doorgedreven sensibiliseringscampagne rond het belang van levenslang sporten, die rekening houdt met de verschillende doel- en kansengroepen. Correcte, actuele informatie over het sportaanbod via onder meer de verdere uitbouw van de Sportdatabank Vlaanderen als belangrijk sportpromotioneel instrument voor sporten in clubverband, moet de opstap naar levenslang sporten kracht bijzetten. De maatschappelijke ontwikkelingen in het sportgedrag, met naast het sporten in clubverband een groeiend aantal mensen die individueel of met vrienden sporten, vraagt van de overheid een antwoord op twee sporen. Niet-georganiseerde sport moet gefaciliteerd worden. Randvoorwaarden zoals uitnodigende infrastructuur in de nabije omgeving en aangepaste informatie en communicatie vormen daarvoor belangrijke sleutels.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

Gezien het belang van de georganiseerde sport voor het levenslang sporten, moeten ook de verschillende vormen van georganiseerde sportbeoefening (andersgeorganiseerde, recreatieve en competitieve sportbeoefening) blijvend gefaciliteerd en ondersteund worden, zowel decretaal als projectmatig. Door het opzetten, ondersteunen, evalueren en eventueel integreren van experimentele projecten en proeftuinen wordt gezorgd voor voldoende innovatie. Bij die projecten wordt in het bijzonder ingespeeld op de gedetecteerde trends van onder meer vergrijzing en superdiversiteit, waarbij sport een middel kan zijn om stappen vooruit te zetten op andere levensdomeinen. Transversale samenwerking over de beleidsdomeinen is daarbij een noodzakelijke voorwaarde, en internationale tendensen en wetenschappelijk onderzoek kunnen daarbij richtinggevend zijn voor de experimentele projecten en acties die worden opgezet. Via stimulerende en ondersteunende maatregelen, een goede omkadering en bewustmaking, moet ten slotte worden ingezet op een gezonde sportbeoefening die bijdraagt tot levenslang sporten. Een ethisch sportklimaat wordt gestimuleerd, waarbij sportethische principes bewust(er) in missie, visie, beleid, werking, doelstellingen en acties van de sportsector worden opgenomen en waarin de integriteit van elkeen optimaal gewaarborgd wordt. Gezond sporten is een belangrijke voorwaarde voor een duurzaam effect. Daartoe zullen blijvend campagnes worden gevoerd rond screening en letselpreventie.

Beleidsvoorstel 2: Sportclubs hebben het moeilijk om in te spelen op de steeds groter wordende verwachtingen van sporters op het vlak van begeleiding. De Vlaamse overheid kan beleidsmatig een helpende hand toesteken door in te zetten op opleiding van trainers en op tewerkstelling. Het faciliteren van tewerkstelling in de sportsector door het verlagen van de drempels voor het tewerkstellen van professionele medewerkers in de sportclubs, is daarbij van fundamenteel belang. Naast een belangrijke klemtoon op het aanreiken van mogelijkheden tot tewerkstelling bieden ook samenwerkingsverbanden tussen verschillende actoren kansen op het creëren van volwaardige jobs. Het uitwerken van een specifiek statuut voor de sportbegeleider moet een oplossing bieden voor de grijze zone tussen het vrijwilligerswerk en de minimale arbeid. In kwaliteitsvolle en enthousiasmerende begeleiding voorzien bij de beoefening van de verschillende sportvormen in diverse verbanden vereist het inschakelen van sportgekwalificeerde begeleiders. Om dat te realiseren zal de Vlaamse Trainersschool (VTS) meer en betere trainers opleiden. Daarbij zijn het professionaliseren en valoriseren van de occasionele VTS-medewerkers en de verdere uitbouw van de Vlaamse Trainersschool als samenwerkingsverband cruciaal.


