BETERE OVERHEIDSDATA VOOR EVIDENCE INFORMED ARBEIDSMARKTONDERZOEK EN BELEID
Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, Wetstraat 34-36, 1040 Brussel W www.serv.be – T +32 2 209 01 11 – E info@serv.be
Disclaimer: Deze nota werd opgemaakt door het SERV-secretariaat ter ondersteuning van het sociaal-economisch overleg en de beleidsadvisering door de sociale partners in de SERV. De bevindingen, interpretaties en conclusies in dit achtergronddocument vallen volledig onder de verantwoordelijkheid van het SERV-secretariaat en kunnen op geen enkele wijze toegeschreven worden aan de raad, een organisatie vertegenwoordigd in de raad of een lid van de raad. Kennisname raad
21 februari 2022
Contactpersoon
Peter Van Humbeeck Stijn Wouters
pvhumbeeck@serv.be swouters@serv.be
2
02 209 01 01 02/20 90 107
Inhoud Krachtlijnen ................................................................................................................... 4 1.
Inleiding ................................................................................................................. 6
2.
Prioritaire uitdagingen en opgaven ................................................................... 8
2.1 Versterk de data- en evidencecultuur in het domein van arbeidsmarktbeleid .............................................................................................. 8 2.2 Werk structureel aan het opsporen en wegwerken van datalacunes en van gebreken in datakwaliteit ..................................................................................12 2.3 Maak werk van de verdere uitbouw van het DWH AM&SB ..........................16 2.4 Investeer in survey-infrastructuur....................................................................18 2.5 Vergroot de vindbaarheid en ontsluiting van de data ...................................19 2.6 Vereenvoudig en versnel de machtigingsprocedures ...................................23 3.
Bijlagen.................................................................................................................26
Bijlage 1: Afkortingen .................................................................................................26 Bijlage 2: Geraadpleegde bronnen...........................................................................27 Bijlage 3: Belangrijkste actoren inzake data en arbeidsmarkt .............................27 Bijlage 4: Data- en onderzoeksgedreven ecosysteem in Werk ............................30 Bijlage 5: Data-uitwisseling tussen overheden in Werk ........................................33 Bijlage 6: Controle op uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens ........35 Bijlage 7: VO-brede datastrategie .............................................................................37 Bijlage 8: Datastrategie DWSE ...................................................................................38 Bijlage 9: Kennisagenda DWSE .................................................................................41 Bijlage 10: Open data sets rond Werk op het Vlaams Open data portaal ..........43 Bijlage 11: Gesignaleerde opportuniteiten en datalacunes in arbeidsmarkt .....44 Bijlage 12: Hoofdlijnen advies SERV-VLIR ................................................................46
3
Krachtlijnen In september 2021 deden de SERV en de VLIR een gezamenlijke oproep aan de Vlaamse Regering om steviger te investeren in de beschikbaarheid, kwaliteit, vindbaarheid en ontsluiting van overheidsdata. De knelpunten en aanbevelingen in die oproep werden geïllustreerd met voorbeelden uit arbeidsmarktbeleid en het gezondheidsbeleid. Het Vlaams Parlement nodigde de SERV en de VLIR uit om op 22 februari 2022 van gedachten te wisselen over betere overheidsdata. Naar aanleiding van die uitnodiging van het Vlaams Parlement publiceert de SERV nu de uitgebreidere analyse over de case arbeidsmarkt. Hiermee wil de SERV: •
de problematiek zoals beschreven in de oproep verder concretiseren;
•
goede praktijken in arbeidsmarkt onder de aandacht brengen;
•
de nood aan een beleidsdomeinoverschrijdende actie aantonen.
Deze nota werd opgesteld door en wordt gepubliceerd onder verantwoordelijkheid van het SERV-Secretariaat. De informatie is gebaseerd op interviews en gesprekken met experts en op documentanalyse. Uit de analyse blijkt dat in het beleidsveld Werk de afgelopen jaren belangrijke stappen heeft gezet voor een meer datagedreven beleid en overheid. Dit kan zeker andere beleidsdomeinen inspireren. Niettemin zijn er ook voor arbeidsmarktdata nog diverse werkpunten. De ‘experten arbeidsmarkt’ en de SERV hebben daar in hun relanceadviezen op gewezen. Om die reden is in het VESOC-akkoord ‘Alle Hens aan Dek’ ook een speerpunt opgenomen over het benutten van data en wetenschappelijke inzichten als grondstof om het werkgelegenheidsbeleid evidence-informed te versterken en te onderbouwen. De meest gesignaleerde vragen die tijdens de interviews en gesprekken naar voor kwamen zijn: •
Zet verdere stappen om in het domein van arbeidsmarktbeleid een dataen evidencecultuur te verankeren
•
Werk structureel aan het opsporen en wegwerken van datalacunes en gebreken in datakwaliteit
•
Maak werk van de verdere uitbouw van het DWH AM&SB
•
Investeer in survey-infrastructuur
•
Vergroot de vindbaarheid en ontsluiting van de data
•
Vereenvoudig en versnel de machtigingsprocedures 4
De bijlagen bevatten heel wat achtergrondinformatie, onder andere over •
het data- en onderzoeksgedreven ecosysteem binnen het beleidsveld werk;
•
de kernpunten van de Vlaamse;
•
de huidige organisatie van de data-uitwisseling tussen overheden op het vlak van arbeidsmarktbeleid en van de controle op de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens;
•
de gesignaleerde opportuniteiten en datalacunes in het arbeidsmarktdomein.
5
1. Inleiding Het Vlaams Parlement nodigde de SERV en de VLIR uit om van gedachten te wisselen over betere overheidsdata. De aanleiding is hun gezamenlijke oproep aan de Vlaamse Regering om steviger te investeren in de beschikbaarheid, kwaliteit, vindbaarheid en ontsluiting van overheidsdata. De knelpunten en aanbevelingen in die oproep werden geïllustreerd met voorbeelden uit arbeidsmarktbeleid en het gezondheidsbeleid. Naar aanleiding van die uitnodiging publiceert de SERV nu de uitgebreidere analyse over betere overheidsdata voor evidence informed arbeidsmarktonderzoek en -beleid. Hiermee wil de SERV: •
de problematiek zoals beschreven in de oproep verder concretiseren;
•
goede praktijken in het domein van arbeidsmarkt onder de aandacht brengen;
•
de nood aan een beleidsdomeinoverschrijdende actie aantonen.
De nota werd opgesteld door en wordt gepubliceerd onder verantwoordelijkheid van het SERV-Secretariaat. In bijlage 2 bij deze nota wordt aangegeven wie bij de opmaak betrokken werd. De bevindingen, interpretaties en conclusies in deze nota vallen echter volledig onder de verantwoordelijkheid van het SERV-secretariaat. De algemene uitgangspunten zijn dezelfde als in de oproep. Die zijn: •
Kwaliteitsvolle data en wetenschappelijke inzichten zijn een noodzakelijke voorwaarde voor op evidence gebaseerde beleidskeuzes. Samen met sociaal overleg en een maatschappelijke dialoog is die evidence nodig voor een beleid dat onderbouwd en overlegd is;
•
Data spelen een cruciale rol in de digitale transitie. De data die de overheid verzamelt, produceert en ontsluit, zijn een belangrijke grondstof voor nieuwe toepassingen en digitale informatieproducten en -diensten;
•
COVID-19 heeft het belang van data en wetenschappelijke informatie onderstreept en legde al langer bestaande pijnpunten bloot in de databeschikbaarheid, -toegankelijkheid en -beheer (zie het cijferrapport en data-advies van de SERV van juni 2020).
Het is positief dat de Vlaamse Regering reeds diverse initiatieven heeft genomen. Dat gebeurde vooral in het kader van de uitvoering van het Witboek Bestuur, de totstandkoming van Digitaal Vlaanderen, de omzetting van de PSI-Richtlijn en een reeks wijzigingen aan het bestuursdecreet in 2021. Ook de acties in het Open data Actieplan en het Open Science beleid bieden perspectieven. Het Relanceplan ‘Vlaamse Veerkracht’ wil daaraan een bijkomende impuls geven. Er werd tevens gewerkt aan een overheidsbrede datastrategie in reactie op eerdere adviezen van de SERV en de relancecomités. Toch ligt er nog veel werk op de plank om de ambities concreet in te vullen en geïntegreerd in praktijk te brengen. De oproep van de SERV en de VLIR toont dit duidelijk aan.
6
Ook in het domein van arbeidsmarkt werden de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet voor een meer datagedreven beleid en -overheid. Dit kan andere beleidsdomeinen inspireren. Voorbeelden zijn: •
het Steunpunt Werk dat een belangrijk rol speelt in het ontwikkelen, koppelen, ontsluiten en beschikbaar maken van arbeidsmarktdata;
•
de ontsluiting van data over de arbeidsmarkt via de website van VDAB, de interactieve toepassing ARVASTAT, de website van DWSE, de CoviData Arbeidsmarkt;
•
de decretale verankering van VDAB als dataregisseur;
•
het initiatief van DWSE om een eigen datastrategie en kennisagenda op te maken.
Niettemin zijn er ook voor arbeidsmarktdata nog diverse werkpunten. De ‘experten arbeidsmarkt’ hebben daar in hun relanceadvies op gewezen. Ook de SERV deed dat in diverse adviezen. De uitdagingen situeren zich op alle soorten data: ruwe arbeidsmarktdata, beleidsdata, datakoppelingen met het oog op een goede publieke dienstverlening, sociaal-maatschappelijke data, … Om die reden is er ‘Speerpunt 12’ opgenomen in het VESOC-akkoord ‘Alle Hens aan Dek’. Dat speerpunt gaat over het benutten data (en wetenschappelijke inzichten) als grondstof om het werkgelegenheidsbeleid evidence-informed te versterken en te onderbouwen. Datagedreven arbeidsmarktbeleid kwam nadien ook prominent aan bod in de hoorzittingen van de Werkgroep Institutionele Zaken van het Vlaams Parlement over arbeidsmarkt. Deze nota bouwt verder op het SERV/VLIR-advies dat de oproep vergezelde (zie ook bijlage 12). De nota gaat dus in op de beschikbaarheid van kwaliteitsvolle data, de vindbaarheid en ontsluiting van data, de gebruiksvriendelijkheid van de privacyprocedures en de beleidscultuur en ambtelijke organisatie, maar dit geconcretiseerd voor en vanuit het perspectief van het arbeidsmarktbeleid. Waar relevant wordt de link met het overheidsbrede databeleid gelegd. De bijlagen bevatten heel wat achtergrondinformatie. Concreet gaat het over: 1.
de gebruikte afkortingen
2.
de geraadpleegde bronnen
3.
de belangrijkste actoren in het domein van data en arbeidsmarkt
4.
het data- en onderzoeksgedreven ecosysteem binnen het beleidsdomein werk
5.
de data-uitwisseling tussen overheden op het vlak van arbeidsmarktbeleid
6.
de organisatie van de controle op de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens
7.
de kernpunten van de Vlaamse datastrategie
8.
de kernpunten uit de datastrategie van DWSE
9.
de kernpunten uit de kennisagenda van DWSE
10.
de open datasets rond arbeidsmarkt op het Vlaams Open Data portaal
11.
de gesignaleerde opportuniteiten en datalacunes in het arbeidsmarktdomein
12.
de hoofdlijnen van het SERV-VLIR-advies van september 2021
7
2. Prioritaire uitdagingen en opgaven Hieronder volgt een oplijsting van de meest gesignaleerde uitdagingen en opgaven die tijdens de interviews en gesprekken naar voor kwamen. De prioritaire vragen zijn: •
Versterk de data- en evidencecultuur in het domein van arbeidsmarktbeleid
•
Werk structureel aan het opsporen en wegwerken van datalacunes en gebreken in datakwaliteit
•
Maak werk van de verdere uitbouw van het DWH AM&SB
•
Investeer in survey-infrastructuur
•
Vergroot de vindbaarheid en ontsluiting van de data
•
Vereenvoudig en versnel de machtigingsprocedures
2.1 Versterk de data- en evidencecultuur in het domein van arbeidsmarktbeleid Analyse Het advies van de SERV en de VLIR beklemtoonde het belang van een data- en evidencecultuur en -organisatie. Die vormen immers een noodzakelijke voorwaarde voor een datagedreven beleid en overheid. Het gaat dan onder andere om: •
een cultuur van data-uitwisseling en datadeling binnen het eigen beleidsdomein, met andere beleidsdomeinen en met andere bestuursniveaus, waaronder de mate waarin entiteiten het ‘once only’-principe toepassen en voor ‘omnichannel’ gaan (om soepel gebruik van de data door verschillende partijen in hun eigen geprefereerde kanalen mogelijk te maken);
•
een gebruikers- en samenwerkingsgerichte houding en dus een holistische opvatting over de overheid en over het belang en potentieel van data voor de overheid en de samenleving;
•
de aanwezigheid van een visie, beleid en structurele aanpak rond ‘evidence informed policy making’ via bv. een datastrategie (naast en in het verlengde van de voortdurend te actualiseren Vlaamse datastrategie), duidelijke rollen en aandacht voor competentie-, capaciteitsen kennisopbouw doorheen alle geledingen van de organisatie (bv. via een leer- of kennisagenda);
•
de aanwezigheid van mechanismen die zorgen voor systematische verbetering met inbreng van buitenaf, via bv. structureel overleg tussen overheid, data scientists (of developpers), onderzoekers en andere gebruikers (zoals sociale partners, middenveld, ondernemingen, burgers, …) en een continue feedbackloop over wat men met de data kan doen en welke verdere stappen men kan zetten.
Bij DWSE zijn deze elementen grotendeels aanwezig. De beleidsnota Werk 2019-2024 stelde een betere onderbouwing van het arbeidsmarktbeleid met data en wetenschappelijke inzichten in het vooruitzicht. De voorbije periode werden daardoor belangrijke inspanningen gedaan om de reeds langer aanwezige data- en evidencecultuur in het domein van arbeidsmarktbeleid 8
verder te versterken. De coronapandemie heeft die uitdaging concreter en urgenter gemaakt. DWSE heeft daarop ingespeeld en was bv. een van de eerste beleidsdomeinen dat al vroeg in de coronacrisis een dashbord opmaakte om de impact nauwgezet op te volgen. Ook uit de ‘Vlaamse Brede Heroverweging’ is gebleken dat DWSE tot de meer mature beleidsdomeinen behoort op dit vlak. Het beleidsveld Werk kan op het vlak van de uitbouw van een ecosysteem voor een dataen onderzoeksgedreven overheid dienen als voorbeeld en inspiratie voor andere beleidsdomeinen. De volgende elementen maken onderdeel uit van dat ecosysteem (zie voor meer uitleg bijlage 5): •
Er bestaat structurele dataprogrammatie via het Steunpunt Werk;
•
DWSE ontwikkelde met veel participatie van onderzoekers en het middenveld een kennisagenda (zie bijlage 9);
•
DWSE heeft een eigen datastrategie met een missie, visie, strategie en dataprioriteiten voor 2021-2024 (zie bijlage 8);
•
Het beleidsdomein beschikt over eigen datateams en studiediensten die zowel technisch als inhoudelijk data kunnen verzamelen, structureren, analyseren, interpreteren en evalueren;
•
De VDAB heeft een belangrijke opdracht gekregen om te fungeren als dataregisseur. De VDAB zet ook sterk in op nieuwe technologieën zoals big data, artificiële intelligentie of gaming om innovatieve en nieuwe vormen van dienstverlening te ontwikkelen. Er wordt Ethische Raad opgericht die moet toezien op een verantwoord gebruik van AI binnen de organisatie.
