Woord vooraf
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
WOORD VOORAF
Een woord van dank
‘Het kind in Vlaanderen’ gaat uit van het agentschap Opgroeien. Opgroeien zag in 2019 het levenslicht vanuit het samengaan van Kind en Gezin en Jongerenwelzijn. Dat samengaan biedt heel wat opportuniteiten om het recht op kansrijk opgroeien van alle kinderen en jongeren in Vlaanderen maximaal te realiseren: van in de wieg en zelfs daarvoor tot een kind een jongvolwassene is. Dat Opgroeien ook de beleidsregie van het Groeipakket kreeg toegewezen, biedt uiteraard bijkomende kansen.
Aan de verpleegkundigen, artsen en gezinsondersteuners die dag in dag uit data ingeven in het Mirage-registratiesysteem van Kind en Gezin. Zonder hun minutieuze werk zou een zeer groot deel van dit rapport simpelweg niet mogelijk zijn. Aan de vele voorzieningen die periodiek gegevens doorgeven of tal van relevante zaken registreren. Aan de uitbetalers van het Groeipakket en aan het VUTG, die het Groeipakket uitvoeren en de uitbouw van het datawarehouse Groeipakket mee mogelijk gemaakt hebben. Aan de medewerkers van ICT voor het aanpassen en updaten van datawarehouses en het realiseren van de koppeling met officiële gegevens. Aan de databeheerders van het agentschap Opgroeien voor het opvolgen, controleren en aanvullen van registraties en voor de opmaak van de vele rapporten. Aan de medewerkers van de beleidsafdelingen voor het zoeken naar en aanleveren van cijfers en voor het nalezen van en meeschrijven aan tekstdelen. Aan andere overheidsdiensten en organisaties die hun gegevens doorgaven. Bijzondere dank aan de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, Statistiek Vlaanderen en het Agentschap Zorg en Gezondheid. Aan het ‘Het kind in Vlaanderen’-team (Geraldine, Marinelle, Kris, Nele en Herman), dat onze wetenschappelijk adviseur Diederik Vancoppenolle bijstaat in de opmaak van dit rapport. Dank voor het mee berekenen, voor het grondig en flexibel nalezen van de teksten, voor het controleren van talloze cijfers, voor de ondersteuning bij de lay-out en voor de regie van het drukproces.
De focus van ‘Het kind in Vlaanderen’ ligt al jaren op cijfers over minderjarigen en hun gezin, waardoor deze publicatie de doelgroep van Opgroeien al zo goed mogelijk omvat. In deze editie hebben we heel wat nieuwe gegevens over het Groeipakket opgenomen. In de toekomst willen we in ‘Het kind in Vlaanderen’ nog veel meer het gevarieerde beleid van Opgroeien weerspiegelen.
Waarom deze publicatie? Het agentschap Opgroeien wil zijn missie – het recht op kansrijk opgroeien – realiseren voor élk kind en élke jongere in Vlaanderen. Door een goed zicht te houden op de diversiteit en evoluties in de leefsituatie van kinderen willen we de maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht voor kinderen en hun kansen verhogen. Dit rapport bundelt de meest recente en relevante gegevens.
Ik wens iedereen heel veel leesplezier. Dat het mag bijdragen aan een samenleving die zorg draagt voor elk kind, elke jongere en elk gezin, in al hun rijkdom en diversiteit.
Woord vooraf
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Waarover wordt gerapporteerd?
Bronnen
‘Het kind in Vlaanderen’ bevat vooreerst heel wat demografische gegevens over kinderen (geboortecijfer, aantal kinderen, nationaliteit …) en gezinnen (gezinssamenstelling, de leeftijd en origine van de moeder/ouders …). Daarnaast presenteren we cijfers over de arbeidsparticipatie van ouders en schetsen we een beeld van het inkomen en de (kans)armoede in gezinnen. Gelet op het belang van het Groeipakket voor gezinnen, nemen we ook tal van cijfers op over het aantal kinderen dat diverse soorten toeslagen ontvangt. We rapporteren ook over kinderen in begeleiding of in pleegzorg, over het gebruik van kinderopvang, over de gezondheid en ontwikkeling van jonge kinderen, over sterfgevallen en over kindermishandeling.
De gegevens worden verzameld uit een veelheid van bronnen: gegevens geregistreerd door de lokale teams van Kind en Gezin, registratiegegevens van voorzieningen die aan Opgroeien worden doorgegeven, publiek toegankelijke statistieken, gegevens uit wetenschappelijk onderzoek en niet elders beschikbare databestanden die door Opgroeien werden aangevraagd. Opgroeien bewerkt al de gegevens verder tot relevante data, tracht ze overzichtelijk weer te geven en bespreekt ze. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
Nog vragen of bedenkingen? Alle vragen en bedenkingen zijn welkom bij Diederik Vancoppenolle (wetenschappelijk adviseur Opgroeien) via beleidsonderbouwing.box@kindengezin.be.
We nemen zo veel mogelijk kinderen als teleenheid. Hoofdstuk 8 wijkt van die algemene regel af door alle cijfers op gezinsniveau en cijfers met vaders en moeders als teleenheid te bundelen. Het gaat om gegevens over kinderen en gezinnen in het Vlaamse Gewest, vaak uitgeplitst naar provincies. Waar het zinvol is, vergelijken we de Vlaamse cijfers met die van de EU-27-landen. Voor meer cijfers op provinciaal en gemeentelijk niveau verwijzen we graag naar de cijferpagina op opgroeien.be/cijfers-enpublicaties. Je kan er voor tal van thema’s gegevens op maat van een gemeente en jaar naar keuze bekijken. In deze publicatie hebben we bij elk tekstdeel waarvoor meer cijfers op onze website te vinden zijn het volgende icoontje geplaatst. Als je op dat icoontje klikt, word je naar de juiste webpagina geleid.
Katrien Verhegge Administrateur-generaal Opgroeien 2
3
Woord vooraf
Woord vooraf
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Opmerkelijke cijfers in dit rapport op kindniveau •
•
•
•
•
•
•
Het geboortecijfer daalt in 2020 (63 611 levend geboren kinderen volgens Kind en Gezin, een daling met 1,7% t.o.v. 2019). 44,7% van de borelingen is het eerste kind van de moeder. Het aandeel eerstgeborenen is licht gestegen t.o.v. 2019 (+0,5 procentpunt), het aandeel tweede en volgende kinderen ligt lager dan in 2019. 71,8% van de borelingen heeft een moeder die op het moment van de geboorte tussen 25 en 35 jaar is. 1% van de in 2020 geboren kinderen heeft een moeder onder de 20 jaar, 3,3% een moeder ouder dan 40 jaar. 7,3% van de levend geboren kinderen wordt prematuur (<37 weken) geboren in 2020, een daling met 0,6 procentpunt t.o.v. 2019. 30,1% van de kinderen geboren in 2020 heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. Bij 30% van de kinderen geboren in 2020 is het Nederlands niet de taal die de moeder met het kind spreekt. Frans is de meest gesproken andere taal (6,4%). In 2020 worden 39 kinderen geadopteerd via erkende
•
•
•
•
•
adoptiediensten. Het aantal interlandelijke adopties neemt verder af (van 28 in 2019 naar 23 in 2020). Het aantal kinderen onder de 6 jaar neemt af, maar het aantal kinderen tussen 6 en 12 jaar en tussen 12 en 18 jaar neemt sterker toe in 2020 zodat de bevolkingsgroep minderjarigen nog steeds groter is dan de voorbije jaren. 82,6% van de minderjarigen groeit op in een tweeoudergezin, 14,6% woont in een eenoudergezin. Het aandeel kinderen in een eenoudergezin neemt toe met de leeftijd van de kinderen. Het aandeel kinderen dat woont bij een ongehuwd paar neemt verder toe. In 2020 gaat het om 24,4%. Bij kinderen onder de 3 jaar ligt het aandeel kinderen bij een ongehuwd paar het hoogst (37,9%). Dat is hoger dan bij oudere kinderen. 37,9% van de minderjarigen heeft een vreemde herkomst: 27,6% is Belg met een buitenlandse achtergrond en 10,3% heeft niet de Belgische nationaliteit. (Minstens) 91,8% van de minderjarigen leefde eind 2018 in een gezin met minstens 1 werkende ouder. Bij 4,2% van de kinderen
4
•
•
•
•
•
•
•
is geen enkele ouder werkzaam. (Minstens) 63,3% van de kinderen woont bij 2 werkende ouders. Het aandeel kinderen met minstens 1 werkende ouder ligt lager bij kinderen van niet-Belgische herkomst. Kinderen uit eenoudergezinnen leven vaker in een gezin met een lagere werkintensiteit. 4,7% van de kinderen groeide eind 2018 op in een gezin waar een beperkt (<15 000 euro) bruto belastbaar inkomen uit arbeid en vervangingsinkomens aanwezig was. 37,4% van de minderjarigen heeft een gezinsinkomen dat groter is dan 65 000 euro. Eind december 2020 heeft 24% van de minderjarigen een sociale toeslag in het Groeipakket. De kansarmoede-index bedraagt in 2020 13,7% en ligt 0,4 procentpunt lager dan in 2019. Bijna de helft van de kinderen in kansarmoede woont in de 13 centrumsteden en 68,5% heeft een moeder van niet-Belgische origine. Vanaf het schooljaar 2019-2020 is de schooltoeslag geïntegreerd in het Groeipakket. In het schooljaar
•
•
•
•
•
•
2019-2020 krijgen 491 382 leerlingen een schooltoeslag, een stijging met 48,2% t.o.v. het schooljaar 2018-2019. Volgens voorlopige cijfers kregen 496 140 kinderen voor het schooljaar 2020-2021 al een schooltoeslag. In september 2020 maakt 53,7% van de kinderen onder de 3 jaar gebruik van formele opvang. Het gebruik ligt het hoogst bij kinderen tussen 24 en 30 maanden (70,6%). 76,1% van de formeel opgevangen kinderen kan in de opvang volgens inkomenstarief betalen. 1064 kinderen van verschillende leeftijden worden in 2020 minstens 1 dag inclusief opgevangen door opvanglocaties voor baby’s en peuters. 0,9% van de kleuters zit in het buitengewoon kleuteronderwijs. In het lager en secundair onderwijs zit respectievelijk 5,5% en 4,9% van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs. In Vlaanderen start 81,4% van de borelingen met borstvoeding, 77,1% zelfs uitsluitend met borstvoeding. Op dag 6 gaat het respectievelijk nog om 77% en 64,1%. Op 6 maanden krijgt nog 30,9%
•
•
•
•
borstvoeding, waarvan een derde nog uitsluitend borstvoeding. Bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine ligt het aandeel kinderen dat (uitsluitend) borstvoeding krijgt beduidend hoger, zowel kort na de geboorte als op 6 maanden. 11,4% van de 2-jarigen die door Kind en Gezin gezien zijn op consult, heeft overgewicht. 1,8% is obees. Het aandeel kinderen met overgewicht neemt sterker toe dan de voorbije jaren (stijging met 1,8 procentpunt). In 2020 worden 9311 minderjarigen gemeld bij de vertrouwenscentra kindermishandeling (+4,4% t.o.v. 2019). 13,7% van de gemelde kinderen is onder de 3 jaar. We zien vooral een toename van het aantal gemelde kinderen bij de 6- tot 12-jarigen. We stellen vast dat er in 2020 minder kinderen gemeld worden voor seksueel misbruik evenals voor grensoverschrijdend gedrag door andere minderjarigen. Er worden echter wel meer kinderen gemeld voor emotionele mishandeling en verwaarlozing. In 2018 (meest recente cijfers) overleden er bij de 0- tot 15-jarigen
5
•
•
•
347 kinderen, 16 meer dan in 2017. De zuigelingensterfte bedraagt 3,9 op de 1000 kinderen, de foeto-infantiele sterfte 8,4 op de 1000 kinderen. 38 736 kinderen ontvangen een zorgtoeslag omwille van een specifieke ondersteuningsbehoefte. 1,74 op de 1000 geteste kinderen heeft een aangeboren gehoorverlies van minstens 21 decibel.
Woord vooraf
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Woord vooraf
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Opmerkelijke cijfers in dit rapport op gezinsniveau •
•
•
•
•
De vruchtbaarheidscijfers van niet-Belgische vrouwen liggen nog altijd hoger dan die van Belgische vrouwen, maar het verschil wordt jaar na jaar kleiner. De vruchtbaarheid van vrouwen tussen 20 en 30 jaar ligt nog steeds op het laagste niveau sinds de Tweede Wereldoorlog, de vruchtbaarheid van vrouwen tussen 30 en 35 jaar ligt hoger dan die van vrouwen tussen 25 en 30 jaar. 16,6% van de gezinnen met enkel minderjarige kinderen is een eenoudergezin. 17,6% van de gezinnen met enkel minderjarige kinderen heeft minstens 3 kinderen. Eind 2018 zien we dat vaders vaker aan het werk zijn dan moeders (83,7% versus 74,5%). Moeders werken veel vaker deeltijds dan vaders.
•
•
•
60% van de gezinnen met kinderen tot 25 jaar had eind 2018 een bruto belastbaar inkomen uit arbeid en uitkeringen van minstens 50 000 euro, bij 8,5% lag dat inkomen lager dan 20 000 euro. 41,4% van de gezinnen in Vlaanderen had eind 2018 een inkomen dat volledig afkomstig was uit beroepsinkomsten. 9,7% van de gezinnen had een bruto belastbaar inkomen dat voor minstens de helft uit uitkeringen bestond. Voor 54,7% van de gezinnen maakten de gezinsbijslagen in 2018 hoogstens 5% van het bruto belastbaar inkomen uit. Bij 5,4% van de gezinnen bestond het inkomen voor minstens 25% uit gezinsbijslagen. Het gaat hier wel om cijfers op basis van de voormalige federale regelgeving, het Groeipakket ging pas op 1 januari 2019 van start in Vlaanderen.
6
•
In 2020 krijgt meer dan 1 op de 5 gezinnen (22%) sociale toeslagen uit het Groeipakket. 3,9% van de gezinnen ontvangt voor minstens 1 kind een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte. 1,6% van de gezinnen ontvangt een toeslag omdat een of beide ouders overleden zijn. 4123 gezinnen (0,5%) ontvangen een pleegzorgtoeslag.
7
Inhoudstafel
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1 DE KINDERBEVOLKING 1. Aantal geboorten.................................................................................... 15 1.1. Het geboortecijfer volgens Kind en Gezin .......................... 15 1.2. Vergelijking van administratieve geboortecijfers met het geboortecijfer van Kind en Gezin ......................... 16 1.3. Internationale situering van de evolutie van het officiële geboortecijfer........................................................... 17 1.4. Vergelijking van het feitelijke aantal en het voorspelde aantal geboorten............................................ 18 2. Demografische kenmerken van de in 2020 geboren kinderen .................................................................................... 19 3. Achtergrondgegevens en duiding bij de evolutie van het geboortecijfer........................................ 20 3.1. Het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd..................... 20 3.2. De vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest ..................... 20 3.2.1. Het totale vruchtbaarheidscijfer........................................... 21 3.2.2. De totale vruchtbaarheid naar provincie ....................... 22 3.2.3. De vruchtbaarheid naar de leeftijd van de moeder....... 23 3.2.4. Rangspecifieke vruchtbaarheidscijfers.............................. 25 3.2.5. Internationale situering van het vruchtbaarheidscijfer...................................................................... 26 4. Aantal kinderen....................................................................................... 27 4.1. Evolutie aantal kinderen (‘de jure’-bevolking).................. 27 4.2. Vooruitzichten aantal kinderen............................................... 28 5. Adoptiekinderen.................................................................................... 30 5.1. Evolutie van het aantal adopties in Vlaanderen........... 30 5.2. Geadopteerde kinderen naar land van herkomst .......... 31 6. Aantal kinderen in het wachtregister.................................. 32
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2 KINDEREN IN HUN GEZINSCONTEXT: EEN BLIK OP DE DIVERSITEIT
4 WELVAART, INKOMEN, ARMOEDE EN KANSARMOEDE
5 KINDEROPVANG EN ANDERE EXTERNE OPVOEDINGSMILIEUS
1. Kinderen naar gezinsvorm en gezinstype ......................... 37 2. Aantal andere kinderen in het gezin..................................... 39 3. Leeftijd van de ouders bij kinderen onder de 12 jaar...................................................................................... 40 4. Kinderen met een andere nationaliteit en/of van andere origine................................................................................ 42 5. Taalsituatie in het gezin .................................................................. 49 5.1. De taal tussen moeder en kind................................................. 49 5.2. De thuistaal bij leerlingen in het Vlaamse onderwijs........... 51
1. Inkomens in gezinnen met kinderen........................................ 71 1.1. Verdeling van kinderen naar gezinsinkomen..................... 71 1.2. Verdeling van de kinderen naar gezinsinkomen volgens gezinsvorm......................................................................... 73 1.3. Verdeling van de kinderen naar aandeel van uitkeringen in het inkomen........................................................ 74 1.4. Belang van gezinsbijslagen in het inkomen...................... 75 2. Objectieve en subjectieve armoede bij kinderen op basis van de SILC-data.......................................... 76 2.1. Armoede-indicatoren op kindniveau in het Vlaamse Gewest ....................................................................... 76 2.2. Internationale situering kinderen onder de armoederisicodrempel............................................................ 78 3. Verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering .............................................................................. 79 4. Kinderen voor wie een sociale toeslag wordt uitbetaald omwille van een beperkt inkomen ................. 80 5. Schooltoeslagen ....................................................................................... 82 5.1. Aantal leerlingen met een schooltoeslag ............................82 5.2. Hoogte van de schooltoeslag.....................................................83 6. Kinderen in kansarmoede ..................................................................84 6.1. Toelichting over de registratie- en berekeningswijze van de kansarmoedecijfers .................84 6.2. Impact van de berekeningswijze voor de interpretatie van evoluties van de kansarmoede-index.......................... 85 6.3. Evolutie van de kansarmoede-index per provincie en naar type gemeente............................................ 86 6.4. Kansarmoede-index naar origine van de moeder...........87 6.5. Woonplaats en herkomst van de kinderen en gezinnen in kansarmoede............................................................. 89 6.6. Hoeveel en welke criteria geven aanleiding tot kansarmoede?............................................................................. 92
1. Kinderen en kinderopvang ...............................................................97 1.1. Gebruik van formele opvang door kinderen onder de 3 jaar op basis van septembertellingen ..............................97 1.1.1. Inleiding op de cijfers ......................................................................97 1.1.2. Gebruik formele opvang door 0- tot 3-jarigen in het Vlaamse Gewest en per provincie.............................................97 1.1.3. Gebruik formele opvang per leeftijd en per vergunningstype........................................................................ 98 1.2. Inclusief opgevangen kinderen.................................................101 2. Kinderen in specifieke onderwijsinstellingen en kinderen met schoolvertraging.................................................102 2.1. Kinderen in buitengewoon onderwijs en kinderen met specifieke begeleiding....................................102 2.2. Kinderen op internaat ..................................................................104 2.3. Kinderen naar schoolse vorderingen...................................104 3. Kinderen in begeleiding bij centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning .....................................106 4. Kinderen in pleegzorg ......................................................................108
3 KINDEREN EN DE WERKSITUATIE VAN HUN OUDERS 1. Kinderen en de arbeidsparticipatie in hun gezin ....... 1.1. Aandeel kinderen waar geen of minstens 1 ouder werkt .............................................................. 1.2. Kinderen naar de socio-economische positie van hun ouder(s)............................................................................. 2. Kinderen en de werkintensiteit in hun gezin ................. 3. De omvang en aard van de tewerkstelling van ouders van jonge kinderen..................................................
8
Inhoudstafel
55 55 59 63 65
9
Inhoudstafel
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Inhoudstafel
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6 GEZONDHEID, STERFTE EN MORBIDITEIT BIJ KINDEREN
7 GEZOND EN VEILIG ONTWIKKELEN
8 BASISGEGEVENS OVER GEZINNEN IN VLAANDEREN
BIJLAGE: INFO OVER DE BRONNEN EN BEREKENINGSWIJZEN
1. Gegevens over zwangerschap en bevalling.......................113 1.1. Ontstaan van de zwangerschap en bevallingsgegevens.....................................................................113 1.2. Geboortegegevens op kindniveau.......................................... 114 2. Levensverwachting bij geboorte............................................... 116 2.1. Levensverwachting in in het Vlaamse Gewest en provincies....................................................................................... 116 2.2. Levensverwachting: Vlaanderen internationaal gesitueerd...............................................................................................117 3. Sterfte..............................................................................................................118 3.1. Sterfte bij kinderen van 0 tot 15 jaar...................................118 3.1.1. Sterfgevallen bij kinderen van 0 tot 15 jaar.....................118 3.1.2. Doodgeboorten en sterfgevallen bij kinderen onder de 1 jaar............................................................119 3.1.3. Internationale situering zuigelingensterfte....................122 3.2. Doodsoorzaken bij overlijden van kinderen onder de 15 jaar...............................................................................123 3.2.1. Doodsoorzaken bij kinderen onder de 1 jaar.................123 3.2.2. Doodsoorzaken bij kinderen van 1 tot 15 jaar.............. 123 4. Slachtoffers van verkeersongevallen .................................. 125 5. Morbiditeit...................................................................................................126 5.1. Aangeboren afwijkingen..............................................................126 5.2. Aangeboren doofheid en slechthorendheid.....................128 6. Zorgtoeslag................................................................................................. 130
1. Borstvoeding............................................................................................ 135 1.1. Startvoeding op 24 uur.................................................................136 1.2. Voeding op dag 6............................................................................. 137 1.3. Borstvoeding op 6 maanden..................................................... 142 2. Vaccinatie bij zeer jonge kinderen......................................... 144 2.1. Vaccinatiegraad bij zeer jonge kinderen: cijfers vaccinatiegraadstudie.................................................... 144 2.2. Vaccinatiebereik bij zeer jonge kinderen: cijfers op basis van administratieve data ........................ 144 3. Body mass index bij kinderen van 2 jaar......................... 146 4. Kindermishandeling............................................................................. 150 4.1. Inleiding op de cijfers en begrippen.................................... 150 4.2. Aantal meldingen............................................................................. 151 4.3. Aard van de meldende instanties ......................................... 152 4.4. Aantal unieke kinderen gemeld bij een VK volgens leeftijd ................................................................................ 154 4.5. Aantal meermaals gemelde kinderen en kinderen met een meldingshistoriek............................. 154 4.6. Aantal gemelde kinderen per 10 000 minderjarigen....155 4.7. Geregistreerde problematieken ............................................. 156
1. Aantal gezinnen met kinderen, naar vorm en aantal kinderen.........................................................................................163 2. Gegevens over het Groeipakket op gezinsniveau............167 3. Werksituatie van ouders met kinderen..................................169 3.1. Impact van kinderen op de werksituatie van mannen en vrouwen .....................................................................169 3.2. Vergelijking van de werksituatie van vaders en moeders ........................................................................................ 171 4. Inkomenssituatie gezinnen..............................................................175
Hoofdstuk 1 ����������������������������������������������������������������������������������������������������������184 Hoofdstuk 2 ���������������������������������������������������������������������������������������������������������185 Hoofdstuk 3 ����������������������������������������������������������������������������������������������������������186 Hoofdstuk 4 ��������������������������������������������������������������������������������������������������������� 187 Hoofdstuk 5 ��������������������������������������������������������������������������������������������������������� 189 Hoofdstuk 6 ��������������������������������������������������������������������������������������������������������� 189 Hoofdstuk 7 ����������������������������������������������������������������������������������������������������������190 Hoofdstuk 8 ����������������������������������������������������������������������������������������������������������191
10
11
HOOFDSTUK 1
DE KINDERBEVOLKING
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
en scholen. We volgen dan ook op hoeveel kinderen er per leeftijdsklasse zijn en wat de voorspellingen zijn qua geboorten en kindaantallen.
Evoluties in geboorten, vruchtbaarheid en leeftijdscohorten hebben heel snel gevolgen voor de dienstverlening aan jonge kinderen en voor het aanbod aan plaatsen in kinderopvang
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen en grafieken: 1.1 Evolutie geboortecijfer Kind en Gezin naar provincie .................................................................................................................................................15 1.2 Evolutie officiële geboortecijfers en geboortecijfer Kind en Gezin .......................................................................................................................16 1.3 Internationale situering geboortecijfer................................................................................................................................................................................. 17 1.4 Vooruitzichten officieel geboortecijfer .................................................................................................................................................................................18 1.5 Geboorten naar pariteit ................................................................................................................................................................................................................19 1.6 Geboorten naar leeftijd van de moeder ............................................................................................................................................................................ 20 1.7 Evolutie van het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd ..........................................................................................................................................21 1.8 Evolutie totale vruchtbaarheidscijfer naar nationaliteit ..........................................................................................................................................22 1.9 Totale vruchtbaarheidscijfer naar provincie en nationaliteit ...............................................................................................................................23 1.10 Evolutie leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers .......................................................................................................................................................24 1.11 Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers naar nationaliteit, 2020 ..................................................................................................................25 1.12 Internationale situering totale vruchtbaarheidscijfer................................................................................................................................................26 1.13 Aantal kinderen naar leeftijdsklasse ..................................................................................................................................................................................... 27 1.14 Evolutie aantal kinderen per leeftijdscategorie .............................................................................................................................................................28 1.15 Voorspelde evolutie aantal kinderen ....................................................................................................................................................................................29 1.16 Evolutie aantal geadopteerde kinderen ..............................................................................................................................................................................30 1.17 Geadopteerde kinderen naar land van herkomst ......................................................................................................................................................... 31 1.18 Aantal kinderen in het wachtregister...................................................................................................................................................................................32
1 De kinderbevolking
1. AANTAL GEBOORTEN 1.1. Het geboortecijfer volgens Kind en Gezin In tabel 1.1 geven we de evolutie van het geboortecijfer volgens Kind en Gezin voor het Vlaamse Gewest en per provincie. We vergelijken de geboortecijfers van 2019 en 2020 per provincie met het geboortecijfer van 2001 (het startjaar van de Kind en Gezin-statistiek) en met het geboortecijfer van 2010 (het jaar met het hoogste geboortecijfer sinds de registratie door Kind en Gezin). In 2020 registreert Kind en Gezin 63 611 geboorten bij moeders met een woonplaats in het Vlaamse Gewest.
van de ouders en ongeacht waar ze werden geboren. Het officiële geboortecijfer wordt opgemaakt op basis van geboorten bij personen die officieel in Vlaanderen wonen. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
Dit hoofdstuk bevat data geregistreerd en berekend door Kind en Gezin, officiële cijfers van het Rijksregister en prognoses van het Planbureau en Statbel. Het geboortecijfer van Kind en Gezin omvat alle geboorten bij moeders die in het Vlaamse Gewest wonen, ongeacht het verblijfsstatuut
14
Dat zijn er 1087 minder dan in 2019 of een daling met 1,7%. In de provincies Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen neemt het geboortecijfer in 2020 toe met 0,3% en 0,1%, in de andere provincies daalt het. De daling is het sterkst in Limburg (met 4%) en Antwerpen (met 3,8%). Het aandeel van de provincie Antwerpen in het totale geboortecijfer bedraagt wel nog 30,4% in 2020. Als we de provinciale geboortecijfers van 2020 vergelijken met die van 2010, dan zien we dat er in elke provincie aanzienlijk minder kinderen geboren worden dan 10 jaar geleden. In bijna alle provincies, behalve Vlaams-Brabant
(-4,9%), worden er in 2020 meer dan 9% minder kinderen geboren dan in 2010. In Limburg bedraagt de daling zelfs 16,8%. Voor het Vlaamse Gewest daalt het geboortecijfer met 10,6% (7575 kinderen) t.o.v. 2010. In Limburg en West-Vlaanderen worden in 2020 minder kinderen geboren dan in 2001, in de andere provincies worden er nog steeds meer kinderen geboren dan in 2001 (in Antwerpen zelfs 9,2% meer). Het geboortecijfer van 2020 ligt 2,8% hoger dan dat van 2001, maar ligt wel onder het niveau van 2004 (63 843).
1.1 Evolutie geboortecijfer Kind en Gezin naar provincie
Antwerpen
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2001
2010
2019
2020
% evolutie 2001-2020
% evolutie 2010-2020
% evolutie 2019-2020
17 720
21 748
20 130
19 356
9,2
-11,0
-3,8
Limburg
8 061
9 092
7 876
7 563
-6,2
-16,8
-4,0
Oost-Vlaanderen
14 371
16 584
14 603
14 615
1,7
-11,9
0,1
Vlaams-Brabant
10 662
11 875
11 251
11 289
5,9
-4,9
0,3
West-Vlaanderen
11 037
11 887
10 838
10 788
-2,3
-9,2
-0,5
Vlaams Gewest
61 851
71 186
64 698
63 611
2,8
-10,6
-1,7
1.1 Evolutie aantal levend geborenen dat bij geboorte woont in het Vlaamse Gewest per provincie Bron: Ikaros/Mirage - registratiesystemen Kind en Gezin
15
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.2. Vergelijking van administratieve geboortecijfers met het geboortecijfer van Kind en Gezin In 2019 waren er volgens het officiële geboortecijfer 63 721 geboorten in het Vlaamse Gewest. Dat waren er 615 minder dan in 2018 (-1%). Statbel publiceerde in april 2021 een voorlopig geboortecijfer voor 2020 (63 055) en gaat dus net zoals Opgroeien uit van een verdere daling van het aantal geboorten. In het officiële geboortecijfer zitten de geboorten bij personen in het wachtregister (zoals asielzoekers) niet verrekend. In 2019 werden er
291 geboorten geregistreerd in het wachtregister, in 2020 289. Daarom geven we in grafiek 1.2 de evolutie weer van drie soorten geboortecijfers: het geboortecijfer van Kind en Gezin, het officiële cijfer en de som van het officiële cijfer en het aantal geboorten volgens het wachtregister (gegevens bij Opgroeien beschikbaar vanaf 2010). De grafiek toont aan dat de evolutie van het geboortecijfer van Kind en Gezin sterk gelijkloopt met die van het officiële geboortecijfer. We zien – globaal beschouwd – een stijgende trend van 2003 tot 2010, waarna de geboortecijfers jaar na jaar beginnen af te nemen, op enkele kleine stijgingen in 2016 (zowel
bij Kind en Gezin, als in de officiële cijfers) en 2018 (enkel bij geboortecijfer Kind en Gezin) na.
1.3. Internationale situering van de evolutie van het officiële geboortecijfer
We zien dat Kind en Gezin vaak iets meer geboorten telt dan er geregistreerd worden door het Rijksregister en het wachtregister samen. Dat verschil tussen het geboortecijfer van Kind en Gezin en het geboortecijfer van het Rijksregister heeft te maken met het feit dat in de geboorteregistratie van Kind en Gezin – naast de geboorten van kinderen in het wachtregister – ook kinderen van illegaal verblijvende personen opgenomen zijn en dat inwijkelingen niet altijd onmiddellijk administratief ingeschreven worden.
In tabel 1.3 wordt de relatieve evolutie van het geboortecijfer per land en per jaar weergegeven voor de periode 20162019. De landen staan geordend volgens omvang van de evolutie in de periode 2018-2019.
1.2 Evolutie officiële geboortecijfers en geboortecijfer Kind en Gezin (1) 80 000 75 000
71 186
70 000 65 000
65 257
64 698
61 851
63 611
60 000 55 000 50 000 2001
2002
2003
Kind en Gezin
2004
Statbel
2005
2006
2007
2008
2009
2010
Statbel en wachtregister
1.2 Aantal levend geborenen dat bij geboorte woont in het Vlaamse Gewest sinds 2001 Bronnen: Ikaros/Mirage - registratiesystemen Kind en Gezin Statbel, Bevolkingsstatistieken FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking Rijksregister (1) Het geboortecijfer van Statbel voor 2020 is een voorlopig cijfer
2011
2012
2013
1 De kinderbevolking
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
In slechts 2 van de EU-27-landen (Cyprus en Nederland) werden er in 2019 meer kinderen geboren dan in 2018. In de andere landen (waaronder België, daling met 1%) nam het aantal geboorten af. In 17 landen was de daling groter dan in België. In Italië daalde het geboortecijfer het sterkst met 4,5%. 11 andere landen kennen – net zoals België – een aanhoudende daling van het geboortecijfer in de periode 20162019. Ten opzichte van landen als Italië, Finland, Spanje en Griekenland is de aanhoudende daling in België wel beperkter.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.3 Internationale situering geboortecijfer 2016-2017
2018-2019
Cyprus
-2,4
1,1
2,3
Nederland
-1,6
-0,8
0,7
Hongarije
-0,7
-1,2
-0,4
Denemarken
-0,4
0,1
-0,5
Portugal
-1,1
1,0
-0,5
Oostenrijk
0,0
-2,4
-0,7
Frankrijk
-1,8
-1,4
-0,7
Luxemburg
2,0
1,6
-0,7
Vlaams Gewest
-2,3
-0,3
-1,0
Slovakije
0,7
-0,6
-1,0
België
-1,8
-1,1
-1,0
Bulgarije
-1,6
-2,7
-1,1
Zweden
-1,7
0,4
-1,1
Duitsland
-0,9
0,3
-1,2
Slovenië
-0,5
-3,2
-1,3
Roemenië
2,3
-3,7
-1,5
Tsjechië
1,5
-0,3
-1,6
Estland
-1,9
4,2
-1,9
Malta
-3,5
2,9
-2,1
Kroatië
-2,6
1,1
-2,2
Litouwen
-6,3
-1,9
-2,7
Letland
-5,2
-7,3
-2,7
Ierland
-3,2
-1,3
-2,8
Griekenland
-4,7
-2,4
-3,1
Spanje
-4,3
-5,2
-3,3
Polen
5,2
-3,4
-3,4
Finland
-4,7
-5,5
-4,1
Italië
-3,2
-4,0
-4,5
1.3 Jaarlijkse evolutie geboortecijfers in EU-27-landen - 2016-2019 Bronnen: Statbel, Bevolkingsstatistieken Eurostat, website
16
2017-2018
17
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.4. Vergelijking van het feitelijke aantal en het voorspelde aantal geboorten
2030 en schetst voor 2017-2020 ook het waargenomen aantal geboorten.
Het Federaal Planbureau en Statbel maken periodiek bevolkingsprognoses op aan de hand van waargenomen gegevens en assumpties over migratie, sterfte en vruchtbaarheid. Nadien actualiseren ze die vooruitzichten. De meest recente actualisatie dateert van februari 2021. Grafiek 1.4 geeft zowel de vorige als de geactualiseerde ramingen weer tot
De grafiek maakt verschillende voorspellingen visueel. De vorige prognose (2019-2030) overschatte het waargenomen geboortecijfer 2019 en het voorlopige cijfer voor 2020. Voor de periode 2020-2030 rekende die prognose op een jaarlijkse toename van het aantal geboorten tot 2025. Nadien zou het geboortecijfer jaarlijks in beperkte mate dalen tot 2030. Voor 2030 werden 68 206 geboorten voorspeld.
De grafiek toont ook aan dat het geboortecijfer volgens de nieuwe voorspellingen 2020-2030 daalt in 2021 om vanaf 2022 opnieuw toe te nemen. De nieuwste voorspellingen voor de periode 2020-2030 liggen wel aanzienlijk lager dan de vorige ramingen (periode 2019-2030). Toen voorspelde het Federaal Planbureau vanaf 2020 jaarlijks meer dan 66 000 geboorten. In de meest recente ramingen verwacht men om pas in 2030 terug boven de 66 000 geboorten uit te komen (66 141).
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. DEMOGRAFISCHE KENMERKEN VAN DE IN 2020 GEBOREN KINDEREN
Er worden in 2020 meer jongens dan meisjes geboren (50,9% versus 49,1%).
58,8% van de eerste kinderen heeft een moeder onder de 30 jaar, 10,3% een moeder die 35 jaar of ouder was bij de geboorte van haar eerste kind. Bij de volgende kinderen ligt het aandeel met een moeder van 35 jaar of ouder hoger (24,5%).
Als we de leeftijd van de moeder vanuit kindperspectief weergeven, dan zien we dat 71,8% van de kinderen bij geboorte een moeder heeft tussen 25 en 35 jaar. 1% van de in 2020 geboren kinderen
44,7% van de kinderen is het eerste kind van de moeder. Dat aandeel is licht toegenomen t.o.v. 2019.
1.4 Vooruitzichten officieel geboortecijfer (1)
heeft een moeder onder de 20 jaar, 3,3% van de kinderen heeft een moeder ouder dan 40 jaar (zie tabel 1.6). Sinds 2015 is het aandeel kinderen met een moeder onder de 30 jaar bij de geboorte afgenomen met 4 procentpunten (van 47,7% naar 43,8%).
Als we de pariteit meer in detail bekijken, dan zien we dat 1 op de 5 (19,9%) borelingen pariteit 3 of meer heeft, een beperkte daling t.o.v. 2019. In Oost-Vlaanderen wordt het hoogste aandeel (46,7%) eerste kinderen geboren, in Antwerpen ligt dat aandeel het laagst (42,4%). Antwerpen kent daarentegen wel het hoogste aandeel (22,9%) kinderen van pariteit 3, 4 én 5 of meer.
We drukken in tabellen 1.5 en 1.6 de percentages uit voor alle kinderen voor wie het kenmerk door Kind en Gezin geregistreerd werd. Het aantal ontbrekende waarden is quasi nihil voor geslacht en beperkt voor leeftijd van moeder (0,2%) en voor pariteit (2,8%). De percentages kunnen dus bijna als populatiegegevens beschouwd worden.
80 000 75 000 63 721
70 000
63 565
66 141
1.5 Geboorten naar pariteit 2019
65 000
Pariteit
2020
Vlaams Gewest
Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
Vlaams Gewest
60 000
1
44,2
42,4
46,0
46,7
43,6
46,0
44,7
55 000
2
35,5
34,6
36,3
34,7
36,7
36,1
35,4
3
12,8
13,4
11,7
12,1
13,1
11,8
12,6
4
4,7
5,3
3,9
4,0
4,4
3,7
4,4
50 000
2017
2018
2019
Vooruitzichten 2019-2030
2020
2021
2022
2023
Werkelijke aantal geboorten
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Nieuwe vooruitzichten 2020-2030
1.4 Officieel geboortecijfer (1): vorige vooruitzichten 2019-2030, nieuwe vooruitzichten 2020-2030 en vergelijking met het werkelijke aantal geboorten voor 2017-2020 - Vlaams Gewest Bronnen: Federaal Planbureau en Statbel, Demografische vooruitzichten 2019-2060 Federaal Planbureau en Statbel, Demografische vooruitzichten 2020-2060 (1) Het geboortecijfer van Statbel voor 2020 is een voorlopig cijfer
18
5 of meer Totaal
2,9
4,3
2,2
2,5
2,1
2,4
2,9
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
1.5 Aandeel levend geboren kinderen naar pariteit per provincie - 2019-2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
19
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.6 Geboorten naar leeftijd van de moeder 2019
240 000
2020
Leeftijdscategorie van de moeder
Alle kinderen (1)
Eerste kind
Volgende kind
Alle kinderen (1)
Eerste kind
Volgende kind
Alle kinderen (1)
Onder de 20 jaar
1,3
1,9
0,3
1,1
1,8
0,3
1,0
Tussen 20 en 25 jaar
11,1
13,6
5,5
9,1
13,5
5,3
9,0
Tussen 25 en 30 jaar
35,3
44,2
26,5
34,3
43,5
26,0
33,8
Tussen 30 en 35 jaar
35,1
29,7
42,8
37,0
30,9
44,0
38,1
Tussen 35 en 40 jaar
14,0
8,8
20,4
15,3
8,5
19,9
14,9
Tussen 40 en 45 jaar
2,6
1,6
4,1
3,0
1,7
4,3
3,1
Ouder dan 45 jaar
0,5
0,2
0,3
0,3
0,1
0,2
0,2
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
1.6 Aandeel levend geboren kinderen naar leeftijd van de moeder bij geboorte - Vlaams Gewest - 2015, 2019 en 2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Inclusief kinderen van wie de rang niet geregistreerd werd
Een mogelijke verklaring voor de daling van het geboortecijfer is het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd. Hoe minder vrouwen op vruchtbare leeftijd, hoe minder geboorten er kunnen zijn. We bekijken daarom in grafiek 1.7 de evolutie van het aantal vrouwen in de 4 meest vruchtbare leeftijdsklassen voor de periode 2008-2020. Als we 2019 met 2020 vergelijken, zien we dat er in 2020 meer vrouwen tussen 20 en 40 jaar zijn dan in 2019 (+2103), doordat de stijging van het aantal vrouwen in de leeftijdsklassen 20 tot 25 jaar en
30 tot 35 jaar samen groter is dan de daling van het aantal vrouwen in de leeftijdsklassen 25 tot 30 jaar en 35 tot 40 jaar. Er is evenwel geen toename van het geboortecijfer. Dat er niet altijd een zuiver verband is tussen het aantal vrouwen en het aantal geboorten stelden we vroeger ook al vast. Voor 2010 bv. zien we dat er 28 732 vrouwen tussen 20 en 40 jaar minder waren dan in 2020, maar dat er volgens Kind en Gezin 7575 geboorten meer waren. In punt 3.2. bespreken we daarom andere cijfers die een licht kunnen werpen op de evolutie van het geboortecijfer. We bekijken het aantal kinderen per vrouw en evoluties
20
220 000 200 000 180 000 160 000 2008
2009
20-25 jaar
2010
25-30 jaar
2011 30-35 jaar
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
35-40 jaar
1.7 Evolutie van het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd - Vlaams Gewest - 2008-2020 Bron: Statbel, Bevolkingsstatistieken - bewerkt door Opgroeien
3. ACHTERGRONDGEGEVENS EN DUIDING BIJ DE EVOLUTIE VAN HET GEBOORTECIJFER 3.1. Het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.7 Evolutie van het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd
2015
Totaal
1 De kinderbevolking
in de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen.
3.2. De vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest Het aantal geboorten wordt niet alleen bepaald door het aantal vrouwen op vruchtbare leeftijd, maar ook door de mate waarin vrouwen in een bepaald kalenderjaar kinderen krijgen. We gaan dat na aan de hand van vruchtbaarheidscijfers. De totale vruchtbaarheid (TVC) drukken we uit in aantal kinderen per vrouw. Eigenlijk is dat een virtueel aantal kinderen dat per vrouw geboren zou worden, omdat het de optelsom is van de leeftijdsspecifieke
vruchtbaarheidscijfers die in een bepaald kalenderjaar worden vastgesteld, terwijl vrouwen kinderen krijgen in de loop van meerdere kalenderjaren. Hoewel Statbel ook vruchtbaarheidscijfers op basis van de officiële geboortecijfers publiceert, zijn de vruchtbaarheidscijfers in deze paragraaf berekend op basis van de geboortegegevens van Kind en Gezin, omdat ze sneller beschikbaar zijn.
3.2.1. Het totale vruchtbaarheidscijfer Totale vruchtbaarheidscijfer (TVC) bedraagt 1,56 kinderen per vrouw in 2020 In Vlaanderen schommelde het TVC tussen 1985 en 2000 rond de 1,5 kinderen
per vrouw. Dat een deel van die lage vruchtbaarheid te wijten was aan uitstel van het ouderschap, bleek uit de stijgende vruchtbaarheidscijfers voor 30-plussers. Tussen 2001 en 2008 steeg het TVC in het Vlaamse Gewest van 1,5 naar 1,8 kinderen per vrouw (zie tabel 1.8). Die stijging was bovendien niet alleen het gevolg van de verdere stijging van de vruchtbaarheid van 30-plussers of m.a.w. van de recuperatie van uitgestelde geboorten, maar ging ook gepaard met een stijging van de vruchtbaarheid van vrouwen onder de 30 jaar. Die stijgende trend was echter in België en Vlaanderen van korte duur. Sinds 2014 kennen we – ondanks een lichte toename in 2019 – globaal bekeken een dalende trend in het TVC. In 2020 bedraagt het TVC 1,56 kinderen per vrouw. Het is van
21
begin jaren 2000 geleden dat het TVC nog op dat niveau lag. Op basis van de gegevens van Kind en Gezin kunnen we aparte vruchtbaarheidscijfers berekenen voor vrouwen met de Belgische nationaliteit en voor vrouwen met een andere nationaliteit. De cijfers uit tabel 1.8 tonen aan dat het vruchtbaarheidscijfer van niet-Belgische vrouwen heel wat hoger ligt dan dat van Belgische vrouwen (2,32 versus 1,45). Ten opzichte van 2019 daalde het TVC zowel voor Belgische als niet-Belgische vrouwen. Het verschil in vruchtbaarheid tussen Belgische vrouwen en niet-Belgische vrouwen is in 2020 opnieuw kleiner geworden. In 2001 kregen vrouwen met een
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.8 Evolutie totale vruchtbaarheidscijfer naar nationaliteit Belgische vrouwen
Niet-Belgische vrouwen
Totaal
2001
1,42
2,89
1,51
2005
1,60
3,02
1,69
2006
1,64
3,04
1,74
2007
1,66
3,05
1,76
2008
1,72
2,98
1,82
2009
1,71
2,71
1,80
2010
1,66
3,18
1,80
2011
1,64
2,82
1,76
2012
1,64
2,84
1,77
2013
1,61
2,75
1,73
2014
1,60
2,69
1,72
2015
1,54
2,56
1,66
2016
1,55
2,58
1,66
2017
1,48
2,50
1,60
2018 (1)
1,43
2,62
1,58
2019
1,48
2,40
1,60
2020
1,45
2,32
1,56
1.8 Totale vruchtbaarheidscijfer naar nationaliteit in het Vlaamse Gewest sinds 2001 Bronnen: Van Bavel J. & Nomes E., De recente evolutie van de vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest: 2014-2015 2016-2020: Opgroeien, eigen berekeningen op basis van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) We beschouwen de vruchtbaarheidscijfers per nationaliteit voor 2018 als onvolledig omdat de registratie over de nationaliteit van de moeder dat jaar minder volledig was. Evoluties van 2018 naar 2019 in het TVC per nationaliteit moeten dus voorzichtig geïnterpreteerd worden
22
niet-Belgische nationaliteit 1,47 kinderen meer dan vrouwen met de Belgische nationaliteit. In 2020 bedraagt dat verschil nog 0,87.
3.2.2. De totale vruchtbaarheid naar provincie Opmerkelijke verschillen, vooral qua vruchtbaarheidscijfers voor niet-Belgische vrouwen Het totale vruchtbaarheidscijfer verschilt tussen de provincies. In 2020 ligt het TVC het laagst in Limburg (1,46) en het hoogst in de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant (1,61). Het TVC daalt – met uitzondering van Vlaams-Brabant – in 2020 in alle provincies, maar de daling is duidelijk sterker in Antwerpen en Limburg. Wanneer we ons beperken tot Belgische vrouwen is de vruchtbaarheid in 2020 het laagst in Oost-Vlaanderen en Limburg (beide 1,41) en het hoogst in Vlaams-Brabant (1,53). Bij vrouwen van niet-Belgische nationaliteit ligt de vruchtbaarheid het hoogst in West-Vlaanderen (2,68) en het laagst in Limburg (1,84). Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het TVC voor niet-Belgische vrouwen in Limburg daalde van 2,13 in 2019 naar 1,84 in 2020. Vlaams-Brabant is de enige provincie waar het TVC bij nietBelgen is toegenomen t.o.v. 2019.