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 3: Voldoende en geschikte sportinfrastructuur is een noodzakelijke voorwaarde voor het bereiken van de strategische doelstellingen rond sport. Het structurele tekort aan beschikbare sportinfrastructuur moet dan ook planmatig weggewerkt worden. De diversiteit in de sportbeoefening vereist differentiatie in die beleidsmaatregel, zowel naar soort infrastructuur als naar wijze van ondersteuning. De selectieve ondersteuning van de bouw en van de noodzakelijke renovaties moet zowel betrekking hebben op eenvoudig toegankelijke en kleinschalige sportinfrastructuren (voor individuele en nietgeorganiseerde sporters) als op sportinfrastructuren van lokaal en bovenlokaal niveau. De uitbouw, optimalisatie en renovatie van de Bloso-centra met het oog op het vervullen van hun multifunctionele bovenlokale taak en de uitbouw van trainingsinfrastructuur voor topsport zijn daarin belangrijke facetten. Bij iedere vorm van ondersteuning moet de meerwaarde van mogelijke investeringspartners en samenwerkingsverbanden worden onderzocht. Om bovenlokale sportinfrastructuurprojecten financieel te ondersteunen is de oprichting van een Vlaams Sportinfrastructuurfonds wenselijk. Nieuwe infrastructuur moet rationeel en afhankelijk van de behoeften worden ingepland. Het openstellen van schoolsportinfrastructuur moet bijdragen tot een efficiënter gebruik van bestaande sportinfrastructuur. Tot slot moet bij de inplanning en investering van sportinfrastructuur gestreefd worden naar duurzame oplossingen voor sporten met een groot ruimtebeslag of een hinderlijk karakter.

Beleidsvoorstel 4: Het beschermen van de integriteit van de sport tegen doping blijft een voortdurende, wereldwijde uitdaging, die internationale en sectoroverschrijdende samenwerking en initiatieven vereist van overheden, sportorganisaties en nationale antidopingorganisaties (NADO). Nu er steeds meer gesofisticeerde dopingmethodes de kop opsteken en een toenemende criminele inmenging in doping in de sport wordt vastgesteld, moet de overheid een nieuwe en efficiëntere aanpak van die strijd ontwikkelen. Op basis van de nieuwe Wereldantidopingcode 2015 van het WADA zal daarom de nadruk gelegd worden op nog meer onderzoek en informatieverzameling, een versterkte samenwerking met politie, justitie en douane via de bevoegde hormonenmagistraat, een grotere inzet op sensibilisering en preventie, een verdere Europese harmonisering van het antidopingbeleid en meer beleidsondersteunend wetenschappelijk onderzoek naar illegale middelen, in samenwerking met de farmaceutische industrie.


02 / STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN EN BELEIDSVOORSTELLEN

SD5. We willen een verhoging van het aantal behaalde top-8-plaatsen en medailles op de Olympische Spelen, en op wereldkampioenschappen en Europese kampioenschappen in olympische disciplines.

Beleidsvoorstel 1:

We willen de integrale uitvoering van het Topsportactieplan III (2013-2016) en opmaak van het Topsportactieplan IV (2017-2020).

Beleidsvoorstel 1: Het Topsportactieplan III focust op een beperkt aantal olympische disciplines, zowel structureel via de Vlaamse topsporttakkenlijst als ad hoc via windows of opportunity. De eenloketfunctie voor de topsporter moet verder worden gerealiseerd door de operationele bevoegdheden en structuren voor de uitvoering van het Vlaamse topsportbeleid samen te brengen bij het Bloso. Op het terrein wordt de centralisatie van het topsportbeleid gerealiseerd via de verdere uitbouw van trainingsinfrastructuur voor topsport in drie Vlaamse topsportcentra (Gent, Antwerpen en Leuven) en een één-campusmodel per sporttak. De resultaten van Vlaamse topsporters (individueel en in ploeg) en de organisatie van topsportevenementen in Vlaanderen dragen in belangrijke mate bij tot het verbeteren van de visibiliteit en het imago van Vlaanderen. Topsport Vlaanderen is daarvoor een belangrijk communicatie-instrument dat voluit moet worden ingezet in het Vlaamse merkbeleid. De wielerploegen nemen daarbij een belangrijke plaats in. Op basis van de evaluatie van het Topsportactieplan Vlaanderen III en de sportieve resultaten op de Olympische Spelen, de Wereldkampioenschappen en de Europese kampioenschappen (2013-2016) wordt voor de periode 2017-2020 het Topsportactieplan Vlaanderen IV opgemaakt.


