Skip to main content

Een skills roadmap voor de Vlaamse klimaattransitie. Oproep.pdf

Page 1

VIONA-OPROEP VOOR EEN ONDERZOEKS- EN ONTWIKKELINGSOPDRACHT 08/10/2020 Een skills roadmap voor de Vlaamse klimaattransitie Focus op de energie-intensieve industrie 1. Kenmerken van het onderzoek VIONA-luik : Beleidsuitdaging Onderzoeksdoeleinde: Beschrijvend en verklarend Gewenste methodologie: Kwalitatief Soort opdracht: O&O-opdracht

2. Probleemstelling Beleidscontext De Europese Commissie die aantrad in 2019 stelde met de ‘Green Deal’ een nieuwe economische groeistrategie voor gebaseerd op duurzaamheid. In navolging van het Akkoord van Parijs van 2015 besliste de Europese Raad om uiterlijk tegen 2050 de Europese Unie klimaatneutraal te maken. Intussen is de wereld in de greep van het COVID-19-virus met een zeer ernstige economische impact tot gevolg. De overheden nemen belangrijke maatregelen om de recessie te bedwingen. In de nota Vlaams relancebeleid pleit de SERV er uitdrukkelijk voor om in het relancebeleid de koppeling te maken met o.a. de klimaatuitdaging en de EU Green Deal: “Het relancebeleid en de relancebudgetten bieden de kans om die opportuniteiten te plukken en de post-coronawereld toekomstgericht mee te vormen (‘never waste a good crisis’). Gaandeweg moet het relancebeleid synergieën realiseren met maatschappelijke uitdagingen en verplichtingen voor de middellange en lange termijn (economisch, sociaal, ecologisch), zoals rond digitalisering, circulariteit, mobiliteit, gezondheid, de SDG’s, de Europese doelen en de EU Green Deal,


de strategie Vlaanderen 2050, de internationale doelstellingen en engagementen op het vlak van energie, klimaat, armoede, innovatie …” Ook het economisch relancecomité1 wil het momentum benutten om tot transformatieve investeringen te komen. Ze pleit voor een holistische aanpak die duurzame economie en infrastructuur samenbrengt en voor inspanningen om Vlaanderen naar de top te brengen inzake decarbonisering, ondersteund door fors verhoogde klimaatambities. Wat ook de beleidskeuze wordt, de omslag naar klimaatneutraliteit vraagt een fundamentele heroriëntatie van de economie, en opent bijzondere uitdaging voor de energie en CO2-intensieve industrie. In sectoren zoals staal, chemie en raffinage zullen gigantische investeringen en ontwikkelingen nodig zijn op vele terreinen (regelgeving, technologie, financiering, infrastructuur, innovatie, …) om zich aan te passen aan de nieuwe realiteit. Tegelijkertijd biedt deze omslag kansen op toekomstgerichte economische groei, markten, tewerkstelling en technologische ontwikkeling. Dit alles komt de komende maanden en jaren ongetwijfeld hoog op de agenda binnen het industrieel beleid van de Vlaamse regering. Naast technologie, infrastructuur en innovatie zijn echter ook de aanwezige skills een noodzakelijke randvoorwaarde om de Vlaamse economie in de juiste richting te sturen en Vlaanderen als een koploper te positioneren in deze belangrijke transitie.

Korte stand van zaken in verband met de aanwezige kennis Over het algemeen is de kennis m.b.t. de samenhang tussen klimaatambities en -roadmaps enerzijds en impact op werkgelegenheid anderzijds schaars gezaaid. Vooral de toegepaste en toepasbare kennis (roadmaps, aanpassingsstrategieën, draaiboeken, …) ontbreekt. -

We weten wél uit analyses van de Europese commissie dat de omslag naar een koolstofneutrale economie kleine maar positieve effecten op de economische groei en de werkgelegenheid zal hebben: “GDP and employment effects by 2030 are expected to be respectively up to 1.1% and 0.5% higher than they would be without climate action necessary for meeting the 2 degrees target under the Paris Agreement”.2

-

We weten ook uit een analyse van het Planbureau dat de overschakeling naar een volledig hernieuwbaar energiesysteem tegen 2050 ons 21.000 tot 65.000 voltijdse (Belgische) jobs zou kunnen opleveren tegen 20303. Dat betekent niet enkel elektriciteit opwekken via hernieuwbare weg (zoals bvb. zonnepanelen of windmolens), maar ook onze verwarming, ons warm water, licht, industriële stoom en transport laten draaien op groene energie.

