Skip to main content

M&L_4_5.pdf

Page 1

(INI rTMFNTl S-l^

«

uiTxr^i^i JLj

fel x^J

^pfe^NK . 5 - OKTOBEft'^^^g

']sM •

^

^

^

"i?^^-

; :i&ÊÊ v -^g

„• raSfe ï

•

^

1m ffe

^

s

'T^IÉ^

'^r

#

^

^

•

'

•

«CHjM lift K2

irM"

"

#

^«^«K»»


vakmanschap is geen hol woord

NATUURSTEEN

ÜAMINCK

NATUURSTEENBEWERKING RESTAURATIE VAN MONUMENTALE GEBOUWEN ERKENNING NR. 1563 - KLAS 7 - KAT. D 9 - D 24

Van Amstelstraat 63-2100 Antwerpen tel. : 03/325.03.83 telex : NAVLAM 32158

Gasstraat HA - 9100 Lokeren tel. : 091/48.12.17


RaMc/uwWt Spectron n.v.

sfjéctrbn SÓlOV

Liersesteenweg 36, B-2800 Mechelen, Telefoon (015) 21.99.02

nv

POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURATIE

Afd. Restauratietechnieken <=i Kleine Breedstraat 51 } 2700 SINT-NIKLAAS _, 03/776.91.62-777.62.23

vol

9 e n s h et,reeds in meer dan duizend kerken, kastelen,raadhuizen,paleizen en woonhuizen toegepaste renofors - bèta - systeem (Belgisch Octrooi nr. 793.103)

Officieel licentiehouder Renofors-Bèta-systeem

OOkSterk in: gevelreiniging-steenverharding-vochtwering-drooglegging van muren met capillair stijgend vocht-dichtingswerkenbetonrestauratie- houtbehandeling -brandremming Gratis advies

HEDENDAAGSE METHODEN BIJ DE ZACHTE RESTAURATIE VAN GEBOUWEN EN MONUMENTEN

i

Constructieve scheurinjectie Consolidatie van hout en steen Restauratie van steen en beeldhouwwerk Behandeling tegen muurvocht

:

Constructieve restauratie van houten draagbalken en balkkoppen Curatieve en preventieve behandeling van hout Antizwambehandeling

onderzoek advies fabrikatie van produkten uitvoering in kerken steenrestauratie met RESILITH muurafdichting met IMPERPLEX

N.V. RESIPLAST Mallekotstraat 63, 2500 Lier - Tel. 03/489.04.48


AitibrmH Han Atrcca • • • • • • ^

NORMANDISCHE STIJLBOUW EIKEN BALKEN OUDE VLOERTEGELS BOURGONDISCHE DALLEN ANTIQUITEITEN FRANSE STIJLSCHOUWEN IN NATUURSTEEN

'•&

, WARMTE • RECUPERATEUR - DE CHALEUR

IGNO-FOR • • • • • •

MAISONS NORMANDES POUTRES EN CHÊNE PAVÉS DE TERRE QUITE DALLES DE BOURGOGNE ANTIQUITÉS QHEMINÉES DE STYLE EN PIERRE

BEZOEK ONZE EXCLUSIEVE TOONZAAL VISITEZ NOTRE SALLE D'EXPOSITION EXCLUSIVE OPEN : van 14 tot 18 u. (OF NA AFSPRAAK) ZATERDAG : van 10 tot 16 u. ZONDAG GESLOTEN

'tülfaftmiaxkmm PIERSTRAAT, 29

B-2638 REET TEL: 03/888.46.34

OUVERT : de 14 a 18 H (APRËS RENDEZ-VOUS) SAMEDI : de 10 a 16 H FERME LE DIMANCHE


Arthur VANDENDORPE » Algemene Bouwonderneming

.fcN/) >

Groene Poortedreef 40 8200 Brugge 2 Tel. (050) 38 32 96 - 33 03 88

Restauratie en vernieuwbouw

Verkoop oude dakgebinten • Gevelstenen Moeien - Balken Vloeren, enz.

Er zijn zoveel spaarformules als er spaarders zijn Nu is er één naam voor alle spaarformules De spaarrekening

|AN@HYP STIJL EN KUNSTMEUBELEN naar maat Copie antieke kasten - 17e/18e eeuw.

PERZISCHE TAPIJTEN Alle maten - unieke kollektie Rechtstreekse invoer. Certificaat van echtheid.

ZETELGARNITUREN Alle stijl- en kunsttapisseriezetels. Restauratie van antieke stijlzetels volgens de periode.

GYSEMANS B A A N UER-AARSCHOT (rechtover de kerk) 2590 BERLAAR-HEIKANT — -a 0 1 5 / 2 4 . 1 4 . 7 1 Open : ma., d i . , woe. van 13.30 - 19 u. Zaterdag 9 1 2 en 13.30-18 u. en op afspraak.


N.V. REINIGINGSWERKEN PEETERMANS WIJNEGEMSESTEENWEG 40 2220 WOMMELGEM

03/353.75.75 ^

RESTAURATIEWERKEN REINIGINGSWERKEN SPECIALE TECHNIEKEN


Tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu, Bestuur Monumenten en Landschappen

ISSN 0770-4948 4de jaargang Nr. 5 - september-oktober 1985

M&L INHOUD Redactioneel

7

Over kastelen en buitenplaatsen, parken en tuinen G. Plomteux, L. Wylleman en R. Steyaert

9

De Grote Geule te Kieldrecht H. Maes

35

De Antwerpse stapelhuizen tijdens de 19de eeuw : een architectuur-historisch onderzoek C. Depauw

45

Als bijlage bij M&L 4/5 : de brochure „Wandelen door Vlaams Amsterdam"

Het,,Hof ter Linden" in Edegem van 1770-1773. De balustrades en sfinxen. Redactie Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmillieu, Bestuur Monumenten en Landschappen. Afdeling Pers & Voorlichting. Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel. Tel. 02/513.99.20. Eindredactie : H. Stynen. Redactiesecretariaat : M. Hoflack. Administratie en promotie : L. Tack. Zetwerk : D. Torbeyns. Produktie en vormgeving : M. Ramakers. Redactiecomité Voorzitter : E. Goedleven. Leden : H. Craeybeckx (voorzitter K.C.M.L.), E. De Temmerman (afgevaardigde van Gemeenschapsminister K. Poma), F. Vanderputte (Diensten van de SecretarisGeneraal), A. Bergmans, J. Braeken, M. Buyle, M. Cells, W. Claes, A. Demey, J. De Schepper, M. Fierlafijn, M. Hoflack, C. Lievens, H. Jult, M. Ramakers, H. Stynen, L. Tack, S. Van Aerschot, Hedwig Van den Bossche, Herman Van den Bossche. De verantwoordelijkheid voor de gepubliceerde artikels berust uitsluitend bij de auteurs. Alle rechten voor het reproduceren, vertalen of herwerken zijn voorbehouden.

MINISTERIE

Abonnementsvoorwaarden

JAARABONNEMENT 1986 : België : 840 fr. (losse nummers verkrijgbaar voor 150 fr.) CJP'ers betalen : 720 fr. Buitenland : 980 fr. Uw abonnement gaat automatisch in na overschrijving op rek. nr. 0002001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding ,,M&L-jaarabonnement 1986". U ontvangt dan alle nummers van het lopende jaar. Zonder schriftelijke opzegging vóór het einde van elk kalenderjaar, wordt een abonnement automatisch verlengd voor de volgende jaargang. Tussentijds kunnen geen abonnementen worden geannuleerd.

Advertentiewerving : D e Ganzerik, J. Casier, Philipstockstraat 39, 8000 Brugge - Tel. 050/33.82.20. Druk : die Keure, Brugge

VAN DE VLAAMSE

GEMEENSCHAP M&L 5


VOLLEDIGE RESTAURATIE (met certificaat) ZIT- en LIGMEUBELEN en MUURSTOFFERING OORSPRONKELIJKE WATERIALEN OORSPRONKELIJKE WERKWIJZE

Garniering-Stoffering JAN STAS Nieuwstraat 20 2180 Heide-Kalmthout B. : 03/666 58 55 NL : 09 32 3666 5855

BEKK'SfflE A1INERMMRBEN Volgens DIN 18363/2.4.5 Zonder kunststoffen 100 % dampdoorlatend Volledig UV- en weerbestendig Onovertroffen houdbaar

Bezoek op afspraak onze toonzaal en ons werkhuis. Vraag gratis (vrijblijvend) prijsofferte. Ook Nieuwbouw

Invoer en advies : W. MERTENS St. Jan Baptiststraat 7 2040 Antwerpen Tel. : 03/568.00.91

RIETEN DAKEN

WILLY IBENS P.V.B.A.

Volledig paardenharen vulling Originele uitgeschoren mohair velours Galonafwerking op tekening en kleur

Brandbeveiligde daken Rietmatten en rietplaten Restauraties Nieuw en herstellingswerk Isolatiewerken met rustieke rietplaten Gratis dokumentatie Leopoldslei 161 2130 Brasschaat Tel. (03) 651 53 45

internationale. Volledig op tekening gekapitoneerde rug en arm Handgebonden veren zit - donzen kussen - maatwerk Enkele materialen die wij in 198S nog ter beschikking hebben : zuivere zijden veloers. zijden stof, hand geborduurde stoffen op eigen tekening, paardenharen stof, mohairs eigen tekening eigen kleur ook uitgeschoren, verschillende Ieders, wolmoquette eigen kleur twee dikten, grote kollektie kwaliteitsstoffen, stoffen op ingedrukte tekening, copy's alle passement, erin, wol, dons, paardenhaar, natuurlijke watten.

antiekbeurs/ 'ngge It/m 11 november hallezalen m a r k t / ^ open dagelijks van 14 tot 21 u u r /


Redactioneel De publikatie van drie nieuwe, monumentale delen van de inventarisreeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, ts naar vaste traditie aanleiding om een beklijvende bijdrage over de behandelde regio te brengen. Aan deel 8n over het arrondissement Veurne werd een themanummer gekoppeld (M&L 1982, nr. 1/3). De voltooiing van de inventarisatie van Groot-Gent met de publikatie van de delen 4nc en 4nd, werd aangegrepen om onder de titel 'Van winkelen en puien' een overzicht en inzicht op te bouwen over de vormgeving en technieken waartoe het fenomeen winkelen aanleiding geeft (M&L, 1982 nr. 211). Momenteel wordt een aangepaste versie van de bij die gelegenheid opgezette tentoonstelling in Nederland getoond. Tenslotte werd het verschijnen van deel 9n aangegrepen om het verhaal te brengen over de Mechelse binnenstad (M&L, 1984, nr. 311). Naar aanleiding van de publikatie van de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement Antwerpen, deel 10 n in de reeks, wordt een tentoonstelling ingericht en de hierna volgende M&L-bijdrage geleverd. Zoals in Gent werd ook hier geopteerd voor een thematische ingang. In de uitstralingszone rond de kernstad Antwerpen werden opvallend veel kastelen en buitenplaatsen genoteerd, te dateren van de vroegste bebouwingsperiode tot op heden: de omringende parken en tuinen vormen er een essentieel bestanddeel van. Onder de titel Over kastelen en buitenplaatsen, parken en tuinen brengen Greet Plomteux, Linda Wylleman en Rita Steyaert een omvangrijke bijdrage die evenwel niet de pretentie heeft van een exhaustieve kastelen- of parkenstudie. Zij bieden een bundeling van inventarisgegevens aanschouwelijk voorgesteld door middel van talrijke illustraties, die tegelijkertijd als een naslagwerk bij de tentoonstelling kan worden gebruikt. Met de bijdrage van H. Maes, conservator, over de Grote Geule in Kieldrecht, gaat M&L op verkenning in een grensgebied van Vlaanderen. Dit beschermd en erkend landschap wordt in zijn historische evolutie en zijn componenten geanalyseerd. Verder worden de beheersopties voorgesteld en toegelicht. De thans bereikte resultaten stemmen hoopvol. Door het feit dat een landschap vanuit zijn aard steeds evolueert, blijft uiteraard voortdurende verfijning door studie en opvolging en mogelijk aanpassing van de beheersopties noodzakelijk. We keren terug naar de Antwerpse regio, en meer bepaald naar het havengebied van Antwerpen, met het artikel van kunsthistoricus C. Depauw over de Antwerpse stapelhuizen in de 19de eeuw. In deze architectuurhistorische bijdrage worden de pak- en stapelhuizen gesitueerd in de globale context van het havenbedrijf en de evoluties die hierin plaatsgrijpen. Er wordt ingegaan op de constructie en op de functionele aspecten zowel als op de cultuurhistorische. Het uitgebreide illustratiepakket biedt een mooie staalkaart van wat Antwerpen op dit industrieel-archeologische terrein te bieden heeft. Tenslotte zal het de lezer niet ontgaan dat de Binnenkrant een ander uitzicht en een afwijkende inhoud heeft dan gewoonlijk. In samenwerking met het Vlaams Cultureel Centrum 'De Brakke Grond' in Amsterdam kwam een gids tot stand rond het thema 'Wandelen door Vlaams Amsterdam'. De meest diverse sporen van een eeuwenlange Vlaamse emigratie naar het noorden worden geregistreerd. Vlaanderen zond — of wees — zijn zonen uit. Een en ander raakte in een stroomversnelling naar aanleiding van de val van Antwerpen in 1585 en de hiermee gepaard gaande scheiding tussen noord en zuid. Stevin, Plancius, Van Baerle, Quellyn, Vondel, Hondius zijn enkele van de bekende namen die toen naar Nederland zijn gevlucht. Deze migratie is gebleven met een nieuw hoogtepunt in 1914 toen ± 1 miljoen Belgen op de vlucht voor de Duitse invallers in Nederland een onderkomen vonden. Amsterdam is de meest 'Vlaamse' stad van het noorden en de materiële sporen van deze aanwezigheid kunnen nu aan de hand van deze kleurrijke wandelgids verkend worden. Een goede aanleiding voor de M&L-lezer om naar het noorden te trekken? M&L 7


mm

i ë

• WiÉÊt

I

IB

Edegem, „Hof ter Linden'

De redactie van M&L nodigt u vriendelijk uit een bezoek te brengen aan de tentoonstelling •

Hf

•

.ft-'iïS'

KASTELEN PARKEN USTHOVEN

1* x ,"':s,."/

•H

•

; * ^ sf,- «,,,•-* ^ a

Ji- * „

Internationaal Cultureel Centrum MeirSO, 2000 Antwerpen Van 23 november tot en met 15 december Dagelijks van 10 u. tot 17 u. Toegang gratis


Over kastelen en buitenplaatsen, parken en tuinen Greet Plomteux, Linda Wylleman en Rita Steyaert B.M.L.

Naar aanleiding van de publikatie van de inventaris van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement Antwerpen, deel 10 in de reeks 'Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen', wordt een begeleidende tentoonstelling ingericht en een aansluitende M&L-bijdrage geleverd. Aangezien de materie zo uitgebreid en gevarieerd was, verkozen wij een thematische ingang boven een algemeen overzicht van wat het arrondissement aan interessants te bieden heeft. Uit de duizenden items waarin zowel hoeven, burgerhuizen, scholen, gemeentehuizen, pastorieën, kerken, kapellen als industrieel erfgoed en militaire gebouwen voorkomen, hebben wij het thema kastelen en buitenplaatsen gelicht, dat naar ons gevoel bijzonder typerend is voor de bebouwing van dit arrondissement. In de uitstralingszone rond de kernstad Antwerpen werden immers opvallend veel kastelen en buitenplaatsen genoteerd, te dateren vanaf de vroegste bebouwingsperiode tot op heden; de omringende parken en tuinen vormen er een essentieel bestanddeel van. Dit aspect hebben wij trachten te belichten, aan de hand van de vroeger verzamelde gegevens. De in de inventaris aangeboden notities werden op een rijtje gezet en volgens een aantal krachtlijnen herschikt. Binnen deze optie werd geen verder onderzoek meer verricht. Dit heeft als gevolg dat er in hoofdzaak van bestaande en als dusdanig in de inventaris besproken items werd uitgegaan, en dat gegevens in verband met interieurs slechts uitzonderlijk worden vermeld. Ook hebben wij ons wat de materiaalkeuze betreft, beperkt tot het arrondissement. Van de vele kastelen en buitenplaatsen die zich in Groot Antwerpen bevinden en in de inventaris van de stad Antwerpen, deel 3nc zullen worden beproken, werden de gegevens nog niet opgenomen. De geïnteresseerde, weetgierige lezer kunnen we wel verwijzen naar het artikel van R. Tijs Kastelen, lusthoven en huizen van playsantie te Antwerpen (Bibliografische lijst p. 54).

Gemeentekaarl van Wijnegem van ISOti door landmeter J. Delael, waarop de kastelen Pulhof, Byckhoeve, Kijckutl en Ertbrugge, respectievelijk opklimmend tot de 15de, 16de, 17de en 18de eeuw, staan ingetekend. Gemeentearchief Wijnegem, reeks III, nr. 95 (foto B.M.L.).


Kastelen en Buitenplaatsen

De ruïne van hel 'Casleltum de Immersele' laul duidelijk zien waurull een kasteel in oorsprong bestond: een motte, een donjon, een hoeve, een rlngmuur en een watergracht. Gravure uit J. Leroy (1694) (foto B.M.L,).

De zware donjon van kasteel 'Bossensleln' In Broechem zou opgetrokken zijn in de 2de helft van de I4de eeuw (foto B.M.L.)-

Een opvallend verschijnsel bij het inventariseren van het bouwkundig erfgoed van het arrondissement Antwerpen, is het grote aantal aristocratische verblijven, gaande van eeuwenoude kastelen met feodale oorsprong tot prestigieuze nieuwe gebouwen in de zogenaamde 'kasteelstijl'. Hoe verder men zich van de kernstad verwijdert, hoe geringer hun dichtheid; hoe verder men in het verleden teruggaat, hoe vager de getuigenissen. De meest geliefde vestigingsplaatsen, in hoofdzaak van de recentere buitenplaatsen, zijn bosrijke gemeenten zoals Brasschaat, Schoten, Kapellen, Wijnegem, ... De vrije poldergronden en de sterk geïndustrialiseerde gemeenten liggen minder in de markt. Van de kastelen die Jacques Leroy omstreeks 1694 liet graveren, bestaat nu nog ongeveer twee derde, geen enkel echter nog in zijn oorspronkelijke staat. Elk kasteel is een conglomeraat van stijlen, verbouwingen en restauraties. Alleen uit de late 18de en uit de 19de eeuw zijn nog vrij gave exemplaren bewaard. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen 'kastelen' en 'buitenplaatsen'. Onder kastelen verstaan we die gebouwen die als sterkte of heerlijke woning een specifieke rol hebben gespeeld in de lokale of regionale geschiedenis van een gewest; hun bestaan loopt parallel met het Ancien Régime als veruitwendiging van de hiërarchische machtsstructuren van de feodaliteit. Met de opheffing van het heerlijk stelsel verviel hun betekenis als dusdanig; wel bleven ze dikwijls bewoond door de nazaten van hun voormalige 'heren'. Buitenplaatsen, ook lusthoven genoemd, hoven van plaisantie, speelhuizen (vergelijk met Gentse benamingen als 'huys van plaisance', speelgoed) en later landhuizen en villa's, zijn kenschetsend voor een periode van economische hoogconjunctuur: het zijn landelijke herenhuizen met een park, gebouwd hetzij als tweede verblijf van een gegoede klasse die bij tijden in een aangename omgeving wou vertoeven zonder enige binding, bekommernis of verantwoordelijkheid ten opzichte van de plaatselijke bevolking, hetzij als vaste woning voor rijkere, uitgeweken stedelingen of voor de plaatselijke notabelen. In de volksmond worden deze buitenplaatsen ook graag als kasteel aangeduid. In de loop van ons verhaal zullen beide naast elkaar worden behandeld. In de vroegste periode is er vooral sprake van kastelen; vanaf de 18de eeuw hebben we het vooral over buitenplaatsen. Aan de hand van talrijke voorbeelden uit ons patrimonium zullen we hun oorsprong, aanhorigheden, verschijningsvorm, stijlkenmerken, inplanting, evolutie, teloorgang of herwaardering trachten te belichten. Als leidraad geven we de voorkeur aan een chronologische benadering boven een kunsthistorische.

10

M&L


Kasteel en feodaliteit Geen enkel kasteel binnen het besproken gebied kan bogen op een Romeinse herkomst, en van de Frankische versterkingen, wellicht opgetrokken in weinig duurzame materialen, zijn alle sporen door de Noormannen uitgewist. De meeste vinden hun oorsprong in de feodaliteit: door een vernuftig systeem van rechten en plichten met grondbezit als onderpand, wisten de leenheren hun vazallen aan zich te binden; éénieder die zeggenschap over een lapje grond kon bemachtigen, bouwde hierop ter bevestiging, een versterkte woning als zetel van zijn 'heerlijk' bezit. In hun oudste vorm zijn deze versterkte woningen niets anders dan een 'mottoren', woontoren of 'donjon', gebouwd op een 'motte' of kunstmatige heuvel omgeven door een ringmuur en een watergracht. Dergelijke heuvels vindt men onder andere nog in Kontich in de Ooststatiestraat, in Brecht aan de steenweg naar Sint-Lenaarts, in Schoten op domein Calixberg. De donjon deed tegelijk dienst als dagelijkse verblijfplaats, als teken van prestige en als schuilplaats bij gevaar; de woonfunctie kwam echter op de eerste plaats. Teneinde het wooncomfort te verbeteren verrees in de loop van de 14de eeuw een nieuw woonhuis naast de donjon, dat op zijn beurt met zijvleugels en aanhorigheden werd uitgebreid. Het thans verdwenen 'Hof ten

Broecke' in Schilde, vermoedelijk opklimmend tot het begin van de 15de eeuw, werd in 1545 beschreven als een omwaterd stenen huis met toren en hoeve. De donjon werd in het vernieuwde complex geïntegreerd, waarbij zijn oorspronkelijk weerbaar karakter sterk werd gemilderd. Vrijstaande houten of stenen donjons bleven niet gespaard. Wel vinden we goede voorbeelden van geïntegreerde donjons. We vermelden hier het kasteel 'Bossenstein' in Broechem, het kasteel 'Doggenhout' in Ranst en het kasteel 'Cleydaal' in Aartselaar. De zware donjon van Bossenstein zou opgetrokken zijn in de tweede helft van de 14de eeuw, en bestaat overwegend uit witte natuursteen; de oorspronkelijke wachttoren werd na 1660 vervangen door een overkragende bakstenen verdieping en de gesloten muren werden met bolen kruiskozijnen opengewerkt. De zandstenen slottoren van Doggenhout zou opklimmen tot de eerste helft van de 14de eeuw; de afwerking met trapgevels is waarschijnlijk van latere datum. De stoere donjon van Cleydael, 'Vossentoren' genoemd, is wellicht omstreeks 1350 ontstaan als uitkijktoren op een 'motte' in de Struysbeek, en zou in zijn huidige vorm grotendeels dateren uit de 15de eeuw. De vierkante bakstenen constructie met uivormige spits van 1710 (vergelijk met inscriptie in het dakgebinte) sluit niet onmiddellijk aan bij de toenmalige zuidelijke woonvertrekken; de aanpalende galerijen en westelijke woonvleugel werden pas in de 17de eeuw gebouwd.

Hoektorens komen veelvuldig voor. onder meer bij kasteel 'Cleydael' in Aartselaar (foto B.M.L.).

M&L

11


Wat de gebruikte materialen betreft is het samengaan van natuur- en baksteen het meest gangbaar; voor grondvesten en omlijstingen wordt voornamelijk natuursteen aangewend. Versterkingswerken van uitzonderlijk belang worden nochtans uitsluitend uit natuursteen opgericht. Terwijl de donjon als kern van het slot mettertijd door de woonvleugels wordt verdrongen, wordt zijn rol als weerbare en prestigieuze factor overgenomen en/of aangevuld door imposante hoektorens en torenvormige poortgebouwen. Het kasteel van 's Gravenwezel bezit twee hoektorens; een zware noordoostelijke toren die wellicht een eerder verdedigende functie had — getuige hiervan de schietgaten — en een slankere noordwestelijke toren. Een ander voorbeeld van slottoren met aanleunende woonvleugel vinden we in het '1561' gedateerde kasteel van Westmalle; ook hier herinneren de schietgaten aan de noodzaak om het heerlijk bezit desnoods gewapend te verdedigen. Het gesloten complex van 'Cleydael' telt buiten de donjon nog drie andere hoektorens. Soms zijn het slechts bescheiden sporen die de aanwezigheid van een toren verraden: de dikke muren met blinde vensters en een 'toevallig' schietgat zijn de laatste resten van de vroegere toren van kasteel 'Cappenberg' in Hove. Een prachtig voorbeeld van torenvormig poortgebouw vinden we in Wijnegem: de Jan Vlemincktoren, enig overblijfsel van een kasteel uit het begin van de 16de eeuw, bekroonde de toenmalige toegang. De latere neogotische beschildering met architectonische motieven bewijst dat de toren ook in de 19de eeuw nog als een belangrijk teken werd aangevoeld. Een imposant 15deeeuws poortgebouw met ronde hoektorens en vierkante toren boven de toegang bleef bewaard op het 'Pulhof' in Wijnegem. Boven de dienstgebouwen van het kasteel van 's Gravenwezel verrijst een vierkante toren met helmvormige spits, ingericht als duiventoren: daar het houden van duiven een heerlijk recht was, hebben we hier een combinatie van machtssymbolen. De 'Valkentoren', later duiventoren, in Schoten is eveneens een restant van de versterkte 16de-eeuwse inrijpoort en verdedigingsgebouwen vóór het kasteel. Laten we nog even stilstaan bij andere 'weerbare' elementen van onze vroegste kastelen. Opvallend is dat vrijwel alle kastelen met oudere kern geheel of gedeeltelijk omgracht zijn. Een zeer mooi voorbeeld is zeker Cleydael, maar ook tal van andere kastelen zijn in oorsprong waterburchten. Het Broechemhof in Broechem dat in zijn huidige vorm teruggaat op een midden-17de-eeuws kasteel, is gebouwd op de fundamenten van een ouder omwaterd slot. Het herhaaldelijk gerestaureerde kasteel van Boechout staat aan drie kanten in het water. Het kasteel 'Pulhof' in Wijnegem met traditionele voorbouw en later hoofdgebouw in neo-Lodewijk-XVI-stijl, is nog steeds omgeven door grachten, ofschoon die momenteel droog staan. De vroegere ophaalbruggen verdwenen zoals bijvoorbeeld in Westmalle, of werden vervangen door vaste constructies zoals in Doggenhout-Ranst. 12

M&L

Verschillende kastelen zijn ook dubbel omgracht: onmiddellijk rond het kasteel is de eerste gracht; een tweede vormt de begrenzing van het domein. Zo zijn er onder meer het 'Laarhof in Reet, het kasteel van 's Gravenwezel, het kasteel van Schoten, het Hof van Liere in Zandhoven. Tenslotte stippen we nog aan dat de meeste kasteelcomplexen tot in de 16de eeuw een gesloten, doorgaans rechthoekige of vierkante plattegrond bezitten, waardoor ze ook minder inneembaar zijn. Cleydael, Bossenstein, Doggenhout en andere bleven als dusdanig bewaard, doch vele andere, thans U- en L-vormige kastelen vertoonden in oorsprong een gesloten grondplan. Hieronder vallen het 'Hof van Liere' in Zandhoven, het 'Hemiksemhof, het kasteel van Schoten,... Het toppunt van weerbaarheid vinden we terug in de ruïnes van het 'Bautersemhof' in Kontich met achthoekig grondplan en drievoudige omwateringsgracht.