•
De wisselwerking met sociale partners en onderzoekers is sterk uitgebouwd.
Beleidssuggesties Toch blijven er nog uitdagingen. Ze komen verder in deze nota aan bod. Op het vlak van cultuur en organisatie formuleerden de respondenten de onderstaande werkpunten en aandachtspunten. Er kunnen zeker nog verdere stappen worden gezet om in het arbeidsmarktbeleid de evidence-informed aanpak te versterken. Met name gaat het er dan om de effectiviteit en efficientie van het beleid en de ingezette instrumenten structureel ex ante en ex post te evalueren. De audit door het Rekenhof van de effectiviteit van de individuele beroepsopleiding (IBO) is hiervan een illustratie. Dit veronderstelt goede en onderling afgestemde beleids-, regelgevings- en evaluatieagenda’s, groter gebruik van impactanalyses en beleidsevaluaties en ruimte voor experimenten waaronder RCT’s. Een goede (beleids)datahuishouding van het informatie- en systeembeheer is daarbij onontbeerlijk. Recente audits bij het Rekenhof tonen dat nog meer moet worden nagedacht over welke data nodig is, hoe monitoring op te zetten, welk beleidsgericht onderzoek nodig is en hoe er geëvalueerd moet worden.
9
Andere landen kunnen inspiratie bieden voor de uitbouw en verankering van een data- en evidencegerichte cultuur. In De EU is de lopende peer review cyclus door Eurostat een nuttig referentiepunt. Een goed voorbeeld buiten de EU is het Verenigd Koninkrijk met onder andere de ideeën rond data, innovatie en regulering ontwikkeld bij de Financial Conduct Authority. Een ander goed voorbeeld zijn de Verenigde Staten met de Foundations for Evidence-Based Policymaking Act, de organisatie van Regulatory Planning and Review en het netwerk van Evaluation Officers. Ze bevatten interessante instrumenten en mechanismen op het vlak van: •
strategische planning van onderzoek,
•
transparantie en systematische verbetering via data-, kennis-, evaluatie- en leeragenda’s,
•
de organisatorische verankering van data- en evaluatierollen,
•
de installatie van overleg- en coördinatiestructuren en
•
het verzekeren van publieke transparantie.
Er is nood aan een sterkere rol van de centrale instanties. Het gaat dan om DKBUZA, de Vlaamse Statistische Autoriteit, Digitaal Vlaanderen en het Agentschap Overheidspersoneel. De vraag naar een sterkere rol betreft het promoten van een data- en evidencecultuur binnen de Vlaamse overheid, het opzetten, uitwisselen en coördineren van databanken en beleidsinformatie, het organiseren van opleidingen en het verzekeren van de nodige cybersecurity. De overheidsbrede datastrategie bevat hierrond alvast enkele insteken (zie bijlage 7). Het netwerk Statistiek Vlaanderen, zou nog meer ondersteunend, oplossingsgericht en netwerkversterkend moeten zijn. Afstemming van onderlinge rollen en taken is nodig. Vandaag gaat er bv. capaciteit verloren met de ontdubbeling van data bij zowel het Steunpunt Werk als Statistiek Vlaanderen. Het Steunpunt Werk verdient een stabieler kader. Het steunpunt is een belangrijke troef en heeft in haar opdracht een kruispuntbankfunctie toegewezen gekregen. Het huidige beheerskader met vijfjaarlijkse oproepen en kandidaatstelling om als steunpunt erkend te worden, brengt echter zowel financieel als organisatorisch beperkingen met zich mee. Een regelgevend kader dat de rol duurzaam verankert en financiert lijkt aangewezen. Er blijft nood aan een strategische visie en discussie over waar VDAB naartoe wil met haar rol als dataregisseur. Concreet is er vraag naar een overlegde datavisie en -strategie om een aantal aspecten verder uit te klaren: •
De ruimere maatschappelijke kant is nog onderbelicht. De informatie en discussie heeft tot dusver vooral een technische insteek. Het gaat dan om vragen zoals: welke data, over welke activiteiten/personen, met welk doel, …? Hoe ver wil men gaan in van het verzamelen van individuele data en het gebruik ervan in het kader van activering/loopbaandienstverlening of voor het op eigen initiatief/pro-actief contacteren van burgers op beroepsactieve leeftijd?
•
De rol als dataregisseur is ook nog onduidelijk afgebakend in relatie tot andere actoren binnen en buiten het beleidsdomein WSE en in relatie tot hoe de verschillende entiteiten hun data inpassen bij elkaar. Er moet ook worden uitgeklaard in welke mate de partners de door VDAB verzamelde gegevens kunnen gebruiken in hun activeringsopdrachten.
•
Er kan spanning zijn tussen de rollen van de VDAB als dataregisseur en actor op de arbeidsmarkt. Als dataregisseur dient de VDAB immers zoveel mogelijk relevante data op te 10
bouwen. De data kunnen afkomstig zijn van Vlaamse, lokale of andere regionale en federale overheidsinstanties maar ook van overige partners die beschikken over relevante data. Rond AI moet intenser worden samengewerkt met o.a. het Kenniscentrum Data en Maatschappij. AI is bij uitstek een horizontaal thema dat ook andere departementen of agentschappen binnen dit (en andere) beleidsdomein(en) voor grote uitdagingen stelt. De SERV vraagt dat daar waar mogelijk linken worden gelegd en goed wordt samengewerkt. Het kenniscentrum Data en Maatschappij zou hier een ondersteunende rol moeten opnemen. Beter gestroomlijnde gebruikersinspraak is nodig. Naast sterke betrokkenheid van gebruikers op niveau van het beleidsdomein is er ook nood aan overleg over generieke uitdagingen en linken met andere domeinen. Zulke fora bestaan vandaag niet echt. Het gebruikersoverleg op niveau van bv. het Vlaamse statistisch netwerk en de Vlaamse Statistische Autoriteit werd via thematische gebruikersgroepen georganiseerd. Die inspraakcycli waren te weinig effectief. Een nieuw inspraakmodel moet hierin verbetering brengen. Het zou meer moeten vertrekken vanuit de expertise van de betrokken actoren in de diverse beleidsdomeinen om zo te zien waar er noden en knelpunten zijn. Gebruikersinspraak zou daarnaast ook over transversale thema’s moeten gaan. Het moet inhoudelijk breder worden opgezet dan louter over de vraag welke data Vlaamse Openbare Statistieken moeten worden. Dit moet ook zorgen voor meer efficiëntie. Want op het domein van Werk bv. wordt nu het aanbod van het Steunpunt Werk in feite ontdubbeld op de website van Statistiek Vlaanderen. Afstemming met gebruikersoverleg op federaal niveau is wenselijk. Het gaat dan wat arbeidsmarkt betreft in eerste instantie om het overleg in het kader van het DWH AM&SB (zie verder). Statbel heeft nu ook een werkgroep rond telewerk en platformeconomie die zowel beleidsmedewerkers als onderzoekers bevat. Deze werkgroep kan als opstap dienen om ook daar stakeholders meer structureel te betrekken rond data en arbeidsmarkt.
11
2.2 Werk structureel aan het opsporen en wegwerken van datalacunes en van gebreken in datakwaliteit Analyse De COVID-19-pandemie heeft het belang van real-time data en evidence-based beleid onderstreept. Landen die stevig geïnvesteerd hebben in uitgebreide en snel toegankelijke data-infrastructuur, administratieve data, representatieve panels, vlotte koppelingen tussen administratieve data en panel- of survey-data hadden een duidelijke voorsprong op het vlak van het inschatten van de socio-economische COVID-19 impact op de bevolking en de bedrijfswereld. In Vlaanderen werd duidelijk dat er hiaten zijn in de data-infrastructuur. Het relanceadvies van de arbeidsmarktexperts vermeldde als belangrijkste pijnpunten: ontbrekende data, verouderde data, datakoppelingen die niet snel mogelijk of te laattijdig zijn, data die te weinig toegankelijk zijn voor beleid en onderzoek, of die zware en tijdrovende procedures kennen. In het arbeidsmarktdomein zijn reeds heel wat data beschikbaar. Veel gebruikte bronnen zijn het DWH AM&SB, het Steunpunt Werk, de website, de interactieve toepassing ARVASTAT, de websites van VDAB, DWSE, CoviData Arbeidsmarkt, de databank van het Dynam-project en het Dynam-Reg project, de Vlaamse Openbare Statistieken (VOS) de SERV. Er worden echter nog belangrijke datalacunes gesignaleerd. Dat geldt in het bijzonder ook in het kader van het activeren van de potentiële arbeidsreserve waar er duidelijk nood is aan nieuwe datastromen en betere data voor de betrokken doelgroepen. Maar de problematiek gaat ook ruimer. Voorbeelden van lacunes in administratieve data zijn onder meer data inzake personen met een migratieachtergrond, arbeidshandicap, tijdelijke werkloosheid, beroepen, NEET-jongeren, huisvrouwen/mannen, of systematische opvolging van personen in reïntegratietrajecten en hun doorstroom naar werk. Een lijst van gesignaleerde opportuniteiten en datalacunes is opgenomen als bijlage 11. Er zijn drempels om overheidsdata te delen met onderzoeksinstellingen. Er zijn niet alleen lacunes, maar ook steeds meer drempels die lijken te worden ingebouwd om de overheidsdata nog te delen met onderzoeksinstellingen. Waar dit soms in het verleden wel kon, kan dit nu met verwijzing naar GDPR plots niet meer, terwijl de wetgeving er al sinds 2018 is en die weldegelijk toelaat om data te delen met onderzoeksinstellingen mits naleven van de regels en procedures (zie ook deel 2.6). De kwaliteit van de administratieve data is niet altijd toereikend voor onderzoekers of beleidstoepassingen. Voorbeelden zijn: •
Er zijn gebreken in de juistheid, fijnmazigheid, actualiteit enz. Daardoor zijn onderzoekers – maar soms evengoed administraties – soms verplicht om op surveydata terug te vallen. Een voorbeeld is het arbeidsreserveverhaal. Dat wordt nu nog vnl. via de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) gedocumenteerd. Er zou ook kunnen worden gewerkt met het DWH AM&SB (zie ook deel 2.3), maar die data zijn minder actueel, belangrijke data ontbreekt (de 12
grote groep van ‘andere’ waarover alle inzicht ontbreekt, zoals huisvrouwen/mannen, NEET-jongeren), of bepaalde koppelingen mogen niet worden gemaakt (met privacy als argument, zie ook deel 2.6). Daardoor wordt belangrijke informatie gemist, ook al bestaat ze in principe wel. Een ander voorbeeld is de koppeling van adviezen van arbeidsbemiddelaars aan klanten in (verschillende soorten) activeringstrajecten bij VDAB om het hele parcours van een klant in kaart te brengen. •
Datasets verschillen soms onnodig. Voorbeelden zijn variabelen die anders genoemd zijn (bv. namen van gemeenten, NIS codes) of andere grootheden hebben (een bedrag in eurocenten, euro’s of duizenden euro’s). Onderzoekers en beleidsmedewerkers die de datasets willen koppelen staan dan in voor het detecteren en opkuisen van die banale verschillen.
•
Real-time data uit beleids- en dienstverleningsprocessen zijn beperkt. Dit heeft een impact op de mogelijkheid van beleidsgericht onderzoek om op actuele beleidsvraagstukken in te spelen en op de slagkracht van de overheid tijdens crises. Een voorbeeld is de nood aan real-time datastromen voor tijdelijke werkloosheid en (nakende) failliete zelfstandigen (van RVA naar DWSE en VDAB).
•
Methodologische wijzigingen worden door de gebrekkige documentatie niet steeds goed doorgegeven. Dataleveranciers hebben onvoldoende incentives om data goed te metadateren en gebruikersgericht te documenteren. Onderzoekers lopen daardoor het risico op een vertekende dataset die kan leiden tot onjuiste conclusies uit analyseresultaten. De dienstenintegratoren bezitten ook niet altijd de inhoudelijke kennis over de data die ze ter beschikking stellen. Hierdoor worden fouten minder snel opgemerkt of opgespoord in de keten, wat de kwaliteit van de terbeschikkingstelling naar beneden haalt. Bij de data van vroegtijdige schoolverlaters voor VDAB bleek bv. dat er een bug was in de onderwijsdata. Het is dan moeilijk te achterhalen of er fouten zijn en of de fout zit bij de leverancier of de dienstenintegrator.
Een recente audit van het Rekenhof over het uitbestedingsbeleid van de VDAB maakt dit concreet. Er kwamen in die audit structurele problemen aan het licht met de data- en informatieverzameling. •
De VDAB beschikt over diverse tools en informaticatoepassingen om projecten en resultaten op te volgen. Maar ze werken meestal afzonderlijk en zijn niet op elkaar afgestemd. Veel van deze systemen of delen ervan zijn verouderd. De provinciale afdelingen gebruiken eigen terminologie en instrumenten die niet afgestemd zijn op die van de centrale diensten en de andere provincies. Er werden ook registratiefouten en de onvolledige registratie van sommige activiteiten door sommige actoren vastgesteld.
•
Deze problemen zorgden ervoor dat de diverse rapporteringen die de VDAB voor intern gebruik of ter verantwoording aan regering en parlement opmaakt weinig consistent of eenvormig zijn en soms verschillende cijfers voorleggen over eenzelfde voorwerp in eenzelfde tijdsperiode. De rapporten of gekoppelde informatie moet immers manueel samengesteld worden. Dat is een tijdrovende en dure aangelegenheid en verhoogt het risico op fouten, zeker wanneer elke samensteller andere databronnen hanteert en een eigen referentiewijze gebruikt.
13
Gebreken in de data zorgen er ook voor dat de effectiviteit en efficiëntie van maatregelen moeilijk kan worden geëvalueerd. In de databestanden registreerde de VDAB bv. alleen of de werkzoekende in de opleidingen was geslaagd. De VDAB kon het Rekenhof geen data bezorgen over de uitstroom naar werk na een specifieke opleiding.
Beleidssuggesties Er zijn maatregelen nodig om structureel te werken aan het opsporen, prioriteren en wegwerken van datalacunes en kwaliteitsgebreken. Dat is belangrijker dan een lijst opmaken van gebreken en datalacunes. Voor iedere gesignaleerde datalacune moeten kosten en baten goed worden afgewogen. De gesignaleerde datalacunes zijn immers divers. Soms gaat het om data van dienstverleningsprocessen en soms om een combinatie van die data met socio-economische data. De lacunes komen ten dele ook voort uit vragen die specifieke onderzoekers hebben, maar die zijn niet noodzakelijk allemaal even prioritair in het licht van hun meerwaarde op vlak van beleidsinformatie en gelet op de financiële en organisatorische capaciteit van de overheid. Daarnaast moet ook gekeken worden naar de administratieve lasten voor alle betrokken partijen die gepaard gaan met de verzameling van de data. Dat geldt ook voor vragen naar real-time data omdat het verzamelen ervan duur is. Zo’n structurele aanpak moet input van en overleg met onderzoekers, data scientists (of developpers), beleidsmakers, sociale partners en andere datagebruikers organiseren. In elk beleidsdomein zou er naar het voorbeeld van DWSE een datastrategie en datakwaliteitsstrategie moeten worden ontwikkeld. Dat gebeurt best samen met de belangrijkste stakeholders en in nauwe afstemming met de voortdurend te actualiseren Vlaamse datastrategie en Statistiek Vlaanderen (bv. protocol over datakwaliteit van statistische data). Het is belangrijk om daar de onderzoekswereld beter bij te betrekken (of het Steunpunt Werk als het dan gaat over arbeidsmarkt) om te vermijden dat die strategieën worden uitgetekend door actoren die geen of te weinig voeling hebben met onderzoek en (nieuwe) drempels tussen overheid en onderzoek ontstaan. Dat geldt ook voor DWSE. De kwaliteit van de data kan verbeteren door een systematischer gebruik van datastandaarden, gevalideerde methodologieën en laagdrempelige procedures om terugkoppeling door onderzoekers over fouten in de data te organiseren. Het Rekenhof deed een reeks aanbevelingen aan om de nieuwe rol van VDAB als dataregisseur kwaliteitsvol in te vullen. Volgende aanbevelingen van het Rekenhof handelen over het belang van data- en informatiebeheer van VDAB: •
De VDAB moet het partnerplatform verder ontwikkelen tot een performant instrument voor de opvolging en het beheer van de samenwerkingen met partners.