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.9 Totale vruchtbaarheidscijfer naar provincie en nationaliteit 2019
2020
Totaal
Belg
Niet-Belg
Totaal
Antwerpen
1,68
1,44
2,48
1,61
Vlaams-Brabant
1,61
1,53
2,05
1,61
West-Vlaanderen
1,60
1,48
2,68
1,59
Oost-Vlaanderen
1,52
1,41
2,41
1,51
Limburg
1,51
1,41
1,84
1,46
Vlaams Gewest
1,60
1,45
2,32
1,56
1.9 Totale vruchtbaarheidscijfer naar provincie en naar nationaliteit van de moeder in het Vlaamse Gewest - 2019-2020 Bron: Opgroeien, eigen berekeningen op basis van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
3.2.3. De vruchtbaarheid naar de leeftijd van de moeder Vruchtbaarheidscijfers van 30- tot 35-jarigen liggen opnieuw het hoogst, vruchtbaarheid vrouwen 20 tot 29 jaar opnieuw historisch laag Het TVC van een bepaald kalenderjaar wordt niet alleen bepaald door het aantal kinderen dat vrouwen tijdens hun leven krijgen, maar ook door het moment waarop. De invloed van het moment waarop vrouwen kinderen krijgen op het TVC valt goed af te leiden uit de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (LVC). Grafiek 1.10 geeft de evolutie weer van die leeftijdsspecifieke cijfers sinds 1971.
In het begin van de jaren 1970 werden er per 100 vrouwen van 20 tot 25 jaar nog 12 à 14 kinderen geboren. In de periode 2000-2010 waren dat er nog ongeveer 5 (zie grafiek 1.10). Het aantal geboorten per 100 vrouwen van die leeftijd daalde in het Vlaamse Gewest verder naar 3,1 in 2020. Dat is het laagste peil ooit en net zoals in 2019 opmerkelijk lager dan de vruchtbaarheid bij 35- tot 40-jarige vrouwen (4,5 kinderen per 100 vrouwen). De vruchtbaarheid van 25- tot 30-jarige vrouwen vertoonde lang geen systematisch dalende trend. Tussen 2003 en 2008 was de vruchtbaarheid bij 25- tot 30-jarige vrouwen wel aan het stijgen. Aan die stijging is sinds 2010 een einde gekomen. Het aantal
23
geboorten per 100 vrouwen daalde in die leeftijdscategorie van 13,6 in 2010 tot 10,5 in 2020, wat het laagste naoorlogse vruchtbaarheidscijfer voor die leeftijdsklasse is. Het vruchtbaarheidscijfer voor vrouwen van die leeftijd ligt sinds 2017 lager dan dat van vrouwen tussen 30 en 35 jaar. Vanaf 1985 vertaalde het uitstel van ouderschap zich in systematisch stijgende vruchtbaarheidscijfers voor 30-plussers. Die evolutie ging systematisch door tot in 2010. Vanaf dan vertonen de vruchtbaarheidscijfers van 30- tot 35-jarigen een grillig patroon. Sinds 2017 kennen de vrouwen van die leeftijdsklasse wel de hoogste vruchtbaarheidscijfers.
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
De evolutie van de leeftijdsspecifieke cijfers toont aan dat er meer zit achter de schommelingen van het TVC dan men op het eerste gezicht zou denken.
In 2020 worden er in die leeftijdsklasse 11,9 kinderen geboren per 100 vrouwen. Ten opzichte van 2019 blijft het LVC voor vrouwen van 30 tot 35 jaar op hetzelfde niveau, waar we in de andere leeftijdsklassen wel dalingen zien.
We kunnen de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers van vrouwen ook bekijken naar de nationaliteit van de moeder. In grafiek 1.11 zien we dat de curve voor Belgische vrouwen sterk afwijkt van de curve van vrouwen met een andere nationaliteit. De vruchtbaarheid van vrouwen met een andere nationaliteit
De vruchtbaarheid bij 35- tot 40-jarige vrouwen neemt niet meer verder toe in 2020, het daalt lichtjes tot 4,5 geboorten per 100 vrouwen. Het vruchtbaarheidscijfer voor die leeftijdsklasse ligt sinds 2013 hoger dan bij de vrouwen tussen 20 en 25 jaar.
ligt op de meeste leeftijden hoger dan die van Belgische vrouwen. Enkel bij vrouwen tussen 29 en 31 jaar zien we dat Belgische vrouwen meer kinderen krijgen. Het is voornamelijk in de jongere leeftijdsklassen (20-26 jaar) dat de vruchtbaarheid voor niet-Belgen aanzienlijk hoger ligt. De vruchtbaarheid is ook ruimer gespreid over uiteenlopende leeftijden dan bij Belgische vrouwen, wat o.a. het gevolg is van de grote culturele en demografische heterogeniteit van de bevolking met een andere nationaliteit.
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.11 Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers naar nationaliteit, 2020 20 18 16 14 12 10 8 6 4 2 0 15
1.10 Evolutie leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (1)
14
Belgen
5,2
5,1
4
50
Niet-Belgen
10,5
3.2.4. Rangspecifieke vruchtbaarheidscijfers
4,5
De vruchtbaarheidscijfers kunnen ook per rang worden berekend. Uit nietopgenomen cijfers weten we dat de daling van het TVC sinds 2010 vooral te maken heeft met een daling van eerste en (in mindere mate) tweede geboorten. De daling van het TVC t.o.v. 2019 is te wijten aan de afname van het
4,0
3,5
3,1 1,2
20-24 jaar
45
12,0
7,4
1971
40
11,9 9,7
8
0
35
13,6
14,4
10
2
30
1.11 Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers van vrouwen naar nationaliteit in het Vlaamse Gewest, 2020 - aantal kinderen per 100 vrouwen Bronnen: Van Bavel J. & Nomes E., De recente evolutie van de vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest: 2014-2015. Gebaseerd op gegevens van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin 2016-2020: Opgroeien, eigen berekeningen op basis van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
13,9
12
6
25
Leeftijd moeder
18 16 15,3
20
1976 25-29 jaar
1981
1986
30-34 jaar
1991
1996
2001
2006
2011
2016
2020
35-39 jaar
1.10 Evolutie van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers in het Vlaamse Gewest tussen 1971 en 2020 - aantal kinderen per 100 vrouwen Bronnen: Van Bavel J. & Nomes E., De recente evolutie van de vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest: 2014-2015. Gebaseerd op gegevens van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin 2016-2020: Opgroeien, eigen berekeningen op basis van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Voor 2009 werden geen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers berekend op basis van de data van Kind en Gezin
24
vruchtbaarheidscijfer voor alle rangen, maar in het bijzonder voor geboorten van tweede en derde rang (en hoger). In 2020 brachten vrouwen duidelijk iets minder eerstgeborenen voort dan in 2019. Er zijn echter verschillen per leeftijdsklasse. In 2020 brachten twintigers (relatief beschouwd) minder eerstgeborenen voort dan in 2019, dertigers kregen wel meer een eerste
25
kind. Hetzelfde patroon doet zich voor bij de geboorten van rang 2. De vruchtbaarheidscijfers voor derde en hogere geboorterangen nemen daarentegen zowel voor de twintigers als voor de dertigers af.
1 De kinderbevolking
3.2.5. Internationale situering van het vruchtbaarheidscijfer Het TVC ligt het hoogst in Frankrijk met 1,86 kinderen per vrouw (zie tabel 1.12). In Roemenië, Ierland, Zweden en Tsjechië ligt het TVC in 2019 hoger dan 1,70 kinderen per vrouw. In Italië, Spanje en Malta ligt het TVC het laagst. Het verschil tussen de landen met hoge en lage vruchtbaarheid is aanzienlijk. Het Vlaamse Gewest sluit aan bij de EU-landen met een relatief hoog TVC. In 2019 ligt het vruchtbaarheidscijfer van het Vlaamse Gewest hoger dan dat van België. Wanneer we het vruchtbaarheidscijfer relateren aan het vervangingsniveau dat nodig is om een samenleving op peil te houden en wanneer we daarbij abstractie maken van de bijdrage van migraties, dan stellen we vast dat geen enkel EU-27-land het vervangingsniveau van 2,1 kinderen per vrouw haalt.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4. AANTAL KINDEREN 1.12 Internationale situering totale vruchtbaarheidscijfer Frankrijk
1,86
Roemenië
1,77
Ierland
1,71
Zweden
1,71
Tsjechië
1,71
Denemarken
1,70
Estland
1,66
Slovenië
1,61
Letland
1,61
Litouwen
1,61
Vlaams Gewest
1,60
Bulgarije
1,58
België
1,58
(1)
Nederland
1,57
Slovakije
1,57
Hongarije
1,55
Duitsland
1,54
Kroatië
1,47
Oostenrijk
1,46
Polen
1,44
4.1. Evolutie aantal kinderen (‘de jure’-bevolking)
zien we dat de groep kinderen onder de 3 jaar (-5,8%) aanzienlijk is gedaald. Er is in 2020 een toename van het aantal kinderen tussen 3 en 6 jaar (+4,4%) en een grote stijging van het aantal kinderen tussen 6 en 12 jaar (+14,9%). Het aantal kinderen tussen 12 en 18 jaar stijgt beperkt met 1,1% t.o.v. 2010. In totaal zien we dat er in 2020 4,9% minderjarigen meer zijn dan in 2010. Die stijging vertaalt zich echter niet in een stijging van het aandeel minderjarigen in de populatie. Kinderen onder de 18 jaar maken in 2020 19,4% van de Vlaamse bevolking uit, in 2010 lag het aandeel iets hoger.
Afname aantal kinderen onder de 6 jaar, maar nog blijvende toename aantal kinderen onder de 18 jaar De evolutie van het aantal kinderen verschilt naargelang de leeftijdsgroep. Volgens de cijfers van het Rijksregister is er een afname van 2269 kinderen (-1,1%) onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest t.o.v. 2019. Het aantal 3- tot 6-jarigen daalt eveneens (-744 kinderen, -0,4%). Het aantal kinderen van 6 tot 12 jaar stijgt wel (+0,4%), net zoals de groep jongeren van 12 tot 18 jaar (+9059 kinderen, +2,2%). Voor de totale groep kinderen onder de 18 jaar komt dat neer op een stijging met 7881 kinderen (+0,6%). Vergelijken we die cijfers met 2010 dan
Als we de evolutie van het aantal kinderen weergeven in een ruimer tijdsperspectief (zie grafiek 1.14), zien we dat die bevolkingsgroep sinds 2005 nooit groter was dan in 2020. Vooral vanaf
2009 doet er zich een sterke stijging van het aantal kinderen voor. De stijging van het geboortecijfer van 2003 t.e.m. 2010 vormt daar de belangrijkste verklaring voor. Hoewel het totale aantal kinderen onder de 18 jaar blijft toenemen, doen er zich per leeftijdsklasse wel verschillende evoluties voor. De omvang van de jongste leeftijdscategorie neemt nu voor het achtste jaar op rij af en ook het aantal 3- tot 6-jarigen is opnieuw (voor het zesde jaar op rij) afgenomen. Bij de oudste leeftijdscategorieën stijgen de aantallen wel. Vooral de leeftijdscategorie tussen 6 en 12 jaar kende de afgelopen jaren een sterke toename (meer dan 56 000 kinderen meer dan in 2010). Sinds 2017 groeit de leeftijdscategorie 12 tot 18 jaar opnieuw aan, nadat er in de periode 2006-2016 10 jaar op rij een daling was in die leeftijdscategorie.
Portugal
1,43
Finland
1,35
Luxemburg
1,34
Griekenland
1,34
Cyprus
1,33
Italië
1,27
Spanje
1,23
Malta
1,14
Van 12 tot 18 jaar
424 092
419 680
428 739
6,78
6,37
6,47
Totaal
1 225 426
1 277 456
1 285 337
19,60
19,39
19,39
1.12 Totale vruchtbaarheidscijfer per vrouw in de EU-27-landen - 2019 Bronnen: Eurostat, website Opgroeien, eigen berekeningen op basis van Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Voorlopig cijfer
26
1.13 Aantal kinderen naar leeftijdsklasse Aantal
Aandeel in de bevolking
2010
2019
2020
2010
2019
2020
Onder de 3 jaar
208 098
198 320
196 051
3,33
3,01
2,96
Van 3 tot 6 jaar
201 332
210 866
210 122
3,22
3,20
3,17
Van 6 tot 12 jaar
391 904
448 590
450 425
6,27
6,81
6,79
1.13 Aantal kinderen in het Vlaamse Gewest en procentueel aandeel in de bevolking (op 1 januari) - ‘de jure’-bevolking Bron: Statbel, Bevolkingsstatistieken
27
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Tot 2026 (niet-opgenomen cijfer) zal het aantal jongeren tussen 12 en 18 jaar blijven toenemen, daarna zal het aantal beginnen te dalen. In 2025 zullen er wel nog 40 293 jongeren tussen de 12 en 18 jaar meer zijn dan in 2020.
Volgens de projecties zou het aantal kinderen onder de 3 jaar in het Vlaamse Gewest t.e.m. 2024 dalen. Vanaf 2029 (niet-opgenomen cijfer) zou het aantal weer hoger liggen dan in 2020 en zou het verder toenemen. Tegen 2030 voorspelt men een toename van 2636 kinderen onder de 3 jaar.
1.14 Evolutie aantal kinderen per leeftijdscategorie 1 400 000 1 300 000 1 200 000 1 100 000 1 000 000 900 000
Hoewel de vooruitzichten dus zeker niet voor elke leeftijdscategorie een aanhoudende groei tot 2025 voorspellen, is dat wel het resultaat als we naar alle kinderen onder de 18 jaar kijken. Voor 2025 verwacht men voor het Vlaamse Gewest 1 297 673 kinderen van 0 tot 18 jaar, dat zijn er 12 336 meer dan in 2020. De stijging zet zich wel niet verder door, want in 2030 ligt het verwachte aantal minderjarigen opnieuw lager dan in 2020 (-4082).
Het aantal 3- tot 6-jarigen zal volgens de prognoses grosso modo aanhoudend dalen t.e.m. 2027. Enkel in 2024 is er sprake van een toename, om nadien weer te dalen. Vanaf 2025 wordt verwacht dat er 9135 minder kinderen zijn in de leeftijdscategorie 3 tot 6 jaar, in 2030 zullen er nog 7983 kinderen van 3 tot 6 jaar minder zijn dan in 2020.
800 000 700 000 600 000 500 000 400 000 300 000 200 000 100 000 0
1 De kinderbevolking
2005
2006
0 tot 3 jaar
2007
2008
3 tot 6 jaar
2009
2010
6 tot 12 jaar
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Op Vlaams niveau zal het aantal kinderen van 6 tot 12 jaar blijven afnemen tot 2030. Er zullen in 2030 29 948 kinderen van 6 tot 12 jaar minder zijn dan in 2020.
Als de vooruitzichten kloppen, zullen we de komende jaren vooral met een toenemende vraag naar plaatsen in het secundair onderwijs geconfronteerd worden.
12 tot 18 jaar
Uit niet-opgenomen cijfers weten we ook dat er provinciale verschillen zijn. In Limburg en Antwerpen zien we in 2030 minder kinderen onder de 3 jaar, in Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant zouden er dan juist meer kinderen van die leeftijd zijn t.o.v. 2020. VlaamsBrabant is de enige provincie waar het aantal 3- tot 6-jarigen in 2030 hoger zou liggen dan in 2020. Enkel in Vlaams-Brabant zou het aantal kinderen van 6 tot 12 jaar tot 2024 licht blijven toenemen, terwijl de andere provincies in die periode aanhoudende dalingen zouden kennen. In alle provincies zien we een aanhoudende toename van het aantal 12- tot 18-jarigen tot 2025. Limburg is de enige provincie waarvan wordt verwacht dat het aantal minderjarigen aanhoudend blijft afnemen tot 2030.
1.14 Evolutie van het aantal kinderen onder de 18 jaar sinds 2005 per leeftijdscategorie - Vlaams Gewest - bevolking telkens op 1 januari Bron: Statbel, Bevolkingsstatistieken
1.15 Voorspelde evolutie aantal kinderen
4.2. Vooruitzichten aantal kinderen Verdere toename van het aantal kinderen onder de 18 jaar voorspeld tot 2025 door de toename van het aantal 12- tot 18-jarigen
Het Federaal Planbureau publiceert samen met Statbel bevolkingsvooruitzichten per leeftijd. Tabel 1.15 geeft de evolutie weer van het verwachte aantal kinderen per leeftijdscategorie volgens de meest recente vooruitzichten. De verschilscores worden altijd berekend t.o.v. 2020, een
28
negatief cijfer betekent dus dat het voorspelde aantal kinderen lager ligt dan in 2020. Wanneer het verschil groter wordt met de jaren, spreken we van een aanhoudende daling, wanneer het aantal nog negatief is, maar kleiner is dan het jaar ervoor, is er opnieuw een toename t.o.v. het jaar ervoor, maar ligt het aantal nog steeds onder het aantal voor 2020.
Kinderen onder de 3 jaar
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2030
196 051
-322
-3 034
-4 026
-5 529
-3 843
2 636
Kinderen tussen 3 en 6 jaar
210 122
-3 469
-5 118
-7 327
-6 881
-9 135
-7 983
Kinderen tussen 6 en 12 jaar
450 425
-2 290
-5 121
-7 759
-11 481
-14 979
-29 948
428 739
10 417
20 216
29 269
36 217
40 293
31 213
1 285 337
4 336
6 943
10 157
12 326
12 336
-4 082
Kinderen tussen 12 en 18 jaar Kinderen onder de 18 jaar
1.15 Voorspelde evolutie van het aantal kinderen onder de 18 jaar (‘de jure’-bevolking) t.o.v. 2020 per leeftijdscategorie - Vlaams Gewest en provincies Bron: Federaal Planbureau en Algemene Directie Statistiek, Demografische vooruitzichten 2021-2060
29
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5. ADOPTIEKINDEREN 5.1. Evolutie van het aantal adopties in Vlaanderen In de loop van 2020 plaatsen de door Kind en Gezin erkende adoptiediensten* in totaal 39 kinderen: 23 adopties van kinderen afkomstig uit het buitenland en 16 adopties van kinderen geboren
in België. In totaal zijn er 4 plaatsingen minder dan in 2019. Grafiek 1.16 geeft de evolutie van de binnenlandse en interlandelijke adopties sinds 2001 weer. In 2020 wordt een vijfde van de kinderen geplaatst via adoptie t.o.v. het aantal adopties in 2001. In de periode 2006-2009 steeg het aantal
adopties jaar na jaar door de toename van het aantal interlandelijke adopties. Sinds 2013 zijn er minder dan 100 adopties per jaar. * De cijfers gaan enkel over adopties gerealiseerd via een erkende adoptiedienst. In 2017 en 2018 werden 4 kinderen zelfstandig geadopteerd en in 2019 werd 1 kind zelfstandig geadopteerd (d.w.z. dat de adoptieprocedure onder het rechtstreekse toezicht van Kind en Gezin gebeurde)
1.16 Evolutie aantal geadopteerde kinderen 300 268
250 244
202
200 173
150 99
100
73
50
26 29
0
43
24
2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
In België geboren
Uit het buitenland afkomstig
2011
2012
2013
2014 2015
2016
2017
2018
39
28
23
15
16
1 De kinderbevolking
5.2. Geadopteerde kinderen naar land van herkomst De 23 kinderen uit het buitenland komen uit 10 verschillende landen. Het aantal kinderen per land van herkomst varieert elk jaar sterk. In 2020 kwamen er telkens 3 kinderen uit Burkina Faso, Filipijnen, India, Portugal en Zuid-Afrika. Daarnaast kwamen er telkens 2 kinderen uit Gambia, Haïti en Togo. Er kwam 1 kind uit Marokko en 1 kind uit Thailand.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.17 Geadopteerde kinderen naar land van herkomst 2018 In België geboren Bulgarije
2020
%
Aantal
%
Aantal
%
20
38,5
15
34,9
16
41,0
1
1,9
0
0,0
0
0,0
Burkina Faso
1
1,9
4
9,3
3
7,7
China
2
3,9
1
2,3
0
0,0
Filipijnen
4
7,7
2
4,7
3
7,7
Gambia
0
0,0
1
2,3
2
5,1
Haïti
3
5,8
1
2,3
2
5,1
Honduras
0
0,0
1
2,3
0
0,0
India
4
7,7
2
4,7
3
7,7
Kazachstan
3
5,8
4
9,3
0
0,0
Marokko
0
0,0
0
0,0
1
2,6
Portugal
1
1,9
8
18,6
3
7,7
Thailand
4
7,7
2
4,7
1
2,6
Togo
0
0,0
2
4,7
2
5,1
Verenigde Staten
1
1,9
0
0,0
0
0,0
Vietnam
4
7,7
0
0,0
0
0,0
Zuid-Afrika
4
7,7
0
0,0
3
7,7
Totaal uit buitenland afkomstig
32
61,5
28
65,1
23
59,0
Totaal
52
100,0
43
100,0
39
100,0
1.17 Voor adoptie geplaatste kinderen: aantal volgens land van herkomst Bron: Kind en Gezin - Vlaams Centrum voor Adoptie
2019 2020
Totaal
1.16 Evolutie van het aantal door adoptiediensten geplaatste kinderen sinds 2001 Bron: Kind en Gezin - Vlaams Centrum voor Adoptie
30
2019
Aantal
31
1 De kinderbevolking
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6. AANTAL KINDEREN IN HET WACHTREGISTER Het wachtregister is een gegevensbank van de federale overheid die gegevens bevat over vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of vragen om als vluchteling erkend te worden, en hun familieleden. In april 2020 zijn er in het
Vlaamse Gewest 4380 kinderen onder de 18 jaar ingeschreven in het wachtregister, dat zijn er 686 meer dan het jaar voordien. Twee derde (65,9%) van de kinderen is onder de 12 jaar, 14% is zelfs onder de 3 jaar.
1.18 Aantal kinderen in het wachtregister 2019 Onder de 3 jaar
2020
Aantal
Aantal
%
632
615
14,0
Tussen 3 en 6 jaar
632
812
18,5
Tussen 6 en 12 jaar
1 264
1 458
33,3
Tussen 12 en 18 jaar
1 166
1 495
34,1
Totaal
3 694
4 380
100,0
1.18 Aantal minderjarige kinderen ingeschreven in het wachtregister - Vlaams Gewest - stand in februari Bron: FOD Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking
32
HOOFDSTUK 2
KINDEREN IN HUN GEZINSCONTEXT: EEN BLIK OP DE DIVERSITEIT
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
In dit hoofdstuk schetsen we de diversiteit aan gezinskenmerken in Vlaanderen op het niveau van de kinderen
(met kinderen als teleenheid). Cijfers over het aantal gezinnen en hun omvang zijn opgenomen in hoofdstuk 8.
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen en grafieken: 2.1 Kinderen naar gezinsvorm en gezinstype (alleenstaande moeder, gehuwd of ongehuwd paar …).......................................................... 38 2.2 Kinderen naar aantal minderjarige broers en zussen in het gezin ................................................................................................................................39 2.3 Kinderen onder de 12 jaar naar leeftijd van hun ouders ...................................................................................................................................................... 41 2.4 Kinderen naar nationaliteit ................................................................................................................................................................................................................... 42 2.5 Kinderen naar andere nationaliteiten ..............................................................................................................................................................................................43 2.6 Kinderen naar herkomst ...........................................................................................................................................................................................................................44 2.7 Kinderen naar herkomstland(en) ........................................................................................................................................................................................................45 2.8 Herkomst kinderen per provincie .......................................................................................................................................................................................................46 2.9 Borelingen naar origine van de moeder..........................................................................................................................................................................................47 2.10 Borelingen met een moeder van niet-Belgische origine per provincie ....................................................................................................................... 48 2.11 Borelingen naar taal moeder-kind ......................................................................................................................................................................................................49 2.12 Borelingen van wie de taal moeder-kind niet het Nederlands is per provincie....................................................................................................50 2.13 Leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal ......................................................................................................................................................................... 51
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
1. KINDEREN NAAR GEZINSVORM EN GEZINSTYPE Het aandeel kinderen in een eenoudergezin blijft stabiel. Oudere kinderen wonen vaker in een eenoudergezin. Het aandeel kinderen dat leeft bij een gehuwd paar blijft teruglopen De meeste minderjarigen (82,6%) leven in een tweeoudergezin. 14,6% woont in een eenoudergezin. De cijfers blijven al enkele jaren nagenoeg stabiel. Er is wel een groot verschil naargelang de leeftijd van de kinderen. 7,6% van de kinderen onder de 3 jaar leeft in een eenoudergezin, bij de 12- tot 18-jarigen gaat het om 19,4% (zie tabel 2.1). Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat de interprovinciale verschillen klein zijn. Het aandeel kinderen onder de 18 jaar
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
in een eenoudergezin ligt het hoogst in Antwerpen (15%) en het laagst in Limburg (13,4%).
de oudere kinderen (62,4% bij de 12- tot 18-jarigen t.o.v. 49,8% bij de kinderen van 0 tot 3 jaar).
De cijfers over de gezinsvorm bleven de voorbije jaren dus redelijk stabiel. Er zijn wel duidelijke verschuivingen op het vlak van het gezinstype.
12,2% van de kinderen onder de 18 jaar woont bij een alleenstaande moeder en slechts 2,4% bij een alleenstaande vader. Die cijfers liggen heel wat lager bij de jongste kinderen. 6,7% van de kinderen onder de 3 jaar woont bij een alleenstaande moeder en 0,9% bij een alleenstaande vader. Het percentage kinderen dat bij een alleenstaande moeder of een alleenstaande vader woont, bleef de voorbije jaren nagenoeg ongewijzigd.
Het aandeel kinderen bij gehuwde paren neemt jaar na jaar af (van 59,2% in 2018 naar 58,2% in 2020). Steeds meer kinderen leven immers bij een ongehuwd paar. Zo zien we de voorbije jaren een evolutie van 23,6% in 2018 naar 24,4% in 2020. Bekijken we de cijfers in detail, dan zien we dat het aandeel kinderen dat bij een gehuwd paar woont het grootst is bij
De cijfers over nationaliteiten en herkomst zijn afkomstig van het Belgische statistiekbureau Statbel en de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) en ze worden afgeleid van het Rijksregister. De cijfers over de origine van moeders van borelingen en de cijfers over de taal tussen moeder en kind steunen op registraties door Kind en Gezin. Cijfers over de thuistaal van leerlingen komen van het departement Onderwijs en Vorming. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
De cijfers over de samenstelling van het gezin komen van Statistiek Vlaanderen, maar zijn gebaseerd op bronbestanden van het Rijksregister. Ze steunen dus op officiële domiciliegegevens. Feitelijke gezins- of verblijfssituaties kunnen daarvan afwijken. Bovendien is het op basis van die data niet mogelijk om zuiver uit te klaren of een kind bij zijn/haar (biologische) ouders woont of in een nieuw samengesteld gezin.
36
37
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. AANTAL ANDERE KINDEREN IN HET GEZIN
2.1 Kinderen naar gezinsvorm en gezinstype (alleenstaande moeder, gehuwd of ongehuwd paar …) 2018
2019
Totaal
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
Tweeoudergezin
82,8
82,8
87,7
85,8
82,8
78,6
82,6
Kind bij gehuwd paar
59,2
58,8
49,8
54,9
59,5
62,4
58,2
Kind bij ongehuwd paar
23,6
24,0
37,9
30,9
23,3
16,2
24,4
Eenoudergezin
14,3
14,5
7,6
10,9
14,8
19,4
14,6
Kind bij alleenstaande moeder
12,0
12,1
6,7
9,3
12,4
16,0
12,2
Kind bij alleenstaande vader
2,3
2,4
0,9
1,5
2,4
3,5
2,4
Ander/niet bekend
2,8
2,8
4,7
3,4
2,3
2,0
2,7
Kind inwonend bij een ander kerngezin (1)
2,7
2,7
4,7
3,3
2,3
1,8
2,7
Kind in collectief huishouden (2)
0,1
0,1
0,0
0,0
0,0
0,1
0,1
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
(N=1 271 607)
(N=1 277 456)
(N=196 051)
(N=210 122)
(N=450 425)
(N=428 739)
(N=1 285 337)
Totaal
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
2020
2.1 Gezinsvorm en gezinstype van kinderen onder de 18 jaar - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister via Statistiek Vlaanderen - bewerkt door Opgroeien (1) Bv. bij de grootouders (2) Collectieve huishoudens bestaan uit meerdere niet-verwante personen die in instellingen en gemeenschappen leven zoals rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, weeshuizen, studenten- en arbeidshomes, verpleeginstellingen, strafinrichtingen en kloosters
Uit de gegevens over de samenstelling van een gezin op hetzelfde domicilieadres kunnen we afleiden met hoeveel andere kinderen minderjarigen (nog) samenwonen. We tellen hierna wel enkel de minderjarige kinderen en we beschouwen kinderen op hetzelfde adres als (stief)broers of (stief)zussen. 23,4% van de kinderen onder de 18 jaar vormt het enige minderjarige kind in het
gezin, 46,2% heeft 1 broer of zus onder de 18 jaar, 20,6% van de kinderen leeft samen met 2 andere kinderen en 9,8% heeft 3 of meer broers of zussen onder de 18 jaar.
Bij de eerste groep zijn er wellicht nog broers of zussen op komst, de tweede groep heeft vaak broers of zussen die al meerderjarig zijn. Bij de kinderen tussen 3 en 12 jaar zijn er beduidend meer kinderen met 1 of 2 broers of zussen.
Tabel 2.2 geeft de percentages weer per leeftijdsklasse en toont aan dat de jongste en oudste kinderen duidelijk het meest als enige minderjarige in het gezin vertoeven, wat ook begrijpelijk is.
2.2 Kinderen naar aantal minderjarige broers en zussen in het gezin (1) 2018
2019
2020 Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
30,2
23,6
36,9
17,5
14,5
29,6
23,4
49,4
41,8
46,0
40,6
52,5
49,4
42,2
46,2
20,9
24,8
18,8
20,7
14,8
20,7
24,7
18,9
20,6
5,1
6,4
7,9
6,2
6,7
5,1
6,4
7,9
6,3
6,7
2,9
2,4
2,8
3,4
3,0
3,0
2,5
2,9
3,5
3,0
3,1
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Enig kind
23,8
36,7
17,4
14,5
1 ander kind
46,1
40,7
52,4
2 andere kinderen
20,6
15,1
3 andere kinderen
6,6
4 of meer andere kinderen
Kinderen
Totaal
2.2 Aantal andere kinderen onder de 18 jaar met wie minderjarige kinderen samenwonen - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister via Statistiek Vlaanderen - bewerkt door Opgroeien (1) Alleen kinderen die bij een gehuwd of ongehuwd paar of bij een alleenstaande ouder wonen
38
39
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3. LEEFTIJD VAN DE OUDERS BIJ KINDEREN ONDER DE 12 JAAR Veel jonge kinderen hebben een (stief)vader die ouder is dan de (stief)moeder 26,6% van de kinderen onder de 12 jaar heeft een moeder die 40 jaar is of ouder. 43,3% van de kinderen van die leeftijd heeft een vader die 40 jaar is of ouder. We zien in alle leeftijdsklassen dat er meer kinderen zijn met een oudere vader dan kinderen met een oudere moeder. Zo heeft bv. 40,5% van de kinderen van
6 tot 12 jaar een moeder van minstens 40 jaar, maar bijna 60% van de 6- tot 12-jarigen heeft een vader van minstens 40 jaar. Bij kinderen onder de 12 jaar zien we steeds minder kinderen met ouders onder de 30 jaar en neemt het aandeel kinderen met ouders van minstens 40 jaar toe. Zo is er een afname van het aandeel kinderen met een moeder onder de 30 jaar van 16,9% in 2010 naar
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2.3 Kinderen onder de 12 jaar naar leeftijd van hun ouders (1) 12,5% in 2020. Dat kan te maken hebben met de voortschrijdende impact van uitstelgedrag voor het eerste kind en met de daling van het vruchtbaarheidscijfer van vrouwen onder de 30 jaar. Het heeft wellicht ook te maken met het gegeven dat het aandeel eerste geboorten de laatste jaren lager ligt dan het aandeel gezinsuitbreidingen met ‘volgende’ kinderen (zie hoofdstuk 1).
2010
2019
2020
Totaal
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Totaal
0,1
0,0
0,2
0,0
0,0
0,0
Huidige leeftijd van de (stief)moeder Onder de 20 jaar 20 tot 25 jaar
2,7
1,6
4,8
1,5
0,2
1,6
25 tot 30 jaar
14,1
11,4
25,6
12,9
3,7
10,9
30 tot 35 jaar
29,1
28,2
41,5
37,0
18,0
28,0
35 tot 40 jaar
31,9
33,0
21,3
33,4
37,6
32,9
40 tot 45 jaar
17,0
18,8
5,7
12,5
28,4
19,3
45 tot 50 jaar
4,4
5,9
0,6
2,2
10,0
6,0
50 jaar en ouder
0,7
1,1
0,3
0,3
2,1
1,2
100,0 (N=762 369)
100,0 (N=814 881)
100,0 (N=185 025)
100,0 (N=199 725)
100,0 (N=428 788)
100,0 (N=813 538)
Onder de 20 jaar
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
20 tot 25 jaar
0,9
0,6
1,6
0,5
0,1
0,5
25 tot 30 jaar
7,5
5,6
14,6
5,6
1,3
5,5
30 tot 35 jaar
22,1
20,0
36,9
26,0
9,0
19,7
Totaal Huidige leeftijd van de (stief)vader
35 tot 40 jaar
31,7
31,2
27,9
36,4
29,7
30,9
40 tot 45 jaar
23,9
24,0
11,9
19,5
32,4
24,4
45 tot 50 jaar
9,8
11,9
4,5
7,7
17,3
12,0
50 jaar en ouder
4,1
6,7
2,6
4,4
10,2
7,0
100,0 (N=693 157)
100,0 (N=740 660)
100,0 (N=172 895)
100,0 (N=182 740)
100,0 (N=383 025)
100,0 (N=738 660)
Totaal
2.3 Kinderen onder de 12 jaar: huidige leeftijd van de (stief)moeder en de (stief)vader - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister via Statistiek Vlaanderen - bewerkt door Opgroeien (1) Betreft de ouder(s) en/of stiefouder(s) met wie het kind samenwoont
40
41
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4. KINDEREN MET EEN ANDERE NATIONALITEIT EN/OF VAN ANDERE ORIGINE Uit tabel 2.4 blijkt dat in 2020 10,3% van de minderjarigen in het Vlaamse Gewest niet de Belgische nationaliteit heeft. Het aandeel kinderen met een andere nationaliteit ligt hoger bij jonge dan bij oudere kinderen. Het aandeel kinderen met een andere nationaliteit is sinds
2003 meer dan verdubbeld (van 4% naar 10,3%). De toename is wel iets groter bij de jonge kinderen.
telt (13,4%). In West-Vlaanderen is het aandeel het laagst (7,3%). Oost-Vlaanderen (8,3%), Vlaams-Brabant (10,3%) en Limburg (10,7%) nemen een tussenpositie in.
Uit niet-opgenomen cijfers blijkt dat Antwerpen het grootste aandeel minderjarigen met een andere nationaliteit
2.4 Kinderen naar nationaliteit 2003
2010
2015
2019
2020
Kinderen onder de 3 jaar Belgisch
95,5
92,6
89,8
87,8
87,5
Ander
4,5
7,4
10,2
12,2
12,5
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Kinderen van 3 tot 6 jaar Belgisch
95,8
93,3
91,0
89,0
88,6
Ander
4,2
6,7
9,0
11,0
11,4
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
96,1
93,8
92,1
90,3
89,9
Kinderen van 6 tot 12 jaar Belgisch Ander
3,9
6,2
7,9
9,7
10,1
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Kinderen van 12 tot 18 jaar Belgisch
96,3
94,8
92,5
91,5
91,1
Ander
3,7
5,2
7,5
8,5
8,9
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Belgisch
96,0
93,9
91,8
90,1
89,7
Ander
4,0
6,1
8,2
9,9
10,3
Totaal
100,0 (N=1 206 487)
100,0 (N= 1 255 426)
100,0 (N=1 252 370)
100,0 (N=1 277 456)
100,0 (N=1 285 337)
Kinderen onder de 18 jaar
2.4 Kinderen onder de 18 jaar naar huidige nationaliteit - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Statbel
42
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit De cijfers van Statbel bevatten echter geen details over de nationaliteiten van de kinderen die niet de Belgische nationaliteit hebben. Via de KSZ beschikken we wel over meer info, maar dan enkel in nationaliteitsgroepen en niet voor het meest recente jaar. Uit tabel 2.5 blijkt dat 60% van de minderjarigen met een andere nationaliteit, een nationaliteit van een ander EU-land heeft: 28,2% heeft de nationaliteit van 1 van onze buurlanden, 21% een nationaliteit uit de groep Oost-Europese landen van de Europese Unie en 9,2% een Zuid-Europese nationaliteit. De grootste groep kinderen met een niet-EU-nationaliteit komt uit Azië, niet zozeer uit Turkije (2%), maar wel uit de andere landen van Azië (16%). 3,4% van de kinderen met een andere nationaliteit heeft de nationaliteit van een Maghreb-land. Niet alle kinderen met de Belgische nationaliteit hebben die nationaliteit al van bij hun geboorte. Er zijn ook Belgische kinderen wiens ouders een andere nationaliteit hebben en/of als eerste nationaliteit een andere nationaliteit hadden. Al die mogelijke combinaties qua nationaliteitshistoriek maken het mogelijk om in tabellen 2.6 en 2.7 na te gaan hoeveel kinderen een andere herkomst hebben.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2.5 Kinderen naar andere nationaliteiten Nationaliteitsgroep (1)
Aandeel t.o.v. alle kinderen met een andere nationaliteit 2016
2017
2018
Europese Unie
61,2
60,8
60,0
Buurlanden
30,5
29,3
28,2
Oostelijk deel
19,9
20,6
21,0
Zuidelijk deel
8,8
9,1
9,2
Westelijk en noordelijk deel (excl. buurlanden)
2,0
1,8
1,6
35,5
35,2
35,6
Maghreb-landen
3,9
3,7
3,4
Congo-Kinshasa, Burundi, Rwanda
1,9
1,8
1,7
Overige landen Afrika
5,2
5,3
5,5
Turkije
2,1
2,0
2,0
Overige landen Azië
14,5
15,3
16,0
Andere Europese landen
6,0
5,4
5,2
Zuid- en Midden-Amerika
1,1
1,1
1,1
Noord-Amerika/Oceanië
0,8
0,7
0,7
Onbekende vreemde nationaliteit
3,3
4,0
4,4
100,0 (N=118 765)
100,0 (N=123 585)
100,0 (N=129 288)
Niet-Europese Unie
Totaal
2.5 Kinderen onder de 18 jaar naar andere nationaliteit - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - globale webtoepassing (1) Omdat de cijfers door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid niet op het niveau van de afzonderlijke nationaliteiten ontsloten worden, kunnen we enkel cijfers over nationaliteitsgroepen geven. Die nationaliteitsgroepen zijn opgebouwd op basis van de continenten en op basis van een zekere geografische indeling van de Europese Unie en Afrika. Voor het jaar 2018 wordt het Verenigd Koninkrijk nog tot de Europese Unie gerekend
43
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Herkomst is gebaseerd op de eigen huidige en eerst geregistreerde nationaliteit en de eerst geregistreerde nationaliteit van de ouder(s). Tabel 2.6 toont aan dat bijna 38% van de minderjarigen een vreemde herkomst heeft: 27,6% is Belg met een buitenlandse achtergrond en 10,3% heeft een andere nationaliteit. Over de Belgische kinderen met vreemde herkomst zijn via Statbel meer details beschikbaar. Bijna de helft (12,5% van de 27,6%) heeft 2 ouders van vreemde herkomst, meer dan een derde van hen heeft 1 ouder van vreemde herkomst en minder dan 1 op 5 (4,5% van de 27,6%) heeft een buitenlandse eerst
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
achtergrond en 47,5% van de nietBelgische kinderen in België zijn geboren.
geregistreerde nationaliteit. Sinds 2010 is zowel het aandeel Belgische kinderen met een buitenlandse achtergrond als het aandeel kinderen met een buitenlandse nationaliteit duidelijk toegenomen. Het is belangrijk om op te merken dat een andere nationaliteit of herkomst op zich niet betekent dat het kind zelf gemigreerd is. Volgens Statbel is het geboorteland een betere indicator om aan te duiden of iemand al dan niet een migratiebeweging heeft gemaakt. Uit niet-opgenomen cijfers voor 2020 weten we dat 94,3% van de Belgische kinderen met een buitenlandse
De cijfers van Statbel over herkomst bevatten echter geen details over het herkomstland of over de leeftijd van de kinderen. Via de KSZ beschikken we wel over meer info, maar niet voor het recentste jaar. Uit tabel 2.7 blijkt voor 2018 dat 23,5% van de minderjarigen een herkomst heeft van buiten de Europese Unie en dat 13% een EU-herkomst heeft. 11,1% van de kinderen heeft als herkomst een land uit Afrika. Het is duidelijk dat er onder de jongste kinderen meer kinderen van vreemde herkomst zijn dan bij de oudste leeftijdsgroep (39,6% versus 34%).
2.6 Kinderen naar herkomst 2010
2018
2019
2020
Belg met Belgische achtergrond
73,4
64,2
63,2
62,2
Belg met een buitenlandse achtergrond
20,5
26,3
26,9
27,6
Kind Belg als eerste nationaliteit, 1 ouder met buitenlandse eerst geregistreerde nationaliteit
9,7
10,6
10,6
10,6
Kind Belg als eerste nationaliteit, 2 ouders met buitenlandse eerst geregistreerde nationaliteit
6,9
11,6
12,1
12,5
Kind met buitenlandse eerst geregistreerde nationaliteit
3,9
4,1
4,2
4,5
Niet-Belg
6,1
9,5
9,9
10,3
100,0 (N=1 225 426)
100,0 (N=1 271 607)
100,0 (N=1 277 456)
100,0 (N=1 285 337)
Totaal
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2.7 Kinderen naar herkomstland(en) (1) Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
Belgische herkomst
57,7
58,5
60,9
64,4
61,2
Vreemde herkomst Europese Unie
12,8
13,0
13,2
12,9
13,0
Buurlanden
5,2
5,8
6,4
6,7
6,2
Westelijk en noordelijk deel (exclusief buurlanden)
0,6
0,6
0,7
0,8
0,7
Zuidelijk deel
2,6
2,8
3,0
3,0
2,9
Oostelijk deel
4,4
3,8
3,1
2,4
3,2
26,3
25,8
23,7
20,7
23,5
Andere Europese landen
3,4
3,4
2,9
2,6
3,0
Maghreb-landen
8,0
7,9
7,5
6,1
7,2
Congo-Kinshasa, Burundi, Rwanda
1,3
1,4
1,3
1,2
1,3
Overige Afrikaanse landen
3,3
3,2
2,7
2,1
2,7
Turkije
3,8
3,9
3,8
3,7
3,8
Overige Aziatische landen
5,2
4,7
4,3
3,9
4,4
Noord-Amerika/Oceanië
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
Zuid- en Midden-Amerika
1,0
1,0
0,9
0,8
0,9
Onbekende vreemde nationaliteit
0,4
0,4
0,4
0,3
0,4
Geen informatie beschikbaar
2,7
2,2
1,8
1,6
2,0
100,0 (N=196 930)
100,0 (N=211 322)
100,0 (N=449 491)
100,0 (N=420 511)
100,0 (N=1 278 254)
Vreemde herkomst niet-Europese Unie
Totaal
2.7 Kinderen onder de 18 jaar naar herkomstland per landengroep - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - globale webtoepassing - bewerkt door Opgroeien (1) De gegevens verschillen van Statbel omdat de gegevens van de KSZ betrekking hebben op de situatie op 31 december en die van Statbel over de situatie op 1 januari gaan
2.6 Kinderen onder de 18 jaar naar herkomst - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Statbel
44
45
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
in Antwerpen. West-Vlaanderen kent het laagste aandeel kinderen met een vreemde herkomst (21,2%).
om kinderen van niet-EU-herkomst gaat. Limburg kent een bijna even groot aandeel kinderen van vreemde herkomst (42,1%), maar de samenstelling EU en niet-EU is er meer gelijkmatig dan
Grafiek 2.8 toont aan dat de herkomst van de kinderen sterk varieert naargelang de provincie. Antwerpen kent het grootste aandeel kinderen van buitenlandse herkomst (44,2%), waarbij het dan vooral
2.8 Herkomst kinderen per provincie 100 90
22,3
29,7
25,5
22,0
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Tabel 2.9 geeft aan dat 30,1% van de kinderen geboren in 2020 een moeder heeft die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had, een stijging met 1,1 procentpunt t.o.v. 2019. Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het aantal borelingen met een moeder van niet-Belgische origine sinds 2005 is toegenomen met 11,7 procentpunten.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Het gaat om meer dan 170 verschillende nationaliteiten van de moeder bij haar geboorte. De meest voorkomende nationaliteiten zijn Marokkaans (4,6%), Nederlands (2,1%), Roemeens (2%) en Turks (1,9%).
Turkse origine varieert sinds 2015 licht. We zien wel een toename van het aandeel borelingen met een moeder van Roemeense en Afghaanse origine.
Het aandeel borelingen met een moeder van Marokkaanse, Nederlandse en
13,3 7,9
80 70 60
14,5
50
53,2
8,8
19,9
15,9
66,9
76,5
2.9 Borelingen naar origine van de moeder (1)
56,3
55,9
2016
2017
2018
2019
2020
40
Belgisch
73,6
71,9
71,9
71,0
69,9
30
Marokkaans
4,4
4,6
4,8
4,5
4,6
Nederlands
2,0
2,1
2,0
2,1
2,1
Roemeens
1,3
1,5
1,6
1,9
2,0
Turks
1,8
1,9
1,9
1,9
1,9
Pools
1,4
1,5
1,3
1,5
1,4
Afghaans
0,7
0,7
0,8
1,1
1,2
Bulgaars
0,6
0,8
0,7
0,8
0,9
Russisch
0,8
0,7
0,7
0,8
0,8
Syrisch
0,6
0,7
0,8
0,7
0,7
Congolees
0,8
0,8
0,8
0,7
0,6
Irakees
0,5
0,5
0,6
0,6
0,6
Andere nationaliteiten
11,5
12,3
11,9
12,4
13,2
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
20 10 0 Antwerpen
Belgische herkomst
Limburg
Vreemde herkomst EU
Oost-Vlaanderen
Vreemde herkomst niet-EU
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
Niet uit te klaren - onvolledige informatie
2.8 Herkomst van kinderen onder de 18 jaar per provincie (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - globale webtoepassing - bewerkt door Opgroeien
Kind en Gezin registreert de origine van de moeder van het kind door de moeder te vragen naar haar nationaliteit bij haar geboorte. Kind en Gezin heeft dat kenmerk in 2020 voor 95,9% van de in Vlaanderen geboren kinderen in kaart gebracht. Het aandeel ontbrekende waarden ligt lager dan in 2019 (4,1% t.o.v. 5,4%). Hoewel de cijfers dus niet op alle
geboren kinderen zijn gebaseerd, drukken we ze toch uit als valide percentages zodat we zinvol kunnen blijven vergelijken met de voorgaande jaren en tussen provincies. Het feit dat een moeder bij haar geboorte een andere nationaliteit had (bv. Pools, Duits, Marokkaans), betekent niet dat ze tijdens haar leven zelf
46
geïmmigreerd is (ze kan al haar hele leven in Vlaanderen wonen) of niet geïntegreerd zou zijn. Het kan perfect dat een moeder die bij haar geboorte de Marokkaanse nationaliteit had, intussen al heel lang de Belgische nationaliteit heeft en haar hele leven Nederlands heeft gesproken.