Kasteel en nutsvoorzieningen Was het verdedigen van zijn grondbezit tegen vijandelijke aanvallen en kuiperijen een voortdurende bekommernis van elke kasteelheer, het dagelijkse onderhoud van zijn gezin, zijn personeel en zijn gasten vroeg zeker niet minder zijn aandacht. Bijna alle kastelen zijn in oorsprong min of meer versterkte hoeven, sommige werden later uitgebreid met een 'speelhuis', andere verbouwd tot een heus kasteel. Het samengaan van heerlijke woning of lusthof met hoeve, moestuin, boomgaard en weiland, was immers een noodzaak binnen een gesloten economisch systeem, waarin elke nederzetting in haar eigen behoeften moest kunnen voorzien. Het 'Bautersemhof' in Zandhoven, in de 13de eeuw vermeld als een omheinde hoeve, wordt in de 17de eeuw verbouwd tot hof van plaisantie. Van het 'Spokenhof' in Boechout is in 1595 sprake als speelhuis met hoeve. De prachtige Hazeschranshoeven in Edegem werden in de 17de eeuw omwaterd en ten dele ingericht als huis van plaisantie. Kasteel 'Mishaegen' in Brasschaat gaat terug op twee 15de-eeuwse hoeven en het kasteel in het park dankt zijn oorsprong aan drie hoeven, met name de Hemelhoeve, de Vagevuurhoeve en de Heihoeve. In 1561 wordt de 'hoeve ten Driessche' verbouwd tot ridderlijk slot van Westmalle. Van het 'Groeningenhof in Kontich weten we dat het gegroeid is uit de cijnshoven Helmont, Ossele en Ykele; de kern van het latere kasteel was de hoeve van Ossele, waaraan in de loop van de 16de eeuw een omwaterd stenen speelhuis werd toegevoegd. Het 'Hemiksemhof' was in oorsprong een landbouwuitbating, die van de abt van Sint-Bernards in leen werd gehouden. De omgrachte hoeve 'Hof ter Dilft' ligt aan de basis van het huidige neogotische 'Hallerhof' in Halle. Uiteraard zijn er ook versterkte hoeven of 'sch(r)ansen' die nooit tot kasteel of hof van plaisantie zijn uitgegroeid. Denken we maar aan de 'Schranshoeve' in Mortsel of de 'Waterhoeve' in Brecht.


M ANOlRDLCLLYDAEL

r/ZOF

TE

PUL

T'VRRJMWNDT

Jf." *

' E •

"~

i

"

dl

i

l

HOF

I

'Gesloten' grondplan van kasteel 'Cleydaei in Aartselaar (foto K.I.K.).

Het imposante 15de-eeuwse poortgebouw van het 'Pulhof in Wijnegem bleef tot op heden bewaard. RAA, Caerte figuratief van 't Hoff te Pul ofte 't Verbrandt hof. Kaarten 522 (foto B.M.L.).

Luchtopname van het 'Laarhof in Reet. Interessant zijn het gesloten grondplan en de dubbele omgrachting (foto Aero Survey).

M&L

13


Neerhof en poortgebouw van het 'Groeningenhof

in Kontich naar een gravure uit J. Leroy (1694) (toto B.M.L.).

In vele gevallen bemerken we ook een verschuiving; daar waar de hoeve oorspronkelijk centraal stond wordt ze mettertijd meer naar de periferie van het domein verplaatst. In andere gevallen vervalt het vroegere kasteel, ook wel het opperhof genoemd, tot neerhof, en verrijst er naast de oude inplanting een nieuw kasteel of lusthof. Het neerhof bevat alle nutsvoorzieningen die onmisbaar zijn voor het dagelijkse leven. Soms is het een zeer uitgebreide nederzetting met talrijke dienstgebouwen, soms is het een bescheiden hoeve met kleine schuur en stallingen. Het belang van het neerhof als hoeve neemt af naarmate de handelsbetrekkingen en de bevoorrading vlotter verlopen; de functies van de dienstgebouwen verwisselen naargelang de behoeften meer op levensnoodzakelijke of op luxe-artikelen zijn afgestemd. Het hoeveaspect bleef het best bewaard bij de 'Slijkhoeve' in Rumst, ontstaan als herenhof van de vroegere

grondheerlijkheid Meentocht, bij de 'Hazeschranshoeven' in Edegem, tijdelijk ingericht als speelhuis, en bij het 'Jezuïetenhof in Schelle, opgericht als hof van plaisantie. De twee eerste nederzettingen gaan terug tot de 17de eeuw, de laatste ontstond in de 16de eeuw. De 'Hazeschranshoeven' met twee gedateerde woonstalhuizen — respectievelijk 1644 en 1653 — een waterput, stallingen, een wagen- en een bakhuis, en het 'Jezuïetenhof met woonstalhuis en latere langsschuur, behielden hun oorspronkelijke functie tot op heden. Een schoolvoorbeeld van een zeer uitgebreid neerhof vinden we bij het kasteel van Cleydael in Aartselaar. Het neerhof met moestuin vormt een afzonderlijk geheel gelegen ten noorden van het kasteel. Tot 1806 was dit volledig omgracht en voorzien van een ophaalbrug. Het trapezoïdale, geplaveide erf is omzoomd met grotendeels 17de-eeuwse gebouwen, aangepast in de 19de en 20ste

Neerhof en poortgebouw van het 'Groeningenhof toestand (foto B.M.L.).

Het 'jezuïetenhof in Schelle, in de 16de eeuw opgericht als hof van plaisantie. wordt nu nog steeds uitgebaat als hoeve (foto B.M.L.)

in Kontich. Huidige

^P5

14

M&L


eeuw. Oorspronkelijk stond er een gerechtsboom in het midden; later werden hier grasvelden en bloemperken aangelegd. Naast diverse stallingen, schuren, bakhuis, voormalige brouwerij, koetshuizen, alaam- en werkhuizen, bevat dit neerhof ook een baljuwhuis ten behoeve van de gerechtelijke ambtenaar van de hertog, alsook een woning voor de ingekwartierde soldaten. De vierkante wachttoren moest het geheel beveiligen. Een ander voorbeeld van een fraai uitgewerkt neerhof vinden we in 's Gravenwezel. Conciërgewoning, koetshuis, stallingen en schuur sluiten aan bij het poortgebouw en zijn in U-vorm rond het gekasseide binnenhof gegroepeerd; het geheel ligt samen met de ommuurde moestuin en boomgaard binnen de omgrachting van het kasteeldomein; ook hier gaat het om een vrij gaaf bewaard neerhof uit de 17de en 18de eeuw. Van het oude slot van 'Cantecroy' in Mortsel, vrijwel volledig herbouwd in de 20ste eeuw, bleef de sterk gerestaureerde hoeve met 17de-eeuwse kern behouden; van het kasteel 'Pulhof' in Wijnegem bleef een 18de-eeuwse hoeve binnen het domein bewaard. Bij het 'Tanghof' in Kontich staat nog een hoeve, waarvan het woonstalhuis mogelijk opklimt tot de 17de eeuw. Ook in de 19de eeuw werd dikwijls nog een volledig uitgeruste hoeve aan het kasteel toegevoegd: een duidelijk voorbeeld is het in 1807 vernieuwde Tiburhof in Rumst.

Van het kasteel en zijn bewoners naar de buitenplaats Wij hebben vrij lang stilgestaan bij de 'wezenlijke' of inhoudelijke kenmerken van het kasteel, namelijk de weerbaarheid en de nutsvoorzieningen, omdat die het kasteel steeds in sterke mate hebben bepaald. Wat de wisselende eigenaars betreft moeten we opnieuw aanknopen bij de algemene historische achtergronden. Het heerlijk stelsel leverde een uitgebreide plattelandsadel, die tot in de 13de eeuw een groot aanzien genoot. Met de opkomst van de steden komt er een verschuiving ten voordele van de verrijkte stedelingen: macht en aanzien worden niet langer berekend in grondbezit maar in geld. Deze nieuwe rijken verwerven titels, kopen heerlijke rechten, en verdringen de grondheren uit hun vroegere posities. De heerlijkheid 'Cantecroy' (Mortsel) komt in de 13de eeuw reeds in handen van Wouter Volckaert, patriciër en speculant. Gillis Bode treffen we een weinig later aan als heer van 'Cleydael'-Aartselaar. De familie Van de Werve wordt vanaf de 15de eeuw eigenaar van de kastelen 'Hovorst' in Viersel en 'Hof ten Broecke' in Schilde. De Van de Werves zijn een typisch Antwerps geslacht. De vroegste vertegenwoordigers duiken op in het begin van de 13de eeuw, wanneer de stad haar eerste vrijheidsbrieven van de hertog bekomt. Van deze tijd af vindt men bijna onafgebroken tot op het einde van het Ancien Régime, leden van deze familie in de rangen van de magistraat; slechts weinige Antwerpse geslachten waren zo

innig verbonden met het bestuur van de stad. Aanvankelijk behoren zij tot de stedelijke burgerij; ze werken zich op als grondeigenaars tussen de patriciërsgeslachten, kopen en verkopen renten en verwerven goederen in Antwerpen en omgeving. Van het stedelijk terrein gaat hun werking op het plan van het hertogdom uitstralen. In de periode 1360-1431 wordt het 'Goed van Hovorst' verkocht. De lokale Antwerpse patriciër is nu een feodaal personage geworden en vertrouwensman van de hertog. In 1545 worden de goederen in Schilde gekocht. Ofschoon de naam 'Van de Werve' duidelijk de bakermat van het geslacht, namelijk de oevers van de Schelde verraadt, worden in de 17de eeuw pogingen ondernomen om een adellijke afkomst te bewijzen. Vooral in de 16de en 17de eeuw is het kopen en verkopen van heerlijkheden schering en inslag, het sjacheren met eigendomstitels dagelijkse kost. Een erfgenaam van de bekende Antwerpse koopman Pieter Pot, wordt in 1505 heer van Kontich en Waarloos. Hetzelfde jaar verkoopt Filips de Schone de hoge heerlijke rechten van Westmalle en Zoersel, Pulle, Pulderbos en Halle aan leden van de familie Van der Moeien. In 1561 verkoopt Jan IV van Glymes, Merksem aan Antoon van Straelen: als grondspeculant en financier was hij de aangewezen persoon om aan Jan IV, heer van Bergen-op-Zoom, geld voor te schieten. Schoten en 's Gravenwezel verkocht hij nog hetzelfde jaar aan Geerard Gramaye, rentmeester en tresorier; in 1564 gaat Schoten naar Melchior Schetz, eveneens afkomstig uit een aanzienlijk koopmansgeslacht. Uiteraard brengt slechts een klein gedeelte van deze rijke patriciërs het tot echt kasteelheer. Veel gegoede Antwerpse burgers, rijke kooplui en magistraten kunnen zich echter wel een tweede verblijf, speelhof of buitenplaats in de groene zone rond de stad permitteren. In de onmiddellijke omgeving van Antwerpen worden onder meer het Leikwartier en de omgeving van de Harmonie verkaveld; verderop komen de huidige fusiegemeenten Merksem, Deurne, Berchem, Wilrijk en Hoboken tot ontplooiing, en nog meer naar buiten worden de gemeenten Kapellen, Brasschaat, Schoten, Wijnegem, Wommelgem, Mortsel, Edegem, Aartselaar en Hemiksem ingepalmd. Afhankelijk van de rijkdom van de eigenaar is de buitenplaats een eenvoudige hoeve of hof, of een waar juweeltje van pronklust en smaak. In dezelfde periode milderen ook de heerlijke kastelen hun stoer en weerbaar karakter. Hun nieuwe bewoners verlangen veeleer een aangename en comfortabele woning in de geest van humanisme en renaissance. Bovendien wordt de zware versterking van de plattelandswoningen overbodig als gevolg van de verder doorgedreven centralisatie van de macht. Eén uitzondering op de regel is het kasteel 'Cantecroy' van Mortsel dat door Alva rond 1570 als een volwaardig bastion werd uitgebouwd, doch in 1618 reeds opnieuw werd ontmanteld; alleen de onderbouw van de bak- en zandstenen ringmuur met hoekbastions bleef bewaard. De grote doorbraak in de vernieuwende kasteelbouw en de opkomst van de buitenplaatsen dateert echter pas uit de 17de eeuw: de woelige 16de eeuw met de plunderM&L

15


tocht door Maarten Van Rossem (1542), het beleg van Antwerpen (1583-1585) en de perikelen van de godsdienstoorlogen, was niet bepaald gunstig voor grootse bouwactiviteiten, maar noopte daarna des te meer tot wederopbouw en herstel.

Kastelen en buitenplaatsen: een bouwtrant in evolutie De zogenaamde 'traditionele' stijl is toonaangevend voor de 16de, de 17de en het begin van de 18de eeuw. Kenmerkend voor deze stijl is het afwisselend gebruik van bak- en zandsteen. Speklagen, hoekkettingen, omlijstingen van steigergaten en muuropeningen, vensterkruisen, kraagstukken en dorpels worden vervaardigd uit witte natuursteen; de muurvlakken worden opgevuld met baksteen. Slanke torentjes en dakkapellen sieren de leien zadeldaken, trappen en topstukken de naakte zijpuntgevels. In een aantal gevallen evolueert het grondplan van vierkant naar een L-vorm, tengevolge van de verminderde aandacht voor het defensiesysteem. De inbreng van zuivere renaissance- en barokelementen is eerder gering: alleen kleinere bouwonderdelen zoals portieken, omlijstingen en gaanderijen worden uitgevoerd naar de mode van de tijd.

De meeste kastelen met oudere oorsprong werden in de late 16de en in hoofdzaak in de 17de eeuw met woonvleugels en bijgebouwen uitgebreid, en zijn via de gravures van Ertinger, gepubliceerd door Leroy, in hun toenmalige toestand tot ons gekomen. De uitbreiding van het kasteel van Cleydael dateert uit de 16de eeuw, het neerhof uit de 17de. Kasteel en neerhof van 's Gravenwezel bestonden grotendeels in hun huidige omvang in de 17de eeuw. De vleugels ten oosten en ten westen van de donjon van Bossenstein werden waarschijnlijk in de 16de eeuw gebouwd, terwijl de lagere vleugel aan de zuidzijde en de galerijen pas circa 1660 zouden zijn aangebracht. Kasteel Doggenhout in Ranst werd in 1610-1613 uitgebreid en ingericht als hof van plaisantie. Vele kastelen en lusthoven worden in deze periode nieuw gebouwd. Het in oorsprong 'traditionele' kasteel van Westmalle dateert uit 1561, met latere aanpassingen; het huidige kasteel van Schoten zou eveneens opklimmen tot de tweede helft van de 16de eeuw; het vorige werd immers in 1542 door Maarten van Rossum vernield. Het Laarhof in Reet oorspronkelijk uit het begin van de 16de eeuw, werd omstreeks 1650 heropgericht. Het kasteel van Villers in Schoten, werd in 1542 eveneens door Maarten van Rossum vernield, en in de eerste helft van de 17de eeuw herbouwd; de inscriptie 1661 wijst wellicht op de voltooiing van het werk. De zogenaamde 'speelcamere'. een bijgebouw van het kasteel

Hiernausl: kasteel 'Ten Dorpe' in Mortsel : een in oorsprong 13de-eeuws kasteel, midden 17de eeuw herbouwd, in nco-Vlaumse-renaissancestijl aangepast eind 19de eeuw, het omringende park verkaveld in de 20ste eeuw en recent opgefrist (foto G. Charlier). Traditionele stijlkenmerken typeren het 'Spokenhof in Boechout (foto B.M.L.).

^^•^m^mwum

16

M&L

»».


1-A,

*

]\^ pSim

<a

i&r-M| 1

r> 1

•M

« • .

lts?

IK , . . .

v

%- i

jRiiTlt

i il- •• -

M

-

/

:

-

I^s^

„•Jil

'V "

"l


De 'speetcamere' in Kapellen, een lóde-eeuwse buitenplaats in traditionele stijl (tekening M. Dierickx).

'Blauwhof in Kapellen, zou opklimmen tot de 16de eeuw, het 'Lassonhof in Stabroek tot 1611. Het kasteel 'Ter Varent' in Mortsel, aanvankelijk een feodaal kasteel dat in 1583 werd verwoest, werd op het eind van de 16de-begin van de 17de eeuw, herbouwd als 'huys van plaisantie'. Het 'Hofke Moons' in Wommelgem draagt de muurankers 1625. Het prachtige Spokenhof in Boechout dateert uit het begin van de 17de eeuw. Het huidige kasteel 'Cappenberg' in Hove werd rond 1650 opgericht als 'speelhuys'. We zouden deze opsomming nog met tal van andere voorbeelden kunnen aanvullen. In alle bouwwerken uit deze periode vinden we dezelfde traditionele stijl terug die toen ook in de stedelijke architectuur van toepassing was. Alleen een aantal bijkomende elementen werden in laat-gotische, renaissance- en barokstijl gemoduleerd. Een laat-gotische galerij werd aangebracht in CleydaelAartselaar. Renaissance-invloed bemerken we onder meer in de voormalige ingangsportiek van het kasteel van Westmalle, de vensteromlijstingen en de gaanderij van kasteel 'Calixberg' in Schoten, de zuidelijke gaanderij van kasteel 'Bossenstein' in Broechem, de deuromlijsting van het 'Lassonhof in Stabroek. 18

M&L

Barokpoorten komen voor bij kasteel 'Ter Varent' in Mortsel, 'Cappenberg' in Hove, de Hazeschranshoeven in Edegem, het 'Groeningenhof' in Kontich. Wellicht de fraaiste barokpoort vinden we in Edegem bij kasteel 'Arendsnest'. Toch bleef, op een aantal van deze 'accessoires' na, de traditionele stijl voortleven tot ver in de 18de eeuw. De grote kentering in de opvattingen omtrent architectuur dateert uit de eerste helft van de 18de eeuw maar breekt pas ten volle door na 1750: de rococo en het Frans-Italiaanse classicisme dringen nu ook door tot in onze streken en worden door de toenmalige architecten bestudeerd en toegepast. De koploper voor de rococo is Jan Peter van Baurscheit de Jonge, wiens hand we in tal van 18de-eeuwse kastelen en lusthoven herkennen. Kenschetsend is een tot het uiterste doorgedreven symmetrie in de opbouw van de verschillende bouwonderdelen. Terwijl vroeger de vierkante en L-vormige plattegrond gebruikelijk waren, zal nu de U-vorm model staan. Het binnenhof wordt door drie vleugels begrensd; in de vierde open zijde bevindt zich de hoofdingang. De zijvleugels worden mettertijd verlaagd om het hoofdgebouw beter te accentueren; ze worden ook korter om tenslotte nog slechts als hoekpaviljoen te blijven bestaan. In sommige gevallen wordt de U-vorm gereali-


Renaissancegaanderij rund de binnenplaats van kasteel 'Bossenstein' in Broechem (foto B.M.L.)-

Barokke ingangstravee van kasteel 'Arendsnest' in Edegem (foto B.M.L.).

seerd door vrijstaande bijgebouwen, zoals koetshuizen, paardestallen, oranjerieën of woongelegenheid voor het personeel. De strakke lijn wordt verder doorgetrokken in lange dreven en formeel aangelegde tuinen. In dezelfde optiek zal ook het neerhof naar de zijkant worden verplaatst teneinde het axiale perspectief niet te verstoren. Ook in de gevelordonnantie zijn symmetrie en regelmaat toonaangevend: een gelijk aantal traveeën flankeert het middenrisaliet, dat in regel voorzien is van een statige trap, een fraai omlijste ingangsdeur met bekronend balkon en een gevelbeëindiging met fronton; de achtergevel is doorgaans een vereenvoudigde kopie van de voorgevel. In plaats van de vroegere complexe bedaking gaat de voorkeur nu naar één groot schilddak. De levendige baken zandsteenarchitectuur wordt bepleisterd en met witte of pasteltinten overschilderd; de pittoreske trapgevels worden vervangen door sobere lijstgevels met hoge rechthoekige of licht gebogen muuropeningen; zwierige laat-barok- en rococo-ornamenten zorgen voor een vrolijke noot. Vrijwel alle bestaande kastelen worden, in meerdere of mindere mate, gerestaureerd of verbouwd in deze nieuwe stijl. Een prachtig voorbeeld hiervan is het kasteel van 's Gravenwezel. In 1728 werd het goed van 's Gravenwezel aangekocht door Melchior van Susteren; in op-

dracht van zijn kleinzoon, Joan Alexander van Susteren, werden kasteel en omringend park onder leiding van Jan Peter van Baurscheit aangepast aan de heersende rococostijl. Deze ontwierp in dezelfde periode het voormalige hotel 'De Fraula' aan de Keizerstraat, gevel en interieur van 'De Grooten Robijn', en het voormalige 'hotel du Bois', beide aan de Lange Nieuwstraat, en het Osterriethuis aan de Meir, alle gelegen in Antwerpen. Reeds vóór 1737 werd de zuidgevel van het hoofdgebouw voorzien van een sierlijk getekende middentravee: op de begane grond verleent een strakke hardstenen bordestrap toegang tot de klassiek omlijste schouderboogdeur; een fraaie smeedijzeren leuning markeert het beletagebalkon en de geveltop met centraal uurwerk en kuifstuk is levendig versierd met rocaillemotieven. Het huidige schilddak met dakvensters in rococo-omlijsting werd eveneens vóór 1737 voltooid. Vanaf 1737 begonnen de werken aan het zuidelijke voorplein; de ontwerpen voor de afwerking werden geleverd tussen 1742 en 1744; de volledige uitvoering van de geplande werken zou echter aanslepen tot in de jaren tachtig. In dezelfde periode werd het kasteel bepleisterd en beschilderd. Het majestueuze voorplein uitgewerkt op verschillende niveaus, vormt de overgang naar het omringende park en neerhof; diverse bruggen en trappen maken het kasteel M&L

19


'

© • A J ^ G ^ C ^ C ^ C ' J F G ^ C ^ C S •' S ^ S ^ S s S J ^ Ö ^ S - J v

iimwK

1 as~

E i

LJ

ii

ii

ii

f.

SI

A

'k

•

II II II

is

n

IK

^ I

Bewaarde barokpoort van kasteel 'Ter Varenl' in Mortsel (foto G. Charlier). Smeedijzeren rococopoort bij het kasteel van 's Gravenwezel (tekening M. Dierickx).

20

M&L

f ::;i üüSJi --

• • - •

, . : - ' • '


c 'a c •H

M 4J ^H

O

PC 0)

w (O

CJ

tn •H

w

•H O •H ui

m

m H CJ

G rO

c > o o ci, .,

e

OJ

fp

4J nj

M

^i

W

Cn

CU •0

w c •H


toegankelijk, de vele balustrades en poorten zorgen voor de nodige afstand. De aangebrachte wijzigingen zijn hier vooral formeel: aan het volume van het kasteel of de inplanting van de bijgebouwen werd vrijwel niet geraakt. Een ander voorbeeld is het Laarhof in Reet dat in het begin van de 18de eeuw door C. Van den Branden werd verfraaid. Het betreft in hoofdzaak de binneninrichting; in het salon werden een rococo schoorsteenmantel en deuromlijsting van 1740 bewaard en op één van de slaapkamers, een schoorsteenmantel in Lode wijk XVI-stijl van het eind van de 18de eeuw. Het plafond van de trapzaal is met mooi rocaillestucwerk versierd en in de vestibule vinden we nog een wandfontein van rond 1750. Ook het park werd verfraaid onder meer met een triomfboog uit 1729. De verbouwing van het kasteel van Loenhout dateert uit 1746: het vroegere waterslot werd verbouwd tot U-vormig kasteel met hoge rechthoekige vensters en geaccentueerd middenrisaliet; de toen aangebrachte bepleistering werd later verkeerdelijk verwijderd. Het Kasteel van Schoten, oorspronkelijk met gesloten vierkant grondplan, werd omstreeks 1750 eveneens opengewerkt tot een U-vorm; voor- en achtergevel werden voorzien van een middenrisaliet in classicerende stijl, de peervormige torenspitsen vervangen door tentdaken en de bijgebouwen gesloopt; in de as van het kasteel werd een zeer mooie smeedijzeren rococopoort geplaatst. Het Tanghof in Kontich met kern van omstreeks 1600, werd tussen 1730 en 1780 aangepast; het vertoont een sterk symmetrische opbouw met dito tuinaanleg en een fraaie poort in rococostijl. Bij de wederopbouw van het 'Hemiksemhof rond 17601770 werd geen rekening gehouden met het bestaande grondplan. Wel werden bepaalde muren van het oude slot in het nieuwe U-vormige kasteel verwerkt. De inrichting van het omringende domein dateert uit dezelfde tijd. Het 'Broechemhof' werd circa 1790 verbouwd in Lodewijk-XVI-stijl: kruiskozijnen en trapgevels verdwenen, de zuidwestelijke toren, het poortgebouw en de ophaalbrug werden gesloopt, een ingangspartij werd bijgebouwd en het geheel bepleisterd. Ook het interieur werd vernieuwd. Het huidige Hof ter Linden in Edegem werd in 1770-1773 opgetrokken in classicistische stijl naar ontwerp van Coreblom. Koetshuizen en stallingen, opklimmend tot in de 17de eeuw, werden waarschijnlijk tussen 1751 en 1770 aangepast. De gebouwen zijn U-vormig opgesteld met centraal hoofdgebouw en vrijstaande identieke dienstgebouwen aan weerszijden van het geplaveide voorhof. De brug vóór het kasteel met uitlopende balustrades vormt het interne verbindende element, de axiale dubbele lindendreef naar de kerk het externe. Alle gevels zijn bepleisterd en/of beschilderd. De benadrukte middentraveeën doen niets af aan de soberheid van het geheel. Aan het interieur werd veel zorg besteed: volgens R. Van Passen vertonen de vrijwel intacte Lodewijk-XVIsalons, onder meer het 'groot salon' uitgevoerd door de Franse beeldhouwer Clodion, de eetzaal met bas-reliëfs door G.L. Godecharle, het behangselwerk door Delvigne.

Situatieplan van het 'Hof ter Linden' in Edegem (tekening M. Dierickx).

In de loop van de 16de eeuw werd het weerbare karakter van de meeste kastelen sterk gemilderd. Alleen kasteel 'Cantecroy' in Mortsel werd rond 1570 nog uitgebouwd als een volwaardig bastion (foto G. Charlier).

M&L

21


III Mil ^i%.|fm Hel 'Tanghof in Kontich. Achtergevel met geaccentueerd middenrisaliet (foto B.M.L.). Het classicistische kasteel 'Ertbrugge' in Wijnegem (ca. 1800) behield tot op heden zijn bepleistering (foto G. Charlier).

Het classicistische kasteel 'Mishaegen' in Brasschaat werd opgetrokken in 1772. Het kasteel Kijckuit in Wijnegem, 1770 gedateerd in de voorgevel, bezit een grosso modo rechthoekig grondplan met korte aanleunende zijvleugels van latere datum. De opbouw is strak en symmetrisch met middenrisaliet in Lodewijk-XVI-stijl en afdekking met schilddak. De verbouwde 18de-eeuwse aanhorigheden zijn evenwijdig ingeplant ten oosten en ten westen van de hoofdingang; een lindendreef ligt in het verlengde. Een ander kasteel in Wijnegem, 'Ertbrugge', dateert van omstreeks 1800. Het hoofdgebouw is op dezelfde manier geconcipieerd als bij kasteel 'Kijckuit', doch het middenrisaliet is zwaarder uitgebouwd en de bepleistering bleef bewaard. Bijzonder merkwaardig is hier het koetshuis met belendende woonvertrekken van circa 1850, halfcirkelvormig uitgewerkt als een soort van amfitheater. Kasteel 'Montens' in Massenhoven, in oorsprong een middeleeuws kasteel, kreeg zijn huidig uitzicht in de 18de eeuw: het is een bepleisterd en beschilderd classicistisch herenhuis met symmetrisch opgestelde stallingen aan noord- en zuidzijde en een staatsieplein aan de oostkant. Een laat voorbeeld is het in 1807 gedateerde 'Tiburhof in Rumst met rechthoekig grondplan en reeds een zekere empire-inslag. Terwijl vroeger het neerhof in hoofdzaak een boerenbedrijf was, zien we nu ook een aantal bijgebouwen verschijnen die meer op het mondaine leven zijn afgestemd: oranjerieën, tuinpaviljoenen, theehuizen, ijskelders (cf. infra).

De muurankers 1561 wijzen op de oude oorsprong van het slot van Westmalle; de aanpassingen in neo- Vlaamse-renaissancestijl dateren van 1878 (foto B.M.L.).