•
De VDAB moet een registratiesysteem uitwerken dat, ongeacht de projecten en activiteiten, zelf of door partners uitgevoerd in welke vorm dan ook, toelaat de zuinigheid, efficiëntie en effectiviteit van de activiteiten op te volgen en te koppelen aan financiële, personeels-en tewerkstellingsresultaten. Een dergelijk registratiesysteem zou de VDAB in staat stellen gedegen verantwoording af te leggen over de besteding van overheidsgelden.
•
Een centrale dienst van de VDAB moet de correctheid, volledigheid, consistentie en uniformiteit van de terminologie en de registratie bewaken, opvolgen en bijsturen, alsook de 14
afstemming van de diverse data(beheer)systemen. Zo kan de VDAB zijn werking en die van de partners opvolgen en bijsturen, en de taak van dataregisseur die hem is toevertrouwd uitvoeren. •
Een duidelijk bepaald en geïmplementeerd dossierbeheer moet leiden tot volledige, uniforme en eenvoudig consulteerbare dossiers, die moeten voldoen aan de reglementaire verplichtingen inzake archivering.
•
De VDAB moet afdwingen dat zijn provinciale directies zich inpassen in zijn (uit te werken) beleid en zijn registratie- en opvolgingssystemen.
Naar aanleiding van de audit maakte de VDAB een actieplan voor een beter uitbestedingsbeleid. Daarin is er ook aandacht voor een beter data- en informatiebeheer. Zo wordt er partnerplatform ontwikkeld voor de opvolging en het beheer van de samenwerkingen met partners. De uitrol van dit omvangrijke project verloopt gefaseerd over meerdere jaren. Werk ook met ‘use cases’. Verzamelen van de nodige data is belangrijk maar meer en meer wordt ook gewerkt op het gericht ontwikkelen van ‘use cases’. De klemtoon ligt dan op het gebruiksgericht inzetten van data in plaats van op het louter verzamelen. Dat kan ook gepaard gaan met het schrappen van onnodige data en het ontdubbelen van data. Data verzamelen – en zeker wanneer dat dubbelop gebeurt of de data weinig relevantie hebben – heeft immers ook een kostprijs voor overheden, bevraagden en op het vlak van energiegebruik van datacentra of zgn. ‘data lakes’.
15
2.3 Maak werk van de verdere uitbouw van het DWH AM&SB Analyse Het datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB) is één van de belangrijkste administratieve databronnen voor arbeidsmarktonderzoek in België en Vlaanderen. Het DWH AM&SB verzorgt de koppeling van databestanden van heel wat federale en gewestelijke instellingen die over administratieve data beschikken rond arbeidsmarkt, inactiviteit en sociale bescherming (zie bijlage 3). Het Datawarehouse heeft tot doel beter, sneller en goedkoper in te spelen op gegevensaanvragen afkomstig van onderzoeksinstellingen en de overheid. Er zijn twee toepassingen: •
de webtoepassingen om statistieken te consulteren via het web;
•
de gegevensaanvragen op maat om specifieke toepassingen op vraag van onderzoeksinstellingen en de overheid te behandelen.
Het DWH AM&SB wordt in toenemende mate ingezet voor beleidsonderzoek. Sinds de implementatie van de zesde staatshervorming heeft het DWH AM&SB in Vlaanderen verder aan belang gewonnen voor de opvolging en evaluatie van het arbeidsmarktbeleid. Het beheer van het DWH AM&SB is toevertrouwd aan de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid (KSZ). Het DWH AM&SB wordt wetenschappelijk ondersteund door het Steunpunt Werk van de KU Leuven, het Centre METICES van de ULB en het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (CeSO) van de KU Leuven. Die wetenschappelijke ondersteuning bestaat uit •
dagdagelijkse ondersteuning, zoals het documenteren van de opgenomen data en het up to date houden van bestaande indicatoren;
•
verdieping via projectmatige opdrachten. De voortgang van die projecten wordt jaarlijks toegelicht in de beheers- en gebruikersgroep van het Datawarehouse AM&SB op de KSZ.
Het DWH AM&SB kampt echter met meerdere uitdagingen. De belangrijkste die werden gemeld tijdens de interviews en gesprekken en in het advies van de arbeidsmarktexperts zijn: •
De data is niet actueel en slechts met vertraging beschikbaar. Die vertraging kan oplopen tot wel drie jaar. De reden is o.a. dat het DWH AM & SB werkt op het ritme van de traagste data-leverancier. Beleidsevaluatie op basis van de data van de DWH AM&SB van de maatregelen in het kader van bv. de coronacrisis kunnen daardoor maar tegen het einde van de huidige legislatuur gebeuren. Deze termijn is te lang voor beleidsmakers en voor beleidsgericht onderzoek dat actueel wil zijn.
•
Het DWH AM&SB speelt te traag in op nieuwe datanoden en volgt een model van eenmalig onderzoek. Hierdoor moeten instanties datastromen bij de dataleveranciers via de KSZ aanvragen die reeds opgezet zijn voor de DWH AM&SB. De DWH AM&SB zou meer moeten worden opgezet in functie van recurrente of doorlopende uitwisseling van data in het kader van beleidsvragen. 16
•
De doorlooptijden voor koppelingen en aanvragen zijn vaak lang. In principe is er een minimale doorlooptijd van 3 maanden (2 maanden voor goedkeuring aanvraag en contract, 1 maand voor oplevering data). Maar in de praktijk duurt een aanvraag doorgaans 2 tot 3 keer langer. Om het beleid adequaat te ondersteunen met snelle en strategische informatie moeten de doorlooptijden bij data-aanvragen en het koppelen en verrijken van gegevens van het DWH zo kort mogelijk worden gehouden.
•
De procedures zijn weinig gebruiksvriendelijk. De huidige voorwaarden op het vlak van dataanalyse zijn streng en soms moeilijk werkbaar, zoals het ter plaatse moeten werken met schermprojectie.
Beleidssuggesties Een verdere uitbouw van het DWH AM&SB is dringend. De onderstaande opsomming vat de prioritaire werkpunten samen, zoals die deels ook werden geformuleerd in het advies van de arbeidsmarktexperts. Er moet werk gemaakt worden van meer actuele data(stromen). Een eerste stap is om concreet in kaart kunnen brengen met welke snelheid elke partner data aanlevert en welke bottlenecks eventuele vertraging veroorzaken en hoe dit geremedieerd kan worden. Vervolgens kan gezamenlijke aansturing van de dataleveranciers vanuit een aangepaste governancestructuur helpen om ervoor te zorgen dat de verschillende dataleveranciers op één lijn zitten en de juiste incentives krijgen om data snel aan te leveren. Het kan ook aanvragers van de data ondersteunen. Inspiratie kan worden opgedaan in Nederland om dit model te vertalen naar de Belgische context. Er is nood aan sneller toegankelijke databases. Daarvoor is het nodig om de aanvraagprocedure te verlichten en vooral om toe te laten dat meer onderzoekers met de data aan de slag kunnen gaan zonder een specifieke data-aanvraag. Zo zouden de datasets sneller en breder toegankelijk moeten worden voor wetenschappers en regionale beleidsmakers en studiediensten die geen deel uitmaken van het netwerk van de sociale zekerheid en dus geen geprivilegieerde toegang hebben tot de data. Het zou ook sneller mogelijk moeten zijn om vaste onderzoeksgroepen of -centra te laten werken op deeldatasets. Thematische datasets kunnen ter beschikking worden gesteld als open data aan onderzoeksinstellingen en (regionale) studiediensten (mits overeenkomst). Mobiele webtoepassingen moeten er voor zorgen dat meer kruisingen mogelijk worden, data meer real-time zijn en manuele handelingen tot een minimum herleid worden. Koppelingen leggen met andere bronnen moet sneller en met meer regelmaat gebeuren. De administratieve data in het DWH AM & SB zou verrijkt kunnen worden met enquêtedata zoals SILC en EAK en paneldata zodat meer geavanceerde analyses mogelijk worden. Ook de piste om data vanuit sociale secretariaten structureler te kunnen inzetten voor monitoringdoeleinden van de Vlaamse arbeidsmarkt kan worden onderzocht zodat sneller relevante data beschikbaar komen, bv. naar aanleiding van plotse schokken en over de effecten van de ingezette maatregelen (zoals bij de COVID-19 pandemie).
17
2.4 Investeer in survey-infrastructuur Analyse De COVID-19-pandemie heeft de nood aan state-of-the-art representatieve panels aangetoond. Er werden sinds de start van de COVID-19-pandemie wel diverse bevragingen gelanceerd door verschillende actoren. Maar die waren niet steeds representatief voor de bevolking of ondernemingen. Ze misten zo belangrijke bevolkings- en werkgeversgroepen. De resultaten waren daardoor niet steeds accuraat en veralgemeenbaar. Bovendien verliepen de bevragingen niet gecoördineerd. Dat kan leiden tot survey-moeheid. Het vergroot ook het risico dat bepaalde groepen over verschillende bevragingen heen een aantal dezelfde typevragen beantwoorden. Het gevolg is dat het crisis- en relancebeleid werd geconfronteerd met blinde vlekken die een (evidencebased) aanpak bemoeilijkten. Op dit moment zijn er financiële, administratieve en juridische knelpunten. Ze staan het systematisch verzamelen van evidence via toevalssteekproeftrekkingen/longitudinale panels (online en offline) in de weg. Andere Europese landen doen het wat opbouw van beleidsrelevante data-infrastructuur veel beter. In Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland is er een lange traditie met representatieve longitudinale sociaal-economische panels. De VLIR heeft daarom het initiatief genomen voor het opzetten van een wetenschappelijk internetpanel. Dit Belgian Online Probability Panel is een panel van respondenten dat voldoende representatief is voor de verschillende lagen van de bevolking. Volgens de initiële plannen zouden er jaarlijks zes bevragingsgolven zijn. Het panel zou heel België bestrijken. Bijgevolg werd een samenwerking gezocht tussen de Vlaamse en Franstalige universiteiten en met diverse overheidsinstanties. Het panel is multidisciplinair van opzet en bedoeld om zowel kort op de bal te spelen als evoluties op langere termijn te monitoren. Intussen lopen de besprekingen nog. In het relanceplan van de Vlaamse Regering is er wel voorzien dat dit internetpanel er komt. Hiervoor zet de VSA met betrokkenheid van de entiteiten van het netwerk Statistiek Vlaanderen haar samenwerking met het Belgian Online Probability Panel verder, in overleg met alle Vlaamse universiteiten via de VLIR.
Beleidssuggesties Ook voor het arbeidsmarktbeleid is het nodig dat voortgang wordt gemaakt met de geplande gemeenschappelijke survey-infrastructuur. Het panel was oorspronkelijk aangekondigd voor 2021. Hopelijk kan het in 2022 effectief van start gaan. Het collegiaal ontwikkelen van goede vragenlijsten is belangrijk. Dat moet toelaten dat het internetpanel ook kan inspelen op hiaten in de huidige arbeidsmarktdata die niet door (betere ontsluiting en koppeling van) administratieve data kunnen worden opgelost, bv. over de vraagzijde op de arbeidsmarkt en competenties. 18
Vanuit het perspectief van het arbeidsmarktbeleid kan ook gewezen worden aan de nood aan recurrente werkgeverspanels. Die zijn nuttig om bv. bevragingen over de vraagzijde van de arbeidsmarkt te organiseren in samenwerking met de sociale partners naar het voorbeeld van de tussentijdse werkgeversbevragingen die in het kader van de ERMG uitgezet zijn geweest over de impact van de COVID-19 pandemie.
2.5 Vergroot de vindbaarheid en ontsluiting van de data Analyse Een grotere vindbaarheid en ontsluiting van de beschikbare data is een noodzakelijke voorwaarde voor een betere benutting ervan in onderzoek en beleid. Op deze vlakken signaleren de respondenten meerdere knelpunten. Data zijn soms moeilijk te vinden. Er zijn heel wat overheidsdata. De transparantie is echter beperkt en het overzicht ontbreekt. Een gevolg is dat onderzoekers soms aangewezen zijn om onderzoeksdata van eerder onderzoek of data verzameld door andere onderzoekers (in een andere context) te gebruiken. Data zitten vaak nog erg versnipperd. De institutionele ontwikkeling in België heeft er samen met de verkokering van overheden mee toe geleid dat data verspreid zitten over zeer veel instanties. Dat maakt het een hele opgave om zelf de gepaste data op te zoeken, op te vragen, bij elkaar te brengen, enz. Een voorbeeld is de doorstroom van jongeren uit beroepsonderwijs (of duaal leren) naar de arbeidsmarkt. Hierbij moesten onderzoekers zelf data van VDAB, DWSE en AGODI met elkaar kruisen. Onderzoekers moeten deze oefening voor ieder onderzoek herhalen (of wachten tot de dataset door overheidsinstanties is opgebouwd en daarna gepseudonimiseerd aan onderzoekers wordt meegedeeld). Dit vergt veel tijdsinvestering in een context waar onderzoeksprojecten beperkt in de tijd zijn. Het huidige aanbod aan open data is nog beperkt. Bijlage 10 concretiseert dit voor het domein werk. Dat ondermijnt de mogelijkheid tot gerichte data-uitwisseling, combinatie van datasets, geautomatiseerde verwerking en ontwikkeling van betere producten en diensten. Het huidige aanbod is meer het resultaat van sensibilisering dan van het doelgericht genereren van open data. De kwaliteit en fijnmazigheid van open data is vaak nog te laag om ze ook doeltreffend systematisch in te zetten. Er is een grote verscheidenheid in thema’s, kwaliteit, entiteiten en toegankelijkheid. Data voldoen niet altijd aan de FAIR-principes (Findable, Accessible, Interoperable, Reusable). Het gaat dan voor alle duidelijkheid om geaggregeerde data die zoveel mogelijk als open data publiek beschikbaar worden gesteld voor iedereen. Met open data wordt bedoeld gegevens die: •
overheidsdiensten verzameld hebben in het kader van hun overheidsopdrachten;
•
geen privacygevoelige informatie (meer) bevatten en niet onder de bescherming van intellectuele eigendomsrechten vallen;
•
vrijgegeven worden in een formaat dat makkelijk automatisch te verwerken valt; 19
•
hergebruikt mogen worden voor commerciële en niet-commerciële doeleinden.
•
geen of zo weinig mogelijk beperkingen hebben op de toegang en het hergebruik ervan, o.a. door het gebruik van open standaarden en open licenties.