Totaal
2.9 Borelingen naar origine van de moeder (nationaliteit van de moeder bij haar geboorte) - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Het gaat voor alle duidelijkheid om percentages t.o.v. de groep kinderen van wie de nationaliteit van de moeder geregistreerd kon worden. In 2020 ging het om 95,9% van de geboortepopulatie. Doordat de registratie in 2018 iets onvollediger was dan in andere jaren moeten evoluties met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden
47
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Er zijn grote provinciale verschillen (zie tabel 2.10). Antwerpen heeft het hoogste percentage kinderen met een moeder van niet-Belgische origine (37,2%). In Vlaams-Brabant heeft 32,2% van de borelingen een moeder van niet-Belgische
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5 TAALSITUATIE IN HET GEZIN
origine. In West-Vlaanderen ligt het aandeel borelingen met een moeder van niet-Belgische origine aanzienlijk lager dan in de andere provincies (20,5%).
5.1. De taal tussen moeder en kind 30% van de borelingen heeft niet het Nederlands als taal moeder-kind
2.10 Borelingen met een moeder van niet-Belgische origine per provincie (1) 2016
2017
2018
2019
2020
Antwerpen
34,3
36,6
36,3
36,6
37,2
Vlaams-Brabant
28,6
30,0
31,0
30,8
32,2
Limburg
24,3
25,5
25,9
26,8
28,3
Oost-Vlaanderen
22,9
23,7
24,3
26,1
27,1
West-Vlaanderen
16,0
17,9
17,3
19,2
20,5
Vlaams Gewest
26,4
28,1
28,1
29,0
30,1
2.10 Borelingen van wie de moeder niet van Belgische origine is (d.w.z. niet de Belgische nationaliteit had bij haar geboorte) naargelang de provincie - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Het gaat voor alle duidelijkheid om percentages t.o.v. de groep kinderen van wie de nationaliteit van de moeder geregistreerd kon worden. In 2020 ging het om 95,9% van de geboortepopulatie. Doordat de registratie in 2018 iets onvollediger was dan in andere jaren moeten evoluties met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden
Jonge kinderen die thuis een andere taal spreken dan het Nederlands worden geconfronteerd met grotere uitdagingen om het later op school en op de arbeidsmarkt goed te doen. Onder meer daarom registreert Kind en Gezin de taalgegevens. We bekijken de taal waarin
de moeder met haar kind praat, wat niet noodzakelijk betekent dat de moeder geen Nederlands spreekt of begrijpt en/of dat er niemand anders in het gezin Nederlands spreekt met het kind. Kind en Gezin heeft dat kenmerk in 2020 voor 98,6% van de in Vlaanderen geboren kinderen in kaart gebracht. Hoewel de cijfers dus niet op alle borelingen zijn gebaseerd, bieden ze toch een grote meerwaarde. Bij 30% van de kinderen geboren in het Vlaamse Gewest in 2020 is de taal tussen
moeder en kind niet het Nederlands. Frans is de meest gebruikte andere taal (6,4%). Arabisch (4,3%) en Turks (2,6%) komen respectievelijk op de tweede en derde plaats. Het aandeel kinderen dat Nederlands spreekt met hun moeder is stabiel gebleven t.o.v. 2019. Sinds 2016 zien we vooral een toename van kinderen die thuis Frans en Roemeens spreken met hun moeder.
2.11 Borelingen naar taal moeder-kind (1) 2016
2017
2018
2019
2020
Nederlands
72,8
71,3
71,0
70,0
70,0
Frans
5,6
5,7
5,8
5,9
6,4
Arabisch
4,1
4,3
4,5
4,3
4,3
Turks
2,7
2,8
2,7
2,7
2,6
Roemeens
1,2
1,4
1,6
1,8
1,8
Engels
1,2
1,3
1,2
1,2
1,3
Pools
1,3
1,4
1,3
1,4
1,2
Berbers
1,4
1,6
1,4
1,3
1,2
Andere talen
9,8
10,2
10,5
11,3
11,1
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
2.11 Borelingen naar de taal die de moeder spreekt met het kind - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Het gaat voor alle duidelijkheid om percentages t.o.v. de groep kinderen van wie de taal tussen moeder en kind geregistreerd kon worden. In 2020 ging het om 98,6% van de geboortepopulatie
48
49
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit Er zijn grote provinciale verschillen (zie grafiek 2.12). In Vlaams-Brabant spreekt 45,9% van de kinderen geen Nederlands met hun moeder, in Antwerpen 32,9%. In Oost-Vlaanderen (26,2%), Limburg (22,7%) en West-Vlaanderen (18,6%) liggen die percentages heel wat lager. In Antwerpen en West-Vlaanderen komt Arabisch als vreemde taal het meest voor (respectievelijk 6% en 3,2%). In Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
aantoonde dat het aandeel kinderen dat Nederlands spreekt met hun moeder op Vlaams niveau stabiel blijft in 2020, illustreert grafiek 2.12 dat er op provinciaal niveau t.o.v. 2019 wel evoluties zijn. Vlaams-Brabant kent een toename van het aandeel borelingen van wie de taal tussen moeder en kind niet het Nederlands is (+1,4 procentpunt), in de provincies Antwerpen en Limburg neemt dat aandeel af.
is dat Frans (respectievelijk 24,6% en 4,2%) en in Limburg is Turks (6,7%) de meest voorkomende vreemde taal tussen moeder en kind. Sinds 2016 is in alle provincies het aandeel kinderen met een andere taal dan het Nederlands als taal met hun moeder toegenomen. In Vlaams-Brabant, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen bedraagt de stijging zelfs meer dan 3 procentpunten. Hoewel tabel 2.11
55
35
40,5
45,9
30
32,1 33,4 32,9
25
27,2
26,2 26,2
20
22,9
21,2
15 10
VlaamsBrabant 2019
Nederlands indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met 3 gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum 1 gezinslid Nederlands spreekt. Broers en zussen worden hierbij als 1 gezinslid beschouwd
2017
2018
2019
2020
18,6
19,6
20,5
21,2
22,2
Lager onderwijs
16,2
16,9
17,7
18,6
19,5
Voltijds secundair onderwijs
12,5
13,5
14,4
15,5
16,4
30,0 30,0
18,5 18,6
5
2016
* De taal die de leerling in het gezin spreekt, is niet het
2016
23,4 22,7 15,1
0
afgelopen 5 schooljaren nam het aandeel leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal jaar na jaar toe.
In het Vlaamse onderwijs wordt het kenmerk thuistaal niet-Nederlands* geregistreerd. Voor het schooljaar 20192020 zien we dat 22,2% van de kleuters als thuistaal niet het Nederlands heeft. Bij kinderen in het lager onderwijs is dat 19,5% en bij leerlingen in het voltijds secundair onderwijs is dat 16,4%. In de
2.13 Leerlingen uit het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap die een niet-Nederlandse thuistaal spreken - wonend in het Vlaamse Gewest, situatie op de eerste schooldag van februari (percentage) Bron: Vlaamse Statistische Autoriteit, dataloep leerlingkenmerken (1) Het kenmerk thuistaal niet-Nederlands is niet beschikbaar voor leerlingen in het buitengewoon onderwijs
50 44,5
Het aandeel leerlingen in het Vlaamse onderwijs met een niet-Nederlandse thuistaal neemt schooljaar na schooljaar toe
Kleuteronderwijs
60
45
5.2. De thuistaal bij leerlingen in het Vlaamse onderwijs
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2.13 Leerlingen met een niet-Nederlandse thuistaal (1)
2.12 Borelingen van wie de taal moeder-kind niet het Nederlands is per provincie (1)
40
2 K inderen in hun gezinscontext: een blik op de diversiteit
Antwerpen
OostVlaanderen
Limburg
WestVlaanderen
Vlaams Gewest
2020
2.12 Borelingen van wie de taal die de moeder met het kind spreekt niet het Nederlands is - per provincie (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Het gaat voor alle duidelijkheid om percentages t.o.v. de groep kinderen waarvan de taal tussen moeder en kind geregistreerd kon worden. In 2020 ging het om 98,6% van de geboortepopulatie
50
51
HOOFDSTUK 3
KINDEREN EN DE WERKSITUATIE VAN HUN OUDERS
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
ouders. Het gaat enkel om cijfers op kindniveau. Cijfers over de arbeidssituatie van moeders en vaders zijn opgenomen in hoofdstuk 8.
De tijd die kinderen doorbrengen in en buiten het eigen gezin, o.a. in de kinderopvang, hangt nauw samen met de werksituatie van de ouders. Werk is ook een belangrijke factor voor de welvaart in het gezin. Daarom nemen we in dit hoofdstuk cijfers op over kinderen en de arbeidsparticipatie van hun
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen: 3.1 Kinderen naar arbeidsparticipatie in het gezin........................................................................................................................................................................ 55 3.2 Kinderen naar arbeidsparticipatie per gezinsvorm................................................................................................................................................................ 56 3.3 Kinderen naar arbeidsparticipatie in gezin per herkomst ................................................................................................................................................ 57 3.4 Internationale situering kinderen in gezin zonder betaalde arbeid............................................................................................................................ 58 3.5 Kinderen naar socio-economische positie van de ouder(s).............................................................................................................................................. 59 3.6 Kinderen naar socio-economische positie van de ouder(s) per gezinstype ............................................................................................................ 61 3.7 Kinderen naar werksituatie in tweeoudergezin per provincie ....................................................................................................................................... 62 3.8 Kinderen onder de 3 jaar met werkende moeder per provincie.................................................................................................................................... 62 3.9 Kinderen naar werkintensiteit gezin ............................................................................................................................................................................................... 64 3.10 Kinderen naar omvang en aard tewerkstelling ouder(s).................................................................................................................................................... 66
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN een gezin met of zonder werkende ouder(s) moeten daarom allemaal beschouwd worden als ‘minimumsituaties’. We kunnen wel een indicatie geven van de ondergrens van bv. het aantal kinderen in een gezin zonder werkenden, maar het precieze percentage kunnen we – door de categorie ‘andere’ – niet bepalen. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
De gegevens zijn afkomstig uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ). De cijfers geven informatie over 4 mogelijke socio-economische posities van de ouder(s)*: werkend, werkzoekend, niet-beroepsactief en andere. De categorie ‘niet-beroepsactieven’ omvat o.a. vrijgestelde werkzoekenden en arbeidsongeschikten. De categorie ‘andere’ slaat vooral op niet-werkenden (huisvrouwen/huismannen, geschorste werkzoekenden …), maar bevat ook werkenden die niet aangesloten zijn bij de Belgische sociale zekerheid (bv. diplomaten …). De cijfers over het aandeel kinderen in
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1. KINDEREN EN DE ARBEIDSPARTICIPATIE IN HUN GEZIN 1.1. Aandeel kinderen waar geen of minstens 1 ouder werkt
bedraagt dus maximaal 8,2% (zie tabel 3.1). De percentages schommelen beperkt naargelang de leeftijd van de kinderen. Bij de 12- tot 18-jarigen ligt het aandeel kinderen zonder werkende ouder het hoogst (4,9%).
91,8% van de kinderen onder de 18 jaar heeft ten minste 1 ouder die aan het werk is. 4,2% leeft in een gezin zonder werkende ouders. Van 4,1% kunnen we niet met zekerheid zeggen of er iemand werkt of niet omdat er naast een niet-werkende ook iemand tot de categorie ‘andere’ behoort of omdat de alleenstaande ouder tot de categorie ‘andere’ behoort. Het aandeel kinderen in een gezin zonder werkende ouder
Minstens 91,8% van de kinderen leeft in een gezin met minstens 1 werkende. Kinderen in een eenoudergezin en kinderen van niet-Belgische herkomst leven duidelijk meer in een gezin zonder arbeidsparticipatie
3.1 Kinderen naar arbeidsparticipatie in het gezin 2017
2018
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
Kinderen met minstens 1 werkende in het gezin (1)
91,5
92,0
92,2
92,0
91,2
91,8
Kinderen waar niemand in het gezin werkt (1)
4,2
3,5
3,6
4,0
4,9
4,2
Kinderen waarbij niet uit te klaren valt of er iemand werkt in het gezin (2)
4,3
4,5
4,2
4,0
3,9
4,1
100,0 (N=1 233 121)
100,0 (N=186 803)
100,0 (N=203 347)
100,0 (N=437 756)
100,0 (N=411 153)
100,0 (N=1 239 059)
Totaal
3.1 Kinderen onder de 18 jaar naar arbeidsparticipatie van de ouder(s) - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Deze percentages moeten we beschouwen als een minimumsituatie omdat voor een (beperkt) deel van de kinderen niet kan worden uitgeklaard of er een ouder werkt (2) Omdat de alleenstaande ouder tot de categorie ‘andere’ behoort of omdat er naast een niet-werkende ouder ook een ouder is die tot de categorie ‘andere’ behoort * Met ouder(s) wordt bedoeld: als het kind verblijft in het gezin van zijn ouder(s). Als het kind in een ander gezinstype verblijft, dan gaat het om de referentiepersoon van dat gezin en diens (eventuele) partner
54
55
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Tabel 3.3 illustreert duidelijk dat de arbeidsparticipatie in het gezin verschilt naargelang de herkomst* van het kind. We zien dat het aandeel minderjarige kinderen met minstens 1 werkende ouder heel wat lager ligt bij kinderen van niet-Belgische herkomst (83,5% versus 96,4%). Het percentage kinderen waar geen werkende ouder in het gezin aanwezig is, ligt meer dan dubbel zo hoog bij kinderen van niet-Belgische herkomst (6,6% versus 2,8%). Het is vooral het aandeel kinderen van wie we de arbeidsparticipatie van de ouders niet kunnen uitklaren dat hoger ligt bij
Als we de arbeidsparticipatie bekijken per gezinsvorm, dan stellen we vast dat 23,3% van de kinderen uit een eenoudergezin eind 2018 geen werkende ouder heeft. Aangezien van 3,3% van de kinderen de arbeidsparticipatie in het gezin niet uit te klaren valt, moeten de percentages als minimumsituaties beschouwd worden. In 2018 ligt het aandeel kinderen uit een eenoudergezin van wie de ouder werkt wel meer dan 2 procentpunten hoger dan in 2010, terwijl het aandeel kinderen uit een tweeoudergezin met minstens 1 werkende ouder eerder stabiel is gebleven.
kinderen van niet-Belgische herkomst (9,8% versus 0,9%). Dat kan er op wijzen dat er meer huisvrouwen/huismannen aanwezig zijn in die gezinnen, maar het kan ook (deels) betekenen dat hun ouders wel werken, maar bv. voor een internationale instelling of een internationaal bedrijf waardoor hun arbeidsparticipatie niet gekend is bij de KSZ.
* Een persoon met een andere herkomst is een persoon die in Vlaanderen verblijft en die bij de geboorte niet de Belgische nationaliteit bezat of van wie minstens 1 ouder bij zijn geboorte niet de Belgische nationaliteit bezat
3.2 Kinderen naar arbeidsparticipatie per gezinsvorm Kind uit tweeoudergezin
Kind uit eenoudergezin
2010
2018
2010
2018
Kinderen met minstens 1 werkende in het gezin (1)
94,8
95,0
71,1
73,3
Kinderen waar niemand werkt in het gezin
0,8
0,8
24,4
23,3
4,4
4,2
4,6
3,3
100,0 (N=1 026 382)
100,0 (N=1 055 792)
100,0 (N=171 325)
100,0 (N=183 267)
(1)
Kinderen waarbij niet uit te klaren valt of er iemand werkt in het gezin (2) Totaal
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3.3 Kinderen naar arbeidsparticipatie in gezin per herkomst (1) Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
Vlaams Gewest
Belg
Andere
Belg
Andere
Belg
Andere
Belg
Andere
Belg
Andere
Belg
Andere
Minstens 1 ouder werkt
96,1
81,8
96,4
85,1
96,3
83,4
96,9
86,0
96,2
82,7
96,4
83,5
Niemand werkt
2,9
7,1
2,8
6,2
2.9
7,4
2,2
5,1
2,9
7,3
2,8
6,6
Niet uit te klaren
0,9
11,2
0,8
8,8
0,8
9,2
0,9
8,9
0,9
10,0
0,9
9,8
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
3.3 Arbeidsparticipatie in het gezin van kinderen onder de 18 jaar naar herkomst van de kinderen - Vlaams Gewest en provincies (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Herkomst wordt hier gemeten via de (eerste) nationaliteiten van de kinderen en hun ouders. Als noch bij het kind, noch bij een van de ouders een andere (eerste) nationaliteit wordt vastgesteld, dan beschouwen we die kinderen als van Belgische herkomst. Als wel een niet-Belgische nationaliteit wordt getraceerd, dan beschouwen we de kinderen als van ‘andere’ herkomst
3.2 Kinderen onder de 18 jaar naar arbeidsparticipatie van de ouder(s), per gezinsvorm - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Deze percentages moeten we beschouwen als een minimumsituatie omdat voor een beperkt deel van de kinderen niet kan worden uitgeklaard of er een ouder werkt (2) Omdat de alleenstaande ouder tot de categorie ‘andere’ behoort of omdat er naast een niet-werkende ouder ook een ouder is die tot de categorie ‘andere’ behoort
56
(4,7%) en het laagst in Vlaams-Brabant (3,4%). Het aandeel kinderen van wie de arbeidsparticipatie van de ouders niet kan worden vastgesteld omdat een of meerdere ouders de socio-economische positie ‘andere’ hebben, varieert iets meer (van 2,7% in West-Vlaanderen tot 5,4% in Antwerpen). Daardoor moeten de verschillen tussen de provincies zeer voorzichtig geïnterpreteerd worden.
Hoewel de totaalcijfers (Belgische en niet-Belgische herkomst samen) niet zijn opgenomen in de tabel, kunnen we uit de cijfers wel afleiden dat het aandeel kinderen onder de 18 jaar waarbij zeker niemand in het gezin werkt, slechts in beperkte mate verschilt tussen de provincies. Uit die niet-opgenomen cijfers blijkt dat dat aandeel het hoogst is in Antwerpen
Tabel 3.3 illustreert ook dat het verschil in arbeidsparticipatie in het gezin naargelang de herkomst van het kind zich in elke provincie voordoet. In Oost-Vlaanderen lijkt het verschil qua arbeidsparticipatie tussen kinderen van Belgische en niet-Belgische herkomst het grootst (2,9% versus 7,4% van de kinderen in een gezin waar niemand werkt).
57
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders Door de restcategorie ‘andere’ kunnen we via de populatiegegevens van de KSZ niet vaststellen hoeveel kinderen precies in een gezin zonder arbeidsparticipatie leven (minstens 4,2%, maximaal 8,2 van de kinderen onder de 18 jaar). Op basis van steekproefgegevens van de enquête naar de arbeidskrachten wordt wel zo’n cijfer gepubliceerd. Omdat die enquête ook in de andere landen van de EU wordt georganiseerd (Labour Force Survey), kunnen we het Vlaamse en het Belgische cijfer internationaal situeren. De meest recente internationale gegevens gaan over 2020 (zie tabel 3.4). Op basis van de enquête naar de arbeidskrachten schatten we het aandeel kinderen onder de 18 jaar in een gezin zonder betaalde arbeid in Vlaanderen op 6,5%. Daarmee scoort Vlaanderen bij de betere landen. Voor België bedraagt het aandeel 12,3%, enkel Zweden (18,7%) scoort slechter.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3.4 Internationale situering kinderen in gezin zonder betaalde arbeid Slovenië
2,5
Kroatië
4,1
Portugal
4,9
Nederland
5,1
Tsjechië
5,2
Finland
5,2
Luxemburg
5,3
Hongarije
5,9
Cyprus
6,0
Malta
6,4
Vlaams Gewest
6,5
Oostenrijk
6,6
Estland
7,2
Letland
7,5
Denemarken
7,6
Polen
7,6
Slovakije
7,6
Griekenland
7,8
Litouwen Roemenië
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
1.2. Kinderen naar de socio-economische positie van hun ouder(s) Tabel 3.5 geeft – in dalende volgorde van voorkomen – aan in welk type werkgezin minderjarigen opgroeien en schetst de verschillen die er bestaan naar herkomst van het kind.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
63,3% van de kinderen woont in 2018 bij 2 ouders die allebei aan het werk zijn. De tweede meest voorkomende situatie is een kind dat leeft in een eenoudergezin met werkende ouder (10,8%). 10,7% van de kinderen woont bij beide ouders, van wie er 1 werkt en de tweede de socio-economische positie ‘andere’ heeft. 0,7% van de kinderen woont in een tweeoudergezin
waarbij beide ouders werkzoekend en/of niet-beroepsactief zijn. Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat 4,7% van de kinderen in een gezin leeft waarin minstens 1 ouder werkzoekend is. Opvallend is dat het aandeel kinderen met 2 werkende ouders aanzienlijk lager ligt bij kinderen met een andere herkomst. Dat komt niet alleen omdat
3.5 Kinderen naar socio-economische positie van de ouder(s) 2017 Totaal
Andere herkomst
Totaal
63,0
75,0
42,2
63,3
7,6
10,6
12,5
7,8
10,8
23,3
10,9
4,0
22,9
10,7
Andere herkomst
2 werkenden
74,5
41,1
1 werkende
12,3
1 werkende en 1 andere (1)
4,3
1 werkende en 1 niet-beroepsactieve
2018 Belgische herkomst
Belgische herkomst
3,4
5,7
4,2
3,5
6,3
4,5
7,9
1 werkzoekende of niet-beroepsactieve en 1 andere (1)
0,5
7,4
2,9
0,5
6,8
2,7
8,0
1 niet-beroepsactieve (2)
1,7
3,6
2,4
1,7
3,9
2,5
Duitsland
8,8
Spanje
9,4
1 werkende en 1 werkzoekende met uitkering RVA
1,6
4,9
2,7
1,3
4,3
2,4
Bulgarije
10,2
1 werkzoekende met uitkering RVA
0,8
1,9
1,1
0,6
1,5
0,9
Italië
10,5
2 andere
0,1
2,3
0,9
0,1
2,1
0,8
Ierland
11,1
Frankrijk
11,3
2 werkzoekenden met uitkering RVA en/of niet-beroepsactief
0,4
1,3
0,7
0,4
1,2
0,7
België
12,3
Zweden
18,7
1 andere (1)
0,3
0,9
0,5
0,3
0,9
0,5
100,0 (N=806 596)
100,0 (N=426 525)
100,0 (N=1 233 121)
100,0 (N=797 862)
100,0 (N=441 197)
100,0 (N=1 239 059)
3.4 Kinderen onder de 18 jaar in een huishouden zonder volwassene met betaald werk (percentage) in de EU-27-landen - 2020 Bronnen: Eurostat, website Statbel, enquête naar de arbeidskrachten
58
Totaal
(1)
(2)
3.5 Kinderen onder de 18 jaar naar de concrete socio-economische positie van de ouder(s) - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) De categorie ‘andere’ omvat zowel werkenden die niet aangesloten zijn bij de Belgische sociale zekerheid als mensen die niet werken (bv. huisvrouwen/huismannen, geschorste werkzoekenden …) (2) De categorie niet-beroepsactief omvat o.a. voltijds brugpensioen, voltijds tijdskrediet, vrijgestelden van inschrijving als werkzoekende en gerechtigden op een leefloon
59
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
die kinderen vaker een ouder met een socio-economische positie ‘andere’ hebben, maar ook omdat ze vaker een ouder hebben die werkzoekend of niet-beroepsactief is. Zo blijkt uit niet opgenomen cijfers dat 9% van de kinderen met een andere herkomst minstens 1 ouder heeft die werkzoekend is, bij kinderen van Belgische herkomst gaat het slechts om 2,3%. In tabel 3.6 geven we de gegevens over de socio-economische positie van de ouder(s) weer per gezinstype en per leeftijd van de kinderen. 74,3% van de kinderen in een tweeoudergezin leeft in een gezin waar beide ouders aan het werk zijn en dat aandeel neemt toe met de leeftijd van het kind. Het aandeel kinderen van 12 tot 18 jaar in een tweeverdienersgezin ligt immers 5,2 procentpunten hoger dan bij de kinderen onder de 3 jaar. Het aandeel minderjarigen waarbij beide ouders werken is in 2018 met 0,5 procentpunt toegenomen t.o.v. 2017.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Bij de kinderen in een eenoudergezin zien we dat de arbeidssituatie sterk verschilt naargelang het geslacht van de alleenstaande ouder. 82,2% van de kinderen onder de 18 jaar bij een alleenstaande vader heeft een vader die werkt, bij de kinderen met een alleenstaande moeder bedraagt dat aandeel 71,6%. We zien voor beide groepen een toename van het aandeel kinderen met werkende ouder en een daling van het aandeel met werkzoekende ouder t.o.v. 2017. Ook bij kinderen in een eenoudergezin zien we dat het aandeel kinderen met een werkende ouder toeneemt met de leeftijd. Zo heeft 57,8% van de kinderen onder de 3 jaar een alleenstaande moeder die werkt, voor kinderen van 12 tot 18 jaar ligt het aandeel heel wat hoger (74,8%). Voor kinderen bij een alleenstaande vader zien we ook verschillen naar leeftijd, maar de verschillen zijn minder groot en er is geen aanhoudende toename.
Van de minderjarige kinderen die bij een alleenstaande moeder wonen heeft 6,6% een werkzoekende moeder en 18,4% een niet-beroepsactieve moeder. Kinderen onder de 3 jaar die bij een alleenstaande moeder leven hebben vaker een niet-beroepsactieve moeder dan oudere kinderen. Mogelijk heeft dat te maken met het feit dat die moeders hun arbeidssituatie tijdelijk onderbreken voor het kind.
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3.6 Kinderen naar socio-economische positie van de ouder(s) per gezinstype 2017
2018
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
Beide ouders werkend (1)
73,8
70,4
73,7
75,3
75,6
74,3
1 ouder werkend, 1 ouder werkzoekend met uitkering RVA
3,2
3,5
3,2
2,7
2,4
2,8
Kind bij een (on)gehuwd paar
1 ouder werkend, 1 ouder niet-beroepsactief
4,9
6,7
5,0
4,7
5,2
5,3
1 ouder werkend, 1 ouder andere
12,7
14,2
13,2
12,3
11,7
12,6
Beide ouders werkzoekend met uitkering RVA
0,1
0,2
0,1
0,1
0,1
0,1
Beide ouders niet-beroepsactief
0,4
0,4
0,3
0,4
0,6
0,4
1 ouder werkzoekend met uitkering RVA, 1 ouder niet-beroepsactief
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
Andere combinaties Totaal Aantal kinderen bij een (on)gehuwd paar
4,4
4,2
4,2
4,1
4,2
4,2
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
1 052 078
172 240
181 104
372 216
330 232
1 055 792
70,8
57,8
67,0
72,7
74,8
71,6
Kind bij een alleenstaande moeder Moeder werkend (1) Moeder werkzoekend met uitkering RVA
8,2
9,1
8,8
6,8
5,4
6,6
Moeder niet-beroepsactief
17,3
27,8
20,3
17,3
16,9
18,4
Moeder andere
3,7
5,4
4,0
3,2
2,9
3,4
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Aantal kinderen bij een alleenstaande moeder
152 717
13 074
19 250
54 895
66 601
153 820
Vader werkend (1)
81,7
73,8
81,4
83,2
82,5
82,2
Vader werkzoekend met uitkering RVA
5,8
9,0
6,4
5,0
4,6
5,1
Vader niet-beroepsactief
9,4
10,1
8,5
8,6
10,1
9,4
Vader andere
3,2
7,1
3,7
3,2
2,8
3,3
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Aantal kinderen bij een alleenstaande vader
28 326
1 489
2 993
10 645
14 320
29 447
Kind bij een alleenstaande vader
3.6 Kinderen onder de 18 jaar naar arbeidsparticipatie van de ouder(s), per gezinstype - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Deze percentages moeten we beschouwen als een minimumsituatie omdat de categorie ‘andere’ ook werkende posities kan omvatten die niet door de KSZ gekend zijn (zoals bv. werkend bij een internationale instelling)
60
61
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen de provincies. Zo toont tabel 3.7 aan dat het aandeel kinderen onder de 18 jaar in een tweeoudergezin waarbij beide ouders werken sterk varieert. In West-Vlaanderen heeft 81,9% van de minderjarigen in een tweeoudergezin 2 werkende ouders, in Antwerpen gaat het om 67,7%.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
samenhangt met de werksituatie van de moeder. Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het aandeel kinderen onder de 3 jaar met een moeder die werkt in 2018 is toegenomen met 0,4 procentpunt. De stijging doet zich voor in alle provincies, behalve in Vlaams-Brabant.
Als we enkel kijken naar de werksituatie van de moeder van jonge kinderen, dan stellen we in tabel 3.8 vast dat het aandeel kinderen onder de 3 jaar met een werkende moeder het hoogst ligt in West-Vlaanderen (79,6%) en het laagst in Antwerpen (66,6%). Die verschillen zijn van belang, want we weten dat de behoefte aan kinderopvang sterk
3.7 Kinderen naar werksituatie in tweeoudergezin per provincie Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
2 werkenden in het gezin
67,7
72,9
77,1
75,4
81,9
1 werkende, 1 andere (mogelijk werkend)
16,9
12,3
10,8
12,.6
7,7
1 werkende, 1 niet-werkend
8,8
9,6
7,8
7,4
6,8
Niemand werkt
0,9
1,0
0,8
0,6
0,8
Niet uit te klaren
5,7
4,2
3,5
4,0
2,8
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. KINDEREN EN DE WERKINTENSITEIT IN HUN GEZIN In het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming wordt de variabele ‘werkintensiteit’ afgeleid. Het concept verrekent daarbij zowel het arbeidsregime als de duur van de arbeid van de ouders. Die werkgegevens worden afgezet t.o.v. de potentiële arbeidsprestaties op gezinsniveau (indien de ouders een jaar lang voltijds zouden werken). Tabel 3.9 geeft aan dat in totaal 10,6% van de kinderen onder de 18 jaar in een gezin leeft waar de werkintensiteit lager is dan 25%. 57,1% leeft in een gezin met een hoge werkintensiteit van 75% of meer. De werkintensiteit in het gezin verschilt wel enigszins naargelang de leeftijd van de kinderen.
Het aandeel kinderen in een gezin met een werkintensiteit van minstens 75% ligt het hoogst in de leeftijdsklassen tussen 6 en 18 jaar (58,9%) en het laagst bij kinderen onder de 3 jaar (49,8%). Kinderen in een eenoudergezin kennen vaker een lagere werkintensiteit dan kinderen die opgroeien in een tweeoudergezin. 28,2% van de kinderen in een eenoudergezin kent een werkintensiteit van minder dan 25%. De arbeidssituatie op de laatste dag van het jaar (zie tabel 3.2) verschilde al significant, maar die gegevens tonen aan dat de minder gunstige werksituatie in eenoudergezinnen een aanhoudend gegeven is.
3.7 Kinderen onder de 18 jaar naar arbeidsparticipatie van de ouders in een tweeoudergezin - provincies (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
3.8 Kinderen onder de 3 jaar met werkende moeder per provincie Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
Vlaams Gewest
Aandeel kinderen onder de 3 jaar met een moeder die werkt
66,6
73,8
75,1
75,1
79,6
73,2
Totaal aantal kinderen onder de 3 jaar waar een moeder in het gezin is
55 945
22 479
42 384
32 824
31 629
185 261
3.8 Kinderen onder de 3 jaar naar werksituatie van de moeder - provincies (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
62
63
Het is ook duidelijk dat de werkintensiteit vooral in eenoudergezinnen verschilt naargelang de leeftijd van de kinderen. Hoe jonger de kinderen, hoe lager de werkintensiteit binnen het eenoudergezin. Bij die cijfers moet wel opgemerkt worden dat het aandeel kinderen in een gezin met lage werkintensiteit wellicht iets overschat is. De KSZ registreert een aantal werkende personen immers als niet-werkend omdat ze geen band hebben met de Belgische sociale zekerheid.
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2010
2017
Totaal
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
0-25%
11,2
11,0
10,5
10,2
10,4
11,1
10,6
25-50%
17,4
16,5
18,6
16,9
15,9
15,4
16,3
50-75%
18,0
16,2
21,0
16,5
14,7
14,4
15,8
75-100%
53,4
56,2
49,8
56,3
58,9
58,9
57,1
Onbekend
0,1
0,1
0,1
0,0
0,1
0,2
0,1
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
0-25%
8,1
7,9
7,8
7,4
7,4
7,7
7,6
25-50%
18,2
17,6
19,2
17,8
17,0
16,7
17,4
Totaal Kind bij (on)gehuwd paar
2018
50-75%
18,9
16,9
21,6
17,0
15,3
15,1
16,5
75-100%
54,8
57,6
51,4
57,8
60,3
60,4
58,4
Onbekend
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,1
0,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
30,1
29,1
42,5
32,9
27,3
25,1
28,2
25-50%
12,1
10,1
11,4
10,1
9,5
9,8
9,8
50-75%
12,7
11,9
13,8
12,5
11,6
11,5
11,8
75-100%
44,7
48,4
31,5
44,3
51,3
52,8
49,6
Onbekend
0,4
0,5
0,7
0,2
0,3
0,8
0,5
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal Kind bij alleenstaande ouder 0-25%
Totaal
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3. DE OMVANG EN AARD VAN DE TEWERKSTELLING VAN OUDERS VAN JONGE KINDEREN
3.9 Kinderen naar werkintensiteit gezin
Alle kinderen
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Kinderen in tweeoudergezinnen: combinatie 1 ouder voltijds - 1 ouder deeltijds komt het meest voor Met de gegevens van de KSZ kunnen we op kindniveau weergeven wat het statuut van de ouders is – zelfstandig of werkend in loondienst – en kunnen we van de ouders die werken in loondienst aangeven of ze voltijds of deeltijds werken. Dat alles maakt het mogelijk om cijfers te presenteren over de aard van de tewerkstelling van ouders van jonge kinderen. Voor de berekening van die cijfers hebben we de kinderen waarbij 1 of beide ouders gekend zijn als grensarbeider niet meegenomen omdat het arbeidsregime van die ouders niet gekend is.
Tabel 3.10 toont aan dat in 2018 van de kinderen onder de 18 jaar in een tweeoudergezin 31,4% in een gezin leeft waar 1 ouder deeltijds in loondienst is en waar de andere ouder voltijds werkt en 17,1% in een gezin waarin beide ouders voltijds in loondienst werken. Bij 5,5% van de kinderen werken beide ouders als zelfstandige. Omwille van de moeilijk te interpreteren categorie ‘andere’ kunnen we niet precies berekenen hoeveel kinderen met 2 ouders er in een eenbaansgezin leven. Minstens 6,1%, maar dat percentage zou ook hoger kunnen liggen omdat 10,7% van de kinderen naast een werkende ouder ook een ouder met de socio-economische positie ‘andere’ heeft, waarbij we niet zuiver kunnen afleiden of die persoon werkt of niet.
3.9 Kinderen onder de 18 jaar naar de werkintensiteit in hun gezin - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
64
65
Bijna twee derde van de kinderen in een eenoudergezin heeft een ouder die in loondienst werkt (33,5% voltijds en 31,5% deeltijds). Bij bijna 1 op de 4 kinderen in een eenoudergezin is de alleenstaande ouder werkzoekend of niet-beroepsactief. In totaal heeft 22,1% van de kinderen minstens 1 ouder die zelfstandige is.
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3 K inderen en de werksituatie van hun ouders
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3.10 Kinderen naar omvang en aard tewerkstelling ouder(s) 2017
2018
Totaal
Kinderen van 0 tot 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
Beide ouders voltijds in loondienst
16,9
20,9
17,0
15,7
16,8
17,1
1 ouder voltijds in loondienst, 1 zelfstandige
7,1
7,7
7,0
7,1
7,7
7,4
Beide ouders zelfstandige
5,5
3,6
4,4
5,6
7,1
5,5
1 ouder voltijds, 1 ouder deeltijds in loondienst
31,6
27,7
32,2
32,9
31,2
31,4
1 ouder zelfstandige, 1 ouder deeltijds in loondienst
7,9
5,9
7,8
8,6
8,4
8,0
Beide ouders deeltijds in loondienst
4,6
4,3
5,1
5,2
4,2
4,7
1 ouder voltijds in loondienst, 1 werkzoekend of niet-beroepsactief
4,9
6,8
5,0
4,4
4,3
4,9
1 ouder zelfstandige, 1 werkzoekend of niet-beroepsactief
1,2
1,6
1,3
1,1
1,1
1,2
1 voltijds werkende in loondienst en 1 andere
8,3
9,9
8,9
8,0
7,3
8,2
1 zelfstandige en 1 andere
2,6
2,3
2,4
2,4
2,6
2,5
Overige combinaties
9,5
9,2
9,0
9,0
9,4
9,1
Totaal kinderen in tweeoudergezin
100,0 (N=1 034 241)
100,0 (N=169 425)
100,0 (N=178 188)
100,0 (N=365 895)
100,0 (N=324 595)
100,0 (N=1 038 103)
Ouder voltijds in loondienst
32,9
26,7
30,6
32,8
36,0
33,5
Kinderen in tweeoudergezin
Kinderen in eenoudergezin Ouder deeltijds in loondienst
31,3
26,1
31,6
33,5
30,8
31,5
Ouder zelfstandige
8,0
6,4
6,5
7,8
9,0
8,1
Ouder werkzoekend of niet-beroepsactief
24,0
35,2
27,3
22,5
21,1
23,5
3,7
5,6
4,0
3,4
3,1
3,5
100,0 (N=179 979)
100,0 (N=14 492)
100,0 (N=22 120)
100,0 (N=65 173)
100,0 (N=80 438)
100,0 (N=182 223)
Ouder andere Totaal kinderen in eenoudergezin
3.10 Kinderen onder de 18 jaar naar gezinsvorm en naar omvang van de tewerkstelling van de ouder(s) - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
66
67
HOOFDSTUK 4
WELVAART, INKOMEN, ARMOEDE EN KANSARMOEDE
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
kindniveau hoe de inkomenssituatie van gezinnen met kinderen eruitziet. We bekijken de leefsituatie ook ruimer dan louter financieel via de kansarmoedecijfers van Kind en Gezin.
De materiële en financiële situatie van een gezin heeft voor een kind impact op meerdere levensdomeinen (gezondheid, ontwikkeling, welzijn, sociale contacten …) en dat zowel op korte als op lange termijn. Daarom schetsen we uitvoerig op
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen en grafieken: 4.1 Kinderen naar de hoogte van het gezinsinkomen per leeftijd ...................................................................................................................... 71 4.2 Kinderen naar de hoogte van het gezinsinkomen per provincie ................................................................................................................ 72 4.3 Kinderen naar de hoogte van het gezinsinkomen per gezinsvorm............................................................................................................ 73 4.4 Kinderen naar het aandeel van uitkeringen in het gezinsinkomen ............................................................................................................74 4.5 Kinderen naar gezinsinkomen met en zonder gezinsbijslagen per gezinsvorm .................................................................................. 75 4.6 Armoede-indicatoren op kindniveau ..........................................................................................................................................................................77 4.7 Internationale situering kinderen met verhoogd armoederisico ................................................................................................................ 78 4.8 Kinderen met verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering ......................................................................................................... 79 4.9 Minderjarigen met sociale toeslagen voor en na invoering van het Groeipakket ..............................................................................81 4.10 Aantal toegekende schooltoeslagen...........................................................................................................................................................................82 4.11 Aantal toegekende schooltoeslagen in lager en secundair onderwijs per type toeslag .................................................................83 4.12 Kansarmoede-index per provincie ..............................................................................................................................................................................86 4.13 Kansarmoede-index naar type gemeente ............................................................................................................................................................... 87 4.14 Kansarmoede-index naar origine van de moeder per provincie .................................................................................................................88 4.15 Woonplaats kinderen in kansarmoede naar type gemeente .........................................................................................................................89 4.16 Origine van de moeder van de kinderen in kansarmoede per provincie ................................................................................................90 4.17 Kinderen in kansarmoede naar cluster van eerste nationaliteit van de moeder ................................................................................91 4.18 Kinderen in kansarmoede naar onderliggende levensdomeinen/criteria per origine van de moeder ....................................93
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN de kansarmoedesituatie in het gezin van borelingen. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
We benutten in dit hoofdstuk 4 soorten bronnen: steekproefgegevens van de EU-SILC-enquête (Statistics on income and living conditions), gegevens van de KSZ over het (geconstrueerd) bruto belastbaar gezinsinkomen van nagenoeg alle kinderen, administratieve bestanden van Opgroeien en andere overheidsinstanties met inkomensselectieve maatregelen en registratiegegevens van Kind en Gezin over
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
1. INKOMENS IN GEZINNEN MET KINDEREN 1.1. Verdeling van kinderen naar gezinsinkomen In 2018 groeit 4,7% van de kinderen op in een gezin waar slechts een beperkt (<15 000 euro) bruto belastbaar gezinsinkomen aanwezig is. 1 op de 5 kinderen leeft in een gezin met een bruto belastbaar gezinsinkomen van maximaal 30 000 euro (zie tabel 4.1).
70
Er zijn echter ook kinderen die een ruimer gezinsinkomen hebben. 37,4% van de minderjarigen leeft met een gezinsinkomen dat groter is dan 65 000 euro, bij 18,3% van de kinderen is dat meer dan 85 000 euro.
afgenomen met 1,9 procentpunt. Het aandeel kinderen in gezinnen in de hogere inkomensklassen (>65 000 euro) is toegenomen met 3,6 procentpunten. Die toename is wellicht deels te wijten aan de gevolgen van de inflatie.
Ten opzichte van 2016 zien we dat het aandeel kinderen in een gezin met een inkomen onder 30 000 euro is
4.1 Kinderen naar de hoogte van het gezinsinkomen per leeftijd
Inkomen
2016
2017 (1)
Totaal
Totaal
2018 Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
<15 000
6,3
5,8
5,3
5,1
4,8
4,3
4,7
15 000-<30 000
15,6
15,2
14,5
15,2
15,5
15,4
15,3
30 000-<45 000
17,3
16,9
17,0
16,5
16,5
16,0
16,4
45 000-<55 000
12,8
12,6
14,4
13,0
11,9
11,3
12,2
55 000-<60 000
6,5
6,4
7,9
6,9
6,0
5,5
6,3
60 000-<65 000
6,1
6,1
7,6
6,8
5,9
5,3
6,1
65 000-<75 000
10,4
10,6
12,1
11,9
10,9
9,8
10,9
75 000-<85 000
7,5
7,9
7,8
8,3
8,5
8,2
8,3
85 000-<100 000
6,9
7,4
6,1
7,1
8,0
8,9
7,9
>=100 000
8,9
9,6
5,8
7,6
10,3
14,1
10,4
Onbekend
1,7
1,6
1,5
1,6
1,7
1,4
1,5
100,0 (N=1 227 680)
100,0 (N=1 233 121)
100,0 (N=186 803)
100,0 (N=203 347)
100,0 (N=437 756)
100,0 (N=411 153)
100,0 (N=1 239 059)
Totaal
Alle cijfers in dit hoofdstuk zijn berekend op kindniveau. Inkomensgegevens met gezinnen als teleenheid zijn opgenomen in hoofdstuk 8.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4.1 Verdeling van kinderen naar geconstrueerd bruto belastbaar gezinsinkomen - in euro (exclusief gezinsbijslagen) per leeftijd - Vlaams Gewest Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) De cijfers voor het jaar 2017 wijken af van de cijfers gepubliceerd in de vorige editie van 'Het kind in Vlaanderen' omdat in 2021 is gebleken dat de inkomensnotie van de KSZ voor dat jaar niet volledig was
71
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede De verdeling van de kinderen naar gezinsinkomen volgens leeftijd loopt redelijk gelijk, al is wel duidelijk dat oudere kinderen relatief gezien meer in een gezin met een hoog gezinsinkomen leven. Dat het aandeel kinderen in gezinnen met een hoger inkomen hoger ligt bij de oudere kinderen heeft wellicht te maken met het feit dat heel wat ouders op dat moment al een hogere arbeidsparticipatie kennen (zie hoofdstuk 3) en/of al verder staan in hun loopbaan.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Als we de verdeling van de 0- tot 18-jarigen naar gezinsinkomen vergelijken tussen de provincies (zie tabel 4.2), dan zien we enkele duidelijke verschillen. In Antwerpen leeft 24,3% van de minderjarigen met een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30 000 euro, in Vlaams-Brabant ligt dat aandeel een stuk lager (16,6%). Vlaams-Brabant heeft tegelijk een duidelijk groter aandeel kinderen met een bruto belastbaar gezinsinkomen van minstens 75 000 euro (33,9%) t.o.v. de andere provincies. Vooral Limburg telt
een opvallend lager aandeel kinderen met een hoog gezinsinkomen. Het kan dat die cijfers vertekend zijn doordat de ene provincie meer kinderen heeft van wie het gezinsinkomen niet (volledig) vervat zit in het inkomensconcept van de KSZ (bv. uitgaande grensarbeiders die bij de sociale zekerheid van het buurland zijn aangesloten of kinderen van zelfstandigen die zichzelf naast een beperkt loon ook nog een dividend uitkeren), maar de verschillen zijn alvast opmerkelijk.
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
1.2. Verdeling van de kinderen naar gezinsinkomen volgens gezinsvorm Als we de inkomensverdeling op kindniveau bekijken naargelang de gezinsvorm, dan zien we opnieuw enkele duidelijke verschillen. Tabel 4.3 toont via de kolompercentages de heel scheve inkomensverdeling van de kinderen in een eenoudergezin aan.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
inkomens ligt die verhouding heel anders. Dat is uiteraard logisch. Wanneer er 2 ouders zijn, genereren ze vaak 2 inkomens (al dan niet uit arbeid).