22

M&L

De geweldige bouwactiviteit die in de tweede helft van de 18de eeuw wordt tentoongespreid, houdt zeker verband met de vreedzame politiek en economische opbloei onder het Oostenrijks bewind. Met de Franse Revolutie wordt het heerlijk stelsel opgeheven: de vroegere heren verliezen hun heerlijke rechten maar hun machtspositie blijft gehandhaafd. In diverse gemeenten vinden we ze terug als burgemeester, hun afstammelingen behoren in vele gevallen nog steeds tot de notabelen en vele grote domeinen zijn tot op heden hun privé-bezit. Het vroegere slot, kasteel of hof van plaisantie wordt omgevormd tot een luxueus verblijf. Het wordt aangepast naar de mode van de tijd, of vervangen door een volledig nieuwe constructie. Nieuwe rijken, produkt van de industriële omwenteling, willen niet onderdoen voor de oude adel; ook zij laten kasteelachtige woningen bouwen voorzien van torens, erkers, kantelen. Hun 'hofhouding' wordt gehuisvest in conciërgewoningen, hovenierswoningen, boswachtershuizen en (model-)hoeven; in de koetshuizen wordt de nieuwerwetse automobiel gestald. Weinige van deze 19de- en begin-20ste-eeuwse 'kastelen' bezitten een uitgesproken stijl; het eclecticisme overheerst, meestal met neotraditionele of Vlaams-renaissancistische inslag. Vele architecten die betrokken waren bij de restauratie of verbouwing van een ouder kasteel, leverden ook het ontwerp voor complexen in neostijl. Zo ontmoeten we


architect J. Schadde bij de verbouwing van het kasteel van Westmalle: het bestaande kasteel werd in 1878 uitgebreid met een ronde toren, overdekte galerij, trappenhuis en perron in neo-Vlaamse-renaissancestijl. Vijftien jaar voordien maakte hij plannen voor de Handelsbeurs en vijftien jaar later werkte hij mee aan de opbouw van het voormalige Tolhuis in Antwerpen. A. Van der Gucht restaureerde kort na 1895 het kasteel 'Doggenhout' in Ranst. In 1897 werd naar zijn plannen het Vlaams-renaissancistische kasteel Selsaete in Wommelgem gebouwd, in 1902 het neotraditionele 'Hallerhof' in Halle, en in 1910-1912 het neo-Vlaamse-renaissancekasteel 'Hens', nu gemeentehuis, in Wuustwezel. Het 'Groeningenhof' in Kontich, opklimmend tot de 16de-17de eeuw, werd in 1880-1888 door architect J. Claes in neogotische-neorenaissancestijl verbouwd. Diezelfde Claes herbouwde in 1873 het Mikhof in Brasschaat, ditmaal in neoclassicistische stijl: het voormalige kasteel van 1785 naar ontwerp van architect B. Guimard, werd in 1871 door brand vernield. In de chronologische situering van de neo-kastelen kunnen we ook een zekere lijn trekken. Een interessant voorbeeld van een vroege restauratie vinden we in Zandhoven bij het Hof van Liere; de werken dateren uit het begin van de 19de eeuw en vertonen een sterk neogotische inslag. Uit dezelfde periode stammen de poortgebouwen van het 'Laarhof' in Schelle en het 'Mikhof' in Brasschaat: de stoere ronde torens met schietgaten, uitkragende uitkijkverdieping en kantelen en de geheimzinnige spitse door-

gang met ophaalbrug, zouden elke middeleeuwse ridder doen gnuiven. Een vroeg neoclassicistisch kasteel is 'Buerstede' in Aartselaar van 1842. Kasteel Ten Dorpe in Mortsel, opklimmend tot in de 13de eeuw en herbouwd in het midden van de 17de eeuw kreeg zijn huidig neo-Vlaams-renaissanceuitzicht in het derde kwart van de 19de eeuw. De meeste restauraties en nieuw gebouwde kastelen dateren echter pas uit de late 19de of het begin van de 20ste eeuw. Kasteel 'De Eester' in Sint-Lenaarts werd omstreeks 1890 gebouwd naar ontwerp van architect J.J. Van Ysendijck, overwegend in neo-Vlaamse-renaissancestijl met neoclassicistische elementen. Vermeldenswaard is de toepassing van nieuwe technieken, zoals metalen overspanningen voor een grotere brandbeveiliging. Het Torenhof in Brasschaat in eclectische stijl met neorenaissance inslag, werd volledig nieuw gebouwd in 1896-1897, ten behoeve van de familie De Beukelaer (cf. de gelijknamige biscuitfabriek), die het goed nog steeds bewoont. Het is een domein met alle mogelijke bestanddelen: omgrachting, poortgebouw, kasteel, omringend park met vijver, dienstgebouwen, stalling en duiventoren, met andere woorden een perfecte 'kopie' van wat een 'heerlijk' kasteel behoorde te zijn. Het kasteel van Brasschaat met bijgebouwen en parkaanleg naar 'Frans' model, dateert uit 1872; het kasteel zelf werd vergroot in 1897 en 1909. De U-vorm met aansluitende waterpartij, de bijgebouwen symmetrisch opgesteld aan weerszijden van het kasteel en de axiale aanleg van vijver en dreef, zijn ook in het neoclassicisme legio.

Hiernaast: Vlaams-renaissancistisch kasteel 'Selsaete' in Wommelgem uit 1897 n.o.v. architect A. Van der Gucht (foto Sint-Lukasarchief, Brussel).

Het 'Groeningenhof in Kontich, in 1880-1888 in neogotische/neorenaissancistische stijl verbouwd door architect J. Claes (foto B.M.L.).

M&L

23


Een gaaf neo-Vlaams-renaissancekasteeltje is het '1902' gedateerde 'Rodenburg' in Hove naar ontwerp van architect E. Geefs. Kasteel 'Hovorst' in Viersel kreeg zijn huidig neo-Vlaams-renaissance-uitzicht na de verbouwingen van 1913-1914 onder leiding van architect P. Langerock. Van het vroegere 17de-eeuwse kasteel bleef vrijwel niets bewaard. Het 'Vrieselhof' in Oelegem, eveneens in neo-Vlaamse-renaissancestijl, dateert uit 19171919. Een op en top neo-kasteel is het kasteel van Oostmalle. Uitwendig werd het in 1920 in neo-Vlaamse-renaissancestijl 'hersteld', inwendig werden neorenaissance-, neorococo-, neo-Lodewijk-XVI- en neoclassicistische decors aangebracht. Een typisch voorbeeld van een kasteel dat veelvuldige wijzigingen onderging is het Hof van Boechout met grondvesten uit de 15de eeuw en een vermoedelijke opbouw van het eind van de 16de eeuw; vanaf 1663 werd het aangepast en vergroot en tussen 1805 en 1810 in laatclassicistische geest verbouwd. In 1937 werden restauratiewerken uitgevoerd: niet om de bestaande toestand te consolideren, noch om eigentijdse aanpassingen door te voeren, maar om de 17de-eeuwse toestand te reconstruDe 'formele' tuin rond het kasteel van 's Gravenwezel, ontworpen eeuw vervani;en door een 'pittoreske tuin' f foto O . Charlicr).

eren! Van de 17de eeuw bleven stallingen, koetshuizen en een grondplan bewaard, van de 19de eeuw het voorhof, de gevelordonnantie en de tuinaanleg, en van de 20ste eeuw een typische, inmiddels achterhaalde opvatting omtrent restauratie. In een aantal gevallen is het kasteel van oudere datum, verdween het of is het als dusdanig niet noemenswaardig, maar bezitten we wel belangwekkende bijgebouwen uit de vorige of uit het begin van onze eeuw. Bij het 'Hof ten Broecke' in Schilde vinden we ruïnes terug van een 'klassiek' laat-19de-eeuws badhuis en een Venustempeltje (?). Het 'Hemiksemhof in Hemiksem heeft een monumentale ingangspoort van rond 1900. Bij het kasteel van Westmalle hoort een cirkelvormig dienstgebouw met stallingen, schuren, hooizolders, loodsen, knechtswoningen. Vermeldenswaardig op domein 'Vordenstein' in Schoten is de fazantenkwekerij. Een interessante conciërgewoning van het verdwenen kasteel van Verellen (sigarenfabrikant) ligt aan de Bredabaan in Wuustwezel, een mooie portierswoning met voormalig klooster en schooltje (1878) bevindt zich bij de ingang van domein 'De Oude Gracht' in Kapellen.

door J.P. van Baurscheit

omstreeks

1750, werd nog vóór het einde van de 18de

•r: «"JfeiL

--^'j

— i

'"'M Inn "';!i;ifl

•'I

ffiinifrir ''"rr'rr

24

M&L


Het 'Pharazijnshof in Kapellen, voormalig landhuis in cottagestijl uit 1893 n.o.v. architect M. De Braey, thans rijksinstituut voor lager en middelbaar onderwijs (foto G. Charlier).

Het 'Hof ter Vijvers' in Kapellen, landhuis in eclectische stijl uit 1908 n.o.v. architect J. Jacobs (foto G. Charlier).

Behalve de invloed van de romantiek zijn ook de grote welvaart en het expansionisme van de steden niet vreemd aan deze overvloedige kastelenbouw. Na de Eerste Wereldoorlog worden vrijwel geen nieuwe kastelen en buitenplaatsen in de zin van uitgestrekte nederzettingen met park en aanhorigheden meer gebouwd. De gegoede bourgeoisie bouwt kleinere, beter te onderhouden landhuizen; deze trend was reeds rond de eeuwwisseling op gang gekomen. Aanvankelijk zijn het vooral cottagevilla's naar het voorbeeld van de Engelsen, omgeven door een zwierig aangelegde tuin. Een sterke concentratie hiervan vinden we onder andere in Kapellen op het gehucht Hoogboom. Mooie landhuizen in cottagestijl komen ook voor in de wijk Schotenhof in Schoten. Daarnaast worden villa's in neoclassicistische en neobarokstijl gebouwd, onder meer in Brasschaat, Kapellen, Schoten,... . Een aaneensluiting van zeer ruime, stijlvolle landhuizen in eclectische en cottage-stijl vinden we in Kapellen aan de Kapelsestraat met het 'Pharazijnshof uit 1893 (nr. 37-41), 'Hof ter Vijvers' uit 1908 (nr. 43), het 'Heidehof' uit 1890 en 1914 (nr. 47); het iets verder gelegen 'Starrenhof uit 1881 en 1901 vertoont nog de allures van een echt kasteel. Later krijgen we villa's in Nieuwe Zakelijkheid en tenslotte wordt de nieuwe hoevestijl populair.

kasteel 'Calixberg' in Schoten, het kasteel 'Kijckuit' in Wijnegem, het kasteel van Westmalle, het kasteel 'Montens' in Massenhoven en het kasteel 'Hovorst' in Viersel. In andere gevallen werden ze opgekocht door een nieuwe klasse van ingezetenen, zoals het 'Tanghof' in Kontich, 'Cantecroy' in Mortsel, 'Bossenstein' in Broechem, 'Doggenhout' in Ranst, het kasteel in 's Gravenwezel en het hof in Loenhout. In de meeste gevallen kon het behoud als privé-bezit echter niet langer worden volgehouden, gezien de grote onderhoudskosten en de behoefte aan personeel. Een nieuwe bestemming werd gezocht, onder meer als cultureel centrum voor het kasteel van Schoten, als politiebureau voor het 'Gelmelenhof in dezelfde gemeente, als ziekenhuis voor het kasteel in Niel, als kindertehuis voor kasteel 'Ertbrugge' in Wijnegem, als schoolgebouw voor kasteel 'Cappenberg' in Hove, als vormingscentrum voor kastelen 'de Horst' en 'Villers' in Schoten, als hotelrestaurant voor het kasteel van Brasschaat, als gemeentehuis voor het 'Hallerhof' in Halle, als herstellingsoord voor het 'Hof ter Mick' in Brasschaat, als klooster voor het 'Starrenhof' in Kapellen... Anderzijds staan een aantal kastelen en buitenplaatsen reeds geruime tijd leeg en worden met verval bedreigd. Hiertoe moeten 'het Tiburhof' in Rumst en het 'Hof ten Wijngaard' in Schoten worden gerekend.

Voormalige kastelen en buitenplaatsen nu

Parken en Tuinen

Een aantal kastelen en buitenplaatsen behielden hun oorspronkelijke bestemming als woonplaats voor de gegoede klasse. In sommige gevallen worden ze nog steeds bewoond door de nazaten van adellijke of aanzienlijke families van weleer, zoals bijvoorbeeld het 'Hof ter Linden' in Edegetn, het 'Groeningenhof' in Kontich, het

Inherent aan het kasteel en de buitenplaats is de omringende tuin, het park, het domein. Grootte en uitzicht kunnen variëren, maar een aantal elementen zijn fundamenteel. Essentieel is de aanwezigheid van natuurelementen zoals het groenbestand (het gras, de planten, de bomen), het waterbestand (de natuurlijke waterlopen en de aangelegM&L

25


de waterpartijen), het reliëf. Elke tuin, elk park is een door de mens gevormd landschap en veronderstelt dus ook een zekere aanleg. Die is onderhevig aan de 'mode' van de tijd. Aan dit door de mens gemodelleerde natuurgegeven kunnen een aantal elementen worden toegevoegd die een decoratieve of praktische rol vervullen. Tuinornamentiek komt voor in de vorm van beelden, vazen, obelisken, triomfbogen, balustrades, paviljoenen. Van praktische aard zijn bruggen en poorten, hoveniersen boswachtershuizen, oranjerieën, serres en ijskelders. Uiteraard zijn balustrades een beveiliging, bieden paviljoenen beschutting en kunnen bruggen en poorten prachtig versierd zijn.

Elementen van de natuur Vrijwel al onze kastelen en buitenplaatsen zijn nog omringd door een beboomde tuin of park. Onmiddellijk rond het hoofdgebouw zelf werden doorgaans een voorplein, al dan niet geplaveid, en grasvelden voorzien, teneinde het gebouw zelf tot zijn recht te laten komen, de nodige lichtinval toe te laten, de toegang vrij te houden en het uitzicht niet te belemmeren. Nemen we het geplaveide voorplein bij het 'Hof ter Linden' in Edegem, of de grote grasvelden die het 'Tiburhof' in Rumst aan vooren achterzijde omgeven. Grote uitgewerkte bloemperken komen bij ons thans nog zelden voor. Een uitzondering op deze regel vormen de bloemperken op het neerhof van kasteel 'Cleydael' in Aartselaar, vóór het 'Hof van Boechout' en rond de vijver van kasteel 'Wolvenbos' in Kapellen. De moestuinen, soms ook de boomgaard, die tot de oudste elementen van de tuin behoren, werden dikwijls binnen het domein bewaard, meestal op dezelfde plaats waar ze in oorsprong tot stand kwamen; muren en poorten kunnen latere toevoegingen zijn als deel van een algemene formele aanpak. De toegangspoort tot de moestuin van het voormalige 'Hof ten Broecke' in Schilde klimt op tot de 18de eeuw, maar de tuin zelf is waarschijnlijk veel ouder. De gedeeltelijke ommuring rond de moestuin van het 'Hof van Boechout' dateert uit 18051813, terwijl de tuin zeker van vroegere datum is. De ommuurde moestuin van het 'Tiburhof' in Rumst dateert vermoedelijk ook van vóór 1807, het jaar waarin het huidige kasteel ter vervanging van een ouder kasteel gebouwd werd. We noteerden omhaagde moestuinen bij het 'Laarhof' in Reet en bij het kasteel 'Kijckuit' in Wijnegem. Bij het kasteel van 's Gravenwezel zijn én de moestuin én de boomgaard ommuurd. De bomen, die het hoofdbestanddeel van het park uitmaken, zijn meestal op een zekere afstand van het kasteel ingeplant. In zijn boeken 'Les Environs d'Anvers' uit 1922 en 'Dans la Province d'Anvers', zonder datum, brengt J. Schobbens een uitvoerige beschrijving van de interessantste van onze parken. Naast courante boomsoorten zoals eik, beuk, kastanje, esdoorn, linde, komen niet zelden exotische species en variëteiten voor. Sommige bomen bereikten een eerbiedwaardige leeftijd, andere trekken de aandacht door hun grillige vormen, nog andere door hun zeldzaamheid. 26

M&L

Door hun brede waaier van waardevolle bomen zijn een aantal kasteelparken tot ware arboreta uitgegroeid. Vermelden we in dit verband onder meer de parken van het kasteel van Westmalle en van het 'Hof ter Mick' in Brasschaat. Een belangrijke rol werd hierbij gespeeld door de 'Société d'horticulture et de botanique', waarvan elke bezitter van een park of domein, naar de mode van de tijd, lid hoorde te zijn. De toenmalige wetenschappelijke belangstelling, de zorg en de inspanning die vele eigenaars aan hun bomenpatrimonium hebben besteed, verdienen alle lof. De wijze van aanplanting houdt verband met de aanleg van het park als dusdanig, en wordt hierna besproken. Bepalend voor het uitzicht van vele domeinen, voornamelijk in de zandige gronden van de Kempen, is de onderbegroeiing van rododendrons, die in een aantal gevallen het park als het ware omranden. Deze in oorsprong zuiderse struiken werden in onze gewesten ingevoerd in de 18de eeuw. De hagen rond domein 'Spreeuwenborg' in Schilde, rond het 'hof van Villers' in Schoten en rond de verschillende domeinen aan de Kapelsestraat in Kapellen, zijn in de bloeitijd (juni) een lust voor het oog maar vormen tevens een bedreiging voor het natuurlijk milieu. Waar de verkavelingen nog niet te sterk zijn doorgevoerd gaat het kasteelpark over in bosgebied of wordt het omringd door weiland en akkergrond. Kastelen met bewaarde landelijke omgeving zijn onder meer 'Bossenstein' in Broechem en het kasteel van Westmalle. Een ander belangrijk natuurelement is het water. Bestaande waterlopen worden geïntegreerd, hetzij om grachten en vijvers te voeden zoals de Mandoersebeek nabij het 'Groeningenhof' in Kontich en de Roodeloop nabij het 'Pharazijnshof' in Kapellen, hetzij als deel van de omgrachting zelf, zoals de Grote Schijn bij kasteel 'Bleyckhof in Oelegem en bij 'Hof ten Broecke' in Schilde, hetzij als verfrissend element binnen het park zoals de Struysbeek nabij kasteel 'Cleydael' in Aartselaar en het Bosloopken achter het kasteel van Loenhout. Kunstmatig aangelegde waterpartijen kunnen een verschillende betekenis hebben. Als omwalling rond het kasteel of het domein zijn ze bedoeld als afbakening en verdedigingslinie; dit aspect wordt behandeld bij de kasteelbouw. Als vijvers vormen ze een onderdeel van de formele aanleg van het kasteel of de buitenplaats in zijn omgeving; dit aspect maakt deel uit van de aanleg van het park. Tenslotte nog iets over het reliëf. Het landschap rond Antwerpen vertoont doorgaans weinig niveauverschillen. Toch zien we in sommige parken opvallend hoge heuvels. Hun oorsprong is dan ook meestal kunstmatig. De opgehoogde aarde is afkomstig van de uitgraving van grachten en vijvers. Soms is het een motte, eertijds bebouwd met een versterkte hoeve of burcht, zoals de motte in de vijver van domein 'Calixberg' in Schoten, soms is het de isolerende aardlaag boven een ijskelder, zoals in het park van Brasschaat, soms is het gewoon een stijlfiguur zoals de Parnassusberg in domein 'Withof in Schoten of de Huzarenberg bij kasteel 'Ravenhof in Stabroek. De kunstmatige heuvelrug in domein 'de Oude Gracht' in Kapellen is niets anders dan een rij bunkers (39 stuks!) die na de Eerste Wereldoorlog onder een aardlaag werden weggestopt.


Kasteel 'De Horst' in Schoten; neoclassicistisch kasteel van 1896-1905, nu gebruikt als vormingscentrum voor speelpleinmonitoren (foto B.M.L.)

Aanleg en tuinarchitecten

De huidige aanleg van de meeste parken in het arrondissement is vrij recent, namelijk 19de- en 20ste-eeuws. Park en vijvers bij kasteel 'Kijckuit' in Wijnegem werden heraangelegd in het begin van de 19de eeuw, de inrichEen dreef van ongeveer één kilometer verbindt kasteel 'Bossenstein' met de kerk van Broechem (foto B . M . L ) .

SÊÊÊ^S^M r

-"^kWMRi

teiÉSfet*

ting van domein 'Huigenrode' in Wommelgem dateert uit 1892, de huidige aanleg van domein 'de Oude Gracht' in Kapellen is van de jaren 1921-1922. Aan de hand van gravures, tekeningen, oud kaartenmateriaai, beschrijvingen, theoretische werken en enkele bewaarde tracés, kunnen we ons echter wel een idee vormen van de 'ideale' park- en tuinaanleg in vroegere tijden. Een 17de-eeuwse gravure van Jacques Neefs, naar tekening van D. Janssens, toont ons een voorhof en ommuurDreef in het park van het 'Hemiksemhof

in Hemiksem (foto B.M.L.).

MÉ^M 1

^^al ft 3» 1 ^W^i^jA

l^iiiPBi mm"^f»

^T

J?

^s*:A*m&m$

•

-

•ff—

i

im t

• v

> H

/

V

. M&L 27


Hem s co o ,o

s

^

3 OS

g s ü

28 M&L


Doeltreffende bescherming van minerale ondergronden tegen schadelijke milieu-invloeden.

DU PONT DE NEMOURS - AFDELING GEBOUWSVERVEN Mercure Cenlre, Raketstraat 100 - B-1130 Brussel - Tel. (02) 722.07.77


Doeltreffend en ekonomisch

LUCITE HET TECHNOLOGISCH HOOGSTAAND VERFSYSTEEM Gevels en houtwerk van gebouwen worden van oudsher geschilderd om ze te beschermen tegen de schadelijke invloed van de natuurelementen. Regenwater is vandaag echter niet meer zo onschuldig als vroeger. Uit recente onderzoekingen blijkt immers dat het regenwater in onze streken zeer hoge koncentraties zwavelzuur, salpeterzuur, zoutzuur en ammoniak bevat. In minerale bouwmaterialen zoals beton, cement. J<alk, mortel, bakstenen, enz. richten deze elementen uiteraard ware verwoestingen aan. Een werkelijk doeltreffende bescherming is dus zeker geen luxe meer, maar pure noodzaak. LUCITE biedt deze bescherming.

Het LUCITE verfsysteem kombineert een aantal eigenschappen waardoor het niet alleen zeer doeltreffend, maar ook zeer ekonomisch wordt. Alleen al de eenvoud van het systeem is een belangrijke kostenbesparende faktor, maar het rendement zit vooral in het feit dat LUCITE vele jaren lang een perfekte bescherming biedt tegen de natuurlijke en chemische erosie.

Water als grondlaag inderdaad, het LUCITE verfsysteem voor minerale ondergronden is zeer eenvoudig: in plaats van een grondlaag of drenklaag wordt de gevel gewoon natgespoten; daarop wordt de eerste laag LUCITE Gevelverf aangebracht die na een uur drogen reeds met de tweede laag LUCITE Gevelverf (de eigenlijke afwerkingslaag) kan overschilderd worden.

Waterdicht en toch ademend Het feit dat de LUCITE vertfilm doorlaatbaar is voor damp uit de ondergrond belet niet dat hij in de omgekeerde richting - van buiten naar binnen - praktisch waterdicht is. Het LUCITE verfsysteem is volkomen slagregenvast, maar laat 25% van de relatieve vochtigheidsgraad van de buitenlucht naar binnen. Hierdoor bereikt men een ideale vochtigheidsregeling die de minerale bouwmaterialen «gezond»" houdt. Het LUCITE verfsysteem dankt zijn slagregenvastheid aan het gebruik van langwerpige micadeeltjes die vele malen groter zijn dan de bindmi deldeeltjes en de pigmentdeeltjes. Deze micadeeltjes liggen horizon taal, schubvormig over elkaar en vormen aldus een uitstekend scherm tegen indringend regenwater.

o

Ö

CE LU LU

o

z

2 ë 0 z

LUCITE TERUG STUREN NAAR:

Graag een uitvoerige dokumentatie over het LUCITE verfsysteem met technische informatie en referenties. Dhr.„.

Bedrijf/Beroep

Straat...._ _.

N' .

Gemeente

Tel.

Postn'


J'B

Restauratie en renovatie in opdracht van n.v. Besto Belgium. Architekten : Architektenbureau Henri Stenne en Frangois Schilling, 1050 Brussel. Binnenhuisarchitektuur: Studiebureau Claire Bataille en Paul Ibens, Antwerpen. Stabiliteitsstudie : Ingenieursbureau L. Schram, Wilrijk. Huidige eigenaar : Algemene Spaar- en Lijfrentekas. Algemene aannemer: Bouwonderneming J. en E. Ibens, Antwerpen.

LAMORINIERESTRAAT 159

2018 ANTWERPEN

TEL. (03) 239.78.24

Huis Delbeke (Keizerstraat 9): werd in 1516 gebouwd in opdracht van de stadspensionaris A. Herbouts. Voor het grootste gedeelte herbouwd midden de zeventiende eeuw. Van 1764 tot 1824 was dit huis — Sinte Pieter genoemd — eigendom van de familie Moretus. Deze welstellende familie stelde het pand een tijdje ter beschikking van de zusters van het „Sint-Elisabeth-gasthuis" nadat zij door een „leger" van dertig Franse gendarmes uit hun gebouwen waren gezet. Zelfs een beroep op de gehate en volstrekt volksvreemde Franse prefekt baatte niet. Na een tijdje bij familie of vrienden verbleven te hebben, konden de zusters in 1803 het gemeenschappelijk kloosterleven hervatten in dit huis Sinte-Pieter, dat later het „Delbekehuis" werd genoemd omdat het in 1897 door de edelman en minister August Delbeke werd gekocht.


DAKFILL MURFILL

Waterdichtingscoating voor daken Waterdichtingsbekleding voor gevels en muren

Gebouw : Rue des Arquebusiers te Parijs. Vóór de bewerking.

DAKFILL : voor het waterdicht maken van daken - nieuwe of oude. MURFILL: voor het bekleden van buiten- en binnenmuren - nieuwe of oude - absoluut waterdicht elastisch.

Na voorbereiding en herstellen van de pleister werd MURFILL aangebracht op de gevels. MURFILL vormt een rubberachtige bekleding die niet afbladdert en niet scheurt. De gebouwen beveiligen en doen herleven !

MATHYS^ WtatenüchtingS^ MATHYSNV-B3930ZelemTel. 013 44.15.11 Telex 39788 matzei

N.V. MAES VERHURING HOOGWERKERS OP VRACHTWAGEN TOT 5 5 METER DAG EN NACHT MET OF ZONDER VERVOER MOERSTRAAT 12 2242 ZANDHOVEN

03/484.37.57 051/20.14.12 011/35.03.56 TELEX 33.521

[4]


Wandelen door Vlaams Amsterdam r « - ' S ~ J U « « S S S , . ."

DE BRAKKE' CRONÖI 't'

~\s--*—-

-^^^

V.-M:...::.^-^VJ-J-''----;

sa?