De (inter)bestuurlijke uitwisseling van data is nog weinig uitgebouwd (zie ook bijlage 5). Het evalueren van maatregelen in het arbeidsmarktbeleid vergt vaak Vlaamse en federale data, bv. om de effectiviteit en efficiëntie van doelgroepkortingen, de outplacementproblematiek of maatregelen voor oudere werknemers te evalueren. Toegang tot het DWH AM&SB is dan niet voldoende wanneer daarin de noodzakelijke Vlaamse data niet beschikbaar zijn. Een ander voorbeeld is het verkrijgen van data in nasleep van de Brexit over hoeveel Britten er in België werken. Deze informatie verkrijgen van de KSZ duurde zeer lang. Ook de SINE-maatregel is voorbeeld waarin de uitwisseling met de KSZ moeilijk liep. Nog een voorbeeld is de nood aan een betere gegevensuitwisseling tussen RVA en VDAB, bv. over tijdelijk werklozen en data in verband met de coronacrisis. De koppeling van data uit verschillende administratieve bronnen verloopt traag. Samen met de duurtijd van een machtigingsaanvraag kan het tot een jaar duren om een data-koppeling goed op te zetten. Een voorbeeld bij VDAB is de koppeling van NEET-data aan RIZIV-gegevens en van de uitbetalers van het Groeipakket. Door de drempels volgt vaak ook een afweging van kosten en baten, waarbij voor kleinere doelpopulaties (in het voorbeeld van de vroegtijdige schoolverlaters gaat het over enkele duizenden jongeren) de beslissing van de data-aanvrager om de datastroom op te zetten negatief uitvalt en men wacht op een grotere aanvraag waarin die gegevensaanvraag ook vervat zit. Regionale verschillen in methodologieën bemoeilijken soms datakoppelingen. Er zijn regionale verschillen tussen datasets van de federale overheid, Vlaanderen, Brussel en Wallonië op het vlak van methodologieën. Dat kan ook een belemmering vormen voor de analyse en evaluatie van het beleid en om in te tekenen op Europese of internationale onderzoeksprojecten die vergelijkingen op land-niveau voorop stellen. Positief is dat de VDAB in zijn nieuwe rol als dataregisseur hierin een belangrijke opdracht heeft gekregen. Het VDAB-decreet creëert de juridische basis om bepaalde data-aanvragen te kunnen doen en andere overheden en partnerorganisaties aan te spreken (zie bijlage 4). Positief is ook dat de VO-brede datastrategie meerdere engagementen bevat om het aanbod, de vindbaarheid en de ontsluiting van data te vergroten (zie bijlage 7).
Beleidssuggesties De belangrijkste vraag is om meer te werken met gestandaardiseerde infrastructuren die vaak voorkomende datavragen kunnen opvangen. De bedoeling is om zo data te integreren en te ontsluiten in formaten op maat van het beleid/de gebruikers zonder dat die er telkens zelf voor moeten instaan. Het gaat dus om (gekoppelde) databanken en gestandaardiseerde (continue) producten die voldoen aan de meest voorkomende vragen en behoeften. Dit kan de efficientie sterk verhogen. Op die manier moeten immers niet iedere keer opnieuw (complexe) data20
aanvragen worden ingediend en behandeld. De schaarse capaciteit kan zo worden ingezet voor complexere aanvragen met een specifiek doel. Zo’n onderzoeksinfrastructuren worden best decentraal uitgebouwd. De ontsluiting verloopt idealiter via verscheidene onderzoeksinfrastructuren die worden ontwikkeld in co-creatie met de stakeholders. Dataproducenten zijn immers nog steeds het best geplaatst zijn om de kwaliteit van de data te bewaren en data te beheren. Daarom lijkt een decentrale onderzoekersinfrastructuur met geïntegreerde ontsluiting, interoperabele gegevensuitwisseling en vereenvoudigde aanvraagprocedures het best om efficiëntie, effectiviteit en gebruiksgerichtheid met elkaar te verbinden. Daarvan zijn er al voorbeelden die navolging verdienen. De census van Statbel is een voorbeeld van een gestandaardiseerd product. Bestaande webtools bij het DWH AM&SB vormen de eerste stappen. In het buitenland zijn het CBS in Nederland, INSEE in Frankrijk en Statistics Sweden in Zweden te volgen voorbeelden. INSEE en Statistics Sweden hebben bovendien IT-platform om zulke infrastructuur efficiënt te beheren en toegang te verlenen zulke systemen. In tegenstelling tot de DWH AM&SB verschaffen beide platformen toegang vanop afstand. Het European Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI) kan ook worden vermeld. Het neemt initiatief rond datageletterdheid (van onderzoekers), documentatie, instructies voor gebruikers, enz. Het aanbod van Open Data moet vergroten maar tegelijk is voorzichtigheid geboden. Er is immers een spanningsveld tussen zoveel mogelijk data als Open Data publiceren (cf. WSE open dataportaal met ook alle data van het Steunpunt Werk, opname van Open Data bepalingen in nieuwe bestekken voor onderzoeksopdrachten) en het kunnen uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. Participatie aan onderzoek kan onder druk komen als mensen weten dat hun data met de overheid gedeeld moeten worden en zelfs publiek kunnen komen. Er is in die zin ook een spanningsveld tussen het Steunpunt Werk zien als een pure data-verwerker voor de overheid of als een onderzoeksinstelling die zelf ook nog data kan verzamelen en niet noodzakelijk moet delen met de overheid. Een vast aanspreekpunt voor beleidsmedewerkers, onderzoekers en private actoren is wenselijk. Een SPOC kan een grote meerwaarde zijn om interne overheidsdata te ontsluiten en om externe data te koppelen (bv. interne datasets met de LFS-survey) en gepseudonimiseerd te ontsluiten. Dat kan de tijd die nodig is om de gepaste dataset te verzamelen aanzienlijk kan doen dalen. Zo’n partner begeleidt tevens data-aanvragers om privacy-procedures vlot te doorlopen (zie verder). Ook hier kan worden verwezen naar het CBS in Nederland als te volgen voorbeeld. Er is een geïntegreerde procesbegeleiding waardoor de tijd voor het hele aanleverproces (incl. de kruising en het anonimiseren van data) doorgaans één maand bedraagt. Formules van samenwerking en co-financiering moeten worden bekeken. Om een evenwicht te vinden tussen de vele datanoden en de financiële en de organisatorische capaciteit van de overheid kunnen in zo’n model van onderzoeksinfrastructuren zeer specifieke data-aanvragen en datakoppelingen gerealiseerd worden via co-financiering of versterkte samenwerking met onderzoekers en mogelijks private instanties. Via bestaande financiële instrumenten en mogelijks een cofinanciering tussen de betrokkenen kan deze infrastructuur aangewend worden om 21
onderzoeksvragen of beleidsvragen te beantwoorden. Het Dynam-project en het Dynam-Reg project kan hier worden vermeld als voorbeeld, alsook de dataprogrammatie via het Steunpunt Werk. VDAB zou een actieve rol moeten opnemen in het bereiken van andere entiteiten. Het VDAB-decreet creëerde de juridische basis om als dataregisseur bepaalde data-aanvragen te kunnen doen en andere overheden instanties aan te spreken. Maar er is nog een grote kloof tussen dat decretale kader en het waarmaken van de achterliggende doelstellingen. Om de rol als data- (en activerings)regisseur ten volle te kunnen realiseren, is de VDAB afhankelijk van de bereidheid tot samenwerking en informatiedeling van deze partnerorganisaties en andere overheden. VDAB zou daarom actief een constructieve samenwerking moeten zoeken om de benodigde data te verzamelen en te delen en ervoor te zorgen dat andere organisaties voldoende aandacht besteden aan het aspect ‘werk’ en hierrond stappen zetten. Hoe dan ook is een betere (inter)bestuurlijke uitwisseling van data nodig. In eerste instantie is een goede afstemming nodig tussen instanties zoals de KSZ, Statistiek Vlaanderen en Statbel om data meer gezamenlijk te ontsluiten of alvast parallelle kanalen te vermijden. Binnen Vlaanderen zou Statistiek Vlaanderen naast ontsluiting van geaggregeerde data en survey-data meer moeten inzetten op het verzamelen, integreren en ontsluiten van administratieve micro-data voor onderzoekers. De nieuwe rol van de VSA als TTP en de plannen voor een Statistisch Datawarehouse (S-DWH) met de extra budgetten vanuit het relanceplan kunnen hier een hefboom zijn. Zo’n S-DWH slaat de inkomende datastromen op, integreert en verwerkt ze en stelt ze extern beschikbaar als Vlaamse Openbare Statistieken, als interactieve data voor experten, als microdata voor onderzoek en geaggregeerd als open data voor iedereen. In haar rol als Trusted Third Party (TTP) zal de VSA geleidelijk aan een aanbod ontwikkelen om steekproeven te trekken op basis van Rijksregisterdata en om microdata te koppelen. Het verder uitbouwen van de datavindplaats in het kader van het project Informatiecatalogus bij Digitaal Vlaanderen is een belangrijk project (zie ook bijlage 7). Die moet de vindbaarheid van Vlaamse (overheids)data verhogen en ook interfederale koppelingen maken. Belangrijk is dat dit dataportaal een hoge toegevoegde waarde heeft en de belangrijkste datasets (eerst) ontsluit. De aangekondigde stappen om het Vlaamse Open Data Portaal te laten integreren met de datavindplaats zijn een stap vooruit. Goede vindbaarheid van data veronderstelt tevens een correcte metadatering. Goede metadata bevorderen de transparantie van definities van data en gebruikte methodologieën. Initiatieven om te komen tot gecoördineerde methodologieën verdienen aanbeveling. Een bijvoorbeeld is het project “methodologische uitbouw datawarehouse” in het DWH AM&SB.
22
2.6 Vereenvoudig en versnel de machtigingsprocedures Analyse De lange en omslachtige procedures om toegang te krijgen tot (gepseudonimiseerde) gegevens van persoonlijke aard vormen een vaak voorkomend knelpunt. Het vrijwaren van privacy is een belangrijke publieke waarde. Daarom zijn er terecht regels voor de verwerking van persoonsgegevens (AVG-regels). Toch mag privacy geen schijnreden zijn om niet aan legitieme en proportionele dataverzoeken te voldoen. De gevolgde procedures komen nu vaak niet tegemoet aan de datanoden, timing en flexibiliteit die het beleid of een onderzoeksdesign vereisen. Dat geldt in het bijzonder voor longitudinale studies, voor kortlopend onderzoek of voor onderzoek waar lichte wijzigingen in de data nodig zijn. De stroefheid vormt een belemmering voor beleidsgericht onderzoek: •
Er gaat veel tijd en capaciteit verloren aan machtigingsaanvragen. De lange duurtijd van het verkrijgen van een machtiging heeft een impact op de timing van onderzoek, die vaak een vooraf bepaald begin- en eindpunt heeft. Hierdoor is er minder ruimte beschikbaar voor het voeren van onderzoek of beleidsanalyses.
•
Voor kortlopende projecten (twee jaar en minder) moeten onderzoekers hierop anticiperen, waardoor onderzoeksdoelstellingen naar beneden toe bijgesteld worden.
•
Beleidsinitiatieven en onderzoek die verscheidene types data combineren (bv. arbeidsmarkdata met onderwijsdata, groeipakketdata, jeugddata en andere sociale zekerheidsgegevens) zijn door de organisatie van de controle op de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens zeer omslachtig. Dit vormt een drempel voor innovatief datagedreven beleid en onderzoek.
Het kost veel tijd en inspanningen om de procedure te doorlopen om een positieve beraadslaging te bekomen. Het gaat vaak om meerdere maanden voor het behandelen van de machtigingsaanvraag zelf. Daarnaast zijn er de voorbereidende vergaderingen, het melden en rechtzetten van foutief geleverde data en de aanlevering van de data. Aanvragen moeten zeer gedetailleerd zijn. Dat detailniveau wordt soms gevraagd tot op niveau van de variabele. Als nadien uit de analyse blijkt dat beperkte aanpassingen nog nodig zijn, is men genoodzaakt om opnieuw een aanvraag te doen. Ook moeten soms voor iedere administratie inhoudelijk verschillende procedures worden doorlopen en formulieren worden ingevuld. De motivering voor het verwerpen of aanvaarden van aanvragen is niet altijd duidelijk. Overheidsinstanties hebben niet altijd een gezamenlijke visie op het ontsluiten van persoonsgegevens. Een voorbeeld is het conform stellen van de gegevens van mensen met een migratieachtergrond met de Vlaamse definitie. Deze houdt niet alleen rekening met de nationaliteit van het individu, maar ook met die van de ouders. De privacy-instantie was tegenstander, waarop de VDAB voorstelde om enkel via de confrontatie van bestanden deze informatie te bekomen (dus ja of nee voor ieder betrokken individu). Maar de betrokken dataleveranciers vonden het naar 23
verluidt geen prioriteit of zagen er geen behoefte in, waardoor VDAB deze gegevens niet kon verkrijgen. Privacy-autoriteiten benaderen aanvragers eerder wantrouwig dan vertrouwensvol. Voor onderzoeksdoeleinden is er onduidelijkheid over titel IV van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Deze worden zeer beperkend geïnterpreteerd. Dat bemoeilijkt de rechtstreekse ontsluiting van persoonsgegevens aan onderzoekers zonder tussenkomst van een TTP. Dit geldt ook voor overheidsorganisaties van de Vlaamse overheid, met name die zonder rechtspersoonlijkheid. De recente aanpassing van het bestuursdecreet geeft alvast voor deze entiteiten een decretale basis voor toegang tot bv. data in datawarehouses en databronnen in het kader van surveys (zie bijlage 6). De logica en coherentie van vrijstellingen is soms onduidelijk. Zo staat het Rekenhof niet in de lijst met uitzonderingen in art. 15 van de KSZ-wet. Het Rekenhof heeft daardoor geen vrijstelling van een beraadslaging van de kamer sociale zekerheid en gezondheid van het informatieveiligheidscomité voor gepseudonimiseerde sociale gegevens van persoonlijke aard voor audits door het Rekenhof. Het Planbureau en het Monitoringcomité bv. hebben zo’n vrijstelling wel, terwijl ze voor hun taken minder de micro-data nodig hebben dan het Rekenhof.
Beleidssuggesties Het thema van (Privacy-) Procedures en ethische omgang met data vergt een integrale aanpak, over bestuursniveaus heen. De case arbeidsmarktbeleid legt de complexiteit bloot en wijst op mogelijkheden om op korte en lange termijn stappen vooruit te zetten. Een goede privacybescherming weegt proportionaliteit en finaliteit af en stoelt op inzichten uit de praktijk. Zo kan er vertrouwen tot stand komen tussen burgers, privacy-autoriteiten, dataverzenders, data-ontvangers en intermediaire actoren zoals statistische autoriteiten en dienstenintegratoren. Deze problematiek noodzaakt een gezamenlijke aanpak over alle overheden heen die gebruikersgerichtheid voorop stelt. Datanoden van beleidsmakers en onderzoekers overstijgen immers de verdeling van data over de overheden. Een gezamenlijke en gebruikersgerichte aanpak staat autonomie niet in de weg. Er moet werk gemaakt worden van meer gebruikersgerichte procedures. Meer uniformiteit zou onderzoekers en de ondersteunende juridische diensten kunnen ontlasten en meer capaciteit voor onderzoek te voeren vrijmaken. Dat vergt ook interbestuurlijke afspraken over een gefedereerd systeem van indienen van machtigingsaanvragen, op elkaar afgestemde en vereenvoudigde procedures en formulieren en meer frequente beraadslagingen. Concrete suggesties zijn: •
Machtigingsaanvragen via onafhankelijke machtigingsautoriteiten. Onafhankelijke derde partijen kunnen de incentive om weinig data te delen bij individuele instanties verminderen;
•
Interbestuurlijke coördinatie voor het indienen van machtigingen, met uniforme formulieren en aanvragen die domeinoverschrijdend zijn; 24
•
Meer ex-post in de plaats van enkel ex-ante controle;
•
Vereenvoudigde procedures voor eenvoudige aanvragen/dataproducten;
•
Aangepaste procedures voor onderzoek in het geval van bijsturingen en vereenvoudigde beraadslagingen voor recurrent terugkerend onderzoek;
•
Aangepaste procedures waar de TTP (VSA) bij betrokken is;
•
Een verhoogde capaciteit bij de privacy-autoriteiten zodat er tweewekelijkse evaluatiemomenten zijn;
•
Een beter overzicht van DPO’s en hun contactgegevens.