Liefst 57,5% van die kinderen heeft een bruto belastbaar gezinsinkomen van minder dan 30 000 euro. Bij kinderen uit een tweeoudergezin is dat 13,5%. Via de rijpercentages (in cursief) geeft tabel 4.3 aan wat het aandeel is van de gezinsvorm per inkomenscategorie. Kinderen uit een eenoudergezin maken een aanzienlijk deel (41,9%) uit van de kinderen met een gezinsinkomen lager dan 15 000 euro. Bij de hogere
4.3 Kinderen naar de hoogte van het gezinsinkomen per gezinsvorm Kind bij (on)gehuwd paar
4.2 Kinderen naar de hoogte van het gezinsinkomen per provincie Inkomen
Kolom %
Rij %
Inkomen
Antwerpen
Limburg
Oost-Vlaanderen
Vlaams-Brabant
West-Vlaanderen
<15 000
5,8
6,1
4,0
4,1
3,7
15 000 -<30 000
18,5
16,1
14,3
12,6
13,4
30 000 -<45 000
17,3
18,5
16,2
14,7
15,6
45 000 -<60 000
17,3
20,0
18,6
16,4
21,8
60 000 -<75 000
55 000-<60 000
15,3
16,3
17,7
16,0
20,4
6,9
>75 000
60 000-<65 000
24,1
20,1
28,7
33,9
24,4
12,4
Onbekend
65 000-<75 000
1,6
2,9
0,7
2,3
0,7
75 000-<85 000
9,5
100,0 (N=361 558)
100,0 (N=155 322)
100,0 (N=285 372)
100,0 (N=227 517)
100,0 (N=209 290)
85 000-<100 000
9,1
>=100 000
12,0
98,5
Onbekend
1,4
75,7
Totaal
4.2 Verdeling van de minderjarigen naar geconstrueerd bruto belastbaar gezinsinkomen - in euro (exclusief gezinsbijslagen) - Vlaamse provincies - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
Kind van alleenstaande ouder Kolom %
<15 000
3,2
58,1
13,4
41,9
100,0
15 000-<30 000
10,3
57,3
44,1
42,7
100,0
30 000-<45 000
15,1
78,6
23,8
21,4
100,0
45 000-<55 000
13,1
91,0
7,5
9,0
100,0
7,0
95,0
2,1
5,0
100,0
96,1
1,6
3,9
100,0
97,3
2,0
2,7
100,0
98,0
1,1
2,0
100,0
98,4
0,9
1,6
100,0
1,0
1,5
100,0
2,5
24,3
100,0
Totaal
100,0
100,0
4.3 Verdeling van de minderjarigen naar geconstrueerd bruto belastbaar inkomen - in euro (exclusief gezinsbijslagen) per gezinsvorm - Vlaams Gewest - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
72
Totaal
Rij %
73
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
1.3. Verdeling van de kinderen naar aandeel van uitkeringen in het inkomen Tabel 4.4 geeft voor kinderen van 0 tot 18 jaar in het Vlaamse Gewest weer hoe groot het aandeel is van vervangingsinkomens of uitkeringen in het bruto belastbaar inkomen van hun gezin. 4 op de 10 minderjarigen leven in een gezin met een inkomen dat volledig uit een arbeidsinkomen bestaat. Bij 3 op de 10 kinderen bestaat het gezinsinkomen voor minder dan 10% uit uitkeringen, bij 9,7% voor minstens of meer dan de helft. Het feit dat een gezinsinkomen voor een groot deel bestaat uit uitkeringen is een
belangrijke indicatie voor een minder gunstige materiële situatie. De meeste uitkeringen zijn immers geplafonneerd en/of aan bepaalde inkomensgrenzen gekoppeld. Het aandeel kinderen waarbij het inkomen volledig uit arbeid afkomstig is, neemt toe met de leeftijd en is veel groter bij kinderen van 6 tot 12 jaar (42,5%) en kinderen van 12 tot 18 jaar (50,3%) dan bij de jongste kinderen (21,5%). 58,4% van de kinderen onder de 3 jaar heeft een gezinsinkomen dat tot 25% bestaat uit uitkeringen, bij kinderen van 6 tot 12 jaar gaat het om ongeveer 40% van de kinderen. Het feit dat heel wat ouders (en vooral moeders) in de eerste levensjaren hun
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
arbeidsparticipatie onderbreken of terugschroeven en/of gebruikmaken van specifieke verlofstelsels die gepaard gaan met bepaalde uitkeringen (moederschapsrust, ouderschapsverlof …) heeft hier zeker – maar wellicht niet alleen – mee te maken.
1.4. Belang van gezinsbijslagen in het inkomen
We hebben ook berekend hoeveel kinderen in een gezin leven waarvan het inkomen gedeeltelijk uit leefloon bestaat. Een leefloon is immers een sterke indicator voor een minder gunstige materiële situatie. Niet-opgenomen cijfers tonen aan dat het in 2018 om 43 096 kinderen gaat, dat is 3,5% van alle minderjarigen. De helft van die groep kinderen leeft van een gezinsinkomen dat voor minstens 50% uit leefloon bestaat.
Doordat het inkomensbegrip van het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming opgebouwd is uit afzonderlijke componenten, kunnen we de inkomens ook met inbegrip van gezinsbijslagen voorstellen. Zo kan een vergelijking van de verdeling van de kinderen volgens beide inkomens (met en zonder gezinsbijslagen) een indicatie geven van het herverdelend effect
Kinderen onder de 3 jaar
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
0%
21,5
33,7
42,5
50,3
40,5
0-10%
36,3
37,2
30,9
22,6
30,0
10-25%
22,1
11,8
9,1
8,5
11,3
25-50%
9,3
6,7
6,3
6,7
7,0
50-75%
2,8
2,5
2,6
3,1
2,8
75-100%
6,5
6,6
6,9
7,4
7,0
Onbekend
1,5
1,6
1,7
1,4
1,5
100,0 (N=186 803)
100,0 (N=203 347)
100,0 (N=437 756)
100,0 (N=411 153)
100,0 (N=1 239 059)
Totaal
4.4 Verdeling van de kinderen naar het aandeel van uitkeringen in het bruto belastbaar gezinsinkomen (exclusief gezinsbijslagen) per leeftijdsklasse - Vlaams Gewest - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
74
We zien duidelijk een corrigerend effect van de gezinsbijslagen op het gezinsinkomen van kinderen. Door de gezinsbijslagen mee te tellen in het inkomen, halveert de groep kinderen met een gezinsinkomen lager dan 15 000 euro (van 4,7% naar 2,4%). Ook het aandeel kinderen met gezinsinkomens tussen 15 000 en 30 000 euro neemt af wanneer we de gezinsbijslagen wel mee laten tellen in het bruto belastbaar inkomen, maar de daling is minder sterk.
en het belang van de gezinsbijslagen voor kinderen. Het gaat voor alle duidelijkheid om door de KSZ geraamde gezinsbijslagen, niet om de werkelijk ontvangen bedragen. We bekijken de inkomensverdeling per gezinsvorm voor het jaar 2018, wat betekent dat het nog om de voormalige federale gezinsbijslagenregeling gaat en niet om het nieuwe Groeipakket dat sinds 2019 in Vlaanderen is gestart.
4.5 Kinderen naar gezinsinkomen met en zonder gezinsbijslagen per gezinsvorm (1) Kind bij (on)gehuwd paar Inkomen
4.4 Kinderen naar het aandeel van uitkeringen in het gezinsinkomen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Zonder gezinsbijslagen
Kind bij alleenstaande ouder
Met gezinsbijslagen
Zonder gezinsbijslagen
Met gezinsbijslagen
Totaal kinderen Zonder gezinsbijslagen
Met gezinsbijslagen
<15 000
3,2
1,9
13,4
5,5
4,7
2,4
15 000-<30 000
10,3
6,7
44,1
39,5
15,3
11,6
30 000-<45 000
15,1
13,9
23,8
31,7
16,4
16,5
45 000-<55 000
13,1
12,7
7,5
10,4
12,2
12,4
55 000-<60 000
7,0
7,2
2,1
2,9
6,3
6,6
60 000-<65 000
6,9
7,2
1,6
2,2
6,1
6,5
65 000-<75 000
12,4
13,4
2,0
2,6
10,9
11,8
75 000-<85 000
9,5
10,9
1,1
1,5
8,3
9,5
85 000-<100 000
9,1
10,8
0,9
1,1
7,9
9,4
>=100 000
12,0
14,4
1,0
1,2
10,4
12,4
Onbekend
1,4
0,9
2,5
1,4
1,5
1,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
4.5 Verdeling van minderjarigen naar gezinsinkomen volgens een bruto belastbaar inkomensbegrip zonder en met (geraamde) gezinsbijslagen - in euro - Vlaams Gewest - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Het gaat om bedragen die gezinnen in 2018 ontvingen op basis van de voormalige federale regelgeving
75
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede We zien daarnaast dat er zich in elke inkomensklasse een verschuiving voordoet waardoor het aandeel kinderen in de hogere inkomenscategorieën toeneemt. Dat is ook logisch. België heeft immers een sterk uitgebouwd gezinsbijslagensysteem. Elk gezinsinkomen stijgt door toedoen van de gezinsbijslagen. Het sociaal corrigerend effect doet zich veel duidelijker voor als we de inkomensverdeling van kinderen per gezinsvorm bekijken. Het aandeel
kinderen uit een eenoudergezin in de laagste inkomenscategorie ligt ruim 2 keer lager in de verdeling volgens inkomens met gezinsbijslagen dan in de verdeling zonder gezinsbijslagen (5,5% versus 13,4%) en het aandeel kinderen met een gezinsinkomen tussen 30 000 en 45 000 euro ligt hoger met gezinsbijslagen. De hoofdreden daarvan is wellicht het feit dat er in de voormalige gezinsbijslagenregeling een speciale toeslag bestond voor eenoudergezinnen met een beperkt
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
inkomen, ongeacht het professioneel statuut van de alleenstaande ouder daar waar de toeslag voor tweeoudergezinnen met een beperkt inkomen wel gekoppeld was aan langdurige werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of pensionering.
Tabel 4.6 toont aan dat er een verhoogd armoederisico is bij 12,4% van de minderjarigen.
2. OBJECTIEVE EN SUBJECTIEVE ARMOEDE BIJ KINDEREN OP BASIS VAN DE SILC-DATA 2.1. Armoede-indicatoren op kindniveau in het Vlaamse Gewest Op basis van de SILC-enquête nemen we cijfers op over drie belangrijke indicatoren over armoede bij kinderen. Het gaat om 1 subjectieve indicator (het aandeel kinderen van wie de ouders aangeven (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare inkomen) en 2 objectieve indicatoren (het aandeel
kinderen met een gezinsinkomen onder de armoededrempel en het aandeel kinderen in ernstige materiële deprivatie). We spreken van ernstige materiële deprivatie als het gezin minstens 4 zaken uit een lijst van 9 om financiële redenen niet heeft (bv. telefoon/gsm, wasmachine …) of niet kan doen (bv. huis niet degelijk verwarmen, onverwachte noodzakelijke uitgaven uit eigen middelen betalen, jaarlijks een week op vakantie gaan …).
76
Dat betekent dat 12,4% in een gezin leeft waar het gestandaardiseerd beschikbaar inkomen per persoon lager ligt dan 60% van het mediaan beschikbaar inkomen van het land. Het mediaan beschikbaar inkomen in 2019 was 24 608 euro per jaar. Na standaardisatie volgens de samenstelling van het gezin ligt de armoedegrens voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen op 33 960 euro per jaar. We nemen de Belgische norm omdat de fiscaliteit en de sociale zekerheid – de belangrijkste
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4.6 Armoede-indicatoren op kindniveau Kinderen onder de armoederisicogrens (1)
Kinderen in subjectieve armoede
Kinderen in ernstige materiële deprivatie
12,4
15,2
2,4
4.6 Armoede-indicatoren op kindniveau (0-17 jaar) - Vlaams Gewest - 2019 (percentage) Bron: EU-SILC, Statbel, bewerking Statistiek Vlaanderen op basis van de EU-SILC-enquête 2019 (1) Armoedegrens: 60% van het mediaan beschikbaar jaarinkomen per persoon, in België
herverdelingsmechanismen – vooral een federale bevoegdheid zijn. 15,2% van de kinderen onder de 18 jaar leeft in een gezin waarvan de referentiepersoon stelt dat het moeilijk of zeer moeilijk is om de eindjes
In 2019 werd de SILC-enquête ingrijpend vernieuwd, waardoor we niet zomaar kunnen vergelijken met de voorgaande jaren. Het is daarom niet mogelijk om (zoals in vorige edities) de verschillende armoede-indicatoren te bespreken naar gezinssituatie, werkintensiteit in het gezin en herkomst.
77
aan elkaar te knopen. 2,4% van de minderjarigen bevindt zich in een situatie van ernstige materiële deprivatie. Die ongunstige situatie komt dus veel minder voor dan de andere 2 indicatoren.
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
2.2. Internationale situering kinderen onder de armoederisicodrempel Aangezien de SILC-enquête in alle landen van de EU wordt afgenomen, kunnen we de situatie van Vlaanderen goed internationaal situeren. Tabel 4.7 schetst het aandeel kinderen met een verhoogd armoederisico in de EU-27-landen voor de leeftijdsgroep 0 tot 18 jaar. De landen staan in stijgende lijn geordend volgens het armoederisicocijfer voor 2019. Finland, Denemarken en Slovenië kennen duidelijk het laagste aandeel kinderen onder de armoederisicodrempel. Roemenië kent het hoogste aandeel (30,8%), maar ook in Spanje en Bulgarije leven meer dan 1 op de 4 kinderen onder de armoederisicodrempel. Vlaanderen situeert zich bij de landen met het laagste armoederisicocijfer. Het cijfer voor België ligt hoger dan dat van het Vlaamse Gewest. Van de EU-27-landen zijn er nog 10 landen met een hoger aandeel kinderen onder de armoederisicodrempel dan België.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4.7 Internationale situering kinderen met verhoogd armoederisico (1) Finland
10,3
Denemarken
10,3
Slovenië
10,5
Tsjechië
11,2
Hongarije
11,5
Duitsland
12,1
Vlaams Gewest
12,4
Polen
13,4
Nederland
13,6
Ierland
14,1
Letland
14,5
Oostenrijk
14,9
Cyprus
16,7
Kroatië
17,1
Estland
17,2
Frankrijk
18,2
Portugal
18,5
België
18,9
Slovakije
19,0
Malta
20,6
Griekenland
21,1
Zweden
21,5
Litouwen
22,7
Italië
24,5
Luxemburg
24,8
Spanje
27,4
Bulgarije
27,5
Roemenië
30,8
4.7 Percentage kinderen onder de 18 jaar met verhoogd armoederisico na sociale transfers - 2019 Bronnen: Eurostat, website EU-SILC, Statbel - bewerking Statistiek Vlaanderen op basis van de EU-SILC-enquête 2019 (1) Met een (voor gezinsgrootte gecorrigeerd) inkomen dat lager is dan 60% van het mediaaninkomen van het betreffende land
78
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3. VERHOOGDE TEGEMOETKOMING IN DE ZIEKTEVERZEKERING In de ziekteverzekering bestaat er een systeem van een verhoogde tegemoetkoming voor personen die het financieel moeilijker hebben. Dat systeem voorziet in lagere persoonlijke bijdragen voor medische prestaties en hospitalisaties.
tabel 4.8). Bij 15- tot 20-jarigen loopt het aandeel op tot 16,6%. In geen enkele leeftijdscategorie zien we een toename van het aandeel kinderen met een verhoogde tegemoetkoming t.o.v. 2019. Bij de kinderen onder de 5 jaar zien we zelfs een daling met 0,5 procentpunt.
Enerzijds heeft iedereen die bepaalde sociale uitkeringen krijgt (leefloon …) automatisch recht op de tegemoetkoming. Anderzijds kan iedereen met een beperkt inkomen ook in aanmerking komen na een inkomensonderzoek.
In Antwerpen is het aandeel kinderen met recht op een verhoogde tegemoetkoming duidelijk groter dan in de andere provincies en heeft meer dan 1 op de 5 kinderen tussen 5 en 20 jaar recht op de verhoogde tegemoetkoming. In Vlaams-Brabant ligt het aandeel in alle leeftijdscategorieën het laagst. Het aandeel kinderen met recht op de verhoogde tegemoetkoming neemt in elke provincie toe met de leeftijd, maar
In het Vlaamse Gewest heeft 13,4% van de kinderen onder de 5 jaar recht op een verhoogde tegemoetkoming (zie
de toename is duidelijk groter in Limburg (11,1% bij de kinderen onder de 5 jaar, 17,6% bij jongeren tussen 15 en 20 jaar). Uit niet-opgenomen cijfers blijkt dat in elke leeftijdscategorie het aandeel kinderen in een gezin met automatisch recht lager ligt dan het aandeel kinderen in een gezin met recht na een aangetoond beperkt inkomen. Twee derde van de kinderen die een verhoogde tegemoetkoming krijgen, kreeg die na een inkomensonderzoek.
4.8 Kinderen met verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering 0- tot 5-jarigen Aantal
%
5- tot 10-jarigen Aantal
%
10- tot 15-jarigen
15- tot 20-jarigen
Aantal
Aantal
%
%
2019
46 214
13,9
56 878
15,6
58 600
16,1
56 554
16,6
2020
44 000
13,4
56 337
15,5
59 249
15,9
57 298
16,6
Antwerpen
18 607
18,7
23 010
21,4
23 149
21,6
20 930
21,3
Limburg
4 366
11,1
6 527
14,4
7 371
15,9
7 673
17,6
Oost-Vlaanderen
9 380
12,4
11 886
14,1
12 665
14,5
12 440
15,6
Vlaams-Brabant
5 733
9,7
7 324
11,1
7 658
11,2
7 648
11,9
West-Vlaanderen
5 914
10,7
7 590
12,6
8 406
13,4
8 607
14,5
Vlaams Gewest
4.8 Aantal en aandeel kinderen in gezin met recht op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering per leeftijd en per provincie - Vlaams Gewest Bron: RIZIV-toestand op 30 juni
79
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4. KINDEREN VOOR WIE EEN SOCIALE TOESLAG WORDT UITBETAALD OMWILLE VAN EEN BEPERKT INKOMEN Op 1 januari 2019 ging in Vlaanderen het Groeipakket* van start, de nieuwe Vlaamse gezinsbijslagenregeling. Een van de belangrijkste vernieuwingen is de hervorming van het systeem van sociale toeslagen, waarbij: • De toekenning van de sociale toeslag veel automatischer verloopt. • Enkel de hoogte van het inkomen het recht bepaalt. • Het inkomensbegrip werd gewijzigd en verruimd. • Voor nieuwe grote gezinnen (>2 kinderen) een tweede inkomensgrens (62 424 euro in december 2020) werd ingevoerd naast de bestaande/eerste inkomensgrens die voor alle gezinnen geldt (31 606 euro in december 2020).
Tabel 4.9 geeft weer hoeveel minderjarigen een sociale toeslag krijgen. De invoering van het Groeipakket zorgde bijna voor een verdubbeling van het aantal minderjarigen met een sociale toeslag met een inkomen onder de inkomensgrens van 30 986 euro. In 2020 krijgen bijna 312 000 minderjarigen (24%) een sociale toeslag, een stijging met 6,3% t.o.v. 2019. De stijging komt er vooral door de aangroei van het aantal kinderen in een groot gezin met een inkomen tussen de laagste en middelste inkomensgrens. Het aandeel kinderen met een sociale toeslag ligt iets lager bij oudere kinderen. Bij de kinderen onder de 6 jaar gaat het om 25,3% van de kinderen.
Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat in het Groeipakket 25,7% van de kinderen onder de 3 jaar een sociale toeslag krijgt, waarvan meer dan 3 op 4 (77,8%) met een inkomen onder de grens van 30 986 euro.
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
4.9 Minderjarigen met sociale toeslagen voor en na invoering van het Groeipakket (1)
2018 (2)
Kinderen onder de 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal
35 760
50 583
53 965
140 308
8,9
11,2
12,8
11,0
84 946
98 681
94 829
278 456
8 791
4 304
1 777
14 872
93 737
102 985
96 606
293 328
23,1
22,8
22,4
22,8
Aantal kinderen met gezinsinkomen <inkomensgrens 1
84 460
98 514
97 579
280 553
Aantal kinderen in groot gezin met inkomen tussen inkomensgrens 1 en 2
17 379
9 813
4 060
31 252
Totaal aantal kinderen met een sociale toeslag
101 839
108 327
101 639
311 805
25,3
24,0
22,9
24,0
Totaal aantal kinderen met een sociale toeslag % Aantal kinderen met gezinsinkomen <inkomensgrens 1 (3)
2019
Aantal kinderen in groot gezin met inkomen tussen inkomensgrens 1 en 2 Totaal aantal kinderen met een sociale toeslag %
2020
* Voor meer info over het Groeipakket, zie groeipakket.be
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
%
4.9 Aantal minderjarigen met een sociale toeslag, situatie op 31 december van het jaar Bronnen: FAMIFED, website Opgroeien (1) Het systeem van sociale toeslagen bestaat ook voor meerderjarigen die nog in aanmerking komen voor een Groeipakket. Eind 2020 ging het om 62 022 kinderen. Die zijn niet opgenomen in de tabel (2) Cijfers 2018 over de voormalige federale gezinsbijslagengregeling. Kinderen met een sociale toeslag en kinderen met gewaarborgde gezinsbijslag werden samengeteld. In het oude systeem was er maar 1 inkomensgrens en moest de rechthebbende ook aan bepaalde socioprofessionele voorwaarden voldoen (3) D eze cijfers verschillen licht van de cijfers die vorig jaar werden opgenomen. Door aanpassingen in het datawarehouse konden we pas in 2021 voor alle kinderen de opsplitsing naar inkomensgrenzen maken in de cijfers
80
81
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5. SCHOOLTOESLAGEN 5.1. Aantal leerlingen met een schooltoeslag In het Vlaamse onderwijs bestaat al jaren een systeem van school- en studietoelagen waarbij leerlingen uit een gezin met een beperkt gezinsinkomen extra toelagen ontvangen om de school- en studiekosten makkelijker te kunnen betalen. Vanaf het schooljaar 2019-2020 is de ‘schooltoelage’ vanuit het beleidsdomein Onderwijs en Vorming overgeheveld naar het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en daar geïntegreerd in het Groeipakket onder de benaming ‘schooltoeslag’ (selectieve participatietoeslag). Die overheveling ging gepaard met 3 belangrijke wijzigingen:
1) De toekenning gebeurt nu automatisch aan iedereen die er recht op heeft, voorheen dienden gezinnen een aanvraag te doen. 2) De toekenning gebeurt op basis van een nieuw inkomensbegrip, waarbij de inkomensgrenzen gewijzigd en verruimd werden om tegemoet te komen aan de overgang van netto naar bruto belastbaar inkomen. 3) D e toeslagbedragen werden selectief verhoogd. Tabel 4.10 geeft aan dat de doorgevoerde hervorming geleid heeft tot een aanzienlijke stijging van het aantal begunstigden. In het schooljaar 2019-2020 kregen meer dan 491 000 leerlingen een schooltoeslag, dat
zijn er 161 344 meer (+48,2%) dan in het schooljaar 2018-2019. In absolute aantallen was de stijging het grootst bij het secundair onderwijs, maar relatief gezien kende het kleuteronderwijs wel de sterkste toename (+76,1%). De (voorlopige) cijfers voor het schooljaar 2020-2021 liggen in totaal iets hoger dan in het schooljaar 2019-2020, maar de stijging doet zich niet op alle onderwijsniveaus voor. In het secundair onderwijs is er voorlopig een toename van 5,4%, in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs zien we een daling van respectievelijk 5,8% en 0,3%.
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
5.2. Hoogte van de schooltoeslag De hoogte van de schooltoeslag varieert onder meer volgens het inkomen en het onderwijsniveau. Voor elk gezin wordt bekeken of het inkomen lager ligt dan de maximumgrens die geldt voor gezinnen met die gezinslast. Voor het kleuteronderwijs wordt er een gelijk bedrag toegekend, bij de andere onderwijsniveaus zijn de bedragen hoger
Schooljaar
2019-2020 (2) 2020-2021 (3)
Schooljaar
Kleuteronderwijs
Lager onderwijs
Secundair onderwijs
HBO5 (1)
Totaal
2018-2019 (2)
139 799
2 136
334 796
62 070
130 791
(3)
109 302
190 681
189 236
2 163
491 382
2020-2021 (4)
103 326
190 170
199 969
2 675
496 140
2019-2020
4.10 Aantal kinderen aan wie een schooltoeslag wordt toegekend - Vlaamse Gemeenschap Bronnen: 2018-2019: Departement Onderwijs, Statistische jaarboeken van het Vlaamse onderwijs Vanaf 2019-2020: Opgroeien (1) HBO5 staat voor hoger beroepsonderwijs en situeert zich op niveau 5 van de Vlaamse kwalificatiestructuur, tussen het secundair onderwijs (niveau 4) en de bacheloropleidingen (niveau 6), vandaar de afkorting HBO5. HBO5 behoort tot het hoger onderwijs, maar de HBO5-leerlingen vallen wel nog onder het schooltoeslagensysteem (2) Cijfers over de situatie op 13 mei 2020 (3) Definitieve cijfers, situatie april 2021 (4) De cijfers zijn voorlopige cijfers en geven de situatie mee zoals gekend in april 2021
82
en variëren ze vooral* naargelang de hoogte van het inkomen. Gezinnen met een inkomen onder de minimumgrens ontvangen een volledige schooltoeslag, gezinnen met een inkomen tussen de minimum- en maximumgrens krijgen een gedeeltelijke toeslag en gezinnen met een inkomen op of net onder de maximumgrens een minimale toeslag. In uitzonderlijke omstandigheden (waarbij het inkomen zeer laag is én voor 70% bestaat uit een leefloon, een
inkomensvervangende tegemoetkoming of een vervangingskomen) ontvangt het gezin de hogere uitzonderlijke toeslag. Tabel 4.11 geeft weer hoeveel leerlingen uit het lager en secundair onderwijs welk schooltoeslagtype krijgen.
* De bedragen variëren ook naargelang een leerling intern is of niet en naargelang de gevolgde studierichting in het secundair onderwijs. Voor meer details zie groeipakket.be
4.11 Aantal toegekende schooltoeslagen in lager en secundair onderwijs per type toeslag
2018-2019 (1)
4.10 Aantal toegekende schooltoeslagen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Uitzonderlijk
Volledig
Gedeeltelijk
Minimaal
Totaal
1 933
115 500
97 756
59 625
274 945
0,7
42,0
35,6
21,7
100,0
1 981
160 957
122 095
94 884
379 917
0,5
42,4
32,1
25,0
100,0
1 458
165 134
126 792
96 755
390 139
0,4
42,3
32,5
24,8
100,0
4.11 Aantal kinderen uit lager en secundair onderwijs met een schooltoeslag, naar type toeslag - Vlaamse Gemeenschap Bronnen: 2018-2019: Departement Onderwijs, Statistische jaarboeken van het Vlaamse onderwijs Vanaf 2019-2020: Opgroeien
Van de leerlingen in het lager en secundair onderwijs met een schooltoeslag heeft ongeveer 43% een gezinsinkomen onder de minimumgrenzen van het systeem, een kwart ontvangt de minimale toeslag. De evolutie van de cijfers over de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 heen toont aan dat de hervorming bij alle soorten toeslagen en dus ook in diverse
inkomensklassen geleid heeft tot een toename van het aantal leerlingen met een schooltoeslag. In absolute aantallen was de stijging het sterkst bij de volledige toeslagen, in relatieve zin nam het aantal en aandeel van kinderen met een minimale toeslag wel het sterkst toe (+58,8%).
83
De gemiddelde schooltoeslag per jaar lag in 2020-2021 voor de kleuters op 106 euro, voor de lagereschoolkinderen op 160 euro en voor de leerlingen secundair onderwijs op 737 euro.
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6. KINDEREN IN KANSARMOEDE Daling kansarmoede bij zeer jonge kinderen. Kansarmoede duidelijk hoger in steden en bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine
6.1. Toelichting over de registratie- en berekeningswijze van de kansarmoedecijfers Tijdens hun contacten met gezinnen gaan de medewerkers van de lokale teams van Kind en Gezin na of er signalen zijn van kansarmoede. Kansarmoede is meer dan inkomensarmoede. Het is een multidimensioneel concept waarbij we de situatie beschouwen op meerdere levensdomeinen. We definiëren kansarmoede dan ook als een duurzame toestand waarbij mensen beperkt worden in hun kansen om voldoende deel te nemen aan maatschappelijk hooggewaardeerde goederen zoals onderwijs, arbeid en huisvesting. Op basis van die definitie bekijken we de situatie voor 6 verschillende levensdomeinen. Het gaat om: • het maandinkomen van het gezin, • de opleiding van de ouders, • de arbeidssituatie van de ouders,
• de kwaliteit van de huisvesting, • het stimulatieniveau van de kinderen, • de gezondheid.
Rijksregister zodat wijzigingen in de woonplaats van kinderen nu beter dan voorheen meegenomen zijn.
Per levensdomein werd een ondergrens bepaald. Elk criterium wordt afzonderlijk beoordeeld. Wanneer de leefomstandigheden van een gezin bij 3 of meer van die 6 criteria zich op of onder de ondergrens bevinden, dan spreken we over kansarmoede in het gezin.
De kansarmoederegistratie is erg volledig. De cijfers voor de index van 2020 steunen op gegevens over 97,6% van de kinderen onder de 3 jaar die in het Vlaamse Gewest wonen.
De inschatting van kansarmoede gebeurt voor alle borelingen met wie Kind en Gezin minstens 1 contact gehad heeft. Daarbij is het nuttig om te weten dat kinderen die niet in Vlaanderen geboren zijn, maar er wel wonen, toch meegeteld worden. De index moeten we dus begrijpen als een cijfer over de zeer jonge kinderen die op de laatste dag van het meest recente jaar in Vlaanderen wonen. Sinds eind 2019 is er een koppeling gelegd tussen de gegevens van Kind en Gezin en gegevens van het
KA-index:
De kansarmoederegistratie gebeurt eenmalig (doorgaans in de eerste maanden na de geboorte) en moet als een momentopname beschouwd worden. De wijzigingen die zich in de daaropvolgende maanden/jaren in de levensomstandigheden van een gezin voordoen worden dus niet gecapteerd in de cijfers. Om de evolutie van kansarmoede bij zeer jonge kinderen op te volgen, wordt per jaar de kansarmoede-index berekend aan de hand van de onderstaande formule:
Aantal kinderen geboren in X, X-1 en X-2 dat leeft in kansarmoede en dat op 31 december van het jaar X in het betreffende gebied woont Totaal aantal kinderen geboren in X, X-1 en X-2 en dat op 31 december van het jaar X in het betreffende gebied woont
84
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.2. Impact van de berekeningswijze voor de interpretatie van evoluties van de kansarmoede-index
• Door de berekeningswijze is de index ook gevoelig voor verhuisbewegingen en voor de instroom van inwijkelingen (waar bv. lokale besturen niet altijd vat op hebben).
We merken dat evoluties in de kansarmoede-index vaak gebruikt worden om het succes of falen van beleid aan te duiden. Uiteraard is de kansarmoede-index een belangrijk signaal voor beleidsmakers, maar de registratie- en berekeningswijze heeft wel enkele belangrijke implicaties.
• Door de ‘rollende’ berekening van de index werken kansarmoedecijfers uit een bepaald geboortejaar 3 jaar door op de index.
De volgende zaken moeten dan ook in het achterhoofd gehouden worden als men de index wil gebruiken om beleid te beoordelen: • Kind en Gezin beoordeelt kansarmoede enkel voor zeer jonge kinderen. Inspanningen of trajecten die opgezet worden voor alle gezinnen/kinderen in (kans)armoede vertalen zich daarom niet onmiddellijk in een daling van de cijfers. •D e registratie is een momentopname, inspanningen of trajecten die in de concrete gezinnen opgezet worden, leiden niet tot een nieuwe beoordeling van de kansarmoede in dat gezin.
• Kansarmoede wordt bekeken voor 6 levensdomeinen, inspanningen die zich op andere zaken richten, zullen niet zichtbaar worden in de cijfers. • Werken aan meer structurele factoren (zoals opleidingsniveau, arbeidssituatie) zal pas na geruime tijd effect hebben. Zeker het criterium opleidingsniveau valt niet altijd op korte termijn gemakkelijk aan te pakken. Veel investeringen zullen dan ook pas bij toekomstige gezinnen/kinderen tot betere kansarmoedecijfers leiden. De kansarmoede-index lijkt ons dan ook minder geschikt om het succes of falen van recente beleidsinspanningen aan te tonen. De index is vooral een signaalindicator die aangeeft dat heel
x 100
85
wat kinderen opgroeien in een minder kansrijke omgeving en dat er absoluut beleidsinspanningen nodig zijn om die groep kinderen uit kansarmoede te halen. Door haar multidimensionele karakter en door het feit dat de beoordeling voor nagenoeg de hele populatie gebeurt, is het volgens ons ook een heel belangrijke indicator (vergeleken met bv. cijfers over inkomensarmoede op basis van een beperkte steekproef van kinderen).
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.3. Evolutie van de kansarmoede-index per provincie en naar type gemeente
daalt in 4 van de 5 provincies, enkel in West-Vlaanderen blijft de index ongewijzigd. Hoewel we in deze publicatie niet ingaan op de gemeentelijke kansarmoedeindexen, schetsen we wel de verschillen die zich voordoen tussen types van gemeenten. Als we de 300 Vlaamse gemeenten indelen volgens de VRINDindeling*, dan stellen we vast dat kansarmoede zich meer voordoet in steden dan in kleinere gemeenten (zie tabel 4.13). De index van de grooten centrumsteden ligt veel hoger dan de index van randgemeenten of plattelandsgemeenten.
De kansarmoede-index 2020 voor het Vlaamse Gewest bedraagt 13,7% en ligt 0,4 procentpunt lager dan in 2019 (zie tabel 4.12). De kansarmoede-index verschilt naargelang de provincie. In Antwerpen ligt de index met 17,5% het hoogst, in Vlaams-Brabant het laagst met 8,2%. De provincies Oost- en West-Vlaanderen kennen een even hoge kansarmoedeindex (12,9%). De kansarmoede-index
Zelfs binnen de steden zijn er duidelijke verschillen tussen structuurondersteunende steden (zoals Diest), centrumsteden (zoals Leuven, Roeselare en Mechelen) en de grootsteden Gent en Antwerpen. Als we de evolutie van de index bekijken, zien we dat de index niet overal daalt. In de structuurondersteunende steden blijft de index stabiel en in de grootstedelijke rand is er een beperkte stijging (+0,3 procentpunt). In de grootsteden stellen we de sterkste daling vast (-1 procentpunt).
* VRIND: Ruimtelijke indeling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.4. Kansarmoede-index naar origine van de moeder
4.13 Kansarmoede-index naar type gemeente Type gemeente volgens VRIND-indeling
2019 (1)
2020
Grootsteden
27,9
26,9
Centrumsteden
18,4
18,2
Kleinstedelijk provinciaal gebied
15,4
14,9
Structuurondersteunende steden
13,9
13,9
Grootstedelijke rand
8,9
9,2
Overgangsgebied
8,6
8,4
Regionaalstedelijke rand
8,2
7,7
Stedelijk gebied rond Brussel
8,1
7,4
Platteland
7,5
7,4
Totaal
14,1
13,7
4.13 Kansarmoede-index bij zeer jonge kinderen, naar type gemeente in Vlaams Gewest - 2019-2020 (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) De cijfers voor 2019 wijken licht af van wat vorig jaar gepubliceerd werd omdat in het najaar bleek dat de registratie in 1 van de structuurondersteunende steden (Vilvoorde) niet volledig genoeg was meegenomen in de berekeningen
4.12 Kansarmoede-index per provincie 2017
2018
2019 (1)
2020
Antwerpen
17,6
18,0
18,0
17,5
Limburg
14,2
14,4
14,3
14,1
Oost-Vlaanderen
13,0
13,5
13,6
12,9
West-Vlaanderen
12,9
13,2
12,9
12,9
Vlaams-Brabant
8,3
8,3
8,7
8,2
Vlaams Gewest
13,76
14,05
14,06
13,65
4.12 Kansarmoede-index naargelang de provincie (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) De cijfers voor 2019 wijken licht af van wat vorig jaar gepubliceerd werd omdat in het najaar bleek dat de registratie in 1 van de structuurondersteunende steden (Vilvoorde) niet volledig genoeg was meegenomen in de berekeningen
86
87
De kansarmoede-index bij kinderen van wie de moeder bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had, ligt met 32,4% heel wat hoger dan de 5,7% bij kinderen met een moeder van Belgische origine (zie tabel 4.14). Dat er een verschil tussen beide groepen is, is ook logisch omdat we in hoofdstukken 2 en 3 vaststelden dat de inkomens- en arbeidssituatie bij kinderen van vreemde herkomst minder gunstig is. Bij de kinderen met een moeder van Belgische origine ligt de kansarmoedeindex het laagst in Vlaams-Brabant (3,6%) en het hoogst in West-Vlaanderen (6,9%). Bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine ligt de kansarmoede-index eveneens het laagst in Vlaams-Brabant (19,1%) en het hoogst in Antwerpen (37,1%) en West-Vlaanderen (36,9%).
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.5. Woonplaats en herkomst van de kinderen en gezinnen in kansarmoede
4.14 Kansarmoede-index naar origine van de moeder per provincie Niet-Belgische origine
Belgische origine 2010 Antwerpen
2019
(2)
2020
2010
2019
5,8
27,9
37,9
Totaal (1) 2020
2010
37,1
11,4
19,8
19,1
5,5
8,7
8,2
37,4
36,9
7,2
12,9
12,9
34,4
32,4
7,4
13,6
12,9
22,8
33,1
32,8
10,1
14,3
14,1
23,4
33,4
32,4
8,6
14,1
13,7
3,9
6,0
Vlaams-Brabant
3,1
3,9
3,6
13,9
West-Vlaanderen
5,0
7,1
6,9
23,7
Oost-Vlaanderen
3,8
5,9
5,6
21,9
Limburg
5,2
6,7
6,6
Vlaams Gewest
4,1
5,9
5,7
(2)
2019 18,0
(2)
2020 17,5
4.14 Kansarmoede-index bij zeer jonge kinderen naar origine van de moeder, naargelang de provincie - 2010, 2019 en 2020 (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) In de totaalcijfers zijn ook kinderen verrekend waarbij de origine van de moeder niet gekend is. De evolutie van het totaalcijfer kan daarom licht verschillen van de evolutie van de cijfers per origine (2) D e cijfers voor 2019 wijken licht af van wat vorig jaar gepubliceerd werd omdat in het najaar bleek dat de registratie in 1 van de structuurondersteunende steden (Vilvoorde) niet volledig genoeg was meegenomen in de berekeningen
De daling van de index (t.o.v. 2019) doet zich zowel voor bij kinderen met een moeder van Belgische origine als bij kinderen met een moeder van nietBelgische origine. Tabel 4.14 toont ook dat de kansarmoedeindex op 10 jaar tijd is toegenomen met 5 procentpunten en dat er zowel bij kinderen met een moeder van Belgische als bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine een stijging is. t.o.v. 2010. De evolutie van de algemene index wordt echter duidelijk wel sterker
beïnvloed door de (sterkere) stijging van de kansarmoede-index bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine en door het feit dat het aandeel kinderen met een moeder van niet-Belgische origine in Vlaanderen in die periode is gestegen. Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat er zich grote verschillen voordoen naargelang de origine van de moeder. De kansarmoede-index 2020 ligt het hoogst bij kinderen met een moeder van Afrikaanse origine. 36% van de kinderen
88
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
met een moeder van Maghreb-origine groeit op in kansarmoede, bij kinderen met een moeder met een origine van een ander Afrikaans land gaat het zelfs om bijna de helft van de kinderen (48,2%). Er zijn echter ook kinderen met een Europese herkomst die een hogere kansarmoede-index kennen. Zo wordt 23% van de kinderen met een moeder met een origine uit het oostelijke deel van de Europese Unie in een kansarmoedesituatie geboren.
Tabel 4.15 geeft aan dat 48,5% van de kinderen in kansarmoede leeft in 13 steden (de 2 grootsteden en de
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
11 andere centrumsteden), 7,7% leeft op het platteland. Kansarmoede is ontegensprekelijk sterker aanwezig in de steden, maar kan tegelijk niet losgekoppeld worden van de origine van de moeder. 68,5% van de kinderen
die opgroeien in kansarmoede heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. Er doen zich wel opmerkelijke verschillen voor tussen de provincies.
4.15 Woonplaats kinderen in kansarmoede naar type gemeente Type gemeente volgens VRIND-indeling Grootsteden
Aandeel 2018
Aandeel 2019
Aandeel 2020
32,3
31,7
30,6
Centrumsteden
18,4
17,6
17,9
Overgangsgebied
12,5
13,0
13,2
Kleinstedelijk provinciaal
11,3
11,2
11,2
Structuurondersteunende steden
9,8
10,3
10,7
Platteland
7,2
7,6
7,7
Regionaalstedelijke rand
3,3
3,2
3,2
Grootstedelijke rand
2,5
2,8
3,1
Stedelijk gebied rond Brussel
2,6
2,5
2,4
100,0
100,0
100,0
Vlaams Gewest
4.15 Woonplaats van kinderen die in kansarmoede leven naar type gemeente in Vlaams Gewest (percentage) - 2018-2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
89
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Grafiek 4.16 illustreert dat in Antwerpen 77,2% van de kinderen in kansarmoede een moeder heeft die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. In West-Vlaanderen ligt dat percentage heel wat lager (55,7%).
4.16 Origine van de moeder van de kinderen in kansarmoede per provincie 100 77,2 80
65,8
63,1
67,7
55,7
68,5
60
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Tabel 4.17 geeft aan dat de niet-Belgische nationaliteiten vooral betrekking hebben op Afrikaanse nationaliteiten. 13,2% van de kinderen in kansarmoede heeft een moeder die bij haar geboorte een nationaliteit had van een Maghreb-land (Marokko, Algerije, Tunesië, Libië of Mauretanië). 14,8% heeft een moeder met de eerste nationaliteit van een ander Afrikaans land. 11,5% van de kinderen heeft een moeder met nationaliteit bij geboorte van een land uit de EU, vooral dan van een Oost-Europees land.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4.17 K inderen in kansarmoede naar cluster van eerste nationaliteit van de moeder Cluster van nationaliteiten België
28,3
Europese Unie (zonder België)
11,5
waarvan noordelijk en westelijk deel
2,5
zuidelijk deel
1,2
oostelijk deel
7,8
Afrika
28,0
waarvan Maghreb
13,2
andere landen van Afrika
40
Azië
42,7
20
32,4
30,4
27,5
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
20,1 0 Antwerpen Origine moeder Belg
Origine moeder niet-Belg
Origine niet ingevuld
4.16 Origine van de moeder van de kinderen in kansarmoede - per provincie (percentage) - 2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
28,3 WestVlaanderen
Vlaams Gewest
Aandeel 2020
14,8 20,3
waarvan Turkije
3,6
andere landen van Azië
16,7
Ex-Oostblok (niet-EU): Albanië, Oekraïne, Wit-Rusland, Servië, Kosovo …
7,0
Andere (o.a. landen van Noord-, Zuid- en Centraal-Amerika)
1,8
Origine moeder niet ingevuld
3,2
Totaal
100,0
4.17 O rigine van de moeder van kinderen in kansarmoede naar cluster van eerste nationaliteit van de moeder - Vlaams Gewest - kansarmoede-index 2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
90
91
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
6.6. Hoeveel en welke criteria geven aanleiding tot kansarmoede? De registratie over kansarmoede gebeurt – omdat kansarmoede meerdere dimensies kent – op basis van 6 verschillende criteria. Door te kijken naar de oordelen op de criteria kunnen we voor de kinderen die leven in kansarmoede aangeven op welke vlakken kansarmoede zich vooral manifesteert. Ongeveer de helft (48,1%) van de kinderen in kansarmoede heeft op 3 van de 6 levensdomeinen een minder gunstige positie. Bij 19,2% van de kinderen in kansarmoede gaat het om minstens 5 levensdomeinen. Grafiek 4.18 geeft – voor de kinderen die meegeteld werden in de berekening van de kansarmoede-index 2020 – aan bij hoeveel kinderen een bepaald levensdomein als onvoldoende werd
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
beschouwd door de medewerkers van de lokale teams van Kind en Gezin. De grafiek maakt duidelijk of er verschillen zijn naar de origine van de moeder (Belgisch of niet-Belgisch). De grafiek toont aan dat 2 domeinen bij meer dan 8 op de 10 kinderen in kansarmoede als onvoldoende worden beoordeeld. Kansarmoede heeft dus vooral te maken met een beperkt inkomen en met een laag opleidingsniveau van de ouders. 77,9% van de kinderen heeft ouders die werkloos zijn of een precaire arbeidssituatie kennen. Meer dan de helft (56,5%) van de kinderen in kansarmoede heeft een gebrekkige huisvestingssituatie. Gezondheidsproblemen en een laag stimulatieniveau zijn de minst voorkomende criteria bij de kinderen in kansarmoede. Bij de kinderen in kansarmoede zien we voor 4 van de 6 levensdomeinen
92
(inkomen, arbeid, opleiding en huisvesting) dat het aandeel kinderen dat onvoldoende scoort groter is bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. Het verschil is het grootst voor het levensdomein huisvesting, wat erop wijst dat dat een groter probleem is voor kinderen met een moeder van niet-Belgische origine. Anderzijds zien we dat het aandeel kinderen met problemen in het gezin op het vlak van gezondheid hoger ligt bij kansarme kinderen met een moeder van Belgische origine (45,6% versus 27%).
4 W elvaart, inkomen, armoede en kansarmoede
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4.18 Kinderen in kansarmoede naar onderliggende levensdomeinen/criteria per origine van de moeder 100 90 80
88,5
87,1 83,3
83,9
82,1 77,9
70
77,9
75,4
78,6
60 59,0
56,5
50
50,3 45,6
40 30
Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat bij 58,5% van de kinderen (minstens) de 3 socio-economische criteria (arbeid, inkomen en opleiding) samen als onvoldoende beoordeeld worden.
32,5 27,0
20
29,9
33,6 28,5
10 0
Alle kinderen (1) Inkomen Alle kinderen (1)
Kinderen met moeder Belgische origine Opleiding
Kinderen met moeder niet-Belgische origine
Arbeid
Kinderen met moeder Belgische origine
Huisvesting
Gezondheid
Stimulatieniveau
Kinderen met moeder niet-Belgische origine
4.18 Kinderen die volgens de kansarmoede-index 2020 als kansarm worden beschouwd naar onderliggende levensdomeinen/criteria per origine van de moeder (percentage) - Vlaams Gewest Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) Onder ‘alle kinderen’ worden ook de kinderen meegeteld waarbij de origine van de moeder niet gekend is. In 2020 lag het aandeel onbekende waarden onder de kinderen in kansarmoede op 3,2%
93
HOOFDSTUK 5
KINDEROPVANG EN ANDERE EXTERNE OPVOEDINGSMILIEUS
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
opvoedingsmilieus (onderwijs, internaten, centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning, pleegzorg) en specifieke situaties in die milieus (inclusieve opvang, buitengewoon onderwijs, schoolse vorderingen).
Kinderen komen al snel in contact met andere opvoedingsmilieus (kinderopvang, school …) waar ze ook heel wat tijd doorbrengen. We schetsen in dit hoofdstuk hoeveel baby’s en peuters worden opgevangen en nemen cijfers op over enkele specifieke
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen en grafieken: 5.1 Kinderen onder de 3 jaar in formele vergunde opvang ........................................................................................................................................... 97 5.2 Kinderen onder de 3 jaar in formele vergunde opvang per provincie ............................................................................................................ 98 5.3 Gebruik formele vergunde opvang baby’s en peuters per leeftijd..................................................................................................................... 99 5.4 Kinderen onder de 3 jaar in formele vergunde opvang per soort opvang ................................................................................................. 100 5.5 Aantal inclusief opgevangen kinderen per leeftijd..................................................................................................................................................... 101 5.6 Kinderen in buitengewoon onderwijs per type ......................................................................................................................................................... 103 5.7 Aantal kinderen op internaat ............................................................................................................................................................................................... 104 5.8 Leerlingen naar schoolse vorderingen in het gewoon lager en secundair onderwijs ......................................................................... 105 5.9 Begeleide kinderen door centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning ................................................................................................ 106 5.10 Kinderen naar begeleidingsvorm in centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning ........................................................................ 107 5.11 Kinderen in pleegzorg ............................................................................................................................................................................................................... 108
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1. KINDEREN EN KINDEROPVANG 1.1. Gebruik van formele opvang door kinderen onder de 3 jaar op basis van septembertellingen 53,7% van de kinderen gebruikt formele opvang, een daling met 1,3 procentpunt 1.1.1. Inleiding op de cijfers De evolutie van het gebruik van formele opvang volgen we op aan de hand van tellingen van het aantal kinderen aanwezig in opvanglocaties, die we afzetten
tegen alle kinderen van die leeftijd in de populatie. Sinds 2016 gebeurt de telling anders dan voordien (voor meer uitleg, zie de Bijlage), waardoor we de cijfers vanaf 2016 niet zomaar meer mogen vergelijken met de oude gebruikscijfers. Sinds 2019 is de registratie aangepast voor de opvanglocaties zonder subsidies voor inkomenstarief. Door de invoering van een kinderopvangtoeslagensysteem in het kader van het Groeipakket geven die opvanglocaties nu maandelijks op kindniveau gegevens over aanwezigheden door. Daardoor zijn de gebruikscijfers vollediger en van betere kwaliteit.