-

Uit eigen studies4 leiden we af dat tegen 2030 meer dan 30.000 jobs gecreëerd kunnen worden met potentieel voor kort- en middengeschoolden in de circulaire economie en dat de hernieuwbare energiesector zal blijven groeien met mogelijkheden voor investeringen van de sector sociale economie in jobs binnen de groene economie.

1

https://www.vlaanderen.be/publicaties/rapporten-economisch-en-maatschappelijk-relancecomite https://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=738&langId=en&pubId=8219 3 https://www.plan.be/press/communique-1236-nl-hernieuwbare+jobs+werk+aan+de+winkel 4 https://www.socialeeconomie.be/nieuws/trendrapporten-sociale-economie 2


-

Ook de SERV beschreef de ontwikkelingen, belangrijkste kansen en uitdagingen van deze transitie voor de economie en de arbeidsmarkt in Vlaanderen en koppelde dit aan een reeks concrete uitdagingen vanuit rondetafels met experts en sectoren. O.a. de technologie en maakindustrie, textiel en houtbewerking, chemie en lifesciences, recyclage, landbouw, voeding, en bouw kwamen daarbij aan bod5.

-

Intussen startte ook een grootschalig onderzoeksproject, getiteld “Michelle” SBO-project binnen een samenwerking tussen HIVA en VITO, dat een macro-economisch raamwerk wil ontwikkelen voor de transitie naar een circulaire economie. Aspecten zoals werkgelegenheid en vereiste kwalificaties zullen in dit onderzoek gelinkt worden aan de circulaire economie. Het departement WSE en de stichting zijn betrokken als stakeholders in dit project.

-

Momenteel staat bij ESF de SCOPE 2020-oproep open. In deze oproep gaan promotoren samen met een breed netwerk aan de slag met het uitvoeren van een strategische competentieprognose om vervolgens ondernemingen te sensibiliseren en te informeren over de veranderingen op vlak van competenties. In de openstaande SCOPE 2020 oproep dienen alle projecten in dit kader ook de omslag naar een circulaire en koolstofneutrale economie mee in kaart te brengen. De projecten starten op 1 januari 2021.

Er zijn met andere woorden genoeg studies en lopende projecten die een inschatting trachten te maken van effecten -positief of negatief- van de omslag naar een duurzame economie. Wat echter ontbreekt zijn toepasbare inzichten, roadmaps en aanpassingsstrategieën om er voor te zorgen dat de skills aanwezig zijn om die omslag waar te maken. We hebben nood aan een human capitalbenadering van dit vraagstuk. Vlaio liet recent een roadmap opstellen (nog niet vrijgegeven) dat een transitiekader omvat voor de omschakeling naar een CO2-arme industrie. Daarin wordt onderzocht hoe het transitieprogramma er zou kunnen uitzien voor de omschakeling van de basisindustrie in Vlaanderen en de infrastructuur, investeringen, wetgeving, samenwerking en nieuwe technieken die daarmee gepaard zouden moeten gaan. Dit betreft echter een industrieel transitieprogramma, waarbij nog niet gekeken is naar de human capital dimensie. Met dit voorstel voor een jobs & skills roadmap vertrekkende van de basisindustrie willen we hieraan tegemoet komen, het totale plaatje van kosten en baten vervolledigen vanuit een werkgelegenheidsoptiek en bijdragen tot meer inzicht in de verduurzaming en decarbonisering van de energie-intensieve industrie.