Wandelen door Vlaams Amsterdam is een uitgave van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen (A.R.O.L.) van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in samenwerking met het Vlaams Cultureel Centrum 'De Brakke Grond' te Amsterdam

Historische opzoekingen en tekst wandeling: H. Rau (V.C.C.-Amsterdam) Historische inleiding: Prof. Dr. H. De Schepper (Nijmegen) Bouwkunsthistorische notities en eindredactie: W. Lerouge (V.C.C.-Amsterdam) Fotografie: G. Charlier met medewerking van K. van Bennekom en E. Goedleven voor de zwart-wit foto's Stadsplan: Dienst Openbare werken Amsterdam Tekening kaft: M. Dierickx Zetwerk: D. Torbeyns Vormgeving en produktie: M. Ramakers

VLAAMSE GEMEENSCHAP

COMMISSARIAAT-GENERAAL VOOR DE INTERNATIONALE CULTURELE SAMENWERKING TRIERSTRAAT 100/104

- B-1040 BRUSSEL

Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu) Bestuur voor Monumenten en Landschappen Afdeling Pers en Voorlichting Belliardstraat 14-18 1040 Brussel V.C.C. ' D e B r a k k e G r o n d ' Nes 45 1012 KD Amsterdam Wettelijk depot : D/1985/3241/13


Een woordje geschiedenis* Op 10 juli 1584 werd Willem DE ZWIJGER, Prins VAN ORANJE, te Delft vermoord. Daarmee verdween de bezieler van de eenheid der Nederlanden, tevens vaandrig van het verzet tegen FIL1PS II, Koning van Spanje. Een jaar later, op 17 augustus 1585, gaf Antwerpen zich over na een maandenlange belegering. Tien dagen later trok Alexander FARNESE, hertog van PARMA, en landvoogd van de Spaanse honing de stad binnen. Het belangrijkste economisch centrum, de grootste en meest protestante stad van de zestiende-eeuwse Nederlanden, die bijna vijfjaar lang de hoofdstad van de Opstand was geweest, viel terug in Spaanse handen. De solidariteit van Amsterdam met het bedreigde Antwerpen mocht niet baten. Amsterdam had namelijk een speciale belasting geheven, de zogenaamde „capitale impositie ende willighe contributie" waarvan de opbrengst o.a. bestemd was voor het lichten van troepen om de Scheldestad te ontzetten. De hulp kwam echter te laat... Voordien hadden ook de grote Vlaamse (1584) en Brabantse (1585) steden moeten zwichten voor de Spaanse overmacht. In de zeventiende eeuw zouden de krijgsverrichtingen een willekeurige scheidingslijn trekken dwars doorheen Vlaanderen en Brabant. Zodoende ontstonden twee Nederlandse Staten : de Verenigde Nederlanden (BELGIUM CONFCEDERATUM) en de Koninklijke Nederlanden (BELGIUM REGIUM). De overgave van de Antwerpse buiten-burgemeester Mamix VAN SINT ALDEGONDE én de sluiting van de Schelde in 1585 gaven het sein voor een nieuwe grote uittocht van ondernemende lieden die het zowel om politieke en religieuze als om economische redenen niet meer zagen zitten. Het bevolkingscijfer van Antwerpen daalde fors. Van de 82.000 inwoners die de Scheldestad in 1585 telde (ca. 100.000 in 1565 f), vertrok de volgende vier jaren ongeveer de helft, hoofdzakelijk naar het Noorden en Amsterdam. Velen voelden het tevoren al aankomen, nadat de Waalse Provinciën in 15781579 hadden afgehaakt van de Nederlandse Opstand en vooral nadat FILIPS II in 1583 het sterkste leger van de toenmalige wereld inzette voor de herovering van de Nederlanden. Tussen 1578 en 1585 waren reeds een 8.000 Antwerpenaren hun stad ontvlucht. De Brabander Willem VAN ORANJE was de meest eminente onder hen ... Antwerpen was evenwel geen alleenstaand geval. Naarmate Nederlands grondgebied in handen viel van het gevreesde Spaanse leger, namen tienduizenden de wijk naar de gewesten die de strijd voor de vrijheid voortzetten. In Brugge met 29.000 en Gent met 50.000 inwoners stonden na de inname door PARMA in 1584 een derde tot de helft van de huizen leeg ! Dr. J. BRIELS van de Rijksuniversiteit van Utrecht raamt het totale aantal „Zuidnederlandse" migranten — in hoofdzaak Vlamingen en Brabanders — die zich voornamelijk tussen 1572 en 1590 vooral in Holland en Zeeland gingen vestigen, op 150.000 ! Na de economische crisis die in 1565 acuut was uitgebroken, leken in deze landsdelen de voorwaarden voor een herstel het vroegst aanwezig. Holland en Zeeland waren het eerst door de opstandelingen bevrijd en hadden het minst geleden onder de krijgsverrichtingen. Hoewel vanaf 1590 de migratiestroom sterk was afgenomen, bestond in 1622 de bevolking in de negen grootste Hollandse en Zeeuwse steden naar alle waarschijnlijkheid uit om en bij de 42 % lieden uit de opnieuw Spaans geworden provinciën. Deze inwijking heeft op een spectaculaire wijze bijgedragen tot de intellectuele en culturele bloei die de Verenigde Provinciën in de zeventiende eeuw zouden kennen : hun Gouden Eeuw is daarvan niet los te maken. Amsterdam profiteerde van de Vlaamse en Brabantse migratie nog het meest. Het economisch zwaartepunt werd mede daardoor van Antwerpen naar de Amstelstede verplaatst. Zo dankt deze bvb. haar wereldvermaarde diamantnijverheid aan de Antwerpse diamantwerkers die zich toen in de stad kwamen vestigen. Dit is slechts een enkel voorbeeld uit vele. Ook latere generaties van Zuidnederlanders vonden steeds weer de weg naar het Noorden, en niet het minst naar Amsterdam waar de Antwerpse tolerantie en koopmansgeest bleven voortleven. De sporen van Vlaamse en Brabantse aanwezigheid in het Amsterdamse straatbeeld zijn legio.

Prof. Dr. Hugo DE

SCHEPPER.


Vlaams Amsterdam. Zoals uit de historische inleiding van Prof. Dr. Hugo DE SCHEPPER blijkt, was de migratie uit de Zuidelijke Nederlanden naar het Noorden massaal. Er zijn dan ook tal van redenen voor de Vlaamse bezoeker van Amsterdam om een hoge borst op te zetten. Tastbare herinneringen aan het verblijf van Vlamingen en Brabanders in de Nederlandse hoofdstad zijn vandaag wel niet meer zó talrijk aan te duiden maar we mogen gerust voor ogen houden dat in bepaalde wijken van de stadskern ooit vrijwel in ieder huis een gezin uit Antwerpen, Brussel, Mechelen, Gent, Brugge of een andere Vlaamse stad woonde: op het totale bevolkingsaantal meer dan 1/3! De Amsterdamse regenten namen dan ook gelegenheidsmaatregelen die het innemen van sleutelposities door Zuidnederlanders moesten beletten. Toch wist de gastvrije, tolerante en groeiende wereldstad aan de Amstel de talenten, de kennis en de economische inbreng van de migranten te waarderen ...en vooral te laten renderen. De lijst van Zuidnederlanders die een belangrijke rol hebben vervuld in de Republiek gedurende de eerste helft van de 17de eeuw, kan nog dagelijks uitgebreid worden. Namen als die van de Bruggeling Simon STEVIN (wiskundige, boekhoudkundige en militair technoloog) en PLANCIUS (Pieter PLAETEVOET uit Dranouter bij leper) zijn naast talrijke andere uit de Hollandse geschiedenis niet weg te denken. Dichter bij ons, met name tijdens de Eerste Wereldoorlog, vond een tweede massale uitwijking uit Vlaanderen naar het Noorden plaats: meer dan 1 miljoen vluchtelingen vonden toen in Nederland een veilig onderkomen. Onze tocht begint vanzelfsprekend bij het huidige 'Vlaams eiland' in Amsterdam, met name het

laams Cultureel Centrum Ie Brakke Grond' Nesplcin, vlak bij de Dam, evenwijdig met het Rokin.

Toen Amsterdam in 1578 de zijde van de opstandelingen koos en een stad werd onder protestantse dominantie, geraakte het grote Sint-Margarethaklooster (dat op deze plaats was gesitueerd) zijn oorspronkelijke functie kwijt. Het werd een school, waar les werd gegeven door de Vlaming Pieter DE CHAMPS uit Nieuwkerke, bij leper. Later kwam er een herberg, een veilingzaal en onder andere een theater in. Op het pleintje zelf bevond zich de kloosterkerk. Deze werd in de 18de eeuw afgebroken, waardoor het Nesplein ontstond. Op een 17de-eeuwse prent zien we de voormalige situatie afgebeeld. In de kerk kwamen vanaf 1585 de Vlaamse rederijkerskamer „'t Wit Lavendel" en de oude Amsterdamse kamer „De Eglantier" stukken van BREDERO en van VONDEL opvoeren. Op de zolder van deze kleine kerk was ook de beroemde schermschool van de Antwerpenaar Gerard THIBAUT gevestigd; BREDERO, die een van zijn vele leerlingen en bewonderaars werd, schreef over hem een fraai lofdicht. Bredero werd trouwens naast dit pleintje (hoek Sint-Pieterspoortsteeg en Nes) geboren. Hij kocht in deze zelfde Nes bij een andere Antwerpenaar, Jacques VAN DER LAMEN, twee schilderijen voor ... 22,5 gulden. De Antwerpenaar Francisco BADENS leerde Bredero schilderen (in de Kalverstraat) en Bredero's vader had een schilderij van Sebastiaan VRANCKS in bruikleen. Zonder twijfel vond BREDERO in een dergelijke omgeving de inspiratie voor zijn toneelstuk 'de Spaanse Brabander'. Het wemelde hier immers van de uit het Zuiden gevluchte kun-

stenaars, kooplui en ... klaplopers. Vergeten wij niet dat het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen door Spanje bezet waren. PROF. BRIELS schreef een opmerkelijk boek over de ingeweken Zuidnederlandse kunstenaars in Amsterdam: deze inspireerden en stimuleerden mede de beroemde schildersgeneratie van Hollands Gouden Eeuw.

2. fes. 'Bank van Lening' Hoek Enge Lombardsteeg.

Dit fraai historisch complex, uit 1614, werd gebouwd op de plaats van het Sint-Maria-Magdalenaklooster. Het is opgetrokken uit donkerbruine baksteen en vertoont een menging van gotische architectuur (puntgevels, witstenen kruiskozijnen) en barokke elementen (deuromlijstingen). Wanneer men in geldnood verkeert kan men in de Bank van Lening nog steeds terecht om juwelen en andere voorwerpen in pand te geven. Joost VAN DEN VONDEL was in deze bank van zijn 71ste tot zijn 81ste levensjaar werkzaam als suppoost-boekhouder. VONDEL werd weliswaar in Keulen geboren (1587), maar zijn ouders waren afkomstig uit Antwerpen. Zoals zovelen waren zij om godsdienstredenen de Nederlanden ontvlucht om dan bij de eerste gelegenheid naar bevrijd gebied terug te keren. We lopen verder in deze straat en blijven staan bij:

Nes, nr. 59 Hier was in 1654 de boekhandel en kunstwinkel van de Antwerpenaar Frans VAN DEN ENDEN gevestigd. Deze op-


merkelijke man, die tevens leraar Latijn was, telde de beroemde Portugees-Joodse filosoof Baruch DE SPINOZA onder zijn leerlingen. In Parijs, waar hij eveneens een Latijnse school had opgericht, geraakte VAN DEN ENDEN betrokken bij het complot van ridder DE ROHAN en de opstandige edellieden uit Normandië tegen de Franse koning Lodewijk XIV. Men verhoopte toen in Normandië een interventie van de Hollandse vloot onder het bevel van admiraal Michiel DE RUYTER. VAN DEN ENDEN was in dit verband zelfs naar Brussel getrokken om medewerking te krijgen van de Spanjaarden in hun strijd tegen Frankrijk. Toen de samenzwering in Parijs uitlekte, werd VAN DEN ENDEN in de Bastille opgesloten en er op 27 november 1674 opgehangen. In deze omgeving, evenals aan de Oudezijds, woonden talrijke belangrijke Antwerpse kooplui waaronder Dirck VAN OS. Deze VAN OS maakte deel uit van de Antwerpse delegatie die de overgave aan FARNESE ondertekende. Hij was hier een van de stichters van de Compagnie van Verre (1594) en later secretaris van de Verenigde Oostindische Compagnie te Amsterdam. VAN OS heeft kort voor zijn overlijden — in 1615 — nog deelgenomen aan onderhandelingen met de Engelse Oostindische Compagnie en met de Engelse regering. Hij werd hier ook bekend als drooglegger van de Beemstermoerassen. Verder Jan VAN BAERLE, wiens dochter Susanna huwde met Constantijn HUYGENS (zelf een zoon van een Antwerpse moeder). De grafsteen van VAN BAERLE zullen we verderop in de Nieuwe Kerk aantreffen. Deze VAN BAERLE blijkt overigens een geheim agent geweest te zijn van in Antwerpen achtergebleven kooplui waarvan hij de — eveneens geheime — beleggingen in Amsterdam beheerde! Wij wandelen verder tot:

4. Op deze plaats was in 1611 de suikerraffinaderij 'De Drie Suikerbrooden' van de Antwerpenaar Hans VAN PELT gevestigd. De volledige suikerhandel van Amsterdam vond zijn oorsprong bij de Antwerpse suikerbakkersfamilies AUX BREBIS, M / S , NUYTS, METSUE en VAN PELT. De Suikerrui in Antwerpen herinnert nu nog aan de 16deeeuwse glorietijd van deze 'suyckerraffinadeuren'. Onmiddellijk hierna gaan we rechts door de zeer smalle Kalfsvelsteeg naar het Rokin. Ook op het Rokin vestigden zich talrijke migranten, waaronder de wereldvermaarde Gentse cartograaf Pieter VAN DEN KEERE (Petrus KAERIUS, 1571-± 1646), die ook als graveur van stadspanorama's en historieprenten faam verwierf. Links op de hoek hebben de Brabantse rederijkers (in het vroegere Mariaklooster) voorstellingen gegeven. Onze aandacht gaat naar het zeer interessante hoekhuis rechts:

5.

okin, 91

De voorname herenwoning van Hans VAN PELT strekte zich oorspronkelijk uit van de Nes tot aan het Rokin. Na

zijn dood liet zijn erfgename Susanna VAN GANSEPOEL (weduwe van Amaut VAN PELT), in 1664 een nieuw huis bouwen voor haar dochter en schoonzoon Cort SIVERTSEN ADELER. De wapens in de geveltop behoren respectievelijk tot de families VAN PELT (rechts) en ADELER (links). Dit is onmiskenbaar de mooiste historische gevel van het Rokin. Hij is opgetrokken in grijze Bentheimer-zandsteen (de befaamde Bentheim-zandsteengroeven bevonden zich in het gelijknamige Graafschap vlak over de Nederlands-Duitse grens ter hoogte van Drenthe en Overijssel; ze werden in de vorige eeuw nog volop geëxploiteerd). De statische ordening van drie traveeën met grote vensterpartijen tussen pilasters, bovenaan afgewerkt als rechte halsgevel onder klassiek fronton, getuigt van monumentaliteit. Het is een karakteristiek voorbeeld van zogenaamde 'classicerende barok', een architectuurstijl die in Amsterdam door de Mechelse bouwmeestersfamilie VINGBOONS (of VINCKBOONS) werd ingevoerd. Nu nog gebruikt men de term 'Vingboonsachtig' om sommige 19de-eeuwse neoelementen aan te duiden. David VINGBOONS (15761632) was vooral actief als schilder, tekenaar en etser. Zijn zonen Füips (1608-1678) en Justus (1620-1698) gaven plaatwerken uit over hun bouwontwerpen. De verspreiding van dergelijke plaatwerken over architectuur was er oorzaak van dat deze vóór-classicistische richting te Antwerpen onder Hollandse invloed ingang kreeg, weliswaar nadat ze in Holland zelf nagenoeg had afgedaan. Antwerpen was de bakermat en het brandpunt geweest van de renaissance-architectuur in de Nederlanden (vooral tijdens de wederopbouw na de Spaanse Furie: 1576-1582) en kreeg nu via afstammelingen van uitgeweken Mechelaars, op zijn beurt een bouwstijl terug uit Amsterdam. Wij wandelen nu op het Rokin verder noordwaarts, richting Dam en komen langs de doorgang die officieel de SintPieterspoort heet, midden onder een bankgebouw. Op deze plaats stierf de grote kunsthistoricus-dichter en schilder Carel VAN MANDER (1548-1606), afkomstig uit het Westvlaamse Meulebeke. VAN MANDER is de auteur van het beroemde 'Schilderboeck' (Haarlem 1604). Hij stond bij de rederijkers in hoog aanzien en werd onder meer door BREDERO erg bewonderd.

6. De Bam Wij bereiken nu 'het hart van Nederland': de Dam. Hier woonden grote kooplieden als Jan Janszoon CAREL uit Brugge, Nicolaas SEYS uit Gent, de Gentse notaris Philips DE BISSCHOP, de Brusselse steenkapper Hendrik VAN BOSVOORDE en de familie van cartografen en boekhandelaren HONDIUS. Jodocus HONDIUS (1563-1612) die met de naam Joos D'HONDT, in Wakken (in West-Vlaanderen) werd geboren en na een verblijf in Londen in 1593 naar Amsterdam kwam, opende er in de Kalverstraat zijn winkel 'De Wackere Hondt'. Het paneel met het opschrift en de aibeefding van een hond is nog bewaard in de gevef van de huidige grote kiedingzaak op de Dam, waar zijn zoon Henricus zich aanvankeiijk vestigde in „De Atlas". Na de dood van zijn broer zette deze de zaak verder in het


7

6. & 8. De Nieuwe Kerk op de Dam

T--.^ Jb—JLB4^H^

fwA

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

•

#

J|

# • • • •

•

•

• ^ •

r

• '

^ \

I i i i •• 8. Plattegrond van de Nieuwe Kerk 1. 2. 3. 4.

Grafsteen J a n Van Baerle Praalgraf De Ruyter Vondel-monument Eggertkapel


8

ouderlijk huis. Samen met zijn zwager Petrus KAERIUS (Jodocus was gehuwd met een zuster van Petrus) en zijn vriend Petrus PLANCIUS of Pieter PLAETEVOET (15521622) uit Dranouter, eveneens in West-Vlaanderen, maakte hij Amsterdam tot het centrum van de kaarten- en atlassenindustrie. PLANCIUS was overigens niet alleen een vermaard calvinistisch predikant maar speelde bovendien een belangrijke rol als geograaf en navigatiedeskundige. Hij was een van de belangrijkste adviseurs van de Compagnie van Verre tijdens de navigatievoorbereidingen van de eerste Hollandse tochten naar Indië en China. Ook was hij betrokken bij de reizen van zijn later beroemd geworden leerling Willem BARENTZ.

7.

et Paleis op de Dam voormalig stadhuis)

(Geleide bezoeken mogelijk na telefonische afspraak: 24.86.98; Open van 14 juni tot 8 september, dagelijks van 12.30 u. tot 16.00 u. - toegangsprijs: fl. 1,50 - kinderen fl. 0,50).

Het Paleis is van enorme betekenis in de Nederlandse architectuurgeschiedenis, omdat het aan de wieg stond van het Amsterdamse Classicisme. Het vertoont tegelijk een groot aantal barokelementen en werd gebouwd door Jacob VAN CAMPEN (1595-1657), die echter in conflict geraakte met zijn opdrachtgevers, de stadsmagistraat, en de verdere eindafwerking vanaf 1648 moest overlaten aan Daniel STALPAERT. De ouders van STALPAERT waren afkomstig uit Brussel. Daniel werd gedoopt in de Nieuwe Kerk. Toch was het VAN CAMPEN die ter verluchting van zijn nuchtere, strenge, bouwkundige scheppingen elementen zocht uit de uitbundige Antwerpse barok en op zijn aanraden werd de Antwerpenaar Artus QUELLIEN (1609-1668) gevraagd om de binnen- en buitenversiering van het stadhuis uit te voeren. QUELLIEN omringde zich voor deze reusachtige opdracht met een leger helpers waaronder de Mechelaar Rombout VERHULST, die als zijn evenknie wordt beschouwd en later vooral in Groningen werkzaam was. In veertien jaar tijd (1650-1664) werden onder meer de frontispiesen aan voor- en achtergevel gemaakt, 4 schoorsteenmantels, 6 beelden voor de gevelversiering, 12 godenbeelden, 88 kapitelen, 184 verschillende festoenen en 250 voet acantusfriezen. In het tympaan aan de voorgevel symboliseert het reliëf de hulde van alle oceanen aan Amsterdam, dat met kroon en schild het centrale deel domineert. Het fronton van de achtergevel toont hoe de werelddelen hun rijkdommen naar Amsterdam brengen. Beide marmerreliëfs, die samen zowat 40 meter breed zijn, leverden QUELLIEN 9.500 gulden op. Hij wordt de 'machtigste Barokke beeldhouwer ten noorden van de Alpen' genoemd. Zijn naam is in Antwerpen vereeuwigd in de 'Quellinstraat'. In de 19de eeuw werd op de Dam een enorm beeld opgericht van de Mechelse kunstenaar Louis ROYER (17931863), die ook de beelden van REMBRANDT (op het gelijknamige plein) en VONDEL (in het Vondelpark) vervaardigde. Het beeld bij het Koninklijk Paleis werd door de

Amsterdammers spottend 'Naatje van de Dam' genoemd, maar officieel heette het: 'Monument ter herinnering aan de volksgeest van 1830-1831: De Eendracht'. Het herinnert aan de Tiendaagse Veldtocht, waarbij het Belgisch grondgebied ei zo na opnieuw werd veroverd, ware er niet de militaire interventie van Frankrijk geweest. Het beeld van 'Naatje' werd afgebroken op 8 april 1914. Rechts van het Paleis op de Dam treden wij binnen in de:

8.

uwe Kerk

(Tenzij anders aangegeven: open van maandag tot zaterdag van 11-16 uur, zondag van 12 - 15 u. Toegang gratis, behalve tijdens culturele manifestaties).

De recent gerestaureerde Nieuwe Kerk met zijn gotische allures in een zuiver Brabantse stijl, komt steeds meer in de belangstelling als cultureel centrum voor het hart van Amsterdam (waar ontvolking en ontkerkelijking de oude functies van de kerken ingrijpend veranderen). In de Nieuwe Kerk wordt jaarlijks een toenemend aantal orgel- en andere concerten gegeven, naast tentoonstellingen van de meest diverse aard. Hierbij ontbreekt de inbreng van het Vlaams Cultureel Centrum niet en wordt ter promotie van Vlaamse kunst en cultuur, aan bepaalde manifestaties deelgenomen. In de Nieuwe Kerk herinnert (rechts aan de ingang langs de Damzijde) een monument van 1771 aan Joost VAN DEN VONDEL. Wat verder, eveneens rechts, bevindt zich de Willem EGGERT-V&ipeX, genoemd naar de Gentse bankier Willem EGGERT (of EGGAERDT), thesaurier en financier van de Hollandse graaf Willem VI (1345-1417). Deze EGGERT woonde op de Dam. Nu herinnert de Eggertstraat nog steeds aan deze man die omstreeks 1400 een stuk van zijn boomgaard en een grote geldsom schonk om er de Sint-Catharinakerk (vanaf 1578 Nieuwe Kerk) te bouwen. Na zijn dood kreeg hij er, als stichter, een kapel bij zijn grafzerk. Een opschrift naast een epitaafje van Jan BERENZ (een afstammeling van Willem ^ G G ^ r blijkens een kwartier in het wapenschild: namelijk drie weerhaken) brengt hulde aan deze Gentenaar, die heer werd van Purmerend en uitvoerig vermeld wordt door de historici GUICCIARDINI, PONTANUS en WAGENAAR. Na het overlijden van Willem EGGERT werd zijn plaats als begunstiger van de kerk ingenomen door zijn zoon Jan, die men enige tijd later in Oost-Vlaanderen zou aantreffen als stichter van kloosters in Gent, Oudenaarde en Elsegem... Tegenover de Eggertkapel (links) zien we de fraaie grafsteen van de reeds in de Nes genoemde Antwerpse koopman Jan VANBAERLE. In de absis van het Hoge Koor prijkt het monumentale praalgraf van Admiraal Michiel Adriaenszoon DE RUYTER (1607-1676). DE RUYTER was op 16-jarige leeftijd leerjongen bij de redersfamilie LAMPSINS uit Oostende. Het praalgraf werd vervaardigd door de reeds eerder vermelde, in Mechelen geboren beeldhouwer. Rombout VERHULST.


& *

•^NOJ^t^iHOt

•'

MAR1

'A E, ,.L£ < i-YMf • D Q C H T E P • s r - Rt

8. Grafsteen Jan Van Baerle

8. Praalgraf De Ruyter

8. Opschrift in de Eggertstraat Onderaan : opschrift in de Willem Eggertkapel

8. Het Vondel-monument

Eggertzaal


10

Wapen van het vroegere Markgraafschap Antwerpen 10. De Westerkerk met Keizerskroonbekroning 10. Huidig wapen van de stad Amsterdam

A

\

•M

yHu|^S

^P 11. Inscriptie uit 1625 in de Keizersgracht, nr. 177 12. Interieur Veilingshuis'De Zon' Hiernaast : het oorspronkelijke uitzicht uit de 17de eeuw

^

^

(NNO CHRkSTI C K M J O J C V , P H J D l t !D. MAFLTT B A L T A S A R 05EPHI F. BALTASARIS N.V11. ANNORUM PUER, PRIMUM IHUJUS AEDlFIClLAPmEM POSUIT5EX5TRUCTI A PATRUI5 EJUS BALTASARF ET IOANNE MERCATORIBUS, % BALTA5ARIS COEYMANS EXJWJSABETAE DE PICKER ANTWERPIENSIUM FiUIS.


11

Wij verlaten de kerk en lopen achter het Paleis op de Dam naar een huis met zwarte gevel, vlak voor ons, op de:

[oek Paleisstraat 31 en Meuwezijds Voorburgwal Op deze plaats was in 1914 de redactie gevestigd van het dagblad 'De Vlaamsche Stem'. Deze krant recruteerde haar lezers onder de zowat 1.000.000 (!) Vlaamse vluchtelingen, die toen in Nederland verbleven. In de redactie waren journalisten van alle strekkingen vertegenwoordigd: de schrijver Cyriel BUYSSE, de politicus Frans VAN CAUWELAERT, de journalist Julius HOSTE jr., de advocaat en historicus Jan EGGEN, de dichter René DE CLERQ... Het blad werd gefinancierd door Nederlanders, die Vlaanderen een warm hart toedroegen, onder leiding van F.C. GERRETSON (als letterkundige beter bekend onder het pseudoniem Geerten GOSSAERT), hoogleraar geschiedenis en directeur van de Koninklijke Shell. Nu keren we terug op onze passen, laten het Paleis rechts en wandelen naar links, de Raadhuisstraat in. Hier stond, tussen Spuistraat en Singel, het huis waar Joost VAN DEN VONDEL vanaf 1670 woonde en in 1679 gestorven is. Wij naderen nu de:

iek Raadhuisstraat en izersgracht Van hieruit hebben we een mooi uitzicht op de Westerkerk, die (letterlijk) bekroond wordt door een enorme Keizerskroon. Het recht deze heraldische kroon in het wapen te voeren, werd op hetzelfde ogenblik, namelijk in 1489, verleend aan het markgraafschap Antwerpen én Amsterdam door Keizer MAXIMILIAAN I van Oostenrijk. Het markgraafschap Antwerpen werd door het Franse regime afgeschaft en vervangen door het 'département des deux Nethes', wat thans ongeveer overeenkomt met de provincie Antwerpen. De Westerkerk werd ontworpen door Hendrick DE KEYZER (1565-1621), die zelf de bouwwerken leidde en gehuwd was met de Antwerpse Barbara VAN WILRE. We gaan nu naar rechts tot aan:

Keizersgracht nr. 177 Dit indrukwekkend gebouw is sedert 1958 het Ir. LELY lyceum. Het werd in 1625 gebouwd door de classicist Jacob VAN CAMPEN (Stadhuis / Koninklijk Paleis op de Dam). Opdrachtgever was de Antwerpse familie van kooplui en bankiers COYMANS (ook vermeld als COEYMANS): broers, zonen, neven en kleinzonen van Baltasar COYMANS en Elisabeth Ztë'.P/C.KÊT?. Jeronimus, Baltasar II, Johan en Jozef COYMANS behoorden tot de allerrijksten van Amsterdam. De familie bezat zeer veel aandelen

in de Verenigde Oostindische (later ook in de Westindische) Compagnie en bracht onder meer een deel van haar fortuin bijeen met de slavenhandel op Suriname. De familie COYMANS schrok er niet voor terug contacten te onderhouden met de Spaanse en Deense concurrenten van de Westindische Compagnie, wanneer dit in hun economische politiek paste... In het poorthuis herinneren een Latijnse en Nederlandse inscriptie uit 1625 aan het verblijf van deze familie in Amsterdam. Het gebouw is normaal niet toegankelijk voor het publiek. Wij volgen nu de Keizersgracht in noordelijke richting, links kijkend naar nr. 177, tot aan de schilderachtige hoek van de Keizers- en de Leliegracht. We draaien naar rechts, volgen de Leliegracht, steken de brug over van de Herengracht en wandelen verder langs de Leliegracht tot aan het Singel, waar wij naar links afzwenken tot:

12.

gelnr. 118

(Uitsluitend te bezichtigen tijdens de kijk- en veilingdagen).

Achter de vrij banale gevel van het veilinghuis 'De Zon' bevindt zich een zeer mooie kerk van de Doopsgezinde Gemeente der Vlamingen, uit 1664. De bouwstijl is volledig classicistisch, terwijl de grote plafondschilderingen in een aanpalend vertrek alle kenmerken vertonen van de baroktijd. De gemeente van de Doopsgezinde Vlamingen vond haar oorsprong in de harde kern van protestanten, die het huidige Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Gent en Antwerpen moesten verlaten wegens hun geloofsopvattingen en de vervolgingen. Alhoewel zij zich in de 18de eeuw assimileerden met de Amsterdamse bevolking, bleven deze doopsgezinden zich 'Vlamingen' en 'Oud-Vlamingen' noemen. Beroemde migranten als VONDEL, VAN MANDER, VAN TONGERLOO, DE FLINES, VAN EEGHEN... stamden overigens uit doopsgezinde families met Zuidnederlandse wortels. De kerk zelf bleef in gebruik tot 1801 om dan tot vandaag als verkoopzaal en stapelplaats dienst te doen. Onze tocht gaat nu, rechts van nr. 118, verder langs het Singel, tot wij (weer rechts) wandelen naar de:

13.

oek Singel - Stromarkt

Van op deze plaats laat zich het fraaie beeld van de Ronde Lutherse Kerk bewonderen. Deze kerk werd tussen 1822 en 1826 volledig herbouwd naar het ontwerp van de beroemde Oostendse architect en urbanist Tieleman Franciscus SUYS (1783-1861). SOTS bouwde in Amsterdam onder meer ook de bekende Mozes- en Aaronkerk op het Waterlooplein. Hij werd architect-urbanist van Koning WILLEM I en later van LEOPOLD I, die hem in Brussel onder meer de Luxemburgwijk, de Kruidtuin en het Academiënpaleis liet ontwerpen. In Amsterdam genoot SUYS een grote faam, maar ook in 's Gravenhage, Utrecht, Zeist, Haarlem en Muiden was hij op bouwkundig gebied bedrijvig.