1.1.2. Gebruik formele opvang door 0- tot 3-jarigen in het Vlaamse Gewest en per provincie In 2020 maakt 53,7% van de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar gebruik van formele vergunde kinderopvang voor baby’s en peuters (zie grafiek 5.1). Dat is 1,3 procentpunt minder dan in september 2019. Die evolutie moet uiteraard gesitueerd worden in de coronacrisis.
5.1 Kinderen onder de 3 jaar in formele vergunde opvang (1)
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN
100
Cijfers over kinderen in pleegzorg en kinderen in centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG’s) steunen op registraties door de betrokken voorzieningen, verzameld en bewerkt door Opgroeien. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
Op basis van registraties door opvanglocaties over aanwezige kinderen berekent Opgroeien het aandeel kinderen onder de 3 jaar dat formele opvang gebruikt en het aantal inclusief opgevangen kinderen. Gegevens over specifieke onderwijssituaties komen uit het Statistisch jaarboek van het Vlaamse onderwijs.
80 60 40
42,9
43,9
44,5
2007
2008
2009
47,2
48,4
49,4
50,1
51,6
2010
2011
2012
2013
2014
51,9
52,6
54,6
55,0
53,7
20 0
2015 (2) 2016 (3)
2017 (3) 2018 (4) 2019 (4) 2020 (4)
5.1 Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar die in het Vlaamse Gewest wonen in opvanglocaties vergund door Opgroeien - 2007-2020 (percentage) Bron: Agentschap Opgroeien, registratie aanwezige kinderen (1) Omdat we van mening zijn dat we door de gewijzigde berekeningswijze geen uitspraken over de evolutie mogen doen, beschouwen we het cijfer van 2016 als het begin van een nieuwe historische reeks, wat in de grafiek ook duidelijk wordt aangegeven (2) In 2015 werd de registratie niet georganiseerd omdat de invoering van het decreet voor de opvang van baby’s en peuters volop bezig was (3) Percentage berekend op het aantal kinderen van 2 maanden tot en met 36 maanden dat volgens de Mirage-databank in september in het Vlaamse Gewest woont. In de jaren 2007-2014 gebeurden de tellingen gedurende de week van 1 februari (4) Percentage berekend op het aantal kinderen van 2 maanden tot en met 35 maanden dat volgens de Mirage-databank in september in het Vlaamse Gewest woont
96
97
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5.2 Kinderen onder de 3 jaar in formele vergunde opvang per provincie (1)
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
5.3 Gebruik formele vergunde opvang baby’s en peuters per leeftijd (1)
100
100
90
90
80
80
70
70
60
51,3
50
49,7
53,0
51,7
57,0
63,3 55,9
52,2
62,0
51,1
50 40
30
30
20
20
10
10 Antwerpen
2019
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
39,4
meer dan de helft van de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar gebruik van vergunde opvang. In alle provincies is er een afname van het gebruik t.o.v. 2019.
98
1.1.3. Gebruik formele opvang per leeftijd en per vergunningstype Het gebruik verschilt naargelang de leeftijd van de kinderen (zie grafiek 5.3). Ongeveer 7 op de 10 kinderen tussen 12 en 30 maanden gebruiken formele opvang, bij kinderen van andere
70,7 62,7
68,8
72,0
70,6
38,2
12,9 5,3
13,3
3,5
0 2 maanden
2019
2020
5.2 Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar in opvanglocaties die vergund zijn door Opgroeien per provincie - 2019 en 2020 (percentage) Bron: Opgroeien, registratie aanwezige kinderen in september (1) Percentage berekend op het aantal kinderen van 2 maanden tot en met 35 maanden dat volgens de Mirage-databank in september van het jaar in de betreffende provincie woont
Het gebruik van formele vergunde opvang voor baby’s en peuters verschilt aanzienlijk tussen de provincies (zie grafiek 5.2). Het gebruik ligt het hoogst in West-Vlaanderen (62%) en het laagst in Antwerpen (49,7%). Oost-Vlaanderen (55,9%), Limburg (51,7%) en Vlaams-Brabant (51,1%) situeren zich daartussen. In 4 van de 5 provincies maakt
64,3
60
40
0
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3 tot 6 maanden
6 tot 12 maanden
12 tot 24 maanden
24 tot 30 maanden
30 tot 36 maanden
2020
5.3 Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar in opvanglocaties vergund door Opgroeien per leeftijd - Vlaams Gewest - 2019 en 2020 (percentage) Bron: Opgroeien, registratie aanwezige kinderen in september (1) Percentage berekend (per leeftijd) op het aantal kinderen van 2 maanden tot en met 35 maanden dat volgens de Mirage-databank in september van het jaar in het Vlaamse Gewest woont
leeftijden ligt dat cijfer lager. Het gebruik ligt het hoogst bij kinderen met een leeftijd tussen 24 en 30 maanden (70,6%). Slechts 3,5% van de baby’s van 2 maanden gebruikt formele opvang in 2020, bij kinderen van 3 tot 6 maanden bedraagt het gebruikscijfer 38,2%. De
grafiek maakt ook duidelijk dat heel wat kinderen ouder dan 2,5 jaar geen gebruik meer maken van formele dagopvang en al naar de kleuterschool gaan. Ten opzichte van 2019 zien we dat het aandeel kinderen dat formele opvang
99
gebruikt in alle leeftijdsklassen onder de 30 maanden is afgenomen. Enkel bij de oudste kinderen zien we een lichte toename.
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Tabel 5.4 geeft 2 soorten cijfers per soort opvang. In de eerste kolom wordt het aandeel aanwezige kinderen uitgedrukt per vergunningstype. Zo zien we bijvoorbeeld dat 24,1% van de kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar gebruikmaakt van formele groepsopvang waar ze volgens inkomenstarief (IKT) kunnen betalen.
In de tweede kolom geven we het aandeel kinderen per vergunningstype weer t.o.v. alle kinderen die opvang gebruiken. Daaruit leiden we af dat 76,1% van de kinderen die in de formele kinderopvang aanwezig zijn, in een opvanglocatie zit waar ze volgens inkomenstarief kunnen betalen. 66% van de aanwezige kinderen maakt
gebruik van groepsopvang. Opvang bij onthaalouders is dus nog steeds belangrijk in Vlaanderen, aangezien 1 op de 3 opgevangen kinderen in die context opgevangen wordt.
5.4 Kinderen onder de 3 jaar in formele vergunde opvang per soort opvang Inkomenstarief
IKT
Niet-IKT
Totaal
Vergunningstype
Gebruik
(1)
Aandeel kinderen per vergunningstype t.o.v. alle kinderen die opvang gebruiken
Gezinsopvang
16,7
31,1
Groepsopvang
24,1
44,9
Totaal IKT
40,8
76,1
Gezinsopvang
1,5
2,8
Groepsopvang
11,3
21,1
Totaal niet-IKT
12,8
23,9
53,7
100,0
5.4 Kinderen van 2 maanden tot 3 jaar in formele opvang vergund door Opgroeien naar soort opvang - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Opgroeien, registratie aanwezige kinderen in september 2020 (1) Percentage berekend op het aantal kinderen van 2 maanden tot en met 35 maanden dat volgens de Mirage-databank in september 2020 in het Vlaamse Gewest woont
100
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
1.2. Inclusief opgevangen kinderen Inclusieve opvang is de opvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte samen met kinderen zonder specifieke zorgbehoefte. Opvanglocaties kunnen voor de opvang van die kinderen subsidies krijgen en kunnen ook ondersteund worden door een Centrum Inclusieve Kinderopvang (CIK). Op basis van registratiegegevens van 2020 weten we dat er 1064 verschillende kinderen inclusief worden opgevangen in de vergunde opvang van baby's en peuters. Tabel 5.5 geeft aan dat meer dan de helft (55,6%) van die kinderen onder de 3 jaar was. Mogelijk worden er meer kinderen inclusief opgevangen, want de cijfers zijn gebaseerd op aanvraagdossiers voor de subsidie voor inclusieve opvang.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5.5 Aantal inclusief opgevangen kinderen per leeftijd (1) 2019 (2)
2020 (3)
Leeftijd van de kinderen
Aantal
Aantal
Kinderen onder de 3 jaar
704
547
waarvan 0 jaar
73
46
waarvan 1 jaar
266
201
waarvan 2 jaar
365
300
349
367
waarvan 3 jaar
242
258
waarvan 4 jaar
69
77
waarvan 5 jaar
38
32
Kinderen tussen 6 en 12 jaar
149
132
Kinderen van 12 jaar of ouder
20
18
1 222
1 064
Kinderen tussen 3 en 6 jaar
Totaal
5.5 Aantal inclusief opgevangen kinderen in de vergunde opvang baby’s en peuters per leeftijdsklasse - 2019-2020 Bron: Opgroeien, registratie inclusieve opvang (1) Het aantal kinderen dat in de buitenschoolse opvang inclusief wordt opgevangen werd niet meegeteld (want niet geregistreerd) (2) De cijfers voor 2019 werden aangepast na verwerking van alle aanvragen voor ondersteuning in de loop van 2020 (3) Voorlopige cijfers omdat opvanglocaties hun aanvragen voor ondersteuning nog tot midden 2021 kunnen indienen
101
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. KINDEREN IN SPECIFIEKE ONDERWIJSINSTELLINGEN EN KINDEREN MET SCHOOLVERTRAGING 2.1. Kinderen in buitengewoon onderwijs en kinderen met specifieke begeleiding 0,9% kleuters niet in het ‘mainstream’-onderwijs, in het lager en secundair onderwijs loopt dat op tot 5,5% en 4,9% In het onderwijslandschap maken we al geruime tijd een onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderwijs. Buitengewoon onderwijs is bedoeld voor kinderen die tijdelijk of permanent specifieke hulp nodig hebben en is ingedeeld in types, volgens de beperking van de kinderen en de specifieke zorg die ze nodig hebben. Het decreet van 21 maart 2014 over maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (‘M-decreet’) voerde aanpassingen door aan de structuur van het buitengewoon onderwijs. In het buitengewoon onderwijs worden type 1 (leerlingen met een licht verstandelijke beperking) en type 8 (leerlingen met ernstige leerstoornissen) geleidelijk afgebouwd en omgevormd tot het nieuwe type ‘basisaanbod’. Leerlingen uit dat nieuwe type
kunnen na een positieve evaluatie van de school en het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) na verloop van tijd weer in het gewoon onderwijs instromen. Er kwam ook een nieuw type 9 voor kinderen met autisme die geen verstandelijke beperking hebben en ondanks extra ondersteuning niet in het gewoon onderwijs terechtkunnen. Die aanpassingen zijn van kracht sinds 1 september 2015. Tabel 5.6 geeft aan hoeveel kinderen in welk van die types van het buitengewoon onderwijs zitten en geeft ook het aandeel leerlingen in het buitengewoon onderwijs weer in de hele onderwijspopulatie voor het kleuteronderwijs, het lager onderwijs en het secundair onderwijs. 0,9% van de kleuters zit in het buitengewoon kleuteronderwijs. 46,6% van die kinderen zit in het type 2 buitengewoon onderwijs voor kinderen met een verstandelijke beperking, 29,5% zit in type 9 voor kinderen met een autismespectrumstoornis zonder een verstandelijke beperking.
102
5,5% van de kinderen in het lager onderwijs volgt buitengewoon onderwijs. In het schooljaar 2019-2020 zit 43,4% van die leerlingen in het type 'basisaanbod', bijna 1 op de 5 in type 9. 4,9% van de leerlingen in het secundair onderwijs zit in het buitengewoon onderwijs. Daarvan zit 27,9% van de leerlingen in het type basisaanbod. In het secundair buitengewoon onderwijs zitten ongeveer evenveel leerlingen (25%) in type 2 als in type 9. Opmerkelijk is dat over alle onderwijsniveaus heen telkens meer dan twee derde van de kinderen in het buitengewoon onderwijs van het mannelijke geslacht is. In het schooljaar 2019-2020 zijn er in alle onderwijsniveaus meer kinderen aanwezig in het buitengewoon onderwijs dan in het schooljaar 2018-2019. In het lager en secundair onderwijs (respectievelijk +3,2% en +2,7%) is de toename procentueel wel minder groot dan in het kleuteronderwijs (+8,6%).
5.6 Kinderen in buitengewoon onderwijs per type (1) Kleuteronderwijs
Lager onderwijs
Secundair onderwijs
Type basisaanbod (2) (3)
-
43,4
27,9
Licht mentale handicap (type 1) (4)
-
2,7
3,8
Verstandelijke beperking (type 2)
46,6
15,1
25,8
Emotionele stoornis of gedragsstoornis zonder verstandelijke beperking (type 3)
5,2
7,0
8,0
Motorische beperking (type 4)
9,6
3,9
6,2
Visuele beperking (type 6)
0,7
0,5
1,2
Auditieve beperking of spraak- of taalstoornis (type 7)
8,3
4,5
1,6
-
3,4
-
29,5
19,5
25,5
100,0 (N=2 325)
100,0 (N=25 567)
100,0 (N=21 095)
0,9
5,5
4,9
Ernstige leerstoornissen (type 8) (4) Autismespectrumstoornis zonder verstandelijke beperking (type 9) (2) Totaal aantal kinderen in buitengewoon onderwijs Aandeel buitengewoon onderwijs in totaal
5.6 Kinderen in het Vlaamse buitengewoon onderwijs: aantal en percentage van de schoolgaande kinderen naar type - schooljaar 2019-2020 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaamse onderwijs, schooljaar 2019-2020 (1) Om dubbeltellingen te voorkomen, worden de ziekenhuisscholen (type 5) niet opgenomen (2) Nieuw type sinds september 2015 (3) Type ‘basisaanbod’ wordt niet ingericht in het buitengewoon kleuteronderwijs (4) Type 1 en type 8 verdwijnen geleidelijk door uitstroom bestaande leerlingen; nieuwe leerlingen komen in het type ‘basisaanbod’
103
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
2.2. Kinderen op internaat Tabel 5.7 geeft aan hoeveel kinderen in het kleuteronderwijs, het lager onderwijs of het secundair onderwijs in een internaat verblijven. In totaal gaat het om 9268 kinderen. 53,7% van de internen is van het mannelijke geslacht. Het aantal internen ligt lager dan in het schooljaar 2018-2019, vooral door dalingen van het aantal internen in het voltijds secundair onderwijs. In het buitengewoon onderwijs stellen we een stijging van het aantal internen vast.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2018-2019
2019-2020
Gewoon kleuteronderwijs
95
90
Buitengewoon kleuteronderwijs
6
6
1 024
981
151
161
Buitengewoon lager onderwijs Voltijds gewoon secundair onderwijs
7 977
7 701
Deeltijds secundair onderwijs
44
42
Buitengewoon secundair onderwijs
258
287
Totaal
9 555
9 268
5.7 Aantal kinderen dat in een internaat verblijft - Vlaamse Gemeenschap - schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaamse onderwijs, schooljaar 2018-2019 en 2019-2020 (1) Dat zijn er wellicht meer omdat gegevens van internaten met minder dan 30 internen niet worden opgenomen omdat ze niet subsidieerbaar zijn
Lager onderwijs
Eerste graad secundair onderwijs
Tweede graad secundair
2.3. Kinderen naar schoolse vorderingen Een laatste cijfer over het opvoedingsmilieu onderwijs gaat over de schoolse vorderingen van kinderen (voorsprong, op leeftijd of vertraging). Schoolse vertraging is het aantal leerjaren vertraging dat een leerling oploopt t.o.v. het leerjaar waarin hij zich zou bevinden als hij jaar na jaar zou vorderen. Het is niet noodzakelijk een gevolg van zittenblijven. Het kan ook veroorzaakt worden door ziekte, atypische studieovergangen,
late instapleeftijd … Wat ook de oorzaak is, het vaak voorkomen van schoolvertraging is een belangrijk signaal. Tabel 5.8 toont aan dat in totaal 11,7% van de kinderen in het gewoon lager onderwijs een schoolse vertraging heeft. 1% heeft een voorsprong. Het aandeel leerlingen met schoolse vertraging ligt hoger in het secundair onderwijs en loopt op naar onderwijsgraad. In de eerste graad bedraagt het aandeel 18%, in de derde graad gaat het al om bijna 1 op de 3 leerlingen (31,7%).
104
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5.8 Leerlingen naar schoolse vorderingen in het gewoon lager en secundair onderwijs
5.7 Aantal kinderen op internaat (1)
Gewoon lager onderwijs
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Ook het verschil tussen kinderen van Belgische nationaliteit en niet-Belgische kinderen springt in het oog. In het lager onderwijs heeft 33,9% van de kinderen met een andere nationaliteit een schoolse vertraging. Bij kinderen met een Belgische nationaliteit gaat het om 9,3%. Dat verschil neemt verder toe in het secundair onderwijs. Vanaf de tweede graad kent meer dan 60% van de leerlingen met niet-Belgische nationaliteit een schoolse vertraging. .
onderwijs
Derde graad secundair onderwijs
Voorsprong
Op leeftijd
Belgische nationaliteit
1,1
Niet-Belgische nationaliteit
Achterstand
Totaal
1 jaar
2 of meer jaar
89,7
8,8
0,5
100,0 (N=382 284)
0,6
65,6
28,9
5,0
100,0 (N=42 676)
Totaal
1,0
87,3
10,8
0,9
100,0 (N=424 960)
Belgische nationaliteit
1,6
83,2
14,2
1,1
100,0 (N=134 812)
Niet-Belgische nationaliteit
0,7
51,2
40,5
7,7
100,0 (N=12 208)
Totaal
1,5
80,5
16,4
1,6
100,0 (N=147 020)
Belgische nationaliteit
1,5
75,3
19,5
3,7
100,0 (N=130 396)
Niet-Belgische nationaliteit
0,6
36,6
41,8
21,1
100,0 (N=11 691)
Totaal
1,5
72,1
21,4
5,1
100,0 (N=142 087)
Belgische nationaliteit
1,5
69,5
23,1
5,9
100,0 (N=117 084)
Niet-Belgische nationaliteit
0,4
32,1
38,2
29,3
100,0 (N=8 795)
Totaal
1,4
66,9
24,2
7,5
100,0 (N=125 879)
5.8 Aantal kinderen in het gewoon lager en secundair onderwijs naar schoolse vorderingen, naargelang de nationaliteit - Vlaams Gewest - schooljaar 2019-2020 Bron: Statistisch jaarboek van het Vlaamse onderwijs, schooljaar 2019-2020
105
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3. KINDEREN IN BEGELEIDING BIJ CENTRA VOOR KINDERZORG EN GEZINSONDERSTEUNING Bij probleem- of crisissituaties met jonge kinderen of bij behoefte aan dag- en nachtopvang door een bijzondere financiële situatie of leef-, arbeids-, woon- of gezondheidssituatie kan op verzoek van de ouders een beroep gedaan worden op centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG), erkend en gesubsidieerd door Opgroeien. We schetsen om hoeveel kinderen het gaat en geven aan welk soort begeleiding er gegeven wordt. In de CKG’s zijn er, op basis van de door de centra doorgegeven aantallen over
coronacrisis een grote impact had. CKG’s bieden niet alleen heel wat persoonlijke begeleidingen aan, maar hebben ook een aanbod in groep (groepstrainingen, groepsopvang tijdens de dag …). Uiteraard kon niet al dat aanbod plaatsvinden zoals voorheen, met impact op het bereik van de CKG’s. Bovendien werden opvangplaatsen vaak langer ingenomen dan normaal, waardoor minder kinderen kortdurend konden worden opgevangen.
het hele jaar 2020, 4424 kinderen in begeleiding, bijna uitsluitend kinderen onder de 12 jaar. 39,5% van de begeleide kinderen is tussen 6 en 12 jaar, 24,5% is onder de 3 jaar. Ten opzichte van 2019 zijn er 831 kinderen minder die begeleid en/of opgevangen worden (zie tabel 5.9). Uit een vergelijking met de (niet-opgenomen) cijfers per leeftijd over 2019 leren we dat de daling zich voordoet in elke leeftijdsklasse, maar wel het sterkst bij de kinderen onder de 3 jaar (-497). Die daling situeert zich in een jaar waarin de
2018
2019
Een CKG kan 4 begeleidingsvormen of functies aanbieden: mobiele begeleidingen aan huis, ambulante trainingen in het centrum, dagopvang en residentiële opvang en begeleiding, waarbij het kind voor een periode in het centrum verblijft. De cijfers over de functies in de CKG’s drukken we in tabel 5.10 uit op kindniveau, maar de som van het aantal begeleide kinderen is niet gelijk aan het aantal unieke kinderen omdat voor 1 kind meerdere begeleidingsvormen (tegelijk) kunnen worden ingezet. Bovendien registreren we enkel de
2020
Totaal
Totaal
Totaal
Kinderen onder de 3 jaar
5 025
5 134 (2)
5 255 (3)
1 086
mobiele en ambulante begeleidingen voor het kind voor wie hulp gevraagd wordt. Daardoor zijn de aantallen een onderschatting van het aantal (indirect) begeleide kinderen wanneer er gezinnen met meerdere kinderen worden begeleid. Desalniettemin geven de cijfers een goed inzicht in het bereik van de begeleidingsvormen. Zo zien we dat 2981 kinderen en hun gezin een mobiele begeleiding krijgen en dat 1429 ambulante training krijgen.
we bekijken welke functies ingezet worden voor welke leeftijden, zien we dat in elke leeftijdsklasse het grootste aandeel kinderen mobiel begeleid wordt en dat in elke leeftijdsklasse minstens 1 op de 5 kinderen residentieel wordt opgevangen. Ambulante dagopvang gebeurt wel vaker bij kinderen onder de 3 jaar.
Bijna een kwart van de kinderen (1046 kinderen) begeleid door een CKG wordt residentieel opgevangen. Als
Mobiele begeleiding
Kinderen van 3 tot 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 jaar en ouder
Totaal
1 515
1 746
63
4 424 (4)
5.9 Evolutie aantal unieke kinderen in begeleiding in centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning per jaar Bron: Opgroeien (1) Voor een aantal kinderen gelden ook begeleidingsmaatregelen vanuit de bijzondere jeugdzorg (2) Inclusief 7 kinderen van wie de leeftijd onbekend was (3) Inclusief 15 kinderen van wie de leeftijd onbekend was (4) Inclusief 14 kinderen van wie de leeftijd onbekend was
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5.10 Kinderen naar begeleidingsvorm in centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning
5.9 Begeleide kinderen door centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (1) 2017
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Aantal
Rij % (1)
Ambulante training Aantal
Ambulante dagopvang
Rij % (1)
Aantal
Rij % (1)
Residentiële opvang Aantal
Rij % (1)
Totaal aantal unieke kinderen
Kinderen onder de 3 jaar
856
78,8
247
22,7
203
18,7
289
26,6
1 086
Kinderen van 3 tot 6 jaar
885
58,4
644
42,5
61
4,0
348
23,0
1 515
Kinderen van 6 tot 12 jaar
1 191
68,2
522
29,9
29
1,7
384
22,0
1 746
40
63,5
9
14,3
1
1,6
23
36,5
63
9
64,3
7
50,0
0
0,0
2
14,3
14
2 981
67,4
1 429
32,3
294
6,6
1 046
23,6
4 424
Kinderen van 12 jaar en ouder Leeftijd onbekend Totaal
5.10 Aantal kinderen per begeleidingsvorm en leeftijd in centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning - 2020 Bron: Opgroeien (1) De rijpercentages mogen niet opgeteld worden, zij geven de verhouding tussen de kinderen in de begeleidingsvorm en het totaal aantal unieke kinderen, maar 1 kind kan in meer dan 1 begeleidingsvorm zitten
106
107
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5 K inderopvang en andere externe opvangmilieus
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4. KINDEREN IN PLEEGZORG Op basis van registraties door de private voorzieningen gesubsidieerd door Opgroeien kunnen we schetsen hoeveel unieke kinderen er in pleeggezinnen verbleven. Het gaat om cijfers over de situatie op het einde van het jaar. Pleegzorgsituaties die in de loop van het jaar werden afgerond, zijn dus niet meegeteld. De cijfers zijn opgesplitst per leeftijd van de kinderen en per type pleegzorg. Ondersteunende pleegzorg is een kortstondig verblijf in een pleeggezin om bv. een weekend, een vakantie of een acute nood of crisis op te vangen. Perspectiefbiedende pleegzorg is bedoeld
om het pleegkind of de pleeggast een stabiel leefklimaat te bieden door een langdurig verblijf in een pleeggezin. Die vorm is aangewezen wanneer een terugkeer naar huis niet in het belang van het pleegkind of de pleeggast is. Perspectiefzoekende pleegzorg heeft als doel het pleegkind of de pleeggast snel te oriënteren en te begeleiden naar een duidelijke en duurzame oplossing. Dat kan zijn: terug naar huis, naar een voorziening, zelfstandig wonen ... of een langdurig verblijf in een pleeggezin. Op 31 december 2020 zijn er 8251 pleegzorgsituaties, dat is een stijging van 6,4% t.o.v. 2019 (+495 kinderen).
1 op de 3 kinderen in pleegzorg is tussen 12 en 17 jaar, 1427 kinderen zijn onder de 6 jaar, waarvan 496 onder de 3 jaar. De meeste kinderen (6528 pleegzorgsituaties, 79,1%) krijgen perspectiefbiedende pleegzorg. De ondersteunende pleegzorg (16,4%) en de perspectiefzoekende pleegzorg (6,6%) vormen een minderheid van de pleegzorgsituaties. We stellen t.o.v. 2019 een toename vast voor ondersteunende pleegzorg (+15,7%) en voor perspectiefbiedende pleegzorg (+10,6%). Er was een sterke afname van de perspectiefzoekende pleegzorg (-33,2%).
5.11 Kinderen in pleegzorg 2019
2020
Totaal
Kinderen onder de 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Kinderen van 18 jaar en ouder (1)
Totaal (2)
Ondersteunende pleegzorg
1 170
233
541
447
132
1 354
Perspectiefbiedende pleegzorg
5 901
1 011
1 867
2 189
1 461
6 528
Perspectiefzoekende pleegzorg
813
213
129
165
36
543
7 756
1 427
2 461
2 744
1 618
8 251
Totaal
5.11 Aantal kinderen per leeftijd en per type pleegzorg - situatie op 31 december Bron: Opgroeien, BINC-rapport op basis van registraties private voorzieningen (1) Bij deze leeftijdsklasse worden ook pleeggasten met een handicap of psychiatrische problematiek geteld die rechtstreeks instromen binnen de volwassenwerking van de pleegzorgdiensten (wel onder bepaalde voorwaarden) (2) Omdat een jongere verschillende types pleegzorg benut kan hebben is het totaal aantal unieke kinderen verschillend van de som van de rijen
108
109
HOOFDSTUK 6
GEZONDHEID, STERFTE EN MORBIDITEIT BIJ KINDEREN
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
of een verhoogd risico op ontwikkelingsproblemen hebben. We schetsen ook hoeveel kinderen voor hun specifieke ondersteuningsbehoefte een zorgtoeslag krijgen vanuit het Groeipakket.
Om de ontwikkeling van kinderen op te volgen, zijn gegevens over zwangerschap, sterfte, aangeboren afwijkingen en ongevallen van groot belang. De cijfers leren ons iets over hoeveel kinderen te maken hebben met gezondheidsproblemen
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen en grafieken: 6.1 Internationale situering van de leeftijd van de moeder bij geboorte eerste kind .................................................................................... 113 6.2 Diverse kenmerken van kinderen bij de geboorte (geboortegewicht, geboortewijze …)........................................................................ 114 6.3 Levend geboren kinderen naar zwangerschapsduur................................................................................................................................................. 115 6.4 Evolutie van de levensverwachting bij geboorte ........................................................................................................................................................ 116 6.5 Internationale situering van de levensverwachting bij geboorte ...................................................................................................................... 117 6.6 Aantal sterfgevallen naar leeftijd en geslacht ............................................................................................................................................................... 118 6.7 Aantal foeto-infantiele sterfgevallen ................................................................................................................................................................................ 120 6.8 Foeto-infantiele sterftecijfers ............................................................................................................................................................................................... 120 6.9 Evolutie foeto-infantiele sterftecijfers ............................................................................................................................................................................... 121 6.10 Internationale situering van de zuigelingensterfte ................................................................................................................................................... 122 6.11 Doodsoorzaken bij kinderen van 0 tot 15 jaar.............................................................................................................................................................. 124 6.12 Aantal jonge verkeersslachtoffers (doden en zwaargewonden)......................................................................................................................... 125 6.13 Aangeboren majeure afwijkingen ........................................................................................................................................................................................ 126 6.14 Incidentie doofheid en slechthorendheid ....................................................................................................................................................................... 128 6.15 Type en graad van gehoorverlies......................................................................................................................................................................................... 129 6.16 Aantal kinderen met een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte ............................................. 130
INFO OVER BRONNEN EN BEREKENINGSWIJZEN De cijfers van Kind en Gezin gaan over de levend geboren kinderen en steunen op registraties over nagenoeg alle geboorten, ongeacht het verblijfsstatuut van moeders en ongeacht de plaats van bevalling. De cijfers zijn dus wel opgebouwd op basis van de woonplaats van het kind. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
In dit hoofdstuk komen cijfers van Kind en Gezin, het Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE), Opgroeien, Statbel en Zorg en Gezondheid aan bod. Er is een belangrijk verschil tussen de cijfers van het SPE en de cijfers van Kind en Gezin. Het SPE telt levend geborenen en doodgeborenen volgens hun geboorteplaats. De gegevens vatten dus niet geheel zuiver alle borelingen die in het Vlaamse Gewest wonen.
112
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1. GEGEVENS OVER ZWANGERSCHAP EN BEVALLING 1.1. Ontstaan van de zwangerschap en bevallingsgegevens* 7,7% van de zwangerschappen in 2019 ontstaat via medische begeleiding: 2,6% van de vrouwen krijgt een hormonale behandeling, bij 2,7% wordt in-vitrofertilisatie (ivf) toegepast en bij 2,4% komt de zwangerschap tot stand na intracytoplasmatische sperma-injectie (ICSI). Het aandeel bevallingen na een subfertiliteitsbehandeling is opnieuw toegenomen (van 7,2% naar 7,7%), en ligt 2 procentpunten hoger dan in 2010. Opmerkelijk is dat 28,2% van de meerlingzwangerschappen tot stand komt na een medisch begeleide bevruchting. Bij eenlingen is dat slechts 7,4%. Bij 25,4% van de zwangerschappen wordt de bevalling ingeleid. In 2003 bedroeg dat nog 30%. Sinds 2010 schommelt het aandeel ingeleide bevallingen rond 24%, maar vanaf 2017 stijgt het aandeel weer. In 2019 zijn 3 moeders overleden bij de bevalling. Sinds 1987 werden er in Vlaanderen 111 maternale sterfgevallen genoteerd (1 op de 18 300 bevallingen). Uit de registratie over 2019 blijkt dat de meeste (71,4%) vrouwen tussen 25 en 35 jaar oud zijn op het moment van de bevalling. 3,3% van de moeders
is minstens 40 jaar. 642 moeders (1%) zijn onder de 20 jaar op het moment van de bevalling. De gemiddelde leeftijd van de moeder bij de bevalling bedraagt in 2019 volgens het SPE 29,3 jaar bij een eerste kind (primipare) en 32 jaar bij een volgend kind (multipare). De gemiddelde leeftijd is de voorbije 10 jaar zowel bij de primipare (van 28,3 jaar in 2010 naar 29,3 jaar in 2019) als de multipare vrouwen toegenomen (van 31,1 jaar in 2010 naar 32 jaar in 2019). De gemiddelde leeftijd van de moeder bij de eerste bevalling ligt volgens de meest recente cijfers (2019) in 7 van de EU-27-landen op minstens 30 jaar (Italië, Luxemburg, Spanje, Ierland, Griekenland, Nederland en Cyprus). Vooral in de Oost-Europese en meest recente lidstaten van de EU ligt de gemiddelde leeftijd bij een eerste bevalling nog een heel stuk onder de 30 jaar. België en Vlaanderen nemen relatief gezien een middenpositie in, maar leunen wel dichter aan bij de landen met de hoogste gemiddelde leeftijd.
* Bron: R. Devlieger, R. Goemaes, M. Laubach, Perinatale activiteiten in Vlaanderen 2019. SPE, Brussel, 2020
113
6.1 Internationale situering van de leeftijd van de moeder bij geboorte eerste kind Bulgarije
26,3
Roemenië
26,9
Slovakije
27,2
Letland
27,3
Polen
27,6
Litouwen
28,0
Estland
28,2
Hongarije
28,3
Tsjechië
28,5
Frankrijk
28,8
Kroatië
28,9
Slovenië
28,9
Malta
29,0
België
29,2
Vlaams Gewest
29,3
Finland
29,4
Zweden
29,5
Denemarken
29,7
Oostenrijk
29,7
Duitsland
29,8
Portugal
29,9
Cyprus
30,0
Nederland
30,1
Griekenland
30,6
Ierland
30,7
Spanje
31,1
Luxemburg
31,1
Italië
31,3
6.1 Gemiddelde leeftijd van de moeder bij geboorte eerste kind in Vlaanderen en de EU-27-landen - 2019 Bronnen: SPE, cijfer 2019 Eurostat, website
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
1.2. Geboortegegevens op kindniveau 21,6% van de kinderen wordt geboren via een keizersnede. 9,8% van de kinderen wordt geboren via een technisch hulpmiddel, vooral via vacuümextractie*. Meer dan de helft (56,1%) van de meerlingen wordt geboren via een keizersnede.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Na de geboorte wordt 10,1% van de kinderen overgebracht naar een neonatale dienst (n-dienst) en 4,5% naar een neonatale intensieve zorgdienst (NIC-dienst). In totaal gaat het volgens het SPE om 9223 kinderen. Er worden in 2019 981 tweelingen en 15 drielingen geregistreerd. Relatief gezien betekent dat dat 3,2% van de geboren kinderen tot de categorie meerlingen behoort.
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
6,8% van de borelingen heeft een laag geboortegewicht (minder dan 2500 gram). 1,2% heeft een extreem laag geboortegewicht (minder dan 1500 gram). 58,3% van de kinderen van een meerling weegt bij de geboorte minder dan 2500 gram. Bij eenlingen is dat slechts 5,1%.
Kind en Gezin registreert voor alle levend geboren kinderen na hoeveel weken zwangerschap ze geboren worden. Van 1,6% van de kinderen is geen zwangerschapsduur gekend. We berekenen de cijfers daarom t.o.v. de groep kinderen van wie gegevens over zwangerschapsduur genoteerd werden (valide percentages).
*V acuümextractie: een kind ter wereld brengen met behulp van een instrument dat zich op het hoofd van het kind vastzuigt
In 2020 daalt het aantal kinderen dat prematuur (zwangerschapsduur
6.2 Diverse kenmerken van kinderen bij de geboorte (geboortegewicht, geboortewijze …)
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
<37 weken) geboren wordt met 0,6 procentpunt. Mogelijk is dat een positief nevengevolg van de coronacrisis. 1% van de levend geboren kinderen kent een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken.
2017
2018
2019
Spontaan
68,5
68,4
68,6
68,3
Keizersnede
21,6
21,6
21,8
21,6
Vacuümextractie of verlostang
9,7
9,8
9,4
9,8
Stuit vaginaal
0,3
0,2
0,2
0,3
Neonatale dienst (n-dienst)
11,3
10,8
11,1
10,1
Neonatale intensieve zorgdienst (NIC-dienst)
4,1
4,4
4,4
4,5
Kind van een eenling
96,6
96,7
96,8
96,8
Kind van een tweeling
3,4
3,2
3,2
3,1
Kind van een drieling
0,1
0,1
0,0
0,1
6,9
6,8
6,9
6,8
1,2
1,2
1,2
1,2
93,1
93,2
93,1
93,2
Geboortewijze
Transfer neonatologie
Eenling of meerling
Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het aandeel premature baby’s bij meerlingen merkelijk hoger ligt dan bij eenlingen (respectievelijk 55,4% en 5,7%) en dat in de provincie Limburg het
2017
2018
2019
2020
Niet-prematuur (≥37 weken)
92,1
92,1
92,1
92,7
Prematuur (<37 weken)
7,9
7,9
7,9
7,3
waarvan
<32 weken
1,1
1,1
1,1
1,0
>32 weken, <34 weken
1,0
1,0
0,9
0,9
>34 weken, <37 weken
5,9
5,9
5,9
5,5
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal 6.3 Aandeel levend geboren kinderen naar zwangerschapsduur - 2017-2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
Geboortegewicht waarvan extreem laag (<1500 gram) 2500 gram of meer
6.2 Percentage kinderen naar geboortewijze, met een transfer naar neonatologie, naar eenling of meerling en naar geboortegewicht Bron: R. Devlieger, R. Goemaes, M. Laubach, Perinatale activiteiten in Vlaanderen 2019. SPE, Brussel, 2020
114
Volgens de registratie van Kind en Gezin werden er in 2020 689 kinderen (1,1% van de borelingen) thuis of op een andere locatie dan de kraamkliniek geboren.
6.3 Levend geboren kinderen naar zwangerschapsduur
2016
Laag (<2500 gram)
hoogste aandeel prematuren geboren wordt (8,1%).
115
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. LEVENSVERWACHTING BIJ GEBOORTE 2.1. Levensverwachting in het Vlaamse Gewest en provincies Levensverwachting bij de geboorte in 2019 boven 82 jaar, bij vrouwen boven 84 jaar Bij mannen zien we t.o.v. 2018 een iets sterkere stijging van de levensverwachting dan bij vrouwen, waardoor het verschil in
levensverwachting tussen mannen en vrouwen is afgenomen (4,06 jaar). Op 10 jaar tijd (2010-2019) is de levensverwachting bij de geboorte van mannen toegenomen met 2,19 jaar, terwijl de stijging bij vrouwen 1,43 jaar bedraagt. Die cijfers dateren wel nog van voor de coronacrisis. Allicht zal de levensverwachting voor 2020 er anders uitzien.
Uit niet-opgenomen cijfers van Statbel voor de periode 2017-2019 blijkt dat de levensverwachting bij geboorte niet zo sterk verschilt tussen de provincies. Bij mannen ligt de levensverwachting het laagst in Oost-Vlaanderen (79,8 jaar) en het hoogst in Limburg (80,8 jaar). Bij vrouwen zijn de verschillen iets kleiner: 84,2 jaar in Antwerpen en 84,8 jaar in Vlaams-Brabant.
90 88 86
82 80 78 76
83,27
82,46
81,43
80,89
79,88 78,49
Bij mannen bedraagt de kloof tussen het land met de hoogste (Zweden) en het land met de laagste (Letland) levensverwachting 10,6 jaar.
Zweden
81,5
Spanje
86,7
Italië
81,4
Frankrijk
85,9
Malta
81,2
Italië
85,7
Spanje
81,1
Luxemburg
85,2
Ierland
80,8
Portugal
84,8
Nederland
80,6
Finland
84,8
Vlaams Gewest
80,6
Zweden
84,8
Cyprus
80,3
Ierland
84,7
Luxemburg
80,2
Vlaams Gewest
84,7
Frankrijk
79,9
Malta
84,6
België
79,8
Slovenië
84,5
Oostenrijk
79,7
Cyprus
84,4
Denemarken
79,5
België
84,3
Finland
79,3
Griekenland
84,2
Griekenland
79,2
Oostenrijk
84,2
Duitsland
79,0
Duitsland
83,7
Portugal
78,7
Nederland
83,7
80,64
Slovenië
78,7
Denemarken
83,5
Tsjechië
76,4
Estland
83,0
Kroatië
75,5
Tsjechië
82,2
80,07 80,26
72 70
6.4 Levensverwachting in het Vlaamse Gewest, bij geboorte (in jaren) Bron: Statbel
2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
Estland
74,5
Polen
81,9
Slovakije
74,3
Kroatië
81,6
Polen
74,1
Litouwen
81,2
Hongarije
73,1
Slovakije
81,2
Roemenië
71,9
Letland
80,1
Bulgarije
71,6
Hongarije
79,7
Litouwen
71,6
Roemenië
79,5
Letland
70,9
Bulgarije
78,8
6.5 Levensverwachting bij geboorte - 2019 Bronnen: Eurostat Statbel
116
Vrouwen
82,23 82,35
74
Totaal
Mannen
82,70
75,51
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011
6.5 Internationale situering van de levensverwachting bij geboorte
84,70
78,45
Vrouwen
Er bestaan in de EU-27-landen aanzienlijke verschillen qua levensverwachting.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
84,34 84,39
77,22
Mannen
2.2. Levensverwachting: Vlaanderen internationaal gesitueerd
Bij vrouwen is dat verschil 7,9 jaar (tussen Spanje en Bulgarije). De levensverwachting bij geboorte in het Vlaamse Gewest ligt relatief hoog en ligt iets hoger dan de levensverwachting voor België.
6.4 Evolutie van de levensverwachting bij geboorte
84
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
117
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen 3.1.2. Doodgeboorten en sterfgevallen bij kinderen onder de 1 jaar
3. STERFTE* 3.1. Sterfte bij kinderen van 0 tot 15 jaar 3.1.1. Sterfgevallen bij kinderen van 0 tot 15 jaar
beschikbaar) sterven 251 (3,9 op de 1000) levend geboren kinderen vóór de leeftijd van 1 jaar, in de daaropvolgende 14 levensjaren zijn er 96 sterfgevallen. Er zijn in 2018 51 sterfgevallen meer bij jongens dan bij meisjes.
Vooral bij kinderen onder de 1 jaar Sterfgevallen bij kinderen doen zich vooral voor bij kinderen onder de 1 jaar. In 2018 (2019 en 2020 zijn nog niet
In totaal telt 2018 16 sterfgevallen meer bij kinderen onder de 15 jaar dan 2017. Er is enkel een daling bij kinderen tussen 5 en 15 jaar. Het aantal sterfgevallen ligt
hoger dan de voorbije 3 jaar, maar lager dan in de jaren 2010-2013 toen er jaarlijks meer dan 350 sterfgevallen bij kinderen onder de 15 jaar waren.
* De cijfers – vooral afkomstig van het Agentschap Zorg en Gezondheid – zijn opgebouwd op basis van de woonplaats van het kind/de moeder, zodat sterftecijfers voor het Vlaamse Gewest gepresenteerd kunnen worden. Er worden wel enkel overlijdens in het Vlaamse of Brusselse Hoofdstedelijk Gewest geteld. Kinderen die in Wallonië of in het buitenland overleden, ontbreken dus in de cijfers
6.6 Aantal sterfgevallen naar leeftijd en geslacht 2015
2016
2017
Totaal
Totaal
Totaal
Jongens
Meisjes
2018 Totaal
Onder de 1 jaar
244
209
228
149
102
251
1 tot 5 jaar
38
38
45
23
24
47
5 tot 10 jaar
27
23
29
13
14
27
10 tot 15 jaar
27
21
29
14
8
22
Totaal
336
291
331
199
148
347
Aantal
Per 1000 Onder de 1 jaar
3,74
3,17
3,57
4,50
3,22
3,87
1 tot 5 jaar
0,13
0,14
0,16
0,16
0,18
0,17
5 tot 10 jaar
0,08
0,06
0,10
0,07
0,08
0,07
10 tot 15 jaar
0,08
0,06
0,10
0,08
0,05
0,06
Daling aantal doodgeboorten, maar stijging zuigelingensterfte Gegevens omtrent de sterfte bij kinderen onder de 1 jaar worden over het algemeen voorgesteld d.m.v. een aantal maatstaven, sterftematen genoemd (zie tabel 6.7 en schema 6.8). Een eerste sterftemaat is de doodgeboorte. Dat is het aantal kinderen dat dood wordt geboren met een geboortegewicht van minstens 500 gram of, als het geboortegewicht niet gekend is, met een zwangerschapsduur van minstens 22 weken. In 2018 zijn er 294 doodgeborenen, 31 minder dan in 2017. Het doodgeboortecijfer bedraagt aldus 4,5 op de 1000 geboorten. De vroegneonatale sterfte is de sterfte tussen de geboorte en de leeftijd van 7 dagen (7 x 24 uur). In 2018 overlijden 121 kinderen in die periode.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
De vroegneonatale sterfte bedraagt 1,9 op de 1000 levend geborenen. De laatneonatale sterfte is de sterfte na de eerste 7 dagen (7 x 24 uur) t.e.m. de leeftijd van 28 dagen. Het laatneonatale sterftecijfer bedraagt 0,6 op de 1000 levend geborenen (36 sterfgevallen). De postneonatale sterfte of de sterfte na de eerste 4 weken bedraagt 1,4 op de 1000 levend geborenen (92 sterfgevallen). Ten opzichte van 2017 zien we een stijging met 25 overlijdens in die periode. Sommige sterftematen zijn de som van 2 of meer van de hierboven beschreven sterftematen: het perinatale sterftecijfer, het neonatale sterftecijfer, de zuigelingensterfte en het foeto-infantiele sterftecijfer. De perinatale sterfte is de sterfte van kinderen tijdens de eerste 7 dagen van hun leven, samen met het aantal doodgeborenen. Het perinatale sterftecijfer bedraagt in 2018 6,4 op de 1000 geborenen (415 sterfgevallen).
6.6 Aantal sterfgevallen en aantal sterfgevallen per 1000 kinderen van 0 tot 15 jaar naar leeftijd en geslacht - Vlaams Gewest Bron: Gezondheidsindicatoren, Agentschap Zorg en Gezondheid
118
119
De neonatale sterfte is de sterfte in de eerste 4 levensweken. In 2018 gaat het om 157 sterfgevallen (2,4 op de 1000 levend geborenen). De zuigelingensterfte is de sterfte tussen de geboorte en de leeftijd van 1 jaar. 249 kinderen overlijden tijdens hun eerste levensjaar (3,9 op de 1000 levend geborenen). Tot slot is er de foeto-infantiele sterfte, de som van de doodgeboorten en de zuigelingensterfte. In 2018 bedraagt de foeto-infantiele sterfte 8,4 op de 1000 levend geborenen en doodgeborenen (543 sterfgevallen).
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.9 Evolutie foeto-infantiele sterftecijfers
6.7 Aantal foeto-infantiele sterfgevallen 2013
2014
2015
2016
2017
2018 (1)
Aantal doodgeborenen (A)
302
329
Aantal vroegneonatale sterfgevallen (B)
124
112
279
271
325
294
134
107
124
121
Aantal laatneonatale sterfgevallen (C)
36
30
40
44
37
36
Aantal postneonatale sterfgevallen (D)
85
74
70
58
67
92
Aantal perinatale sterfgevallen (A+B)
426
441
413
378
449
415
Aantal neonatale sterfgevallen (B+C)
160
142
174
151
161
157
Aantal overleden zuigelingen (B+C+D)
245
216
244
209
228
249
Aantal doodgeborenen en overleden zuigelingen (A+B+C+D)
547
545
523
480
553
543
6.7 Aantal doodgeborenen en aantal sterfgevallen vóór de leeftijd van 1 jaar naar periode van het overlijden - Vlaams Gewest Bron: 2013-2017: Gezondheidsindicatoren, Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid 2018: Statbel (1) Voor 2018 waren de cijfers van Zorg en Gezondheid nog niet beschikbaar en kozen we ervoor de cijfers van Statbel te benutten. Er zit een klein verschil op het aantal meegetelde overlijdens bij zuigelingen. Statbel telt er voor 2018 2 minder
2000
2005
2010
2015
2016
2017
2018
Doodgeboortecijfer
4,1
3,3
4,6
4,3
4,1
5,1
4,5
Vroegneonataal sterftecijfer
2,1
2,1
2,0
2,1
1,6
1,9
1,9
Laatneonataal sterftecijfer
0,7
0,6
0,4
0,6
0,7
0,6
0,6
Postneonataal sterftecijfer
1,9
1,2
1,4
1,1
0,9
1,0
1,4
Perinataal sterftecijfer
6,2
5,4
6,6
6,3
5,7
7,0
6,4
Neonataal sterftecijfer
2,8
2,7
2,4
2,7
2,3
2,5
2,4
Zuigelingensterftecijfer
4,7
3,9
3,8
3,7
3,2
3,6
3,9
Totale foeto-infantiele sterfte
8,8
7,2
8,4
8,0
7,2
8,6
8,4
6.9 Evolutie foeto-infantiele sterfte in het Vlaamse Gewest sinds 2000 naar periode van het overlijden Bron: 2000-2017: Gezondheidsindicatoren, Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid 2018: Statbel
6.8 Foeto-infantiele sterftecijfers Foeto-infantiele sterfte: 8,4 op de 1000 levend geborenen en doodgeborenen
De foeto-infantiele sterfte kent zeker geen duidelijke trend en schommelde de voorbije jaren rond de 8 sterfgevallen per 1000 geboorten.
