f. ^PT^
^i
MAART-APRIL 2012
l=iLL3^ ,''*-
- -*^
1
3
'S'l
VII
2 ^F i
l^^^l
^ QyQ4€&&lCCCtO'
Natuurlijke hydraulische kalk isolerend - dampopen - duurzaam - kalleien UNILIT CORICAL sanerend - injecties moulures - voegen - pleister metselen - tadelakt - natuurlijke bindmiddelen vette kalk
Arte Constructo
+32 (0)3 880 73 73 info@arteconstructo.be
31
1VI
E N , L A N D S C H A P P E N EN Tweemaandelijks tijdschrifi van de Vlaamse overheid, Onroerend Erfgoed M ON U M E N T
ARCHEOLOGIE
ISSN 0770-4948 Jaargang 31 nr. 2 M A A R T - A P R I L 2012
Inhoud
Een glasraam met zwemster in het zwembad aan de Veldstraat (foto O. Pauwels)
Voorzitter Joris Bouve Eindredactie Marjan Buyle en Peter Van den Hove Kern redactie Marjan Buyle, Rudy De Graef. Joris Bouve, Herman Van den Bossche. Peter Van den Hove Redactie Leden: Anna Bergmans, Jo Braeken, Marc De Borgher Piet Celeyns. Jos Cijselinck. Catheline Metdepennmghen, Dieter Nuytten. Oswald Pauwels, Greet Plomteux. Paul Van den Bremt. Christine Vanthillo, Tom Verhofstadt, Ünda Wylleman E re-voorzitter: Edgard Goedleven Ere-leden: Marcel M. Celis, Jo De Schepper, Hedwig Van den Bossche, Suzanne Van Aerschot
Red act iesec reta r i a at Diane Torbeyns diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be Tel. 02 553 16 13 Abonnementen* België: 40 € (losse nummers: 7 € ) Buitenland: 65 € CJP- of studentenkaart: 28 € Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. IBANBE48 3751 1109 8627 BICBBRUBEBB van Monumenten & Landschappen Koning Albert ll-laan 19 (bus 3) i 2 i o Brussel * Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd
"^h-
%
^
Het zwembad aan de Veldstraat in Antwerpen Lode De Clercq, Rudi Mertens. Elke Denissen
34
54
Bouwgeschiedenis en restauratie van hel locutorium van de parkabdij in Heverlee
De kasteelsite Butsel te Boutersem Walter Sevenants
Dieter Nuytten
Website www.menl.be Advertentiewerving j . Casier - Brugge janca5ier.brugge@telenet.be Vormgeving Bart Delva
Het tijdschrift M&,L is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voorde Sociale en Humane Wetenschappen en gevalideerd als tijdschrift met peer review.
Druk die Keure - Brugge
De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.
Verantwoordelijk uitgever Sonja Vanblaere Koning Albert ll-laan 19 bus 5 1210 Brussel
Fotografie Oswald Pauwels
M&L I 1
Restauratie en Monumentenzorg
ïr(m^
1VI&L w w w . m e n l .be ONLINE Het NGI: dé producent van kaarten, databanken en luchtfoto's voor ruimtelijke planning en stadsrenovatie ^
M&LONLINE <-
Print-on-demand: üw kaart of luchtfoto, gecentreerd rond een punt naar keuze Historische kaarten: reproducties op aanvraag. Alle kaarten en luchtfoto's zijn ook digitaal beschikbaar
M&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!
Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!
-n'tirw v»* lnternanonam
( 1 P A RC)
een mtgeb
^
matenaien en Musea, v e r ^ UunstUefhebbers Plaatsbeschrijving & inventarisatie
nen
by ^ ^ \ cChemische h e m i s che analyse \ c a m era-insp;*e
ü
^SCt^eflectografie) \ V^'-fotografie \ X-ray xXRF -analyse
| Conservatie
•
x
MateriaaVtechnisch onderzoek
IPARC cvba Haachtsesteenweg 162b, 1820 Meisbroek,
+32 2 303 60 45,
\ Literatuurstudie j Collectiebeheer ( Status-euscbaderapi
«
^
fiPP
info@iparc.eu
www.iparc.eu
•V^yni'Vn^
A. M. C O N S U L T arts & monuments consultants A Nieuw adres vanaf 1 januari 2011: AM Consuit bvba Anthonis de Jonghestraat 6A B-9100SINT-NIKLMS t: 03 780 61 53 f; 03 780 61 54 a. m .consult@skynet. be www.amconsuit.be
uw partner voor onderzoek en advies voor: onroerend erfgoed Bouwhistorisch onderzoek Materiaaltechnisch en bouwkundig onderzoek Omgevingsonderzoek roerend erfgoed Kunsthistorisch onderzoek Materiaaltechnisch onderzoek adviesverlening Inventarisatie van roerend en onroerend erfgoed Opmaak van CHE-rapporten Waardestelllngsonderzoek Plaatsbeschrijvingen Fotosurvey's van roerend en onroerend erfgoed
1 RN
Lr^U^/Jt^
Baden in een historische omgeving Hoewel in 1932 gebouwd volgens een zeer modern en goed doordacht concept, was dit oudst bewaarde zwembad van Antwerpen dringend aan restauratie toe. Het werd een zorgvuldig balanceren tussen respect voor het historisch materiaal en aanpassing aan de nieuwe strengere normen voor publiekszwembaden. Het project wordt voorgesteld door architect Rudi Mertens, erfgoedconsulent Elke Denissen en vooronderzoeker Lode De Clercq. Getrouwe replica's van oorspronkelijk bouwmateriaal bleken gelukkig voorhanden. De hedendaagse toevoeging van een hamam verhoogt nog de attractiviteit van deze vernieuwde watertempel.
Het Spreekhuys
van de Parkabdij
Strategisch gesitueerd binnen het complex, vervulde het Spreekhuys of Locutorium eertijds de functie van ontmoetingsplaats tussen de norbertijner monniken en hun bezoekende verwanten. In het globale herbestemmingsplan zal dit gebouw, dat opvalt door zijn gereconstrueerde kleurige buitenafwerking, een gelijkaardige functie als onthaalknooppunt vervullen. Dieter Nuytten beschrijft de restauratie, het zorgvuldig vooronderzoek en de weloverwogen behandelingsopties van dit sleutelmonument binnen het grote abdijcomplex.
Een kasteel in Boutersem Op een landtong, diep ingesneden in de vallei van de Velp, bevond zich ooit de woning van de Heren van Boutersem. In 2001 werden bij graafwerkzaamheden van Aquafln resten van dit kasteel ontdekt. De interesse van archeologen was meteen gewekt en in opdracht van de Vlaamse overheid volgde een grondige archeologische evaluatie. Walter Sevenants leidde dit onderzoek en kwam tot de conclusie dat deze goed bewaarde archeologische site nog een schat aan informatie bevat. Een voorstel tot bescherming meer dan waard!
Het zwembad aan de Veldstraat in Antwerpen Lode De Clercq, Rudi Mertens, Elke Denissen
Het zwembad aan de Veldstraat is het oudste
Bouwgeschiedenis
bewaard gebleven openbare zwembad van de stad Antwerpen (i). Het gebouw van 1932 omvatte een 33 meter zwembad, badkamers en een turnzaal. Het was tot 2004 zonder noemenswaardige verbouwing onafgebroken geopend als zwembad en publiek badhuis. Mede dankzij de bescherming als m o n u ment in 1998 werd het zwembad tot op heden bewaard. Het gebouw is een belangrijke getuige van baden (lichaamshygiëne) en zwemmen (recreatie) in het begin van de 20 ste eeuw (2). Zowel het architectuurhistorisch concept als de socioculturele waarden van de inrichting verantwoordden de bescherming. In 2 0 0 4 werd het gebouw gesloten voor restauratie en aanpassing aan de Vlarem norm (Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning). Met het oog op het verhogen van de attractiviteit werd het zwembad functioneel uitgebreid met een badenhuis (3) en een hamam. In het voorjaar van 2 0 0 9 , na vier jaar restauratie en verbouwing, werd het gerestaureerde en uitgebreide zwembad opnieuw opengesteld. Het artikel volgt de chronologie van het ontwerpproces, het verhaalt bouwgeschiedenis, uitgevoerd onderzoek, ontwerpbeslissingen en de uitvoering van de werken.
Het zwembad met badhuis (4) werd opgericht in 1932 naar ontwerp van ingenieur Daniël Algoet, met medewerking van ingenieur Alfred Roelandts en bouwmeester Emiel Van Averbeke. De bouw van deze hygiënische instelling is een toenmalige getuige van het streven van de overheid om de volksgezondheid door openbare voorzieningen te bevorderen. Vanaf de i9 de eeuw speelden baden en zwemmen immers een belangrijke rol in het sociale leven van de verstedelijkte arbeidersbevolking. In de i9 dc en vroeg 2o" e eeuwse badhuizen stond het zwemmen ten dienste van de lichaamsreiniging. Later profileerde het zich als de volwaardige sporten ontspanningsactiviteit, zoals we die vandaag kennen. De opdracht voor het zwembad aan de Veldstraat werd door de Commissie voor Openbare Werken en Geldwezen gegeven in haar zitting van 10 mei 1926 en goedgekeurd door het Gemeentecollege in de zitting van 19 mei 1926. Het eerste ontwerp voor het nieuwe zwembad (twee ingekleurde plannen gedateerd 1926) werd getekend door ingenieur Daniël Joseph Algoet (1889-1952) (5). Deze in Brussel in de burgerlijke bouwkunde afgestudeerde ingenieur was sinds 1920 in dienst bij de Antwerpse stedelijke diensten (6). Op 17 december 1923 werd hij benoemd tot ingenieur en op 1 januari 1925 tot ingenieurafdelingshoofd van de afdeling verwarming en elektrische verlichting bij de dienst der wegeniswerken. Door zijn opleiding als ingenieur en als verwarmingsspecialist van de stedelijke diensten was Algoet zeker goed geplaatst om minstens de technische ruggengraat en de structuur van een dergelijk zwembad te ontwerpen. Dit werd nog
6
I M
L
Zwembad met gezicht op de tribunes, na restauratie (foto O. Pauwels)
\ A
M&L I 7
Gezicht op de eretribune, na restauratie {foto O- Pauwels)
Oorspronkelijk bouwplan van 25 november 1927, ondertekend door Joseph Algoet, kelder en gelijkvloers (Plannenarchief bedrijfseenheid patrimonium, collectie zwembad Veldstraat. © L, De Clercq)
STAD
AH-TWE.QP>EM.
J3^&*/ ast. r&xrx&yor* <zx3Uvx:i&rr
J
8
I M&L
Zelfde plan, eerste en tweede verdieping gelijkvloers
5TAD
ANTWEPPCM
SEv^ruue Deo
WC<5EHI/
zv-tsfc r/o/v as I*A t^o/zs/s: OVCODCKT
iv^CMDOK
Zelfde plan, gevel Veldstraat en gevel Alfons Engelsstraat. Doorsnede doorheen de traphal Alfons Engelsstraat en de stookruimte met gezicht op
*.'.:~'l- 'AtM&m.'&J
achtergevel
•asm-^ffis"
ü
".-is J
,.,
ƒ H l
-f=r:^- :
J.-. .:.. ^ ,
. : - ^ £ a ^
i mi ^^^--^^^^-—"
:
:::
•••
A
^_L^
:
-,"-o*» h ^ r t i ' a5i Hr -f--i-;*J,,.;.h'^.
M&L I 9
Zelfde plan, verschillende doorsnedes
Sportwedstrijd kort na de opening van het zwembad in 1933. De oorspronkelijke springplanken en de eretribune zijn nog aanwezig (© Stadsarchief Antwerpen}
aannemelijker uit de toelichting tot het initiële bouwprogramma, door zijn diensthoofd de hoofdingenieur-directeur Alfred Roelandts (1875-1955) op 4 maart 1926 uitgeschreven. De bedoeling was om in vergelijking met de generatie vorige zwembaden in België, waaronder het zwembad van Sint-Gillis in Brussel uit 1904, de stookkosten, die de belangrijkste exploitatiekost vormden, drastisch te verminderen. Het is duidelijk dat Roelandts van meet af aan een belangrijke rol heeft gespeeld in het concept van het ambitieus en vernieuwend bouwprogramma (7). Hij was hiervoor niet slecht geplaatst, vermits hij in Gent in 1898 eerst het diploma van civiel ingenieur behaalde en in 1899 ook nog eens dat van electrotechnisch ingenieur. Hij was al sinds 1901 in stadsdienst en was er hoofdingenieur-directeur sinds 23 oktober 1923.
Om de stookkosten te verminderen vermeldde Roelandts onder andere het dubbele betonnen dak en het korte buizenstelsel om zoveel mogelijk warmteverlies bij het transport ervan te vermijden (8), en anderzijds de duurzaamheid van de hele betonconstructie, de 'bovengrondse' kuip, die permanent onderhoud zou toelaten en tevens het dichten van lekken zou vergemakkelijken, het goede zuiveringssysteem en vele andere technische hoogstandjes. Een vergelijking van de belangrijkste kenmerken van dit concept met het type zwembad dat in die jaren gepromoot werd door de Federation Royale Beige de Natation, leert dat de meeste elementen inderdaad hiermee in overeenstemming zijn (9). Toch zijn er ook heel wat verschillen waar te nemen, de meeste gelukkig in positieve zin. Wat de afmetingen betreft verkoos de federatie, net zoals haar Franse tegenhangster, eerder het 25 x13 m model om de exploitatiekosten toch beter onder controle te houden. Misschien koos men in Antwerpen, mogelijks onder impuls van de Koninklijke Antwerpse zwemclub, voor een 33,33 m bad omdat men hiermee beter kon scoren bij het competitiezwemmen. De oriëntatie was volgens de federatie het best noord-zuid gericht, om maximaal te profiteren van de opwarming door de zon. In Antwerpen was dit om stedenbouwkundige redenen wellicht niet mogelijk zodat het hier uiteindelijk een oost-west opstelling werd. Duurzaamheid was een belangrijke bekommernis, die terugging op negatieve ervaringen met zwembaden van de vorige generatie (rond igoo-1910), hetgeen duidelijk tot uiting kwam in de aanwijzingen voor het materiaalgebruik. Bij de constructie van de hal mocht in geen geval gebruik worden gemaakt van zichtbare houten
no I M l
of ijzeren elementen. Wegens de hoge vochtigheidsgraad en het contact met water waren deze immers gedoemd om vroegtijdig te roesten ofte rotten. De twee hoofdmaterialen waren beton en ceramiek. In de zwembadhal zelf moest zo weinig mogelijk geschilderde afwerking aanwezig zijn. Deze principes werden in de Veldstraat zeer streng toegepast. De structuur van de zwembadhal bestond uit een betonskelet van tweemaal zeven dragende kolommen en zeven spanten in gewapend beton als dakstructuur. De wanden van het gebouw zijn uitgevoerd in vol metselwerk, de vloeren in gewapend beton, ze dragen last en gewicht af op betonbalken die dwars op de gevel de ruimte van gevel naar binnenmuur overspannen. Vrijwel alle vochtige zones waar een hoge hygiëne vereist was, werden op de vloeren en tegen de wanden voorzien van afwerkingen in gres cérame. De zwembadhal zelf werd voorzien van een zogenaamde similibepleistering die zorgde voor een soort waterresistente Franse steen-afwerking (10). De ramen in de zwembadhal werden uitgevoerd in gewapend beton. Voor het bassin zelf pleitte de federatie voor een kuip zonder balustrade er rond. Voor de binnenbekleding verkoos men blauwgroen voor het tegelwerk omdat dit een aangename kleur gaf aan het water. Alhoewel in de Veldstraat eerst ivoorwitte tegels voorzien waren, koos men later toch voor de blauwe variant.
en douchesas, die de doorgang naar de zwemkom vormden (n). Dit vernuftig circulatieconcept verplichtte tot het gebruik van de douches en voetbaden. De tweede laterale toegang aan de Alfons Engelsstraat werd door groepen gebruikt die op de gelijkvloerse en op de eerste verdieping een gemeenschappelijke kleedruimte hadden en die zich op eigen initiatief dienden te spoelen vooraleer in het zwembad te duiken. Een ander belangrijk punt was de dakisolatie, dat volgens de richtlijnen een dubbel dak moest zijn. In zijn argumentatie over het bouwprogramma en de stookkosten pleitte Roelandts voor een dubbele betonnen dakstructuur en dit werd uiteindelijk ook zo uitgevoerd. Deze bestaat uit een in cassetten verdeeld plafond in gewapend beton, in lengterichting verdeeld in drie stroken die van elkaar gescheiden zijn door de verdiepte opengewerkte plafondornamenten, deze laatste fungeren als ventilatieroosters. De plafondvlakken in de stroken zijn opgevat als caissons met dubbele structuur als spouwfunctie (12). Boven dit plafond bevindt zich op betonnen spanten het eigenlijke betonnen zadeldak. De gesloten plafondcaissons vervullen een isolatiefunctie zoals in de richtlijnen van de federatie is toegelicht: "ie matelas d'air immobilise atténue la difference entre la temperature du hall et celle
Zwembad met gezicht op de tribunes {© Stadsarchief Antwerpen)
De kade diende volgens de voorschriften 50 a 60 cm boven het wateroppervlak uit te steken en moest werden voorzien van een antislipbetegeling (carrelage satreguemines bouchardê). Het waterpeil kon best in stand gehouden werden door middel van een als uitstekende rand geprofileerde overloopgoot. De kuip had bij voorkeur een diepte van 70 centimeter tot 3 meter. In grote lijnen werden al deze elementen in het project van de Antwerpse ingenieurs toegepast. Wat de individuele cabines betreft werd hun aantal door de federatie bepaald op ongeveer honderdvijftig stuks die over twee verdiepingen in gangen werden verspreid. Algoet en Roelandts weken op dit punt ernstig af van de doorsneebenadering van de federatie. Zij verdeelden de ongeveer honderdtwintig individuele cabines op één niveau in twee parallel met de zwemhal opgestelde zijbeuken, aan beide zijden voorafgegaan door wachtlokalen. Beide zijbeuken mondden aan het eind uit in een voetbad
M & L I 11
Het zwembad kort na de opening in 1933 (© Stadsarthlef Antwerpen)
Zaal met kleedcabines. De vloervelden in glasbouwstenen verlichten de badkamers op het gelijkvloers ( © Stadsarchief Antwerpen)
de l'air extérieur, ce qui diminue considérablement la condensation». Volgens de federatie was het aangewezen ook de bovenlichten in de zwemhal te voorzien van een dubbele isolerende structuur. Bij het Antwerpse zwembad zijn alleen de ramen in de van glasramen voorziene kopse zijden bewaard. Deze bestaan uit ontdubbelde betonnen ramen die in twee lagen voor elkaar zijn opgesteld en waarvan de binnenste in dit geval het glasraam bevat en de buitenste een helder glas. Op basis van oorspronkelijke detailplannen en
archieffoto's werd vastgesteld dat de ramen boven de gaanderij van de langse gevels eveneens ontdubbeld waren: aan de binnenzijde een betonraam en aan de buitenzijde houten schrijnwerk volgens de detaillering van de andere ramen. Voor de verwarming was de federatie voorstander van een stoominstallatie op lage druk. De federatie wenste een temperatuur in de zwemhal van 21° C voor de lucht en 20° C voor het water. Algoet en Roelandts werkten inderdaad met een dergelijk systeem, maar hun streefdoel was zowel de lucht als het water nog één graad hoger op te warmen. Om de exploitatiekosten te drukken en bijgevolg het warmteverlies te beperken stelde de federatie voor om de buitenmuren te voorzien van luchtspouwen, maar daar werd voor de Veldstraat jammer genoeg niet op ingegaan. De verlichting 's avonds moest gewaarborgd worden door een goede elektrische installatie met voldoende zichtbaarheid voor de 'zwemfeesten'. Op oude foto's zien we dat de drie stroken van het plafond per vak telkens voorzien waren van een pendelarmatuur met grote witte lichtbol in melkglas. Een heel belangrijk element was uiteraard de ventilatie, om het hele gebouw constant van verse en gezonde lucht te voorzien. Hier vond de federatie dat een traditionele, door warme lucht aangedreven 'natuurlijke' ventilatie het meest aangewezen was. Om tocht te vermijden, hetgeen
12 I M^L
altijd als een gevaar werd beschouwd, dienden er in de luchttoevoeren dubbele schuifluiken (vosistas) te worden toegepast. Bij het typezwembad werden er vier verluchtingsschouwen voorzien in de hoeken van de zwemhal. In de Veldstraat koos men inderdaad voor een natuurlijke ventilatie, maar het systeem werd op een veel fijnmaziger wijze toegepast. Zo werd er lucht toegevoerd onder de radiatoren die achter de banken van de kade stonden opgesteld en werd er eveneens aanvoer van verse lucht voorzien achter de radiatoren op de tribune (13). Deze laatste werden inderdaad voorzien van binnenuit met via een hendel te bedienen schuifluiken. De afvoer van vochtige lucht via het plafond en daarboven op de zolder via drie grote ventilatiepaviljoens in het midden van het zadeldak, ging terug op het oude systeem dat de Franse specialist d'Arcet rond 1830 al toepaste in grote theaterzalen. Een laatste belangrijk technisch aspect is de opvatting van het watergebruik. De federatie was hier uitgesproken voorstander van een hergebruik door middel van continue filtering van het zwembadwater. Bovendien werkte dit gunstig op het kolenverbruik aangezien men op deze wijze ook een deel van de warmte van dit water kon recycleren. Dit aspect werd van in het begin door Algoet en Roelandts ter harte genomen, die hier een vooruitstrevend systeem van filtering met zandfilters toepasten.
De invloed van Emiel Van Averbeke op de vormgeving In zijn toelichting aan de gemeenteraad van 13 december 1927 bracht Roelandts nog een belangrijke factor aan het licht voor het tot stand komen van de definitieve plannen: "By het bepaald afwerken van het ontwerp, heeft mijn dienst, voor wat de architectuur betreft, rekening gehouden met het advies van den heer Hoofdbouwmeester Van Averbeke". Het zijn deze plannen die door de gemeenteraad werden goedgekeurd op 9 januari 1928. Emiel Van Averbeke (1876-1946) had vóór en ook nog tijdens zijn eerste jaren in stadsdienst, van 1892 tot 1907, meegewerkt of als ontwerper vorm gegeven aan enkele belangrijke Antwerpse gebouwen in art nouveaustijl. Vanaf zijn indiensttreding als tijdelijk conducteur bij de stedelijke diensten was hij langzamerhand opgeklommen in de stedelijke rangen: tekenaar in 1908, conducteur in 1909 en bouwmeester 2dc klas in 1910. Hij werkte onder andere onder leiding van hoofdbouwmeester Alexis van Mechelen aan de Koninklijke Vlaamse Opera en zou in 1912-1913, overigens vlakbij de Veldstraat, de belangrijke brandweerkazerne ontwerpen op de hoek van de Viséstraat. In 1920 tenslotte werd hij zelfbenoemd tot hoofdbouwmeester en zou hij in deze nieuwe
Gevel aan de Veldstraat, kort na de opening in 1933 ( © Stadsarchief Antwerpen)
Samenvattend kunnen we stellen dat het zwembad van de Veldstraat de structuur en uitrusting van het typezwembad zeer dicht benaderde. In een aantal gevallen ging men, afgezien van de 33 meter grootte, zelfs een stap verder. Zo was de circulatie voor de gebruikers, met een verplichte doorgang door de voetbaden en de douches, zeker een vooruitgang ten opzichte van het typemodel. Ook de nog meer doorgedreven toepassing van beton, onder andere voor de dubbele ramen van de zwemhal, ging verder dan de aanbevelingen. De aangeraden heteluchtventilatie werd op zeer hoog niveau doorgevoerd. Het hier ontwikkelde ventilatie- en verwarmingsconcept was zo kwaliteitsvol dat het zwembad zonder noemenswaardige verbouwing of ingreep tot 2004 zijn functie kon blijven vervullen.
1VI&L I 13
functie overigens als eerste opdracht de openbare was- en stortbadinrichtingen aan de Wilgenstraat (nu Oud Badhuis, middengedeelte, aan de Stuivenbergstraat) en dus palende aan het zwembad, ontwerpen waarbij hij toch al een zekere ervaring in het genre van het badhuis opdeed. We kunnen hierbij opmerken dat de middengevels van het badhuis, waarin ontluikende art deco motieven voorkomen, een zeer monumentaal karakter hebben. Ook het ruim gebruik van natuursteen geeft aan deze gevels een rijkelijk uitzicht. Het lijkt aannemelijk dat Van Averbeke het project van Algoet stilistisch begeleidde volgens de sobere, ingehouden normen die zijn productie van de jaren 1920 kenmerkt. De gevels van het zwembad met zijn twee hoofdingangen met een risalietstructuur met luifel zouden zeer goed passen in het oeuvre van Van Averbeke. De appartementengevels aan de Engelsstraat met hun kleine trappenhuisrisaliet liggen in het verlengde van de vormentaal die de stadsbouwmeester toen voor dergelijke met strikt budget te realiseren complexen toepaste. Andere details zoals het sierlijke smeedwerk van de poort aan de doorgang naar de stookplaats aan de Veldstraat zijn wellicht door Van Averbeke ontworpen.
De uitvoering van het project in de jaren 1930 In het najaar van 1927, bij de definitieve opmaak van de plannen en het eerste lastenboek ging men uit van een raming van 3.199.000 Belgische frank voor de bouwwerken en een bedrag van 1.110.400 frank voor de technische toerusting. Men besliste op basis van deze ramingen een krediet van 4.750.000 frank in te schrijven in de begroting van 1928 (Titel II, lett. G, art. 6). Roelandts ging op dat moment uit van een uitvoering in eigen beheer van de elektrische inrichtingen, de verwarming, het buizennet en de filter. Het dossier sleepte daarna enige tijd aan, maar in december 1929 meldde Joseph Algoet dat hij bijna klaar was met de vertaling en de herziening van het lastenboek. Het dossier werd in het voorjaar 1930 voorgelegd aan de diensten van de Provinciale Bestendige Deputatie en deze merkten op, wellicht onder
impuls van de provinciale architect J. Sel, dat de ramen die het zwembad moesten verlichten te klein waren en dat de afdruip van de gevellij st evenmin voldeed. Roelandts reageerde in april 1930 instemmend en gaf een detail van de aangepaste geveldoorsnedes en tevens een akkoord om de ramen zowel boven- als onderaan met zeventien centimeter te vergroten. Tenslotte werd het definitieve lastenboek in twee talen gepubliceerd en kort daarna werd de aanbesteding georganiseerd. Uiteindelijk werd de opdracht toegewezen aan de Compagnie Anversoise de Travaux, Meir 107 in Antwerpen (14). De werken startten op 4 maart 1931 (15). Tijdens de uitvoering diende de Koninklijke Antwerpse Zwemclub op 24 mei 1932 een verzoek in om de voorziene ivoorwitte tegels voor de kuipbekleding te vervangen door blauwgroene tegels. Hierop werd ingegaan, al riep de aannemer hiervoor termijnverlenging in. Het zwembad werd voorlopig opgeleverd op 8 april 1933 en de plechtige opening vond plaats op 9 juli van datzelfde jaar. Bij de definitieve oplevering op 16 januari 1935 bleven er nog steeds geschillen bestaan omdat de kuip volgens Algoet nog steeds niet waterdicht was bevonden. Ondertussen drongen ook reeds de eerste aanpassingen zich op. Zo organiseerde men al in juni 1933 een bijkomende aanbesteding voor het optrekken van een aantal muurtjes in dunwandig Lugino beton onder de zwemkuip. Met deze compartimentering van de kelderruimte werd in de kelder onder de zwembadkuip een aantal groepskleedkamers extra voorzien. Ook ontwierp men wegens aanhoudende klachten, op het einde van 1933 het nu nog bestaande tochtportaal voor de hoofdingang evenals een borstwering voor het loket. Deze werken werden vrijwel onmiddellijk uitgevoerd.
Het zwembad anno 2000 Algemeen kan men stellen dat het zwembad vrij gaaf bewaard bleef, zowel ruimtelijk (16) als wat betreft de toegepaste materialen. Uiteraard zijn er in de loop van de jaren aanpassingen gebeurd, maar de gevels en de belangrijkste ruimtes, vooral de zwembadhal, zijn goed bewaard. Karakteristiek is de symmetrische opbouw met galerijen, tribunes en het frontaal uitzicht.
De zwembadhal is ten opzichte van buitenruimte en aangrenzende lokalen besloten opgesteld. De hal is van dubbele hoogte, er is discreet bovenlicht via de ramen boven de gaanderij. Het geritmeerde betonnen plafond met decoratieve verluchtingsvakken, het waterpeil lager dan de kades, de boordstenen en trappen in blauwe hardsteen en de faience van de kuip bepalen de kwaliteit van de ruimte. Helaas werd de zwembadhal deels verminkt door de dichtgebouwde tribune op de gelijkvloerse verdieping, het afgebroken jurybalkon, een extra toegang vanuit de kleedzalen, deels vernieuwde vloeren en wandtegels, akoestische isolatie in sponspanelen tegen plafond en wanden, en de nieuwe in het plafond ingewerkte lichtarmaturen. Secundaire lokalen zoals inkomhal Veldstraat, loket en trappenhallen in de voorbouw, inkomhal Engelsstraat, traphal en doorgangen en wachtzalen op de verdieping zijn eveneens goed bewaard. Eigen aan de jaren 1930 zijn de geometrische tekeningen in de vloertegels, de zogenaamde tegeltapijten. De vroegere wasserij is verdwenen, maar laat zich nog vermoeden in de aard van de ruimtes aan de binnenstraat. De oorspronkelijke badkamers zijn gedeeltelijk bewaard, met name wat ruimteindeling en wandtegels betreft. In de jaren 1970-1980 werden ze wel heringericht. Naast ruimtes en circulaties zijn inrichting, schrijnwerk, ijzerwerk en afwerking voor een zeer groot deel nog aanwezig. De oorspronkelijke technische installatie is daarentegen door de vele aanpassingen slechts fragmentair bewaard. Interessant is de oorspronkelijke zandfilterinstallatie. De oorspronkelijke verwarmingswij ze met gietijzeren radiatoren en ribbenbuizen gevoed met stoom, is nog in gebruik, evenwel nu gevoed met warm water. Het natuurlijke ventilatiesysteem van het gebouw is intact.
Het exterieur aan de Veldstraat en Engelsstraat is, op enkele details na, intact. Aangepast zijn de raamverdeling van de ramen in de zwembadhal (bij renovatie niet meer onderverdeeld), de kleur van het schrijnwerk (wit in plaats van de donkerdere groene tint) en de daklichten met kunststofkoepels. Er werd voorzien in een bijkomende toegangsdeur voor de badkamers aan de Engelsstraat en een garagepoort naar het belendend pand Oude Badhuis in de woning. Er is betonschade en vervuiling aan de gevels.
WMM umtim fiiaSniH ««:::::::! ilSaUUss
I
M I
De binnenstraat is steeds als louter functionele ontsluiting beschouwd (toegangen, lichtbron), maar het formele ritme van de gevelarchitectuur strekt zich ook uit over de lengte van de binnenkoer. De oorspronkelijke schoorsteen is hier een essentieel element in de volumetrische compositie. De verbouwingen, vooral ter hoogte van de technische ruimtes (bijkomende schouw, verluchtingsmonden, daklichten, elektriciteitskabine, gemene muur en andere), werden als storend ervaren. De hoge scheimuur is essentieel als markering van het eigen gebied van het complex.