25
3. Bijlagen Bijlage 1: Afkortingen Actiris ADG AHOVOKS AGODI CBS CSPI DCJM Dimona DKBUZA DOI DPO DWSE DWH AB&SB DWVG EAK EIPM ESFRI FAIR FOREM GDI-decreet GIS IBO ICAR ICT ISCO IT INSEE IVC KSZ LFS-survey LIMOSA NACE NADO-Vlaanderen NAR NARIC-Vlaanderen NBB NECzU NEET NWWZ OCMW OSLO POD MI
Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen Agentschap voor OnderwijsDiensten Centraal Bureau voor de Statistiek CoördinatieStructuur van PatrimoniumInformatie Departement Cultuur, Jeugd en Media Déclaration Immédiate/Onmiddellijke Aangifte Departement Kanselarij en Buitenlandse Zaken Digital Object Identifier Data Protection Officer Functionaris voor Gegevensbescherming Departement Werk en Sociale Economie Datawarehouse Arbeidsmarkt & Sociale Bescherming Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Enquête naar de arbeidskrachten Evidence-informed policy making European Strategy Forum on Research Infrastructures Findable, Accessible, Interoperable, Reusable Service public wallon de l'Emploi et de la Formation professionnelle Decreet betreffende de Geografische Data-Infrastructuur Vlaanderen Geographic Information System Individuele Beroepsopleiding in de Onderneming Inventaire Centralisé des Adresses et des Rues en Wallonie Informatie- en Communicatietechnologie International Standard Classification of Occupations Informatietechnologie Institut national de la statistique et des études économiques [Frankrijk] Informatieveiligheidscomité Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid Labour Force Survey Landenoverschrijdend Informatiesysteem ten behoeve van MigratieOnderzoek bij de Sociale Administratie Nomenclature statistique des Activités économiques dans la Communauté Européenne Nationale AntiDoping Organisatie-Vlaanderen Nationale Arbeidsraad National Academic Recognition Information Centre-Vlaanderen Nationale Bank van België Normaal economisch circuit (zonder uitzendopdrachten) Not in Education, Employment or Training Niet-werkende werkzoekenden Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn Open Standaarden voor Linkende Organisaties Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie 26
RADIO RCT RIZIV RVA SE SILC SPOC STATBEL STEM TTP VDAB VDI VESOC VIONA VMSW VO VOI VSA VSB VUTG VVSG WSE
Rijksacademie voor Digitalisering en Informatisering Overheid [Nederland] Randomized Controlled Trial Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening Sociale Economie Statistics on Income and Living Conditions Single Point of Contact Algemene Directie Statistiek Science, technology, engineering, and mathematics Trusted Third Party Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding Vlaamse Dienstenintegrator Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen Vlaamse Overheid Vlaamse Openbare Instellling Vlaamse Statistische Autoriteit Vlaamse Sociale Bescherming Vlaams Agentschap Uitbetaling Groeipakket Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten Werk en Sociale Economie
Bijlage 2: Geraadpleegde bronnen Het SERV-Secretariaat organiseerde gesprekken, interviews en een focusgroep. Volgende personen werden daarbij bevraagd: Brecht Neyt (UGent), Sarah Vansteenkiste (KU Leuven), An De Coen (IDEA), Bart Cockx (UGent), Karel Neels (UA), Wim Van Lancker (KU Leuven), Sofie Cabus (VVOB, KU Leuven), Raf Boey, Faiza Djait (DWSE); Willem Vansina (VDAB), Tom Callens, Nathalie De Jaeger, Hans Arents (Digitaal Vlaanderen), Marc Callens (Statistiek Vlaanderen), Ils De Bal, Pascale Dengis (EWI), Jo Baele (Rekenhof). Een ontwerpversie van deze nota werd besproken met de sociale partners in de SERV-Commissie arbeidsmarkt en de SERV-Commissie Horizontaal Beleid. Het SERV-Secretariaat bouwde verder op eerdere SERV-adviezen (data-advies, gezamenlijke advies met VLIR, relanceadviezen, arbeidsmarktadviezen, adviezen Commissie Diversiteit) en consulteerde ook diverse andere bronnen waaronder: Steunpunt Werk (2020). Meerjarenprogramma Steunpunt Werk 2021-2025; Baert, De Vos, Marx, Struyven, Vansteenkiste, Van der Beken (2020). Expertenadvies relancebeleid Vlaamse arbeidsmarkt.
Bijlage 3: Belangrijkste actoren inzake data en arbeidsmarkt DWSE. Het Departement WSE staat in voor de voorbereiding, opvolging, monitoring en inspectie van het beleid en de maatregelen rond werk en sociale economie.
27
VDAB. VDAB is sinds juni 2020 dataregisseur en “heeft als regisseur de taak om proactief gegevens te verzamelen, analyseren en verwerken. Dit met het oog op (1) haar doelstellingen te bereiken (bv. als activeringsregisseur of loopbaanregisseur), (2) de verhoging van de werkzaamheidsgraad te faciliteren of een duurzame loopbaan te realiseren van de personen op beroepsactieve leeftijd die in het Vlaamse Gewest gedomicilieerd zijn, (3) transparante en betrouwbare arbeidsmarktinformatie te verschaffen, en (4) in een relevant aanbod op maat voor werkgevers en personen te kunnen voorzien. KSZ. De Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid is de dienstenintegrator in het domein van de sociale zekerheid. Hij ontsluit sociale gegevens voor onderzoeksdoeleinden en heeft in die zin een rol van intermediaire organisatie. IVC Kamer Sociale Zekerheid en Gezondheid. Het Informatieveiligheidscomité Kamer Sociale Zekerheid en Gezondheid verspreidt goede praktijken met betrekking tot privacybescherming en informatieveiligheid, verleent voorafgaande beraadslagingen ten aanzien van sociale gegevens en gezondheidsgegevens die via het eHealth-platform verlopen en ondersteunt functionarissen voor gegevensbescherming. Digitaal Vlaanderen. Digitaal Vlaanderen is de dienstenintegrator in Vlaanderen. Hij neemt in dat kader ook een rol van intermediaire organisatie op. Statistiek Vlaanderen. Is de Vlaamse Statistische autoriteit. In het aangepaste bestuursdecreet krijgt de VSA een TTP-rol toegewezen in verband met statistiek en wetenschappelijk onderzoek. Ze verkrijgt hiervoor toegang tot administratieve bronnen en kan een eigen datawarehouse opzetten. Steunpunt Werk. Het (nieuwe) Steunpunt Werk (2021-2025) positioneert zich als data- en expertisecentrum voor het beleidsveld Werk. Haar hoofdopdracht is “het ontwikkelen, koppelen, ontsluiten, en (sneller) beschikbaar maken van excellente arbeidsmarktdata.” Men focust op 5 domeinen: (2) het ontwikkelen, actualiseren en onderhouden van arbeidsmarktindicatoren, en dit zowel voor de aanbodzijde als de vraagzijde van de arbeidsmarkt, (2) het ontwikkelen, actualiseren en onderhouden van arbeidsmarktprojectie, (3) het uitbouwen van een kruispuntfunctie voor arbeidsmarktdata via structurele koppeling, integratie en analyse van Vlaamse datastromen en datastromen van andere beleidsniveaus en actoren, (4) het uitvoeren van verdiepende analyses voor het beleid op basis van de beschikbare arbeidsmarktdata, (5) het ondersteunen van DWSE en VDAB.1 Het Steunpunt Werk is tevens toeleverancier en ontwikkelaar van Vlaamse openbare statistieken, en werkt mee aan de uitbouw van sociaaleconomische databanken. VIONA. Het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering (VIONA), is een onderzoeksnetwerk dat in 1994, op initiatief van de Vlaamse regering en de Vlaamse sociale partners, werd uitgebouwd ter bevordering van het strategische arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen. De Stuurgroep VIONA - bestaande uit afgevaardigden van de Vlaamse ministers
1
Steunpunt Werk (2021). Missie. https://www.steunpuntwerk.be/node/3429
28
bevoegd voor Werk en voor Sociale Economie, de Vlaamse sociale partners en het departement WSE - staat in voor de inhoudelijke sturing van het onderzoeksprogramma en lanceert jaarlijks één tot twee projectoproepen voor studie- en onderzoeks- en ontwikkelingsopdrachten. De minister bevoegd voor Werk, Hilde Crevits, keurt de oproepen en -projecten goed, rekening houdend met het advies van de Stuurgroep. De projectoproepen zijn in beheer van het departement WSE en zijn complementair aan de opdrachten van het Steunpunt Werk. Het datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming (DWH AM&SB). Het DWH AM&SBverzorgt de koppeling van databestanden van heel wat federale en gewestelijke instellingen die over administratieve data beschikken rond arbeidsmarkt, inactiviteit en sociale bescherming. Het gaat om concreet om •
het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV)
•
de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW, het huidige FAMIFED)
•
het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ)
•
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ)
•
de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO, daarna DIBISS en nu deel van de RSZ)
•
de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA).
•
de Rijksregistergegevens worden aangeleverd door Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (AD Statistiek).
•
de FOD Sociale Zekerheid (FOD SZ)
•
het Fonds voor Arbeidsongevallen (FAO, nu samen met FBZ Fedris geworden)
•
het Fonds voor Beroepsziekten (FBZ, nu samen met FAO Fedris geworden)
•
het Ministerium der Deutschsprachigen Gemeinschaft
•
het Nationaal Intermutualistisch College (NIC)
•
de Pensioendienst voor de overheidssector (PDOS, nu samen met RVP FPD geworden)
•
de Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid (POD MI)
•
de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie (RJV)
•
de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP, nu samen met PDOS FPD geworden)
•
de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten VDAB/ACTIRIS/Forem/ADG
•
het Rijksregister
•
SIGeDIS
•
het Vlaamse Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties & Studietoelagen (AHOVOKS)
•
het Vlaamse Agentschap Vlaamse Sociale Bescherming (VSB)
•
het Vlaams Agentschap Uitbetaling Groeipakket (VUTG)
•
de Académie de recherche et d'enseignement supérieur (ARES)
•
de Conseil des Recteurs (CREF)
29
Bijlage 4: Data- en onderzoeksgedreven ecosysteem in Werk Er bestaat structurele dataprogrammatie via het Steunpunt Werk. Het Steunpunt zet daartoe meerdere kanalen in: •
de Stuurgroep Steunpunt Werk met vertegenwoordigers van de Vlaamse Overheid, het bevoegde kabinet en de Vlaamse sociale partners.
•
participatie aan technische werkgroepen en gebruikersgroepen met de dataleveranciers van arbeidsmarktstatistieken.
•
een ‘werkgroep arbeidsmarktmonitoring en arbeidsmarktbeleid’ voor samenwerking met arbeidsmarktexperten van andere onderzoeksgroepen en instellingen op Vlaams, federaal en intergewestelijk niveau.
•
periodiek overleg met DWSE en VDAB en met het bevoegde kabinet en de SERV.
•
een klankbordgroep voor overleg met experts in aanpalende domeinen die voor het thema werk belangrijk zijn, zoals onderwijs, economie, gezondheid, welzijn, armoede, …
•
participatie aan projectgroepen met de VDAB, onder andere voor de ontwikkeling van nieuwe indicatoren, projecties en ondersteuning van de data-regie van de VDAB
•
participatie aan de expertengroep ‘relance van de Vlaamse arbeidsmarkt’.
DWSE ontwikkelde met veel participatie van onderzoekers en het middenveld een kennisagenda. De kennisagenda is bedoeld om het onderzoek te oriënteren op korte en langere termijn kennisvragen en beter te laten doorwerken in het beleid. Bij start van elke legislatuur gebeurt een actualisering op basis van externe stakeholderbevragingen en de diverse beleidsagenda’s van DWSE. De ontwerp-kennisagenda wordt telkens voorgelegd aan de Stuurgroep VIONA en de Beleidsraad WSE. DWSE zal jaarlijks rapporteren over de uitvoering en minstens 1 keer per levenscyclus van de kennisagenda een conferentie organiseren voor het maken van een synthese van het arbeidsmarktonderzoek. DWSE heeft een eigen datastrategie. Die bevat de missie, visie, strategie en dataprioriteiten voor 2021-2024 en is opgebouwd rond zes componenten: •
een duurzaam gemeenschappelijk data ecosysteem,
•
een goede uitwisselbaarheid, openheid en transparantie over data,
•
innovatie,
•
datagovernance met onder andere een datagovernance platform, duidelijke rollen,
•
datageletterdheid en -ethiek, incl. kennis en capaciteit van medewerkers en management
•
de kwaliteit van de data & analytics.
De VDAB heeft een belangrijke bijkomende opdracht gekregen als dataregisseur. De VDAB heeft voortaan als dataregisseur de taak om proactief gegevens te verzamelen, te analyseren en te verwerken van zowel van Vlaamse, lokale of andere regionale en federale overheidsinstanties als van overige partners die beschikken over relevante data (zie VDAB-decreet). Het doel daarvan is meervoudig: •
een duidelijk zicht hebben op de huidige en toekomstige arbeidsmarktsituatie. Dit moet het beleid toelaten om het arbeidsmarktbeleid beter vorm te geven en sneller in te spelen op groet trends zoals bv. wijzigende competentienoden; 30
•
betrouwbare, up-to-date en realtime arbeidsmarktinformatie verstrekken. Dit past in de realisatie van een ‘open services’-strategie. VDAB zal tevens de rol opnemen van ‘trusted advisor’ voor alle data die gelieerd zijn aan de arbeidsmarkt;
•
data inzetten om succesvol als arbeidsmarktregisseur actief te zijn en voor werkgevers en alle doelgroepen op de arbeidsmarkt een gepast dienstverleningsaanbod te ontwikkelen.
Daartoe moet de VDAB arbeidsmarktbreed een arsenaal aan gegevens verzamelen en eenvoudig ter beschikking stellen. Het gaat dan zowel om fijnmazige geïndividualiseerde microdata als (een dataplatform van) geanonimiseerde micro- en macrodata. Het VDAB-decreet bevat een juridische basis om bepaalde data-aanvragen te kunnen doen en andere overheden en partnerorganisaties aan te spreken. De VDAB zet ook sterk in op nieuwe technologieën om innovatieve en nieuwe vormen van dienstverlening te ontwikkelen. Voorbeelden zijn big data, artificiële intelligentie of gaming. •
Het VDAB-decreet bevat daarover het principe dat VDAB geen toepassing zal maken van geautomatiseerde individuele besluitvorming met rechtsgevolgen. Op dit principiële verbod zijn er twee uitzonderingen voorzien in het decreet, enerzijds via een delegatie aan de Vlaamse Regering die kan bepalen welke processen niet onder dit verbod vallen en anderzijds wanneer het louter de digitalisering van de administratie of het achterliggende proces betreft. Bovendien ligt het initiatief om een persoonlijk bestand aan te maken te allen tijde bij het individu zelf. VDAB of dienstverleners kunnen het individu wel ondersteunen bij de aanmaak van een persoonlijk dossier.