Zuigelingensterfte: 3,9 op de 1000 levend geborenen Doodgeboorte: 4,5 op de 1000 levend geborenen en doodgeborenen
Neonatale sterfte: 2,4 op de 1000 levend geborenen
Postneonatale sterfte: 1,4 op de 1000 levend geborenen
Perinatale sterfte: 6,4 op de 1000 levend geborenen en doodgeborenen Laat: 0,6
Vroeg: 1,9 ≥500 gram of ≥22 weken zwanger (1)
Geboorte
7 dagen
28 dagen
1 jaar
6.8 Foeto-infantiele sterfte in het Vlaamse Gewest - 2018 Bron: Statbel (1) Enkel als geboortegewicht niet gekend is
120
121
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
3.1.3. Internationale situering zuigelingensterfte In 21 van de EU-27-landen ligt de zuigelingensterfte – de sterfte tussen de geboorte en de leeftijd van 1 jaar – onder de 4 op de 1000 levend geborenen. Estland, Slovenië, Zweden en Finland kennen de laagste zuigelingensterfte, Bulgarije en Roemenië tellen de hoogste (5,8 en 6 op de 1000 levend geborenen). Vlaanderen en België nemen een middenpositie in.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.10 Internationale situering van de zuigelingensterfte Land
Zuigelingensterfte
Estland
1,6
Slovenië
1,7
Zweden
2,0
Finland
2,1
Cyprus
2,4
Tsjechië
2,6
Spanje
2,7
Oostenrijk
2,7
Italië
2,8
Ierland
2,9
Duitsland
3,2
Letland
3,2
Hongarije
3,3
Portugal
3,3
Litouwen
3,4
Griekenland
3,5
Nederland
3,5
Denemarken
3,7
België
3,8
Frankrijk
3,8
Polen
3,8
Vlaams Gewest
3,9
Kroatië
4,2
Luxemburg
4,3
Slovakije
5,0
Malta
5,6
Bulgarije
5,8
Roemenië
6,0
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
3.2. Doodsoorzaken bij overlijden van kinderen onder de 15 jaar 3.2.1. Doodsoorzaken bij kinderen onder de 1 jaar Perinatale aandoeningen en aangeboren afwijkingen vormen de belangrijkste doodsoorzaken bij zuigelingen Van de 251 overleden zuigelingen sterven er meer dan de helft door perinatale factoren (zie tabel 6.11). Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het bij 24 kinderen om complicaties van navelstreng, placenta en/of vliezen ging, bij 14 kinderen om asfyxie. Aangeboren afwijkingen vormen de tweede meest voorkomende doodsoorzaak bij 0-jarigen. 9 zuigelingen overlijden door uitwendige oorzaken, van wie 6 door een ongeval (maar geen verkeersongeval) en 2 door geweldpleging.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3.2.2. Doodsoorzaken bij kinderen van 1 tot 15 jaar Een derde van de overlijdens bij kinderen tussen 1 en 15 jaar heeft een uitwendige oorzaak. Kanker en andere nieuwvormingen* is meest voorkomende ‘inwendige’ doodsoorzaak Tabel 6.11 toont aan dat in 2018 65,7% van de overlijdens bij kinderen tussen 1 en 15 jaar een ‘inwendige’ oorzaak had. Kanker en andere nieuwvormingen en aandoeningen van het zenuwstelsel waren de meest voorkomende oorzaken van inwendige oorsprong. 20 van de 33 uitwendige doodsoorzaken zijn ongevallen. Bij 9 daarvan gaat het om sterfte na een verkeersongeval. Bij de 11 andere ongevallen gaat het om diverse zaken (vallen, verdrinking/onderdompeling of verstikking). 1 overlijden werd
6.10 Zuigelingensterfte (op de 1000 levend geborenen) in het Vlaamse Gewest internationaal gesitueerd - 2018 Bronnen: Statbel Eurostat, website
122
veroorzaakt doordat het kind zichzelf schade toebracht. Er waren 6 slachtoffers van geweldpleging.
123
* Een nieuwvorming of neoplasma: een ziekelijke weefselontaarding
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
4. SLACHTOFFERS VAN VERKEERSONGEVALLEN
6.11 Doodsoorzaken bij kinderen van 0 tot 15 jaar (1)
In 2019 sterven in het Vlaamse Gewest 18 kinderen onder de 20 jaar in een verkeersongeval. 266 kinderen raken ernstig gewond. Ten opzichte van 2018 blijft het aantal dodelijke slachtoffers gelijk, maar er is wel een afname van het aantal ernstig gewonde kinderen (-20).
Kinderen onder de 1 jaar
Kinderen van 1 tot 5 jaar
Kinderen van 5 tot 10 jaar
Kinderen van 10 tot 15 jaar
Kinderen van 1 tot 15 jaar
Totaal
Algemene infectieziekten
2
2
2
0
4
6
Kanker en andere nieuwvormingen
3
5
7
6
18
21
Bloedaandoeningen en ziekten immuunsysteem
3
0
0
0
0
3
Endocriene ziekten en voedings- en stofwisselingsstoornissen
4
3
2
1
6
10
Ziekten van urogenitaal stelsel
0
0
1
0
1
1
Aandoeningen zenuwstelsel
11
7
4
3
14
25
Ziekten hart- en vaatstelsel
3
1
1
1
3
6
Ziekten ademhalingsstelsel
0
7
1
1
9
9
Perinatale aandoeningen
129
0
0
0
0
129
Naar leeftijd
Aangeboren afwijkingen
79
3
2
1
6
85
Symptomen, afwijkende klinische bevindingen en laboratoriumuitslagen, niet elders geclassificeerd (waaronder SIDS)
8
2
0
0
2
10
Totaal ‘inwendige’ oorzaken
242
30
20
13
63
305
Verkeersongevallen
0
4
2
3
9
9
Overige uitwendige oorzaken door een ongeval
6
5
2
4
11
17
Opzettelijk zichzelf schade toebrengen
0
0
0
1
1
1
Geweldpleging
2
3
2
1
6
8
Andere uitwendige oorzaken
1
5
1
0
6
7
Totaal ‘uitwendige’ oorzaken
9
17
7
9
33
42
Totaal sterfgevallen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
251
47
27
22
96
347
De meeste slachtoffers zijn net zoals de vorige jaren voetgangers/bestuurders, 1 op de 5 van de zware verkeersslachtoffers (doden en zwaargewonden) was een passagier.
6.12 Aantal jonge verkeersslachtoffers (doden en zwaargewonden) 2016
2017
2018
Totaal
Totaal
Totaal
Doden binnen 30 dagen
Zwaargewonden (1)
Totaal
Kinderen onder de 5 jaar
19
18
21
0
21
21
Kinderen van 5 tot 10 jaar
50
36
43
0
24
24
Kinderen van 10 tot 15 jaar
70
59
49
4
33
37
Kinderen van 15 tot 20 jaar
211
196
191
14
188
202
Totaal
350
309
304
18
266
284
2019
Bestuurder of voetganger
266
234
225
11
213
224
Passagier
84
74
78
7
51
58
Andere/onbekend
0
1
1
0
2
2
350
309
304
18
266
284
Naar aard weggebruiker
Totaal
6.12 Verkeersslachtoffers in het Vlaamse Gewest - aantal zwaargewonden en aantal doden (binnen 30 dagen) onder de 20 jaar naar leeftijdsklasse en naar aard van de weggebruiker Bron: Statbel, website (1) Zwaargewonden: opname in ziekenhuis voor meer dan 24 uur noodzakelijk
6.11 Oorzaken van overlijden bij kinderen van 0 tot 15 jaar in het Vlaamse Gewest, naar leeftijdscategorie - 2018 Bron: Gezondheidsindicatoren, Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid (1) Voorlopige cijfers
124
Uit niet-opgenomen cijfers weten we ook dat het aantal lichtgewonde kinderen onder de 20 jaar lager ligt dan de vorige jaren. Ten opzichte van 2016 is er een daling met 636 kinderen.
125
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
5. MORBIDITEIT
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.13 Aangeboren majeure afwijkingen (1) (vervolg)
5.1. Aangeboren afwijkingen
frequent voorkomt, gevolgd door schisis*, hypospadie** en de specifieke hartafwijking ventrikelseptumdefect***.
Tabel 6.13 geeft een gedetailleerd beeld van het voorkomen van majeure aangeboren afwijkingen bij kinderen geboren in 2018 en 2019, gerangschikt in dalende volgorde voor het jaar 2019. Daaruit blijkt dat de groep andere hartafwijkingen in 2019 het meest
In 2019 worden bij 0,8% (518) van de geboorten al in de perinatale periode een of meerdere majeure afwijkingen vastgesteld, een lichte stijging t.o.v. 2018.
6.13 Aangeboren majeure afwijkingen
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
* Gespleten lip/verhemelte ** Afwijking bij jongens waarbij de plasbuis niet uitmondt aan de top van de penis *** Hartafwijking waarbij er een gaatje aanwezig is in het tussenschot van de 2 hartkamers
(1)
2018 Aantal
2019
Op de 10 000 geboorten
Aantal
Op de 10 000 geboorten
2018
2019 Op de 10 000 geboorten
Aantal
Op de 10 000 geboorten
Oesofagale atresie
16
2,5
11
1,7
Skeletdysplasie/dwerggroei
10
1,6
11
1,7
Atresie dunne darm
10
1,6
11
1,7
Aantal
Hydrops foetalis
7
1,1
11
1,7
Atresie anus
10
1,6
10
1,6
Omfalocele
7
1,1
10
1,6
Anale imperforatie
11
1,7
8
1,3
Trisomie 18
10
1,6
7
1,1
Tweelingtransfusiesyndroom
7
1,1
7
1,1
Anencefalie
2
0,3
7
1,1
5
0,8
4
0,6
Andere hartafwijkingen
79
12,4
100
15,8
Syndroom van Turner
Schisis
55
8,6
58
9,2
Craniosynostosis
2
0,3
2
0,3
Hypospadie
60
9,4
54
8,6
Trisomie 13
3
0,5
1
0,2
Ventrikelseptumdefect
55
8,6
46
7,3
Atresie galwegen
1
0,2
1
0,2
Obstructie nierbekken en ureter
24
3,8
40
6,3
Cystische hygroma
1
0,2
1
0,2
Transpositie grote vaten
32
5
34
5,4
Trisomie 21
28
4,4
28
4,4
Totaal kinderen met een of meer aangeboren majeure afwijkingen
498
78,0
518
82,0
Spina bifida
23
3,6
26
4,1
Hernia diafragmatica
16
2,5
23
3,6
Tetralogie van Fallot
16
2,5
20
3,2
Poly-/multikystische nierdysplasie
10
1,6
20
3,2
Afwijking long
14
2,2
17
2,7
Hydrocefalie
12
1,9
16
2,5
Reductie ledematen
15
2,4
13
2,1
Nieragenesie
13
2
13
2,1
Gastroschisis
10
1,6
12
1,9
6.13 Geregistreerde aangeboren majeure afwijkingen (perinatale periode) in Vlaanderen: aantal en op de 10 000 geboorten Bron: R. Devlieger, R. Goemaes, M. Laubach, Perinatale activiteiten in Vlaanderen 2019. SPE, Brussel, 2020 (1) Majeure afwijkingen vastgesteld bij de geboorten (≥500 gram) in kraamklinieken, zowel bij levend geboren als bij doodgeboren kinderen. Bij een kind kan meer dan 1 afwijking worden vastgesteld
De registratie door het SPE is evenwel niet voldoende om het exact aantal aangeboren majeure afwijkingen op te sporen. Bij een aantal kinderen wordt de afwijking pas later vastgesteld.
Bovendien zullen zwangerschappen die omwille van een aangeboren aandoening voor een leeftijd van 22 weken onderbroken werden vermoedelijk niet in de SPE-cijfers opgenomen zijn.
Vervolg zie pagina 127
126
127
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
5.2. Aangeboren doofheid en slechthorendheid Bij 1,74 op de 1000 geteste kinderen Aangeboren doofheid en slechthorendheid kan al op zeer jonge leeftijd worden vastgesteld. In 2019 werd 94,2% van de kinderen geboren in Vlaanderen in de eerste levensmaanden getest door Kind en Gezin. In 2018 stellen we bij 2,18 op de 1000 door Kind en Gezin geteste kinderen een aangeboren doofheid of slechthorendheid vast. In 2019 ligt het cijfer lager (1,74). Tabel 6.15 geeft het type (tweezijdig of eenzijdig) en de graad van slechthorendheid weer. Van de kinderen geboren in 2019 gaat het bij 72 van de 108 kinderen om gehoorverlies aan beide oren, van wie 55 kinderen aan beide oren dezelfde graad van slechthorendheid hebben.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6.15 Type en graad van gehoorverlies (1)
6.14 Incidentie doofheid en slechthorendheid
2015 (2)
2016 (2)
2017 (2)
2018 (3)
2019 (4)
14
15
20
23
16
Ernstig slechthorend
13
10
12
14
11
Matig slechthorend
29
27
21
25
21
2,09
Licht slechthorend
9
12
13
8
7
2017
1,94
Totaal
65
64
66
70
55
2018
2,18
Tweezijdig met verschil in graad van doofheid of slechthorendheid
2019
1,74
2010
2,06
2011
2,20
Tweezijdig met dezelfde graad van doofheid of slechthorendheid
2012
2,16
Doof
2013
1,75
2014
2,12
2015
1,95
2016
6.14 I ncidentie van aangeboren doofheid en slechthorendheid bij kinderen getest door Kind en Gezin, op de 1000 geteste kinderen Bron: Kind en Gezin
Bij 96 kinderen stellen we – aan 1 of beide oren – minstens een matige slechthorendheid vast (>40 decibel), bij 12 kinderen gaat het om lichte slechthorendheid (gehoorverlies van 21-40 decibel). 27 kinderen zijn minstens aan 1 oor doof.
Doofheid en ernstig slechthorend
1
3
1
1
0
Doofheid en matig slechthorend
0
2
1
2
0
Doofheid en licht slechthorend
0
2
1
1
2
Ernstig en matig slechthorend
2
7
4
1
4
Ernstig en licht slechthorend
2
2
1
1
2
Matig en licht slechthorend
2
12
9
5
9
Totaal
7
28
17
11
17
Doof
13
7
13
15
11
Ernstig slechthorend
10
7
4
14
11
Matig slechthorend
16
15
13
15
9
Licht slechthorend
7
5
6
8
5
Totaal
46
34
36
52
36
Totaal met geclassificeerde doofheid of slechthorendheid
118
126
119
133
108
Eenzijdige doofheid of slechthorendheid
6.15 Kinderen met een aangeboren doofheid of slechthorendheid vastgesteld na een positieve gehoortest bij Kind en Gezin: type en graad van het gehoorverlies Bron: Kind en Gezin (1) Licht slechthorend: gehoorverlies van 21-40 decibel; matig slechthorend: gehoorverlies van 41-70 decibel; ernstig slechthorend: gehoorverlies van 71-90 decibel; doofheid: gehoorverlies van >90 decibel (2) 2015-2017: Nagenoeg definitieve cijfers. Voor elk van die jaren slechts 1 niet-conclusief rapport, wat wil zeggen dat het kind reeds een eerste onderzoek kreeg, maar dat er om diverse redenen nog geen duidelijkheid is over de ernst van het gehoorverlies. Over de gezinnen die niet ingingen op de doorverwijzing hebben we uiteraard ook geen gegevens. In 2017 ging het om 23 gezinnen (3) 2018: Nagenoeg definitief cijfer: nog 2 niet-conclusieve rapporten. 26 gezinnen gingen niet in op de doorverwijzing. Van 15 kinderen geen opvolging meer mogelijk, bv. wegens verhuis naar het buitenland (4) 2019: 4 niet-conclusieve rapporten. 8 gezinnen gingen niet in op de doorverwijzing. Van 9 kinderen geen opvolging meer mogelijk , bv. wegens verhuis naar het buitenland
128
129
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6 G ezondheid, sterfte en morbiditeit bij kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
6. ZORGTOESLAG Ongeveer 2,5% van de kinderen met een Groeipakket heeft recht op een maandelijkse zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte als gevolg van een beperking of een handicap. Het bedrag van de zorgtoeslag hangt af van de mate waarin het kind ondersteuning nodig heeft.
De graad van de ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld door een evaluerend arts en wordt uitgedrukt in een aantal punten. Kinderen met minstens 12 punten krijgen automatisch nog een aanvullend basisondersteuningsbudget (BOB) toegekend, kinderen met minstens 18 punten krijgen ook een zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden.
Tabel 6.16 toont aan dat meer dan de helft van de kinderen die deze zorgtoeslag ontvangen minstens 12 jaar is en dat de ondersteuningsbehoefte voor ongeveer 3 op de 4 kinderen werd uitgedrukt in een puntenaantal lager dan 12. 3151 kinderen hebben een puntenaantal van minstens 18.
6.16 Aantal kinderen met een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte (1)
2019
Kinderen onder de 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Kinderen ouder dan 18 jaar
Totaal
Minder dan 12 punten
2 544
9 660
11 229
4 566
27 999
Tussen 12 en 18 punten
802
2 047
2 388
1 444
6 681
Minstens 18 punten
374
873
1 122
664
3 033
0
0
2
6
8
Totaal
3 720
12 580
14 741
6 680
37 721
Minder dan 12 punten
2 579
9 827
11 647
4 730
28 783
Tussen 12 en 18 punten
859
2 089
2 431
1 422
6 801
Minstens 18 punten
409
902
1 205
635
3 151
0
0
0
1
1
3 847
12 818
15 283
6 788
38 736
Andere
2020
(1)
Andere (1) Totaal
6.16 Aantal kinderen met een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte per leeftijdsklasse en per puntenaantal op de medisch-sociale schaal - Vlaams Gewest Bron: Opgroeien (1) Deze categorie omvat kinderen die op basis van een vroegere regeling een toekenning kregen via een beoordeling van hun zelfredzaamheid
130
131
HOOFDSTUK 7
GEZOND EN VEILIG ONTWIKKELEN
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
adviezen over gezond leven, zet in op de preventie van ziekten (bv. door vaccinaties) en voorziet in meldpunten waar kinderen van wie de ontwikkeling in het gevaar is, kunnen gemeld en bijgestaan worden. In dit hoofdstuk nemen we gegevens over al die zaken op.
De bescherming van kinderen tegen bepaalde aandoeningen, ziekten en ongezonde of bedreigende leefomstandigheden is een belangrijk onderdeel van het gezondheids- en welzijnsbeleid. De Vlaamse overheid investeert daarom in het opvolgen van de groei en het gewicht van kinderen, geeft
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen en grafieken: 7.1 Borstvoeding bij kinderen op 24 uur ................................................................................................................................................................................. 136 7.2 Evolutie borstvoeding op dag 6 ........................................................................................................................................................................................... 137 7.3 Borstvoeding op dag 6 naar provincie.............................................................................................................................................................................. 138 7.4 Borstvoeding op dag 6 naar zwangerschapsduur...................................................................................................................................................... 139 7.5 Evolutie borstvoeding op dag 6 naar kansengroep................................................................................................................................................... 140 7.6 Borstvoeding op 24 uur en dag 6 naar BFHI-label kraamkliniek ........................................................................................................................ 141 7.7 Borstvoeding op de leeftijd van 6 maanden.................................................................................................................................................................. 143 7.8 Borstvoeding op de leeftijd van 6 maanden naar kansengroepen ................................................................................................................... 143 7.9 Gevaccineerde kinderen in het eerste levensjaar naar vaccinator ................................................................................................................... 145 7.10 Gevaccineerde kinderen in het tweede levensjaar naar vaccinator ................................................................................................................ 146 7.11 Evolutie BMI bij 2-jarigen .......................................................................................................................................................................................................... 147 7.12 Overgewicht bij 2-jarigen naar geslacht .......................................................................................................................................................................... 148 7.13 Overgewicht bij 2-jarigen per provincie en naar origine van de moeder..................................................................................................... 148 7.14 Overgewicht bij 2-jarigen naar kansengroep ................................................................................................................................................................ 149 7.15 Aantal meldingen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling ................................................................................................................... 151 7.16 Aantal meldingen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling naar meldende instantie ............................................................ 153 7.17 Leeftijd van de gemelde kinderen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling ................................................................................ 154 7.18 Aantal meermaals gemelde kinderen ................................................................................................................................................................................ 154 7.19 Aantal gemelde minderjarigen per 10 000 per provincie ....................................................................................................................................... 155 7.20 Belangrijkste gemelde problematiek kindermishandeling .................................................................................................................................... 157 7.21 Gemelde problematieken kindermishandeling naar leeftijdscategorie ......................................................................................................... 158
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1. BORSTVOEDING Kind en Gezin vraagt tijdens zijn contacten met gezinnen naar de voeding die aan het kind gegeven wordt. Zo weten we hoeveel kinderen starten met borstvoeding en krijgen we ook zicht op de duur van de borstvoeding. Borstvoeding is immers de meest natuurlijke voeding. Door haar specifieke samenstelling is moedermelk niet enkel een optimale voeding, maar ondersteunt en bevordert ze ook de gezondheid en ontwikkeling van het kind. In december 2019 paste Kind en Gezin zijn definitie over borstvoeding aan om beter aan te sluiten op de strikte definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) die wereldwijd wordt gehanteerd. We spreken over uitsluitend borstvoeding als het kind alleen maar borstvoeding krijgt. Wanneer het kind naast moedermelk ook kunstvoeding (ook al is het eenmalig), water of andere voedingsmiddelen krijgt, spreken we van niet uitsluitend
borstvoeding. Als er geen borstvoeding, noch afgekolfde moedermelk meer gegeven wordt, spreken we over geen borstvoeding. De cijfers op basis van registraties voor 1 december 2019 worden niet herberekend, maar worden wel weergegeven volgens de nieuwe benamingen. De gewijzigde definitie kan een impact hebben op de cijfers. Aansluitend besliste Kind en Gezin om de voedingssituatie niet meer op 5 vaste leeftijdsmomenten te bevragen, maar om dat op elk contactmoment te doen én voor 3 vaste leeftijdsmomenten (24 uur na geboorte, op dag 6 en op 6 maanden/26 weken). Zo wil Kind en Gezin de kwaliteit van de cijfers verhogen én een beter zicht krijgen op het verloop van (langdurige) borstvoeding. In deze editie schetsen we enkel de cijfers voor de 3 vaste leeftijdsmomenten, volgend jaar hopen we cijfers op te nemen over voeding op 12 maanden.
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN kindermishandeling steunen op de registratie door medewerkers van de vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s). Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
De meeste cijfers uit dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de gegevens die medewerkers van Kind en Gezin tijdens consulten en huisbezoeken registreren over de ontwikkeling van de kinderen in de eerste 3 levensjaren. De cijfers over
134
135
Kinderen voor wie de voeding voor een bepaald tijdstip niet werd ingevuld, laten we buiten beschouwing bij de berekening voor dat tijdstip. Meer info over de mate van (on)volledigheid van de data vind je in de Bijlage. Hoewel ze niet geheel volledig zijn, hebben de cijfers wel betrekking op een zeer groot deel van de populatie pasgeborenen. Door de cijfers te verbijzonderen naar kenmerken van het gezin, de moeder, het kind en het type kraamkliniek worden nog meer beleidsrelevante inzichten gepresenteerd.
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1.1. Startvoeding op 24 uur
definitie, maar ook de coronacrisis zou een rol kunnen spelen.
77,1% van de kinderen krijgt vanaf het prille levensbegin uitsluitend borstvoeding, een afname met 1,8 procentpunt t.o.v. 2019. Tegelijk zien we een stijging van het aandeel kinderen dat niet uitsluitend borstvoeding krijgt (van 1,9% naar 4,4%), waardoor het aandeel kinderen dat geen borstvoeding krijgt, is afgenomen (een daling met 0,7 procentpunt t.o.v. 2019). Dat het aandeel kinderen met niet uitsluitend borstvoeding is gestegen, kan deels het gevolg zijn van de gewijzigde
De toename van het totale (uitsluitend + niet uitsluitend) aandeel kinderen met borstvoeding doet zich al enkele jaren voor. Sinds 2014 is er een stijging met bijna 5 procentpunten (van 76,6% naar 81,4%). Tabel 7.1 toont dat er verschillen zijn tussen de provincies. In West-Vlaanderen start 25,3% van de kinderen niet met borstvoeding. In de andere provincies ligt dat aandeel lager (19,8% in Limburg,
18,6% in Oost-Vlaanderen, 16,6% in Antwerpen en 14,4% in Vlaams-Brabant). In Vlaams-Brabant en Antwerpen wordt het meest gestart met uitsluitend borstvoeding, in West-Vlaanderen duidelijk het minst. We zien in alle provincies dat het aandeel borelingen met uitsluitend borstvoeding in 2020 afgenomen is ten voordele van het aandeel dat niet uitsluitend borstvoeding krijgt. Enkel in Limburg zien we een stijging van het aandeel kinderen dat op 24 uur geen borstvoeding krijgt.
7 Gezond en veilig ontwikkelen
1.2. Voeding op dag 6
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4 procentpunten lager ligt dan op 24 uur. Het gaat wel nog om 77%, waarbij het grootste deel (64,1%) uitsluitend borstvoeding krijgt.
Borstvoeding op dag 6 hoger dan in 2019, wel minder uitsluitend borstvoeding 6 dagen na de geboorte zien we dat het aandeel kinderen met (uitsluitend of niet uitsluitend) borstvoeding meer dan
Hoewel het aandeel kinderen met uitsluitend borstvoeding daalt in 2020 (allicht deels door de gewijzigde definitie), neemt het totaal aandeel
kinderen dat borstvoeding krijgt wel verder toe. Ten opzichte van 2019 (zie grafiek 7.2) is er een toename met 1,2 procentpunt. Ten opzichte van 2014 bedraagt de stijging meer dan 4 procentpunten (van 72,5% naar 77%).
7.2 Evolutie borstvoeding op dag 6 100
27,5
26,4
25,6
25,3
25,0
24,2
23,0
8,6
8,6
9,0
9,4
9,5
10,4
12,9
63,9
65,0
65,4
65,3
65,4
65,4
64,1
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
90 80 70
7.1 Borstvoeding bij kinderen op 24 uur
60 2019
2020
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
Vlaams-Brabant
82,7
2,2
15,1
Antwerpen
81,0
2,0
Oost-Vlaanderen
77,6
2,1
50
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
100,0
79,9
5,7
14,4
100,0
17,0
100,0
79,5
3,9
16,6
100,0
20,3
100,0
77,5
3,9
18,6
100,0
10 0
Limburg
79,2
1,7
19,1
100,0
75,7
4,5
19,8
100,0
West-Vlaanderen
72,2
1,5
26,4
100,0
70,2
4,5
25,3
100,0
Vlaams Gewest
78,9
1,9
19,2
100,0
77,1
4,4
18,6
100,0
7.1 Borstvoeding bij kinderen 24 uur na de geboorte - naargelang de provincie - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
136
40 30 20
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
7.2 Evolutie van het aandeel kinderen dat op dag 6 borstvoeding krijgt sinds 2014 - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
137
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Limburg krijgen respectievelijk 78,6%, 77,5% en 75,8% van de kinderen op dag 6 borstvoeding (zie tabel 7.3). In elk van de provincies zien we een stijging van het aandeel kinderen dat borstvoeding krijgt. In Oost-Vlaanderen
In Vlaams-Brabant ligt het percentage het hoogst: 81,8% van de kinderen krijgt er borstvoeding op dag 6. In West-Vlaanderen ligt het percentage het laagst (69,3%) en krijgt op dag 6 bijna 1 op de 3 borelingen geen borstvoeding (meer). In de provincies
is de toename het meest duidelijk en stijgt ook het aandeel kinderen dat uitsluitend borstvoeding krijgt.
7.3 Borstvoeding op dag 6 naar provincie
Niet uitsluitend
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Van de à terme geboren kinderen krijgt 64,9% uitsluitend borstvoeding (zie grafiek 7.4), bij premature baby’s gaat het om 53,4%. Premature baby’s kennen dus een hoger aandeel kinderen dat naast borstvoeding andere voeding krijgt (20,7% t.o.v. 12,3%).
Bij prematuur geboren kinderen (<37 weken) ligt het percentage dat op dag 6 borstvoeding krijgt 3 procentpunten lager dan bij à terme geboren kinderen (74,1% t.o.v. 77,2%). Het aandeel kinderen dat uitsluitend borstvoeding krijgt verschilt wel sterker.
7.4 Borstvoeding op dag 6 naar zwangerschapsduur
2019 Uitsluitend
7 Gezond en veilig ontwikkelen
100
2020 Geen borstvoeding
Totaal
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
27,4
69,0
11,6
19,4
100,0
66,7
15,1
18,2
100,0
Antwerpen
66,9
10,9
22,2
100,0
65,3
13,3
21,4
100,0
OostVlaanderen
65,2
10,2
24,6
100,0
66,0
11,5
22,5
100,0
Limburg
64,0
11,1
24,9
100,0
61,2
14,6
24,2
100,0
WestVlaanderen
60,4
7,8
31,9
100,0
58,8
10,5
30,7
100,0
Vlaams Gewest
65,4
10,4
24,2
100,0
64,1
12,9
23,0
100,0
25,9
9,9
15,8
60
VlaamsBrabant
23,9
66,1
56,8
40
12,3
20,7
64,9
53,4
20 0 Prematuur
Niet-prematuur
Prematuur
2019
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Niet-prematuur 2020
Geen borstvoeding
7.4 Kinderen die op dag 6 borstvoeding krijgen naar zwangerschapsduur - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
7.3 Kinderen naar situatie borstvoeding op dag 6 naargelang de provincie - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
138
22,8
80
139
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Uit tabel 7.5 blijkt verder dat kinderen met een moeder van niet-Belgische origine (d.w.z. die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had) vaker borstvoeding op dag 6 krijgen dan kinderen met een moeder van Belgische origine (89,9% t.o.v. 71,1). In 2019 en 2020 zien we dat het aandeel kinderen met borstvoeding vooral toeneemt bij kinderen met een moeder van Belgische origine.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
borstvoedingscijfers voor naargelang de kansarmoedesituatie. Enkel bij de kansarme kinderen met een moeder van Belgische origine neemt het aandeel kinderen met borstvoeding af.
Bij kinderen met een moeder die bij haar geboorte de Belgische nationaliteit had, doet zich een groot verschil voor naargelang de kansarmoedesituatie van het gezin. Kinderen in kansarmoede krijgen veel minder (uitsluitend) borstvoeding dan de kinderen die niet in kansarmoede leven (47,7% versus 72,5%). Bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine doet zich amper een verschil in de
7.5 Evolutie borstvoeding op dag 6 naar kansengroep
Kinderen met moeder van niet-Belgische origine
2017
2018
2019
2020
89,5
89,8
89,5
89,9
die niet in kansarmoede leven
89,4
89,8
89,6
89,8
die in kansarmoede leven
89,8
90,2
89,2
90,2
68,6
68,8
69,6
71,1
die niet in kansarmoede leven
70,1
70,1
70,9
72,5
die in kansarmoede leven
47,2
48,3
48,3
47,7
74,7
75,0
75,8
77,0
Kinderen met moeder van Belgische origine
Alle kinderen
7 Gezond en veilig ontwikkelen
ze geboren zijn, dan wil dat niet zeggen dat die verschillen (enkel en alleen) te wijten zijn aan het feit dat een kraamkliniek een BFHI-label heeft of niet. Mogelijk kiezen ouders bewust in functie van hun eigen voorkeuren voor een bepaalde kraamkliniek en/of verschilt het ondersteuningsaanbod in de buurt van BFHI- en niet-BFHI-kraamklinieken. De data laten dus niet toe om een definitieve uitspraak te doen over de invloed van het BFHI-label op de borstvoedingscijfers. Tabel 7.6 geeft aan dat kinderen geboren in een kraamkliniek met BFHI-label vaker starten met (uitsluitend) borstvoeding (84,4% t.o.v. 79,9%) en dat van die
1. Als een kraamkliniek een BFHI-label heeft, dan is dat een indicatie dat er extra aandacht gaat naar het ondersteunen van borstvoeding. Het ontbreken van het label wil uiteraard niet zeggen dat er in die kraamklinieken geen ondersteuning voor borstvoeding geboden wordt. 2. A angezien uit de voorgaande tabellen bleek dat er verschillen qua borstvoeding bestaan naar zwangerschapsduur, origine
140
groep op dag 6 nog een groter aandeel (uitsluitend) borstvoeding krijgt dan bij de kinderen die in een kraamkliniek zonder BFHI-label zijn geboren (80,2% t.o.v. 75,2%). De verschillen moeten wel voorzichtig geïnterpreteerd worden, want het profiel van de borelingen in BFHI- en niet-BFHIkraamklinieken is niet gelijk. Zo kennen BFHI-kraamklinieken zowel een hoger aandeel kinderen met een moeder van niet-Belgische origine als een hoger aandeel kinderen in kansarmoede. Aangezien die groepen vaker starten met borstvoeding, is het ergens logisch dat de borstvoedingscijfers verschillen. Uit niet-opgenomen analyses blijkt echter dat er ook na controle voor
dergelijke profielverschillen tussen kraamklinieken met en zonder BFHI-label verschillen blijven bestaan in de borstvoedingscijfers. Binnen elke kansengroep ligt bv. het aandeel kinderen dat op 24 uur of dag 6 uitsluitend borstvoeding krijgt hoger bij kinderen geboren in een BFHI-kraamkliniek.
*H et BFHI-label (Baby Friendly Hospital Initiative) is een label – gelanceerd door Unicef en de Wereldgezondheidsorganisatie – om elke baby en ook de moeders van bij de geboorte de beste kansen te geven op het gebied van gezondheid en welzijn. In België kan het label door de federale overheid aan een kraamkliniek worden toegekend na evaluatie van diverse voorwaarden
7.6 Borstvoeding op 24 uur en dag 6 naar BFHI-label kraamkliniek 24 uur
7.5 Evolutie kinderen die op dag 6 (al dan niet uitsluitend) borstvoeding krijgen volgens kansengroep - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
Kind en Gezin registreert voor bijna elk kind in welke kraamkliniek het geboren is. In 2020 hadden 28 kraamklinieken een BFHI*-label, een certificaat dat weergeeft dat ze een borstvoedingsvriendelijk beleid voeren. We verkennen voor het eerst of er verschillen zijn in de borstvoedingscijfers naargelang het kind geboren is in een kraamkliniek met of zonder BFHI-label. Bij de interpretatie van de cijfers moeten wel drie zaken meegenomen worden:
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
en kansarmoede, is het logisch dat verschillen tussen kraamklinieken ook te maken kunnen hebben met verschillen in de populatie borelingen. Uitspraken over verschillen naargelang kenmerken van de kraamkliniek mogen dan ook pas gedaan worden na controle voor/verrekening van die verschillen. 3. Als er verschillen zijn tussen kinderen naargelang de kraamkliniek waarin
Dag 6
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
Met BFHI-label
79,3
5,1
15,6
100,0
67,5
12,7
19,8
100,0
Zonder BFHIlabel
75,9
4,0
20,1
100,0
62,1
13,1
24,8
100,0
Alle kinderen
77,1
4,4
18,6
100,0
64,1
12,9
23,0
100,0
7.6 Kinderen die op 24 uur en dag 6 borstvoeding krijgen volgens het BFHI-label van de kraamkliniek waarin ze geboren zijn - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2020 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
141
7 Gezond en veilig ontwikkelen
1.3. Borstvoeding op 6 maanden Omdat borstvoeding zoveel voordelen voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind heeft, adviseert de WGO niet alleen om kinderen tot de leeftijd van 6 maanden uitsluitend moedermelk te geven, maar ook om borstvoeding tot de leeftijd van 2 jaar als melkvoeding te blijven geven. Het is dus van belang om na te gaan hoelang kinderen borstvoeding krijgen. Op de leeftijd van 6 maanden krijgt 30,9% van de kinderen (geboren in 2019) nog borstvoeding. 1 op de 10 (10,7%) krijgt dan nog uitsluitend borstvoeding. Ten opzichte van de geboortecohorte van 2018 zien we dat het aandeel kinderen dat op 6 maanden nog borstvoeding
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
krijgt, is gedaald (-1,3% procentpunt) en dat het aandeel kinderen dat niet uitsluitend borstvoeding krijgt, is toegenomen, allicht (deels) ten gevolge van de gewijzigde definitie. Uit niet-opgenomen cijfers blijkt dat er zich – net zoals bij de andere tijdstippen waarop we de voeding bekeken – verschillen voordoen tussen de provincies. In West-Vlaanderen krijgt 22,4% van de borelingen uit 2019 op de leeftijd van 6 maanden nog borstvoeding (van wie ongeveer een derde uitsluitend borstvoeding). In de andere provincies gaat het om 30% of meer. In Vlaams-Brabant is het aandeel kinderen dat nog borstvoeding krijgt het grootst (35,8%) en wordt er meer uitsluitend (13,4%) borstvoeding gegeven in vergelijking met de andere provincies.
We zien op 6 maanden dat bijna de helft (48,1%) van de kinderen met een moeder van niet-Belgische origine nog borstvoeding krijgt, terwijl dat minder dan een kwart is (23,7%) bij kinderen met een moeder van Belgische origine. Ook op 6 maanden zien we bij de kinderen met een moeder van Belgische origine dat kinderen in kansarmoede vaker geen borstvoeding (meer) krijgen dan kinderen die niet in kansarmoede leven.
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
7.7 Borstvoeding op de leeftijd van 6 maanden (1) Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
2018
13,0
18,7
68,4
100,0
2019 (2)
10,7
20,2
69,1
100,0
7.7 Kinderen per geboortejaar naar borstvoeding op de leeftijd van 6 maanden - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin (1) De percentages worden berekend voor alle kinderen voor wie een voeding wordt geregistreerd op het betreffende tijdstip (2) Sinds december 2019 wordt de voeding geregistreerd volgens een meer strikte definitie. Die nieuwe registratiewijze kan een impact hebben op de cijfers t.o.v. vorig jaar
7.8 Borstvoeding op de leeftijd van 6 maanden naar kansengroepen 2019 Uitsluitend
Niet uitsluitend
Geen borstvoeding
Totaal
15,6
32,4
51,9
100,0
die niet in kansarmoede leven
16,2
31,7
52,1
100,0
die in kansarmoede leven
14,2
34,3
51,5
100,0
8,6
15,1
76,3
100,0
die niet in kansarmoede leven
8,9
15,4
75,7
100,0
die in kansarmoede leven
4,3
10,3
85,4
100,0
10,7
20,2
69,1
100,0
Kinderen met moeder van niet-Belgische origine
Kinderen met moeder van Belgische origine
Alle kinderen
7.8 Kinderen naar borstvoeding op de leeftijd van 6 maanden (26 weken) per kansengroep - Vlaams Gewest (percentage) Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
142
143
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. VACCINATIE BIJ ZEER JONGE KINDEREN 2.1. Vaccinatiegraad bij zeer jonge kinderen: cijfers vaccinatiegraadstudie*
2.2. Vaccinatiebereik bij zeer jonge kinderen: cijfers op basis van administratieve data
De vaccinatiegraad bij jonge kinderen in het Vlaamse Gewest ligt voor alle basisvaccins ruim boven de 90%. De vaccinatiegraad ligt het hoogst voor het vaccin tegen mazelen, bof en rubella (MBR) en voor het pneumokokkenvaccin. De doelstelling van 95% voor de eerste dosis van het MBR-vaccin – vereist voor de eliminatie van mazelen in België – werd in 2016 dus opnieuw bereikt.
Dankzij de samenwerking met het Agentschap Zorg en Gezondheid kan Kind en Gezin per vaccin cijfers voorleggen over het percentage kinderen dat er geldig mee werd gevaccineerd (door Kind en Gezin of door andere vaccinatoren zoals geregistreerd in Vaccinnet). Omdat niet alle vaccinaties geregistreerd worden en/of omdat niet altijd kan worden afgeleid over welke dosis het gaat en/of het vaccin geldig werd toegediend, moeten de cijfers wel als minimumpercentages worden beschouwd. De groep kinderen over wie we geen gegevens hebben over een geldig toegediend vaccin, beschouwen we daarom als niet gevaccineerd of niet geregistreerd.
De vaccinatie voor het rotavirus haalt een lager niveau (89,7%) dan de andere zuigelingenvaccins, maar de vaccinatiegraad ligt eigenlijk erg hoog, zeker omdat dat vaccin niet gratis is.
*V andermeulen, C., Theeten, H. Hoppenbrouwers K. et al, Studie van de vaccinatiegraad in Vlaanderen in 2016, januari 2017
Tabel 7.9 geeft aan wat het aandeel van de in Vlaanderen geboren kinderen is dat de betreffende dosis van een vaccin toegediend kreeg. De cijfers bevestigen vooreerst dat het vaccinatiebereik in Vlaanderen voor de meeste dosissen erg hoog ligt. Ongeacht wie vaccineert, blijkt voor alle gratis vaccins dat minstens 89,1% van de kinderen geboren in 2019 in het eerste levensjaar werd gevaccineerd. Dat het bereik op basis van
144
de administratieve data lager ligt dan de cijfers van de vaccinatiegraadstudie illustreert dat nog niet alle vaccinaties administratief en/of juist geregistreerd worden. Ten tweede bevestigen de cijfers dat Kind en Gezin de belangrijkste vaccinator is in het eerste levensjaar en – op de tweede dosis van het rotavaccin na – minstens 8 op de 10 kinderen vaccineert. De administratieve data tonen aan dat – behalve voor het rotavirus – 7 à 9% van de jonge kinderen door een andere actor (huisarts, pediater …) gevaccineerd wordt. Dat het rotavaccin amper door externe vaccinatoren toegediend zou worden, moet voorzichtig geïnterpreteerd worden, want externe vaccinatoren zijn niet verplicht om dat vaccin te registreren in Vaccinnet. Dat er minder kinderen tegen het rotavirus gevaccineerd worden valt echter te verwachten, aangezien die vaccins niet gratis zijn. Ten derde zien we – net zoals in de vaccinatiegraadstudie – dat het aandeel geldig gevaccineerde kinderen afneemt naargelang de vaccinatiedosis.
7.9 Gevaccineerde kinderen in het eerste levensjaar naar vaccinator Hexavalent (1) dosis 1
Hexavalent (1) dosis 2
Hexavalent (1 dosis 3
Pneumokokken dosis 1
Pneumokokken dosis 2
Rotavirus dosis 1
Rotavirus dosis 2
Kind en Gezin
85,6
81,8
81,4
85,5
81,6
80,4
75,7
Andere vaccinator
8,2
9,8
7,7
7,9
7,6
1,6
1,9
Niet gevaccineerd of niet geregistreerd (2)
6,2
8,4
10,9
6,6
10,9
18,0
22,4
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
7.9 Gevaccineerde kinderen in het eerste levensjaar naar vaccinator - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2019 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin, cijfers juni 2020 (1) Het Hexavalent-vaccin beschermt tegen 6 infectieziekten: polio, difterie, tetanus, pertussis, Haemophilus influenza B en hepatitis B (2) Omdat niet alle vaccinaties geregistreerd worden in Vaccinnet en omdat Kind en Gezin van extern gegeven vaccins niet altijd de dosis of de geldigheid kan afleiden, beschouwen we de kinderen over wie we geen (zuivere) gegevens hebben als niet gevaccineerd of niet geregistreerd
Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat kinderen in kansarmoede bijna even goed gevaccineerd worden als kinderen die niet in kansarmoede geboren worden. Kind en Gezin vaccineert een hoger aandeel kinderen met een moeder van niet-Belgische origine, vooral omdat de gezinnen met een moeder van Belgische origine vaker een beroep doen op een kinderarts, een huisarts of een andere instantie. Als we dezelfde berekeningen maken voor de vaccins in het tweede levensjaar (waaronder het vaccin tegen
mazelen, bof en rubella), dan illustreert tabel 7.10 dat het vaccinatiebereik ook in het tweede levensjaar hoog blijft liggen: 88,3% voor het vaccin tegen meningokokken, 90,5% voor de vierde dosis van het Hexavalent-vaccin en 92,1% voor het vaccin tegen pneumokokken. 92,6% van de kinderen geboren in 2018 werd gevaccineerd tegen mazelen, bof en rubella. Dat cijfer ligt hoger dan dat van de andere vaccins omdat hier alle extern toegediende vaccins wel zuiver konden worden meegeteld. Ook in het tweede levensjaar blijft Kind en Gezin de belangrijkste vaccinator met een
145
vaccinatiebereik van minstens 75%. Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat 63,9% van de in 2018 in Vlaanderen geboren kinderen op de leeftijd van 18 maanden zelfs alle vaccins uit het vaccinatieschema gekregen heeft van Kind en Gezin.
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
De cijfers voor overgewicht omvatten ook de kinderen met obesitas.
7.10 Gevaccineerde kinderen in het tweede levensjaar naar vaccinator Mazelen, bof en rubella
Pneumokokken
Meningokokken type C
Hexavalent (1) dosis 4
Kind en Gezin
80,9
80,8
75,4
79,7
Andere vaccinator
11,6
11,3
12,9
10,8
Niet gevaccineerd of niet geregistreerd (2)
7,4
7,9
11,7
9,5
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal
7 Gezond en veilig ontwikkelen
7.10 Gevaccineerde kinderen in het tweede levensjaar naar vaccinator - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2018 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin, cijfers juni 2020 (1) Het Hexavalent-vaccin beschermt tegen 6 infectieziekten: polio, difterie, tetanus, pertussis, Haemophilus influenza B en hepatitis B (2) Omdat niet alle vaccinaties geregistreerd worden in Vaccinnet en omdat Kind en Gezin van extern toegediende vaccins niet altijd de dosis of de geldigheid kan afleiden, beschouwen we de kinderen over wie we geen (zuivere) gegevens hebben als niet gevaccineerd of niet geregistreerd
We geven de cijfers weer voor de kinderen die in Vlaanderen wonen, ongeacht waar ze geboren zijn. Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage. Doordat Kind en Gezin door de coronacrisis gedurende enkele maanden minder kinderen kon meten en wegen op de leeftijd van 24 maanden, zijn de cijfers voor het geboortejaar 2018 berekend op een kleiner aandeel kinderen dan de vorige jaren. Nadere analyses tonen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
echter aan dat dat niet voor een grote vertekening zorgt, waardoor de cijfers nog steeds toelaten om valide uitspraken te doen over gewichtsevoluties in de populatie. 11,4% van de kinderen geboren in 2018 heeft op de leeftijd van 2 jaar overgewicht. 1,8% van de kinderen is obees. Het aandeel kinderen met een lage BMI ligt laag (0,6%). Het aandeel kinderen met overgewicht neemt verder toe, maar wel sterker dan de voorbije jaren (stijging met 1,8 procentpunt).