Zwembad met verdwenen eretribune, vóór restauratie (foto MAAT_WERK architecten)
Uit de gebouwanalyse bleek dat het zwembad een uitzonderlijk goed bewaarde getuige is van gemeentelijke zwembaden en publieke baden uit het begin van de 2 0 * eeuw. Bovendien vervullen zwembad en badhuis vandaag nog steeds de dubbele functie van lichaamshygiëne en zwemrecreatie. Het gebouw heeft zijn ruimtelijke kwaliteit grotendeels behouden. Vroeger aangebrachte veranderingen zijn veelal omkeerbaar en herstelbaar of reconstrueerbaar. Door het intens gebruik gedurende vele jaren is er echter zware slijtage in het gebouw. Tegelijkertijd zijn er bouwfysische problemen.
M & L I ns
Het masterplan als start van de restauratie
waren er ook badkamers en vaak ook Turkse stoombaden.
De stad Antwerpen heeft als eigenaar van dit unieke gebouw het initiatief genomen voor een herwaardering van het hele complex. De architectenassociatie Rudi Mertens, Piet Stevens, Johan De Walsche werd aangesteld voor de opmaak van een masterplan (17) dat in februari 2000 werd voorgesteld. Het masterplan beoogt de restauratie van het zwembad met uitbreiding tot stoombadencomplex met hamam en badenhuis. Het programma omvat het behoud van het zwembad, het behouden doch deels inkrimpen van de badkamers, aangevuld met een nieuw badenhuis in de kelders van het zwembad en een nieuwe hamam in het voormalige ketelhuis. De architecturaal waardevolle ruimtes werden gerestaureerd en geherwaardeerd. Het bestaande zwembad werd integraal behouden (18). De authenticiteit van exterieur en interieur van het zwembad, met ontsluiting via de Veldstraat, werd hersteld. Het gebouw werd functioneel opgewaardeerd met ingebruikname voor recreatieve doeleinden van de restruimtes van het gebouw, kelders en stookplaats. Reeds bij de start van de ontwerpopdracht werd immers vastgesteld dat het zwembad aantrekkingskracht miste. Het werd druk gebruikt voor school- en clubzwemmen, maar tijdens de uren voor publiek zwemmen was het zwembad met één tot vijf zwemmers per uur sterk onderbenut. Dit was enerzijds te verklaren door de verouderde infrastructuur, die met uitzondering van badkamers en douches in zeventig jaar nooit werd vernieuwd, en anderzijds door de ligging in een kansarme buurt in Antwerpen. Op basis van het onderzoek {19) over badcultuur door de eeuwen en culturen heen, werden nieuwe recreatieve functies geselecteerd. Er werd geoordeeld dat wellness- en badfuncties, zoals hamam (20) en badenhuis, goed aansloten bij de hedendaagse vrijetijdscultuur. Op basis van historische voorbeelden in België, maar ook in West-Europa, werd aangetoond dat deze functies nauw aansluiten met een historisch zwembad. Zoals Griet Meyfroots in haar publicatie over de Brusselse zwembaden reeds aantoonde, had een zwembad in West-Europa einde ig^-begin 20 s,e eeuw een meervoudige functie. Naast het zwembad
Een aantal functionele tekorten van het zwembad vroegen om een oplossing. Al bij de opening van het zwembad bleek dat de groepskleedkamers niet optimaal functioneerden. De oplossing van 1933, het voorzien van extra groepskleedkamers in de kelder van het gebouw, werd waarschijnlijk omwille van de lekkende zwembadkuip reeds vroeg verlaten. In de jaren zeventig van vorige eeuw werd de turnzaal dan maar voorlopig ingericht als groepskleedkamers. Er was evenwel een duidelijk nood aan een betere oplossing met meer capaciteit voor deze groepskleedkamers. De badkamers in de vleugel aan de Alfons Engelsstraat werden in 1999 nog vrij druk bezocht. Volgens tellingen kwamen vijftig tot zestig mensen wekelijks een bad nemen. Ze hadden twee avonden per week de beschikking over zestien badkamers. De ligging in de kansarme wijk Antwerpen Noord verklaart dat, in tegenstelling tot andere steden en andere wijken van de stad Antwerpen, er anno 1999 nog steeds nood was aan deze collectieve voorziening. De prognose naar de toekomst voor deze badkamers tijdens het ontwerp was dat het gebruik ervan zou verminderen, maar dat, minstens de eerste tien jaren na heropening, er een belangrijke nood aan deze sociale collectieve voorziening zou blijven bestaan. Het zwembad bleef ontsloten via de Veldstraat. Badkamers, badenhuis en hamam werden ontsloten via de Alfons Engelsstraat. Hierdoor werd deze ingang met trappenzaal functioneel opgewaardeerd. Het aantal badkamers werd beperkt, de vrijgekomen ruimte ingenomen door groepskleedkamers van het wisseltype, toegankelijk via de Veldstraat. Het badenhuis omvatte kleedruimtes met lockers, een douchezone, een groot dompelbad van 300 C, een gelede stoomruimte en verschillende heilzame baden, met name een heet bad op 450 C (vuurbad), een koud dompelbad op 140 C (ijsbad), twee kruidenbaden op 37° C en een bubbelbad op 370 C. Het groot dompelbad sluit aan bij de rustruimte en de buitenruimte in de binnenstraat. De hamam, eveneens toegankelijk via de Alfons Engelsstraat, werd naar traditioneel model geconcipieerd; op het gelijkvloerse niveau een rust-
Kleuronderzoek door sondering van de plintschildering in de inkomhal (foto L. De Clercq)
ruimte met daglicht en een discrete relatie naar buiten (geen inkijk), op kelderniveau kleedruimte, wasplaatsen, stoomruimte en koepelruimte met buiksteen. Vooronderzoeken
Na goedkeuring van het masterplan door het stadsbestuur, diende het programma getoetst te worden aan volgende criteria: eisen in verband met brandpreventie, eisen voor inplanting en dimensionering van technische installaties, bouwfysische randvoorwaarden, bouwakoestische randvoorwaarden en de Vlarem regelgeving. Een uitgebreid onderzoeksprogramma werd opgezet. De geschiedenis en de bestaande toestand van het gebouw werden uitgebreid onderzocht. Het materieeltechnisch onderzoek resulteerde in een duidelijk beeld van de oorspronkelijke toestand van zowel gevels als interieur en dit voor zowel de algemene constructieve opvatting als het materiaalgebruik van het monument. Het bouwfysisch, bouwakoestisch en stabiliteitsonderzoek verduidelijkten de problematiek rond de specifieke bouwtechnische vereisten die inherent zijn aan de functie van het complex. Archiefonderzoek
Er werd een doorgedreven onderzoek van het Antwerpse stadsarchief uitgevoerd, dat resulteerde in een historisch overzicht aan de hand van de correspondentie en een vergelijking met de gegevens uit de literatuur, opgemaakt door studiebureau Lode De Clerq. De oorspronkelijke architectuurplannen werden in de archieven teruggevonden. Het aantal uitvoeringsdetails is buitengewoon groot. De lastenboeken architectuur en technieken zijn eveneens volledig bewaard. Foto's van kort na de opening van het zwembad werden teruggevonden. Materieeltechnisch onderzoek: kleur en materiaalgebruik
Het materieeltechnisch onderzoek omvat onderzoek naar het materiaalgebruik van exterieur en interieur, en zeer specifiek onderzoek naar de oorspronkelijke kleurstellingen van het interieur. Een aantal bijzondere uitvoeringstechnieken werden op kleine schaal in situ onderzocht: gevelreiniging door middel van een laagdruk-
Kleuronderzoek op de deur naar de turnzaal (foto L De Clercq)
M L I 17
rotatiewervelstraal en het verwijderen van overschilderingen van interieuroppervlakken. De belangrijkste resultaten waren de volgende: voor het exterieur waren baksteen en blauwe hardsteen voorzien van aangepaste voegen: de baksteenplint met grijze cementvoeg en het bovenliggend parement met roze voeg. De blauwe hardsteen kreeg dan weer lichtgrijze cementvoegen. De betonnen luifels boven de ingangen waren voorzien van een granito bezetting in imitatie blauwe hardsteen. De lateien boven de vensters waren uitgevoerd in grintbeton. Het houten schrijnwerk evenals de betonramen waren groen geschilderd. De toegangsdeuren waren uitgevoerd in eik en met vernis afgewerkt. Het metalen exterieurschrijnwerk was diepzwart geschilderd. Het interieur werd uitvoerig op kleurstelling onderzocht. Samenvattend kan men stellen dat alle ruimtes geschilderd waren met okerkleuren in verschillende tinten voor wanden, plafonds en de plinten. In heel wat ruimtes was een plintschildering van circa 100 of 120 cm hoog. De plint was duidelijk donkerder afgewerkt dan de muurvlakken. De kleur van de plafonds was steeds een lichtere variant van de muurkleur. In enkele ruimtes zoals de inkom aan de Engelsstraat, werden kleuraccenten aangebracht.
De zwembadhal was afgewerkt met een similipleister (Dura) in een lichte kalksteenkleur, die bewaard was onder verschillende verflagen. Een belangrijk element in de zwembadhal zijn de betonnen banken aan weerszijden van het bad, uitgevoerd in granito. Op het binnenschrijnwerk van vensters en deuren werd voornamelijk een groene kleur teruggevonden. Bij de cabines in de kleedzalen werd op de deurvleugel en de deurstijl opnieuw de groene kleur aangetroffen, maar de houten panelen ertussen bleken donkerder te zijn zodat hierdoor een bichromie het geheel ritmeerde. Ook in de wachtkamer daarnaast werd een bichromie vastgesteld op de vaste muurbanken in sobere art deco stijl. Daarbij werd de stijl- en regelwerkstructuur van deze meubels in een middelgroen geschilderd. Deze bichromie is nog zichtbaar op één van de oude foto's. Naast deze toch zeer continue groenbehandeling van het schrijnwerk komen er enkele merkwaardige, in het oog springende kleur-
behandelingen voor, waar een aan het groen complementaire kleur werd toegepast, namelijk een zeer helder en intens rood. Deze rode kleur werd aangetroffen op de enkele overblijvende originele schrijnwerken van de gelagzaal. Een laatste afwijking werd gevormd door het schrijnwerk van deuren en ramen van het directielokaal, die in harmonie met de toegangsdeur aan de straatzijde (gevernist eikenhout) werden voorzien van traditionele eikschilderingen. In het verlengde van dit houten schrijnwerk situeren zich de betonnen ramen die uitgeven in de zwemhal. Ook deze werden logischerwijze in groene kleuren behandeld. De meeste van deze resterende ramen werden aan de zijde van de zwemhal uitgemonsterd ofwel bij de ramen in de langse wanden naar de cabines in een lichtgroen ofwel bij de ramen in de kopse wanden met figuratief glas in lood in een donkerder groen. De metalen smeedwerken van de trappen werden zwart geschilderd. Onderzoek naar oorspronkelijk tegelgebruik en mogelijkheid van hergebruik en replieken (21) De architectuur van zwembad en de tegelbekledingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en bepalen in hoge mate het unieke karakter van het gebouw. Representatieve oorspronkelijke wand- en vloertegelbekledingen in het gebouw werden in beeld gebracht. Identificatie, herkomst en historische achtergronden van tegels en hun toepassingen werden onderzocht, ook in het licht van recente regelgeving (Vlarem). Het gebouw werd gekenmerkt door een duurzame en complete afwerking met tegelbekledingen, zeer vooruitstrevend en modern voor hun tijd. De tegelwerken kunnen onderverdeeld worden in drie groepen: de ceramische tegelbekleding van de zwemkuip, de betegelde vloeren en de toepassing van wandtegels in lambriseringen en muurafdekkingen. De meest in het oog springende, en bijzonder monumentale toepassing van tegels en bouwceramiek, is de bekleding van de zwemkuip. De ceramische bekleding van de zwemkuip bestaat uit Turks blauw verglaasde ceramische splijttegels en bouwceramische vormstukken, uitgevoerd in metselverband, dit in tegenstelling tot het meestal toegepaste 'strokende tegelwerk'. Het toegepaste
Links oorspronkelijke tegel in situ bewaard, rechts in de hand de replica zeefdruktegel (foto MAAT_WERK architecten)
metselverband is halfsteensverband, maar in het diepe deel van de kuip zijn de eerste tweeëntwintig lagen tegels aangebracht in kruisverband. De bodem van de kuip is met splijttegels in halfsteensverband bekleed. De tegels en bouwstenen zijn gemaakt in steenformaat 200 x 63 mm. De belijning op de bodem van de zwembanen zijn uitgevoerd in zwart glazuur. Voor alle in- en uitwendige hoekafwerkingen zijn speciale vormstukken toegepast.
Porfierwandtegel onder overschildering van latere datum (foto L De Clercq)
Het constructieve uitzicht van de wanden, het metselverband, suggereert een hecht en sterk geheel. Het in het zicht laten van dit constructieve verband werd vaak toegepast in gebouwen voor industrie en techniek. De architecturale vormgeving van glazuurstenen en schoonmetselwerk in het interieur, werd rond 1900 toegepast door vooruitstrevende architecten, zoals Victor Horta en H.P.
•
De ceramische bekleding van de zwemkuip Deze splijttegels en de verschillende bouwceramische vormstukken zijn gemaakt van plastische kleimassa. De tegels werden vervaardigd met behulp van een strengpers. De strengpers perst met grote kracht klei, door een speciaal gevormd mondstuk, en produceert zo een ononderbroken kleilint. Van dit lint werden direct na de pers stukken afgesneden in de gewenste lengte. Elk stuk bestaat uit twee ruggelings met elkaar verbonden tegels. Na het drogen van de klei volgt het in kleur glazuren en hierna bakken van de kleiproducten op een temperatuur van circa 1200 ° C. Hierna werden de tegels gespleten, en ontstaat een product dat beschikt over een grote mechanische sterkte en een laag vochtopnemend vermogen. Het ruwe breukvlak op de rugzijde van de splijttegel, garandeert een solide hechting met de zetmortel. Door de dichte structuur is het materiaal goed bestand tegen inwerking van zouten en zuren. De scherf van de elementen is lichtgeel, het Turks blauw glazuur is hoogglanzend.
Granito vloer van de tribune onder de epoxy-overschildering van latere datum (foto L De Clercq)
^
^
^
y<
Tl .
sasamsssssusasmatgjj
WÊÊSf""" 9*
Hl M & L I 19
Berlage, en vond veel navolging in de 'moderne architectuur'. De ceramische zwemkuipbekleding in metselverband is zeer zeldzaam in haar toepassing. Deze bekleding is na ruim 70 jaarnog bijna volledig intact. Met veel zorg en aandacht voor details werden destijds vergleisde grès-céramesteenen aangebracht. Het noodzakelijke herstel van de betonconstructie van de zwemkuip en alle daarmee verbonden interieuronderdelen, vergde echter het ontmantelen van de tegelbekleding. De wanden waren met dezelfde zorg bekleed. Nog tijdens de bouw van het zwembad werden extra financiële middelen aangewend, om het bekleden van de wanden te laten uitvoeren met materiaal, dat in 1932 pas sinds enkele jaren op de markt was. De courant gebruikte witte faience tegels werden hier vervangen door het duurzamere verglaasd ceramiek. De scherf van deze tegels is gemaakt van een gespikkelde zandkleurige porfierklei, die verglaasd is met een hoogglanzende loodglazuur. De dichtheid van de glasharde scherf verhindert vochtopname en het glazuur craqueleert niet, wat bij faiencetegels wel voorkomt. Alle wandbekledingen rond het zwembad waren opgetrokken
De ceramische vloertegels De ceramische vloertegels zijn van gres cérame fin vitrifié, in jargon genoemd 'dubbelhard gebakken tegels'. Dit soort tegels is bijzonder hard, zeer slijtvast en vorst, zuur- en loogbestendig. De tegels vinden toepassing in vloeren die intensief belopen worden. Het voordeel van deze tegels ten opzichte van andere vloertegels is, dat ze in natte ruimtes stroef blijven, waardoor er weinig kans bestaat op uitglijden. De scherf, ofwel de kleimassa waaruit de tegel is samengesteld, is door en door gekleurd, en niet geglazuurd. De tegels zijn gemaakt in een zogenaamde droge perstechniek. In de juiste kleursamenstelling gemalen kleipoeder, werd onder hoge druk in een vorm samengeperst, vervolgens gedroogd en gebakken op een temperatuur van circa 1200° C. Zo ontstaat een tegel met een glasharde door en door gekleurde steenmassa.
met deze tegels in het formaat 15,3 x 15,3 cm, tot een hoogte van 1,60 m. De bovenste rij tegels, afgewerkt met een afgeronde kant, werd daaronder afgebiesd met een geblokte zwarte band. Alle in- en uitwendige hoeken werden rond afgewerkt met speciale in- en omhoektegels. De maatvoering van de tegelbekleding werd tot in detail op tekening vastgelegd (22) en als zodanig uitgevoerd. Voor de afwerking van vloeren en trappen werd voor een groot aantal ruimtes gekozen voor een granito bevloering, in de vorm van panelen van 60 x 60 cm, omringd door twee rijen zwarte ceramieksteentjes. Voor de natte ruimtes werden vloertegels verkozen omdat deze duurzamer en gemakkelijker te reinigen zijn dan granito. Voor de oorspronkelijke gres cérame vloertegels in het formaat van 10 x 10 cm werd de keuze gemaakt uit vijf kleuren: twee effen kleuren (zwartbruin en roodbruin) en drie porfierkleuren (geel, cremegrijs en wit). Bijzonder zijn de geometrische legpatronen, de zogenaamde tegeltapijten. In de meest representatieve ruimtes werden in een combinatie van de vijf kleuren, geometrische tegelpatronen in de vloervelden verwerkt. Voor de plinten en afvoergoten werden de bijpassende geprofileerde plinttegels en goottegels gebruikt. De gespikkelde structuur die zo kenmerkend is voor granito, komt terug in de gespikkelde structuur van de porfier wand- en vloertegels en zorgt voor eenheid. De structuren van de voeglijnen alsmede het ingetogen, sobere kleurgebruik in de tegelbekledingen, creëren een evenwichtig ceramisch ensemble. Herstel van het oorspronkelijk tegelmateriaal, voor wand- en vloertegels van de diverse lokalen in het zwembad, met replicamateriaal werd onderzocht via intensief contact met fabrikanten. Het schadevrij uitnemen van wandtegels werd aan de hand van twee proefuitvoeringen onderzocht en bleek in de praktijk haalbaar. Bouwfysisch onderzoek De bestaande toestand werd bouwfysisch geanalyseerd en de pijnpunten van het gebouw werden opgesomd. Een energiebalans werd opgemaakt, het energieverbruik werd bekeken samen met de bouwfysische prestaties van de verschillende bouwonderdelen. Bovendien diende er reeds rekening gehouden te
werden met de gevolgen voor het gebouw bij een verhoging van de zwembadtemperatuur van 21° C oorspronkelijk naar 28° C nu en van de binnenluchttemperatuur van 240 C naar 31° C. Het bouwfysisch onderzoek spitste zich dan ook voornamelijk toe op volgende aspecten: koudebrugwerking ter hoogte van lateiconstructies, de ventilatie voor een comfortabel binnenklimaat en sfeerbepalende daglichttoetreding. Dit onderzoek (23) leverde een aantal uitgangspunten voor restauratie. Crintlateien " Infraroodopnames geven een aanduiding van de aanwezigheid en ernst van de koudebrugwerking. (Oppervlakte)temperatuurmetingen werden uitgevoerd om de kans op schimmelvorming op de belangrijkste koudebrug te bepalen. De grintlateien boven de ramen vertoonden een uitgesproken koudebrugwerking. Door de verhoogde kans op schimmelvorming en de plaatselijk hoge extra warmteverliezen is dit problematisch." (24) Het aanbrengen van buitenisolatie is de enige oplossing waarbij het interieur intact kan gelaten werden. Hiervoor werden de betonlateien, die over de volledige diepte van de massieve buitenmuren dragen, aan de buitenzijde verjongd, versterkt met koolstofwapening ter vervanging van het weggenomen wapeningsijzer, en voorzien van buitenisolatie bekleed met keien naar de oorspronkelijke toestand. Na uitvoering is geen onderscheid te merken met de oorspronkelijke lateien voor restauratie. Ventilatie Het bestaande concept van verwarming en ventilatie werd onderzocht. De energiebalans en de ventilatie in het oorspronkelijke en in het bestaande gebouw werden geanalyseerd. De gevolgen van de gewijzigde klimaatcondities in het nieuwe ontwerp werden eveneens bestudeerd. Door de verhoging van de zwembadwatertemperatuur en van de binnenluchttemperatuur bleek een mechanische luchtbehandelingsinstallatie onontbeerlijk. Een belangrijk voordeel hiermee verbonden was de mogelijkheid tot warmterecuperatie. De nieuwe ventilatiestrategie gaat wel uit van het behoud van de bestaande luchtkanaaltracés. De afvoerkanalen in de typische
schouwconstructies dragen immers door de verhoogde binnenoppervlaktetemperatuur bij tot thermisch comfort en tot het vermijden van schimmelvorming in de zwembadhal. Daglichttoetreding De daglichttoetreding werd onderzocht in de bestaande toestand en het nieuwe ontwerp. De zwembadhal heeft immers een beperkte daglichttoetreding en veelvuldig gebruik van kunstlicht Archiefonderzoek leert dat in oorsprong de ramen boven de gaanderij van het zwembad aan de binnenzijde in beton waren uitgevoerd met lichtgeel gehamerd glas. Het herplaatsen van de oorspronkelijke gele beglazing vermindert de daglichttoetreding aanzienlijk maar bepaalt in grote mate mee de sfeer in de zwembadhal en zorgt voor een kleurverschuiving in de waarneming van pleister en zwembadtegels. De gebrandschilderde ramen in de kopse gevels zijn opnieuw correct leesbaar en komen beter tot hun recht. Bouwakoestisch onderzoek (25) In de zwembadhal was in de jaren zeventig van vorige eeuw een grote oppervlakte van wanden en plafonds bekleed met matten van akoestisch absorberend opencellig schuim, wat duidelijk wees op klachten in de oorspronkelijke situatie. De nagalmtijd is een cruciale factor die bepalend is voor het comfort en de veiligheid van de zwemmers. Te veel galm veroorzaakt een onrustige en lawaaierige atmosfeer. Zonder absorptie bedraagt de nagalmtijd van de zwembadhal 8 s. Om de streefwaarde van 1,8 s te bereiken was een plafondabsorptie (cf. de ingrepen van vorige eeuw) noodzakelijk. Het oorspronkelijke verlaagd plafond in asbeton is omwille van een roestende ophanging vervangen door een hedendaags naadloos akoestisch plafond, dat zich via een nauwgezette kleurkeuze onzichtbaar integreert met het interieur in similipleister. Aan de onderzijde van de tribunes werd eveneens dit naadloos akoestisch plafond aangebracht. Stabiliteitsonderzoek Het onderzoek (26) omvat een studie naar de toestand van de betonstructuur van de zwembadkuip, die ernstige betonaantasting vertoonde. De belangrijkste oorzaak voor de aantasting van
wanden en steunberen in gewapend beton was de watervoerende zettingsvoeg tussen badkuip en aangrenzende perrons, die bij de bouw van het zwembad niet afgedicht werd. Gedurende decennia stroomde chloridehoudend poetswater langs de wanden van de kuip, met als gevolg zeer zware betonrot en wapeningscorrosie, vooral in de steunberen van de zwembadwand. De bodem van de kuip vertoont sinds 1933 barsten ten gevolge van krimp van het beton en onvoldoende stijfheid van de bodemplaat. Bij het jaarlijkse ledigen van het zwembad werden de scheuren telkens opnieuw watervoerend en dit gedurende een periode van meer dan een maand. Door het uitkristalliseren van zouten in de scheuren, werd een zelfdichtend mechanisme geïnitieerd. Het waterverlies vermindert en de scheuren werden geleidelijk aan gedicht. Dit mechanisme herhaalde zich elk jaar bij het leeglaten van de zwembadkuip naar aanleiding van het groot onderhoud. Door het uitlogen van het beton ter plaatse van deze watervoerende scheuren vormden er zich stalactieten aan de onderzijde van de bodemplaat. Uit de verschillende theoretische mogelijkheden werd het vernieuwen van de betonstructuur als enige haalbare oplossing geselecteerd.
Vlarem Het zwembad voldeed op verschillende vlakken niet aan de Vlarem norm op de uitbating van zwembaden. De volledige verversing van het zwembadwater {turnover) bedraagt acht uur, waar Vlarem maximaal vier uur oplegt. De filtercapaciteit van de bestaande oorspronkelijke zandfilters was te klein. Dertig procent van dit debiet dient daarenboven volgens Vlarem, met het oog op het verwijderen van drijvende vervuiling van haren, haarelastiekjes en andere, via de overloopgoot gerealiseerd te worden. In de bestaande toestand was er quasi geen debiet doorheen deze goot. Ook de theoretisch maximumcapaciteit van de overloopgoot (27 m 3 /h) was ruim onvoldoende. Het gros van het water werd via de bodemrooster in het diepe deel van het zwembad afgevoerd. Het gezuiverde water werd via uitmondingen in brons aan de korte zwembadzijde in het ondiep zwembaddeel en ongeveer halverwege aan weerszijden van de langse zijde in het zwembad ingebracht. In het diepe zwembaddeel werd op een
latere datum een bijkomende watertoevoer voorzien. Deze werd waarschijnlijk aangebracht omwille van een onvoldoende waterdoorstroming in het diepe zwembaddeel. Een kleurproef uitgevoerd in 2004 leerde dat het zwembad volledig werd doorstroomd. Wand- en vloerbetegelingen beantwoordden niet aan de regel van Vlarem die voorschrijft dat alle natte lokaalvloeren een helling van 1 tot 2 % moeten hebben, en de wanden tot op een hoogte van 3 meter moeten voorzien zijn van "een onbederjhare corrosieweerstandige niet water opslorpende en gemakkelijke ajwasbare bekleding'. De bestaande afvoerpunten in goten rond het zwembad en in goten aan kleedcabines , klokputten in brons, beantwoorden niet aan de eis dat de minimale diameter van het afvoerpunt vijftien centimeter moet bedragen.Ook de bestaande kleedcabines zijn niet conform de voorgeschreven wisselcabines. De zone die door geschoeide personen werd betreden is daardoor, zoals Vlarem vereist, niet volledig gescheiden van de zone waarop blootsvoets werd gelopen. Verlaagd waterpeil Het waterpeil is circa 70 cm verlaagd ten opzichte van de boordstenen. Hedendaagse zwembaden worden uitgevoerd met overloopgoten met een waterpeil dat quasi op hetzelfde peil ligt dan de omliggende perrons. Dit is een zwembadtechnische evolutie, die evenwel niet wordt opgelegd door Vlarem. Deze opstelling vereenvoudigt wel het evacueren van drenkelingen uit het water en vereenvoudigt het onderhoud van zwembaden. Gezien de monumentale waarde van de zwembadkuip, waarmee een verlaagd waterpeil onlosmakelijk is verbonden, kon de bevoegde overheidsdienst akkoord gaan met een verlaagd waterpeil van ongeveer 50 cm. Dit verschil van 20 cm maakt de evacuatie van drenkelingen aanzienlijk eenvoudiger, zonder al te sterk te raken aan het monumentaal beeld van het zwembad. Eisen in verband met brandpreventie Het zwembad is volgens de brandweer van de stad Antwerpen te beschouwen als een bestaand gebouw. Hoewel de basisnormen niet van toepassing zijn op bestaande constructies, diende het gebouw voor de
brandweer conform gemaakt te worden aan de normen op gebied van evacuatiewegen, noodverlichting, branddetectie, blusvoorzieningen en compartimentering van technische ruimtes versus publieksruimtes. De geformuleerde eisen bleken binnen het kader van een beschermd monument zeer redelijk en konden zonder grote problemen of abnormaal hoge kosten gerealiseerd werden.