Warme samenleving

03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

3.1

De inclusieve en diverse samenleving

Beleidsvoorstel 1:

We streven naar een sterk en gecoördineerd transversaal en inclusief integratie- en gelijkekansenbeleid. De kosten van de personeelsinzet van het secretariaat, het voorzitterschap en de leden van de verschillende commissies kan met de huidige apparaatskredieten gerealiseerd worden. Een meer sturende, overkoepelende en verbrede transversale beleidsaanpak betekent een budgettaire meervraag van 200 000 euro op apparaatskredieten. Dit betekent een meervraag van 0,3% op het totale budget van 64 964 Keuro.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

200

idem

Beleidsvoorstel 2:

We streven naar een verticaal en functioneel integratie- en inburgeringsbeleid. Het creëren van een individueel vormings- en begeleidingsaanbod dat de behoeften dekt, kan met de huidige kredieten gerealiseerd worden. Het versterken van het lokaal integratiebeleid is niet budgetneutraal en vereist bijkomende uitgaven. Experimentele projectsubsidies zijn niet budgetneutraal, maar kunnen mogelijk gefinancierd worden via overdracht van middelen uit het federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid (zesde staatshervorming).


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

budget voor individueel vormingsen begeleidings-aanbod dat de behoeften dekt en dat het integratieproces van personen van vreemde herkomst versnelt

4950

ongewijzigd

budget voor ondersteunen van voorzieningen bij het toegankelijk maken van hun dienstverlening zodat personen van vreemde herkomst evenredig en volwaardig kunnen participeren

22 135

budget voor het werken aan een samenleving die op een positieve manier kan omgaan met de toenemende diversiteit

x

totaal:

60 085

1000 (gespreid over de volledige legislatuur) voor bijkomende integratiesubsidies 750 (jaarlijks) voor experimentele subsidies

Beleidsvoorstel 3:

We zetten versterkt in op een functioneel verticaal gelijkekansenbeleid met afgestemde prioriteiten en middelen. Het verticale gelijkekansenbeleid zit in 2014 met 4 879 000 euro in een krap budgettair framewerk, maar kan met de nieuwe accenten grotendeels worden gerealiseerd binnen de beschikbare programmakredieten. In dit beleidsvoorstel houdt beleidsprioriteit 3j, dat betrekking heeft op het versterken van het nondiscriminatie- en gelijkebehandelingsbeleid ten gevolge van de uitvoering van het samenwerkingsakkoord met het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme vanaf 2015 een extra uitgave in van 49 200 euro op jaarbasis.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

Verticale gelijkekansenbeleid

4879 (+index)

idem

Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme

49,2

idem

Dit betekent een meervraag van 1% op het totale budget van 4879 Keuro.


Warme samenleving

3.2

De zorgzame samenleving

Beleidsvoorstel 1:

We prioriteren het preventieve welzijns- en gezondheidsbeleid op basis van objectiveerbare behoeften, op evidentie gebaseerde methodieken en gezondheidseconomische afwegingen, in de eerste plaats via gezondheidsdoelstellingen en het versterken van de eerstelijnshulp, met inbegrip van het aanbod geestelijke gezondheidszorg. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.

en

vereist

extra

uitgaven

waarvoor

er

geen

Het verder uitbouwen van de eerstelijnspsychologische functie veronderstelt een gezamenlijke en gedeelde financiering tussen de federale en de Vlaamse overheid. Ook de ziekenfondsen zijn betrokken partij. De omvang van de extra kosten voor Vlaanderen hangt af van het resultaat van te voeren onderhandelingen met de federale overheid. Voor het verder uitbouwen van de zorgcircuits geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen en het opstarten van dergelijke circuits voor kinderen en jongeren zijn federale middelen nodig voor de zorgfaciliteiten die tot de bevoegdheden van de federale overheid behoren en een versterking van de ambulante zorgcapaciteit voor wat tot de gemeenschapsbevoegdheden behoort. Meer specifiek is er een groeipad nodig in de subsidiëring van de centra voor geestelijke gezondheidszorg (voor de relevante doelgroepwerkingen). Een procentuele aangroei van 4% op jaarbasis is in deze context indicatief relevant. De versterking van het algemeen welzijnswerk kan worden opgesplitst in een luik jongerenonthaal en een luik opvang van volwassenen met psychische en relationele moeilijkheden. De meerkost voor het jongerenonthaal is opgenomen in het actieplan jeugdhulp (zie beleidsprioriteit 4). De meerkost voor de opvang van de vermelde volwassenen wordt indicatief berekend naar rato van 60 000 euro per vte. Inzetten op een versterkt aanbod voor hen vereist in elk geval de bijkomende inzet van 13 vte, wat neerkomt op 0,78 miljoen euro extra uitgaven en een toename met 16,5% van wat nu geïnvesteerd wordt.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