12

16. Hoeksteen 'Mercator Sapiens'

13. Lutherse Kerk, gebouwd door Suys tussen 1822 en 1826

18. Oude Kerk op het Oudekerksplein Plattegrond met aanduiding van het graf van Carel Van Mander, dat hieronder is algehceld

.\ DE \AGEDACH7E\iS\A

A K F X VAM-MA"

DE-

HfRiDZASCHRYVE-

TEF EN ICHILDE: 1 GtB l

'4STE VEULEBEEiCEGE IPT f6Ce TE A.' ASTEP.DA""

;OE NEDEFL DSCHF-E VLAAMSCHEBEVVGND: RA;

VAN ZYN SCHILDEP BOEI'YV


13

Wij volgen de Stromarkt tot deze straat van naam verandert en Kattegat heet. Rechts in het Kattegat zien wij enkele prachtige Vlaamse trapgevels, die voortreffelijk hersteld werden. De trapvormige gevel top was tijdens de 16de en 17de eeuw volgens de Brabants-gotische bouwwijze en -stijl dé karakteristieke bovenwaartse beëindiging van een dwarsgevel. Vanuit Vlaanderen verspreidde deze vorm zich over Holland tot in Denemarken, Danzig, Lubeck en Riga. Wij gaan verder naar de:

14. Spuistraat Ook in deze straat waren de Doopsgezinde Vlamingen tussen 1619 en 1788 zeer actief. Zij beschikten over twee naast elkaar gebouwde kerken op nr. 72 ('De Drie Kruykjes') en nr. 70 ('De Vijff Kruyken'). Op het einde van deze straat, namelijk op de hoek van Spuistraat en Spui, ziet men een andere kerk, die onder impuls van protestanten uit het Zuiden werd opgericht, dit is de Lutherse Oude Kerk (1633). De quasi volledige Lutherse gemeente van Antwerpen werd immers na 1585 overgebracht naar Amsterdam. Aan de overkant gaan we door de Kleine Lijnbaanstraat, steken de Nieuwezij ds Voorburgwal over naar de:

Deze BARLAEUS was de eerste hoogleraar neo-Latijn. Naar hem wordt een befaamd Amsterdams lyceum geheten. Onze weg gaat nu naar rechts, naar de:

rmoesstraat (die wij rechts volgen tot de eerste straat links)

In de Warmoesstraat waren tussen 1580 en 1660 bijna alle huizen bewoond door Zuidelijke migranten of hun directe afstammelingen. De Antwerpse dichter Zacharias HEYNS woonde acht jaar lang in nr. 32. In nr. 35 huisde de Antwerpse lakenkoper en huizenspeculant Cornells VAN TONGERLOO. In nr. 90 de eveneens uit Antwerpen stammende zijdehandelaar en vriend van VONDEL, Guilbert DE FLINES. Vondel zelf woonde, van 1631 tot ongeveer 16)50 in het huis 'De Blauwe Draeck' (nu het nr. 39). Links van ons begint het:

(Open van 10 - 16 u., niet op zondag, toegang fl. 1,-)

Dirk van Hasseltsteeg

DIRK VA1TH ASSERS SI EEG

CENTRUM

Dit straatje ontleent zijn naam waarschijnlijk aan de uit Hasselt afkomstige schipper Dirk VAN HASSELT, die hier reeds in de 14de eeuw (1364-1381) huizen en grond bezat. We lopen het steegje door, kruisen Kalverstraat en Damrak en zien de:

Oudebrugsteeg Wij volgen deze tot aan het Bureau voor Handelsinlichtingen (links), blijven op de houten steiger staan bij de hoek van de zij- en achtergevel en kijken naar het station toe. (Het Centraal Station werd — evenals het Rijksmuseum — gebouwd door de beroemde 19de-eeuwse Nederlandse architect CUYPERS, die zijn opleiding kreeg in Antwerpen). Op een hoeksteen herinneren de woorden 'Mercator Sapiens' ('De verstandige koopman') aan de aanhef van de inaugurale rede, in 1632 uitgesproken bij de opening van het 'Atheneum ülustre' (de latere Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam) door de Antwerpse geleerde Caspar BARLAEUS (Casper VAN BAERLE).

Op het Oudekerksplein vestigde zich de Antwerpse notaris David MOSTART, vader van de Amsterdamse stadssecretaris Daniël MOSTART. David MOSTART v/erd in 1590 poorter van Amsterdam en stierf in 1615. In de Oude Kerk liggen zeer veel Vlaamse migranten begraven, zoals Carel VAN MANDER en de familie VINGBOONS, verder de uit Mechelen afkomstige 'pensionaris' (= juridische raadgever van de stad Amsterdam) Nicasius DE SILLE, en andere. Wij zwenken nu naar links tot aan:

Oudezijds Voorburgwal nr. 40 i Museum Amstelkring (Open maandag tot zaterdag: 10 - 17 u.; zondag 13 - 17 u.; toegangsprijs: fl- 3,-)

Na de overgang van Amsterdam tot het protestantisme in 1578, gingen de katholieke kerken over in handen van onder meer de calvinisten. De katholieken zochten hun toevlucht in geïmproviseerde noodkerkjes bij particulieren, in pakhuizen en dergelijke. Een van deze schuilkerken kreeg later meer bekendheid onder de naam 'ONS' LIEVE HEER OP SOLDER', momenteel bezit van de Stichting Museum Amstelkring. Het museum beschikt over een waardevolle verzameling religieuze kunst, voor een groot deel afkomstig uit Vlaamse kunstwerkplaatsen: Antwerps zilverwerk uit de 17de eeuw. Zuidnederlands beeldhouwwerk van de 16de tot en met de 19de eeuw, een Antwerpse Plantijnuitgave van het 'Missale Romanum' (1776), een


14

portret van de 87-jarige Joost VANDEN VONDEL (1674) door Philips DE KONINCK, een fraai 16de-eeuws drieluik van Heter COECKE VAN AALST, Zuidnederlandse grisailles en tekeningen, een Antwerpse altaarlezenaar (± 1730-1830). Een bezoek overwaard dus. Als wij het stemmige museum verlaten, wandelen wij naar rechts langs de Oudezijds Voorburgwal. Deze gracht was van 1580 tot 1650 een zeer selecte buurt: hier lieten de rijkste uitgeweken Vlamingen statige panden bouwen. Gedurende enige tijd waren vrijwel alle huizen gehuurd door of eigendom van Vlaamse kooplui: de Antwerpenaren Eduard EMT1NGH, Isaac LE MAIRE, Hendrik VAN OS, Jan VAN VALKENBURGH, Caspar COYMANS, Gilles SAUTIN Thibault DE PICKERE, maar ook Magdalena STOCKMANS (dochter van een Antwerpse brouwer en weduwe van de Antwerpenaar Isaac VAN DE VOORDE). Dit is de vrouw die BREDERO ooit tot hartstochtelijke pennevruchten inspireerde.

20.

idezijds Voorburgwal nr. 57

Aan de overzijde van de gracht zien we een van de allermooiste gevels van de rij: 'De Gecroonde Raep' (1620). Deze statige grachtenwoning werd in 1615 getekend door Hendrick DE KEYZER voor de Antwerpse verzekeraar en handelaar Eduard EMTINGH. Tegenover het barokke classicisme van Jacob VAN CAMPEN stelde de andere Amsterdamse stadsarchitect-beeldhouwer Hendrick DE KEYZER een kleurige na-gotiek met pittoreske siervormen in een afwisseling van rozige baksteen en witte zandsteen. Naar hem wordt een vereniging genoemd die zich inzet voor het behoud en het herstel van monumenten in Nederland.

ortje 'de Brakke Grond' achtergevel 'Bank van Lening' Bij het poortje 'de Brakke Grond', aan de achterzijde van het Vlaams Cultureel Centrum, eindigt onze tocht. Het ba-

rokke poortje herinnert aan de toegang tot de 'Herberg de Brakke Grond', die er gedurende bijna twee eeuwen gevestigd was. Het poortje zelf zou — zonder opschrift en jaartal — vroeger evenwel in de buurt van de Oude Turfmarkt gestaan hebben, namelijk bij de gronden van de Stadstimmertuin. Het dateert wel uit het begin van de 17de eeuw maar wanneer het hier precies werd geplaatst, is vooralsnog niet achterhaald. Tot slot nodigen we U nu uit in het café van het Vlaams Cultureel Centrum (terug naar Nes en Nesplein, via de steeg) om even te mijmeren over de uitspraak van de Amsterdamse burgemeester Ed VAN THYN : 'Amsterdam, de meest Vlaamse stad in het Noorden'. Het onderwerp is met deze wandeling zeker niet uitgeput, maar de voorziene tijd voor dit kort Vlaams bezoek van circa 1 uur liet niet toe even interessante uitweidingen te maken over de Nieuwezijds Voorburgwal, Singel, Kalverstraat. Keizersgracht, Herengracht, Oudezijds Achterburgwal, Zeedijk, Niezel en niet in het minst de zeer boeiende Jordaan. Wie het thema verder wil uitdiepen kan met veel resultaat de verzamelingen jaarboeken en maandbladen 'AMSTELODAMimr, de maandbladen 'CWS AMSTERDAM' en 'DE LAMP raadplegen. Een schat aan informatie bevatten de werken van onder meer J. EGGEN, J.E. ELIAS, J.G. VAN DILLEN, W. BRULEZ, A.E. D'AILLY, LH. VANEEGHEN, L. VAN NIEROP en recent vooral J. BRIELS.

Met dank aan het Amsterdams Gemeente-Archief, de Universiteitsbibliotheek van de Gemeentelijke Universtiteit, de Collectie Amsterdam in Openbare Bibliotheken, de heren TER BALKT, V.V.V. Amsterdam en VERROEN, Dienst Openbare Werken, Afdeling Landmeten en Kartografie en de NederlandsVlaamse Studiekring voor Geschiedenis.


15

2 1 . Poortje 'de Brakke Grond' en achtergevel 'Bank van Lening'

AMSTERDAM HEEFTT


WANDELEN DOOR VLAAMS AMSTERDAM

^mi^.


DEMEY HILAIRE

alle soorten oude stenen - antieke bouwmaterialen - vloertegels - eiken deuren - stalramen hekwerk - straatklinkers, enz... kortom : alles op het gebied van de restauratie

[5]


RMLZ-DOCUMENTATIEMAP LANDSCHAPSONDERZOEK 4 = boomverzorging & boomchirurgie opnieuw bekeken + landschapsperceptie internationaal

é

M^

R^.] * Jr• ëi^ W>-: ^ !• • • ' • " - ' . • ? » * » £ -

n»^* •

jri.

H^^^^niflrv -^^^

^u.

^^•:

"iBBP^i

'!^^K^<>^|||

^

-l^

'•«•.SiS-

""i-i,-^''"'

.

•

Map nr. 4 (oktober 1985) bevat twee bijdragen : • Nieuwe inzichten in verband met door A. De Haeck en P. Geeroms

PERS0NENVE«JNO0TSCHAPMETBEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID

Hoe beschermen bomen zich tegen verwondingen en infecties ? De compartimenteringstheorie van Shigo wordt getoetst aan de courante praktijk.

D . V . ö . 3..

Grote S t e e n w e g 2 2 9 / 1 2 6 0 0 Berchem Tel. : 0 3 / 2 3 0 . 0 2 . 2 6

RESTAURATIE EN REPRODUCTIE VAN ORNAMENTEN, MOULURES, KROONLIJSTEN, ZUILEN, KONSOLES, NISSEN .. IN EIGEN ATELIER

boomverzorging

•

Visuele landschapsevaluatie en achtergrond : een internationale Derde Wereld landen door W.E.J. Tips

socio-culturele vergelijking van

In welke mate beïnvloedt de socio-culturele achtergrond (nationaliteit, etnie ...) de voorkeur voor bepaalde landschapstypen ? Een perceptieonderzoek made in Thailand. Met uitgebreide samenvattingen in het Nederlands, Frans en Engels.

Verzorgde offset - rijk geïllustreerd Formaat 29,7 x 21 cm Prijs per n u m m e r : 100,- Bfr. Voor de lopende reeks (nrs. 10, 11,12 en 13) : 300,- Bfr. O v e r te schrijven of te storten op rekening 000-2001776-84 van het Fonds voor M o n u m e n t e n - en Landschapszorg.

Voor meer informatie, bel of schrijf naar :

Romeins kader in café ENTASIS, Keizerlei, Antwerpen. Architect: L. Lambrechts

[6]

M I N I S T E R I E V A N D E VLAAMSE G E M E E N S C H A P Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu BESTUUR M O N U M E N T E N E N L A N D S C H A P P E N Belliardstraat 14-18, 1040 Brussel Tel. 02/513.99.20 - vragen naar L. Tack


A x e 1 Ve r v o o r d t A

N

T

W

R

P

E

N

Vlaeykensgangnv Oude Koornmarkt 16 B-2000 Antwerpen Tel. 03 2336780-90 Telex:AXELVB 73358 Vanaf begin 1986: KASTEEL VAN -sGRAVEN WEZEL St.Jobsteemveg B2232 -sGravenwczd Tcl.ü36.S8H70


IMPERPJLEX JUB I5nd«siUconcn

De oplossing voor al uw problemen tegen vocht, erosie en vervuiling Inlichtingen : Mecheisestraat 125, 3000 Leuven - Tel. 016/23.98.25

A.J. HERREMANS P.V.B.A. BOUWONDERNEMING J. JAURESSTRAAT 1

2640 NIEL

RESTAURATIE VAN GEBOUWEN STAATSERKENNING CAT. D24 [8]

TEL 03/888.12.44 NA 19 U. : 03/828.36.99


Ccurttiium

Stvaibtrdkta

Formele tuinaanleg rond kasleel 'Zevenbergen' in Ranst naar een gravure uit J. Leroy (1694) (foto B.M.L.).

de tuinen bij kasteel 'Bossenstein' in Broechem; vermoedelijk gaat het hier om een ontwerp dat nooit werd uitgevoerd. Soortgelijke tuinen werden ook getekend bij het 'Laarhof in Reet. Een gravure uit J. Leroy uit dezelfde periode toont ons het thans totaal verbouwde kasteel 'Zevenbergen' in Ranst met rechthoekige omhaagde perken, naar alle waarschijnlijkheid beplant met bloemen rond één centrale boom. De tekening van het thans verdwenen domein 'Heemsdael' in Hemiksem vertoont een formele, vermoedelijk sterk geïdealiseerde aanleg uit 1723, naar ontwerp van J.P. van Baurscheit. De geïdealiseerde perspectieftekening uit 1749 van het 'Hof ten Broecke' in Schilde laat eveneens in spiegelbeeld aangelegde tuinen en bosjes zien, links en rechts van de axiale dreef naar het kasteel, en een aansluitend bosgedeelte met repetitief stervormig patroon. Een zeer interessante bron van informatie zijn voorzeker ook de opmetingen van domeinen door landmeter P. Stijnen van omstreeks 1750 en de Kabinetskaarten van de Oostenrijkse Nederlanden opgesteld door De Ferraris in 1770-1777. In de literatuur lezen we dat de vroegere formele tuinaanleg rond het 'Tanghof' in Kontich werd gerealiseerd tussen 1730 en 1780. In de jaren 1734-1743 liet Baron de Cloots, toenmalige eigenaar van het 'Hof ten Broecke' in Schilde, een grote vijver en een kanaal van 240 meter lengte aanbrengen; op de nabijgelegen Schijn werd een sluis gebouwd om het water op peil te houden voor de werking van waterval en fonteinen; naar de mode van de

tijd kwam er een Chinese toren waarin de pompinstallatie voor de bediening ervan geplaatst moest worden. Dreven en grasperken werden aangelegd en beelden van de vier seizoenen ontworpen. Van al deze voorzieningen bleef er jammer genoeg niets bewaard. Bewaarde historische tuinen of parken of delen daarvan klimmen, voor zover kon worden nagegaan, hooguit op tot de 18de eeuw. De toenmalige formele tuinen vertonen meestal een door middel van perken en dreven in dambord- en stervorm geparcelleerd domein. De aangelegde waterpartijen zijn strak van lijn. De parkaanleg van kasteel 'Ravenhof in Stabroek, voltooid in 1770 onder leiding van J.J. Moretus, heeft een stervormig tracé met in het middelpunt het kasteel. Voor de aanleg van het 'Hemiksemhof in Hemiksem schrijven we 1774. De meer of minder bewaarde formele parkaanleg bij kasteel 'Arendsnest' in Edegem, achter het 'Bautersemhof in Zandhoven en bij het 'Vrieselhof in Oelegem, werd reeds ingetekend op de kaarten van De Ferraris. De radiale beuken- en eikendreven van domein 'Vordenstein' zouden eveneens dateren uit de 18de eeuw. Typisch zijn ook de kaarsrechte dreven loodrecht ingeplant op de as van het kasteel. Mooie voorbeelden hiervan — eveneens terug te vinden op de Ferrariskaarten — treffen we onder meer aan in Wijnegem bij de kastelen 'Kijckuit' en 'Ertbrugge' en voor de hoofdingang van de kastelen 'Bleyckhof' en 'Vrieselhof' in Oelegem. In de lijn van deze traditie werd in 1827 een dubbele beukendreef aangeplant vóór het kasteel van Schoten. M&L

29


Soms worden ook verbindingsdreven naar de kerk of naar een belangrijke weg getrokken. Een goed voorbeeld hiervan vinden we in Niel, waar de huidige Ridder Berthoutlaan, afgeboord met platanen, de schakel vormt tussen kasteel en kerk. De eikendreef tussen kasteel en kerk in Westmalle werd aangelegd in 1650. Een ongeveer één kilometer lange dreef verbindt kasteel 'Bossenstein' met de kerk van Broechem en de axiale dubbele lindendreef van 1756 vormt de verbinding tussen het 'Hof ter Linden' en de kerk van Edegem. In Brasschaat vormt de Guyotdreef de verbinding van kasteel 'Mishaegen' met de Bredabaan en in Schilde is het de Bellevuedreef uit 1750-1751 die het 'Hof ten Broecke' met de Turnhoutsebaan verbindt. In 's Gravenwezel voert de dreef in de as van het kasteel lijnrecht naar Sint-Job. Siervaas in het park van het 'Zoerselhof in Zoersel (foto B.M.L.)

'Pittoresk' tuinelemenl bij hel 'Mikhof

in Brasschaat (foto B.M.L.)

Neerhof van kasteel 'Cleydael' in Aartselaar, met 18de-eeuwse koperen zonnewijzer op arduinen sokkel met rococoversiering (foto B.M.L.).

Op het eind van de 18de eeuw ontstaat naast het formele model een vrijere, meer met de natuurlijke omgeving harmoniërende, vormgeving, de pittoreske tuin, die later evolueerde tot landschapspark. De formele tuin rond het kasteel van 's Gravenwezel naar ontwerp van J.P. van Baurscheit van omstreeks 1750, werd nog vóór het einde van de 18de eeuw vervangen door een pittoreske tuin, hier aangeduid als 'Engelse' tuin. Van 1783 af is er herhaaldelijk sprake van werken 'in den Engelschen hof', onder meer het plaatsen van een nieuwe 'bornput' (1783), een 'pont chinoix (sic)' (1784), metselwerk 'voor den bergh' (1785), een grot (1786). Op het archief van het kasteel in 's Gravenwezel wordt ook een ontwerp van de aanleg van deze 'Engelse' tuin bewaard: 'Projet d'un pare irregulier a faire dans celui de 's Gravenwezel', gesigneerd: B. Gaine. Het is niet gedateerd, maar aangezien wij er alle werken op terugvinden die de douairière in de jaren 1783-1786 in het park liet uitvoeren, kunnen wij aannemen dat ze naar dit plan werden uitgevoerd, en dat dit laatste dan ook kort vóór of in 1783 werd vervaardigd. Alleszins is dit plan van zeer veel belang voor onze kennis betreffende de introductie van het Engels park in ons land. Lodewijk van Colen veranderde tussen 1805 en 1810 het parktracé van het 'Hof van Boechout' door de 'Franse' tuin aan de zuidzijde te vervangen door een 'Engelse' tuin met vijver. Het bewaarde plan van 1850 is hiervan mogelijk de neerslag. In de hal van kasteel 'de Eester' in Sint-Lenaarts wordt een in 1892 gedateerde muurschildering bewaard met het kasteel en zijn omringende landschapstuin. Het landschapspark rond kasteel 'Amerloo' in Schoten werd aangelegd in 1897. Het parkgedeelte met graspartijen, verspreide boomgroepen en vijver 'naar Engelse stijl' in domein 'Vordenstein' in Schoten, dateert uit de eerste helft van deze eeuw. Een prachtig voorbeeld van een recent landschapspark typisch voor het 'genre grandiose', is domein 'de Oude Gracht' in Kapellen. Voor de uitvoerige beschrijving van de verschillende gangbare stijlen en genres na 1850 verwijzen we naar het werk van André E., Parques et Jardins, Parijs, 1879. De meeste thans bestaande parken bij

30

M&L


Mythologische luinhcelden in hel park van het 'Laarhof in Reel (lotos K.I.K.). In hel muiden: gietijzeren tuinpaviljoen uit de tweede helft van de 19de eeuw in het park van het 'Laarhof in Reet (foto B.M.L.).

kastelen en buitenplaatsen bevatten de hier beschreven ingrediënten, zij het dan in enigszins verschraalde, vereenvoudigde of verwilderde toestand. Over het algemeen zijn er wat de parken van het arrondissement betreft weinig namen van architecten bekend. Het Franse gedeelte van domein 'Vordenstein' in Schoten zou in de 18de eeuw aangelegd zijn door een leerling van Le Nótre, naar het voorbeeld van het Trianon in Versailles. De formele tuin in 's Gravenwezel zou ontworpen zijn door J.P. van Baurscheit omstreeks 1750, de pittoreske door B. Gaine in 1783-1786. De parkaanleg van 'Hof ter Mick' in Brasschaat is van 1830, naar ontwerp van architect Petersen. Het park bij het kasteel van Westmalle werd aangelegd rond 1870 naar ontwerp van architect E. Keilig. Deze beroemde tuinarchitect verzorgde tevens de aanleg van het stadspark in Antwerpen, Boekenbergpark in Deurne, het Maria Hendrikapark in Oostende, de Louizalaan en Terkamerenbos in Brussel. Tuinarchitect J. Fuchs hebben we ontmoet bij de aanleg van de parken bij het kasteel van Loenhout in de tweede helft van de 19de eeuw, bij het kasteel 'de Eester' in SintLenaarts op het eind van de 19de eeuw (verkaveld in 1925) en bij het 'Pharazijnshof' in Kapellen circa 1900 (thans grotendeels ingepalmd door schoolgebouwen); zijn medewerker bij de aanleg van het voornoemde park in Kapellen was S. Galopin.

Tuinornamentiek Een belangrijk aspect dat onder meer ook verband houdt met de aanleg van parken en tuinen is het aanbrengen van beeldend materiaal, de zogenaamde tuinornamentiek. Beeldengroepen, vazen, obelisken en trompe l'oeil-bogen vervullen een perspectivische functie, bijvoorbeeld

bij waterpartijen of in de as van een dreef; ze vormen een herkenningspunt of hebben een louter esthetische functie. Soms is er een duidelijke link naar het kasteel toe, zoals op het 'Hof ter Linden' in Edegem, waar verschillende witgeschilderde beelden rond de vijver in aansluiting bij het kasteel zijn opgesteld. Op het voorplein van het kasteel van 's Gravenwezel werd een beeldengroep geplaatst, getekend en gedateerd V(an) Baurscheit 1729, voorstellende drie putti met zonnewijzer. De formele tuin tussen het poortgebouw en het kasteel van het 'Hof van Boechout' werd in 1919 symmetrisch ingevuld met terracottabeelden op vierkante Lodewijk-XVI-sokkels, afkomstig van de vroegere 'Franse' tuin; ze stellen respectievelijk Pomona (getekend M.P. Vervoort), Bacchus, een waternimf en Ganymedes voor; een centrale groep met putti verbeeldt de vier seizoenen. Soms staan de beelden los in het park verspreid zoals de talrijke mythologische beelden die in de 19de eeuw in het park van het 'Laarhof' in Reet werden geplaatst; enkele van deze beelden zouden werk zijn van Lucas Fayd'herbe. Los opgestelde beelden treffen we aan in het park van kasteel 'Montens' in Massenhoven. Siervazen komen voor in domein 'Vordenstein' in Schoten. Een obelisk opgericht in 1885 in de as van de dreef naar de kerk en een zuil van 1841 nabij de Bredabaan, sieren het park van het kasteel van Brasschaat. Bij het 'Laarhof' in Reet werden twee perspectiefgevende triomfbogen aangebracht. De eerste, geprofileerde rondboog, geflankeerd door telkens twee Corinthische zuilen onder klassiek hoofdgestel, is gedateerd 1729; de tweede kleinere boog aan het einde van de daartoe aangelegde dreef met flankerende Dorische pilasters, is waarschijnlijk van latere datum. Brug en poortgebouw bij het 'Mikhof in Brasschaat werden in 1830 als een pittoresk tuinelement aangebracht; de poort is een kopie van een oude stadspoort in Bourges (Frankrijk). M&L

31


Zoals we reeds bij de kasteelbouw aanstipten wordt vanaf de 18de eeuw de onmiddellijke omgeving geïntegreerd in de vormgeving van kasteel en buitenplaats; de aansluiting tussen kasteel of buitenplaats en vijver gebeurt via terrassen en trappen afgesloten met fraaie balustrades. Een prachtig voorbeeld hiervan vinden we bij het kasteel van 's Gravenwezel. Het zuidelijk voorplein met lager gelegen, ovaal terras, waarvan de werken startten in 1737, werd in 1744 afgewerkt met een balustrade van blauwe hardsteen en versierd met leeuwen en vazen. De verbouwing van het kasteel en de aanpassing van zijn omgeving, werden door architect J.P. van Baurscheit als één geheel opgevat. Het terras bij het 'Hof ter Linden' in Edegem is eveneens afgesloten met een beschilderde, hardstenen balustrade; de centrale doorgang met trappen naar de vijver werd afgezet met postamenten en bekronende sfinxen. Een aanlegsteiger uit de 18de eeuw (?) wordt bewaard op het 'Laarhof' in Reet, en bij het 'Blauwhof in Kapellen hebben we een sierlijke gebogen trap van rond 1820, die van het terras naar de aanpalende omgrachting voert. Het kasteel van Brasschaat, opgetrokken in 1872 en vergroot in 1897, werd in 1909 aan de achterzijde voorzien van grote terrassen met afschermende balustrades en trappen naar de vijver. Een parkaccesoire dat in het besproken gebied vooral vanaf de 18de eeuw gebruikelijk werd, is het tuinpaviljoen. In het park van het 'Laarhof' in Reet staan twee polygonale theehuisjes, het eerste in rococotrant van omstreeks 1750 (?), het tweede, ijzeren, in neogotische stijl uit de tweede helft van de 19de eeuw, afkomstig van de Antwerpse wereldtentoonstelling van 1885. Een iets omvangrijker paviljoen bevindt zich op domein de Oude Gracht in Kapellen; het is een Engels geïnspireerd achtzijdig jachtpaviljoen in neogotische stijl van het begin van de 20ste eeuw; de hardstenen hoekpijlers zijn voorzien van pinakels en waterspuwers en de leien koepel is versierd met een koperen adelaar. Op hetzelfde domein bevindt zich een prachtig boothuis, waarvan de betonnen constructie bekleed is met exotisch wortelhout. Verschillende tuinpaviljoentjes vormen de bekroning van een ijskelder (zie infra).

Toegangspoort van het 'Laarhof in Reet beslaande uit een eenvoudig ijzeren hek tussen twee hardstenen pijlers met siervaas (foto B.M.L.).

Ijskelder met theekoepel bij het 'Hof ter Vijvers' in Kapellen (foto G. Charlier).

Functionele parkuitrusting Naast deze eerder sierende elementen bevat het park meestal ook een aantal inrichtingen van meer praktische aard. Aangezien de meeste kasteeldomeinen omwaterd zijn, zijn bruggen onontbeerlijk om binnen te geraken. De vorm van deze bruggen is heel uiteenlopend. De eenvoudige bakstenen brug voor kasteel 'Bossenstein' in Broechem vertoont één spitsboog en één korfboog. Een brug met twee brede korfbogen en geajoureerde, hardstenen leuningen, verleent toegang tot kasteel 'Kijckuit' in Wijnegem. Een gietijzeren brug met 32

M&L

Porlierswoning van domein 'De Oude Gracht' in Kapellen (tekening M. Dierickx).