Restauratie- en ontwerpopties Uit de diverse vooronderzoeken bleek dat voor de belangrijkste monumentale en publiek toegankelijke ruimtes een doorgedreven restauratie noodzakelijk was. In de zwembadhal werd de ingetogen sfeer hersteld, waarbij materiaal- en kleurkeuze essentieel waren. Op basis van de bevindingen van het vooronderzoek werd de similipleister vrijgelegd en werden de oorspronkelijke porfiertegels van hun overschildering ontdaan en vervolledigd met hergebruik- en replicategels. Ook de vloeren van de perrons werden met replicategels herlegd en de
granitovloeren ontdaan van hun overschildering. Het lichtniveau in de zwembadhal werd getemperd door het plaatsen van de betonramen met kleinhouten en lichtgeel gehamerd glas naar oorspronkelijk model, waardoor de zwembadhal opnieuw in een zachtgouden licht baadt. Door het verlagen van het lichtniveau zijn de gebrandschilderde ramen in de kopse gevels opnieuw in tegenlicht leesbaar. Deze glas-in-loodramen in de kopse gevels werden hersteld en twee ontbrekende panelen werden op basis van archiefplannen gereconstrueerd. In de cassettes van het plafond boven het zwembad werden de verlaagde plafonds (cf. ontdubbeld plafond) in asbeton vervangen door een naadloos akoestisch plafond, waarbij kleur en textuur werden aangepast aan het uitzicht van de omliggende velden. De similipleister werd voorafgaandelijk ontdaan van de akoestische matten en overschilderingen. De dichtgebouwde tribunes werden terug opengemaakt en de eretribune, de betonramen en de dubbele deur met uitstalraam tussen zwemhal en verbruikzaal werden op basis van archiefplannen
Een glasraam boven de tribune. De gebrandschilderde ramen zijn gevat in ter plaatse gegoten betonramen, aan de buitenzijde voorzien van een heldere ruit ter voorkoming van condensatie op het glas-in-lood (foto O. Pauwels)
M & L I 23
Zwembad na restauratie (foto O. Pauwels)
Zwembad na restauratieNieuwe elementen zijn discreet opgesteld: een tweede borstwering, vereist door de huidige normen, onopvallend ingewerkt achter de bestaande borstwering; bijkomende verlichting met uplighters (foto O. Pauwcis)
gereconstrueerd. De door betonrot beschadigde zitbanken in granito werden prefab naar bestaand model hermaakt. In de voorlaatste travee werd een doorgang naar de kleedkamers van latere datum opnieuw gesloten. De doorgang tussen kleedkamers en zwembad blijft op de oorspronkelijke positie. De zandkleuren van vloer, wanden en plafond en het azuurblauw van de zwembadbetegeling geven opnieuw het aan-zee-gevoel dat op één van de gebrandschilderde ramen werd afgebeeld, in het bijzonder in de late namiddag, wanneer het warme zonlicht door de lichtgeel getinte ramen in de westgevel binnenvalt. In de kleedzalen werden vorm en karakter van de ruimte hersteld. De kleedcabines werden behouden en het schrijnwerk naar oorspronkelijk model in een vochtstabiele houtsoort vernieuwd. De kleedzaal werd op het einde opnieuw door een dubbele deur, gereconstrueerd volgens archiefplan, afgesloten. Platlichten werden hersteld en voorzien van replicabeglazing. In de gevelramen werd opnieuw wit gehamerd glas geplaatst. De vloeren werden herlegd in replicategels. In de kleedzaal van de Alfons Engelsstraat werden de vloervelden in glasbouwstenen volgens oorspronkelijk model (27) gereconstrueerd. De sanitaire ruimtes en de douches zijn nieuwe invullingen. Qua uitwerking en materiaalkeuze
24 I M&L
Gerestaureerde wachtzaal, nu ontschoeiingsruimte. Hergebruik van oorspronkelijke materialen voor tegels en zitbanken, reconstructie met replicamateriaal voor haard en Gereconstrueerde kleedkamers met gebruik van replicamaterialen: binnenschrijnwerk, gehamerd en kathedraalglas, glasbouwstenen, vloertegels en bolpendel-
buitenschri|nwerk, kleurstelling naar toestand van 1933 (foto O. Pauwels)
armaturen. Kleurstelling volgens de resultaten van het kleuronderzoek van Studiebureau Lode De Clercq (foto O. Pauwels)
werd er voor deze ruimtes gekozen om aan te sluiten bij de sfeer van het oorspronkelijk ontwerp: behoud van het traveeritme voor de ruimte, hernemen van oorspronkelijk materiaal en detaillering voor het schrijnwerk, gebruik van replicategels en schilderen volgens de oorspronkelijke kleurstelling. De wachtkamers voor de kleedzalen waren nagenoeg intact. Tijdens de restauratie werden de vloeren herplaatst op een waterdichting, werden zitbanken gerestaureerd en werd de schouw in de wachtkamer naar archieffoto en archiefplan gereconstrueerd. De turnzaal werd na het verwijderen van enkele niet originele tussenwanden opnieuw één ruimte. Het visgraatparket werd herlegd. Platlichten werden hersteld en voorzien van replicabeglazing in rood en geel gelaagd kathedraalglas. De brasserie op de eerste verdieping werd heringericht als vergaderzaal. De dubbele deur met vitrine in de wand met het zwembad werd gereconstrueerd. De vloeren met tegeltapijten waren deels beschadigd door recentere vloerinvullingen rond een nieuwe toog. Eén vloerveld werd herlegd met restanten uit een ander vloerveld dat op zijn beurt werd herlegd met replicategels. De wachtzaal op het gelijkvloers aan de voormalige kuipbaden werd herbestemd als wachtruimte voor
de groepskleedkamers. De achterliggende gang met badkamers werd ingekort en ontsloten via de Alfons Engelsstraat en het aantal badkamers beperkt. De vrijgekomen ruimte werd benut voor zes groepskleedkamers. De gereconstrueerde verdwenen dubbele deur tussen inkom Veldstraat en de wachtruimte vormt de overgang tussen de authentieke inkompartij en de nieuwe groepskleedkamers. De verdwenen banken in de wachtruimte werden hernomen, maar in padoek en met draagstructuur in geborsteld roestvrij staal. De vloeren werden uitgevoerd in standaardtegels 10 x 10 cm, afkomstig van de fabrikant van de replicategels. De kleuren van tegels op vloer en wanden, en de kleur van het schilderwerk op wanden en plafonds sluiten aan bij de historische kleurstelling, evenwel lichter van tint. Schrijnwerk van groepskleedkamers in antracietgrijs gemoffeld en geëpoxeerd roestvrij staal met gesatineerd glas werd duidelijk eigentijds vormgegeven. Te behouden ofte herstellen karaktervolle ruimtes werden herschilderd volgens het kleurenpalet van 1932, meer bepaald oker in diverse kleurschakeringen voor wanden en plafonds, en groen voor het binnenschrijnwerk. De eikenhoutschildering voor het buitenschrijnwerk van het bureel en de inkomdeuren in de Alfons Engelsstraat en de Veldstraat werd hernomen. De vloeren in de
M & L I 25
Trap naar de baden en gelede stoomrujmte van het nieuwe badenhuis, gedeeltelijk in de kelder onder het zwembad (foto O. Pauwels)
Nieuwe hamam met centrale koepel in buikstenen, gebouwd in de voormalige stookruimte (foto O. Pauwt'ls)
voorbouw aan de Veldstraat op de gelijkvloerse verdieping werden behouden en gerestaureerd. Op de verdieping werden de tegel tapijten met herbruiktegels herlegd. Voor het zwembad en de kleedkamers werden zowel vloertegels als wandtegels in replica op maat gemaakt. Verlichtingsarmaturen waren in de loop der tijd vervangen. Bij de restauratie werd op basis van archieffoto's een bolarmatuur naar oorspronkelijk model gekozen. De oorspronkelijke plaatsing van deze armaturen was in situ veelal nog op wanden en plafonds afleesbaar. Volgens noodzaak werden ze aangevuld met indirecte verlichting en/of vormelijk aansluitende armaturen. De oorspronkelijk veelvuldig toegepaste philinea-armaturen konden wegens niet conform met de reglementering niet opnieuw aangebracht werden. Ter vervanging van deze toestellen werden vormelijk aansluitende hedendaagse industriële toestellen gekozen. De gietijzeren en industriële ribbenbuizen werden als verwarmingselementen behouden. De radiatoren werden nagekeken en de ribbenbuizen vernieuwd. Badkamers, badenhuis en hamam De tweede ingang en trappenhal in de A. Engelsstraat werden gerevaloriseerd en vormen de toegangsspil tot badkamers, badenhuis en hamam. De badkamers werden volgens de originele plannen hernomen, met de oorspronkelijke indeling van de kuipbaden. Er werd, volgens hedendaagse noden, eveneens voorzien in vier doucheruimtes. Voor de start van de werken waren in het zwembad oorspronkelijke
26 I VI L
wandporfiertegels io x 10 cm schadevrij afgenomen voor reconstructie van één badkamer. De andere badkamers, douches en ruimtes werden met replicategels afgewerkt. Het schrijnwerk werd naar oorspronkelijk plan vervaardigd. Het badenhuis werd in de kelder onder de zwembadkuip ingericht, via de rustruimte en het groot dompelbad op de gelijkvloerse verdieping, ter plaatse van de voormalige ruimte voor zandfilters en de gewezen wasruimte, neemt het ingetogen licht vanuit de binnenstraat. Een verbindingstrap naar het zwembad werd voorzien om een eventueel samengebruik (28) met het zwembad mogelijk te maken. In de vroegere stookruimte, deels onder de binnenstraat, deels onder het belendend gebouw Oud Badhuis, is een traditionele Oosterse hamam geconcipieerd: twee wasruimtes rond de centrale koepelruimte met buiksteen, een stoomruimte en douches op kelderniveau, een rustruimte op de gelijkvloerse verdieping. De nieuwe functies, badenhuis en hamam, zijn door de materiaalkeuze duidelijk onderscheiden van de gerestaureerde oorspronkelijke bouwdelen: donkere natuursteen (graniet in combinatie met leisteen), tadelakt voor wanden en plafonds, afwerkingen in eik en zwarte volkern. De uitbater vormde het voormalige directievertrek om tot brasserie.
Exterieur Het exterieur was nagenoeg intact bewaard. Enkele storende ingrepen aan gevels werden ongedaan gemaakt. De recentere toegangsdeur tot de voormalige badkuipen werd teruggebracht tot een raam volgens het oorspronkelijk gevelritme, evenals de garagepoort in de woning. De ontdubbelde ramen, betonnen binnenschrijnwerk en houten buitenschrijnwerk, boven de gaanderij werden gereconstrueerd. In de binnenstraat werden de gas- en elektriciteitscabine en een aantal schouwen van recentere datum gesloopt. De monumentale schouw werd met het aanbrengen van een voering opnieuw in gebruik genomen als afblaaskanaal van de verluchtingsgroep in de kelder onder het zwembad. De verluchtingschouwen in de gevelvlakken van het zwembad werden hergebruikt als pulsie- en extractiekanaal voor kleedzalen op de eerste verdieping en de groepskleedkamer op de gelijkvloerse verdieping. Het metselwerk werd gewapend na scheurherstel en baksteen, voegwerk
en imitatie blauwe hardsteen werden met een lagedruk-rotatiewervelsysteem met olivinepoeder gereinigd. Het voegwerk werd minimaal hersteld. De lateien in grintbeton werden op authentieke wijze gereconstrueerd: maandenlang werden er grintkeien in mortelbed geplaatst. De luifels boven inkom Veldstraat en Alfons Engelsstraat, voorzien van een imitatie blauwe hardsteen, werden gerestaureerd. Onoordeelkundig aangebrachte cementherstellingen werden verwijderd, betonrot werd hersteld en afgewerkt met een gepigmenteerd betonherstellingsproduct, frijnslag en randslag werden opnieuw aangebracht. Het groen stucwerk boven deze luifels werd met hetzelfde systeem met calcietpoeder met toepassing van de piccolospuitkop gereinigd, retouches gebeurden met stuc.
Gevel aan de Veldstraat, na restauratie (foto O. Pauwels)
De metselwerkopstand aan daken was voldoende hoog om de daken onzichtbaar te isoleren. Hiertoe werden de dekstenen van de gevels afgenomen, gelijmd of vernieuwd en herplaatst op een nieuwe waterdichte laag. De regenwaterafvoer werd vernieuwd in zink. Het betonrot van kroonlijsten en verzamelbakken in beton werd hersteld en enkele verzamelbakken werden vernieuwd. Oorspronkelijk waren ze vermoedelijk (29) afgewerkt met een zandcement bestrijking. Ze werden afgewerkt naar bestaande toestand met een gelijkaardig voorgedoseerde beraping. De oorspronkelijke betonramen in de kopse gevel van het zwembad werden hersteld met een minerale herstelmortel. De daklichten uit de jaren 1970 werden omwille van de condensproblematiek en het voorkomen van overdreven warmteverlies vernieuwd met heden-
M&LI
27
Schadevrij uitnemen van de voetsteunen in de zwembadkuip (folo MAATJWERK architecten)
Schadevrij uitgenomen overloopgoten. Cementresten werden afgeslepen en de laatste restanten werden met zuur verwijderd (foto MAAT_WERK architecten)
Zwembadkuip na schadevrij wegnemen van de meest kenmerkende bouwceramiek: de uitgenomen elementen werden hergebruikt; de nieuwe betegeling van het zwembad sluit naadloos aan bij deze oude vormstukken. Voorkennis is nodig om deze oude elementen vandaag op te merken (folo MAAT_WERK architecten)
28 I M&L
daagse geïsoleerde profielen en isolerend glas, evenwel werd de oorspronkelijke piramidevorm hernomen. De dakhelling bedraagt 150, naar de oorspronkelijke helling, zodat de daklichten het gevelbeeld niet verstoren. Ter hoogte van de verluchtingskokers op het dak boven het zwembad zijn drie luchtgroepen opgesteld. Verse luchtname en afblaas zijn aangesloten op de bestaande houten verluchtingsroosters van de lanterneaus. Het buitenschrijnwerk was in het verleden grotendeels vernieuwd. Hoewel het in perfecte staat was, werd het behoud van dit reeds vernieuwd schrijnwerk met isolerende beglazing niet weerhouden. De detaillering was te slordig uitgevoerd: grotere houtsectie, niet-conforme detaillering, aansluitingen. Het schrijnwerk werd grotendeels gereconstrueerd op basis van archiefplannen en getuigeramen en voorzien van isolerende beglazing. Ter plaatse van de kleinhouten werden de aluminium afstandhouders van de beglazing hernomen. Ze zijn gelakt in ralkleur overeenkomstig de kleur van het buitenschrijnwerk. Op deze wijze werd het storend doorzicht achter de opgekleefde kleinhoutverdeling optisch weggenomen. Structuurglas en decoratieve beglazing werden hernomen. Oorspronkelijk schrijnwerk met enkel glas werd als getuigeschrijnwerk behouden en in de oorspronkelijke kleurstelling herschilderd: de inkomdeuren, het schrijnwerk van het voormalig bureel, een aantal ramen in de binnenstraat, de ramen in de trapzaal van de woning. Ijzerwerk zoals voetschrapers, stampijpen, keldergatroosters, bevestigingsankers van vlaggenmasten en dergelijke meer werden grotendeels behouden en roestwerend behandeld. Enkele te ver doorgeroeste elementen dienden vervangen te werden. De vlaggenmasten werden volgens oorspronkelijk plan nieuw gemaakt. De binnenstraat werd heraangelegd als buitenruimte voor brasserie en badenhuis. Zwembadkuip Zoals reeds aangehaald in het stabiliteitsonderzoek bleek het vernieuwen van de betonstructuur de enige haalbare oplossing. Uiteraard had deze beslissing consequenties naar behoud van de oorspronkelijke tegelbekleding. Reeds in voorontwerp werd theoretisch de optie overwogen om het unieke tegelmateriaal uit het zwembad te
Tijdens de restauratie vrijgemaakte tribune op het niveau van het zwembad, met in de wand de doorgang naar de kleedkamers (foto O. Pauwels)
hergebruiken. Een kleine proefuitvoering op tegels en binnen- en buitenhoeken aan de zwembadtrappen, tijdens de sluitingsperiode van het zwembad voor groot onderhoud, toonde aan dat het schadevrij uitnemen van tegels en vormstukken in de praktijk haalbaar was. In een eerste fase van de werken werd dan ook voorzien in het verwijderen van de vormstukken (overloopgoot, voetsteun en hoekstukken) om deze bij de restauratie van het zwembad, na het vernieuwen van de betonnen kuip, te herplaatsen. De wanden van het diepe zwembaddeel zijn uitgevoerd in geglazuurde bouwstenen: hergebruik van deze materialen is technisch niet haalbaar. Bij inslijpen en vervolgens verwijderen breken deze elementen in het ceramisch deel van de bouwsteen. De cement is onderwater tot op zijn limiet doorgehard. Het hermaken van deze bouwstenen was financieel niet haalbaar. In het diepe deel werden de betonnen wanden dan ook uitgedikt en bekleed met tegels. Het bijmaken van replicategels en vormstukken voor het zwembad was relatief eenvoudig. Hoewel de vormgeving gedurende de voorbije decennia om zwembadtechnische redenen gewijzigd was, bleef de fabricagewijze van vormstukken, zoals overloopgoten, inhoek en omhoektegels, in de loop van de 20ste e e u w ongewijzigd. Ook voor hedendaagse zwembaden worden deze elementen nog steeds ambachtelijk met de hand, stuk per stuk, op basis van een mal gemaakt. De uitdaging voor de fabrikant van de productie van vormstukken voor dit zwembad was dan ook beperkt tot het fabriceren
van een mal voor productie en tot het beheersen van krimp en vervorming bij het bakproces. Fabrikanten van zwembadceramiek vandaag zijn grote bedrijven die de oude lokale producenten van zwembadceramiek hebben geïntegreerd in hun productieproces. Op basis van een oorspronkelijke zwembadtegel diepte de fabrikant uit het tegelarchief onmiddellijk, bij het eerste contact, een staal met de juiste glazuurkleur en bijhorende receptuur op. Replicawand- en vloertegels Vloertegels werden naar bestaand model, ceramische in de massa gekleurde tegels, in replica hermaakt. Wandtegels 10 x 10 cm voor de badkamers en douche en sanitair aan uitkleedzalen werden op maat, ceramisch in de massa gekleurd en geglazuurd, gemaakt. De porfiertegels 15,3 x 15,3 cm werden deels in herbruik, deels in replica - zeefdruk en vervolgens geglazuurd - aangeleverd. Vlarem De zwembadkuip werd zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht met de Vlarem-wetgeving. In de overloopgoot werd één op drie vormstukken bij middel van een kernboring van een doorlaatopening voorzien zodat de terugname van het water via de overloopgoot de opgelegde dertig procent overschrijdt. Vloeren in het ondiepe deel en voetstenen werden met respectievelijk een antislip replicategel en antislip voetsteun uitgevoerd. Alle replicategels in natte zone werden in antislip versie uitgevoerd. De perrons rond het zwembad en de kleedcabines in de Alfons Engelsstraat werden in
M&L I 29
^^11
I
•
H? • 5 S '
—
w^
•
.«1
• 1r a1
^
\
/
PT
-i
V1— _ i ' > ^ :
J ^
1
M «c 1
^1
. ws wm
•' • '
I
-*:*^
L,
•
w
.
1
•
q
fc^
M*-* d Glasraam met zwemster (foto O. Pauwels)
30 I M
L
helling geplaatst. De kleedkamers aan de binnenstraat werden zonder helling herlegd. Deze kleedkamers werden in hoofdzaak voor de turnzaal gebruikt. Er werd een afwijking op Vlarem verkregen. De kleedcabines op de eerste verdieping zijn in tegenstelling tot de eis van Vlarem niet van het wisseltype. Als alternatief werd de maatregel die voor de sluiting van het zwembad van toepassing is, bestendigd. Zwemmers ontschoeien in de wachtkamers en gaan blootsvoets naar de kleedcabine. De wisseling geschoeid-ongeschoeid werd in een ontschoeiingsruimte georganiseerd in plaats van in de individuele kleedcabines. Er werden eveneens afwijkingen bekomen voor de te laag opgetrokken tegellambrizeringen, voor te behouden bronzen
klokputten, en dergelijke meer. De overheid kan een afwijking verlenen indien omwille van de monumentale redenen het behoud van een nietconforme situatie noodzakelijk is. Deze afwijking kon toegestaan worden op voorwaarde dat alternatieve maatregelen volgens het principe van de Best Beschikbare Techniek werden uitgewerkt. In het geval van dit zwembad betekent dit vooral strengere eisen qua hygiënisch onderhoud van de vloeren. Het aanvragen van afwijkingen op regelgeving is overlegintensief en vergt de opbouw van een vertrouwensrelatie tussen ontwerper en opdrachtgever enerzijds en overheid anderzijds. Reeds in voorontwerpfase werd hieromtrent regelmatig overlegd met de bevoegde overheid.
Realisatie van het project
Restauratiefiche Het project werd in twee fasen uitgevoerd. In een eerste fase werd waardevolle ceramiek van zwembadkuip, vloeren en wanden schadevrij gedemonteerd door een gespecialiseerd bedrijf. Deze tegels werden vervolgens gereinigd, gesorteerd op schade en voor hergebruik gestockeerd in het zwembad. Deze werken werden uitgevoerd in de tweede jaarhelft van 2005. De tweede fase startte in april 2006 en omvatte de eigenlijke restauratie- en renovatiewerken. Door de verregaande slijtage van constructie en afwerkingen, de hoge hygiënische eisen van Vlarem en de noodzakelijk inbreng van hedendaagse technieken waren de werken zeer ingrijpend. Zwembad en perrons in de centrale ruimte van de zwembadhal, werden na schadevrij demonteren van te herbruiken onderdelen en het beschermen van te behouden wandbekledingen gesloopt. De buitenschil van het gebouw met tribunes, bleef overeind staan. Een nieuwe constructie in gewapend beton werd vervolgens aangekleed met herbruik- en replicamateriaal. Het zwembad werd gereconstrueerd. Voor de kleedzalen aan binnenstraat en Alfons Engelsstraat waren de ingrepen gelijkaardig. Deze eerder atypische restauratie was alleen te verantwoorden omdat het zwembad sinds de opening nagenoeg geen wijziging had ondergaan en bijgevolg een reconstructie op basis van het onderzoek van het bestaande gebouw en het archiefmateriaal mogelijk was. In ontwerpfase was reeds vastgesteld dat de bestaande betonconstructie van het zwembad niet onmiddellijk een industrieelarcheologische waarde had. Problemen van doorbuiging en scheurvorming van zwembadvloer en brandveiligheid waren ook alleen met een nieuwe betonconstructie op te lossen. In maart 2009 werd het zwembadcomplex opgeleverd. Het project werd bekroond met de Vlaamse Monumentenprijs 2009 en de Open Monumentenprijs provincie Antwerpen 2009.
• Bouwheer: stad Antwerpen, met toelagen van de Europese gemeenschap, het ministerie van de Vlaamse gemeenschap en de provincie Antwerpen. • Architectuur: architectenassociatie Rudi Mertens, Johan De Walsche, Piet Stevens. In samenwerking met Mio-architecten, Lille, en MAAT_WERK architecten, Antwerpen (30) • Stabiliteit: studiebureaus TriConsult, Lummen en BEC, Brussel • Elektriciteit: studiebureau Tecnobel, Antwerpen • Zwembadtechniek en technische installaties: ingenieur E. De Zutter, Damme, in opdracht van Tecnobel • Bouwfysica en bouwakoestiek: Daidalos-Peutz bouwfysisch ingenieursbureau, Leuven • Materieeltechnisch onderzoek en bouwhistorische studie: studiebureau Lode De Clercq, Antwerpen • Studie tegelwerk: HN Project bouwkunst 1900-1940, Den Haag (31) • Vooronderzoek stabiliteit: studiebureau TriConsult, Lummen, en het laboratorium Reyntjens, departement burgerlijke bouwkunde, KU Leuven • Vooronderzoek bouwfysica en bouwakoestiek: Daidalos-Peutz bouwfysisch ingenieursbureau, Leuven • Aannemer schadevrij verwijderen van tegels: TV Building - van Sabben, Herentals • Aannemer restauratie- en renovatiewerken: Sportoase Veldstraat NV, Antwerpen, met als participerende aannemers Van Roey NV, Rijkevorsel, en Cofili Services NV, Mechelen • Eindafrekening schadevrij verwijderen van tegels en vormstukken: € 273.000, excl. BTW en erelonen • Eindafrekening restauratie- en renovatiewerken: € 19.147.000, excl. BTW en erelonen • Restauratiepremie van de Vlaamse Regering • Europees fonds Doelstelling 2 voor een bedrag v a n € 1.878.116
Glasraam
32 I M L
(foto O. Pauwels)
Eindnoten (i)
Zie eveneens: ENNEKENS C , Erfgoedzorg m wijkontwikkeling in de Antwerpse wijk Stuivenherg, publieke gehouwen als thema, in Ma;!, jg. 20, nr. 5, p. 37-63. De auteur situeert het zwembad in de ontwikkeling van de wijk. beschrijft kort de bouwgeschiedenis en de toestand van het gebouw anno 2001.
(2)
Voor historische situering zie: MEYFROOTS G.. Zwembaden en badgebouwen in het Brusselse, in MaJL, jg. 17, nr. 5, 1998, p. 4-31. De auteur beschrijft aan de hand van de openbare badinrichtingen in het Brusselse de ontwikkeling van het baden en zwemmen in de I9 de en 20 s, ' eeuw. In de tekst wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen badhuis en badenhuis. Het badhuis is de historische invulling met individuele badkamers van het zwembad Veldstraat. Mensen uit de buurt gingen in vorige eeuw veelal wekelijks een bad nemen in het zwembad Veldstraat. Het badenhuis is de nieuwe ééntwintigste eeuwse invulling met warm en koud wisselbad, bubbelbad en kruidenbaden.
(3)
(4)
DE CLERCQ L.. Zwembad Veldstraat - Historisch overzicht aan de hand van de correspondentie bewaard in het stadsarchief te Antwerpen en een vergelijking met de gegevens uit de literatuur (onuitg. studie), 2004. De studie werd bezorgd aan Ruimte en Erfgoed en is bewaard in het archief van deze dienst.
(5)
In de literatuur wordt hij meestal Daniël genoemde maar hij signeerde blijkbaar liever met zijn tweede naam Joseph. Dienst voor werken der Stad Antwerpen. 1S6} - J963 Een eeuw openbare werken te Antwerpen. Gedenkboek en catalogus, Antwerpen. 1964, dl. 1. p. 47-49. Ibidem, p. 46-47. Er werd toen uitgegaan van een watertemperatuur van 22° C en een luchttemperatuur in de hal van 24° C. La Piscine Type, in Ie Bien fire, nr. 6,1919, p. 241-251. Dergelijke similipleisters werden in de jaren 20 ook regelmatig toegepast voor buitenafwerkingen. Een verwant materiaal is de in Engeland ontwikkelde Snowcreate, dat ook micapoeder bevat en daardoor glinstert. Het werd bijvoorbeeld door L. Stynen uitgebreid gebruikt voor de Residence Elsdonk uit 1933. Zie hierover: MALLIET A., Residence Elsdonk. een opmerkelijk en kleung appartementsgebouw, oorspronkelijk gelegen in het groen, in Mafl, jg. 15. nr. 4. 1996, p. 22-34.
(6)
(7) (8) (9) (10)
(11) Eenzelfde seksescheiding was zeker aanwezig in de badkamers, waar de middengang door een houten schutsel, en vervolgens draadgaas tot tegen het plafond, in twee helften werd gescheiden. (12) Zie Plan 110, Stad Antwerpen, dwarsdoorsnede over de zwemkuip (diep gedeelte), plannenarchief nr. 129. (13) Tevens zijn er aan elke zijde zes verluchtingsschouwen opgesteld die de zijbeuken verluchten. (14) Het is zeer goed mogelijk dat deze onderneming een dochtermaatschappij was van de Brusselse ondernemer Blaton. (15) Dienst voor werken der Stad Antwerpen, 1863-1963 Een eeuw openbare werken te Antwerpen, Gedenkboek en catalogus, Antwerpen, 1964, dl. 1, p. 229. (16) Het zwembad werd in 1999 opgemeten. Bij deze opmeting werd vastgesteld dat bij de bouw van het zwembad de oorspronkelijke plannen nagenoeg volledig werden gevolgd.
(17) Architectenassociatie Rudi Mertens, Piet Stevens, Johan De Walsche, Restauratie en renovatie van het zwembad Veldstraat, Masterplan (onuitg. studie), 2 0 0 0 . (18) Lees: gereconstrueerd. (19) BUITELAAR M., Het badhuis tussen hemel en hel. Amsterdam, 1996. De auteur gaat in op hamam en hamamgebruik in Marokko: sociale, socio-religieuze, geschiedkundige en functionele achtergrond, evolutie. GENZMER F., Entwerfen. anlage und einrichtung der gebaude des Handbuches der Architectur (vierter teil). 5. Halb-Band: Gehaudefür Heil- undfonjiige Wohlfahrts-Anjialten. 3. He/t; Bade- und Schwimm-Anftalten. Stuttgart, 1899. De auteur bespreekt o.a. het ontwerp en gebouworganigram van bestaande oosterse (turkse, arabische,...) badhuizen. (20) Met dank aan Catherine Ennekens, Antwerpen Averechts. In een vergadering bij de start van het project in 1999 lanceerde ze een hamam als een onderzoekstopic. (21) HN Project bouwkunst 1900-1940 voert het onderzoek naar de mogelijkheden tot behoud, alsmede reconstructie, van de karakteristieke tegeltoepassingen in het zwembadinterieur. (22) Zie Plan 84 {'Blad S4). Stad Antwerpen, overdekt zwemdok Lange Veldstraat, muurbekleeding. details tegelbezetting, plannenarchief nr. 129. (23) Uitgevoerd door Daidalos Peutz bouwfysisch ingenieursbureau in 2004 met het oog op restauratie (24) DESCAMPS F., Restauratie en renovatie van het zwembad Veldstraat, Executive summary: vooronderzoek en voorontwerp akoestiek en bouwjysica (onuitg. rapport), 2004. (25) Eveneens uitgevoerd door Daidalos Peutz bouwfysisch ingenieursbureau (26) Uitgevoerd door Triconsult NV, Lummen, in samenwerking met het Labo Reyntjens, KULeuven (27) Verschillende glasbouwstenen, waarvan twee onbeschadigd, werden in de kelder van het gebouw bij het reservemateriaal teruggevonden. (28) Een parallel voorbeeld is het zwembad met heilzame baden voorzien in de Carolus Thermen in Aken. Het is een duidelijk en succesvol voorbeeld van een nieuwe tendens in zwembadbouw met de klemtoon op wellness. (29) De verzamelbakken voor hemelwater waren te sterk verweerd en aangetast door betonrot om nog de oorspronkelijke afwerking waar te nemen. Naar het voorbeeld van de afwerking van de lanterneaus op het dak boven het zwembad, waar resten van een dunne zandcementafwerklaag werden aangetroffen, is het waarschijnlijk dat ook deze verzamelbakken op zulke wijze werden afgewerkt. Om de kleurverschillen bij betonherstelling weg te werken, werd er beslist deze afwerking te plaatsen. (30) Met bijzondere dank aan Elisabet Viérin en Eva Stoppie, sterkhouders bij ontwerp en uitvoering (31) Na het afhaken van de eerste kandidaat-fabrikanten, motiveerde Henk Nijenhuis in extremis nieuwe fabrikanten om offerte te geven voor het aanleveren van de replicategels. Uiteindelijk leverde ZAHNA Fliesen GmbH, Zahna, de replica vloertegels en Graven Dunnill & Co Ltd, Stourbridge, de gezeefdrukte tegels ter vervanging van porfiertegels.
M & L I 33
Bouwgeschiedenis en restauratie van het Locutorium van de Parkabdij in Heverlee ieter Nuytten
In 2008 is de binnen- en buitenrestauratie van het locutorium van de norbertijnenabdij van 't Park in Heverlee voltooid (1). Hiermee is het feitelijke startschot gegeven voor een algemene en systematische restauratiecampagne van de centrale abdijgebouwen van deze oude abdijsite aan de rand van Leuven, net buiten de historische stadskern. Het is een strategische keuze o m hier met het globale restauratieproject van start te gaan (2). Het locutorium vervult namelijk een cruciale rol als onthaal- en circulatieknooppunt binnen het
De Parkabdij is gelegen tussen de vork van de spoorli)nen Leuven-Ottigntes en Leuven-Tienen met in het zuiden de abdijvijvers
toekomstige functioneren van de abdij.
Algemeen gezicht op het gerestaureerde locutorium en de abdijgebouwen in 2009, toestand na de werken (foto D. Nuytten)
34 I M L
(Kaartblad 32/2 Depot de la Guerre, opname 1865. uitgave 1876)
Het locutorium bevindt zich aan de westzijde van de kerk van de abdij en paalt aan het kerkhof. Het fungeerde oorspronkelijk als het voormalige Spreekhuys van het klooster: hier werd het contact georganiseerd tussen de kloosterlingen en hun bezoekende verwanten, aan wie de verdere toegang tot de abdijgebouwen niet was toegestaan. Tijdens het Ancien Régime is de toegang tot de kloostergebouwen namelijk uitsluitend voorbehouden aan de norbertijnen zelf, terwijl bezoekers aankloppen bij en ontvangen worden in het Locutorium Conventus of spreekbuis. Het gebouw dateert uit de periode kort voor 1718 en is gebouwd in opdracht van de toenmalige abt Paul De Bruyn (3). Aan de oostzijde is het gebouw verbonden met de overblijfselen van de romaanse muren van de abdijkerk, en aan de zuidkant bevindt zich het abtskwartier van het klooster. In de igdl' en 20s" eeuw heeft het gebouw een nieuwe functie gekregen als pastorie in functie van de abdijkerk, die vanaf de 19^ eeuw parochiekerk is geworden, verbonden aan de abdij
Binnenkrant Nr. 172 Bijlage bij M&L31/2 maart-april 2012
legt de veelzijdige en intense relaties bloot tussen Japanse, Europese en Amerikaanse architecten en hun werk tijdens het interbellum, aan de hand van een nauwgezet onderzoek van de loopbaan en het oeuvre van de drie meest vooraanstaande modernisten van de eerste generatie in Japan: Yamada Mamoru (1894-1966), Horiguchi Sutemi (1895-1984) en Antonin Raymond (1888-1976). De van oorsprong Tsjechische Raymond was kort vóór de Eerste Wereldoorlog naar de Verenigde Staten PQ
DE KEUZE VAN
M&L
geëmigreerd, en in het kielzog van Frank Lloyd Wright voor de bouw van het Imperial Hotel in Tokio beland, waar hij vervolgens definitief zijn praktijk vestigde. Yamada en Horiguchi be-
• International Architecture in Interwar Japan
hoorden tot de medeoprichters van de Bunriha-groep, de eer-
Constructing Kokusai Kenchlku
ste architecturale avant-gardebeweging in Japan, uitgever van
Ken Tadashi Oshima
het tijdschrift Kenchikusekai, die actief was van 1920 tot 1928.