Eerstelijnspsychologische functie

Te bepalen in overleg met de federale overheid

Te bepalen in overleg met federale overheid

Centra geestelijke gezondheidszorg

2640

13 200

Centra algemeen welzijnswerk

160

780


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 2:

We zetten in op een maximale gezondheidswinst door, via een beleid van ‘health in all policies’, actief verschillende maatschappelijke sectoren (facettenbeleid) en beleidsdomeinen in te schakelen. We betrekken in het bijzonder de lokale besturen en, voor het realiseren van een gezondheidsbevorderende werkomgeving, de sociale partners en organisaties die bedrijven ondersteunen, de media en de gezinnen. De budgettaire implicatie is gespreid over de betrokken ‘facettenpartners’ en hangt af van ieders mogelijkheden om daarover keuzes te maken.

Beleidsvoorstel 3:

We actualiseren en realiseren het Perspectiefplan 2020. We realiseren de basisdoelstellingen (zorggarantie voor wie de grootste behoeften heeft en autonomie voor de personen met een handicap), in eerste instantie door het invoeren van een persoonsvolgende financiering. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.

en

vereist

extra

uitgaven

waarvoor

er

geen

De meerkost vindt zijn grond in vier sporen: een toenemende nood aan rechtstreeks toegankelijke ondersteuning (RTH), het inzetten van een basisondersteuningsbudget (BOB) en een persoonsvolgend budget (PGB) (allebei verankerd in het decreet betreffende de persoonvolgende financiering), en vragen voor individuele materiële bijstand (IMB). Op basis van een prognose van te verwachten aantallen aanvragen, betekent dat volgend budgettair impact, dat, in het licht van de lopende investering, neerkomt op een aangroei met een derde.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

Budget op kruissnelheid in volgende legislatuur (in Keuro)

BOB

73 500

152 000

RTH PVB IMB TOTAAL

137 000

30 000 103 500

192 000 5000

486 000


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 4:

We realiseren het actieplan jeugdhulp zodat de jeugdhulp maximaal vertrekt van de krachten van jongeren en passende hulp kan worden geboden: rechtstreeks toegankelijk als het kan, niet-rechtstreeks toegankelijk als dat nodig is. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.

en

vereist

extra

uitgaven

waarvoor

er

geen

Om het actieplan te realiseren is een budget van 44,15 miljoen euro noodzakelijk. Gespreid over de legislatuur komt dit neer op een jaarlijkse bijkomende investering van 8,8 miljoen euro. Dat budget wordt hoofdzakelijk aangewend voor de uitbreiding van het aanbod zodat we in 2020 voor de meest kwetsbare doelgroepen de wachtlijsten kunnen terugdringen. Het uitdrukken van de proportionaliteit van dit bedrag in het licht van de huidige uitgaven, is geen sinecure. Het actieplan jeugdhulp is immers te situeren in een nog grotendeels te realiseren intersectorale context. Als indicatie kunnen we wel meegeven dat het gevraagde bijkomende bedrag neerkomt op een kleine 10% van wat het agentschap Jongerenwelzijn momenteel al investeert.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

14 400

44 150


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 5:

We bouwen de Huizen van het Kind uit tot volwaardige basisvoorzieningen voor alle (aanstaande) gezinnen met kinderen, op basis van een sterke lokale samenwerking tussen de partners op het vlak van preventieve gezinsondersteuning. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.

en

vereist

extra

uitgaven

waarvoor

er

geen

Er zal volgens gemiddelde schattingen een budgettaire investering van 6,2 miljoen euro nodig zijn voor de lokale omkadering en ondersteuning van de Huizen van het Kind. Het versterken van het aanbod van de Huizen van het Kind vraagt een bijkomende impuls van 5,62 miljoen euro. Daarvan wordt 1 miljoen euro ingezet voor kinderarmoedebestrijding, 4 miljoen euro voor het aanbieden van diverse aanbodsvormen en 620 000 euro voor de samenwerking met artsen op het vlak van de preventieve gezondheidszorg. Globaal genomen komt de meerkost neer op een verhoging van het budget met 18%.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