Op basis van de beschikbare data kunnen we geen uitspraken doen over de precieze redenen voor die toename, al lijkt het er op basis van niet-opgenomen analyses wel op dat de coronacrisis een impact heeft gehad op de gewichtsstatus van jonge kinderen.
7.11 Evolutie BMI bij 2-jarigen
3. BODY MASS INDEX BIJ KINDEREN VAN 2 JAAR Van alle kinderen die gemeten en gewogen worden rond de leeftijd van 2 jaar kan Kind en Gezin een afgeleide body mass index (BMI) berekenen. De BMI is het gewicht (in kilo’s) gedeeld door de lengte (uitgedrukt in meter) in het kwadraat. Net als bij volwassenen is de BMI een snelle en gemakkelijke methode om overgewicht en obesitas vroeg op te sporen. Tot de leeftijd van 18 jaar is het omwille van een natuurlijke leeftijdsevolutie noodzakelijk om leeftijdsspecifieke grenswaarden voor de BMI te gebruiken. Bij kinderen liggen de grenswaarden
van een normale en afwijkende BMI dus anders dan bij volwassenen. De keuze voor de grenswaarden is niet zonder gevolgen, want het bepaalt de prevalenties van de normale en afwijkende gewichtsstatus. Er bestaan echter meerdere mogelijke referentiekaders qua grenswaarden. Op advies van onderzoekers van de KU Leuven hanteert Kind en Gezin voor de prevalentiecijfers een gemengd referentiekader. Voor overgewicht en obesitas worden de grenswaarden van de zogeheten ‘uitgebreide IOTF*-criteria’ gebruikt. Voor laag gewicht of ondergewicht steunen
146
we op de groeistandaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (waarbij waarden lager dan -2 standaarddeviaties beschouwd worden als laag gewicht of ondergewicht voor leeftijd). We spreken over een lage BMI voor leeftijd in plaats van ondergewicht omdat die term vaak geassocieerd wordt met ondervoeding. Een hoge BMI-waarde verwijst naar een relatief hoge lichaamsmassa t.o.v. de gestalte, ongeacht de samenstelling van die hoge lichaamsmassa. Hoge BMI-waarden mogen we dus niet automatisch problematiseren in termen van overtollig vet.
2014
2015
2016
2017
2018
Lage BMI voor leeftijd
0,8
0,7
0,8
0,7
0,6
Normaal gewicht
91,1
90,7
90,6
89,7
87,9
Overgewicht
8,1
8,6
8,7
9,6
11,4
1,0
1,1
1,2
1,3
1,8
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
waarbij obesitas Totaal
7.11 Evolutie BMI bij 2-jarigen naar geboortejaar - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2014-2018 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
* I OTF: International Obesity Task Force
147
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Als we de cijfers voor overgewicht uitsplitsen per geslacht, dan zien we dat meisjes een iets hoger aandeel overgewicht kennen dan jongens. Zowel bij jongens als bij meisjes zien we een toename van het aandeel kinderen met overgewicht en obesitas.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
het laagst (8,9%). Daarbij mogen we niet vergeten dat de provinciale verschillen zeker ten dele verklaard kunnen worden doordat er sterke provinciale verschillen bestaan op het vlak van het aantal kinderen met een moeder van niet-Belgische origine (zie hoofdstuk 2).
We stellen ook vast dat de prevalentie van overgewicht duidelijk hoger is bij kinderen met een moeder van niet-Belgische origine (15,9% versus 9,5%) en dat er provinciale verschillen zijn (zie tabel 7.13). In de provincie Antwerpen is het aandeel 2-jarigen met overgewicht het grootst (13,1%), in West-Vlaanderen
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
We zien ook dat de gewichtsstatus op de leeftijd van 2 jaar niet alleen verschilt naargelang de origine van de moeder, maar ook naargelang de kansarmoedesituatie. Het aandeel kinderen met overgewicht
ligt hoger bij kinderen in kansarmoede, ongeacht of de moeder van Belgische of niet-Belgische origine is. Opmerkelijk is dat de duidelijke toename van het aandeel kinderen met overgewicht zich
bijna in elke groep voordoet. Enkel bij de kinderen in kansarmoede met een moeder van Belgische origine is de toename veel minder groot.
7.14 Overgewicht bij 2-jarigen naar kansengroep 2017
7.12 Overgewicht bij 2-jarigen naar geslacht 2016
Jongens
Overgewicht (inclusief obesitas) 8,3
2017 Obees
Overgewicht (inclusief obesitas)
1,2
9,2
2018
Totaal
Normaal gewicht
Overgewicht (inclusief obesitas)
Totaal
13,9
100,0
0,7
83,4
15,9
100,0
Normaal gewicht
0,9
85,2
Obees
Overgewicht (inclusief obesitas)
Obees
Kinderen met moeder van nietBelgische origine
1,3
10,9
1,7
die niet in kansarmoede leven
0,7
86,1
13,2
100,0
0,7
84,2
15,1
100,0
die in kansarmoede leven
1,4
83,6
15,1
100,0
0,8
81,8
17,4
100,0
Kinderen met moeder van Belgische origine
0,6
91,6
7,8
100,0
0,6
89,9
9,5
100,0
die niet in kansarmoede leven
0,6
91,8
7,6
100,0
0,6
90,0
9,4
100,0
die in kansarmoede leven
0,8
87,3
11,9
100,0
1,0
86,9
12,1
100,0
Alle kinderen
0,7
89,7
9,6
100,0
0,6
87,9
11,4
100,0
Meisjes
9,1
1,2
10,0
1,4
11,9
1,9
Totaal
8,7
1,2
9,6
1,3
11,4
1,8
7.12 Overgewicht bij 2-jarigen naar geslacht - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2016-2018 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
7.13 Overgewicht bij 2-jarigen per provincie en naar origine van de moeder Origine van de moeder Belgisch
2018 Lage BMI voor leeftijd
Overgewicht (inclusief obesitas)
Lage BMI voor leeftijd
Niet-Belgisch 2018
Totaal
2017
2018
2017
2017
2018
Antwerpen
9,0
11,1
15,0
Vlaams-Brabant
8,7
9,7
13,8
16,7
11,2
13,1
14,3
10,1
11,1
Oost-Vlaanderen
7,1
9,0
14,3
17,0
9,1
11,1
Limburg
7,1
9,5
10,9
14,5
8,1
11,0
West-Vlaanderen
6,7
7,6
12,2
14,5
7,7
8,9
Totaal
7,8
9,5
13,9
15,9
9,6
11,4
7.14 Overgewicht bij 2-jarigen naar kansengroep - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2017 en 2018 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
7.13 Overgewicht bij 2-jarigen per provincie en naar origine van de moeder - Vlaams Gewest (percentage) - kinderen geboren in 2017 en 2018 Bron: Mirage - registratiesysteem Kind en Gezin
148
149
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4. KINDERMISHANDELING In de loop van 2020 ontvingen de vertrouwenscentra kindermishandeling 7164 nieuwe meldingen, waarbij 9311 verschillende minderjarigen betrokken waren
4.1. Inleiding op de cijfers en begrippen Meldingen over (vermoedens van) kindermishandeling en verontrusting komen in Vlaanderen bij diverse organisaties terecht. Voor burgers bestaat sinds 2012 een centraal telefoonnummer – 1712 – voor alle mogelijke geweldsituaties. Uit het jaarverslag 2020 van 1712 blijkt dat bij 56,7% van de personen voor wie contact werd opgenomen, kindermishandeling de meest geregistreerde problematiek is. 1712 noteert in 2020 een sterke stijging van het aantal (mogelijke) slachtoffers van kindermishandeling (+45%). Daarnaast spelen de vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s) en de ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ’s) vooral een rol voor meldingen vanuit professionele zorg- en hulpverleners over kinderen. De VK’s rapporteren over die meldingen aan Opgroeien.
We kunnen de cijfers van 1712 en de VK’s echter niet samen analyseren omdat er verschillen zijn qua registratie (1712 heeft bv. vaak anonieme meldingen) en omdat sommige kinderen ook gemeld worden bij beide meldpunten. Aangezien er vooral doorverwijzingen zijn van 1712 naar de VK’s en omdat er meer kinderen bij de VK’s gemeld worden dan bij 1712, belichten we hierna enkel de meldingen bij de VK’s. Met de VK’s wordt contact opgenomen voor concrete situaties of vermoedens van kindermishandeling: seksueel misbruik, grensoverschrijdend gedrag, fysieke mishandeling of verwaarlozing, emotionele mishandeling of verwaarlozing. Soms gaat het over een risicosituatie. Nog andere contactopnames blijken te gaan over onduidelijke problematieken. Tot slot zijn er ook contactopnames bij verwerkingsproblemen n.a.v. een vroegere mishandeling of verwaarlozing en contactopnames voor andere problemen dan de vermelde zaken. In het vervolg van deze tekst spreken we over meldingen. Sinds 2016 zijn er ook meldingen mogelijk via de chatbox ‘nupraatikerover.be’.
150
De VK’s krijgen niet alleen meldingen over minderjarigen, maar ook over meerderjarigen (18 jaar en ouder). Bij diverse meldingen zijn trouwens zowel meerder- als minderjarigen betrokken. Onder gemelde minderjarigen verstaan we alle kinderen onder de 18 jaar, ook de ongeboren kinderen en de meerderjarigen onder bewindvoering (voorheen verlengd minderjarigen). Wanneer we bij de cijfers spreken over meldingen in een jaar, dan gaat het om de meldingen die een VK in het vernoemde jaar ontving, dus met startdatum in het betrokken jaar. De cijfers hebben m.a.w. geen betrekking op de nog lopende dossiers in een VK, waarbij de initiële melding in een voorgaand jaar plaatsvond, maar waarvoor het VK in het betrokken jaar nog acties onderneemt. Ook het onderscheid tussen de term uniek kind en kindregistratie is van belang. Een kind dat in een bepaald jaar bij meerdere meldingen betrokken is, wordt slechts 1 keer geteld bij het aantal unieke kinderen. Voor elk kind dat bij meerdere meldingen in een bepaald jaar betrokken is, worden er echter per
7 Gezond en veilig ontwikkelen
melding afzonderlijke kindregistraties genoteerd, bv. per melding de belangrijkste gemelde problematiek voor dat kind. Dat verklaart waarom het totale aantal kindregistraties steeds hoger is dan het totale aantal unieke kinderen. Meermaals gemelde kinderen zijn het aantal unieke kinderen dat in het betrokken jaar meer dan 1 keer gemeld werd. Kinderen met een meldingshistoriek zijn het aantal unieke kinderen dat gemeld werd in het betrokken jaar, maar van wie geweten is dat ze ook al in een voorgaand jaar minstens eenmaal gemeld waren bij een VK.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4.2. Aantal meldingen De 6 VK’s ontvingen in 2020 in totaal 7164 meldingen. Bij 6866 meldingen was er (minstens) 1 minderjarige betrokken, het aantal meldingen met (een) minderjarige(n) neemt toe met 1,8% t.o.v. 2019. Bij 5,7% van de meldingen bij een VK zijn ook meerderjarigen betrokken. Ook het aantal meldingen met (minstens) 1 meerderjarige is toegenomen in 2020. We zien dus een stijging van het aantal meldingen, maar de toename is veel minder groot dan bij 1712. Allicht heeft dat (minstens gedeeltelijk) te maken met het feit dat heel wat basisvoorzieningen hun werking door de coronacrisis
gedurende een bepaalde tijd drastisch hebben moeten terugschroeven, waardoor ze minder in contact kwamen met kinderen en zo minder zicht hadden op situaties van verwaarlozing en mishandeling.
7.15 Aantal meldingen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Aantal meldingen met (minstens) 1 minderjarige
7 311
6 787
6 904
6 552
6 543
6 743
6 866
Aantal meldingen met (minstens) 1 meerderjarige
302
189
217
330
308
380
408
7 542
6 922
7 080
6 790
6 769
7 028
7 164
Totaal aantal unieke meldingen
7.15 Aantal meldingen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling
151
7 Gezond en veilig ontwikkelen
4.3. Aard van de meldende instanties Als we kijken naar alle meldingen waarbij (minstens) een minderjarige betrokken was (6866), dan zien we dat in 2020 nog steeds 12,6% van de melders uit de primaire omgeving van het kind komt. Die directe toegangsmogelijkheid tot de VK’s voor gezinnen, kinderen en jongeren is aanvullend op de algemene bekendmaking en toeleiding van burgers naar 1712. 25,3% van de meldingen komt van schoolse voorzieningen en opvangvoorzieningen, waarvan CLB’s het grootste deel uitmaken. Welzijnsorganisaties en personen en organisaties uit de gezondheidszorg zijn samen goed voor 38,7% van het aantal meldingen. In 2019 merkten we een opvallende stijging van het aantal meldingen uit de gezondheidszorg. Die
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
stijging kwam er nadat eind 2018 de kindreflex werd geïntroduceerd in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) voor ouders met een psychische problematiek of een verslavingsproblematiek. De kindreflex is een stappenplan dat hulpverleners ondersteunt om bij alle cliënten ouderschap bespreekbaar te maken en onveiligheid van kinderen te detecteren en aan te pakken. Uit nietopgenomen cijfers weten we dat het aantal meldingen en het aantal kinderen gemeld in het kader van die kindreflex in 2020 verder toeneemt. Bijna 7% van de meldingen in 2020 kadert in de kindreflex. Die 463 meldingen gingen over 648 kinderen. In 2020 komen er 455 meldingen vanuit het parket, waarbij 883 minderjarigen betrokken waren. Die cijfers vallen vooral te verklaren door de positie van de VK’s als gemandateerde voorziening binnen de integrale jeugdhulp, waarbij het jeugdparket een beroep kan doen op het
VK voor een onderzoek maatschappelijke noodzaak (MANO). In totaal ontvingen de VK’s in 2020 747 MANO-meldingen voor minderjarigen. In 2020 komen er vooral meer meldingen vanuit 1712. 7,2% van de meldingen komt nu via 1712, 1 procentpunt meer dan in 2019. Ook het aantal meldingen vanuit politionele en justitiële instanties en vanuit de primaire omgeving neemt echter duidelijk toe. 360 meldingen over een minderjarige werden ontvangen via de chatbox ‘nupraatikerover.be’. Dat is een toename met 18,8% t.o.v. 2019.
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
7.16 Aantal meldingen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling naar meldende instantie 2017
2018
2019
2020
Primaire omgeving
11,3
12,0
12,0
12,6
waaronder moeder
3,9
4,0
3,5
3,2
Opvang, schoolse en buitenschoolse voorziening
26,3
26,5
25,9
25,3
waaronder CLB
18,7
19,0
17,8
18,1
Gezondheidszorg
23,0
23,5
25,1
25,2
waaronder Kind en Gezin
3,8
3,6
3,2
3,5
Welzijnsorganisaties
15,9
15,2
14,3
13,5
waaronder CAW
2,1
2,1
2,3
1,9
dienstverlening personen met beperking
3,3
1,3
1,1
0,9
ander VK
1,2
1,3
1,5
1,3
Jeugdhulp Opgroeien (ex-Jongerenwelzijn)
7,6
7,8
8,1
7,5
Hulplijn Geweld, Misbruik en Kindermishandeling (1712)
7,6
6,2
6,2
7,2
Politionele en justitiële instanties
6,9
7,8
7,4
7,9
waaronder parket
5,3
6,5
6,2
6,6
Ketenaanpak (1)
0,1
0,2
0,2
0,3
Onbekend
0,9
0,8
0,7
0,5
Niet ingevuld
0,4
0,1
0,1
0,1
100,0 (N=6 552)
100,0 (N=6 543)
100,0 (N=6 743)
100,0 (N=6 866)
Totaal
7.16 Aantal meldingen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling naar meldende instantie (percentage) Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling (1) Deze categorie werd vanaf 2017 toegevoegd en omvat een samenwerking tussen politie, justitie en hulpverlening waarbij het Family Justice Center vooralsnog als enige concrete meldende instantie onderscheiden wordt
152
153
7 Gezond en veilig ontwikkelen
4.4. Aantal unieke kinderen gemeld bij een VK volgens leeftijd In 2020 waren er 9311 verschillende minderjarige kinderen betrokken bij een VK-melding. Dat is 4,4% meer dan in 2019 (zie tabel 7.17) en 7,4% meer dan in 2018 (+642). 28,9% van de gemelde kinderen is onder de 6 jaar, 13,7% is onder de 3 jaar. De kinderen tussen 6 en 12 jaar vormen nog steeds de grootste groep van de gemelde kinderen (36%), maar het aantal kinderen tussen 12 en 18 jaar kent een opmerkelijke toename (+261).
4.5. Aantal meermaals gemelde kinderen en kinderen met een meldingshistoriek 94,1% van de 9311 unieke kinderen werd in 2020 slechts 1 keer gemeld. Een kleine minderheid (5,2%) werd 2 keer gemeld en 0,7% (63 kinderen) 3 of meer keer. Meerdere meldingen binnen hetzelfde jaar over hetzelfde kind zijn mogelijk wanneer het bv. gaat over verschillende melders die los van elkaar en op eigen initiatief informatie aanleveren over dat kind of als hetzelfde probleem zich opnieuw voordoet.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
7.17 Leeftijd van de gemelde kinderen bij de vertrouwenscentra kindermishandeling 2019
2020
Aantal
Aandeel
Aantal
Aandeel
65
0,7
87
0,9
Onder de 3 jaar
1 249
14,0
1 190
12,8
Tussen 3 en 6 jaar
1 366
15,3
1 417
15,2
Tussen 6 en 12 jaar
3 282
36,8
3 351
36,0
Tussen 12 en 8 jaar
2 685
30,1
2 946
31,6
Meerderjarig onder bewindvoering
5
0,1
5
0,1
268
3,0
315
3,4
8 920
100,0
9 311
100,0
Ongeboren
Onbekend Totaal
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Daarnaast blijkt dat 1067 van de 9311 kinderen (11,5%) minstens 1 keer gemeld werden bij een VK vóór 2020 en dus een meldingshistoriek hebben (cijfer niet opgenomen in tabel 7.18).
en het totale aantal minderjarigen in Vlaanderen leert ons dat er 65,4 op de 10 000 minderjarigen in het Vlaamse Gewest gemeld worden bij een VK (zie tabel 7.19).
4.6. Aantal gemelde kinderen per 10 000 minderjarigen
Het relatieve aantal gemelde kinderen verschilt naargelang de provincie. WestVlaanderen kent in 2020 het laagste aantal gemelde minderjarigen op de 10 000 minderjarigen. In de provincie Vlaams-Brabant ligt de verhouding het hoogst (75 op de 10 000 minderjarigen).
Van het totale aantal gemelde kinderen was het grootste deel (89,7%) in het Vlaamse Gewest gedomicilieerd. De verhouding tussen de gemelde kinderen die in het Vlaamse Gewest wonen
2019 Kind betrokken bij
2020
Aantal
Aandeel
Aantal
Aandeel
8 378
93,9
8 761
94,1
2 meldingen
467
5,2
487
5,2
3 meldingen
60
0,7
49
0,5
4 meldingen
13
0,1
13
0,1
5 meldingen
2
0,0
1
0,0
8 920
100,0
9 311
100,0
1 melding
Totaal
2017
2018
Vlaams-Brabant
67,8
Antwerpen
70,3
Limburg
65,4
65,3
66,1
62,4
Oost-Vlaanderen
52,7
47,6
54,5
59,8
West-Vlaanderen
60,5
63,2
60,0
54,5
Vlaams Gewest
63,5
62,2
63,3
65,4
2019
2020
68,5
64,7
75,3
67,7
70,0
71,0
7.19 Kindermishandeling: aantal gemelde minderjarigen per 10 000 kinderen onder de 18 jaar in het Vlaamse Gewest - per provincie Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling
7.18 A antal unieke kinderen gemeld bij de vertrouwenscentra kindermishandeling naar aantal (her)meldingen binnen hetzelfde jaar - 2019-2020 Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling
154
Die cijfers geven een belangrijke indicatie van een probleem, maar mogen niet als incidentiecijfers over (risico’s op) kindermishandeling geïnterpreteerd worden. Niet alle meldingen over de mishandeling of verwaarlozing van minderjarigen komen bij de VK’s terecht, van niet alle gemelde kinderen is de woonplaats gekend en niet alle gevallen van mishandeling of verwaarlozing worden gemeld.
7.19 Aantal gemelde minderjarigen per 10 000 per provincie
7.17 Aantal unieke kinderen gemeld bij de vertrouwenscentra kindermishandeling naar leeftijd - 2019-2020 Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling
7.18 Aantal meermaals gemelde kinderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
155
7 Gezond en veilig ontwikkelen
4.7. Geregistreerde problematieken Het principe is dat er bij elke melding steeds 1 probleemcategorie moet worden geregistreerd over elk betrokken kind. Dat registreert het VK als belangrijkste probleem. Wanneer de melder meerdere problemen aangeeft, maakt het VK onderscheid tussen het belangrijkste probleem en een bijkomend probleem (dat dus niet bij elke kindregistratie voorkomt). In tabel 7.20 geven we enkel een zicht op het belangrijkste gemelde probleem. Tabel 7.20 toont aan dat in 2020 het merendeel (78,8%) van de kinderen gemeld werd omdat er sprake was van (een vermoeden van) een concrete mishandeling of verwaarlozing (lichamelijk, emotioneel of seksueel misbruik) door een volwassene.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Daarbij worden meer kinderen gemeld voor een (vermoeden van een) concrete situatie van emotionele mishandeling of verwaarlozing (36,7%) dan voor (een vermoeden van) lichamelijke mishandeling of verwaarlozing (29,4%) of seksueel misbruik (12,7%). 1 op de 5 kinderen wordt gemeld voor een vermoeden van concrete lichamelijke mishandeling door een volwassene. Bij 9,5% van de gemelde kinderen gaat het om een risicosituatie. Bij 1% gaat het om een verwerkingsproblematiek. 4,4% van de gemelde kinderen werd (vermoedelijk) geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag door een andere minderjarige. In meer dan de helft van de gevallen met minderjarige plegers is seksueel misbruik de belangrijkste problematiek.
meer kinderen zijn gemeld voor een vermoeden van emotionele mishandeling of verwaarlozing, waardoor dat nu duidelijk de meest vermelde belangrijkste problematiek is (36,7%). Het aantal kinderen gemeld voor (een vermoeden van) seksueel misbruik is afgenomen (-78), net zoals het aantal meldingen door grensoverschrijdend gedrag door minderjarigen.
7 Gezond en veilig ontwikkelen
7.20 Belangrijkste gemelde problematiek kindermishandeling 2019 Meldingen over mishandeling of verwaarlozing
Aantal
%
Aantal
%
2 817
29,5
2 920
29,4
waarvan lichamelijke mishandeling
1 943
20,3
1 995
20,1
geïnduceerde gefalsificeerde aandoening
58
0,6
28
0,3
niet-accidenteel (intra)craniaal letsel
21
0,2
32
0,3
lichamelijke verwaarlozing
795
8,3
865
8,7
Emotionele mishandeling of verwaarlozing
3 198
33,5
3 649
36,7
waarvan emotionele mishandeling
1 287
13,5
1 457
14,7
getuige van geweld
980
10,3
1 127
11,3
emotionele verwaarlozing
931
9,7
1065
10,7
Seksueel misbruik
1 343
14,1
1 265
12,7
waarvan incest
620
6,5
558
5,6
extrafamiliaal seksueel misbruik
372
3,9
320
3,2
onbekend of het incest is
351
3,7
387
3,9
959
10,0
948
9,5
77
0,8
103
1,0
Onbekende/andere/onduidelijke problematiek
542
5,7
530
5,3
Meldingen grensoverschrijdend gedrag door minderjarigen
549
5,7
437
4,4
waarvan onbepaalde problematiek
137
1,4
163
1,6
lichamelijke mishandeling
72
0,8
33
0,3
Meldingen risicosituatie
emotionele mishandeling
9
0,1
10
0,1
seksueel misbruik - incest
165
1,7
116
1,2
seksueel misbruik - extrafamiliaal
166
1,7
115
1,2
69
0,7
87
0,9
9 554
100,0
9 939
100,0
Niet ingevuld Totaal
7.20 Overzicht van de belangrijkste gemelde problematiek op basis van kindregistraties - 2019-2020 Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling
156
2020
Lichamelijke mishandeling of verwaarlozing
Meldingen verwerkingsproblematiek
Ten opzichte van de voorgaande jaren zien we dat er in 2020 heel wat
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
157
7 Gezond en veilig ontwikkelen
In tabel 7.21 bekijken we per leeftijdscategorie van de gemelde kinderen welke problematiek het vaakst vermeld werd als belangrijkste problematiek. Hier worden de kinderen onder bewindvoering en de kinderen van wie de leeftijd onbekend is, niet meegeteld. Dat verklaart het verschil in de totaalsom tussen tabel 7.20 (9939) en tabel 7.21 (9528).
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Er doen zich wel enige verschillen voor naar de leeftijd van de kinderen. Bij de kinderen onder de 3 jaar scoren de risicosituaties en vermoedens van lichamelijke mishandeling of verwaarlozing als gemeld probleem opvallend hoger dan bij alle leeftijdsgroepen vanaf 3 jaar. Seksueel misbruik wordt vaker vermeld als probleem bij meldingen over kinderen
7 Gezond en veilig ontwikkelen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
tussen 6 en 12 jaar. Bij 40% van de gemelde kinderen tussen 12 en 18 jaar is emotionele mishandeling of verwaarlozing de belangrijkste problematiek, een sterke toename t.o.v. 2019.
7.21 Gemelde problematieken kindermishandeling naar leeftijdscategorie Kinderen onder de 3 jaar 2019
Kinderen van 3 tot 6 jaar
2020
2019
2020
Kinderen van 6 tot 12 jaar 2019
2020
Kinderen van 12 tot 18 jaar 2019
2020
Meldingen over mishandeling of verwaarlozing door volwassenen Lichamelijke mishandeling of verwaarlozing
34,8
37,0
30,4
30,4
31,0
25,5
25,1
29,9
Emotionele mishandeling of verwaarlozing
33,8
34,9
35,7
37,5
36,4
34,2
29,3
40,3
Seksueel misbruik en incest
3,4
3,2
14,3
15,1
13,0
17,8
20,8
11,1
Risicosituatie
23,0
19,5
10,2
9,4
7,7
6,3
5,3
7,8
Verwerkingsproblematiek
0,1
0,2
0,5
0,3
0,7
2,1
1,5
0,8
Onbekend
3,9
4,1
4,8
4,2
4,7
5,5
7,4
4,8
Meldingen over mishandeling/verwaarlozing/grensoverschrijdend gedrag minderjarigen Lichamelijke, emotionele mishandeling of grensoverschrijdend gedrag
0,3
0,3
1,3
0,9
2,3
3,6
3,8
2,1
Seksueel misbruik (al dan niet incest)
0,1
0,1
2,2
1,1
3,5
4,1
6,0
2,3
Niet ingevuld
0,5
0,8
0,6
1,2
0,8
0,9
0,7
0,8
100,0 (N=1 359)
100,0 (N=1 279)
100,0 (N=1 480)
100,0 (N=1 511)
Totaal
100,0 100,0 100,0 100,0 (N=3 525) (N=3 139) (N=2 846) (N=3 599)
7.21 Overzicht van de gemelde belangrijkste problematiek volgens leeftijdscategorie van de gemelde kinderen op basis van kindregistraties - 2019-2020 Bron: Opgroeien - registratie bij de vertrouwenscentra kindermishandeling
158
159
HOOFDSTUK 8
BASISGEGEVENS OVER GEZINNEN IN VLAANDEREN
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
gezinnen er zijn en hoe die concreet zijn samengesteld qua vorm en omvang. Informatie over de arbeidssituatie en de inkomenssituatie op gezinsniveau is bovendien essentieel om een gepast gezinsondersteunend beleid te voeren.
Uniek aan dit rapport is dat we alle cijfers presenteren op kindniveau. Enkel in dit hoofdstuk nemen we cijfers op met als teleenheid het gezin of de ouder(s) van (jonge) kinderen. Beleidsmatig is het immers noodzakelijk om te weten hoeveel
Dit hoofdstuk bevat de volgende tabellen: 8.1 Gezinnen naar leeftijd jongste kind..........................................................................................................................................................................163 8.2 Gezinnen naar aantal kinderen in het gezin.........................................................................................................................................................164 8.3 Gezinnen met enkel minderjarige kinderen naar gezinsvorm (tweeouder of alleenstaand)........................................................165 8.4 Eenoudergezinnen met oudste kind onder de 18 jaar naar aantal kinderen .......................................................................................165 8.5 Diversiteit qua leeftijden van kinderen in gezinnen met minstens 2 kinderen..................................................................................166 8.6 Kerncijfers over de gezinnen met een Groeipakket ..........................................................................................................................................168 8.7 Arbeidssituatie mannen en vrouwen naar gezinspositie...............................................................................................................................169 8.8 Arbeidsregime van werkende mannen en vrouwen naar gezinspositie ................................................................................................. 170 8.9 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar leeftijd jongste kind............................................................................................................ 171 8.10 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar omvang gezin en gezinsvorm ....................................................................................... 172 8.11 Arbeidsregime van werkende moeders naar leeftijd jongste kind .............................................................................................................174 8.12 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per provincie ............................................................................................................................... 175 8.13 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per gezinsvorm .......................................................................................................................... 176 8.14 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per aantal kinderen ..................................................................................................................177 8.15 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per leeftijd jongste kind........................................................................................................ 178 8.16 Gezinnen naar aandeel uitkeringen in bruto belastbaar inkomen per gezinsvorm......................................................................... 178 8.17 Gezinnen naar aandeel gezinsbijslagen in inkomen per gezinsvorm.......................................................................................................180
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
1. AANTAL GEZINNEN MET KINDEREN, NAAR VORM EN AANTAL KINDEREN In 2020 waren er in het Vlaamse Gewest in totaal meer dan 1 miljoen gezinnen met (inwonende) kinderen. Wanneer we
de gezinnen opdelen volgens de leeftijd van het jongste kind (zie tabel 8.1), stellen we vast dat er in 695 434 gezinnen (66%)
minstens 1 minderjarig kind aanwezig was en dat 48% van de gezinnen minstens 1 kind onder de 12 jaar telde.
8.1 Gezinnen naar leeftijd jongste kind
2016 2017 2018 2019 2020
Aantal
Jongste kind onder de 6 jaar
Jongste kind 6 tot 12 jaar
Jongste kind 12 tot 18 jaar
Jongste kind 18 tot 25 jaar
Jongste kind ouder dan 25 jaar
Totaal
297 401
201 859
187 210
204 226
160 003
1 050 699
%
28,3
19,2
17,8
19,4
15,2
100,0
Aantal
296 456
206 408
185 766
203 300
160 972
1 052 902
%
28,2
19,6
17,6
19,3
15,3
100,0
Aantal
294 183
210 211
185 732
201 126
162 201
1 053 453
%
27,9
20,0
17,6
19,1
15,4
100,0
Aantal
292 381
213 081
186 683
199 397
162 237
1 053 779
%
27,7
20,2
17,7
18,9
15,4
100,0
Aantal
291 162
214 980
189 292
197 847
160 784
1 054 065
%
27,6
20,4
18,0
18,8
15,3
100,0
8.1 Aantal en aandeel gezinnen met kinderen naar leeftijd jongste kind - Vlaams Gewest - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister - bewerkt door Statistiek Vlaanderen en door Opgroeien
BRONNEN EN TECHNISCHE BEMERKINGEN inkomens. Het gaat dus niet om vastgestelde inkomens die op het aanslagbiljet van de personenbelasting vermeld staan. We gebruiken dezelfde inkomensgegevens als in hoofdstuk 4, maar we bespreken ze op gezinsniveau (gezinnen met kinderen tot 25 jaar). Meer info over de bronnen en berekeningswijzen vind je in de Bijlage.
De cijfers over de omvang en vorm van de gezinnen steunen op officiële domiciliegegevens en vatten daardoor niet alle feitelijke gezinssamenstellingen. De cijfers over gezinnen met een Groeipakket komen uit het datawarehouse Groeipakket, dat anonieme gegevens bevat uit het dossiersysteem van de uitbetalingsactoren. De inkomensgegevens op het niveau van het gezin zijn door de KSZ geconstrueerde bruto belastbare
162
De diversiteit van die gezinnen uit zich sterk qua aantal kinderen in het gezin. Om over de gezinsomvang uitspraken te doen, maakt het wel uit welke kinderen meegeteld worden.
In tabel 8.2 hebben we daarom per jaar 2 cijfers opgenomen voor de gezinsomvang. We schetsen zowel de gezinsomvang van gezinnen met minstens 1 minderjarig kind (ongeacht
163
de leeftijd van de andere inwonende kinderen) als de omvang van gezinnen waarin alle kinderen minderjarig zijn.
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8.2 Gezinnen naar aantal kinderen in het gezin Gezinnen met enkel minderjarige kinderen (leeftijd oudste kind <18 jaar)
2019
2020
2019
2020
1 kind
31,4
31,3
37,4
37,3
2 kinderen
45,6
45,6
45,0
45,1
3 kinderen
16,6
16,5
13,5
13,4
4 kinderen of meer
6,5
6,6
4,2
4,2
100,0 (N=692 145)
100,0 (N=695 434)
100,0 (N=581 155)
100,0 (N=583 775)
Aantal kinderen in het gezin
8.2 Gezinnen met kinderen onder de 18 jaar naar aantal kinderen in het gezin (al dan niet beperkt tot minderjarigen) - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister - bewerkt door Statistiek Vlaanderen en door Opgroeien
45,1% van de gezinnen waar alle kinderen minderjarig zijn, heeft 2 (minderjarige) kinderen. 17,6% van die gezinnen heeft minstens 3 (minderjarige) kinderen. Wanneer we de omvang van het gezin berekenen door alle – ook meerderjarige – kinderen mee te tellen, dan bedraagt het aandeel ‘grote’ gezinnen zelfs 23,1%.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8.3 Gezinnen met enkel minderjarige kinderen naar gezinsvorm (tweeouder of alleenstaand)
Gezinnen met minstens 1 minderjarige (ongeacht de leeftijd andere kinderen)
Totaal
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Tabel 8.3 schetst een beeld van de gezinsvorm van gezinnen waar alle kinderen minderjarig zijn. 16,6% van die gezinnen is een eenoudergezin. Het gaat vooral (13,6%) om alleenstaande moeders. Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het aandeel eenoudergezinnen toeneemt met de leeftijd van het jongste kind. 8% van de gezinnen met een kind onder de 3 jaar vormt een eenoudergezin. Wanneer we de gezinnen bekijken met een jongste
164
kind tussen 6 en 12 jaar gaat het om 19,4%. Bij gezinnen met een jongste kind tussen 12 en 18 jaar loopt het aandeel eenoudergezinnen zelfs op tot 27,6%. Ruim de helft van de eenoudergezinnen waar alle kinderen minderjarig zijn, heeft slechts 1 kind, 12,2% heeft minstens 3 kinderen (zie tabel 8.4).
2018
2019
2020
Tweeoudergezinnen
83,7
83,5
83,4
Alleenstaande moeders
13,5
13,5
13,6
Alleenstaande vaders
2,8
2,9
3,0
100,0 (N=580 045)
100,0 (N=581 155)
100,0 (N=583 775)
2018
2019
2020
Alleenstaande ouder met 1 kind
54,2
53,8
53,5
Alleenstaande ouder met 2 kinderen
34,0
34,0
34,3
Alleenstaande ouder met 3 kinderen
9,0
9,2
9,2
Alleenstaande ouder met 4 of meer kinderen
2,8
2,9
3,0
100,0 (N= 94 681)
100,0 (N= 95 737)
100,0 (N=96 944)
Totaal
8.3 Gezinnen met enkel minderjarige kinderen naar gezinsvorm - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister - bewerkt door Statistiek Vlaanderen en door Opgroeien
8.4 Eenoudergezinnen met oudste kind onder de 18 jaar naar aantal kinderen
Totaal
8.4 Aantal eenoudergezinnen met oudste kind onder de 18 jaar naar aantal kinderen - Vlaams Gewest - situatie op 1 januari Bron: Gegevens uit het Rijksregister - bewerkt door Statistiek Vlaanderen en door Opgroeien
165
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Om na te gaan in welke mate gezinnen moeten omgaan met verschillende opvang-, opvoedings- en ontwikkelingsnoden van kinderen van uiteenlopende leeftijden, stellen we in tabel 8.5 de gezinnen met minstens 2 kinderen voor, volgens de leeftijd van het jongste en van het oudste kind. 35,2% van de meerkindgezinnen met minstens 1 kind onder de 6 jaar heeft nog 1 of meerdere andere kinderen van
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Uit niet-opgenomen cijfers blijkt dat 12,4% van de meerkindgezinnen met een (jongste) kind onder de 3 jaar, ook nog (minstens) een ander kind onder de 3 jaar heeft.
die leeftijd. 46,9% van die gezinnen heeft zowel kinderen onder de 6 jaar als kinderen op lagereschoolleeftijd. Bijna de helft van de meerkindgezinnen (48,9%) met een jongste kind op lagereschoolleeftijd heeft ook 1 of meer kinderen van 12 tot 18 jaar. Meer dan de helft (55,7%) van de meerkindgezinnen met een jongste kind op middelbareschoolleeftijd heeft een oudste kind tussen 18 en 25 jaar.
8.5 Diversiteit qua leeftijden van kinderen in gezinnen met minstens 2 kinderen Leeftijd jongste kind Onder de 6 jaar
Tussen 6 en 12 jaar
Tussen 12 en 18 jaar
Onder de 6 jaar
35,2
n.v.t.
n.v.t.
Tussen 6 en 12 jaar
46,9
36,2
n.v.t.
Tussen 12 en 18 jaar
13,4
48,9
38,8
Tussen 18 en 25 jaar
4,0
13,4
55,7
Ouder dan 25 jaar
0,5
1,5
5,5
100,0 (N=188 517)
100,0 (N=159 773)
100,0 (N=129 587)
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2. GEGEVENS OVER HET GROEIPAKKET OP GEZINSNIVEAU Op basis van het datawarehouse Groeipakket beschikt Opgroeien over gegevens over de bijna 900 000 gezinnen in Vlaanderen die – sinds de invoering op 1 januari 2019 – een Groeipakket ontvangen. Het gaat daarbij zowel om gezinnen die sindsdien al recht hebben gekregen op het nieuwe uniforme basisbedrag voor minstens 1 kind als om gezinnen die op dat moment al kinderen hadden en hun recht op de voormalige (ranggebonden) basisbedragen en leeftijdsbijslagen hebben gehouden (kinderen met transitiebedragen).
Tabel 8.6 vat de meest relevante cijfers op gezinsniveau samen. 43,3% van de gezinnen met een Groeipakket heeft 1 rechtgevend kind, 16,3% heeft minstens 3 kinderen met een Groeipakket. Het aandeel gezinnen dat enkel kinderen met transitiebedragen telt, is op een jaar tijd sterk afgenomen. Niet alleen door een toename van het aantal gezinnen dat volledig onder het nieuwe Groeipakket valt (9,5%), maar ook door een verdubbeling van het aantal gezinnen dat zowel kinderen met transitiebedragen als kinderen met nieuwe bedragen telt (6,3%).
Leeftijd oudste kind
Totaal
8.5 Verdeling gezinnen met minstens 2 kinderen naar leeftijdsklasse van het jongste en oudste kind - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 1 januari 2020 Bron: Gegevens uit het Rijksregister - bewerkt door Statistiek Vlaanderen en door Opgroeien n.v.t.: niet van toepassing
166
167
Meer dan 1 op de 5 gezinnen (22%) ontvangt sociale toeslagen. Dat aandeel is licht gestegen in 2020. 3,9% van de gezinnen ontvangt voor minstens 1 kind een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte. 1,6% van de gezinnen ontvangt een toeslag omdat een of beide ouders overleden zijn. 4123 gezinnen (0,5%) van de gezinnen ontvangen een pleegzorgtoeslag.
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
2019
2020
Aantal gezinnen
%
Aantal gezinnen
%
1 kind
382 325
43,0
390 040
43,3
2 kinderen
358 734
40,4
362 689
40,3
3 kinderen
110 554
12,4
110 014
12,2
4 kinderen of meer
37 205
4,2
36 749
4,1
Totaal
888 818
100,0
899 492
100,0
Naar aantal rechtgevende kinderen
Per type gezin Gezin met enkel kinderen met transitiebedragen
815 686
91,8
757 083
84,2
Gezin met enkel kinderen met nieuwe bedragen
45 072
5,1
85 812
9,5
Combinatiegezin
27 698
3,1
56 288
6,3
362
0,0
309
0,0
888 818
100,0
899 492
100,0
Totaal Met een sociale toeslag Met inkomen onder laagste inkomensgrens Met inkomen tussen laagste en hoogste inkomensgrens
181 801
20,5
186 039
20,7
5 797
0,7
11 758
1,3
187 598
21,1
197 797
22,0
Specifieke ondersteuningsbehoefte
34 455
3,9
35 360
3,9
Wezen
13 591
1,5
13 987
1,6
Pleegzorg
3 076
0,4
4 123
0,5
Totaal
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
3. WERKSITUATIE VAN OUDERS MET KINDEREN
8.6 Kerncijfers over de gezinnen met een Groeipakket
Gezin met enkel kinderen in bilaterale overeenkomst
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Zorgtoeslagen
8.6 Kerncijfers over gezinnen met recht op een Groeipakket - situatie op 31 december Bron: Opgroeien
168
Vaders zijn meer aan het werk dan moeders en vooral moeders werken deeltijds. Alleenstaande moeders zijn veel minder beroepsactief
3.1. Impact van kinderen op de werksituatie van mannen en vrouwen Tabel 8.7 gaat na of het hebben van kinderen zichtbaar is in de arbeidsparticipatie van mannen en vrouwen tussen 26 en 45 jaar. De cijfers geven aan dat er zeker geen eenduidig effect is van het hebben van kinderen op de werksituatie van mannen en vrouwen. Mannen tussen 26 en 45 jaar die een gezin hebben, zijn zelfs meer aan het werk dan mannen zonder kinderen. Bij vrouwen doet zich de omgekeerde situatie voor, al is het verschil minder uitgesproken. Vrouwen tussen 26 en 45 jaar zonder kinderen zijn iets meer aan het werk dan vrouwen met kinderen (85,5% t.o.v. 81,6%). Een gezin hebben lijkt dus een impact te hebben op de werksituatie van vrouwen, al kunnen ook andere factoren dat verschil verklaren.
8.7 Arbeidssituatie mannen en vrouwen naar gezinspositie Gezinspositie Samenwonend/ alleenstaand met kinderen
Samenwonend/ alleenstaand zonder kinderen
Totaal (1)
92,9
84,6
86,7
Werkzoekend
1,7
3,6
2,6
Niet-beroepsactief
2,3
5,9
4,6
Andere
3,1
5,9
6,0
100,0 (N=409 050)
100,0 (N=271 565)
100,0 (N=829 885)
Mannen Werkend
(2)
Totaal Vrouwen Werkend
81,6
85,5
81,6
Werkzoekend
2,6
2,3
2,6
Niet-beroepsactief
5,8
5,0
6,1
Andere
(2)
Totaal
9,9
7,2
9,8
100,0 (N=542 005)
100,0 (N=197 620)
100,0 (N=817 209)
8.7 Arbeidssituatie van mannen en vrouwen 26-45 jaar naar gezinspositie - Vlaams Gewest (percentage) situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid bewerkt door Opgroeien (1) De totalen omvatten ook gegevens over mannen/vrouwen die zelf nog geen gezin vormen (bv. omdat ze nog bij hun ouders wonen of met vrienden samenwonen) (2) De categorie ‘andere’ omvat zowel werkenden die niet aangesloten zijn bij de Belgische sociale zekerheid als mensen die niet werken (bv. huisvrouwen/huismannen, geschorste werkzoekenden, studenten …)
169
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
In tabel 8.8 vergelijken we het arbeidsregime van werkende mannen en vrouwen tussen 26 en 45 jaar naargelang hun gezinspositie. Kinderen hebben blijkbaar weinig impact op het arbeidsregime van mannen. Mannen tussen 26 en 45 jaar met kinderen werken slechts iets vaker deeltijds dan mannen zonder kinderen. We zien dat vrouwen meer deeltijds werken dan mannen, maar daarbovenop stellen we een verschil vast naargelang er kinderen zijn of niet. Van alle werkende vrouwen zonder kinderen werkt 26,3% deeltijds, van de vrouwen met kinderen werkt meer dan de helft deeltijds (53,1%). Ruim 1 op de 5 werkende moeders (21,9%) tussen 26 en 45 jaar werkt minder dan 75%. Moeders werken duidelijk veel vaker deeltijds dan vaders.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8.8 Arbeidsregime van werkende mannen en vrouwen naar gezinspositie (1) Gezinspositie Samenwonend/ alleenstaand met kinderen
Samenwonend/ alleenstaand zonder kinderen
Totaal (2)
0-25%
0,6
0,6
0,6
25-50%
1,1
1,2
1,2
50-75%
1,1
1,6
1,4
75-100%
8,0
6,0
7,3
>100%
2,3
3,3
3,0
Onbekend (3)
86,9
87,3
86,6
100,0 (N=375 766)
100,0 (N=227 389)
100,0 (N=711 943)
0,5
0,8
0,6
Mannen
Totaal Vrouwen 0-25% 25-50%
8,6
3,2
6,9
50-75%
12,8
6,2
10,8
75-100%
31,2
16,2
26,2
>100%
2,4
3,9
2,9
Onbekend (3)
44,6
69,8
52,5
100,0 (N=438 469)
100,0 (N=167 289)
100,0 (N=664 268)
Totaal
8.8 Arbeidsregime en tewerkstellingsbreuk van werkende mannen en vrouwen tussen 26-45 jaar naar gezinspositie - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Grensarbeiders werden uit deze analyse gelaten, omdat van hen geen gegevens over het arbeidsregime gekend zijn (2) De totalen omvatten ook gegevens over mannen/vrouwen die zelf nog geen gezin vormen (bv. omdat ze nog bij hun ouders wonen of met vrienden samenwonen) (3) Het arbeidsregime is uitgedrukt in tewerkstellingsbreuken. Wanneer het arbeidsregime onbekend is, wil dat zeggen dat de man/vrouw voltijds werkt of zelfstandige is, waardoor er geen tewerkstellingsbreuk kan worden berekend
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
3.2. Vergelijking van de werksituatie van vaders en moeders In tabel 8.7 stelden we al vast dat de arbeidsparticipatie van vaders tussen 26 en 45 jaar hoger ligt dan die van moeders van die leeftijd. Tabel 8.9 gaat na of dat verschil zich voor alle moeders en vaders (tussen 18 en 65 jaar) voordoet en bekijkt of de arbeidsparticipatie varieert naar de leeftijd van het enige of jongste kind. De cijfers zijn berekend over alle gezinstypes heen.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Uit tabel 8.9 blijkt duidelijk dat vaders vaker aan het werk zijn dan moeders. 83,7% van de vaders werkt, terwijl dat aandeel bij vrouwen met kinderen duidelijk lager, maar toch nog op een hoog niveau ligt (74,5%). Dat betekent niet alleen dat moeders meer werkzoekend of meer niet-beroepsactief zijn, maar vooral dat ze meer een ‘andere’ arbeidssituatie hebben (bv. huisvrouw of student). De werksituatie van de ouders verschilt naargelang de leeftijd van het jongste of enige kind. Bij moeders zien we een
toenemende arbeidsparticipatie tot het jongste kind 6 tot 12 jaar is, waarna de arbeidsparticipatie terugvalt tot 69,5%. Bij vaders zien we een aanhoudende dalende trend naarmate het jongste kind ouder wordt. Opvallend is dat 1 op de 5 vaders en moeders met een (jongste) kind tussen 12 en 18 jaar niet (meer) beroepsactief is. Dat is deels ook logisch, aangezien meer en meer ouders niet-beroepsactief worden naarmate de kinderen ouder worden, bv. doordat ze met pensioen of arbeidsongeschikt zijn.