De indrukwekkende brug lussen het kasteel en het park van 's Gravenwezel van 1778, n.o.v. J.P. van Baurscheit, met balustrade uit 1891 n.o.v. J. Schudde. De 18de-eeuwse beelden van de stroomgoden flankeren de uilwaaierende westelijke bordestrap (foto G. Charlier).

houten balusters werd over de tweede omwalling van het 'Laarhof in Reet gelegd. Ook binnen in het domein kunnen bruggen voorkomen. De mooiste bruggen vinden-we in 's Gravenwezel bij het kasteel. Deze kunstwerken naar ontwerp van architect J.P. van Baurscheit, verbinden het zuidelijk voorplein respectievelijk met neerhof en park. De indrukwekkende brug naar het park, gebouwd in 1779-1780 en in 1891 voorzien van een hardstenen balustrade naar ontwerp van J. Schadde, bestaat uit vier rondbogen uit bak- en zandsteen; de uitwaaierende westelijke bordestrap is geflankeerd door 18de-eeuwse beelden van de stroomgoden. De brug naar het neerhof dateert uit 1775. Het is een bakstenen constructie van vier rondbogen met smeedijzeren leuning. Een bijzonder sierlijke boogbrug met smeedijzeren empireleuningen treffen we aan in het park van de buitenplaats 'Heiderust', Kapelsestraat nr. 43 in Kapellen. De monumentale hardstenen brug van omstreeks 1920 in domein 'de Oude Gracht' in Kapellen, is rijkelijk versierd met bas-reliëfs, putti, vissen, zuilen, vazen en bolornamenten. Wil men de toeloop op het domein enigszins onder controle houden dan moeten de toegangswegen door middel van poorten afgesloten kunnen worden. Het meest voorko-

mend zijn de eenvoudige afsluitingen bestaande uit een ijzeren hek dat opgehangen wordt tussen twee hardstenen poortpijlers met bolornament of siervaas. Van het thans grotendeels verkavelde 'Goed van Koch' in Wuustwezel getuigen alleen nog deze poortpijlers. Soms zijn er prachtig uitgewerkte, smeedijzeren hekken, zoals de 18de-eeuwse in rococostijl voor het kasteel in Schoten, voor het 'Ravenhof in Stabroek, aan de tuinzijde van het kasteel van 's Gravenwezel en aan de Kapelsestraat nr. 47 in Kapellen, als restant van een vroeger kasteel. Het smeedwerk voor het hek van 'Hof ter Linden' in Edegem werd rond 1900 geleverd door de Lierse kunstsmid A. Van Boeckel. Soms zijn de toegangen voorzien van imposante poortgebouwen zoals we eerder hebben gezien. Het onderhoud van het park wordt verzorgd door de hovenier, het toezicht op het omringende bos door de boswachter. De hovenierswoning bevindt zich meestal nabij de moestuin, de boswachtershuizen liggen dikwijls aan de rand van het domein. Typische laat-19deeeuwse boswachtershuisjes vinden we op domein 'Sterbos' in Wuustwezel en op domein 'Vordenstein' in Schoten. Een 18de-eeuwse, later verbouwde hovenierswoning, werd bewaard in Hove bij kasteel 'Weyninckhoven'. M&L

33


Een hovenierswoning van 1821 is gelegen 'Hof van Boechout' nr. 3. Een hovenierswoning in eclectische stijl treffen we aan op domein 'Calixberg' in Schoten. Aansluitend bij de hovenierswoning werden voornamelijk vanaf de 18de eeuw oranjerieën gebouwd. In oorsprong werden ze opgetrokken om de oranjeboompjes die 's zomers het park sierden, te laten overwinteren. Later werden er ook andere exotische planten in ondergebracht zoals palm- en laurierbomen, of werden er zoals in 'Calixberg'-Schoten orchideeën gekweekt. Het zijn ruime bakstenen gebouwen met hoge beglaasde zuidelijke muuropeningen die een maximale lichtinval en bezonning toelaten. De bouwstijl van de oranjerieën sluit aan bij de gangbare stijlen. 18de-eeuwse oranjerieën in classicistische stijl bleven onder andere bewaard in Edegem bij 'Hof ter Linden', in Massenhoven bij kasteel 'Montens', in Schoten op domein 'Vordenstein', in Schilde bij 'Hof ten Broecke' en in 's Gravenwezel bij het kasteel. Een prachtige neogotische oranjerie bevindt zich bij kasteel 'Lindenhof' in Lint; een oranjerie in eclectische stijl treffen we aan op domein 'Calixberg' in Schoten. In het midden van de 19de eeuw verschijnen de eerste serres met metalen constructie en volledig beglaasde wanden. Serres uit het begin van deze eeuw vinden we bij 'Hemiksemhof in Hemiksem en op domein 'Eikelenberg' in Brasschaat. Een gebouw dat in vele parken van kastelen en buitenplaatsen voorkomt is de ijskelder. Deze grotendeels onderaardse constructie dient om het ijs op te slaan dat 's winters uit de kasteelvijver gekapt wordt. Meest voorkomend bij ons is de koelkamer in de vorm van een omgekeerde peer met dikke bakstenen wanden en dito koepelgewelf afgedekt met een isolerende laag aarde. In vele gevallen werd de utilitaire aanleg van een ijskelder gecombineerd met de bouw van een theekoepel. De toegang, bijna steeds aan de noordkant gelegen, bestaat uit een centrale frontmuur met toegangsdeur; links en rechts daarvan zijn dikwijls wangstukken aangebracht om de opgehoogde aarde tegen te houden; de inwendige bakstenen gang is overdekt met een tongewelf en afgesloten met twee sasdeuren. De oudst bewaarde ijskelder in het arrondissement bevindt zich bij het 'Hemiksemhof' in Hemiksem en zou opklimmen tot het eind van de 18de eeuw. Andere vermeldenswaardige ijskelders zijn er onder meer in Westmalle en bij het 'Solhof' in Aartselaar; de ijskelder van het 'Hof ter Vijvers' aan de Kapelsestraat nr. 43 in Kapellen, is bekroond met een prachtig doch zeer bouwvallig theehuisje.

Huidige bestemming Ofschoon vele parken en tuinen nog in privé-bezit zijn is er vooral de laatste decennia een gevoelige verschuiving merkbaar van privé- naar openbaar groen enerzijds, van natuurgebied naar bebouwde wijken anderzijds. De enorme onderhoudskosten en lasten lieten het behoud als privé-bezit in vele gevallen niet langer toe en noopten tot een andere bestemming. 34

M&L

Het voormalige park van kasteel Beaulieu werd gemeentepark van Kapellen; kasteel en park in Brasschaat werden in 1949 aangekocht door de gemeente en respectievelijk ingericht als hotel-restaurant en openbaar park; kasteel en park van Schoten zijn sedert 1950 gemeenteeigendom en werden uitgerust met sportvelden, speelplein, hertenweide; het domein van het vroegere 'Hof ten Broecke' is sedert 1953 gemeentepark van Schilde; het 'Vrieselhof in Oelegem werd in 1974 aangekocht door de provincie en domein 'Vordenstein' in Schoten in 1978 door de staat. Andere parken en kasteeldomeinen bleven niet als dusdanig bewaard maar werden verkaveld en volgebouwd. Talrijke woonwijken voornamelijk met villabouw, bevinden zich op de plaats van een voormalig domein. De wijken 'Schotenhof en 'Koningshof op het oude bezit van de abdij van Villers in Schoten kwamen tot stand vanaf 1904 en 1926; de gronden rond kasteel 'De Eester' in Sint-Lenaarts werden in 1925 verkaveld, en de omgeving van kasteel 'Ter Varenf in Mortsel in 1928; in Brasschaat werden de domeinen 'Vriesedonk', 'Bisschoppenhof, 'Nieuw Ter Borcht' en 'Oud Ter Borchf verkaveld in respectievelijk 1923, 1928 en 1946. De verkaveling van de gronden rond kasteel 'Rattennesf in Hove dateert uit 1948 en die van de gronden rond het kasteel van Schoten uit circa 1950. Na 1957 werd de omgeving van het 'Hof ter Linden', het 'Catershof en het groot kasteel, alle in 's Gravenwezel, eveneens omgevormd tot uitgestrekte villawijken. Nog andere domeinen werden verminkt door de aanleg van autowegen: de domeinen 'Broechemhof in Broechem en 'De List' in Schoten zijn middendoor gesneden; het eerste door de E39, het tweede door de E10; de omleidingsweg in Wijnegem snijdt een hoek af van het park bij het 'Pulhof' en gaat dwars door de dreef op kasteel 'Kijckuit'.

Slotbeschouwing In-onderhavige tekst hebben wij getracht een summier overzicht te geven van een fenomeen dat bepalend is voor het historisch gegroeide uitzicht van het arrondissement Antwerpen. De vele kastelen en buitenplaatsen en hun aansluitende parken en tuinen bevatten een schat aan waardevolle gegevens, die onmisbaar zijn voor de reconstructie van de algemene geschiedenis, de bouwgeschiedenis en de geschiedenis van park- en tuinbouw. Aangepaste bestemmingen, zowel voor het bouwkundig als voor het landschappelijk erfgoed, bewijzen dat wat in het verleden tot stand kwam, thans nog steeds bruikbaar is. Door verwaarlozing, verval, ondoordachte sloping van gebouwen en verminking van domeinen, is er echter reeds heel wat van dit kostbare patrimonium verloren gegaan. Een aantal historische getuigenissen zijn onherroepelijk verdwenen en de zo onontbeerlijke groenzone rond de stad Antwerpen werd angstaanjagend verkleind. Mogen wij hopen dat wat ons nog rest, in de toekomst met de grootste omzichtigheid wordt aangepakt zodat er voor het nageslacht niet alleen vage herinneringen en tijdschriftenartikels, maar tastbare getuigenissen blijven bestaan.


De Grote Geule te Kieldrecht H. Maes Conservator K.V.N.S.

De Grote Geule is gelegen in het noordoosten van de provincie Oost-Vlaanderen nabij de Nederlandse grens. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich de woonkern van de deelgemeente Kieldrecht (Beveren). Het gebied dat zich uitstrekt over het grondgebied van de gemeente Beveren (Kieldrecht) en SintGillis-Waas (Meerdonk), werd beschermd als landschap. Een gedeelte van dit beschermd landschap werd tevens erkend als natuurreservaat. In dit artikel wordt naast een korte beschrijving van de landschappelijke waarden, dieper op de beheersproblematiek van het natuurreservaat ingegaan. Het natuurreservaat wordt voornamelijk beïnvloed door de bewoningskern van Kieldrecht (waterverontreiniging en bebouwing) en de intensieve landbouw uit de polderstreek (waterbeheersing, waterverontreiniging en weidebeheer).

Historische evolutie De eerste vermelding van een kreek te Kieldrecht is te vinden in het toponiem 'Kieldrecht' zelf. Kiel staat voor het Germaanse Kila, wat inham, kreek betekent. Dit toponiem dateert uit 1238 en betreft de kerk van Kieldrecht (1). Of deze verwijzing en vage cartografische

aanduidingen ons laten besluiten dat wat toen kreek genoemd werd, te situeren is op dezelfde plaats als de loop van de huidige kreek, moet verder onderzoek uitwijzen. Alleszins is het zo dat rond het midden van de 16de eeuw het gebied de Grote Geule op meerdere kaarten aangeduid werd als 'neederingen en leegtens bestaan met verschen water' (kaart 1). Deze laaggelegen vochtige strook mogen we niet meer als kreek beschouwen, maar als het verlande restant ervan.

Kaarl I : de Scheldepolders kort vóór 1570 naar M. Mys (4) - reconstructie naar oude kaarten op een hedendaagse ondergrond. Van de Grote Geule is nog geen spoor. De lagere bedding vormt een laagte in het landschap. TER VENTEN

M&L

35


Den Qou'of

<r ELDREC+fT

'

/

A

r^'^^^

^m^ =^P^ \

ty

'TSCHORRI

/vERDRONCKEN LANDT

VAN

v VAN "TST. ANTONIS \HOECK

\X'Vie'

CALLOO

'^

ETC

/ \

VERREBROECK

kaart 2: de Scheldepolders omstreeks 1620-1630 naar M. Mys (4) - reconstructie naar oude kaarten op een hedendaagse ondergrond Een zij-ader van de Gueyle van Kieldrecht gaf verbinding met 't Gat van den Perel Vorige pagina : De Grote Geule in de nazomer vanop de provinciale weg Sint-Niklaas-Kieldrecht (foto G. Charlier).

Pas na 1584 zal, door de strategische overstromingen, dit gebied opnieuw opgenomen worden in het krekenstelsel dat vanaf de Geule van Saaftingen vertrok. In 1584 immers staken de Staatsen de dijken van Saaftingen door in hun poging om de opmars van A. Farnèse te stuiten (2). De getijdewerking die vanuit het Gat van Saaftingen het land binnendrong, heeft in het verlengde van de Geule van Saaftingen de Kreek van Kieldrecht geërodeerd. Deze kreek boog vanuit het noorden om Hulsterlo en Kieldrecht, en baande zich een weg door de bovengenoemde depressie naar de Saligem- en Rietlandpolder. In dit zuidelijk deel loopt nog steeds de Grote Geule. Toen was die wel heel wat breder dan nu. Vervening zorgde ervoor dat de oorspronkelijke bedding gedeeltelijk opgevuld werd. Er ontstond een zeer langzaam uitdeinende oever die nog te zien is aan de zuidkant. De noordelijke oever werd door menselijk toedoen opgehoogd. Een zijarm liep door de overstroomde polders naar 't Gat van den Perel benoorden het fort de Perel (3) (kaart 2). In 1631 was deze verbinding nog bevaarbaar, maar in 1638, bij de Slag van Kallo, moet 't Gat van den Perel reeds grotendeels verland zijn geweest (4). Na 1638 is vermoedelijk door een stormvloed, de verbinding met de Meikader tot stand gekomen (kaart 3). Lang kan ook deze aansluiting niet bestaan hebben, want tussen 1649 en 1653 werd de Kallopolder drooggelegd. Bij de indijking van de Oud-Arenbergpolder werd de Pillendijk grotendeels gebouwd in de verlande bedding. Tot deze bevinding komt M. Mijs, gelet op de aanwezigheid van dijkputten met oeverwallen (5). Tussen 1649 en 1654 werd ook de Konings-Kieldrechtpolder ingedijkt. Er 38

M&L

schorren dijken

werd een dijk gebouwd die de Grote Geule afsneed van haar verbinding met het Saaftingen Gat: de huidige dijk van Konings-Kieldrechtpolder, die toen zeedijk genoemd werd. Het restant van de geul naar het Saaftingen Gat lag in het moeras en het schorrelandschap oostelijk van die zeedijk, in de huidige Nieuw-Arenbergpolder.

Het landschap (6) Sedert het ontstaan van de Konings-Kieldrechtpolder (1654) is de Grote Geule uitgegroeid tot een gevarieerd geheel bestaande uit open watergedeelten, rietvelden, groepjes en rijen knotwilgen, canadapopulieren en lage oevervegetaties. Deze verscheidenheid van landschapselementen is mede te danken aan kleinschalige menselijke ingrepen: extensieve begrazing van de oevers, riet maaien in de verlandingszone, aanplanten van knotwilgen voor houtvoorziening, openhouden van het water in functie van de landbouw en de bevissing. Doordat deze landschapsvormende activiteiten grotendeels hun economische betekenis hebben verloren, is instandhouding van het landschap enkel mogelijk wanneer ze opnieuw worden opgenomen, bijvoorbeeld in een beheersplan. Visueel treft in de eerste plaats het langgerekte vrije wateroppervlak, dat een indruk van rust en stilte nalaat


kaan 3: de Scheldepolders omstreeks 1650 naar M. Mys (4) - reconstructie naar oude kaarten op een hedendaagse ondergrond. Het Perelgat is bijna volledig verland. Een zij-arm van de Grote Geule loopt uit in de Meikader.

wanneer men het bekijkt van op de dijk van de Kieldrechtpolder. Bij schuin invallend zonnelicht ontstaan kleurschakeringen door de afwisseling van rietvelden, partijen zeebies en vrije oevergedeelten. Vooral de rietvelden die in dergelijke grote volumes steeds minder voorkomen, dragen picturaal bij tot een hoge landschappelijke waardering. Indien de natuurlijke evolutie hier ongestoord verder ging, zou de kreek uiteindelijk een moerasbos worden door het dichtgroeien van het open water en het daaropvolgende terugdringen van het riet door wilgen- en elzenopslag. We menen echter dat, afgezien van de waarde van dergelijke broekbossen, de Grote Geule best haar identiteit als overblijfsel van mariene transgressies behoudt. Daarom moet ervoor gezorgd worden dat de verlanding beperkt blijft tot enkele kleine gedeelten, te meer omdat haast alle oostelijk gelegen open kreken en wielen, ontstaan door dijkdoorbraken, verloren zijn gegaan door de industrialisatie van de Linkerscheldeoever.

Het open water Sinds 1980 wordt periodisch de waterkwaliteit van de kreek gecontroleerd door de milieudienst van de gemeente Beveren (6 en 7). De waterkwaliteit verschaft betrouwbare informatie over de milieufactoren die het voorkomen van waterorganismen bepalen. Uit het onderzoek blijkt dat het zoutgehalte en de voedingstoestand van het water, voornamelijk de soortensamenstelling van de kreek beïnvloeden. Door natuurlijke omstandigheden wisselt het zoutgehalte gedurende het jaar heel sterk, van bijna zoet water in de winter tot brak water in de zomer. Door lozing van huishoudelijk afvalwater en landbouwwater moet het water van de kreek als eutroof (rijk aan voedingsstoffen) getypeerd worden. Eutrofe waters geven aanleiding tot het optreden van waterbloei, wat inhoudt dat het water veel individuen bevat van één bepaalde soort. In extreme omstandigheden geeft waterbloei aanleiding tot het verkleuren van het water of tot het ontstaan van een slijmerige massa die bovenop het water drijft.

Landschapselementen

Een nadelige factor voor de waterkwaliteit vormt de soms tot drie meter dikke sliblaag. Alhoewel voor een gezond water een hoeveelheid slib noodzakelijk is, is de huidige toestand te vermijden. De samenstelling van het slib (voornamelijk afkomstig van de bezinking van huishoudelijke afvalstoffen) en de zuurstofloosheid ervan (slechts bovenaan zijn er enkele centimeters zuurstofrijk) zetten ertoe aan een oplossing voor de verwijdering van het slib te zoeken.

In het landschap van de Grote Geule kunnen volgende landschapselementen onderscheiden worden: open water, rietvelden, lage oeverlanden en boomformaties. Deze elementen vertonen onderling een duidelijke relatie zodat veranderingen in een element ook de andere elementen kunnen beïnvloeden.

M&L

39


Het vrije wateroppervlak vervult meerdere functies die onder meer betrekking hebben op de vogelwereld. Enkel in het westelijk gedeelte van de kreek, op het grondgebied van de gemeente Sint-Gillis (Meerdonk), drijven er enkele fraaie formaties van gele plomp op het water. Voor de rest is het water open. Dit is vooral van belang voor de fuut, wellicht de mooiste broedvogel. De fuut houdt van diep visrijk water en is daarom op de kreek talrijk (10 - 12 paren) waar te nemen. De fuut bouwt een vlottend nest in de rietvelden. De jongen worden de eerste levensdagen dikwijls op de rug van de oudervogels meegenomen om ze te beschermen tegen predatoren (ratten, snoek). De fuut is zo innig met het water verbonden dat hij in zijn broedgebied zelden vliegt en nog minder op het land komt.

kreek voedsel komen zoeken: blauwe reiger, zilvermeeuw, kokmeeuw, visdiefje, of die er broeden: meerkoet, waterhoen, dodaars. Rietvelden Twee rietvelden van belang zorgen ervoor dat het reservaat broedgevallen kent van kleine karekiet, rietgors, rietzanger en bruine kiekendief. De succesvolle broedgevallen van deze laatste prooivogel, mogen toegeschreven worden aan de rust en de bescherming in de onmiddellijke omgeving van de kreek. De rietgedeelten die bijna verland zijn, zorgen ook voor een meer gevarieerde plantengroei dan de gedeelten met riet en kleine lisdodde in dieper water. In deze eerste zone treffen we interessante groeiplaatsen aan van grote egelskop, groot moerasscherm, zwanebloem, waterzuring, zeebies en gele lis. Het zijn grote planten die omwille van de windgevoeligheid, beschut staan tussen het riet.

Eveneens op of aan het water waar te nemen zijn volgende vertegenwoordigers der eendachtigen: wilde eend, slobeend, bergeend, wintertaling, zomertaling, tafeleend, pijlstaart en kuifeend. Voornamelijk in het najaar treft men op de waterplas groeperingen eenden aan, waarvan het aantal op korte tijd boven de honderden kan stijgen. Een deel van deze eenden zijn op doortrek ofwel zijn het exemplaren die uit de omringende polders wijken voor de jacht. Volledigheidshalve vermelden we volgende soorten die aan de

Lage oeverlanden In de vochtige weide komen een aantal soorten voor die naargelang van de intensiteit van de begrazing, tot bloei kunnen komen. Hier treffen we diverse vertegenwoordigers aan van russen en zeggen (zomp-, tengere en platte rus; moeras-, oever- en ruige zegge), samen met wateren pijptorkruid en kleine watereppe. Verspreid zijn er

De verlanding van de Grote Geule wurdt duidelijk naarmate de tijd vordert (collectie Beverse fotokring, 1978) (zie ook foto's p. 43).

im--:** liwtfeNi

4 e'.

J il

-rw •

XI J

iXil

fC c i :• ^t'nfr'mifnvié^ii0-fr4f}~^

Wï

40

M&L

,•» •!•'.'

Jij •

W0èÊMiïMèm*


Grote walereppe (copyright H. Maes).

Grote egelskop (copyright H. Maes).

ook groeiplaatsen van watermunt, samen met gele waterkers, moerasvergeet-mij-nietje, waterbies en aardbeiklaver. Hier worden voornamelijk broedsels aangetroffen van de kievit. Afhankelijk van de vochtigheid worden de weilanden bezocht door fouragerende of doortrekkende vogels: graspieper, gele kwik, watersnip. Boomformaties Alhoewel het landschap van de Grote Geule in grote mate als 'open' bestempeld kan worden, zijn er een drietal elementen die voor de verticale dimensies zorgen. Een canadabos palend aan het meest verlande gedeelte, wordt beweid. De bomen vervullen hoofdzakelijk de functie van rust- en slaapplaats voor houtduiven die in de winterperiode met honderden de boomkruinen bezetten. De verspreide inplanting van de takken biedt weinig nesthouvast, tenzij voor eksters. Uitermate belangrijk als nestplaats zijn de groepjes knotwilgen die verspreid staan langs het water en langs landbouwuitwegen. De meestal ingescheurde oudere wilgen bieden nestgelegenheid voor ransuil, steenuil, mezensoorten, bos- en holenduif. In de kom van de bomen groeien bitterzoet en vlier als epifyt. Verwaarlozing van onderhoud is oorzaak van aftakeling door het optreden van de watermerkziekte, en inscheuring door te zware boomkruinen. Van recentere datum zijn de wilg- en vlierstruwelen die aangeplant werden om visueel storende achtergronden van de nabije bebouwing van de woonkern Kieldrecht te verbergen. Zij trekken vooral in het najaar doortrekkers aan, omwille van de aanwezige zaden. Evaluatie De beschrijving van het gebied geeft aan dat het een grote natuurwetenschappelijke, historische en esthetische waarde bezit. De waarde zou echter verloren gaan indien er geen beheer werd uitgevoerd dat daar rekening

Broedende fuut (copyright H. Maes).

mee houdt. Het voornaamste aspect van een goed beheer is de voorwaarde dat men het gebied grondig in al zijn elementen kent en dat men de relaties tussen de elementen begrijpt. Momenteel zijn slechts de fysico-chemische eigenschappen van het water en de ornithologische samenstelling goed onderzocht. Alhoewel er verscheidene plantesoortenlijsten over het gebied bestaan, werd het nog nooit op een vegetatiekundige basis onderzocht. Het beheer is dan ook toegespitst op twee voorname zaken: het verzamelen van kennis over het gebied en het uitvoeren van beheersmaatregelen waarvan algemeen aanvaard wordt dat ze een gunstig effect zullen hebben op de evolutie van het gebied met het behoud van de landschappelijke waarden.

Beheer Wettelijke bescherming De Grote Geule en het omringende agrarische gebied werd bij Koninklijk Besluit van 7 november 1978 beschermd als landschap. Deze bescherming van 80 ha was het resultaat van inspanningen van milieugerichte verenigingen (ABLLO, Davidsfonds, K.V.N.S.) en van het gemeentebestuur. De positieve ingesteldheid van de eigenaars van het meest waardevolle gedeelte, was sedert 1972 een niet te veronachtzamen aansporing voor het behoud van het gebied. De bescherming kon het natuurgebied in zijn ongereptheid veilig stellen. Momenteel duiken er echter een aantal problemen op die toen niet konden worden opgelost, onder andere de gevolgen van jacht, te intensieve beweiM&L

41


ding, en infiltratie van water belast met mest- en sproeistoffen. Het opnemen van maatregelen om het natuurgebied in dit opzicht optimaal te beschermen, werd destijds als te verregaand beschouwd. Toch is er vooruitgang geboekt ten gevolge van de 'erkenning' van de Grote Geule. Bij Ministerieel Besluit van 21 december 1982 werd het gebied erkend, dit wil zeggen gelijkgesteld met de natuurreservaten van de overheid. Dit betekende meteen dat de wet op het natuurbehoud (12 juli 1973) van toepassing werd. Hierdoor kon reeds voor een beperkt gedeelte een eind worden gemaakt aan ongeoorloofde jachtpraktijken. Toch is het laatste schot nog niet gevallen. Hiervoor is een aanpassing van het beschermingsbesluit noodzakelijk, vermits bepalingen betreffende de jacht hierin vooralsnog niet werden opgenomen. Het beheer van het gebied wordt ook financieel een stuk minder zorgwekkend, doordat bepaalde beheerswerken ten dele gesubsidieerd worden door het Vlaamse Gewest. Waterbeheer - algemeen Het beheer van waterrijke gebieden staat of valt al naargelang de waterkwaliteit en -kwantiteit in overeenstemming kan worden gebracht of gehouden, met de doelstelling die in de diverse landschapselementen nagestreefd wordt. De waterkwaliteit wordt enerzijds gedetermineerd door een samenspel van fysische, chemische en biologische factoren, die onafhankelijk van menselijke invloed optreden. Zo wordt het zuurstofgehalte beïnvloed door de temperatuur en door plantaardige en dierlijke organismen. Anderzijds wordt de kwaliteit beïnvloed door menselijke handelingen (rioolwaterlozingen, infiltratie en meststoffen, sproeistoffen,...) waarvan de nadelige gevolgen slechts op lange termijn kunnen worden weggewerkt. Meestal is het opsporen en elimineren van de bron van vervuiling een werk van lange duur. De waterkwantiteit wordt bepaald door de natuurlijke omstandigheden (regen of neerslag) en de menselijke ingrepen op de natuurlijke waterafvoer. Aangezien waterkwantiteit en waterkwaliteit even belangrijk zijn, wordt er gestreefd naar ideale omstandigheden voor beide aspecten. Waterbeheer in functie van de landschapselementen Open water en rietvelden Zoals reeds gesteld, is een voldoende hoeveelheid open water noodzakelijk voor de avifauna. Ondiep water betekent versnelling van de verlanding. Dit heeft niet enkel te maken met het droogvallen en begroeien van sliboevers maar ook met het explosief uitgroeien van riet- en lisdoddevelden. Als gevolg van de daling van het waterpeil, kan het zonlicht tot lagergelegen plaatsen doordringen en kunnen waterplanten zich ook gemakkelijker vestigen in de bodem. Uitbreiding van die vegetaties (met weinig soortenrijkdom) geeft slechts broedgelegenheid aan vogelsoorten die daaraan aangepast zijn. Algemeen mag gesteld worden dat het nastreven van variaties in de vegetaties ook de vogelverscheidenheid 42 M&L

vergroot en tevens de populaties stabieler maakt omdat zij minder afhankelijk worden van één biotoop. Lage oeverlanden De lage oeverlanden vormen een zeer kwetsbaar biotoop. De praktijk heeft uitgewezen dat de vegetatie van jaar tot jaar sterk kan verschillen afhankelijk van de waterstand. Een lage waterstand in de winter en de lente is minder gunstig dan een hoge. Een sterke uitbreiding van riet, lisdodde en ruwe bies is hiervan het gevolg. Bovendien wordt door het droogvallen van voorheen ontoegankelijke plaatsen, de beweiding uitgebreid en de bloei van vele planten vernietigd. Een hoge waterstand bemoeilijkt de opname van plantenvoedende bestanddelen, zodat de plantesoorten die minder hinder van deze omstandigheden ondervinden, bevoordeeld worden. Andere soorten krijgen slechts later in het groeiseizoen de kans op te schieten, waardoor hun verbreiding beperkter is. Een hoge waterstand in de winter en de vroege lente schept op de zacht-hellende zuidelijke oever een scala van groeiplaatsen, indien het waterpeil naderhand zachtjes daalt tot het gewenste zomerpeil. Hierdoor vinden velerlei planten met verschillende standplaatseisen een groeiplaats: rode ogentroost, aardbeiklaver, watermunt, watereppe, waterbies, groot moerasscherm, grote egelskop . . . . Beheer in de praktijk Het beheer naar de praktijk toe valt uiteen in onderhoudswerken en instandhoudingswerken. Onder onderhoudswerken verstaan wij de klassieke en in natuurbeschermingskringen welgekende activiteiten als knotten van wilgen, maaien van riet, maken van broedplaatsen en dergelijke. De instandhoudingswerken zijn groter van omvang en zijn meestal van die aard dat het niet-uitvoeren de leefbaarheid van het reservaat grotendeels in het gedrang brengt. Voor de Grote Geule betreft dit: 1. rioolwaterlozingen; 2. begrazing; 3. uitbaggeren van de kreek. Rioolwaterlozingen Teneinde de vervuiling van de kreek door huishoudelijk afvalwater van Kieldrecht en Nieuw-Namen tegen te gaan, werd door de gemeente Beveren een omleidingsriolering aangelegd onder de dijk van de Konings-Kieldrechtpolder. Zodoende komt het rioolwater in de watergangen stroomafwaarts de kreek. Alhoewel bij grote neerslagintensiteit via overstorten op de riolering sterk verdund afvalwater in de kreek geloosd wordt, is dit voor het beheer van het gebied aanvaardbaar gezien het bijkomende verdunningseffect in de kreek zelf. Deze maatregel heeft de waterkwaliteit van de kreek verbeterd. Op het tracé van de riolering werd een wandelpad aangelegd. Tussen het water en dit pad wordt door de beheerswerkgroep een beplanting aangebracht met streekeigen soorten. Daarnaast is er nog steeds de aanvoer van afvalwater van De Klinge (via de 'Linie'), van Sint-Gillis-Waas (via de


De Grote Geide te Kieldrechl (collectie H. Macs, 1955).