Lokale omkadering

1240

6200

Versterken aanbod

1124

5620

Beleidsvoorstel 6:

We organiseren een cliëntgericht thuiszorgaanbod (maximumfactuur, inkomensgerelateerde bijdrage), met de behoeften en de autonomieversterking van de zorgbehoevende als centraal aandachtspunt. Voor de nieuwe en vereenvoudigde cliëntbijdrage wordt budgetneutraliteit nagestreefd. Voor de invoering van de maximumfactuur worden de extra uitgaven op kruissnelheid op 21,5 miljoen euro op jaarbasis geraamd, waarvoor er geen compensatiemogelijkheden zijn. Aangezien de maximumfactuur een nieuw gegeven is, is er geen referentiecijfer.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

Maximumfactuur

4300

21 500


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 7:

We voorkomen en bestrijden armoede, met bijzondere aandacht voor een transitie in de aanpak van kinderarmoede en voor het wegwerken van gezondheidsongelijkheid. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal compensatiemogelijkheden zijn.

en

vereist

extra

uitgaven

waarvoor

er

geen

Het verder en sterker ondersteunen van lokale besturen in hun acties tegen kinderarmoede, voortbouwend op de acties die al zijn genomen, vereist een extra uitgave van minimaal 5 miljoen euro, wil het beleid effect sorteren. Deze meer veralgemeende uitrol is te situeren ten opzichte van een momentele uitgave van 7000 Keuro. Daarnaast zijn in dit verband ook inspanningen in andere beleidsdomeinen van groot belang, bijvoorbeeld op het vlak van de huursubsidie.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

1000

5000

Beleidsvoorstel 8:

We zetten maximaal in op samenwerking met andere beleidsdomeinen en andere bestuursniveaus. We doen dat minstens voor de onderstaande twee acties.

a.

het realiseren van een structureel kader voor een aanbod van arbeidsmatige activiteiten onder begeleiding, in combinatie met de nodige zorg via het decreet werk-zorg: Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist extra uitgaven waarvoor geen compensaties mogelijk zijn. Kiezen voor een structureel kader van erkenning en subsidiëring voor de arbeidsmatige activiteiten en (verder) investeren in de activeringstrajecten en de trajecten maatschappelijke oriëntatie, zoals vastgelegd in het goedgekeurde decreet W2, veronderstelt een maatschappelijk engagement waarvoor de Vlaamse regering beleidsdomeinoverstijgend middelen vrijmaakt en alloceert. De opgenomen meerkost situeert zich bovenop wat momenteel al vanuit Werk en Sociale Economie wordt geïnvesteerd (14 600 Keuro).

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

0 (wegens nog uit te werken regelgeving)

27 400


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

b.

het stapsgewijs versterken van de samenwerking op het terrein tussen de woon- en welzijnsactoren, met bijzondere aandacht voor het wegwerken van dak- en thuisloosheid: Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist extra uitgaven waarvoor geen compensaties mogelijk zijn. Het verder uitbouwen van de samenwerking wonen-welzijn vraagt een investering van minimaal 3,75 miljoen euro. Die middelen maken een vooruitgang op drie vlakken mogelijk: bestrijden dak- en thuisloosheid, versterken en diversifiëren preventieve woonbegeleiding, verankeren en uitbreiden van woonvormen en woonbegeleidingsmodellen, gedistilleerd uit de lopende 11 projecten, en het faciliteren van kennisdeling tussen de actoren welzijn en wonen. Momenteel wordt al 3260 Keuro geïnvesteerd in preventieve woonbegeleiding.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

750

3750

Beleidsvoorstel 9:

We zorgen voor kwaliteitsvolle kinderopvang zoals is vastgelegd in het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters en we bouwen aan een kwaliteitsvolle en op de leefwereld van schoolkinderen afgestemde opvang vanuit een sterke samenwerking tussen alle stakeholders op het vlak van opvang en vrije tijd van schoolkinderen. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist extra uitgaven. Om tegen 2020 in kinderopvangplaatsen te voorzien voor alle gezinnen met een behoefte aan kinderopvang, zoals het decreet vooropstelt, zijn er naar schatting 25 000 extra plaatsen nodig. De kostprijs van die extra plaatsen wordt geraamd op 190 miljoen euro. Daar bovenop is 18 miljoen euro nodig om, via een structurele oplossing, de recurrente tekorten uit het verleden weg te werken (de ouderbijdragebonus die niet wordt gehonoreerd, de meeruitgave ten gevolge van de gemiddelde leeftijd van het personeel binnen de kinderopvangvoorzieningen, het tekort van 7 miljoen euro voor de financiering van alle inkomensgerelateerde kinderopvangplaatsen (vanaf 1 april 2014, trap 2) en het tekort op budget financiële ondersteuningen (vanaf 1 april 2014, trap 1). Daarnaast is er 14,6 miljoen euro nodig om in de basissubsidie (trap 1 van het nieuwe systeem) te voorzien voor alle vergunde plaatsen die vandaag nog geen basissubsidie hebben. De kosten voor een kwalitatief groeipad voor trap 2 (subsidie voor inkomenstarief op basis van het verbeteren van de ratio van het aantal kinderbegeleiders ten opzichte van het aantal aanwezige kinderen, met een gelijkschakeling tussen de erkende en de zelfstandige sector) vraagt een investering van 82,3 miljoen euro. Voor trap 3, een subsidie voor de 10% van het kinderopvangaanbod voor baby’s en peuters die in een kansarm gezin leven, is voor het bestaande aanbod in 2015 een extra uitgave van 5,5 miljoen euro nodig. De kostprijs om in 2019 10% van het bijkomend aanbod in het kader van de uitbreiding te voorzien als


Warme samenleving

trap 3, is nog eens 25,4 miljoen euro. Maar die zit reeds vervat in de globale kostprijs van 190 miljoen euro voor de uitbreiding (de 5,5 miljoen euro nog niet). Deze bijkomende investeringen zijn nodig om het decreet Kinderopvang van Baby’s en Peuters te kunnen uitvoeren. Het aldus realiseren van een volledige hertekening van de Vlaamse kinderopvang vertegenwoordigt op termijn een globale stijging van het kinderopvangbudget met 80%.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

Uitbreiding

38 000

190 000

Wegwerken recurrente tekorten

3600

18 000

Basissubsidie trap 1

2920

14 600

Trap 2

16 460

82 300

Trap 3

5500

Zit al vervat in uitbreiding

Beleidsvoorstel 10:

Met het oog op cliëntgerichte zorg optimaliseren we de operationele en beleidsgerichte informatie-uitwisseling, met het decreet over het netwerk voor digitale gegevensdeling in de zorg als basis. Het in toepassing brengen van het decreet gegevensdeling veronderstelt, naast het operationeel maken van het agentschap, actieve sensibilisering van zowel de zorggebruiker als de zorgverstrekker. Daarnaast moeten er standaarden bepaald worden, wat onderzoek en een draagvlak vereist. Ook op het vlak van noodzakelijke basisdiensten, het respecteren van de veiligheidsaspecten en ondersteunende identificatiebestanden zal de overheid zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. Naast de gebruikelijke investeringen via de reguliere subsidies voor ICT zal er een bijkomende investering noodzakelijk zijn voor het verzekeren en onderbouwen van een veilige gegevensdeling. Aangezien het om een nieuw decreet gaat, is er geen referentiekost.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

500

4000


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 11:

We formuleren een kader waarbinnen voorzieningen eigenaarschap voor deugdelijk bestuur en sociale innovatie kunnen opnemen, met duidelijke afspraken over een gerichte verantwoording ten opzichte van de overheid. Voor dit beleidsvoorstel wordt budgetneutraliteit nagestreefd.

Beleidsvoorstel 12:

We ontwikkelen voor Zorginspectie een uniform juridisch kader voor de uitoefening van het inspectietoezicht en we realiseren in samenwerking met de zorgvoorzieningen en -verstrekkers een veralgemeende registratie van kwaliteitsindicatoren, waarvan de resultaten gericht publiek kunnen worden gemaakt. Voor dit beleidsvoorstel wordt budgetneutraliteit nagestreefd.