3. Onderzoeksvragen We vertalen dit centrale vraagstuk in volgende concrete onderzoeksvragen. Wat is een mogelijke skills roadmap voor de transitie van de energie- en CO2 intensieve industrie in Vlaanderen (staal, chemie, raffinaderijen, …)? Hoe kunnen we het industriële transitieprogramma voor de basisindustrie vertalen naar een human capital transitieprogramma / -kader? (m.a.w. welke impact zal dit hebben op werknemers en hoe bereiden we medewerkers en organisaties hierop voor?) Waar liggen de uitdagingen en opportuniteiten en de strategische keuzes op vlak van jobs, skills en kennis? 5

https://www.serv.be/sites/default/files/documenten/Beleidsagenda_en_aanbevelingen_WIP_20190226.pdf


Welke agenda voor workforce change kan Vlaanderen als koploper positioneren in deze transitie? -

-

-

-

-

voor werknemers en werkzoekenden? o Gegeven de technieken en technologieën die aan belang zullen winnen voor een koolstofarme industrie: Welke profielen, kwalificaties en competenties winnen aan belang? En welke verliezen aan belang? o Welke competenties moeten ontwikkeld worden? o Hoeveel werknemers zullen zich moeten omscholen? En in welke richting? Zullen er verschuivingen zijn tussen sectoren? o Welke opportuniteiten zijn er voor kwetsbare werknemers? Hoe leiden we dit sociaal in goede banen? voor ondernemingen en hun research en HR-beleid? o Hoe kunnen ondernemingen zich op dit alles voorbereiden? o Welke ondersteuningsnoden zijn er op dit vlak bij ondernemers? o Hoe kan dit leren op het snijvlak van innoveren en werken best vorm krijgen? Welke kansen biedt dit voor het anders organiseren van leren (op het snijvlak van innoveren, werken en leren)? o Wat betekent dit voor “ways of working”? (transformatie van de werkvloer, andere manieren van werken, andere processen, andere organisatie van het werk,…) o Wat is de impact hiervan op personeel? En in welke zin moet het personeelsbeleid hieraan aangepast worden? o Welke opportuniteiten biedt dit voor sociaal ondernemerschap, MVO en de sociale economie? voor economische clusters en waardeketens …? o Ingezoomd: waar situeren zich de belangrijke uitdagingen o.v.v. menselijk kapitaal? o Hoe kunnen we van black-spots green-spots maken voor groei en transitie door in te zetten op jobs en skills? Welke aanpak vergt dit op niveau waardeketens / ecosystemen / bedrijventerreinen? o Hoe worden ondernemingen en hun zittende werkvloeren in deze omslag best meegenomen? Voor de kennisinstellingen o Welke samenwerkingen op vlak van opleiding, omscholing, kwalificerende trajecten (met het bedrijfsleven)? voor de overheid: hoe ondersteunen we deze beweging? (beleidsaanbevelingen) o Welk governancekader is het meest gepast? o Hoe maken we de brug tussen het industrieel en het werkgelegenheidsbeleid? o Wat is de rol van de arbeidsbemiddelaar VDAB? o Welke flankerende initiatieven rond opleiding, vorming en werkgelegenheid zijn nodig/mogelijk? o Welke mogelijkheden voor partnerships sectoren, sectorfederaties, opleidings- en onderwijsverstrekkers, …?

Noot: de onderzoeksvragen zijn richtinggevend. In overleg met de opdrachtnemer kan verfijnd worden en kunnen keuzes gemaakt worden. Noot: Dit onderzoek gaat niet in op de impact van de Europese en Vlaamse klimaatambities op de tewerkstelling en de arbeidsmarkt in andere sleutelsectoren (landbouw, de bouwsector, afval en recyclage, transport en mobiliteit, …)? Mogelijks kan deze studie wel een voorstudie / verkenning zijn om tot gelijkaardige roadmaps te komen voor andere domeinen.