•
Er wordt bij de VDAB tevens Ethische Raad opgericht. Deze Ethische Raad zal zowel een toezichtfunctie uitoefenen op een verantwoord gebruik van AI binnen de organisatie als advies uitbrengen over ethische richtlijnen en over elk gebruik van AI door de VDAB. Ook de raad van bestuur van VDAB kan steeds een voorafgaandelijk advies aan de Ethische Raad vragen. De raad van bestuur van VDAB stelt de leden aan. Minstens de helft moeten niet-VDAB-medewerkers zijn.
•
Voor meer toelichting over het gebruik van AI door de VDAB, wordt verwezen naar het SERV-rapport over AI.
Het beleidsdomein heeft eigen datateams en studiediensten. Die kunnen zowel technisch als inhoudelijk data verzamelen, structureren, analyseren, interpreteren en evalueren. •
De studiedienst van DWSE beheert vier processen met elk hun eigen programma: Data en monitoring, Onderzoek, Beleidsevaluatie en Expertisecentrum innovatieve leerwegen.
•
Onderzoeksactiviteiten binnen VDAB worden uitgevoerd door het team planning, het team monitoring en het AI-team. De onderzoeks- en evaluatiecel binnen team planning voert onderzoek uit. Het team monitoring verzamelt op structurele wijze eigen en andere administratieve data om de arbeidsmarkt, het beleid en de dienstverlening op te volgen. Team monitoring onderhoudt ook interactieve toepassingen waaronder Arvastat. Het AI-team ontwikkelt datagedreven applicaties en voert analyses uit big data die ook voor arbeidsmarktonderzoek relevant zijn.
•
Binnen de entiteit ESF-Vlaanderen is er veel ervaring opgebouwd met ‘theory based’ beleidsevaluaties en (counterfactual) impactevaluaties, met ook ruimte voor RCT. Dat is ten dele het gevolg van de evaluatieverplichting opgelegd door de Europese Commissie. ESF31
evaluatiestudies onderzoeken hoofdzakelijk de beleidsimpact van ESF-oproepen. Ze worden opgevolgd en goedgekeurd door de ESF-Evaluatiecommissie. Deze commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van het Departement WSE, Onderwijs, VDAB, ESFVlaanderen en sociale partners. Evaluaties in beheer van ESF-Vlaanderen kunnen uitbesteed of uitgevoerd worden door eigen evaluatoren. Binnen DWSE zijn er twee onderzoekers voor het uitvoeren en opvolgen van ESF- impactevaluatiestudies. •
Het expertisecentrum Innovatieve Leerwegen ondersteunt het Partnerschap Levenslang Leren (PLL). Het heeft onder andere als taak kennis te verzamelen als essentiële bouwsteen voor evidence-based beleid en experimenten te begeleiden.
•
Beleidsevaluaties maken gebruik van de interne capaciteit of worden via een overheidsopdracht via de VIONA- of ESF-werking uitbesteed. De uitvoering en validatie van interne evaluaties gebeurt in overleg met het kabinet van de minister. Interne evaluaties worden doorgaans niet naar buiten gebracht. Uitbestede evaluatiestudies worden na goedkeuring gepubliceerd op de publicatie-databank van Vlaanderen.be.
De wisselwerking met sociale partners en onderzoekers is sterk uitgebouwd. Concrete illustraties daarvan zijn: •
VIONA is een onderzoeksprogramma dat jaarlijks oproepen lanceert voor strategische arbeidsmarktonderzoek. Het kan gaan om zowel kortlopend als langlopend onderzoek. De Stuurgroep VIONA bestaat uit afgevaardigden van het kabinet Werk en Sociale Economie, de Vlaamse sociale partners en het departement WSE. De minister van Werk keurt de oproepen en -projecten goed, rekening houdend met het advies van de Stuurgroep. De projectoproepen zijn in beheer van het departement WSE en zijn complementair aan de opdrachten van het Steunpunt Werk en aan het interne onderzoek. Die wisselwerking tussen intern en extern gericht onderzoek is een grote meerwaarde voor zowel een data- en evidence gedreven overheid als onderzoekers.
•
DWSE werkt samen met de groep arbeidsmarktexperten die werden aangesteld tijdens de coronacrisis om aanbevelingen te formuleren voor een relancebeleid. Deze groep fungeert als adviserend panel bij de uitwerking van beleidshervormingen en als input bij de opmaak en evaluatie van de kennisagenda voor het signaleren van prioriteiten, opportuniteiten en bedreigingen. De groep arbeidsmarktexperten heeft ook periodiek overleg met de sociale partners in de SERV.
•
De sociale partners spelen een belangrijke rol via de SERV (tevens strategische adviesraad voor het beleidsdomein WSE), de Raad van Bestuur van de VDAB en vertegenwoordiging in stuurgroepen van bv. het steunpunt en VIONA.
•
De Vlaamse Statistische Autoriteit (VSA) organiseert het overleg met gebruikers over Vlaamse Openbare Statistieken. Daarvoor werden thematische werkgroepen opgezet. Die werkgroepen brengen per thema producenten en gebruikers samen om te bepalen welke statistieken voldoende belangrijk zijn om als openbare statistiek voor hun thema voorgesteld te worden.
32
Bijlage 5: Data-uitwisseling tussen overheden in Werk Data-uitwisseling van beleidsdata op het vlak van arbeidsmarktbeleid volgt de algemene kaderregeling van het (inter)bestuurlijk elektronische gegevensverkeer. In de eerste plaats zijn er verplicht te gebruiken (authentieke) gegevensbronnen. Regelgeving op basis van het bestuursdecreet en het GDI-decreet stelt een aantal gegevensbronnen verplicht: Vlaamse authentieke gegevensbronnen, Vlaamse authentieke geografische gegevensbronnen, geografische gegevensbronnen toegevoegd aan de GDI en de aangeduide geografische gegevensbronnen. De kaderregeling op basis van het bestuursdecreet stelt bovendien dat het Rijksregister, de Kruispuntbankregisters, de (federale) sociale gegevensbanken in het domein van de sociale zekerheid en de KBO verplicht te raadplegen externe gegevensbronnen zijn. Voorts zijn ook authentieke gegevensbronnen via of op basis van samenwerkingsakkoorden verplicht (authentieke bronnen bij het CSPI en de adressen in ICAR en Urbis). Op het vlak van verplicht te gebruiken gegevensbronnen is VDAB verplicht om – bovenop de Vlaamse kaderregelingen in het bestuursdecreet en het GDI-decreet – een beroep te doen op de sociale gegevensbanken in het domein van de sociale zekerheid. Zowel deze bij de federale overheid, de Vlaamse overheid (bv. Agentschap Opgroeien, AHOVOKS, DWVG) als bij die bij andere Gemeenschappen en Gewesten (bv. ACTIRIS, FOREM en ADG). In de tweede plaats verloopt de uitwisseling van persoonsgegevens via de Vlaamse dienstenintegrator (VDI). Zo zijn er bv. gegevensstromen tussen het DWSE en VDAB voor de dienst ‘Behandelen Vlaamse ondersteuningspremie’. DWSE haalt gegevens uit het Rijksregister en het BIS-register op via de VDI en de KSZ. De Vlaamse Regering heeft in haar regeerakkoord en beleidsplannen de voorkeur geuit om de VDI verplicht te maken voor de uitwisseling van persoonsgegevens in authentieke gegevensbronnen. De aanpassing van het bestuursdecreet maakt dit concreet voor gegevens uit authentieke gegevensbronnen en verplicht te raadplegen externe gegevensbronnen (cf. infra). VDAB is sinds december 2002 opgenomen in het uitgebreide netwerk van de KSZ. Ten opzichte van de KSZ is de VDI residuair, wat betekent dat ze enkel die gegevensuitwisselingen organiseert die niet bij wet aan de KSZ zijn voorbehouden. Dit houdt in dat VDAB voor alle mededelingen van sociale gegevens van persoonlijke aard door of aan instellingen van sociale zekerheid een beroep moet doen op de KSZ. Een voorbeeld zijn van gegevens over huursubsidies aan de OCMW’s via de POD MI en de KSZ. Voor uitwisselingen met Vlaamse instanties die zijn opgenomen in het uitgebreide netwerk van de KSZ geldt een uitzondering. Deze gegevens kunnen rechtstreeks of via de VDI verlopen, tenzij men toch voor een uitwisseling via de KSZ kiest.
33
Verplicht te gebruiken (authentieke) gegevensbronnen voor overheidsinstanties in Vlaanderen
Gegevensuitwisseling via de dienstenintegratoren
34
Bijlage 6: Controle op uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens De controle op de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens verloopt (beknopt en vereenvoudigd) als volgt. •
Voor het opvragen van gegevens van een Vlaamse instantie sluiten de verwerkingsverantwoordelijken een protocol af met elkaar.
•
Gaat het om sociale gegevens in het domein van de sociale zekerheid (zij het federale, regionale of lokale gegevens), dan is een beraadslaging van het IVC Kamer Sociale Zekerheid en Gezondheid nodig. Dit betekent dat toegang tot sociale gegevens van persoonlijke aard die beheerd worden door VDAB in principe een machtiging noodzaken van het IVC Kamer Sociale Zekerheid en Gezondheid. Gaat het om een mededeling van een Vlaamse instelling in het uitgebreide netwerk van de sociale zekerheid naar een andere Vlaamse instantie zonder tussenkomst van de KSZ verloopt, dan kan een protocol worden afgesloten. Mededelingen van gepseudonimiseerde sociale persoonsgegevens aan (o.m.) instellingen van sociale zekerheid, de NAR en de statistische autoriteiten behoeven geen beraadslaging.
•
Mededelingen van persoonsgegevens door of aan het eHealth-platform noodzaken een beraadslaging van het IVC Kamer Sociale Zekerheid en Gezondheid. Gegevens uit het Rijksregister nopen een machtiging van de Minister van Binnenlandse Zaken. Overige federale gegevens die naar Vlaamse en lokale instanties worden ontsloten verlopen via een federaal protocol.
•
Door de recente aanpassing van het bestuursdecreet (art. 58) is er nu een rol van Trusted Third Party (TTP) voor de Vlaamse Statistische Autoriteit. Via art. III.113 van het bestuursdecreet krijgt de VSA de rol van TTP om haar opdrachten uit te voeren of met het oog op een latere verwerking voor statistische of wetenschappelijke doeleinden. Om een vlottere toegang tot de persoonsgegevens te verzekeren voorziet het wijzigingsdecreet (art. 60 en 61) via art. III.113/1 en III.113/2 van het bestuursdecreet een “decretale machtiging aan alle departementen en agentschappen om statistisch, wetenschappelijk en historisch onderzoek te (laten) verrichten in het kader van beleidsvoorbereiding, -evaluatie en -uitvoering, binnen de grenzen van de hen toegewezen inhoudelijke bevoegdheden en daartoe de nodige machtigingen of beraadslagingen te verkrijgen voor toegang tot respectievelijk het Rijksregister en de sociale gegevensbanken biedt het bestuursdecreet een decretale verankering.”
•
In het geval van de DWH AM&SB gaat het indien het om persoonsgegevens gaat binnen de sociale zekerheid om een voorafgaande beraadslaging van het IVC Kamer Sociale Zekerheid en Gezondheid. Indien het om federale gegevens buiten de sociale zekerheid gaat, dan is een voorafgaande beraadslaging nodig van het IVC Kamer Federale Overheid voor zover de verwerkingsverantwoordelijken van de meedelende instantie en de ontvangende instanties niet tot een akkoord komen over de mededeling of minstens één van de verwerkingsverantwoordelijken om een beraadslaging verzoekt en de andere verwerkingsverantwoordelijken daarvan in kennis heeft gesteld.
35
De controle op de uitwisseling en verwerking van persoonsgegevens (vereenvoudigd en vanuit Vlaams perspectief)
36
Bijlage 7: VO-brede datastrategie De Vlaamse overheid werkte sinds juli 2020 aan een VO-brede datastrategie. De directe aanleiding was het data-advies van de SERV. Dat leidde tot het project datastrategie Vlaamse overheid met een VO-brede werkgroep onder co-voorzitterschap van het Agentschap Digitaal Vlaanderen en de Vlaamse statistische autoriteit (VSA). Daarnaast werden de ambities van het Vlaams statistisch programma aangescherpt. Om de scope en de prioriteiten vast te leggen vast werden interviews met het voorzitterscollege georganiseerd, besprekingen op het Stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid, een interne bottom-up bevraging (alle beleidsdomeinen, 36 VO entiteiten, 5 provincies, VVSG en 3 lokale besturen) en overleg met interne experten per topic. In september 2021 keurden het Voorzitterscollege en het Stuurorgaan Vlaams Informatieen ICT-beleid de Vlaamse datastrategie goed. Deze VO-brede strategie zet in op vier prioritaire actiedomeinen: (1) het algemene kader, (2) datageletterdheid, (3) een data-ecosysteem, en (4) data governance. •
Het algemene kader. Men wil inzetten op maximale samenwerking rond data en een kader bieden voor verdere verfijning van een datastrategie binnen elk beleidsdomein/entiteit. Centrale elementen zijn onder meer een verduidelijking van verantwoordelijkheden en verwachtingen via een gedeeld begrippenkader, minder versnippering tussen initiatieven, en het tegengaan van de cultuur van versnippering.
•
Datageletterdheid. Men heeft als doel de kennis over datagedreven werken bij middenkader en kenniswerkers te versterken, evenals de noodzakelijke competenties. Daartoe zet men in op een voldoende laagdrempelig opleidingsaanbod, een verscherpt bewustzijn en de kennis over bestaande oplossingen en kaders groeit bij middenkader, en een goed inzicht op de kern(data)competenties.
•
Een data-ecosysteem. Dit zou samenwerking en gegevensuitwisseling moeten faciliteren, onder meer door een beter overzicht van data. Daarvoor werkt men aan een netwerk van relevante contactpersonen, de uitbouw van de datavindplaats, betere juridische, technische en organisatorische afspraken bij samenwerking, een stijgend aantal erkende Vlaamse authentieke gegevensbronnen, en een betere implementatie van het Once Only-principe.
•
Data governance. Een aangescherpte kwaliteit en bruikbaarheid van de data zou het vertrouwen moeten verhogen. Betere afspraken zouden tot stand moeten komen over het gebruik en de verantwoordelijkheden rond standaarden en datakwaliteit. Een verhoogde implementatie van datastandaarden en metadatering maakt data transparanter en makkelijker uitwisselbaar. Op die manier zou prioritaire data kwalitatiever en makkelijk toegankelijk moeten worden.
Voor ieder van de prioritaire actiedomeinen werden de scope, het belang en de succescriteria afgebakend.
37
Ook de volgende stappen in de datastrategie werden vastgelegd. Die betreffen: •
De opmaak van een jaarlijks actieplan met de strategie als een lange termijn kader. Het actieplan moet duidelijke verantwoordelijkheden bevatten ten aanzien van: (1) wat men samen doet, (2) wat iedereen zelf doet, (3) wat men centraal voorziet.