Seattle, University of Washington Press, 2009, 334 p.,
Beiden ondernamen in de jaren 1920 intensieve reizen naar
ISBN 978-0-295-98944-0
Europa, die hen in contact brachten met het Bauhaus, De Stijl en CIAM. De drie architecten eigenden zich een eigentijdse ar-
Opmerkelijke en uitvoerig gedocumenteerde studie over de introductie en de ontwikkeling van het modernisme in Japan tijdens het interbellum, een bijzonder creatieve periode in de geschiedenis van de moderne Japanse architectuur, die mee aan de basis lag voor haar spectaculaire opkomst op het internationale podium in de naoorlogse decennia. Na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog koesterden architecten wereldwijd de betrachting de nationale grenzen, oorzaak van zoveel conflicten, te overstijgen. Dit leidde in het al te lang geïsoleerde Japan tot een uitbraak van artistieke creativiteit, die jonge architecten ertoe bracht een 'internationale architectuur' na te streven. Aangeduid als kokusaikenchiku moest de nieuwe architectuur uitdrukking geven aan de openheid door toegenomen reisgedrag, internationale contacten, de groei van de massamedia en de technologische innovatie. De auteur
chitectuur toe met moderne vormen en materialen, en trachtten elk op hun manier het nieuwe te verbinden met het oude. Door het combineren van hout en beton, papieren schermen en schuifdeuren in staal en glas, tatami-kamers en Westerse buisstoelen, slaagden zij erin het internationale modernisme op innovatieve wijze te versmelten met de traditionele Japanse bouwpraktijk. Hun architectuur kwam tegemoet aan de eisen van het moderne leven, maar schikte zich evenzeer naar het klimaat, de cultuur en de economie van Japan. Na een toelichting over het ontstaan van het begrip 'Internationale architectuur' in Japan, en een overzicht van de beginnende carrières van de drie protagonisten, behandelen de twee meest lijvige hoofdstukken respectievelijk de individuele woning en realisaties op het vlak van de publieke infrastructuur, gebouwen waarvan er amper de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse wederopbouw hebben overleefd.
• Ernst May 1886-1970 Claudia Quiring, Wolfgang Voigt, Peter Cachola Schmal en Eckhard Herrei (red.) München en Frankfurt am Main, Prestel Verlag en DAM Deutsches Architekturmuseum, 2011, 336 p., ISBN 978-3-7913-5132-2 Monografie met oeuvrecatalogus over de Duitse architect en stedenbouwkundige Ernst May (1886-1970), gepubliceerd naar aanleiding van de overzichtstentoonstelling in Frankfurt am Main {DAM Deutsches Architekturmuseum, 2011), die als ondertitel Neue Stadte aufdrei Kontinenten meekreeg. May geldt als één van de pioniers van de modernistische avant-garde, een reputatie die hij vooral dankt aan het 'Neue Frankfurt', de baanbrekende Siedlungen of sociale wooncomplexen die tussen 1925 en 1930 door het progressieve bestuur van deze Duitse grootstad werden opgetrokken. Zij introduceerden niet alleen het 'Nieuwe Bouwen', maar ook een vernieuwende stedenbouw op basis van licht, lucht en groen, met als doel de levensomstandigheden van de arbeidersbevolking te verbeteren.
overzicht onder meer aandacht voor de groenvoorziening, het medium fotografie, de vormgeving en het mensbeeld. Verdere artikels belichten zijn opeenvolgende eigen woningen, de relatie met zijn medewerkers, zijn activiteiten in de Sovjet-Unie, in Afrika en in het naoorlogse West-Duitsland. Op de oeuvrecatalogus, die slechts de belangrijkste realisaties beknopt becommentarieert, volgen nog een biografisch overzicht en een bibliografie.
Voor alle reacties: Jozef.Braeken@rwo.vlaanderen.be De boeken liggen ter inzage in de bibliotheek van het Agentschap Onroerend Erfgoed Koning Albert ll-laan 19 bus 5,1210 Brussel (tijdens de kantooruren)
Herman van den Bossche
BURGERIJ OP DE BUITEN. DE FAMILIE VAN WILLIGEN EN HET WEST-LIMBURGS PLATTELAND Dr. Siger Zeischka, auteur van het boek Burgerij op de buiten. Ernst May studeerde architectuur bij Friedrich von Thiersch
De familie van Willigen en het West-Limburgs platteland, is ver-
en Theodor Fischer aan de Technische Hochschule in München,
bonden aan de Stichting de Moffarts die op het domein Het
onderbroken dooreen korte praktijkstage bij Raymond Unwin
Hamel in Lummen (Limburg) gevestigd is. Hij beschrijft in
in Londen, en vestigde in 1912 een zelfstandige praktijk In zijn
4 hoofdstukken de dorpen in de Demervallei, de familie van
geboortestad Frankfurt. Na de Eerste Wereldoorlog, waarin
Willigen in West-Limburg, de mannelijke telgen van de fami-
hij militaire begraafplaatsen ontwierp in de bezette gebieden,
lie van Willigen en hun optreden in de provinciale en lokale
en een aanstelling in Silezië, kwam hij in 1925 aan het hoofd
politiek en tot slot de wording van de kasteeldomeinen Het
van de dienst Stedenbouw van Frankfurt. May ontwikkelde
Hamel en Gasterbos. Het boek toont de van Willigens onder
een woningbouwprogramma dat de volgende tien jaar moest
meer als I9de-eeuwse grootgrondbezitter, pachtheer, (lokaal
afrekenen met de woningnood, richtte het internationaal ge-
en provinciaal) politicus, bouw- en kasteelheer, promotor van
renommeerde tijdschrift Dos Neue Frankfurt op, en behoorde
het onderwijs en als mecenas van verschillende verenigingen
tot de stichters van de architectenvereniging Der Ring en ver-
en organisaties. Maar in welke hoedanigheid de van Willigens
volgens van CIAM. Spraakmakende realisaties als Römerstadt
ook handelden, vrijwel altijd stond de interactie met de platte-
en Zickzackhausen trokken de aandacht van de Sovjetregering,
landsbevolking centraal. Een afsluitende Appendix is trouwens
die hem in 1930 de leiding toevertrouwde over het geheel van
gewijd aan het bouwkundig erfgoed dat evenzeer de relatie tus-
stedenbouwkundige en huisvestingsprogramma's in de Sovjet-
sen de van Willigens en de plattelandsbevolking weerspiegelt.
unie. Publiek belasterd door nazipropagandaleider Joseph
Aan de hand van de geschiedenis van de familie van Willigen
Goebbels, nam May eind 1933 vanuit Moskou de wijk naar
en haar betekenis voor Lummen en de wijdere omgeving laat
Afrika, waar hij de volgende twintig jaar als architect actief zou
de auteur de interactie tussen twee grondig verschillende soci-
blijven, in Tanzania, Kenia en Oeganda. Pas in 1953 vestigde hij
ale milieus ten volle voor het daglicht treden.
zich opnieuw in de Duitse Bondsrepubliek, waar hij nog een
Het ogenschijnlijk harmonieuze samenleven tussen de burger-
belangrijke bijdrage leverde tot de grootschalige naoorlogse
man en de gewone man was geworteld in de sociale, economi-
woningbouw. De rijk gedocumenteerde tweetalige (Duits/En-
sche en politieke fundamenten van een traditionele, agrarische
gels) uitgave omvat veertien bijdragen, die op basis van recent
wereld die gaandeweg veranderde. Nieuw en grondig onder-
wetenschappelijk onderzoek de veelzijdige loopbaan van May
zoek maakte het mogelijk verrassende perspectieven te hante-
in al zijn aspecten analyseren. In chronologische volgorde
ren om dit spanningsveld en het gedrag van de protagonisten
worden zijn opleiding, de periode aan het front en de Sied-
nauwgezet te analyseren. Die aanpak resulteert niet alleen in
/ungs-projecten in Silezië behandeld. Een zestal bijdragen heeft
een gedetailleerd en tastbaar familieportret, maar levert ook
betrekking op het 'Neue Frankfurt', met naast een algemeen
een wezenlijke bijdrage aan een beter begrip van de Limburgse
Herman van den Bossche
u M&L CAHIER 20, NOORDWESTELIJK VLAAMS-BRABANT.
<ü
ö ö
Met het M&L Cahier 20, Noordwestelijk Vlaams-Brabant is andermaal een inventarisdeel van tuinen en parken van Vlaan-
• I—I
deren verschenen. Onder eindredactie van oud-collega Roger
PQ
Deneef werkten 18 auteurs mee aan het tot stand komen. Hij schreef ook de synthese. De inventaris bestrijkt 9 gemeenten: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk en Wemmei. Dit boekdeel inbegrepen zijn intussen 66 van de 380 Vlaamse gemeenten geïnventariseerd. In totaal zijn 1500 vooronderzoeken en terreinverkenningen uitgevoerd en werden 856 objecten te boek gesteld in 10 inventarisdelen. In het boek komen 63 tuinen en parken aanbod. Zoals steeds gaat de aandacht naar het tuinhistorisch en boomkundig aspect. De inleiding besteedt aandacht aan definities, bronnen, interne verwijzingen en afkortingen, de definitie van merkwaardige bomen, invalshoeken en werkwijze en bevindingen. Noordwestelijk Vlaams-Brabant telt een aanzienlijk aantal bekende en minder bekende domeinen waaronder het domein van Bouchout in Meise, dat de Nationale Plantentuin rurale maatschappij van vóór de Eerste Wereldoorlog. Hoe zag
van België herbergt, naast
die rurale leefwereld er nu precies uit en welke samenleving
vele verborgen juweeltjes, zel-
trof men er indertijd aan? Welke strategieën gebruikten de van
den of nooit publiek toegan-
Willigens om zich te positioneren in de lokale gemeenschap
kelijk en dus enkel via deze
en welke motieven en ideeën speelden daarbij een rol? Hoe
publicatie te bewonderen.
representatief zijn de van Willigens trouwens wanneer we ze
Het boek bevat achterin een
met anderen vergelijken? En hoe stond de kleine man eigenlijk
Franse en Engelse samen-
tegenover de familie? Welke rol speelde de uitbouw van kas-
vatting per geïnventariseerd
telen en parken zoals het Hamel in Lummen in de interactie
object, een overzicht van
tussen beide?
kenmerken en kwaliteiten
Om op deze vragen een antwoord te formuleren, behandelt deze studie in vier rijk geïllustreerde hoofdstukken tal van onderwerpen en thema's, gaande van sociaal-economische, bestuurlijke of cultuurhistorische ontwikkelingen tot erg concrete aspecten waaronder politieke correspondentie of publieke festiviteiten zoals huwelijken of begrafenissen. Het boek is
Historische t u i n e n en Darken laanderen
en een personenregister. Het boek is rijk geïllustreerd met recent fotomateriaal, historische kaarten en plannen, kadasterstukken, oude prenten en historische foto-opnamen. Het M&L cahier 20 telt 316 bladzijden en honderden illustraties in kleuren zwart-wit.
tweetalig, Nederlands en Frans en telt 218 pagina's. Roger Deneef e.a., M&L cahier 20, Inventaris van tuinen en parken van Vlaanderen- Noordwestelijk VlaamsBurgerij op de buiten. De familie van Willigen en het West-
Brabant: Affligem, Asse, Grimbergen, Kapelle-op-den-Bos,
Limburgs platteland is een uitgave van de Stichting de
Londerzeel, Meise, Merchtem, Opwijk, Wemmei.
Moffarts Wettelijk depot: D/2012/9909/1.
Een uitgave van de Vlaamse Overheid -
Stichting de Moffarts, Burggrachtstraat 20-21,
Onroerend Erfgoed, ISBN 978-90-403-0321-0.
3560 Lummen
M&L cahier 20 is tegen de prijs van 50,- € te verkrijgen
info@stichting-demoffarts.be
bij mevrouw Diane Torbeyns (tel. 02 553 16 17)
Tel.: 013/33.80.36 - Fax: 013/67.44.07
of via diane.torbeyns@rwo.vlaanderen.be
In Memoriam
ting voorzien was. In 1985 behaalde hij het licentiaat in de geschiedenis optie oudste tijden met een verhandeling in 6 volumes (!), met de titel Archeologisch onderzoek In de gemeente Oudenburg: prospectie, analyse, synthese. Meteen was duidelijk dat het centrum van zijn wetenschappelijke aandacht in het gebied rond Brugge lag en daarvan zou vrijwel nooit meer
Anton Ervynck en Wim De Clercq
afgeweken worden. Een doctoraatsproject, ondersteund door een aspirant-beurs van het Nationaal Fonds voor het Wetenschappelijk Onderzoek, verlengde zijn studieperiode aan de
DE ERFENIS VAN YANN HOLLEVOET
universiteit. Het project startte in 1986, liep tot 1990 en had als
(1962-2012)
thema Het Houtland In de Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode: continuïteit of cesuur? Archeologische bijdrage tot de bewonlngsgeschledenls van zandlg Binnen-Vlaanderen. In die periode ondernam Yann, in regel samen met zijn compagnon de route Bieke Hillewaert, ook een reeks archeologische noodingrepen, genoodzaakt door de uitbreiding van de Zeebrugse achterhaven en andere bouwprojecten in de regio. Over dit reddingswerk, uitgevoerd onder ondankbare omstandigheden, werd uitvoerig bericht in reeksen zoals Westvlaamse Archaeologlca en, zolang die - tot 1990 - bestond, in de kroniek Archeologie, uitgegeven door de Nationale Dienst voor Opgravingen, na regionalisering het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (lAP).
In 1991 zou Yann dit instituut vervoegen en van daar uit tot eind 1999 in zijn favoriete studiegebied opgravingen blijven verrichten. Belangrijke vindplaatsen uit die tijd kregen een verslag in Archeologie In Vlaanderen en zijn opvolger Relicta. Archeologie, Monumenten en Landschapszorg In Vlaanderen. De belangrijkste zijn Ettelgem, Oostkamp, Oudenburg, Roksem, Sint-Andries (Brugge), Snellegem, Varsenare en Zerkegem. In zijn IAPperiode nam Yann ook het archeologisch onderzoek voor zijn rekening, dat gepaard ging met de aanleg van het West-Vlaams deel van een pijplijn die het land tot twee maal toe doorkruiste. De inbreng van de archeologie werd aanvankelijk binnen het Yann Hollevoet
project zo stiefmoederlijk behandeld, dat het de term 'noodonderzoek' een nieuwe, nog noodlottiger betekenis gaf.
Wat laat een wetenschapper na, als hij het aardse bestaan inruilt voor andere oorden? Liefst niet enkel een flinke stapel
Begin 2000 verliet Yann het IAP om gedurende twee jaar
publicaties maar ook inzichten, praktische raadgevingen, gul
een assistentschap aan de Gentse universiteit uit te oefe-
gedeelde ervaringen, hoopvolle verzuchtingen en een pak
nen. Eind 2002 keerde hij echter terug in overheidsdienst,
onuitgevoerde plannen. Af en toe blijkt deze erfenis niet enkel
bij de Afdeling Monumenten en Landschappen, van het
van nut voor een kleine groep van bestaande en toekomstige
departement Leefmilieu en Infrastructuur. Hij bereidde er de
collega's, maar heeft ook een ruimer publiek er (bewust of
opstart van de zogenaamde beheersarcheologie voor en zou
onbewust) wat aan. Als het goed zit, ontstaat bij vakgenoten
vervolgens de eerste groep archeologen coördineren die het
en publiek zelfs een gevoel van waardering voor het geleverde
adviseren van bouwvergunningen, het beheer van de opgra-
werk. Op dat moment wordt de erfenis erfgoed, in de betekenis
vingsvergunningen en de voorbereiding van beschermings-
van 'dingen uit een ver of dicht verleden waarin we geïnteres-
dossiers als taak kreeg. Na de omvorming van het IAP tot het
seerd zijn, die we mooi vinden of die we een waarde toedichten,
Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) in 2004,
en dus in elk geval willen behouden'. De sterkte van de definitie
gebeurde dit beheer voortaan apart van de wetenschappelijke
zit in de vaagheid: 'interesse', 'esthetiek', 'waarde', 'dingen'.
werking van dit laatste instituut. Het was zeker geen mak-
Het zijn niet toevallig allemaal termen die van pas komen bij de
kelijke tijd want het archeologiedecreet van 1993 had wel wat
waardering van de erfenis van archeoloog Yann Hollevoet.
mogelijkheden afgedwongen maar zolang de implementatie van het Verdrag van Malta niet door Vlaanderen werd door-
Yann Hollevoet studeerde archeologie aan de Rijksuniversiteit
gevoerd, bleven de financiële mogelijkheden voor gedegen
Cent in een tijd dat daarvoor nog geen aparte opleidingsrich-
onderzoek beperkt.
Toen de Vlaamse administratie in 2005 onder de naam 'Beter
gebruik van de archeologische luchtfoto's van Jacques Semey
Bestuurlijk Beleid' (BBB) een grote hervorming afrondde,
en het streeknieuws uit de lokale kranten, waarin bouwactivi-
werd zoals voor elk beleidsdomein ook binnen Ruimtelijke
teiten werden aangekondigd. Het betekende een stijlbreuk met
ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed een departement
wat toen in vele archeologische middens en zeker binnen de
opgericht verantwoordelijk voor de voorbereiding van wet- en
eigen dienst gebruikelijk was, wat hem trouwens niet steeds in
CD
regelgeving. Yann stapte in 2006 over naar deze nieuwe een-
dank werd afgenomen. Yann's stijl was bovendien vaak hard
Ö
heid, meer bepaald naar de Afdeling Stedenbouwkundig beleid
en bij wijlen confronterend - hij was voor velen 'een moeilijke
a3
en Onroerend erfgoedbeleid, en zette zich vanaf dan in voor
mens' - maar de verbetenheid, en de belezen of empirische
de implementatie van het Verdrag van Malta. Later kwam daar
onderbouw waarmee hij zijn ideeën en projecten verdedigde,
•i-H
ook de voorbereiding van een nieuw decreet voor het onroe-
PQ
droeg ieders respect weg.
rend erfgoed bij, een proces dat tot op heden niet is afgerond.
ö
Toen het VIOE in 2008 zijn 'Onderzoeksbalans' lanceerde, had
Yann bracht trouwens nog andere aspecten van de archeologie
Yann daarin belangrijke bijdragen geleverd. Na een nieuwe
onder de aandacht, die volgens hem in Vlaanderen te weinig
hervorming werd hij medio 2011 deel van het nieuw opgerichte
aan bod kwamen. De inspiratie daarvoor vond hij in de Angel-
agentschap Onroerend Erfgoed, waar voortaan onderzoeks-,
saksische en Scandinavische archeologische wereld, die voor-
beheers- en beleidsvoorbereidende functies verenigd zijn.
op liep in de ontwikkeling van andere visies op de omzetting van archeologische gegevens in kennis en in interpretaties over
In het werk van Yann Hollevoet nam niet alleen het onderzoek
het verleden. Het gaat onder meer om de cultureel-antropolo-
maar dus duidelijk ook de zorg voor het erfgoed een belangrij-
gische benadering van archeologische vondsten en de theore-
ke plaats in. Yann was er van overtuigd dat het ene niet zonder
tische structurering van de interpretatie. En al was Yann een
het andere kon: onderzoek zonder maatschappelijke dimensie
groot voorstander van doorgedreven materiaalstudie en een
vond hij al even ongewenst als erfgoedzorg zonder onderzoek.
expert in het vroegmiddeleeuwse aardewerk, een artefact bleef
Bovendien mag nooit het publiek uit het oog verloren worden,
voor hem toch "not so much a pot, more a way of life". Experi-
dat trouwens op alle niveaus moet worden aangesproken.
mentele archeologie, was het nu het laten bakken van replica's
En niet enkel dat: de geïnteresseerden moesten ook kunnen
of het zelf maken van maquettes van opgegraven gebouwen,
participeren. Yann bracht dit in de praktijk, allereerst al door
moest helpen de kloof te overbruggen tussen het voorwerp, of
zijn grote inbreng in lokale erfgoedwerking. Binnen de Heem-
het spoor, en de personen die daar ooit een hand in hadden.
kundige Kring Brugs Ommeland was hij in 1996 een van de
De puur-wetenschappelijke waarde van de studies van Yann
oprichters van de Werkgroep Archeologie Brugs Ommeland
Hollevoet valt af te lezen aan de aandacht die hij kreeg op het
(WABO) die, in samenwerking met de archeologische dienst
internationale forum. Voor veel Franse, Britse en Scandinavi-
van de Stad Brugge, meehielp aan verschillende opgravingen
sche collega's was Yann lang zowat de enige stem die hen van-
in de binnenstad en in de randgemeenten. Het initiatief zou
uit het onbekende, moeilijk toegankelijke vroegmiddeleeuwse
de weg bereiden voor de oprichting van de intergemeentelijke
Vlaanderen bereikte. De vroege middeleeuwen in de pagus
archeologische dienst Raakvlak in 2006. Opvallend is dat bij
flandriensis, een duistere periode uit onze geschiedenis, droeg
deze lokale Brugse werking van bij het begin grote aandacht
zonder meer zijn grootste wetenschappelijke aandacht en
was voor het samengaan van natuur- en cultuurwaarden. Zo
voorliefde weg. In één van zijn laatste lezingen, gehouden in
staat op een vergeten site, ergens op het web, nog een dossier
2011 op de contactdagen voor Belgisch-Nederlandse archeolo-
waarin zowel Groen vzw. Het Lappersfront, Natuurpunt vzw
gen met interesse in de middeleeuwen, opende hij met de veel-
afdeling Brugge en de WABO de krachten bundelen voor een
zeggende zin "Licht in de duisternis!". Dat is inderdaad wat hij
betere toekomst voor het domein Lappersfort.
tot stand bracht en hoe hij ook wetenschappelijk zal herinnerd blijven. Yann ontwikkelde samen met Bieke immers voor het
Op het Vlaamse vlak was Yann in veel opzichten een voortrekker. Zijn grote aandacht voor preventief archeologisch onderzoek, toen nog onder de vorm van noodonderzoek, manifesteerde zich in een periode dat overheid en universiteiten nog vooral studieopgravingen uitvoerden. Zo kon het in de jaren 1980 gebeuren dat in de Zeebrugse achterhaven een gans landschap op de schop ging waarbij enkel wat jonge archeologen zo goed en zo kwaad als dat kon - de vernieling in kaart brachten. Dit moeizame pionierswerk legde echter mee de basis voor een mentaliteitswijziging bij publiek en politiek, en op die manier voor de preventieve archeologie die later zou volgen. Zonder veel steun van wetgeving of structuren trachtte Yann, jaren avant la lettre, het archeologisch erfgoed in zijn regio te 'beheren'. Zijn voornaamste wapens waren de prospectie, het
eerst een duidelijk zicht op de Merovingische en Karolingische bewoning van de kustrandzone, een resultaat dat ook nu in Vlaanderen nog nergens zijn gelijke kent en ook internationaal bijzonder werd gesmaakt. Reeds vanaf de vroege jaren 1990 tilde hij de gegevens uit zijn noodonderzoek naar een hoog wetenschappelijk niveau van interpretatie en trok hij er mee over het Kanaal. Bij voorname Britse onderzoekers als Alan Vince en Helena Hamerowvond hij weerklank voor zijn bevindingen en hij publiceerde er samen met hen over. In dezelfde tijd was Yann ook actief in de Franse wetenschappelijke wereld, wat onder meer tot uiting kwam in een bijdrage over vroegmiddeleeuws aardewerk op het belangrijke colloquium van Outreau. Ondertussen bleef hij vooral in eigen land met gestage tred zijn onderzoek publiceren, waarbij de geformuleerde opinies
steevast gestaafd werden met grondige argumenten, terug te
nieuwe nieuwsgierigheid naar het verleden opwekken. De lief-
vinden in de rijk gestoffeerde voetnoten waaruit telkens weer
de voor het studieobject is een goede tweede. Yann hield niet
een enorme belezenheid bleek.
alleen van de streek rond Brugge of de vroege middeleeuwen,
Ook voor het onderzoek naar de Romeinse periode leverde
verhaal dat ze vertellen maar wellicht ook omdat ze een sobere
Yann pionierswerk in Vlaanderen. Alhoewel hij zelf vaak ver-
esthetiek vertonen. Zijn bureau stond niet voor niets vol repli-
kondigde dat hij het niet zo voor die Romeinen had, heeft hij
ca's. Daarnaast was er, steeds aanwezig, de zorg om het erf-
toch ook voor die periode de wetenschappelijke grenzen ver-
goed, het overtuigen van mensen dat zoiets waarde heeft, en
legd. Vele inheems-Romeinse boerderijen en begraafplaatsen
tegelijk de knellende vaststelling dat het een moeilijke, soms
gelegen langsheen of verderaf van de Romeinse Steenstraat
hopeloze strijd blijft, vooral omdat 'alles van waarde zo weer-
maar ook van de 'potten' die hij opgroef. Vooral vanwege het
passeerden voor zijn schop. Het onderzoek van de site Refuge,
loos is'. En dan zijn er ten slotte nog de 'dingen', de elementen
nabij de gevangenis van Brugge, dat hij samen met Bieke uit-
van wat we erfgoed noemen, moeilijk definieerbaar, duidelijk
voerde, kan gelden als het allereerste volledig vlakdekkend op-
op zoek naar een kader waarin ze gevat kunnen worden. Yann
gegraven inheemse nederzettingscomplex uit de Romeinse tijd
wou meer theorie in de Vlaamse archeologie; het moest struc-
in onze contreien. Ook talloze brandrestengraven werden door
tuur brengen in de chaos van uiteenlopende benaderingen,
Yann onderzocht, niet in het minst de 500 graven van de grote
visies en ideeën, of net het gebrek daaraan blootleggen. Niet
Romeinse begraafplaats die hij op het sportveld van Ouden-
iedereen kon hem daarin volgen. Maar nu hij er niet meer is,
burg noodarcheologisch onderzocht. Naast de archeologie van
kunnen we hem misschien proberen in te halen.
de vroege middeleeuwen droeg het grafgebruik in de Romeinse tijd wellicht nog het meest zijn interesse weg. Zijn lezing vroeg in 2011 gehouden in Middelburg (NL) handelde net over dit thema en bracht een diepgaand overzicht van de complexe problematiek van het Callo-Romeinse begrafenisritueel.
eschermingen
De laatste jaren was Yann wat minder actief op het wetenschappelijk publicatievlak. Toch zullen zijn bijdragen in de
B
boeken Vondsten uit vuur, over een Romeinse begraafplaats in
W
Jabbeke, en in Op het raakvlak van twee landschappen, over de vroegste geschiedenis van Brugge, een synthese blijven vor-
Dirk Pauwels
men van de kennis en ideeën die hij gedurende 30 jaar verzamelde. Hetzelfde zal zeker ook gelden voor zijn bijdrage in Brugge, die postuum in Oxford zal verschijnen.
HUIS AUMANN, SCHOOLSTRAAT 26-28, IN BERINGEN (PAAL)
Yann's verbeten kruistocht naar het innerlijke van de verleden
Op 12 december 2011 werd het Huis Aumann, gelegen School-
dingen en 'de mens achter de pot' veranderde de laatste jaren
straat 26-28, in Beringen (Paal) voorlopig beschermd bij Ont-
voor zichzelf steeds meer in een calvarietocht. De groeiende
werp van Lijst. Het betreft een ad-hocbesluit.
een wetenschappelijk synthesewerk over de geschiedenis van
onwetendheid binnen de archeologie, het procesmatige, bijna bandmatige en inhoudsloze handelen, het gestructureerd re-
De bescherming wordt gemotiveerd door de historische, meer
duceren, het letterlijk vermarkten van de archeologie tot wat hij
bepaald architectuurhistorische waarde. Het dubbelhuis is
vaak "het aanleggen van postzegelverzamelingen" noemde; hij
een eerder zeldzaam voorbeeld van een nog goed herkenbare,
kon het allemaal steeds minder verdragen. Zijn eertijds luide
typische n8de-eeuwse site met latere aanpassingen in de i9 de en
stem begon de laatste jaren, vaak letterlijk, stiller te klinken in
zo 5 " eeuw, een uitgewerkte dorpswoning met aanhorigheden
de kleine wereld van de Vlaamse archeologie. Het werd hem
binnen een landelijke context in de Limburgse Zuiderkempen.
ook steeds moeilijker om energie op te brengen voor zijn pas-
Het gaat om één van de oudste woningen van Paal.
sie. Steeds meer werd de kracht opgeslorpt door de strijd met
De huidige structuur met zijdelingse bijgebouwen wordt dui-
alles en iedereen om zich heen, maar vooral ook met zichzelf,
delijk geregistreerd vanaf de Atlas der Buurtwegen (1840-1844),
een strijd waaruit hij zichzelf moedig bevrijdde.
maar is ouder. Het dwarse dienstgebouw dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw.
Maar uit de erfenis van Yann moet zonder twijfel een en ander
De authenticiteit van het pand vertaalt zich in de diverse ar-
bewaard blijven. Het zijn allemaal aspecten die hem zelf ook
chitectonische elementen van het exterieur - de volumetrie,
nauw aan het hart lagen: 'interesse', 'esthetiek', 'waarde' en
de bedaking met relatief hoge dakhelling en aandaken, de
'dingen'. Zijn onverzadigbare wetenschappelijke interesse,
opstand, de afwerking van de gevels en het schrijnwerk - en
zelfs niet te stelpen met meters boeken, moet allereerst een
van het interieur met zijn waardevolle bestanddelen: trappen,
voorbeeld vormen en zijn publicaties kunnen niet anders dan
binnendeuren, vloeren, schouwen en stucplafonds.
Het Primitief Plan, Sectie C, 2de blad, "opgemaekt in het jaar 1827 en overzien in het jaar 1843 onder de besturing der heeren Lambotte, Inspecteur, en Houben Ingénieur Vérificateur door den landmeter Heeluyse", toont acht percelen. Volgens de kadastrale legger bij dit Primitief Plan, opgesteld in Hasselt op 24 september 1844 door de heer Lambotte, wordt perceelnummer 821 als "vyver" aangeduid; dit is de omgrachting van het complex. De perceelnummers 822 tot 827 en 829 zijn respectievelijk: 822: tuin-weide; 823: heide bouwland, 824: huis; 825: weide; 826: "boomgaerd" bouwland; 827: tuin en 829: heide weide. Dezelfde percelen werden in de loop van de i9 de eeuw vererfd door de familie Aerts en kwamen in 1898, eveneens door vererving, in het bezit van de familie Aumann, namelijk van Frans Nicolaas Josef Aumann, "oud opzichter van het lager onderwijs, Poe/". Volgens de kadastrale mutatieschets 1958/70 ontstaat groten-
Voorgevel Huis Aumann
deels de huidige configuratie van percelen. Door verbreding van de School- en Sint-Janstraat worden de percelen ten noor-
De oorspronkelijke percelen zijn gedurende eeuwen ongewij-
den afgerond en verkleind (mutatieschets 1959/39). Door ver-
zigd gebleven, mits kleine aanpassingen aan de rand en een
breding van de Totenbergstraat ten zuiden wordt perceel 822
andere indeling ervan. Dit gegeven onderstreept het feit dat
verkleind (mutatieschets 1981/4).
het goed, zowel qua omvang als qua architecturale configura-
Sinds het Primitief Plan tot vandaag de dag bleef de afbakening
tie, doorheen de tijd zo goed als onveranderd tot ons is geko-
van het terrein quasi ongewijzigd, met uitzondering van de
men, hetgeen de waarde ervan aantoont.
verkleiningen door wegverbredingen.