Onderzoeksmethode Alle voorstellen die hoger omschreven onderzoeksvragen kunnen beantwoorden zijn welkom. We verwachten wel dat er rekening gehouden wordt met verschillende lopende genoemde onderzoeken alsook met de Vlaamse en federale beleidscontext. Er wordt ook gevraagd om stakeholders actief te betrekken in deze studie (o.a. sociale en sectorale partners, SERV-partners, Vlaio, ….). Dit zal in overleg met de opdrachtgever gebeuren.

4. Timing Projectvoorstellen moeten uiterlijk op woensdag 28 oktober 2020 om 15u worden ingediend. De Stuurgroep VIONA zal in de tweede helft van de maand november een advies formuleren over het te gunnen project aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Werk. De projectindieners zullen ten laatste begin december worden geïnformeerd over de beslissing van de minister. Het project dient nog in 2020 op te starten. Het ontwerp van eindrapport dient eind november 2021 te worden opgeleverd. Uiterlijk eind december 2021 dient het definitieve eindrapport dwingend aan de opdrachtgever te worden opgeleverd. Voorstellen voor snellere doorlooptijden worden verwelkomd.

5. Kandidaatstelling Opgelet!: Wie wenst in te tekenen op deze oproep dient ten laatste op woensdag 14 oktober 2020 een seintje aan het departement te geven: een mailtje naar willem.deklerck@vlaanderen.be + johan.troch@.vlaanderen.be volstaat hiervoor. Projectvoorstellen bevatten een inhoudelijk en een financieel onderdeel en beantwoorden aan de richtlijnen die u in bijlagen bij de oproep vindt. In die bijlagen vindt u tevens informatie over de selectiecriteria en -procedure en over de financiële en administratieve opvolging van het project.

6. Informatie Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij de heer Willem De Klerck, Departement Werk en Sociale Economie (T 02/553 43 80 –M 0474/485 760, willem.deklerck@vlaanderen.be) en bij mevrouw An Katrien Sodermans, Departement Werk en Sociale Economie (T 02/227 49 70 - M 0475/61 17 99, ankatrien.sodermans@vlaanderen.be). De indieners van projectvoorstellen zullen desgevallend uitgenodigd én gehoord worden tijdens een digitale hoorzitting (in Teams) die in de week van 16 tot 20 november 2020 zal plaatsvinden, en dit enkel in het geval van fundamentele onduidelijkheden, betwistingen, ex aequo ’s en/of minieme verschillen tussen de (beste) offertes. U wordt hiervan uiterlijk op vrijdag 13 november op de hoogte gebracht indien dit gewenst is.


Bijlage 1 bij VIONA-projectoproepen voor O&O-opdrachten Situering en gunningsprocedure 1. Het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma Het initieel opzet en doel van VIONA (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) werd destijds binnen het VESOC en in het kader van de Vlaamse werkgelegenheidsconferentie in het protocol van 17 maart 1993 als volgt vastgelegd: - Het verwerven van wetenschappelijke betrouwbare kennis over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt opdat men verantwoorde beleidskeuzes kan maken (vaststellen, registreren en onderzoeken van de ontwikkelingen op de Vlaamse arbeidsmarkt teneinde het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen de nodige wetenschappelijke ondersteuning aan te bieden). - Een impuls geven aan wetenschappelijk onderzoek (komen tot een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak van het beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek op het domein van de arbeidsmarkt). Naar aanleiding van een nieuwe oproep voor het Steunpunt Werk in 2015, de nieuwe bevoegdheden na de Zesde Staatshervorming en de toegenomen stroomlijning inzake beleidsevaluatie, werd het model voor strategisch arbeidsmarktonderzoek in Vlaanderen (“Vlaams Programma Strategisch Arbeidsmarktonderzoek”) midden 2016 hertekend om maximale complementariteit met het Steunpunt Werk te bereiken. Onder de adviserende bevoegdheid van de Stuurgroep VIONA werden de volgende aanpassingen uitgevoerd: - VIONA-onderzoeken worden voortaan ingedeeld in twee categorieën: beleidsevaluerend onderzoek en beleidsuitdagend onderzoek. Deze indeling heeft een dubbele doelstelling: het versterken en stroomlijnen van de evidence basis van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid en het behouden van de capaciteit van het huidige VIONA-programma om beleidsvernieuwing te stimuleren. - Elk voorstel voor een onderzoeksthema wordt voortaan onderworpen aan een screening door de Dienst Studie en Beleidscoördinatie van het departement WSE om de realiseerbaarheid en het wetenschappelijke gehalte van de maatregel te toetsen. - Er worden wetenschappelijke criteria geïntegreerd in de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen. Op het programma Werkgelegenheid is in 2020 in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma 373.000 € beschikbaar voor studie- en O&O-opdrachten. Die opdrachten zijn complementair aan de opdrachten die het Steunpunt Werk opneemt. De projectoproepen in het kader van het VIONA-arbeidsmarktonderzoeksprogramma worden beheerd door het departement Werk en Sociale Economie. De Vlaamse minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw, mevrouw Hilde Crevits, keurt -rekening houdend met het advies van de Stuurgroep VIONA- de VIONA-oproepen en -projecten goed.