•
Het maken van afspraken over de financiering;
•
Het organiseren van de opvolging via de Werkgroep Datamanagement van het Stuurorgaan Informatie- en ICT-beleid. Digitaal Vlaanderen en VSA organiseren in de loop van het jaar (minimaal één) tussentijds overleg om de voortgang van het actieplan op te volgen. In het najaar 2022 wordt binnen de werkgroep een schriftelijke rapportering aan het Stuurorgaan voorbereid.
Intussen werd ook gewerkt aan een data actieplan 2022. Dat actieplan moet de datastrategie operationaliseren. In februari 2022 werd het voorgelegd aan het Stuurorgaan Informatie- en ICTbeleid. Het zou 202 acties bevatten, zowel van de beleidsdomeinen als van Digitaal Vlaanderen en VSA (zgn. ‘centrale initiatieven’). Ook de Open data acties en de INSPIRE acties voor 2022 werden erin opgenomen (in uitvoering van respectievelijk het open data actieplan 2020-2024 en het INSPIRE-actieplan 2022-2024). Dit zorgt er voor dat de acties uit de verschillende actieplannen terug te vinden zijn in een en hetzelfde overzicht. Dat moet de samenwerking en het detecteren van synergiën bevorderen en de opvolging van de acties vergemakkelijken. De publicatie van het data-actieplan en de datastrategie is gepland begin april 2022.
Bijlage 8: Datastrategie DWSE DWSE heeft in 2020 een Datastrategie ‘Naar een datagedreven DWSE’ opgesteld. Het bevat de missie, visie en dataprioriteiten 2021-2024. De datastrategie werd opgesteld op basis van workshops, maturiteitsinschattingen, IT-score Data & Analytics en consultatie van experten. De visie is om als datagedreven departement bij te dragen aan de strategische missie om ‘alle talenten aan de slag’ door het beleid, medewerkers, partners, burgers en ondernemingen te voorzien van toegankelijke en kwalitatieve data die toelaten het hen mogelijk te maken geïnformeerde beslissingen te nemen en zich ten volle te informeren over het arbeidsmarktbeleid’. •
DWSE wil het beleid proactief aansturen door de noden en trends op de arbeidsmarkt in kaart te maken en prognoses te ontwikkelen. Klanten (burgers en ondernemingen) moeten het gevoerde beleid kunnen beoordelen en zich kunnen informeren over de maatregelen waar ze toegang toe hebben of door gevat worden en op een proactieve en op maat gemaakte dienstverlening krijgen. Diezelfde klanten moeten dienstverlening kunnen aanvragen en opvolgen in alle transparantie en eenvoud.
•
Interne beheersinformatie moet maximaal en gebruiksvriendelijk ontsloten worden zodat medewerkers en management efficiënt, wendbaar, kwalitatief en klantgericht de dienstverlening kunnen organiseren en de uitvoering van het beleid handhaven.
•
Met belanghebbende partners wil DWSE meer data uitwisselen. Door uitwisseling en hergebruik te stimuleren , vergroot de mogelijkheid dat anderen hiermee economische en maatschappelijke waarde realiseren. 38
De gewenste uitkomsten zijn geformuleerd voor de diverse doelgroepen. Concreet: •
Voor externe stakeholders moet de uitkomst een transparante en efficiënte overheid zijn. DWSE wil een interactief dataportaal dat zowel intern als extern toegankelijk is. Het dataportaal zorgt er voor dat iedereen binnen en buiten de organisatie toegang heeft tot dezelfde statistische informatie. Het dataportaal vormt daarmee de meest relevante, actuele en betrouwbare bron voor WSE-cijfers. Het bevat een groot aantal rubrieken en ontsluit informatie in verschillende vormen.
•
Voor de klanten is het doel een klantgerichte overheid. DWSE wil burgers en ondernemingen proactief informeren (wanneer dossier afgehandeld wordt), gepersonaliseerde data ter beschikking stellen (wat reeds aangevraagd, wat ook mogelijk, wat is de status van het dossier,.. ) en administratieve vereenvoudiging voor de ondernemingen/burgers realiseren, onder andere door toepassing van het once only prinicpe en door data en werking van overheden op elkaar af te stemmen.
•
Voor beleidshandhavers- en uitvoerders wil DWSE een efficiënte overheid die gericht controles uitvoert. Een systeem van knipperlichten voor frauderisico’s moet selecteren welke ondernemingen gecontroleerd zullen worden. Het systeem moet ook samenvattende gecentraliseerde informatie verschaffen.
•
Voor interne stakeholders is de datastrategie gericht op het genereren van overkoepelende sturingsinformatie die toelaat om gerichter te sturen op organisatiebrede onderwerpen zoals strategisch personeelsbeleid, kwaliteit, klachten, portfoliomanagement, uitvoering van audits, klantenbevragingen,… Ze moet ook toelaten tijdig te beoordelen hoe het staat met de kritieke prestatie-indicatoren en de doelmatigheid van de maatregelen.
•
Ten aanzien van beleidsmakers en politiek moet de datastrategie leiden tot voorspellingsmodellen waarmee de meerjarenbegroting van WSE nog meer betrouwbaar wordt en er betere beleids- en politieke keuzes kunnen worden gemaakt.
De datastrategie zelf wil stevige fundamenten creëren voor een duurzame dataorganisatie. Er wordt daarom gewerkt op zes pijlers voor de uitvoering van de datastrategie: •
Een duurzaam gemeenschappelijk data ecosysteem. DWE wil data centraal stellen om beter in staat te zijn transversaal/integraal samen te werken binnen en buiten de organisatie. Dit houdt in dat de capaciteit om data te kunnen opnemen, verwerken en verspreiden sterk moet verbeterenverbeteren. Daartoe wil men een duurzaam en veilig dataplatform creëren voor optimale, privacy vriendelijk en veilige samenwerking en uitwisseling met interne en externe partners.
•
Uitwisselbaarheid, openheid en transparantie. Om eenduidiger, sneller en makkelijker data te kunnen delen en nieuwe uitwisselingen eenvoudiger op te zetten, worden standaarden voor data-uitwisseling en datahergebruik versneld ingevoerd. DWSE zal hierbij zoveel mogelijk aansluiten bij (inter)nationale en Vlaamse generieke standaarden. Uitwisselbaarheid moet ertoe leiden dat DWSE meer open en transparant is en een datapositie opbouwt die contextueel is en rijker dan alleen WSE-informatie. Door hergebruik van gegevens te stimuleren (open data), wil men de mogelijkheid vergroten dat anderen hiermee economische 39
en maatschappelijke waarde realiseren. DWSE wil burgers en ondernemingen inzage en regie geven over de gegevens die organisatie over hen verzamelt en hen proactief informeren over de maatregelen waar ze recht op hebben. Alert-systemen en berichtvoorzieningen moeten als tweerichtingsverkeer worden ingericht en actief worden ingezet om klanten en belanghebbende partijen te betrekken. Transparantie moet toelaten om proactief verantwoording af te leggen, informatie sneller terug te vinden en in real-time ter beschikking te stellen. DWSE wil de waarborgen die privacy vereisen respecteren, vanuit het principe ‘open waar kan, gesloten waar moet’. •
Innoveren. DWSE wil een governanceproces inrichten waarbij continu de innovatie wordt opgezocht, succesvolle initiatieven worden doorgezet en de resultaten ervan in de bestaande processen worden ingevoerd. Samen met experts zal men de nieuwe trends en ontwikkelingen in de gaten houden.
•
Datagovernance. Om de integraliteit en de samenwerking tussen diensten versterken, zal DWSE in elke dienst duidelijk herkenbare rollen definiëren. Van elke rol moet duidelijk zijn welke verantwoordelijkheid in de dataorganisatie hierbij hoort. Daarnaast komt er een heldere besluitvormingsstructuur op operationeel, tactisch en strategisch niveau, met betrokkenheid van belanghebbende (externe) partijen.
•
Datageletterdheid en -ethiek. Om waarde uit data te halen, wordt geïnvesteerd in de kennis en kunde van medewerkers die nodig is om data om te zetten naar informatie en kennis. Dit varieert van het stellen van de juiste data- of onderzoeksvraag en het bewust/verantwoord en ethisch omgaan met data tot aan het kunnen vertalen van dashboards naar beleid. Succesvolle projecten worden gepromoot zodat dit inzicht organisatiebreed wordt gedragen en ze de juiste persoon weten te vinden wanneer ze tegen vergelijkbare problemen aanlopen.
•
Kwaliteit van de data & analytics. Data moeten vindbaar, toegankelijk, betrouwbaar en integer zijn (fair-principes). De kwaliteitsslag die hiervoor nodig is, hangt samen met de inrichting van de datagovernance zodat ook helder is wie operationeel, tactisch en strategisch verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de data binnen elke dienst.
40
Bijlage 9: Kennisagenda DWSE DWSE ontwikkelde samen met VDAB en diverse stakeholders een kennisagenda. Doel is het arbeidsmarktbeleid beter te onderbouwen met data en wetenschappelijke inzichten. De kennisagenda heeft drie functies: •
Onderzoek positioneren in een herkenbaar en logisch kader. Dat gebeurt rond 6 inhoudelijke domeinen (zie verder).
•
Prioriteiten bepalen. De kennisagenda wil meer duidelijk scheppen over de reeds beschikbare kennis en de hiaten om zo nieuw onderzoek te oriënteren.
•
Proactief beleid ondersteunen. De kennisagenda wil het onderzoek sturen in plaats van ad hoc te reageren op beleidsvragen. De grotere transparantie manier moet de kennis ook beter laten doorwerken in het beleid.
De kennisagenda is opgebouwd rond twee dimensies. •
Inhoudelijk. Zes transversale thema’s of snijvlakken die belangrijk zijn voor de arbeidsmarkt (governance, welzijn, samenleving, economie, omgeving en leren) fungeren als kader voor kennisvragen (zie kaderstuk).
•
Instrumenteel. De kennisagenda wil het Steunpunt Werk, het VIONA-programma, de samenwerking met arbeidsmarktexperten, de studiedienst van DWSE, enz. zo goed mogelijk inzetten rond deze vragen. Het actief betrekken van stakeholders is daarbij een belangrijk werkprincipe.
De onderzoeksvragen zijn indicatief. Prioriteiten worden gelegd worden in functie van beschikbare middelen en beleidskeuzes. De kennisagenda bevat daarom zowel meer toegepaste en actuele onderzoeksvragen als thema’s die meer verkennend van aard zijn en verder af staan van de huidige beleidscontext. De kennisagenda is een dynamisch instrument. Nieuwe inzichten, maatschappelijke evoluties of andere prioriteiten gelegd door het beleid en/of stakeholders kunnen leiden tot aanpassingen. DWSE zal jaarlijks rapporteren over de uitvoering van de kennisagenda aan de Beleidsraad en de stuurgroep VIONA en de agenda en onderzoeksresultaten publiek verspreiden. DWSE zal ook minstens 1 keer per levenscyclus van de kennisagenda een conferentie organiseren voor het maken van een synthese van het arbeidsmarktonderzoek. DWSE organiseert ook webinars met (externe) experts waarin de thema’s van de kennisagenda aan bod komen. Bij start van elke legislatuur gebeurt een actualisering op basis van externe stakeholderbevragingen en de diverse beleidsagenda’s van DWSE. De ontwerp-kennisagenda wordt telkens voorgelegd aan de Stuurgroep VIONA en de Beleidsraad WSE.
41
Hoofdvragen van de kennisagenda van DWSE KENNISDOMEIN WELZIJN & ORGANISATIE •
Hoe beïnvloedt het functioneren van organisaties het welzijn van werknemers?
•
Welke factoren zijn bepalend voor een werk-privé balans met een positieve impact op welzijn?
•
In welke mate verandert de arbeidsorganisatie in ondernemingen?
KENNISDOMEIN INCLUSIEVE SAMENLEVING •
Wat zijn determinanten voor een duurzame integratie en activering van personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en niet-actieven?
•
Wat zijn de macro-, meso- en micro-mechanismen van arbeidsmarktexclusie in Vlaanderen?
•
Hoe evolueert de rol van arbeid in onze samenleving?
KENNISDOMEIN ECONOMIE •
Hoe verloopt de matching van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (cf. arbeidsreserve, knelpuntberoepen, arbeidsmigratie)?
•
Hoe evolueren transities op de arbeidsmarkt zoals job transities en job mobiliteit?
•
Wat is de impact van technologische evoluties en ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en automatisering op de vraag en het aanbod van arbeid in Vlaanderen?
•
Wat is de wederzijdse impact van het functioneren van de arbeidsmarkt en de arbeidsproductiviteit in Vlaanderen?
•
Wat is de impact van economische trends en shocks op de arbeidsmarkt in Vlaanderen?
•
Wat is de impact van een duurzame economie op de arbeidsmarkt in Vlaanderen en op welke manieren kan de arbeidsmarkt bijdragen aan de transitie naar een groene economie?
•
Hoe veranderen productie-en verdienmodellen in de komende decennia en hoe heeft dit een invloed/impact op de arbeidsmarkt?
KENNISDOMEIN LEREN •
Welke vaardigheden zullen in toenemende mate nodig zijn?
•
Hoe kunnen technologie en flexibele leervormen een meerwaarde betekenen in leren?
•
Hoe kan duaal leren / werkplekleren verder versterkt worden?
•
Hoe kan een leercultuur in de brede samenleving gestimuleerd worden?
KENNISDOMEIN OMGEVING •
Wat is de impact van ruimtelijke evoluties (bv. verstedelijking, verweving en multifunctioneel ruimtegebruik) op arbeidsorganisatie in Vlaanderen?
•
Wat is de impact van mobiliteit en interconnectiviteit op de werking van de arbeidsmarkt (bv. job mobiliteit en economische migratie)?
•
Wat is de impact van de werking en organisatie van de arbeidsmarkt op omgeving en milieu?
KENNISDOMEIN GOVERNANCE •
Hoe kunnen sectorale, regionale, publieke en/of private partnerschappen en sociaal overleg het beleid versterken afhankelijk van de maatschappelijke problematiek en rekening houdende met verschillende bestuursniveaus?
•
Wat is de lange termijn impact van actief en passief arbeidsmarktbeleid?
42
Bijlage 10: Open data sets rond Werk op het Vlaams Open data portaal De onderstaande kader bevat de open data sets rond arbeidsmarkt op het Vlaams Open data portaal. Zoektermen die werden gebruikt eijn ‘WSE’, ‘VDAB’, ‘Werk’, ‘Sociale Economie’, ‘Arbeid’, ‘Arbeidsmarkt’. Open data sets rond arbeidsmarkt op het Vlaams Open data portaal 1.
Aandeel deeltijdarbeid bij werkenden (25-49 jaar), naar geslacht en gezinssamenstelling - in % - Vl
2.
Aandeel loontrekkenden met een afwijkend uurrooster, naar geslacht en vorm - in % - Vl, EU
3.
Aandeel personen (15-64 jaar) dat niet of deeltijds werkt door gebrek aan gepaste opvang - in % - Vl
4.
Andere toepassing - aandeel burgers die online werk zochten of solliciteerden - Vl, B en EU
5.
Arbeidsmatige activiteiten
6.
Cursisten Individuele Beroepsopleiding in de Onderneming (IBO) - aantal – Vl
7.
Deeltijdarbeid - geslacht en gezinssamenstelling – VL
8.
Dienstverleners met een kwaliteitsregistratie binnen WSE
9.