De woning behield tot slot - alleszins in de zone die voorheen
Het is één van de oudste panden van Paal, getuige de in de
binnen de omgrachting viel - nog goed zijn onbebouwde
periode 1975-1979 opgetekende en in 1981 gepubliceerde In-
kader van tuin en weiland. Buiten de omgrachting komen zo-
ventaris van het Bouwkundig erfgoed (cf. infra bibliografie).
mereiken voor en een oude lindestoof. Het geheel, strategisch ingeplant op een straathoek en met vooraan een geschoren ligusterhaag, is dan ook uitgesproken beeldbepalend.
Het huidige geheel bestaat uit een dubbelhuis, parallel met de Schoolstraat, en rechts daarvan een haaks ingeplant, losstaand dienstgebouw met dwarsschuur en stallingen, beide elementen
Ongeveer op dezelfde plaats van het wooncomplex geeft de
grenzend aan een voorerf.
Ferrariskaart (1771-1777) twee parallelle, niet even lange gebouwen weer, waarvan er wellicht één - waarschijnlijk het meest
De woning, vijf traveeën breed en één bouwlaag hoog onder
noordelijk gelegen kortste element - met het huidige gebouw
een zadeldak met Vlaamse pannen, is herkenbaar als een in
is te associëren. In de wijdere omgeving zijn slechts enkele
kern iS^-eeuws pand met nevenvolumes, latere, i9 de - en 20!te-
panden aangeduid, meer ten zuidwesten aan de Schoolstraat.
eeuwse aanpassingen en een eigen typologie voor de diverse
Ten zuiden van de site - de Totenbergstraat wordt nog niet
periodes. Op basis van de schoorstenen en het stucwerk in de
geregistreerd - is het terrein zompig.
grote gelijkvloerse vertrekken, de opkamer en de kamer boven
In de Atlas van de Buurtwegen (1840-1844) is het meest zui-
de linkerzijbouw kan de oudste bouwfase in de tweede helft
delijke van de twee door de Ferraris aangeduide gebouwen
van de 18de eeuw worden gesitueerd. Ook de van twee panelen
verdwenen en het overblijvende toont duidelijk de huidige
voorziene binnendeuren, alsook de voor- en achterdeur- zon-
structuur van het hoofdgebouw: een breedhuis met een gepro-
der bovenlicht - zijn vermoedelijk i8de-eeuws, inclusief een
nonceerde middenrisaliet aan de voorzijde, die eigenlijk het
deel van hun hang- en sluitwerk.
hoofdelement van de zijbouwsels onderscheidt. Het geheel
De huidige structuur met zijdelingse bijgebouwen wordt, zoals
is te situeren in de noordelijke hoek van een groot, omgracht
gezegd, duidelijk opgetekend vanaf de Atlas der Buurtwegen,
terrein. Een bruggetje ligt in het verlengde van de centrale in-
maar is ouder. De gegevens op de Ferrariskaart (1771-1777) zijn
gangspartij. De omgrachte site is ingeplant in het midden van
te vaag om de toenmalige configuratie van het gebouw goed in
een grotendeels onbebouwd, driehoekig terrein, dat afgezien
te schatten.
van de Schoolstraat en Sint-Janstraat nu ten zuidwesten ook
Het sobere exterieur doet eerder een latere - i9de-eeuwse -
door de Totenbergstraat wordt afgezoomd.
ingreep veronderstellen. Het gros van het buitenschrijnwerk is
Het primitieve plan van het Depot de la Cuerre - met terrein-
in elk geval i9de-eeuws en ook het dienstgebouw dateert uit
opname van 1876 - toont dezelfde structuur, met toevoeging
deze periode. Uit de late ig''" tot vroege 20s,e eeuw dateren tot
van de huidige losstaande dienstvleugel, haaks op het hoofd-
slot de bevloering van de centrale gang en de zijgebouwen,
gebouw. Dit losstaande bijgebouw dateert dus van de tweede
alsook een deel van het binnen- en buitenschrijnwerk.
helft van de i9 de eeuw.
De woning bezit een sterke authenticiteit qua ex- en interieur.
De latere aanpassingen zijn eveneens authentiek voor de be-
Persbericht Kempens Landschap vzw
treffende periode. Binnen de omgrachting - die voor de helft bewaard bleef, namelijk ten westen en ten zuiden, en elders gedempt nog gedeeltelijk herkenbaar is aan depressies op het terrein en een drassige bodem -, behield het geheel zijn onbebouwde context. Hoofdvolume en dienstgebouw bakenen een voorerf af, dat
RIJKSWELDADICHEIDSKOLONIES VAN WORTEL EN MERKSPLAS: UNESCO WERELDERFGOED? VLAAMS KANDIDAATSDOSSIER IN OPMAAK
Ö CU
aan straatzijde met een geschoren ligusterhaag is afgelijnd en
• 1—1
voorzien is van een toegang tussen bakstenen pijlers. Achter
De voormalige rijksweldadigheidskolonies van Wortel en
het hoofdvolume strekt zich een tuin uit, de zone rechts van
Merksplas, die vandaag de dag beschermd zijn als landschap,
PQ
het geheel fungeert als verruigd weiland. Ten noordwesten,
krijgen in de toekomst misschien een plaatsje op de UNESCO
net buiten de omgrachting, komt op de perceelsgrens een
World Heritage List.
circa 200 jaar oude lindestoof voor. Aan de noordoostelijke en zuidoostelijke grens van het terrein (ongeveer de percelen 829
UNESCO werelderfgoed
en 831A op de kadastrale mutatieschets 1958/70) komen rijen
De UNESCO Werelderfgoedlijst - die dit jaar 40 jaar bestaat-
zomereiken voor, die circa honderd jaar oud zijn.
is een verzameling van heel bijzondere erfgoedsites. Het gaat
De zone buiten de grachten, binnen de sinds de Atlas der
daarbij zowel om natuurgebieden als sites die door de mens
Buurtwegen geregistreerde driehoek Schoolstraat-Sint-
werden gebouwd. Ze illustreren stuk voor stuk belangrijke pe-
Janstraat-Totenbergstraat, is thans grotendeels verkaveld en bebouwd. Aan de overzijde van de Schoolstraat is nu storende, vrij hoge nieuwbouw met appartementen aanwezig, evenals meer ten westen richting de neoromaanse parochiekerk SintJan-de-Doper.
riodes in de geschiedenis van de mens en de aarde. In België staan onder meer de Vlaamse begijnhoven, de Grote Markt in Brussel en het centrum van Brugge op de lijst. De opname op de UNESCO Werelderfgoedlijst is een symbolische erkenning - er is geen geld aan verbonden. Er gaat een hele selectieprocedure aan vooraf. Net die selectieprocedure
De huidige tweewoonst is thans voor de ene helft bewoond,
wordt nu voor de kolonies van Wortel en Merksplas opgestart.
voor de andere helft leegstaand. Ook al is het pand niet aangepast aan de huidige leefnormen, het geheel blijft niettemin, na
De Kolonies: een rijke geschiedenis zichtbaar in het landschap
de nodige veranderingen, voor toekomstige bewoning vatbaar.
De kolonies hebben immers een heel rijke geschiedenis. Ze
Tevens kan gedacht worden aan een horeca- of andere sociale
werden opgericht in het begin van de i9 d5 eeuw, toen het hui-
functie, gezien de strategische ligging van de i8de-eeuwse site in de dorpskern, vlakbij de parochiekerk. Het moet mooi wonen zijn in een naaste groene omgeving met eeuwenoude grachten, bomen en een lindestoof, ook al is de nabije dorpskern door jarenlange ruimtelijke wanorde grotendeels verknoeid. Laat ons hopen dat de alom bekende dichtregel van Lucebert: Alles van waarde is weerloos, met het voortaan beschermde huis Aumann, in een voor de toekomst positieve richting kan worden omgebogen.
Bibliografie BROCKMANS C, Van buitingtot Paal, Leuven, 1978, p. 82-104 (passim), oude foto op p. 104. DEFRESNE S. en WUYTS V., dossiernr. DL2456, Hasselt, Monumenten en Landschappen, Buitendienst Limburg, 2005 (eerste, nietig verklaard beschermingsdossier). LUYTEN A., Paal. Beelden van vroeger..., Beringen-Paal, 2004, p. 33-34, afb. en oude prentkaart. PAUWELS D., dossiernr. DL2609, Hasselt, Ruimte en Erfgoed, Afdeling Limburg Onroerend Erfgoed, 2011. SCHLUSMANS F., Boawen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 6ni (A-Ha). Provincie Limburg. Arrondissement Hasselt. Cent, 1981, p. 41.
Ingekleurde litho
^-^ &**&:''''-';/-'*''
p
dige België nog deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. In die tijd greep de verpaupering sterk om zich heen.
Tentoonstellinng
Landbouwkolonies werden door de toenmalige bewindslieden gezien als een middel om landlopers en bedelaars werk te verschaffen en een beroep aan te leren.
CU
ö
Ö •i-H
PQ 10
Marjan Buyle In het Noorden van Nederland, in de provincie Drenthe, had men vanaf 1818 soortgelijke landbouwkolonies ingericht, die erg succesvol waren. Vanaf 1822 werd er in Wortel gestart met de ontginningswerkzaamheden en wat later ook in Merksplas.
EEN SCHILDERIJ VAN BRUECEL DOORGELICHT
Grote gebieden heide werden omgezet In percelen landbouwgrond, van elkaar gescheiden door rechte dreven. De groot-
Als voorbereiding op een tentoonstelling in de Villa Auban in
schaligheid van de onderneming, de voorbeeldfunctie die de
Luxemburg werd een schilderij met voorstelling van De moord
landbouwkolonies hadden, de vele relicten die er nog van aan-
op de onnozele kinderen, dat traditioneel werd toegeschreven
wezig zijn en de lange geschiedenis ervan maken dat ze heel
aan Pieter Bruegel de Oude, onderzocht en gerestaureerd
betekenisvolle plekken zijn geworden.
door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium. Het
Tot in 1993 werden op de sites in Vlaanderen landlopers en
onal Museum in het Roemeense Sibiu.
paneel maakt deel uit van de collectie van het Brukenthal Natibedelaars opgevangen. Toen in dat jaar de "wet op de landloperij" afgeschaft werd, werd iedereen die nog vastzat vrijgela-
Uit dit wetenschappelijk onderzoek bleek dat het onmogelijk
ten. Omdat de bijzondere waarde van de Kolonies daardoor
van de hand van Bruegel de Oude kon zijn, vermits uit het den-
dreigde verloren te gaan, werd in 1997 vanuit de provincie
drochronologisch onderzoek van het hout waaruit het paneel
Antwerpen de vzw Kempens Landschap opgericht om ervoor
vervaardigd was, bleek dat de boom gekapt werd tussen 1585
te zorgen dat de Kolonies - als bijzonder landschap - als 1
en 1594. Bruegel de Oude was toen al overleden. De houtsoort
geheel zou bewaard blijven. Samen met andere partners en
werd geïdentificeerd als Baltische eik, wat niet als een verras-
overheden werd deze doelstelling gehaald.
sing kwam omdat tal van kunstwerken uit de i5de en i6 de eeuw
Samen met Nederlandse landbouwkolonies
objecten van groot formaat.
uit hout van deze streken vervaardigd is, vooral als het gaat om Het initiatief voor de nominatie op de Werelderfgoedlijst werd genomen door de sites in Drenthe. Zij werden in 2011 op de
Door onderzoek met infrarood reflectografie en röntgenfoto-
Nederlandse 'voorlopige lijst' gezet - dat is de lijst waarin
grafie werd het mogelijk om onder de verflaag te kijken.
elk land moet aangeven welke sites het één van de volgende jaren zal voordragen voor de UNESCO Werelderfgoedlijst. Nederland wil samen met Vlaanderen een gemeenschappelijk
Detail van De moord op de onnozele kinderen, Museum Sibiu, normaal licht (© KIK-IRPA Brussel)
dossier indienen bij UNESCO voor alle landbouwkolonies tezamen. Daarvoor moeten de sites van Wortel en Merksplas eerst op de voorlopige lijst van Vlaanderen komen. De opmaak van het dossier daarvoor wordt gefinancierd met Europese middelen uit het Leader-programma. Eind juni 2012 zal het dossier klaar zijn. Kempens Landschap kijkt alvast uit naar het resultaat!
Detail van De moord op de onnozele kinderen. Museum Sibiu met infrarood reflectografie (© KIK-IRPA Brussel)
Zo wordt onder andere de ondertekening zichtbaar, die typisch
Persbericht Koninklijke Bibliotheek
is voor de hand van Pieter Bruegel de Jonge. Hij zou dus, wat eveneens zeer gebruikelijk was, een populair schilderij van zijn vader bijna letterlijk gekopieerd hebben.
EEN KONINKLIJKE BRON VOOR MERCATOR
Het laboratoriumonderzoek spitste zich toe op de identificatie
Dit jaar herdenkt de Koninklijke Bibliotheek van België de 5oos,e
van de blauwe pigmenten en op het materiaal dat gebruikt
verjaardag van de geboorte van de grootste cartograaf die onze
werd voor de ondertekening. De delen die nu blauwgrijs zijn,
gewesten hebben gekend: Gerard Mercator (1512-1594).
werden geschilderd met smalt. Dit is een pigment dat een
Ze wijdt aan hem een originele tentoonstelling die de aandacht
welgekende degradatie ondergaat van helder blauw naar grijs-
vestigt op het verband tussen het werk van Mercator en dat
blauw. De partijen op het schilderij die nu nog helder blauw
van zijn tijdgenoot Christiaan Sgrooten (ca. 1525-1603).
zijn, werden daarentegen geschilderd met het duurzamere
Beide cartografen vonden
azurietblauw. Het is nu al mogelijk om pigmentonderzoek te
inspiratie in het werk van de
doen met niet destructieve methodes, met andere woorden
ander. Om de kaarten van onze
er moeten geen monsters van de verf genomen worden. Het
gewesten te tekenen baseerde
onderzoek wordt uitgevoerd met X-straal fluorescentie (XRF).
Ö CU •i-H
11
Mercator zich in grote mate op de prachtige Atlas Bruxellensis
Omdat de ondertekening hier en daar doorschemert, was het
(1573) die Sgrooten in opdracht
ook mogelijk om met voornoemde apparatuur het materiaal
van de Spaanse koning Filips
van de ondertekening te bepalen. Deze tekening werd gemaakt
II tekende. De handgetekende
met zwart krijt. Bij eerder onderzochte werken werd een onder-
'koninklijke' Atlas van Sgroo-
tekening in grafiet geïdentificeerd.
ten en de beroemde, gegra-
e Een koninlclijke bron voor
Mercator
veerde Atlas van Mercator De geplande tentoonstelling in Luxemburg toont hoofdzakelijk werken uit de Brukenthal collectie van voormeld Roemeens museum. Samuel von Brukenthal was een aristocraat uit Transsylvanië en bekleedde een hoge functie aan het Oostenrijkse Hof. Hij werd later door keizerin Maria Theresia benoemd tot gouverneur van zijn geboortestreek. Hij was een fervent verzamelaar van allerlei kunstobjecten en, naar analogie met de keizerlijke collectie in Wenen, rangschikte hij zijn verzameling per nationale schilderschool. Deze toen baanbrekende presentatiewijze wordt overgenomen in de grote tentoonstelling Brueghel, Cranach, Titian, Van Eyck. Art Treasures from the Bru-
(postume editie van 1595) zijn echte monumenten van de cartografie in onze gewesten. Beide topstukken van de
^•$
Ter
tfoonstelling
25.04.2012-29.07.2012
J
Koninklijke Bibliotheek werden nauwkeurig met elkaar vergeleken en deze tentoonstelling onthult beetje bij beetje de soms verbazingwekkende resultaten van dat onderzoek.
kenthal Collection in Luxemburg. Welke elementen heeft Mercator overgenomen De tentoonstelling gaat door van 27 april tot 14 oktober
van Sgrooten? Hoe is de
2012 in de Villa Auban, Musée d'Art van de stad Luxem-
cartograaf te werk gegaan?
burg. Open van 10 tot i8u. Gesloten op dinsdag. Bij de
Is die invloed vandaag
tentoonstellling hoort een uitgebreide catalogus in het
nog zichtbaar? Op deze
Duits. Meer info; www.villavauhan.lu
en andere vragen zoekt de tentoonstelling een antwoord. Het zijn vaak kleine, maar veelzeggende details die 'verraden' welke bronnen de cartograaf heeft gebruikt. Stap voor stap ontdekt u hoe een
1512
unieke kaart het resultaat is van compilatie. Tijdens het Ancien Régime was compilatie een vaak gebruikte techniek in de cartografie, die we zeker niet mogen verwarren met het louterweg kopiëren Mercator heeft de informatie afkomstig uit een grondige compilatie van bestaande kaarten aangevuld met de resultaten van zijn eigen opmetingen
2Q12 MERCATOR
en met gegevens die hij vond in niet-cartografische bronnen. De kaart, resultaat van de inbreng van verschillende bronnen en van een reeks persoonlijke keuzes, wordt aldus
een origineel document. Het gebruik van Sgrootens atlas, voor Mercator een 'koninklijke bron', past volledig in dit proces van cartografische creatie.
De tentoonstelling loopt in de Koninklijke Bibliotheek van
ö • 1—1
Mario Baeck enjohan Van Den Mooter
België, Keizerslaan 2 in Brussel, tot 29 juli 2012. Open van maandag tot zaterdag van 9 tot 17U. Inlichtingen: expo®kbr.be. Bij de tentoonstelling hoort
'HERITAGE RECYCLED' PROJECT
een rijkelijk geïllustreerde bezoekersgids die het resultaat 12
is van het onderzoekswerk van de afdeling Kaarten en
Op 19 januari laatstleden is met de ondertekening van een
Plannen.
partnerschapovereenkomst in het Instituut van de ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver de start gegeven van het 'Heritage Recycled' project. Binnen dit Europese project zal in Vlaanderen veel aandacht gaan naar het gebouwencomplex en groendomein van in totaal 10 hectaren, waar de zusters ursulinen generaties lang het leven van kinderen, meisjes en jonge vrouwen hebben georganiseerd.
Natalie Huyghe
In 1841 kwamen de eerste zusters ursulinen van Tildonk naar Onze-Lieve-Vrouw-Waver om het volksonderwijs voor meisjes in de parochie uit te bouwen. Onmiddellijk werd gestart met
DE ARCHEOLOOG IN ACTIE
een betalend pensionaat om de nodige financiële inkomsten te verzekeren. Meer dan een eeuw lang kwamen dochters uit de
AKCHEOLOOG IN ACHE
Wat betekent archeologie vandaag
binnen- en buitenlandse gegoede en kosmopolitisch georiën-
nog? Dertien Europese instellingen
teerde burgerij terecht in een architecturale omgeving die bij
dachten hier de afgelopen vijfjaar
hun sociale klasse paste. Neogotiek, neoromaans, empire en
samen over na. Hun doelstelling:
art nouveau werden in het complex tot een schitterend archi-
archeologie in Europa promoten,
tectonisch geheel samengebracht. Een ruim groendomein, met
een stevig professioneel netwerk
een landschapspark, diverse 'follies', maar ook met een model-
ontwikkelen en een zo groot mo-
boerderij en landerijen vult het geheel aan. Het geheel is dan
gelijk publiek bereiken. Een van de
ook exemplarisch voor de functionele, maar ook esthetische
l
resultaten van deze internationale
waardevolle Vlaamse kostschoolarchitectuur.
I
samenwerking is de tentoonstelling 'De archeoloog in actie'. Die
De rond 1900 in art nouveau stijl gebouwde wintertuin is
bestaat uit een interactieve stand
bovendien een haast unieke realisatie van buitenstedelijke art
met 33 kunstfoto's uit zeven
nouveau in een katholieke context. Deze gedurfde stijlkeuze
Europese landen.
sluit naadloos aan bij de pedagogische vernieuwingsdrang van
(foto O. Pauwels) Deze gratis expo is van 2 tot en met 30 april te bezichtigen in het Boudewijngebouw in Brussel en houdt nadien halt in Gent, Leuven, Tongeren, Oostende en Antwerpen: • 2-31 mei 2012: Sint-Niklaaskerk Koor, Cataloniëstraat, 9000 Gent • 1-29 juni 2012: De Bib Leuven, Tweebronnen, Rijschoolstraat 4/0101, 3000 Leuven • 2-30 juli 2012: Callo-Romeins Museum, Inkomhal, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren • 1-24 augustus 2012: Hotel Thermae Palace, Kunstgalerij, Koningin Astridlaan 7, 8400 Oostende • 3-28 september 2012: Centraal Station - Lokettenzaal, Koningin Astridplein 27, 2018 Antwerpen
Algemeen zicht op de site van de ursulinen (foto A. Van Itterbeeck) de Ursulinen die sterk bijdroeg tot de integratie van moderni-
en stijgende onderhouds- en restauratiekosten. Verschillende
teit in de christelijke wereld.
zalen en ruimtes raakten ook onderbenut, niet in het minst deze die zich moeilijker tot voor de onderwijsactiviteiten
Eenzelfde moderniteit blijkt ook uit de aandacht voor nieuwe
nuttige functies laten omvormen. De vele representatieve
technieken na de eeuwwisseling van 1900: eigen watertorens
en beschermde ruimtes die niet meer door de school of de
met stromend water op alle verdiepingen, eigen elektriciteits-
congregatie gebruikt worden, werden daarom al in 1994 onder-
voorzieningen en centrale verwarming, het vroege gebruik
gebracht in een aparte open-monumentenvereniging, de vzw
van beton voor de bouw van de kloosterkerk, en bij de weder-
Wintertuin. Belangrijke stappen in de herontwikkeling van de
opbouw na de Eerste Wereldoorlog ook de installatie van een
site zijn ondertussen al gezet. Maar een globaal masterplan
eigen telefooncentrale en een op de wereldtentoonstelling
voor de complete site dringt zich nadrukkelijk op.
van 1930 bekroonde elektrische melkerij in de modelboerderij. Daarnaast is op decoratief vlak her en der in het gebouw de
De herwaardering van kerkelijk erfgoed vormt overal in Vlaan-
invloed van de nieuwe art decostijl herkenbaar.
deren - net als in heel wat andere landen -een grote uitdaging.
Vandaag is het Instituut van de Ursulinen een parel van ka-
en zonder baat te hebben bij de ervaring en kennis van andere
tholieke bouwkunst, uniek vanwege de gaafheid, ondanks
regio's en landen.
Momenteel ontwikkelen vele kerkelijke sites zich los van elkaar
het blijvende gebruik als school met vandaag nagenoeg 1700 leerlingen. Toch wordt het instituut geconfronteerd met maat-
Het Europees subsidieprogramma Interreg IVA 2 Zeeën heeft
schappelijke ontwikkelingen die zorgen brengen, met name
daarom een subsidie toegekend aan Kempens Landschap vzw
een onomkeerbare en snelle daling van het aantal religieuzen
en haar Engelse partners The Churches Conservation Trust en
(foto O. Pauwels)
(foto O. Pauwels)
Suffolk Mind voor het project "Heritage Recycled" (HERE). Met Europese steun gaan deze partners enkele bedreigde gebouwen en erfgoedsites trachten te herontwikkelen en de kennis rond behoud,herbestemming en renovatie ervan bundelen
Ö
ö • 1—I
en uitwisselen. Daartoe willen de partners een internationaal overlegorgaan oprichten en een werkmethode ontwikkelen die toepasbaar is voor de restauratie en herbestemming van cultuur-historisch erfgoed.
PQ De partners gaan concreet samenwerken rond vijf waardevolle
•4
erfgoedsites in Vlaanderen en Engeland. Aan de hand van voorbeeldprojecten zoals het Instituut van de ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver of de Engelse kerk van Saint-Mary at the Quay in Ipswich zal gewerkt worden aan een toekomst voor het religieuze erfgoed binnen Europa. Kempens Landschap vzw streeft hierbij naar een groter en sterker draagvlak voor het behoud van cultuur-historisch erfgoed. Het behoud maakt tegelijkertijd een bredere openstelling voor het publiek mogelijk zodat iedereen kan genieten van de pracht van het verleden in Vlaanderen en Europa. Het project is goedgekeurd voor een totaal van 1.215.033 euro Europese steun, waarvan 323.025 euro gaat naar Kempens Landschap vzw.
Marjan Buyle
HET MOU MUSEUM IN OUDENAARDE
Het museu MOU in het stadhuis van Oudenaarde (foto K. Vandevorst, © VIOE)
Op 17 maart opende het nieuwe MOU museum, het museum
interregionale en zelfs internationale uitstraling. Oudenaarde
voor Oudenaarde en Vlaamse Ardennen. Belangrijk is dat de
werd een van de belangrijkste wandtapijtencentra in Vlaande-
vestiging van dit nieuwe museum het stadhuis van Oudenaar-
ren, naast Arras, Doornik, Brussel, Cent en Brugge. De Ou-
de is. Dit merkwaardig gebouwenensemble bestaat thans uit
denaardse wandtapijten vonden dan ook een groot afzetgebied
de oude i4de-eeuwse lakenhalle, enkele restanten van het oude,
en werden uitgevoerd over heel West-Europa.
gelijktijdige schepenhuis en het opvallende nieuwe stadhuis uit de i 6 d ' eeuw in Brabantse laatgotiek. De belforttoren behoort,
Het MOU bezit eveneens een rijke en gevarieerde zilvercollec-
tezamen met andere belforten, tot het UNESCO Werelderf-
tie waarvan het overgrote deel de verschillende hoogtepunten
goed. Het museum, dat de geschiedenis van Oudenaarde en
en de regio's van de Europese edelsmeedkunst presenteert en
de Vlaamse Ardennen op een boeiende manier voorstelt, be-
het andere deel een mooi en bijna volledig overzicht weergeeft
vindt zich in de oude lakenhalle, het symbool van het roemrijke
van Oudenaards zilver tijdens het Ancien régime. De verzame-
textielverleden van de stad.
ling is verspreid over drie zalen: de oude kapel, de Oppervoogdenkameren de Crote Zilverzaal De Boever-Alligoridès.
Het MOU zoomt bijvoorbeeld in op een i6de-eeuws wandtapijt, dat ooit aan Alexander Farnese werd geschonken. Via twaalf draaiende prisma's kun je zelfde details uitvergroten. Fragment na fragment geeft het kunstwerk zijn geheimen prijs. Nooit eerder werd een wandtapijt op die manier getoond. In de bovenlakenhalle zijn originele Oudenaardse wandtapijten te
Het museum bevindt zich in het stadhuis
zien, waaronder de typische verdures. Dit zijn 'groene' wandta-
van Oudenaarde, aan de Grote Markt.
pijten met prachtige landschappen.
Open van iou tot 17.30. Gesloten op maandag.
In Oudenaarde ontwikkelde de tapijtweverij zich vanaf de laatste decennia van de i4deeeuw samen met de linnennijverheid en naast de draperie. Deze industrie gaf aan Oudenaarde een
Lynn De Clercq
samen met het feit dat het Tweede Protocol recent door België werd geratificeerd, veronderstelt ook dat er actie wordt ondernomen door alle bevoegde niveaus om de bepalingen van het
HET VERDRAG VAN 'S-CRAVENHACE (1954) INZAKE DE BESCHERMING VAN CULTUURGOEDEREN IN GEVAL VAN GEWAPEND CONFLICT
J-H
verdrag naar best vermogen toe te passen. Ook Onroerend Erfgoed werkt hier op constructieve wijze aan mee.
•»—1 Het Verdrag van 's-Gravenhage (ook wel Verdrag van Den Haag) uit 1954 inzake de bescherming van cultuurgoederen in geval van gewapend conflict en het Eerste Aanvullende
•5
Protocol bij dit verdrag werden door België al in i960 geratificeerd. Na de Tweede Wereldoorlog bleek immers opnieuw dat militaire operaties vaak ook leiden tot de vernietiging van onvervangbaar cultureel patrimonium. Het verdrag regelt de eerbiediging van de beveiliging van cultuurgoederen zowel op het grondgebied van de verdragsluitende staten zelf als op het grondgebied van andere staten in tijden van conflict. Die goederen kunnen zowel roerend als onroerend zijn. De verdragsluitende staten verbinden zich ertoe om al in vredestijd te voorzien in de beveiliging van de cultuurgoederen die zich op hun grondgebied bevinden tegen de voorzienbare gevolgen van een conflict.
Een Tweede Aanvullend Protocol bij dit verdrag werd opgesteld in 1999. Dit Tweede Protocol werd door België geratificeerd op 13 oktober 2010 en is in werking getreden op 13 januari 2011. De ratificatie van het protocol brengt enkele nieuwe verplichtingen boven op de bestaande met zich mee. Het Tweede Protocol zorgt onder andere voor een nieuwe categorie van goederen die 'versterkte bescherming' kunnen genieten. Elke partij van het Tweede Protocol dient daarom een lijst voor te leggen van deze cultuurgoederen waarvoor zij 'versterkte bescherming' vragen. Het protocol voorziet bovendien ook in een betere omschrijving van de notie 'dwingende militaire noodzaak' en de notie 'conflict'. Hierdoor vallen ook interne conflicten zoals burgeroorlogen onder de bepalingen van dit verdrag. Verder voorziet dit protocol in de strafbaarheidstelling van opzettelijke overtredingen van de bepalingen van het verdrag en de aanvullende protocollen. Voor België worden de opvolging en de implementatie van het
-» M&L ONLINE <-
verdrag voorbereid door de Werkgroep Cultuurgoederen bij de Interministeriële Commissie voor Humanitair Recht (ICHR). Deze werkgroep - die is samengesteld door de bevoegde instanties van de federale overheid en van de gewesten en gemeenschappen, samen met nog andere instanties zoals het Belgische Rode Kruis, Unesco, Icomos, Blue Shield - maakt
M&L ... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!
werk van de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit dit verdrag en de twee aanvullende protocollen. België neemt vandaag een actieve rol op in de Vergadering van de Hoge Verdragsluitende Partijen van het Tweede Protocol bij het Verdrag van 's-Gravenhage. België is namelijk verkozen tot het Comité (van 2012 tot 2015) en ook tot het Bureau van het Comité (voor 2012). Deze actieve rol op internationaal vlak,
Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschrittnummers gratis downloaden!
There is nothing in which the birds differ more from man than the way in which they can build and yet leave a landscape as it was before. Vogels verschillen vooral daarin van de mens dat zij kunnen bouwen en een landschap toch laten zoals het ervoor was.
(4). Het locutorium is, samen met de oude gebouwen die de abdij van het Park uitmaken, als monument beschermd op 8 maart 1940.
De herbestemming van de Parkabdij De huidige vergrijzing van het kloosterleven laat zich ook in de Parkabdij gevoelen, waardoor het beheer van het gebouwenpatrimonium onder druk is komen te staan. Eind 1994 is een werkgroep opgericht waarin deze problematiek is onderzocht in het licht van een mogelijke herbestemming van de abdij. In 1997 werd de vzw Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC) opgericht op initiatief van de vijf Vlaamse bisdommen, de koepelverenigingen van religieuze gemeenschappen in Vlaanderen, de norbertijnenorde en de katholieke universiteit van Leuven. Het fungeert als aanspreek- en adviespunt voor de inventarisatie, het behoud en het beheer van roerend religieus erfgoed in Brussel en Vlaanderen met nadruk op de ontsluiting en
valorisatie van kerkelijke archieven. In de afgelopen tien jaar is het aantal religieuzen in Vlaanderen met een derde gedaald en meer dan een kwart van de kloostergemeenschappen is opgeheven (5). Om dit probleem van het beheer van hun roerend patrimonium het hoofd te kunnen bieden, wordt het CRKC verder uitgebouwd in de richting van een gewestelijk expertisecentrum in combinatie met de oprichting van een Museum voor roerende Religieuze Kunst en Cultuur (MRKC) waardoor de Parkabdij zich als een centrale erfgoedsite presenteert in Vlaanderen.