2.

Modaliteiten en gunningsprocedure

2.1

De deelnemers

VIONA-oproepen staan open voor onderzoekers en onderzoeksgroepen uit de universiteiten en hogescholen én voor andere (onderzoeks)instellingen.

2.2

De projectvoorstellen

Een projectvoorstel dient deze elementen te bevatten: 1) titel van het project 2) vermelding van de promotor(en): naam, instelling, onderzoekseenheid, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres Indien de opdrachtnemer een beroep wenst te doen op één of meerdere experten extern aan de onderzoeksploeg, moet een indicatie worden gegeven van de aard van de experten (indien mogelijk met de namen), hun expertise (juridisch, fiscaal, economisch, …) en dient geduid te worden hoe die expertise in het onderzoek kadert. 3) een uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel dat minstens volgende elementen bevat o Situering van het thema o Conceptueel, theoretisch of beleidsmatig analysekader o Toelichting over hoe de wetenschappelijke kwaliteitscriteria bewaakt zullen worden. Onder “wetenschappelijke kwaliteitscriteria” worden hier betrouwbaarheid, interne validiteit (indien van toepassing), externe validiteit (indien van toepassing) en constructvaliditeit verstaan. o Methodologie 4) een gedetailleerd tijdschema 5) een financieel plan per kalenderjaar en een verduidelijking van de additionele financiering (facultatief) Voor deze onderzoeksopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 130.000 euro (inclusief overhead/exclusief BTW) vooropgesteld. Projectvoorstellen dienen steeds de totale kostprijs inclusief én exclusief BTW (indien deze van toepassing is) aan te geven. 6) een beschrijving van de wijze waarop de resultaten zullen worden gevaloriseerd en bekend gemaakt; in de begroting moet expliciet een bedrag voor de valorisatie worden voorzien 7) een beknopt curriculum vitae van de onderzoeksverantwoordelijken (max. 3 blz. per persoon), met vermelding van de relevante lopende onderzoeksprojecten (met naam van de financierende organisatie en einddatum van het onderzoeksproject) en de vijf belangrijkste publicaties. 8) Een bondige omschrijving van het project. Maximale lengte: de uitgebreide omschrijving van het projectvoorstel (zie 3), het tijdspad (zie 4) én de begroting (zie 5) mogen maximaal 12 pagina’s in beslag nemen. De bondige omschrijving van het project mag maximaal 2 bladzijden omvatten.