Gehonoreerde en openstaande aanvragen opleidingscheques werknemers naar leeftijd - aantal – Vl
10. Gemiddelde uittredeleeftijd naar geslacht - Vl, Br, Wal, B 11. ILO-werkloosheidsgraad naar geslacht en leeftijdsgroep - in % - Vl, EU 12. Niet-werkende werkzoekenden (NWWZ), naar leeftijdsgroep en geslacht, jaargemiddelde - aantal – Vl 13. Niet-werkende werkzoekenden (NWWZ), naar nationaliteit en geslacht, jaargemiddelde - aantal – Vl 14. Niet-werkende werkzoekenden (NWWZ), naar origine en geslacht, jaargemiddelde - aantal – Vl 15. Niet-werkende werkzoekenden (NWWZ), naar studieniveau en geslacht, jaargemiddelde - aantal – Vl 16. Niet-werkende werkzoekenden (NWWZ), werkloosheidsduur en geslacht, jaargemiddelde - aantal – Vl 17. Nieuwsgaring - naar medium en naar het al dan niet hebben van werk – Vl 18. Ontvangen VDAB-vacatures per maand in het NECzU, gemiddelde januari-december - aantal – Vl 19. Openstaande VDAB-vacatures per maand in het NECzU, gemiddelde januari-december - aantal – Vl 20. Personen die een Vlaamse aanmoedigingspremie goedgekeurd kregen, geslacht en leeftijd - aantal – Vl 21. Spanningsratio - gemiddelde januari - december – Vl 22. VDAB-werkloosheidsgraad naar geslacht - in % - Vl 23. Verdeling van de bevolking tussen 15 en 64 jaar arbeidsmarktsituatie, volgens geslacht - x 1.000 - Vl, EU 24. Werkzaamheidsgraad - geslacht en gezinssamenstelling – VL 25. Werkzaamheidsgraad - geslacht en leeftijdsgroep - VL, EU 26. Werkzaamheidsgraad (25-49 jaar) naar geslacht en gezinssamenstelling - in % - Vl 27. Werkzaamheidsgraad naar geslacht en leeftijdsgroep - in % - Vl, EU
43
Bijlage 11: Gesignaleerde opportuniteiten en datalacunes in arbeidsmarkt Datalacunes op het vlak van personen met een migratieachtergrond: •
De tweejaarlijkse frequentie van socio-economische monitoring is te laag om kort op de bal te spelen. Er zit ook veel vertraging op. De meest recente publicatie uit 2019 betreft cijfers van 2008 tot 2016. Er is nu geen zicht op hoe arbeidsmarkttrajecten van personen met een migratieachtergrond (inclusief nieuwkomers) zich longitudinaal ontwikkelen. De profilingstudie in opdracht van VIONA zou jaarlijks moeten plaatsvinden.
•
De gegevens over detachering moeten voor statistische analyse geschikt worden gemaakt en gekoppeld worden aan gegevens over een (eventueel) later langdurig verblijf in ons land.
•
Zicht op de tweede generatie ontbreekt vaak.
•
Er is vraag naar integratie van personen die voor internationale instellingen werken in de DWH AM&SB.
•
Er is tevens vraag naar structurele integratie van beschikbare gegevensinfrastructuren rond arbeidskaarten, inburgering, opleiding en arbeidsbemiddeling, onderwijs, gegevens over erkenning buitenlandse diploma’s van nieuwkomers (NARIC-Vlaanderen), LIMOSA-gegevens over detacheringen, en andere regionale data (i.e. Waalse en Brusselse data).
Datalacunes op het vlak van personen met een arbeidshandicap •
• •
Juridische interoperabiliteit en semantische interoperabiliteit zijn nog niet volledig doorgevoerd. Dit is zowel algemeen als tussen administratieve gegevens en zelfdefinities in enquêtes (SILC en EAK). Een (jaarlijks) overzicht van administratieve gegevens over arbeidshandicap en de beleidsuitvoering op dit domein zou door Statistiek Vlaanderen moeten georganiseerd worden. De DWH AM&SB heeft gegevens van personen met een handicap op basis van het sociale zekerheidsstelsel waarin die personen vallen, terwijl het aantal personen met een handicap breder is (‘Werkende personen met een arbeidshandicap’, naast ‘Personen met een (arbeids)handicap via de uitkeringsstelsels’). VDAB en DWSE hebben hiervoor gegevens die dit zouden kunnen verbeteren.
Datalacunes op het vlak van (tijdelijke) werkloosheid. •
•
•
Datastromen voor tijdelijke werkloosheid en (nakende) failliete zelfstandigen, data over tijdelijke werklozen tijdens coronacrisis, periodieke analyses over de dynamiek van tijdelijke werkloosheid, een indicator van arbeidsvolume bij tijdelijke werkloosheid – en ruimer – arbeidsduurvermindering. De in- en uitstroom van werkzoekenden, de doorstroom naar langdurige werkloosheid, de uitstroom naar inactiviteit, een betere benutting van vacature-informatie voor detectie van groeibedrijven en -sectoren, een systematische en volledige data over vacature-invulling in het kader van ‘sluitende opvolging’ (welk profiel, in welk bedrijf, welke competenties, voor hoelang), een periodieke datamonitoring naar omvang en redenen voor blijvend openstaande of niet-ingevulde vacatures. Longitudinale data over het parcours van een klant in het systeem van VDAB. 44
•
Monitoring werk-naar-werk transities.
Andere gesignaleerde datalacunes. •
•
• •
•
•
• • • • • •
Gebrek aan systematische monitoring en publiek beschikbare data over diversiteit binnen de lerarenpopulatie. Dit speelt zowel binnen de thema’s van personen met een migratie-achtergrond als van personen met een arbeidshandicap. In de RSZ-aangifte zou moeten worden toegevoegd aan welke functiecategorie in de functieclassificatie, en met welke anciënniteit daarin, de werknemer werd toegewezen. Daarnaast zou een beroepencode (ISCO) moeten worden toegevoegd. Beide zijn niet alleen essentieel om de “skills mismatch” in kaart te brengen, maar ze zijn ook voor de analyse van de loonvorming in België onontbeerlijk. Studentenarbeid, nacht- en ploegenarbeid, zaterdag- en zondagwerk, NEET-jongeren, huisvrouwen/mannen moeten identificeerbaar worden gemaakt in de administratieve gegevens. Beroepeninformatie: De administratieve data bevatten enkel data op sectorniveau en niet op beroepenniveau (microdata). Dit bemoeilijkt arbeidsmarktprognosemodellen, het maken van een beroepenmonitor, en informatie voor discussies over zware beroepen. De census-update van Statbel gaat slechts een beperkt aantal informaties over beroependata opleveren. De survey data van de EAK zijn slechts een oplossing op korte termijn om aan beroepeninformatie te komen. Verscheidene Europese landen hebben die microdata wel (bv. Nederland, Duitsland en Zweden) en hebben aanvullende mechanismen hiaten op te vangen (bv. via bevragingen met bedrijven) (bv. Finland). DWH AM&SB: Monitoring van de arbeidsreserve binnen de niet-beroepsactieve en werkende populatie, een betere koppeling met EAK, Dimona-gegevens die dagelijks beschikbaar zijn voor transities op de arbeidsmarkt, de koppeling tussen arbeidsmarktdata en onderwijsdata om de transities tussen onderwijs en arbeidsmarkt te onderzoeken, systematische opvolging van personen in reïntegratietrajecten en hun doorstroom naar werk. Sociale balansen in BELFIRST: Deze bevatten enkel registratieplichtige bedrijven (registratie naar hoofdzetel) en zijn nu niet volledig of actueel (op het vlak van opleidingsniveau, beroepscategorie). Er is een mismatch met onderzoeksliteratuur op het vlak van onderscheid formeel/niet-formeel/informeel leren. Het is ook onduidelijk of het gaat om (niet-)bekostigd levenslang leren. Structurele inzet van data uit sociale secretariaten. Onderwijsgegevens (en indicatoren) zijn niet voldoende gemetadateerd en gedocumenteerd om bruikbaar te zijn voor arbeidsmarktanalyses. Aanwezigheid en bewegingen van mensen tussen sociale zekerheidsstelsels. Leefloongerechtigden (er zijn zeer grote verschillen tussen OCMW’s). Problemen op het vlak van loopbanen, loopbaantransities, interdisciplinair zoals STEM (definiëring en monitoring) Nood aan betere groeiprognoses, op basis van een werkgeversbevraging en een expertenpanel
45
Bijlage 12: Hoofdlijnen advies SERV-VLIR De onderstaande schema’s bevatten een samenvatting van de knelpunten en aanbevelingen van het SERV-VLIR-advies ‘Betere overheidsdata voor sterk beleidsonderzoek en goed bestuur’. Beschikbaarheid en kwaliteit van data Datakwaliteit
Datawarehouse
Datalacunes
Knelpunten • • •
De kwaliteit en fijnmazigheid is niet altijd toereikend Op veel data zit (grote) vertraging De data bevatten nog te vaak fouten
• • •
Data slechts met grote vertraging beschikbaar Weinig responsief t.a.v. nieuwe datanoden Uitgebouwd volgens model van éénmalig en niet recurrent onderzoek
• •
Er zijn meerdere belangrijke datalacunes. Er gebeurt geen systematische verzameling van data via toevalssteekproeftrekkingen/longitudinale panels (online en offline)
Aanbevelingen •
•
•
•
•
Een systematischer gebruik van datastandaarden en gevalideerde methodologieën; Terugkoppeling vanuit onderzoekers over de kwaliteit van de ontvangen data Incentives voor dataleveranciers om data en methodologische wijzingen goed te documenteren; Meer afstemming tussen beleidsmedewerkers (business) en technische medewerkers (IT-dienstenintegratoren) Opmaak van een datakwaliteitsstrategie
•
•
•
•
Actuelere data(stromen) die vraaggedreven worden opgezet Vereenvoudigde aanvraagprocedures en kortere doorlooptijden, Snellere datakoppelingen tussen enquêtedata, paneldata en administratieve data. Thematische datasets als open data
46
•
•
Structurele mechanismen om datanoden en dataleemtes te kunnen signaleren (o.a. verbeterde gebruikersinspraak) Internetpanel om ook bij acute beleidsvragen sneller een zicht te krijgen op de situatie, perceptie en oorzaak-gevolg-relaties
Vindbaarheid en ontsluiting van data Vindbaarheid
Uitwisseling en koppeling
Ontsluiting
Knelpunten • •
• •
Data is moeilijk vindbaar; het overzicht ontbreekt Datareeksen zitten verspreid in silo’s binnen overheden Data voldoen niet altijd aan de FAIR-principes De open data zijn nog beperkt en erg verscheiden
• • •
•
Weinig (Inter)bestuurlijke uitwisseling van data Onduidelijke rollen en verantwoordelijkheden Te lange duurtijd voor opzetten van nieuwe datastromen Verschillende maturiteit in het opzetten van protocollen en realiseren van datauitwisseling.
•
• •
De ontsluiting van data voor onderzoeksdoeleinden verloopt te gefragmenteerd en te weinig vraaggedreven Er zijn te weinig continue en gecumuleerde producten Het eigenaarschap en gebruiksrecht van data is niet altijd goed geregeld.
Aanbevelingen •
• • •
Verdere uitbouw van een datavindplaats (cf. project Informatiecatalogus bij Digitaal Vlaanderen) Met interfederale koppelingen Met focus op datasets met hoge toegevoegde waarde Met ook thematische dataportalen.
•
• •
Verder investeren in (verplichte) gegevensdeling, TTP en authentieke gegevensbronnen Publicatiestrategie voor metadata Verduidelijken van rollen en verantwoordelijkheden
•
•
•
47
Meer administratieve (micro) data ontsluiten en data meer gezamenlijk ontsluiten Onderzoeksinfrastructuren met gestandaardiseerde producten (vaste datasets) (cf. INSEE, Statistics Sweden, …) Open Science (publiek gefinancierde onderzoeksdata voor andere onderzoekers en beleid beschikbaar)
(Privacy-) Procedures en ethische omgang met data Machtigingen/Protocollen
Onderzoek en innovatie
Hergebruik en archivering
Knelpunten •
• •
Lange en stroeve procedures voor data-aanvraag met persoonsgegevens. Erg restrictieve interpretaties van privacyregels Verschillende praktijken en uiteenlopende motiveringen
•
•
•
Procedures zijn weinig flexibel/responsief t.a.v. noden onderzoeksdesign Stroefheid en lange duurtijd belemmeren tijdigheid/beleidsrelevantie onderzoek Procedures maken types data combineren in onderzoek erg omslachtig
•
•
Persoonsgegevens worden te weinig geanonimiseerd of gemaskeerd voor hergebruik Verplichting om data te vernietigen haaks op de repliceerbaarheid van onderzoek
Aanbevelingen •
•
• • •
Meer klantgericht, vraaggedreven model met geïntegreerde procesbegeleiding (cf. het CBS) Aangepaste procedures waar TTP (VSA) bij betrokken is Meer (interbestuurlijke) uniformiteit bij interpretaties Meer frequente beraadslagingen Evolueren van protocollen naar machtigingsaanvragen via onafhankelijke machtigingsautoriteiten
•
•
•
Meer uitgaan van vertrouwen (meer ex-post i.p.v. enkel ex-ante controle) Vereenvoudigde procedures en formulieren, o.a. voor onderzoek i.g.v. bijsturingen en voor recurrent onderzoek; Gedragscode ‘responsible data management’ voor kennisinstellingen
48
•
•
Goede praktijken ter zake verzamelen en uitwisselen (cf. Open data Actieplan) Een gezamenlijke infrastructuur waar onderzoekers hun data kunnen archiveren met het oog op FAIR hergebruik
Cultuur en organisatie Data/evidence cultuur
Organisatie en actoren
Kennis en capaciteit
Knelpunten •
•
•
Er is geen overheidsbrede ‘evidence-informed’ beleidscultuur. Entiteiten zijn vaak nog te veel gericht op de eigen data en doelstellingen; er is geen vertrouwen en cultuur om data uit te wisselen. Dataleveranciers hebben vaak niet voldoende inzicht op wat er met de data kan gebeuren.
•
•
•
•
Het huidige beheerskader van het Steunpunt Werk beperkt het potentieel Er zijn geen duidelijke aanspreekpunten die kunnen fungeren als SPOC voor beleidsmedewerkers en onderzoekers Het netwerk Statistiek Vlaanderen werkt nog te veel procedureel en dubbelop Gebruikersinspraak is niet efficiënt georganiseerd
• •
Inzicht in datapotentieel is beperkt Te weinig datageletterdheid in de hele organisatie en bij beleidsmakers
Aanbevelingen •
•
Attitudewijziging stimuleren, bv. Incentives voor datadeling via bv een te bereiken maturiteit qua organisatiebeheersing en interne controle. Promoten van een evidence-informed beleidscultuur: meer ruimte voor experimenten en RCT’s; een geïntegreerde onderzoeksplanning en beleidsevaluatieagenda; arbeidsmarktmonitoring doorheen de beleidscyclus
•
•
•
• •
Een Vlaamse brede datastrategie met elk beleidsdomein een eigen datastrategie, ontwikkelend met stakeholders Chief Data Officers / Chief Policy Scientists in elk beleidsdomein Herijking rol en opdracht Statistiek Vlaanderen: meer ondersteunend, oplossingsgericht en netwerkversterkend. Beter georganiseerde gebruikersinspraak Een stabiel kader voor het Steunpunt Werk
49
•
•
•
Investeringen in datageletterdheid doorheen alle geledingen van de organisatie opleidingen op verschillende niveaus, niet enkel in datakennis maar ook soft skills Meer samenwerking en afstemming tussen technische profielen en beleidsprofielen