Het locutorium en de abdijgebouwen in 2007, vóór de aanvang van de werken (foto D. Nuytten)
Met het oog op de restauratie van de abdijgebouwen, is in 2005 een openmonumenten vereniging vzw Abdij van Park opgericht. Dergelijke vereniging heeft als hoofddoelstelling de instandhouding, het beheer en de ontsluiting van een open monument dat ze in eigendom of erfpacht heeft. Een open monument is een beschermd monument waar overwegend niet-commerciële
M&L
35
Postkaart met het kerkhof, abdijkerk en locutorium (privécollectie)
de t'iyii. r.'éL'hse iln l'nri- fut iMHStruite en »ty!e rODiao liur.tnt la l" BUUU du XIII* siurle. La Ta, ade. qiiiétaitde rópoq-io d« trausitioD a óté M)U< rcuient mndillèc ver» I72U. par labbi de Waerte^here qui la Kermonta tl'iine tour iiiipeiaiite et abrita les ^ uofs de ['é^UM sous mie "eitle tolture Lne petite porte laterale beuchèe e«t Ie eeul rcsle viüfble de .'état priiuitir. Le carillon qui ie irenvalt dans cotte tour est aetuelleuient a la eollépiale St-Pierre.
In de visie van de vereniging kan de kernzone in de toekomst de hoofdfunctie van het museum opnemen en kunnen de wetenschappelijk-culturele activiteiten er zich ontplooien. Het museum kan er onderdak vinden, met tentoonstellingsruimten, depot, onderzoekruimten en ateliers (9). In de kerk kunnen religieus geïnspireerde evenementen zoals concerten, dansvoorstellingen, tentoonstellingen en vieringen doorgaan. De huidige leden van de kloostergemeenschap zullen zich in de oostelijke vleugel en de prelatuur terugtrekken.
Het locutorium vanuit het zuidwesten (fotoP. Becker. © KIK)
activiteiten worden uitgeoefend en dat als een bezienswaardigheid voor het publiek wordt ontsloten (6). Het beleidsplan van de vereniging onderscheidt op de abdijsite drie zones met verschillende functies: de religieuze kernzone, die de kerk en het daustrum omvat (dit zijn de gebouwvleugels rond het kloosterpand), de economische zone rond het neerhof, en de landschappelijke zone met de vijvers, de abdijdreef en de weiden. In het herbestemmingsplan worden tevens drie groepen van activiteiten voorzien
36 I M&L
passend bij elke zone (7). Het locutorium bevindt zich in de religieuze kernzone: deze zone kenmerkt zich binnen het huidige gebruik van de abdij als kloostergemeenschap als kern van het religieuze leven (het leven van de kloosterlingen in gemeenschap, gebed, stilte en studie) en wordt gevormd door een aaneengesloten gebouwencomplex met kerk, kloosterpand met pandgang, kapittel en dormitorium, prelatuur en salons, refectorium en bibliotheek, gastenkwartier en infirmerie. Als uitbreiding bij deze kernzone horen de annexgebouwen die er onmiddellijk in verband staan en de overgang vormen naar de andere zones: het locutorium en het provisorenhuis (8).
Het museumproject is echter een project van lange adem dat in opeenvolgende fasen gerealiseerd wordt. De eerste fase is achter de rug en betreft de restauratie en herbestemming van het locutorium, dat tot voor kort als pastorie van de abdijkerk diende. Het gerestaureerde gebouw concentreert allerlei functies die nodig zijn voor het toekomstig gebruik van de abdijgebouwen als museumsite. Het zijn functies die tevens bij voorkeur buiten de waardevolle en gaaf bewaarde kloostergebouwen zelf worden gehouden, omwille van hun toch ingrijpende bouwkundige impact op het historische gebouwenweefsel, zoals een sanitair blok, een lift en een ontvangst- en ticketbalie. Het locutorium speelt daarmee een strategische rol in het onthaal van de toekomstigs bezoekers van de abdij. De ligging van dit gebouw maakt het tot een knooppunt tussen de kerk enerzijds en de westvleugel met de salons anderzijds. Via het locutorium wordt tenslotte het toekomstige museum ook bereikbaar voor andersvaliden door plaatsing van een platformlift.
Architectuur van het locutorium Het locutorium leunt aan bij de vleugels die de kern van de abdij vormen. Het is een grotendeels vrijstaand bouwvolume, opgetrokken in de zogeheten traditionele bak- en zandsteenstijl, met twee bouwlagen onder een steil zadeldak. Er waren geen kelders in het gebouw. Iconografisch onderzoek toont dat zich hier, nog voor het huidige gebouw is opgetrokken, een ouder gebouw heeft bevonden. Deze voorganger was minder groot dan het huidige locutorium en gaat vermoedelijk terug tot ten minste de vroege i7de eeuw. Er mag van uitgegaan worden dat het vorige gebouw haast volledig is afgebroken en omstreeks 1718 vervangen door het huidige, opgetrokken als een volledig nieuwe bouwmassa. Tijdens de werken is alleen aan de oostzijde een ouder gebouwdeel aangetroffen in de vorm van een zich binnen het huidige volume bevindende trappentoren, die vermoedelijk teruggaat tot de i5de eeuw. Het locutorium is grondig verbouwd in de 19* eeuw, waarbij belangrijke planwijzigingen in het interieur zijn doorgevoerd. Later, in de jaren 1950, volgde een restauratiecampagne onder leiding van architect ir. Vandendael waarbij het gebouw weinig wezenlijke wijzigingen onderging; er is toen voornamelijk een nieuwe dakbedekking geplaatst en de dakkapellen en het fronton zijn vernieuwd. De architectuur van het spreekbuis kenmerkt zich door haar drie zeer verschillende gevels. De gevel aan de zijde van de kerktoren van de Sint-JanEvangelistkerk is opgetrokken in traditionele baken zandsteenstijl en telt zeven traveeën met een centrale toegangstravee. Centraal in de gevel is een
architecturaal accent aangebracht in de vorm van een laatbarok deurportaal, waarboven een venster met balustrade in blauwe hardsteen is geplaatst. Dit was oorspronkelijk open, maar werd omstreeks 1900 ingevuld met baksteen metselwerk. Iconografische vergelijking met andere gebouwen uit dezelfde periode leert dat hier dan vermoedelijk een dubbele beglaasde deur met roedeverdeling aanwezig was (10). In het portaal is het jaartal 1718 aangebracht, als aanduiding van de einddatum van de bouw. Het geheel is opgetrokken uit baksteen metselwerk op een plintparement van witte steen (90% Gobertange en 10% Balegem). Omdat het maaiveld in de loop der tijd is opgehoogd, was de plint oorspronkelijk visueel hoger. Het bakstenen parement bevat zachtgebakken stenen in formaat 25 x 12,5 x 6 cm die vandaag middelmatig tot ernstig verweerd zijn: de stenen blijken ook schadesporen te vertonen van een behandeling met een steenschaaf of -kam.
De noordgevel Uit het materiaaltechnisch onderzoek, uitgevoerd door Johan Grootaers voor A.M. Consult, blijkt dat de oorspronkelijke gevelafwerking van de noordgevel is verwijderd, waarover verder meer (n). Dit gebeurde vermoedelijk omstreeks 1900. Het baksteenparement was afgewerkt met een licht hydraulische kalkmortel met zandtoeslag, aangebracht bijna onmiddellijk na het metselen. Deze maximaal tot slechts 6 millimeter dikke mortellaag is aansluitend geschilderd in een rode kleurstelling, in het onderzoek aangeduid als Venetiaans rood naar het gelijknamige aardepigment, waarop dan een regelmatig voegpatroon in witte voegschildering was aangebracht, met dagstreep in de doorgaande horizontale lintvoegen (12). Een restant van deze oorspronkelijke afwerking is bewaard gebleven in de uiterste oostelijke hoek van de gevel, waar een rest van ongeveer een halve vierkante meter van de mortellaag is behouden. Toen de pleister werd verwijderd met kam of schaaf, is de oppervlakte van de bakstenen beschadigd geraakt. Het metselwerk werd dan hergevoegd met een kalkzandmortel, breed gedagstreept en deels ingekleurd met een kalk/olie emulsie, gepigmenteerd met zogeheten caput mortuum (13).
Gezicht op de vroegere trappentoren, vermoedelijk teruggaand tot de i5de eeuw, met zeer verzorgd parementwerk (foto D. Nuytten)
M&L
37
Zuidgevel van het locutoriurr bestaande toestand vóór de werken (foto D. Nuytten)
De noordgevel kenmerkt zich door een platteband omlijsting van Lediaanse kalksteen waarbinnen laatbarokke rechtgekante kruisvensters zijn geplaatst. Een dergelijke gevelopstelling komt bijvoorbeeld ook voor aan de gevels rond de binnenkeer van het
Hollandcollege in het nabijgelegen Leuven (12). De gebruikte Lediaanse witsteen is Balegems, op de tijdens de i9de-eeuwse restauratie- en verbouwingscampagne vervangen delen in Gobertange na (14). De monelen van de kruisvensters op de gelijkvloerse verdieping zijn van Henegouwse carboonkalksteen (Doornikse steen). Hier zijn zowel in de boven- als onderlichten smeedijzeren diefijzers aanwezig. Op de bovenverdiepingen wijzen de uitsparingen in boven- en onderdorpels erop dat hier ook diefijzers aanwezig waren. In de rechterhelft van de gevel (westen) zijn zes kruisvensters rond 1900 dichtgemetseld en -gepleisterd. De reden hiervoor kan mee ingegeven zijn door de stabiliteitsproblemen van de funderingen, waarover verder meer. In de overige vensteropeningen bevindt zich witgeschilderd schrijnwerk uit de restauratiecampagne van circa 1900 met roedeverdeling. De toegangsdeur is een goed bewaarde eikenhouten klampdeur uit de vroege i8 de eeuw met intact hang- en sluitwerk: het materiaaltechnisch onderzoek toont aan dat de nu witgeschilderde deur oorspronkelijk egaal middengrijs was (15).
De noordgevel van het locutonum, toestand na de werken (© I- Schoors)
38 I M L
De klokvormjge top van de westgevel van het locutonum, toestand vóór de werken (foto P. Stevens)
De west- en zuidgevel De westgevel is de meest opvallende gevel van het gebouw en door zijn positie valt hij onmiddellijk op bij al wie zich naar de kerk begeeft. Het is een laatbarokke representatiegevel in bak- en zandsteenstijl met een markante klokvormige top. De gevel bevat twee gebouwhoge vensterregisters met boven elkaar geplaatste kloosterkozijnen gevat in een omlopende band van witte steen. Oorspronkelijk was dit, net als in de noordgevel, Ledesteen (Balegem), maar in de restauratiecampagne van omstreeks 1900 is veel steen uitgewisseld voor de meer klimaatbestendige Gobertange steen. Enkel de zuidelijke hoekketting was al uitgevoerd uit Gobertange, aansluitend op de volledig met diezelfde parementsteen beklede zuidgevel (zie verder). De basis van de klokgevel wordt gevormd door een kroonlijst die omlopend op dezelfde hoogte het hele gebouw omvat. De klokvormige top wordt afgeboord met opvallende voluten afgewerkt met in- en uitzwenkende randplattebanden van witstenen segmenten, aan elkaar bevestigd met smeedijzeren doken. Centraal in de gevel bevindt zich een rond cirkelvormig veld met een stervormige decoratie waarmee de gevel direct opvalt op de site. Links en rechts zijn jaarstenen aangebracht: anno (links) en 1718 (rechts). De westgevel had oorspronkelijk dezelfde gevelafwerking als de noordgevel met Venetiaans rood geschilderd pleisterwerk met geschilderde voegimitatie (16).
Waar noord- en westgevel onderling sterke overeenkomsten vertonen op gebied van materiaalgebruik en afwerking, wijkt de zuidgevel hiervan af. Deze gevel is niet uitgewerkt in een bak- en zandsteenstijl met geschilderde pleisterlaag, maar volledig bekleed met een gevelparement van witte natuursteen waarmee zij aansluit op de aanpalende gevels van de prelatuur die hier de abtstuinen omgeven. Vermoedelijk is getracht om voor alle gevels die de tuin omgeven een eenheidsbeeld te creëren. Het parement is hoofdzakelijk uitgevoerd in Gobertange, met hier een daar een beperkte hoeveelheid Lediaanse steen (Balegem). Deze gevel is integraal opgetrokken tijdens de bouwcampagne kort voor 1718 waarin ook het locutorium is opgetrokken en er zijn geen sporen van overblijvend ouder, laatmiddeleeuws metselwerk aanwezig in dit deel van het gebouw. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden dat het parement met een kalklaag overschilderd was. De vensters op de begane grond waren gevuld met witstenen kruismonelen waarvan de sporen in de neggen nog goed afleesbaar zijn. Op de bovenverdieping zijn deze nog aanwezig, grotendeels uitgevoerd uit Gobertange witsteen, onderaan met luiksponningen, bovenaan kwarthol geprofileerd. Al het buitenschrijnwerk dateerde uit de vroege 2oste eeuw (17).
Bouwgeschiedenis Het locutorium heeft een relatief eenvoudig te achterhalen bouwgeschiedenis. Uit iconografisch
M&L
39
Ingekleurde gravure van Lucas Vostermans uit 1649, naar tekening van Alexandre Courtmans: links naast de kerk bevindt zich de voorloper van het huidige gebouw (uit SANDERUS A,. Chorographiac brabantiae. Brussel, 1659)
archiefmateriaal blijkt dat zich hier vroeger een ander gebouw bevond (18). De gravure van de abdijsite van Jean Baptiste Gramaye uit 1610 en ook de gravure van Lucas Vostermans uit 1649 tonen hier een bouwvolume dat op dezelfde wijze is georiënteerd als het huidige gebouw, maar dat duidelijk kleiner is. Het onderzoek tijdens de voorbereiding van de restauratie alsook tijdens de restauratiewerken zelf, ontkracht de aanvankelijk geopperde hypothese als zou dit gebouw zich in het huidige gebouw bevinden, dat dan een verlenging van het oude gebouw zou zijn. Het is duidelijk dat het huidige gebouw een volledige nieuwbouw is geweest, waarbij het vorige is afgebroken. Het metselwerk van het locutorium bevat geen oudere bouwsubstantie die terug te voeren is tot het laatmiddeleeuwse gebouwencomplex, met uitzondering van de resten van een oud trappenhuis met wenteltrap, dat terug te voeren is tot de 1^' eeuw (19).
Gravure van Sanderus uit 1726 met weergave van het huidige locutorium naast de kerk {uit SANDERUS A., 1659)
Gravure van L.J. Van Peteghem uit 1860 (uit VAN EVEN E.. Louw/n Monumental. Leuven, i860)
6?>-< 40 I M
L
Dankzij de op twee plaatsen in de gevels ingebrachte jaartal aanduiding, is de bouwtijd van het huidige gebouw gekend, zijnde net voor 1718. Het gebouw wordt voor het eerst afgebeeld in zijn huidige verschijningsvorm op de gravure van de abdij door Antonius Sanderus in 1726. In de loop van de i8 de en van de i9 dc eeuw heeft het gebouw geen noemenswaardige wijzigingen ondergaan. Pas omstreeks de eeuwwisseling ca. 1900 zijn er belangrijke transformaties doorgevoerd in het kader van een algemene restauratiecampagne van de volledige abdijsite. De abdijgebouwen worden dan historiserend gerestaureerd, waarbij vooral het interieur wordt opnieuw wordt aangekleed: pandgang, vestibule, prelatuur, dormitorium en kapittelzaal (20). De belangrijkste ingrepen van deze campagne betreffen een grondige planwijziging van het gebouw. De ruimten worden herverdeeld, vooral in het oostelijke deel waar de oorspronkelijke laatbarokke centrale trap wordt verwijderd en vervangen door een nieuwe die aansluit op de eveneens nieuw ingebrachte gang op de bovenverdieping. De vensteropeningen aan westzijde van het gebouw worden dichtgemetseld en de centrale vensters boven het toegangsportaal worden dan eveneens gedicht. De noord- en westgevels worden gerestaureerd waarbij een belangrijke hoeveelheid van de verweerde Balegemse steen is vervangen door Gobertange witsteen.
Historisch fasenplan van het gelijkvloers: in blauw de oudere gebouwen, in zalmkleur de i8d*-eeuwse bouwfaze van het locutorium, In groen de wijzigingen van rond 1900 (tekening P. Stevens en Studiebureau Monumentenzorg)
Het baksteenparement wordt ontdaan van zijn afwerkingslagen en hergevoegd en in het interieur worden verschillende tegelvloeren op de gelijkvloerse en plankenvloeren op de hogere verdiepingen vernieuwd. Alle schouwmantels worden verbouwd en het buitenschrijnwerk, op de centrale toegangsdeur na, wordt integraal vervangen door een nieuwe versie met roedeverdeling.
Restauratiefilosofie en -opties Het locutorium bevat een duidelijke tweedeling zowel in het interieur als in het exterieur waarbij enerzijds de oorspronkelijke configuratie van de bouwtijd omstreeks 1718 en anderzijds de belangrijke transformaties van omstreeks 1900 duidelijk herkenbaar zijn. Het blijkt dat de laatbarokke opstelling nog doorslaggevend aanwezig is in de architecturale beleving en de bouwhistorische lezing van het gebouw. De latere ingrepen hebben een beperkt historisch en architecturaal belang en zijn voornamelijk ingegeven door een functionele aanpassing van het gebouw aan nieuwe gebruiksnoden. Er zijn geen nieuwe decoraties aangebracht in het interieur en sommige van de ingrepen werken daardoor zelfs storend. Zo zijn de nieuwe ruimteverdelende wanden op de bovenverdieping doorheen de oorspronkelijke laatbarokke plafonddecoraties in stucwerk heen aangebracht. De kwaliteiten van deze ingrepen wegen daardoor niet op tegen de nog haast expliciet aanwezige laatbarokke fase die aansluit met de laatste bouwkundige bloeiperiode van de abdij.
Het is deze bouwcampagne die het complex in haar huidige verschijningsvorm in grote mate heeft bepaald. Door het bouwteam is daarom beslist de herwaardering van de oorspronkelijke laatbarokke fase als leidraad bij de geplande hedendaagse restauratie te nemen en het project in die zin verder uit te werken (21). Dit betekent dat de oorspronkelijke ruimteverdeling is hersteld, waarbij vooral de gang op de bovenverdieping en de opdeling van het grote centrale trappenhuis zijn weggenomen en dat de dichtgemetselde vensteropeningen terug zijn opengemaakt. Een belangrijke vraag die diende te worden gesteld is tot hoever het eerherstel van de laatbarokke fase kon gaan? Als grenslijn in het project is aangehouden dat er enkel tot reconstructie of aanvulling wordt overgegaan indien hiervoor voldoende wetenschappelijke gegevens voorhanden zijn uit materiële bron, aangevuld met mogelijk iconografisch materiaal. Bij ontstentenis hiervan, is geopteerd voor een sobere hedendaagse invulling. Dit is vooral van belang bij het inbrengen van een nieuwe trap in het opnieuw vrijgemaakte centrale trappenhuis. Omdat er geen gegevens voorhanden zijn over de oorspronkelijke barokke trap, is een hedendaags ontwerp voorzien, waarbij wel de inplanting en looprichting worden hernomen zodat de ruimtelijke beleving is hersteld. Een belangrijk aspect is het herstellen van de laatbarokke verschijningsvorm van het exterieur. Exterieur en interieur vormen namelijk één ondeelbaar geheel in de architecturale en bouw-
M & L I 41
Rest van de oorspronkelijke laatbarokke geveipleistermg op de noordgevel (foto D. Nuytten)
Onderverdeling van het interieur uit ongeveer 1900 (foto D. Nuylten)
historische beleving van het gebouw en een herstel van de laatbarokke expressie in het interieur laat zich moeilijk rijmen met een behoud van de gevelconfiguratie van de verbouwingscampagne van omstreeks 1900, temeer omdat ook de vensters opnieuw worden opengemaakt. Omdat delen van de originele laatbarokke gevelafwerking bewaard bleven, is het opnieuw aanbrengen van deze pleisterlaag haalbaar omdat zowel mortel-
42 I M L
samenstelling, uitvoering en kleurstelling kunnen worden bepaald. Er is beslist deze pleisterlaag opnieuw aan te brengen en de noord- en westgevel opnieuw flinterdun te bepleisteren met een geschilderde kalkbepleistering met een egaal rode kleurstelling waarop een baksteen imitatieschildering met witte voegen is ingetekend zoals oorspronkelijk het geval was. De kleurstelling werd vastgelegd door laboratoriumonderzoek gekoppeld met de ervaring van betrokken onderzoeker. Een belangrijk voordeel van deze opties is dat het baksteenmetselwerk, dat inderdaad sterk van oppervlaktebeschadiging te lijden heeft gehad, op een zeer conserverende manier is kunnen hersteld worden omdat de zachte bakstenen gevel op die manier een beschermingslaag verwerft die de noodzaak tot het vervangen van stenen tot een absoluut minimum beperkt. Alleen die stenen die zich in een structureel slechte staat bevonden, zijn vervangen, maar een groot aantal stenen die wel een oppervlaktedefect had en voor de rest structureel gezond was, kon zo behouden blijven. Het aanhouden van de herwaardering van de iS^-eeuwse toestand, leidt verder tot een aantal bepalende opties bij de restauratie, zoals het opnieuw openmaken van de dichtgemetselde vensters in de noordgevel alsook het herstellen van de balkonconfiguratie in de centrale travee van deze gevel door het vrijmaken van de balusters en het opnieuw plaatsen van een tweedelige balkondeur. Voor de kalkstenen geveldelen is eveneens een conserverende aanpak toegepast. Hier bleek uit het materiaaltechnisch vooronderzoek dat de natuur-
Opnieuw aanbrengen van de laatbarokke afwerking op de noordgevel (foto P. Stevens)
Topgevel van het locutorium na restauratie { © J. Schoors)
stenen delen, in tegenstelling tot de bakstenen delen, niet afgewerkt waren met een schilderlaag. Natuursteen in een ronduit slechte toestand is vervangen, terwijl stenen waarvan enkel de oppervlakte beschadigd is, behouden zijn en met een ethylsilicaatimpregnatie verhard zijn. Plastische steenrestauratie door middel van minerale steenrestauratie mortels zijn tot een minimum beperkt. De Gobertange stenen daterend uit de restauratie-
campagne van omstreeks 1900 zijn integraal behouden. Voor de vervanging van de defecte Balegemse stenen, is opnieuw Balegemse steen gebruikt. Dit bleek echter niet eenvoudig omdat er geen steenvelden meer in exploitatie bleken op het ogenblik van de restauratie. Door het bouwteam zijn alternatieve mogelijkheden bestudeerd, maar geen enkele bleek voldoening te geven. Uiteindelijk is de optie om toch opnieuw voor Balegemse stenen te
M&L I 43
.mKmmmmmmÊmmÊmmm
De opnieuw geopende kruisvensters m de noordgevel met schrijnwerk naar oorspronkelijk i8dc-eeuws model en enkelvoudig cilinderglas ( © J. Schoors)
BB BB
jggSgj wmr
SS
'I^X-'!'
opteren gevolgd, ondanks de ontginningsmoeilijkheden, en de uitvoerende aannemer is met succes op zoek gegaan naar een mogelijkheid om opnieuw aan Balegemse steen te geraken (22). Al het buitenschrijnwerk, dat in grenenhout is uitgevoerd, dateerde uit de restauratiecampagne van 1900 en verkeerde in een slechte bewarings-
44 I M&L
toestand. Het is vervangen door nieuw schrijnwerk naar i8de-eeuws model in eik met roedeverdeling en een beglazing van enkelvoudig getrokken cilinderglas. De bewaarde i8d<"-eeuwse voordeur is conserverend gerestaureerd, maar de bordestrap, die ten gevolge van een slechte fundering danig verzakt en in stukken gebroken was, moest gedemonteerd worden. Een nieuwe fundering is
Extra middelen voor de Parkabdij De Vlaamse Regering heeft bij de goedkeuring van de begrotingscontrole van 2011 extra middelen vrijgemaakt voor de gefaseerde restauratie van de beschermde gebouwen en het beschermd landschap van de Abdij van 't Park, die aanzien wordt als een der best bewaarde abdijcomplexen, in Vlaanderen en internationaal. Het domein is cultureel, bouwkundig en landschappelijk zeer waardevol en heeft voor de stad Leuven een groot potentieel, zowel toeristisch als economisch. De stad, die per 22 september 2011 erfpachter is geworden van het complex, en de vzw Abdij van Park zullen een masterplan uitwerken voor de restauratie, inrichting, herbestemming, ontsluiting en onderhoud van de site. De totale kostprijs hiervoor wordt in eerste instantie geraamd op circa 35 miljoen euro, waarvan de Vlaamse overheid 25 miljoen euro ten laste zal nemen (1). Deze subsidie, toegekend per ministerieel besluit van 22 september 2011, dient voor het beheer, de restauratie en de ontsluiting van de site en beoogt het duurzame behoud van de site samen met de verbetering van de publieke toegankelijkheid en de belevingswaarde. Hiertoe worden de overige gebouwen volgens de regels van de kunst gerestaureerd en herbestemd, worden de gebouwen heringericht met het oog op een nieuwe, aan hun hoge erfgoedwaarde aangepaste functie en worden in de omgeving landschapsherstelwerken uitgevoerd zoals opgenomen in het goedgekeurde landschapsbeheersplan van april 2011. Het totale project zal aldus 40,7 miljoen euro kosten en de stad Leuven brengt 15,7 miljoen euro in (2).
De restauratiewerken worden uitgevoerd in vijf fases, gespreid over evenveel jaar. De eerste fase omvat de restauratie van de Sint-Janspoort, de watermolen, de daken van de zuidvleugel met het interieur van de bibliotheek en de daken van de oostvleugel en de infirmerie. Wat landschapswerken betreft wordt het slibbekken verwijderd. De tweede fase behelst de restauratie van de westvleugel (interieur, gevels en abtstuin) en de vooronderzoeken van het gastenkwartier, het provisorenhuis en de glasramen terwijl in het landschap groenbuffers worden aangepland. De derde fase bevat de restauratie van prelatuur (gevels, interieur en erekoer), de zuidvleugel (archief, gevels en interieur), de oost- en noordvleugel (pandhof) en de vooronderzoeken betreffende de muren van het claustrum en de abdijmuren van het buitengebied gepaard gaand
met het opwaarderen van de bestaande moestuintjes en het herstel van de afgekalfde vijveroevers en van de sluizen tussen de abdijvijvers. De vierde fase omvat de restauratie van de voormalige infirmerie, het gastenkwartier en van de glasramen in de Pandgang. In het landschap worden de abdijmuren en de poort aan de vijvers gerestaureerd in combinatie met de aanleg van het parkbos. De vijfde en laatste fase betreft de restauratie van het Provisorenhuis, van de abdijmuren van het claustrum, de tiendenschuur met stal en melkhuisje en het neerhof. Tenslotte worden overbodige infrastructuur in het landschap verwijderd (3). Begin 2012 zijn de werken van fase 1 in uitvoering gegaan. Het gerestaureerde locutorium vanuit het zuidwesten (foto P. Stevens)
(1) Persbericht van Vlaams minister van Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois (02/05/2011): Vlaamse begrotingscontrole 201] goedgekeurd: extra centen voor onroerend erfgoed; RINCKHOUT E., 25 Miljoen voor restauratie Abdij van 't Park, in De Morgen, 3 mei 2011. (2) Persbericht van Vlaams minister van Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois, 22 september 2011, Minister Bourgeois tekent subsidiebesluit voor Abdij van Park in Leuven. (3) Persbericht Stad Leuven 22 september 2011: Ondertekening subsidieovereenkomst restauratie Abdij van Park.
IVI&L I 45
aangebracht waarop de bordestrap opnieuw is gemonteerd via een verlij mde verankering van de gebroken delen. De gevels zijn behandeld tegen opstijgend vocht door een injectie van een product op basis van metylsiliconaten ter hoogte van de plint van de gelijkvloerse verdieping terwijl een drainering is aangebracht onderaan de fundering rondom rond het gebouw. Voor de westgevel is een deel van de geveltop moeten gedemonteerd en gehermonteerd worden met verankering aan de dakstoel, zoals dit oorspronkelijk ook het geval was. Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) heeft goede resultaten behaald met de hydrofobering op Ledesteen, vooral als remedie tegen zure condensaten in stedelijk milieu met een hoge concentratie aan verbrandingsstoffen in de atmosfeer (23). Als contra-indicatie tegen het hydrofoberen van dergelijke gevels geldt dat bij een hoge zoutbelastmg beter niet kan gehydrofobeerd worden om geen bijkomende schade te veroorzaken. Deze zoutbelasting kan van chemische oorsprong zijn zoals de aanwezigheid van zouten in de vuilafzetting op de natuursteen, de aanwezigheid van zouten door infiltratie van vocht (bijvoorbeeld opstijgend vocht of door een defecte waterafvoer), en de zouten afkomstig van de vergipsing van de Ledesteen waarbij natrium bestanddelen kunnen
46 I M
omgezet worden in het schadelijke natriumsulfaat. Een andere belangrijke bedreiging zijn de zouten die ontstaan in zones waar de witsteen grenst aan cementrijke mortels of pleisters. Bij het locutorium blijken deze tegenindicaties niet aanwezig: in het gebouw is nooit cement toegepast, de gevels zijn steeds op natuurlijke wijze afgewassen zodat de ledesteen niet is kunnen vergipsen en er zijn geen sporen vastgesteld van vroegere lekkages, op één uitzondering na. Er is dan ook geopteerd om de natuurstenen delen van de gevels te hydrofoberen na reiniging en uitdrogen. Ook de nieuw aangebrachte pleisterlaag op de bakstenen delen is mee gehydrofobeerd ter bescherming, gezien de strakke blootstelling aan regen en wind. De bevuiling van de schildering op de pleister wordt getemperd door hydrofobering en er ontstaan geen 'naden' in de behandeling.
Funderingsproblematiek De funderingsaanzetten van het locutorium zijn tijdens het vooronderzoek onder de loep genomen via het graven van onderzoekspuiten en het uitvoeren van proefboringen. Het blijkt dat de funderingen van het gebouw heterogeen zijn. De dikte van de funderingen bedraagt ongeveer 80 cm voor de noordgevel, terwijl dit voor de westgevel
Plan van de noordgevel van het locutorium, toestand na de werken (tekening P. Stevens)
NOORDGEVEL
slechts 53 is. Voor de zuidgevel bedraagt de funderingsdikte 65 cm. Ook de diepte waarop de funderingen zijn aangezet varieert: er is een trapsgewijs verloop in functie van de helling van het maaiveld. Gelukkig is de fundering overal op een vorstvrije diepte aangezet van 80 cm of meer. De opbouw van de funderingen is als volgt: de voet van het eigenlijke funderingsmetselwerk, gemetst in baksteen en in verband, zet aan op een laag brokkelmetselwerk. Bovenaan volgt een laag metselwerk in natuursteen als aanzet voor de natuurstenen gevelplint. In het baksteenmassief blijken echter veel holten en spleten voor te komen. Er zijn geen sporen van vroegere kelders onder het gebouw. In de zone van het locutorium en van de westvleugel van de abdij zijn mechanische sonderingen uitgevoerd met een capaciteit van 100 kN ter bepaling van de samenstelling van de ondergrond (24). De bovenste grondlaag heeft een dikte van ongeveer 1,80 meter. Het is in deze laag dat de funderingen zijn aangezet. De laag bestaat uit een aanvulling met daaronder kwartaire heterogene sedimenten bestaande uit slappe klei, leem en leemhoudend zand. De volgende laag bestaat uit vrij los tot dichtgepakt tertiair zand met plaatselijk zwakke ontkalkte zones afgewisseld met harde kalksteenbanken (laag van Brussel). Naast de proefboringen zijn er ook sleuven gegraven (25).