Beleidsvoorstel 13:

We zorgen voor de uitvoering van de concrete bevoegdheidsoverdrachten die zijn opgenomen in het witboek van de zesde staatshervorming. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal. Uiteraard is de zesde staatshervorming niet budgetneutraal. De impact ervan is ook bijzonder groot. We herinneren daarvoor aan de volgende cijfers. Voor 2015 wordt de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin geraamd op 11 miljard euro. Die 11 miljard euro is het resultaat van de 4,2 miljard voor de huidige Vlaamse bevoegdheden, plus 7 miljard euro voor de bevoegdheden die na de 6de staatshervorming verschuiven naar de Gemeenschappen en de Gewesten. De uiteindelijke impact hangt mee af van de beleidskeuzes die in dit verband nog moeten worden gemaakt.

3.3

De creatieve en actieve samenleving

Beleidsvoorstel 1:

We zetten maximaal in op e-cultuur en digitalisering. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 3 miljoen euro voor de verdere uitbouw van het VIAA, 300 000 euro voor een impulslijn, en 825 000 euro voor PACKED. De reeds beschikbare middelen voor dit beleidsvoorstel zijn beperkt tot 113 000 euro.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

4125

4125


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 2:

We stimuleren sociale innovatie. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 200 000 euro op jaarbasis. Het betreft een nieuw beleidsvoorstel waarvoor er binnen de cultuurbegroting nog geen middelen zijn.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

200

200

Beleidsvoorstel 3:

We zetten in op organisatorische, wetenschappelijke en financiële innovatie. Dit beleidsvoorstel is niet-budgetneutraal. Voor de inhaalbeweging op vlak van erfgoed is zeker 12,25 miljoen euro aan bijkomende middelen nodig, waarvan 10 miljoen euro voor de zorg voor, digitalisering en ontsluiting van erfgoed en 2,25 miljoen euro voor de ondersteuning van belangrijke aankopen (topstukken en sleutelwerken). Voor de uitvoering van het Kunstendecreet is zeker 5 miljoen euro extra nodig, als ook 1 297 700 euro voor projectwerking. Voor de verdere renovatie van het KMSKA (fase 3) is 5 miljoen euro nodig (4 miljoen in 2016 en 1 miljoen in 2017). Voor de uitbouw van een categorie II-centrum in Vlaanderen, conform de UNESCO-conventie voor de borging van immaterieel erfgoed, is minimaal 200 000 euro nodig. Voor het kasteel van Gaasbeek en het Depot Vilvoorde zijn er nog geen ramingen beschikbaar. Voor de renovatie van het operagebouw in Gent is eenmalig 15 000 000 euro nodig en 500 000 euro recurrent. Voor het concertgebouw in Brugge moet 500 000 euro voorzien worden en voor het M HKA is 12 miljoen euro noodzakelijk. Ten slotte is er voor het ontwikkelen van een ondersteunend beleid voor infrastructuur nog 500 000 euro nodig.

Budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

Inhaalbeweging erfgoed

0

12 250

Uitvoering kunstendecreet

0

6297,7

KMSKA

x

4000 (2016) + 1000 (2017)

Categorie II-centrum

200

200

Operagebouw Gent

500

500 + 15 000 (niet recurrent)

Concertgebouw Brugge

500

500

M HKA

x

12 000 (niet recurrent)


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 4:

We ontwikkelen een vernieuwend cultureel diplomatiebeleid. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 300.000 euro op jaarbasis. Het betreft een meervraag van 43%.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

300

300

Beleidsvoorstel 5: We stimuleren het cultureel leren en voeden het vanuit het beleid. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 100.000 euro op jaarbasis. Het betreft een meervraag van 100%

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

100

100

Beleidsvoorstel 6:

We ontwikkelen een gediversifieerd cultuurbeleid. Dit beleidsvoorstel kan met de huidige kredieten (96 000 euro) worden gerealiseerd.