Kieldrechl. De Kreek (collectie H. Macs, 1960).

'Broekwatergang') en van Meerdonk. De nadelige invloed van dit afvalwater wordt weliswaar verminderd door de zelfreiniging van de Kieldrechtse Watergang vooraleer deze doorheen het natuurreservaat stroomt.

voor talrijke vogelgroepen, als watervogels, steltlopers en zangvogels.

Begrazing Het beheersplan opgesteld naar aanleiding van de aanvraag tot erkenning als natuurreservaat, bepaalt dat de weilanden palend aan de kreek, een maximale begrazingsdruk kunnen dragen van 3 stuks per ha. In 1983 werd deze norm zeker overschreden. Op sommige tijdstippen liepen tot 15 dieren aan de kreek, wat met een oppervlakte van 4 ha een begrazingsdruk van 3,5 dieren/ ha oplevert. Het merendeel der vegetaties is dan ook nauwelijks tot ontwikkeling gekomen. In 1984 werden moeizame onderhandelingen gestart met de pachter en de eigenaar. Uitbaggeren van de kreek Tengevolge van de vroegere lozingen van rioolwater afkomstig uit Kieldrecht en Nieuw-Namen, heeft zich in de kom vooraan de kreek een aanzienlijke hoeveelheid slib opgestapeld. Reeds meerdere jaren werd aan het Provinciebestuur gevraagd in het onderhoudspakket der waterlopen van tweede categorie een bedrag te voorzien voor het uitbaggeren. In de begroting van 1985 werd een krediet ingeschreven voor de uitvoering van dit werk.

Besluit Het beheer van een natuurgebied zoals de Grote Geule, vereist duidelijke opties. In dit geval wordt gekozen voor een evolutiestadium in de verlanding, waarin het open water het voornaamste element vormt. Een variatie van wateroppervlakte, rietzones en lage oeverlanden en waterpeilbeheersing, schept groeiplaatsen voor diverse plantesoorten en biedt geschikte levensomstandigheden

De realisatie van dit beheer kan omschreven worden als een proces van waarnemen - analyseren - uitvoerbare beslissingen nemen. Het probleem van de rioolwaterlozingen werd gedeeltelijk opgelost. Aan de uitvoering van de gedeeltelijke sanering ging een onderzoek vooraf betreffende de waterkwaliteit, uitgevoerd door de milieudienst van Beveren. Het uitvoeren van de werken leverde geen onoverkomelijke problemen op voor het beheer van het reservaat. Het probleem van de begrazing wacht nog op een uitvoerbare beslissing. Alhoewel er wettelijke voorzieningen zijn, zal de praktijk de landbouwbelangen in overeenstemming moeten brengen met het natuurbeheer. Het uitvoeren van baggerwerken zit nog in de fase 'waarnemen'. Hier doen zich vele problemen voor: wat is de kwaliteit van het slib, waar en hoe diep moet worden gebaggerd, waarheen met het slib? Om hierop een antwoord te geven zal er nog heel wat onderzoek moeten gebeuren. Voetnoten (1) Gysseling M., Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), s.l., 1960, dl. I, p. 526. (2) Gottschalk E., Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland, Assen, 1975, dl. Il, p, 764. (3) Verbist P., Nieuwe Caert vande ghelegentheyt vande Oost en Wester Schelde, vertoonende ook de verdroncken overwaterde Lande niew aengewassen schoren, en de kreek ofte killen in en door de selve lussche Bergen en Antwerpen, soa het nu is, 1638, K.BB, C & P, IV, Bill 8789. (4) Mys M., De geomorfologische omwikkeling van de Noorderkempen en de Scheldepolders (kaartblad Essen, Kapellen en Omgeving). (5) M y s M , o.c.,p. B 59. (6) Natuur- en Stedeschoon v.z.w., Cahier nr. 1, 1981, De Grote Geule p. 7. (7) Gemeente Beveren, Dienst Leefmilieu, Evolutie van de waterkwaliteit van de Grote Geule te Kieldrecht, januari-september 1980, 33 blz.

M&L

43


I

iï£ÉʧM '&k


De Antwerpse stapelhuizen tijdens de 19de eeuw: een architectuur-historisch onderzoek Carl Depauw Kunsthistoricus

Een tiental jaar geleden vond in Antwerpen een colloquium plaats dat gewijd was aan de industriële archeologie van de Antwerpse haven. Dit ging gepaard met een analytisch onderzoek bestaande uit drie luiken: de havenbouw (sluizen, bruggen, dokken,...), de havengebonden bedrijven (rederijen, scheepswerven, stapelhuizen en loodsen,...) en de technische havenuitrusting (stoommachines, krachtcentrales, kranen,...). Stapelhuizen vormen dus een onderdeel van een samenhangend doch complex onderzoeksthema, en de studie ervan moet gepaard gaan met het refereren aan de historische context waarin de haven zich manifesteerde (1).

De historische context Zonder in detail te willen ingaan op de ontwikkeling van stad en haven tijdens de 13de en 16de eeuw, mag men stellen dat het karakter van Antwerpen als trekpleister in deze periodes werd vastgelegd. Voor wat het onderwerp van deze bijdrage betreft zijn het Hessenhuis en de zogenaamde Engelse pakhuizen aan de Venusstraat, resterende getuigen van deze eerste bloeiperiode. De godsdienstige en politieke twisten op het einde van de 16de eeuw betekenden de stopzetting van financiële en economische transacties die de stad hadden gepromoveerd tot een internationaal centrum. Een en ander had de sluiting van de Schelde tot gevolg tussen 1576 en 1792. In 1585 werd Antwerpen bezet door de Spanjaarden, en tengevolge van de scheiding der Nederlanden werd de stad onbereikbaar via de Schelde. De Franse bezetting, op het einde van de 18de eeuw, bracht voor Antwerpen nieuwe impulsen en mogelijkheden die zouden leiden tot een nieuw hoogtepunt in de 19de eeuw (2). De Schelde werd heropend tussen 1792 en 1830. In vergelijking met de 13de en 16de eeuw werd inderdaad in de vorige eeuw een expansie bereikt die, qua materiële voorzieningen, nooit voorheen geëvenaard werd. Vanaf de bouw van het Willemdok (1803-1813) en van het Bonapartedok in 1807, bemerken we dan ook een groeiende activiteit met het oog op een verbetering van de haveninfrastructuur. Die wordt verder uitgebreid en/of verbeterd met het rechttrekken van de rechter-Scheldeoever, de uitbouw van een spoorwegnet, een verbetering van de technische havenuitrusting met verschillende types van hijskranen aan de dokken, drijfkrachtcentrales,... . Parallel lopend met deze ontwikkeling groeiden in Antwerpen de nijver-

heid en industrie, waardoor de exportmogelijkheden toenamen. Deze export en import maakten van de Antwerpse haven een draaischijf in de handel tussen Oost en West. De afschaffing van Scheldetol in 1863 betekende allicht een nieuwe doorbraak en een bijkomende impuls. Het is in deze context dat pakhuizen werden opgericht die moesten beantwoorden aan één wezenlijk onderdeel van de havenorganisatie in het algemeen, namelijk het veilig en snel opbergen van de goederen (3).

Antwerpse stapelhuizen in de 19de eeuw In zijn meest eenvoudige betekenis is een stapelhuis een ruimte die tot doel heeft goederen van allerlei slag en soort op te stapelen en te bewaren voor een bepaalde periode. Het stapelhuis is geen produktieplaats van goederen, maar wel een onderdeel van de transportketen die instaat voor de distributie van de goederen. Indien we echter kunnen spreken van een 'fabrieksfunctionalisme', gaat dit ook op voor het stapelhuis: functionaliteit inzake de lokalisatie, de constructie en de technische uitrusting van het gebouw. De constructie moest maximale bergruimte verschaffen, in combinatie met maximale brandbeveiliging. Ook het transport van de goederen en de manoeuvreerbaarheid in de ruimten stelden specifieke eisen. De constructie die beantwoordde aan deze noden, kwam tot stand via een progressieve ontwikkeling in de bouwnijverheid, gekenmerkt door de toepassing van ijzer. Hout werd geleidelijk aan geëlimineerd, omwille van het brandgevaar, later uit constructieve overwegingen. De introductie op het einde van de 18de eeuw van gietijzeren kolommen, vormde de inzet van de evolutie

Hiernaast: monument naar ontwerp van architect J.J. Winders opgericht in 1883 op initiatief van het stadsbestuur ter herdenking van de afschaffing van de Scheldetol (1863). De illustratie is gelicht uit de Parijse Revue Générale de l'Architecture et des Travaux Publics (1887, pi. 19-20). Voor de achtergrond heeft J.J. Winders een collage gemaakt van zijn eigen ontwerpen en realisaties.

M&L

45


Links hoven en rechts hoven : buitenzicht en interieur van het Hessenhuis t/563-1564) op de Falconrui nr. 51, thans in gehruik als tentoonstellingszaal (foto B.M.L.). Links : tekening van het afgebrande Koninklijk Stapelhuis door B. Bernier, 8 juni 1901 (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet). Onder : gravure door J. Linnig getiteld 'De Werf met het kranenhoofd' (Antwerpen. Stedelijk Prentenkabinet).

m ' '-lui-- -^^S*

46

M&L

jjias I


Boven : slapelhuis. Litho door H. Ratinckx (Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet). Rechts : de afwisseling van houten en gietijzeren pijlers in stapethuis SintFelix.

naar het stalen skelet. De toepassing hiervan in de stapelhuizen verminderde het brandgevaar en leidde tot constructies die ruimer, hoger en breder waren en sneller konden worden opgetrokken (4).

zen op — werd nog ijverig gebouwd. De afbraak van de oude Spaanse Vesten en de ingebruikname van de Zuidschippersdokken in 1881, gaven aanleiding tot nieuwe pakhuisconcentraties, onder te brengen in een zestal sectoren (9).

Lokalisering

De voornaamste bevindt zich aan de oudste dokken, met name het Bonapartedok en het Willemdok. Tot aan het einde van de 19de eeuw waren daar het befaamde Hanzahuis en het Koninklijk Stapelhuis gelegen. Het eerste was een produkt van uitermate intensieve handelsbetrekkingen met de Hanzesteden gedurende de 16de eeuw, en werd opgericht tussen 1564-1568, naar ontwerp van Cornells de Vriendt (1514-1575). Na een volledige verbouwing werd het in 1893 door een brand verwoest (10). Het Koninklijk Stapelhuis was een ontwerp van Lodewijck Roelandt (1786-1864) (11), een leerling van Percier en Fontaine in Parijs. Hij was tevens uitvoerend architect van het Justitiepaleis (1818) en de Universiteit van Gent. De frontgevelpartij van het Koninklijk Stapelhuis (1830) vertoont een zeker dualisme namelijk een centrale vleugel volgens laat-klassieke principes (zuilenpartij en driehoekig fronton), geflankeerd door een deel dat sterk geïnspireerd lijkt op de Italiaanse Palazzi. Het geheel werd op het einde van de vorige eeuw afgebroken, na tal van branden en instortingen.

In 1874 werd door de Gebroeders Ratinckx een soort van inventaris opgesteld die gegevens samenbracht over pakhuizen en hun ligging, uitrusting, benaming, eigenaar, ... (5). Op basis hiervan werden een hele reeks stapelhuizen gelokaliseerd (6). Een aantal ervan bevonden zich in reeds bestaande gebouwen zoals de sinds de Franse Revolutie in onbruik geraakte kloosters van de cellebroeders, de annonciaden, de karmelieten en de alexianen, en in de voormalige Gildenhuizen (7). We moeten ons hierbij rekenschap geven van het feit dat niet alle stapelhuizen uit de vorige eeuw tot ons zijn gekomen. De voornaamste oorzaken van verdwijning zijn brand, afbraak of verkrotting. Zo verdween een hele reeks van magazijnen, al dan niet nieuwe constructies, ten gevolge van de rechttrekking van de Scheldekaden rond 1880. In totaal werden 34 pakhuizen onteigend, wat bijna 13% was van het totale aantal stapelhuizen in 1874. De woningensanering in de Vleeshuisbuurt na de Tweede Wereldoorlog had ook heel wat sloping van kleinere pakhuizen tot gevolg. Nochtans werden toen een aantal merkwaardige pakhuizen behouden en door middel van een wettelijke bescherming van afbraak gered (8). Toch werd er niet enkel afgebroken: na 1870 — het Rapport van 1874 nam een aantal in opbouw zijnde pakhui-

De inhuldiging in 1843 van de spoorlijn Antwerpen-Rijn aan de zuidzijde van deze dokken, deed nieuwe stapelhuizen ontstaan aan de Godefriduskaai en de Oude Leeuwenrui (12). Een groot aantal ervan zijn nog steeds in gebruik (Sint-Felix, Michiels-Loos, Rubens-Noord, Rubens-Zuid, Marnix, Sint-Joseph, Arend, ...). M&L

47


Een tweede sector — met evenwel een geringere densiteit — is gesitueerd rond het Schippers kwartier. Hier werden vaak bestaande gebouwen omgevormd tot pakhuis of magazijn (13). In de omgeving van het Steenplein, vroeger 'de Werf genoemd, werden naast het omvormen van oude gebouwen tot pakhuis ook nieuwe pakhuizen gebouwd. Zo werd het pakhuis van Nottebohm omstreeks 1866 opgetrokken in de Mattestraat, naar ontwerp van Victor Durlet (14). In deze buurt zijn het Vleeshuis en de Gildenhuizen in de Gildekamerenstraat te situeren. Ten zuiden van 'de Werf bevindt zich de Pieter Potbuurt. In de 16de eeuw waren hier de lakenhallen gevestigd, en in de loop van de vorige eeuw werd de bouw van pakhuizen nog gestimuleerd door de aanwezigheid van het goederenstation 'Land van Waas'. De stapelhuizen zijn er doorgaans kleiner van omvang en uiterst eenvoudig in opzet. Een vijfde concentratie van stapelhuizen ligt meer stadinwaarts en is betrekkelijk ver verwijderd van de dokken en de Schelde. Deze pakhuizen werden opgericht rond de Stadswaag, de plaats waar de goederen werden gewogen. De Zuidwijk tenslotte, kreeg op het einde van de 19de eeuw vorm door een snelle opvolging van bouwaanvragen op de gronden van de gesloopte citadel, die daar tijdens de tweede helft van de 16de eeuw werd opgericht en rond het midden van de vorige eeuw werd gesloopt. De meest merkwaardige pakhuizen werden echter pas in het begin van deze eeuw ontworpen. Het Sint-Walburgisstapelhuis, naar ontwerp van A. Van der Gucht, dateert uit 1902 en refereert in zekere zin aan een type van Oudvlaamse hallenbouw met Romaanse inslag (15). Het werd afgebroken in 1970. De bouwaanvraag van het voormalige pakhuis 'Vlaanderen' dateert van 11 januari 1911 en was een ontwerp van H. Van Dijck. Het was één van de eerste architecturale creaties in beton in Antwepen. In navolging van het pakhuis 'La Cloche' aan de Oude Leeuwenrui, werden 'torenconstructies' ingelast om de lift(-en) in onder te brengen (16).

bijzonder decoratief karakter: de gevelfronten aan de landzijde zijn ingesneden met gestileerde plantenmotieven en de gevelfronttoppen worden bekroond door een wapenschild met de Mercurius-attributen, met name stuurwiel en anker. Bij pakhuizen en entrepots gaat het meestal om gesloten constructies in steen, met stallingen voor de natiepaarden, bureaus, magazijnen. Bij entrepots werden evenwel goederen ondergebracht waarop nog geen tolrechten betaald waren. Slaagden de kooplieden er niet in een koper te vinden voor deze waren dan mochten zij die weer uitvoeren zonder dat er in België inkomende rechten werden betaald. Het belangrijkste entrepot was ongetwijfeld het Koninklijk Stapelhuis. Het overgrote deel van de pakhuizen werd genoemd naar de Naties die er gebruik van maakten, en die in vele gevallen ook eigenaar waren van de gebouwen (Werf- en Vlasnatie, Katoennatie, Noordnatie, Tabaknatie, Wijngaardnatie, Hessennatie, ...). Deze naties zijn een typisch overblijfsel uit het tijdperk van gilden en ambachten, en stonden in voor vervoer, wegen, verpakken en opslaan van de geloste of te laden goederen aan de haven (18). Andere namen refereren aan voormalige brouwerijen ('Zwaen', 'Roozenhoef,...), herbergen ('De Vos'), heiligennamen ('Sint-Felix'), mythologische figuren ('Castor'), oprichter en eigenaar van het pand ('Michiels-Loos'), en abstracte begrippen ('L'Union'). De keuze werd ook soms beïnvloed door ideologische achtergronden: vrijgevochten ondernemers verkozen de naam 'Marnix', katholieken daarentegen 'Rubens' (19).

De brandbeveiliging

Stapelhuizen zijn onder te verdelen in drie categorieën (17): hangars of afdaken, entrepots, en de eigenlijke magazijnen en pakhuizen. Een schitterend voorbeeld van de eerste categorie zijn de gietijzeren afdaken aan de Ernest van Dijckkaai en de Jordaenskaai, beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 17 juli 1981. Voor de constructie van de overspanningen en de zadeldaken werden zogenaamde Polonceau-spanten gebruikt, een vernuftig systeem van trek- en duwstangen. Naast dit technisch aspect hebben de afdaken bovendien nog een

In 1854 werd in Londen een werk gepubliceerd over de toepassing van ijzer bij gebouwen met industriële doeleinden. Fairbairn formuleert hierin een aantal brandpreventieve maatregelen voor het pakhuis zoals het realiseren van trappen in ijzer of baksteen, het inlassen van een bakstenen scheidingsmuur tussen de stapelhuizen, gietijzeren pijlers, ramen en deuren en een ijzeren dakconstructie (20). In Antwerpen werd het streven naar brandpreventieve maatregelen aangewakkerd door een aantal branden in pakhuizen en magazijnen. In 1857 legde een brand een groot deel van het Koninklijk Stapelhuis in de as en hetzelfde gebeurde in 1861 met SintFelix. Voor beide gevallen moet nog het veelvuldige voorkomen van hout voor ramen, deuren, vloer- en dakconstructie vastgesteld worden, wat in grote mate zo zou blijven tot de betonconstructie opkwam in het begin van deze eeuw. Bepaalde 19de-eeuwse pakhuizen waren zelfs helemaal uit hout opgetrokken (b.v. Spanjaardsteeg). Dit neemt niet weg dat er maatregelen werden getroffen om een zo groot mogelijke brandpreventie te verzekeren. Zo bouwde men gewelven van baksteen en kalkbepleistering die steunden op muren van metsel-

Hiernaast: detail van de voorgevel van het stapelhuis

, gelegen Godefriduskaai nr. 28 (foto G. Charlier).

Typologie naar aard en bestemming

48

M&L

'Michiels-Loos'


ÉÉlMM>IÉl1*«lH[IMIII MII'V - ^ ^ - ^ - i -

J

i.

^

'


Het voormalig stapelhuis Sint-Walburgis, afgebroken in 1970 (foto G. Dhaem).

Aaneenschakeling van stapelhuizen in de Schaliënstraat nr. 17 tot 29, opgericht + 1858 (foto B.M.L).

Links: pakhuis aan de Kleine Koraalberg nr. 3, gebouwd in 1871 (foto B.M.L.). Onder: pakhuis aan de Waalse kaai nr. 57-58, gebouwd in 1902 (foto B.M.L.).

Stapelhuis Rubens-Noord aan de Godefriduskaai nr. 16, opgericht ± 1858 (foto B.M.L.).

Tabaksvest nr. 48. Pakhuis n.o.v. architect E. Pelgrim, gebouwd in 1905 (foto B.M.L.).

Rechts : magazijn op het Hessenplein nr. 11 13, gebouwd in 1922 (foto B.M.L.)

Onder : pakhuis "Vlaanderen' aan de Waalse kaai nr. 46-49 (foto B.M.L.).

50

M&L


werk; één groot gewelf in plaats van een houten dakconstructie, ... (21). Dit is te verklaren door het in gebreke blijven van ijzer als 'fireproof materiaal. Het eerste pakhuis in Antwerpen waar op opmerkelijke wijze brandpreventieve maatregelen werden geïntegreerd in de constructie, was dezelfde Sint-Felix, heropgebouwd in 1863 naar ontwerp van F. Fauwels. Het gebouw werd in twee panden verdeeld door een centrale los- en laadgang die tevens dienst deed als brandgang. De linker- en rechtervleugel zijn dan nogmaals opgedeeld in twee compartimenten via een zware bakstenen scheidsmuur. De trappen zijn, uitzonderlijk voor die tijd, uitgevoerd in hardsteen en ondergebracht in een gemetselde koker. Die is afgedekt met een koepel in baksteenmetselwerk en afsluitbaar met metalen deuren. Open brandgangen van 2 meter breed scheiden het stapelhuis van de belendende percelen. Er werd opnieuw gebruik gemaakt van gietijzeren zuilen ter ondersteuning van de nog steeds in hout uitgevoerde plafondconstructie. Het brandgevaar werd hiermee wel verminderd, maar van echte 'fireproof warehouses' kan geen sprake zijn.

3=

Llz

1

I

L

De Antwerpse stapelhuizen in de 19de eeuw en hun voornaamste karakteristieken De meest eenvoudige pakhuizen hebben doorgaans een rechthoekig grondplan. Naargelang het gaat om ingewikkelde constructies komen eerder onregelmatige plattegronden voor, waarin tal van magazijnen, bureaus, een stal en een smidse zijn vervat. Plattegronden en ligging waren sterk afhankelijk van de beschikbare gronden. Een erg functionele ingeving was het oprichten van de pakhuizen rond een soort van binnenkoer of gang, wat voordelen opleverde bij het lossen en laden omdat dan niet op de openbare weg gewerkt hoefde te worden. Voorbeelden hiervan zijn 'Sint-Joseph' en 'Wijngaardnatie', Oude Leeuwenrui 32-34 (22). De Antwerpse stapelhuizen kunnen op basis van een stijlanalyse van de gevel worden ingedeeld in twee tendenzen: een decoratieve, waarbij men de toenmalige actuele stijlen imiteerde, en een meer sohere functionele, inherent aan de functie van het stapelhuis en bijgevolg losgekoppeld van decoratieve beslommeringen. Bij de eerste soort werd het sombere uitzicht doorbroken door de toepassing van verschillende bouwmaterialen naast elkaar, zoals rode, blauwe of zwarte baksteen, kalk- en zandsteen. Enkele 19de-eeuwse pakhuizen passen de traditionele Brabantse bak- en zandsteenstijl toe, verwijzend naar het Hessenhuis en Hanzahuis. Bij het pakhuis Rubens-Noord wordt de trapgevel geflankeerd door twee traveeën (ca. 1858), bovenaan bekroond met kantelen, duidelijk geïnspireerd op de middeleeuwse vestingarchitectuur. De Vlaamse Renaissance diende de architecten L. en H. Blomme tot inspiratie bij hun ontwerp voor de voormalige stallingen en magazijnen van de brouwerij Brys aan de Burburestraat in de Zuidwijk, nabij de Zuidschippersdokken. Het toepassen van korfboog, rondboog en gedrukte spitsboog naast opklimmen-

Oude Leeuwenrui nr. 13. Stapelhuis Rubens-Zuid. Plattegrond en dwarsdoorsnede (Stad Antwerpen. Technische Dienst Haven).

de lisenen, rondboogfriezen, een oculus in de centrale puntgevel, muurankers en het schikken van baksteen volgens geometrische motieven in bepaalde hoogvelden, maken van de gevels van de pakhuizen niet alleen een levendig en bijzonder ritmisch geheel, maar verraden bovendien het eclectisch bewustzijn bij de ontwerpers en/of de opdrachtgevers. De tweede tendens zou men kunnen omschrijven als 'strikt sober en functioneel'. Doorgaans zijn deze pakhuizen kleiner qua opzet. Hun eenvoudig karakter is meestal een gevolg van de beperkte financiële middelen waarover hun opdrachtgevers beschikten. De ramen — indien er zijn — volgen eenzelfde vorm over het hele complex, namelijk rechthoekig of korfboogvormig afgewerkt. Natuursteen wordt enkel toegepast voor de eventuele pullijst, de kordon en de raamdorpels. Vaak waren de onderscheiden verdiepingen enkel te bereiken via een houten, verplaatsbare ladder. Slechts een beperkt aantal pakhuizen beschikte over een kelder, wat een logisch gevolg mag heten van het streven naar functionaliteit. Het verplaatsen van de goederen gebeurde immers sneller en efficiënter in de ruimere en bredere, hoger gelegen delen van het stapelhuis. De gewelfde kelders van het pakhuis Rubens-Zuid — de oudM&L

51


Interieur van het stapelhuis Marnix aan de Godefriduskaai, circa 1860-1870 (foto B.M.L.).

gebouwd

ste nog bestaande — zijn in baksteenmetselwerk uitgevoerd. De interessantste realisatie van een kelder vinden we in het stapelhuis Sint-Felix, waar spitsbooggewelven in baksteenmetselwerk werden toegepast. Van 1880 af zouden ijzeren I-liggers met troggewelven uit baksteen als opvulmateriaal, ook voor kelders worden toegepast (of. supra). De oudste generatie pakhuizen werd doorgaans inwendig uit hout samengesteld. Het pakhuis Marnix is hier nog een laat voorbeeld van (1868). De drie bouwlagen worden hier gescheiden door een volledig van de muur vrijstaande, houten vloerconstructie die rust op moer- en kinderbalken. De moerbalken worden ondersteund door houten standvinken, met slof en schoren, die de stapelruimten in drie beuken verdelen. Gelijkaardige realisaties vinden we nog terug tot rond 1885, maar in bepaalde gevallen werden kleine correcties uitgevoerd. Zo werden de standvinken in pakhuis Egidius (1862) op hardstenen sokkels geplaatst, en de moerbalken verankerd in de bakstenen zijgevel (23). De eerste gietijzeren pijlers werden, zoals reeds werd opgemerkt, toegepast in Sint-Felix, met de eerste bouw ervan in 1858 en de tweede in 1862. Bijzonder merkwaardig is wel dat, evenals in het aanpalende pakhuis Michiels-Loos (1863), de onderlinge afstand tussen de zuilen, na omrekening, afgeronde Engelse maten geeft: Michiels-Loos : 4,74 m bij 3,50 m (= 15 1/2' bij 11') Sint-Felix : 3,96 m bij 4,58 m ( = 15' bij 13') Hetzelfde geldt trouwens voor de doorsnede en de hoogte van de gietijzeren pijlers: b.v. Michiels-Loos: Verdieping