Hierbij blijkt de heterogeniteit van de ondergrond in de abtstuin. De gevels vertonen zettingsbarsten, waarvan de grootste tot imm dik is, in de westelijke travee van de zuidgevel en in de aansluiting van de noordgevel en de westgevel. Ook in de plint van het gebouw zijn er op die plaats sporen van differentiële funderingszettingen in de grootte orde van 2 cm. Uit het bodemonderzoek blijkt dat een probleem ter hoogte van de funderingen bestaat dat kan opgelost worden door de funderingen dieper aan te zetten of onder de funderingen een meer draagkrachtige zone aan te brengen met een verdicht zand-cementmengsel. Uit het funderingsonderzoek blijkt dat het nodig is de funderingen te verbeteren en te verdiepen tot in de zandlaag die zich ongeveer drie meter onder het peil van de begane grond bevindt. Er wordt geopteerd het probleem op te lossen via een ondermetseling van de funderingen zodat de nieuwe funderingsvoet voortaan in de dieper gelegen draagkrachtige laag aanzet. De bestaande funderingen zullen versterkt worden door een nieuwe strook aan de binnenzijde van het gebouw. Dit leidt ertoe dat het inbrengen van een nieuw verdiep onder het bestaande gebouw kan worden overwogen. De betonplaat die ter hoogte van de funderingsvoeten wordt gegoten verstevigt dan bijkomend de nieuwe funderingen.
M&LI
47
Plan van de gelijkvloerse verdieping van het locutorium, toestand na de werken (tekening P. Stevens)
•
PLAN BEGANE GROND
Langsdoorsnede door het locutorium. toestand na de werken (tekening P. Stevens)
SNEDE 1
48 I M&L
Onthaal en toegankelijkheid Zoals eerder gesteld kadert de restauratie van het locutorium in de realisatie van het museumproject in de gebouwen van de abdij (26). Dit project wordt in fasen gerealiseerd waarbij de eerste fase wordt gevormd door de herbestemming van het locutorium als onthaalgebouw voor het volledige museum. Op de gelijkvloerse verdieping zijn een ruimte voor ontvangst en informatie aan de bezoekers voorzien. Hier gebeurt ook de ticketverkoop, krijgt de museumwinkel een onderkomen en wordt de verdeling van audiogidsen en de vestiaire georganiseerd. Het gebouw krijgt een belangrijke functie als knooppunt binnen de globale circulatie in het museum. Omwille van de inplanting in de site, kunnen in het locutorium op verschillende niveaus verbindingen gemaakt worden met de andere gebouwen die daarmee ook onderling met elkaar in verbinding worden gebracht. Op de gelijkvloerse verdieping zijn de vroegere doorgangen met de kerk en met de salons van de westvleugel opnieuw opengemaakt. Een toegang met de abtstuin is gerealiseerd aan zuidzijde. Zodoende fungeert het gerestaureerde locutorium als het ware als een verdeeldoos tussen de activiteiten die in de kerk, het kloosterpand en de buitenruimte plaatsvinden. Op de eerste verdieping en de zolderverdieping is er ruimte voor kleine tentoonstellingen, afzonderlijk of in combinatie met een grote tentoonstelling: ook op deze niveaus zijn doorgangen met de abdijgebouwen gemaakt.
kleine keuken ondergebracht, ook per lift bereikbaar. De vroegere inplanting van de sanitaire cel in de abdij boven een stucwerkplafond van Hansche heeft daar namelijk al voor belangrijke schade aan het plafond gezorgd en kan daarom onmogelijk gehandhaafd worden (27). Met de lift en trap van het locutorium worden ook de gewelfde kelders onder de westvleugel ontsloten zodat zij mee kunnen opgenomen worden in het museumparcours. De technische ruimten worden zo buiten de waardevolle delen van de abdijgebouwen gehouden. De lift is binnen het locutorium ingeplant in een zone die tijdens de restauratiecampagne van 1900 het sterkst getransformeerd is, zodat het verlies aan historische bouwmassa beperkt is gebleven.
Archeologisch onderzoek Gezien de lange bewonings- en bebouwingsgeschiedenis op de site van de abdij, bevat deze een belangrijk archeologisch bodemarchief waarvan de gegevens ondermeer essentieel zijn voor het inzicht in de constructiegeschiedenis van de abdijgebouwen. Conform het Europees verdrag van Malta wordt er ook in Vlaanderen naar gestreefd om zoveel mogelijk archeologisch erfgoed in situ te bewaren zodat deze gegevens behouden blijven.
Onder het locutorium werd een gebouw met hoektoren uit de .
Omdat het museum toegankelijk wordt gemaakt voor andersvalide bezoekers, is de inbreng van liften in het complex onvermijdelijk. Het zou een te grote impact hebben op de architectuurhistorische waarden van de pandvleugels, om er de daartoe nodige doorbraken te moeten realiseren. Bovendien is het noch eenvoudig noch wenselijk om in deze vleugels nieuwe doorbraken te realiseren in de buitengevels om het hoogteverschil tussen het maaiveld en de gelijkvloerse verdieping van de abdij te overbruggen. Hier biedt het locutorium met zijn strategische positie uitkomst: via een nieuw platformliftje aan de toegangsdeur aan de zuidgevel kunnen rolstoelgebruikers van op de gelijkvloerse verdieping van het locutorium de kerk en de salons bereiken. Via een lift in het locutorium zijn dan eveneens alle niveaus van de westvleugel toegankelijk. In de nieuwe kelder onder het gebouw zijn het sanitair voor de bezoekers, de technische ruimte en een
late middeleeuwen opgegraven (foto Studiebureau Monumentenzorg
bvba)
tfiüg M&L I 49
Gravure van Gramaye uit 1606. Voor de abdijgebouwen loopt duidelijk een weg: vermoedelijk de kasseiweg die tijdens de opgravingen onder het locutorium werd aangetroffen (?)
Als dat door bodemingrepen allerhande evenwel niet kan, is een archeologisch onderzoek tijdens of voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk (28). Wanneer in februari 2007 de restauratie van het gebouw startte, was één van de eerste werken het uitvoeren van belangrijke graafwerken onder het gebouw ten behoeve van de voorziene funderingsversterkingen en van de geplande nieuwe kelderverdieping. Omdat deze graafwerken een aanzienlijk deel van het archeologisch bodemarchief vernielen gebeurden al deze werken dan ook onder begeleiding van een archeoloog (29). Bij dat onderzoek zijn nieuwe gegevens aan het licht gekomen. De oudste teruggevonden bouwresten horen toe aan een gebouw met een hoek-
Tijdens het archeologisch onderzoek werd ook een dee van een kasseiweg opgegraven {foto Studiebureau Monumentenzorg h\lial
^ 50 I M A L
"-'TV. ^
toren uit de late middeleeuwen. De bakstenen funderingen van dit gebouw zijn een meter dik. Het grondplan van het gebouw meet acht meter lang en vijf meter breed. Aan de rechterzijde komt het tot tegen de hoek van de westelijke kloostervleugel wat betekent dat het niet aan de abdijkerk is aangebouwd. De hoektoren heeft een grondplan met afmetingen van 3 bij 3 meter. In de funderingsmassieven zijn ijzerzandsteen, Balegemse witsteen en baksteen gevonden. Een relatieve datering van het gebouw voert het terug tot de tweede helft van de i5'it' eeuw waarmee het vermoedelijk uit dezelfde bouwtijd stamt als de westelijke abdijvleugel en op het einde van de I Ö ^ eeuw is afgebroken. Het komt alvast niet meer voor op de gravure van de abdij van Gramaye uit 1606. Een andere interessante vondst is een met kasseien geplaveide weg die is vrijgelegd en onder de funderingen van het huidige gebouw doorloopt. De gravure van Gramaye toont inderdaad een pad dat westelijk georiënteerd is en van de westbouw van het klooster naar de kerk loopt. Bij de opgravingen zijn voorts resten van een kloostermuur met daarin een poortdoorgang vrijgekomen.
De restauratie van het interieur In het interieur van het locutorium zijn opnieuw de twee belangrijkste bouwfases te onderscheiden: de oorspronkelijke laatbarokke bouwperiode omstreeks 1718 en de ingrijpende restauratiecampagne van omstreeks 1900. Onderzoek van het muurpleisterwerk, het plafondstucwerk en punctuele vrijleggingen ter hoogte van de aansluitingen van de wanden hebben de relatieve chronologie van de ruimteverdelingen blootgelegd. Het blijkt dat de oorspronkelijke dispositie omstreeks 1900 het sterkst is gewijzigd ter hoogte van de centrale ruimte met trappenzaal en in de oostelijke vertrekken op de gelijkvloerse verdieping. In de westelijke vertrekken op de gelijkvloerse verdieping is de originele binnenafwerking wel goed bewaard gebleven, als zijn ook hier wijzigingen doorgevoerd in de kamerverdeling en zijn de oorspronkelijke laatbarokke schouwmantels verdwenen. De ingrepen van rond 1900 bleken kunst- en architectuurhistorisch van geringe waarde. Op de gelijkvloerse verdieping dateren al het binnenschrijnwerk en alle vloeren, uitgevoerd in cementtegels, van omstreeks 1900. Als algemeen principe is ook hier aangehouden dat de ingrepen uit de periode van omstreeks 1900 zowel materieel als conceptueel worden opgeofferd ten voordele van het herwaarderen van de laatbarokke bouwperiode omstreeks 1718. Daar waar de werken uit 1900 de oorspronkelijke elementen heeft uitgewist en er dus geen verdere gegevens over voorhanden zijn, is overgegaan tot een herkenbare hedendaagse invulling, zoals
•
• •
•
m
^L
j
IHIHHIi Vrijgelegde decoratieve fries in zwartschildermg
J» 1
Schets van een kandelaar,
op de zuidwand van het gelijkvloers
aangetroffen op de verdieping
(foto D. Nuytten)
van het locutorium (foto D. Nuytten)
bijvoorbeeld in het trappenhuis, dat zijn oorspronkelijke ruimte met origineel stucplafond terugkreeg maar dan in combinatie met een moderne trap die wel een barokke afwikkeling aanhoudt. Conform het advies van de dienst Preventie van de brandweer van Leuven, kon het volledige gebouw als één compartiment worden beschouwd zodat het niet in verschillende brandcompartimenten moest worden opgedeeld, wat belangrijke ingrepen in het interieur van het gebouw tot gevolg zou hebben gehad. De stookplaats en de keuken in de nieuwe kelder zijn wel afzonderlijke compartimenten, maar dit vormt geen probleem aangezien de kelder wordt afgedekt door een nieuwe betonplaat. Als gevolg van deze beslissing zijn alle verbindingen tussen het locutorium en de aansluitende gebouwen, in dit geval de kerk en de westvleugel van de abdij, van brandvertragende deuren te voorzien. De I5deeeuwse traptoren met wenteltrap hoort bij het compartiment van de kerk. In het dak kunnen rookluiken ingewerkt worden zonder dat ze van buitenaf zichtbaar zijn. Het inwerken van de noodzakelijke leidingen in het gebouw, is gebeurd via de nieuwe vloeren en via de te versterken balkenlagen, waardoor het inkappen ten behoeve van leidingen in historisch materiaal tot een absoluut minimum kon worden beperkt. Omwille van de veiligheid is de elektrische installatie volledig vernieuwd, wat gecombineerd is met het geïntegreerd inbrengen van een diefstal- en brandbeveiliging. Voor de armaturen zijn hedendaagse modellen gekozen. Op de gelijkvloerse verdieping zijn nieuwe vloeren gelegd boven op de betonplaat van de uitgegraven kelder: hier is geopteerd voor
een natuurstenen vloer in een typische laatbarok zwart-wit patroon van zwarte Vinalmontsteen en witte Carraramarmer, met tegels van 40 x 40 cm zoals dit ook op andere plaatsen in de abdij voorkomt: voor het legpatroon werd onder meer inspiratie gezocht in de vloertekening van het refectorium van de abdij. Tijdens de werkzaamheden zijn een aantal interessante vondsten gedaan. De meest belangwekkende is de ontdekking van een muurschildering op de oudste muurdelen van het gebouw waar, op het witstenen parement een decoratieve fries in zwartschildering is tevoorschijn gekomen. Deze schildering is conserverend behandeld en vrijgelaten. Op de bovenverdieping zijn aan de binnenzijde van de westgevel een aantal grafitti vrijgekomen bij het wegnemen van de bovenste afwerkingslagen (behangsel). Een ervan bleek een soort kandelaar te zijn, de andere een menselijk gelaat in profiel met een phrygische muts zoals deze in de tijd van de Franse overheersing werd gedragen. Omwille van de povere bewaringstoestand van deze grafitti is ervoor geopteerd om ze zorgvuldig te documenteren en daarna opnieuw te overpleisteren (30).
Herwaardering van de site De restauratie van het locutorium is het begin van de stapsgewijze restauratie van de abdijgebouwen, die een belangrijk monumentaal ensemble vormen met delen vooral uit de i6 dc , ly*' en iS0' eeuw en met romaanse, gotische, renaissance, barokke en classicistische elementen. Momenteel is het dossier
M
1 I 51
van de restauratie van de daken van de westvleugel in uitvoering. Het dossier voor de restauratie van de bibliotheek is opgemaakt en het dossier voor de interieurrestauratie van de voormalige prelatuur wordt voorbereid. Naast de abdijgebouwen zelf, worden ook de nuts- en bijgebouwen op de abdij site gerestaureerd. Aansluitend op de restauratie van het locutorium volgde de restauratie en herbestemming van de Mariapoort die recent is voltooid en een socio-culturele functie krijgt. Het dossier voor de restauratie en herbestemming van de zwaar vervallen vroegere watermolen is in opmaak (31). De Leeuwenpoort is, naar aanleiding van een aanrijding door een vrachtwagen, gerestaureerd in 2004 en in 2005 is de Norbertuspoort heringericht met het oog op culturele activiteiten. Het is belangrijk om de grote authenticiteit van de gebouwen tijdens de restauratie te vrijwaren. De site vertegenwoordigt bijkomend een belangrijk cultureel en landschappelijk potentieel voor het stedelijk gebied rond het nabijgelegen Leuven. De abdij van 't Park met omgeving en vijvers werd beschermd als landschap op 3 juli 1942. Op 16 februari 2007 werd de bescherming van de als landschap beschermde zone gevoelig uitgebreid (32).
Naast de restauratie van de abdijgebouwen is ook de herwaardering van het beschermde landschap rond de gebouwen gepland. Het heuvelachtig terrein biedt vergezichten en perspectieven op de abdij die door de afwezigheid van bebouwing op nagenoeg alle percelen een grote meerwaarde bieden voor de abdijsite en de Parkvijvers. Ook de herwaardering van dreven en tuinen dient aangevat te worden, zoals de boomgaard, de groentetuin en de kleinere perken rond de gebouwen. Er is tot dat doel een landschapsbeheersplan uitgewerkt ter herwaardering van de site, dat gelijktijdig met de restauratiewerken aan de gebouwen zal worden uitgevoerd (33). Zo gaat een cultuurhistorisch belangrijke abdijsite stap voor stap een nieuwe toekomst tegemoet.
Restauratiefiche • Uitvoerder (hoofdaannemer): Building NV • Opdrachtgever: vzw Abdij van het Park (open monumentenvereniging) • Premieverlenende en toezichthoudende overheden (80%): stad Leuven (if/o), provincie Vlaams-Brahant (if/o), Vlaamse Overheid • Opmetingsplannen: Piet Stevens i.s.m. Geert Teirlinck < Ontwerp: Piet Stevens i.s.m. Sojie Beyen > Advies en begeleiding: Vlaamse Overheid, Ruimte el Erfgoed (nu: Onroerend Erfgoed), Afdeling Vlaams-Brahant (Dieter Nuytten) > Archeologisch onderzoek: Studiebureau Monumentenzorg (Maarten Smeets, Mare Coenen), begeleiding Ruimte e[ Erfgoed (Els Patrouille) < Materiaaltechnisch vooronderzoek: A.M. Consult hvba (Johan Grootaers m.m.v. Bernard Delmotte, Joop Hofmeier, Rita De Puydt, Filip Nijs, Charles Indekeu, Frans Doperé) • Stabiliteitsonderzoek: TRIconsult NV (Prof. Dionys Van Gemert, Sven Ignoul, Wine Eigeys) • Grondsondering: SGS Geologica • Bouwteam: ontwerper (Piet Stevens), opdrachtgever (Stefan Van Lani), Ruimte 8[ Erfgoed (Dieter Nuytten), uitvoerder (projectcoördinator jonas Devos) • Kostprijs restauratiewerken: 1.143.000 euro • Kostprijs vooronderzoek: 10.551 euro • Uitvoeringstermijnen: - vooronderzoek 2004-2005- ontwerp 20052006 - premieprocedure 2006 - uitvoering der werken 2007-2008
Eindnoten (1)
Dieter Nuytten is consulent bouwkundig erfgoed bij het agentschap Onroerend Erfgoed.
52 I M
L
Over de Parkabdij, zie VAN AERSCHOT S., De ahdij van Park in lieverlee, in MaJI, jg. 6. nr. 5,1987, p. 49-57; VERREES W.. Abdij van 't Park Heverlee. historisch overzicht en bezoek aan de abdij, Leuven, 1970; VAN LANI S.. De norbertijnenabdij van Park. unieke erfgoedsite in de Leuvense stadsrand. 2007: SMEYERS M.. De abdij van Park 850 jaar premonstratenzerleven. Leuven, 1979; JANSSEN J., L'abbaye norbertme du Parcle-Duc. huit siècles d'existence (niq-igic)}, Mechelen, 1929; D'HAENENS A.. Ahbaye de Pare a Heverlee, in Monasticon
helge. dl. IV, vol.3, L u i k . ^ ö g . P- 773-827; GENICOT L, VAN AERSCHOT S. e.a., Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, Architectuur, Prov. Brabant, Arr. Leuven, in Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 1, Luik. 1971: KLINCKAERT)., SUENENS K. en VAN LANI S., De abdij van Park m Heverlee, erfgoedsite en museum, in Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, Gent, 2008. (2)
Eerder zijn de tuinpaviljoentjes van de abdij gerestaureerd. Zie NUYTTEN D. en BEYEN S., De tuinpaviljoentjes van de Parkabdij in Heverlee, in MelL, jg. 27, nr. 3, 2008, p. 49-58. (3) KLINCKAERT ]., SUENENS K. en VAN LANI S., op.cit., p. 36-38. (4) Tot in 1988 werden de vieringen verzorgd door een norbertijn van de abdij zelf. De kerk ressorteert onder de kerkfabriek Sint-]an-Evangelist van Heverlee. (5)
KLINCKAERT J.. SUENENS K. en VAN LANI S„ op.cit..
p.39. (6)
(7)
Zie het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten. Een open monument is een beschermd monument waarin overwegend niet-commerciële activiteiten worden uitgeoefend, dat door de cultuurgoederen, inzonderheid de bijhorende uitrusting en decoratieve elementen, die er integrerend deel van uitmaken, of door zijn actuele of nieuwe bestemming een bezienswaardigheid is of wordt en dat in zijn totaliteit voor minstens drie vierde voor het publiek permanent toegankelijk is en op een klantvriendelijke en educatief verantwoorde wijze ontsloten wordt. Een open monumentenvereniging is een vereniging of stichting die is opgericht als vereniging zonder winstoogmerk of als instelling van openbaar nut, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, en als hoofddoelstelling hebben de instandhouding, het beheer en de ontsluiting van een of meer open monumenten waarvan ze eigenaar of erfpachter zijn. ABDIJ VAN PARK vzw. Beleidsnota Site Parkabdij, Heverlee, 25 juli 2003; NUYTTEN D., Parkabdij te Heverlee (onuitg. werkdocument), archief Onroerend Erfgoed, Afdeling Vlaams-Brabant.
(8)
NUYTTEN D. en BEYEN S., De tuinpaviljoentjes van de Parkabdij in Heverlee, in Ms!/,, jg. 27, nr. 3, 2008, p, 49-58. (9) SIEN bvba, Haalbaarheidstudie Museum Parkabdij (onuitg. rapport), sept. 2004. (10) J. GROOTAERS. Bouwhistorisch en materiaaltechnisch vooronderzoek van het locutorium (onuitg. nota van A.M. Consult bij het restauratiedossier), 2005. (11) Ibidem. (12) Het Venetiaans rood wordt verkregen door roodkleurige aarde, rijk aan ijzeroxide, te vermalen en te mengen met een bindmiddel zoals ei, olie of lijm. Het pigment aarde werd al vroeg toegepast: Plinius (23-79 na Chr.) beschreef rode aarde in zijn natuurhistorische encyclopedie Naturalis Historia. (13) Capwl mortuum, soms ook ossenbloed of dodekop genoemd, is een donkerrood pigment op basis van ijzeroxiden. Het pigment ontstaat als nevenproduct bij de productie van zwavelzuur. (14) NUYTTEN D., Het Hollandcollege in Leuven, een boeiende geschiedenis van Uten Lieminghe over Hollandse Missie tot Paridaens, in MelL, jg. 28, nr. 6, 2 0 0 9 , p. 37-70. (15) A.M.CONSULT, op.cit.
(16) Ibidem (17) Het schrijnwerk, bestaande uit grenenhout en met een historiserende pittoreske kleinhouten verdeling, bleek overal in slechte bouwfysische toestand en is vervangen bij de huidige restauratie ten voordele van eikenhouten schrijnwerk met een i8d'"-eeuwse houtverdeling. (18) Voor een inzicht in de algemene iconografie van de abdijsite, zie: BAISIER C. en VAN LANI S., Met zicht op de abdij, iconografie van de abdij van Park, Leuven, 2003; VAN ERMEN E., VANHOVE L. en VAN LANI S.. Het kaarthoek van de abdij van Park 1665, Brussel, 2 0 0 0 . (19) STEVENS P., Restauratie Claustrum Fase 1, Locutorium (onuitg. nota), 2 0 0 6 . (20) Dit zal onder meer aan bod komen in een volgende bijdrage over de bouwgeschiedenis en restauratie van de abdijgebouwen. (21) Het bouwteam bestond uit de vertegenwoordiger van de bouwheer vzw Abdij van Park (Stefan Van Lani), de ontwerper (Piet Stevens) en de Onroerend Erfgoed (Dieter Nuytten) (22) Het hergebruiken van Balegemse steen gebeurde op aansturen van Onroerend Erfgoed. Zie eveneens GROOTAERS J., Koerswijzigingen tijdens de uitvoering: de rol van de vooronderzoeker, in BUYLE M. (ed.). Reflex of reflectie? Actoren en besluitovrming in de conservatie-restauratie / Réflexe ou reflexion? Les acteurs ei Ie processus décisionnel dans la conservation-restauration (Postprints BRK-APROA/VIOE Studiedagen, 5), Brussel, 2010, p. 112-121. (23) DE WITTE E. en DE CLERCQ H., Duurzaamheid van hydrofobeermiddelen in de praktijk, Brussel, 1997. (24) De proefboringen zijn uitgevoerd door studiebureau SGS. Zie: STEVENS P., Restauratie Claustrum Fase 1 locutorium (onuitg. restauratienota), 2 0 0 6 . (25) Deze sleuven zijn gegraven door studiebureau TRIconsult NV. Zie: STEVENS P., op.cit. (26) KLINCKAERT J.. SUENENS K. en VAN LANI S., op.cit., p.36-38. (27) VAN VAECK M.. Beelden van omhoog. Hansches t/'-eeuwse plafonddecoraties in stucwerk in de kastelen van Horst. Modave en Beaulieu en in het Gentse Brouwershuis, in Mi^L, jg. 16, nr. 5,1997, p. 21-55. (28) Met dank aan collega en archeoloog Peter Van den Hove voor deze info. (29) De opgraving van de kelder is archeologisch begeleid door archeoloog Maarten Smeets: STUDIEBUREAU MONUMENTENZORG, Het archeologisch onderzoek in het locutorium van de abdij van Park (onuitg. rapport), 2008: SMEETS M., Archeologisch onderzoek in het Locutorium van de Abdij van Park (Heverlee), in HENDERICKX L en MEES N. (eds.), Archaeologia Mediaevalis. 31, Namen, 2008, p. 101-104. (30) De documentatie is bewaard in het archief van de abdij. (31) De huidige watermolen stamt uit 1534 en bleef in gebruik tot in 1963 maar is nu bijzonder verwaarloosd. In 1829 werden brouwerij, smidse en de watermolen bij de abdij verkocht en enkel de watermolen werd niet gesloopt. VERREES W., Abdij van 't Park Heverlee. Historisch overzicht en bezoek aan de abdij, Leuven, 1970, p, 18 en 37. (32) CRESENS F., De omgeving van de abdij van 't Park te Heverlee (onuitg. beschermingsverslag). 2005. (33) Beheersplan voor de beschermde landschappen Abdij van Park met haar omgeving en vijvers en De omgeving van de Abdij van Park (uitbreiding), goedgekeurd op 11 april 2011.
De kasteelsite Butsel in Boutersem
Walter Sevenants
In opdracht van de Vlaamse overheid werd in 2 0 0 9
Geografische en historische context
een studieopdracht opgestart naar de kasteelsite Butsel in Boutersem (provincie Vlaams-Brabant). Tot op vandaag zijn de meeste structuurbepalende elementen van het kasteel nog steeds waarneembaar in het landschap. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek worden in dit artikel gepresenteerd en waren intussen ook reeds aanleiding voor het opstarten van een procedure tot wettelijke bescherming van de kasteelsite als archeologische zone (1).
Ligging van de kasteelsite (rood), de parochiekerk van Butsel (geel), de afbakening van het studiegebied (rode lijn) en de waterlopen (blauw)
De kasteelsite Butsel ligt op het grondgebied van de gemeente Boutersem, tussen Leuven en Tienen (2). Een landtong snijdt diep in in de vallei van de Velp, onmiddellijk ten noordoosten van de samenvloeiing van de Vondelbeek, de Eikeveldbeek en de Velp. Deze landtong is zuidwest-noordoost gericht, met aan het zuidwestelijke uiteinde de restanten van een aarden monument en aan het noordoostelijke uiteinde de parochiekerk van Butsel. Tussen beide liggen akkers en weiden. Het kasteel van Butsel zou de zetel van de Heren van Boutersem geweest zijn, een geslacht van ministerialis die zeker in de i3de eeuw in de entourage van de hertogen van Brabant actief waren (3). Bij de aanleg van een collector voor Aquafin in 2001 werden restanten aangesneden van bakstenen gebouwen, een waterput en houten balken, die wellicht deel uitmaken van het i7de-eeuws kasteel. Deze vondsten, die door lokale heemkundigen werden gemeld aan de bevoegde administratie, vormden mee de aanleiding voor het latere onderzoek in opdracht van de Vlaamse overheid. De eigendomslijn van de heerlijkheid van de Heren van Boutersem gaat minstens terug tot de i2dc eeuw, misschien zelfs tot het jaar 1100 wanneer in een akte een zekere 'Hilhelmus van Baltersem' wordt vernoemd. Gedurende verscheidene eeuwen bleef de heerlijkheid Boutersem binnen de lijn van het geslacht van de Heren van Boutersem. Hierin kwam verandering in 1302 toen Hendrik V van Boutersem in de Guldensporenslag om het leven kwam. De heerlijkheid kwam dan in handen van Reinald I van Valkenborch, die gehuwd was met Maria van Boutersem, de dochter van Hendrik V van Boutersem. Door de verkoop van de heerlijk-
54 I M L
heid Boutersem begin 1340 door Diederik van Valkenburg aan Willem Van Duvenvoorde, kwam het kasteel gedurende bijna 300 jaar in handen van een ander geslacht, namelijk dat van Van Duvenvoorde en Van Witthem. Op 1 maart 1647/1648 kocht Jean-Jacques van Caestre van de prinses van Hohenzollern de heerlijkheid en de baronie van Boutersem. Ter uitvoering van een decreet van de Raad van Brabant van 3 december 1718 werden Boutersem en zijn afhankelijkheden op 2 september 1719 door Arnold du Bois en Maria van Horenbeke, schuldeisers van Jean-Francois-Ignace van Caestre,
verkocht aan Willem-Ghijsbrecht van Egmont van Nuyenbourg. Op zijn beurt verkocht hij het domein op 2 juli 1728 aan Willem-Jozef van der Meere. Het bleef in deze familie totdat burggraaf FredericCharles Desmanet de Biesme het domein in 1895 in 55 loten opdeelde en verkocht (4).
Reliëfkaart op basis van het DHM met afbakening van het studiegebied (© AGIV en D. Simpson)
Hoogte (m) •169 0 •
50 4
125
250
500 (m)
Tijdens werken van Aquafln werden archeologische sporen aangesneden. De vondsten werden door lokale heemkundigen gemeld aan de Vlaamse overheid
Doelstelling, afbakening en methodologie De doelstelling van de studieopdracht was een evaluatie en waardering van het archeologisch bodemarchief van de kasteelsite. Dit houdt in dat er nagegaan wordt of er zich archeologische resten in de bodem bevinden en hoe waardevol die zijn. Het onderzoek werd uitgevoerd door het studiebureau Triharch Onderzoek & Advies in opdracht van de Vlaamse overheid. Op basis van de resultaten van dit onderzoek werd door het agentschap Onroerend Erfgoed vervolgens een beschermingsdossier opgesteld en een procedure opgestart om de site te beschermen als archeologische zone (5).
De parochiekerk van Butsel in het noordoosten van het studiegebied (foto O. Pauwels)
56 I M
L
Het onderzoeksgebied beslaat een oppervlakte van 7,5 ha en strekt zich uit ten noorden van de Velp, vanaf de kasteelsite in het westen tot aan de kerk van Butsel in het oosten. In functie van de hoofd-
doelstelling van de studieopdracht, werd gekozen voor een iteratieve, vraagstellingsgerichte aanpak. Dit betekent dat het onderzoek in verschillende opeenvolgende fasen werd uitgevoerd. Bij de start van het onderzoek werden - vertrekkend van de waarderingscriteria - een aantal hypothesen geformuleerd, die dan in een volgende fase door middel van verschillende technieken werden getoetst. Op het einde van elke fase werden sommige hypothesen afgevoerd, andere bekrachtigd en nieuwe geformuleerd. Ook werd dan de aanpak voor de volgende fase bepaald en/of bijgestuurd. In een eerste fase werd de bestaande historische, archeologische en fysisch-geografische kennis over het studiegebied verzameld en verwerkt (6). Hiervoor werd een inventaris van de bronnen over het studiegebied opgesteld: literatuur over landschap en bodem, historische studies, historische kaarten en iconografische bronnen, het digitaal hoogtemodel Vlaanderen (DHM), vroegere archeologische waarnemingen, toponymisch onderzoek en mondelinge informatie van buurtbewoners. Op basis van deze bronnen werden aanwijzingen verzameld over eventuele ligging, aard, datering en bewaringstoestand van archeologische resten in het studiegebied. Ook werd een eerste beeld gevormd van het fysisch-geografisch milieu waarbinnen de kasteelsite zich bevindt. Op basis van deze resultaten werd een archeologische verwachting opgesteld.