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 7:

Vanuit een herbronning van de rol van het jeugdwerk in de samenleving ontwikkelen we, in dialoog met andere beleidsdomeinen, een jeugdwerkstrategie om betere voorwaarden en meer kansen te creëren voor de ontwikkeling, ondersteuning en uitvoering van het jeugdwerk op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 1 miljoen euro, gespreid over een aantal jaren. Dit is een meervraag van 1,4%

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

200

1000

Beleidsvoorstel 8:

We willen mensen levenslang en gezond doen sporten, door sensibilisering van de Vlaamse bevolking, met facilitering van de niet-georganiseerde sportbeoefening en ondersteuning van de georganiseerde sportbeoefening als componenten. De selectie van acties die in dit beleidsvoorstel in de regeerbijdrage werden opgenomen, is niet budgetneutraal en vereist een jaarlijkse extra budgettaire uitgave van 500 000 euro. Dat extra krediet is noodzakelijk voor het opstarten en voeren van een sensibiliseringscampagne rond het belang van levenslang sporten, een cruciale component binnen dit beleidsvoorstel. Daarnaast is er 51 283 000 euro beschikbaar binnen de huidige kredieten. Dit betekent voor dit beleidsvoorstel een meervraag van 0,97%.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

500

500


03 / RAMING VAN DE BUDGETTAIRE IMPACT VAN DE BELEIDSVOORSTELLEN

Beleidsvoorstel 9:

We willen de sportsector professionaliseren door het verhogen van de kwaliteit van de sportbegeleiders en het verlagen van de drempels voor tewerkstelling. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een jaarlijkse extra budgettaire uitgave van 1 567 500 euro, boven op de 342 500 euro uit een herschikking van de beschikbare budgetten. De extra middelen zijn essentieel voor het professionaliseren en valoriseren van de occasionele VTS-medewerkers en het verder intensifiëren van het VTS-aanbod en de communicatie. Daarnaast is er 8 666 000 euro beschikbaar. Het betreft dus een meervraag van 18%.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

1567,5

1576,5

Beleidsvoorstel 10:

We willen het structurele tekort aan sportinfrastructuur wegwerken. Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een extra budgettaire uitgave van 2 miljoen euro op jaarbasis voor de verdere uitbouw van de trainingsinfrastructuur voor topsport en voor de optimalisering en aanwending van duurzame technieken in de Bloso-centra, bovenop het beschikbare budget van 12 454 000 euro.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

2000

2000

Beleidsvoorstel 11:

We willen een betere preventie en educatie rond doping bewerkstelligen door het versterken van de complementaire aanpak van NADO Vlaanderen. Dit beleidsvoorstel kan met de huidige kredieten (1 050 000 euro) worden gerealiseerd.


Warme samenleving

Beleidsvoorstel 12:

We willen de integrale uitvoering van het Topsportactieplan III (2013-2016) en opmaak van het Topsportactieplan IV (2017-2020). Dit beleidsvoorstel is niet budgetneutraal en vereist een jaarlijkse extra budgettaire uitgave van 1 015 000 euro. In 2016 (Olympisch jaar) zijn de budgettaire meerkosten iets hoger, namelijk 1 415 000 euro. Het reeds beschikbare budget bedraagt 20 258 000 euro.

budgettaire uitgave (in Keuro)

budget in 2015 (in Keuro)

budget op kruissnelheid in de volgende legislatuur (in Keuro)

1015

1015 (1415 in 2016)


VERKLARENDE LIJST VAN AFKORTINGEN

VERKLARENDE LIJST VAN AFKORTINGEN

BOB: basisondersteuningsbudget BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China EVC: erkennen van competenties FCUD: Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten individuele materiële bijstand IMB: IVRPH: Internationaal Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap JKP: Jeugd- en Kinderrechtenbeleidsplan KMSKA: Koninklijk Museum Schone Kunsten Antwerpen LGBT: lesbian, gay, bisexual, transgender multidrugresistente organismen MDRO: MINT-landen: Mexico, Indonesië, Nigeria en Turkije NADO: Nationaal Antidoping Organisatie OCM: open coördinatiemethode PGB: persoonsvolgend budget RTH: rechtstreeks toegankelijke ondersteuning VIAA: Vlaams Instituut voor Digitale Archivering en Ontsluiting van het Audiovisueel Erfgoed. vte: voltijds equivalenten VTS: Vlaamse Trainerschool VVSG: Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten WADA: World Anti-Doping Agency


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Deel_3_08_Warme_samenleving.pdf by Vlaanderen-be - Issuu