2.3

Evaluatie en selectie van de projectvoorstellen

De ingediende voorstellen zullen worden beoordeeld op hun algemene/beleidsmatige relevantie m.i.v. de wetenschappelijke relevantie (80 punten) en op de prijszetting (20 punten). De evaluatie en selectie verlopen als volgt:


De beoordeling van de algemene/beleidsmatige relevantie (voor 80 punten) gebeurt door de volgende leden van de Stuurgroep VIONA: zes vertegenwoordigers van de sociale partners (ABVV, ACV, ACLVB, VOKA, UNIZO en BB) en drie vertegenwoordigers van het Departement Werk en Sociale Economie, aangevuld met één vertegenwoordiger van de VDAB (die geen deel uitmaakt van de Stuurgroep). Bij de departementale beoordeling zal (minstens) één medewerker/methodoloog uit de studiedienst van DWSE de projectvoorstellen mee beoordelen vanuit een wetenschappelijke/methodologische invalshoek (betrouwbaarheid, validiteit, methoden, ...). Het betreft hier dus max. 10 beoordelingen waarvan een gemiddelde genomen wordt per criterium. Elke beoordelaar kan (per onderzoeksvoorstel) een advies uitbrengen op basis van meerdere beoordelings- en richtvragen die kunnen teruggebracht worden tot de volgende vier rubrieken: 1) inhoud/beleidsrelevantie (30 punten), 2) onderzoeksaanpak (30 punten), 3) expertise (10 punten) en 4) valorisatie (10 punten). Tevens wordt gevraagd om een algemene toelichting van de beoordeling te voorzien. Ook een toelichting per rubriek is mogelijk. Daarnaast wordt ook de prijszetting (voor 20 punten) meegenomen als criterium. Bij de beoordeling wordt geen rekening gehouden met de BTW-bijdrage. De inschrijver met de laagste prijs krijgt het maximum van de punten (20 punten). Aan de overige inschrijvers worden punten toegekend in verhouding tot de laagste prijs (exclusief BTW) volgens de volgende formule: P=20 x L/X. (L= bedrag van de laagste regelmatige offerte, X= bedrag van de onderzochte offerte, P= aantal punten). Samen geeft dit een totaal van 100 punten, waarvan de gemiddelden van alle individuele beoordelingen worden teruggebracht tot een globale score op 100 punten, zoals in onderstaande tabel is weergegeven. . Beleidsmatige beoordeling Inhoud/beleidsrelevantie Onderzoeksaanpak Expertise Valorisatie Prijs Totaal

80 30 30 10 10 20 100

Het best gekwalificeerde projectvoorstel met een minimum score van 60/100 punten zal dan voor gunning aan de minister worden geadviseerd, met dien verstande dat in het geval van fundamentele onduidelijkheden, betwistingen, ex aequo ’s in de punten of nauw aanleunende resultaten de mogelijkheid wordt ingebouwd om mondelinge of schriftelijke vragen te stellen aan de indieners van de (beste) offertes (zie ook punt 7). Indien de minister akkoord gaat met het advies, wordt het projectvoorstel gegund volgens de regels van de overheidsopdrachten.

2.4

Kandidaatstelling

De projectvoorstellen dienen het departement Werk en Sociale Economie elektronisch via mail (Word) (willem.deklerck@vlaanderen.be + ankatrien.sodermans@vlaanderen.be + johan.troch@.vlaanderen.be) uiterlijk te bereiken op het tijdstip vermeld in de oproep.


Bijlage 2 bij VIONA-projectoproepen voor O&O-opdrachten Financieel plan en rapportering In deze bijlage worden de richtlijnen voor de budgetplanning van projectvoorstellen en de inhoudelijke en financiële rapportering door de promotoren toegelicht.

1.

Kwalificatie van de opdracht

Binnen het VIONA-onderzoeksprogramma maken we een onderscheid tussen twee soorten dienstenopdrachten, nl. studieopdrachten en O&O-opdrachten. Deze oproep betreft een O&O-opdracht. Bij O&O-opdrachten in antwoord op arbeidsmarktvraagstukken verwachten we van de opdrachtnemer een analyse van een algemeen geformuleerd probleem of domein binnen een lange of middellange termijn met het oog op het verhogen van innovatieve kennis in dat onderzoeks- en beleidsveld. Voor deze onderzoeksopdracht wordt als richtprijs een bedrag van maximaal 130.000 euro (inclusief overhead/exclusief BTW) vooropgesteld.