Resultaten van het onderzoek Een mottekasteel op de rand van een beekvallei Het aanleggen van een proefsleuf doorheen het noordelijke deel van het aarden monument heeft aangetoond dat dit inderdaad het restant is van het opperhof van een mottekasteel (7). Deze motte was ingepland op het zuidwestelijke uiteinde van een landtong, op de rand van de beekvallei. Om een geïsoleerde heuvel te verkrijgen, omringd door een brede gracht, heeft men in het noorden en het oosten in de voethelling van de landtong een brede gracht uitgegraven. Met het uitgegraven materiaal werd een kernheuvel opgeworpen, rondom verstevigd met een constructie van veenplaggen en takken van de zwarte els. Deze hout/aarde-constructie vormde mogelijk een oplopende spiraal rond de kernheuvel. Tijdens de bouwwerken kon deze dienen als licht hellende 'werfweg' voor de aanvoer van de aarde en ander bouwmateriaal, en later als versteviging van de
Reliëfkaart op basis van het D H M . Nog duidelijk waarneembaar is dat het aarden monument volledig was omring door een gracht I© AGIVenD. Simpson)
In een tweede fase werd geprobeerd om de archeologische verwachting te toetsen door enerzijds de landschapsevolutie te begrijpen en anderzijds de factoren voor de aanwezigheid van archeologische relicten op te sporen door onderzoeksmethoden op het terrein zelf in te zetten, voornamelijk visuele terreinopname, archeologische oppervlaktekartering, metaaldetectie en geofysisch onderzoek. In een volgende fase werd via boringen getracht het landschap te reconstrueren en archeologische relicten op te sporen. Door proefsleuven werd de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem geverifieerd, en de aard en bewaringstoestand ervan bepaald. Ook werden monsters genomen, ondermeer voor dateringen via de radiokoolstofdatering. Tenslotte werd het archeologisch bodemarchief op haar waarde getoetst aan de hand van een aantal inhoudelijke, vormelijke en belevingscriteria.
M&L
57
~ * . Restanten van een versteviging bestaande uit horizontaal geplaatst takken van Zwarte Els en veenplaggen (foto W. Sevenants)
Proefsleuf doorheen de kernheuvel van het opperhof (foto W . Sevenants)
De kasteelsite van ButseL Wat overblijft is een lichte verhevenheid in het landschap (foto. O. Pauwels)
^
58 I M L
mottebasis. Dat een dergelijke constructie nodig was, mag blijken uit de vaststelling dat tijdens de bouw van de motte een deel van de kernheuvel was ingestort.
rondom de kernheuvel nagenoeg even diep was uitgegraven, is een aanwijzing dat het de bedoeling was om de gracht permanent onder water te laten staan.
Aan de zuidwestelijke kant van het aarden monument moest men weinig of geen aarde weggraven om de gracht aan te leggen. Maar om de gracht permanent onder water te laten staan, heeft men wel ingrijpende werken aan de waterhuishouding van het gebied moeten uitvoeren. Zo moest men enerzijds de gracht op een gecontroleerde manier van water voorzien. Waarschijnlijk werd hiervoor het water van de Vondelbeek en de Eikenveldbeek door middel van een sas afgeleid. Anderzijds moest men er voor zorgen dat het water in de gracht niet terug wegvloeide. Om dit te vermijden werd de gracht in het westen en het zuiden door middel van een aardberm afgescheiden van de Velp. Ook daar bevond zich mogelijk een sas.
Een mottekasteel heeft, naast een opperhof, ook een neerhof. Het onderzoek heeft geen duidelijkheid kunnen brengen waar dit neerhof lag. Er blijven twee mogelijkheden. Ofwel lag het neerhof ten zuiden van het opperhof (het zuidelijk deel van het aarden monument), op de plaats waar later het waterkasteel wordt opgericht. Ofwel lag het ten oosten van het opperhof, op de plaats waar later de kasteelhoeve lag. Of het mottekasteel in één of meerdere keren is opgebouwd, blijft ook onzeker. In het bodemprofiel van de proefsleuf, aangelegd op het opperhof, viel geen spoor te bekennen van stabilisatiehorizonten. Dit wijst eerder in de richting van een motteheuvel die in één keer werd opgetrokken.
Dat de gracht lange tijd permanent onder water heeft gestaan, wordt bevestigd door het booronderzoek. De opgehoorde vijversedimenten bevatten schelpfragmenten van zoetwatermosselen en slakhuisjes. Dit wijst op de toevoer van kalkrijk water en een openstaand water met weinig tot geen stroming. Ook de vaststelling dat de grachtbodem
Een typische donjon of woontoren Op een aantal figuratieve kaarten uit de vj^ en i8 de eeuw is op het noordelijk deel van de motte een toren waarneembaar. Op basis van de gravure van Harrewijn uit 1694 kan afgeleid worden dat het gaat om een vierkante stenen toren met 5 woon-
Gravure van het kasteel met hoeve, donjon en tuin in Barokstijl (Harrewiin. 1694)
M&L I 59
lagen, voorzien van torentjes en rondboog en rechthoekige venstertjes. Dit is duidelijk een donjon of woontoren (8). De proefsleuf doorheen het noordelijk deel van het aarden monument heeft aangetoond dat op die plaats inderdaad een stenen toren stond. Van deze toren blijven enkel negatieve funderingssporen en een bouwafvallaag in het bodemarchief bewaard. Eind ic,dl'-/hegm 2 0 * eeuw is de toren namelijk tot in de funderingen afgebroken waarbij het herbruikbaar bouwmateriaal gerecupereerd werd en het niet herbruikbare in het oostelijk deel van de gracht werd gedumpt. Het archeologisch onderzoek kon geen uitsluitsel geven over de ouderdom van de donjon. Het kan zijn dat deze van in het begin deel uitmaakte van het mottekasteel, maar de donjon kan ook een latere toevoeging zijn. Ook de historische bronnen brengen hierin geen duidelijkheid. We kunnen echter veronderstellen, naar analogie met andere donjons, dat deze minstens teruggaat tot de I4de-i5de eeuw, de bloeiperiode van de woontorens in onze streken. Een waterkasteel met kasteel, hoeve en tuin in barokstijl De figuratieve kaarten geven een vrij duidelijk beeld van de kasteelsite in de ly110 en i8 d ' eeuw. De heuvel van het mottekasteel en de donjon bestonden nog.
Fundering in natuursteen van het waterkasteel (foto W. Sevenants)
60 I M l
De woontoren blijkt niet meer in gebruik. Ten zuiden van het opperhof staat een kasteel dat via een ophaalbrug met de kasteelhoeve in verbinding stond. Het kasteel werd gevormd door minstens drie gebouwen die rond een binnenkoer waren geschaard. De buitenmuren van de gebouwen vormden ook de buitenmuur van het kasteel. De vijvers rondom de donjon en het kasteel werden nog steeds gevoed via de Eikenveldbeek en de Vondelbeek. Omwille van het omleiden van de Vondelbeek, bij de aanleg van de steenweg Leuven-Tienen in 1713, kwam de watertoevoer naar deze vijvers in gedrang. Omdat de vijvers droog kwamen te liggen, diende de kasteelheer van Boutersem een klacht in bij de Staten van Brabant, weliswaar zonder succes (9). Dit verklaart ook waarom dit gebied nu nog 'droge vijvers' wordt genoemd. Wanneer het waterkasteel gebouwd werd, staat niet juist vast. In een proefsleuf doorheen het zuidelijk deel van het aarden monument werd een fundering in natuursteen aangetroffen. Deze maakte deel uit van de gebouwen van het waterkasteel. Op basis van het gebruikte materiaal kunnen we afleiden dat het waterkasteel kan teruggaan tot de late middeleeuwen (i3de-i5de eeuw). Het aantreffen van deze fundering wijst er op dat de resten van het waterkasteel nog goed bewaard zijn in de bodem.
IBM»
1(3TD0
183710
183720
1837 JO
183740
1836»
183700
183710
183730
183730
183740
1S3T»
1837»
1837&0
183780
1S3770
183770
183780
183780
183790
1837»
193800
183800
183810
EGs (mS/m) 32.0
12 5
18381U
113690
«3700
113710
HÏ720
HÏ730
1I37M
H37M
U37W
H3770
183710
1837»
1838»
183810
183890
183700
183710
183730
181730
183740
183730
183780
183770
183780
183790
183800
183110
M S s (SI) n
0
HA
10
™
20
„A 40
(m) Lambert72
In de nieuwe tijd (i6 de - i8dt' eeuw) blijken het kasteel en de kasteelhoeve verschillende keren te zijn verbouwd, al dan niet ten gevolge van vernielingen. Zo wordt in 1530 het kasteel, samen met hoeven, cammen,... vermeld (10). De vermelding kasteel slaat op het waterkasteel ten zuiden van het opperhof met donjon. De contouren van het waterkasteel zijn nog duidelijk te herkennen in de geofysische opname die van dit terrein gemaakt werd. De vermeldingen hoeven en cammen slaan op de kasteelhoeve. Overblijfselen van deze gebouwen werden aangetroffen tijdens de werken voor de aanleg van een collector van Aquafin in 2001. De kasteelhoeve kende verschillende meerledige gebouwen, waaronder een toegangspoort en brouwerij in het zuiden langs de Velp, een schuur in het midden, en een gebouw in het noordwesten. Op basis van het materiaal dat tijdens de Aquafinwerken en de archeologische oppervlaktekartering werd ingezameld, blijkt dat deze gebouwen uit baksteen en natuursteen waren opgetrokken en de daken leien en/of dakpannen hadden. In 1653 w e r d het waterkasteel vernield en daarna opnieuw hersteld. Een belangrijke ingreep vond
N
0 00120
I 0 00005
N
0
10
20
40
(m) L a m b e r t 7 2
plaats op het einde van de i7de eeuw toen JeanJacques de Caestre het goed kocht en het waterkasteel met kasteelhoeve verbouwde (n). Hierbij werd de tuin rond het waterkasteel en de kasteelhoeve in barokstijl aangelegd. De basis bestond uit drie lineaire structuren, die samen een zogenaamde ganzepoot vormden, meer bepaald de gracht in het westen, de noordelijke ontsluitingsweg en een momenteel gedempte gracht in het oosten. Het kasteeldomein werd in het zuiden afgesloten door de rechtgetrokken Velp. Het kasteel en de kasteelhoeve waren bereikbaar via de weg in het noorden, in het zuiden via een toegangspoort met brug over de Velp, en in het oosten via een weg richting kerk van Butsel.
Geofysische opnames van het aarden monument en de omliggende gracht (©ORBil)
In de K)6' eeuw raakt het kasteeldomein in verval en worden de gebouwen grondig afgebroken. Het waterkasteel met de hoevegebouwen komt nog voor op de kaart van Ferraris (1771-1778), maar niet meer op de kadasterkaart van Aretz (1815). De woontoren, het kasteel en de hoevegebouwen zijn volledig afgebroken en het gebied is omgevormd tot akkers en weilanden. Enkel de westelijke en de oostelijke gracht van het vroegere domein zijn
M & l I 6i
Fragment uit de kaart van Ferraris. De donjon en het waterkasteel lijken nog te bestaan, evenals de kasteelhoeve
v&.i'.m
(©NGI)
Een archeologische site met een hoge informatiewaarde Het onderzoek heeft aangetoond dat deze archeologische site waardevol is omwille van haar representativiteit, de landschappelijke verankering en de goede bewaringstoestand van de archeologische resten. Daarenboven heeft het recent onderzoek ook iets meer inzicht verschaft in de historische evolutie van de site en haar rol binnen het middeleeuws socio-politieke bestel van de Heren van Boutersem, het graafschap Buringerode, het graafschap Leuven, het prinsbisdom Luik en het hertogdom Brabant. Dit toont aan dat de archeologische site een wetenschappelijke waarde heeft als informatiebron voor de middeleeuwse Brabantse geschiedenis. Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren. Uit radiokoolstofdateringen uitgevoerd op hout van de takken waarmee de kernheuvel van het opperhof verstevigd was, blijkt dat de motte tussen 1250 en 1280 moet zijn gebouwd. Uit historisch onderzoek weten we dat de heren van Boutersem in 1254 in de adel werden verheven. De bouw van de motte kan mogelijk met dit feit in verband worden gebracht. Een motte had namelijk een belangrijke symbolische functie. Het zou dus niet verwonderlijk zijn dat Hendrik III van Boutersem rond 1254 uit prestige een mottekasteel heeft opgericht voor zijn verheffing in de adel.
Fragment uit de kadasterkaart van Aretz. Alleen de westelijke (a) en de oostelijke gracht (b) van het domein zijn nog aangeduid f© Kadaster van Brabant. FOD Financien)
62 I M l
nog overgebleven. Men kan veronderstellen dat na de afbraak van het kasteel, het reliëf op deze plaats bijzonder onregelmatig was, wat mogelijk minder het geval was ter hoogte van de afbraak van de woontoren. Het huidig aarden monument is dus hoogst waarschijnlijk genivelleerd om een meer regelmatige helling te bekomen zodat deze plaats voor de landbouw bruikbaar werd. Ook het zeer onregelmatig microreliëf dat ontstond door de afbraak van de gebouwen van de kasteelhoeve is later genivelleerd tot een zachte helling zodat akkerbouw op deze plaats mogelijk werd.
Waarom werd het mottekasteel net op deze plaats gebouwd? Op het digitaal hoogtemodel Vlaanderen (DHM) - een zeer nauwkeurige reliëfkaart - is duidelijk te zien dat de oostelijke zijde van het kasteeldomein in noordwestelijke richting als een lineaire, lichte verhevenheid in het landschap verder loopt. Ook in zuidoostelijke richting merken we dat deze lijn zich over verschillende honderden meters verder zet. Deze structuur kan niet in verband gebracht worden met het mottekasteel en ook niet met het waterkasteel. Dergelijke lijnen in het landschap zijn vaak restanten van vroegere Romeinse wegen. Het is dus goed mogelijk dat deze rechtlijnige structuur de ligging aangeeft van de Romeinse weg van Tienen naar Elewijt, beide belangrijke regionale centra in de Romeinse tijd. Dit zou betekenen dat deze weg tot in de 13* eeuw in gebruik is gebleven en dat de motte op een
Op het digitaal hoogtemodel Is aan de oostelijke grens van het kasteeldomein een rechtlijnige structuur (witte pijlen) waarneembaar die zich in noordwestelijke en zuidoostelijke richting verder zet (© AGIVen D. Simpsonj
strategische plaats was ingeplant, namelijk langs een belangrijke (interregionale) weg die Leuven met Luik verbond, net op de plaats waar deze weg de vallei van de Velp kruistte. Het is niet uitgesloten dat het mottekasteel één of meer oudere fasen gekend heeft. Uit het oorspronkelijke loopvlak onder de kernheuvel van het opperhof werden namelijk heel wat scherven verzameld die dateren uit de 2(ic helft van de ii de en uit de 12* eeuw. Dit toont aan dat, misschien niet op de plaats van het mottekasteel zelf maar zeker in de onmiddellijke omgeving, een (versterkte?) nederzetting heeft gelegen in de volle middeleeuwen. In de vroege middeleeuwen behoorde dit gebied tot het graafschap Bruningerode (12). Dit graafschap was in de iode-ii<lc eeuw voorwerp van twisten tussen het graafschap Leuven en het prinsbisdom Luik. In 1106 werd het graafschap Bruningerode definitief ingelijfd bij het graafschap Leuven. De inplanting van een voorloper van het mottekasteel op deze topografisch belangrijke plaats, op de grens van het graafschap van Leuven met het prinsbisdom Luik, kan niet uitgesloten worden en zal wellicht ook een
belangrijke afschrikkingsfactor geweest zijn naar de prins-bisschoppen van Luik. Bij het archeologisch onderzoek werd ook een brandlaag vastgesteld. Op basis van het aardewerk kan deze ten vroegste in de 13^ eeuw gedateerd worden. Deze brandlaag staat mogelijk in verband met één van de gewapende conflicten tussen de hertogen van Brabant en de prins-bisschoppen van Luik in de 13^ en i4 de eeuw.
Besluit Het onderzoek van de kasteelsite Butsel te Boutersem heeft aangetoond dat dit een waardevolle archeologische site is. Op één en dezelfde plaats vinden we drie typevoorbeelden van middeleeuwse versterkingen: het mottekasteel, de donjon of woontoren, en het waterkasteel. Geen enkele van deze constructies is in opstand bewaard gebleven. In de ondergrond daarentegen zijn de resten van deze versterkingen nog zeer goed bewaard. Ook de structuurbepalende elementen van deze kasteelcomplexen zijn nog duidelijk zichtbaar in het huidige landschap. Deze goed bewaarde site bevat
1VI&L I 63
/
De kasteelsite van Butsel, Wat overblijft is een lichte verhevenheid in het landschap {foto. O. Pauwels)
dus nog een schat aan informatie, niet enkel over de lokale geschiedenis van de Heren van Boutersem, maar ook over de middeleeuwse geschiedenis van de graafschappen Bruningerode en Leuven, het hertogdom Brabant en het prinsbisdom Luik.
Walter Sevenants is archeoloog en zaakvoerder van het studiebureau Triharch onderzoek & advies bvba.
(3) De middeleeuwse term ministerialis duidt een persoon aan die een functie, een ambt of een taak vervult. Tot het midden van de 13d' eeuw werden ministerialen door de tijdgenoten als niet-adellijk beschouwd. Tussen 1225 en 1253 zijn niettemin zeven families van Brabantse ministerialen, waaronder de Heren van Boutersem, in de adel opgenomen, waarschijnlijk omdat zij heerlijke rechten hadden verworven. Tot 1253 heetten de Heren van Boutersem ministeriales, sinds 1254 edelen; VAN UYTVEN R. (red.), Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004, p. 73.
(4) WAUTERS H., Histoire des environs de Bruxelles, Brussel, 1855; BRAMS V., Boutersem, Boutersem, 2007, p. 60. (5) Ministerieel besluit houdende de inschrijving op het ontwerp van lijst van de voor bescherming vatbare archeologiEindnoten sche zones van de site van Butsel te Boutersem (Belgisch Staatsblad 14 oktober 2011). (1) SEVENANTS W., Een archeologische evaluatie en waardering (6) Het archeologisch/historische luik en de leiding van het onvan de site Butsel te Boutersem (provincie Vtaams-Brahant), derzoek werden uitgevoerd door Walter Sevenants van TriTriharch Rapport 2009-3, Kortenberg, 2009. harch onderzoek & advies bvba. Het fysisch-geografisch luik en het booronderzoek werden uitgevoerd door dr. Ro(2) Deze site kreeg de naam 'kasteelsite Butsel'. Op basis van ger Langohr en lic. Jari Hinsch Mikkelsen. Prof. Dr. Ir. dit onderzoek kunnen we stellen dat deze naam eigenlijk Mare Van Meirvenne en dr. ir. David Simpson van de Onniet juist is. Butsel behoorde oorspronkelijk niet tot de heerderzoeksgroep Ruimtelijke Bodeminventarisatietechnieken lijkheid van de Heren van Boutersem. De site zou dus (ORBit) Vakgroep Bodembeheer Faculteit Bio-ingenieurseigenlijk 'kasteelsite Boutersem' genoemd moeten worden. wetenschappen van de Universiteit Gent stonden in voor Maar het is niet zeker of deze site de enige en belangrijkste het geofysisch onderzoek. De leden van de lokale historiresidentieplaats van de Heren van Boutersem was. Nog sche kring Velpeleven leverden heel wat nuttige informatie juister zou dus de benaming 'een kasteelsite van de Heren over de kasteelsite. van Boutersem' zijn.
64 I VI ' L
•MNNHraoKüi^
aniBHHB^BBB
(7) CLAES B., Castrak mottes in Vlaams-Brabant. Inventaris ej vergelijking (onuitg. lic. verh.). Licentiaatsverhandeling archeologie. Universiteit Gent, 2002; DE MEULEMEESTER J., Castrak motten in België, Miscellanea Archaeologica in honorem H. Roosens, in Archaeologia Belgica, 255, 1983, p.205206. Een motte(kasteel) is een deels of geheel kunstmatig opgeworpen aarden heuvel met een zowel militaire, symbo- (9) lische, residentiële als economische functie. Het betreft een particuliere versterking en residentie van een heer, gebouwd om zichzelf, zijn familie en zijn woning te beschermen. De motte vormde de karakteristieke woning van de middelhoge adel. Veel heerlijkheden werden in de ii'ie-i2de eeuw gevormd door deze versterkte residenties. Een typische motte bestond uit twee delen: het opperhof of de hoofdburcht en het neerhof of de voorburcht, beide delen waren omgeven door een gracht. (8) DOPERE F. en UBREGTS W., De donjon in Vlaanderen. Architectuur en wooncultuur, in Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae, 3, Leuven, 1991. Een donjon is een middeleeuwse, verdedigbare woontoren, al dan niet gebouwd op een opgeworpen heuvellichaam (bijvoorbeeld een motte). De eerste donjons waren van hout. Later werden ze in natuur- en/of baksteen opgetrokken. Inwendig bevat de toren drie tot vijf boven elkaar gelegen kamers, die oorspronkelijk steeds een hele verdieping beslaan. Over het algemeen had minstens één kamer een stookplaats. De oudste woontorens hebben een ingang boven de begane grond, zodat de meestal van een tongewelf voorziene kelder alleen van binnenuit toegankelijk was. De jongere woontorens hebben
hun ingang op de begane grond. Een donjon was aanvankelijk een zelfstandig bouwwerk. In veel gevallen werden rond de donjon in de loop der tijd andere gebouwen opgetrokken, of werd de donjon opgenomen in een ommuurde vesting. Zo ontwikkelde zich het kasteel, waarbij de donjon diende als laatste toevluchtsoord. Mededeling van Paul Kempeneers. Zie ook: Sprokkel 284. Kasteel zonder water (www.kempeneers.org). WAUTERS H., Histoire des environs de Bruxelks, Brussel, 1855; BRAMS V., Boutersem, Boutersem, 2007, p. 60. WAUTERS H., opxit. VAN UYTVEN R. (red.). Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle, 2004, p. 53-67. Over het graafschap Bruningerode is niet zo veel geweten. Het wordt voor het eerst vermeld in 987 toen de bisschop van Luik dit graafschap verkreeg. Het strekte zich uit ten zuidoosten van Leuven. Het gebied komt overeen met het Land van Geldenaken (en niet dat van Tienen, zoals lang werd gedacht). Bierbeek en Korbeek-Dijle (en Boutersem?) behoorden eerst bij Bruningerode, maar later bij het graafschap Leuven. Toen de bisschop van Luik bij Hoegaarden in Bruningerode een versterking bouwde, beschouwde graaf Lambert dit als een oorlogsverklaring en versloeg hij in 1013 in de slag bij Hoegaarden de troepen van de bisschop. Het is waarschijnlijk dat graaf Lambert hierna beleend werd met het graafschap Bruningerode, maar hiervoor is geen bewijs. Het graafschap Bruningerode werd, na een tijdelijke afstand in 1099, mogelijk in 1106 definitief ingelijfd in het hertogdom Brabant.
M & l . I 65
-> M&L ONLINE <•
IVI&L... dat is een tijdschrift en een reeks met een traditie van 30 jaar!
Kennismaken? Op onze website vind je een handig overzicht en kan je bovendien uitgeputte tijdschriftnummers gratis downloaden!
THE SWIMMING POOL AT THE VELDSTRAAT IN ANTWERP The swimming pool with bathhouse in the Veldstraat was built in 1932 and is therefore the oldest remaining indoor swimming pool in Antwerp. Emiel Van Averbeke had it constructed following a design by the engineer Daniël Joseph Algoet (1889-1952) together with the engineer Alfred Roelandts (1875-1955). The swimming pool hall was on the first floor with changing rooms on both sides, bathrooms were on the ground floor at the side of the Alfons Engels street. The concept was very much like the structure and equipment of the typical swimming pool as it was promoted by the Federation Royale Beige de Natation (Royal Belgian Swimming Federation). The circulation of the users was quite modern, with a compulsory passage through the foot-baths and showers, the extensive use of concrete, among others for the swimming hall's double windows and finally the ventilation and heating concept, of such a remarkable quality that it could serve its purpose as swimming pool and public bathhouse until 2004 without any major alterations or interventions. The architecture of this building from the interbellum period has been preserved almost entirely: nearly intact facade architecture, unchanged division of space and original architectural elements (changing rooms with overhead light, tiled floors, interior as well as exterior cabinetwork, leaded glass in concrete prefab frames, architectonic concrete for the ceilings, etc.). In order to compose the restoration file, extensive research was done. The material-technical study resulted in a clear view on the original condition of facade as well as the interior, and this for the general constructional concept as well as the use of materials and colour for this monument. The study of building physics, acoustics and stability clarified the problems concerning technical requirements typical for swimming pools (thermal bridges, echo times, supporting power). Between 2005 and 2009 the swimming pool was restored and a hamam and bathhouse were added. The existing functions, swimming pool and bathrooms, were preserved. Both functions filled a need of the immediate surroundings and the larger urban environment. Because the demand is expected to decline in the future, the number of bathrooms has been limited. The space thus made free was used for six group changing rooms. Swimming pool, changing and waiting rooms on the first floor were restored in their original state: reuse of original tiles, glass, completed with replica material, reconstruction following the original design of disappeared elements, re-painting following the
first colour-setting, limiting the incidence of light in the swimming pool by reconstructing the concrete subdivided frames with clear yellow hammered glass. A stability study revealed that the only feasible option was the renewal of the basin's concrete structure. The moulded elements (overflow gutter, footrest and corner pieces) were removed in one piece with a view to re-use them following the renewal of the concrete basin. In order to enhance the swimming pool's appeal, a bathhouse and hamam have been added. The use of materials draws a sharp distinction of the new functions: dark stone (granite combined with slate), tadelakt for walls and ceilings, finishing in oak and black high pressure laminate. The exterior was almost completely preserved. Some disturbing interventions on the fagade were undone. The framework was reconstructed for the largest part following archived designs and double glazing was installed. Original framework with single glazing was preserved as relic carpentry and repainted in the original colour scheme.
BUILDING HISTORY AND RESTORATION OF THE HEVERLEE PARK ABBEY'S LOCUTORIUM In 2008 the restoration of the locutorium of the Norbertine Park abbey in Heverlee has been completed. It is an ancient abbey site on the outskirts of Leuven, just outside the historical town centre. This was also the starting signal for a general and systematic restoration of the central abbey buildings. The decision to start a global restoration was a strategic one. The locutorium plays a crucial role as a centre for reception and circulation within the future use of the abbey. Originally it functioned as the monastery's 'Spreekhuys' (conversation room) where the monks would meet their visitors who were not allowed in the other parts of the abbey. During the Ancien Régime, the abbey complex was indeed reserved for the Norbertines themselves while visitors were received in the Locutorium Conventus or Spreekhuys. The building dates from shortly before 1718 and was ordered by the former abbot Paul De Bruyn. During the 19"1 and 20th century it was given a new function as presbytery to the abbey church, which, as of the 19th century, had become a parish church, joined to the abbey. With a view to the buildings' future use, an 'open monument association' was founded in 2005. The restoration is a long-term project which will be executed in different phases, starting with the restoration and new destination for
M&L I 67
"—^—
the locutorium, which as of now will combine different functions useful for the site's future destination. These are mainly functions which should preferably by kept outside the well-preserved actual abbey buildings, because of their drastic architectural impact on the historical buildings, like sanitary facilities, an elevator, a reception and ticket desk. The locutorium plays a crucial part in the reception of future visitors. The location of the building makes it a kind of junction between the church on the one hand, and the west wing with drawing rooms on the other. The locutorium also allows access for the disabled. The locutorium is close to the central wings of the abbey. It is for the main part a detached building, made in a traditional style with brick and sandstone, two building layers under a steep saddle roof and without any cellars. In the north side portal the year 1718 has been marked as final date of the construction. The west side is a late baroque representation fagade with remarkable bellshaped top and a central starlike decoration with stones indicating the year "anno" (left) and "771S" (right). Material-technical studies have showed that the north and west fagade were originally finished with a thin coat of limewash, painted in red with white joints. The southern wall is decorated with a white stone parament matching the adjoining prelacy's fagades surrounding the abbey gardens. The locutorium's stonework does not contain any older elements except for the remains of the 15th century staircase with winding stairs. Although around 1900 some major transformations had been carried out as part of a general restoration campaign for the entire abbey site, the original late-Baroque building phase is of overriding importance for the architectural experience and building-historical reading. More recent interventions are of only limited historical and architectural importance and were mainly inspired by adaptations for new functional needs. This is the main reason why with the actual conserving restoration the choice was made to return the original design and let the late-Baroque phase serve as guiding principle. The interior lay-out was restored, the original finishing of the facade was resumed and bricked-up window gaps were reopened. Reconstruction or additions were only carried out when there was sufficient scientific data to support it. Lacking this, one opted for a sober contemporary interpretation. This is mainly the case for the new modern stairs in the central staircase, once again cleared, thus restoring the original location, direction and threedimensional experience. Preliminary research proved that the foundations were extremely heterogeneous and of varying quality, necessitating the construction of a new cellar underneath the building. This is where all technical installations are located. During the excavations, remains of a late-Mediaeval corner tower with foundations larger
68 I M & L
than a meter. Another interesting discovery is the cobbled street running under the building's foundations. The locutorium's restoration is the first step of a gradual restoration of the central abbey buildings. The surrounding protected landscape will also be restored. This way an important cultural-historical abbey site will be heading for a bright future step by step..
THE CASTLE SITE BUTSEL IN BOUTERSEM In Boutersem, a rural village between Leuven and Tienen, lies an earthen monument which historians believe to be the residence of the Lords of Boutersem. In 2009 the Flanders Heritage Agency commissioned the research institute Triharch to study the value of this castle site with a view to possibly list it as a protected archaeological site. Given the final purpose, study was done in an iterative way focusing on the assignment. Initially all existing knowledge on the subject was gathered. In a second phase research methods were used on site, a.o. archaeological surface mapping, metal detection and geophysical research. Subsequently one tried to reconstruct the landscape and to trace archaeological relics using corings. By means of trial trenches the presence of archaeological relics was verified as well as its nature and condition. Finally the significance of the archaeological soil archive was assessed using a number of criteria regarding content, form and perception. This study has proven the Butsel castle site is a valuable archaeological site. On this site an earthen castle was located, as well as a dungeon and a water castle with farmstead and Baroque style garden. This combination of different mediaeval fortifications on one location, the good condition of the archaeological soil archive and the anchoring of elements defining the structure in the landscape, make this a valuable site. Moreover this study has provided an insight in the historical evolution of the site and its role within the mediaeval socio-political system from the Lords of Boutersem, the counties of Buringerode and Leuven, the Prince Bishopric of Liège and theduchy of Brabant. All of this proves the important scientific value of this archaeological site as a source of information on mediaeval history of Brabant.
OL Inalood v^
1 Idl IU
Oud en nieuw - hand in hand. Building laat ze samensmelten tot een harmonieus geheel - of dat nu enkel restauratie of een combinatie van restauratie en nieuwbouw is. Steeds van oudsher maar met de nieuwste technieken. We nemen alles zelf onder handen. Building heeft een geïntegreerde steenkapperij en schrijnwerkerij. Niets is ons te veel. Elk project vormt een unieke uitdaging. Van fundering tot afwerking, we pakken het aan - hands on - en dat al 50 jaar lang. Welk project ook, dankzij Building is het in goede handen! Ontdek onze diverse projecten op www.buildingnv.be
BUILDING