8.9 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar leeftijd jongste kind Enige kind of jongste kind Onder de 3 jaar
3 tot 6 jaar
6 tot 12 jaar
12 tot 18 jaar
Totaal
Werkend
89,6
88,7
86,1
74,0
83,7
Werkzoekend
2,4
2,2
1,9
1,7
2,0
Niet-beroepsactief
3,6
5,0
8,0
20,1
10,1
Andere (1)
4,4
4,1
4,0
4,2
4,2
100,0 (N=160 725)
100,0 (N=113 998)
100,0 (N=197 762)
100,0 (N=205 616)
100,0 (N=678 101)
Werkend
73,0
77,8
79,0
69,5
74,5
Werkzoekend
3,4
2,9
2,3
1,8
2,5
Vaders
Totaal Moeders
Niet-beroepsactief
8,7
7,3
9,9
21,1
12,6
Andere (1)
14,9
12,1
8,9
7,6
10,4
100,0 (N=172 379)
100,0 (N=126 707)
100,0 (N=224 496)
100,0 (N=229 069)
100,0 (N=752 651)
Totaal
8.9 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar leeftijd van het enige/jongste kind - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) De categorie ‘andere’ omvat zowel werkenden die niet aangesloten zijn bij de Belgische sociale zekerheid als mensen die niet werken (bv. huisvrouwen/huismannen, geschorste werkzoekenden, studenten …)
170
171
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Tabel 8.10 vergelijkt de werksituatie van vaders en moeders naargelang het aantal kinderen in het gezin. Als we de cijfers voor alle gezinnen bekijken, dan zien we dat het aandeel werkende vaders ook bij grote gezinnen hoog blijft en pas aanzienlijk lager ligt in gezinnen met 5 of meer kinderen. Bij moeders met 4 en 5 kinderen zien we
dat de arbeidsparticipatie heel wat lager ligt dan bij moeders met 3 kinderen. Hoewel we die cijfers niet zomaar mogen beschouwen als een effect van die gezinsomvang, zijn ze toch opvallend en relevant.
werken, zijn vooral niet-beroepsactief. Samenwonende moeders die niet werken horen vooral tot de categorie ‘andere’ en nemen vermoedelijk vooral de positie huisvrouw in.
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
8.10 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar omvang gezin en gezinsvorm (vervolg) Aantal kinderen in het gezin 1 kind
2 kinderen
3 kinderen
4 kinderen
5 kinderen of meer
87,4
92,9
90,0
82,9
72,6
1,7
1,4
2,3
4,9
8,1
Niet-beroepsactief
7,6
3,0
4,1
7,3
12,4
Andere (1)
3,2
2,8
3,6
4,8
6,9
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
79,0
85,3
75,8
57,8
38,8
2,1
1,6
2,3
3,4
3,8
Tweeoudergezinnen Vaders Werkend
We zien daarnaast nog een opvallend verschil naargelang de gezinsvorm. Alleenstaande moeders die niet
Werkzoekend
Totaal Moeders
8.10 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar omvang gezin en gezinsvorm
Werkend Werkzoekend
Aantal kinderen in het gezin
Niet-beroepsactief
7,3
3,9
5,3
7,9
9,7
Andere (1)
11,6
9,2
16,6
30,9
47,8
Totaal
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
8,2
Eenoudergezinnen
1 kind
2 kinderen
3 kinderen
4 kinderen
5 kinderen of meer
12,5
Vaders Werkend
79,0
85,8
83,0
76,0
67,1
Werkzoekend
4,6
3,4
4,8
7,5
11,0
1 kind
2 kinderen
3 kinderen
4 kinderen
5 kinderen of meer
Werkend
86,8
92,6
89,8
82,8
72,5
Werkzoekend
2,0
1,4
2,4
5,0
Niet-beroepsactief
8,0
3,1
4,2
7,4
Alle gezinnen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Vaders
3,2
2,8
3,6
4,8
6,9
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Niet-beroepsactief
13,4
8,3
8,6
11,7
17,7
Werkend
77,7
84,3
75,0
57,7
38,9
Andere (1)
2,9
2,6
3,5
4,8
4,3
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
73,1
77,7
68,9
57,3
40,3
Andere
(1)
Totaal Moeders Werkzoekend
2,8
2,1
2,8
4,1
4,6
Totaal
Niet-beroepsactief
9,8
5,1
7,2
10,6
13,3
Moeders
Andere (1)
9,8
8,4
15,0
27,6
43,1
Werkend
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
Totaal Vervolg zie pagina 173
Werkzoekend
5,0
5,0
6,8
8,8
11,1
Niet-beroepsactief
18,8
14,4
20,5
29,7
42,0
Andere (1) Totaal
3,1
2,9
3,8
4,2
6,6
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
8.10 Arbeidssituatie van vaders en moeders naar aantal kinderen in het gezin per gezinsvorm - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) De categorie ‘andere’ omvat zowel werkenden die niet aangesloten zijn bij de Belgische sociale zekerheid als mensen die niet werken (bv. huisvrouwen/huismannen, geschorste werkzoekenden, studenten …)
172
173
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
4. INKOMENSSITUATIE GEZINNEN
Het percentage deeltijds werkende moeders varieert naargelang de leeftijd van het (jongste) kind en ligt lager wanneer het jongste kind onder de 3 jaar is. Vooral het aandeel moeders dat 50 tot 75% werkt, neemt toe naarmate het jongste kind ouder is.
Uit tabel 8.8 leerden we dat moeders tussen 26 en 45 jaar veel vaker deeltijds werken dan vaders. In tabel 8.11 schetsen we meer details over het arbeidsregime van alle werkende moeders (ongeacht hun leeftijd).
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Tabel 8.12 geeft aan dat in het Vlaamse Gewest 60% van de gezinnen een bruto belastbaar jaarinkomen heeft uit arbeid en uitkeringen van minstens 50 000 euro, bij 8,5% ligt dat inkomen lager dan 20 000 euro. In Vlaams-Brabant is het aandeel gezinnen in de hoogste
De cijfers zijn misschien iets vertekend doordat bepaalde provincies mogelijk meer gezinnen kennen waarvan het inkomen niet (volledig) gekend is door de KSZ, bv. omdat ze in het buitenland of voor een supranationale instantie werken.
inkomensklasse opmerkelijk hoger dan in de andere provincies. Antwerpen en Limburg zijn de provincies waar het hoogste aandeel gezinnen woont met een inkomen onder 30 000 euro (respectievelijk 20,3% en 19,3%).
8.11 Arbeidsregime van werkende moeders naar leeftijd jongste kind Leeftijd enige of jongste kind 0 tot 3 jaar
3 tot 6 jaar
6 tot 12 jaar
12 tot 18 jaar
Totaal
0-25%
0,5
0,6
0,6
0,6
0,6
25-50%
8,3
9,4
9,1
8,8
8,9
8.12 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per provincie
Antwerpen
Limburg
OostVlaanderen
VlaamsBrabant
WestVlaanderen
Vlaams Gewest
2,3
1,1
1,5
1,1
1,6
50-75%
10,7
13,2
13,8
14,4
13,1
75-100%
30,6
33,2
31,7
26,9
30,4
<10 000
1,9
>100% Onbekend Totaal
(1)
2,4
2,4
2,3
2,3
2,3
10 000-<20 000
8,6
7,8
6,3
5,8
5,7
6,9
47,6
41,2
42,4
47,0
44,7
20 000-<30 000
9,8
9,3
8,3
7,7
8,1
8,7
100,0 (N=122 390)
100,0 (N=95 780)
100,0 (N=170 796)
100,0 (N=147 242)
100,0 (N=536 208)
30 000-<40 000
10,5
11,1
9,8
9,1
9,5
10,0
40 000-<50 000
11,3
12,8
11,4
10,4
12,1
11,5
8.11 Arbeidsregime van werkende moeders naar leeftijd van het enige/jongste kind - Vlaams Gewest (percentage) - situatie op 31 december 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Het arbeidsregime is uitgedrukt in tewerkstellingsbreuken. Wanneer het arbeidsregime onbekend is, wil dat zeggen dat de persoon voltijds werkt of zelfstandige is, waardoor er geen tewerkstellingsbreuk kan worden berekend
50 000-<55 000
5,9
6,7
6,5
5,6
7,3
6,3
55 000-<65 000
11,5
12,8
12,8
11,2
15,2
12,6
65 000-<80 000
14,4
14,7
16,1
14,9
17,3
15,4
>=80 000
24,6
20,2
27,1
31,9
23,2
25,7
Onbekend
1,4
2,4
0,5
2,0
0,6
1,3
100,0 (N=261 449)
100,0 (N=122 777)
100,0 (N=217 678)
100,0 (N=169 118)
100,0 (N=163 733)
100,0 (N=934 755)
Totaal
8.12 Gezinnen met kinderen (tot 25 jaar) naar hoogte van hun bruto belastbaar inkomen (volgens KSZ) - in euro - Vlaams Gewest en provincies (percentage) - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
174
175
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
46,3% van de eenoudergezinnen heeft een bruto belastbaar inkomen van hoogstens 30 000 euro, bij tweeoudergezinnen bedraagt dat aandeel 10,3% (zie tabel 8.13). Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat eenoudergezinnen 54,6% van de gezinnen vormen met een inkomen van hoogstens 20 000 euro. Het verschil is uiteraard logisch omdat de meeste tweeoudergezinnen leven van 2 inkomens of een inkomen en een uitkering combineren en omdat alleenstaande ouders een minder intense arbeidsparticipatie kennen. Toch zijn de cijfers opmerkelijk. Dat ook heel wat tweeoudergezinnen een laag bruto belastbaar inkomen hebben, is echter even opmerkelijk.
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8.13 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per gezinsvorm 2017 (1) Totaal
2018 Tweeoudergezin met kinderen
Eenoudergezin met kinderen
Totaal (2)
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Tabel 8.14 geeft de verdeling van de gezinnen volgens hun bruto belastbaar inkomen naar het aantal kinderen in het gezin weer. Gezinnen met 2 kinderen hebben de beste inkomenspositie. Het aandeel gezinnen met een beperkt inkomen ligt er het laagst en het aandeel
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
bruto belastbaar inkomen lager dan 30 000 euro. Bij gezinnen met 1 kind bedraagt dat aandeel 18%.
gezinnen met een inkomen boven de 55 000 euro ligt er het hoogst. Gezinnen met minstens 4 kinderen hebben vaker een lager bruto belastbaar inkomen. 37,4% van de gezinnen met 5 of meer kinderen heeft zelfs een
<10 000
1,7
1,2
3,1
1,6
10 000-<20 000
7,3
3,5
21,8
6,9
20 000-<30 000
9,2
5,6
21,4
8,7
20 000-<25 000
4,3
2,4
11,0
4,0
25 000-<30 000
4,9
3,3
10,4
4,7
10,4
7,9
18,0
10,0
5,1
3,7
9,6
4,9
<10 000
1,5
1,4
1,9
2,5
3,1
1,6
10 000-<20 000
7,2
5,5
8,2
12,3
16,8
6,9
30 000-<40 000 30 000-<35 000 35 000-<40 000 40 000-<50 000
8.14 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per aantal kinderen Gezinnen met 1 kind
Gezinnen met 2 kinderen
Gezinnen met 3 kinderen
Gezinnen met 4 kinderen
Gezinnen met 5 of meer kinderen
Totaal
5,3
4,2
8,4
5,1
12,0
10,8
12,9
11,5
20 000-<30 000
9,3
7,1
9,5
13,7
17,5
8,7
10,5
8,6
10,7
14,8
16,5
10,0
12,1
10,7
11,6
13,5
13,6
11,5
40 000-<45 000
5,8
5,0
7,1
5,5
30 000-<40 000
45 000-<50 000
6,2
5,8
5,8
6,0
40 000-<50 000
6,6
6,5
4,4
6,3
50 000-<55 000
6,9
6,2
5,7
5,6
5,1
6,3
13,6
12,7
10,5
9,1
8,1
12,6
50 000-<55 000 55 000-<65 000
12,7
13,8
6,3
12,6
55 000-<65 000
65 000-<80 000
15,0
18,1
5,1
15,4
65 000-<80 000
15,1
17,1
13,5
9,6
7,4
15,4
22,5
29,4
27,1
17,5
10,5
25,7
1,3
1,3
1,3
1,3
1,4
1,3
100,0 (N=369 546)
100,0 (N=391 538)
100,0 (N=126 727)
100,0 (N=33 827)
100,0 (N=13 117)
100,0 (N=934 755)
>=80 000
23,9
31,4
5,1
25,7
>=80 000
Onbekend
1,3
1,1
1,9
1,3
Onbekend
100,0 (N=935 959)
100,0 (N=730 155)
100,0 (N=174 758)
100,0 (N=934 755)
Totaal
8.13 Gezinnen met kinderen (tot 25 jaar) naar hoogte van hun bruto belastbaar inkomen (volgens KSZ) - in euro Vlaams Gewest (percentage) - 2017-2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) D e cijfers voor het jaar 2017 wijken af van de cijfers gepubliceerd in de vorige editie van Het kind in Vlaanderen omdat de inkomensnotie van de KSZ niet volledig bleek te zijn op het moment van publicatie in 2020 (2) Inclusief andere huishoudvormen met samenwonende volwassenen waar ook kinderen aanwezig zijn
176
Totaal
8.14 Gezinnen naar hoogte van hun bruto belastbaar inkomen (volgens KSZ) per aantal kinderen (tot 25 jaar) - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien
177
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
dat vooral het aandeel gezinnen met een inkomen van minstens 80 000 euro toeneemt met de leeftijd van het jongste kind. Het aandeel gezinnen met een
Tabel 8.15 geeft de verdeling van de gezinnen volgens hun bruto belastbaar inkomen naar leeftijd van het jongste kind weer. Uit die cijfers maken we op
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
inkomen kleiner dan 30 000 euro neemt slechts beperkt af met de leeftijd van het jongste kind.
In tabel 8.16 geven we de gezinnen weer naar het aandeel van uitkeringen en vervangingsinkomsten in het totale gezinsinkomen uit arbeid en sociale uitkeringen. Het inkomen uit gezinsbijslagen werd hierbij buiten beschouwing gelaten.
8.15 Gezinnen naar bruto belastbaar inkomen per leeftijd jongste kind Kinderen onder de 6 jaar
Kinderen van 6 tot 12 jaar
Kinderen van 12 tot 18 jaar
Totaal (1)
<10 000
1,8
1,5
1,7
1,6
10 000-<20 000
8,6
8,0
7,1
6,9
20 000-<30 000
9,3
9,2
9,2
8,7
30 000-<40 000
10,7
10,1
9,8
10,0
40 000-<50 000
12,6
11,3
10,7
11,5
50 000-<55 000
7,3
6,1
5,4
6,3
55 000-<65 000
14,8
12,1
10,8
12,6
65 000-<80 000
16,5
16,0
14,6
15,4
>=80 000
16,7
24,1
29,4
25,7
Onbekend
1,6
1,6
1,2
1,3
100,0 (N=290 909)
100,0 (N=213 044)
100,0 (N=186 616)
100,0 (N=934 755)
Totaal
8.15 Gezinnen naar hoogte van hun bruto belastbaar inkomen (volgens KSZ) - in euro per leeftijdsklasse jongste kind - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Alle gezinnen met kinderen tot 25 jaar
178
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
9,7% van de gezinnen heeft een bruto belastbaar inkomen dat voor minstens de helft uit uitkeringen bestaat. Bij eenoudergezinnen komt het vaker voor dat het inkomen meer uit uitkeringen dan uit beroepsinkomsten bestaat (24,8% versus 6,1%).
4 op de 10 gezinnen (41,4%) in Vlaanderen hebben een inkomen dat volledig afkomstig is uit beroepsinkomsten.
minstens gedeeltelijk uit leefloon bestaat. Bij eenoudergezinnen ligt het aandeel hoger dan bij tweeoudergezinnen (7,6% versus 1,5%). Bij 1,1% van alle gezinnen in Vlaanderen vormt het leefloon het grootste deel van het bruto belastbaar inkomen.
Uit niet-opgenomen cijfers weten we dat het inkomen van 2,7% van de gezinnen
8.16 Gezinnen naar aandeel uitkeringen in bruto belastbaar inkomen per gezinsvorm 0%
0-10%
10-25%
25-50%
50-75%
75-100%
Onbekend
Totaal
Eenoudergezin met kinderen
41,4
14,7
7,5
9,8
6,3
18,5
1,9
100,0 (N=174 758)
Tweeoudergezin met kinderen
41,2
31,9
12,3
7,4
2,6
3,5
1,1
100,0 (N=730 155)
Alle gezinnen (1)
41,4
28,6
11,3
7,8
3,3
6,4
1,3
100,0 (N=934 755)
8.16 Gezinnen met kinderen (tot 25 jaar) naar aandeel van uitkeringen/vervangingsinkomsten in het totale bruto belastbaar inkomen (volgens KSZ) - Vlaams Gewest (percentage) - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) Inclusief andere huishoudvormen met samenwonende volwassenen waar ook kinderen aanwezig zijn
179
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Tabel 8.17 geeft (per gezinstype) de verdeling van de gezinnen weer naargelang het aandeel van de gezinsbijslagen in het inkomen. In die tabel bevat het inkomen dus ook de gezinsbijslagen, zoals geraamd door de KSZ. De cijfers gaan over het jaar 2018, de regeling van het Groeipakket was toen nog niet ingevoerd. De cijfers reflecteren dus nog de situatie van de voormalige federale gezinsbijslagenregeling. Voor meer dan de helft (54,7%) van de gezinnen maken de gezinsbijslagen hoogstens 5% uit van het inkomen. Bij 5,4% van de gezinnen bestaat het inkomen voor minstens 25% uit gezinsbijslagen. Bij 1,1% van de gezinnen liggen de inkomsten uit gezinsbijslagen hoger dan die uit beroepsinkomsten of (andere) uitkeringen. Voor eenoudergezinnen zijn de gezinsbijslagen duidelijk een belangrijkere bron van inkomsten dan voor tweeoudergezinnen. Bij 42% van de eenoudergezinnen bedraagt het aandeel van de gezinsbijslagen meer dan 10% van het totale inkomen. Bij tweeoudergezinnen is dat 17,3%. Het feit dat het inkomen van alleenstaande ouders veelal lager ligt dan dat van
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8 B asisgegevens over gezinnen in vlaanderen
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
8.17 Gezinnen naar aandeel gezinsbijslagen in inkomen per gezinsvorm Tweeoudergezin met kinderen
Eenoudergezin met kinderen
0-5%
57,1
37,9
54,7
5-10%
24,8
18,9
23,0
10-15%
7,6
15,4
8,9
15-25%
5,7
14,4
7,2
25-50%
3,0
10,0
4,3
Totaal (1)
50-100%
0,6
1,5
0,7
100%
0,3
0,8
0,4
Onbekend Totaal
0,8
1,1
0,9
100,0 (N=730 155)
100,0 (N=174 758)
100,0 (N=934 755)
8.17 Gezinnen met kinderen (tot 25 jaar) naar verhouding van gezinsbijslagen t.o.v. inkomen (het bruto belastbaar inkomen volgens KSZ + gezinsbijslagen) - Vlaams Gewest (percentage) - 2018 Bron: Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid - bewerkt door Opgroeien (1) I nclusief andere huishoudvormen met samenwonende volwassenen waar ook kinderen die recht geven op gezinsbijslagen aanwezig zijn
tweeoudergezinnen en het feit dat in 2018 alleenstaande ouders met een beperkt inkomen recht hadden op een sociale toeslag (en werkende tweeoudergezinnen met een beperkt inkomen niet) kan het verschil grotendeels verklaren. Door de invoering van het Groeipakket in 2019 krijgen alle gezinnen met een beperkt inkomen een sociale toeslag.
180
Bij die cijfers mag niet vergeten worden dat het aandeel gezinnen waarbij de gezinsbijslagen een aanzienlijk deel van het inkomen vormen wellicht iets overschat is omdat het inkomensbegrip van de KSZ enkel de door haar gekende inkomsten uit arbeid en uitkeringen meetelt.
181
BIJLAGE
INFO OVER DE BRONNEN EN BEREKENINGSWIJZEN
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
BIJLAGE
HOOFDSTUK 1
We geven per hoofdstuk een overzicht van de bronnen en de gegevens die we gebruiken. We lichten de berekeningswijze toe waar dat zinvol is. Voor gegevens van Opgroeien geven we aan wat de kwaliteit van de data is. Voor publiek toegankelijke data geven we mee waar die te vinden zijn.
Kind en Gezin • Aantal geboorten zoals geregistreerd door de lokale teams van Kind en Gezin • Gegevens over de kenmerken van borelingen zoals geregistreerd door de lokale teams van Kind en Gezin • Vruchtbaarheidscijfers die Opgroeien zelf berekent door eigen gegevens over borelingen en kenmerken van de moeder te relateren aan gegevens van Statbel over het aantal vrouwen per leeftijd Statbel, het Belgische statistiekbureau (statbel.fgov.be) • Aantal geboorten volgens het Rijksregister • Aantal kinderen per leeftijdsklasse Eurostat, Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (EU) (ec.europa.eu/eurostat) • Evolutie geboortecijfers in de EU-27-landen • Vruchtbaarheidscijfers in de EU-27-landen Federaal Planbureau (plan.be) • Vooruitzichten over het aantal geboorten • Vooruitzichten over het aantal kinderen per leeftijdsklasse Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken (opgevraagd door Opgroeien) • Het aantal kinderen geregistreerd in het wachtregister Vlaams Centrum voor Adoptie (VCA) • Gegevens over adopties gerealiseerd door adoptiediensten Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • De cijfers van Kind en Gezin steunen op registraties door medewerkers van Kind en Gezin (verpleegkundigen, gezinsondersteuners, Kind en Gezin-Lijn …) op basis van
184
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Belangrijk om te weten is dat: • We kinderen, van wie we noch informatie hebben over de huidige of eerste nationaliteit van de moeder, noch over de nationaliteit van het kind zelf, niet meenemen in de berekeningen. Voor 2020 telden we zo 0,5% van de borelingen niet mee, in 2018 lag het aandeel kinderen met ontbrekende informatie over de nationaliteit op 3%. We beschouwen de cijfers van 2018 dan ook als minder volledig. • We kinderen voor wie wel de nationaliteit van de moeder gekend is, maar niet de leeftijd van de moeder en/of de pariteit, wel meenemen in de berekeningen. Op basis van de gegevens over de andere kinderen worden die kinderen verdeeld volgens het voorkomen van de leeftijden van de moeder en de pariteit. • Kind en Gezin berekent per leeftijdsjaar leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers (LVC’s) die aangeven hoeveel kinderen er bij 100 vrouwen van die leeftijd werden geboren in jaar X. De som van alle LVC’s is het totale vruchtbaarheidscijfer (TVC). Dat TVC drukken we uit in aantal kinderen per vrouw. Dat is echter een virtueel cijfer omdat het de optelsom is van de leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers die in een bepaald kalenderjaar worden vastgesteld, terwijl vrouwen kinderen krijgen in de loop van meerdere kalenderjaren. Het TVC is echter een goede indicator voor de mate waarin vrouwen in een bepaald kalenderjaar kinderen krijgen.
contacten met gezinnen en kraamklinieken. De registratie gebeurt rechtstreeks in het elektronische cliëntvolgsysteem Mirage. De registratie wordt met zorg verricht en wordt kwalitatief opgevolgd, maar is niet perfect. Niet iedereen kiest voor de dienstverlening van Kind en Gezin en niet alle kenmerken worden voor alle kinderen bevraagd. De kenmerken die we in dit hoofdstuk gebruiken zijn voor meer dan 97% van de kinderen ingevuld. We maken daarom abstractie van de niet-ingevulde waarden en presenteren in dit rapport valide percentages. • Het geboortecijfer van Kind en Gezin wordt berekend op basis van de woonplaats van de moeder bij de geboorte van het kind, zoals geregistreerd door medewerkers van Kind en Gezin. Dat geboortecijfer omvat alle geboorten bij inwoners in het Vlaamse Gewest, ongeacht waar de bevalling gebeurde en ongeacht het verblijfsstatuut van de ouders. Sinds 2019 beschikt Kind en Gezin over meer zuivere gegevens door een koppeling aan (domicilie)gegevens van het Rijksregister. • Het officiële geboortecijfer wordt opgemaakt op basis van het Rijksregister en bevat enkel de geboorten bij de ‘de jure’-bevolking, dus de Belgische en de buitenlandse bevolking die officieel in Vlaanderen woont. • Geboorten in het wachtregister gaan dus over kinderen bij asielzoeksters, zowel vrouwen die asiel aangevraagd hebben als vrouwen van wie de aanvraag ontvankelijk werd verklaard. • Op basis van de gegevens van Kind en Gezin worden sinds enkele jaren jaarlijks vruchtbaarheidscijfers berekend. Met vruchtbaarheid doelen we niet op de fysiologische conditie om kinderen te kunnen krijgen, maar wel op de sociologische betekenis, namelijk de mate waarin vrouwen van een bepaalde leeftijd in een bepaald jaar kinderen voortbrengen. Tot en met het jaar 2015 werden de berekeningen telkens door onderzoekers uitgevoerd. Vanaf 2016 berekent Kind en Gezin die cijfers zelf. Voor een detailschets van de werkwijze verwijzen we naar het laatste onderzoeksrapport: Van Bavel J. & Nomes E., De recente evolutie van de vruchtbaarheid in het Vlaamse Gewest: 2014-2015.
HOOFDSTUK 2 Statistiek Vlaanderen (statistiekvlaanderen.be) • Aantal kinderen per gezinsvorm • Aantal kinderen per gezinstype • Cijfers over andere kinderen in het gezin • Cijfers over de thuistaal van leerlingen (open data op website) Gegevens door Opgroeien opgevraagd (bronbestanden van het Rijksregister bewerkt door Statistiek Vlaanderen en Opgroeien), maar heel wat cijfers zijn raadpleegbaar via statistiekvlaanderen.be
185
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Statbel (statbel.fgov.be) • Gegevens over de nationaliteit en herkomst • Gegevens over de herkomst van kinderen
en wordt kwalitatief opgevolgd, maar is niet perfect. Omdat het aantal ontbrekende gegevens beperkt is (1,4% voor taal moederkind en 4,1% voor de origine van de moeder), maken we in de cijfers abstractie van de niet-ingevulde waarden en presenteren we valide percentages.
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid • Gegevens over de nationaliteit(sgroepen) bij kinderen (globale toepassing op website) • Gegevens over de herkomst van kinderen (lokale toepassing op website)
HOOFDSTUK 3 De Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ), Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming • Gegevens over de socio-economische positie van de ouder(s) van kinderen • Gegevens over het werkregime van de ouder(s) van kinderen • Gegevens over de werkintensiteit van de ouder(s) van kinderen Opgroeien heeft met de KSZ een structurele datatransfer over die op maat gevraagde data die we zelf bewerken.
Kind en Gezin • Gegevens over de eerste nationaliteit van moeders van borelingen • Gegevens over de taal tussen moeder en boreling Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • Alle cijfers in dit hoofdstuk zijn uitgedrukt op kindniveau, dus met kinderen als teleenheid. • De cijfers over de gezinsvorm en het gezinstype steunen op officiële domiciliegegevens, feitelijke gezins- of verblijfssituaties kunnen daarvan afwijken. • De cijfers over de gezinsvorm en het gezinstype bouwen voort op de LIPRO-typologie. Daarbij wordt deels abstractie gemaakt van de concrete relatie tussen een volwassen persoon en het kind. We spreken wel over ouders, maar dat zijn dus niet noodzakelijk de biologische ouders. Ook tonen de cijfers niet of het gezin het oorspronkelijke gezin is waarin het kind geboren werd of dat het om een nieuw samengesteld gezin gaat. We vergelijken de situatie over de jaren heen op basis van de situatie op 1 januari van dat jaar. • De cijfers over de origine van de moeder en de taal moeder-kind steunen op registraties door medewerkers van Kind en Gezin (verpleegkundigen, gezinsondersteuners, Kind en Gezin-Lijn …) op basis van contacten met gezinnen. De registratie gebeurt rechtstreeks in het elektronische cliëntvolgsysteem Mirage. De registratie wordt met zorg verricht
Enquête naar de arbeidskrachten (Labour Force Survey) via Eurostat, Bureau voor de Statistiek van de Europese Unie (EU) (ec.europa.eu/eurostat) en via Statbel (statbel.fgov.be) • Gegevens over kinderen in gezinnen zonder betaalde arbeid Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • Alle cijfers in dit hoofdstuk gaan over de ouders, maar ze zijn uitgedrukt op kindniveau, dus met kinderen als teleenheid. • Als we het over ouders hebben, bedoelen we de natuurlijke ouders als het kind verblijft in het gezin van zijn ouder(s). Als het kind in een ander gezinstype verblijft, dan gaat het om de referentiepersoon van dat gezin en diens (eventuele) partner. • De cijfers over arbeidsparticipatie zijn gebaseerd op de socioeconomische positie van de ouder(s) van de kinderen. De KSZ onderscheidt 4 hoofdcategorieën in die posities: werkend, werkzoekend, niet-beroepsactief en ‘andere’. • Bij de ‘werkenden’ onderscheiden we loontrekkenden, zelfstandigen en helpers.
186
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
• Personen die in een gezin leven waar de gezinsleden gezamenlijk minder dan 20% van de potentiële werktijd aan de slag waren, worden beschouwd als armoederisicogroep
• De categorie ‘niet-beroepsactieven’ omvat deelklassen zoals voltijds bruggepensioneerden, vrijgestelde werkzoekenden, arbeidsongeschikten en mensen die hun loopbaan volledig onderbroken hebben. • De categorie ‘andere’ heeft geen verdere onderverdeling en slaat vooral op niet-werkenden (huisvrouwen/huismannen, geschorste werkzoekenden …), maar bevat ook werkenden die niet aangesloten zijn bij de Belgische sociale zekerheid (bv. diplomaten, personen die voor een organisatie werken die niet bijdrageplichtig is aan de Belgische sociale zekerheid …) die de KSZ vooralsnog niet bij de werkenden kan tellen. • Omdat de categorie ‘andere’ ook kinderen met werkende ouders bevat, moeten de cijfers over het aandeel kinderen in een gezin met of zonder werkende ouder(s) allemaal beschouwd worden als ‘minimumsituaties’. We kunnen bv. wel een indicatie geven van de ondergrens van het aantal kinderen dat in een gezin zonder werkenden woont (namelijk het percentage kinderen dat bij 1 of 2 werkzoekende(n) en/of niet-beroepsactieve ouders woont) en we kunnen daarvoor ook de bovengrens afleiden (als alle ouders met categorie ‘andere’ niet zouden werken), maar het precieze percentage kunnen we niet bepalen. • Het hoofdstuk bevat 2 soorten cijfers. De cijfers over arbeidsparticipatie hebben betrekking op de situatie zoals de KSZ die vaststelde op 31 december. De cijfers over werkintensiteit slaan op een periode van een heel jaar. • Het concept werkintensiteit verrekent zowel het arbeidsregime als de duur van de arbeid. Die gegevens over de werkintensiteit zijn om meerdere redenen erg relevant: • Op basis van de EU-SILC-enquête worden er ook uitspraken gedaan over het aantal mensen dat in een gezin met lage werkintensiteit leeft, maar het voordeel van de KSZ-data is dat ze steunen op administratieve data over bijna de hele populatie. • Ze geven aan hoe intens er in het gezin werd gewerkt in de loop van het jaar en vullen zo de cijfers op 31 december van een jaar goed aan.
HOOFDSTUK 4 De Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ), Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming. Opgroeien heeft met de KSZ een structurele datatransfer over op maat gevraagde data over het inkomen van gezinnen en de samenstelling daarvan. Eurostat en Statistiek Vlaanderen voor de resultaten van de EU-SILC-enquête (Survey on income and living conditions) bij een beperkte steekproef van gezinnen met kinderen betreffende armoede-indicatoren. Gegevens voor Vlaanderen zijn opgevraagd bij Statistiek Vlaanderen, de gegevens voor de EU-27-landen zijn op de website van Eurostat terug te vinden. Opgroeien • Gegevens over het aantal kinderen met een sociale toeslag in het Groeipakket, de nieuwe Vlaamse gezinsbijslagenregeling die op 1 januari 2019 in werking trad • Gegevens over schooltoeslagen en het type toeslag, vanaf het schooljaar 2019-2020 • Gegevens over kansarmoede bij borelingen, zoals geregistreerd in Mirage tijdens de dienstverlening van Kind en Gezin Departement Onderwijs: cijfers over leerlingen met een schooltoelage uit het Statistisch jaarboek, raadpleegbaar via onderwijs.vlaanderen.be, tot en met het schooljaar 2018-2019 RIZIV: cijfers over kinderen met een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering via riziv.fgov.be/nl/statistieken
187
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
• Ten vierde gaat het om gegevens over gezinsinkomens op kindniveau, maar niet om gestandaardiseerde inkomens per kind die rekening houden met de gezinsgrootte. Het feit dat 2 kinderen tot dezelfde inkomenscategorie behoren, betekent dus niet dat zij even welvarend zijn. • Tot slot gaat het om al wat oudere inkomensgegevens. Het duurt immers geruime tijd vooraleer alle inkomens gekend zijn en gekoppeld kunnen worden. De meest recente gegevens hebben betrekking op 2018. • De SILC-enquête bevat niet alleen data op kindniveau over het (beschikbare) gezinsinkomen, maar ook gegevens over een aantal niet-monetaire aspecten die erop wijzen dat het gezin om financiële redenen een aantal dingen niet heeft of niet kan doen (zoals niet op vakantie kunnen gaan, geen auto hebben …). De nadelen van de SILC-data zijn dat het aantal kinderen in de steekproef niet zo groot is, dat de steekproef niet elk jaar volledig opnieuw samengesteld wordt en dat ze gebaseerd zijn op een steekproef van huishoudens, waardoor gegevens op kindniveau minder representatief zijn. De voordelen van de SILC-data zijn dat ze het mogelijk maken om een gedetailleerd inkomen (voor en na sociale transfers en belastingen) op kindniveau vast te stellen, dat ze een aantal determinanten van een minder gunstige inkomenssituatie helder in kaart brengen en dat ze internationaal vergeleken kunnen worden. • De cijfers over de sociale toeslagen en de schooltoeslagen in het nieuwe Groeipakket zijn gebaseerd op de gegevens in de Groeipakketapplicatie, een toepassing die door de uitbetalingsactoren benut wordt voor het dossiersysteem en de betalingen. De gegevens worden opgeladen en verwerkt in het anonieme datawarehouse waar Opgroeien toegang toe heeft. Opgroeien berekent de cijfers enkele maanden na de betrokken rechtsperiode en wijzigt die nadien niet meer. • De kansarmoede-index wordt berekend op basis van beoordelingen door medewerkers van Kind en Gezin van
Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • De KSZ heeft in het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming een wetenschappelijk verantwoord inkomensbegrip geconstrueerd door de bestanden van diverse overheidsinstellingen aan elkaar te koppelen. Het gaat dus niet om inkomensgegevens op basis van fiscale bronnen of op basis van het aanslagbiljet voor de personenbelasting. • Via het geconstrueerde inkomensconcept van de KSZ kunnen we voor elk kind weergeven wat het inkomen is van het gezin waarin het woont. Dat heeft 5 grote troeven: • het gaat om (quasi) populatiegegevens, • het gaat om objectieve informatie, • het gaat om alle gekende inkomens uit arbeid (inclusief bezoldigingen bedrijfsleiders en vakantiegeld) en vervangingsinkomens (inclusief leefloon), • de gegevens kunnen opgesplitst worden naar leeftijd en gezinsvorm, • het aandeel van bepaalde inkomenscomponenten in het totale inkomen kan belicht worden. • De inkomensgegevens van de KSZ kennen echter ook een aantal beperkingen: • Het gaat ten eerste enkel over bruto belastbare inkomens opgebouwd uit de in onze sociale zekerheid gekende inkomsten. In welk beschikbaar inkomen het brutoinkomen resulteert, of het reële gezinsinkomen ook bestaat uit andere inkomens (zwartwerk, inkomsten buitenlandse arbeid …) en of het inkomen volstaat om rond te komen, weten we op basis van de KSZ-gegevens dus niet. • Een tweede nadeel is dat het inkomensbegrip beperkt is tot beroepsinkomsten en uitkeringen en dus geen rekening houdt met dividenden, huurinkomsten, onroerend vermogen … • Ten derde zijn de gegevens op populatieniveau slechts beschikbaar in inkomensklassen. De precieze inkomens worden niet vrijgegeven om de anonimiteit te respecteren.
188
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
de situatie voor 6 levensdomeinen in gezinnen met een boreling. Het gaat dus om meer dan financiële armoede. De cijfers steunen op registraties bij nagenoeg de hele geboortepopulatie. Meer details over de berekeningswijze en de implicaties ervan vind je in hoofdstuk 4.
• Sinds de invoering van een kinderopvangtoeslagensysteem bij het Groeipakket voor kinderen opgevangen in locaties zonder IKT in 2019, gebeurt de telling nu voor alle opvanglocaties op basis van administratieve datastromen op kindniveau die in het belang van de locaties en ouders correct moeten zijn. De volledigheid en kwaliteit van de gegevens is dus sterk verbeterd t.o.v. vorige jaren. • In de administratieve data wordt een onderscheid gemaakt tussen kinderen in dagopvang (die nog niet voltijds naar school gaan) en kinderen in buitenschoolse opvang (die wel voltijds naar school gaan of ouder zijn dan 3,5 jaar). Voor de tellingen kijken we enkel naar de aanwezige kinderen in dagopvang, waardoor we een betere kwaliteit van de cijfers hebben. • Om het aantal aanwezige kinderen te relateren t.o.v. de populatie maken we gebruik van gegevens van Kind en Gezin over het aantal kinderen tussen 2 maanden en 3 jaar. We benutten daarvoor gegevens uit Mirage. We gebruiken geen officiële gegevens omdat we cijfers nodig hebben over die cohorte op het moment van de tellingen in september.
HOOFDSTUK 5 Opgroeien • Gegevens over het aantal aanwezige kinderen in door Opgroeien vergunde opvanglocaties voor baby’s en peuters • Gegevens over het aantal inclusief opgevangen kinderen Departement Onderwijs • Gegevens over het aantal kinderen in het buitengewoon onderwijs en op internaat • Gegevens over kinderen naar schoolse vorderingen Gegevens uit het statistisch jaarboek raadpleegbaar via onderwijs.vlaanderen.be
HOOFDSTUK 6
Registratiegegevens van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG), opgevraagd en bewerkt door Opgroeien.
Eurostat (ec.europa.eu/eurostat) • Gegevens over de leeftijd van de moeder bij de geboorte van het eerste kind • Gegevens over de levensverwachting bij geboorte in de EU-27-landen • Gegevens over de zuigelingensterfte in de EU-27-landen
Registratiegegevens van de diensten voor pleegzorg, opgevraagd en bewerkt door Opgroeien. Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • Sinds 2016 gebeurt de telling van het aantal aanwezige kinderen in de opvang anders dan voordien. Het moment van de meting werd verplaatst (van februari naar september), de duur van de meetperiode werd verlengd (van weektellingen naar een registratie op maandbasis) en de aanwezigheid van schoolgaande kinderen in opvanglocaties voor baby’s en peuters werd beter uit de tellingen gehouden.
Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE) voor geboortegegevens en aangeboren afwijkingen, cijfers uit het jaarrapport, terug te vinden op zorg-en-gezondheid.be
189
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Kind en Gezin • Gegevens over zwangerschapsduur, zoals geregistreerd door Kind en Gezin • Gegevens over resultaten van door Kind en Gezin uitgevoerde gehoortesten en de opvolging van het verdere onderzoek van het gehoorverlies door gespecialiseerde referentiecentra
zwangerschapsduur is het aantal ontbrekende gegevens erg beperkt. In 2020 ging het om 1,6%. • De registratie van het Agentschap Zorg en Gezondheid over sterfte en doodsoorzaken gebeurt op basis van de woonplaats van het kind/de moeder, zodat sterftecijfers voor het Vlaamse Gewest gepresenteerd kunnen worden. Er worden wel enkel overlijdens in het Vlaamse of het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest geteld. Kinderen die in Wallonië of in het buitenland overleden, ontbreken dus in de cijfers.
Agentschap Zorg en Gezondheid voor cijfers over doodsoorzaken verzameld en berekend door Zorg en Gezondheid en terug te vinden op de website zorg-en-gezondheid.be/cijfers. Het gaat om voorlopige cijfers.
HOOFDSTUK 7
Statbel (statbel.fgov.be) • Levensverwachting bij geboorte • Verkeersslachtoffers • Foeto-infantiele sterftecijfers
Kind en Gezin • Gegevens die medewerkers van Kind en Gezin tijdens consulten en huisbezoeken registreren over de ontwikkeling van de kinderen in de eerste 3 levensjaren. Tijdens de contacten worden de lengte en het gewicht van het kind gemeten (basis voor de BMI-cijfers) en besproken en wordt ook gepeild naar de voeding die kinderen krijgen. Wanneer men een kind vaccineert, wordt dat ook genoteerd in het elektronische kinddossier. Dankzij de koppeling met Vaccinnet, die in samenwerking met Zorg en Gezondheid gebeurt, gaan de cijfers ook over de kinderen die door andere actoren dan Kind en Gezin gevaccineerd worden.
Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • Het SPE registreert zwangerschaps-, bevallings- en geboortegegevens. Die registratie is erg volledig en omvat alle kraamklinieken in Vlaanderen en de kraamkliniek van het UZ Brussel, alsook heel wat thuisbevallingen. De gegevens op kindniveau omvatten zowel levend geboren als doodgeboren kinderen. Geboorten worden geteld volgens de geboorteplaats, dus ongeacht de woonplaats van de moeder en het kind. Wie in het buitenland of in een ander gewest (met uitzondering van geboorten in het UZ Brussel) bevalt, maar wel in Vlaanderen woont, wordt in de cijfers van het SPE niet meegeteld. De gegevens vatten dus niet geheel zuiver alle borelingen in het Vlaamse Gewest. • De registratie van Kind en Gezin betreft de levend geboren kinderen, ongeacht het verblijfsstatuut van de moeders. De data van Kind en Gezin zijn wel opgebouwd op basis van (de woonplaats van) het kind. Een minpunt is dat de registratie niet voor alle kenmerken even volledig is, voornamelijk omdat Kind en Gezin de kenmerken niet bij alle kinderen kan bevragen. Voor
Vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s): cijfers over meldingen over kindermishandeling die steunen op de registratie door medewerkers van de diverse centra. Opgroeien integreert de cijfers en maakt de berekeningen. Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • Niet van alle kinderen is gekend welke voeding ze krijgen op een bepaald moment en niet elk kind uit een geboortecohorte wordt op de leeftijd van 24 maanden nog gemeten en gewogen door Kind en Gezin. De gegevens zijn dus niet perfect. Toch maken we abstractie van de niet-ingevulde waarden en presenteren we in dit hoofdstuk valide percentages. Voor de voeding op
190
Bijlage
Het kind in Vlaanderen 2020 Opgroeien
Statistiek Vlaanderen Gegevens over de omvang en vorm van gezinnen worden door Opgroeien opgevraagd bij Statistiek Vlaanderen (bronbestanden van het Rijksregister bewerkt door Statistiek Vlaanderen en Opgroeien), maar heel wat cijfers zijn raadpleegbaar via statistiekvlaanderen.be
24 uur en op dag 6 ligt het aandeel ontbrekende waarden op respectievelijk 1,1% en 2% in 2020. Voor de voeding op de leeftijd van 6 maanden ligt het percentage ontbrekende waarden hoger (13,9%). We weten ook van 96,1% van de kinderen geboren in Vlaanderen in welke kraamkliniek ze geboren zijn. • Eind 2019 voerden we naast een nieuwe registratiewijze ook een nieuwe definitie van borstvoeding in. Uitsluitend borstvoeding: het kind krijgt enkel (afgekolfde) moedermelk, ongeacht de toedieningswijze. Het kind krijgt geen water, andere vloeistoffen of voeding. Orale rehydratievloeistoffen, medicatie en vitamine- en mineralensupplementen zijn wel toegestaan. Niet uitsluitend borstvoeding: het kind krijgt naast (afgekolfde) moedermelk nog andere voeding of vloeistoffen (bv. kunstvoeding, water, fruitsap, thee, vaste voeding). Geen borstvoeding: het kind krijgt geen (afgekolfde) moedermelk. Die wijzigingen kunnen een impact hebben op de cijfers. • Het BMI-cijfer bij kinderen is afhankelijk van het geslacht. Door de verschillende lichaamsbouw verschillen de grenswaarden om van laag gewicht, normaal gewicht of overgewicht te spreken. • We geven de BMI-cijfers weer voor de kinderen die in Vlaanderen woonden, ongeacht waar ze geboren zijn. • Om de validiteit van de BMI-cijfers te bewaken, nemen we in onze berekeningen enkel die kinderen mee die in een interval van 2 maanden rond het tweede levensjaar op consult kwamen. Voor kinderen geboren in 2018 hebben we daardoor slechts BMI-waarden voor 51,3% van de kinderen. Door de coronacrisis werden er in 2020 heel wat minder kinderen gemeten en gewogen op de leeftijd van 24 maanden. In 2019 hadden we nog gegevens over 63,9% van de geboortecohorte 2017.
De Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ), gegevens uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming Opgroeien heeft met de KSZ een structurele datatransfer over op maat gevraagde data die we zelf bewerken. Het betreft in dit hoofdstuk gegevens over de arbeidssituatie van ouders (met de ouders als teleenheid) en de inkomens van het gezin (met het gezin als teleenheid). Voor de lezer zijn de volgende zaken belangrijk om te weten: • De basisgegevens over de omvang en vorm van de gezinnen zijn gebaseerd op officiële domiciliegegevens. Feitelijke gezinssamenstellingen kunnen van die officiële situaties afwijken. • De cijfers over arbeidsparticipatie zijn gebaseerd op de socioeconomische positie van de ouder(s) van de kinderen. De KSZ onderscheidt 4 hoofdcategorieën in die posities: werkend, werkzoekend, niet-beroepsactief en ‘andere’. Omdat de categorie ‘andere’ ook kinderen met werkende ouders bevat, moeten de cijfers over de gezinnen met of zonder werkende ouder(s) allemaal beschouwd worden als ‘minimumsituaties’. Voor meer uitleg over die socio-economische posities van de KSZ verwijzen we naar hoofdstuk 3. • De inkomensgegevens op gezinsniveau zijn door de KSZ geconstrueerde bruto belastbare inkomens. Het gaat dus niet om vastgestelde inkomens die op het aanslagbiljet van de personenbelasting vermeld staan. We schetsen gegevens van gezinnen met kinderen tot 25 jaar. Voor meer uitleg over het inkomensconcept van de KSZ verwijzen we naar hoofdstuk 4.
HOOFDSTUK 8 Opgroeien • Gegevens over het Groeipakket op gezinsniveau
191