2.

Financiële planning en rapportering

In het financieel plan en de financiële rapportering van VIONA-projecten maken we een onderscheid tussen drie soorten kosten. - Loonkosten wetenschappelijk personeel: raming in het financieel plan op basis van geschatte onderzoekersmaanden en bij afrekening op basis van bewijsstukken van de personeelskost voor wetenschappelijk personeel dat daadwerkelijk werd ingezet op het project. - Persoonsgebonden werkingskosten: werkingsmiddelen, administratieve ondersteuning en universitaire overhead. De persoonsgebonden werkingskosten worden forfaitair begroot en afgerekend op maximaal 33% van respectievelijk de begrote en de reële personeelskosten wetenschappelijk personeel en omvat de overhead van maximum 10% die de universiteiten gewoonlijk aanrekenen. - Projectspecifieke werkingskosten: exceptionele en projectspecifieke werkingsmiddelen (bv. kosten voor een grootschalige survey (postenquête, webbevraging, …), kosten buitenlandse studiereis,…). Het betreft uitzonderlijke kosten waarvoor een specifiek budget moet worden uitgewerkt. Die kosten zijn inherent aan de opdracht en zijn altijd te bewijzen. Ze worden in detail begroot in het voorstel en afgerekend op basis van bijhorende bewijsstukken. Bij de afrekening wordt de mogelijkheid voorzien van een transfer van de persoonsgebonden werkingskosten naar de loonkosten wetenschappelijke personeel ten bedrage van maximum 10 % van de oorspronkelijk voorziene werkingsmiddelen en dit op voorwaarde dat het globaal aanvaarde projectbudget behouden blijft. Bv.: voor een VIONA-project met een aanvaarde projectbegroting van 99.750 euro bestaande uit 75.000 euro aan personeelskosten en 24.750 euro (33% van 75.000 euro) aan werkingskosten, mag maximaal 2.475 euro worden getransfereerd van de werkingsmiddelen naar de personeelskosten.


Op die manier kunnen hogere personeelskosten dan begroot worden opgevangen, bijvoorbeeld na aanwerving van een meer gekwalificeerde en ervaren onderzoeker dan aanvankelijk verhoopt. De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een financiële eindrapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) bezorgen. Opgelet! Sinds 1 januari 2017 is de Vlaamse overheid overgeschakeld op elektronische facturatie (e-invoicing). In een overgangsfase werden uitzonderlijk nog papieren facturen aanvaard. Deze overgangsfase wordt nu stopgezet. Vanaf 1 januari 2019 schakelt het Departement WSE definitief over op e-facturatie. Vanaf die datum kan enkel nog elektronisch aan DWSE worden gefactureerd. Papieren facturen (via post) of PDF facturen (via mail) zullen door DWSE vanaf die datum geweigerd worden. In het kader van e-facturatie aanvaarden we enkel gestandaardiseerde XML-facturen die via het PEPPOL-netwerk worden aangeleverd. Er zijn vier manieren waarop u kan aansluiten op het PEPPOLmodel, afhankelijk van uw volume facturen en uw financieel systeem, facturatie-of boekhoudpakket. U vindt meer informatie hierover via deze link: https://overheid.vlaanderen.be/overheidsopdrachtenen-raamcontracten/e-procurement/e-invoicing-voor-leveranciers Voor meer informatie hierover kan u steeds contact opnemen met het centrale e-invoicingteam via e.procurement@vlaanderen.be. Tussentijdse uitbetaling is enkel mogelijk voor projecten die meer dan 12 maanden doorlooptijd in beslag nemen en gebeurt op basis van een tussentijdse financiële en inhoudelijke rapportering. De tussentijdse financiële rapportering (schuldvordering met kopie van de gevraagde bewijsstukken) moet na afloop van de eerste fase aan de opdrachtgever worden bezorgd (via het hierboven vermelde systeem van e-invoicing). Indien het onderzoek door meerdere instanties wordt uitgevoerd, treedt één instantie op als opdrachtnemer. De opdrachtnemer moet alle facturen en interne verrekeningen bundelen en bij de opdrachtgever indienen(via het hierboven vermelde systeem van e-invoicing). Voor de loonkosten wetenschappelijk personeel moeten bij de betalingsaanvraag de namen worden vermeld en worden gestaafd d.m.v. loonfiches (indien intern personeel) of facturen én betalingsbewijzen (indien extern personeel). Uitsluitend kosten gemaakt binnen de uitvoeringsperiode, die is bepaald in de overeenkomst, worden aanvaard.