Doorsnede pijler

Hoogte pijler

0 1 2 3 4 5

273 mm 254 mm 242 mm 216 mm 197 mm 178 mm

2,90 m 2,44 m 2,44 m 1,98 m 1,98 m 1,74 m

52

M&L

(10 3/4") (10") (9 1/2") (8 1/2") (7 3/4") (7")

(9 1/2') (8') (8') (6 1/2') (6 1/2') (5 3/4')

Hessenplein nr. 23. Detail van dubbele 1-ligger op gekraagde (foto B.M.L.).

kolom

Aldus mogen we veronderstellen dat het bouwplan van beide pakhuizen voor een gedeelte Engels geïnspireerd is. Het is niet uitgesloten dat de zuilen in Engeland gefabriceerd werden en daarna naar Antwerpen geëxporteerd. De gietijzeren zuil, toegepast in het pakhuis Michiels-Loos, heeft het volgende profiel: een zuilschacht, die rechtstreeks op de grond staat en waarop vier aangegoten dubbele ribben zijn bevestigd die haaks op elkaar staan en de ruimte helpen verdelen door middel van houten schotten. Zodoende konden op één verdieping verschillende goederen op een ordelijke en overzichtelijke manier, ondergebracht worden. Op het draagvlak van het kapiteel bovenaan (zuil en kapiteel werden in één stuk gegoten) werd een houten slof geplaatst als verbinding met de moer- en kinderbalkenconstructie. Slof en moerbalk zijn gevat in een kolomhoofd dat loodrecht op het kapiteel, op de langste zijden, staat en ermee verbonden is door vier zeskantige bouten. Het aanwenden van troggewelven in baksteenmetselwerk, gevat tussen ijzeren I-balken en ondersteund door gietijzeren zuilen, blijkt een constructieve innovatie eveneens ontleend aan de Engelse pakhuizen; pas op het einde van de 19de eeuw werd ze algemeen gangbaar in de Antwerpse stapelhuizen (b.v. pakhuis van de Werfen Vlasnatie aan het Hessenplein, 1891). In de context van de structurele, economische en industriële ontwikkeling van de Antwerpse stad en haven in de 19de eeuw, werden pakhuizen opgericht die moesten beantwoorden aan de vraag naar snelle, veilige en efficiënte goederenbehandeling. Dit aspect vraagt om een architecturale realisatie met 'functionele' ingeving. De Antwerpse pakhuizen die aan deze voorwaarden voldoen, vormen een wezenlijk onderdeel van een tendens in de 19de-eeuwse architectuur die gekenmerkt wordt door een strikt zakelijke en functionele behandeling van het gebouw in het algemeen. Bovendien passen ze zich in in een progressieve ontwikkeling in de bouwnijverheid op gang gebracht door nieuwe en veelbelovende materialen als glas, ijzer en later beton. Naast het Centraal Station en het eerste ontwerp van de Handelsbeurs, beschikt men in Antwerpen over een representatieve


groep, de stapelhuizen, om deze ontwikkeling in de architectuur te illustreren. Vooral de Engels-geïnspireerde pakhuizen (vanaf 1858) zijn hiervoor van een onmiskenbare waarde. Hun aanwezigheid in het stadsbeeld, en vooral de concentraties aan de oudste dokken, zijn van groot belang onder meer als getuige van het 19de-eeuwse haven- en stadsbeeld. Het behoud van de stapelhuizen is uiteraard best verzekerd wanneer ze nog steeds als pakhuizen worden gebruikt (24). Voetnoten (1) Zie publikaties n.a.v. Colloquium Industriële Archeologie van de Antwerpse haven, 1974, o.a. in: Anlwerpen, Tijdschrift van de Stad Antwerpen, XXI, 1, april 1975. (2) Prims F., Geschiedenis van Antwerpen, Deel I-IV, Brussel, N.V. Standaard Boekhandel, 1927-1951. (3) De Kesel L., 'Structurele ontwikkeling van de haven 1803-1914', in Bouwstoffen voor de geschiedenis van Antwerpen in de XIXde Eeuw, Antwerpen, 1964, p, 127 e.v. (4) Poulinyi A., The first fireproof buildings in England, in Eisen Architektur, 1978, Colloquium Bad Ems Icomos, Mainz, 1979. Oosterhoff J., Draagconstructies van gebouwen, ontwikkeling van de bouwtechniek. Delft, 1976.

Het heropgebouwde Koninklijk Stapelhu

(5) Gebr. Ratinckx, Inspection générale des risques commerciaux et industriels des royaumes de Belgique et de la Hollande, Rapport sur les magasins, entrepots et risques industriels de la ville d'Anvers, 1874. Dit rapport is van onschatbare waarde voor de studie van de Antwerpse 19de-eeuwse stapelhuizen. Volgens A. Thijs, doctor Letteren en Wijsbegeerte (geschiedenis) en werkleider aan de U.F.S.I.A., bevindt het rapport zich in de bibliotheek van de U.F.S.I.A., maar dit kon nog niet worden achterhaald. (6) Thijs A., 'Pakhuizen te Antwerpen in 1874, een balans na 100 jaar, in Antwerpen, Tijdschrift van de Stad Antwerpen, XXI, 1975, april, 1, p. 20. (7) Zo werd het voormalige gildenhuis van de vleeshouwers (thans het Museum Vleeshuis) in 1841 verkocht aan de wijnhandelaarsfamilie Peyrot, die het inrichtte als wijnstapelhuis. In 1899 ging het pand over naar de Stad Antwerpen. (8) Pakhuis Palingbrug, 8 werd bij K.B. van 17 juli 1981 beschermd als monument. (9) Van Den Nieuwenhuizen, De stadsuitbreiding van Antwerpen tussen 1860-1914, in Antwerpen, Tijdschrift van de Stad Antwerpen, VI, 1960, p. 110-121. (10) Over dit gebouw is nog een rijk gamma van iconografische gegevens voorhanden in het Stadsarchief Antwerpen (SAA) en het Stedelijk Prentenkabinet van Antwerpen (oude foto's, gravures, tekeningen en schetsen,...). Ook het Archief van de Technische Dienst van het Havenbedrijf beschikt over een aantal interessante gegevens betreffende het Hanzahuis.

de Entrepotkaai, opgetrokken tussen 1901 en 1906 (foto G. Charlier).

M&L

53


Himlcr A.. 'Historiek en voorgeschiedenis van het Hanzahuis te Antwerpen, in Antwerpen. Tijdschrift van de Stad Antwerpen, XX, 1974, 3, september, p. 99-111. (11) Cloquet L., Roetandt, Louis Joseph Adrien. in Biographic Nationale Publiée par l'Académie Royal des Sciences, des Lettres et de BeauxArts de Belgique. XIX, Bruxelles, 1907, kol 635-641. (12) Vande Weghe R., Geschiedenis van de Antwerpse straatnamen, Antwerpen. Mercurius, 1977, p. 85: 'Bij de overwelving van de gracht van de Ankerrui ea. 1840, met het oog op de aanleg van de zgn. Rijnof havenspoorweg ontstond nu ook aan de zuidzijde een behoorlijke weg. De spoorweg liep van het station van St.-Willebrordus via de Rijnpoort naar de Entrepots, de dokken en de Rijnkaai'. (13) De Lattin A., Evolutie van het Antwerpse stadsbeeld, in geschiedkundige kronycken, IV, Antwerpen, 1944, p. 7. (14) SAA, MA 20.120 doss. 579 (17.10.1866). (15) SAA, MA 20.381 doss. 2242 (1902) SAA, MA 20.392 doss. 1888 (1903) De eerste bouwaanvraag van 1902 werd niet goedgekeurd omwille van het feit dat de afmetingen van de kelderroosters aan het trottoir niet in regel waren met de voorgeschreven richtlijnen. Hierop volgde een ware "correspondentieslag" tussen de eigenaar, of beter oprichter, van het pand en het Antwerpse stadsbestuur. De briefafschriften van beide partijen werden in het dossier van 1903 opgenomen. (16) Volgens de laatste berichten wil de Provincie Antwerpen het pakhuis "Vlaanderen" aan de Waalse Kaai verwerven om er het foto- en filmmuseum onder te brengen. Gazet van Antwerpen, woensdag 29 februari 1984, p. 22. (17) De heer Himler, technisch inspecteur Studiebureau Havenwerktuigen van het Havenbedrijf Technische Dienst van de Stad Antwerpen, verdeelt de pakhuizen in Antwerpen op in 5 groepen: afgesloten pakhuizen in steen en/of beton, opgericht op privé-initiatief of door de Staat of Stad voor de algemene handel; houten loodsen en open afdaken opgericht door de stad aan de haven met hetzelfde doel; ijzeren open afdaken; petroleumopslagplaatsen; gespecialiseerde graanmagazijnen. (18) De Smet R., Les Nations, uittreksel uit // Diretto Marittimo, Genua, 1964, p. 7. (19) Thijs A., ibidem, p. 20-24 Het is misschien wel interessant om te verhalen hoe het pakhuis "Arend" aan de Oude Leeuwenrui aan zijn naam kwam. Alle gepubliceerde artikels in tijdschriften en kranten vermelden de naam Arend' voor het gebouw. Deze benaming stamt voort uit de sculptuur, voorstellende een arend en een jong in een nest, die is aangebracht boven de centrale hoofdingang aan de gevel van de Oude Leeuwenrui. Armand de Lattin maakt in zijn gids 'Doorheen Oud-Antwerpen" melding van deze sculptuur. Volgens de auteur is dit halfverheven beeldhouwwerk afkomstig van de gevel van het huis "De Pelicaen", dat reeds vanaf de 17de eeuw toebehoorde aan de Antwerpse brouwersfamilie Van den Bergh. Bij nader inzicht blijkt de veronderstelde arend ook veel meer weg te hebben van een pelikaan. Dit euvel bij het herkennen, of beter het onderscheiden, van een arend en een pelikaan, wordt vooral in de hand gewerkt door het bijzonder archaiserende en naïeve karakter van de voorstelling. Hoe dan ook, de algemeen gangbare benaming voor het gebouw is het gevolg geweest van een haastige en verkeerde interpretatie van de voorstelling van de sculptuur.

(20) Fairbairn W., On the Application of Cast and Wrought Iron to Building Purposes, London, 1854. (21) Schaffers V.F., Anvers considéré sur Ie Rapport de ses travaux maritimes, d'agrandissement et de transformation, Anvers, 1868, p. 3839. (22) SAA, MA 20.113/3 doss. 765 (8.1.1863). (23) SAA, MA 20.125/1 doss. 530 (1868). SAA, MA 20.126 doss. 761 (1868) SAA, MA 20.127/2 doss. 181 (1869) Het plan van dit pakhuis werd tweemaal gewijzigd; er werd telkens een verdieping bij ontworpen. (24) Nochtans zijn er in Antwerpen een aantal pakhuizen met een "gewijzigde' bestemming: het imposante 'Entrepot du Congo', een neorenaissancistische realisatie op de hoek van de Sint-Jansvliet en Plantinkaai, werd gerenoveerd tot appartementen met woonfunctie; hetzelfde gebeurde met een pakhuis in de Korte Brilstraat; een pakhuis van de Noordnatie, gelegen in de Zuidwijk aan de Waalse Kaai, werd een jeugdcentrum; de zolders van het pakhuis 'Arend', gelegen aan de Oude Leeuwenrui, werden ingericht tot refter voor het personeel van de firma Belgian Pakhoed, eigenaar van het gebouw; het pakhuis 'Vlaanderen" werd in 1977-1978 voor een groot deel verbouwd tot bureaus.

Beknopte Bibliografie — Industriële revoluties in de Provincie Antwerpen, redactie o.l.v. R. Baetens, Antwerpen, Standaard Boekhandel, 1984. — Baetens R., Typologie van de bronnen voor de studie van de Industriële Archeologie van de Haven, in Antwerpen, Tijdschrift van de Stad Antwerpen, XXI, 1, 1975, p. 5-13. — Binnenmans R. en Van Cauwenbergh G., Ons Antwerpen, autobiografisch prentenboek van een stad in de Belle Epoque, Antwerpen, S.V. Ontwikkeling, 1976. — Depauw C , De Antwerpse stapethuizen, en meer in hel bijzonder een 19de-eeuws pakhuiscomplex in het bezit van Belgian Pakhoed te Antwerpen: een grondig architectuur-historisch onderzoek in het kader van de Antwerpse haven tijdens de vorige eeuw, 4 dln. Gent, RUG-HIKO, 1981-1982, onuitgegeven licenciaatsverhandeling. — Fierens J., Antwerpse stapelhuizen, een balans van 1850-1910 NHIBS, Antwerpen, 1977, onuitgegeven proefschrift. — Giedion S., Space, Time and Architecture, Harvard University Press (Mass.), 1941. — Himler A., Antwerpse pakhuizen uit de I9de eeuw, in Hinterland, nr. 91N, januari-februari, 1977. — De Kesel L., Structurele ontwikkeling van de haven 1803-1914, in Bouwstoffen voor de geschiedenis van Antwerpen, Antwerpen, 1964, p. 127 e.v. — Prims F., Antwerpen door de eeuwen heen, Antwerpen, De Sikkel, 1951. — Thijs A., Pakhuizen te Antwerpen in 1874, een balans na 100 jaar, in Antwerpen, Tijdschrift van de Stad Antwerpen, XXI, 1, 1975, p. 16-25. Als afsluitingsdatum voor deze bijdrage gold 1 maart 1984.

Bibliografie 'Kastelen en Buitenplaatsen' — Baetens R., Schoten. De geschiedenis van een tweeluik, Schoten, 1982. — Bousse A., Geschiedenis van Schilde, Schilde, s.d. — Baudouin, F., Aantekeningen over het kasteel van 's Gravenwezel en de Antwerpse bouwmeester Jan Pieter van Baurscheit de Jonge, (onuitgegeven nota), 1978. — Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, Provincie Antwerpen. Arrondissement Antwerpen, deel 10n, Gent, 1985. — Gijpen L., Krans van kastelen in de provincie Antwerpen, Antwerpen. 1960. — Het groot kaslelenhoek van België, 2 delen, o.l.v. L. Génicot.

54

M&L

/. Burchten en hoevekastelen, Brussel, 1976. //. Kastelen en buitenplaatsen, Brussel, 1977. — Leroy J., Castella et Proetoria nobilium, Brabantiae et coenobia celebriora..., Antwerpen, 1694. — Prims F., Het verschil tussen 'Burchten' en Speelhoven, in Antwerpiensia, XXII, 1952, p. 197-199. — Reinink A.W. en Vermeulen J.G., Ijskelders. Kocltccbnickcn van weleer. s.L, s.d. — Tijs R., Kastelen, lusthoven en huizen van playsantie te Antwerpen, in Antwerpen, driemaandelijks tijdschrift van de stad Antwerpen, nr. 4, december 1984, p. 167-177. — Van Hemelrijck M., De Vlaamse krijgsbouwkunde, Ticlt, 1950.


Summary Castles and Country Residences, Parks and Gardens The publication of another volume of the inventory series 'Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen' (Buildings of Flanders through the Centuries), this time on the subject of the Antwerp district, gave rise to the present contribution intended as a text of reference for the attendent exposition. The numerous castles and country residences with their parks and gardens have put a determinative mark on the district's architecture from the earliest building periods till present. The evidences of the oldest castles are scanty; they always represent a conglomerate of styles, rebuilding and restoration. The first castles to be soundly preserved date from the late 18th and the 19th century. As such we arrive at a difference between castle and country residence: the former is older, and is related to the feudal system, whereas country residences are products of a period of economic boom and date mainly from the 18th century on. They were built either as a second abode for the well-to-do people or as a permanent residence for the local nobility and rich, emigrated townspeople. The very first castles were donjons built on a mound and surrounded by a circular wall and a moat. Later on the donjon became integrated into an entire complex ('Bossenstein' at Broechem, Doggenhout' at Ranst, 'Cleydael' at Aartselaar). Not only did the initially central donjon lose its abiding function, it saw its prestigious and defensive character externalized in new turrets (castle of 's Gravenwezel) and gate-houses ('Jan Vleminck' tower at Wijnegem). Defensive elements were besides moats, either single ('Cleydael' at Aartselaar, 'Broechemhof' at Broechem) or double (castle of Schoten), and the closed, rectangular or square plan. The castle compulsory being a closed economic system explains the going together of the castle and a farm with vegetable garden, orchard and meadows. The 'Hazeschranshoeven' at Edegem were moated in the 17th century and partly fitted up as a country seat; Mishaegen castle at Brasschaat goes back upon two 15th-century farms. As the years proceeded the central function of the farm was often yielded to the castle. But 'Cleydael', for instance, did keep a very extensive farm. The historical context accounts besides for the alternating proprietors of the castles and country residences; the landed nobility, powerful till the 13th century, was pushed back by the enriched townspeople. The Van de Werve family is notorious in this respect. Initially belonging to the Antwerp bourgeoisie the Van de Werve's became landowners who bought and sold properties. Many people of this new well-to-do class could afford a second abode in the circle of greenery around Antwerp. These country seats were either simple farms or jewels of ostentation and taste, dependent on the wealth of the proprietor. Simultaneously the feudal castles abandoned some of their sturdy and defensive character. Yet the real breakthrough of renovated castles and the emergence of country residences date back to the 17th century only. Most of the castles were extended in the late 16th and the 17th century ('Cleydael', "s Gravenwezel', 'Bossenstein'). Castles and pleasure houses were built new, mainly in the traditional architectural style applied for town architecture. Additional elements could derive from the lateGothic, Renaissance or Baroque style. Only after 1750 did French-Italian Classicism break through, with J.P. van Baurscheit the Young as its front runner. Its most salient feature is the radical symmetry as to the setting of the buildings based on a Ushaped ground-plan. The older castles were either restored or rebuilt in this style. The recent evolution of castles and country residences is related again to the historical context. The abolition of feudalism by the French

Revolution put an end to the seigniorial rights of the lords, but not to their power. They transformed their former castles into luxury resorts adapted to the contemporary fashion and needs. The new and rich industrialists, striving to be a match for the old nobility, erected castle-like abodes with towers, bays and battlements, mostly in Eclectic style or neostyles. The greater part of the restorations and new built castles date from the late 19th and 20th century only. 'De Eester' at Sint-Lenaarts was built in 1890 in neo-Flemish Renaissance style; 'Torenhof at Brasschaat was built in Eclectic style in 1896-7; the castle of Oostmalle was externally restored in 1920 and acquired a neo-Flemish Renaissance outlook, whereas its interior got all kinds of neostyles. The First World War put an end to the building of new large castles and country residences. The well-to-do bourgeois now builds smaller country houses: cottages at first inspired on the English examples; later on country houses were built in Neoclassical or Neobaroque style; still later did Functionalism and the new 'farmstyle' become popular. A number of castles and country residences maintained their initial function as dwelling house ('Hof ter Linden' at Edegem, 'Groeningenhof at Kontich...). But in most cases the costs of upkeep had become too high and compelled to look for another function. The castle of Schoten has become a cultural centre; 'Gelmelenhof is a police station; 'Ertbrugge' at Wijnegem is a home for children... . At present most of the castles and country residences are still surrounded by parks and/or gardens. The natural elements are a first and indispensable constituent. In the immediate vicinity of the building one comes across grass-lands, flower-beds, vegetable gardens, orchards... . Trees, the main constituent of the park, are situated at a further distance. Occasionally the park passes into a forest or pastures and arable land. Apart from the greenery water plays an important róle. Water courses are being integrated in the park to feed the ditches or as part of the moat. New dug waters may have different meanings; they can be intended as a delimitation or line of defence; there are ornamental lakes on the other hand as part of the formal layout of the park. The relief finally, does not display many differences of level. The rather high hills in the landschape are thus mostly of an artificial origin. They may be a mound, or an isolating stratum on top of an ice-house, or merely a style figure. With these elements of nature on hand, man could compose the layout of the park. As most of the layouts at present date from the 19th-20th century we depend on documents to get information on the former layout. The 18th century produced formal gardens with a draughtboard or star-shaped pattern. The ornamental waters were of a firm line. The picturesque garden, later developing into the 'landscape garden', originated at the end-18th century, and has a more natural and spontaneous compostion. The garden ornamentation comprises elements like statues, vases, obelisks, trompe I'oeil arches, which all perform a perspective function. Terraces and stairs secure the transition between the castle and the garden. The garden pavilion appears frequently from the 18th century on. But there are functional elements as well. Bridges — that may be decorative — were needed to cross the moats or other waters in the garden; gates — ornamented or not — were intended to close the domain; the staff had to be housed, in the gardener's or forester's houses... ; orangeries had to shelter the exotic plants in winter times; the ice-house stored the ice needed for the entire year.

M&L 55


Similar to the castles and country residences the costs of upkeep of parks and gardens mounted to such a degree that private proprietors could no longer afford it. Many of the properties became public parks, other ones were even transformed into built-up areas. Yet this part of our heritage is too important to completely disappear. A lot of evidences have been obliterated by now. We can only wish the evidences left to be handled with extreme cautiousness and to be preserved for the generations to come.

The 'Grote Geule' at Kieldrecht The northeast of the province of East Flanders is a typical polder landscape. In this of old low-lying area a second dikingsperiod was started during the 17th century. In 1584 the old dikes were pierced by the 'Staatsen' (protestants from Holland) to stop the advance of the Spanish troups commanded by A. Farnèse. In the period before the diking a system of tidal channels was formed. The 'Grote Geule' at Beveren (Kieldrecht) and Sint-Gillis-Waas (Meerdonk) formed part of this system of channels or creeks. As the 'Konings-Kieldrecht' polders were diked from 1649 to 1654 the tides of the Scheldt did no longer affect the creek. From then on the creek and the surroundings have grown into a varied entity composed of a small but protracted lake, reed-lands, grass-lands, clumps and rows of pollard-willows and trccforraations. These characterizing landscape elements which generated from small-scale agriculture, contributed to the esthetic value of the creek landscape. Furthermore this area has an important botanical and ornithological value. Since it lies on a migration route, vast concentrations of waterbirds are found during the migration period (Shoveler, Pintail, Shelduck, Tufted duck...). Various brood-birds are present as well: Great Crested Grebe, Reed Warbles, Reed Bunting, Sedge Warbles, Marsh Harrier... . The vegetation of the surrounding meadows is influenced by the brackish ground-water and therefore typical of this polder-area. The preservation of the above-mentioned values was the motive to protect this area as landscape by Royal Decree of 7 November 1978 (Act of 7 August 1931 on the Preservation of Monuments and Landscapes). The Royal Decree of 21 December 1982 (Act of 12 July 1973 on the Preservation of Nature) recognized part of the protected landscape as a nature-reserve. Hence this part comprising the lake and the surrounding low-lying grasslands is managed by the 'Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon' (Royal Society for Land and Townscapes). The primordial goal of the international management is the preservation of the present values. The scenery or esthetic value is kept through the maintenance and planting of pollard-willows. The reserve is an important sanctuary for waterbirds; the extension of reed-lands has to be kept under control. On the surrounding meadows the grazing density has not yet been completely dealt with. Agricultural interests require a larger number of animals per unit than the 3 animals per ha proposed in view of the optimum botanical results. The management had to deal with a large number of external problems but most of all with water-pollution. Due to the co-operation of the municipality of Beveren the point-source pollution of the village of Kieldrecht has been solved. Still there will always be the non-pointsource pollution (agricultural wastewater) that awaits a sollution.

56

M&L

The Antwerp Warehouses of the 19th Century. An Architectural-Historical Inquiry. The Antwerp warehouses form part of the coherent though complex totality of the town's harbour, considered in its historical context. A few old warehouses still testify to the first heyday of Antwerp in the 13th-16th century. The closure of the River Scheldt from 1585 to 1792 brought about a period of economic inactivity, which would fiercely contrast to the enormous expansion in the 19th century of the harbour's infrastructure and, parallel, of trade. Warehouses constitute a link in the industrial process and were erected for the purpose of storing and preserving products for a particular period. One distinguishes between open constructions, the sheds (Ernest van Dijckkaai; Jordaenskaai) and closed constructions, either bonded warehouses or the proper warehouses, with this difference that the former store goods which no tariff is paid for. The location, construction and technical equipment of warehouses came about in answer to the demands of factory functionalism. Warehouses were either housed in existing buildings or built new. The end19th century knew an intensive building-period of warehouses resulting in six concentrations: there was one at the oldest docks (with the Hanzahuis and the Royal Warehouse), in the Schipperskwartier, in the vicinity of the Steenplein (Nottebohm), in the Pieter Potbuurt, at the Stadswaag and, finally, at the Zuidwijk. But the most salient warehouses date from the beginning of our century: St Walburgis's Warehouse was built in 1902; the building request of 'Vlaanderen' dates from 1911. The strife for fireproof warehouses was partly incited by the great fires of the Royal Warehouse in 1857 and of St Felix in 1861. St Felix was the first warehouse to see fire-preventive measures incorporated into its construction in 1863. A central fire-break separated two main parts, which were each further subdivided by a brick wall. The ashlar stairs were placed in a brickwork shaft. Cast-iron columns were applied to support the still wooden roof-construction... . As to the style features the Antwerp warehouses of the 19th century divide into two tendencies: the decorative one is characterized by the application of several building materials and diverse style imitations; the functional tendency attaches importance to the strictly sober and functional elaboration of the construction. The oldest warehouses had an internal wooden composition. Marnix warehouse (1868) is a late example of this kind. Cast-iron columns were introduced in 1858, with the reconstruction of St Felix. With Michiels-Loos (1863) it betrays English inspiration as to the plan: the intervals between the columns and the height and section of the cast-iron columns give English measures in round figures. The brickwork segmental vaults running between iron I-section girders and supported by cast-iron columns, became current only at the end of the 19th century (e.g. Werf- and Vlasnatie, 1891). The warehouses of the 19th century constitute an essential part of the 19th-century architectural tendency towards functional building in general. They fit into the new and progressive development of architecture instigated by new materials like glass, iron and, later, concrete. The warehouses are supplementary evidence, next to the Central Station and the first designs for the Handelsbeurs, of this evolution in architecture. As such their preservation is of the utmost importance, the more as they are characteristic of the 19th century view of the town, and of the harbour in particular.


is de naam van een serie van zes reprodukties op prentbriefkaartformaat, die de aandacht willen vestigen op het art-nouveau- en art-décopatrimonium, dat Brussel rijk is. Het uitgangspunt van deze reeks was een aantal akwarellen van Myriam Dierickx. Zij koos enkele architecturale details en verwerkte er menselijke figuratie in. De reeks, opgeborgen in een handig mapje, kan besteld worden door overschrijving van 120 fr. op rek. nr. 000-2001776-84 van het Fonds voor Monumenten- en Landschapszorg met vermelding 'Brussels detail'. Wie een M&L-abonnement cadeau doet aan vrienden, kennissen of nog familieleden, krijgt automatisch dit bekoorlijk mapje toegestuurd. Het volstaat onderstaande bon - kan ook door een berichtje - terug te sturen.

Mevrouw, Mijnheer wonende schenkt een jaarabonnement M&L aan :

wonende Na storting van 720 fr. op bovenvermelde rekening met vermelding 'M&L-cadeau' ontvang ik 'Brussels Detail'.

Terug te sturen naar A.R.O.L., Bestuur Monumenten en Landschappen, t.a.v. L. Tack. Belliardstraat 14-18. 1040 Brussel.


CEMENTINJECTIE

POLYMEERCHEMISCHE HOUTRESTAURATIE

EPOXYINJECTIE

ONDERWATERINJECTIE

Slopen hoeft niet: N.V. E.C.C, restaureert oude metselwerken, houten balken, natuursteen, beton, enz... Ook uitwendig gelijmde wapeningen en verlijmingen. Lost extreme problemen probleemloos op. En brengt tevens het herstelde op zijn oorspronkelijke sterkte terug. Zonder hak- en breekwerk. Snel en zeker.

NEEM LIEVER DE TELEFOON EN BEL NV. ECG. 03-828.94.95 (5L.) N.V. E.C.C. Terbekehofdreef 50-52 - 2610 Antwerpen Tel. 03/828.94.95 (5 I.) - Telex 73332 ECC


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
M&L_4_5.pdf by Vlaanderen-be - Issuu