3.

Inhoudelijke rapportering

De opdrachtnemer zal aan de opdrachtgever na afloop van het project (dit is de einddatum in het contract) een inhoudelijke eindrapportering bezorgen, samen met een Nederlandse én Engelstalige samenvatting. De inhoudelijke rapportering dient minimaal volgende elementen te bevatten:


a) Inleiding en situering. b) Analysekader. Ingeval het om een evaluatieonderzoek gaat, dienen de relevante evaluatiecriteria hierin toegelicht te worden. c) Uitgebreide beschrijving van de gebruikte methodologie. d) Uitgebreide beschrijving van de resultaten van het onderzoek. e) Conclusies. f) Beleidsaanbevelingen. Het concept van eindrapport dient eind november 2021 te worden opgeleverd en zal worden besproken op en goedgekeurd door de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONAproject. Uiterlijk eind december 2021 dient het definitieve eindrapport dwingend aan de opdrachtgever te worden opgeleverd. De Nederlandse samenvatting (met opzet, bevindingen, aanbevelingen en valorisatie) telt minimaal 2 en maximaal 5 bladzijden. De Engelstalige samenvatting telt een 2-tal bladzijden. Van het eindrapport en van de samenvatting wordt ook een elektronische versie geleverd met het oog op de mogelijke verspreiding via de VIONA-website. Van dit inhoudelijke eindrapport worden dertig gedrukte exemplaren aan het Departement WSE bezorgd. De opdrachtnemer verbindt er zich toe, tegelijkertijd met de indiening van het eindrapport, de voorgeschreven samenvattingen van het onderzoeksproject te bezorgen. In het geval van tussentijdse uitbetaling moet een tussentijdse inhoudelijke rapportering samen met een financieel rapport na afloop van de eerste fase van het project aan de opdrachtgever worden bezorgd. In die tussentijdse inhoudelijke rapportering dienen ook eventuele bijsturingen in het project te worden weergegeven. Deze rapportering wordt verspreid aan al de leden van de werkgroep die belast is met de opvolging van het VIONA-project. De verspreiding gebeurt via het VIONA-secretariaat.

4.

Contactpersonen

Financiële en inhoudelijke rapporten moeten worden ingediend op het volgende adres, op de wijze zoals hierboven beschreven: Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie – Studiedienst t.a.v. de heer Willem De Klerck (diensthoofd) Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping 1030 Brussel Inhoudelijke vragen over de concrete opdracht: Informatie over deze opdracht kan u krijgen bij de heer Willem De Klerck, Departement Werk en Sociale Economie (T 02/553 43 80 –M 0474/485 760, willem.deklerck@vlaanderen.be) en bij mevrouw An Katrien Sodermans, Departement Werk en Sociale Economie (T 02/227 49 70 - M 0475/61 17 99, ankatrien.sodermans@vlaanderen.be). Contactpersoon m.b.t. de procedure en inhoudelijke en financiële rapportering: Departement Werk en Sociale Economie, Koning Albert II-laan 35, bus 20 - 16de verdieping, 1030 Brussel Johan Troch, tel. 02/553 44 18, johan.troch@vlaanderen.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Een skills roadmap voor de Vlaamse klimaattransitie. Oproep.pdf by Vlaanderen-be - Issuu